diff options
Diffstat (limited to '14850-8.txt')
| -rw-r--r-- | 14850-8.txt | 8812 |
1 files changed, 8812 insertions, 0 deletions
diff --git a/14850-8.txt b/14850-8.txt new file mode 100644 index 0000000..55bd698 --- /dev/null +++ b/14850-8.txt @@ -0,0 +1,8812 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het zwevende schaakbord, by Louis Couperus + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het zwevende schaakbord + +Author: Louis Couperus + +Release Date: January 31, 2005 [EBook #14850] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET ZWEVENDE SCHAAKBORD *** + + + + +Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed +Proofreading Team + + + + + + +LOUIS COUPERUS + + +HET ZWEVENDE SCHAAKBORD + + +1922 + + +GEDRUKT TER DRUKKERIJ VAN DE WERELDBIBLIOTHEEK + + +NEDERL. BIBLIOTHEEK +ONDER LEIDING VAN L. SIMONS + +MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM + + + +EEN WOORD VOORAF + + +In de meeste gevallen is het woord, dat het eigenlijke werk vooraf gaat, +een woord, dat den lezer doet meesmuilen, want de lezer houdt, in de +meeste gevallen, al heel weinig van "Woorden Vooraf". Als schrijver +dweep ik er ook niet meê, maar, in dit bizondere geval, dit geval van +mijn Zwevende Schaakbord, geloof ik, dat Een Woord Vooraf wel eenigszins +van nut zal zijn en hoop ik, dat de lezer het niet over zal slaan, zoo +als ik zelve met zoo vele Woorden Vooraf tot mijn schade en schande +gedaan heb. Want zie, om den avonturen-roman van Het Zwevende Schaakbord +te lezen, is het volstrekt geen vereischte, dat de lezer zich heelemaal +op de hoogte stelle der Middeneeuwsche Romans van de Tafel-Ronde, het +zij die in de Wallische taal ontstonden, het zij die later door +Chrestiens de Troyes, in het Fransch, in volmaakteren vorm werden +gedicht, maar de atmosfeer, die om dit Zwevende Schaakbord hangt, zal +den meesten lezers wel een heel vreemde zijn, en de schrijver voelt zich +verplicht hen even "er in te brengen", vóór hij zijn Schaakbord laat +zweven.... + +Laten wij ons dus een oogenblik herinneren, dat, na de grootsche, +epische, maar dikwijls ruw-zedige Middeneeuwsche romans-in-verzen, die, +na Charlemagne's dood, de sagen bezongen der dappere Pairs des grooten +Keizers en waarvan de Chanson de Roland het prachtige voorbeeld is, een +nieuw ideaal ontstaat voor de Ridderschap en voor de Litteratuur, die +haar bezingt. De Kruisvaarders hebben Jeruzalem ingenomen, zij hebben +het Oosten gezien, zij zijn met een Oosterschen schat, zoo wel van +materieele weelde als van morgenlandsche poëzie terug gekeerd in hunne +haardsteden en geheel nieuwe ideeën en idealen schitteren hun voor de +oogen hunner verfijndere zielen. Hun ridderlijke geest is niet meer +alléén bezield door den drang machtig en krachtig te zijn en alom te +overheerschen. Men zoû kunnen zeggen: werd in de Karel-romans een +Frankisch-Germaansch ideaal van macht en kracht naïef-weg nog zonder +veel meer gehuldigd, in de Koning-Artur-romans, die het gevolg zijn der +nieuwe cultuur, staat vooral een geheel Latijnsch ideaal den ridder +zoowel als zijn zanger voor oogen. Dat ideaal is vooral de +"hoveschhede"; de "hoofschheid" is boven alles hèt ideaal. Maar deze +"hoofschheid" is zéér gecombineerd; deze "hoofschheid" bestaat uit eene +zeer samengestelde mengeling: eerstens de nog antieke, blinde trouw en +gehoorzaamheid van vazal aan leenheer, van ridder aan koning, en daarna +de eerbiedige hulde van dien zelfden ridder aan de Vrouw. De Vrouw--zij +werd in Karel-sage en Karel-roman weinig herdacht, zij trad tusschen de +oermannelijke Pairs al zeer weinig met hare teedere vrouwelijkheid op +den voorgrond; zij kreeg van den woedenden, grammen "baroen", die haar +gemaal was, wel eens een vuistslag, die haar het aangezicht tot bloed +sloeg; zij werd, als dit te pas kwam, bij de haren over den grond +gesleurd.... Dit is geheel veranderd. Gebeurt het nog wel eens, dat een +ridder zich aan de Vrouw vergrijpt, zoo wordt hij een "feloen" +gescholden, "een schurk ende een ruffiaen" en iedere "hoofsche" ridder +zal dadelijk voor de beleedigde Vrouw in het krijt treden en zijn bloed +veil hebben om haar te wreken en te verlossen. En de schoonste en hoogst +gehuldigde van alle Vrouwen is de Heilige Maagd, wie de "hoofsche" +ridder zijne innigste "hoveschhede" wijdt en voor wie de vinder, die +Haar bezingt, zijne meest eerbiedige, maar tevens zijn meest galante en +"courtoise" termen zal weten te kiezen. + +Een nieuw element in de Koning-Artur-romans is tevens de magië ende de +tooverië. Bedenken wij wel, dat de eerste bronnen zijn de Keltische en +Wallische sagen, die zich om de werkelijk historische figuur van een +zekeren koning, Artur, weven, met herinneringen aan de geheimzinnige +Angelsche wouden, herinneringen aan de Druïden-mysteriën, herinneringen +aan vroegere eeuwen, toen een somber, vreemd half Heidensch, half +Christelijk mystiek element zich openbaarde in eene natuur, die met +zware wolken, eeuwigen wind en geheimvolle wouden en wildernissen, den +bewoner van Wallis, Brittannië, Noord-Frankrijk omgaf. De tijden zijn nu +veranderd; de ridder, uit het Heilige Land terug, in zijn kasteel en +genietende daar tusschen zijne "maisniede"--hof- en huishouding--fijnere +weelde met, door zijn blik op de wereld, verwijde levensopvatting, +wenscht te hooren van "sa propre vie en beau" zoo als Taine[1] het zoo +goed uitdrukt, en de vinder schrijft hem den nieuwen ridderroman, dien +de jongleur hem toezingt in zijne burchtzaal, terwijl de veêler, op +zijne veêl, het epische reciet begeleidt. De edelvrouwen hooren toe, +bekoord om de nieuwe "hoveschhede", die "courtoisie", waarbij zij niets +dan gewonnen hebben in de "vernoye" of verveling van haar niet altijd +amuzante burchtleven. De ridder herkent in de "jeeste", de "chanson de +geste", als de roman heet, zijne eigene, ridderlijke lotgevallen, maar +gefestoeneerd met allerlei cier en zwier: draken bekampt hij er in en +wel honderd vijanden verslaat hij alleen in een enkele ure; reuzen +bestrijdt hij en verschrikkelijke reuzinnen en dan bekoort hem vooral te +hooren van die zonderlinge tooverië, van die mysterie-volle magie: de +Heilige Graal, waarnaar de Ridders van Tafel-Ronde op +"queste"--zoekingstocht--gaan; de Speer van Longinus, die Gods Zone, aan +het Kruis, stak onder het harte en sedert, bloedende, Zweeft door de +luchten. + + [1] Histoire de la Littérature Anglaise. + +Het is merkwaardig, hoe, in deze berijmde ridderromans--en rijm en +rhythme zijn wel veel luchtiger en bevalliger geworden dan zij in de +zware, monotone _couplets similaires_[2] van de vroegere Karel-romans +waren--deze tooverië, deze magië verwant is aan zekere verfijnde +werktuigkunde, waarmede vermoedelijk in die, na de verzwijmde +overbeschaving der Oudheid, op nieuw naïef gewordene, eerste +Middeneeuwen, door knappe en handige werktuigkundigen, toovenaars en +magisters van occulte wijsheden, indruk kon worden gemaakt op eenvoudige +geesten, zelfs op ridderlijke. Zoo heeft men dus de tooverfonteinen, die +een "bain de Jouvence" verschaffen, de Wonderboomen, van goud, waarop +gouden vogeltjes zingen en tal van meer verschijnselen van magie, +dikwijls op te vatten als meer of minder effectvolle, gecompliceerde, +werktuigkundige scheppingen, waarom tevens de fantazie van den "vinder", +de trouvère, die zijn roman dicht, niet zelden een dichterlijk waas +weeft, en niet altijd den lezer verraadt, dat de gouden Wonderboom met +de zingende vogeltjes hol is en boven een "duwiere"--gewelf--geplant +staat, in welk "duwiere" zestien mannen met acht blaasbalgen wind +toejagen om de vogeltjes te doen zingen. + + [2] _Couplets similaires_ herhalen in de Karelromans een treffende + situatie twee, drie malen, met weinig verschil van uitdrukking. De + versregels, bestaande uit tien lettergrepen, van het dikwijls zeer + lange couplet--van drie tot honderd regels toe--eindigen op den + zelfden rijmklank of assonantie, wat op ons een zeer zwaren, + vermoeienden indruk maakt. + + De Artur-romans zijn daarentegen gedicht in elegante, licht + trippelende verzen, van niet meer dan acht lettergrepen, twee aan twee + door zuiver consoneerende rijmen verbonden tot een zeer bevalligen en + toch epiesch blijvenden verhaaltrant. + +In deze vreemde, oneigenlijke, ridderlijke, naïef-tooverachtige +atmosfeer--wij mogen haar zoo ongeveer in de elfde eeuw denken, even +voor de Gothiek, met nog den Romaanschen boog gecirkeld in den +ridderburcht, die zich in haar vroeg mediaevale waas verduidelijkt, +wenscht de schrijver zich eenigen tijd van de werkelijkheid onzer eigene +eeuw te verstrooien en noodt hij den lezer meê. Onmiddellijk +geïnspireerd is hij geworden door de Midden-Nederlandsche, vermoedelijk +oorspronkelijke dichting: de Roman van Walewein, door Penninc en Pieter +Vostaert, in den jare 1350 geschreven[3].(Of onze "Walewein" een +origineele schepping is of een bewerking en vertaling van een Roman de +Gauvain is een geleerde kwestie, die ons hier niet behoeft bezig te +houden). Prof. W.J.A. Jonckbloet gaf onzen Roman van Walewein naar het +handschrift uit, dat berust in de Bibliotheek der Maatschappij van +Nederlandsche Letterkunde te Leiden. De hedendaagsche schrijver, die dit +werk, tijdens zijne jaren lang geledene studiën in de Geschiedenis onzer +Nederlandsche Litteratuur bestudeerde en voorts voor zijn genoegen +herlas, heeft altijd gemeend: hier is een bron, om eens een eigene +schepping uit te doen wellen. En dit oogenblik is gekomen. Het Zwevende +Schaakbord is geschreven en... een soort humoristisch vervolg geworden +op den Midden-Nederlandschen roman van Penninc en Pieter Vostaert. + + [3] Hoewel in 1350 geschreven, denke men de handeling van den + Walewein--en ook van mijn Zwevende Schaakbord--niet later dan het + eerste begin der Elfde Eeuw en dan nog in de regionen der fantazie en + niet der werkelijkheid.... + +Het Zwevende Schaakbord vertelt de avonturen van ridder Walewein na +zijne eerste "queste", maar laat eene periode van tien jaren verloopen. +De moderne schrijver noemt zijn ridderheld Gawein. Gawein is ook vaak de +naam van Walewein, wiens Keltische naam luidde bij de Wallische dichters +Gwalchmai (Valk van den Slag), vaak verlatinizeerd tot Galvanus of +Walganus. De schrijver heeft gemeend, dat Gawein stoerder en sterker +klonk dan het wel slappere Walewein. Hij heeft twaalf ridders geplaatst +rondom Koning Arturs Tafel-Ronde: dit getal wisselt wel eens in de +Middeneeuwsche romans, zelfs met vijftig, maar twaalf ridders zijn +genoeg voor schrijver en lezer om uit elkaâr te houden. Verder laat de +schrijver zijne ridders en edelvrouwen spreken een taal, die niet modern +Nederlandsch is. Dat zij geheel zuiver grammatikaal Midden-Nederlandsch +zijn zoû, durft de schrijver niet beweren. Hij had, na eene +verfrissching zijner studiën van jaren geleden, het wel op zich durven +nemen zijn sterken helden en zoete heldinnen zuiver grammatikaal de taal +huns eigenen tijds in den mond te leggen, maar vreesde, dat het voor den +lezer dan wel heel moeilijk zoû geweest zijn den dialoog te volgen. De +schrijver heeft dus een middenweg gekozen: hij emailleerde de gesprekken +van Lancelot en de koninginne Guenever, van Gawein en de zoete Ysabele +met Midden-Nederlandsche termen en tikjes; hij incrusteerde er zelfs +zijn eigen beschrijvenden stijl mede en spreekt dus wel eens van een +"foreest" in stede van een "woud" en van een "liebaert" in stede van een +"leeuw". Hij hoopt, dat noch dialoog, noch beschrijvende stijl op deze +manier, die een zekere "locale kleur" geeft, den beschaafden lezer +moeilijkheid bare, en dat de eerst fronsende lezer--om zoo veel +Midden-Nederlandsch email--spoedig de brauwen ontfronsen zal en wel heel +gauw op de hoogte zal komen. Moge professor en geleerde in onze +Midden-Nederlandsche Taal- en Letterkunde--mochten zij in een oogenblik +van verstrooiïng dit Zwevende Schaakbord wel willen volgen--den modernen +trouvère niet al te streng oordeelen over zijn maar hier en daar, +grillig-weg, Midden-Nederlandsch getint Nederlandsch, dat geen geleerde +creatie wil zijn, maar niet meer dan de vroegere chanson-de-geste of +ridderroman zelve was: eene "littérature d'agrément", die nu wel geen te +burcht gekomene Kruisvaarders wenscht te verstrooien, maar alleen de +pretentie heeft den modernen lezer een oogenblik te vermaken, en +misschien zelfs wel te ontroeren, want, we weten het nog allen heel +goed: het recept van den Humor is niet anders dan heel eventjes maar +ontwelden traan met heel eventjes maar ontlokenen glimlach te mengen en +vooral niet te doen snikken en schateren.... + +In het Middeneeuwsche handschrift, en ook in de editie van Prof. +Jonckbloet, komt een afbeelding voor van Gawein, als hij te paard, op +zijn goede ros, Gringolette, het Zwevende Schaakbord achterna rijdt. De +détails van de wapenrusting zijn wel heel curieus; maliëncotte en +wapenrok; helm met neêr geslagen vizier en "halsberg"--dikwijls naam +voor de geheele wapenrusting; soms alleen dubbele, vierkante platen, die +veel op oorkleppen gelijken--; en een ontzettend lange speer. Op +paardehoes, schild, wapenrok en halsberg en zelfs op "artsoen", of +hoogen zadelboog, is overal Gaweins wapen aangebracht, dat zoowel een +leeuwenkop als een everkop kan bedieden: dit hebben de hooge geleerden +niet uitgemaakt, geloof ik. De fiere appelschimmel, het edele strijdros +stapt met zijn berijder langs een naïeven boom aan een naïeve +bloemenweide, die zich met kinderlijk primitief maar gevoelig +perspectief verliest in de hoogte, terwijl het Schaakbord--let wel, met +zeven maal acht velden!--de lucht doorzweeft en den ridder tot volgen +noodt. + +Mag ik nog één oogenblik over de uitspraak die ik zoû wenschen voor +mijne half Keltische, half Wallische en Angel-Saksische eigen-namen? Ik +zoû ze het liefst door den lezer gedacht of gezegd hebben--naar mate hij +hard-op of stil voor zich leest--met zuiver Nederlandschen klank. Dat +hij dus zegge: Guenever, met een Hollandsche G, een even aangezweemde +_u_, twee opene _e_'s en een derde _e_ die stom blijft. En dat hij +bij dien naam der zoete koninginne van Logres (spreek uit met een +Hollandsche _g_ en een _s_ aan het slot) niet denkt aan: jenever, want +dat zoû misplaatst zijn. De naam Guenever luidt wel eens later Ginevra, +maar dit klinkt mij te Italiaansch en luidde wel eens héél vroeger, in +de oertijden der Wallische zangers: Jenover en dat klonk mij al weêr te +archaïsch. Ik heb dus Guenever gekozen en den naam van de fee Morgueine +verzoek ik den lezer dus ook te willen uitspreken met een _g_ en even +aangetikte _u_. + +Ik heb, hiermede, geloof ik, alles gezegd wat ik als Woord Vooraf had op +het hart. En dus kunnen wijken de wolken, die het ridderlijke verleden +van Tafel-Ronde nog bedekken voor onzen blik, en moge het Schaakbord +zweven.... + + + + +HOOFDSTUK I + + +Nu van Riddereeuw de nevels omhoog trekken--dicht gordijn, dat oprolt +voor schouwspel van eeuwen her--zien wij, o toeschouwer, het Land van +Logres en het strekt zich uit als een donkere, scherp geknipte silhouet +van ridderburchten en bosschen, zwart, tegen een rood-blauw geluchte. +Zoo doet het als een romantische achtergrond, als een reusachtige, +donkerrood, -blauw en zwart gekleurde reclameplaat en boven den Burcht +van Camelot, waar Koning Artur hof houdt, verschijnt en verdwijnt, de +wolken door, + + _HET ZWEVENDE SCHAAKBORD_ + +dat de dappere ridder Gawein zal zoeken en achterlaten om het den Koning +aan te bieden.... + +Het land van Logres lag toèn, in die toovertijden, dat schaakborden de +wolken doorzweefden, misschien wel in Engeland; het was misschien wel te +vinden in Wallis; het kan echter even goed elders gelegen hebben en het +is misschien heel moeilijk thans uit te maken waar het Land van Logres +lag. Het was zelfs toèn een vreemd land, want er waren geen steden +gesticht en dorpen gebouwd: er waren niets dan bosschen en +ridderburchten; er woonde dus eigenlijk geen volk; ja, er bestònd +eigenlijk geen volk van Logres: er bestonden alleen ridders om hun +Koning Artur heen en die ridders hadden schildknapen en garsoenen; er +bestonden daarbij ook nog toovenaars, en de ridders en de toovenaars +bewoonden de burchten en in de bosschen scholen draken en monsters maar +de eene of andere jonkvrouw, op een witten palafroet, reed die bosschen +dikwijls door, geheel eenzaam, en werd dan betooverd door een toovenaar +of bijna verslonden door den draak maar daarna steeds gered van die +booze noodlottigheden door den dappersten dezer dappere ridders, die dit +elk op zijn beurt wel was. + +En nu het vreemde Land van Logres, met zijn bosschen en burchten, +opgerezen is aan den horizon, nu zien wij ook duidelijker zich uit de +ijlere nevels los maken den Burcht van Camelot, waar Koning Artur in +vredestijden verblijf houdt: zoo er al geene steden zijn in het Land van +Logres, de Burcht van Camelot is bijna zoo groot als een stad: er heffen +zich zware muren om heen; tusschen iedere twee muren is gegraven een +diepe gracht en menigertiere toren steekt spiedende over de vlakte, die +den burcht omringt, uit den trans der tinnen, zoo mooi romantisch en zoo +mooi Romaansch vierkantend als tanden tegen de vreemde +reclame-plaatlucht, die is donkerblauw met vuurroode schemering, +misschien van zonsopgang, misschien van zonsondergang, misschien wel van +vuuradem der draken. En nu de Burcht van Camelot zich duidelijker heeft +uitgeteekend voor onze toeschouwende verbeelding, nu zien wij de Groote +Zaal, eveneens Romaansch en romantisch, waar Koning Artur met zijne +ridders aan de Ronde Tafel zit. Het is een Zaal, die is rond als de +Tafel zelve en er om heen gaan de ronde, Romaansche bogen en door de +bogen ruischt, van vogelstemmen vol, de zomermorgen binnen uit de +bloeiende vergieren, die staan vol bloesemende appelaren. En de groote, +ronde zaal is verlucht ende rijk gepinghiert met tal van tafereelen van +wandschildering en die tafereelen bedieden de tallooze heldendaden, die +de Ridders van Tafel-Ronde, niet langer dan tien jaren geleden, +volbrachten ter eere van hun Koning, Artur, die heerscht over het Land +van Logres. + +Aan het hoofd van de Ronde-Tafel zit op een troonzetel de Koning en met +hem zitten mede elf Ronde-Tafelridderen aan. Zij zwijgen. Het schijnt, +dat de Koning wacht en dat de ridders om hem heen zich dezen morgen meer +dan gewoonlijk vervelen. De twaalfde ridderplaats, die naast den Koning, +rechts, is verlaten: gevoegelijk ware hij ingenomen door Lancelot, maar +Lancelot--der koninginne amijs--wandelt met gouden-draad-blonde +Guenever, in minziek jolijt, de vergieren door der bloesemende +appelaren; telkens, harentare, verschijnen zij en verdwijnen tusschen de +bloesem sneeuwende twijgen, achter den rooden rugge des Konings en wel +zichtbaar door de Romaansche bogen, wen de zittende ridders schuinoogen +naar het lievende paar. Zij lieven malkanderen reeds meer dan tien +lange, trouwe jaren, Lancelot en koninginne Guenever en hunne liefde is +als een gelukkig en jonstig huwelijk, allen den ridders wel bekend en +misschien Koning Artur ook wel, die Lancelot inniglijk mint, als +misschien wel zijn allerdappersten ridder. + +Koning Artur troont op zijn zetel en zijn oude gelaat is vol zorg onder +zijne krone, die de grauwe, lange lokken omspant. De baard, ook zoo lang +en zoo grauw, beweegt soms zacht wippende op en neêr: dat is als Koning +Artur, die wacht, terwijl zijn elf ridders zich vervelen en om beurten +gapen achter de handen, mummelt met goeden, ouden tandloozen mond. 's +Konings gelaat is gelijk aan een verweerd perkament, beschreven door een +geleerden clerk met tal van geschrifts in rooden inkt: dat is om de +aârtjes, die tusschen de rimpels ontsprongen zijn, gelijk roode +fonteintjes tusschen diepere rivieren verdroogd. Koning Artur draagt +--als klaver- of ruiten- of schoppenheer--wij durven hem geen hartenheer +noemen--een hermelijnen schouderkraag over een rooden, fluweelen mantel +en wat hij onder dezen draagt, is moeilijk te zien, om de plooien van +den mantel, om de lokken van zijn baard. Beide, mantel en lokken, maar +de hermelijnen kraag vooral, schijnen van de mot te hebben geleden maar +justement dat even mottige en aangetaste geven aan de koninklijkheid van +Koning Artur een onmiskenbare aandoenlijkheid, die den ouden Koning met +het rimpelgelaat en de bevende, groote, zwaar geaderde handen wel +genegen doet zijn. Zijne ridders zijn hem ook allen genegen en Lancelot +niet het minst, die telkens met de koninginne in amoureuselijk +gedivertier het bloesemend vergier doorwandelt. Ook de altijd jeugdige +Guenever zelve, die "fonteyne aller schoonhede", al was zij meer dan +tien jaren de amië van Lancelot, heeft haar gemaal wel lief, zij het dan +ook als heur grootvâ. + +Naast Koning Artur, ter slinke--herinner u, dat ter rechte Lancelots +leêge zetel staat--zit Gawein, met Lancelot de dapperste, zelfs de +allerdapperste. Is hij niet bijgenaamd "der aventuren vader", hoewel hij +niet vele meerdere jaren telt dan elk dier gondere ridders en dat aantal +bedraagt slechts even dertig voor de meesten. Toch schijnt Gawein wel de +oudste van allen, de ernstigste ook, de degelijkste: al gaapt hij wel +eens achter zijn hand, het is meer uit degelijk gemis aan werkzaamheid +dan uit lichtzinnige verveling. + +Want Gawein voelt met Koning Artur mede, voelt mede zorg.... + +Omdat er sind tien jaren geen Aventuur zich voordeed! + +Staat de wereld dan stil? Broeien de draken dan geen draakjes meer uit +in de foreesten van het Land van Logres? Berijden er dan geen belaagde +jonkvrouwen meer witte palafroeten door die zelfde foreesten? Moet +keytievige ondeugd dan niet worden gefnuikt en zijn er geen interessante +queste's meer te volbrengen? Zoo de Graal is gevonden en bewaakt wordt +door ridder Perceval in den Burcht van Montsalvat, zweeft er dan nooit +meer eens minstens een Schaakbord de lucht door? Ja, Gawein, naast den +Koning, herinnert zich het Zwevende Scaec: het kwam wiegende +aangezweefd, op een zomerbries... tien jaren geleden.... + +--Herinnert gij u, mijn vorst? vraagt Gawein den Koning, die de broeder +is zijner moeder. + +--Bij gerechter trouwe, ik herinner mij, Gawein, mijn neve en dappere +wigant! mummelt Artur en de baard wipt op en neêr als de tooneelbaard +aan een masker. Het zweefde binnen en zette zich hier voor mij.... + +De Koning slaat met de vlakke hand op het jaspis-blad van de Tafel. De +slag klétst de zaal door en weêrechoot tusschen der vogelen +gekwinkeleer. De gapende tien andere ridders schrikken heviglijk op. +Guenever en Lancelot staken hunne verliefde wandeling. + +--Wat is er? vraagt Lancelot aan den reus Bohort, die zetelt naast +Gawein. + +--Wat is er?? murmelt de koningin tot Ywein, den stotteraar, die zetelt +naast Lancelots ledigen zetel. + +--Dddàà...r en is niets! stottert tenorelijk Ywein tot zijn vorstelijke +vraagster. + +--Niets!! bassigt in bevestigenden ondertoon de reuzige Bohort tot +Lancelot. + +--Het Scaec, gaat de Koning peinzende voort; was in velden van +chalcedoon en agaath verdeeld, zeven velden maal acht.... + +--De stukken, bepeinst Gawein; waren van rooden goude en van zilver +blank gedreven.... + +--Zij stonden geschaard in rijen.... + +--Voor eene partië, bij mijne wet! + +--Ik deed een zet, heugt Artur zich. + +--Onzichtbare hand, heugt zich peinzend Gawein; speelde tegen.... + +--Ik vervolgde het spel met den onzichtbaren speler.... + +--"Coninck!" waarschuwde mijn heer. + +--Toen...... + +--Toen... zweefde op dit woord het Scaec weg.... + +--Voor ik des onzichtbaren spelers zilveren koning schaakmat had +gezet.... + +--Mijn prins droomde die nacht.... + +--Dat de partië volbracht moest worden, wilde ik mijn krone niet te loor +en zien gaan! + +--Bij Jesu Kerst van Nazarene! juicht Gawein bezield en de andere +ridders schrikken op. Ik zocht en vond u, o prins, dat Zwevende +Scaec...! + +--Ik speelde voort! + +--Gij wont! + +--Het Scaec verdween--weg zwevende als een in de wiek geschotene vogel! + +--Maar heerschen bleeft gij over uw Land van Logres! En ik, o mijn +Koning, had, na menigertiere aventure, mijne schoone Ysabele gewonnen! + +De Koning slaat op de Tafel. De echo's mengen zich langs de wanden der +Ronde Zale met het vogelengekwinkeleer buiten. Maar niemand schrikt +meer. Ginds, buiten, waait de sluier der koningin rondom het +aanbiddelijke, blond krispe hoofd van Lancelot, als een mist, die hun +kus onzichtbaar doet zijn aan het nooit uitgekeken geschuin-oog der +ridderen. + +--Voorwaar! zegt de Koning. En sedert.... + +--Sedert...! O wee, o wacharme, mijn Vorst! + +--Deed geen Aventure zich voor! + +--Tien jaren geleden, bij Sint Michiel! heugt zich Gawein; gingen wij +nooit ten disch voor Aventure zich had gekond! + +--Sedert, klaagt de Koning; wentelden de jaren in veiligheid voort en +gastreerden wij in belanglooze vrede.... + +--Iederen vesper, iederen vesper! + +--En meldde nooit ende nie zich een jonkver meer aan, die gewroken moest +worden? + +--Nimmermeer! Nimmermeer! + +--Veronveiligde een draak nooit ende nie meer de immer onveilige +foreesten van Logres? + +--Nooit ende nie, ai, nooit ende nie! + +--Zweefde nooit meer een bloedige Speer, een heilige Vaas, een betooverd +Scaec het geluchte door om een hoofschen ridder ter queste te nooden? + +--Geen Speer! Geen Vaze! Geen Scaec zelfs, mijn prins! En mijne Ysabele, +o lace, zij stierf! + +--Ik wacht! Ik wacht! klaagt de Koning. + +En het oude hoofd knikt in zijn wippenden baard op zijn hermelijnen +mantelkraag. + +De koninginne, Guenever, nadert hem liefdevol. + +--Oûvadertje, zegt jolijselijk de "fonteyne aller schoonhede" en hare +stem is als het murmelen van zangerig water, terwijl zij haar gemaal de +blanke handekens legt over de princelijke schouders van even motputterig +hermelijn. Oûvadertje, troost u van daag zoo geen Aventuur zich kondt. +Zie, de dag is zalig vroô van zonneschijn; de appelbloesems zijn blijde +van wondere belofte; menigertier vogelijn kwinkeleert er bijna zoo +zuiverlijk als de gulden vogelen, die Merlijn mij zingen doet op de +twijgkens van den tooverboom in mijn Vergier der Vreugde en ik wil, dat +gij de zoo zoete lente ademt, in steê van hier steeds te beiden aan deze +Ronde Tafel, tot Aventuur zich meldt! Oûvadertje, bij mijne rechte +trouwe, sta op en kom mede spanseeren met Guenever, die u lief heeft en +met Lancelot, die ook zoo veel van u houdt! + +En de koningin, ter eene, Lancelot ter andere zijde buigen zich over 's +Konings schouderen. De Koning schouwt van den een naar de ander. Zij +zijn beiden zoo schoon en van liefde stralend. Hij, zoo blond en zoo +sterk; zij, zoo blond ook en zoo bevallig! Hij, zoo breed in zijn +geluw-en-zwart fulpen surcoet, die zoo nauw om zijn heldhaftige +ridderlijf spant; zij, zoo smal in heur nauwe slope van goudsindaal, +door de smalle bandekens hermelijn omzoomd, terwijl heur haar als gouden +draad schittert tusschen de mazen van het ronde net, dat de roode +robijnen bezetten en dan met vier robijn-doorvlochten vlechten over hare +maagdjonge schouders en borstekens. En de Koning, verheugd over hun +tweeër schoonheid, staat op, getroost en zegt: + +--Zelfs al kondt zich geen Aventure, een dag is schoon, als Lente en +Liefde heerschen. + +Gawein, gerezen, volgt, weemoedig om zijne Ysabele, die stierf, den +Koning, die zich verwijdert, een arm zoowel om Guenever als om +Lancelot... volgt vol gepeize en weemoed om het Aventuur, dat zich +beiden laat, tien lange jaren, lace.... + +En gondere tien andere ridders, luid gapende, rekken zich nu, breed van +armbeweeg, in hun zetels om Ronde Tafel van jaspis en staan dan, van +verveling vervaarlijk, op, 's Konings handslag op de Tafel na doende, +tot de rammelende echo's elkander op een rijtje naloopen langs den wand +van de rijk gepinghierde, ronde zaal.... + + + + +HOOFDSTUK II + + +Zij droegen, de tien Ronde-Tafelridders--even als Gawein, die, den +Koning gelijk, verlangt naar Aventure--en als Lancelot, die nooit naar +iets anders dan naar Guenever verlangt--mooie, sonore namen van +Keltischen klank. Bohort, dat was de reus met de basstem en Ywein, dat +was de tenorelijke stotteraar en naast hen wil ik roemen Acglovael en +Sagremort, Gwinebant en Galehot, Didoneel en Mordret, Hestor en +Meleagant. En als zij elkander eens riepen of noemden, deze ridders met +de sonore namen: + +--Hei, Galehot! Ha, Gwinebant! Hoor bij Gode doch, Sagremort! Held +Acglovael! Welkom Meleagant en gij, valiante Hestor! Didoneel en +Mordret, dat u God moge eeren! Ywein gij en gij, Bohort, o wigant! + +...dan weêrdaverden langs de wanden der burchtzalen, verlucht met de +tafereelen van dier ridders eigene heldendaden, de, niet minder dan de +Keltische, oer-oude adelsnamen, sonoor-klinkende echo's en was het of +lichte donderrommelingen elkander opvolgden onder de lage verwulfsels en +langs de plomp breede pijlers. + +Maar er was nog een andere ridder, die nooit aan zat en die heette +alleen maar Keye. Keye... dat klonk niet sonoor tusschen de Keltisch +sonore klanken; Keye, dat klonk geniepig, venijnig; dat was tusschen het +dondergerommel als de steke van een wesp: Keye... Dààr, dààr heb je weêr +een onzachte prik: Keye... Zoo héél even maar: Keye... Meer niet dan een +muggesteek: Keye.... Welnu, toen de Koning, teerderlijk omhelsd +houdende Guenever en Lancelot en gevolgd door den degelijken Gawein, +zich verwijderde door het vergier, trad Keye van ter zijde op en gluurde +schuin spottend, met kwaden scherts, naar de edele vier. Hij loenschte +een weinig met één oog; hij hinkte een weinig met één been; zijn eene +arm was, o een weinig maar! korter dan de andere. Hij had de zoogbroeder +kunnen zijn van den Koning maar hij was het niet want zijne moeder had +hem gespeend om Koning Artur te zoogen. Hij was echter tot drossaet +benoemd en liep steeds met zijn sleutelbos aan zijn gordel. En was Artur +een majesteitelijke Koning geworden, Keye, zonder ooit één heldendaad, +zonder Aventure en zonder liefde, was geworden als een booze dwerg, als +een nijdige gnoom en hij spotte, hij spotte altijd. + +Zoo als hij ook nu spotte, achter de edele vier, knikkende met zijn +grauw ruigen gnome-baardkop. + +--Schouwt eens wat eensgezinde familie! God geve hun eere, o ridderen! +Wie zijn die?? Vader met dochterlijn en schoonzoon, dacht mij?? +Schildknaap er achter? O neen: het is, bij alle Engelen van den Trone, +de wigantenrug van Gawein, die allerdapperste, ook voor de vrouwkens!! +En het is, tusschen Guenevers vrouwruggetje en Lancelots mannerug, de +roode mantelrug van onzen Koning! Ik herken niet zoo goed ruggen als gij +zekerlijk wel doet, valiante ridderen, gij allen, op uwe beurt, +allerdapperste, die steeds ruggen voor u uit zaagt vlieden! + +En Keye lachte grinnikend en de ridders, nog na geeuwende en rekkende, +zagen hem norsch van ter zijde aan. + +Toen nam oude Keye twee ballen en speelde met zichzelven bal in het +vergier en hinkende was hij lenig en loensch miste hij niet één van de +twee, die hij beurtelings, en onder zijn arm door, op ving. + +--Op een goeden dag, zoo helpe God, nek ik hem nog, zeide Bohort. Zoo, +tusschen mijn vuisten: krkk! + +En Bohort, met zijn reuzenvuisten, gebaarde of hij eene kele omspande en +wurgde. + +De tien ridders traden loomelijk de zaalpoort uit. Zij kwamen op het +opene burchtplein en zetteden zich op de ronde bank, die stond onder een +breedkruinigen kastanjelaar, vol van opgestokene bloesemkeersen. Zij +zetten zich allen ter neêr, de machtige beenen wijd, met nu en dan nog +eens een geeuw. + +--Bi caritate, het wordt wel van groote noye tot Camelot! meende Galehot +en gaapte: tien jaar geleden had hij drie draken verslagen en twee +jonkvrouwen bevrijd uit betooverde kasteelen, maar als hij niet gaapte, +glimlachte hij steeds gracielijk als men van de jonkvrouwen en draken +sprak. + +--Smacht gij, Galehot, naar uw vierden drake? vroeg Gwinebant, jongste +en schoonste van allen, neef der koninginne en zoo blond als zij: hij +had, heél jong nog, achttien jaren, met Sagremort en Acglovael Lancelot +eens verlost uit het Dal van den Dollen Dans, waar wie was binnen +gedanst, bleef dansen tot hij dood viel. + +--Neen ik! zeide Galehot. Bij Sint Jan, dat niet, Gwinebant. Een draak +dooden, onder ons gezegd, is niet zoo roemrijk fayt van wapenen. + +--Het gebeest spuwt tòch vier, God weet!? weifelde Sagremort, brauw +gefronst. + +--De reus, Sagremort, zei Galehot; dien gij te eenen werf hebt +verslagen, was zekerlijk geweldiger tegenstander dan mijn drie draken +waren. + +--Bij den goeden dage! beäamde, klein maar dapper, Meleagant, die ook +wel een paar draken gedood had. Galehot heeft wèl recht! + +--Ik, zeide modestelijk Hestor; heb alleen en zonder bijstand tien +keytieve ridderen den een na den ander in den zande doen bijten, eenige +geschaakte damoselen bevrijd maar een draak en heb ik nie vernomen! + +--Een drake is met één prikke te pointe in zijn buik al doodelijk +gewond, kleineerde Galehot. + +--Spuwt het gebeeste vlamende vier ofte en spuwt het dat niet? vroeg, +brauwen gefronst, Sagremort. Dat is de vrage! + +Galehot hief de breede schouderen hoog. + +--Wen gij er tegen spuwt, schroeit zijn aâm zelfs niet! Dat is +alleenlijk wat sulferachtig geblaas, dat stinkt. + +Hierom schaterlachte Acglovael want hij schaterlachte veel, ook als het +niet van pas kwam, en lachende nog, hoewel het onderwerp des gespreks +heel ernstig was, zeide hij: + +--Gij konst toch verstikken wen een drake blies en de luchte om u +bedierf? + +--Of het geheele foreest konde in barning geraken! verzekerde boos +Didoneel. Alzoo helpe mij Sint Michiel! + +--Of dat konde gaan aardbeven en tempeesten daarbij als het monster uit +zijn spelonk kwam, beweerde ontstemd Mordret: Mordret en Didoneel, die +wel draken hadden bekampt maar nooit ééne damosele bevrijd, vonden het +voor hunne twijfelachtige glorieuzigheid niet aangenaam, dat Galehot +zijn eigen heldendaden zoo verkleineerde.... + +Maar Galehot bleef de schouders halen. + +--Ik herhaal, zeide hij; éene prik te pointe in zijne weeken buik en.... +Is een drake eigenlijk wel een drake, Sagremort? Mijn draken en waren +niet meer dan lezarden maar gevlerkt en zoó schadelijk niet! + +--De onze waren draken! verdedigde zich Mordet. + +En Dioneel zeide somber: + +--En maakten wel degelijk groot dangier. + +--Even veel dangier als die damoselen, die gij bevrijddet! riep Keye, +knikkerende nu met de ballen. + +--Gij zegt wel, Galehot! meende Sagremort en ontfronste de brauwen. Een +draak bestond--misschien?--even min als een reus! Was de reus, dien ik +velde, wel een reus? Of was hij niet dan vileinig ribaud, die een paar +voet hooger was gewassen dan ik?? + +--Dddd...aar zijn wij het immm...ers al lll...àng over eens, kwam Ywein +aan; dat reuzen ende ddd...raken niet en bb...estaan. + +--En Wonder even min, zoo helpe mij Sinte Mariëns Kind! bevestigde +Bohort wat ruw. Wat wij deden, was kinderespel. Wij telden niet meer dan +twintig vroegzomeren, toen wij die aventuren volbrachten en groot jolijt +dreven wen wij er een ridderlijk meende te hebben doorgemaakt maar +eigenlijk was het mallen.... + +--Met onszelven, viel Galehot in. + +--En van alle mijne wonden, ging Bohort voort; heb ik zelfs geen +lijkteeken over omdat ik in den Yvoren Bedde werd verpleegd, waar alle +wonden in één nacht genezen. + +Keye's spotlach grinnikte, oud, slecht en venijnig. + +--En dus is dat Yvoren Bedde, waar alle wonden genezen, geen tooverbed? +O, Bohort, gij werkelijke reus, je kop is groot als Goliaths maar je +verstande is dorperlijk klein, wees des gewes, man! + +--Ik ben die gone, die je om je kwade lachter nog eene werve verderven +zal, heer Keye! dreigde Bohort en liep met beide vuisten open op Keye +toe. + +Maar Keye gebaarde of hevige vrees hem beving; hij veinsde te vluchten +achter een boomstam, hoe oud hij ook was, vlug hinkende en riep: + +--O, wat felle liebaert! O, wat vreeslijke lioen is los gelaten in dit +vreêzaam vergier! Helpt mij, helpt mij, gij alle Heiligen van Paradise! + +Een naderend gesnor snorkte aan door het blauwe geluchte. + +--Dat is Merlijn! Dat is Merlijn! riepen door malkanderen de ridders met +groot misbaar en Ywein riep: + +--Ddd...dat is Merlijn!! + +Acglovael schaterde, niet omdat Ywein stotterde, maar omdat hij wel heel +veel schaterde en van pleizier.... + +En de ridders wezen malkanderen, nog in de verte, een wijd vliegenden +vogel, die aanvloog, windesnel. + +--Op zijn fenix, die ook geen Wonder is! grijnsde Keye den ridders toe. +Maar die geene van gondere wiganten verstaat! + +De ridders staarden verrukt omhoog. In der daad, daar zweefde een blauwe +fenix aan, maar zijn vlucht verwekte vreemd rhythmisch geruisch en er +snorde en snorkte iets geheimzinnigs in hem. Zijn smalle nek droeg een +fantastischen vogelkop met pluimen en al zijn geveêrte geleek wel +juweel, zoo schitterde en schakeerde het pauwachtig om hals en oogen, +heel groot en de wijde wieken, waarop hij in cirkel dreef boven den +burcht, schenen wel van blauwe zijde gestrekt. Het was de toovervogel +van Merlijn, den toovenaar en Merlijn zelve bereed hem en zat in het +gouden geveêrte van den hollen rug en richtte hem en wendde hem naar +believen, tot het zwevende tooverdier met zwierige drijfvlucht in den +ronde neêrdaalde in het vergier, op leêg grasplein en toen, trillende, +stille stond. + +Merlijn steeg af en naderde hoofsch groetend de ridders. Hij was van +Arturs en Keye's leeftijd, maar omdat hij elken morgen baadde in zijne +fonteine der Jouvence, zag hij er jonger uit dan alle die ridders en +geleek meer een ondeugende jongeling met een baard. + +--God van Hemelrijk geve u eere! riep hij luid, terwijl hij, pralende in +gracielijke samaar van rood sindaal, zijn lokken zwart, zijne brauwen +gelijk schorpioentjes opstekende hun scherpe tangetjes en zijn cierlijke +baardje geknipt met felle punt, over het grasplein naderkwam. Ik ben +gekomen om mijn Koning eere te doen, maar is hof dan al gehouden, dat ik +u allen hier aantref in lediglijk vertier en lentegepeise? + +--Wij spreken, zeide Sagremort en fronste de brauwen, wat hij steeds +deed als hij twijfelde; of wonderen, reuzen, draken en heldenfayten +bestaan, Merlijn! + +--Het Scepticisme heeft jullie in de klauwen, o Sagremort! waarschuwde +Merlijn. + +--Het wie? Het wat?? vroeg Acglovael schaterlachende. + +--Des Duivels zone, zeide Merlijn. Als jullie vertwijfelen aan jezelf, +gaan jullie stappans na den doode Hellewaart! + +--Maar Mordret en Didoneel twijfelen niet, o Merlijn! grinnikte Keye, +van achter een dikken boomstam. En zullen toch niet ten Hemel gaan! + +Didoneel en Mordret hoorden hem niet; zij waren te zamen in geheimvol +fluistergesprek. Waarover? Dat wil ik u nog niet zeggen.... + +--Ik twijfel niet heelemaal, zei Sagremort; maar ik weifel veel, +Merlijn. Zeg mij, Merlijn, is je vliegende vogel werkelijk een vogel van +tooverië? En al die schoone beziensweerdigheden in je burcht, is dat +tooverië? En magië? Als gij met een van zelven snellenden wagen over den +gladden wege vaart, is dat werkelijk dan magië? + +--Het is alles magië en tooverië, Sagremort! verzekerde Merlijn. Zoo +goed als de Wonderboom, dien ik der koninginne gemaakt heb en op welks +gulden twijgkens duizend vogelkens kwinkeleeren, en het Yvoren Bedde, +dat ik ook maakte en waarin uw aller wonden genezen.... Het is alles +tooverië, Sagremort! + +Keye, om den azuur gewiekten fenixvogel, die stond op het grasplein, +hinkte, oplettende, en telkens luid lachende rond om het enghien. + +--Tooverië! riep Keye. Tooverië! Staal is de vogel en zijde, juweel is +zijn kop en zijne oogen zijn diamant en hij snort en snorkt als hij +oprijst, wen Merlijn hem drijft het geluchte in! Hij snort en snorkt +door tooverië! En wie er aan twijfelt, gaat Hellewaart! + +--Merlijn! vroeg Bohort. Waarom sinds tien jaren en meer, kondde geen +Aventuur zich aan? + +--Is het omdat wij twijfelen? Omdat wij weifelen met Sagremort? Omdat +wij geen lijkteeken overhielden van alle onze verledene wonden?? drongen +om Merlijn de ridders. + +--Wacharme! Mocht wederomme Aventuur zich melden, om ons van dit gepeize +te redden! + +--Om ons te redden van deze vernoye! + +--Ook al geloofden wij niet aan den Aventure! zoo riepen om beurten +Sagremort en Acglovael, Hestor en Meleagant, Galehot en Ywein en Bohort. +Maar Gwinebant, de schoone knape, der koninginne neef, riep niet mede +maar hield Mordret en Didoneel in het oog, wat of die toch smoezelden +zoo met elkaar. + +--Hoort! fluisterde tot de ridders Merlijn heel Zacht--om Keye, die +steeds nieuwsgierig, rondom den fenix, hinkte. Ik kan met magië wel een +Aventuur bereiden of liever een Aventuur herhalen zich doen, omdat +eigenlijk alles in dit leven zich herhaalt maar telkens anders en dat +noemen wij evolutië.... + +--Welk Aventuur?? drongen de ridders rondom Merlijn. + +--Eén, fluisterde Merlijn geheimzinner, vinger omhoog; dat alléén Gawein +volbrengen kan en herhalen, omdat hij gelooft en smacht! + +--Hij was nooit trouw aan zijn vrouw! zei Galehot; maar trouw bleef hij +aan Wonderwet! + +--Hij beminde vele vrouwen, fluisterden de ridderen onder elkaâr; maar +boven haar allen: Het Aventuur! + +--Gawein zal het Wonder en Aventuur dan gebeuren! fluisterde Merlijn. +Gawein zal het zich konden. Wat het zal zijn? Ik denk: een Zwevende +Scaec, als het de laatste male reeds was. Komt, lieve vrienden, deze +nacht in mijn burcht, om ons te beraden! + +De ridders beloofden het, blij om de samenzwering. Zij beloofden +malkanderen op handslag geheim te houden, dat Merlijn het te gebeuren +Aventuur zoû bereiden. + +Keye, met zijn bos sleutels, hinkte weg, om bevel voor het noenmaal te +geven en Merlijn riep tot Mordret en Didoneel: + +--Didoneel en Mordret, komt gij ook in mijn burcht deez' nacht? + +--Wij zullen komen, Merlijn!! stemden haastig de twee ridders toe, +opschrikkend uit heimelijk tweegesprek. + +--En gij, Gwinebant? vroeg Merlijn. + +Gwinebant was jonger dan de anderen: over de schouderen was hij breed, +den neus had hij schoon en recht, voorhoofd breed en glad, oogen grauw +en wenkbrauwen bruin, haar had hij krisp en blond, hals sneeuwwit en +rond, zijne lieren bloeiden als rozen, een kuiltje lachte in zijn kin, +om het middel was hij smal: zoo was hij volmaakt naar alle leden. + +Hij beloofde Merlijn te komen maar zijn peinzen was noch bij het +aanstaand Aventuur noch bij Didoneel en Mordret, want hij minde een +verre jonkvrouw.... + +En als hij, zoo als nu, de koninginne, zijne moei, zag dwalen door het +vergier, immer met Lancelot, dien zij minde en wien zij trouw was als +hij haar, zuchtte Gwinebant van onvoldaan verlangen, vooral als hare +wijle woei op den wind en zij zekerlijk malkanderen kusten, onder de +stuivende appelebloesems.... + +En dan dacht hij aan de jonkvrouw, die hij minde, aan Ysabele, de +schoone, princesse van Endi en Koning Assentijns kleindochter... +Ysabele, die hij niet wist hoe te winnen omdat hij te schuchter was, al +was hij neve van koninginne Guenever.... + +--Gwinebant, welschoone knape, dien ik krank van minne raad, wilt gij +Lancelot, dien ik niet storen wil, nu dat de koninginne en hij met +malkanderen drijven zoo amoreuselijk dat groote solaes, die zoete +melodië in het appelbloesemend vergier, kond doen, dat ik ook hem beid +in mijn burcht, deez' nacht, om te beraden van nieuwe dingen? + +Gwinebant beloofde het. + +--Ja, ik Merlijn.... + +En zuchtte diep want smachtte, naar Ysabele.... + + + + +HOOFDSTUK III + + +Die nacht was de Koning van weemoed moê en had zich vroeg te ruste +begeven hoewel de maan licht aan den hemel stond en bosch en burcht zoo +zwart en romantisch Romaansch tegen die klaarte zich teekenden, dat +schoener nacht zich niet denken liet. Door de duistere schaduwen en +blauwwitten lichtval in de schuimblank bloesemende vergieren wandelden +Lancelot en Guenever, of zaten op de marmeren bank en hare wijle, als +witte nevel, waar maan door scheen, sluierde om beider hoofden hun +staâgen kus. Gawein ook was ter ruste getogen, maar Keye, de drossaet, +hoorde in de nacht vreemd rumoer, onderdrukt, en zag uit, uit zijn rond +raamke, hoog in den burcht, zijn neus plat tegen de kleurige ruitkens. +Hij zag ter andere zijde des burchts de kemenade der koninginne verlicht +met een geligen schijn van toortsen en meende, dat zij niet sliep en +Lancelot evenmin, maar dat was bekender zake, waarom Keye niet zoû geven +een aas! Doch, om het rumoer spiedde hij uit in den binnenhof en +werkelijk, in het schuin vallen van maan en van schaduw, die verdeelden +den hof tusschen haar beiden met één lange streep dwars over de muren en +torens en pavement, zag hij de achterhand van een ros, dat, getuigd, een +garsoen bij den teugel hield.... En zag hij Lancelot uitkomen de poort +van den toren van Guenevers porprijs, zag hij de gelige toortsen dooven +en vernam toen meerder paardgetrap en, bij alle engelen van den Trone! +zag hij de geschaduwde of even maan-opgelichte ridderen, te peerd, den +cour uit rijden, dien hij zelve had doen sluiten. Lancelot, opgestegen, +voegde zich in hun midden en zij reden, als schimmen, altemaal weg.... +Hij kon ze niet volgen meer, maar waar gingen zij henen? Hij verbaasde; +hij stond versaagd en verwonderd; hij verstond niet, dat in de nacht +alle Koning Arturs ridderen van Tafel-Ronde--want dat Gawein hun +ontbrak, had hij niet bespied--Camelot zouden verlaten om wie weet waar +heen te gaan?! En furieus, dat zij de dichte poorten wisten door te +komen, alle de dichte poorten zekerlijk, die naar alle de bruggen van de +elf grachten toegang gaven, nam hij zijn zwaren bos sleutels, dien, om +niet te rammelen en den Koning te wekken, hij wikkelde in een slip van +zijn mantel, verliet zijn closet en hinkte, een licht in de hand, van +schoentip op schoentip, de sombere, zwijgende gangen van den donkeren +burcht door. Daalde de smalle trappen af, opende zachtkens de hoofddeur, +keek om en om en uit en uit, spiedde éenoogig in duister, hoedde voor +maan zich ter eene en sloop in de schaduw ter andere zijde, naar de +poort, om te zien of zij toe was.... Werkelijk, zij was gesloten en toen +hij haar nu zelve geopend had en uitgekeken naar de tweede poort aan de +andere zijde van de eerste gracht--een brug er over, die opgehaald was, +bevond hij, dat, werkelijk de tweede poort ook gesloten was...! Zoo +vermoedelijk zouden àlle poorten wel gesloten weêr zijn na der ridders +geheimvolle uitvaart en Keye verwonderde zich.... Hoe, bij den rijken +God van Hemelrijk! hadden zij zich alle de verschillende sleutels na +laten bootsen?? En plòts begreep hij: het was Merlijn! Het was het +Wonder, dat zij wel eens betwijfelden omdat zij moê waren des tien jaren +wachtens op Aventuur, maar dat er toch was, vooral in Merlijns euvele +wetenschap! De poorten wederom gesloten, hinkte, schuin oogend met één +oog, Keye terug, boos en bang, zich nijdig vragend wat het er toe deed +zoo vele poorten elken avond met vele sleutels te doen sluiten als toch +Merlijn met tooverkunst... en met Wonder...! Hij rilde nu van vreeze. +Waar waren zij heen, die keytivige feloenen, die booze ribauden? Denken +kon hij zich niet anders dan dat zij waren te Merline-waart maar waarom +en wat speelde hun door de zinnen? Hij sloop weêr terug in den burcht, +sluitende iedere poort achter zich met licht getinkel der sleutels, toen +zijn zoekende hand zich verwarde in den bos en hij er zocht in zijn +mantelslip, het lichtje telkens neêr zettende op het pavement en dan +weêr moeizaam het beurend, in vreemd gespook van geschaduw, tot hij +eindelijk, hinkend en boos, de nauwe gang zich terug af sleepte waar der +ridderen kemenaden uit kwamen.... Tot hij plots hoorde in Gaweins closet +als den diepen zucht van een, die slaapt en zich ommewendt in zijn +slaap.... Hij dus niet? Was Gawein niet mede? Waren alle de anderen wel +mede?? En Keye sloop terug en hij luisterde aan deze deur, aan die deur, +hij ging ter andere zijde, hij legde oor en oog tegen de kier en hij +besloot, dat alle de anderen waren mede getogen want er was niet het +minste geruchte, noch van Bohorts reuzegesnork, noch van schoonen +Gwinebants murmelen in liefdedroom noch van wat ook, dat hem denken kon +doen, dat Ywein de stotteraar, Sagremort de twijfelaar, Acglovael de +lachebek, Meleagant en Hestor of Mordret en Didoneel--die beide +schalken, die nooit een damosel hadden gewroken!--zich te ruste hadden +gelegd. Ook Galehot niet, die zijn draken tot groote kikvorschen +kleineerde? Neen, ook hij niet.... De kameren, nu Keye spiedde, voelden +ledig aan, ja wàren ledig.... En Keye ging terug naar eigen kamerkijn en +hij dacht: + +--Wat zweren zij samen, die kwade jongens? Of in welk kwalijk huis gaan +zij zich divertieren....?? + + * * * * * + +Maar al rees er ook wel in de foreesten van het Land van Logres, +tusschen de vele burchten, een burcht op, waar schoone en slechte +vrouwen tusschen feloenige ridderen de goede ridders belaagden en binnen +lokten, de elf makkers dezen avond--vergeet niet hunne sonore namen, die +immers zijn Lancelot, Bohort en Ywein, Mordret en Didoneel, Hestor, +Meleagant en Acglovael, Sagremort, Galehot en Gwinebant!--reden rustig +stapvoets, gewapend als steeds maar aan Aventuur niet geloovig, de +zwarte, donkere wegen langs, die zij zoo goed kenden, om dan in eens +tusschen het ijlere, doorzichtige loover uit te komen op vlakte of +viersprong, waar de witte maan over vloeide als loome melk tegen der +boomschaduwen zwarten inkt. Zoo liebaert noch drake school in dat zwarte +of plots dreigend uitschoot over dat wit, het geheimenis weefde er wel +door de geluidlooze stilte of zweefde den ridders voor door den val van +het manelicht en geleidde de zwijgende ruiters naar den burcht van +Merlijn. Slechts brieschte nu en dan een ros en kraakte het kreupelhout +onder zijn ijzeren hoef.... + +En plotseling, op wijdener opene vlakte, rees de burcht vreemd op, zoo +geheel anders dan Camelot en niet Romaansch en niet middeneeuwsch +romantisch maar meer verrassend Oostersch grillig, met blankere muren, +spitsere torens, flamboyant en Gothiesch reeds, ongemeen nog deze +wereldfantazie, in een wijden, witten rozentuin vol reuzekelken, die +stoomden-uit wolkjes van zichtbaar wit neveligen geur en geen gracht of +wal beschermde het, in de maan als een diamant schitterend, slot. Zoo +scheen het wel een kasteel van blanke tooverië, dat niemand ooit zoude +naderen dan wie wist welkom te zijn en niet plots doorschokt te worden +met den tooverschok, dien veroorzaakten de geheimzinnige, metalen +draden, tusschen de rozen verborgen en die doodden wien hunne hevigheid +voer door het heftig doortrilde lijf.... + +Zekerlijk zag Merlijn, zagen zijne trawanten reeds van verre door +tooverkijkers van kristal of diamant den stoet naderen, want plotseling +schitterde, bij wijze van welkomstgroet, geheel het slot om poorten en +ramen en torentinnen van licht, heller dan starrenschijn en de grootste +poort week open om een verschiet van diepsten gloed.... + +--Ik dacht wel, dat het Wònder is, zeide Hestor verblind; waarmede +Merlijn zijn kasteel zoo doet gloeien! + +--En tooverië, zeide Meleagant; waarmede hij zonder sparen doodt wie +zich verwart in zijne felle draden, die liggen verholen tusschen de +rozen, serpenten gelijk. + +--Vroô ben ik, dat hij ons vroed maakte van zulke booze hinderlage en +dat wij weten den weg tusschen de zoete rozen, lachte Acglovael. + +--Rechts af ter poortewaart, mijn lieve gezellen! waarschuwde Lancelot. + +--Het is diablerië, die niet en door riddermoed noch kracht ware te +overwinnen! bromde Bohort, onder den indruk. + +--Het is dia...dia...dia...bbblerië! was Ywein het eens. + +En desniettemin is Merlijn de magiër vol goede prise! loofde de schoone +Gwinebant met zijn stem, die was als een nachtegaal klaar. + +--Zouden al zijne treken wel diablerië zijn? twijfelde, brauwfronsende, +Sagremort. Of tooverië zelfs? Of alleenlijk maar...? + +--Wat, Sagremort? drongen op hunne rossen de ridders om den twijfelaar +rond. Bij caritate, wàt Sagremort? + +--Clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen! Hij leest véél in +heel dikke boeken! + +--En al ware het al clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen, +zoude dat dan niet diablerië ook zijn? + +--En tooverië? riepen Mordet en Didoneel, om wat mede te zeggen, want +zij waren in eindeloos tweegesprek, fluisterend en de andere ridders +letten hen op: Gwinebants donkere oogen begluurden hen fèl. + +--Gij zegt wel, bij Sint Michiel! gaf Sagremort zich wel weêr gewonnen +maar dacht toch na, brauwen fronsende en ontfronsende. + +Maar de ridders waren tusschen de rozen, die hoog stengelden en wijd +bloeiden en zichtbaar welriekende stoofden, gereden tot op een +voorplein; er stonden op voetstukken marmeren figuren in het rond, +voorstellende de helden, die gestreden hadden voor en in Troye, waarvan +de blinde Homeros gezongen heeft en de goden en godinnen, die hen +beschermden en er stonden ook Aeneas en vrouw Dido, van wie een zekere +Vergilius eens dichtte in de Latijnsche sprake--de clerken en de +trouvère's dichtten die dichters wel na, en zongen hen na op de lange +schemeravonden in de kasteelen. En de beelden waren zoo schoon, dat de +ridders zich verbaasden, iedere maal, dat zij ze zagen.... Tal van +garsoenen schoten toe, terwijl de ridderen afstapten en grepen bij de +teugels de rossen; een seneschalk naderde met een stoet van dienaren, en +toen de elf ridderen binnen traden, doofde plots, voor de poort nog zich +sloot, al de illumineering van het slot. En verbaasden de ridders steeds +om de prachtige inkomst van breede, marmeren trappen, met de blanke +goden- en heldenfiguren ter weêrszijden bezet en dan die felle gloed, +die straalde òp voor hun blik en doofde dadelijk weêr achter hun tred. +Hoe Merlijn toch meester was over licht en donker! bepeinsden zij allen +nu wel en zij stegen de treden op en Merlijn heette hen wellekom boven +aan de trap en zij vonden, hij was zoo jong niet meer als dien morgen +vlak na zijn Jouvence-bad; hij had een goediger gelaat, meer gerimpeld +en onder zijn puntdiadeem scheen zijn haar even gegrijsd en zijn +gestalte boog even, gebrokener, in zijn stijf van gesteente, scharlaken, +wijde magiërsamaar. Zijne wellieve gasten voerde hij naar een groote +zale, die was van zuilen zoo schoon en doorzichtig als nergens in Land +van Logres een burchtzaal, en de ridders, vol tuitinge van love, +verbaasden. + +Toen zeide Merlijn: + +--Ik heet u, lieve gezellen, wel dank, dat gij gekomen zijt om samen te +rade te gaan over wat wij bedochten om uit deze vernoie te raken van +aventuurloosheid, die vooral onzen beminden Prins en Gawein zoo bedrukt +en smachten doet. Ik heb bedacht te hunner weldade een Zwevend Scaec +Camelot binnen te laten vliegen, als tien jaren geleden geschiedde, en +zoo gij wilt, zult gij allen mij trouw zijn en niet verraden, nu ik u in +mijn vertrouwen neem, want ik heb u allen van noode. En om u wederom +goed en duidelijk te doen heugen van zoo lang verledene maar voor Gawein +glorievolle Aventure, wil ik u de Verledenheid voor tooveren opdat gij u +allen ziet in de dagen van weleer, toen gij twintig vroegzomeren teldet +en zoo frissche knapen waart, allen vol vertrouwen in Aventuren en +Wonder en Heldenfayten.... + +En hij wees den elf ridderen elf wijde zetels aan. Zij zetten zich en +Meleagant vroeg: + +--Zien wij de Verledenheid wellicht in een grooten smaragd? + +--Neen wij, zeide Merlijn. Salomo zag het Verleden in een grooten, +ronden smaragd, die zijn magische spiegel was; ik toon u dat eenvoudiger +op dezen witten wand. + +En hij toonde vóór de ridders een witten wand, die was gelijst in +gouden, vlammend geloover en de wand was een vierkant amelaken gelijk, +gespannen strak en ontvankelijk voor alle des Verledens beeltenis. + +--Tooverië? Of geen tooverië? vraagde zich Sagremort af. Dat is de +vrage! + +--Tooverië! Tooverië! verzekerde Merlijn. + +En met eenen doofde de zale van alle lichten en straalde alleen aan de +overzijde des witten wands een geheimvollen lichtbundel uit met felle +stralen: er snorde en draaide iets onzichtbaars, en.... + +De ridders, plots, zagen in trillend beeld op den witten wand ontrollen +het Verleden zelve, hun eigen Verleden! Zij schrikten heftig op. Te +twijfelen voor Sagremort, niet-te-weten voor Galehot was ondoenlijk, om +dit sobere feit.... Aan den smaragd van Salomo hadden zij misschien +nooit één van allen geloofd; aan Merlijns blanken tooverwand, waarover +het Verleden óp trilde, moesten zij wel gelooven! Want zij zagen zich +allen, maar tien jaren jonger, zitten in de Ronde-Tafelzaal, rondom de +Tafel-Ronde! De Koning, zoo krachtig en fier nog, vergeleken bij den +weemoedigen grijsaard, die hij nu was.... Gawein, reeds ernstig, maar +even jeugdig als zij allen toen waren geweest.... Gwinebant, bijna een +knape, van achttien lentes nauwelijks. En de stoel aan 's Konings +rechterzijde leêg, als dien morgen, want Lancelot met de jeugdige +Guenever, wandelde de bloesemende vergieren door, soms teederlijk door +opgewaaide wijle omwoeld. + +--O Wonder! O Wonder!! riepen zij allen. O tooverië! Diablerië! Hoe +doèt gij het, zeg toch, Merlijn? Ons eigen Verleden, wij zien het voor +ons! Het en is niet te gelooven en wij zien het...! Toen... op het +triltafereel over den wand zweefde uit de lentewolken een Schaakbord +binnen en het zette zich, als een vogel licht, voór Koning Artur en de +ridders zagen zich allen even ontstellen maar niet lange omdat destijds +zeer vaak vreemd Aventuur zich meldde. En zij zagen den Koning spelen +met den onzichtbaren tegenspeler en toen het Schaakbord zich weêr +verheffen, weg zweven en verdwijnen in het geluchte.... + +--O Wonder! O Wonder!! herhaalden zij allen. + +Ja, zoo was het eenmaal geweest! Zoo en niet anders! Tien jaren her, +tien jaren her!! + +En een huivering, koud, doorvloot hunne elftal heldenzielen, terwijl zij +in den donker Merlijn zagen uit stralen, steeds zichtbaarder, maar +steeds ouder ook, met een grauwen baard, die scheen te groeien.... + + + + +HOOFDSTUK IV + + +In het zaalgedeemster zagen de ridders op den strak witten wand voor +zich, als op een levend schilderij, tusschen de al flamboyant Gothische +krullen der omlijsting--stijl der toekomst nog vreemd aan hun +aesthetisch bewustzijn--het laatste Aventuur herleven, het Aventuur van +Gawein, het Aventuur van het Zwevende Schaakbord, dat Gawein den Koning +gezocht had en gevonden na moeitevolle queste. Ja, nu waren zij er zeker +van, dat Merlijn het Verleden op nieuw kon doen zichtbaar zijn, +precieselijk als het geschied was: zij zagen, als het geschied was, zich +allen zitten blijven, om de Ronde Tafel, toen de Koning rondom vroeg wie +hem het Schaakbord zoude zoeken; zij zagen toen Gawein rijzen, zich +wapenen, te paard stijgen op zijn goed ros Gringolette, dat nu nog wel +op stal stond, maar oud en weinig meer wrochte; zij zagen hun gezel zich +in het foreest verliezen en stand houden voor een berg, die hem den weg +versperde; zij zagen den berg, met tooverië, zich openen en Gawein +verslinden en toen plots, zagen zij Gawein in fellen strijd met den +draak, terwijl hem de draak in zijn staart omkronkelde! Dat wat zij +zelven sedert jaren niet meer hadden gezien noch gedaan, een drààk en +eens ridders strijd met dien zagen zij nu, gezeten in hunne wijde zetels +en het was als een schouwspel ten vermake! En zij waren allen zeer +verbaasd en versaagd en verwonderden zich, tot Merlijn eensklaps zeide, +terwijl het licht in de zale als uit groote edelsteenen, jochanten en +karbonkelen, straalde overal uit den wand: + +--Verder, mijn valiante wiganten en lieve gezellen, kan mijn conste u +niet toonen het Aventuur van der Aventuren Vader. Mijn diengeesten +vermochten alleen nog Gaweins strijd met het serpent te fixeeren in +hunne enghienen, die het Verleden opzuigen en bewaren voor immer. Maar +wat gij zaagt, is genoeg en zal u herinneren doen hoe het Scaec binnen +kwam zweven, hoe gij allen weifeldet en zoo, zeg ik u, zal op nieuw, nu +Pinksteren nadert, een Scaec op Pinksteren-dage binnen zweven en zult +gij op nieuw, zoo gij mij en Gawein te wille wilt zijn en den Koning +voor sombere geesteskrankte bewaren, aarzelen op te staan om de queste +te volbrengen. Dan zal, als hij reeds deed, Gawein zich verheffen; dan +zal hij ten tweeden male.... + +Op dit oogenblik weêrklonk een trillende zilveren bel boven een groote +lelie van parelmoêr en Merlijn zeide: + +--Vergeeft mij, mijn makkeren en jont mij, dat ik even spreek met mijne +zuster, die is de fee Morgueine en zij is vèrre, in haren burcht en belt +mij op! + +De ridders verbaasden zeer, maar Merlijn naderde het toover-enghien der +groote parelmoêren lelie, en hij riep door de bloem heen: + +--Hallo!... Wellieve zuster Morgueine, zijt gij daar? Ja... ja, zeker... +Volgeerne zal ik u morgen mijn tooverwagen zenden, die van zelve gaat, +zonder peerdegespan en gij zult zekerlijk er meerder jolijt mede drijven +op de gladde wegen, die uw slot omgeven aan den zoom van de zee, dan ik, +die midden in deze foreesten van Logres toch geen nut van mijn schoonen +wagen heb! Zonder meswende, wellieve zuster, ik zal u den wagen zenden +en gij zult ondervinden hoe ruischloos hij vaart! + +De ridders waren opgetogen en verzamelden zich rondom Merlijn, die zich +afwendde van de groote, parelmoêren lelie. + +--Wat! riepen door elkaâr Sagremort en Acglovael, Bohort, Hestor en +Meleagant. Bij Sint Jan! Bij Sint Michiel! Bij Maria's Kind, den rijken +Gode van Hemelrijke! Hebt gij met uwe zuster gesproken, Morgueine, die +zoo verre woont aan de zee?? + +--En waarom en zoude ik niet, wellieve gezellen, mijn gevoeg hebben aan +mijne tooverlelië? antwoordde Merlijn, en zij zagen nu allen, dat hij +geheel veranderd was en verouderd en voor hen stond als een oude man, +als een eerwaardige grijsaard met zilvergrijze lokken, zilvergrijzen +baard. Heeft mijne zuster niet ook in haar slot een dergelike +tooverlelië--eene sprakebloem heeten wij de schoone kelke--, waarin zij +met mij spreekt en waarin zij mij spreken hoort? + +--Mm...Mm...Mmm...et wie, vroeg Ywein; zijt gij nog meer verbonden, +Merlijn, door dergelijke sprakeblom? + +--Met niemand meer, Ywein, verzekerde Merlijn; want alleen grootste +tooverconste kan deze aansluiting van slot tot slot bewerkstelligen en +met Camelot, lace, zoude het niet en mogelijk zijn omdat onzes Heeren +Konings burcht een huis is naar al te oude zede en costume gebouwd, en +niet abel voor onze laatste uitpeizinge van tooverië. En nu, mijn +ridderen, peis ik in mijn moed, dat gij slapen moet gaan en zoete +droomen hebben, die ik u zenden zal, om morgen, met Pinksterendage, +voorbereid te zijn op het Aventuur van Gawein, dat zich herhalen gaat +ten gerieve van onzen held en ter liefde voor onzen Koning, die +smacht.... + +De ridderen namen van hun gastheer oorlof met hoofsche manieren; de +wijde deuren openden en over de trappen, in eenen, straalden de lichten +op, die schenen te schijnen en te dooven naar mate Merlijn maar zijn +hand bracht aan een knop van jochant, die hier en daar aan den wand zich +bijna verborg tusschen het nieuw Gothische geflamboyeer van goudene +krullen.... Tot Galehot, die hem had bespied, achter de anderen aan +loopende, nauwelijks toen de seneschalk, naar Merlijns voorbeeld, achter +de trap neer tredende ridderen het licht had doen tanen, zijn hand +bracht aan den jochanten knop, dien hij vond en... het juist gedoofde +licht weer op deed stralen! + +--God zij gebenedijd, mijn makkers! riep Galehot. Schouwt eens! Ook ik +ben toovenaar en laat het licht zijn naar mijn wille!! + +De andere ridders wendden zich, zagen het stralen waar zij juist achter +zich het hadden voelen dooven en verschrikten hevig. En Bohort riep: + +--Ik bid Gode om zijne genade, wellieve Galehot!! Draken heb ik +verslagen, ik en weet niet meer hoe vele, maar vaar heb ik, trots mijn +ridderschap, voor deze duivelsche gloeilampen; hoe hebt gij ze op doen +glanzen?? + +--Zoo ende niet anders! riep Galehot en deed wederom een lamp aan den +wand opstralen, die juist de seneschalk had gebluscht en hij lachte, de +ridder Galehot. Maar de andere ridders, en zelfs Acglovael, lachten niet +en drongen angstig Galehot niet met die tooverenghiene zijn spel te +drijven.... + +Niet alle ridders echter waren de trap afgegaan om naar Camelot terug te +keeren. Toen Merlijn terug in de zaal keerde, na den vertrekkenden +uitgeleide te hebben gedaan, vond hij Gwinebant, den neef der +koninginne, misnoegd zitten in een zetel en Lancelot bezorgd voor hem +staan. + +--Wat is er, wellieve vrienden? vroeg Merlijn; en waarom volgt gij niet +alle de anderen van Tafel-Ronde? + +--Krank is Gwinebant, peis ik, Merlijn, zeide Lancelot, die zijn hand op +des jongelings smal voorhoofd legde. Zijne slapen kloppen met +hamerslagen en zie zelve hoe bleek zijn lieren zijn. Kunt gij hem niet +genezen, Merlijn, gij, die toch alle tooverconsten weet en ook die van +kruiden en heilzame bloem? + +Merlijn zag een pooze op den schoonen Gwinebant neer. En toen zeide hij: + +--Voorwaar, mijn lieve Lancelot, deze knape, die bloeit anders een roze +gelijk, boven alle zijne gezellen van Tafel-Ronde, kwijnt den lesten +tijd, als een gebrokene lelie.... Bij mijne trouwe, niet moeilijk is het +te raden wat hem scheelt. Hij drijft rouwe, onze lieve Gwinebant, om +liefdes wille, wees des ghewes! Gwinebant, is dat niet zoo? + +--Het is zoo, Merlijn, antwoordde Gwinebant en kwijnende vielen zijn +anders zoo krachtige armen langs zijn slank jonge leden. Sedert ik, +maanden geleden, bij het leste tornooi Ysabele gezien heb, de schoone +dochter van Koning Assentijn van Endi, heeft Liefde mijn zinnen gevangen +en vervult mijn geest geen andere gepeize dan die aan de jonkvrouw. Want +de jonkvrouwe Ysabele heeft meer schoonheden te haren deele dan Venus +heeft, de godinne, die over de Minne gebod voert; Ysabele is schooner +dan Helena van Sparta of Ysaude van Ierland, die zoo ongelukkiglijk +Tristan minde; ja, Ysabele is schooner, vergeef mij, o wellieve +Lancelot, dat ik dit zegge, dan onze beroemde koninginne Guenever en wen +ik u beiden spanseeren zie door de bloesemende vergieren, dan weet ik +wel, dat Ysabele verre Guenever overtreft in menigertiere schoonheden, +maar ai mij, wacharme, dan sterft mij ook het harte in mijn borst omdat +ik van vlammen verteer en niet weet hoe ik mijn brandenden dorst zal +drenken! + +En minnekranke Gwinebant, gezeten, legde zijn kloppend hoofd tegen +Lancelots hart als om troost bij een vriend te zoeken, toen Merlijn--wat +was hij oud, nu dat het over middernacht was!--vinger tegen voorhoofd +uitriep: + +--Ysabele! Ysabele, Assentijns kleindochter!! Maar wellieve vrienden, ik +had nog niet aan haar gepeisd in mijn moed maar wij hebben haar harde +noodig voor ons Aventure, dat zich na tien jaren herhalen gaat! Want +vond Gawein niet Assentijns dochter, Ysabele eveneens geheeten, in den +Burcht van Endi, waar het eerste Scaec werkelijk binnen dreef door het +opene venster en nam hij haar niet en mede en huwde hij haar niet aan +onzes Konings hove en stierf zij niet in kinderbedde! Arme Gawein: +ontrouw was hij haar dikwijls al minde hij haar, zijn Ysabele, zijn +lieve wijf, vol van deugden! En eene kleindochter heeft Assentijn, ik +weet het, van zijn zoon, die omkwam in den strijd tegen Rome en zij is +geheeten als hare moei was: Ysabele! Ysabele, de tweede Ysabele, zij zal +haren oom, Gawein, ontvangen te Endi als eenmaal hare moeie het deed! + +Gwinebant was opgesprongen, in groote verwarring. + +--Wat meent gij, Merlijn? En wat wenscht gij met al uwe achtergedochten +en toovergepeize? + +--Niet anders, o wellieve Gwinebant, dan uw liefde te dienen, zoete +knape! Lancelot, ga terug tot Camelot, en laat mij Gwinebant. En gij, +Gwinebant, vertrouw Merlijn, die nie een kwade toovenaar en was, en +stijg deze nacht nog mede op mijn fenix.... Zoo voer ik u tot Ysabele! + +De jonge ridder gaf een kreet van geluk. + +--Tot Ysabele! Tot Ysabele! riep hij uit. + +Een pooze later reed Lancelot, alleen, in de nacht, terug naar Camelot. +Dat hij zoû binnen komen door alle de poorten, die Keye zorgvuldig +gesloten, had, beloofde hem Merlijn, zoo als hij het den anderen ridders +beloofd had. + +En stegen, op de fenix, die Merlijn stuurde, Gwinebant en de toovenaar +op. De jonge ridder zat achter zijn stuurder en verbaasde zich. De +schitterend pauwevervig geschakeerde vogel, met recht gestreken wieken, +azuur in den maneschijn, zweefde hooger en hooger op en uit zijne +diamanten oogen schoten twee bundels felle lichtstralen, die verlichtten +den weg door de lucht en de boomkruinen van het nachtelijk foreest. En +tusschen hemel en aarde, tusschen bosch en sterren, voerde Merlijn +Gwinebant naar zijn liefde. Van gelukzaligheid glimlachte, open zijn +zacht hijgenden mond, Gwinebant, de sterren toe of de zwarte +bladerenzee, beneden even gekabbeld de golven.... Hoe zij zweefden, hoe +de fenix zweefde! Hoe zij vlogen, hoe de fenix vloog! O tooverië, o +heerlijke tooverië van vliegen en zweven, de luchten door, de zomernacht +door, over de wereld, tusschen sterren en bosschen! Tot ginds, +afgeteekend tegen de klare nacht, de zware burchtsilhouet rees van het +slot van Assentijn, Gaweins schoonvader--lace, Ysabele, zijne dochter en +Gaweins lieve vrouwe, zij was verscheiden van deze aarde! Maar Ysabele, +de jonge maagd, en Assentijns kleindochter, die Gwinebant zoo beminde, +zij leefde, dààr in dat slot....! + +De fenix cirkelde boven het slot: de vogel, nu geruischloos en +onzichtbaar, door kunst van Merlijn, Merlijn zelve en Gwinebant +onzichtbaar.... Er was een aanzwellend gesuis rondom in de lucht als van +vele vluchtige en luchtige vleugelen: een gesuizel, tevens aanzwellende, +als van honderden stemmen.... + +--O Merlijn...! begon Gwinebant. + +Maar het scheen, dat hij zwijmde, achter Merlijns rug. + +--Mijn zoete trawanten! fluisterde naar de lucht, links en rechts, +Merlijn. Mijn trouwe dienaren uit de lucht! Mijn blijde sylfen: +hierheen, hierheen op uw lichte vlinderwieken!! Neemt den jongen ridder +hier bachten mij in uwe armen en geeft zijn lijflijk huls aan mijne +gnomen in het foreest, ter bewakinge, aan mijn goede gnomen, dat zij hem +houden in zoete vaak en voert gij zelve, o sylfen! zijne ziele van +liefde met u tot in Ysabele's droom! Komt! Komt! Neemt hem en voert hem +met u! + +Er was even een manestraal door de wolk, die veronzichtbaarde de fenix, +Merlijn, Gwinebant.... En in den manestraal verduidelijkte voor +duizenden geestesoogen, die van boven neêr zagen, het blauwe +tooverenghien, het zwevende fenixdier... verduidelijkten even tal van +zilverige sylfewieken, die waren als van waterjofferen en libellen, +doorschijnende glas, dooraderde vlies: de wolk van sylfen, die droegen +het bezwijmde lijf van Gwinebant, zacht dalende, dalende laag.... +Verduidelijkten zij daarna zilveriger, in stralender lijnen, toen zij, +opstijgende uit het duistere foreest, Gwinebants astrale lijf hieven +omhoog in hare armen, in hare handen, liggende levenloos de schoone +jongelingvorm in hare stijging. + +--Weeft den droom van hier naar daar, van daar naar hier! fluisterde +bevelend Merlijn en wees van slot naar bosch, van bosch naar slot. + +Als met een wijd geweven spinnerag zilverden de ijle draden van slot +naar bosch, van bosch naar slot terwijl Merlijn, onzichtbaar, op den +beweegloos zwevende fenix, zijn staf hoog, staande, verroerloosde... + +En het droomeweb, het ijle spinnerag weefde voort, weefde voort, +tusschen aarde en hemel, tusschen ridder en maagd.... + + + + +HOOFDSTUK V + + +In hare kemenade lag de princes Ysabele te bed en sliep. In het lage, +bruine, gewelfde vertrek, tusschen der wandtapijten beweeglooze figuren, +die te waken schenen in de zacht gouden schemering van het robijnroode +lampje voor de beeltenis der Moeder Gods, rees het groote, vergulde +bedde, twee treden hoog. Het was harer ouderen bedde, en de princes +Ysabele sliep, als de zede was en de costume, op de eéne plaats, rein en +kuisch, recht haar blonde hoofdje op het rolkussen met kwastjes, de +couverture getrokken tot hare borst en haar eene handje over de deken +heen. Het scheen of zij in haar slaap afwachtte wie haar ter zijde in +het te groote bedde als haar gemaal zoû komen liggen. In de schaduw, die +bruineerde tusschen de rossige gordijnen, lag haar wit gezichteke zoo +zoet als van een kind, met de twee gelokene oogleden onder de duidelijk +geharceerde wenkbrauwboogjes. Hare lippen openden zich in een onbewusten +glimlach. Op een treê van het bedde was, ter zijde, haar +princessekroontje geplaatst. Hare muiltjes stonden zoetjes en recht op +de pelline, die voor het bedde uit lag. Door het éene kruisraam blauwde +een weinig de nacht binnen over de twee vazen met bloemkens in de +vensterbank en achter in het vertrek dommelden goudig de +schemeringen--dat was om het lampje--over het bidgestoelt. Een koperen +wijwaterbak glimmelde. Voor het andere raam waren de luiken half toe; er +blauwde alleen een smalle reep nacht tusschen de kier en het tafeltje +stond daar, met ter zijde het boekenschrijntje: daar rijden Levens van +Heiligen en de door clerken van dien tijd opgestelde, tien jaren +geledene Aventuren der Ridders van de Tafel-Ronde. En het zwart-bruine +hondje lag te slapen, midden in het vertrek. + +Onbewegelijk lag de princes Ysabele. Weeze, was zij de kleindochter van +Koning Assentijn, wiens land van Endi grensde aan dat van Logres. Somber +en booze om veel ongeval en smart, die hij geleden had, bewaakte de +Koning zijn laatste spruit jaloerschelijk. Zij mocht het kasteel niet +uit dan met dicht gevolg van vele gewapenden, ter jachte of ten tornooi +of ten pelegrimage en verder bleef zij onverbiddellijk binnen. Twaalf +muren omringden het slot, tusschen iedere twee muren een diepe gracht en +het al omringde een diepe, breede rivier, die was van steeds ziedend +water en wie er in verdronk, verbrandde eveneens. En wie hij zijne +kleindochter toe had bedacht te slapen ter leêge stede in het groote, +vergulde bed, was de oude Koning Clarioen van Noordhumberland, aan wien +Koning Assentijn veel verplicht was, om hulp van wapenen in verleden +krijg en Koning Clarioen wachtte Ysabele te trouwen tot zij zestien +jaren volbracht zoû hebben. + +Ysabele wist het en had haar grootvader beloofd een lieve vrouw te +worden voor Koning Clarioen, ook al had hij een grauwen baard en al was +hij bijna als haar grootvader zoo oud. Zij had gelezen in de berijmde +kronijken der clerken, dat Koning Artur, van het Land van Logres, ook +oud was en de koninginne Guenever zeer jong steeds bleef. Zij had ook +gelezen van Lancelot en dat hij een trouw ridder steeds der koninginne +Guenever gebleven was meer reeds dan tien lange jaren, en Ysabele +hoopte, dat, als Koning Clarioen haar gemaal werd, Gode van Hemelrijk, +Sint Marië's Kind, haar ook wel zulk een lieven, dapperen hoofschen, +trouwen ridder zoû jonnen. Zij was vol vertrouwen op toekomst. En zij +lag zoo kalm als een zoet kindeke, recht op het rolkussen, met de oogen +toe, onder de duidelijke brauweboogjes. Ook het sluimerende hondje +bewoog niet. En ook bewogen niet de wakende figuren, uit lichtende als +bewaarengelen op de wandtapijten, in de gouden dommeling der +schemeringen.... + +Buiten bruiselde nauwelijks de wind, over de boomkruinen van het woud. +Was het wind door de blâren of waren het te vroeg ontwaakte vogelen? Of +was het gesuizel van sylfestemmen, duizenden, maar zoo licht, dat het +Ysabele zelfs niet in den slaap bewegen deed? Het waren geen +vogelvlerken, die tegen de blauw beschenen ruitjes tikten des +kruisraams. Het waren sylfewieken, want zij maakten nauwelijks +geluid.... Dat was toen de sylfen binnen drongen door het raamke, dat +niet voor hen bestond. Noch voor hen afsloot binnen van buiten, kemenade +van lucht.... Binnen drongen, tot zij, duizenden, vulden de kemenade. +Maar zoo licht, zoo luchtig, zoo niets dan nevel onzichtbaar, wat +maneschijn meer, naar het scheen. Het hondje bewoog niet, sliep. Maar +Ysabele had zich lichtelijk omgewend naar de leêge plaats in het bedde. +En haar andere arm bevrijdde zich van de couverture en beide armen +strekten en sloten zich nu als omhelsden zij één, die daar lag.... + +En zij droomde van Gwinebant en omdat de elfen iets namen van haar +slapende wezen, astrale gelijkenis, droomde Gwinebant, in het foreest, +waar de gnomen zijn lichaam bewaakten, den zelfden droom. + +Ysabele droomde, dat zij wandelde met den jongen ridder, wien zij op het +laatste tornooi hare losse, lange mouw had gereikt, opdat hij te harer +eere zoude josteeren tegen de andere ridders en die hij aan den helm +had bevestigd.... Dat zij wandelden, in zoet jolijt ende solaes van +amoers, als de koninginne Guenever en Lancelot, van wie zij gelezen +hadden, waren gewoon.... Over de wallen van het kasteel, door de +vergieren, in de zalen; zelfs, dat zij samen waren in de kemenade, zaten +in de vensterbank, tusschen de vazen met bloemkens, lazen in het zelfde +boek: den Roman van Alexander, den Roman van de Helden van Troje, den +Roman van Lancelot zelven, dien de clerken juist dichtten in deze +dagen.... + +En toen zeide Gwinebant tot Ysabele, in den droom: + +--O schoone jonkvrouwe, ik heb u lief, want gij zijt de roze, die over +alle andere bloemen vol van deugd bloeit in schoonheden. + +En Ysabele antwoordde: + +--Mijn ridder, vol van deugden en hoveschhede, ik heb u ook zoo lief +sedert het tornooi, toen gij mijn mouwe vast hechttedet aan uw helm en +zoo mij Koning Clarioen van Noordhumberland tot zijne koninginne +verkoren heeft, zult gij mij zijn wat Lancelot is der koninginne +Guenever, zoo als ik gelezen heb in de boeken, die de clerken dichtten +en waaruit de minnestreelen zingen en vertellen.... + +Toen, in den droom, werd Gwinebant treurig, maar hij dorst, om Ysabele's +reine onwetendheid niet te verrassen, haar niet zeggen, dat hij harde +veel pijn en verdrietelijkheden zoude hebben, zoo de zoete jonkvrouw met +den ouden Koning Clarioen zoude huwen. En hij zeide alleen: + +Ysabele, mijn zoete jolijt, solaes van mijn vie, hebt gij ooit gehoord +van ridder Gawein, die met ons mede zit aan Tafel-Ronde? + +--Ja, ik, Gwinebant, antwoordde Ysabele. Want Gawein is mijn oom en hij +huwde mijne moei, wier ziele is in Paradijs, + +--Zoo weet, dat hij zal komen, spoediglijk om Aventure, dat hij +volbrengen zal en het zal goed zijn, zoo gij hem liefdevol ontvangt, in +de zelfde maniere als uwe moei--Ysabele als gij geheeten--hem ontving +tien jaren her.... + +--Ontvangen zal ik mijn oom Gawein, o Gwinebant, als mijne moei hem +ontving, antwoordde Ysabele. + +En zij dreven verder in den droom de zoete melodie te zamen, in kuische +vreugde en zaligheden, en de kussen, die zij wisselden, werden hun door +de sylfen gegund, maar niet méér gunden hun de sylfen. + + * * * * * + +Den volgenden dag was het Pinksteren; de klokken der kapel van Camelot +bimmebamden en de Koning en de Koninginne schreden ter vroegmis, +zingende zacht in ondertoon de hymne aan den Heiligen Geest, de +vergieren door, waarvan de bloesems stuivende op den bries over hunne +hoofden verwoeien. En na de mis, die vierde de kapelaan, zetten zij alle +twaalf zich om Koning Artur neder in de Ronde Zaal, omme de Ronde Tafel +van jaspis, zetten zij zich zwijgende, als zij iederen dag reeds deden, +durende tien jaren, om Aventure af te wachten. Ook Lancelot zette zich +maar Guenever, tusschen de ooftboomen, wenkte hem, want zij wist van +niets, dat was voorbereid; omdat vrouwen meer praten dan mannen over +dingen, die beter verzwegen worden, had Merlijn den ridders verzocht +niets aan de koninginne te melden. Ook Keye, de spotaard, wist niets en +hij verbaasde zich zeer, toen Guenever Lancelot tot spanseeren noodde in +de vergieren--omdat er immers toch nimmer Aventuur meer zich meldde, +--dat de amys der koninginne haar bediedde met schuddinge des hoofds +van niet, en dat hij zittend moest op zijn plaats blijven. Waarom de +koninginne verbaasd en zelfs booze werd, tot zij hare wijle om zich heen +dichter wond en beleedigd alleen weg wandelde; hare vrouwen die zich, +bescheidenlijk, eerst hadden terug getrokken, naderden haar, vroegen, +begrepen niet en begeleidden Guenever toen in hare verpoozing, haar +noodende naar heur eigen tuin te gaan, waar Merlijns tooverboom stond, +om de gouden vogeltjes er te hooren zingen.... + +Om den Koning bleven zwijgen de ridders, terwijl Keye bal speelde, +alleen, behendiglijk als een jonge man, hoe hij ook hinkte, hoe hij ook +loenschte. En zorgelijk en weemoediglijk zat de Koning in zijn wat +motputterig hermelijn en fluweel--mottig ook even zijn zilveren baard, +en Gawein, naast hem, zat weemoediglijk en zorgelijk als hij. Geen van +beiden, in het diepst hunner ziel, geloofde meer aan het nieuwe Aventuur +en dat het ooit meer zoude komen. En zoo zij daar zaten, stil, zwijgend, +te wachten, met de anderen, Lancelot, Bohort en Ywein, Acglovael, +Sagremort en Meleagant, Hestor, Mordret en Didoneel, Galehot en +Gwinebant, was dit meer uit niet te verstoren vroomheid aan het +Verleden, aan de groote Verleden Dagen, toen zij zelden ten avonddisch +zich begaven voor zich Aventuur had gemeld en een of twee ridderen ter +gloriënde queste zich op maakten. En Gawein gaapte even, achter de hand, +had wel slaap na de mis en nu om het altijd te vergeefsche wachten. Maar +de andere elf, zij gaapten niet, vol spanning om wat gebeuren zoû. Zelfs +vloekte Bohort tot Lancelot: + +--Bij Sint Michiel, komt er nog niets aan?--waarop Lancelot ter sluiks +naar de lucht zag en Ywein fluisterde: + +--Ge...ddduld dd...an toch! + +Zoodat Acglovael een zenuwigen schater moest onderdrukken om eerbied +voor den zwijgenden Koning en Sagremort, zelfs twijfelend dezen morgen, +of Aventuur zich melden zoû door toedoen van Merlijn, schudde het hoofd, +brauwen gefronst. De anderen zwegen steeds: Hestor, modest, zeide nooit +veel; Mordret en Didoneel keken malkander wel wetende aan omdat zij +beiden dachten aan een aventuur, dat zij met hen beiden voorbereidden en +waarvan ik niets anders melden kan dan dat het niet waardig der +Tafel-Ronde was; o, zoo Koning Artur er van hadde geweten...! Galehot +glimlachte vol felle nieuwsgierigheid en Gwinebant gedacht zich zijn +zaligen droom en was, nu Lancelot zitten bleef, bijna niet meer +jaloersch op de wandelingen door het vergier, omdat hij zich heugde +eigene droomen en droomzaligheden.... Tot plotseling.... + +--Zie, zie! riep Gwinebant. + +Zij zagen allen op.... En zij zagen allen--zij zagen het!--door de +blauwe lucht, die zomerde boven de appelaren en tusschen de Romaansche +bogen groote ronde stukken azuur deed stralen, een Schaakbord zweven, +zwevende den burcht naderen, zwevende in het ronde dalen, een grooten, +schitterenden vogel gelijk, zweven toen boven s' Konings oude hoofd, dat +zich opwendde, opdat zijn ongeloovige oogen konden zien. Gawein was, met +een forschen kreet, opgestaan; achter de tafel stond Keye, openmonds, +handen in de zij en geloofde niet wat hij zag en terwijl de koningin en +hare vrouwen toe liepen en het vergier vulden met hare verbaasde kreten, +riepen de ridders, allen te zamen, zoo als een koor, dat goed de +zangmeester drilde: + +--Een Wonder! Een Wonder! Een Scaec zweeft ten tweeden male aan! + +Zoo de Koning en Gawein en de koninginne en Keye niet buiten zichzelven +waren geweest in liezen oogenblik van verwondering, zoû het hen zeker +getroffen hebben, dat de elf ridders zoo maatvol vol en rhythmiesch te +zamen en te gelijk hun koorzin zin hadden uitgeroepen en gescandeerd: +Bohort riep met zijn diepst basgeluid, Ywein stotterde niet, Acglovael +grinnikte maar even en Gwinebant klaterde het uit met zijn +nachtegaalstem. En de roep deed mooi aan, door de echo's der Ronde Zaal +herhaald, tot de klanken elkaâr als op een rijtje na liepen langs de +gepinghierde wanden; toen zwegen allen; wie was opgestaan zette zich en +terwijl de Koning de oude handen bevende hief, zweefde het Scaec met een +licht gesnor als van een zwaren hommel, maar véél lichter van geluid dan +Merlijns fenixvogel snorde, nog even in de lucht en zette zich toen vóor +Koning Artur. + +Diens oude perkamenten gezicht was geheel opgeklaard en scheen +verjeugdigd van vreugde. + +--Het Aventuur van het Scaec komt weêr! juichte de Koning met krakende +stem. + +--Komt weêr! jubelde Gawein. + +--Komt weêr! verwonderde zich Keye. + +--Komt weêr! sopraanden de vrouwen er tusschen. + +--Komt weêr! klonk, als de finale van een opera uit latere eeuwen, het +koor der elf ridderen. + +En alles te zamen klonk het héel mooi.... Nu stond het Scaec van +tooverië voór den Koning en trots het zweven waren de gouden en zilveren +stukken niet verward of omver gevallen maar geschaard gebleven naar +behooren op de velden van agaath en chalcedoon. Wat was het een +schitterend schoon Schaakbord! De gouden stukken stonden voor den +Koning, uit hoffelijkheid zeker van den onzichtbaren tegenspeler en zij +waren cierlijk gedreven: zij vertoonden Koning Artur, koninginne +Guenever zelve, staande de figuurtjes ten voeten uit; de raadsheeren +waren ridders der Tafel-Ronde en ieder der twaalf kon zich wel, als hij +wilde, herkennen, zoo als de beide paarden, de steigerende gouden, +gelijken konden op de beroemde paarden van elk dier ridders, die allen +even beroemde paarden hadden, hoewel Gaweins ros, Gringolette, misschien +het allerberoemdste was, en de kasteelen waren zeer zeker getrouwe +gesmeed en gedreven naar den Burcht van Camelot. En hoe schoone +garsoenen en schildknapen waren niet de acht pionnen! + +Terwijl de zilveren koning wel iets had van Koning Clarioen van +Noordhumberland.... + +Toen, opgestraald van geluk, deed oude Koning Artur een zet: hij zette +een der garsoenen vooruit.... + +Een onzichtbare hand speelde tegen. + +Allen zagen toe.... + +En het scheen Gwinebant, dat hij de schimme-hand, die tegen speelde, zàg +en dat die hand geleek op de hand van Merlijn.... + + + + +HOOFDSTUK VI + + +Ademloos volgden de ridders het spel. Want zij waren wel voorbereid, dat +het Scaec binnen zoû zweven, maar verder had Merlijn hun niets gezegd. +Ademloos volgden zij dus het spel: Koning Artur, goed speler, mocht niet +verliezen tegen zijn onzichtbaren tegenspeler. Bedachtzaam speelden +beiden, met tusschenpoozen vol overdenking en de vreemde atmosfeer van +het Oneigenlijke vervulde als een raadselachtige geur de zaal.... Uit +het vergier spiedde ook Guenever toe, hare oogen niet kunnende +gelooven... spiedden ook hare vrouwen.... Een zwijgen heerschte en de +vogels schenen te tjilpen in ondertoon.... Noodlottigheid zoû het +spellen, zoo de onzichtbare den Koning schaakmat zette: ramp zoû dat +bedieden... En de ridders wisten niet wàt te gelooven. Zeker, Merlijn, +had het Scaec doen zweven, maar toch, het Zwevende Scaec blééf een +Wonder: dat waaraan zij, elf van hen, eigenlijk niet meer geloofden, al +weifelden zij wel eens in hun ongeloof, al twijfelden zij, al wisten zij +eigenlijk niet of zij moesten gelooven of niet.... Nu, nu zagen zij het, +als zij gezien hadden het optrillende beeld van het Verleden op den +witten wand en de lelie der sprakebloeme en al het licht, dat doofde en +op straalde naar Merlijns enkele handbeweging.... Wonder ofte geen +Wonder? Galehot poogde te glimlachen, maar niet te best ging het hem af, +al dacht hij de draken, die hij gedood had, lezarden te zijn geweest.... +Sagremart fronste en ontfronste zijn brauw. En wat ook de anderen deden, +Gawein, geloovig, staarde toe als op eene openbaring van bovenaardsche +heiligheid. + +Het spel vervolgde zich, met snellere zetten. De gouden +Camelot-burchtjes in des Konings hand gleden in rechte lijnen, zijn +goudene paardjes sprongen hun paardesprong; zijn gouden koninginnetje +nam het zilveren schaakvorstinnetje. + +--"Koning!" waarschuwde Arturs jubelende, oude stem. + +De zilveren koning liep gevaar. Wel kon hij zich nog redden met een +achterwaartschen zet, maar toch zoû hij, zonder bizonderste +schaakgenialiteit, vermoedelijk wel in twee, drie volgende Zetten +schaakmat zijn.... Allen zagen toe.... Koning Artur mocht niet +verliezen. + +Plotseling trillerde het Scaec en verhief zich snel in de lucht hoog. De +ridders, de vrouwen, de Koning slaakten hun kreet. Het bord verhief zich +met de stukken, zoo als zij, nog weinige, stonden bij dit einde van de +partij, dat noodlottig zich voor het zilveren koninkje had gekondigd. En +de van weêrszijden genomene stukken verhieven zich eveneens, verdwenen +als het ware in het niets of onzichtbare handen ze weg goochelden. Maar +het Scaec zelve, recht, en de weinige stukken staande blijvende, zweefde +hooger en hooger, weg. Het Zweefde, zoo hoog, niet zoo snel meer, als +tartte het allen, die daar omlaag waren, en boven de appelaren dreef +het, onder de witte, dikke stapelwolken in de blauwe lucht langzaam, +langzaam weg. + +--Wie achterhaalt mij het Zwevende Scaec!? riep Koning Artur +opgewonden en wees naar het tooverbord. De helft van mijn koninkrijk aan +wie mij het Scaec achterhaalt! + +Nu had de Koning dit tien jaren geleden, toen zonder Merlijns +medewerking een Schaakbord was binnen gezweefd, ook al uitgeroepen. Maar +toen Gawein, na vele Aventure, terug was gekeerd, voor op zijn ros +Gringolette Ysabele, Koning Assentijms dochter!--en den Koning het Scaec +had gebracht, scheen Artur zijne belofte geheel te hebben vergeten, want +de notarissen van het Hof van Logres haddden geen bizonderen last +gekregen 's Konings belofte te boeken, opdat minstens na 's Konings +verscheiden Gawein de helft van Logresland toe kwam. Zoodat nu, op 's +Konings na tien jaren herhaalden uitroep, Galehot fijntjes glimlachte en +Acglovael een giechelen onderdrukte en Sagremort de brauwen fronste en +ontfronste, want hij twijfelde ietwat, Sagremort, aan zijn leenheers +woord en belofte. + +--Wie!? riep de Koning. Wie achterhaalt mij het Scaec!? Want zoo ik +wederom droom, dat mij mijn krone te loor gaat, zoo ik niet win deze +partië en den zilveren koning schaakmat zet, zal ik zekerlijk zelve, o +mijne ridderen! zoeken het Scaec, tenzij een uwer wel het mij +achterhalen wil!! + +Het hoofd van den Koning schudde van ontroering en oudheid en, staande +hij, beefden zijne oude, groote, opgehevene handen. Maar de ridders +zwegen, wachtende op Gawein. En iedereen zweeg, ook Guenever, ook Keye +zelfs, die altijd spotte, ook Merlijn, die jong, dwaas jong, met een +zwart puntbaardje, achter een der Romaansche bogen verschenen was en +toezag en luisterde. + +Toen, plechtig, rees Gawein op. Hij rees groot en prachtig, en het +scheen den elf anderen, dat hij grooter was en pràchtiger dan zij allen. +Zij verwonderden er om één oogenblik. Zij, elf, bleven zitten en hunne +roerloosheid, hun zwijgen bediedden den Koning, dat zij zich +verontschuldigden voor hun Prince op queste te tijgen naar het +betooverde Scaec.... Maar Gawein was opgerezen. Wat was hij grootsch, +toen hij daar stond! Zijn hoofd, zoo ernstig van aangezicht, even hoog +gericht, zagen zijne donkergrauwe oogen als bezield voor zich uit. De +donkerbruine haren golfden tot op de zware schouders en glansden als +vrouwenhaar. Maar de nek was breed en rond als een zuil. Zijne leden +waren forsch en edel, de spieren zich nauwelijks teekenend onder de +bruine bliaut, die spande over borst en lendenen, onder de keelkleurige +hozen, die de lange, sterke beenen omgoten. Op zijne ridderlijke vuisten +leunde Gawein over de Ronde Tafel. En allen, op dat oogenblik, +gevoelden, dat zij Gawein beminden, allen... maar niet Mordret en niet +Didoneel.... + +Toen zeide Gawein: + +--Mijn Vorst, als ik reeds deed te uwer liefde en te uwer eere zal ik +het Scaec achterhalen, zoo helpe mij Sint Marië's Kind, God van +Hemelrijk, zoo helpe mij Sint Michiel met zijn vlammenden brant, zoo +helpen mij alle Heiligen van Paradijs. Aventure heeft zich eindelijk +gekond, om na zoo vele bedenkingen tot daad te doen besluiten. Mijn +Prins, ten tweede male zal ik het Zwevende Scaec u achterhalen; mijn +Koning, ten derden male, al ware het over tien jaren weêr, zoû ik het +Scaec u achterhalen, zoo het ten derden male zich kondde en voor u +omneder zweefde. Want ik ben die gone, die trouw u is en was en zijn +zal, in den Aventure, die was, in den Aventure, die is, in den Aventure, +die zijn zal. Zegen mij, mijn Vorst, en beveel mij te gaan. + +En Gawein knielde voor Koning Artur neêr, die hem zegende.... + +Maar nauwelijks was Gawein opgerezen of Keye's spottende hekellach +klonk: + +--Hahaha! grinnikte Keye zoo schel, dat het Acglovaels schaterlach +smoorde in diens keel, toen hij schateren wilde om Keye's plotse +verschijning van achter een boom tot in de zaal, terwijl ook Galehots +glimlach bezwijmde. + +--Dappere wigant, Gawein! spotte Keye. Merk ende versta! Hadt gij +genomen een draad en dien aan het Scaec gebonden, zoo mocht gij nu het +getrokken hebben tot u toe en het en ware u niet ontvaren! + +--Zoo gij, heer Keye, sprak hoog en kalm Gawein; u eindelijk onthouden +wilde van zoo kwade scherne, zoude ik dit wel op prijs stellen en u +loven voor uwe hoofschheid. + +En Gawein beval Gringolette te zadelen en men bracht hem spoedig zijn +paard voor. Het was niet jong meer, het strijdros, dat Gawein bij zoo +vele Aventuren bereden had; jaren reeds genoot het zijn rust want al +besteeg hem zijn heer iederen dag, die stille rit door vreedzaam foreest +was niet wat eertijds geweest was strijdbaar steigeren en draven in +drakenstrijd en tweegevecht.... Dit dachten wel alle ridders, toen zij +den schildknaap Gringolette voór zagen leiden, terwijl Gawein in den hof +werd gerust en gewapend. Maar tevens dachten zij na, dat draken niet +meer bestonden, nooit hadden bestaan en reuzen eigenlijk evenmin.... + +Twee andere schildknapen gespten Gawein den zilveren halsberg om, de +maliëncotte, die sloot om borst en beenen en armen en waarover de +wapenrok van zwaar donker scharlaken gleed tot aan de heupen. En een +gouden liebaertkop was gewrocht op den wapenrok en op de hoes, die +Gringolette, de geäppelde schimmel, omhuifde en die zelfde liebaertkop +schitterde op Gaweins schild in goud. Toen boden de schildknapen de +speer en het zwaard en Gawein steeg op en de Koning riep: + +--Wellieve neve, dappere wigant, zie wat gij doet en hoor den raad, dien +ik u geve: wacht u en uw paard voor ongeval, want zeer zoude ik daar +toorn van hebben...! + +Toen, na een laatsten groet met zijn speer, reed Gawein weg. En allen +snelden de hooge tinnen op.... + +De Koning stommelde Guenever na, die reeds met Lancelot en de tien +ridders vooruit was gesneld en Keye volgde den Koning, hinkende, na, de +steile, smalle trappen van den toren op en de kapelaan met de clerken en +de hellebaardiers en alle serianten, zij volgden allen eerbiedig den +Koning, tot de Koning hen vóór wenkte te gaan en hij achter-aan met Keye +de eene treê na de andere zich moeizaam opheesch. Tot zij allen tusschen +de barbekanen en de kanteelen--zoo hoóg, dat zij de kruinen der boomen +beheerschten--uit zagen over de vlakte, die omringde den burcht en +bemerkten hoe Gawein draafde achter het Scaec, dat bij wijlen hoog, bij +wijlen lager, hem scheen te tarten, te lokken.... + +En de ridders, de elf, achter den rooden mantelrug van den Koning, +achter Guenever en hare vrouwen en alle de anderen, wisselden een blik +met Merlijn, die, zoo dwaas jong, aandachtig toezag ter zijde.... + +--Is het Scaec Wònder? vroeg fluisterend Sagremort. + +--Is het Scaec tooverië? vroeg grinnikend Acglovael. + +--Dià... iablerië? vroeg Ywein. + +Ook de anderen vroegen ter sluiks. + +--Wat is diablerië? Wat tooverië en Wonder? En wat is het niet? +antwoordde, met vaag beweeg van armen, Merlijn en Galehot meende, dat +hijzelve, eveneens, zoo had kunnen antwoorden, en zonder toovenaar te +zijn.... + + * * * * * + +Maar Gawein, in de vlakte, draafde steeds achter het Scaec. En het +zweefde zoo loom en zoo laag, dat Gawein meende, het werkelijk wel onder +de hand te kunnen vatten...! Bijna had hij de gemaliede vingers geheven! +Maar hij hief de vingers niet, want plotseling beving hem de vrees: + +--Zoo ik het met de hand niet en zoû vangen, mocht er heer Keye zijn +scherne meê maken.... + +En Keye's spot was het eenige, waarvoor versaagde Gaweins anders +vreesloos hart. + +Toen zweefde het Scaec weder hooger, boven de opene vallei. + +En Gawein hoorde nog roepen den Koning van af de hoogste tinnen: + +--God moet u geleiden, Gawein! Scheiden moeten mijne oogen hier van +u...! + +--God moet u geleiden! hoorde Gawein de ridders om den Koning roepen. + +Gawein, zonder ommezien, om het Scaec niet uit het oog te verliezen, +hief ten laatsten groet de speer hoog.... + +Toen breidde vlakte en vallei om hem rond, eindeloos en in de +middaglucht, die goud gloeide tusschen witte wolkstapels in blauwen +ether, zweefde steeds, als een vierkante vlieger, het Scaec.... + +--Maar ik en houd het niet aan een draad...! peinsde Gawein; als mij +kwade heer Keye ried...! O, wonder Aventuur, zijt gij gekomen en zult +gij u herhalen na tien jaren beidens, zoo precieselijk eender als ik u +Destijds volbracht!? Het Scaec zweefde binnen, het Scaec zweefde weg.... +Zal droomen mijn Koning deez' nacht? En zal ik? O, liever ware het mij +geweest, zoo nieuw Aventure zich hadde gekond! Wat zich herhalen moet +door noodlottigheden, herhaalt zich toch zekerlijk anders...? Zal ik mij +nu niet verwerren in wat geweest is en wat nu zijn gaat? Wat bepeis ik +in mijn moed? Versagen en wil ik niet! Het Scaec, het Scaec zal ik +vinden, zal ik vangen, als ik het toen ving en vond! Het Scaec zal mijn +eigen zijn en ik zal het mijn Prince brengen! O, Aventure, o +menigertiere Aventure, dat toen mijn jeeste omringde, omring mij ten +tweeden male! + +Gawein draafde het Scaec achterna en hij bespeurde, dat het Scaec den +zelfden weg zweefde, dien Destijds dat andere--of dat zelfde, want +verdwenen was het eerste, niemand wist waar!--gezweefd had. De zelfde +vallei omheen en toen... toen.... + +--O, Wonder! dacht Gawein. + +...Rees, als vroeger, een gebergte, geheel den horizon afsluitende.... +Spleet de berg open met nauwe spleet als vroeger.... Zweefde het Scaec +binnen de spleet in den donkeren berg, als vroeger ...Reed Gawein, als +vroeger, den berg binnen.... + +De spleet sloot dicht; het was donker, met hier en daar een gezeef van +zwakken dageschijn door hoogere, smallere spleten heen.... + +Gawein seinde zich. + +En hij bad: + +--Helpe God, Sinte Marië's Kind! Ik ben in den berg, als ik was! Het is +duister als het was! Het Scaec heb ik verloren! En al mocht ik uit den +berg gaan, kwam ik zonder het Scaec te hove, ik zoude buiten love +geworpen worden en met mij zoude heer Keye zijn kwade schere maken! God, +die voor ons stierf en om ons verkoort den bitteren dood aan het kruis, +help mij, Heer, uit dezen nood! + +Toen hinnikte Gringolette angstig.... + + + + +HOOFDSTUK VII + + +Gawein herinnerde zich.... Dit was de zelfde donkere, euvele plaats, +waar hij tien jaren geleden door tooverië en magië, hemzelven onbekend, +was binnen gedrongen en ingesloten.... + +Ruim was de holle berg, een eindelooze spelonk gelijk en de dag, door de +nauwe spleten, scheen niet meer dan, hier en daar, een ster.... En, +destijds, in deze duistere, bleek doorlichte, labyrinth-achtige +caveerne, had hij het serpent gezien, de vreeslijke draak, met hare vier +jongen en hij had eerst den vier jongen strijd geleverd--als kronkelende +hellelarven hadden de drieste slangen om hem heen gekronkeld met de +staarten en met de vlerken geflapperd. Gringolette had hen gruwzaam +vertrapt, terwijl Gaweins zwaard naar links en rechts had gestoken, hun +de breede pooten afbouwende, hun het vlijmende staal in de vlammende +sulfer spuwende muilen stekende. Tot zij als een bloedig doorkloofd +kluwen van afgrijselijke monsterlijkheid lagen levenloos in het nest, in +hun laatsten fosforglans, die doofde met den dood en de moederdraak, +blazende, was aangeschoven en aangeslopen door de donkere gangen, van +buiten, waar zij voedsel en aas was gaan voor hare jongen halen. Het +felle moederserpent, vier spuwende en verstikkende vlam, was over +Gawein, in het duistere hol, neêr gevlogen, en had hem aangegrepen met +klauwen en tanden, hem met den langen staart omkronkeld, terwijl hare +wijde vlerken als van een duivel op stonden met de klapperende scherpe +schermen. Gawein, in hare doodsomhelzing, was gegleden van zijn ros en +Gringolette gevlucht, bonzende tegen de grottige muren, zich een uitgang +zoekende en, omwrongen in des serpenten staartgekronkel, had Gawein +eerst met zijn zwaard en, toen hem dit uit de hand viel, met zijn goede +misericorde, zijn breeden dolk, steke na steke toegebracht, tot het +gebeeste eindelijk dood lag en uit honderd wonden het heet ziedende +bloed sproeieren deed over Gawein.... En nu wachtte Gawein af, tot +wederom...? Waarom niet? Waarom zoû op nieuw niet een drakemoeder haar +helsche kroost hebben gebaard in de caveerne; waarom zoû het op nieuw +niet gaan gloren van fosfor, waarom zouden op nieuw niet de strijden +worden gestreden? En Gawein, van Gringolette afgestegen, en het ros +leidende aan den breidel, spiedde uit, langzaam voort gaande vol +voorzichtigheid of niet plotseling.... Tot hij langs de sombere gangen +van den hollen berg aan een wijdener holte kwam en zich herinnerde en +zelfs zàg! Hier had hij de jonge serpenten verslagen...! Dáár had hij +het moederserpent verslagen...! En hij versaagde, Gawein, meer dan hem +een nieuwe drake hadde gedaan, toen hij, in het sterrebleeke gezeef des +dagelichts door de spleten, onderscheidde de geraamten der jonge +slangen, de blankende riffen met de leêge ribben, de blanke schedels, de +bekkeneelen, de wervelgeledingen der lange staarten.... En, op korten +afstand, spookte, als het skelet van een leviathan uit de eeuwen toen +Christenen noch Heidenen zelfs leefden, het vreeslijke geraamte der +moederdraak, versperrende den weg door de nauwe berggang; de wijde muile +nog open gesperd, onder de witte ribben de leêge wijdte van den buik, +die geweest was een gloeihaard van vuur, nu gedoofd en de vliezen der +hooge schermevlerken, verschrompeld, hingen in rafels aan de beenderen +ervan en schenen een reusachtige vleêrmuis, in den dood +verschrikkelijker want spookachtiger dan een nieuw ondier geweest zoû +zijn.... En Gawein seinde zich en toorn had hij in zijn gemoed, dat zich +alleen de dood van het Verleden herhaalde en niet het levende Verleden +zelve.... Hij besloot bij zichzelven, zoo hij ooit behouden en met het +Scaec terug te Camelot zoû keeren, niet van deze verbleekte +overblijfselen één woord ook maar te reppen: hij was bang voor heer +Keye's venijnigen spot.... En met zijn zwaard hieuw hij in het geraamte, +dat hem versperde, links en rechts: de ribben rolden door elkaâr en de +vlerken stuivelden te zamen tot stof en door wat een spooksel geweest +was, trok Gawein zijn ros meê, dat tegen stribbelde als gevoelde het de +huiveringwekkendheid van dit nog overgeblevene Destijds... Maar zijn +heer, die zich heugde het nauwe pad door den hollen berg heen, zag +eindelijk het licht heller stralen en de opening in den berg, die hij +ook Destijds uit was gegaan.... + +Ja, ook de berg, daar buiten, was de zelfde gebleven. De berg rees, als +toen, op uit een onafzienbaar breede rivier, met groote rotsblokken +gestapeld en scheen wel een reusachtige kerk, die gebouwd zoû zijn op +een eiland, midden in een diepen, diepen vloed. En Gawein herinnerde +zich, dat hij met Gringolette van die hooge oevers in den diepen vloed +was gesprongen en dat zij gezwommen had uren lang en toen gerust op een +landtong en wederom was door gezwommen, tot hij gezien had voor zich een +burcht, die, met tallooze torens, wel scheen van goud te zijn. En dáár, +in dien burcht, had hij immers toen getroffen den Koning van den +Mirakele, en Alidrisonder, zijn zoon en tusschen hen beiden had, o +Wonder, het Scaec gestaan en de Mirakele-koning had beloofd het Gawein +af te staan zoo deze hem het Zwaard zoude brengen, het Tooverzwaard met +de twee Ringen...! + +Dat Zwaard behoorde aan koning Amoraen en deze had het Gawein wel willen +afstaan, zoo hij hem bracht Ysabele, de schoone dochter van Koning +Assentijn, en Gawein had Ysabele gewonnen, maar ook lief gekregen, de +schoone! En, ach ja, toen Gawein Ysabele aan Amoraen volgens +ridderbelofte was komen afstaan, was deze reeds zoo fortuinelijk van de +aarde verscheiden, zoodat Gawein de jonkvrouw voor zichzelven had kunnen +behouden, al had hij het Zwaard moeten geven aan koning Mirakel, om het +Scaec voor Koning Artur te krijgen.... + +En met Ysabele en Scaec was hij te Camelot Destijds gekeerd en Keye had +niet kunnen spotten. + +Wacharme, hoe zoû het nu verloopen? Waarom had het zelfde Aventuur zich +herhaald? Nu Gawein er over dacht, opgestegen aan den boord van de +breede en diep verzonken rivier en in den glad weg stroomenden afgrond +van wateren, als in een toekomstspiegel, poogde te zien, vroeg hij het +telkens zich wederom af: waarom had dit zelfde Aventuur zich herhaald? +O, waarom had zich niet liever een nieuw Aventuur gemeld? Het is +afmattend en niet bemoedigend het reeds volbrachte Aventuur weêr door te +maken; het is afmattend en niet bemoedigend, in steê van een pas +uitgebroed of gebaard drakennest--broeden of baren, dat wist eigenlijk +niemand en een drake-ei was nooit gevonden--de riffen en ribben weêr te +zien van jaren geleden verdolgen ondieren. Destijds was Gawein +oversproeierd geworden met drakebloed en in den strijd was hem wapenrok +gescheurd, halsberg ontmalied, schild bijna versmolten in vurigen +drakezwadder en zwaard geschaard en verwrongen. En hij had zich, +Destijds! daat beneden in het gras gezet, gewasschen zijne wonden met +het water van de rivier en Gringolette gewreven de flanken met krachtige +palmen en met meer liefde zeker dan welke stalgarsoen ook het ros +verzorgd zoude hebben met roskam en borstel! Terwijl nu, dat Gawein +tuurde in het water, hij zich bewust werd toorn in zijn gemoed te +hebben, niet gewond te zijn en niet met drakebloed te zijn +oversproeierd... Gringolette was heelemaal niet moê.... Toch zoo lange +te zwemmen in den diepen afgrond van water tegen den stroom op, zoû +Gringolette het nù nog vermogen? Gawein klopte met de maliënhand het ros +op den nog satijnigen hals en het trilde zalig onder de welbekende, om +den metalen handschoen, wat ruwe koozing. En Gawein besloot van ja en +dat Gringolette niet oud nog en was... Hij dwong haar dus, met de lange +sporen in de zijde, te springen en, een korte wijle aarzelend, sprong +zij den afgronddiepen sprong. Het glad stroomende water bruiste om haar +op en schuimde en zij hief haar ietwat hijgende hoofd omhoog, de oogen +verwilderd van den sterken stroom, dien zij tegen op moest zwemmen.... + +Toen een schaterlachen van boven weêrklonk. Gawein, verbaasd, keek op en +hij zag aan den oever van de rivier, waar hij was afgesprongen, een +jongen herder, tusschen zijne schapen. De zon, over de vlakte, die zich +als een vallei van purper strekte, zonk en gloeide goud tusschen de +lager gestapelde witte wolkmassa's, ze als het ware met zich mede +sleepende in haar zinken en over de wollen ruggen der zacht blèrende +schapen streek de gulden schampval van het licht. Over den +kathedraalachtigen berg, uit wiens holte Gawein was ontsnapt, vloeiden +de violette schemeringen en het bergbeeld spiegelde verkabbeld zacht +lila omneêr in den stroomenden vloed, wijd als een meer, de overzijde +der lage wateren niet zichtbaar in vaalwitte nevelen, die rezen.... + +Toen hij den herder ontdekte, werd toornig Gawein, maar riep, zich met +hoofschheid, zelfs tegen een dorper en vilein, bemeesterend, kalm naar +de hooge helling op: + +--Darf ik vragen, jonge knape, wat u zoo blijde lachen doet, daat boven +aan den hoogen oever, terwijl hier omlaag een ridder moeizaam zijn ros +stroom-opwaarts naar gindschen verren burcht dwingt? + +De herdersknaap schrikte nu van eigen spot, en riep, hand aan zijn mond, +terug naar omlaag: + +--Door uwe edelheid, heer ridder en groote baroen, hebt mijns genade! Of +het uwe wille is en bekwame, wees mij niet booze, maar toen ik aanzag +hoe gij uzelven in meswende gebracht hebt door te springen met uw goede +ors in zoo diepe wateren, terwijl gij rustig hadt kunnen gaan den +zelfden weg, dien ik voor mijn kudde ontdekt heb, toen heb ik gelachen. +Vergeef, edele heer, een dorperlijken keytief: ik en had niet moeten +lachen, voorwaar: heb mijns genade! + +Gawein was goedertieren en toornde niet meer; op het zwemmende ros--en +hoe hijgde Gringolette!--riep hij naar boven, den herder toe: + +--Is dan een weg gemaakt naar den burcht van Koning Mirakel, waarheen ik +tien jaren her heb moeten gaan op mijn zwemmend paard als ik nu ga? + +--Zekerlijk, hooge baroen! antwoordde de herder; een harde gemakkelijke +weg is hier al gemaakt sedert jaren. En dezen morgen toen ik mijne kudde +weiden ging, zag ik over den weg een tooverwagen bliksemsnel glijden, +een van zelf voort snellenden wagen en ik versaagde harde en seinde mij +want in den wagen stond eene trotsche princesse, zoo zij niet eene +tooveresse en was en zij had een staaf in de hand en met haar gebaar +alleen stuurde zij den wagen over den gladden weg. En als ik niet doole, +heer ridder, in mijn dorperlijk verstand, was de fee of de trotsche +princesse Morgueine, die is de bloedeigene zuster van Merlijn, den +toovenaar, die jaren her dezen weg heeft gestrekt! + +Onderwijl zwom in de watere diepte Gawein op Gringolette voort, en hij +bespeurde hoe de sterke stroom zijn ros tegen de hijgende borst sloeg en +het den adem benam. + +--Mijn brave herder, zeide Gawein. Verre is nog het slot van den Koning +Mirakel en ik neem goom, dat mijn ors pijn heeft tegen den stroom op te +zwemmen. Maak mij vroed: waar kan ik tegen de helling van den oever +opstijgen daar het niet en zoo steil is? + +--Heer ridder, riep de herder. God geve u gratie wel te doen, maar uren +nog zult gij zwemmen moeten doen uw goede ors: zie dan toch hoe steil +hier de oever blijft en ter andere zijde zwemmen is gelijk het +oversteken van eene zee en leidt verre weg van Koning Mirakels burcht... +Maar dichtbij het slot weet ik wel een plek waar òp te stijgen mogelijk +is! + +Zwijgend nu spoorde Gawein Gringolette aan voort te zwemmen, terwijl de +jonge herder, boven, op den oever, te midden van zijn zacht blakende +kudde in den gloor van de zinkende zon mede met ridder en ros ging. En +Gawein dacht: + +--Zoo snel en zonder mij te beraden ben ik met Gringolette omneêr +gesprongen in het diepe, lage water! O, zoo ik geweten hadde van dien +weg, dien Morgueine met den tooverwagen weet over te vliegen en dien +Merlijn jaren her heeft gebaand! Maar ik en wist van niets! Wijl ik +rustig had kunnen stappen doen mijn arme ors, moet ik het doen zwoegen +tegen zoo feilen stroom op! En het Scaec.... ik en zie het niet zweven +meer, sedert ik den hollen berg uit kwam.... + +Te gelijker tijd, toen zijne oogen zich hieven als onwillekeurig, om het +Scaec te zoeken, zag Gawein ginds, in de laatste waaierstralen der zon +over de vlakte, iets schitteren, als een vogel, een vlinder. En hij +slaakte een vreugdekreet. Want de vogel, de vlinder vervierkantte zich, +glinsterde scheller als met vierkante velden doffer en heller juweel en +op die velden, harentare, stonden de stukken des Schaakspels, +schitterden de gouden, waarmede Koning Artur gespeeld had, minder fel de +zilveren des onzichtbaren tegenspelers.... + +Maar de herder zàg niet en riep: + +--Edele heer, wat is geschied? Kan uw ors niet meer den stroom op? Hoû +goeden moed, groote baroen; nog een vierde stonde zwemmens en gij zult +stijgen de minder steile helling omhoog van den oever! + +Gawein antwoordde niets. Hij bleef, de oogen hoog, volgen het Scaec.... +Het zweefde de waaierstralen uit van de zon en toen, plotseling, als met +de vlucht van een vogel, streek het naar links, waar in het violette +avondduister rosse torens begonnen zich in verre zichtbaarheid te doen +raden.... + +--Het Scaec! juichte stille in zich Gawein. Het slot van den Koning +Mirakele! Als Destijds zal het er dalen en binnen dringen en zal ik het +er vinden, tusschen den Koning en zijn zone, Alidrisonder! O Wonder, o +Wonder! O Aventure! Gringolette, sneller gezwommen! Dat het mij niet +ontga! Sneller, sneller, Gringolette.... + +Het ros zwom.... Het kreunde, met open mond, de oogen, schoon als die +van een vrouw, puilend van doodsangst, terwijl boven op den oever, +steeds de herder, angstiglijk neêr ziende, mede liep en zijne blatende +kudde dreef voor zich uit. + +Tot hij eindelijk riep en wees: + +--Heer ridder! Valiante baroen! Nog enkele minuten en ginds, zie! ginds +daalt de oever plots en is de steilte gedaan! + +Toen sloeg Gawein zijne oogen naar den verderen oever, dien wees de +herder en voelde hij, dat aan Gringolette, snuivende, hijgende, hare +laatste krachten begaven.... + + + + +HOOFDSTUK VIII + + +Gawein dwong het ros naar den oever. Het gehoorzaamde, uitgeput, sloeg +met de voorhoeven in de grazige helling, die daar afglooide naar het +water, gleed uit, maar slaagde eindelijk en klom met den ridder op. +Toen, aan den kant van den weg, waarvan Gawein niet geweten had, viel +het wankelend in een, zoodra haastig de ruiter was afgestegen en lag, +hijgende, met de puilende vrouwe-oogen en de kloppende flanken, waarvan +het water droop. + +--Awi, ach wacharme! kreet smartvol Gawein. Gringolette, gaat gij mij +begeven!? + +De uitschichtende krans der zonnestralen doofde, een donkerder paars +spreidde over den geheelen hemel, het water stroomde voort in reeds +nachtelijke schaduw en ginds in de verte, verrees de burcht van den +Koning van den Mirakele en donkerde tegen den laatsten gloor van den +dag. De schapen graasden zacht blatend, kabbelend de wollene ruggen, aan +de grazige helling rondom en de jonge herder knielde met Gawein neêr +naast de hijgende merrie. + +--Lace, heer ridder! klaagde de herder mede; uw goede ors, het is wel +krank. Bied mij uwen helm, baroen, opdat ik er water in putte om haar +verhitten kop te besproeien.... + +Gawein, klagende als in grooten nood, ontdeed zich van zijn helm en de +herder liep er meê omlaag en kwam, den helm gevuld, weêr op. + +--Awi, ach wacharme! klaagde Gawein steeds. Zie, mijn ors sterft! Brave +herder, mijn ors sterft!! Gringolette, wilt gij mij verlaten en hier +alleen laten bij dezen rivier, dien ik u heb doen op zwemmen en zonder +noode!? + +De herder besproeide met het water uit den helm het hoofd van het paard, +dat Gawein in zijn schoot had genomen. En met stervende oogen keek het +zijn heer aan, hief toen den open mond omhoog, en kuste, blazende den +laatsten adem, hem over zijn mond. En zonk toen in een en lag stil. En +Gawein, opgerezen, riep: + +--Herder, Gringolette is dood! Vermoord heb ik haar, lace! Oud was zij +nog niet maar hare krachten waren niet meer de zelfde! Tien jaren +geleden deed zij ook dien zelfden sprong van dien muursteilen, rotsigen, +hoogen oever; tien jaren geleden zwom zij de rivier op, tot aan den +burcht van Koning Mirakele! Zoo trouw was zij, dat zelfs wen ik was +afgestegen, zij nimmer afdwaalde maar marde tot ik haar weêr nam! Geen +smette en zoude wie ook aan Gringolette vinden: zij was zoo sterk en zoo +goed en bewaakte mij met hare leden zoo als ik haar beschermde met mijn +schild! Wen ik gewond was, en bewusteloos lag, neyede zij in den pleine +en maakte groot misbaar, tot mijne knapen mij kwamen vinden en wen ik +haar dan terug zag, met mijne oogen, dacht mij, dat ik al leeds vergat, +begon mij het hart te verhoogen en gevoelde ik mij of ik al genas! + +De nacht was geheel gezonken. Daar ginds, tegen de ijl blauwende lucht, +waarin de starren ontloken, ging vagelijk de ommelijn van den burcht +duisteren, week verder en verder weg als een droom, aan een droomeinder, +die onbereikbaar werd. + +--Heer ridder en baroen! klaagde de herder bewogen. Wat zult gij, hier, +nu uw ors verging, nog langer toeven aan de rivier! Wilt gij niet met +mij mede gaan naar mijne hut en darf ik u geen gastvrijheid bieden, al +zij het maar een bedde van stroo en een bete broods voor avondmaal? + +--Brave herder, antwoordde kalmer Gawein. Heb dank voor uw aanbod maar +deze nacht blijf ik hier, waken over mijn ors, dat de raven het niet en +komen vreten en de heksen haar niet en komen verscheuren voor hare brei, +die op de onzalige ketelen ziedt. Brave herder gij, met uw jongen lach +en met uwe jonge tranen om leed, dat niet was uw eigen, ga met de +schapen: laat zal het zijn voor gij de stallen bereikt; ga en laat mij +alleen bij de rivier... + +En Gawein dwong den herder te gaan, met zijne schapen, den weg op, de +vlakte toen over, de nacht in.... Het was als een vage kabbeling, die +verdween, daar ginds, in de stilte, in de starre-doorlichte schemering, +in de schemering van het onbestemde..... De burcht was geheel aan de +nevelige kim verzwijmd.... Geen geluid klonk boven den stadigen stroom +uit van den vloed, die klaterde zacht en eentonig. En alleen bleef +Gawein met het doode ros, onder de starren, die stralender klaarden. + +Gawein, in het gras, was wederom gaan zitten. Hij nam het doode hoofd +van het paard in zijn schoot en maakte er drie malen het teeken des +Kruizes over. En alles wat het ros hem geweest was, overleefde hij of +schimmig hem het Verleden omzweefde. Toen legde hij het hoofd neêr zacht +in het gras en knielde bij Gringolette en bad. + +Zijn zwaard had Gawein bij Gringolette's doode hoofd gestoken in de +aarde en het kruis van het gevest teekende zich af in het vage licht van +de nacht als een heilig symbool van bewaking. En Gawein betreurde, dat +hij geene kaarsen ontsteken kon rondom het dierbaar lijk.... + +Hij begon de nachtwake, gezeten op een terp, stil, het helmlooze hoofd +gebogen, de bloote handen gevouwen. Toen hij opzag, bespeurde hij, dat +zes dwaallichten rondom het paard flikkerden. Zij bleven op gelijken +afstand als stille sterretjes zweven en Gawein begreep, dat zij door de +goede gnomen waren gezonden. Langs den boord van de rivier, dwarrelden +tallooze vuurvliegjes. Maar over de vlakte zag Gawein ook naderen zes +gloeiende lichten, met gele, groene weêrschijnen en hij begreep, dat het +drie wolven waren. In een boom, trots de nacht, kraste drie malen een +zwarte vogel en andere vogels, op dien kreet, vlogen aan. + +De geheele nacht bleef Gawein de wake doen tot de vroege dag kleurloos +rees. De azende vogels zaten stil en somber toe te kijken op de takken. +De burcht, daar ginds, scheen vaal en vaag in den morgenmist en Gawein +twijfelde of het wel was de vroeger zoo goudene burcht van Koning +Mirakel, waar hij het eerste Scaec had gevonden.... Trouwens, hij dacht +nauwlijks aan het Scaec, aan de queste, die hij volbrengen moest. Zijn +hart was vol stille wanhoop, omdat hij verloren had, eerst zijn zoete +vrouw Ysabele, die hij wel dikwijl was ontrouwe geweest; nu zijn +Gringolette! Zijn verdriet drukte zwaar over zijn vertrouwen en hij +hoopte niet meer, dat hij zoû vinden dit maal het Scaec.... + +Toen de dag doorbrak, rees hij en trok zijn zwaard uit de aarde. En +begon hij met zijn zwaard om Gringolette heen vier diepe vorens te +trekken. En de aarde uit te graven onder haar doode lijf en haar graf te +delven. En arbeidde hij, een serf gelijk. Hij dolf en dolf, met zwaard +en met handen en lanzamerhand zonk het lijk weg in de aarde. Het laatst +bedekte hij het hoofd met het zand en hij torste van den rivierboord de +zware steenen naar boven en stapelde ze over het graf. Toen, legde hij +zijn schild, waarop de gouden liebaertkop, over de steenen. En stak zijn +zwaard wederom in den grond, ter plaatse, waar het zijn kruis zoû +richten bij het hoofd van Gringolette. En hij plantte ter zijde van het +graf diep zijn speer en zette daarop zijn helm en hij legde de +maliënhandschoenen er bij. En toen ging hij, na een laatste teeken des +Kruizes over wat hij achter liet, blootshoofds, de lokken, die glansden +als die van een vrouw, vallende tot over zijn halsberg, ongewapend en +langzaam den weg op. De nieuwe zon straalde over de wereld uit, de +zwarte vogelen waren verdwenen en een leeuwerik twetterde hooger en +hooger de eindeloos doorzichtige lucht in. + +Maar onverschillig ging Gawein. Naar Camelot terug keeren wilde hij +niet; zoo hij zonder wapenen, zonder Gringolette, zonder het Scaec zoû +komen, zoû zeker Keye spot met hem drijven. Den weg op naar den burcht +van Mirakele ging hij maar eigenlijk zonder te weten waarom, omdat hij +zeer twijfelde of dit tweede Scaec hij vinden zoû bij den Wonderkoning. +En, in zijn maliëncotte, ging hij, wel vreemd doelloos een ridder, zoo +ongehelmd en zwaardloos en paardloos, langs den weg, die leidde in het +Wonderland. Tot hij achter zich hoorde een fel getoeter als van schelle +trompetten. En omziende zag hij een tooverwagen, die naderde, naderde +bliksemsnel, raderende in een wolk van zongoud-doorpoeierde stof en hoog +in den wagen stond een vrouw. Zij richtte met de eene hand heur wagen +door een horizontaal cirkelend stuur en in de ander hield zij een staf, +waarmede zij scheen aan te geven de wendingen, die de wagen moest nemen +evenwijdig aan de wendingen van den weg. Als een wapperende wolk +omringde haar heur doorzichtig scharlaken mantel, die omviel haar uit +haar schitterende helmkroon over de schubben van haar kuras. En zij was +heel schoon in de blauwzwarte haren, die haar trotsch gelaat omzwierden. + +Toen hare trompetten, die ter zij van den wagen hunne gouden monden +vooruit staken, hadden getoeterd ter waarschuwing en Gawein zich had +omgewend om te zien, vertraagde zij den gang van haar tooverwagen. En +stond toen stil, met een ruk, terwijl een blauwige nevel en een vreemd +zoete zwijmelgeur haar wagen omdampte. Gawein verwonderde zich, maar +toen hij Merlijns zuster herkende, Morgueine, de fee, groette hij haar +hoofsch met hoofd en met hand. En zij ook herkende hem en riep: + +--Gawein, groote wigant en Vader van Aventure, wat tref u ik hier op den +eenzamen weg en zonder helm, zwaard, speer, schild ende ors? + +--Morgueine, antwoordde Gawein. Mijn zoete ors, Gringolette, stierf en +mijn schild beschermt haar graf; op mijn speer staat mijn helm haar ter +zijde en bevat eene laatste gedachte van minne aan haar en het zwaard, +dat aan heur hoofdeinde steekt in den grond en met zijn kruis haar +bewaakt, zal zich heffen in mijn ijzeren handschoen, zoo mensch of dier +haar gesteente schendt, zoo helpe mij Marië's Kind, Jezus Kerst van +Nazarene! + +--En waar gaat gij henen, Gawein, alleen en loopende blootshoofds in het +stof van den langen weg, geen ridder gelijk maar een banneling, die niet +weet waar zijne schreden hem voeren? + +--Lace, Morgueine, weet ik waar henen ik ga? Zal ik tot Camelot keeren +om Keye, voor wien ik vrees, zijn schere met mij drijven te doen? Ik ga, +ik ga, ik en weet niet waar henen; ik ga, ik ga voor mij uit! + +--Zoo stijg in, valiante ridder, noodde Morgueine; en ik zal u voeren +naar mijne Valleie, die is vol jolijt en solaes van riveel en amoers! + +--Morgueine, wederstreefde Gawein. Wat wilt gij mij mede voeren naar uwe +tooverlandouwen, naar het Dal van den dollen Dans, waar wie binnen +treedt, danst tot hij dood valt en waar uit ik Lancelot, die zonder arg +was binnen gedoold, heb moeten verlossen van den dood, dien gij hem aan +wildet doen, mijn edelen gezel, dien ik min! + +--Gawein, glimlachte zoet Morgueine. Ik en voer u niet naar dat dolle +dal: ik voer u naar wel andere beemde, vol vië van vreugde en zaligheden +waar in de wijde valleien, tusschen prayeelen en pauwillioenen vol +schaduw en zoete rust, staan de wonderbare boomen van peper, anijs en +gingebare, vijgen en notemuscaten, pumegernaten en amandelen! Wij zullen +er in mijne foreesten de witte herten jagen en de vlakkige leoparden en +wen wij terug van de jacht komen, zullen wij hippocras drinken en +clareit en avondmalen met pauwbraad en pasteien! Harpe en psaltherion +zullen voor ons spelen van zelve: ik heb een orgel, dat zweeft in het +geluchte en zingt dan uit alle zijne zilveren pijpen, die klinken +zuiverder dan goudene, bij mijne rechte trouwe! En wij zullen de gnomen +om ons dansen zien en de elfen om ons zingen hooren, met hooge +stemmekens, die trilleren als zilveren klokskens! Op het meer, dat is +doorzichtig als glas, zullen wij spelevaren op een vlot met tal van +toortijtsen om ons rond en wij zullen zweven op glanzende muzijk tot aan +de maan.... Komt gij niet mede, o Gawein? + +Gawein, moedeloos, glimlachte en stapte in. De wagen begon te snorren, +bewoog rukkende vooruit en snelde weg, voorbij Koning Mirakels burcht, +voor dat Gawein het zich bewust was. Hij zat aan Morgueine's voeten en +voelde zich mede voeren in duizelingwekkende vaart. + +--Deze is de wagen, zeide Morgueine; van mijn broeder, Merlijn. Maar ik +loof deze enghiene niet harde, want door de lucht en kan ik er niet mede +varen en Merlijn houdt zijn fenix-vogel voor zich! En als mijne +diengeesten mij niet in de verborgene bronnen onder den grond weten te +vinden de geurige oliën, waarmede de wagen bewogen wordt--want hij gaat +niet van zèlve, Gawein, maar door middel van geheime beweegkracht en +wonderoliën--dan kan niets zoo zware enghien voor uit drijven, al is de +weg ook nog zoo glad! + +Maar de wonderolie en de geheime beweegkracht schenen niet te +faelgieren, want de wagen vloog, vloog voort als een vogel.. Hier wist +Gawein nauwelijks waar hij was, in welk rijk, want het was niet Logres +en het waren niet de landen der omringende koningen. De boomen hadden +wonder kronkelende takken; aan de twijgen, tusschen de groote bladeren, +hingen de roode, lange en de ronde, goudgele vruchten; een sneeuwwitte +hinde ijlde plots over den weg en verdween tusschen de warreling van +bloesemende, blanke amandelstruiken en ooftzware granaatappelboomen en +plotseling zag Gawein voor zich uit strekken de toovervallei en klonk de +zoete muziek uit de van zelf spelende instrumenten, die zweefden, even +vaag zilver of nauwelijks elpenbeenblank, tusschen zwoele wolkjes, in +blauwe zomerluchten boven. + +--O, Wonder! zeide Gawein. Hoè spelen die speeltuigen van zelve, +Morgueine? + +Morgueine schaterde, terwijl de wagen met forschen ruk stil stond, zoo +dat Gawein bijna er uit viel.... + +--Niet anders dan door tooverconste, Gawein, zeide zij; wees des +gewes.... + +Zij stegen uit. En aan de hand voerde Morgueine Gawein binnen de +tooverpoort van de Vallei der Ontrouwe Ridders, waaruit een ridder, die +ooit ontrouw geweest was aan zijne geliefde, alleen verlost kon worden +door een ridder, die nooit ontrouw geweest was.... + + + + +HOOFDSTUK IX + + +Gedurende een maand reeds had Koning Artur, hadden de ridders te Camelot +niets vernomen van Gawein, die ter queste getogen was en hoewel een +maand niet bizonder lang is om een Zwevend Schaakbord te vangen, begon +Koning Artur, begonnen de ridders ongerust te worden en fluisterden de +laatsten onder elkaâr wat er toch met Gawein had kunnen gebeuren...? +Tevens was het vreemd, dat Didoneel en Mordret des avonds dikwijls +afwezig waren, voor welke afwezigheid zij niet bizonder aanneembare +redenen konden opgeven, terwijl daarbij nog kwam, dat Merlijn gedurende +een maand zich niet op Camelot had laten zien. Het waren alle dingen, +die een onaangename stemming opriepen te Camelot, waarvan alleen, naar +het scheen, Lancelot en Guenever zich weinig schenen aan te trekken. Tot +eindelijk Merlijn, op een goeden dag, heel vroeg tegen priemtijd, op +zijn fenix aan kwam vliegen en, afgestegen, met vragen door de ridders +werd bestormd. Wist hij niet waar Gawein was en waar was hij zelve zoo +lang geweest? + +--Waar ik zoo lange geweest ben? antwoordde Merlijn. Maar mijn dappere +wiganten, ik ben niet als gij lieden, die hier tot Camelot reeds sedert +tien jaren respijt neemt van uwe heldendaden en rustiglijk afwacht tot +Aventure zich meldt! Ik ben, het is waar, een tooveraar, maar ik ben +tevens een chemicus, en een fyzicus, een mechanicus, een naturalist, een +man van occulte sciencië en ik heb veel te werken, ik heb werkelijk veel +te werken! Denkt gij, dat ik maar iederen dag hier tot Camelot kan +komen klapaaien en maar niets doen en zitten te bepeizen van Wondere +ofte van geen Wondere? Ik heb dezer dagen doorgrond of ik niet de +sprakebloemen, die de gesprekken tusschen Morgueine en mij opvangen en +terug kaatsen, draadloos kan inrichten. + +--Draadloos? schaterde Acglovael het uit. + +Merlijn zag den te pas of te onpas schaterenden ridder aan en haalde +zijne schouders op. + +--Ja, draadloos, zeide hij, droog. Nu hebben wij er metalen draden voor +noodig, die spannen mijn gnomen mij onder de aarde, weet gij, Acglovael. +Draadloos zoude veel simpeler zijn. Maar omdat Morgueine deze maand +nimmer in haar slot aan zee was, nam mij het werk veel tijds en nu eerst +ben ik er achteren gekomen waar zij zich divertiert en dat is in de +Valleie der Ontrouwe Ridderen en daar drijft zij jolijt met +honderd-vijftig Ontrouwen.... + +--Honderd-vijftig? weifelde Sagremort. + +--Honddd...erd-vijftig? stotterde Ywein verbaasd. + +--Min noch meere, verzekerde Merlijn. En de honderd-vijftigste is... +Gawein. + +--Gawein?? riepen Hestor en Meleagant. + +Galehot glimlachte omdat hij al lang geraden had, waar Gawein zoo lange +toefde. En toen Lancelot en Gwinebant aan kwamen wandelen, beider arm om +malkanders schouderen, lichtte Galehot hen in: + +--Gawein divertiert zich met Morgueine in de Valleie der Ontrouwe +Ridderen.... + +En Merlijn vertelde van den dood van Gringolette, het goede ros, en hoe +Morgueine hem eindelijk door een sprakebloeme had gemeld, dat Gawein +haar honderd-vijftigste Ontrouwe was. + +--Als de Koning dàt hoort...! zeide Lancelot ontsteld. + +--Alleen een ridder, trouw aan zijne minne, kan Gawein verlossen! zeide +Gwinebant. + +--Zoo ga gij, Gwinebant, zeide Merlijn. Gij dròomt zelfs niet van andere +jonkver dan van Ysabele, Assentijns kleindochter. + +--Gwinebant lieft niet lange genoeg! Hij en is niet genoeg beproefd! +riepen Meleagant en Hestor. + +--Twijfelt gij aan mijne trouwe? riep Gwinebant, de klare stem klaterend +van verontwaardiging. + +--Wie van u is dan trouw? vroeg Merlijn, die het wel wist. + +Zij waren het op één na van allen geen. En zij glimlachten tegen +malkanderen en schokten de schouders en zij wisten van malkanderen, dat +als zij ééne jonkver hadden bemind, zij er ook eene andere hadden +bemind. Gwinebant, die was nog een knape... al telde hij maar drie, vier +jaren minder dan zij. + +--Lancelot, antwoordde toen Hestor en hij antwoordde zeer modestelijk, +alsof hij aan zich zelven niet dacht. + +--Ja. Llll...Lancelot! beäamde Ywein. + +--Lancelot! riepen de anderen. + +Lancelot stond, als wilde hij zich verontschuldigen, de oogen neêr, het +gebaar vaag weêrgevend zijn onmacht ontrouw te zijn. Toen zeide hij vast +en sloeg de oogen op: + +--Ik ben trouw! + +--Gij zijt trouw, Lancelot! riepen zij allen. Bij Sint Michiel! + +--Zoo zal het aan u zijn... begon Merlijn. + +--Aan u! vielen zij allen in. + +--Het zal aan mij zijn, beäamde Lancelot. Ik zal den Koning vragen +verlof Gawein te verlossen... + +--Neen, dat niet vragen! riepen zij allen. De Koning weet niet.... + +--Dat Gawein.... + +--Toeft in de Valleie der Ontrouwe Ridderen! riepen Sagremort, Acglovael +en de anderen. + +--Waar zijn toch Mordret en Didoneel? dacht Galehot. + +--Ik zal, hernam Lancelot; den Koning verlof vragen Gawein... te zoeken! + +--Te zoeken, ja justement! + +--Ik zal u helpen, Lancelot! riep Merlijn. Werkelijk, mijn zuster +Morgueine drijft ergerlijk spel in hare Valleie.... + +--Honddd...erd-vijftig! verontwaardigde zich Ywein. + +Een zware bel slingerde zijn metalen roep. Het was het teeken, dat +Koning Artur afdaalde ter Ronde Zale en zijn troonzetel in zoû nemen aan +de Tafel Ronde. En reeds verscheen hij, geleid door Guenever, en drie +pagiën beurden zijn mottigen mantel. En de ridderen, een voor een, +naderden hun leenheer en vorst en bogen voor hem de knie.... + +Met dezen noen togen Lancelot en Gwinebant, na verlof van den Koning te +hebben gekregen, er te paard op uit om Gawein te zoeken. Merlijn had het +betreurd hen niet dadelijk te kunnen helpen, omdat hij juist zijn +tooverwagen ter beschikking van Morgueine had gesteld: anders hadden de +beide ridders er een toer meê kunnen maken tot aan de Valleie van de +Ontrouwe Ridders.... Maar toch, ze hadden geen van beiden met de +enghiene kunnen omgaan--zeide Merlijn--en den wagen kunnen sturen en +Merlijn zelve had het dien dag te druk met de draadlooze theorië te +vervolmaken. Zoo dat zij met hun beiden te paard gingen, de vlakte over +in zonneschijn en om den wonderberg heen, want die ontsloot zich niet +voor de ridders. Zoo dat zij langs de rivier reden; breed was de rivier +als een zee; soms draafden zij, soms stapten zij.... Gwinebant keek +telkens op, of hij het Scaec niet en zag, maar er was geen Scaec te +zien; trouwens, het zoû ook niet altijd de lucht doorzweven en misschien +nu reeds rustig wachten ter plaatse waar Merlijn het heen zoû zenden, +opdat Gawein het vinden zoû na Aventure, groot en klein. En plotseling +zagen de ridders, ter zij van den weg, een graf van steenen gestapeld en +zij ontroerden hevig, want zij herkenden helm en zwaard en schild en +speer van hun makker Gawein en zij begrepen, dat hij ongewapend +Morgueine in de Vallei was gevolgd. Zij waagden echter zwaard noch helm +noch speer noch schild van Gawein mede te nemen en weg van het graf, dat +zij begrepen te zijn van Gringolette, die bezweken was van het zwemmen. +En zij maakten zich beiden het teeken des Kruizes en passeerden het +graf, front makende op hunne paarden omdat Gringolette bijna menschelijk +verstand had gehad en zekerlijk nu hare ziel weidde in de hemelsche +weiden, die voor de poort zich strekken, waar Sint Peter waakt, met de +Sleutelen, en waar alle goede paarden, in den strijd verslagen of +anderzins omgekomen, naleven een lief leven van vrede, en klaver en +haver.... En zij reden steeds verder en het werd reeds avond en zij +ontmoetten den herder, die terug keerde met zijne kudde en hij groette +hen beleefdelijk--hij was zoo gewend ridders te treffen te paard of +feeën in tooverwagens, zeide hij--en hij vertelde hen ook van +Gringolette's dood: dat was nu al meer dan een maand geleden! Sedert had +hij dien edelen baroen niet meer terug gezien.... Maar het graf, daar +van konden de edele baroenen zeker zijn, zoû door niemand worden +geschonden: daar waren de ridderlijke wapenen en het schild en de helm +en de handschoenen borg voor, zeide de herder. Van de Valleie wist hij +niets, maar hij meende, de baroenen moesten maar altijd recht-uit +rijden, den Burcht van Koning Mirakel voorbij en dan links: daar waren +weder andere wonderlanden: o, er waren er hier zoo vele, aan deze zijde +van de rivier. Zoo dat, met het vallen van den avond, de ridders nog +immer reden, nu stapvoets en dan weêr in draf, tot zij begrepen +verdwaald te zijn door dien linkschen weg. Hunne paarden waren wel moede +en Gwinebant zeide, ongeduldig: + +--Waarom zendt Merlijn ons ook niet een teeken, dat wij in de nacht niet +en verdwalen...! + +--Hij is bezig met de draadlooze theorië, verontschuldigde mild +Lancelot; maar mij ware het ook bekwaam zoo wij hier een burcht zagen, +om gastvrijheid te vragen.... + +--Zoo wij terug gingen tot Koning Mirakel...? aarzelde Gwinebant. + +--Wij gaan nimmermeer terug, Gwinebant, wen wij eene queste doen, zeide +streng Lancelot. + +En Gwinebant bloosde als een maagd en hij zeide, nederig: + +--Gij hebt wel recht, Lancelot; zoo vergeve mij Sinte Marië, onze Lieve +Vrouwe aller Genade.... Wij gaan nimmermeer terug. + +En zij stapten voort in de nacht, die gezonken was. Het land aan de kant +van den weg strekte zich eindeloos en verlaten uit onder den schijn van +de starren, die weefden een zilveren mist. Aan den anderen kant van de +rivier waren de kimmen niet te zien en het water was zoo breed als een +zee.... + +--O zie! zeide Gwinebant en hij seinde zich vol vromen huiver. + +--Ik zie! Ik zie! zeide Lancelot en ook hij bekruiste zich. + +De beide ridderen hielden de paarden in. Zij zagen ademloos toe. Over +de zee-breede rivier vlogen tal van zwarte vogelen. Het waren geen +raven, het waren geen kraaien; het schenen meer zwarte duiven. En zij +vlogen in zwierende kringen en dan, plotseling, als in wanhoop, +dompelden zij in de even zilveren wateren onder. En vlogen weêr op, maar +zoo blank als versche sneeuw en zij verloren zich in de nacht.... + +--Het zijn de zielen van Vagevure, zeide Lancelot, en seinde zich weêr. + +--Die zich louteren in de loutere wateren, zeide Gwinebant en bekruiste +zich als Lancelot had gedaan. + +--Wij zijn op de heilige Landouwen gedoold, zeide Lancelot en hij +schouwde om zich rond. Dit is niet Logres meer. + +--En zelfs niet meer Wonderland van ouden Mirakele! + +--En noch tooverland van Morgueine en van Merlijn.... + +--Zullen zij gered worden voor Paradijs, o Lancelot? vroeg Gwinebant +huiverig. Merlijn en Morgueine? + +--Ja, zij, zeide Lancelot. Zij en zijn niet booze. + +--Neen, niet booze.... + +--Zij zijn alleenlijk te welwetend van de dingen boven en onder de +aarde. + +--Alleenlijk te welwetend... herhaalde Gwinebant. + +--Maar aan het einde zullen zij worden gered.... Bidden wij voor hen, +Gwinebant. + +De ridders stegen af. Zij bonden de paarden aan hunne in het gras +gestoken zwaarden. Zij knielden naast malkanderen aan den rand van het +zee-breede water en begonnen hunne orisone te zeggen. + +Vóór hunne blikken, daar ginds, in de wijde, zilveren nacht, vlogen de +zwarte vogelen aan, doken onder, en stegen sneeuwblank, druipelend van +de droppen, op, tusschen de sterren.... + +En Lancelot en Gwinebant baden voor Morgueine en voor Merlijn, dat zij +aan het Einde zouden worden gered. + +--Zoo zullen zij, bad Lancelot; als zwarte vogelen aan vliegen komen, o +God van Hemelrijk, over uwe loutere wateren.... + +--Zoo zullen zij, bad Gwinebant; als witte vogelen uit vliegen komen, o +God van Hemelrijk, uit uwe loutere wateren.... + +--Amen, baden zij beiden en seinden zich. + +En zij stegen weêr op en reden voort, terwijl zij uit de lucht de witte +duiven, heel zacht, meenden te hooren zingen: + +--Kyrië Eleïson! Kyrië Eleïson! + +Maar zij waren te vroom, de beide ridders, om op te zien. En zij reden +voort, steeds voort, niet wetende waarheen en vertrouwende, dat zij wel +door bewaarengelen zouden worden begeleid, zoo niet dadelijk aan het +einddoel der queste, dan toch tot Aventure.... + +--Zoo als in het Leven, zeide Lancelot wijsgeerig. + +--In het Leven? vroeg Gwinebant, als een knaap. + +--Waar het Aventuur is het Goede en het Kwade, als in de queste, zeide +Lancelot. + +--Is dat waar? vroeg Gwinebant. + +En hij voegde er aan toe: + +--Lancelot, gij waart immer trouw aan uwe zoete minne, mijn moeie +Guenever? + +--Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar in mijne zonde was ik +altijd trouw. + +--Ik zal ook altijd trouw blijven, zei Gwinebant; maar gij waart alreede +trouw lange, lange, verledene jaren. + +--Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar ik kan niet anders, +zoo helpe mij God. Mijn trouwe is mijne groote zonde. + +--Wij zullen Gawein zekerlijk vinden, zei Gwinebant. Want wij zijn +beiden trouwe.... + +--Maar zondig ik alleen, zei Lancelot en seinde Zich drie malen. + +Toen bekruisde zich drie malen Gwinebant, hoewel hij noch zich, noch +Lancelot zeer zondig vond. + + + + +HOOFDSTUK X + + +In de nacht reden de ridders langzaam aan, zooals ridders-van-aventuren, +die geen burcht tegen komen om te overnachten, in alle ridderromans, in +de nacht, door rijden. Maar Merlijn was, hoewel niet alwetend, toch +veelwetende door wat hem zijn sylfen en gnomen vertelden, en wist +Lancelot en Gwinebant met dwarrelende vuurvliegjes en dwalende +dwaallichtjes juist te houden op den rechten weg, waar de burcht rees +van den een of anderen ouden koning, die niet was Mirakel, noch +Assentijn, noch Artur. Lancelot en Gwinebant werden door den ouden +koning Ban, die wel van de Tafel-Ronde gehoord had, in nachtjapon +slaperig en ietwat brommerig ontvangen, maar toen geleid naar een +kemenade, waar garsoenen hen van rusting en wapenen ontdeden--wees des +ghewes, gij, o lezer, dat de rossen reeds goed werden verzorgd en +geroskamd stonden voor volle ruif. Waarna de knapen de ridders +aankleedden in surcoet en hozen en hun water en dwale boden, om zich te +wasschen, als hooge lieden plegen. Toen geleidden de knapen de ridders +naar een groote zaal, waar de tafelen op de schragen waren gelegd en het +amelaken was uitgespreid en deden zij zich te goede aan venizoen en +dronken zij oude clareit naar genoegen. En toen de knapen hen na het +maal wederom met tortijtsen geleidden naar hun porprijs, strekten zij +Zich spoediglijk uit op de bedden en dachten te slapen tot dageraad toe. +Maar een zachte muziek klonk en plots schoof weg de muur in een wijden +boog in den wand en twee jonkvrouwen, uitermate schoon, verschenen, +glimlachende, omringd van vele brandende keersen en witte rozenkransen +en luit en psalterion ter hand. + +--O, zie dan toch, Lancelot! riep Gwinebant, en richtte zich van zijn +bedde. Twee schoone Sinte Ceciliën naderden ons door de muren! + +Ook Lancelot was opgerezen en de twee ridders, schoon als de +jonkvrouwen, blond als de jonkvrouwen zij beiden, Lancelot zoo ernstig +voor zijne dertig jaren, Gwinebant een jongeling nog voor zijn +acht-en-twintig, zagen verrast de beide speelsters naderen. Maar dezen +legden hare speeltuigen neder en traden uit den boog, die zich sloot. + +--Wellekom, heer ridder, zeide de een en zeide de andere. + +--Wellekom, gij beide schoone bezoeksters, zeide Lancelot en zeide +Gwinebant na en Lancelot vroeg: + +--Twi doet gij ons deze groote eer, jonkvrouwen, met muzijk en gebloemt +te verschijnen in ons closet? + +--Sinte Cecilië gelijk, voltooide Gwinebant, die zijne vergelijking wel +goed vond. + +--Heiligen en zijn wij niet, zeide de eene jonkvrouw, met een lachje +naar Gwinebant. Wij zijn zusteren, de beide dochteren van onzen vader, +den Koning Ban en ik ben Ydeleine. + +--En ik ben Belleflore, zeide de andere; en wij komen u vragen, o +ridderen, of gij genegen zijt de zoete melodië te drijven, met ons, deze +nacht. Wij bidden het u met hoofschheden.... + +--Wij bedanken u beiden met hoofschheden, Belleflore ende Ydeleine, zei +Lancelot, voor zelfs Gwinebant een woord had kunnen zeggen; maar weet +wel, dat wij die gonen zijn, die morgen onzen gezel, heer Gawein, moeten +verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen en wij dat alleenlijk +zullen vermogen zoo wij zelven trouwe blijven aan onze minnekijns... +Wij verontschuldigen ons dus harde. + +--Harde, herhaalde Gwinebant met een zekeren spijt, ook al vergat hij +nooit Ysabele. + +--Gawein! riepen de beide jonkvrouwen uit. Maar is hij ook niet van +Tafel-Ronde? + +--Gewes en zeker, bij Sint Michiel! riep Gwinebant. + +--Bij Sinte Marië, Koninginne van Hemelrijk, voegde waardig Lancelot er +aan toe. + +--Wij kennen hem, zeide Ydeleine schalk. + +--Wij kennen hem beiden, zeide Belleflore nog schalker. + +--Was hij hier gisteren? riep heftig Lancelot, om te weten. + +--Dezen dag nog? riep Gwinebant na. + +--Niet gisteren.... + +--En niet dezen dage, zeiden de zusters. + +--Maar een jaar her.... zei Ydeleine. + +--Ja, een jaar her, zei Belleflore. Hij kwam en was moede des dwalens en +rustte uit en hij at met ons en wij dreven jolijt.... + +--Wij festoyierden te zamen en hij was zoo hoofsch.... + +--Wij hebben toren, zeide Lancelot; niet zoo hoofsch te zijn als onze +gezel, welschoone jonkvrouwen, maar hij is immer de hoofschte van ons +allen.... + +--Wij dringen niet aan, glimlachte Ydeleine. + +--Wij willen u beiden geen vernoye doen, glimlachte Belleflore. + +--Onze vader zeide ons: gaat tot de ridderen naar antieke zede om +gastvrijheid hun verder te bieden. + +--Wij gingen met ons gebloemt en muzijk, als onze vader ons beval, voor +hij slapen ging. + +--Maar wij zullen geerne de muziek hooren, jonkvrouwen! riep Gwinebant. +Niet waar, Lancelot? + +--Geerne zullen wij de muzijk hooren, jonkvrouwen! zeide, bijna zoo +hoofsch als Gawein, Lancelot. + +--Zoo rust uit op uwe bedden, ridderen! noodden de beide jonkvrouwen. + +De ridders legden zich neêr. De kemenade donkerde, met wat maneschijn, +blauwig aan de kleurige ruiten bleekend. En Belleflore tokte aan haar +luit en Ydeleine vlijde met den strijkstaaf over de vijf glasreine +koorden van haar psalterion. En zij zongen, beiden, met zachte stemmen, +om beurten en te zamen: + + Lancelot! + Droom ju zoete lot! + Droom ju Koninginne! + Gwinebant! + Lieve knape, schoon wigant + Droom ju zoete minne! + +--Ysabele.... murmelde Gwinebant, de oogen toe, half reeds in slaap. + +Maar de ronde bogepoort opende zich geluidloos, de twee jonkvrouwen +trokken zich in den kaarsenschijn tusschen de rozenslingers terug; de +poort schoof toe.... + +En de beide trouwe ridders sliepen en droomden, terwijl bleekte aan de +kleurige ruiten de blauwe maan.... + + * * * * * + +Den volgenden morgen, na oorlof van Koning Ban en de beide princessen te +hebben genomen, reden de beide ridders verder en nu zeker van hun weg, +want Belleflore en Ydeleine, die wel van Morgueine wisten, hadden hun +gezegd welken weg te nemen was naar de Vallei der Ontrouwe Ridderen. En +zonder verder aventuur reden zij enkele morgenuren en het was niet meer +dan een genoegelijken rit. + +--Wel anders dan destijds, Gwinebant, zei Lancelot; toen bij iederen +tred Aventure zich voor deed. + +--Draken, zekerlijk, ontmoetten wij nimmer, maar zoo als ik u, Lancelot, +met Gawein eenmaal verlost heb uit den Dale van den dollen Dans, zoo ga +ik toch heden Gawein verlossen met u, Lancelot, uit de Valleie der +Ontrouwe Ridderen. En is het Scaec zelve niet Aventure, al weten wij dat +het door Merlijns toovermacht is gedaan? zei Gwinebant. + +--Hij geloofde! zei Lancelot. Hij geloofde als Koning Artur geloofde! +Wat was Gawein schoon en jong, toen hij opstond en zeide, dat hij de +queste volbrengen wilde! Gwinebant, met u is Gawein de jongste en +schoonste ons aller, enkel omdat hij geloofde! + +--Maar gij, Lancelot, zijt de trouwste! + +--Gawein is de hoofschte. + +--Wie de hoofschte is, kan moeilijk de trouwste zijn, Lancelot, want hij +mint te veel naar alle zijden uit. Zeg, wie van ons is de ridderlijkste? + +--Gawein. + +--Hij en is niet de vroomste.... Hij en biecht soms niet in jaren. En +hij laat zich verlokken door Morgueine en vergeet alles van het Zwevende +Scaec... Lancelot, zeg mij, wellieve gezel, ben ik ridderlijk? + +--Gewes, gij, Gwinebant. + +--Ik ben de zwakste, want ik ben de krankste. Om Vrouwe Venus' wille, +Lancelot, ben ik krank. Ik denk immer aan mijne Ysabele. Ik droom immer +van mijne Ysabele. Lace, zij is zoo verre.... + +--Gij en zijt niet zwak, Gwinebant, zoo gij mint met sterke trouwe. Gij +en zijt niet krank, Gwinebant, zoo gij verhoogt in blijde gezondheid +van minne. Gij bloeit boven ons allen als een roze, Gwinebant. En uw +stemme klatert als van een nachtegaal.... + +Zoo troostte Lancelot Gwinebant en Gwinebant voelde zich eigenlijk ook +niet ziek en zwak; hij voelde zich integendeel gezond en sterk, maar +zeer in de macht van Vrouwe Venus en hij droomde iedere nacht van +Ysabele.... + +Zoo als zij droomde van hem, iedere nacht.... + + * * * * * + +--Lancelot! Lancelot! Zie, riep Gwinebant. + +Zij waren uit een dicht foreest gekomen op een breede vallei, waarheen +geleidden verschillende gladde wegen, geëigend voor tooverwagens, die, +door wonderolie en geheimzinnig enghien bewogen, het snelst over gladde +wegen vliegen. In het midden van de vallei was als een paradijs, omheind +met hooge, roode rozenheggen en een wolk van geur woei den ridders te +gemoet. En toen zij beiden aan de zuilenpoort stille stonden, trok +Lancelot zijn zwaard en Gwinebant trok het zijne. Maar hij zeide: + +--Slaat gij de poorten, Lancelot, want mijne trouwe is niet en beproefd. + +Lancelots trouw was beproefd, sinds meer dan tien lange jaren. En hij +sloeg met zijn zwaard een kruis tegen de poort. De goud gesmede hekken +sprongen open, als op wonderveeren. En de ridders reden binnen. + +--Gawein! Gawein! riepen zij luide. Wij komen u verlossen, Gawein! + +Er was een groot rumoer tusschen de prayeelen en de pauwillioenen, +tusschen de peper-, anijs- en gingebareboomen. Vlakkige leoparden en +witte herten, getemd, vloden tusschen de amandelen, pumegernaten en +notemuscaten en een menigte ridderen drong zich baan tusschen een +menigte dansende feeën. Onder haar schitterde Morgueine. Zij lachte +luide, haar arm nog om den hals van Gawein, die, als uit een droom +ontwakende, naast haar lag op een ivoren bedde vol rozen. + +--Twee trouwe ridderen zijn gekomen! schaterlachte Morgueine. Riveel +heeft uit en solaes van verscheidenheden! Maar, vreest niet, mijn lieve +ridderen! Na Dollen Dans en Ontrouw-valleie vindt Morgueine u morgen +nieuwe fantazijë uit! + +Plotseling donderde het vervaarlijk en een zwarte wolk veronzichtbaarde +geheel de vallei. Het riep en schreeuwde door elkaâr van ridderlijke +mannestemmen; het krijschte door elkaâr, als van verschrikte vogelen, +van weg vliedende feeën. + +--Gawein! riepen Lancelot en Gwinebant. + +Zij hadden Gawein gegrepen en hij liet zich mede voeren. Maar in de +pikduisterte was niets te onderscheiden en de honderd-negen-en-veertig +ontrouwe ridders bonsden tegen malkanderen, zochten verschrikt uitweg en +vloekten en riepen aan: + +--Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk! +Alzoo helpe mij Sinte Marië's Kind! + +Toen klaarde wederom de dag. Maar de toovervallei was niet meer dan een +kale hei geworden en over de vale vlakte, in de donkere floersen van +nevel, die optrokken, liepen dom verdwaasd door elkaâr +honderd-negen-en-veertig ontrouwe ridderen. Over den weg snorde een +tooverwagen weg. Dat was Morgueine: zij schaterlachte nog na, terwijl +zij zich spoedde naar haar slot aan zee. + +Nu drongen alle de ridders om Lancelot en Gwinebant, die hielden Gawein +in hun midden en hunne paarden aan den toom. + +--Waart gij beiden trouw? + +--Werkelijk trouw?? + +--Immer trouw??? + +Zoo verbaasden zich de honderd-negen-en-veertig. + +--Zij heeft haar zoete spel met ons gedreven, zeide Gawein weêr. Wij +waren allen die gonen, die ontrouwe waren.... En ziet, wij zijn allen +ongewapend! Maar zij was Meesteresse ende Koninginne van Riveel en van +Solaes! + +--Gawein! zei Lancelot, en sloeg zijn gezel op den rechterschouder. + +--Gawein! zei Gwinebant, en sloeg zijn gezel op den linkerschouder. + +Gawein zag naar beiden om, ontwakende uit betoovering. + +--Gawein, zei Lancelot. Herinner u van het Zwevende Scaec! + +--Gawein, zei Gwinebant. Herinner u van het Zwevende Scaec! + +--Ik zoû het zoeken, zeide Gawein, en streek zich met de hand over het +voorhoofd. Maar Gringolette, mijn goede ors, stierf en ik liet mijn +wapenen op haar graf.... + +--Morgueine ontwapende ons, riepen de ridderen. Waar zijn onze wapenen? +Wie geeft ons onze wapenen! + +--Blijven wij allen te zamen! riepen anderen. Ongewapend zullen wij +sterker te zamen zijn dan gescheiden! + +--Wat bedieden ongewapende ridderen in de landen onzer oude Koningen! +riepen weêr anderen. Wij vermogen, ongewapend, niet één drakeserpent te +dooden! + +--Of eene damosele van een feloenigen ridder te redden! Want +drakeserpenten zijn allen dood! + +--Er zijn ook geen feloenige ridderen meer! + +--Er rijden nooit geene belaagde damoselen meer rond op witte +palafroeten in de foreesten! + +Zij lachten allen in den nog bewolkten noen. Zij lachten luide en schor. + +--Het Wonder! riep Gawein, geheel ontwaakt. Het Aventure, dat zich +eindelijk meldde! O, ik geloof er aan! Gaan wij, mijn zoete gezellen, +Lancelot en gij lieve knape, Gwinebant. Ik zal het achterhalen, het +Zwevende Scaec! + +En hij stortte, beide handen hoog, als zag hij het zweven, als wilde hij +het grijpen, vooruit, terwijl de twee Trouwe Ridders, te paard, hem +volgden en allen de anderen achter hen aan drongen in een wilde +horde.... + + + + +HOOFDSTUK XI + + +Buiten den ban der betooverde beemden, die weêr hun gewone aanzicht van +heide hadden aangenomen, liepen de ongewapende ridderen aan achter +Lancelot en Gwinebant, te paard, Gawein tusschen die beiden. En er was +rumoer van beraadslaging, waarheen zij zich zouden richten; zoo +ongewapend was, op des goeden Heeren wegen, het een ridder wel vreemd te +moede en zij wilden allen weêr rusting en wapenen hebben en een ros +daarbij, sedert Morgueine hen ontwapend had. Tot plotseling zij zagen +uit de klaardere lucht, waar zij, sedert hunne betoovering hadden zien +zweven verlerlei welluidende snaarinstrumenten, dalen halsbergen en +maliëncotten, helmen en zwaarden, speren en schilden en zoo vele stukken +van ridderlijke rusting verduisterden wederom den dag en de ridders, +roepende van wonder, hieven er de handen heen en vingen op hier een +zwaard, daar een helm, maar te gelijker tijd moesten zij zich hoeden en +weren want de stukken vielen met een dichten regen den hemel uit, +botsten rammelend op elkaâr, deden lichten donder rommelen door het +geluchte, vol van metaalschel geluid. En de ridders grepen of kregen een +slag op het hoofd van een zwaar neêr zijgend schild, ontweken den +onwillekeurigen houw van eens makkers zwaard tot de stukken rusting en +wapenen om hen heen op de heide lagen als een roestige rommel oud ijzer. +En zij zochten koortsachtig uit, vonden wel eens hun zwaard, maar niet +hun riem; pasten om beurt de helmen op, die zij gegrepen hadden, maar +zochten wanhopig naar hun halsberg, tot zij het hinniken hoorden rondom +en tal van strijdrossen zagen draven in het wilde omrond, hunne eigene +rossen, maar velen nog met gewei zich op het hoofd verheffend en andere +met vlakken over de huid verspreid, zoo dat zij begrepen, dat de +vlakkige leoparden en de wonderwitte herten niet anders dan hunne eigene +rossen waren geweest, zoo als de speeltuigen hunne betooverde wapenen. + +--Zij zullen zich weldra wapenen en hunne orsen berijden, zeide Gawein; +maar ik, die mij na Gringolette's dood zelven ontwapende, weet niet waar +wapen en ors te vinden. + +Juist toen hij dit zeide, zag Gawein voor zich neder dalen, zilver en +goud blinkende, maliëncotte en helm, zwaard en schild en speer, en +metalen handschoenen daarbij. Hij wist niet, dat Merlijn hem deze +onmisbare stukken uit den hemel deed vallen maar Lancelot en Gwinebant +begrepen het en zagen elkander met blik van verstandhouding aan. Alleen +Merlijn wist het gunstige Wonder te doen gebeuren, vermoedelijk door +clerkeconste en het Aventuur voor te bereiden, maar het Wonder was +eigenlijk geen Wonder en het Aventuur zou eigenlijk geen Aventuur zijn. +Het was heel eenvoudig, dat wapenen uit den hemel regenden, even +eenvoudig als dat zij het Verleden zagen opdoemen op Merlijns witten +tooverwand, of dat Merlijn sprak tot Morgueine door eene sprakebloeme +heen van parelmoer, of dat Gwinebant droomde van zoete Ysabele.... + +En Lancelot en Gwinebant seinden zich alleen, om zich vooruit te +behoeden voor wat er euvels mocht schuilen in dit eenvoudige Wonder maar +zij zagen vol liefde en eerbied naar Gawein, die zich niet seinde maar +blijde de stukken opving. En zij stegen af en hielpen hun gezel zich te +rusten en zich te wapenen en toen zij gereed waren, hinnikte het vlak +bij en zij zagen een ros en het geleek zeer op Gringolette, hoewel het +niet Gringolette was. Maar Gawein verheugde zich zeer, en liep op het +ros toe en greep het bij den teugel, want het was getuigd en gezadeld, +en Lancelot en Gwinebant begrepen wederom zeer goed, dat het een ros +was, dat Merlijn aan Gawein zond en er eigenlijk niets vreemds aan was, +dat, nu Gringolette dood was, Gawein, door Merlijns clerkeconste, een +ander ros erlangde. Het was een zeer schoon ros, een jeugdige hengst, +ijzerschimmel krachtig breed van borst, verstandig en menschelijk van +blik, fijn en sterk van beenen en het hinnikte blijde Gawein tegen of +het hem reeds lange kende. En Gawein zelve voelde wel het vreemde Wonder +om zich heen gebeuren, omdat eigenlijk alles Wonder was en Aventuur; +Zwevende Scaec, feeën, tooverwagens, uit den hemel vallende rustingen en +Leven en Dood. Gawein nu was op gestegen tusschen Lancelot en Gwinebant. +Terwijl alle de andere ridders, met dankbetuiging naar de twee Trouwen, +die hen hadden verlost, nog een enkelen keer elkanders helmen wisselden +en zwaarden en weg reden, ijlings verschillende kanten uit. Zij reden +her en der, zij reden harentare, terug naar de verschillende oude +Koningen, wier baroenen zij waren; over weg en heide, over vlakte en +vallei scheerden zij zich weg op hunne ijlende paarden en de drie +gezellen van Tafel-Ronde zagen hen rondom aan de kimmen verdwijnen.... + +Toen zeide Lancelot: + +--"Wellieve Gawein, wij hebben u verlost en gij zijt gewapend. Wat denkt +gij? Zullen wij u laten op Aventure gaan en zoeken naar het Zwevende +Scaec?" + +"Dat zij zoo, mijne dappere vrienden, antwoordde Gawein. Gaat beiden, +met mijn grooten dank. Gaat terug tot Camelot en zegt daar, dat gij +Gawein verlost hebt uit Morgueine's tooveriën en dat hij op weg tijgt +naar het Zwevende Scaec.... Het gaat tegen den noen en gij weet: tegen +den noen groeien mij mijne krachten; toen mij in mijne eerste kindsheid +de heremiet doopte en mijne toekomst las, voorspelde hij reeds, dat +immer tegen den noen mij mijne krachten groeien zouden. Het is voor mij +een jonstig oogenblik om te slagen in queste en Aventure: gaat, gaat, +mijne lieve vrienden!" + +Toen, te paard blijvende, omhelsden elkaâr de drie ridders, voor zoo +verre het mogelijk was elkander te omhelzen, te paard en gewapend. Het +was ook meer een symbool van omhelzing maar het was genoeg om van +elkander afscheid te nemen in broederlijke liefde, al steigerden even de +paarden en al schuurden de maliën tegen elkander, al klonken de schilden +schel tegen elkaar. En reden Lancelot en Gwinebant den weg, dien zij +meenden, dat ten spoedigste leidde naar Camelot.... + +Gawein, een pooze, marde. Toen bedacht hij zich, dat de burcht van +Koning Mirakel op den weg lag, dien hij met Morgueine in den tooverwagen +had afgeijld en besloot hij dien weg terug te gaan.... + +Terug gaan, op den weg der queste, het was nooit goed. Vooruit, vooruit +moest de dolende ridder.... Terug gaan, het was een teeken van zwakheid +en onmacht.... Maar, bedacht Gawein, ook kon het een boete zijn en om +boete ging hij terug. Trouwens, waarheen zou hij vooruit zijn nieuwen, +jongen Gringolei moeten richten? Bij Koning Mirakel had hij Destijds het +eerste Scaec getroffen, bij Koning Mirakel alleen kon hij vermoeden +ditmaal het Scaec weêr te treffen! Waar anders? Hij keek naar de +luchten, spiedde uit; hij zag niet meer het Scaec.... Zekerlijk, bij +Koning Mirakele was het neêr gedaald. + +En hij reed terug, in rustigen draf. Zoû Aventure zich melden op zijn +terugweg? Hij twijfelde er aan, het geen hij betreurde, want hij voelde +groeien zijne krachten en het ging meer en meer tegen den noen aan. Tot +hij plotseling opschrikte. Daar ginder zag hij iets, dat hij in jaren +niet meer had gezien! Gingen dan de dingen van Destijds zich herhalen?! +Eerst het Scaec en nu, o rouwe, o schande, o oneere! Daar ginds, waar de +weg in woud zich verloor, zag hij twee ridderen te paard, een rooden en +een zwarten. En tusschen hen beiden voerden de ridders eene jonkvrouw, +te paard ook. Zij was gekleed in groenen sindale; twee zilverblonde +vlechten vielen haar tot op het artsoen van het gereide, maar de beide +slechte ridders trokken haar ruw aan de vlechten, hadden haar de +kleederen gescheurd van den lijve en sloegen haar met twee geesels, van +riemen, over borst en aangezicht, zoodat zij bloedde. En zij riep luide, +hare smart uitklagende en kermende: + +--Wacharme, o Sinte Marië, komt mij dan geen ènkele ridder, met zijne +deugd, verdedigen van deze kwade feloenen, die nie ridderschap +betrachtten! + +En hare armen gebonden op haar rug en ter nauwer nood zich houdende, +gezeten op haar palafroet, wankelde zij in het gereide en gilden hare +kreten het woud uit over weg en tot hemel. + +Gawein, van verre, zag het. De twee ridderen kende hij niet: zij waren +geheel onherkenbaar in hunne zwarte en roode rusting, met gesloten +vizier en Gawein, na zijn vizier te hebben neêr gelaten, ijlde op jongen +Gringolet vooruit. En van verre reeds riep hij met zware, dreigende +stem: + +--Heeren ridderen, merkt! Het is dòrperheid, weet dat wel, en onzede, al +wat gij deze damosele doet! Gij zoudt des ontberen, bij Sint Michiel, +waart gij vroed! Al hadde die jonkver misdaan, hoofschelijk zoude men +haar behandelen, want daar ligt luttel eere aan, zoo fel een schoone en +zwakke vrouwe te slaan! + +Toen schreeuwden de roode en de zwarte door elkaâr woedend Gawein tegen: + +--Om u, dorper en curliaen, of gij ridder zijt of niet, zal zij niet +worden gespaard! Om u meer toren te doen hebben, zullen wij haar doen +meer lachter dan ooit te voren! En wilt gij nog een woord toe spreken, +dan zullen wij u met onze speren averrecht van uw orse steken! + +--Heeren ridderen, riep Gawein. Staakt gij mij van mijn ors, wel, zoo +ware ik te voet! Maar te peerd of te voet, weest daar vroed van, zal ik +de jonkvrouwe, die gij mishandelt, beschermen en haar toren minderen, +ook al zet ik er het leven voren! Doet mij echter een bede, ridderen, +voor uwe edelheden en voor Gode en voor aller ridderen eere ende laat àf +die damosele zoo fel te schoffieren! + +--Maak, dat gij henen komt en vliedt! riepen de ridders en zij sloegen +de jonkvrouw met hunne geesels, zoodat zij gilde naar den wijden hemel +toe. Of, bij al dat God geleesten mag, deze zal uw doemsdag worden! Wat +hebben wij met uwe sermoenen van noode? + +--Laat die jonkvrouw met goede! riep Gawein, van woede buiten +zichzelven. Of wacht u jegen mijn speer! + +En hij reed, als een afgeschoten pijl zoo snel, op de ridders toe, speer +gestrekt. + +De roode en de zwarte scheidden zich; zij lieten de jonkvrouwe, die hare +gebonden handen zelfs ten hemel niet kon strekken, alleen te paard op +den weg staan; de roode reed op Gawein toe, de zwarte ontweek diens +speerstoot en draafde de vlakte over, ter achterzijde Gaweins, maar vóór +hij Gawein van daar had kunnen bestoken, stiet Gawein den roode ter zij +van zijn schild bliksemsnel door wapenrusting en maliëncotte in de +ribben onder het hart, zoodat Gaweins speer brak en met het trensoen +bleef steken in 's rooden ridders lijf. Hij slaakte een verscheurenden +kreet en tuimelde af van zijn paard. + +Toen wendde Gawein woedend zijn jongen Gringolet. En hij rende, de +wigant, zwaard uit scheede getrokken, op den zwarten ridder in; hij +sloeg den zwarte diens speer in tweeën, en toen deze zijn glavië trok, +gevoelde Gawein al zijn noenkracht in zich groeien, sloeg hij hem met +één slag het zware, zwarte schild uit den arm, zoodat het kletterend +rolde over den grond. En de zwarte, den linkerarm gebroken door Gaweins +slag tegen het schild, poogde vloekend van pijn en van woede, met één +vuist zijne glavië te heffen, toen reeds Gaweins zwaard, hoog in beide +vuisten verheven, den zwarte kliefde over den helm heen, dwars door den +zwarten helm heen, waarvan de zwarte diamanten rechts en links sprongen +dwars over des zwarten hoofd, zoodat de hersens uitvloeiden, als een +witte etter-en-bloed en de zwarte achterover viel van zijn paard. Toen +steeg Gawein af en hij naderde de jonkvrouw, tilde haar af en begon haar +het koord van hare polsen los te binden. + +--Dank heb, ridder! riep zij juichende en weenende te eenen stond. Gij +hebt mij wel gewroken jegen den rooden en den zwarten ridder! Ik wil uw +dienstwijf zijn en blijven tot het einde van mijne dagen! + +En zij wierp zich neêr aan Gaweins knieën en kuste hem de maliën her en +der. + +--Wie zijt gij, schoone jonkvrouwe, en hoe komt gij in zoo groote rouwe? +vroeg Gawein, terwijl hij de jonkvrouw oprichtte en nauwelijks merkte +dat ter zijde, de roode ridder kermende te sterven lag. + +--Mijn vader was ridder en goedman en wel geboren van den lande! riep +de jonkvrouw. Maar hij is onder gegaan van goede en ligt nu in zware +armoede! Hij is krank en kan rijden noch gaan, noch zelfs over zijne +voeten staan! Luttel vrienden zijn hem gebleven en luttel dienaren! +Wacharme, edele ridder, heden kwamen de roode en de zwarte binnen onze +veste, die is harde vervallen en te-broken en voor de oogen van mijn +vader grepen zij mij aan en maakten mij beiden tot hunne amië! Toen +wierpen zij mij op dit peerd, dat mijn eigen is en schaakten mij met hen +mede, om mij mede te voeren naar den burcht, o wellieve heer ridder, +waar menigertiere slechte ridder zijn spel drijft met de damoselen, die +zij schaken! + +--Gawein! Gawein! riep de roode ridder. Kom mij te hulpe, mij en mijne +ziele! Ik sterve! + +Gawein schrikte op: het was of hij nu eerst herkende des rooden ridders +stem. Hij snelde toe waar de roode ridder lag, sloeg op diens vizier en +riep uit: + +--Mordret! Mordret! Zijt gij dat!? Mijn gezelle van Tafel-Ronde?! + +--Lace, ik!! riep Mordret. O, help mij, Gawein, help mijn ziele en mij! + +Maar Gawein stortte toe op den zwarten ridder, die, den schedel +gekloofd, lag in het stof van den weg. En zoodra hij diens zwarte vizier +opsloeg, riep hij uit: + +--Didoneel! Didoneel! Ik herken hem, ook al kloofde ik hem! Didoneel! O, +jonkvrouwe, van Tafel-Ronde was Didoneel ook mijn gezelle, als mij +Mordret was! Barmhartige God van Hemelrijk, ik versloeg heden twee +mijner gezellen en ridderen van mijnen Koning Artur van den Lande van +Logres en zij waren feloenen en meineedig aan eede van ridderschap! + +En toen barstte Gawein uit in snik van groote smarte en wierp de armen +ten hemel, terwijl hem de jonkvrouw in medesmart omhelsde en, op den +grond stervende, riep Mordret: + +--Gawein! Gawein! Help mij en mijne ziele!! + + + + +HOOFDSTUK XII + + +Maar Gawein knielde neêr naast Mordret, die kreunende lag in het stof; +hij trok hem voorzichtig het trensoen uit de wonde en legde er een +talisman over, zoodat het bloed niet meer vloeide.... + +--Gawein! kreunde Mordret. Ik bidde genade! Ik heb van mijne misdaden +penitencië ontvangen, die mij te zwaar zal worden! Ik zal sterven, door +uw hand. Voor menig jaar heb ik al den dood verdiend en nu zal hij +komen! + +De jonkvrouw, op Gaweins teeken, had den zwaren helm van Mordret genomen +en die vol water gevuld, aan de beek, die stroomde, uit bemost rotsblok +te voorschijn. En zij laafde Mordret en zij wiesch hem er mede het +aanzicht, terwijl antwoordde Gawein: + +--Mordret, mijn gezelle van Tafel-Ronde, Didoneel is dood en spreken kan +hij niet meer van zijn zonde, maar gij kunt spreken nog: zoo laat het u +berouwen, bid ik u en roep Onzer Lieve Vrouwe genade opdat het aan uwe +ziele goeden raad moge worden.... + +--Gawein! kreunde steeds Mordret; waande ik er mede te genade te komen, +dan zoude ik geerne van mijne misdaden te biechten gaan, maar ik heb er +zoo vele gedaan, dat nauwlijks mijne ziele meer raad weet! + +--Vriend, zeide Gawein goedertieren; al der wereld misdaad is weinig +voor Gods genade: God, die voor ons geboren wierd, ontving voor ons de +bittere wonden en mag u van uwe zonde quiten: zeg ze al uit en uit en +laat den Grooten Duivel uit de Helle u niet pakken, dat bidde ik u! + +--Gawein! klaagde Mordret. Het is Didoneel, die mij verleidde; al sedert +tien jaren verleidde hij mij damoselen te schaken te zijner wille en ze +te voeren binnen de Amoreuse-Garde, dat is de burcht ver van hier, ver +van Logres, en van al deze koninkrijken, en waar wij de jonkvrouwen +heimelijk gevangen hielden en vele andere ridderen kwamen daar ook +jolijt drijven en zondig solaes en vele ridders vermoordden wij en vele +jonkvrouwen teffens en hare broederen mede en magen, die haar zoeken +kwamen! Gawein, o mijn Gawein, heb erbarmen en bid voor mij: sedert tien +jaren waren wij schakers en moordenaren en wij waren niet weerd te +zitten met u allen om Tafel-Ronde! Geroofd hebben wij wat wij konden en +van wien wij konden! Maar menegertiere stonde is berouw over mij gekomen +en heb ik willen wenden op den wege des kwaads, maar ik was zwak voor +Didoneel, die mij verleidde! + +Toen sprak Gawein tot de jonkvrouw: + +--Edele jonkver, laat mij eene bede doen, met uwe genade? + +--Mijn heere! riep de jonkvrouw; bede en doe mij niet: beveel mij: ik +ben uw dienstwijf! + +--Zoo bidde ik u, welschoone jonkver, dat gij alle misdaden dezen twee +ridderen vergevet. Door uwe vergiffenis en gebeden zal het Didoneel, die +daar dood ligt, bet worden in de pijn van de Helle en zult Mordret +wellicht gij verlossen van vele vlammen van Vagevure.... + +--Mijn edele heer en beschermer, wees des gewes: die bede wil ik u +toestaan en vergeven alle de misdaden, die mij deden deze roode, +stervende en gondere zwarte, doode ridder. God vergeve u, roode ridder, +alle zonde en dezen nood, waarin gij mij bracht! + +Mordret stamelde: + +--Dank, dank, edele jonkver! + +En zijn hoofd viel op de knie van Gawein, die, bij hem geknield, hem +gebeurd had in zijn armen. + +Toen liep de jonkvrouw in hare gescheurde kleêren en met hare verwarde +vlechten langs haar bloedend gelaat en hare bloedende borst naar +Didoneel en zij knielde bij hem neêr en bad. + +--Gawein! Gawein! klaagde steeds Mordret. Zult gij voor mij bidden ook? +En mij begraven op een kerkhof? + +--Ja, ik, Mordret! beloofde Gawein. + +En ter zelfder stonde snikte Mordret zijn laatsten adem uit. + +Toen seinde Gawein den doode en zich en stond op en naderde de +jonkvrouw. + +--Jonkvrouwe, zeide Gawein; uw beide belagers zijn dood. En als ik u te +huis in uw kasteel gebracht heb, wensch ik hen te begraven. + +--Welzoete heere! zeide de jonkvrouw. Dit foreest is mij bekend. Voor +wij komen aan den burcht van mijn vader, slaat een zijweg links naar een +kapelle en daar woont een oude paap bij en vóor gij mij te huis voert, +zullen wij den zwarte en den roode begraven. + +--Dat zij zoo, jonkver! zeide Gawein. + +Toen zag hij om naar de paarden. Zij liepen daar alle vier te grazen de +grashalmen, als ware hunnen berijders niets gebeurd en Gawein greep bij +de teugels zijn jongen Gringolet en het paard van Mordret; de jonkvrouw +greep haar eigen en Didoneels ros, hoewel het steigerde. + +En Gawein nam in zijn armen het lijk van Mordret. Hij nam het als ware +het een kind en legde op den rug den dooden ridder over diens zaâl. Hij +nam toen het lijk van Didoneel en legde dat over diens ros heen, dat hij +bedaarde. En de jonkver en Gawein stegen op. Gawein geleidde het ros +van Didoneel en de jonkvrouw geleidde Mordrets ros. En zij reden het +foreest binnen en zwegen. Zij reden stapvoets en zwijgend en de weg was +lang en wendde eindeloos zich door het woud. Eerst ruischelde nog de +beek en zongen de vogelen luide, maar toen de schemering zonk, zwegen de +vogelen en de bron van het water ontwelde te ver om aan den weg haar +geruisch te doen zingen. En de schaduwen zonken door het foreest en +weefden de komende duisternis. + +Gawein bad Pater-Noster en Credo en beval de zielen der dooden aan Sint +Michiel en de jonkvrouw bad telken en telken male Kyrië-Eleyson en +"Amen" zei dan Gawein. En geen van beiden zeiden zij, dat zij zagen, hoe +kaarsen schenen, bleek van vlamme, mede te zweven om het lijk heen van +Mordret: zes dunne wastoortsen en hoe er, héél licht van geluid, +gezongen mede met hen werd, alsof onzichtbare handen de lichten beurden, +alsof onzichtbare kelen mede baden de gebeden voor de dooden. Maar +achter vernam Gawein gebruis van bladeren en toen hij omzag, zag hij +donkere gedaanten en hij heette de jonkvrouw vóor te rijden, met +Mordrets lijk dwars over diens paard heen en de lichten en de stemmen +rondom, die waren in de vallende nacht duidelijk te zien en te hooren: +zacht engelengeluid en waskaarsengloor. + +En weêr omziende herkende Gawein de, hem na kruipende, donkere +gedaanten: zij sleepten zich ter sluiks over de ritselende bladeren, die +reeds vielen in midzomer, maar zij dorsten niet nader sluipen en Gawein +zag, dat zij haken in de klauwen hielden en hoornen droegen; zij slipten +door het struweel ter zij van den weg; het waren duivelen en hunne +staarten slingerden als van apen om hunne lijven of slierden over de +ritselende bladeren en dan schoot een vuur uit hunne kelen en gloeiden +als van wolven hunne demone-oogen en Gawein hoorde hen wel mompelen nù +en murmureeren: + +--Didoneel! Didoneel! Menig jaar hebt gij ons gediend, met Mordret. Nu +zult gij het loon wel ontvangen. Wij zullen, wen wij uw ziele hebben, +haar steken en slaan en harde pijne doen! Wij zullen spelen met uwe +ziele! Wij zullen daar mede sollen als met een bal en uwe ziele werpen +van de' een naar d'aâr! Didoneel! Didoneel! Geef ons uwe ziele, dat wij +er ons jolijt mede drijven en riveel naar onzen aard! + +Voór reed de jonkvrouw en zij bad, en om het lijk van Mordret, dat hing +over het zadel des stappenden paards, gloorden in de nacht de zes +bleeke, onzichtbaar gebeurde kaarsen en zongen met de jonkvrouw mede de +onzichtbare engelen, zes.... Maar achter voerde Gawein Didoneels lijk +mede op diens paard en de duivelen, al mompelende, slopen nader. Zij +trokken aan de beenen van Didoneel en zij heschen zich op naar zijn +hangende hoofd, waar, uit den mond, mede gekloofd, de ziel aarzelde uit +te varen.... + +--Slechtaarden! riep Gawein. Pautenieren! Duvelsche broed! Gij zijt +Didoneels ziele zoo fel, maar waart gij tot mij gekomen en niet tot hém, +dien ik doodde, vóor hij biechten konde en Onzer Lieve Vrouwe om genade +bidden, ik zoude, ging het mij te schade of te vrome, u doen weten wat +mijn zwaard vermag! En zoo zal ik, in trouwe, ook heden doen! + +En Gawein hief hoog zijn zwaard over Didoneels lichaam, zoo dat een +kruis zich er boven teekende, bleek goud lichtende in schemering. Toen +vloden de duivelen hunne vaart, Noord-Oost, Noord-West, met groot +geschal en gekrijsch van open gespalkte, vuur spuwende tronies en +lichtende oogen, die doofden.... + +En reden door de jonkvrouw en Gawein. Het was na middernacht, toen zij +den zijweg insloegen en de kapel zagen liggen, in het late manelicht, +nabij eene vlakte, waar zij de kruizen der graven blanken zagen. En zij +stegen af en Gawein luidde er het klokje, dat aan de poort hing en het +klonk door de nacht met de bede der dooden. Der engelen kaarsen waren +gedoofd en hunne stemmen zongen niet meer en wellicht waren zij +opgestegen eer de kapel was bereikt, in de ijle wolkjes, die zweefden, +hoog in den ijlen maneschijn en staarden zij van daar naar omlaag. De +paap kwam uit en vroeg wat de ridder begeerde en zeide Gawein: + +--Vader, laat ons helpen ter aarde deze dooden twee; dat zoû zijn wel +gedaan. En laat ons missen zingen. + +--Wie zal mij dienen? vroeg de paap. + +--Dat zal ik wezen, sprak Gawein. Ik kan wel lezen, zoo dul en ben ik +niet, want in mijn kindsheid ging ik zeven jaren ter schole.... + +--Ik en twijfel niet, heer ridder, zeide de paap, en zij legden de +dooden op een baar, die daar stond voor het altaar en bedekten hen met +het zwarte kleed en de jonkvrouw, die Alliene heette, stak de zes +kaarsen aan, die waren gestoken in ijzeren luchters. En terwijl de paap +over der doode ridders zielen de misse zong, diende hem Gawein als zijn +koorknaap, gewillig en nederig en vroom, terwijl de jonkvrouw in gebed +bleef verzonken. Maar toen de mis was gezongen, biechtte Gawein niet en +hij had reeds niet in twaalf jaren gebiecht, want hij was alleen vroom +op zijne wijze en daarom bad voor hem zijne moeder in Paradijs.... +Gawein en de paap droegen toen de bare achter de kapel in het kerkhof en +in den maneschijn dolf Gawein met zijn zwaard het graf, breed genoeg +voor Didoneel en Mordret. Want de lijken mochten samen liggen, mochten +de zielen ook gescheiden worden, zoo dadelijk Didoneels ziel mede met +de duivelen moest ter Helle.... Dat Gawein vreesde, maar wel was hij te +moede, omdat Alliene vergiffenis Didoneel had geschonken en voor hem bad +en voor hem steeds nog bad, voor hem en voor Mordret. + +Toen was het diep in de nacht en Gawein gaf penning den paap en steeg +op. Hij tilde voor op zijn zaâl Alliene en zij lag uitgeput, oogen toe, +tegen zijn borst, tegen den liebaert aan van zijn wapenrok. Hij had de +drie andere paarden mede aan de teugels genomen en zij stapten mede aan, +ter zijde en achteren. + +En in de stille nacht ging Gringolet den weg, die geleidde tot Alliene's +vaders burcht. Toen zij naderden, zag Gawein het vervallen slot, met den +geknotten toren, zich weemoediglijk teekenen tegen bleeke nacht. En +voelde hij, hij wist niet welk ongeluk huiveren boven den burcht. De +valbrug over de gracht lag neêr, als ware het niet de moeite waard zoo +vervallen armoede des nachts af te sluiten. De poort stond open. In den +hof stond in een hoek eenig landbouwgereedschap bij een kar. Geen +dienaar liep aan. De toren brokkelde toe naar de maan. Afgestegen, +Alliene en Gawein, verontschuldigde zich de jonkvrouw. + +--Wij en hebben niet dienaren, heer; onze huisman zorgt voor ons met +zijn wijf en vader zal waarschijnlijk slapen. + +Het was donker in de sombere gangen, die zweetten uit de kille vocht. +Ter zijde lag een groote zaal in puin. Maar Alliene voerde den ridder in +een overwulfde kemenade, waar zich in den manestraal, die bleek viel +door het ronde raam, een bedde teekende, waarop scheen te slapen een +grijsaard. + +--Vader...! riep Alliene. Vader, waak op: ik ben terug bij u want deze +hoofsche ridder redde uw kind van de kwade feloenen! Vader! Vader!! Waak +op! + +Toen roerloos de oude bleef liggen, naderde Alliene de sponde. Zij +struikelde bijna over een zwaard, dat lag over den grond, en zij +herinnerde zich, dat haar vader haar had willen verdedigen tegen Mordret +en Didoneel toen zij haar wilden schaken.... Maar toen zij legde hare +hand op haar vaders voorhoofd, waar langs de grauwe lokken lagen, voelde +zij, dat het koud was. + +Zij schrikte, legde haar oor tegen des ouden borst. Zij verhief zich. + +--Hij is dood, zeide zij. God was zijn ziele genadig hem te laten +sterven in zijn noode. + +--Dood is hij? vroeg Gawein. + +--Hij is dood, zeide zij. + +Zij tastte in het duister, stak een kaars op en zette die bij den doode. +Zij ging in haar eigen aangrenzend closet, stak een kaars op en zette +die bij den doode. Gawein knielde neêr en zij ook en zoo baden zij +beiden. + +Toen Gawein teffens zijn oogen opsloeg, speurde hij in den laten +maneschijn, in den hoek van het ruige, steenen vertrek in schaduw, die +op lichtede, een gedaante, weg gedoken, als van een aap, met een staart, +die uitkronkelde in een gaffel.... En herkende hij aan de horenen een +duivel, die daar wachtte op zijn prooi.... + +--God, die voor ons geboren werdt.... begon te bidden Gawein. + +De duivel, in de schaduw, die voor het oog van Gawein oplichtede, loste +zich als schaduw op in den maneschijn. Maar voor hij geheel verdwenen +was, hoorde Gawein hem mompelen, als nachtwind door dorre bladeren heen: + +--Wij zullen u wachten, Gawein.... Gij en biecht nimmer, Gawein.... Gij +zijt boordevol zonde en moorden pleegt gij wat gij vermoogt. Twee +moorden placht gij heden.... Wij zullen u wachten, Gawein en wen gij +gestorven zijt, met uwe ziele sollen, als met een bal, als met een +bal.... + +--God, die voor ons geboren werdt.... herhaalde Gawein. Vergeef zijne +zonde den zondaar.... + +--Amen, bad Alliene. + +--En laat uwe engelen zijne ziele voeren ten Trone.... + +--Amen, bad Alliene. + +--In glorië van uw Paradijs.... + + + + +HOOFDSTUK XIII + + +Twee dagen later reed een ridder het woud uit en hem ter zijde een +jeugdige edelknaap. Het was Gawein en het was Alliene. Zij hadden den +vader ter aarde besteld en de paap was de mis komen lezen. De huisman en +zijn vrouw hadden voor spijs gezorgd en drank en Gawein had hun de +paarden van Morgret en Didoneel geschonken tot delging van schuld, die +Alliene's vader aan hen liet na beschreven. En de jonkvrouw, in de +rusting haars jeugdigen broeders, kortelings verslagen, volgde den +ridder, die haar beschermd en gered had. Want zij had niets meer en +niemand ter wereld en zij verliet den vervallen burcht, die brokkelde +over haar hoofd. + +Zij reden zwijgend en Gawein dacht na, in den klaren morgen, die zoo +vreemd welfde den openbaren hemel boven hen na de treurenissen, die +waren geweest. Dat wat rondom Gawein de Ridders van Tafel-Ronde zoo +dikwijls hadden betwijfeld, dat was gekomen en had hem omringd en zoû +hem weder omringen. Het Scaec, dat was aan komen zweven; de berg, die +zich ontsloten had; Morgueine, die hem na Gringolette's dood in een +tooverwagen, die van zelve ijlde, gevoerd had in de Valleie der Ontrouwe +Ridderen, waar speelinstrument zweefde in de lucht en waaruit twee +liefdegetrouwe gezellen hem waren komen verlossen.... + +Was het niet alles Wonder en Aventure geweest? Was Wonder het niet +geweest, dat harnas en wapenen uit het geluchte hem waren gevallen en +dat een jong Gringolet hem hinnikend toe was geloopen? Was Aventuur het +toen niet geweest, dat Alliene hij uit het geweld had bevrijd van fellen +Didoneel en Mordret? O, de bittere verrassing van dat Aventure! Nu +breidde de wereld weêr nieuw maar vol verborgenheden van Toekomst zich +rondom hem uit met den nieuwen dag en.... + +--Schouw toe, heere! riep Alliene plots naast hem. + +Hij zag òp, volgend de wijzing van heur gemalieden vinger. En hij zag +voor zich hoog, tusschen de witte wolkjes, dan lager, dalende als met +vogelvluchtgril, het Scaec, het Zwevende Scaec. Bijna als een leeuwerik +vloog het nu òp, òp, òp, met korte schokjes, verloor zich tusschen de +wolkjes, schoot weêr uit, daalde, daalde, steeg, òp, òp, òp.... En het +schitterde met de juweelen velden en de enkele glinsterende stukken, +door toover, wankelden niet maar bleven recht op, gouden en zilveren +gensters.... + +--Het verschijnt voor mij, zeide Gawein, terwijl hij ruimer ademde; +omdat ik het achterhalen moet. Ik meende het in Koning Wonders burcht te +zullen vinden, waar ik het Destijds vond maar Aventure voerde mij verre +voorbij het slot van koning Mirakel! Zoo moet het ook geschieden in +queste; zoo is het immer geschied: nimmer is Heilige Speer of Heilige +Graal of Zwevende Scaec dadelijk gevonden door dolenden ridder; jaren +lang doolde ridder in queste, voordat hij vond Heilige Graal, Heilige +Speer of Zwevende Scaec.... Het Wonder is de werkelijkheid, het Aventuur +is het leven van iederen dag voor dolenden ridder en zoo niet het +Aventuur hem tegen hield dadelijk het doel te bereiken, zoû hij nimmer +verlossen belaagde onschuld en zoude trouw-aan-liefde nimmer verklaren +openlijk voor héél de wereld, als zij deed toen Lancelot mij +verloste.... + +En Gawein spoorde zijn paard en Alliene spoorde het hare tot vluggeren +draf, om het Scaec niet uit het oog te verliezen.... Tot het Scaec, +ergens, achter de kartelende lijn van geboomte, pijlrecht neêr daalde en +verdween. + +--Bij Sint Michiel, mijne schoone jonkver! riep Gawein. Vooruit in de +richting waar het verdween! + +En zij draafden dwars door het foreest, waar het Scaec scheen neder +gevallen. Een serpent, een drake, meende Gawein kon plots, zekerlijk, +voor hem doemen in de verwarring der takken en twijgen, die dikwerf den +weg hun versperden of tusschen het door één gestrengeld struweel, +waartusschen strompelden de gespoorde rossen. Maar geen serpent doemde +op en de beide ruiters vervolgden hun weg, tot zij door moeras, waar, +pluime-bloeiende, het riet uit stak, de rivier bereikten, de zelfde, die +Gawein met Gringolette was op gezwommen. En aan de rivier verrees de +burcht van den Koning Mirakel, die heerschte over Wonderland, dat lag +daar tusschen den Wonderstroom en de Vagevuursche wateren en de lucht +was er anders dan in de gewone, omringende luchten, ook al werden die +dikwijls doorstroomd met de ademen der Wonderlandsche winden. Het was +eigenlijk alles Wonder, Land van Logres en alle de andere koninkrijken +van oude koningen daar om heen, waar over tooverstaf voerde Koning +Mirakel of Merlijn en Morgueine of wie er nog verder in stilte heerschte +over elementen in aarde, lucht, water, vuur: over gnomen en sylfen, +nixen en salamanders. Deze burcht echter, bedacht Gawein, had hem +Destijds, toen hij den eersten keer er het Scaec kwam zoeken en het er +ook werkelijk gevonden had, toe geschenen als een burcht van koper, als +een burcht van gloeiend brons, als een burcht van goud, en nu scheen het +Gawein toe, dat de burcht gebouwd was van steen, van roode, rossige +steen als andere koningsburchten in de omringende landen, rooder alleen, +rossiger.... Goud, neen, het was geen goud.... Hoe vreemd, dat het geen +goud meer was.... Maar dáár, voor hem, was de poort, die hij Destijds +ook was binnen gereden. Zwijgend wees hij Alliene met zijn speer mede +binnen te rijden. De poort gaf toegang tot een hagedochte en dat +hagedochte geleidde onder de rivier tot in den burcht. De ruiters reden +beiden het sombere hagedochte binnen; daar duisterde de dag en boven +hunne hoofden hoorde zij den snellen stroom van het diepe water, dat +raasde vervaarlijk als een waterval. + +--Heer, zeide Alliene zacht en treurig; geloof mij nu wel, bij Sinte +Marië, dat ik uw dienstknape ben zoo niet uw dienstwijf, dat gij niet en +wenschtet en gij niet meer een jonkvrouw in mij ziet maar alleenlijk een +garsoen. En dat, zoo ik sterven kan voor u, door u te beschutten met +mijn lijf en leven, ik beiden niet en sparen zal. + +Zoo sprak Alliene maar zij zeide niet alles in volle waarheid was zij +gevoelde in heur hart voor den ridder, groot van prise, die vol edelen +moed haar had beschermd en verlost van twee booze feloenen. Zij zeide +niet de groote minne, die vrouwe Venus in haar voor Gawein had +ontstoken: voor den edele, den sterke, den hoofsche, die met haar +gebeden had tijdens de nachtwake bij den dooden vader, die haar om hare +heilige smart had geëerbiedigd als de Maagd zelve, in de eenzaamheid der +brokkelende burchtzalen. Want Gawein, anders gemakkelijk en veelvuldig +in liefde, niet trouw ooit aan Ysabele, Assentijns dochter, gebleven, +had van geen liefde betuigd aan Alliene, die hij in rouwe en in smart +had bijgestaan, volgens ridderlijken plicht en eed. + +--Zoo zij het, Alliene en, naar mijnen waan meen ik, dat het best zal +zijn u, bloeme boven alle knechten en edelknapen, voortaan te noemen +Amadijs en u ridderschap te beloven op lateren dag, aan mijn Konings +Arturs hove.... + +En er was scherts in zijn woord en toch ernst, nu hij Alliene vergund +had hem te vergezellen in de rusting haars broeders, omdat zij geheel +alleen ter wereld verlaten was. Nu waren zij het hagedochte uit gereden, +zonder dat toover-enghien hen verhinderd had, want de torenwachters +hadden Gawein herkend en lieten hem vrij binnen rijden met den knaap, +die hem ter zijde reed. + +Gawein en Alliene reden door opene poort bij poort over brug en brug den +burchthof binnen; garsoenen schoten toe, hielden de rossen vast; de +ruiters stegen af.... + +En zij zagen in den hof, onder den lindeboom, den ouden Koning Mirakel +liggen op een rustbank. + +En zijn zoon Alidrisonder zat naast hem. + +En zij speelden schaak.... + +Rondom in den hof, onder rood gouden appels, die hingen zwaar in de +appelaren, zwoel van geur en gestoofd door midzomerzon, zaten of +vermeiden zich de ridders en edelvrouwen van het hof. + +De jeugdigen sloegen er den bal; anderen speelden het werptafelspel en +dobbelden er met de steenen.... + +Een edelman, in kostbaar gewaad van siglatoene, liet op zijn vuist zijn +valk bewonderen aan eene edelvrouw, die in heur schoot haar leliewitte, +zijdeharige hondje koesterde en hoofsch gesprek ging om, terwijl zachte +melodië van knapestemmen weêrklonk bij viool, luit, psaltherion en +cither. + +En toen de garsoenen Gawein en Alliene--zij heette nu Amadijs, o lezer, +wees des gewes!--den hof binnen leidden, zagen allen toe en stond +dadelijk op de prins Alidrisonder en beide handen uit gestoken, riep +hij blij: + +--God van Hemelrijk geve u goed geval en al dat gij begeert, o zoete +vriend Gawein, mede met den welschoonen knape-van-wapenen, die u +verzelt! Wellekom in onzen burcht en duld, dat onze garsoenen u beiden +sporen afdoen en glaviën ontgorden! + +En tot zijn vader, die, krank, zich slechts even uit zijne kussens +richtte, riep Alidrisonder: + +--Hooge vader, mijn edele heere, hier is tot ons gekomen de bloem boven +alle ridderen, dat is Gawein, van Koning Arturs Tafel-Ronde! + + + + +HOOFDSTUK XIV + + +En Gawein liep op den kranken Koning toe en knielde hoofsch voor hem en +kuste zijn hand, terwijl alle de baroenen van den lande en alle die +edele vrouwen, die zich daar in den hof vermeiden, Gawein bezagen en +bewonderden en opstonden om hem te begroeten. + +--Mijn heere Gawein! zeide Koning Mirakel. Uw gelijke is er geen van +deugden onder den Trone! Hoe vroô ben ik u weder te zien na zoo vele +jaren! Herkend heb ik u dadelijk! Herinnert gij u, dat gij hier tusschen +mij en mijn zoon vondt staan het tooverschaakspel, dat in Camelot was +binnen gevlogen en dat gij harde begeerdet en dat ik het u gaf, toen gij +mij na vele Aventure kwaamt brengen het Zwaard met de Ringen, dat gij +van Koning Amoraen kreegt, omdat gij hem beloofdet de schoone Ysabele +tot hem te brengen, Koning Assentijns dochter! Lace, hoe vele jaren is +dat alles her! Amoraen was gestorven, toen gij hem Ysabele kwaamt +brengen in smartelijke trouwe om uw eed want gij hadt haar zelve lief +gekregen en zij u, maar toen hadt gij zoowel uw zoete wijf als het Scaec +gevonden en uw geluk met beiden! + +--Mijne heere Koning van Wonderland, antwoordde Gawein, die naast des +Konings bedde zich had gezet. Ik herinner mij van alle deze dingen en +heb smarte u te zeggen, dat mijne minne en geluk ten einde kwamen, want +Ysabele, lace, zij stierf.... + +Er was groote rouwbedrijvinge rond om Gawein toen hij dit zeide; de +Koning nam hem eene hand en Alidrisonder de andere en de edelvrouw met +het schoothondje, dat zij los had gelaten en dat kefte in haar gewaad +verward, trad nader vooruit, want zij vond Gawein een verleidelijken +ridder, vooral nu zij wist, dat hij weduwnaar was en een der groote +baroenen van Koning Artur. + +Toen Gawein bedankt had voor zoo algemeene deelneming in zijn verlies, +hernam hij: + +--Mijn heere Koning, dat ik heden voor u waag te verschijnen is om geen +andere reden dan dat ik wederom op queste ben van een Zwevende +Tooverscaec en dat ik dit dacht bij u te vinden, maar het Scaec, dat ik +op deze tafel zie en waaraan gij speeldet met uwen zoon den prins, dien +ik bemin, wellieven Alidrisonder, is niet het Scaec, dat in vroegzomer +binnen zweefde in de Ronde Zale van Camelot. + +Toen sloeg de oude Koning Mirakel de trillende armen op. En hij +weeklaagde: + +--Eilace, wellieve heere Gawein! Tooverscaec zoekt gij bij mij? Maar +weet gij dan niet, dat alle toovermacht ontzonk aan Koning Wonder? Dat +mijn Wonderland geen Wonder en meer is? Neen, dit Scaec hier is een +gewone scaec en ik en zoû geen tooverscaec meer kunnen scheppen en +beheerschen! Wat ik kende, is de oude tooverië en, ai mij, de nieuwe +toovenaars hebben, wat zij noemen de moderne magië uit gevonden! Weet +gij, Merlijn, bij uwen Koning Artur, die is de moderne tooveraar! Ik, +lace, en weet niets van zijne conste, die zijn met natuurkrachten +bereid, mij en mijnen gelijken nimmer bekend. Merlijn, die verjeugdigt +zich, al is hij zoo oud als ik! En dat drukt op knoppen of draait aan +sturen en dat vliegt door het geluchte of verlicht geheele burchten of +doorschicht geheele foreesten en donkere wolkstapelingen en dat is +Wonder, werkelijk Wonder, mijn wellieve Gawein, onbegrijpelijk met mijn +armen geeste! En wat ik nog wist te maken: tooverbedden, waarin gewonde +ridder genas, wonderboomen van rooden goud, waarop de vogelkijns +zingende vlerken uitslaan--ik zeg u in gemoede: dat gebeurde door +mannen-met-blaasbalgen, die onder een duwiere den hollen boom wind toe +joegen en zoo de vogelkijns zingen deden--dat maakt Merlijn, met +Zwevende Scaecken, nu veel beter dan ik; dat is hèm kinderspel, +spelleconstjes, aardigheidjes, meer niet: vooral een Zwevende Scaec--des +ben ik overtuigd--zal hij nu ook veel beter vermogen te maken dan ik het +ooit vermocht! Gawein, lieve Gawein, ziet gij dan niet, dat ik krank ben +van mijne onkunde geworden, dat ik in troostelooze moede ben, trots al +mijn hof, dat jolijt drijft om mij rond, om mij vergeten te doen? +Gawein, lace Gawein, ziet gij dan niet, dat de oude Koning Mirakel +sterft, omdat de nieuwe mirakelen door de geluchten zweven en wij, o +wacharme, hen niet en weten? + +Toen knielde op nieuw Gawein bij den zieken Koning en hij zeide: + +--Mijn wellieve heere Koning Wonder, zoo ik niet en vroeg of gij krank +waart, zijt des gewes! liet ik dit na uit bescheidenheid. Laat mij u +wenschen beterschap toe en zeggen wat mijn gedachte is. Merlijn is een +knappe tooveraar maar hij is alleenlijk jong in den morgen en oud in de +nacht en als hij eens des avonds sterft, zal dit zijn omdat zijn +tooverconste overheerscht wordt door die natuurkracht. Maar het Wonder, +dat Wonder was, zal het blijven als wij het Wonder voelen in ons harte +als ik het voel, o mijn heere! die het Zwevende Scaec dit maal toch niet +vind tusschen u en uw prins staan.... + +De zieke Koning richtte zich half op, verrast. Hij glimlachte en zag +Gawein in diens groote, bruine oogen. Hij legde zijne handen op Gaweins +schouders. Hij zeide niets maar hij was geroerd en toen hij daarna zijn +blik weidde over zijne baroenen en hunne edelvrouwen--wijven en +dochteren--zag hij onder den glimlach van hun hoofsche doen den Twijfel +en het Ongeloof schemeren en had er Gawein liever om. + + * * * * * + +Al was Koning Mirakel van Wonderland krank en droef te moede omdat hij +geen modern toovenaar was, aan zijn hof heerschte nog vele vreugde, waar +niemand zich scheen aan te trekken, dat de Koning zulke vernoye had en +pijn van zwaarmoedigheid. En nu de blijde bellen sprenkelden heldere +klanken tot nooden aan den disch, voerden edelknapen Gawein en zijn +Amadijs naar een kemenade, waar zij zich zouden verkleeden. De knapen +brachten de feestkleederen, zoo als die steeds in alle burchten klaar +lagen voor ridderen, die aan kwamen dolen en wie hen vergezelden en +boden hunne diensten aan. Maar Gawein, denkende aan Amadijs, die +eigenlijk Alliene was, verzekerde hun, dat hij genoeg had aan zijns +eigenen schildknapen hulp, en hij bleef met Alliene, liever, met Amadijs +alleen. + +Toen zag Gawein om zich rond en zeide en wees: + +--Wellieve Amadijs, mijn schoone knape, zie deze kemenade; ik ken haar +van Destijds en op dit tooverbedde heb ik geslapen, nadat ik met de +draken gekampt had, de moederdrake en de vier felle serpentenjongen en +in minder dan een nacht was ik genezen van mijne wonden. Maar sedert +heeft Merlijn het geheim ontdekt tooverbedden te maken, waar de gewonde +ridder in minder dan zes uren van zijne wonden geneest: zoo een hebben +wij te Camelot en daarom is Koning Wonder onvroô te moede. + +En Gawein toonde Amadijs het bedde. De vier pilaren van het ledekant +waren van fijn, rood goud en de sponde was van gebeeldhouwd ivoor en op +den hemel, waarvan de gordijnen van geel damast af vielen, zaten vier +gouden engelen aan de vier hoeken en zongen, sedert de edelknapen de +gasten hadden binnen geleid. + +--De engelen zingen niet zuiver meer, zeide Gawein. Bet is het, dat wij +ze doen zwijgen. Hij poogde den knop te draaien, die een der engelen kon +doen zwijgen en met een knars zweeg de engel ook stil; toen deed Gawein +zwijgen de andere drie. + +--Wat er zingt bij Merlijn in zijn burcht, zeide Gawein; zingt uit +groote, gouden kelken en dunkt mij schooner van klank. Maar ik heug mij: +toen ik tien jaren geleden deze engelen hoorde zingen voor de eerste +male, vond ik hunne melodië wel uitermate schoon.... + +Gawein begon zich te ontgespen. + +En hij duldde nu, hoffelijk zich verontschuldigend, dat Amadijs hem +hielp, want moeilijk was het wel en hijzelve ontgespte daarna Amadijs. +En zij wieschen zich in het bronzen bekken, waarin het water, te pointe +koud, te pointe heet, reeds gegoten was en verkleedden zich toen voor +het maal met de kleederen, die de edelknapen hadden klaar gelegd. Gawein +kleedde zich in een surcoet van roode zijde, die was met hermelijn +omzoomd en zijne hozen waren wit en zijne schoenen waren rood wederom, +met rooden goud bedropen en hij stond in zijn feestgewaad zóó ernstig en +beminnelijk, met het lange, bruine haar, dat glansde als van een vrouw +en golvend om zijn breeden nek viel, tot Amadijs ontroerde, terwijl +hij--maar Amadijs was Alliene--zich kleedde in bliaut van witte zijde, +met sabelbont omzoomd en in roode hozen met wederom witte schoenen, +lang van toot, de kort geknipte, geluwe lokken om het even weemoediglijk +aanschijn niet minder gouddraadblond dan koninginne Guenevers vlechten. +En toen wederom de blijde bellen sprenkelden de klanken tot nooden aan +den disch, gingen zij beiden de kemenade uit en in de gangen en +gaanderijen verdrongen zich, maar hoofsch, de baroenen en hunne vrouwen +en dochteren. In de groote zaal--rijk de wanden gepinghierd met +tafereelen uit Koning Wonders eigene tooverjaren--waren de vele tafelen +over de schragen gelegd; 's Konings eigene tafel was van rooden goud en +de anderen waren van ivoor en kostbare ammelakens werden er over +gespreid. + +De Koning zoû zich zetten op een zetel, die vroeger ongenaakbaar was +voor bliksem en donder en waarin hij ook onaantastbaar was gebleken voor +elken vijandigen aanval, maar hij bekende nu zijn gast, strompelend aan +diens arm, den prins Alidrisonder ter andere zijde, dat hij niet gaarne +meer tijdens tempeest of overrompeling in den zetel ware gebleven.... De +toovermacht ervan was versleten, meende de Koning Wonder en schudde +bezwaarlijk zijn grauwe lokkenhoofd. Maar Alidrisonder, jeugdig, lachte +en meende, dat er eigenlijk geen toovermachten bestonden en dat het +alles was werktuigkunde en clerkeconste: zingende engelen, bedde van +hygiëne en zetels, onaantastbaar voor bliksemflits of voor donderkeil. +Wat de Koning boos deed worden, wankel op zijne zieke beenen aan den arm +van zijn lieven gast, heere Gawein, zoo dat Gawein hem verzekeren moest, +dat Alidrisonders oordeel dat was van jeugdigen overmoed en dat het +Wonder der wondermeesters en des Konings van Wonderland meer was van +heilige scienscië dan clerkeconste en wetenschap-van-enghiene waren.... +Om welke troostende verzekering Koning Mirakel zeer dankbaar was toen +hij Gawein noodde naast hem te zitten op den tooverzetel en met hem te +tasten uit één bord van rooden goud en met hem te drinken uit één beker +van rooden goud. De stopen van goud stonden her en der op de tafelen +voor de gasten gevuld met clareit en met hypocras en met gekruide +malvezijen; nappen stonden er menigertiere van goud en zilver en zuiver +kristal in vele vormen van sierlijkheid en de edelknapen gingen rond, +met, hoog geheven, de zware schalen, waarop de pauwen lagen, staart +ontplooid, of dampend, thijm-doorgeurd venizoen, afgewisseld met jong, +malsch tam: over de tafelen lagen de kersen geschikt, voor fraaiïgheid +en voor snoeperij.... + +En gouden engelen, in de hoeken der zale, staken trompetten en +zongen.... + + + + +HOOFDSTUK XV + + +Toen zeide de Koning Wonder tot zijn hoogen gast: + +--Heere, zijt te gemake, ik bid u zeer daaromme en neem van wat u +gevalt. + +Waarop Gawein antwoordde als het behoorde: + +--Hier is, hooge vorst, genoeg van alle zaken: niet gebreekt mij, wil +mij gelooven; ik ben harde wel te gemake. + +Er zaten aan de andere tafelen de baroenen des Wonderrijks: er waren +hertogen en graven bij en eene hertogin schertste met Amadijs, dien zij +bekoorlijk vond, zoo jong en ernstig en zoo lieflijk bijna als een +jonkvrouw.... En Gawein, omziende aan des Konings zijde, verwonderde +zich wel, vreemd te moede, want al twijfelden alle die gonen, die daar +zaten en aten, aan het Wonder, waarvan hun heer de Koning was, er was +geen droefenis om hen: zij lachten en dronken en dreven jolijt ende +riveel, en Gawein, in zijn geheimste ziel, meende: als het Wonder niet +bestond, of niet van machte meer ware, zoû het geheele Rijk toch weldra +vergaan!? Zoo als hij meende, dat het Land van Logres, Koning Arturs +rijk, lace, vergaan kon, als ten slotte geen Aventure zich meldde en hij +zelve niet slagen zoû in de queste.... Maar zulke gedachten schenen niet +om te gaan in dier edelen en schooner vrouwen testoyierende hoofden en +Gawein, ernstig, verwonderde zeer en plotseling scheen het hem toe, dat +twee gevleugelde geniï met omgekeerde, brandende fakkelen, zweefden +tusschen de appele-boomen, zichtbaar door de bogen der zale en toen +binnen zweefden over de zorgelooze gasten in de burchtzale van den +Mirakele.... + +Maar tal van knapen staken tal van toortijtsen en stallichten aan op +gouden kandelaren en zij gingen om met bekkens van goud en kannen van +goud en schonken het geurige water en boden de dwale om zich de vingers +te drogen. Maar den Koning was het hoofd op de borst gezonken; hij +sliep, moede en uitgeput, want hij wist het nieuwe Wonder niet meer en +Gawein begreep, dat hij het Zwevende Scaec dit maal niet bij Koning +Wonder vinden zoû. + +Toen het feestmaal ten einde was, gingen de gasten zich divertieren in +de vergieren in amoereuzelijke vië ende jolijt en zag Amadijs, dat +Gawein zich verloor met de edelvrouw van het leliewitte schoothondje, +tusschen de boomstammen door der bongerds, in de welwillende schaduwen, +die als donker fulpen pauwillioenen waren.... + +Amadijs bespeurde het met een schok zijns harten en vluchtte toen voor +de hertogin, die hem naderde met een bescheiden geruisch van haar kleed +van sindaal. En hij vluchtte naar de kemenade en legde zich, alleen, op +het wonderbed, dat vroeger de gewonde ridders genas in vier-en-twintig +uren. Maar dat nu van weinig waarde geworden was, want zelfs na +zes-en-dertig uren slapens genazen er lijfsgevaarlijke wonden niet te +allen deele. En Amadijs legde er zich ruggelings alleene op en omdat hij +alleene was, en alleene bleef, nam hij Gaweins breed zwaard-in-scheede, +drukte dat tegen de borst en bedacht of het wonderbed nog kracht genoeg +in had om van minne te doen genezen, die stak met pijlen van pijne.... + + * * * * * + +Den volgenden morgen namen Gawein en Amadijs, gewapend, afscheid van +Koning Wonder en van zijn jolijselijk hof. Wonder omhelsde Gawein zeer +innig en zeide, dat het zeker de laatste male was, dat hij den dapperen +wigant zoû hebben aanschouwd want dat hij zich sterven gevoelde, omdat, +lace, het nieuwe Wonder niet meer was van zijn weten. + +En Gawein sprak hem troost toe, zoo als hij vermocht. + +Toen reden ridder en schildknaap--maar weet wel, die was Alliene, o +lezer!--de rivier langs; zij verdwaalden en Gawein, die bespiedde of +niet wederom Aventuur hem zoû ontmoeten, zeide: + +--Mijn welschoone knape, Amadijs, Aventuur ontmoet niet meer iederen dag +van zijn queste den dolenden ridder, schijnt het; vermoedelijk is het +beducht geworden telken male zich te openbaren op dezen gladden weg, +dien ik meer dan een maand geleden ben afgëijld in Morgueine's +tooverwagen. Geerne echter hadde ik ontmoet een ridder, niet al te +feloenig en dien ik, om welke reden ook, had moeten bekampen en dan had +overwonnen maar niet verslagen, want ik had hem geerne gezonden op +eerewoord naar mijn Konings Arturs hove, naar Camelot, opdat hij zoude +melden van Didoneel en van Mordret, want hun dood ligt mij zwaar op het +harte. Nu weet, lace, de Koning, nog niet en ietwat van deze droeve +Aventure! En uzelve, zoo jong en teeder, wage ik niet te vragen alleen +te gaan tot Camelot en ook vreeze ik des Konings gramschap voor u, zoo +gij hem meldt, dat twee zijner dierbaarste ridderen keytieven waren, +verholen voor aller oogen en nu dood liggen, begraven op kerkhove bij de +kapelle. Daarom, laten wij samen dolen; allicht zweeft het Scaec weêr +op, in het gelucht, gelijk een leeuwrik, en licht ons voor, waar wij het +vangen kunnen.... + +En zij doolden door het woud, samen. Het woud werd ontzaglijk wijd, de +zware eikenboomen stonden er reusachtig met eeuwoude stammen en +knoestig verwrongen tronken en lieten door hunne zware bladerenweefsels +nauwelijks lichtschijn door van den dag. Tegen den noen groeiden Gawein +zijne heldenkrachten, zoo als het hem steeds gewoon was en hij was +bereid voor alle Aventuur, maar er bood zich hem niets aan. Het woud +scheen verlaten van dieren en menschen en draken en ridders, van vogelen +zelfs in de takken. En een huiveringwekkende beklemming hing onder de +boomen, die reeds de eerste bladeren deden vallen met ritselingen, die +Amadijs schrikken deden hoewel hij zich had voorgenomen met mannemoed +alles door te maken wat hem aan de zijde Gaweins zoude overkomen kunnen. +Woud was dit zeker, in vroegere eeuwen gewijd aan payeinsche godheid en +door de priesters van toen en de priesteressen, die er met het sikkelmes +misteltak en maretwijg sneden, met menschelijke offers geëerediend op de +groote, vierkante steenen, zich hier en daar, door vreemd, onkerstelijk +inschrift overgroefd, verduidelijkend in sombere schaduw en +geheimzinnigheid. Tot als een groote vlinder, laag over den grond, die +geen weg meer teekende, het Scaec, het juweelene Scaec, met de enkele +stukken en den schaakmat bedreigden koning voort fladderde, verdween +tusschen het lage hout, weêr te voorschijn zweefde en tusschen de +boomstammen als een uitweg zocht.... + +Gawein en Amadijs wezen het beiden elkaâr en nu het wederom verschenen +was, rees in Gawein het goede vertrouwen en volgde hij het Scaec, zoo +vlug Gringolet het vermocht maar het fladderde boomstammen om, verdween +telkens, dwarrelde weder te voorschijn, met een duidelijk waarneembaar +gebruis als van een grooten hommel, een brommende paardevlieg.... Het +scheen zijn achtervolger te tarten; buiten het woud, dat plotseling +eindigde op ruime weiden, vol plassen, die reeds rossigden in de +dalende zon, wiekte het hooger de lucht in, lokte ridder en knaap, de +gloor-overspeelde moerassen over: daar zouden in de nacht de euvele +geesten zweven tusschen misten en nevelen heen.... + +Tot het plots in een rechte vaart, een pijl gelijk, schoot door de lucht +en de ruiters hunne rossen aanzetten ten draf. + +--Ik en weet niet, zeide Gawein; waar wij herberg zullen ontmoeten voor +deze nacht. Maar wij kunnen ons dat Scaec niet en laten ontgaan, +wellieve knape! + +Amadijs--maar hij was Alliene, zijt des gewes, o lezer!--draafde zijn +heer achterna; na een geheelen dag rusteloos dolen door woud en over +weide was hij hongerig en moede, als de jonkvrouw, die hij was, wel +zeker zijn mocht, maar een zoet geluk was er tevens pijnlijk wrang in +zijn ziel om den rit, den dravenden ridder achterna, die reed het +Zwevende Scaec achterna.... + + * * * * * + +Plotseling herkende Gawein de landstreek, die hij door draafde. + +Hier was hij geweest, jaren her! + +Tien jaren her en daar, in de richting, die het Zwevende Scaec had +verkozen en waarhenen het fladderde, hoog in de lucht, om zich +plotseling te laten recht neêr zinken, in een glinsterende spiraal, rees +de reusachtige burcht Endi van Koning Assentijn! + +Daarheen was jaren her, was Destijds Gawein gereden om Ysabele te +winnen, des Konings dochter.... + +Maar niet voor zich.... + +Om haar te winnen voor minnezieken Koning Amoraen, die hem het Zwaard +met de Twee Ringen zoude afstaan.... + +Indien hij de jonkvrouw hem bracht. + +Dat was het Tooverzwaard met de Twee Ringen, waarvoor hij eindelijk bij +Koning Wondere had kunnen inruilen het Scaec van Destijds.... Maar omdat +Amoraen was gestorven van verlangen, voór Gawein hem de jonkvrouw +bracht, had Gawein Ysabele, die hij zoo lief had gekregen, voor zich +behouden en haar mede met het Scaec naar Camelot gevoerd. + +Lace, zij was gestorven! + +En alle Gaweins herinneringen beroerden hem hevig.... + +Toen hij landstreek en burcht herkende! + + * * * * * + +Het Scaec was midden tusschen tallooze torens van den burcht neêr +gezonken, spiralende glinstering. + +En Gawein, intoomende zijn Gringolet, zoodat Amadijs dadelijk hem ter +zijde was, werd zich bewust het zelfde kasteel binnen te moeten dringen, +dat hij Destijds met zoo vele moeite was binnen gedrongen.... + +Destijds!! + +Om de jonkvrouwe.... + +Nu om het Zwevende Scaec zelve.... + +En tal van muren en grachten met tal van poorten omringden den +dreigenden reuzenburcht, dien het ziedende water omgaf.... + +En hij herinnerde zich: Destijds had hij aan iedere poort en bij iedere +gracht moeten verslaan, hij alleen aanzienlijke heirmacht van gewapende +mannen, vóór hij, zegevierende, was binnen gedrongen! + +Het Aventuur herhaalde zich! + +Hoe anders het zich ook herhaalde.... + +Maar toen haalde Gawein ruim adem en juichte in zijn gemoed en gevoelde +zich getroost, dat de nieuwe queste niet, als Destijds, was aangevangen +met den strijd tegen een draak, nu weêr wel voor hem doemde de zware +riddertaak. + +Alleen een wel versterkten koningburcht in te nemen! + +Alleen eene geheele bezetting te verslaan! + +Want zeker zoû de burcht niet minder waakvol verdedigd zijn dan +Destijds.... + +Toen Gawein er zijne Ysabele gevonden had.... + +Zie, daar dampte reeds de altijd ziedende rivier en wie er in verdronk, +verbrandde even eens.... + +Twaalf muren omringden den burcht en tusschen iedere twee muren groefde +een diepe gracht en ziedende wateren omringden het al. + +Was Koning Assentijn niet de zwaarmoedigste, somberste, oude Koning der +oude Koningen, die in deze landen van Brittannië en Wallis over hunne +koninkrijken schepters hieven? + +Was het niet bekend, dat Koning Assentijn niet gaf om Aventure? + +Toch zoû Aventure den burcht van Endi nu naderen, want alleen, alleen +zoû Gawein wederomme en ten tweedenmale Assentijns burcht moeten nemen: +Amadijs zoû hem van nut en noode niet en zijn.... + +En hij zeide tot zijn schildknaap: + +--Wellieve knape, aanzie! Dezen burcht, waar binnen het Scaec verzonk, +als ik denk, moet ik winnen om mijn queste tot goeden einde te brengen +en moet ik alleenlijk winnen, o Amadijs, als ik reeds deed, tien jaren, +her: Destijds! En nu bidde ik u, op hoofschheid: zeg mij, zoudt gij +niet, nu zich zoo groote Aventure en gevaarlijk dangier mij voor doet, +voor uwe vrouwelijkheid minder gevaarlijk kiezen en mijn boodschapper +willen zijn naar Camelot, naar mijn Koning Arturs hove, om te melden van +Mordret en van Didoneel, wier dood mij zwaar op het harte weegt. Want +mijn moed is wel droeve om beider lot en omdat ik twee ridders van +Tafel-Ronde versloeg en mijnen heere nog niet kondschap zond van zoo +allersmartelijkste dingen! Zeker, de weg is lang, maar goede ontmoeting +bereidt de Hemel zoo wel voor als kwalijke en eenmaal te Camelot, als +des Konings gramschap om mij over uw zoete hoofd is gegaan, zal mijn +heere en de koningin gewes den kondschapper eere doen. + +--Mijn zoete heere, zeide Amadijs; doen zal ik als gij beveelt en gaan +kond doen den Koning Artur van den dood mijner belageren; trotseeren wil +ik zijn gramschap maar liever ware het mij u te beschutten alhier in den +strijd en voor u te sterven zoo ik vermocht.... + +Nauw had Amadijs zoo gesproken of.... + + + + +HOOFDSTUK XVI + + +Tot groote verwondering van Gawein en zijn schildknaap beiden, staken +vier torenwachters op de vier hoogste torens hunne koperen, schelle +horens en staken op alle andere torens de wachters de hunne! Zoo dat het +koperen rumoer vervulde den hemel, die te avonden aanving en Gawein +meende, dat dadelijk de strijd beginnen zoude en de gewapenden buiten de +eerste poort zouden treden in fellen aanval om te verslaan wie waagde +Koning Assentijn te belagen.... Maar hoe groeide niet Gaweins verbazing +toen wel de dubbele poort breed opende maar op de brug over de eerste +gracht des Konings drossaet verscheen met hoofschen groet tusschen tal +van lijfstaffieren en zeide tot Gawein: + +--Heer ridder, mijn Koning zendt wie hem gekond wordt door zijner +torenwachters geschal als ridder van prise met schildknape zijnen +koninklijken groet ende bidt u binnen te rijden en biedt u beiden +gastvrijheid aan. + +Hoofsch antwoordde verrast Gawein en reed met Amadijs binnen over de +brug en zij reden de twaalf poorten door en de elf bruggen over en in +den wijden burchthof naderden hen garsoenen; zij stegen af en de +garsoenen ontgespten hun sporen en ontgordden hun de zwaarden en de +drossaet noodde hen den burcht in. Voor zoo zeer hoofsche ontvangst in +het slot, dat hij Destijds had ingenomen, hij strijdende alleen tegen +honderden mannen, meende Gawein niet minder hoofsch te zijn door nog, +vòòr hem name en rang werd gevraagd, te verklaren wie hij was en van +waar hij kwam. En hij zeide: + +--Mijn wellieve heere drossaet, ik dank u voor zoo beminnelijke +noodiginge en joyeuselijke innekomst nu deemster zich breidt over woud +en weide en dolende ridder met zijn knape herberg zochten, harentare, +voor geheel de nacht zich spreidt. Maar voor gij mij verder voert den +koning Assentijn te moet, bidde ik, dat gij mij meldet: ik ben Gawein +van Koning Arturs Tafel-Ronde ridder; ik ben Gawein, des Konings +Assentijns schoonzone eenmaal, voor mijn schoone wijf, Ysabele, des +Konings dochtere, stierf; ik ben Gawein, eenmaal des Konings Assentijns +vijand en zijner dochtere schaker.... Ik ben Gawein en deze hier is +Amadijs, mijn knape-van-wapenen. + +De drossaet zeide, dat hij Gawein en Amadijs melden ging. In de groote +zale, slechts met enkele stallichten op luchters aan den muur verlicht, +wachtte Gawein en wachtte Amadijs, beiden, ongewapend. Toen passen +buiten weêrklonken, deuren werden geöpend en binnen trad de Koning, +Assentijn, met enkelen zijner baroenen en pagiën. Hij was groot en +somber; onder zijn kroon hingen de grauwe lokken om zijn gerimpeld +gelaat en het trof Gawein, dat zijn roode mantel en hermelijnen kraag +motputterig waren en wel gesleten, zoo als die van Koning Artur zelven. +En het trof Gawein ook wel, dat er zoo vele oude Koningen heerschten +alom in het rond, in deze landen, die de zee in het rond alomme +omspoelde, zoo heel veel oude Koningen.... Gawein groette eerbiedig zijn +schoonvader maar deze bleef recht, fronsende, voor hem staan, +doorpriemende hem met nog vurige, booze oogen, fronsend de zware +brauwen. En zeide toen eindelijk: + +--Mijn here schoonzoon tegen wille en dank, mij heeft wonder wat zaken +gij zoekt en twi gij tot Endi dus zijt gekomen? Komt gij om te jagen of +te josteeren, komt gij aventure zoeken en begeert gij goed of kwaad? + +--Mijn machtige heere Assentijn, Koning van dezen rijken lande en +wellieve heere schoonvader, antwoordde allerhoofscht Gawein. God, die +voor ons geboren werd, moge u loonen om zoo vele poorten als gij geboodt +te openen voor mijne passagië en om die vriendelijke vrijheden, die gij +uw gast heet. Verstaat wel in uw zin, mijn edele heere: dat ik te Endi +ben gekomen, dat heeft mij àl dat Scaecspel gedaan, het zelfde, dat is +neêr gezweefd binnen uw koninklijken burcht en dat ik zoek om het te +brengen tot Camelot, aan mijn heere, den Koning Artur.... + +Assentijn, de oude Koning, had plaats genomen in een zetel bij de tafel, +balde zijn vuist, die hij neêr plofte en zag Gawein, voor hem staande +met achter zich Amadijs, doordringende aan, het harige hoofd schuddende +als doen zoû zijn kop een ontevreden leeuw. + +--Welzoo, zeide Assentijn. Mijn valiante wigant en schoonzone, komt gij +heden een scaecspel zoeken, dat binnen mijn muren schijnt neêr gezweefd? +En waarom ook niet? Gij, ridderen van uwen Koning Artur, die nimmer der +Aventuren zat en heeft, zoekt immers immer het een of het aâr in queste, +door deze landen van Brittannië en van Wallis? Waarom en zoudt gij niet? +Zijt gij niet reeds tien jaren her hier geweest, mijn wel hoofsche +ridder, mijn lieve Gawein en kwaamt gij toen niet mij mijne dochter +ontschaken, Ysabele, die schoone, om haar te voeren tot Amoraen, zoo +weinig abel om haar zelve te winnen, en die u het Zwaard met de Twee +Ringen in ruil voor zoo zoete bruid zoû afstaan, het Zwaard, dat gij +weêr bij den Koning Wonder zoudt inruilen voor een Zwevende Scaec? Was +het niet zoo? Amoraen stierf te wel gevoegelijker oogenblik, zoo dat +gij zelve mijn zoo zoete kind kondt behouden en voor het Zwaard het +Scaec ontvingt en met Scaec en Ysabele tot Camelot over kwaamt waar gij +gefesteerd werdt met grooter joye om zoo glorieuze wapenenfayten. Was +het niet alles zoo, mijn wellieve schoonzoon tegen wille en dank? Bij +mijne koningskrone, Destijds versloegt gij aan mijner twaalf muren +twaalf poorten telken male vierwerf twintig man, zonder waan! en wel +gewapend; gij drongt binnen mijn burcht en toen gij gevangen laagt in +donkere duwiere en mijn dochter tot u kwam, wist gij haar te schoffieren +en te ontvoeren daarna.... Zoû ik dan heden, naar nieuwe zede en +costume, maar niet bet doen u alle poorten te openen, u hoofschelijk te +ontvangen en u te vragen wat gij wenscht? Wees gewes, dat ik blijde ben, +valiante wigant, dat gij mij niet mijne zoete kleindochter vraagt, mijne +leste troost, die Ysabele heet als haar arme moeie, uw wijf, mijne zoete +dochter, die stierf in kinderbedde, als ik hoorde gewagen.... En zeg mij +nu, Gawein, wenscht gij, dat ik u zegge: ga en doorzoek mijn kasteel en +zoek het Tooverscaec, dat hier binnen zweefde en dat Koning Artur +wenscht te zijnen bezit en keer dan terug tot Camelot, in pays en vrede? + +Zittende, de vuist op de tafel, had de oude Koning met verbeten woede +gesproken, terwijl Gawein, achter zich Amadijs, die zeer wonderde om wat +hij hoorde, voor hem stond een stoute scholier gelijk, die door den +boozen magister gescholden werd. Tot Gawein zich verdedigde: + +--Machtige Koning, Assentijn van Endi, voor ik u spreek van het Scaec, +waarom ik op queste toog, zoude ik u willen zeggen: Ysabele, uwe +dochter, had ik lief reeds voor ik haar trof, had ik lief reeds in mijne +droomen, waar binnen zij verscheen, als door tooverië in vele schoone +tooverzalen. Ysabele, uwe dochter, herkende ik zoodra ik haar zag en zij +herkende mij uit haar eigenen droom. En met vele listen vroeg zij u, +haren vader, met mij te doen wat zij wilde en zij deed mij binden met +sterke koorden en werpen in den duwiere maar zoodra wij alleen waren, +ontbond zij mij en koosden wij en kusten wij.... + +De Koning sloeg met de vuist op de tafel, zoodat de echo's verschrikten +en elkander na joegen de wanden der zalen langs: + +--Ik weèt het, bij mijne trouwe! riep Assentijn. Zij was een onwaardig +koningskind en ik heb haar gevloekt en zij is gestorven, maar meent gij, +Gawein, dat gij rècht waart haar mij te ontschaken en weg te voeren naar +Amoraen, die haar niet zelve dorst winnen, en toen hij zoo jongstiglijk +dood bleek en gij uw ridderwoord niet en behoefdet gestand te doen, haar +zelf te behouden tot eigen wijf? Meent gij--en de Koning gaf een tweeden +vuistslag ter tafel en de echo's ijlden wat zij ijlden konden--dat gij +recht waart vierwerf twintig man aan iedere mijner twaalf poorten te +verslaan om te dringen binnen mijn kasteel waar ik u niet en van noode +had? Zekerlijk, gij waart een wigant: de koppen en beenen en armen en +rompen lagen harentare in plassen van bloed; gij waaddet, Gawein, door +den bloede en gij zettet u neêr in eene wachtzale en at en dronkt van +wat gij vondt en gij drongt door tot wij u eindelijk gevangen namen en +Ysabele mij, naar het scheen, bij liste verzocht u die nacht te mogen +bewaken en ik zoo zot was de bede der kwade, die u bevrijden wilde, toe +te staan. Maar meent gij, Gawein, dat gij recht waart? Meent gij, dat +gij recht waart op queste te gaan van een Zwaard, dat u niet behoorde, +op queste te gaan van een Scaec, dat u niet behoorde, op queste te gaan +van een Bruid, die u niet behoorde? En maar dapperlijk er op los te +houwen, tot gij uwen zin hadt? Gij waart sterker dan alle mijne +serianten, die gij versloegt en ik zoude u verbazen, denke ik mij, zoo +ik u zeide, dat gij geen hoofsch ridder waart, gij, die geloofd wordt +als de hoofschte van allen maar, in gemoede, mijn schoonzoon tegen wille +en dank en weduwnaar mijner arme dochter, bedenk eens: zijt gij recht +heden ten dage voor mij te verschijnen en te vorschen naar een Scaec, +dat schijnt binnen gezweefd tusschen mijne barbekanen en dat gij +bezitten wilt terwijl het mij voor komt dat wat mijne barbekanen vrij +van wille binnen zweeft, het mijne is en niet het uwe en niet des +Konings Arturs?? + +Beduusd bleef Gawein voor den Koning staan en achter hem verwonderde +zeer Amadijs. Woorden vond niet Gawein en het duizelde hem in zijn +ridderkop. Eindelijk echter meende hij te kunnen spreken en zeide hij, +hoofsch en bijna nederig hoewel toch waardig omdat hij zich geen schuld +was bewust meer dan God op hem geladen had bij zijne vleeschlijke +geboorte: + +--Assentijn, machtige Koning en vader mijner wellieve en, lace, te vroeg +verscheidene Ysabele, gij zegt mij vele woorden en zekerlijk, zij +verbijsteren mijne ziele en mijnen armen geest. Want zij zouden mij goed +recht van ridderschap moeten betwijfelen doen zoo ik meende, dat gij +recht waart met zoo vele woorden tot mij te richten. Ik weet alleen, dat +ik 's Konings Arturs Ronde-Tafelridder ben en dat, wen hij een queste +verlangt--dat zij om Scaec of Graal of Speer of wie of wat ook--ik opsta +van Tafel-Ronde en gereed mij verklaar.... En dat, als ik vroom ben der +Maagd en Haar Kind, Gode van Hemelrijk, die voor ons geboren werd... en +dat als ik bescherme zoo weduwe als weeze... en dat als ik versla +feloenen, keytieven en ribauden... Gawein kon zijn reeds zoo moeilijken +zin niet voltooien: de deur der zale opende; knapen met stallichten ter +hand traden binnen; in een plotsen, gelen kaarsengloor, verscheen eene +zoo blanke en blonde jonkvrouw, zoo lieflijk en uitermate schoon, dat +Gawein, verblind, tevens verstomde en de handen, onbewust, hief en +vouwde als zoude hij knielen gaan en aanbidden! + +--Mijn wellieve grootvader en edele Koning, zeide de jonge Ysabele; +vergeef uwe kleindochter, dat zij u storen komt maar haar angst, waar +dat gij bleeft, was groot en hare harte was vol gepeize om u.... + +En de jonkvrouw naderde, als een droom, zoo blond, zoo blank, zoo wit in +haar witte, nauwe kleed van sindaal, zoo goud heur haar als het goudene +draad, waarmede jonkvrouwevingers de aureolen der heiligen borduren, dat +Gawein het harte stille stond en dat hij meende: een engel naderde maar +een engel, die zijne gestorvene Ysabele was.... + + + + +HOOFDSTUK XVII + + +Ysabele was haar grootvader genaderd en had hare witte handekens gelegd +over des ouden Konings Assentijns rood fluweelen schouders en Gawein +dacht om dit gebaar aan Koning Artur en aan Guenever, maar het meeste +dacht hij aan zijne eigene, lace, gestorven vrouw en het scheen hem toe, +dat zij herboren ginds voor hem stond, maar schooner nog, jeugdiger dan +hij haar ooit gezien had. Hij werd zich bewust, Gawein, niet trouw aan +hare nagedachtenisse te zijn, maar omdat Gawein nooit trouw was geweest +en meende, dat niet iedere ridder zóó trouw kon zijn als Lancelot was +aan zijne amië, koninginne Guenever, voelde Gawein zich niet zondiger +dan God hem had willen scheppen. Van Gwinebants liefde en trouw--al had +Gwinebant hem mede met Lancelot bevrijd uit de Vallei der Ontrouwe +Ridders--wist Gawein niets, al had hij sedert wel eens gedacht: wie is +toch Gwinebants liefde en aan wie zoû hij zoo trouw zijn, dat hij +waardig is naast Lancelot te gaan.... + +Zoo waren Gaweins gedachten, terwijl hij als aanbiddende, handen +gevouwen, de jonge Ysabele aanstaarde en Amadijs, achter hem, het hart +klopte van ijverzucht om Gaweins hem verradend gebaar. Maar de oude +Koning Assentijn, opstralend zijn rimpelgelaat als een winterlandouw in +lentezon, zei, nemende in de zijne Ysabele's handeke: + +--Zoet dochterlijn van mijn zaligen zoon, wij danken u voor zoo lieven +zorg en vrome gepeize maar deze gasten namen ons den vespertijd en +deden ons vergeten, dat avondmale ons wacht. Weet gij, wie deze ridder +is, mijne roze? Hij is des Konings Arturs ridder van Tafel-Ronde, hij is +Gawein; hij is die gone, die tien jaren her dezen mijnen koninklijken +burcht belegerde, alleen hij, strijdende tegen vierwerf twintig man aan +mijner twaalf poorten elk; hij is die gone, die ze alleen versloeg, +zelfs zonder den schilknaap dien ik nu achter hem zie, en door het bloed +waadde... weet gij, mijne roze, tot wie? Tot uwe moeie, tot mijne +schoone dochter, die heette Ysabele als gij heet, en hij, die wigant, +hij voerde haar weg, hij schaakte haar, hij bracht haar verre naar +Camelot en, lace, zij stierf, van den kinde in haren schoot en van den +vloek haars vaders; zij stierf! En nu, mijne roze, verschijnt mij die +heere schoonzoon, of niets en ware geschied, en ik vrage u, gij, mijne +zoete lieve: zeg mij en raad mij: wat moèt ik met dezen moordenaar van +mijn kind en van mijne mannen? + +--Bij mijne trouwe in Paradijs! juichte zacht Ysabele en hare stem klonk +lieflijker, meende Gawein, dan Guenevers stem, dan zijner eigene Ysabele +stemme geklonken had, dan de gulden vogelkens zongen op den wonderboom +in Guenevers vergier. Dus zijt gij, o edele ridder en groote wigant, +mijn eigen oom, Gawein? Der Aventuren Vader zijt gij? Mijner zalige +moeie gemaal? Zijt gij de onvergelijklijke, de allerhoofschte, de +allerdapperste, de ridder aller ridderen aller onzer oude Koningen? Wees +wellekom dan, mijn oom-lief! Ik ken u, al ben ik bijna niet meer dan een +kind en al zag ik u ook nimmer! Want ik las van uwe wondere +fayten-van-wapenen, die de clerken sinds tien jaren reeds hebben op +geschreven in klankvol vallende rijmen en, o wonder Toeval, juist heeft +een vinder, die kwam met zijn veêler en vroeg verlof de jeeste voor te +zingen van u, o mijn oom, en van uwe heldendaden! En juist wilde ik +verlof vragen mijn heere Koning en grootvader den vinder met zijn veêler +te doen zingen en spelen in de groote burchtzale, voor alle de +burchtgenooten, zingen en spelen van u, o groote wigant vol heerlijke +prise, van u, o mijn oom-lief, dien ik nu zekerlijk kussen mag met love +en blij riveel! + +En Ysabele, de handekens uitgespreid, trad nader, terwijl Gawein haar +naderen zag als een wonder. In den gelen gloor van de luchters der +knapen was zij immer als uitglanzende in een stralenkrans, zoo wit en +goudblond als een engel, hemelsche schijning in de sombere, gewulfde +zaal en Gawein, betooverd, wachtte af. Hij wist nu, dat Ysabele hem +dicht was genaderd; hij knipte de oogen; hij voelde hare koele handekens +aan zijn kloppend voorhoofd; hij voelde haar kus op zijn rechter- en +linkerwang; hij wist niet te zeggen, noch te doen; hij hoorde alleen +weêrklinken haar stemmeke van gouden klanken: + +--Wat gij doen moet met mijn heer oom, met uw heer schoonzoon, mijn heer +Koning en grootvader? Gij moet hem eeren als een ridder en gast van +hoogste prise, gij moet hem lief hebben als een zoon en maag, dien in +jaren gij niet en zaagt, gij moet hem nooden met ons aan den male, gij +moet hem daarna mede doen zitten op hoogste eereplaats in de burchtzale +om door vinder met veêler hem toe te doen zingen zijn eigene jeeste, +zijn eigenen roman van heldendaden! O mijn zoete heere, o mijn lieve +grootvader, en gij moet terug nemen alle veete en vloek en vergeten al +van vijandschap en zoo vele kwadertiere dingen, of ik en trouwe niet +Koning Clarioen van Noordhumberland; wees des gewes, mijn booze Koning! + +En Ysabele, met de armen om ouden Assentijns mottigen kraaghals van +hermelijn, lachte hem in de oogen, dat de Koning schudde het hoofd, +ontevreden op zich, omdat hij zóó zwak was voor zijner kleindochter +omvleiïngen. + +--Dat zij dan! zeide hij, opstaande, de rimpels nog diep gefronst. De +jaren zijn gewenteld, de straf is voltrokken: mijn arme kind, heb ik, +wil ik eerlijk zeggen, nie ende nooit gevloekt hoewel ik zeide, dat ik +het deed; zij heeft er, Gawein, de vrucht van haren schoot bij in +geboet, zeg ik; gijzelve, Gawein, gij zijt een dapper wigant, hoewel gij +een roofridder zijt van damoselen en van scaecspelen.... Bij mijne +trouwe, ik bedenk mij, o roze: weet gij ook iets van een zwevende +scaec--niet het eerste, van tien jaren her, dat uw heere oom met zijne +bruid mede naar Camelot voerde--maar van een ànder, ook toover-enghien, +dat zoû gezweefd zijn binnen onze muren, een vogel gelijk in zijn kooi? + +Ysabele beval den burcht te doorzoeken. + +En overal zochten de dienaren en kamenieren. + +Maar zij vonden geen schaakspel. + +--Morgen, mijn oom, zeide Ysabele; met den nieuwen dag, wen zonneschijn +in de duisterste hoeken schijnt, zullen wij zoeken naar dat tweede, +Zwevende Scaec.... + +--O mijne tweede, leliëzoete Ysabele! zeide Gawein vervoerd, terwijl +Amadijs, achter hem, luisterde jaloerschelijk. Kendet gij mij? Laast gij +van mij? Liefdet gij een luttel den held? + +--Ik kende u, ik las van u, ik liefde u al zoo zeer, mijn held en oom! +zeide Ysabele. En ik dacht: mocht eenmaal de ridder, die mij zal dienen, +wen ik koninginne van Noordhumberland ben, dienen als Lancelot Logres' +koninginne doet, mijn oom gelijken: Gawein! + +Maar de edelknapen met de lange stallichten geleidden Gawein en Amadijs +naar de kemenade, hun toe bedacht. + +Wees gewes, o lezer, dat er een wonderbed stond, waarin ridders van +hunne wonden genazen, want zulke wonderbedden stonden nu bijna in +iederen koninklijken burcht, maar zij waren niet altijd zoo vervallen +als dat allereerste--van ouden Koning Wondere--en niet altijd zoo modern +hygiënisch als het bedde, dat Merlijn voor Camelot had gemaakt en voor +de Ridders van Tafel-Ronde: het wonderbed van Koning Assentijn was maar +van gemiddeld comfort. En de statie-kleederen lagen gereed en in de zale +werden reeds de tafelen op schragen gelegd en er werd op toebereid tam +en venizoen en klaar gezet clareit en pigmentwijn en hypocras en +malvezij en de knapen rijden reeds de bekkens van rooden goud en de +dwalen om de vingers te wasschen en te drogen daarna en de seneschalk +zette met zijne dienaren de stopen op de dresseren en het was alles zoo +als het overal was, in iederen koningsburcht, op dit uur van den laten +avond, als de dolende ridderen binnen waren en de blijde bellen van het +avondmaal sprenkelden de helle klanken langs gaanderijen en langs +gangen.... + +En na het versterkende maal deed Assentijn eere zijn gasten. + +Gawein zat naast den Koning op zijn breeden troon en zeer verwonderde +hij zich als hij dacht aan Destijds, toen alles zoo anders geweest +was.... + +En Ysabele--o zij heette als Gaweins verstorvene vrouw en zij geleek zoo +zeer op haar!--zat op kussens van scharlaken aan grootvaders voet.... + +En Amadijs zat neêr aan den voet van Gawein.... + +En de burchtgenooten, baroenen en edelvrouwen en lijfstaffieren en +pagiën overvulden de zale en zaten of stonden achter of bogen zich uit +de binnenbogen der hoogere gaanderijen. + +En licht van kaarsen gloorde zacht overal.... + +Toen traden de vinder op met zijn veêler en de knapen haastten zich met +sneller de laatste tafelen weg van de schragen te nemen en zij namen de +schragen zelve weg. + +En de veêler, terwijl de vinder boog, vedelde zacht op zijne veêl.... + + + + +HOOFDSTUK XVIII + + +De veêler vedelde zacht zijne veêl, begeleidende de stem van den vinder, +die zong hoog en heldhaftiglijk uit van een ridder van Tafel-Ronde. De +vinder, uit zijn tasch, had zijn handschrift genomen; het was hem zoo +kostbaar, zeide hij, als een zwaard aan den ridder, als een koninkrijk +aan den Koning en het was een klein boeksken van perkament, dat hij fijn +had beschreven met zijn goudhel klinkende rijmen. En terwijl vedelde de +veêler zijn veêl, hief de vinder het boeksken omhoog en kuste het en +zeide; het was zijn gedicht en zijn kunst en hij behoefde het nauw in te +zien want hij kende het wel bij harte en uit hoofd. En hij hoopte, God +zoû hem vergeven de mesdade, die hij aan zijne redenen deed, en de +wijsheid verleenen, groot, om zonder meswende van Gawein te zingen. En +hij zong van Gawein en hij wist, dat hij zong vóór Gawein, maar hij +zweeg bescheidenlijk van het bloedbad, en Gawein was er hem dankbaar +voor. En zijn stem gloeide, terwijl hij zong van Gawein. Hij zong +eentonig zuiver zijn lang reciet, hoe Gawein, Koning Arturs neve, wien +in den noen wiesen de krachten, niet enkel de krachtigste, maar ook de +hoofschte was en de allerdapperste, de allerdapperste! + +--Lancelot is óók de allerdapperste, fluisterde Gawein verlegen zijn +schoonvader in. En harde hoofsch daarbij. + +De allerdapperste, zong de vinder voort, en die een moederserpent +versloeg met vier felle, jonge drakinen!! + +--Ik heb in de grot, niet lange geleden, de geraamten nog wel +aanschouwd, fluisterde Gawein en bloosde en hij ontroerde hevig, toen de +vinder van Gringolette zong. Lace, zijn goede wrene was dood en begraven +bij de rivier, maar Ysabele... zij was herleefd! Nu hoorde hij +nauwelijks meer naar des vinders jeeste, die hem bezong. Nu zag hij met +kloppend hart neêr op de bloeiende roze, op de zoo blanke lelië, die +bloeide aan Koning Assentijns voet. Nu voelde hij Vrouwe Venus hem +heftig doorvaren; nu wist hij, dat hij beminde als hij nooit bemind had, +zelfs niet zijn gestorvene vrouw. Ysabele, Ysabele, de oude naam +weêrtrilde met een nieuwen klank bij het trilleren der vedelsnaren door +Gaweins ontroerde gemoed: Ysabele, Ysabele, zoo jubelde het boven alle +die hoofden uit in de verwulfde burchtzale. Ysabele, Ysabele, zoo zouden +de engelen zingen in Paradijs om wie hen verlaten had en neêr was +gedaald op aard tusschen zegen en regen van rozen en leliën, lelië en +roze zijzelve! + +Maar toen de vinder gezongen had en met den veêler in de keukens was +afgedaald om tusschen alle de serianten kostelijk te worden onthaald en +toen allen zich ter ruste trokken terug en ook Gawein en Amadijs waren +binnen hunne kamer, toen leunde Gawein aan het boograam en zag naar +buiten in de stille, starrige nacht. En hij herdacht, dat de dingen en +Aventuren zich herhaalden, maar zich toch niet herhaalden. Destijds was +hij hier dwars door een bloedbad binnen gedrongen, maar had hij die +nacht zijne Ysabele gekust, Ysabele, die hij uit zijne droomen reeds +kende; Ysabele, die hij daarna geschaakt had! Ysabele, die toch zijn +zoete vrouw was geworden! Nu was hij hier met eere ontvangen, maar hij +kuste niet Ysabele. Hare kamenieren hadden haar weg geleid in haar eigen +vertrek en haar ontkleed en ter ruste gelegd en haar princessekroontje, +als het behoorde, gezet op de treê van het bedde en haar hondje sliep +zeker in het midden der kemenade. + +En Gawein staarde naar buiten. + +Het scheen hem toe, dat zijn geluk en zijn weemoed om zijn late liefde +zich mengden.... Zoo, als buiten zich mengden de aardegeuren en de verre +starreglanzen met het zachte bruischelen der bladeren van het omringende +foreest.... En met het vreemde ruischelen van die zacht zilveren +wolkjes... + +Maar die geen wolkjes waren, geen nevel en geen mist en geen +windeveêren.... + +Maar wel zilverige wieken als van waterjofferen en van libellen: +sylfewieken... + +Ook Ysabele's kemenade was vol van dien zelfden vreemden zilverschemer +en schijn, dien Gawein, naar buiten starende, zag wemelen uit den +hemel.... + +En Ysabele, op haar kuische bed, wendde zich zachtekens om, met een +gebaar als omhelsde zij een, die naast haar lag op de leêge plaats.... + +En zij droomde van Gwinebant.... + +En Gwinebant, ver weg, droomde van Ysabele... + +Maar Gawein stond en staarde vol weemoed en vol geluk. + +Het was hem of zijn leven begon. + +Het was hem of heel zijn leven zich met wonder en heldendaad en tooverië +had voorbereid tot alleen dit zoete, onvoldane verlangen. + +Het was hem of er niets was geweest dan dit. + +Of dit het alleenlijke, eenige Aventuur hem was... + +En eindelijk wendde hij zich van het boograam. Trad de trede omneêr en +toe op het bedde. + +Daar lag Amadijs, roerloos, de oogen geloken, achterover het hoofd op +het ronde oorkussen. + +En hij deed of hij sliep. + +En Gaweins zwaard lag naast den schildknaap, uit zorg reeds neêr +gelegd, want het was goed voor ridder en knape te slapen met hun zwaard. + +Gawein legde zich naast het zwaard, dat lag tusschen hem en Amadijs. +Gawein sliep niet, hij lag en staarde in de schaduwen van het baldakijn +boven zich. Hij glimlachte met open oogen. Vrouweschimmen van wie hij +bemind had, vervloeiden voor zijn droomende oogen open en telkens +tusschen haar ijle genevel glansde het hemelsche vizioen van Ysabele op. +Amadijs' hand lag niet op zijn eigen zwaard, dat ter andere zijde hem +lag, maar over Gaweins eigen zwaard. + + * * * * * + +Den volgenden dag zochten allen in den burcht naar het Zwevende Scaec, +dat, als Gawein en Amadijs verklaarden, boven den breeden burcht zich +had laten zinken naar omlaag. De baroenen en edelvrouwen, de pagiën en +lijfstaffieren, allen zochten, gingen trappen op, trappen af, bestegen +de tallooze torens, daalden in de tallooze duwieren af en ook Gawein en +Ysabele zochten. En Gawein toonde Ysabele het duwiere, waar hij, meer +dan tien jaren her, met hare moeie, Ysabele als zij geheeten, met Koning +Assentijns schoone dochter--zóó vergramd was de Koning geweest, toen hij +Destijds van hun kussen gehoord had!--in ketens was neêr geworpen. En +Ysabele, de zoete, ontzette, maar Gawein vertelde haar, dat de geest van +een ridder, dien hij eenmaal gered had, hen beiden uit den kerker +bevrijd had.... En al het vreemde en ongewone spookte om hen beiden +heen, in het nauwelijks door de vlammende toortijtsen der hen +vergezellende knapen opgelichte schemerduister: de atmosfeer van het +Destijds, terwijl zij zochten naar het Scaec en het niet vonden. De +herinnering aan den geest van een ridder... een Zwevend Scaec, dat zij +zochten, hier in dezen burcht, dien Gawein eenmaal had ingenomen, hij +alleen strijdende en verslaande vierwerf twintig man aan elk der twaalf +poorten.... + +--Gij versloegt tachtig malen twaalf mannen, mijn oom? verwonderde +Ysabele, terwijl zij buiten het duistere duwiere traden; over de trappen +stegen en daalden eindeloos de burchtgenooten, zoekende. Gij versloegt +zoo vele mannen, gij, alleen? Ja, ik weet, ik las er van in de jeeste, +de zelfde, die de vinder ons gisteren zong! + +--Het gaf mij toren, zoete Ysabele, zeide Gawein, verlegen voor de +maagd, om het bloedbad, dat hij eenmaal hier had aangericht; zoo vele +dappere mannen te moeten verslaan, maar het was, weet gij, om uwe moeie +Ysabele te winnen, voor Koning Amoraen.... Maar die stierf van +verlangen, voor ik haar bracht.... + +--Is het véél mannen, mijn oom, vroeg Ysabele; voor éénen ridder om te +verslaan: vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk? + +--Het is nog al veel, Ysabele, zeide Gawein en bloosde. Maar het is niet +zoo veel of Lancelot zoû het fayt-van-wapenen ook hebben kunnen bestaan. + +--En Sagremort? + +--Sagremort ook, bij Sint Michiel! verzekerde krachtig Gawein. En ook +Bohort, Hestor of Acglovael, wees des gewes, mijne zoete nicht! + +--Maar... Galehot? vroeg Ysabele vol belang. + +--Zekerlijk zoude Galehot het hebben volbracht! hield Gawein vol. En +Ywein eveneens, zonder sparen! + +--En ook... Gwinebant, mijn oom? + +--Gwinebant is de jongste, die mede aan zit aan Tafel-Ronde en hij is +met Lancelot mij komen verlossen--uit de Valleie van Ontrouwe +Ridderen.... Hij is een dierbare jongeling mij, Ysabele, en harde +valiant en ik twijfel niet, of hij, als wij allen, had het volbracht, +het fayt-van-wapenen.... + +Ysabele glimlachte, heimelijk verheugd en zij stegen de trap op, die +wentelde, steeds zoekende naar het Scaec. + +--Ik en zie het niet, oom. + +--Ik en zie het evenmin, Ysabele.... Amadijs, ziet gij het Scaec? + +Gawein wendde zich om naar den schildknaap, die volgde eenige treden +lager. + +--Ik en zie het niet, mijn heer, antwoordde Amadijs zoo treurig en +zacht, dat het Ysabele trof. + +--Wij en zien het niet, zeiden de baroenen en de edelvrouwen, die mede +opgingen, afdaalden. + +Gawein en Ysabele waren op een der torenterrassen gekomen. De zomerlucht +veropenbaarde boven hunne hoofden onmetelijk en zware blanke wolkmassa's +stapelden er, drijvende uit en in elkaâr. + +--Dus Gwinebant, herhaalde Ysabele en hare stem klonk nu zoo vreemd, zoo +zacht en treurig, als Amadijs' stem had geklonken; Gwinebant is wèl +krachtig en harde valiant...? Vierwerf twintig man aan elke onzer twaalf +poorten... zoude hij als gij, mijn oom... kunnen verslaan... om een +jonkvrouw te winnen...? Het is zoo veel bloed... te veel bloed...! Maar +het zoude zijn om te winnen een jonkver... eene jonkver, die hij minde, +en trouwe was zijne minne, niet waar, mijn oom? + +--Zaagt gij ooit Gwinebant, Ysabele? + +--Ik zag hem eene male.... Tijdens het tornooi, lesten jare.... Ik gaf +hem mijne mouwe, die hij vast hechtede aan zijn helm.... Sedert, sedert +zag ik hem niet meer.... + +--Nooit meer, Ysabele? Nooit meer? + +--Ik en zag hem nooit meer, mijn oom, zeide Ysabele en glimlachte nu +zacht en zij sprak niet van hare droomen. Maar zeg mij, mijn oom, zoo +hij met Lancelot waardig was u te verlossen uit de Valleie der Ontrouwe +Ridderen, aan wie is hij dan zoo trouwe als Lancelot is aan koninginne +Guenever?? + +--Gwinebant zeide het mij nimmer, Ysabele, antwoordde Gawein, turende +van de wolken naar de boomen. En plotseling riep hij luid uit, zoodat +zijn stem overal om den burcht weêrklonk: + +--Het Scaec! Daar ginder! Het Zwevende Scaec! Tusschen de boomstammen +van het vergier!! + +En hij wees.... + + + + +HOOFDSTUK XIX + + +Overal klonken stemmen. Het Scaec! Het Scaec! Overal stormden de +burchtbewoners de poorten uit, de trappen af. Aan een boograam, beneden, +verscheen Koning Assentijn. + +De waakhonden en schoothondjes liepen uit en blaften. De paarden +hinnikten in de stallen. En zwermden overal de mannen en vrouwen in het +vergier en over de wallen en langs de elf grachten. En joegen zij naar +het Zwevende Scaec. + +Gawein was de wenteltrap afgestormd, latende Ysabele en Amadijs. + +--Het Scaec! wees Ysabele naar het glinstervierkant beneden, dat zich +verloor als een vluchtende vogel tusschen de looveren van het geboomt. + +--Het Scaec... herhaalde, bleek, Amadijs. + +Ysabele naderde den schildknaap. + +--Zoete en schoone knape, zei de princes. Zijt gij krank? Gij en volgt +niet uw heer en alle kleur besterft op uwe kaken! Darf ik u bijstaan, +lieve Amadijs? + +--Lace, mijn hooge jonkver! zei Amadijs en sloot de oogen. Ja, ik gevoel +mij krank tot mijnen toren en zal mijn heere Gawein niet volgen kunnen +in zijne queste! + +--Zoo blijf hier en laat mij u plegen, zeide Ysabele bezorgd en zij +omvatte Amadijs in hare armen.... + +Ten zelfden tijd ontstelde zij.... + +Zij voelde Amadijs' borst onder het knapebuis zwellende kloppen. Zij zag +Amadijs nu aan in zijne oogen, die zich openden.... + +En liet hem los. + +--Voelt gij u bet, Amadijs, wellieve... knape? vroeg de princes. + +Amadijs was gezonken zittende in het kanteel. Met groote oogen starende, +zag hij naar beneden, waar de menigte, zoekende, woelde om den burcht. + +--Ik voel mij bet, hooge jonkver, zei Amadijs. Ik zal mijn heere volgen +gaan. + +Hij wilde opstaan. + +Maar Ysabele, zacht glimlachende, hield hem tegen. + +--Blijf... herhaalde Ysabele. En zeg mij.... Ik ben die gone, die +nieuwsgierig is.... Vertel mij van Camelot. Zijn daar vele schoone +edelvrouwen? Rondom de ridderen van Tafel-Ronde? + +--Ik en weet niet, zoete jonkver, zeide Amadijs. + +--Waart gij nie tot Camelot? + +--Ik en was nie te Camelot.... + +--Zaagt gij nie Guenever, die is vol van deugden, die "fonteyne aller +schoonheden"? + +--Ik en zag haar nie, zoete jonkver.... Ik ben eens armen ridders eenige +zoon, verwantloos, en mijn vader stierf, en heer Gawein erbarmde--God +van Hemelrijk zij hem genadig--zich mijner. + +--Zaagt gij, zeg mij, Gwinebant nimmer? + +--Ik en zag hem nimmer, jonkver.... Ik en zag alleenlijk Mordret... en +ik zag Didoneel. Maar zoete jonkver, dat u God moge eeren, nu zeg mij +ook door uwe genade: is de Koning, uw hooge vader, mijn heer niet meer +booze te moede? + +--Ik denk niet, Amadijs. + +--Zult gij weder, o mijn zoete princesse, wen uw vader mijn heere booze +is, hem voorspraak en toeverlaat wezen, Sinte Marië gelijk? + +--Vergelijk mij niet, o Amadijs, met de heilige Moeder van God, die voor +ons geboren wierd, maar wees gewes: ik zal immer mijn oom Gawein +toeverlaat en voorspraak wezen. + +--Hebt gij hem lief, princes? + +De schildknaap verried zich geheel. Ysabele lachte heel zacht hem toe en +zij zeide: + +--Ik heb Gawein lief, o Amadijs, met mijne bewondering. Omdat ik van hem +las en van zijne hoofsche en van zijne ridderlijke daden.... Ik heb een +ander lief, o Amadijs, met mijn harte en mijn ziele en met alle mijne +zoete droomen. Ik heb een ander lief, die is ver, maar dicht bij mij +elke nacht.... + +--Ik heb, murmelde Amadijs; één lief, die is dicht bij mij elke nacht +maar blijft zoo verre als een zwaard maar scheiden kan.... + +--Wat zegt gij, Amadijs? + +--Niets ik, zoete jonkver. Ik zeide van een lied en een lays, die de +vinders zingen en dat is van treurige minne. + +--Zing het, gij. + +--Ik en kan niet zingen, hooge jonkver. Mijn harte is te smartevol om te +zingen. Ik ben jong, maar ik leed reeds veel. En ik heb lief en ik lijd +te veel.... Want Minne is vaak treurig als Vrouwe Venus' wil. Dan mint +een wie hem niet en mint en dan mint eene wie haar niet en mint.... + +--En dan mint eene wie ver is, zoo verre en weet niet wie die verre wel +mint misschien.... + +--En de vinders, zeide Amadijs; maken er van een lays en een lied en +niet meer, neen, niet meer.... + +--Niet meer, lace, dan een lied en een lays, herhaalde weemoedig +Ysabele. + +Beneden was het vergier leêg en verlaten. + +--Kom, zeide zacht Ysabele. Dalen wij omneêr en wij zullen hooren of het +Scaec is gevonden.... + +En zij nam Amadijs' hand en voelde zijn vrouwehand. Maar zij zeide +niets. Hij volgde haar de sombere, de diepe, de wentelende trappen +af.... + +En zij waren beiden vol van liefde voor anderen, door Vrouwe Venus' +wille. + +En zij hadden beiden wel kunnen weenen, van het eeuwige verlangen, dat +Vrouwe Venus drupt als zoete gif in zielen van menschen, waarover zij +altijd godin bleef, hoe het ook wisselde van heerschappij der goden over +de menschen... + + * * * * * + +Geen Zwevende Scaec werd dien dag gevonden in den burcht van Assentijn, +noch in de vergieren, noch in de foreesten, waar de jagers een jacht er +op maakten en toen daarna de Koning Assentijn Gawein, uit hoofschheid, +zijn gast en schoonzoon, noodde niet dadelijk te vertrekken, maar uit te +rusten van geleden vermoeienis, nam Gawein dankbaar aan en scheen het +Zwevende Scaec te vergeten, zoo als hij, durende een maand, gedaan had +bij Morgueine, in de Vallei der Ontrouwe Ridderen. Maar toen was Gawein +gevangen in het net der tooveriën van wellust ende zondig riveel, met +honderd-negen-en-veertig anderen; nu was hij, alleen, gevangen in den +zoeten toover der puurste liefde. En de dagen gingen voorbij; er was des +morgens de jacht, niet meer op Scaecspel maar op ever en hert, bij het +schallen der jagerhoornen, Ysabele op witten palafroet, omringd van de +baroenen en edelvrouwen te paard; er was tornooi der ridders in den +burchthof, terwijl de edelvrouwen om Assentijn en Ysabele zich schaarden +aan het grootste burchtraam; er waren des avonds zoete Liefdehoven, +waarin bij den gloor der kaarsen de vragen werden gesteld wat ridder +voor vrouwe zoû doen, wat vrouwe voor ridder doen zoû in menigertiere +gevalle, volgens de zoete wetten der courtoisië. Er was werptafelspel en +dobbelsteenspel en zang en reciet van vinder en begeleiding van veêler +en Koning Assentijn scheen niet zoo somber meer in rouwe om de +verledene dingen, die hij wilde vergeten. + +En Gawein volgde waar zij ging Ysabele. + +Ter zijde haar op Gringolet bij de jacht, terwijl hij haar hielp heur +valk, dien zij gekapt op het gehandschoende vuisteken hief, te juister +tijd te ontkappen.... + +Opdat de vogel pijlsnel vloog op zijn prooi van haas of fazant.... + +Of door de verlichte burchtzalen, des avonds, bij het vroolijk en +hoofsch festijn, volgde Gawein Ysabele.... + +En de fluistering ging tusschen de omringende ridders en edelvrouwen van +mond tot mond met het nieuwsgierig geschuinoog naar Gawein en +Ysabele.... + +Tot Gawein vraagde aan Ysabele, in de blauwe nacht van maneschijn, die +tusschen de zwarte kruinen van het donkere foreest, tusschen de zwarte +kanteelen van den donkeren burcht neêr zeefde met zilveren vallen van +licht, boven in den hemel de glanzende wemeling der starren: + +--Ysabele, mijne zoete Ysabele, koninginne van mijner harte rijk, zeg +mij: hebt gij mij lief? Want ik heb u zoo lief als ik niet en wist, dat +liefde lief konde zijn, als ik nie eene vrouwe heb lief gehad van dat ik +als knape vrouwen en jonkvrouwen te lieven begon en zoo gij mij niet en +lieve hebt, is mij te leven geen waarde meer, al zoude ik Koning wezen +over alle deze koninkrijken der oude Koningen, die in Brittannië +heerschen: Assentijn van Endi en Mirakel van Wonderland en Clarioen van +Noordhumberland en Artur, mijn Heere van Logres.... Maar als gij mij +lief hebt, o Ysabele, dan zoude ik willen, konde ik zoo als hoofsch en +trouw ridder doen, deze geheele wereld voor u verwinnen tot Rome toe en +Parijs en den geheel en hemel daarbij. + +Toen ontroerde zeer Ysabele. + +Zij wist, dat zij alleen Gwinebant lief had, dien zij eens op het +tornooi had gezien en wien zij hare mouwe gegeven had en dien zij nacht +aan nacht droomde, droomde in de zoete tooverdroomen en omhelzingen. +Maar zij kon het Gawein niet zeggen, omdat zij hem niet ongelukkig wilde +maken. Want hij was voor haar de held, van wien zij gelezen had, van +wien zij wist de heldendaden en de roemruchtigheden en die, ontrouwe aan +vele liefde, steeds trouw was gebleven aan zijn groot geloof: geloof aan +het Wonder en aan de Werkelijkheid van het Aventuur.... En zij zelve, +zij wilde gelooven aan het Wonder en het Aventuur, wat om haar henen ook +glimlachten de baroenen haars vaders en hunne edelvrouwen. En zij was, +met Gwinebants liefde in heur harte, vol zorg Gawein, den wigant, geen +rouwe te doen en zij zeide, toen Gawein nog eens vroeg: + +--Ysabele, mijne zoete Ysabele, hebt gij mij lief? + +--Ik heb u harde lief, mijn oom Gawein en wen ik Koning Clarioen van +Noordhumberland trouwe, zal ik u mijn ridder wel kiezen, zoo als +Guenever Lancelot koos.... + +Toen aarzelde wel Gawein. + +Maar sloeg zijne armen heen om Ysabele en kuste haar lang. En zij kuste +hem weder en dacht: + +--Het is om hem geen toren te geven en smartelijke rouwe.... + + + + +HOOFDSTUK XX + + +Een week daarna reed Amadijs, de jeugdige schildknaap, die eigenlijk +Alliene, de jonkvrouw, was, alleen, dwars door de foreesten, die +scheidden de landen van Koning Assentijn, van Koning Wonder, van Koning +Artur. Hij was op weg naar Camelot, waarheen Gawein hem gezonden had, om +eindelijk te melden den dood van Mordret en Didoneel. + +Zijn stille ijverzucht, als hij Gawein en Ysabele te zamen zag, leed te +veel dan dat hij niet met klem van woorden Gaweins bezwaren overwonnen +had om te gaan, en alleen de gevaarvolle foreesten door te tijgen. +Trouwens, hij was niet vervaard; Alliene, de jonkvrouw, was niet +vervaard. Armoede en rampspoed hadden haar in den vervallen burcht haar +vaders geleerd geen vrees te voeden voor mogelijk ongeval; de +wapenrusting haars broeders drukte haar niet te zwaar de tengere +schouders; het zware zwaard vermocht zij zelfs te hanteeren. Draken +scholen er niet meer in de spelonken der wouden; Alliene, die heette +Amadijs, was dus op weg getogen met Gaweins boodschap: dat Mordret en +Didoneel twee stille feloenen waren geweest maar nu verslagen en met +genade van orisone ende vigelië begraven en dat het Scaec voor het +oogenblik onvindbaar was.... + +Zekerlijk, het Scaec had zich niet meer vertoond en waarheen de queste +te richten als het zich niet meer vertoonde...? Gawein toefde dus te +Endi, verzoend met zijn schoonvader en vol minne voor Ysabele, die met +hem las, in het breede boograam samen gezeten, zijne eigene jeeste: die +van vroeger, toen hij het eerste Zwevende Scaec had gezocht--of die met +hem jaagde, valk op vuist.... En Amadijs nu, weemoedig, reed de +eindelooze foreesten door, onvervaard, maar zonder hope en blijdschap +des levens, omdat de dingen der liefde zoo treuriglijk waren, omdat de +een den ander liefde gaf en niet altijd liefde weêrom ontving.... Zoo +liefde Amadijs Gawein en zoo liefde Gawein Ysabele, die toch een ander +liefde met liefde als de princes zelve Amadijs had bekend...! En de +schaduwen vielen weemoediglijk uit de dicht gebladerde boomen: er was +nauwelijks gezeef van zonneschijn en tinteling van zonnerondten rondom +den jongen ruiter, op den mossigen grond, over den met onkruid +bewoekerden weg.... + +En de vogelen zwegen stil, om de wolken, die laag dreven, boven de +boomenkruinen.... + +Een slang schuifelde soms.... + +Sloop tusschen rotsblokken, ritselend geheimvol, onder de dorrende +bladeren, die verschrompelden en rotten van vocht, tusschen de dof roode +zwammen.... + +Tot zware stemmen in de verte verduidelijkten, en het ros de zenuwige +ooren spitste en Amadijs uitluisterde naar wie naderde met ontmoeting +kwade of goede, die hem het gemoed zoû ontroeren. + +Waar de weg wendde en de rotsen zoomden het ruige ravijn en de +zonneschijn feller viel in het woud uit de opene lucht, den afgrond over +en de schaduw dieper den schemer indrong, reed een drom van ridders +aan.... + +Een drom, neen.... + +Amadijs telde er zeven slechts.... + +Maar hunne woorden waren geweldig, hunne breede rossen versperden den +smallen weg, hunne rustingen rammelden van ijzeren en stalen rateling +en zij schenen meer in aantal dan zij waren.... + +Amadijs, wel onderricht van wat ramp kan worden en tegenspoed, seinde +zich achter zijn schild maar reed onvervaard door. + +En genaderd de ridders, groette hij hen hoofsch met zijn speer en met +Gods eere, die hij hun toe riep. De voorste, een reus, riep terug den +groet en voegde er aan toe: + +--Waarheen richt gij u, jeugdige knape, aan deze grenzen veler +koninkrijken, wen ik u vragen darf? Zoo alleenlijk en jong van jaren te +dolen door deze foreesten, dunkt mij moed boven uwe jaren? + +--Ik zeg dank, heer ridder, zeide Amadijs; voor uwe hoofsche vrage, die +ik geerne beäntwoord: ik richt mij tot Camelot, tot des grooten Konings +Arturs hove, om hem kond te doen van drie zijner ridderen. + +--Bij den goeden dage! bulderde de reus verwonderd. + +En naast hem stotterde zijn makker: + +--Bbbb...ij dd...en goeddd...en ddd...age! + +Terwijl een derde achter hen schaterde van luiden lach: + +--Bij den goeden dage! + +En de vier anderen uitriepen: + +--Bij Sint Michiel! + +--Bij Sint Jan! + +--Dit is met rechte jongstige fortuin! hernam, bulderend blijde, de +reus. Want weet, wellieve knape, dat wij zijn zeven ridderen van +Tafel-Ronde en dat wij zoeken Mordret en Didoneel, die zijn van Camelot +gegaan en zij kwamen niet meer weêrom, zoodat onze heer Koning ons +heette hen te zoeken; zij zijn hem harde dierbaar en hij vreest voor +hunne levens.... Ik ben die gone, die is Bohort; mijn gezelle, hier +naast mij, heet Ywein.... + +--Ywein! herhaalde de stotteraar en stotterde niet, omdat hij op een w +niet stotterde. + +--Acglovael, bij mijne trouwe, ben ik! lachte de schateraar en sloeg +joviaal uit zijn hand naar den knaap. + +En de anderen galmden hunne sonore namen van Keltischen klank en die +daverden geluidvol langs het ravijn en het woud door: + +--Hestor en Meleagant! + +--Galehot ik! + +--En ik Sagremort, weet dat wel! + +Toen lichtte Amadijs de ventalië van zijn helm omhoog. + +En zeide zacht en bescheiden: + +--Mijn hooge heer en en valiante baroenen! God van Hemelrijk deed mij +genadiglijk uw zevenen op mijn eenzamen weg ontmoeten. Ik ben Amadijs, +schildknape des heeren Gawein.... + +--Gawein!! bulderden zij allen en Bohort, haastig, ging door: + +--Vertel mij, welzoete knape, van onzen Gawein. Want wij ontberen hem +ook sedert dagen en Lancelot en Gwinebant zijn ten tweeden male +uitgetogen om hem te zoeken. + +--Hij toeft bij zijn schoonvader, den Koning Assentijn, verzekerde +Amadijs. Maar hoort mij verder aan, o ridderen: geheimenis is niet meer +van noode; neen, ik ben geen knape maar eene rampzalige jonkvrouwe: ik +ben Alliene en Gawein beschermde mij toen Mordret en Didoneel mij +ontschaakten uit den burcht mijns vaders! + +Uitroepen van verrassingen en van verontwaardiging ontsnapten Koning +Arturs ridders. Zij stegen in ijle af, bonden de paarden aan de boomen +vast en zetten zich aan den rand van het ravijn rondom Amadijs, die hun +vertelde van al dat gebeurd was. Dat Mordret en Didoneel twee feloenen +zouden zijn geweest, was hun bijna ondenkbaar, maar nu herinnerden zij +zich toch: + +--Nooit ende nie hebben zij eene damosele bevrijd van andere feloenige +ridderen, merkte kleine, dappere Meleagant op. + +En zij beäamden het alle de andere zes: nooit hadden Mordret en Didoneel +in alle die jaren belaagde damoselen bevrijd. Daarom wilden zij ook wel +geloof hechten aan de woorden van deze, als Gaweins schildknecht, +vermomde jonkvrouw en toen zij eindelijk weêr op zouden zitten, zeide +Bohort: + +--Jonkvrouwe Alliene, of Amadijs, als gij u heet, zes onzer zullen +zekerlijk tijgen naar Amoreuse-Garde, den boozen burcht, waarvan gij +spreekt en waar belaagde, damoselen gevangen worden gehouden door +keytivige ridderen, gezellen van Didoneel en Mordret en die zes zullen +de jonkvrouwen wel verlossen, weet dat wel, maar één onzer zal u +begeleiden tot Camelot, opdat gij den Koning Artur konde doet. Zeg mij, +wien kiest gij onder ons? + +--Ik en weet niet, heer Bohort, zeide Amadijs. + +--Zoo ik mij melden darf, zeide Galehot; zoude ik geerne dezen lieven +schildknecht den mijne noemen wen Gawein hem niet heeft van noode en met +hem terug keeren tot Camelot. Ziet, lieve gezellen--o Sagremort, trek +zoo niet de wenkbrauwen op!--gij gaat allen die belaagde damoselen +bevrijden uit Amoreuse-Garde maar willen zij wel bevrijd worden? + +Acglovael schaterde om Galehots twijfeling, maar Sagremort zeide. + +--Hij heeft recht, Galehot; willen die damoselen bevrijd of niet bevrijd +worden: dat is de vrage? + +--Riddd...erplicht, stotterde Ywein; is bbbe...laagde ddd...amoselen te +bbb...evrijden! + +--Of zij bevrijd willen worden of niet, meende Hestor op modeste wijze, +nu hij zijne meening ook kenbaar maakte en het was of hij zich +verontschuldigde, + +--Zoo zult gij, gezel Galehot, zeide Bohort; met Amadijs weder keeren +tot Camelot, waar onze heere alleenlijk beidt met de koniginne en met +Keye en angstiglijk uit spiedt naar tijdingen. En wij zessen, makkeren, +wij gaan die damoselen bevrijden! + +--Wij gaan eindelijk weder damoselen bevrijden! riep Meleagant, +juichende blij. + +--Wij gaan ddd...amoselen bevrijden, stotterde Ywein; of zij willen +worden bevrijd of niet! + +--Het is wèl een klein Aventuur te noemen, meende Hestor, die nooit van +grootspraak hield. + +Maar Sagremort zeide: + +--Ik en weet eigenlijk niet of het een Aventuur is te noemen, maar het +zoude wel kunnen gaan worden een Aventure... ja, ja, dàt wel! + +--En daarom zitten wij zessen op! schaterde Acglovael en zette, ratelend +van lach en van wapenene, zijn gemalieden voet in den breeden beugel. + + + + +HOOFDSTUK XXI + + +Intusschen doolden Lancelot en Gwinebant door andere foreesten rond, +waar zij meenden Gawein te zullen vinden. + +--Zoo wij slechts Merlijn hadden mogen zien, die leste tijden: hij hadde +ons gezegd waar Gawein allicht ware te treffen. + +--Wij en zagen Merlijn niet sedert dagen en maanden, zei Gwinebant. + +--Hij is zekerlijk nog bezig met de draadlooze theorië, peinsde +Lancelot. + +Gwinebant antwoordde niet; hij wist, voor zich, dat Merlijn, al bleef +onzichtbaar de toovenaar, hem iedere nacht, o zaligheid, deed droomen +van schoone Ysabele, in zoete vië en amoreuselijk samenzijn en hij vroeg +zich af, de schoone knaap, of Merlijn die droomen ook zocht te doen +weven volgens draadlooze theorië...? Maar hij vroeg niets aan Lancelot +en genoot liever zwijgend de herinnering van den laatsten droom: +Ysabele's armen om zijn blonde hoofd, Ysabele's mond op zijn mond. En +het kuiltje in zijn kin groef zich schalker.... De schemering zonk reeds +grauwer door de dichte twijgen. + +En laag in de boomen gloorde de weg zinkende zon. + +Geene ontmoetingen hadden de ridders. En Lancelot meende reeds, dat deze +dag des dolens er een verloren zoude zijn en dat zij herberg moesten +zoeken. Want de dolende ridders op queste waren wel steeds gesteld op +een bedde des nachts in burcht of kasteel, liefst een wonderbed, waarin +hunne wonden den volgenden dag waren genezen. Gewond waren niet +Lancelot en Gwinebant, maar zij hadden honger, hoe verliefd zij beiden +ook waren en trouw. Zij spiedden dus beiden een weinig baloorig uit of +geen torens tusschen de boomen uit staken, maar het scheen wel, dat +eindeloos het foreest zich strekte.... + +Tot zij plotseling hoorden kreunen en kermen. + +--Het Aventuur! zeide Lancelot en hief den vinger aandachtig op. + +--Het Aventuur! herhaalde Gwinebant. + +Het gekerm, het gekreun naderde aan. Het was niet van vrouwestem.... En +met een wending van den weg werd zichtbaar een kar, getrokken door een +armzalig paard en dat een dwerg geleidde. Het paard waren ooren en +staart af gesneden en in de kar lag een half naakte ridder, gebonden +handen en voeten en hij was het, die kermde en kreunde... + +--De Kar! riep Gwinebant, hevig ontsteld. + +--De Kar! riep ook Lancelot in grootste ontroering. De Kar der Schande! +Gij, dwerg, zeg mij wien voert gij rond door de foreesten op deze +schandekar? + +De dwerg grinnikte; hij was idioot; maar de ridder op de kar kermde +hooger. + +--Heeren ridderen, wie gij ook zijt, ontfermt u mijner! Ik ben Lionel en +ridder van Koning Clarioen van Noordhumberland, en hij beval mij naakt +te werpen op de schandekar, opdat mij deze zinnelooze dwerg zoude +voeren, alle straten door, alle wegen over, voorbij de burchten, dat uit +de vensteren de bewoneren mij belachen zouden en onteeren! Heeren +ridderen, de Koning Clarioen, hij beschuldigde mij van hem naar het +leven te staan om mij meester van zijn troon te maken! Maar hij +beschuldigt alle zijne ridderen van hem naar het leven te staan om zich +meester van zijn troon te maken! Edele ridderen, dat is omdat hij geen +oir en bezit, geen zoon of erfgenamen en hij zijne bruid Ysabele nog +niet darf huwen. + +--Ysabele! riep Gwinebant, heftig ontroerd. Welke Ysabele, ridder, zeg +mij? + +--Ysabele, die schoone, die is de kleindochter van den Koning Assentijn +en princesse van Endi! + +Gwinebant en Lancelot waren afgesprongen. + +--Zweer mij, gij zijt onschuldig! drong Lancelot. + +--Ik zweer, heer! riep de ridder. Ik Lionel, ik ben de zesde ridder uit +Noordhumberland, die onschuldig wordt rond gevoerd op deze schandelijke +tooverkar! O verlost mij, verlost mij, heeren! + +--U verlossen... van de Schandekarre! riep Lancelot in hevigste +ontsteltenis. + +--Van de Schandekarre... u verlossen! riep radeloos Gwinebant. + +En de beide ridders wierpen de armen op en riepen tot Sint Michiel. + +Want de Kar te ontmoeten was groot ongeluk. + +Want de Schandekar met het armzalige paard en den dwerg, die het leidde, +was een tooverkar, een marteltuig en wie er in werd geworpen, werd er +van zelve geboeid aan handen en voeten, en wie er in lag, geboeid, kon +er alleen uit worden bevrijd door wie voor den geboeide, vrijwillig, de +Kar besteeg. De Kar te ontmoeten was een ramp voor den dolenden ridder +want het was ridderplicht den gemartelde te verlossen en in zijne plaats +de Schandekar te bestijgen, maar de dolende ridder versloeg liever +honderd reuzen en honderd draken daarbij. + +Toen zeide Lancelot: + +--Ik zal de Kar bestijgen.... + +--Neen!! riep Gwinebant uit, Lancelot omhelzende. Mijn zoete vriend, dat +nie! Gij, de eerste aan den Hove, gij, die zit aan 's Konings +rechterhand, gij, die onze koninginne lief hebt, gij, mijn gezel, dien +ik minne: dat nie! Ik, ik ben de jongste, ik ben Gwinebant, die Ysabele +minne; ik, ik zal de Schandekarre bestijgen! + +En hij zette den voet op de kar. + +Het was heel donker geworden.... + +Er was als een woedend gevecht op de Kar. + +Het lichtte.... + +En de donder rolde.... + +Toen Lancelot de handen strekte, tastte hij en herkende niet Gwinebant +maar Lionel. En hoorde hij Gwinebant, geboeid, liggende op de +Schandekar, zich van pijn en smarte wringen en kermen en kreunen. + +--Gwinebant! riep Lancelot smartelijk. Ik zal u bevrijden op mijne +beurte...! + +--Na twaalf uren! grinnikte de dwerg. + +--Lionel! riep Lancelot. Sla mijn mantel om en bestijg mijns vriend +paard! Dwerg, gij zot, zijt gij der burchten wel wijs? + +De dwerg grinnikte bevestigend. + +--Zoo voer de kar! riep Lancelot. Voer de kar, deze geheele nacht van +smarte, rond, tot wij des daags langs de burchten rijden, waar vrouwen +en ridderen mijn zoeten gezel uit de vensteren zullen belachen en +onteeren! + +--Gwinebant, riep Lionel naar den jongeling op de Kar: hij lag er half +naakt in zijn door tooverij ontgespte rustingstukken, maar Lancelot +bedekte hem met een mantel. God zal u loonen! God zal u loonen, o mijn +bevrijder! + +En pijnlijk en nog na kermende van de geledene pijnen, besteeg hij +Gwinebants paard.... + +De dwerg rukte, op het lamoen van de Kar gezeten, de teugels; het +mizerabele paard trok aan.... + +Stortregen viel neêr.... + +--Ik ben zot maar van de burchten wijs! grinnikte de dwerg. + + * * * * * + +Wat was de vië schoon en goed, meende Gawein; wat was te ademen reeds +zaligheid, want was te beminnen niet het Paradijs voor wie meent, dat +hij bemind wordt! In den volzomer straalde de blauwe lucht wolkenloos +boven den burcht, die breed, een stad gelijk, met zijne talrijke torens, +zijne verweerde massa's stapelde tusschen de bosschen in den steeds +nevelenden wadem, stijgende uit de ziedende tooverrivier. En met Ysabele +dwaalde Gawein over de wallen en langs de grachten, de twaalf poorten nu +in vredestijd open, zoodat zij de eene poort in, de andere poort uit, +dwaalden en doolden, terwijl in den hof voor den burcht de oude Koning +behagelijk zat onder de linde in den gezeefden zonneschijn te +knikkebollen.... + +En zijne ridders bal speelden en de edelvrouwen zich vermeiden, zoo wel +met de pagiën als met hare schoothondjes. + +Maar Gawein ging steeds Ysabele ter zijde, als haar ridder, die ook in +het aanstaande tornooi te harer hulde strijden zoû. En geen ridder was +zoo hoofsch als Gawein: al wist hij niet te zeggen de dingen als de +woordenrijke vinders doen, hij wist te doen de dingen der courtoisië, +die een ridder doet voor de vrouwe zijner keuze. Hij liep een middag +Ysabele's valk na, die was weg gevlogen.... Tot hij den vogel eindelijk +vond, moede des vluchtens, in het struweel. Hij redde eens Ysabele's +hondje, dat in een der grachten gevallen was en sprong in het water het +reeds verdrinkende keffertje met levensgevaar te grijpen: het was hem +bijna ondoenlijk de gracht weêr uit te komen. Toen las Ysabele in de +jeeste van Lancelot--ook reeds door de clerken geboekt--dat Lancelot, na +drie wintermaanden gekerkerd te zijn geweest door een vijandelijken +koning--de traliën had verwrongen om eindelijk in Mei, in den kerkerhof, +een prachtige roze te plukken, die hem denken deed aan zijn liefde, +koninginne Guenever.... En Ysabele vroeg haar oom en ridder of hij ook, +te harer hulde, zes kerkertraliën wilde verwringen, om een roze te +plukken.... Zoo dat Gawein zich in een kerker op deed sluiten.... + +Er bloeide juist een rozenstruik voor het gevang en alle ridders en +edelvrouwen en pagiën, rondom Ysabele, kwamen zien hoe Gawein de traliën +wrong en wrong om, eindelijk, bevrijd, de roos te plukken, die hij legde +aan Ysabele's voetje. En zij kuste hem dankbaar en alle ridders en +edelvrouwen prezen Gawein als den hoofschte, maar hij verontschuldigde +zich en zeide, hij had niet meer dan Lancelot gedaan. Toen gaf Ysabele +aan Gawein haar gouden kam en rondom de tanden had zij drie harer +goudblonde haren gewonden omdat zij gelezen had in de jeeste, dat +Guenever eens aan Lancelot ook haar kam geschonken had met enkele heurer +haren er in.... + + + + +HOOFDSTUK XXII + + +Zoo was de vië goed en schoon, vol jolijt en solaes, meende Gawein, +terwijl hij met Ysabele ging langs de grachten en over de wallen, waar +hoog de zonnebloemen opstaken en boven de hooge stengelen hieven hare +groote gouden zonnen, donker gehart, afstralend tegen het rosbruine +steen der burchtmuren, met de enkele boogramen her en der verloren. En +de zoete woorden, al was Gawein geen vinder, welden als water uit een +wel Gawein uit het harte en sprak hij met zijn diepe stem en Ysabele, +naast hem gaande, langs de lange zonnebloemenhaag, in hare witte, nauwe, +even slepende kleed, de vlechten twee over den smallen rug, twee over +den smallen boezem, hoorde ze met vreugde aan, hoe zij ook droomde, +iedere nacht van Gwinebant, van Gwinebant! En zij herhaalde tot Gawein, +dien zij geen oom meer heette maar Gawein, dat zij zekerlijk weldra zoû +trouwen met den ouden Koning, Clarioen van Noordhumberland.... En Gawein +begreep dat, omdat zij was de princes van Endi en het princessekroontje +met drie puntjes hare slapen omgaf en omdat zij niemand dan een Koning +kon trouwen en omdat alle Koningen in den ommetrek oud waren... Maar, +zeide Ysabele, als zij heur princessekroontje geruild had voor de +koninginnekroon van Noordhumberland, zoû zij toch wel "hoofsche ridders" +willen hebben aan heur hof, één of twee, en zij wist niets van de +Noordhumberlandsche ridders af en er zouden zeker, met hare vrouwen, +ridders haar in bruidvaart vergezellen. Zoodat veel hoop Gawein werd +gelaten en hij zoo gelukkig leefde aan Ysabele's zijde als hij nooit +geleefd had naast wie hij ook had bemind, lace, zelfs niet ter zijde van +de eerste Ysabele, dezer tweede Ysabele moeie en dochter Koning +Assentijns. Zoo was het spansieren eindeloos, des morgens, na priemtijd, +over de wallen en in de vergieren, in de zonlachende hoeken tusschen de +muren en torens, den burcht om en eindeloos om; zoete wandelingen, +poorten uit, bruggen over, de grachten groenblauw en grijs goudend, +ringelend als breede gordelen rondomme en Gawein heugde zich niets meer +van slachterij, die hij Destijds hier had aangericht. Tot zij, dien +morgen, wederom den slothof naderden en groote beweging zagen en ook tal +van hoofden, die bogen uit alle burchtramen, van staffieren en +kamenieren en zij zelven zich haasten om mede te aanzien wat geschiedde, +buiten, vóor den burcht, op den weg, die er heen geleidde, zichtbaar +over de grachten heen van af den hof. + +En met den Koning en het hof zagen Gawein en Ysabele, terwijl der +edelvrouwen vele schoothondjes op de barbekanen keften, een schandekar, +gevoerd door een dwerg, gezeten op het lamoen en in de schandekar lag +een half naakte ridder en kermde van pijn en ter zijde reden twee +ridders, de ventalië op geslagen.... Van zoo verre over de elf grachten +heen en door den stadigen wasem van de ziedende tooverrivier, waren de +ridders niet dadelijk te herkennen; niet alleen wie in de kar lag, ook +de beide ruiters schenen bleek en moê, wellicht meer uitgeput dan zij +zouden van tweestrijd of veldslag geweest zijn. Reeds ging onmeêdoogend, +naar die costume en zede, der burchtgenooten gejoel en gejouw opgalmen, +vooral dat der vele mindere serianten, die over de wallen krioelden om +te kijken en hun spot te drijven met wie op een schandekar voort werd +geleid door een onnoozelen dwerg.... + +Toen Gawein, met de hand voor de oogen: + +--Bij mijne zoete Vrouwe van Hemelrijk! Bij caritate, wat zie ik! Herken +ik in dien eenen ridder niet mijn gezel, Lancelot? Is het mogelijk, dat +ik Lancelot herken!? + +--Lancelot! juichte Ysabele. Is hij Lancelot, dien ik ginder schouw!? +Lancelot, van wien ik juist geheel de schoone jeeste las?! + +--Hij is Lancelot, mijn schoonvader!! riep Gawein in hevigste ontroering +tot Koning Assentijn. Hij is Lancelot en wien zal hij vergezellen in de +Schandekar, zoo niet de geschandvlekte een ridder van goeden moed is! Om +hem troost te bieden en eere te doen: niet ànders dan om dien zal +Lancelot een op de vreeselijke Kar verzellen! + +En Gawein, heftig ontroerd, liep de eerste opene poort uit en riep over +de brug, over de eerste slotgracht, luid van stemme: + +--Lancelot! Lancelot! + +Lancelot zag smartelijk op; hij herkende.... + +En verrast riep hij: + +--Gawein! Gawein, dien wij zochten! + +Maar Gawein riep een tweeden kreet, smartelijker nog dan waarmeê hij +Lancelot had geroepen: + +--Wat zie ik! Gwinebant! Gwinebant! + +Want hij herkende den ridder op de Kar! + +Maar achter hem had een schelle vrouwekreet weêrklonken. + +Het was Ysabele, die niet meer juichte om Lancelot; het was Ysabele, +die, achter Gawein aanloopende, met velen der baroenen en edelvrouwen +Gwinebant had herkend en uitriep: + +--Gwinebant! O, Heiligen van Paradijs! Op de Karre ligt Gwinebant, mijn +ridder met de mouwe, die voor mij dapperlijk streed in het leste +tornooi! + +En vóór haar grootvader en de baroenen het haar konden verhinderen, was +zij met Gawein vooruit gesneld, was hen vóór gesneld, alle de poorten +uit, alle de bruggen over, tot zij, het hondje aankeffende achter zich, +gekomen was op den weg, waar langs de dwerg voerde zijn kar, met het +mizerabele, verminkte paard. + +--Lancelot! riep Gawein. + +--Gawein! riep Lancelot. Wij zochten u! + +En hij wierp zich af en de beide ridders omhelsden elkaâr. + +--Lancelot! riep Gawein. Wat ligt mijn Gwinebant, onze jongste en +schoonste gezel, op de Kar?! + +--Hij ligt er om ridderlijken plicht! zei Lancelot. Hij ligt er om +Lionel te bevrijden, die lag op de Kar schuldeloos! Wij waren uit +getogen, Gawein, op queste naar u, die bleef zoek en ontmoetten de Kar +en Gwinebant bevrijdde dezen hier: Lionel! + +--Maar ik, heeren! riep Lionel; heb mijne krachten terug erlangd! Ik zal +de Kar wederom bestijgen! + +--Lionel! riep Lancelot. Aan mij is nu de beurte de Kar te bestijgen! En +die dwerg zal mij voeren tot Camelot, waar ik mijnen Koning kond zal +doen en Merlijn de Kar onttooveren zal! + +--Neen! riep Ysabele. Mijn hooge heer, Lancelot, gij van wien ik las met +Gawein, mijn ridder, uwe zoete jeeste, gij, de trouwste ridder van +Kerstenheid, gij, de trouwe ridder van de "fonteyne aller schoonhede", +koninginne Guenever--o hoe geerne zag ik haar niet!--gij moogt niet de +Karre bestijgen! Het is Gawein, mijn oom maar ook mijn ridder, hij!, die +de Kar bestijgen zal, om Gwinebant te verlossen! + +En met de kreten der jonkvrouw mengden zich de ontroerde stemmen van +Lionel, Lancelot en Gawein, die met malkanderen wedijverden in +edelmoedigheden, wie de Kar bestijgen zoû. + +Want Gawein aarzelde niet, hoofsche ridder, die hij was, te voldoen aan +het bevel van Ysabele, die hij minde boven alles ter wereld. Hij zette, +vóór,--garsoenen schoten op de paarden toe--Lancelot en Lionel hem +konden verhinderen, zijn voet op de Kar... Er was als donder en +weêrlicht uit blauwe lucht; de dwerg grinnikte; angstig hinnikte het +mizerabele paard.... + +In de Kar lag Gawein... + +En wrong zich, gebonden, de kleêren verscheurd. + +Tusschen Lancelot en Lionel stond wankelend Gwinebant. Hij was heel +bleek. + +Hij hield de oogen gesloten, terwijl hem steunden zijn vrienden. + +Hij scheen uitgeput van de pijnen, geleden die nacht in de onzalige Kar. + +Toen hij de oogen opende, zag hij, tusschen tal van baroenen en +vrouwen--o hoe heur aller schoothondjes kef-kef-keften omrond--eene +jonkvrouw... + +Zoo blond, zoo blank, zoo goud van haar, zoo wit van kleed, dat zij een +engel scheen... + +En vol liefde-angst zagen hare azuren oogen hem aan... + +En hij herkende haar... + +Eénmaal had hij haar gezien ten tornooie... + +En hij had hare mouwe, die zij hem had gereikt, geslingerd rondom zijn +helm... + +En sedert had hij haar gezien, tallooze malen van onzegbaar geluk, in +zijne droomen... + +--Ysabele... murmelde hij. + +--Gwinebant... stamelde Ysabele. + +En hare witte handekens reikten hem toe. + +Hij greep ze en kuste ze zacht. + +--Ik zag u... stamelde hij. + +--Ik zag u ook, Gwinebant, murmelde Ysabele. + +Maar zij zeiden niet wáár zij malkanderen meer hadden gezien... + +O, die leste tijden, iedere nacht! + +In hunne droomen. Hoewel hij niet wist van de háre en zij niet van de +zijne... + +Rondom hunne elkander ontmoetende, zoet herkennende liefdeblikken, was +het veel laweide, want de paarden hinnikten, steigerend aan de vuisten +der garsoenen, die ze bedwongen... + +De edelvrouwen riepen wi ende wacharme... + +De baroenen huldigden met lof ende prise Lancelot en Lionel. + +En de schoothondjes... o wat de schoothondjes razende keften! + +Toen klakte de dwerg met de zweep. + +--Ik ben die gone, die wijs is van de burchten! grijns-grinnikte de +onwijze dwerg. Wij gaan tot Camelot in den lande van Logres en dan terug +naar Noordhumberland! + +Maar Lancelot, Lionel en al de baroenen wilden niet, dat de dwerg de Kar +weg zoude rijden. En ook Koning Assentijn, die de poorte uit en de +bruggen was over gekomen, wilde het niet. + +--Wij en willen het niet! riepen zij allen. Den burcht in, dwerg! Hiér, +in den burcht van Endi zal blijven de Karre! Den burcht in, dwerg, trots +tooverië en Schandekar-wonder! Als Gawein onschuldig op de Karre +geschandvlekt ligt uit edelmoedigheid, zal hij niet vertoond worden +langs de straten, tot spot van keytieven en kaerelen! Den burcht in, +dwerg! + +En zij dwongen den dwerg de eerste brug over te rijden, door den heeten +wasem heen van het ziedende water. De garsoenen geleidden de twee +paarden weg... + +De schoothondjes keften... + +Het was een laweide van grootst belang en nauwelijks kon zich +verstaanbaar maken de Koning, die noodde hoffelijk Lancelot, Lionel, +Gwinebant zijne gasten te zijn. Hevig kermde Gawein en wrong zich, +wrong zich op de Kar... + +Hij wrong zich van de tooverpijn, die hem met scheuten schoot door de +leden maar hij kermde vooral--want meer dan kermen was zijn klagen +niet--omdat hij, vóór het mizerabele paard, dat de Kar trok... Ysabele +zag gaan met Gwinebant, zijn jongen gezel, dien hij wel minde... + +En hij leed ijverzucht want Ysabele, teederlijk,--meende hij--geleidde +Gwinebant, die nog wankelde na, bleek, in zijn stukkende rusting... + +Tot Gawein zag, dat Gwinebant glimlachte zijdelings naar Ysabele en +haar, zekerlijk, bediedde dat het hem beter ging, hij, een ridder van +Tafel-Ronde en die niet sterven zoû van één nacht onschuldig gelegen te +hebben op de Schandekar. In der daad richtte zich ook Gwinebants ranke, +breedschouderige gestalte, zoo jeugdig als van strijdengel, meende +kermend Gawein, aan Sint Michiel gelijk! en Ysabele, zijdelings, +glimlachte Gwinebant toe... En Gawein kermde en er was zùlk een laweide, +dat plots donderend de Koning Assentijn uitriep, tusschen Lionel en +Lancelot: + +--Jonkvrouwen en vrouwen! Ik beveel u: doet zwijgen, en dadelijk, al uw +onzalige schoothondjes want, mij mijne koningskrone! ik laat ze anders +allen door de garsoenen in de grachten gooien! + +Toen stortten alle de vrouwen en jonkvrouwen toe op hare keffende +hondjes en borgen de lieve beestjes in hare armen, aan hare boezems, in +de schootplooien van haar gehevene kleed... + + + + +HOOFDSTUK XXIII + + +Maar blijde waren alle de burchtgenooten, de hoogste en ook de laagste, +dat zij Gawein gespaard hadden van die schande op de vreeselijke Kar te +worden rond gevoerd langs wegen en straat, om vertoond te worden aan +allen, die hem zouden ontmoeten. En de dwerg voerde nu zijn Kar naar den +burchthof en daar werd het paard, dat doodmoede was, uit gespannen en +weg geleid. De Kar, waarop Gawein lag te kermen en te krimpen, werd +onder de breedtakkige linde getrokken en allen om Gawein heen wrongen de +handen want verlost kon hij eerst worden na twaalf uren zonder +levensgevaar voor hem en zijn bevrijder. En om hem heen zwoeren Lancelot +en Koning Assentijns baroenen, dat zij, zoodra de zon zonk, Gawein +zouden verlossen, om beurten; zij beloofden het malkanderen met +handslag. + +Ysabele, met Gwinebant, naderde nu ook de Kar en zij begon te weenen, +toen zij Gawein zoo zag krimpen. + +--Gawein! riep zij. Mijn lieve ridder! Doet de tooverkar harde pijn? Ik +en kàn u zoo onnoodig niet lijden zien! + +--Ysabele! zeide Gawein, heel bleek. Het is niet zóó groote pijn! Het is +meer prikken van muggen en steken van wespen maar méér en is het leed +niet! En ik en zal niet meer kermen en krimpen als gij het niet aan kunt +zien en als het uwe zoete oogen doet weenen! + +Toen lag Gawein heel stil en sloot de oogen, terwijl ter zijde van de +Kar grinnikte de dwerg. En de Koning zette zich bezorgd op zijn zetel +en beval der ridders bal te spelen en met het werptafelspel. En hij +beval jongen knapen te zingen en vedelaren te vedelen, opdat Gawein +minder zoû lijden, zoo rondom hem er muziek klonk en voort ging de +gewone vië, die des kasteels was in vredestijd. En steeds lag Gawein +heel stil, de oogen gesloten en Ysabele dankte hem, dat hij niet meer +kermde en kromp en Gwinebant dankte hem, dat hij hem wel had willen +verlossen. Zoo gingen er enkele uren voorbij... + +En het scheen bijna, dat Gawein niet meer leed, zoo stil lag hij... + +O, de vreeslijke Kar, de Schandekar, die een tooverkar was, o de +vreeslijke Kar van Clarioen van Noordhumberland! In alle andere rijken +der oude Koningen rondom was zij reeds afgeschaft, die Kar van schande +en van marteling en nog deed Clarioen haar door de landen gaan! O, zoo +de baroenen haar dorsten vernietigen, die Kar, die alleen leidde één +onzinnige dwerg! Maar tooverië en magië waren sterker dan alle baroenen +ter wereld en de Kar wàs niet te vernietigen, alleen te onttooveren! O, +zoo Merlijn maar te roepen was, maar Gwinebant noch Lancelot wisten, +waar hij toefde, zeker steeds bezig met die zoo moeilijke, draadlooze +theorië... Zoodat Lancelot zich droef bij den Koning zette en Gwinebant +Ysabele verder geleidde langs de grachten en de zonnebloemen: al lag +Gawein stille, het bleef toch pijnlijk voor de zoete princesse haar +ridder op de Schandekar te zien! Tot plotseling boven van de tinnen +galmde koperen torengeschal der torenwachters en de burchtzaten uit +zagen: twee ruiters naderden en de drossaet des Konings, met staffieren +en met garsoenen, ging hen door de opene poorten te gemoet en +verwelkomden hen. Zij reden binnen en Lancelot herkende den eene: die +was Galehot en de andere was zeker zijn schildknaap, maar Lancelot kende +dien niet, zeide hij Koning Assentijn, die bijziende de oogen knipperde. +Galehot en de schildknaap stegen af op het voorplein en Lancelot +omhelsde zijn wapenbroeder en riep uit: + +--Lace, Galehot, wel ontmoet ik u op een kwaden dag! Want zie, daar ligt +Gawein, over de Schandekarre, die hij betrad uit edelmoedigheid om onzen +Gwinebant te verlossen en de ure is nog niet daar, dat wij hem verlossen +mogen! + +Galehot--anders de gracelijk stil glimlachende--sloeg een oprechten +jammerkreet uit en de schildknaap een nog schelleren. En terwijl Galehot +den Koning begroette, herkenden alle de burchtgenooten den schildknaap. +Die was Amadijs. Hij kwam met Galehot terug van Camelot, waar hij Koning +Artur kond had gedaan en Koning Artur was blijde geweest, dat hij nu +wist van Gawein, maar toen heel booze geworden, dat Gawein niet om het +Scaec scheen te achten en toen had hij wi ende wacharme geroepen om +Mordret en om Didoneel. En hij had Amadijs, en Galehot mede, bevolen +dadelijk op weg te gaan, naar Endi, om Gawein te zeggen, dat hij +oogenblikkelijk op queste moest naar het Scaec. Omdat alle zijne +Tafel-Ronde-ridders er op uit waren, had Koning Artur, meldde Galehot, +twaalf andere zijner hoogste baroenen tot Tafel-Ronde-ridders geslagen +en die zaten nu om het jaspis-blad in de Ronde Zale te wachten tot +Aventure zich voor zoû doen en dikwijls verstreek het uur van den +maaltijd en wachtten zij nog... Toen Assentijn daarvan hoorde, schudde +hij bedenkelijk het hoofd en bedacht, hoewel hij er uit hoofschheid +tegen zijne gasten niets van repte, dat die Koning Artur van Logres, zoo +belust op Aventuur, wel heel oud werd, ouder dan hij, Assentijn was. En +dat het slecht voor de mage was zóó lang te wachten en niet te eten. + +--Ik moet, bij mijn trouwe, bedenken, zeide Koning Assentijn tot +Lancelot en Galehot; waar nu toch gij allen twaalf toeft van oude en +eerste Tafel-Ronde. Om mij zie ik armen Gawein; gij, Lancelot; gij, +Galehot en ginds dwaalt Gwinebant, de schoone knape, met mijne Ysabele +in jeugendlijke sprake langs de zonnebloemen; die vertellen malkander +zekerlijk van hunne droomen... Nu, dat zijn vier uwer, waar zijn dan de +acht anderen, zeg? + +--Didoneel en Mordret lijden pijnen in Vagevure, glimlachte gracielijk +Galehot; als Amadijs melden kwam. En de zes anderen zijn Amoreuse-Garde +belegeren gaan... + +En Galehot vertelde alles en meldde ook Lancelot nu, hoe Mordret en +Didoneel verslagen werden toen Gawein Alliene, die was Amadijs, +verloste. + +--Ja, ik! riep Gawein, met gesloten oogen, van de Kar. Ik, ik versloeg +de feloenen, die met ons mede waagden aan te zitten aan Tafel-Ronde! + +En hij lag weêr stil. En Lancelot was zeer verbaasd en droeve te moede +en Koning Assentijn verwonderde zich in stilte, dat nog wel ridderen van +Tafel-Ronde een slechten burcht hadden kunnen stichten in afgelegen +foreest, waar zij geschaakte damoselen opsloten! + +--Lace! riep Lancelot. Ik zal Gwinebant melden van Didoneel en Mordret. + +Maar Assentijn hield hem tegen en zeide: + +--Ik zoude dat laten, mijn lieve Lancelot! Gwinebant spansiert er zoo +zoete met Ysabele langs die zonnebloemen: dat is de joghet, die zich +verhoghet. Laàt ze... Mijne arme kleindochter, dat zoete kind, heb ik +beloofd aan Clarioen van Noordhumberland en dat is mij niet wel te moede +na al wat ik van dien ouden schalk hoore en zie. Schandekarren zijn +niet meer te dulden enghienen, als zij met tooverië gaan en door +ridderen moeten worden beklommen.... Zeg nu, mijn lieve Lionel--en de +Koning richtte zich tot den Noordhumberlander--maak mij vroed van den +hove daar ginder: hoe staat het daar wel bij dien Clarioen? + +En Assentijn hoorde Lionel uit, over het verre Noordsche rijk, waarheen +zijne kleindochter ter bruidvaart zoû gaan en waar Clarioen iederen +ridder, dien hij verdacht van hem naar de kroon te staan, wierp op de +Schandekar! + +Maar naast de Kar was Amadijs ontzet blijven staan, de edelvrouwen en +baroenen rondom. + +--Mijn heer! hijgde ten laatste Amadijs. Mijn heere Gawein! Gij, gij, de +edelste, de overgelijklijke op de Schandekarre, gij! + +De dwerg grinnikte. + +--Dat en doet geene pijn, schildknaap! Zie toch, de ridder kermt niet en +hij krimpt niet! Het is alleenlijk als van muggen en wesp! En ik weet +den weg naar alle burchten maar ik weet ook van knapen en jonkvrouwen! +Schildknapen hebben vaak zachte oogen, en weet gij, eene jonkvrouwe kan +ook harde wel de Karre bestijgen! + +Amadijs bloosde omdat een onzinnige dwerg hem had kunnen doorzien en de +baroenen en edelvrouwen rondom, reeds gehoord hebbende van wat Galehot +aan Lancelot en den Koning gemeld had, beweerden, dat zij altijd wel +gedacht hadden, dat Amadijs een jonkvrouw was. Hoewel deze bewering niet +geheel en al waar was en menige edelvrouw, die met Amadijs de zoete +melodië had willen drijven, zeer teleur was gesteld in hare begeerten en +zoo weinig toeschietelijken schildknaap in de eentonigheid van de +kasteelvië zich niet had kunnen verklaren. + +Gawein lag steeds stil... + +De oogen gesloten, dacht hij aan Ysabele. + +En leed hij zwijgend om haar. De baroenen en edelvrouwen bleven rondom, +met troostenden roep, terwijl vedelden de vedelaren. + +En de hoogstemmige knapen zongen. + +En Amadijs vroeg wanhopig den dwerg: + +--Wanneer heeft de tooverië uit gevierd? Wanneer kan een ander, knaap of +jonkvrouw, mijn heere verlossen? Zeg mij, dwerg; na zonsondergang? + +De dwerg grinnikte; de zon stond nog hoog aan het namiddaggeluchte en de +zonnebloemen langs de muren en grachten straalden den gouden gloed +terug... + +Toen grinnikte de dwerg en fluisterde: + +--Hoor, mijn zoete knape! Ik en ben niet zoo dul als zij denken! De +baroenen dwongen mij den burcht binnen te rijden en de garsoenen spanden +het rosside uit. Maar als de Karre niet en beweegt en hier stille staat +onder de koningslinde om den ridder van alle lachter te sparen, vermag +niets ende niemand hem te bevrijden... En wie op de Karre springt, +waarschuw ik u, ligt mede geboeid ter neêr! + +--O wi, o wacharme! riep Amadijs. Zal God van Hemelrijk dat dulden! + +Ook de baroenen, die mede den dwerg hadden aangehoord, riepen: + +--Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk! + +Zij wilden den dwerg te lijf en hem als een worm vertrappen. Maar +Lancelot, Galehot stortten toe, zelfs Gwinebant verliet Ysabele, om den +dwerg te ontzetten. Ridderlijke daad zoû het niet zijn een dwerg te +verdelgen en daarbij, zoo hij verdelgd ware, wie wist van de Karre en +hare enghiene, zoo de voerder daar niet en ware? De dwerg, bevrijd uit +den boozen drang der baroenen, grinnikte en zette zich spottend, +gedrochtelijk, met de spichtige armen over de vergroeide knieën op het +lamoen van de kar, terwijl doodstille Gawein leed en lag. + +--Ik zal wachten! grinnikte de dwerg. Uw welgevallen zal ik, hooge +heeren, wachten! Voor zonsondergang kan zelfs geen schildknape met +zachte oogen of een baroen of valiante wigant den ridder uit de Karre +verlossen, maar ik moet naar den Koning Clarioen terug: wees des gewes, +hoe zot ik ook ben! + +Woedend stonden de baroenen rondom de Schandekar en den dwerg. +Plotseling betrok de lucht... + +De gloed der zonnebloemen, waartegen Ysabele's figuurken blankte, +wachtende angstig, dat Gwinebant zoû keeren, doofde... + +Een zwarte wolk zonk over den burcht... + +--Een tempeest? riepen de burchtgenooten. Een horeest! + +Want het weêrlichtte... + +Er rommelde donder en in die onweêrsbui naderde een heftig gesnor... + + + + +HOOFDSTUK XXIV + + +En boven den burcht, door de wolk heen, brak door met zwaar +wiekengewapper een reusachtige fenixvogel, die straalde vreemd in eigen +juweelachtige, pauwblauw geschakeerde glanzen... + +--Merlijn! Merlijn! riepen de drie ridders van Tafel-Ronde, Lancelot, +Gwinebant, Galehot. + +Werkelijk, het was Merlijn, die op zijn vogel neêr daalde, in een wijden +cirkel van zweefvlucht. Snorrend en hevig sidderend daalde de fenix maar +zette zich toen luchtig en sierlijk vóór den Koning, en Merlijn steeg af +uit des vogels rug. Merlijn was niet zoo heel jong meer, tegen het eind +van den dag, als zijn jeugdbad had uitgewerkt en hij het de moeite niet +waard had gevonden een tweede bad te nemen. Hij groette Koning +Assentijn, die niet meer verbaasde dan overeen kwam met zijne +koninklijke waardigheid en riep en jubelde: + +--Eureka! Eureka! Ik heb de draadlooze theorieë gevonden! En ik kom mijn +lieven Gawein verlossen! + +Nu lachte hij luide. Terwijl hij lachte, scheen zijn baard te groeien, +schenen zijne oogen als vlammen gloeien te gaan. Zijn gebaar uit wijde, +purperen mouwen was zóó wijd, als of hij met zijn staf een tooverban +trok om het geheele burchtplein heen. De lindeboom bewoog krakend alle +zijn takken en bladeren in den fel waaienden wind. Een dichte nevel zonk +neêr. Allen--de Koning, Lancelot, Gwinebant, Ysabele, Galehot, Amadijs, +de baroenen en edelvrouwen, drongen tegen elkaâr, wèg van Merlijn en de +Kar. Een wervelwind woei. Het duurde nauwlijks twee, drie blikken der +oogen. De nevel trok op; de wind verwoei om den burcht; de zon straalde, +zinkende, door; bij de zonnebloemen blankte op Ysabele; zij school half +bezwijmende in de armen weg van Gwinebant en zij waren schoon en +lieflijk om te aanzien. En voor Merlijns voeten versmeulde weg de Kar +tot een witte asch, terwijl Gawein ongedeerd, hoewel verbijsterd, stond, +als nog omgeven door Merlijns wijd gebaar. + +--Tooverië! Tooverië!! riepen de baroenen en angstig de edelvrouwen, +door elkaâr, dringende duwende. + +Maar Gawein was verlost... + +Over het burchtplein kroop een schildpad. + +Merlijn schaterlachte...... + +Hij wees...... + +--Dat is de dwerg! zeide hij. Burchtzaten, opent den weg voor mijn +schildpad! Hij keert terug tot Noordhumberland! Hij gaat konden Koning +Clarioen van zijne Schandekarre! + +En Merlijn schaterde zóo, dat alle de baroenen ook schaterden. De, door +de edelvrouwen heel lang stil en achterbaks gehoudene, schoothondjes +ontsnapten, liepen toe op den schildpad, die weg kroop en keften. +Ysabele stortte naar Gawein met een vreugdekreet en omhelsde hem. + +En toen boog zij eerbiedig voor Merlijn en riep juichend met hare +vreugdestem: + +--Groote Merlijn! Ik heb van u gelezen in de schoone jeesten, die de +clerken sedert tien jaren boeken en nu zie ik u met mijn oogen! Gij zijt +de goede toovenaar van hoogste lof! Gij verbranddet in tooverviere de +Kar en zij versmeulde tot witte assch! Wees gebenedijd, gij, die Gawein, +mijn ridder, verloste! + +En zij boog diep en herhaaldelijk, beurende hare vlechten omhoog en +alle de edelvrouwen volgden het voorbeeld van de princes. + +Terwijl de Koning dreigend riep: + +--Jonkvrouwen en vrouwen, zoo gij niet uwe schoothondjes... + +Hij kon niet voltooien. Het laweide barstte los oorverdoovend. Er was +gejuich van triomf aan alle ramen des burchts, over alle barbekanen. +Maar de vele schoothondjes keften het hoogst, zonder zich te storen aan +Koning Assentijns oude zenuwen.... + +Toen, van boven den hoogsten toren, galmde, brallende, koperen geschal, +het signaal van den torenwachter. + +De lagere torenwachters galmden hem na. + +Allen keken uit, naar den weg. + +Een ridder naderde en vroeg toegang. + +Het was Sagremort: Gawein, Lancelot, Galehot, Gwinebant ijlden op hem +toe. + +Sagremort steeg af. De ridders voerden, met de baroenen en de +edelvrouwen en de schoothondjes, Sagremort vóór den Koning. + +Sagremort zeide: + +--Edele heere Koning van Endi, hooge Assentijn! Mijn vijf gezellen: +Bohort, Acglovael, Ywein, Hestor en Meleagant zijn gevangen in den +burcht van Amoreuse-Garde, waar vele feloenige ridderen damoselen +gevangen houden en te tijde en te ontijde belagen. Ik kwam langs uwen +burcht en trof mijn valiante gezellen, zoo hielp mij Sint Michiel. Heere +Koning, waarom ik niet en gevangen ben met die vijf anderen genomen? +Omdat ik weifelde en twijfelde binnen te gaan, toen de damoselen aan de +vensteren verschenen en lonkten en lokten met zoeten lach en lonk... Ik +dacht: willen die damoselen wel worden bevrijd of... willen zij niet +worden bevrijd. Dat is de vrage! + +--Zeide ik het u niet al?! riep Galehot. + +Koning Assentijn sloeg de handen om zijn arme hoofd en zijn kroon gleed +scheef. Een Schandekar, vijf ridders van Tafel-Ronde ten zijnent, vijf +gevangen in een burcht van feloenen; daarbij nog Merlijn, de toovenaar, +op een fenix; Clarioen van Noordhumberland een oude curliaen ende +schalck, wien hij zijne kleindochter had beloofd; keffende +schoothondjes, die niet waren tot zwijgen te brengen. + +--Het is mij te veel! riep hij. Ik bezwijme! + +En hij viel achter over in zijn zetel, maar Ysabele omringde zijn oude +hoofd met hare ranke armen en lachte... + + * * * * * + +Een ruste was den vijf ridders van Tafel-Ronde wel van noode in den +burcht van Endi. Zij konden toch dien avond voor vespermaal niet +dadelijk vertrekken! De pagiën geleidden de gasten in verschillende +kemenaden en zij wieschen zich in gulden bekkens met fijne dwalen en +kleedden zich--er lagen steeds surcoet en hozen klaar voor dolende +ridders. Lionel, die vooreerst niet naar Koning Clarioen dorst keeren, +hoopte onder Koning Assentijns ridderschap te worden opgenomen; ook +Merlijn bleef nog die nacht. + +En na het maal, door heel eenvoudige tooverië, bracht Merlijn Gwinebant +en Ysabele te zamen. Zij troffen elkaar ditmaal niet bij de zonnebloemen +maar bij de donkerroode, bloeiende rozenstruiken, waarvan éene roos +Gawein had geplukt na zes kerkertraliën te hebben verbroken: dat geurde +daar van rozengeur onder aan de muren van den burcht en in de nieuwe +maan, die in blauwe nacht wit op straalde en neêr vloeide over de +barbekanen en speelde en spiegelde in de grachten; daar dwaalden +Gwinebant en Ysabele. + +--Gedenk u des, Ysabele, gij gaaft mij de mouwe ten lesten tornooi...? + +--Ik en vergat het nimmer, Gwinebant... Gij streedt en verwont te mijner +eere... + +--Ik dacht sedert steeds aan Ysabele... + +--Ik dacht sedert steeds aan Gwinebant... + +Merlijn luisterde om een hoek: hij was nu héél oud en de maan zilverde +in zijn baard. + +--Ik droomde u, zei Ysabele. + +--Ik droomde u ook! zei Gwinebant en lachte verbaasd. + +--Ik droomde u, dat gij kwaamt, in mijne kemenade en ik omhelsde u.... + +--Zoo zoete, zoo zoete droomde ik ook, dat ik u omhelsde! zeide +Gwinebant verbaasd. + +--Droomden wij malkanderen eenderlijk? vroeg Ysabele. Ik omhelsde u in +deze maniere... + +Zij sloeg om zijn blond, krispe hoofd hare armen en kuste hem lang op +den mond. + +--Eenderlijk, beäamde Gwinebant ontroerd om haar kus. Want ik omhelsde u +in deze maniere.... + +En hij kuste haar en zij kusten malkanderen zoo als zij malkander in den +droom hadden gekust en heel lang. + +--Ik droomde u iedere nacht, na dien, zeide Ysabele. + +--Ik droomde u ook iedere nacht! lachte Gwinebant verbaasd. + +--Iedere nacht, zeiden zij beiden en kusten malkanderen lang. + +--Ridder zijt gij van Koning Artur, zeide Ysabele. Maar, o Gwinebant, +mijn ridder wensch ik u wel hartelijk... + +--Ysabele, hebt gij mij lief? + +--Harde lief heb ik u, Gwinebant... + +--Ik heb u, Ysabele, ook harde lief... + +--Zoo lief... Zoo lief! zeiden zij beiden en zij kusten malkanderen +lang. + +--Ysabele, wilt gij dan mijne zoete wijf wezen? + +--Wat denkt gij, Gwinebant! lachte zacht Ysabele. Ik ben eene princesse +van Endi, kleindochter van Koning Assentijn. Ik zal een Koning trouwen: +Clarioen van Noordhumberland.... + +--Dien ouden curliaen? vroeg Gwinebant. Gij en zult dien toch niet +trouwen, Ysabele?? + +--Ik zal hem trouwen, Gwinebant, zeide Ysabele en kuste hem, lang. + +Hij kuste haar, lang, terug. + +--Ik zal hem trouwen, herhaalde zij. Ik moet toch eene koninginne worden +en daar zijn geen andere Koningen rondom, die jonger zijn en eene +koninginne hebben van noode. De prins Alidrisonder van Koning Wonder van +Mirakeleland is mij te jong... + +--Te jong, Ysabele? Wilt gij dan een ouden man? + +--Ik wil een ouden Koning tot man, Gwinebant, zeide Ysabele. + +Gwinebant kreunde van minnesmart, maar Ysabele kuste hem weg zijn +kreunen en hij kuste haar: zij kusten malkanderen, lang. + +--En ik wil u als mijn ridder, mijn Gwinebant. + +--Hoe dat, o Ysabele, als ik u heb zoo lief, zoo lief?! + +--Zoo als koninginne Guenever, die is Koning Arturs wijf, Lancelot tot +ridder heeft. Dat weet gij zelve, mijn Gwinebant, en dat las ik in +Lancelots jeeste. Amijs en amië zijn Lancelot en Guenever. Wij zullen +amijs en amië zijn... + +--O Ysabele, maar die oude schalk, Clarioen, die Koning, staat mij +bitterlijk in den wege! + +Zij kuste hem en hij kuste haar, lang. + +--En Gawein, ging Ysabele voort; wil ik ook tot ridder hebben en amijs. + +--Gawein ook, Ysabele?! + +--Ja, Gwinebant, ik bewonder harde Gawein, en heb hem ook heel lief; hij +is mijn oom, maar hij is mijn ridder en mijn amijs. + +--Ysabele, hij en is niet uw amijs... Gij weet nog niet wat een amijs +is, zoete Ysabele.... + +--En weet ik niet wat een amijs is? Ik weet harde wel wat is een amijs. +Ik wil een ouden Koning hebben tot man en ik wil twee amijsen hebben +daarbij. Ik wil Clarioen hebben tot man en Gawein en u, Gwinebant, tot +amijsen. + +--Ysabele, Ysabele, ziet gij niet, hoe ik lijde? + +--Gij en moet niet lijden, mijn Gwinebant. Clarioen, die zal maar zijn +de Koning, die mij tot koninginne maakt. Gij zult zijn mijn amijs en ook +Gawein, omdat hij zoo veel toren in zijn harte zoû dragen, zoo hij niet +mede mijn amijs mocht wezen. Met u samen. + +--Hij en zal niet willen met mij samen uw amijs zijn, o Ysabele! Gij en +weet niet wat een amijs heet, jonkver. + +--Ik weet harde wel wat een amijs heet, ridder. Een Koning is, wie mij +koninginne maakt, maar een amijs is wie met mij hoofschelijk de +courtoisië drijft. In deze maniere... + +En Ysabele omhelsde Gwinebant en kuste hem, lang. + +--O Ysabele! zuchtte dronken Gwinebant, maar kuste haar, lang. + +Van uit de burchtzale klonken de vedelen en knapestemmen. + + + + +HOOFDSTUK XXV + + +Gij en moogt niet ijverzuchtig zijn van Gawein, zeide Ysabele, zeer +ernstig, met opgeheven vingerkijn. Ik en wil het niet, Gwinebant. Ik heb +Gawein harde lief en wil hem geen leed doen en hij darf niet denken, dat +ik u meer lieve dan hem. Hij heeft mij harde lief, Gwinebant en hij mag +het niet denken... + +--Maar wien hebt gij het meeste lief, Ysabele? + +Ysabele omhelsde Gwinebant. + +--Gwinebant! antwoordde zij en zag hem diep in de oogen. + +Gwinebant sloot de zijne. + +--Gaan wij, zeide de jonkvrouw. Ik wil u droomen, deez' nacht, mijn +lief! + +--O Ysabele! zuchtte Gwinebant. + +--Zult gij mij droomen--deez' nacht, lief? + +--Ja, ik! zeide Gwinebant. Ik zal u droomen en al onze kussen! + +Zij gingen. Maar door heel eenvoudige tooverië wist Merlijn, die om een +hoek had geluisterd, Gwinebant in de schaduw Ysabele te doen verliezen +en haar Gawein te doen tegen komen, die haar zocht. En vond, terwijl +Gwinebant haar verloor. + +--Ysabele! riep blijde uit Gawein. Vind ik u eindelijk! + +--Gawein! riep Ysabele. Zocht gij mij? Maar ik zocht u en harde blijde +ben ik u gevonden te hebben! + +--Ik en vond u niet in de burchtzale, zeide Gawein; waar de burchtzaten +in feestelijk deduut te zamen zijn en aan den male, zag ik u met +Lancelot zoo zoete spel drijven en samensprake vol courtoisië, dat ik +niet en wist wat te denken, o Ysabele! + +--O Gawein, mijn wellieve Gawein, verweet schalks Ysabele; wat verdacht +gij mij van courtoisië met Lancelot te drijven! Lancelot, die is de +amijs van de "fonteyne aller schoonhede", koninginne Guenever, bij wie +ik alleenlijk maar een onnoozel en schamel maagdelijn ben; Lancelot, +dien ik bewonder als een wigant van den Rijke van Logres, alleen +vergelijkbaar met u, Gawein! + +--Maar Ysabele, gij bewonderdet mij ook als een wigant van Logres' Rijk +en Tafel-Ronde en toch zeidet gij mij, dat gij mij wel mindet! O +Ysabele, zoo gij mij niet en mindet meer, mijn dood zoû het, Ysabele, +wezen, mijn dood, die niet en was dat bekampen van vierwerf twintig man +aan twaalver poorten elk van dezen burcht! Mijn dood, o Ysabele, zoude +mij niet en komen van veldslag of tweestrijd, niet van draken of van +reuzen, niet van queste of Aventure maar van een onnoozel en schamel +maagdelijn, die eene princesse is en hoewel zij koninginne van de +Noordhumbersche landen zal worden, Lancelot beminnen gaat, Guenevers +amijs! + +--O Gawein, hoe zoude ik Lancelot beminnen gaan, Guenevers amijs! Ik +waag hem nauw in de oogen te blikken al zijn die zachte: hij is zoo +hoogelijk verheven boven mij en hij is zoo trouw als een ridder niet en +ooit was: de vinders hebben in zijne jeeste zijn trouwe boven alle lof +verheven; hoe zoude ik, o Gawein, Lancelot gaan beminnen! + +--Of mijn dood, Ysabele, zal komen van dat zelfde maagdelijn, zoo +onnoozel en schamel, zoo zij Gwinebant beminnen gaat! + +--O Gawein, hoe zoude ik Gwinebant gaan beminnen! Zoo zulke min, mijn +Gawein, ware uw dood! Zoude ik uw dood willen en Gwinebant gaan +beminnen? Ik en zoude het niet kunnen, Gawein! + +--Zoo zeg mij, o Ysabele, zoo zweer mij, o Ysabele, dat gij noch +Lancelot noch Gwinebant bemint! Want ik twijfelde tusschen die beiden, +wie gij, o Ysabele, beminnen konst! + +--O Gawein, eeden van minne zijn als vogelen met vlogelen, die vliegen +door de luchten zoodra een ze los uit de handen laat! O Gawein, Ysabele +neemt geen minne-eeden in den mond maar hoe kan zij Lancelot of +Gwinebant beminnen gaan als zij u bemint, o Gawein! + +--Zoo kus mij, zoete Ysabele...... + +Toen, in de zwarte schaduw van de burchtmuren, met de blauwe manenacht +rondom, kuste Ysabele Gawein en Gawein Ysabele, lang. En geloofde hij, +dat zij hem beminde en niet Lancelot en ook niet Gwinebant en ook niet +Galehot en ook niet Sagremort en ook niet Lionel, den Noordhumberlander. +En voelde hij, dat zijn liefde zijn leven was: al was hij ook nooit als +Lancelot trouw geweest, zijne liefde zoude ditmaal kunnen worden zijn +dood. En terwijl zij malkanderen kusten, lang, keek Merlijn steeds om +den hoek en verdween toen en keek om een anderen hoek Amadijs. En de +schildknaap hoorde juist Ysabele zeggen, schalk, aan het einde van den +langen kus: + +--Maar Gawein, mijne smarte zal mij komen, gepeis ik, van een ridder, +die is niet Lancelot en niet Gwinebant en dien vergezelt een wel schoone +schildknape. En die schildknaap is eene jonkver onder zijne maliëncotte +en surcoet en ik zoude, om mijne ijverzucht te stillen, weten willen, +Gawein: heeft de ridder zijn schildknape lief? + +--O Ysabele! hoorde Amadijs antwoorden zijn heer Gawein. Hoe zoude ik +Amadijs beminnen, die is Alliene, die ik ridderlijk verloste, ànders +dan met pietate en met caritate, als een broeder zijn zijne zuster wel +minnen zal: hoe zoude ik, Ysabele, Alliene beminnen als ik Ysabele +minne, Ysabele, Ysabele alleen! + +Toen kusten malkanderen Gawein en Ysabele lang en Amadijs vluchtte van +daar...... + +Maar uit de burchtzale weêrklonken fanfaren...... + +En Gawein en Ysabele repten zich langs de donkere muren en torens binnen +en de ridder geleidde de princes naar de voettrede van den troon, waar +haar vader zat. + +Want alle baroenen en edelvrouwen en alle de burchtzaten waren daar +verzameld en Merlijn stond in het midden der zale. + +En zeide: + +--Gawein, mijn hooge wigant, wij wachtten u! Want nu gij van de Karre +tot aller onzer blijdschap zijt verlost, is het mijn plicht u, na +Galehots boodschap van Koning Artur, dat hij booze zoude zijn omdat gij +vergeet van het Scaec, zijne eigene koninklijke stemme hooren te doen! + +--Hoe dat, Merlijn!? verbaasde Gawein. Van zoo verre als Camelot ligt +van Endi, zoudt gij kunnen mij Koning Arturs stemme doen hooren? + +--Merlijn is der tooverkonst harde abel! zeide de Koning Assentijn +goedmoedig. Laat hooren, Merlijn, mijn vriend, Koning Arturs koninklijke +stemme! + +Allen drongen nieuwsgierig dichter. + +En Merlijn gaf een teeken. + +Zes serianten brachten binnen een nooit geziene, groote trompet van +rooden goud, die opende met een wijden, ronden mond. + +En zij zetten de trompet op een tafel van rooden goud en Merlijn, zeer +eerbiedig, als neeg hij voor vorstelijkheid, boog. + +En beschreef toen een statigen boog met staf. + +En het was of de trompet even trilde...... + +En toen sprak, met Koning Arturs stemme: + +--"Hoor mij, Gawein, mijn neve! Zoo gij vergeet van dat Zwevende Scaec +en talmen blijft in de queste, door u op u genomen als ridderplicht, zal +ik zelve, uw Koning, mijn goede ors bestijgen en ter queste tijgen: dat +zwere ik bij mijn krone en bij den rijken God van Hemelrijk, Marië's +Kind, die voor ons geboren werd!" + +Er ruischte een verbazing de zale door! Werkelijk, het was Koning Arturs +stem, betuigden in hoogste verwondering Assentijn en de ridders van +Tafel-Ronde. Er was geen twijfelen aan! Het Wonder sprak met koninklijke +stem dringend, bevelend uit de gouden trompet! Gawein bloosde als een +knaap. + +En boog het hoofd. + +Toen riep hij luide; + +--Morgen, voor dauwe en dage, tijg ik ter queste uit, zoo helpe mij Sint +Michiel! + +Maar voor de groote trompet was een kleinere komen te staan. + +Die was zoo sierlijk en met kostbare, ronde steenen omzet: jochanten, +robijnen, karbonkels. + +En Merlijn bewees weêr hoofschen eerbied aan de trompet en zwaaide zijn +staf. + +Toen sprak de kleine trompet: + +--"Lancelot, o mijn ridder! Kom terug tot Camelot, want de Koning Artur +zit den geheelen dag met de twaalf nieuwe Ronde-Tafel-ridderen te +wachten tot Aventure zich kondt en de uren van maal gaan voorbij en wij +en eten niet en wij en lieven niet en wij en leven niet en dat leven is +mij groote vernoye, zonder u, Lancelot, o mijn ridder!" + +Aandachtig hoorde allen toe, hand aan het oor. Ysabele was opgestaan, +trad een pas nader en luisterde in zoete verrukking naar de stemme van +koninginne Guenever. + +Maar Lancelot riep uit, smartelijk en toch bedwongen: + +--Lace, mijne zoete vorstinne! Ik en kan nog niet keeren tot Camelot! +Want als Gawein wederom ter queste tijgt naar dat Scaec, tijgen wij, +niet waar, mijne gezellen, tijgen Sagremort, Galehot, Gwinebant en tijgt +Lancelot mede naar den burcht der feloenen en der belaagde dampselen, +waar die kwade ridders gevangen houden vijf ridderen van Tafel-Ronde: +Bohort! + +--Ywein! riep Gwinebant. + +--Acglovael! riep Sagremort. + +--Meleagant! riep Galehot. + +--En Hestor! riepen alle vier te zamen. + +De zaal daverde van sonore, Keltische naam-echo's.... + + + + +HOOFDSTUK XXVI + + +Die nacht viel er het volgende voor in den koninklijken burcht van Endi: +Droom weefde over en weêr van Ysabele naar Gwinebant en van Gwinebant +naar Ysabele... + +En Amadijs, de schildknaap, die naast Gawein op het zelfde bedde gewoon +was te slapen, sliep niet die nacht naast Gawein, het geen Gawein niet +bemerkte, omdat hij, wakende zelfs, droomde van Ysabele... + +Den volgenden morgen zaten, na afscheid van den Koning, van Ysabele, van +allen, die nu op de hoogste transen uitkeken, de vijf ridders van +Tafel-Ronde op. + +Wees des gewes, lezer, dat Lancelot, Gwinebant, Galehot en Sagremort +Amoreuse-Garde gingen belegeren. + +En dat Gawein--maar waar school toch Amadijs? dacht Gawein--op queste +toog naar het Scaec. + +Dat Amadijs hem niet vergezelde, merkte nauwlijks Gawein. Hij was vòl +geluk, om Ysabele. Er was een stralende zon in zijn ziel of de zon, die +aan den hemel straalde, zich terug kaatste in zijn ziel, als een groote +glans in een spiegel. Toen hij omzag voor de laatste maal, zag hij de +vier speren zijner vier makkers, geheven, glinsteren, met de zon aan de +punten en wuiven tot lesten groet. En zag hij op den hoogsten trans iets +wits, dat wuifde: Ysabele, die bewoog haar wijle... Hij wuifde terug, +met de speer. + +De weg, dien hij gekozen had, ging eenzaam het wijde woud in. Dolende +ridder kiest weg naar bezieling van hoogere macht: bezieling van Sint +Michiel of van den rijken Gode van Hemelrijk. En als hij den weg gekozen +heeft, vroom, om het goede te doen naar ridderplicht en de gevaarvolle +queste te volbrengen, wacht hij het Aventuur, dat hem te moet op den +wege zal komen. Draken waren dood en spookten alleen met hunne skeletten +in bergspelonken; reuzen bestonden sinds lang niet meer; ook niet meer +de vreeslijke reuzinnen, die Pantasilde heetten of hoe ook en die in +heel hooge torens woonden: die lagen in ruïne nu langs den weg... +Feloenige ridders, ja, lace, bestonden nog en belaagden damoselen en +sloten haar op in Amoreuse-Garde maar vier valiante wiganten gingen den +burcht belegeren. En een betooverd Scaec zweefde wel nog de lucht door, +maar bleef onvindbaar, ongrijpbaar, die vogel, die vlinder... + +Met huiver van eerbied heugde Gawein zich door zijn stil liefdegeluk +heen de stem van den Koning Artur, zoo als die uit Merlijns rood gouden +trompet had geklonken, booze en verstoord, omdat Gawein lauw was +gebleken in de queste naar het Scaec. + +Zekerlijk, hij was nu weêr op weg naar het Scaec. Hij had den weg +gekozen en seinde zich... Hij zoû het zoeken, hij zoû het vinden en +grijpen! Maar hiervan werd hij zich wel bewust: zoo Koning Artur hem +booze bleef omdat hij niet het Scaec vond en bracht, zoû hij harde veel +toren hebben in zijn harte, dat loyaal blijven den Koning zoû, vol +riddertrouw en liefde van baroen en vazal... Maar zoo Ysabele hem niet +meer zoû minnen, minnen zoo als Vrouwe Venus hèm minnen had doen +Ysabele, zoû hij sterven. Hij had velen bemind van de edelvrouwen en van +de jonkvrouwen in de kasteelen, die de dolende ridders aan het einde van +den dage tegen komen om gastvrijheid voor de nacht te vragen; hij had +rondom zijne eerste Ysabele, zijn zoete wijf, velen bemind met de minne, +die Vrouwe Venus geeft voor een oogenblik--zoo als de roze bloeit, een +dag of één nacht of enkele uren--en hij had zijne eerste Ysabele zelve +jaren bemind, maar zijne tweede beminde hij tot den dood... Een +ridder-van-aventure moge vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk +telken male verslaan, als het Vrouwe Venus' wille is, kan hij beminnen +tot den dood... Sterven van minne kan alles wat mint: de dag sterft om +de zon, die van hem scheidt; de roos om den nachtegaal, dien zij meende, +dat tot haar zong; de maagd om den man en ook de man kan sterven om de +maagd. Maar hij zal het nooit zeggen, de man, de ridder, de +ridder-van-aventure, die nooit vreesde van Aventure en van Wonder; hij +zal het nooit zeggen maar de vinders zeggen het later, de vinders, die +de jeesten boeken van heldenfeit en van liefde en ze dan voor zingen bij +het begeleidende spel der veêlers, in de lange avonden, des winters +vooral, aan de ooren der ontroerde vrouwen... En der ontroerde mannen +ook, maar die zeggen en toonen hunne ontroering niet... Zeker, de +ridders sterven van liefde soms... Gawein wist niet dadelijk welke +ridders reeds van liefde waren gestorven; hij heugde het zich niet uit +de jeesten, was ze zeker vergeten maar zeker, er waren er, die van +liefde waren gestorven... Niet op hun bedde, als de bleeke jonkvers, +maar op het slagveld en in de battalgiën, als de helden, sterk van arm +nog en onweêrstaanbaar van zwaardzwaai tot het einde toe, maar met de +barst in het hart, waaruit bloedde het leven, te gelijk, dat het bloed +uit de wonde bloedde... + +Maar Gawein behoefde niet aan dien weemoed zich over te geven, want +Ysabele beminde Gawein, o zoete joye! en zelfs al huwde zij een ouden +Koning, zoû zij hem beminnen, de nog zuivere en van onschuld zoete, als +Guenever Lancelot beminde! + +En de zon straalde in Gaweins ziel terug, als een groote glans in een +spiegel... + +Langzaam stapte Gringolet, de jonge hengst, over de krakende takken, die +lagen verwaaid over den weg. En het was stil in het woud als in de +tijden, toen de witte priesters, de Druïden en de witte priesteressen +hier hunne geheimenissen hadden gevierd in de groote bladertempels, +waarvan de eikenstammen de zuilen waren. Zelfs de vogelen zwegen. Geen +Aventuur wachtte op aan de wending des wegs en hoe ook spiedde Gawein, +het Scaec zweefde niet op... Dralende rit te ros door het maar even +ritselende woud, schijnbaar doellooze doling des ridders door het maar +even doorruischte, schaduwvolle geheimenis,--meer beloofde deze dag niet +te brengen. En Gawein, toch tevreden en zoet gelukkig, de gedachte maar +even doorrild door dien toch niet te verdrijven weemoed, die als een +schaduw ligt ter zijde van het allergrootste geluk, ademde op, zuchtte +op, glimlachte op, zocht het Scaec, dacht en droomde Ysabele, Ysabele +altijd en haar droombeeld blankte daar ginds voor hem uit als een zoet +vizioen... + +De nacht zonk. Zij weefde hare stille blauwte tusschen de ijlere, zwarte +takken en twijgen; zij stapelde hare stille zwartheid tusschen de +dichtere en donkere stammen. Zij strekte haar valen schemer uit over den +vergrauwenden weg, nauw begaanbaar voor het telkens in woekergewas zich +verwarrende ros. En Gawein zag geen burcht en wist deze wegen ook weinig +en heugde zich niet kasteel of kapelle of welke woning ook in deze +contreien... Hij wist alleen de richting: Westwaarts was hij gereden, +Westwaarts had hij gekozen, volgens ingeving van Sint Michiel, zijn +weg, en hij wist alleen, dat een breede rivier daar wezen zoû, zoo hij +zich heugde deze oorden van vroegere dwalingen... En werkelijk, daar +blauwde in de nacht de vloed en verder op vloeide die, blanker, in de +late maan, die rees, later, deez' nacht, dan zij gerezen was de nacht +van gisteren toen Gawein Ysabele onder aan de burchtmuren gevonden +had... En breed en kalm stroomde, bijkans zonder kabbelingen, de +maannacht weêrspiegelende stroom en de witte glansen vloeiden van de +lange rietstengelen af en versmolten dan in het glinstere water... +Bekoord om zoo stille schoonheid, staarde Gawein, tusschen de telkens +zijn blik brekende stammen en takken en zwarte sluiers wevende bladeren, +de rivier toe, tot hij eensklaps verschrikte... Want over het water +gleed als een witte vrouw weg, meê met den stroom, gleed zij, haar witte +gewaad plakkende om hare leden, haar gouden haar plakkende om heur witte +gelaat en schouders, als of de stroom zelve haar liefdevol het hoofd +hield omvat en zoo mede sleepte in zachte maar sterke vaart... En toen +Gawein haar zag, seinde hij zich en seinde hij een kruis naar de +verdronkene toe... En steeg toen af, nam het paard bij den teugel en +liep dichter toe naar den oever... En van af den oever herkende hij wie +daar, dood, verdreef op den stadigen stroom... Het was Alliene, het was +de jonkvrouw; het was Amadijs, het was zijn vergeten schildknaap en +Gawein begreep alles en zijn geluk, dat zon in zijn hart was geweest +dien dag, verzwijmde in eenen om de smart en het medelijden, die hij +gevoelde, om den schrik, dat hij niet eerder begrepen had en zoo weinig +van hoofschheid gepleegd had tegenover de ongelukkige maagd, die hij +gered had maar niet bemind, en hij herinnerde zich het zwaard tusschen +hen beiden in, in de leêge, onverschillige nachten... Maar hij +herinnerde zich niet, dat die onverschilligheid juist eerbied was... +Toen welde het in Gawein vol van wroeging en weemoed en van groote smart +en hij waadde, zijn ros aan den toom, door het riet en trad in het water +tot aan de borst, verder dan de stroom de drijvende mede voerde... En +daar wachtte hij haar op. Het paard hinnikte luide de manenacht in, als +begreep het van geschied onheil, en Gawein sidderde heel koud van groote +droefheid en van berouw, eindeloos, als schenen om hem heen nacht, woud, +water weemoed-stilte en verzwegene smarten. En toen, het paard achter +zich, hinnikend weêr de nacht in en zich angstiglijk dringende tegen hem +aan, greep Gawein Alliene in zijn armen--het riet brak om hem en +ritselde--en zag haar, bleek hij, in het bleeke, natte, van gouden haar +omplakte gelaat, waarin de oogen als door de watergeesten schenen toe +gestreken. En hief haar gelaat toen hooger en kuste haar met zijn +eersten kus op haar natten, dooden mond. + +Het paard hinnikte heviger... En Gawein liet de doode toen zachtekens +zijne armen uit glippen, zoo dat zij drijven bleef op den waterstroom en +hij stuwde haar liefdevol zoo, dat zij, in het midden des strooms, +verdreef... Daar zag hij haar na; zij dreef verder in den geheel nu +gloeienden maneschijn en het scheen of er een glimlach was opgebloeid om +den bleeken mond, die was opener geloken. En Gawein keek haar lange na +en seinde zich en seinde een kruis toe naar de verder weg drijvende... + +Zij dreef naar de wijde zee toe, die is het groote, weldadige, alruime +graf, zoeter dat zilten graf dan welke aardsche kuil ook zoû wezen... En +toen hij haar niet meer zag, zij verdrijvende als een zacht zilveren +kabbeling, witte lijn, wèg met alle kabbelingen en verlijningen van het +verdere water, steeg hij uit water en riet, druipende de zilveren +stralen van zijne zilveren rusting. En zuchtte diep maar niet meer van +geluk. + +En hief, zuchtende, den arm en sloeg zich met de gemaliede vuist op het +voorhoofd onder de opgeslagen ventalië... En knielde neêr en bad zijne +orisone voor Alliene's ziele, die wellicht dezen oogenblik reeds, éven +een donkere vogel, dompelde in vagevuursche wateren, om blànk en louter +weêr op te zweven, terwijl haar lijf nog zelfs ter zeeë niet in was +gespoeld en dáár nog dreef, dáár, in de verte... + +En toen, diep zuchtende weêr, steeg Gawein op en reed door en de donkere +gevoelens waren niet van hem af, in de schaduwen van de nacht. Toen hij +moede gleed van zijn moede ros en zij beiden zonken op het mos, onder de +zwarte bladeren der boomen en sliepen, de ridder het onthelmde hoofd +tegen de ademende flank van zijn paard, en hij droomde... van Ysabele. + + + + +HOOFDSTUK XXVII + + +Hoog reeds was gerezen de zon, toen Gawein ontwaakte, verbaasd, dat hij +daar lag in het woud. Gringolet liep te grazen en rondom Gawein lagen in +het gras het zadel, zijn helm, zwaard, schild, speer en +maliehandschoenen. En toen hij zag, dat zijn ros er was en daar rustig +te grazen liep, was hij blijde, Gawein en vergeleek den jongen hengst +bij de verscheidene Gringolette, die ook nooit ware weg gedwaald, van +haar heer, de lieve wrene, die hij, lace, had dood gezwommen... + +Nu wilde hij meer ook niet marren en stond op en rukte zijne maliëncotte +recht om de leden: ridder-van-aventure rust wel eens min te gemake dan +hij doet in wonde-genezend wonderbed in gastvrijen burcht aan den weg... +Hij wreef Gringolet de flanken en zaâlde het fluks en helmde zich en +gereidde zich en zat op en reed verder toen door. Weemoed en geluk +beiden wemelden door zijn ziel, die de morgeneenzaamheid zoet dronk, +weemoed om Alliene, geluk om Ysabele, en hij dacht daartusschen door aan +vele vrouwen en tusschen de vele vrouwen rees dan immer weêr de eene +jonkvrouw: Ysabele... + +En zij bleef alleen... + +Wat de keuze van wegen en wendingen des wegs betrof, zoû hij zich vroom +overgeven aan Sint Michiel, die hem wel leiden zoude als het was +beschikt, dat hij het Scaec zoû vinden... Vaak was het reeds hem voor +gezweefd, tot het in den burcht van Endi was omneêr gevallen, +verdwenen... Wat zoo het in den burcht nog verstoken lag? Maar hij had, +alleen en met Ysabele samen, gezocht in alle hagedochten en hoeken, +achter alle deuren, in alle duwieren en hij meende wel: het Scaec was +weêr weg gezweefd uit het kasteel... En hij zoû het weêr zoeken en hij +zoû het eenmaal vinden en weêr de gunste winnen zijns Konings, Arture, +naast de minne van zijne jonkvrouw: Ysabele... + +In wisselende gepeizen Gawein, stapte het ros rustig door: de morgenzon +verried de geheimenissen van het woud; reeds geelden de laagste bladeren +en verguldden in nazomer-zonneschijn en de lucht verzichtbaarde heel +blauw door de takken en er zweefden de gestapelde wolkgevaarten. Toen +tusschen wat vogels, die tjilpten, eerst onhoorbaar bijna, dra +duidelijker, het zacht gesnor weêrtrillerde en Gawein, als tartte het +hem, ginds, héél hoog, tegen de blauwe lucht, tegen de blanke wolkbergen +het Scaec zag zweven, een ruitachtigen vogel gelijk en het schitterde +even op van de kostelijke stukken, die stonden steeds roereloos +overeind. Het Scaec; het Scaec, dáar was het. Waar zoû het hem nu +geleiden? In welken burcht, tot welk Aventuur? Het ging tegen den noen, +en Gawein, nuchter reeds dag en nacht lang, voelde toch zijne krachten +wassen als immer in hem zijne kracht wies tegen den noen. + +O, tot alles was hij dezen dag voorbereid, trots weemoed en trots geluk; +tot alles was hij bereid om het tartende Scaec eindelijk meester te +worden! En voor het eerst sedert de nieuwe queste, sedert gisteren en +dien dag van heden, spoorde Gawein Gringolet en draafde het den weg +over, sprong het hoog over de hindernissen van omver gevallen boomen en +reed het uit het woud op opener vlakte, met wazige heuveling toe +glooiend den horizon ommerond, terwijl het Scaec, als een trillende +leeuwerik, hoog, heel hoog, boven Gaweins hoofd bleef hangen... O, zoo +Gringolet vleugelen hadde aangeschoten, hij zoû door de zomerluchten het +Scaec na zweven, na zweven, tot hij het hàd in zijn greep! En Gawein, +bijna onbewust zijn ros steigeren doend of het werkelijk de hooge lucht +in konde zweven, staarde steeds verlangend naar het Scaec, trillende, +trillerende, daar boven hem... Hij had een kreet als een knaap, die een +vlinder wil grijpen; hij richtte, zonder het te weten wellicht, zijne +opene maliënhand naar het onbereikbare, tartende, hoog daar in de lucht +hangende glinsterding... + +Tot plots het alleronverwachtste gebeurde... + +Er knalde iets... + +Vreemd geluid, vreemd toovergeluid in de eenzame wereld van heuvelen, +vlakte, wolken en woud.... + +Er knalde iets, vermoedelijk aan het Scaec... + +En uit het Scaec, ter zijde, ontplofte een blauwe damp, dadelijk +verijlende in de blauwere lucht... + +En toen, o wonder, als ware aan het Scaec iets gebroken, viel het, snel, +wirrelende sneller en sneller uit de lucht en Gawein, openmonds van +verbazing, zag het neêr vallen midden in de vlakte, in het ruige gras! + +Hij reed er met razende vaart heen, vreezende, dat het hem ontsnappen +weêr zoû, maar toen hij de plek, waar het viel, had bereikt, vond hij +het liggen tusschen de halmen. + +Hij was zoo verbaasd, dat hij niet aanstonds af steeg en greep. + +Maar toen wierp hij zich af uit het zaâl, greep het Scaec... + +De stukken rolden door malkanderen heen, hoewel zij toch aan het bord +bleven hangen. + +Het spel was in de war: aan metalen draadjes slingerden de stukken over +het bord. + +Het gouden koninkje zelf--Artur na gebootst, sierlijk gedreven +beeldje--was los geraakt en Gawein raapte het op uit het gras en bezag +het... + +Hij had het Scaec! + +Maar de partij was niet meer uit te spelen... + +Hij had het Scaec... maar het bord met de juweelen velden was gebroken. +Gawein bekeek het nieuwsgierig. + +Het had, naar het scheen, een dubbelen bodem... Die was gebarsten... En +in de holte van dien dubbelen bodem ontdekte Gawein een vreemd, klein, +sierlijk enghien, zoo ingewikkeld, dat het hem wel een raadsel scheen: +het waren heel kleine radertjes, met tal van ijzeren draadjes over en +weêr verbonden en alle die fijne draadjes lagen door elkaâr gesprongen, +verwrongen, verkronkeld tot een hopeloos verward klein kluwentje en +Gawein schudde zijn hoofd en haalde onwetend, hij zelve verward in alle +zijn denken van Wonder en Aventuur, de schouders op. Hij keek er maar in +en tastte met blooten vinger voorzichtig aan de metalen draadjes en aan +de radertjes maar begreep er niets van: alleen begreep hij, dat tooverië +en wonderlijke enghiene, groot of klein, wel heel veel met malkanderen, +zoo niet alles, te maken hadden. Maar één ding wist hij zeker, hij hàd +het Scaec, ook al was het gebroken. Het zag er zelfs zoo uit, als of het +nimmer meer weg kon zweven, als of het niet zweven meer kon. En +zorgvuldig voegde hij de, aan de metalen draadjes hangende, stukken bij +elkaâr en borg schaakbord en stukken in de tasch, die in zijn voorsten +zadelboog was. Het schaakbord kon er niet heelemaal in: het stak er met +den bovenkant uit. Wat leek het een mizerabel Tooverschaakbord, zoo als +het daar, op geborgen, uit de zadelboogtasch stak! En Gawein, terwijl +hij op steeg en langzaam stappende weg reed van daar, was vol +gedachten... Wat zoû zijn Koning hem zeggen, zoo hij te Camelot terug +kwam, met het stukkende Schaakbord, dat niet zweefde meer en waarop geen +partij meer was uit te spelen! Zoo dat de Koning, zoo hij wederom had +gedroomd, vreeze kon voor het verlies zijner krone koesteren! Het deed +Gawein heel veel leed, dat hij dit Scaec niet als het eerste terug +bracht, ongerept en nog tooverkrachtig... Ja, er waren tusschen hemel en +aarde meer vreemde dingen dan een dolende ridder vermoeden kon! En +Gawein, moede des denkens, schudde zijn hoofd en haalde zijn schouders +op... En dwaalde als de hengst wilde, het woud weder in... + +Plotseling zag hij op. Was hij op weg naar Camelot? Om Koning Artur het +Scaec te brengen...? Hij dacht niet, dat deze weg naar Camelot voer... +En, waarom wist hij niet goed, maar vermoedelijk, omdat de voltooiïng +van deze queste hem zich onbehagelijk deed gevoelen in zijn riddergemoed +en hem afleidde van zijn geluk om Ysabele, vond hij in eens alle deze +dingen van groote vernooye: deze foreesten, die zoo op elkander geleken, +dat een dolende ridder er immer verdwaalde; deze wegen, die alleen +gemaakt schenen om dolende ridders, nog meer dan hun roeping reeds was, +te doen verdwalen; dat Aventuur, dat wel bekroond scheen met uitslag +maar zoo twijfelachtig, omdat het Scaec waarlijk voor niets meer +deugde... En booze op zichzelf en op alles en niet heel vroom aan Sint +Michiel, met iets als een vloek binnensmonds, keek Gawein alle +richtingen uit, meende, hij moest nu Zuidwaarts rijden, was werkelijk +van niets meer zeker... Tot hij--blijde was hij in zijne vereenzaming +het te hooren!--hoefgetrappel aan hoorde naderen over de krakende +takken, die lagen verward over den weg, en meende welbekende stemmen te +vernemen... Een dier stemmen riep: + +--Ja, waarlijk, bij den rijken God van Hemelrijk! De Aventuren en zijn +niet meer van het geluchte, zoo menigerwerve meldden zij zich aan: +Gawein is gegaan om een Scaec... + +--En heeft twee onzer eigene gezellen, die feloenen waren, gestraft! + +--Eéne belaagde damosele gewroken en bevrijd! + +--En wij... + +Maar de aannaderende ruiters waren de wending van den weg omgeslagen en, +in zicht van Gawein, herkende deze, twee aan twee naast malkanderen +rijdende, de negen ridderen van Tafel-Ronde: + +Lancelot, Gwinebant, Galehot, en Sagremort en tevens Hestor en +Meleagant, Acglovael, Ywein en Bohort! + +En de negen--van hunnen kant--herkenden Gawein en zij juichten hem +blijde tegen en Gawein, zeer hoofsch, juichte tot zijne makkers terug. + +En hij vroeg: + +--Ik zie, mijn lieve gezellen vier, Lancelot, Gwinebant, Galehot en +Sagremort, gij hebt wel spoedig onze vijf andere makkers bevrijd uit +Amoreuse-Garde! + +Gelukkig, dat Acglovael hierop in een juichenden schaterlach uit +barstte, want de andere uit Amoreuse-Garde verloste ridders keken heel +erg strak en verlegen. + +--Acglovael schaterlachte, zei Galehot en glimlachte; dat is het beste, +dat Acglovael kan doen om zich te verontschuldigen. + +--Waren zij gevangen of niet gevangen, twijfelde Sagremort; dàt is de +vrage... + +--Dddd...aar en was niemand gevangen, in Amoreuse-Garde, stotterde Ywein +maar even; en die ddd...amoselen wilden niet en bbb...evrijd worden... + +--Zoo dat wij werkelijk, Gawein, verklaarde, klein maar dapper, +Meleagant; geen feloenige ridderen te bekampen meer hadden, wees des +gewes, wellieve gezel! + +--Zij kwamen en gingen, de ridderen, legde Hestor het heel eenvoudig uit +aan Gawein. En er waren er bij van Koning Mirakel... + +--Van Koning Ban... + +--Van Koning Assentijn ook! + +--En van alle andere oude Koningen van Kerstenhede rondomme! riepen door +elkaar Acglovael, Ywein, Meleagant en Hestor. + +--Het is alles de fout van Bohort! beschuldigde met vingerwijzing Ywein. + +En de drie anderen, wijzende met vingers ook, beschuldigden: + +--Het is alles de fout van Bohort! + +--Wat wilt gij! zeide Bohort en sloeg vuurrood de oogen neêr, hoe reuzig +hij zat op zijn ros. Die damoselen hingen zoo verleidelijk uit de +vensteren toen wij aan kwamen om haar te verlossen...! + + + + +HOOFDSTUK XXVIII + + +Lancelot had medelijden met zijn vriend. + +--De poort van Amoreuse-Garde staat immer open tot gastvrijheid, sprak +Lancelot met zeer milde stem. + +En Gwinebant, in zich wèl ijzerzuchtig op Gawein om Ysabele, die +schoone, deed zich geweld aan en voegde er hoofsch aan toe: + +--En de ophaalbruggen lagen immer neêr gelaten. + +Gawein glimlachte hoofsch terug. + +--Ik begrijp, zeide hij, zeer welwillend. + +--Zoo groote feloenen waren de ridderen niet, die wij daar mochten +ontmoeten, verontschuldigde Bohort met diepe bas en schudde energisch +ontkennend zijn kolossigen helmkop. + +--Wij speelden met hen werptafelspel, zeide Hestor, zoo modest hij het +zeggen kon. + +--Wij ddd...ronken met hen c...c...c...clareyt en zoete +p...p...pigmentwijn, stotterde Ywein wat meer, nu hij zekerder werd van +zijn zaak, tegenover Gawein. + +Maar Acglovael schaterlachte: + +--Wij aten met hen tam en venizoen! + +--En wij josteerden harde hoofschelijk met hen! glorifieerde, kraaiende +als een haantje, Meleagant. + +--Uw Aventure, lieve gezellen, glimlachte steeds Gawein zoo hoofsch, dat +zij alle vijf begrepen, dat Gawein hen begreep; verliep dus zoo wel als +het maar verloopen konde en ik ben harde blijde u allen in welstand te +ontmoeten. En zoo gij keert tot Camelot en tot onzen genadigen heere, +Koning Artur, keer ik met u, want ik heb mij meester gemaakt van het +Zwevende Scaec: ziet, hier steekt het uit de tassche van mijn arsoen! + +En Gawein wees op de punt van het schaakbord, dat uit zijn +zadelboogtasch omhoog stak. + +Alle de ridders verwonderden zich. + +Het Scaec! Het Zwevende Scaec! Het Scaec--dat Merlijn uit had doen +zweven om Aventure te brengen--het Scaec had Gawein gevonden, gegrepen: +hij ging het den Koning brengen! + +--Maar het is harde te-broken! zeide Gawein. + +En zij zagen rondom Gawein malkanderen allen aan met een onderling +kruisvuur van vragende blikken. Aventuur? Had het Scaec Aventure +gebracht in de groote vernooye van hun leven...? + +--Keeren wij tot Camelot, mijne lieve gezellen, noodde mild Lancelot: +hij voelde zich wel beschaamd te weten van het Scaec, dat Merlijn had +gezonden... + +En hij reed links van Gawein, terwijl Gwinebant zich rechts van hem +rijde en toch blijde was, trots zijn ijverzucht om Ysabele, die schoone, +dat Gawein zonder meswende de queste, die geene echte queste geweest +was, volbracht had. + +Maar achter hem fluisterden de andere ridders; Sagremort: + +--Het Zwevende Scaec... was het nu tooverië of was het niet tooverië? + +Galehot: + +--Het is zoo tooverië, dat het te-broken is, harde.... + +Ywein: + +--Het is ttt...ooverië, want Merlijn blijft een ttt...oovenaar. + +Bohort zeide niets; omdat hij zoo reuzig groot was en toch de leider +geweest der ridders, die gingen zoeken naar Gawein, Mordret, Didoneel, +was hij nog steeds beschaamd de fout van alles geweest te zijn in de +zake van Amoreuse-Garde.... + +Meleagant zeide ook niets, omdat hij op eens niet meer zeker +was--twijfel zat hun wel min of meer in het bloed--of de ridders met wie +hij in Amoreuse-Garde had gejosteerd wel allen eerlijke ridderen waren +geweest... + +Maar Acglovael schaterde op eens, wijzende naar een wijde vlakte, die +zij langs reden en waarover vele kudden schapen als eene zee heen +golfden, gedreven door tal van hard aanloopende herders: + +--Ziet, gezellen, gonder, die dulle schapen vlieden en die dullere +herderen bachten! + +De ridders hielden stand in de schaduw der beuketakken, die bogen over +den weg, en over de in zonneschijn wazende vlakte naderden de vluchtende +schapen met de, achter hen rennende, herders. En hoorden de ridders +roepen de herders: + +--Groote baroenen en valiante wiganten! Helpt ons! Helpt ons allen van +den lande Endi! Helpt ons allen van de maisniede van den Koning +Assentijn! + +--Wat geschiedt?? riepen Gawein, Lancelot, Gwinebant. + +De herders hieven wanhopig de staven op. + +--De Koning van Noordhumberland, Clarioen, hij komt met een heir Endi +belegeren! Hij is onzen Koning booze, Assentijn, den goede! Hij is booze +om den Karre-ridder, dien onze Koning te zijnen hove houdt... Hij is +booze, dat onze Koning zijne princesse en kleindochterlijn weigert te +geven aan zoo kwaden prins! + +--Ysabele!! riepen Gawein en Gwinebant uit. + +--Helpt ons, valiante wiganten en groote baroenen! riepen de herders. + +Grijswit wollige zee, golfden de schapen aan langs den weg. + +--Waar is de weg, die ten snelste voert naar Endi? riep Gawein. + +Want dolende ridders wisten zelden de kortste wegen. + +--Hierheen! Gonder! schreeuwden en wezen de herders. Over de vlakte +terug! En dan... + +De tien ridders, op hunne steigerende rossen, wierpen zich over de +vlakte, ongeduldig; zij hoorden niet meer. Hun metalen gerammel van +rusting en wapenen klaterde en ratelde op in den overdadigen +zonneschijn. Zij waren prachtig, alle tien dravende, hunne zilververguld +glinsterende, metalen silhouetten op de forsche, zware, omhoesde rossen +krachtig duidelijk in het trillende, neêr vloeiende licht van den noen. +Rondom hun weg stormende vaart golfden de schapen, schreeuwden de +herders en scheerden de verschrikte zwaluwen.... + + * * * * * + +Toen onstuimig de tien ridders van Tafel-Ronde, na een hevigen rit over +vlakten, door bosschen, tusschen moerassen, langs wegen en langs +omwegen, aanstormden over heide en weide en den koningsburcht van Endi +kregen in het gezicht, zagen zij, werkelijk, als de herders hen hadden +doen denken, een schouwspel, dat hen verbaasde. Want een ontzaglijk heir +lag gelegerd wijd rondom den burcht heen; de groote tenten en +pauwillioenen waren in dichte massa op geslagen; er waren groene, +blauwe, en roode, en de gouden arenden van Noordhumberland blikkerden op +alle de tentepunten tegen het groen van de bosschen of tegen het blauw +van de lucht. En toen de ridders zagen het heir, zoo groot, zoo breed, +zoo lang rondom den burcht van Koning Assentijn gelegerd, begrepen zij, +dat zij, tièn ende niet meer ende niet minder, het Groote Aventuur +moesten bestaan: het Groote Aventuur den burcht te ontzetten, omdat +Koning Assentijn toch bevriend was met Koning Artur van Logres, omdat +'s Konings Assentijns kleindochter, de princesse Ysabele--al wisten zij +haar ook verloofd aan dien zelfden Clarioen, die het Rijk van Endi was +binnen gevallen--de geliefde was van Gawein of van Gwinebant: daar waren +zij onder malkanderen niet zeker van maar zij wilden het uit hoofschheid +niet vragen, noch aan Gwinebant, noch aan Gawein. Zij wisten alleen, dat +zij tegen een geheel leger strijden zouden, zij met hun tienen slechts, +als echte wiganten, die zij waren. Nu ja, nu zij beter schouwden omrond, +handen voor oogen, want de ventaliën nog opgeslagen, zagen zij wel over +weide en heide, langs omwegen en wegen, tusschen moerassen, door +bosschen en over vlakten, aanstormen alle de onderhoorigen van Endi, +kleinere vazallen en serven: zij kwamen hun heer ontzetten maar de tien +wiganten lachten er om tegen elkaâr, want ter nauwer nood zouden die +dorpers en kaerelen, velen slechts gewapend met houweelen, spaden, +schoppen en stokken, de krijgsknechten bezig kunnen houden van Clarioen! +Zij beloofden malkanderen dus, onze ridders, met manwaarhede ende op +handslag, te strijden voor Koning Assentijn en voor de princesse +Ysabele, hoewel Sagremort even nog riep: + +--Maar wil zij nog koninginne van Noordhumberland worden of wil zij het +niet meer: dat is de vrage...... + +Waarop Acglovael schaterde, Ywein iets stotterde, terwijl Gawein zeide: + +--Mijne lieve gezellen, mart nog een wijle... Ziet, ik heb het Zwevende +Scaec gegrepen, ik heb de queste voltooid! Ik en durf niet met dit +kostbare pand in mijn artsoentassche ten strijde tijgen. Laat mij het +hier, bij dezen eik, begraven en sneef ik in de battalgië, zoo zal wie +van u negenen gespaard blijft, bij den rijken God van Hemelrijk het +Scaec uit delven en het met mijne trouwe en minne brengen den Koning +Artur... + +Zij stegen allen af; zij hielpen allen met de zwaarden een kuil te +graven; Gawein legde er het Scaec met de stukken in, breidde er +varenbladeren over; zij wierpen de kuil weêr vol zand; zij zwoeren er +boven hun riddereed bij de kruizen hunner zwaardgevesten; zij zaten op +en sloegen de ventaliën omneêr. En toen, met éen kreet, stormden zij los +in de richting, waar het vijandelijke leger lag voor de hoofdpoort van +den burcht, in het gezicht van den burchthof met de koningslinde, +waaronder Koning Assentijn gewoon was te zitten. Op alle de wallen van +den burcht, bij de poorten en de opgetrokkene ophaalbruggen wemelden de +ijzeren krijgsknechten, afwachtende den aanval en de baroenen van Endi +herkenden van af de barbekanen de tien Tafel-Ronde-ridders, die aan +kwamen stormen, zoo als zijzelven de baroenen herkenden en hen toe +wuifden en schreeuwden moed te houden; uit het grootste boograam zagen +de tien gezellen den Koning Assentijn spieden, terwijl zijne edelheeren +hem weêrhielden zich verder in het gezicht te wagen, in het bereik van +vijandelijke werpspies of pijl. Maar boven op de hoogste tinnen zagen de +tien, en Gwinebant en Gawein het eerst, wuiven iets wits: het was de +wijle van Ysabele; het was Ysabele tusschen den drom der edelvrouwen en +dienaressen; het waren alle de vrouwen van Endi, die daar boven de +belegering aan zagen, den strijd zouden durven aanzien en terwijl hare +eigene kreten slechts zwak den tien ridders toe klonken, nu die bewogen +de speren tot groet en tot bemoediging, weêrschetterde fel het gekef der +tallooze schoothondjes, die de edelvrouwen mede op dien hoogsten toren +hadden genomen, in hare armen, aan hare boezems, in hare schootplooien +van klêederen van sindaal en siglatoene, de blaffende hondekopjes +duidelijk te onderscheiden met felle oogjes en tallooze, zich heesch +blaffende zwart open keeltjes en over alle die vrouwen en hondjes +wapperde wijd-uit de groen-geluw-roode vaan van Endi...... + +Maar in het kamp van Clarioen, Koning van Noordhumberland, die booze +was, dat zijn ridder Lionel van de Schandekar bevrijd, de Kar zelve +onttooverd was, en die booze was, dat de Koning Assentijn hem door +boodschappers plotseling geweigerd had zijne kleindochter, de schoone +Ysabele, tot vrouw en tot koninginne--waren de tien Ronde-Tafel-ridderen +gezien! + + + + +HOOFDSTUK XXIX + + +Toen ging het er op los. De baroenen van Noordhumberland, die in hunne +tenten nog rustiglijk zaten te schaakspelen, maar gewapend, wierpen zich +op de rossen en reden de tien ridders te moet, terwijl reeds ontbrand +was strijd tusschen dorpers en serven, wijd rondom den belegerden +burcht. Maar Gawein ordineerde Bohort, Hestor, Meleagant en Galehot en +Lancelot ordineerde Sagremort, Ywein, Acglovael en Gwinebant en zij +weêrstonden den plotsen drang van zoo vele Noordhumberlandsche baroenen. +Bij Sint Michiel, wat waren daar goede zwaarden! En wat waren daar +blikkerende helmen ende bliksemende glaviën ende wimpelende ponioenen +geluw, keel, sinopel ende zilver, schitterend fel op elkaâr en tegen +elkaâr! En wat waren daar groote en sterke rossen: wel vijfduizend en +meer waren er om de bedrongene wiganten heen! Maar eer deze tien zich +zullen laten onterven des blijden levens, zullen zij menigen man doen +sneven, wees des gewes, gij allen, die dit lezen gaat! Hoe begeerig zijn +zij van elke zijde malkanderen op den velde te ontlijven! Halsbergen +ziet men ontmaliën en de schilden kwartieren! Bij Sint Jan, daar gaat +men houwen ende kerven; menig stout man moet er sterven, die dorst +genaken speerpunt of zwaardslag van een onzer tien! Ridderlijke +prouaetse doen zij er met hunne klaar gebruneerde zwaarden, die zwaaien +maar en die houwen maar en wie of het is--Gwinebant zoo jong en zoo +minziek; Acglovael, die altijd maar schatert; Ywein, die al houwende +niet stottert meer; Sagremort, die niet meer weifelt of twijfelt, +terwijl Lancelot hen aanvuurt ende ordineert--zij houwen de koppen en +armen af en die vallen er links en rechts, hier een kop, daar een arm, +bij Sint Michiel, wat armen en koppen! En ook de reus Bohort, die niet +meer dènkt aan Amoreuse-Garde, en Hestor, die heelemaal niet modest meer +is, en Meleagant, die nog dapperder wordt naarmate hij kleiner is dan +zijn tegenstander, en Galehot, die steeds gracieuselijk glimlachen +blijft, onzichtbaar die glimlach achter zijne ventalië, zwaaien de +zwaarden, klaar gebruneerd ende frotsieren ze met der vijanden schilden +en de Noordhumberlandsche koppen vliegen links en rechts en de +Noordhumberlandsche armen vallen, her en der! Maar Gawein, die is als +een lioen! Gawein, die doet als de liebaert! Gawein, die slaat de +Noordhumberlanders ter middele in twee; mannen en paarden verslaat hij +en velt ze over hoop! Nooit zag wie ook zulk een geloop en hoorde wie +ook zulk geschal en zulk geschetter en zulk gekletter en zulk geklank! +Als de zeis maait de halmen, zoo maait Gaweins zwaard de gehelmde +hoofden en ontzet is wie het ook ziet! Met vingeren wijzen allen naar +hem, naar Gawein, den koene, die, zwaard vlug in scheede, de +Noordhumberlanders met de speren dwars door de lijven steekt en ze dan +hoog uit den zadele licht en uit werpt, links, rechts, over den grond! + +Daar is niet tegen te strijden, tegen tien ridderen van Tafel-Ronde! +Daar is niet tegen te asselgieren, dat ziet zelve de oude Koning, de +kwade Koning, de slechte Koning, de Koning Clarioen van Noordhumberland, +die er nog een schandekar voor zijn ridders op na hield; de Koning +Clarioen van Noordhumberland, die meende, dat iedere ridder stond hem +naar zijn leven en kroon; de Koning Clarioen van Noordhumberland, die +wenschte een oir te verwekken bij de zoete princesse Endi's, Ysabele, +die schoone! Neen, daar is niet tegen te strijden, zelfs niet met +duizenden, want de tien Ronde-Tafel-ridderkoppen schitteren steeds +goud-en-zilver gehelmd boven uit die allergruwbaarste mortorië en rondom +hen zwieren de koppen de halzen af en vliegen de af gebouwene armen +rondom! En het groene gras ligt bedauwd met het roode bloed en overal +waar de tien komen te hoope, doen hunne tegenstanders een bittere +joeste! Tot te wijken beginnen de duizenden, terug naar de pauwillioenen +en tenten toe, tot de tenten bezwijken en neêr slaan als schepezeilen op +woeste zee in stormgeweld, tot de booze Koning, Clarioen van +Noordhumberland, vloekende Sint Jan en Maria's Kind, God van Hemelrijk, +vloekende zoo, dat duivelen en demonen hem al in de gaten krijgen--zich +hijscht op zijn zwaar gepantserde ros en, te midden zijner laatste +baroenen en ridders en na gedrongen door geheel zijn verslagen +legertros, het op een radeloos draven zet, het foreest door, het moeras +door, de vlakte over, dravende, dravende, dravende voor zijn onzalig +leven... + +Dapperlijk hadden ook de baroenen van Endi en hebben de dorpers met +hunne spaden en houweelen mede gevochten en de overwinning +was--Sagremort twijfelde er niet aan!--ten jonste van die van Endi. Het +was tegen het einde des dags; koperkleurig en rood zonk de zon, hare +laatste schijnen geverfd als met bloed, als na stralende met de laatste +schichtingen van het geweld der wapenen. Het veld lag bijna al te male +bedekt met dooden en met paarden en de baroenen bevolen den dorpers die +te ruimen: dat zoude wel dagen duren en nachten eer zoo vele +verslagenen, ruiters en rossen, zouden zijn ter aarde besteld in het +rond. De tien Ronde-Tafel-ridders verzamelden zich met de baroenen en +reden den burcht te gemoet, van waar op de tinnen wuifden de edelvrouwen +hare wijlen en keften de schoothondjes en justement toen de baroenen en +ridders de eerste neer gelatenen ophaalbrug wilden over rijden, trad de +huispaap uit met zes koorknaapskens; hij bracht op des Konings +Assentijns bevel het Heilige Sacrament der Stervenden op het slagveld en +bidden zoude hij voor alle zondige zielen, die daar in den schemeravond +aarzelden de veege monden uit te gaan, omdat de felle duivelen met +gloeiende oogen zekerlijk uit loerden in de vallende schaduwen, om hun +spel met de arme zielen te drijven en met ze te sollen als met ballen. + +En toen de baroenen en ridders den paap eerbiedig lieten uit gaan met de +zes knaapskens, die al van vigeliën zongen, bekruisten zich de dappere +wiganten en reden toen binnen, alle de bruggen over, alle de poorten +binnen en zij werden met groot gejuich ontvangen op het burchtplein; +daar viel al de nacht maar het was er licht van de vele toortijtsen en +de koning Assentijn stond er onder de linde op zijn troon en ontving met +open armen Gawein; dien drukte hij aan zijn hart en hij zeide, dat alles +vergeten was van vroeger, alle wrok en nagepeize, over de eerste +Ysabele, die Gawein had ontvoerd en over de vierwerf twintig man, die +hij Destijds aan elk der twaalf poorten verslagen had. En ook Lancelot +omarmde de Koning en ook Gwinebant en ook Sagremort en ook Acglovael... +wat zal ik het maken zoo lange? Hij omhelsde alle de tien ridders, de +valiante Tafelgezellen van Koning Arture, die hem tot soccoers waren +gekomen en hij was blijde zijne goede baroenen terug te zien, die +knielden voor hem neêr op een knie en hij prees ze om hunne vele koene +fayten van heldewapenen. En toen trad tusschen de edelvrouwen--maar de +Koning had streng bevolen alle de schoothondjes op te sluiten, om het +plechtige instant niet te storen--Ysabele naar buiten: zij was--meende +Gawein en Gwinebant meende het ook--in haar witte kleed van sindaal met +hare gouddraad-gelijke vlechten, een engel gelijk, zoo blank en zoo +glanzend in dien den walm uitstralenden gelen gloed der toortijtsen en +zij bedankte de ridders ook met hare eigene zoete sprake en toen zij +bogen voor haar, ontroerde het in ieders binnenborst, omdat zij +gevoelden gezworenen ridderplicht wel te zijn na gekomen en, met Sinte +Marië's hulpe, zoo zoete princesse te hebben verlost met, te gelijker +tijd, zoo vele bekoorlijke edelvrouwen... + +De ridders en baroenen, die gewond waren--want zekerlijk, er waren er +wel, die een schram of een buil hadden opgeloopen--er werden er zelfs +van het slagveld binnen gedragen--gingen bij drieën en vieren in het +wonderbed liggen: dat was, al was het door Merlijn niet gewrocht, een +werkelijk harde goed wonderbed--in iederen burcht stond immers dezer +dagen zoo een wonderbed als Destijds alleen bij Koning Mirakel stond. En +na één of twee of drie uren--dat hing van de wonden af--zouden zij zijn +genezen... Maar intusschen hadden om den Koning en de schoone Ysabele de +tien Ronde-Tafel-ridderen en de baroenen en de edelvrouwen gegeten en +gedronken, tam ende venizoen, clareyt ende pigment-wijn en de vinder, +met zijn veêler, had dadelijk den veldslag bezongen. Niemand hoorde er +echter veel naar; het was laat in de nacht en de ridders waren wel moê +van den strijd en de Koning ook, maar de princes Ysabele niet, want toen +de baroenen en edelvrouwen, na groet voor den Koning, de zale waren uit +getogen om ter ruste te gaan, nam Ysabele haar grootvader bij een punt +van zijn hermelijnen kraag en zeide, haar hoofdje oprichtende, en de +tien wiganten hoorden het wel: + +--Mijn wellieve Grootvader en machtige Prins! Dat is nu alles harde wel; +wij van Endi hebben gezegevierd en die van Noordhumberland zijn zonder +twijfel verslagen. Maar nu wij booze zijn met dien schalk van een +Clarioen en die schalk van een Clarioen booze is met ons van Endi... +welken Koning, bij hare trouwe, zal Ysabele huwen, mijn wellieve +Grootvader en machtige Prins?? + +--Zoet kleindochterlijn, zeide Assentijn een weinig verstoord, terwijl +Ysabele's hoofdje zich streelde tegen den watten, witten baard van den +Koning; wees des gewes: uw huwelijk zal eene zake zijn van groote +internatie-lijke politiek en ik en waag dat zoo niet voetstoots +beslissen maar... zelfs zoo gij geen Koning en huwt, mijne roze, zult +gij wel eenmaal koninginne wezen over Endi als ik ter eeuwige ruste ben: +zoo wees zonder zorg en gaan wij ter ruste... En praten wij morgen daar +nog wel van... + +Toen, omdat de Koning Assentijn lang en harde wijd gaapte na zoo +vermoeienden dag van vele beroeringen om beleg en krijgskans en +ongedacht snelle ontzetting zijns burchts tegen zonsondergang, neeg +Ysabele voor haar grootvader, die haar kustte op het voorhoofd, neeg +zij, als een lelie, voor de tien wiganten, die hoofsch haar groeteden en +zij fluisterde tot Gawein en tot Gwinebant, met een zoeten blik tot elk: + +--Hoe het ook loope, mijne lieve wiganten, welken Koning Ysabele ook +huwe en waar zij ook koninginne worde, twee ridderen als gij zullen haar +immer welkom wezen, zoo gij haar hoofschelijk trouw blijft... + +Na een uur sliepen allen in den kasteele. + +En droomde Ysabele van Gwinebant. + +En droomde Gwinebant van Ysabele. + +Maar Gawein, plotseling, werd wakker... + +En hij zag uit het raam... + +Hij zag over het nog lijk-bezaaide slagveld... Wijd lag het daar +tusschen burcht en foreest... En het was of hij witte nevelen zag +dalen... En wemelend weêr stijgen... + +Of hij gloeiende oogen uit schaduwen zag loeren. En weder dooven... + +Als van sluipende demonen...... + +Het was of hij engelen, heel zacht, vigeliën hoorde zingen voor de vele +dooden... + +En hij wist niet meer of hij gelukkig was of ongelukkig, omdat hij +Ysabele's blik benijdde naar Gwinebant, den welschoonen knape, van wien +hij ijverzuchtig werd... + + + + +HOOFDSTUK XXX + + +Dien volgenden dag, voor dage ende dauwe, stond Gawein op, aan het +begravene Scaec gedachtig, verliet den burcht, terwijl de schildwachten +met eere hem de poorten door lieten, en kwam buiten, op den weg en op de +vlakte, waar de slag was geleverd. En hij zag reeds de dorpers bezig met +de verslagenen te begraven; voor velen hadden zij reeds een kerkhof +gemaakt, op de heide en tusschen de plassen, die moerassig daar lagen +aan den rand van het foreest. En toen hij de gravers zoo bezig zag, +vreesde hij voor het Scaec, dat zij misschien op zouden graven en denken +een schat, en betreurde hij het niet gisteren reeds, trots het late uur, +te hebben gehaald. Maar de gedachte troostte hem, dat het toch niet weg +zweven konde, omdat het toch harde te-broken was. Hij liep langs het +veld, tusschen vlakte en woud en stelde zich dra gerust: waar hij met de +gezellen was afgestapt en het Scaec had begraven, was niet gestreden +geworden en hij vond den eikenboom aan welks voet hij het Scaec bedolven +had onder de aarde. Hij dolf met den dolk den grond weêr op en +werkelijk, daar lag het Scaec, maar, o wonder, zoodra Gawein het +ontdekte van de aarde, die het bedekte, verhief het zich... de stukken +voegden zich met tooverië ter plaatse, waar zij hadden gestaan sedert +Koning Artur er de onvoleindigde partij had gespeeld en het Scaec, dat +scheen door de gnomen met wel goede reparatie te zijn hersteld, verhief +zich, een vogel, zoo luchtig, gelijk. En Gawein schrikte hevig, +bevreesd, dat het hem ontsnappen zoû en in zijn schrik sloeg hij beide +handen uit en greep er naar... vlak voor zijn oogen... greep er naar als +hij naar een vlinder gegrepen zoû hebben. Maar het Scaec zweefde luchtig +weg, om Gaweins hoofd, als plaagde het behaagziekjes hem en bleef toen +boven hem brommen met zijn stadig gesnor als van een grooten hommel. +Toen sloeg Gawein wederom de twee handen omhoog en hij greep nu het +Scaec... En de gedachte schoot door hem, dat het zich wel lièt vangen, +want dat het best tijd hadde gehad hoog weg te zweven, zoo het gewild +had. Hoe dan ook, Gawein had weêr het Scaec; het brommelde en trilde in +zijne handen, terwijl hij er henen keek en zich verwonderde hoe het weêr +heel scheen: een harde schoone Scaec was het toch met de juweelen velden +van agaath en chalcedoon en met de gouden en zilveren, zoo cierlijk +gedrevene stukken! Hoe blijde was Gawein het eindelijk te hebben, het +eindelijk naar Koning Artur te kunnen brengen! Niet lange zoû hij marren +te Endi, bedacht Gawein, terwijl hij met groote schreden burchtwaarts +keerde: zoo spoedig mogelijk zoû hij keeren tot Camelot maar het liefst +zoû hij keeren met het Scaec èn met Ysabele, als zijne zoete bruid! Zoo +als hij tien jaren geleden ook tot Camelot gekeerd was, met Scaec en +Jonkvrouwe beiden, lace, zijne eerste Ysabele, die verscheiden was met +Sinte Marië's gratië... + +En binnen komende, tusschen de wachten, poorten door, bruggen over en +eindelijk weêr in zijn kemenade terug, meende hij, het zoete Geluk +lachte hem toe, het naderde hem: Koning Assentijn was hem nu wèl te +moede, wrokte niet langer den bevrijder, die hij geworden was na eenmaal +de belager en schaker te zijn geweest en dit maal zoû Ysabele hem wel +met grootvaders wille vergezellen en zoo zij koninginne wilde wezen, +voor zij nog heerschte over Endi, welnu, bij Sint Michiel, een +koninkrijk zoû hij veroveren haar, al zoude het zijn bij Paris of zelfs +bij Rome! + +En het glansde in zijn wiganteziel van zaligheid, terwijl hij het Scaec +neêr zette op de tafel en den vinger ophief, als dreigde hij het, mocht +het aan wegzweven denken. + +Maar rustig bleef het staan en het schitterde in een zonnestraal en het +was zóó schoon... Wat was alleen die knop, die ter zijde uitstak als een +witte jochant? Gawein tastte aan den knop, werd zich bewust, dat het +juweelen knopje kon draaien.... hij draaide er aan en wond en wond op, +nieuwgierig en plots.... zie!... daar verhief zich het Scaec in de kamer +en zweefde! Gawein stortte naar het opene venster, sloot het haastig, +bevreesd, dat weg zoude zweven dat duvelsche Scaec en te gelijker tijd +zag hij beneden, langs de gracht, langs de zonnebloemen, in den +stralenden zonneschijn, wandelen zijde aan zijde, hand aan hand, Ysabele +en Gwinebant! Hij vergat er om het Scaec, dat trilde snorrende tegen de +zoldering... Nu sloot hij spoedig het raam en herinnerde zich spottende +Keye's raad: bind er een draad omme, Gawein, zoo gij het vangt...! En +Gawein, werkelijk, zocht een stevigen draad en bond dien om het Scaec, +tusschen de stukken door en bond het Scaec vast aan een luchterring in +den muur en rondom de tafel en het stond na trillende nog, zoo gebonden, +stil. Nu opende weêr Gawein het venster, zag uit: Ysabele en Gwinebant +zag hij niet meer... En hij zette zich, hoofd in hand, elleboog op knie +en dacht na en herinnerde zich: Ysabele had toch hem verzekerd, hèm had +zij lief met zoete minne en niet Lancelot en niet Gwinebant... Hèm had +zij lief... Hem zoû zij haar ridder hebben gekozen, wellicht wel mèt +Gwinebant... als zij Koning Clarioen had getrouwd... Maar nu zij Koning +Clarioen niet trouwen zoû... hoe had zij nu Gwinebant lief? Liever dan +zij Gawein lief had? Het duizelde van denken in Gaweins arme hoofd en +hij voelde zich o zoo naijverig worden van Gwinebant, dien hij toch zoo +minde, den schoonen knape, jongsten aller ridderen van Tafel-Ronde, +Gwinebant, die hem zoo trouwe--maar aan Ysabele?--verlost had uit de +Valleie der Ontrouwe Ridderen; Gwinebant, dien hij op zijne beurt +verlost had van de Schandekarre; Gwinebant, dien hij gunde van al zoet +geluks. Wel, zoo hij, Gawein, nu zoete Ysabele's gemaal ooit +werd--Koning Assentijn kòn hare hand niet weigeren den valianten +bevrijder van Endi--zoû hij, Gawein, dan dulden, dat zij Gwinebant tot +ridder er bij koos? Gawein schudde woest het hoofd van neen en hij wrong +de handen en wist niet meer, in de overpeinzingen, die Vrouwe Venus +kweekt in hoofd en hart der arme stervelingen, om hen te plagen en +waartegen geen heilige, zelfs Sint Michiel niet iets weet te doen. + +Koning Assentijn vierde die maand met groote feesten de tien dappere +ridders van Tafel-Ronde en toen hij vroeg aan Gawein wat hij hem geven +konde om zijn dank en aller dank van die van Endi hem te betuigen, +aarzelde Gawein niet langer en vroeg hij, blozende maar luid-op, trots +alle de moeilijke overpeinzingen, die hem hadden bedrongen, om Ysabele. + +En Koning Assentijn stond Ysabele toe als bruid aan haar oom, Gawein. + +--Bij Rome of Parijs, o Ysabele, mijne schoone, zal ik u koninkrijken +winnen! juichte Gawein. + +Ysabele legde zoet lachende, de ronde scheelen neêr geslagen, haar wit +handekijn in Gaweins ridderlijke palm en er was gezang van knapen om +hen heen en zoet luidende muziek van snaren. + +Maar Gwinebant, dien avond, bij de roode-rozenstruiken klaagde tegen de +starren zijn wanhoop uit als een nachtegaal, die van liefde zal sterven. +Ysabele, die hem had zien verwijderen uit de burchtzale, zoo bleek en +bedroefd, was hem na geslopen en zij naderde, wit als een engel, in den +nieuwen maneschijn. + +--Gwinebant! riep zij. Wat klaagt gij? En wat snikt gij, mijn Gwinebant, +als die gone, die geen raad meer en weet? Is het, omdat Gawein mij zal +huwen in steê van den Koning Clarioen? Maar hadt gij mij dan liever +Clarioens wijf gezien, wijf van dien ouden schalk met de Schandekarre? +Gwinebant, mijn lieve, lieve Gwinebant, dien ik zoo minne, dat ik u +iedere nacht droom in mijne droomen, wilt gij dan niet gelooven, bij +mijne trouwe, dat het best is, dat ik Gawein huw? Zekerlijk, hadde ik +dien Clarioen gehuwd, ik hadde Gawein en u, mijn zoete Gwinebant, mede +genomen naar Noordhumberland, als mijne twee ridderen... Maar nu ik niet +Clarioen huwe, maar Gawein zelven, nu klinkt het toch als een klokke +klaar, dat ik u, Gwinebant, als mijn ridder zal nemen. En dat gij mijn +amijs zult wezen, zoo als Lancelot is de amijs van koninginne Guenever, +die schoone! + +--O Ysabele! Edoch Ysabele! riep Gwinebant en wrong de armen tegen de +roode-rozenstruiken. Gij en weet niet wat een amijs is! + +--En weet ik niet wat een amijs is? glimlachte Ysabele. Ik weet harde +wel wat een amijs is en Gwinebant mag niet ijverzuchtig zijn van Gawein, +want Ysabele heeft Gwinebant toch altijd het meeste lief, maar toren en +verdriet wil zij Gawein nimmer doen, die zouden hem wel den dood kunnen +brengen, die hem nimmer nog dreigde van battalgië of Aventure... + +En zij sloeg hare armen om Gwinebants ronden knapenhals en kuste hem, +lang, zoo dat, dronken, Gwinebant niet meer wist hoe te denken en hoe te +doen in zoo moeilijke kwestië-van-minne, waarover in hof-van-minne wel +lang dispuut zoû te houden zijn, tusschen hoofsche ridders en +edelvrouwen. + +Gawein, dien dag daarop, ook verward door Vrouwe Venus en haren zoon, +zocht--toen hij in den burchthof, waar de ridders hulde hadden gedaan +aan Koning Assentijn, die zat onder de linde--Gwinebant. Die liep met +Lancelot, wien hij zijn hartsverdriet had toe vertrouwd. En justement +wilde Gawein, hoewel hij des woords niet heel zeker was, vrijelijk +vragen aan Gwinebant, of hij Ysabele minde en hoe en of Ysabele die gone +was, wie hij reeds lang zoo trouwe was, dat hij met Lancelot samen hem, +Gawein, had kunnen verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridders... Maar +op dit oogenblik, terwijl wemelde de burchthof van de baroenen en +ridders en edelvrouwen, ratelde hoog in de lucht een razend gesnor aan +en zagen allen een wijd-uit blauw gevleugelden fenixvogel aanzweven over +de bosschen, over de vlakte, toen cirkelen boven den burcht, om in +snelle zweefvlucht te dalen op het ronde en open plein. Allen liepen toe +met juichen en jubelen om Merlijn te verwellekomen; haastig stapte hij +uit; jong was hij nog, nu, tegen den noen en vol jeugdigen zwier groette +hij den Koning Assentijn, zeide hem van Koning Arturs liefde maar riep +dadelijk daarop: + +--Wellieve heer en en zoete gezellen en valiante wiganten! U allen ook +breng ik, als aan den Koning hier, liefde van onzen Koning Artur, maar +lace, wees des gewes: allergrootst dangier dreigt Camelot en ik roep u +allen toe: òp, tot soccoers! + +Heftige ontroering doorvoer de tien ridders van Tafel-Ronde en met de +baroenen van Endi drongen zij om Merlijn, terwijl de Koning Assentijn +beval de mede ontroerde schoothondjes, die begonnen te keffen, zwijgen +te doen: tal van pagiën grepen de keffertjes in de armen en spoedden er +ijlings meê heen. + +--Weet, riep luide Merlijn; dat Clarioen van Noordhumberland vertoornd +is op ons allen van Camelot, omdat gij, mijne gezellen, Endi hebt ontzet +en wel groote mortorië hebt aangericht onder zijne wiganten! Weet, dat +hij een machtig heir heeft verzameld na zijne nederlaag en met dien òp +tijgt naar Camelot, om wraak te nemen op Koning Arture en dat onze heer +mij zendt om u allen toe te roepen: mart niet maar òp, tot soccoers! + +--Spoedt u, lieve heeren ridders! riep Assentijn. Spoedt u tot uw +Koning, spoedt u tot Camelot en gij, mijn baroenen, spoedt u met zoo +lieve vrienden mede: òp tot soccoers! + +--Ik spoed mij met u allen! riep Lionel, de Noordhumberlander +Karreridder. Want trouwe zwoer ik sedert aan Koning Assentijn! Òp, tot +soccoers! + +--Òp, tot soccoers! riep helle uit Ysabele; zij stortte tusschen de +ridders en de baroenen in. Sedert Clarioen, die mij koninginne van +Noordhumberland zou maken, zulk een oude schalk bleek, vol blaamweerdige +bastaardieën, zult gij, alle mijne heeren ridderen en baroenen, hem +bestrijden, ter eere van Logres, ter eere van Endi! + +--Ter eere van Logres, ter eere van Endi! riepen alle de ridders met +groot enthoeziasme.... + +Maar Gawein naderde Ysabele... + + + + +HOOFDSTUK XXXI + + +Ysabele! riep Gawein. Mijn Koning ga ik ontzetten, het Scaec zal ik hem +brengen, want gevaen heb ik het en vast gebonden aan een draad; maar als +ik terug kom... wilt gij, o zoete en schoone, dan de mijne zijn? + +--Ja, ik, Gawein! riep Ysabele en zij rukte zich eene harer lange, witte +mouwen af en bood die in vervoering Gawein. + +Gawein nam de mouw, kuste die en snelde weg om zich te wapenen. + +--Ysabele! riep Gwinebant. Gij zult Gaweins wijf zijn, maar ik, die u +minne, zal sterven, in den oorlog voor Camelot, die vangt aan. + +--Ik en wil niet, Gwinebant! riep Ysabele, die schoone; dat gij sterven +zult! Gij zult leven en overwinnen, om mijne minne! + +En Ysabele scheurde zich hare andere mouw af en bood die Gwinebant. + +Hij kuste de mouw en snelde weg, om zich te wapenen. + +In hevigst gedrang snelden alle de ridderen meê en riepen den garsoenen +de rossen te zadelen. + +Maar plotseling hielden zij stand. + +Op den drempel van de poort was de oude Koning Assentijn verschenen, in +volle wapenrusting. + +Alle de ridders en de baroenen schrikten hevig. + +Maar de Koning riep: + +--Wiganten gij en baroenen! Mijn arm is oud en beeft maar mijn oude kop +is nog harde abel! En ik zal uwe prouaetse leiden en ik zal uw heir +ordineeren, om mijn vriend, Koning Assentijn van Logres, in zijn burcht +van Camelot te ontzetten. Weet wel, dat ik het nimmer eens met hem was, +zoo iederen dag te marren met noenmaal of vesper, tot Aventuur zich zoû +voor doen. Maar niet is dit reden om te vergeten, dat vriendschap mij +bindt aan hem en alles, dat zijns is: zijn rijk en zijne edele ridderen! +Baroenen, gij en wiganten: òp, tot soccoers! + +Een daverend gejuich ging door de dichte rijen; overal op tinnen en +barbekanen verschenen de burchtgenooten om den Koning gewapend te zien. + +--Op, tot soccoers! riep Ysabele, die schoone, weêr. Mijn heere Koning +en Grootvader, zoo gij Zelve ten oorlog mede tijgt, trots uwe grauwe +haren, zoo wil ik, uwe kleindochter, niet marren in dezen burcht en met +u gaan en met mij zoo velen dezer edele vrouwen als maar meenen kracht +te bezitten te aanzien het tornooi, dat is werkelijkheid! + +De Koning was het niet met Ysabele eens. Maar er was geen houden meer +aan. Alle de ridders en baroenen juichten en het gejuich daverde tegen +de ruige, rosse wanden des burchts. Vele edelvrouwen voegden zich bij +Ysabele: zij zouden om den Koning en de princes, met de legertros, in de +achterhoede blijven en der vrouwen aanwezigheid, om hun vorst heen, zou +de ridderen van Endi en van Tafel-Ronde onoverwinbaar maken. + +--Wapent u, vrienden! riep Merlijn, die reeds opsteeg in zijn fenix. +Garsoenen, zadelt de rossen! Wapenknechten, grijpt de spiezen! De tijd +dringt! Wel heb ik mijn gnomen bevolen met prikkelige tooverdraden, door +het foreest gespannen, Clarioen tegen te houden, maar de tijd dringt, de +tijd dringt! Ik ben, ofschoon toovenaar, maar die gone, die mensch is +als gij! + +Allen drongen den burcht in, om zich te wapenen. De garsoenen geleidden +reeds, gezadeld, het prachtige strijdros des Konings voor... + + * * * * * + +Op den hoogsten toren van Camelots koningsburcht was de koninginne +Guenever met hare vrouwen gestegen, in grootste wanhoop en radeloosheid. + +Want het machtige heir van Koning Clarioen van Noordhumberland, die +harde gram was op Koning Artur en op zijn eerste twaalftal +Ronde-Tafel-ridderen, verscheen, reeds door vluchtende vazallen, +dorpers, herders gekondigd, rings-om-rond aan den horizon, over de +vlakte zichtbaar, voor zoo ver van den hoogen toren de oogen konden +weiden ten Noorden en ten Westen beiden. En Guenever, tusschen hare +vrouwen, wees met een wijden boog van haar bevenden lelievinger, de +wijde schare, die, met een telkens opblikkeren van wapenen en schilden +en helmen, waaraan de bleeke herfstzon sterren ontvonkte, daar, heel in +de verte, overwaasd door verren mist en vochtigen najaarsnevel, +verscheen. De zon streed met de nevels en misten en telkens vonkten die +naderende sterren op en Guenever meende, zij hoorde reeds, angstig +tusschen haar angstigen vrouwendrom, de hand aan het oor, het aandraven +der vijandelijke ruiterijen... + +Beneden lag de koning Artur ziek en Keye, de drossaet, hinkende, kwam +hem juist den drank brengen, dien hij zelve bereid had, brommende op +Guenever, dat zij haars gemaals ziekbed had verlaten, om naar boven den +toren op te loopen. Hij spotte over de echtelijke trouwe van de +"fonteyne aller schoonhede", die zeker boven uit zag naar Lancelot, haar +amijs en waar hij bleef met de negen anderen--sinds Didoneel en Mordret +twee feloenen waren gebleken, was, lace, het eerste twaalftal niet meer +twaalf...--om Camelot, dat belegerd zoû worden, te ontzetten. En +hijzelve, mank en scheel en steeds bitter om al wat het Lot hem niet had +gegund--nooit Wonder, nooit Aventuur, noch wellicht Liefde zelfs, hem, +Keye, den Spotter,--spotte zelfs nu en riep tot den kranken Koning, die +zich kreunende hief van de sponde, om den drank te drinken: + +--Drink, lieve heer Koning, drink wat uw drossaet u biedt om u genezen +te doen want weldra nadert Aventure en Wonder: dat is Clarioens +heirmacht en dat al moet gij toch gezond ontvangen, gezeten aan +Tafele-Ronde, met uw twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridderen, nu de oude zoo +lange marren! Drink, lieve heer Koning, drink! + +Maar de oude, zieke Koning, op den elleboog leunende en drinkende de +schaal uit, kreunde: + +--Keye, dat gij toch ontberen wilde van zoo kwade scherne te drijven met +uwen armen Koning Artur, die hier ligt krank van weemoed om de dagen van +Destijds, toen zoo vaak, voor noen of voor vespermale ridderlijk +Aventuur zich kondde! Zwevende Scaec of Bloedende Speer; Ridder op Kar, +die verlost moest worden of belaagde damosele! Ach wi, ach wacharme, +Keye, terwijl mijn eerste twaalftal--ach wi, ach wacharme, sedert +Mordret en Didoneel feloenen bleken, moet ik wel zeggen: tiental--zoo +lang toeft te keeren tot Camelot en ik van berouwe smacht, dat ik Gawein +gedrongen heb te gaan op queste van een tweede Scaec, dat wellicht een +onzalig duvelsche Scaec blijkt en hem tot verderf zal brengen! + +Maar Keye hoorde al niet meer; hij luisterde aan de wenteltrap naar de +kreten der angstige vrouwen boven en hij meende, naderde vernietiging +voor Camelot en dood voor alle burchtzaten, bij God van Hemelrijk, hij +zou niet dat onridderlijke leven betreuren maar het gaarne verwisselen +voor goede plaatse in Paradijs, waar hij zeker seneschalk zoû worden bij +een der heiligen, Sint Michiel, Sint Jan, als vergoeding voor alles wat +hem op aarde onthouden was. + +Intusschen stonden de twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridders bij de poorten +en op de barbekanen in volle rusting op wacht, te midden van duizenden +wapenknechten, die zich schaarden over de wallen om Camelot te +verdedigen. Hunne namen klonken met sonore, Keltische klanken; hunne +zielen waren nog meer van twijfel vervuld aan Wonder en Aventuur dan der +tien eerste ridderen zielen, maar zij waren, wees des gewes, o lezer, +valiante wiganten en onoverwinlijke lioenen en zij zouden Camelot en den +Koning, Arture, en hunne zoete vrouwe, de koninginne Guenever, +verdedigen, tot den lesten droppel bloede, die vloeide... + +En de wijde, halve kring van Koning Clarioens machtige heir naderde en +naderde dichter, nu het tegen den noen ging en Guenever, op den toren, +tusschen hare vrouwen, op de knieën gezonken, luide bad tot Sinte +Marië's Kind, God van Hemelrijke ende tot Sint Michiel om haar te hulpe +te komen. Dat de twaalf nieuwe ridders wel hoorden en dat hen nu niet +zoo zeer aangenaam stemde, want zij gevoelden zich te kort gedaan in +haar vertrouwen... Het geen zij haar echter wederom vergaven omdat zij +vooral naar Lancelot verlangde, dien zij in dagen en weken niet meer had +gezien... + +Maar plotseling snorde er door de herfstlucht, die opgoudde, snorde er +boven de foreesten, die koper en purper gloeiden van het vallende +herfstgeblaârte, het welbekend gebrom aan, dat zoo wel kleintjes +rommelde in Zwevende Scaec als machtiger drommelde in Vliegende Fenix, +en Guenever zag Merlijn aan komen zweven; hij zweefde rond hoog boven +haar hoofd en riep haar toe: + +--Mijne schoone koninginne, zeg mij: wilt gij, dat ik dale, als een +zwaluw, op de tinne van uw toren? Ik zoude u dan, o Guenever, mede +kunnen voeren naar mijn kasteel, waar gij veilig zoudt wezen voor +Noordhumberland, maar ik zegge u zonder sparen: Lancelot en Gawein en de +anderen en Koning Assentijn mede met machtige heirmacht ijlen door de +foreesten en over de vlakten toe om Camelot te ontzetten en zelfs +vergezelt de princes het heir, Ysabele, die schoone, tusschen alle hare +vrouwen, te peerd, alsof het de jachte maar gold! Zeg mij, wilt gij, dat +ik dale? + +--Nadert Lancelot? riep Guenever in hooge vervoering. En naderen Gawein +en de anderen? Nadert zelfs Koning Assentijn en nadert zelfs de +princesse Ysabele? En zoude Guenever versagen? Neen, Merlijn, zij en +versaagt niet meer, nu Lancelot haar ontzetten komt! Te Camelot, wees +des gewes, blijft Guenever! + +Een juichende roep van bijval donderde op naar de koningin: het waren de +twaalf nieuwe ridders, die haar toe juichten, ook al bevroedden zij, dat +Guenever Lancelot alleen meer vertrouwde dan hen twaalven! Maar zij +juichten desniettemin want vonden het wel vol lof, dat Guenever niet +vluchtte op de fenix.... + +--Maar wellicht, riep Guenever; o Merlijn, wil de Koning op de fenix +vlieden? + +--Zoo vraag het snel! riep Merlijn, rond cirkelend boven de hoofden der +vrouwen, waarvan er wel eene enkele had meê willen gaan, al ware het +alleen maar om den aanstaanden strijd van uit de wolken te aanschouwen. + +--Keye! riep Guenever tot Keye, onder aan de wenteltrap. + +--Heer Keye! Heer Keye! riepen de vrouwen. + +Keye riep vragende wat er was. + +--Vraag den Koning, riep Guenever; of hij Camelot wil ontvlieden op +Merlijns blauwen fenixvogel.... + +De vrouwen luisterden aan de trap. + +Maar weldra riep mopperend Keye terug: + +--De Koning en wil niet, Guenever! Hij is bang duizelig te worden zoo +hoog met de fenix te vliegen maar hij en is niet bang in zijn burcht te +midden van zijne ridderen en beidende de ridderen, die komen! + +De vrouwen riepen het Merlijn toe naar boven.... + +En riepen het den ridders en wapenknechten toe naar beneden. + +En een donderend gejuich klonk rondomme. + +--Zoo ga ik! riep Merlijn en hevig snorde de fenix en ontslaakte een +azurigen damp van vreemd zoete roken. Van nut en noode ben ik niet meer +in dezen oogenblik maar ik keere, zoodra ik het wezen kan. Goeden moed, +o koninginne! Goeden moed, mijn valiante, nieuwe ridderen! Goeden moed, +allen! + +En Merlijn snorrende en te mid van azuren dampwolken, die zijn enghien +ontblies van voren en slaakte van achteren, uit vogelekop en staart, +steeg hoog, hoog de gouden herfstlucht in.... + +De vrouwen zagen om en op en om zich rond. + +--Ziet!! wees Guenever plots naar het foreest, waar het zich tusschen de +vallende bladeren verklaarde in opener verschieten en windenden weg. O +ziet, daar naderen zij! Daar nadert mijn Lancelot!! + + + + +HOOFDSTUK XXXII + + +En werkelijk, daar naderde groot stampeide van rossen en geblikker van +wapenen en geschitterstarrel van schilden en daar naderden de tien +wiganten, die schenen wel een drom van ridders, zoo zwaar en breed +vertoonden zij zich op hunne zware en breed omhoesde rossen.... Gawein, +Lancelot, Gwinebant.... Bohort, Hestor, Meleagant.... Acglovael, Ywein, +Sagremort en Galehot en achter hen, tusschen zijn baroenen, naderde oude +Assentijn, ontzagwekkend de grijsaard te paard en daar achter naderde +het leger en de vele vlaggen en wimpels aan de ponioensperen fladderden. +Maar ook over de vlakte was de halve cirkel van Clarioens heirmacht +genaderd, klaarblijkelijk met het doel Camelot te omsingelen, maar het +was niet van de torens te onderscheiden wie de grootste heirmacht wel +was: die van Clarioen, die van Assentijn: vóor den laatste waren de tien +wiganten zelven alleen al gelijk aan een machtig heir, dat dreunde aan +over den weg. + +Maar nu zagen, waar de weg uit het foreest langs de vlakte geleidde, de +beide legers elkander, en die van Clarioen begrepen, dat van omsingelen +geen sprake meer zijn zoû, want met oorlogszuchtige kreten wierpen de +tien wiganten zich over de vlakte, vóor den burcht en zij schenen wel +tien ijzeren paardmenschen, vast aan hun ros, de ventaliën neêr en de +strijd, in éen wenk, was begonnen! Gode, wat waren daar goede zwaarden +ende glaviën ende sterke helmen ende stalen hoeden ende ponioenen, +geluw, zilver, sinopel, keel en lazuur. En wat waren daar groote ende +sterke orsen: er waren er wel vijfduizend aan den eenen en vijfduizend +aan den anderen kant en eer er een zoû in den zande bijten, zoû hijzelve +wel menigen man doen sneven! Begeerig aan beide zijden waren zij hevig +malkanderen te ontlijven op den velde des slags en zij vergaderden te +zaâm met geweld. Gode, wat hieuwen de zwaarden daar door de suizende +lucht, die rilde er van, en wat knarsten tegen malkanderen en kraakten +de boomzware speren: menige wigant viel daar dood. En Gawein stak hier +en daar en overal met zijn speer de lichamen door en wierp hen uit het +zadel, hier een ridder, daar een ridder, allen ridders van +Noordhumberland: ze vlogen over het slagveld heen rechts en links van +hun rossen, die draafden dan dol over hen heen of vielen, doorstoken +ook, hinnikende te hoop. Aan beide zijden trokken zwaarden wie wel +konden strijden en het was een houwen en steken: menig stout man moest +er sterven. Ridderlijke prouaeste vertoonden daar alle de tien wiganten: +de koppen vlogen links en rechts met der zwaarden slag van Lancelot en +van Gwinebant, van Bohort en van Sagremort... wat zal ik de anderen +noemen, wat hielp het of ik het maakte lang! Niemand sloeg er minder +koppen af dan een ander, maar wellicht sloeg Gawein toch nog de meeste +koppen af, die vlogen rondom hem als met een rond cirkelend rad van +koppen, van uitbloedende koppen en de armen vielen en de beenen vielen, +allen van de wiganten van den Koning Clarioen. En honderden wezen naar +Gawein met de vingers en riepen over het slagveld, zoo wel van de eene +als van de andere zijde: + +--Ziet hèm daar! Ziet hèm daar! Ziet hèm daar: Gawein! Geen stoutere en +is hier verre noch na! + +Te midden van zijner baroenen wacht zag de Koning Clarioen van +Noordhumberland naar de gruwbare mortorië. Maar ook op den weg, die +wendde uit het woud, zag Koning Assentijn naar de allervreeslijkste +sconfilture der Noordhumberlanders en ordineerde hij als een abel +veldheer zijn dappere Endi'sche baroenen. En naast hem, op haar +palafroet, te midden veler onversaagde edelvrouwen op palafroeten, zag +Ysabele, de schoone, naar de allerverschrikkelijkste battalgië. Daar zag +men halsbergen ontmaelgieren, helmen doorhouwen, schilden kwartieren, +ridders lichten aan speren uit zadels, koppen door het geluchte zwieren +met de roode fonteinen van stralen bloed! En Ysabele, zij volgde met den +blik hier Gawein en daar Gwinebant, hier Gwinebant en daar Gawein en zij +had tevens, op den hoogsten torentrans, Guenever ontdekt, de zoete +Guenever, wie Lancelot jaren lang trouw was en die jaren lang Lancelot +trouw was; Guenever, van wie zij gelezen had in de schoone jeesten der +vinders. En nu zij alles met eigen oogen in werkelijkheid zag, wat zij +eerst nog slechts had gelezen en hooren zingen, vond zij het wel veel +bloed, o harde veel bloed, maar zij versaagde niet, zij, de princes van +Endi, geboortig uit het bloed van zoo vele strijdbare helden en +koningen, en daarbij juichte zij uitermate, dat Gwinebant zoo valiant +was en dat Gawein onoverwinnelijk scheen... Tot zij plots, ter zij van +de vlakte, Gwinebant, afgeraakt van zijne gezellen, zag in strijd met +vijf, niet minder dan vijf, Noordhumberlander baroenen, die hieuwen hier +en hieuwen daar en Gwinebant, knellend zijn ros tusschen de knieën, +verdedigde zich hier, verweerde zich daar, onder zijn schild, achter +zijn schild, dat wendde vlug daar en hier, terwijl hij tevens stak hier +met zijn speer, hieuw daar met zijn zwaard, als of hij tien handen hadde +gehad, want Ysabele begreep van zoo verre niet hoe hij het deed! Zij +wees hem aan haar grootvader en onderwijl klopte van beroering en +ontroering heur hartje. Eén tegen vijf, één tegen vijf, dacht zij, +hijgende op haar paard, nu bleek van angst, dan rood van trots. Kwam +niemand der anderen hem dan te hulpe? Zoude hij wel kunnen verwinnen? +Twee Noordhumberlander koppen zag zij reeds vliegen het geluchte door, +den eenen links, rechts den anderen, tot plotseling zij slaakte een +kreet als ware zij zelve gewond... Want Gwinebants ros onder hem +steigerde en zonk toen ter zijde in een, doorboord en hijzelve, met +schild en speer en zwaard niet dadelijk zich kunnende bevrijden uit het +gereide, geplet zijn voet in den beugel onder het paard en achterover +gezwikt in het zaâl tegen het achterarsoen, scheen een oogenblik +machteloos en in doodsgevaar, hoe hij zich ook nog verweerde, achter +zijn schild. Rtts.... daar stak hij zijn speer een derden +Noordhumberlander dwars door het lijf en die zonk, maar Gwinebants +zwaard ontgleed hem en wederom gaf Ysabele een kreet... + +Zoodat haar grootvader haar zeggen moest, dat een princes, die mede te +wijch toog, zich niet door hare aandoeningen mocht laten bemeesteren. + +Zij bleef dus een oogenblik bleek, recht op haar ros, sidderende van +ingetoomde ontroeringen, toen zij zag, dat de twee overblijvende +Noordhumberlanders zich wierpen op Gwinebant, zijn schild slechts +tusschen hen en hem, want niet kon hij richten zijn speer meer. + +En, trots grootvaders verbod, gaf Ysabele een derden kreet, nu eer van +woede dan smart en zeker zijnde, dat Gwinebant daar sneven zoû, bijna +vlak voor hare oogen, spoorde zij plots, voor wie ook het haar +verhinderen konde, haar palafroet en wierp zich... + +Eén angstkreet slaakten de vrouwen... + +...Met een sprong van het paard over den hoogeren weg af, op de lagere +vlakte! + +De Koning Assentijn huilde nu zelve een wanhoopgil uit, toen hij zijne +Ysabele zag, te ijlende paard, midden in het gruwzame strijdgewoel... + +De baroenen zijner wacht volgden radeloos hunne princes... + +--Victorie! riep ginds Lancelot. + +Want de ridders van Noordhumberland, om hun Koning Clarioen, weken en +namen de vlucht, zoo als dien keer voor den burcht van Endi. + +--Victorie! riepen Bohort, Sagremort, Ywein... wat zal ik de anderen nog +noemen! + +Maar Gawein riep niet meê van victorië. + +Hij had daar ginds, ter zijde der vlakte, bespeurd de princes, te midden +harer radelooze baroenen. + +Hij bespeurde tevens een Tafel-Ronde-ridder, die over zijn stervende ros +lag en twee aanvalleren boven zich... een klomp van knarsend en +rammelend en frotsierend metaal. + +Hij herkènde den Tafel-Ronde-ridder! + +--Gwinebant! + +En hij spoorde ruw Gringolet... + +En met de knieën alleen sturende zijn ros, hoog op gericht zijn zwaar +geharnaste lijf, speer met slinke gericht, schild over schouder aan riem +en zwaard in rechte reeds zwaaiend, ontzettend, als Sint Michiel zelve +zoo schoon en stralend, Gawein een aartsengel gelijk, draafde hij aan +tot soccoers... + + * * * * * + +Gawein draafde aan tot soccoers... + +Maar te gelijker tijd werd zijn blik geketend door de princes op +palafroet... + +Zij draafde heftig naar Gwinebant, te midden van hare baroenen, alsof +zij mede aankwam tot soccoers, Ysabele, de schoone... + +En Gawein onstelde hevig, toen hij zijn bruid daar zag te midden van +groot dangier... + +Want vele Noordhumberlanders, die nog toefden te vlieden, verzamelden +zich, zoodra zij de princes op het slagveld zagen en wilden rondom haar +heen... + +De baroenen verdedigden hunne koninklijke jonkvrouw maar zij waren +radeloos om de overmoedigheid van Ysabele... + +Toen doemde echter Gawein in hun midden... + +En het duurde niet meer dan twee, drie blikken-der-oogen... + +Gawein stortte zich op de klomp der drie strijdende ridders en hunne +paarden. Hij hieuw den eenen Noordhumberlander af den kop, die vloog ver +weg, als een waardelooze bal... + +Hij stak met zijn speer den andere dwars door het lijf... + +Maar ontving te gelijker tijd van dien doodelijk getroffene een +speersteek zelve, vlak onder zijn hart, tusschen de maliën door zijner +cotte... + +Hij gevoelde een hevige pijn en den schok en vloeien het bloed als uit +Onzen Lieven Heeren eigene wonde, die de speer van Longinus Hem aandeed +ten Kruize... + +Maar te zelfden tijd wierp Gawein zich af en ontzette Gwinebant, rukte +hem op en zag, dat zijn gezel bloedde... + + + + +HOOFDSTUK XXXIII + + +Gwinebants helm was gekloofd en de stroom bloed vloeide er langs; maar +hij stond, nog niet bezwijmd, tusschen de baroenen van Endi. + +Maar Gawein wierp zich haastig op Gringolet--meerdere Noordhumberlanders +stortten toe... + +Was victorië ook reeds geroepen daar ginds door Lancelot, hier was de +verwarring nog woelende om der Noordhumberlanders nieuwe hoop en +verwachting... Zelfs Clarioen, de Koning, was ginds staande in de vlucht +gebleven, riep luide, wie hem de princes toe zoû voeren, die zoû +ontvangen de helft zijns koninkrijks!--en er was in het rond heviger +strijd weêr ontvlamd... + +Terwijl alle de Ronde-Tafel-ridderen aandraafden tot soccoers, tot +soccoers! + +Nu riep Gawein, omringd van de baroenen van Endi, hen toe hem Gwinebant, +gewond en bezwijmende, op zijn knie te beuren. + +De baroenen beurden Gwinebant op Gaweins rechterknie omhoog en hij wierp +zijn nu geheel bezwij menden gezel dwars op het voorarsoen, vóór zich +heen. + +Maar Ysabele, na kreet van smart, was van haar paard gegleden en toe +gëijld, niets achtende dan Gwinebant, dien zij stervende meende... + +O, zij was zoo wit en broos als een bloem, die dadelijk vertrapt zoû +worden, tusschen zoo vele woelende orsen, getrokken zwaarden, gerichte, +gekruiste speren. + +Maar zoodra zij de vier, vijf passen genaderd was, die haar nog +scheidden van Gwinebant en Gawein, trok Gawein haar omhoog... + +Op zijn slinke knie, waar langs Gwinebants hoofd hing. + +--Ysabele! riep Gawein. Neem Gwinebants hoofd in uw schoot! + +En te gelijker tijd omarmde hij tot steun de princes in zijn linkerarm, +het schild voor haar en Gwinebant in de lengte. + +En het zwaard hoog geheven in de rechtervuist; gebeurde dit niet alles +zoo snel als het niet is te zeggen of te zingen door vinder of +minstreel? + +--Naar Camelot! riep Gawein den baroenen toe, die stegen weêr op en het +was een hevig gevecht tusschen de baroenen en hunne schildknapen met de +Noordhumberlanders. + +De baroenen en de toegeschoten acht Ronde-Tafel-ridders omringden Gawein +ter bescherming, terwijl hij dwars door de woeling draafde naar Camelot. + +Daarheen was over de vlakte de weg schoon geveegd. + +De Noordhumberlanders vluchtten nu allen en overal weg... + +Ook Clarioen meende niet goed te doen zoo lange te toeven, daar zijne +ridders hem toch niet Ysabele hadden geschaakt... Geheel Noordhumberland +vluchtte... + +Maar Gawein, in razenden draf op Gringolet, dien hij bijna alleen met +den druk zijner knieën dwong en die nauw tikte met de hoeven den grond, +naderde Camelot, waar de eerste ophaalbrug omneêr knarste aan de zware +ketenen... + +Steeds lag bij Gawein Gwinebant vóor over op het breede zaâl; steeds +hield Gawein Ysabele omarmd op zijn slinke knie; welke andere ridder van +Kerstenhede had dit fayt zoo kunnen volvoeren! + +Ysabele had den stukkenden helm van Gwinebant ontgespt, in haar schoot, +weg de stukken des helms geslingerd en haars liefs gewonde, blonde, +ooggelokene hoofd bloedde rood in hare blanke handekens en over heur wit +sammeten kleed... + +Zoo, de baroenen om hen, de acht Tafel-Ronde-ridders rondom hen, als een +wijde kring van bescherming en Koning Assentijn tusschen zijn lijfwacht +volgende, draafde Gawein de eerste brug over van Camelot. + +Gejuich riep hem toe van wallen en tinnen en torens... + +En de vrouwen op den hoogsten torentrans, rondom Guenever, galmden het +blijde heil! + +In hield Gawein den draf en reed de volgende brug nu over... + +Alle de bruggen, die neder vielen, de een na de ander, reed hij over: +hij reed het burchtplein nu op... + +Op den drempel der opene burchtpoort was Koning Artur, krank en gesteund +door zijne pagiën, verschenen. + +Rondom Gawein, te paard nog met zijn zwaren, dubbelen last, verdrongen +zich de haastig afgestegen baroenen en de acht wiganten. + +Zij beurden eerst Gwinebant, bezwijmd, af... + +En legden hem onder de koningslinde over de treden van 's Konings zetel. + +Zij tilden toen Ysabele af... + +En hare handen en hare witte schoot waren rood van bloed. + +Toen, te paard nog, sloeg Gawein zijne ventalië op... + +En snakte naar den hemel, om lucht. + +Zij zagen allen, dat hij doodsbleek was. + +--Gawein! riep Ysabele, heffende hare geheel roode handekens. Mijn +Gawein, dien ik zoo minne, zijt gij gewond?! + +Gawein, los latende zwaard en schild, voelde onder zijn hart, waar het +door de maliën bloedde... + +En Ysabele begreep, dat hare handen en schoot rood waren van het bloed +van Gwinebant en van Gawein beiden. + +--Gawein en Gwinebant zijn beiden gewond! riepen de ridders tot den +Koning Artur. + +--Maar Camelot is ontzet! + +--Noordhumberland is op de vlucht! + +Het snorde boven Camelot; de fenix vloog aan. + +--Legt Gawein en Gwinebant dadelijk op het wonderbed! riep Merlijn, nog +in de lucht, en daalde in het vergier. + +Terwijl Guenever, met hare vrouwen, van den toren gedaald, naar buiten +stortte...... + +En Lancelot ziende, uit riep: + +--Lancelot! Lancelot! Zijt gij behouden?! + +En zij kuste en omarmde Lancelot en Koning Artur, zoo krank, deed of hij +niet zag. + +--Legt eerst Gwinebant, beval zacht Gawein. Ik volg hem stappans...... + +Op zijn bevel tilden dadelijk drie, vier ridders Gwinebant op en droegen +hem binnen, naar het wonderbed, waar hij in één dag zoû genezen. + +--In éen dag, o zoete Ysabele! verzekerde koninginne Guenever, hare +armen om de princes, die zij ontroerd zag en wier minne zij ried. + +Gawein, nauw geholpen door zijne gezellen, was uit het zadel gegleden. + +Hoe bleek zag hij en hoe rood van bloed droop zijne cotte, hoewel hij +zoo recht stond, als of niets met hem geschied was. + +--Gawein! riep Keye, die kluchtig hinkende aankwam. Gij zijt gewond! +Maar gij allen, ridderen, ziet gij dan niet, heer Koning, ziet gij dan +niet, dat Gawein is gewond......? + +De Koning Assentijn, met zijn lijfwacht, was binnen gereden. + +--Ziet gij dan niet allen, riep Keye voort; dat Gawein is gewond, +zwaarder dan is Gwinebant? Legt hem dadelijk naast Gwinebant in het +wonderbed of zijn leven rint hem weg uit den lijve! + +De gezellen, één oogenblik, meenden, dat Keye spotte als altijd. + +Maar hij spotte niet. + +En Merlijn, van uit het vergier, zag--en hij ontzette er om, dat Gawein, +staande zoo recht, maar zóo bleek reeds, als veeg was des stervens...... + +En dat zelfs het wonderbed niet meer van noô was. + +Maar Gawein, recht naast zijn ros, had uit de diepe arsoentasch een +vierkant ding genomen, dat was omwikkeld in een lange, witte reep van +sindaal... + +De beide Koningen begroetten elkander, Guenever neeg voor Assentijn en +terwijl allen zeer bezorgd om Gawein henen drongen--de Koningen en de +vorstinnen, de ridders en de baroenen--naderde Gawein zijn heer, Koning +Artur, die, krank, was neêr gezegen, in den zetel, onder de linde. + +En Gawein knielde op de trede. + +En hij zeide met vaste stem, die van heel ver scheen te komen: + +--Mijn wellieve Heere, mijn Oom, mijn hooge Koning van Logres! Ik, uw +ridder Gawein, dien gij wel dulddet aan uwe Tafel-Ronde, waar wij immer +geloofden in Wonder en dat het eenmaal wederomme zoû keeren, waar wij +immer geloofden in Aventure, dat is vië van dolenden ridder der +Kestenhede...... zie: hier brenge ik u dit Zwevende Scaec! Ik vond het +en ving het voor u en ik wond er de mouwe om van Ysabele, de schoone, +die ik minne...... Mèt het Scaec, o mijn Koning, voer ik tot Camelot +Ysabele, zoo als ik...... Destijds!...... eene Ysabele, wacharme, en een +zwevende Scaec tot Camelot ook voerde. Toen was het zóo...... nu is het +anders: nu is het beter misschien en grooter Wonder en edeler Aventure! +Want nu, met Ysabele en met het Scaec, bracht ik ook mijn gezel, +Gwinebant, en mocht hem van den doode redden...... + +Gawein bood Koning Artur het Scaec in de handen, uit de los gewondene +mouwe... + +Toen gevoelden de gezellen hoe lief zij Gawein allen hadden en hoe +prachtig hij was, omdat hij aan Wonder geloofde... + +Maar tevens gevoelden zij een vreemde wroeging... + +En zij wisten eigenlijk geen van allen waarom... + +Maar Merlijn, die ook de wroeging zich in zijn menschenhart bewust werd, +wist, daar ginds, ver, toe ziende uit het vergier, wèl waarom zij +elkander allen aanzagen met een schakeling van blikken, die nog niet +geheel begrepen... + +--Het wordt alles zoo als het wordt, dacht Merlijn, om zich te +verontschuldigen. Ook zonder mij en zonder dat ik Zwevende Scaeken +zend... + +Koning Artur had, met van geluk bevende handen, uit de handen van +geknielden Gawein, het Zwevende Schaakbord ontvangen: de gouden en +zilveren stukken, voor het einde des spels, stonden op de juweelen +velden juist zoo als zij stonden, toen het Scaec weg was +gezweefd......... + + + + +HOOFDSTUK XXXIV + + +Mijn lieve neve! zeide Koning Artur ontroerd; mijn valiante wigant, ik +danke u voor zoo harde schoon volbrachte queste, niet minder schoone, +dan wij Destijds volbrachten en al bleken Didoneel en Mordret, ach wi, +ach wacharme, ook twee feloenen... + +De Koning--hij had het Scaec aan de zorg aanbevolen zijner +schatmeesters--wilde er aan toe voegen, dat hij de Tafel-Ronde, wat hij +ook de laatste jaren geraden had van kritiek zijner ridderen, een +uitstekende, ridderlijke instelling achtte en er niet aan dàcht die op +te heffen... + +Maar hij wilde Koning Assentijn, die zich na de eerste begroeting, zoo +echt koninklijk bescheiden niet te zeer op den voorgrond had willen +begeven, nu met eere overladen en riep: + +--O mijn machtige Vriend en Koning van Endi, wat verheugt zich mijn +harte, dat gij met uwe roze en kleindochter, de princesse Ysabele, +binnen Camelots muren thans zijt gekomen, zoodat wij nauwer de banden +mogen aanbinden van koninklijke vriendschap tusschen ons beiden en... + +Toen Gawein, met een smartelijke vertrekking alle zijner trekken, zich +heffende uit zijn knielende houding, ter zijde viel, zijn hand onder +zijn hart. + +--Hij is gewond! riepen allen. Gawein is gewond! Laten wij hem leggen, +naast Gwinebant, op het wonderbed! + +Gawein, echter, wendde zich pijnlijk om, over de trede van den +koningszetel en hij weerde de gezellen af. + +--Laat mij, mijne zoete gezellen! zeide Gawein. Ik voel, dat het te ver +met mij is... + +Neen, dat wilden zij geen van allen gelooven! Te ver, als het wonderbed, +dat Merlijn zoo kunstig gewrocht had, daar boven stond in de kemenade! +Te ver, als zij hem er nu dadelijk legden naast Gwinebant, die er +reeds--zoo meldden drie, vier artsenij-meesteren--in gezonden +tooverslaap lag en wiens wonde aan de slaap, onder de oogen van drie, +vier andere artsenij-meesteren, die zijne genezing bespiedden, zichtbaar +genas! Te ver... neen, het kon niet te ver zijn! riepen allen en allen +Gawein toe en wilden hem beuren. + +Maar hij weerde af, hij weerde af. + +--Zoete vrienden, zeide zacht Gawein en hij zeide het zóo hoofsch als +hij alles tot iedereen heel zijn leven gezegd had; laat mij u raden en +gelooft mij, bij mijne trouwe in Paradijs. Het is te verre... Ik +sterve... Mijn lieve heeren Koningen van Logres en van Endi, mijn oom +Artur en gij, heer schoonvader, ik sterve... O wees des gewes... zoo ik +voelde te kunnen genezen in het wonderbed, waarin Gwinebant ligt te +genezen, ik en marde niet, want ik ben die gone... + +Hij bezwijmde bijna... + +En alle hunne angsten bogen zich over hem heen. + +--Ik ben die gone, die wèl dat lieve, schoone leven minne...... Wonder, +Aventure, battalgiën en...... schoone vrouwen: ik heb ze wellicht te +lieve gehad...... Vrienden, ik en biechtte nooit! Vrienden, roept mij +den huispaap...! + +De huispaap trad voor. + +--Ik biecht...... stamelde Gawein. Ik ben een slechte mensch +gewezen...... Een zondaar...... Een feloenige ridder,.... Ik biecht..... +Ik biecht alles..... + +Hij stamelde aan het oor van den bij hem knielenden huispaap. + +Rondom zijn stille biecht was nu het algemeen weegeklaag. Gawein...... +hij stierf?! Zij wilden het niet gelooven. Zij vroegen het ongeloovig +Merlijn en malkanderen: de twee Koningen vroegen het malkander en; +Ysabele, met een snik, vroeg het Guenever: + +--Sterft Gawein...? + +En zij konden het geen van allen gelooven! Gawein, hij, die zoo sterk, +zoo jong, zoo mannesterk, zoo mannejong hun in den strijd had toe +gestraald, een aartsengel gelijk, Sint Michiel met den vlammenden brant +gelijk... Gawein stierf......? + +Maar Gawein riep, met veege stem: + +--Ysabele... + +Zij naderde, bevende als een windbewogene lelie, maar haar schoot +overvlakt met bloed, hare bloedroode handekens gestrekt. + +--Gawein, murmelde zij en knielde naast hem. + +--Ysabele, stamelde Gawein. Ziet gij... ik sterve. Langzaam, langzaam +vloeit mij dat bloed uit het harte. Neen... laat mij hier sterven op de +trede van mijns heeren Konings troon... Laat mij sterven in mijne +cotte... Zoo is het mij beter dan op een bedde en voor het wonderbed, +lace, is het te laat! Ysabele, mijne bruid gij, zeg mij alleenlijk eén +ding! Ik heb somwijlen harde getwijfeld! Ik en wist menigerwerve niet... +Ik dacht somwijlen... Ysabele, zeg mij nu, ééne male slechts, maar +oprecht: hebt gij mij lief...? Of hadt gij Gwinebant, den lieven +gezel... immer liever dan gij mij hadt...? + +Ysabele, over Gawein heen, geknield, hare armen om zijn bruin lokkige +hoofd, zijne wonde aan haar borst, zag hem lang in de bruine oogen aan, +die nog nauwelijks braken. + +En zij zeide: + +--Gawein, mijn lieve Gawein, geloof mij in deze ure: ik heb u immer +liever gehad... dan Gwinebant! + +Zijne armen sloten zich om haar blonde hoofd, dat hij, liggende, drukte +tegen zich aan... De avondschemering viel: overal ontgloeiden in den +hof, aan de poorten, de toortsen en de lange stallichten. Overal +knielden harentare de vrouwen, de ridders, de baroenen en baden. En op +den drempel was Gwinebant verschenen, gesteund door de +artsenij-meesteren. Genezen was hij nog niet, maar toen hij ontwaakt +was, na eersten tooverslaap en gehoord had, dat Gawein stierf, was hij +van het tooverbedde gerezen... En daar stond hij, op den drempel der +poort...... + +En hoorde Ysabele's woord, dat zij herhaalde: + +--Ik heb u, Gawein, immer liever gehad... dan Gwinebant! + +--Gwinebant! fluisterde het hier en daar, verschrikt, omdat de nog niet +genezen gewonde verscheen. + +Ysabele, uit Gaweins armen, richtte het hoofd op. Zij zag Gwinebant +recht in de oogen, die staarden uit zijn bleek gelaat. En zij glimlachte +hem achter Gawein, die zalig de oogen sloot, smartelijk smeekende toe. + +Gwinebant begreep. En zij begrepen allen. De huispaap begreep en, om +haar logen, seinde hij, onzichtbaar voor Gawein, Ysabele over het +hoofd... + +En bad God van Hemelrijk, dat Hij vergeven zoude... + +--Gawein! riep Gwinebant, bleek op den drempel. + +--Gwinebant! riep Gawein stervende. Kom tot mij! + +Gwinebant, gesteund, naderde. En hij knielde bij Gawein. + +--Gij hebt mij gered, Gawein, zeide hij. En gij sterft van de wonde, die +gij voor mij opvingt! + +Maar Gawein, in beide armen, drukte tegen zich en zijn langzaam +vloeiende bloed Ysabele en Gwinebant. Hij drukte hun beider hoofden +tegen zijn borst, die heftig deinde. En zijne oogen zagen in de nacht +op, naar de klare starren, die veropenbaarden aan stralenden hemel, hoog +boven de walmende toortsen omher. + +--Gwinebant! murmelde Gawein. Ysabele! O mijne beider minne! Gwinebant, +Ysabele, mijne bruid, minde mij maar zij mint u ook, Gwinebant! +Gwinebant, zoo het onzer Koningen wille is, ontvang, Gwinebant, Ysabele +van mij, omdat ik stervende ben! Wees haar man, Gwinebant; Ysabele, gij, +die ik min als ik geen vrouw minde, wees Gwinebant tot wijf! Ik +sterve--al hadde ik langer nog wel, lace, leven willen--gelukkiglijk! Ik +sterve gelukkiglijk... Ziet, ziet, vrienden allen: de Hemelen openen...! +Het straalt, het straalt! Een heir van engelen met zilveren vlogelen +vult den openen Trone! Mijn Koning Artur, zie! Ik zie Sint Michiel +zelven, den heiligen Held! Zijn brant vlamt en hij verslaat Lucifer! En +werpt hem uit den Trone! Mijn heilige Patroon, ik zie! Sint Michiel! +Sint Michiel! Ik zie daar de hemelsche foreesten en zij zijn vol draken, +die ik bestrijden ga! Sint Michiel: hij wenkt mij! Ik zie Zwevende +Scaeken, zóo vele, en Bloedende Speren en ik zie... ik zie den Heiligen +Graal, de stralende Schale vol des Heiligen Bloeds, dat is Licht! Sint +Michiel, ik kom! Uw ridder, dien gij ontvaen wel wilt, zal zich van de +zondige cotte om de zondige leden ontdoen en komen tot u op, om te +stralen in de diamanten rusting, die gij mij biedt! Ysabele, die ik +minne, vaar wel! Gwinebant, zoete knape, vaar wel! De engelen, zie, zij +dalen omneder, om mijn ziele te ontvaen! + +Langzaam opende Gawein zijne armen... + +En liet hij Gwinebant en Ysabele los. + +Zijn stervende oogen zagen verheerlijkt in der blikken breking omhoog, +waar in glorie de Hemelen openden... + +Rondom in de nacht, in den walm der winddoorwaaide toortsevlammen over +het buchtplein, knielden allen neêr. + +Vigeliën klonken: + +--God van Hemelrijk, die voor ons geboren werdt... + + * * * * * + +Die volgende maanden werd er groote rouwe gedreven te Camelot om Gawein, +die was--meenden allen nu--de allerdapperste ridder geweest van +Tafel-Ronde en hij rustte in het grafgewelf onder de burchtkapel. Maar +zijne ziele, daar waren allen ook zeker van, hadden de engelen mede +gevoerd in Paradijs, naar Sint Michiel... En Koning Artur was zeer +krank, dat was van ouderdom en van weemoed om Wonder en Avontuur, want +hij begreep wel, dat zijne ridders er niet harde aan geloofden. Gawein +was de laatste geweest, die er aan had geloofd, en de nieuwe ridders, +hoewel zij valiante wiganten waren gebleken in de leste verdediging van +Camelot, geloofden er heelemaal niet aan en meenden--had Koning Artur +gehoord--dat alle Aventuur en daarmede samenhangende krijg van de oude +Koningen onderling van geen belang meer was in de Nieuwe Wereld. En zij +meenden, oorlog moest er komen met Parijs of met Keulen, om Logres en de +andere koninkrijken van Brittannië tot bloei te brengen. Die moderne +inzichten deden Koning Artur harde pijn in zijn oud koningsharte, vooral +omdat hij wederom alleen met de nieuwe ridders was. Want de negen +eersten: Lancelot, Gwinebant, Sagremort; Bohort, Ywein, Acglovael; +Galehot, Hestor, Meleagant, waren te zamen, tot boete, naar Rome +vertrokken als pelegrijnen; hunne zielen waren harde bezwaard om de +meer of minder kwade scherts, dien zij met het door Merlijn gezonden +Scaec jegens hun lieven gezel Gawein hadden bedreven. Zij hadden +gemeend, Merlijn had hen ook wel mogen verzellen, maar Merlijn, die een +toovenaar was, hoewel geen kwade, zeide, hij ging niet naar Rome en +boete had hij niet te doen: geleid had hij alleen de dingen, die zonder +hem toch zouden gebeurd zijn, volgens de wille der Almacht en der Tronen +en Hiërarchieën... Goed begrepen de ridders niet wat Merlijn bedoelde +met die opsomming der hemelsche machten, maar zij baden voor hem onder +weg en in Rome... De Koning Artur, alle die lange maanden, zat, uit +rouwe, niet aan de Tafel-Ronde, ook om de nieuwe ridders, wier twijfel +en tegenzin hij had opgemerkt, niet te dwingen tegen hun ongeloof in: +dat deed hem echter harde pijn en gaarne had hij wel eens alleen aan de +jaspis-tafel gezeten maar liet dat na om Guenever, die melodie-vol hem +zeide, dat het, nu hij krank was, zeer kwade was voor de gezondheid en +ook voor de maag: de "fonteyne aller schoonhede" geleidde Koning Artur +dan zoetkens van daar... + +Gebleven tot Camelot waren Koning Assentijn en Ysabele, tot troost van +Koning Artur... + + + + +HOOFDSTUK XXXV + + +Oorlog dreigde er niet meer met Noordhumberland; tweemalen was Clarioen +nu verslagen en hij zoû niet durven meer, zelfs al waren de negen +wiganten tot penitentië Rome-waarts. En de winterdagen sleepten +eentoniglijk voort; de sneeuw lag over de bladerlooze foreesten en +zoomde met breed dons de barbekanen van Camelot, de tinnen en torens en +bijna nimmer klonk het hoorngeschal der wachters: geen ridder trok deze +landen door; de Noordewind blies om den burcht; de korte dagen deden dra +in de namiddagen de weemoedigheden dwalen langs de donkere hoeken der +kemenaden en omdat Koning Artur krank lag, waren zorg en droeve +nagepeize niet te verdrijven van daar. En terwijl Koning Assentijn zat +naast het bedde van Koning Artur en hem troostte met te herinneren aan +het glorieuze Destijds, toen iederen dag, bijna! zich Aventure had voor +gedaan--wel dagen van vermoeienisse vele, meende Assentijn, die nooit +met de Tafel-Ronde gedweept had--zochten Guenever en Ysabele elkaâr. De +jonkvrouw was blijde de zoete koninginne, van wie zij in trouwen +Lancelots jeeste zoo veel gelezen had, nu te zien met eigene oogen en te +beminnen als eene koninginne van minne en zij bekende zelve Gwinebant te +minnen, altijd bemind te hebben en te hebben gelogen tot Gawein toen hij +stervende lag, onder de koningslinde. En hoewel Guenever haar troostte, +dat zij gelogen had uit caritate en hoewel de huispaap hare biechten +hoorde en haar de heilige absolutië schonk, wilde Ysabele meer boeten +dan alleen iederen dag aan Gaweins sepulker in het grafgewelf onder de +kapelle te bidden voor zijne ziele en voor haar eigene vergeving en toog +zij ter beêvaart, met de koninginne samen, die meende, een beêvaart was, +om zoo trouwe, echtbreukige minne tot Lancelot, die zelve ter beêvaart +was, beter dan nooit berouwe te toonen. Zoo dat langs de sneeuwige +wegen, met hare edelvrouwen, koningin en princes barrevoets en in witte +pij en de lange, wind verflakkerende keersen ter hand, en met ridders en +wapenknechten ter begeleiding voor en achter, de beêvaaart volbrachten, +drie dagen lang van kapelle tot kapelle; zij kwamen ook ter kapelle, +waar, achter op den hove, Didoneel en Mordret door Gawein lagen begraven +en zij baden voor hun beider zielen. Zij baden veel gebeds en zij deden +veel goeds en zij schonken overal hare gaven maar zij waren wel blijde +toen zij terug kwamen tot Camelot en zich warmen konden bij de groote +vlammende vuren de verkleumde handekens en de verkleumde voetekens. En +elkander vertellen van haar beider minne met minder wroeging, nu zij +drie dagen in de sneeuw ter pelgrimagië waren geweest. + +Maar somwijlen riep Assentijn Guenever aan het ziekbed des Konings; die +wilde zelve niet, dat Guenever immer daar toefde maar nu hij zelve zich +sterven voelde, van dag tot dag, legde hij, als zij knielde bij hem, +zijn groote, aderige hand over haar gouddraad-blonde hoofd en zeide +haar, zij was toch altijd liefdevol voor hem geweest, als een +dochterlijn en dat zij, nu hij haar verlaten ging, als koninginne van +Logres zoû heerschen en dat hij haar ried, spoedig na zijn dood, zich +een gemaal te kiezen: Lancelot ried hij haar aan. En zij weende zeer, +hare tranen vloeiden over 's Konings handen en 's Konings kus zegende +haar voorhoofd van zoete en trouwe zondaresse... + +Tot op een morgen, de negen pelegrijnen terug kwamen uit Rome. Onderweg +hadden zij veel met malkanderen gesproken en hoe vreemd het was, van +Wonder en Aventure; zij moesten malkanderen toe geven, dat het door +Merlijn gezondene Scaec, waarvan zij allen geweten hadden, allerlei mede +gesleept had, tot zelfs Schandekarren en belaagde damoselen toe, lace, +tot zelfs Gaweins dood toe! Was alles niet geschakeld geworden het een +aan het aêr, tot hunne bedevaart toe, waartoe zij zich hadden verplicht +gevoeld? En toen zij terug waren tot Camelot, omhelsde Ysabele Gwinebant +en omhelsde Guenever Lancelot en zeide hem met tranen, die vloeiden en +haar nog schooner maakten, dat de Koning stervende was. En de negen +wiganten verzamelden om 's Konings bedde, waarbij een vinder, dien de +veêler begeleidde, zong van vroegere jeesten--die werden van alle +ridders geboekt door de clerken en gepinghiert door schilders op de +wanden der zalen--en zoo tusschen de zijnen en vizioenen van Wonder en +Aventure, verscheidde Koning Artur, die heerschte over het Land van +Logres, in zijn burcht tot Camelot. + +Toen de Koning in zijn koningsgraf, midden in het gewelf onder de +kapelle--Gawein lag daar ook dicht bij--was bij gezet, huldigden de +wiganten in bijzijn van Assentijn en Ysabele de Koninginne Guenever en +zwoeren haar als vazallen en als baroenen de plechtige eeden. En toen +duwde Bohort Lancelot naar voren, maar Lancelot en de anderen duwden +Bohort, die was zoo reuzig groot en die zoû het wel goed kunnen zeggen, +terwijl Guenever zoo zoetjes verlegen zat op den troonzetel met ter +zijde zich hare gasten, Assentijn en ook Ysabele. En Bohort zeide het +toen... Dat de Koninginne, om Logres' wille, om harer krone wille, een +nieuwen gemaal moest kiezen... onder hen allen van Tafel-Ronde... En +Bohort zeide het zeer goed, als of hij geen oogenblik dacht aan Lancelot +en alle de anderen hielden zich ook heel goed, als of zij geen oogenblik +dachten aan Lancelot. En toen Koninginne Guenever Lancelot koos--met +schuchtere stem zeide zij hare keuze--toen deden zij allen of zij zeer +verrast waren maar ook of zij hunner Koninginne keuze zeer prezen, want +zij hieven blijde kreten aan en huldigden Lancelot als den aanstaanden +Koning van Logres... + +Wat hielp het, dat ik het maakte lang? als de vinder in zijn jeeste +zegt, telkens als hij op adem wil komen. Toen de winter voorbij was, +brak de Wereldoorlog uit. Dat was tusschen alle vereenigde koninkrijken +van Brittanië en Wallis, die zich vereenigd hadden met Parijs en met +Rome tegen den Koning van Keulen. Wees des gewes, lezer, dat alle oude +Koningen gevoeglijk dood waren en zelfs die goede Assentijn van Endi en +ook Clarioen van Noordhumberland. En dat de schoone Gwinebant gehuwd was +met de zoete Ysabele--zij beiden heerschten over Endi--en dat Lionel, de +Ridder van de Kar, heerschte over Noordhumberland. Tusschen alle die +jonge Koningen weefde de modern internatie-lijke politiek de nieuwe +draden en een ontzaglijke heirmacht zoû onder hun aller leiding +optrekken naar Keulen, waar ook een jonge Koning heerschte even als te +Parijs en te Rome. Want al jonge Koningen heerschten er over de wereld: +de Wereldoorlog zoû er een nooit geziene zijn... + +In Camelot en in Endi bleven de koninginnen, Guenever en Ysabele, die +afscheid hadden genomen van Koning Lancelot en van Koning Gwinebant, +alleen. Maar Guenever, die de voornaamste was der twee en de oudste ook, +zond boodschap aan Ysabele of zij niet op Camelot wilde komen logieren +tot dat hare beide Koningen en gemalen zegevierend uit den Wereldoorlog +waren terug gekeerd. Ysabele nam dit dankbaar aan en kwam tot Camelot. +En Merlijn, die wel eens aan kwam zweven op blauwen fenixvogel, maakte, +dat de beide koninginnen iederen nacht droomden van hare Koningen en dat +er twee wondertrompetten stonden op tafel, de eene vol van Koning +Lancelots milde, diepe stem, de ander vol van Koning Gwinebants +nachtegaalklaar geluid. En ook noodde Merlijn de beide koninginnen vaak +uit om op den witten tooverwand in zijn eigen slot te komen aanzien de +laatste wonderopname van de optijgende heirmachten: hij deed dat nu +alles met de draadlooze theorië. En had ook de hoofschheid de edele +vorstinnen te npoden zijn tooverwagen te bestijgen voor een tochtje of +zelfs zijn fenixvogel, die hoog met haar steeg, boven de tinnen van +Camelot en van Endi. + +Maar eigenlijk hield koninginne Guenever niet van alle die nieuwe +enghienen, hoewel koninginne Ysabele er mede dweepte. En op een zoeten +Meie-morgen--de Wereldoorlog zou weldra gedaan zijn; Wereldoorlogen +duurden niet langer dan één enkelen winter--sprak zoete Guenever zoete +Ysabele aan: + +--Mijne wellieve vorstinne en vriendinne, zoudt gij mij, in afwachting +onzer wiganten en zegevierende Koningen, jolijt willen doen? Kom dan +toch mede, in mijn Vergier van Vreugde, waar ik zoo vaak spansierde met +mijn Lancelot, toen Koning Artur nog leefde. Daar staat de Wonderboom, +de oude Wonderboom, die is mij van alle Merlijns enghienen nog de meest +dierbare en Merlijn heeft hem harde wel op mijn verzoek gerepariert en +wij zullen er onder zitten en de gulden vogelkens hooren zingen en de +gulden bladerkens zien bewegen... + +En koninginne Guenever nam koninginne Ysabele mede naar haar vergier. +De Meie bloeide alomme met bloesems en bladeren menigertiere maar het +schoonste van haar hof, wees Guenever, was de Wonderboom, dien Merlijn +haar reeds jaren geleden gemaakt had. En Ysabele zag den Boom, dien zij +wel kende uit de jeesten der vinders en zij keek er glimlachend en harde +nieuwsgierig heen. De rijke Boom was geheel en al van fijnen, rooden +goud en stak breed de takken en twijgen uit, die waren alle van goud en +op elke twijg, op elken telg stond een gouden vogelkijn, zeer proper en +allerliefst. De Boom was wel gemaakt in alre maniere en van +tooverschoonheden voldaan want aan elk schoon bladekijn hing een gouden +bellekijn...... + +En Guenever deed Ysabele zitten op de marmeren bank onder den Boom en de +beide koninginnen zagen lachende op, terwijl hare edelvrouwen en pagiën +ook kwamen zien en hooren. Want plotseling begon elk vogelkijn recht te +staan en te beven als of het leefde en toen te zingen zoetekens, elk +vogelkijn zijn geluidje en het klonk zoo schoon en klaar, dat de beide +koninginnen er met verheugde zinnen naar luisterden. Bij zessen en +zevenen zongen de vogelkens hunne liedekens, hoog en laag en toen +begonnen ook de bellekens aan de bladerkens te klinkelen, hoog en laag +en het stemde alles te zamen met melodië en met harmonië, en Guenever +zeide, aandachtig heffende haar vingerkijn: + +--Hoort gij, wellieve Ysabele? Schooner muziekboom en klinkelt er niet +voor de engelen in Paradijs! Al ware er een tot den dood gewond, ware +hij hier eene stonde kort en moest hij hooren de vogelkens, van alle +pijnen werd hij kwijt... En wij, zoete Ysabele, wij zullen, wachtende +onze Koningen tot zij keeren zegerijk uit Wereldoorlog, luisteren naar +die klare muzijk en vergeten de stonden des langen beidens. Want beneden +den Wonderboom, wees des gewes, o Ysabele, is behendelijk en met list +gewrocht een duiwere en daarin staan wel zestien mannen en hebben acht +blaasbalgen in de handen en daarmede jagen zij met groote kracht wind in +den Boom, van beneden in de wortelen tot boven in den top en wen zij +bewaaien de vogelkens en mede de bellekens, zingen en klokkespelen zij +allen zoo schoon te zamen... Hoort! Hoort!! + +--Hoort! Hoort! herhaalden zacht de edelvrouwen en zij staken allen, +luisterend, vingerkens in de lucht. + +Toen, glimlachend, luisterde, ook de koninginne Ysabele. Alle de vrouwen +zongen de muziek na en ook Guenever, verrukt, zong mede. En zij +glimlachten allen en zongen. En de vogelkens klaterden hooger en de +bellekens klinkelden lager. En het was àlles Wonder ende Tooverië.... + +De beide koninginnen glimlachten elkander, zacht zingende, toe, vingers +geheven. Toen zag Ysabele plotseling, dat in het gouddraad-blonde haar +der "fonteyne aller schoonheden" een zilveren draad verglinsterde. En +begreep Ysabele, waarom Guenever den ouden Boom liever had dan al de +nieuwe enghienen. + +Maar zij zeide niets, de zoete Ysabele en eigenlijk was de zoetste +tooverië, dat zij iedere nacht droomde van haar jongen gemaal, Koning +Gwinebant, schoon als Sint Michiel! + +Plotseling klaterde boven de muziek van den Boom der torenwachters +koperen fanfare: zij kondigden de zegevierende Koningen aan! + +En de koninginnen vielen elkander, terwijl Keye hinkende aan kwam met +zware sleutelbos, om de poorten te ontsluiten, juichende in de armen. + +Toen wijdde zoete Ysabele tusschen fanfaregeschetter en klinkende +tooverboomemuziek, hare ontroerde herinnering aan Gawein, de hoofschte +hij, àller ridderen van Kerstenhede!! + + + + +BIJ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR VERSCHEEN MEDE VAN + +LOUIS COUPERUS: + +KORTE ARABESKEN + +(IN HERDRUK) + + + + + + +End of Project Gutenberg's Het zwevende schaakbord, by Louis Couperus + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET ZWEVENDE SCHAAKBORD *** + +***** This file should be named 14850-8.txt or 14850-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/4/8/5/14850/ + +Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed +Proofreading Team + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
