summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/14850-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '14850-8.txt')
-rw-r--r--14850-8.txt8812
1 files changed, 8812 insertions, 0 deletions
diff --git a/14850-8.txt b/14850-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..55bd698
--- /dev/null
+++ b/14850-8.txt
@@ -0,0 +1,8812 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het zwevende schaakbord, by Louis Couperus
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het zwevende schaakbord
+
+Author: Louis Couperus
+
+Release Date: January 31, 2005 [EBook #14850]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET ZWEVENDE SCHAAKBORD ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
+Proofreading Team
+
+
+
+
+
+
+LOUIS COUPERUS
+
+
+HET ZWEVENDE SCHAAKBORD
+
+
+1922
+
+
+GEDRUKT TER DRUKKERIJ VAN DE WERELDBIBLIOTHEEK
+
+
+NEDERL. BIBLIOTHEEK
+ONDER LEIDING VAN L. SIMONS
+
+MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM
+
+
+
+EEN WOORD VOORAF
+
+
+In de meeste gevallen is het woord, dat het eigenlijke werk vooraf gaat,
+een woord, dat den lezer doet meesmuilen, want de lezer houdt, in de
+meeste gevallen, al heel weinig van "Woorden Vooraf". Als schrijver
+dweep ik er ook niet meê, maar, in dit bizondere geval, dit geval van
+mijn Zwevende Schaakbord, geloof ik, dat Een Woord Vooraf wel eenigszins
+van nut zal zijn en hoop ik, dat de lezer het niet over zal slaan, zoo
+als ik zelve met zoo vele Woorden Vooraf tot mijn schade en schande
+gedaan heb. Want zie, om den avonturen-roman van Het Zwevende Schaakbord
+te lezen, is het volstrekt geen vereischte, dat de lezer zich heelemaal
+op de hoogte stelle der Middeneeuwsche Romans van de Tafel-Ronde, het
+zij die in de Wallische taal ontstonden, het zij die later door
+Chrestiens de Troyes, in het Fransch, in volmaakteren vorm werden
+gedicht, maar de atmosfeer, die om dit Zwevende Schaakbord hangt, zal
+den meesten lezers wel een heel vreemde zijn, en de schrijver voelt zich
+verplicht hen even "er in te brengen", vóór hij zijn Schaakbord laat
+zweven....
+
+Laten wij ons dus een oogenblik herinneren, dat, na de grootsche,
+epische, maar dikwijls ruw-zedige Middeneeuwsche romans-in-verzen, die,
+na Charlemagne's dood, de sagen bezongen der dappere Pairs des grooten
+Keizers en waarvan de Chanson de Roland het prachtige voorbeeld is, een
+nieuw ideaal ontstaat voor de Ridderschap en voor de Litteratuur, die
+haar bezingt. De Kruisvaarders hebben Jeruzalem ingenomen, zij hebben
+het Oosten gezien, zij zijn met een Oosterschen schat, zoo wel van
+materieele weelde als van morgenlandsche poëzie terug gekeerd in hunne
+haardsteden en geheel nieuwe ideeën en idealen schitteren hun voor de
+oogen hunner verfijndere zielen. Hun ridderlijke geest is niet meer
+alléén bezield door den drang machtig en krachtig te zijn en alom te
+overheerschen. Men zoû kunnen zeggen: werd in de Karel-romans een
+Frankisch-Germaansch ideaal van macht en kracht naïef-weg nog zonder
+veel meer gehuldigd, in de Koning-Artur-romans, die het gevolg zijn der
+nieuwe cultuur, staat vooral een geheel Latijnsch ideaal den ridder
+zoowel als zijn zanger voor oogen. Dat ideaal is vooral de
+"hoveschhede"; de "hoofschheid" is boven alles hèt ideaal. Maar deze
+"hoofschheid" is zéér gecombineerd; deze "hoofschheid" bestaat uit eene
+zeer samengestelde mengeling: eerstens de nog antieke, blinde trouw en
+gehoorzaamheid van vazal aan leenheer, van ridder aan koning, en daarna
+de eerbiedige hulde van dien zelfden ridder aan de Vrouw. De Vrouw--zij
+werd in Karel-sage en Karel-roman weinig herdacht, zij trad tusschen de
+oermannelijke Pairs al zeer weinig met hare teedere vrouwelijkheid op
+den voorgrond; zij kreeg van den woedenden, grammen "baroen", die haar
+gemaal was, wel eens een vuistslag, die haar het aangezicht tot bloed
+sloeg; zij werd, als dit te pas kwam, bij de haren over den grond
+gesleurd.... Dit is geheel veranderd. Gebeurt het nog wel eens, dat een
+ridder zich aan de Vrouw vergrijpt, zoo wordt hij een "feloen"
+gescholden, "een schurk ende een ruffiaen" en iedere "hoofsche" ridder
+zal dadelijk voor de beleedigde Vrouw in het krijt treden en zijn bloed
+veil hebben om haar te wreken en te verlossen. En de schoonste en hoogst
+gehuldigde van alle Vrouwen is de Heilige Maagd, wie de "hoofsche"
+ridder zijne innigste "hoveschhede" wijdt en voor wie de vinder, die
+Haar bezingt, zijne meest eerbiedige, maar tevens zijn meest galante en
+"courtoise" termen zal weten te kiezen.
+
+Een nieuw element in de Koning-Artur-romans is tevens de magië ende de
+tooverië. Bedenken wij wel, dat de eerste bronnen zijn de Keltische en
+Wallische sagen, die zich om de werkelijk historische figuur van een
+zekeren koning, Artur, weven, met herinneringen aan de geheimzinnige
+Angelsche wouden, herinneringen aan de Druïden-mysteriën, herinneringen
+aan vroegere eeuwen, toen een somber, vreemd half Heidensch, half
+Christelijk mystiek element zich openbaarde in eene natuur, die met
+zware wolken, eeuwigen wind en geheimvolle wouden en wildernissen, den
+bewoner van Wallis, Brittannië, Noord-Frankrijk omgaf. De tijden zijn nu
+veranderd; de ridder, uit het Heilige Land terug, in zijn kasteel en
+genietende daar tusschen zijne "maisniede"--hof- en huishouding--fijnere
+weelde met, door zijn blik op de wereld, verwijde levensopvatting,
+wenscht te hooren van "sa propre vie en beau" zoo als Taine[1] het zoo
+goed uitdrukt, en de vinder schrijft hem den nieuwen ridderroman, dien
+de jongleur hem toezingt in zijne burchtzaal, terwijl de veêler, op
+zijne veêl, het epische reciet begeleidt. De edelvrouwen hooren toe,
+bekoord om de nieuwe "hoveschhede", die "courtoisie", waarbij zij niets
+dan gewonnen hebben in de "vernoye" of verveling van haar niet altijd
+amuzante burchtleven. De ridder herkent in de "jeeste", de "chanson de
+geste", als de roman heet, zijne eigene, ridderlijke lotgevallen, maar
+gefestoeneerd met allerlei cier en zwier: draken bekampt hij er in en
+wel honderd vijanden verslaat hij alleen in een enkele ure; reuzen
+bestrijdt hij en verschrikkelijke reuzinnen en dan bekoort hem vooral te
+hooren van die zonderlinge tooverië, van die mysterie-volle magie: de
+Heilige Graal, waarnaar de Ridders van Tafel-Ronde op
+"queste"--zoekingstocht--gaan; de Speer van Longinus, die Gods Zone, aan
+het Kruis, stak onder het harte en sedert, bloedende, Zweeft door de
+luchten.
+
+ [1] Histoire de la Littérature Anglaise.
+
+Het is merkwaardig, hoe, in deze berijmde ridderromans--en rijm en
+rhythme zijn wel veel luchtiger en bevalliger geworden dan zij in de
+zware, monotone _couplets similaires_[2] van de vroegere Karel-romans
+waren--deze tooverië, deze magië verwant is aan zekere verfijnde
+werktuigkunde, waarmede vermoedelijk in die, na de verzwijmde
+overbeschaving der Oudheid, op nieuw naïef gewordene, eerste
+Middeneeuwen, door knappe en handige werktuigkundigen, toovenaars en
+magisters van occulte wijsheden, indruk kon worden gemaakt op eenvoudige
+geesten, zelfs op ridderlijke. Zoo heeft men dus de tooverfonteinen, die
+een "bain de Jouvence" verschaffen, de Wonderboomen, van goud, waarop
+gouden vogeltjes zingen en tal van meer verschijnselen van magie,
+dikwijls op te vatten als meer of minder effectvolle, gecompliceerde,
+werktuigkundige scheppingen, waarom tevens de fantazie van den "vinder",
+de trouvère, die zijn roman dicht, niet zelden een dichterlijk waas
+weeft, en niet altijd den lezer verraadt, dat de gouden Wonderboom met
+de zingende vogeltjes hol is en boven een "duwiere"--gewelf--geplant
+staat, in welk "duwiere" zestien mannen met acht blaasbalgen wind
+toejagen om de vogeltjes te doen zingen.
+
+ [2] _Couplets similaires_ herhalen in de Karelromans een treffende
+ situatie twee, drie malen, met weinig verschil van uitdrukking. De
+ versregels, bestaande uit tien lettergrepen, van het dikwijls zeer
+ lange couplet--van drie tot honderd regels toe--eindigen op den
+ zelfden rijmklank of assonantie, wat op ons een zeer zwaren,
+ vermoeienden indruk maakt.
+
+ De Artur-romans zijn daarentegen gedicht in elegante, licht
+ trippelende verzen, van niet meer dan acht lettergrepen, twee aan twee
+ door zuiver consoneerende rijmen verbonden tot een zeer bevalligen en
+ toch epiesch blijvenden verhaaltrant.
+
+In deze vreemde, oneigenlijke, ridderlijke, naïef-tooverachtige
+atmosfeer--wij mogen haar zoo ongeveer in de elfde eeuw denken, even
+voor de Gothiek, met nog den Romaanschen boog gecirkeld in den
+ridderburcht, die zich in haar vroeg mediaevale waas verduidelijkt,
+wenscht de schrijver zich eenigen tijd van de werkelijkheid onzer eigene
+eeuw te verstrooien en noodt hij den lezer meê. Onmiddellijk
+geïnspireerd is hij geworden door de Midden-Nederlandsche, vermoedelijk
+oorspronkelijke dichting: de Roman van Walewein, door Penninc en Pieter
+Vostaert, in den jare 1350 geschreven[3].(Of onze "Walewein" een
+origineele schepping is of een bewerking en vertaling van een Roman de
+Gauvain is een geleerde kwestie, die ons hier niet behoeft bezig te
+houden). Prof. W.J.A. Jonckbloet gaf onzen Roman van Walewein naar het
+handschrift uit, dat berust in de Bibliotheek der Maatschappij van
+Nederlandsche Letterkunde te Leiden. De hedendaagsche schrijver, die dit
+werk, tijdens zijne jaren lang geledene studiën in de Geschiedenis onzer
+Nederlandsche Litteratuur bestudeerde en voorts voor zijn genoegen
+herlas, heeft altijd gemeend: hier is een bron, om eens een eigene
+schepping uit te doen wellen. En dit oogenblik is gekomen. Het Zwevende
+Schaakbord is geschreven en... een soort humoristisch vervolg geworden
+op den Midden-Nederlandschen roman van Penninc en Pieter Vostaert.
+
+ [3] Hoewel in 1350 geschreven, denke men de handeling van den
+ Walewein--en ook van mijn Zwevende Schaakbord--niet later dan het
+ eerste begin der Elfde Eeuw en dan nog in de regionen der fantazie en
+ niet der werkelijkheid....
+
+Het Zwevende Schaakbord vertelt de avonturen van ridder Walewein na
+zijne eerste "queste", maar laat eene periode van tien jaren verloopen.
+De moderne schrijver noemt zijn ridderheld Gawein. Gawein is ook vaak de
+naam van Walewein, wiens Keltische naam luidde bij de Wallische dichters
+Gwalchmai (Valk van den Slag), vaak verlatinizeerd tot Galvanus of
+Walganus. De schrijver heeft gemeend, dat Gawein stoerder en sterker
+klonk dan het wel slappere Walewein. Hij heeft twaalf ridders geplaatst
+rondom Koning Arturs Tafel-Ronde: dit getal wisselt wel eens in de
+Middeneeuwsche romans, zelfs met vijftig, maar twaalf ridders zijn
+genoeg voor schrijver en lezer om uit elkaâr te houden. Verder laat de
+schrijver zijne ridders en edelvrouwen spreken een taal, die niet modern
+Nederlandsch is. Dat zij geheel zuiver grammatikaal Midden-Nederlandsch
+zijn zoû, durft de schrijver niet beweren. Hij had, na eene
+verfrissching zijner studiën van jaren geleden, het wel op zich durven
+nemen zijn sterken helden en zoete heldinnen zuiver grammatikaal de taal
+huns eigenen tijds in den mond te leggen, maar vreesde, dat het voor den
+lezer dan wel heel moeilijk zoû geweest zijn den dialoog te volgen. De
+schrijver heeft dus een middenweg gekozen: hij emailleerde de gesprekken
+van Lancelot en de koninginne Guenever, van Gawein en de zoete Ysabele
+met Midden-Nederlandsche termen en tikjes; hij incrusteerde er zelfs
+zijn eigen beschrijvenden stijl mede en spreekt dus wel eens van een
+"foreest" in stede van een "woud" en van een "liebaert" in stede van een
+"leeuw". Hij hoopt, dat noch dialoog, noch beschrijvende stijl op deze
+manier, die een zekere "locale kleur" geeft, den beschaafden lezer
+moeilijkheid bare, en dat de eerst fronsende lezer--om zoo veel
+Midden-Nederlandsch email--spoedig de brauwen ontfronsen zal en wel heel
+gauw op de hoogte zal komen. Moge professor en geleerde in onze
+Midden-Nederlandsche Taal- en Letterkunde--mochten zij in een oogenblik
+van verstrooiïng dit Zwevende Schaakbord wel willen volgen--den modernen
+trouvère niet al te streng oordeelen over zijn maar hier en daar,
+grillig-weg, Midden-Nederlandsch getint Nederlandsch, dat geen geleerde
+creatie wil zijn, maar niet meer dan de vroegere chanson-de-geste of
+ridderroman zelve was: eene "littérature d'agrément", die nu wel geen te
+burcht gekomene Kruisvaarders wenscht te verstrooien, maar alleen de
+pretentie heeft den modernen lezer een oogenblik te vermaken, en
+misschien zelfs wel te ontroeren, want, we weten het nog allen heel
+goed: het recept van den Humor is niet anders dan heel eventjes maar
+ontwelden traan met heel eventjes maar ontlokenen glimlach te mengen en
+vooral niet te doen snikken en schateren....
+
+In het Middeneeuwsche handschrift, en ook in de editie van Prof.
+Jonckbloet, komt een afbeelding voor van Gawein, als hij te paard, op
+zijn goede ros, Gringolette, het Zwevende Schaakbord achterna rijdt. De
+détails van de wapenrusting zijn wel heel curieus; maliëncotte en
+wapenrok; helm met neêr geslagen vizier en "halsberg"--dikwijls naam
+voor de geheele wapenrusting; soms alleen dubbele, vierkante platen, die
+veel op oorkleppen gelijken--; en een ontzettend lange speer. Op
+paardehoes, schild, wapenrok en halsberg en zelfs op "artsoen", of
+hoogen zadelboog, is overal Gaweins wapen aangebracht, dat zoowel een
+leeuwenkop als een everkop kan bedieden: dit hebben de hooge geleerden
+niet uitgemaakt, geloof ik. De fiere appelschimmel, het edele strijdros
+stapt met zijn berijder langs een naïeven boom aan een naïeve
+bloemenweide, die zich met kinderlijk primitief maar gevoelig
+perspectief verliest in de hoogte, terwijl het Schaakbord--let wel, met
+zeven maal acht velden!--de lucht doorzweeft en den ridder tot volgen
+noodt.
+
+Mag ik nog één oogenblik over de uitspraak die ik zoû wenschen voor
+mijne half Keltische, half Wallische en Angel-Saksische eigen-namen? Ik
+zoû ze het liefst door den lezer gedacht of gezegd hebben--naar mate hij
+hard-op of stil voor zich leest--met zuiver Nederlandschen klank. Dat
+hij dus zegge: Guenever, met een Hollandsche G, een even aangezweemde
+_u_, twee opene _e_'s en een derde _e_ die stom blijft. En dat hij
+bij dien naam der zoete koninginne van Logres (spreek uit met een
+Hollandsche _g_ en een _s_ aan het slot) niet denkt aan: jenever, want
+dat zoû misplaatst zijn. De naam Guenever luidt wel eens later Ginevra,
+maar dit klinkt mij te Italiaansch en luidde wel eens héél vroeger, in
+de oertijden der Wallische zangers: Jenover en dat klonk mij al weêr te
+archaïsch. Ik heb dus Guenever gekozen en den naam van de fee Morgueine
+verzoek ik den lezer dus ook te willen uitspreken met een _g_ en even
+aangetikte _u_.
+
+Ik heb, hiermede, geloof ik, alles gezegd wat ik als Woord Vooraf had op
+het hart. En dus kunnen wijken de wolken, die het ridderlijke verleden
+van Tafel-Ronde nog bedekken voor onzen blik, en moge het Schaakbord
+zweven....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I
+
+
+Nu van Riddereeuw de nevels omhoog trekken--dicht gordijn, dat oprolt
+voor schouwspel van eeuwen her--zien wij, o toeschouwer, het Land van
+Logres en het strekt zich uit als een donkere, scherp geknipte silhouet
+van ridderburchten en bosschen, zwart, tegen een rood-blauw geluchte.
+Zoo doet het als een romantische achtergrond, als een reusachtige,
+donkerrood, -blauw en zwart gekleurde reclameplaat en boven den Burcht
+van Camelot, waar Koning Artur hof houdt, verschijnt en verdwijnt, de
+wolken door,
+
+ _HET ZWEVENDE SCHAAKBORD_
+
+dat de dappere ridder Gawein zal zoeken en achterlaten om het den Koning
+aan te bieden....
+
+Het land van Logres lag toèn, in die toovertijden, dat schaakborden de
+wolken doorzweefden, misschien wel in Engeland; het was misschien wel te
+vinden in Wallis; het kan echter even goed elders gelegen hebben en het
+is misschien heel moeilijk thans uit te maken waar het Land van Logres
+lag. Het was zelfs toèn een vreemd land, want er waren geen steden
+gesticht en dorpen gebouwd: er waren niets dan bosschen en
+ridderburchten; er woonde dus eigenlijk geen volk; ja, er bestònd
+eigenlijk geen volk van Logres: er bestonden alleen ridders om hun
+Koning Artur heen en die ridders hadden schildknapen en garsoenen; er
+bestonden daarbij ook nog toovenaars, en de ridders en de toovenaars
+bewoonden de burchten en in de bosschen scholen draken en monsters maar
+de eene of andere jonkvrouw, op een witten palafroet, reed die bosschen
+dikwijls door, geheel eenzaam, en werd dan betooverd door een toovenaar
+of bijna verslonden door den draak maar daarna steeds gered van die
+booze noodlottigheden door den dappersten dezer dappere ridders, die dit
+elk op zijn beurt wel was.
+
+En nu het vreemde Land van Logres, met zijn bosschen en burchten,
+opgerezen is aan den horizon, nu zien wij ook duidelijker zich uit de
+ijlere nevels los maken den Burcht van Camelot, waar Koning Artur in
+vredestijden verblijf houdt: zoo er al geene steden zijn in het Land van
+Logres, de Burcht van Camelot is bijna zoo groot als een stad: er heffen
+zich zware muren om heen; tusschen iedere twee muren is gegraven een
+diepe gracht en menigertiere toren steekt spiedende over de vlakte, die
+den burcht omringt, uit den trans der tinnen, zoo mooi romantisch en zoo
+mooi Romaansch vierkantend als tanden tegen de vreemde
+reclame-plaatlucht, die is donkerblauw met vuurroode schemering,
+misschien van zonsopgang, misschien van zonsondergang, misschien wel van
+vuuradem der draken. En nu de Burcht van Camelot zich duidelijker heeft
+uitgeteekend voor onze toeschouwende verbeelding, nu zien wij de Groote
+Zaal, eveneens Romaansch en romantisch, waar Koning Artur met zijne
+ridders aan de Ronde Tafel zit. Het is een Zaal, die is rond als de
+Tafel zelve en er om heen gaan de ronde, Romaansche bogen en door de
+bogen ruischt, van vogelstemmen vol, de zomermorgen binnen uit de
+bloeiende vergieren, die staan vol bloesemende appelaren. En de groote,
+ronde zaal is verlucht ende rijk gepinghiert met tal van tafereelen van
+wandschildering en die tafereelen bedieden de tallooze heldendaden, die
+de Ridders van Tafel-Ronde, niet langer dan tien jaren geleden,
+volbrachten ter eere van hun Koning, Artur, die heerscht over het Land
+van Logres.
+
+Aan het hoofd van de Ronde-Tafel zit op een troonzetel de Koning en met
+hem zitten mede elf Ronde-Tafelridderen aan. Zij zwijgen. Het schijnt,
+dat de Koning wacht en dat de ridders om hem heen zich dezen morgen meer
+dan gewoonlijk vervelen. De twaalfde ridderplaats, die naast den Koning,
+rechts, is verlaten: gevoegelijk ware hij ingenomen door Lancelot, maar
+Lancelot--der koninginne amijs--wandelt met gouden-draad-blonde
+Guenever, in minziek jolijt, de vergieren door der bloesemende
+appelaren; telkens, harentare, verschijnen zij en verdwijnen tusschen de
+bloesem sneeuwende twijgen, achter den rooden rugge des Konings en wel
+zichtbaar door de Romaansche bogen, wen de zittende ridders schuinoogen
+naar het lievende paar. Zij lieven malkanderen reeds meer dan tien
+lange, trouwe jaren, Lancelot en koninginne Guenever en hunne liefde is
+als een gelukkig en jonstig huwelijk, allen den ridders wel bekend en
+misschien Koning Artur ook wel, die Lancelot inniglijk mint, als
+misschien wel zijn allerdappersten ridder.
+
+Koning Artur troont op zijn zetel en zijn oude gelaat is vol zorg onder
+zijne krone, die de grauwe, lange lokken omspant. De baard, ook zoo lang
+en zoo grauw, beweegt soms zacht wippende op en neêr: dat is als Koning
+Artur, die wacht, terwijl zijn elf ridders zich vervelen en om beurten
+gapen achter de handen, mummelt met goeden, ouden tandloozen mond. 's
+Konings gelaat is gelijk aan een verweerd perkament, beschreven door een
+geleerden clerk met tal van geschrifts in rooden inkt: dat is om de
+aârtjes, die tusschen de rimpels ontsprongen zijn, gelijk roode
+fonteintjes tusschen diepere rivieren verdroogd. Koning Artur draagt
+--als klaver- of ruiten- of schoppenheer--wij durven hem geen hartenheer
+noemen--een hermelijnen schouderkraag over een rooden, fluweelen mantel
+en wat hij onder dezen draagt, is moeilijk te zien, om de plooien van
+den mantel, om de lokken van zijn baard. Beide, mantel en lokken, maar
+de hermelijnen kraag vooral, schijnen van de mot te hebben geleden maar
+justement dat even mottige en aangetaste geven aan de koninklijkheid van
+Koning Artur een onmiskenbare aandoenlijkheid, die den ouden Koning met
+het rimpelgelaat en de bevende, groote, zwaar geaderde handen wel
+genegen doet zijn. Zijne ridders zijn hem ook allen genegen en Lancelot
+niet het minst, die telkens met de koninginne in amoureuselijk
+gedivertier het bloesemend vergier doorwandelt. Ook de altijd jeugdige
+Guenever zelve, die "fonteyne aller schoonhede", al was zij meer dan
+tien jaren de amië van Lancelot, heeft haar gemaal wel lief, zij het dan
+ook als heur grootvâ.
+
+Naast Koning Artur, ter slinke--herinner u, dat ter rechte Lancelots
+leêge zetel staat--zit Gawein, met Lancelot de dapperste, zelfs de
+allerdapperste. Is hij niet bijgenaamd "der aventuren vader", hoewel hij
+niet vele meerdere jaren telt dan elk dier gondere ridders en dat aantal
+bedraagt slechts even dertig voor de meesten. Toch schijnt Gawein wel de
+oudste van allen, de ernstigste ook, de degelijkste: al gaapt hij wel
+eens achter zijn hand, het is meer uit degelijk gemis aan werkzaamheid
+dan uit lichtzinnige verveling.
+
+Want Gawein voelt met Koning Artur mede, voelt mede zorg....
+
+Omdat er sind tien jaren geen Aventuur zich voordeed!
+
+Staat de wereld dan stil? Broeien de draken dan geen draakjes meer uit
+in de foreesten van het Land van Logres? Berijden er dan geen belaagde
+jonkvrouwen meer witte palafroeten door die zelfde foreesten? Moet
+keytievige ondeugd dan niet worden gefnuikt en zijn er geen interessante
+queste's meer te volbrengen? Zoo de Graal is gevonden en bewaakt wordt
+door ridder Perceval in den Burcht van Montsalvat, zweeft er dan nooit
+meer eens minstens een Schaakbord de lucht door? Ja, Gawein, naast den
+Koning, herinnert zich het Zwevende Scaec: het kwam wiegende
+aangezweefd, op een zomerbries... tien jaren geleden....
+
+--Herinnert gij u, mijn vorst? vraagt Gawein den Koning, die de broeder
+is zijner moeder.
+
+--Bij gerechter trouwe, ik herinner mij, Gawein, mijn neve en dappere
+wigant! mummelt Artur en de baard wipt op en neêr als de tooneelbaard
+aan een masker. Het zweefde binnen en zette zich hier voor mij....
+
+De Koning slaat met de vlakke hand op het jaspis-blad van de Tafel. De
+slag klétst de zaal door en weêrechoot tusschen der vogelen
+gekwinkeleer. De gapende tien andere ridders schrikken heviglijk op.
+Guenever en Lancelot staken hunne verliefde wandeling.
+
+--Wat is er? vraagt Lancelot aan den reus Bohort, die zetelt naast
+Gawein.
+
+--Wat is er?? murmelt de koningin tot Ywein, den stotteraar, die zetelt
+naast Lancelots ledigen zetel.
+
+--Dddàà...r en is niets! stottert tenorelijk Ywein tot zijn vorstelijke
+vraagster.
+
+--Niets!! bassigt in bevestigenden ondertoon de reuzige Bohort tot
+Lancelot.
+
+--Het Scaec, gaat de Koning peinzende voort; was in velden van
+chalcedoon en agaath verdeeld, zeven velden maal acht....
+
+--De stukken, bepeinst Gawein; waren van rooden goude en van zilver
+blank gedreven....
+
+--Zij stonden geschaard in rijen....
+
+--Voor eene partië, bij mijne wet!
+
+--Ik deed een zet, heugt Artur zich.
+
+--Onzichtbare hand, heugt zich peinzend Gawein; speelde tegen....
+
+--Ik vervolgde het spel met den onzichtbaren speler....
+
+--"Coninck!" waarschuwde mijn heer.
+
+--Toen......
+
+--Toen... zweefde op dit woord het Scaec weg....
+
+--Voor ik des onzichtbaren spelers zilveren koning schaakmat had
+gezet....
+
+--Mijn prins droomde die nacht....
+
+--Dat de partië volbracht moest worden, wilde ik mijn krone niet te loor
+en zien gaan!
+
+--Bij Jesu Kerst van Nazarene! juicht Gawein bezield en de andere
+ridders schrikken op. Ik zocht en vond u, o prins, dat Zwevende
+Scaec...!
+
+--Ik speelde voort!
+
+--Gij wont!
+
+--Het Scaec verdween--weg zwevende als een in de wiek geschotene vogel!
+
+--Maar heerschen bleeft gij over uw Land van Logres! En ik, o mijn
+Koning, had, na menigertiere aventure, mijne schoone Ysabele gewonnen!
+
+De Koning slaat op de Tafel. De echo's mengen zich langs de wanden der
+Ronde Zale met het vogelengekwinkeleer buiten. Maar niemand schrikt
+meer. Ginds, buiten, waait de sluier der koningin rondom het
+aanbiddelijke, blond krispe hoofd van Lancelot, als een mist, die hun
+kus onzichtbaar doet zijn aan het nooit uitgekeken geschuin-oog der
+ridderen.
+
+--Voorwaar! zegt de Koning. En sedert....
+
+--Sedert...! O wee, o wacharme, mijn Vorst!
+
+--Deed geen Aventure zich voor!
+
+--Tien jaren geleden, bij Sint Michiel! heugt zich Gawein; gingen wij
+nooit ten disch voor Aventure zich had gekond!
+
+--Sedert, klaagt de Koning; wentelden de jaren in veiligheid voort en
+gastreerden wij in belanglooze vrede....
+
+--Iederen vesper, iederen vesper!
+
+--En meldde nooit ende nie zich een jonkver meer aan, die gewroken moest
+worden?
+
+--Nimmermeer! Nimmermeer!
+
+--Veronveiligde een draak nooit ende nie meer de immer onveilige
+foreesten van Logres?
+
+--Nooit ende nie, ai, nooit ende nie!
+
+--Zweefde nooit meer een bloedige Speer, een heilige Vaas, een betooverd
+Scaec het geluchte door om een hoofschen ridder ter queste te nooden?
+
+--Geen Speer! Geen Vaze! Geen Scaec zelfs, mijn prins! En mijne Ysabele,
+o lace, zij stierf!
+
+--Ik wacht! Ik wacht! klaagt de Koning.
+
+En het oude hoofd knikt in zijn wippenden baard op zijn hermelijnen
+mantelkraag.
+
+De koninginne, Guenever, nadert hem liefdevol.
+
+--Oûvadertje, zegt jolijselijk de "fonteyne aller schoonhede" en hare
+stem is als het murmelen van zangerig water, terwijl zij haar gemaal de
+blanke handekens legt over de princelijke schouders van even motputterig
+hermelijn. Oûvadertje, troost u van daag zoo geen Aventuur zich kondt.
+Zie, de dag is zalig vroô van zonneschijn; de appelbloesems zijn blijde
+van wondere belofte; menigertier vogelijn kwinkeleert er bijna zoo
+zuiverlijk als de gulden vogelen, die Merlijn mij zingen doet op de
+twijgkens van den tooverboom in mijn Vergier der Vreugde en ik wil, dat
+gij de zoo zoete lente ademt, in steê van hier steeds te beiden aan deze
+Ronde Tafel, tot Aventuur zich meldt! Oûvadertje, bij mijne rechte
+trouwe, sta op en kom mede spanseeren met Guenever, die u lief heeft en
+met Lancelot, die ook zoo veel van u houdt!
+
+En de koningin, ter eene, Lancelot ter andere zijde buigen zich over 's
+Konings schouderen. De Koning schouwt van den een naar de ander. Zij
+zijn beiden zoo schoon en van liefde stralend. Hij, zoo blond en zoo
+sterk; zij, zoo blond ook en zoo bevallig! Hij, zoo breed in zijn
+geluw-en-zwart fulpen surcoet, die zoo nauw om zijn heldhaftige
+ridderlijf spant; zij, zoo smal in heur nauwe slope van goudsindaal,
+door de smalle bandekens hermelijn omzoomd, terwijl heur haar als gouden
+draad schittert tusschen de mazen van het ronde net, dat de roode
+robijnen bezetten en dan met vier robijn-doorvlochten vlechten over hare
+maagdjonge schouders en borstekens. En de Koning, verheugd over hun
+tweeër schoonheid, staat op, getroost en zegt:
+
+--Zelfs al kondt zich geen Aventure, een dag is schoon, als Lente en
+Liefde heerschen.
+
+Gawein, gerezen, volgt, weemoedig om zijne Ysabele, die stierf, den
+Koning, die zich verwijdert, een arm zoowel om Guenever als om
+Lancelot... volgt vol gepeize en weemoed om het Aventuur, dat zich
+beiden laat, tien lange jaren, lace....
+
+En gondere tien andere ridders, luid gapende, rekken zich nu, breed van
+armbeweeg, in hun zetels om Ronde Tafel van jaspis en staan dan, van
+verveling vervaarlijk, op, 's Konings handslag op de Tafel na doende,
+tot de rammelende echo's elkander op een rijtje naloopen langs den wand
+van de rijk gepinghierde, ronde zaal....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+
+Zij droegen, de tien Ronde-Tafelridders--even als Gawein, die, den
+Koning gelijk, verlangt naar Aventure--en als Lancelot, die nooit naar
+iets anders dan naar Guenever verlangt--mooie, sonore namen van
+Keltischen klank. Bohort, dat was de reus met de basstem en Ywein, dat
+was de tenorelijke stotteraar en naast hen wil ik roemen Acglovael en
+Sagremort, Gwinebant en Galehot, Didoneel en Mordret, Hestor en
+Meleagant. En als zij elkander eens riepen of noemden, deze ridders met
+de sonore namen:
+
+--Hei, Galehot! Ha, Gwinebant! Hoor bij Gode doch, Sagremort! Held
+Acglovael! Welkom Meleagant en gij, valiante Hestor! Didoneel en
+Mordret, dat u God moge eeren! Ywein gij en gij, Bohort, o wigant!
+
+...dan weêrdaverden langs de wanden der burchtzalen, verlucht met de
+tafereelen van dier ridders eigene heldendaden, de, niet minder dan de
+Keltische, oer-oude adelsnamen, sonoor-klinkende echo's en was het of
+lichte donderrommelingen elkander opvolgden onder de lage verwulfsels en
+langs de plomp breede pijlers.
+
+Maar er was nog een andere ridder, die nooit aan zat en die heette
+alleen maar Keye. Keye... dat klonk niet sonoor tusschen de Keltisch
+sonore klanken; Keye, dat klonk geniepig, venijnig; dat was tusschen het
+dondergerommel als de steke van een wesp: Keye... Dààr, dààr heb je weêr
+een onzachte prik: Keye... Zoo héél even maar: Keye... Meer niet dan een
+muggesteek: Keye.... Welnu, toen de Koning, teerderlijk omhelsd
+houdende Guenever en Lancelot en gevolgd door den degelijken Gawein,
+zich verwijderde door het vergier, trad Keye van ter zijde op en gluurde
+schuin spottend, met kwaden scherts, naar de edele vier. Hij loenschte
+een weinig met één oog; hij hinkte een weinig met één been; zijn eene
+arm was, o een weinig maar! korter dan de andere. Hij had de zoogbroeder
+kunnen zijn van den Koning maar hij was het niet want zijne moeder had
+hem gespeend om Koning Artur te zoogen. Hij was echter tot drossaet
+benoemd en liep steeds met zijn sleutelbos aan zijn gordel. En was Artur
+een majesteitelijke Koning geworden, Keye, zonder ooit één heldendaad,
+zonder Aventure en zonder liefde, was geworden als een booze dwerg, als
+een nijdige gnoom en hij spotte, hij spotte altijd.
+
+Zoo als hij ook nu spotte, achter de edele vier, knikkende met zijn
+grauw ruigen gnome-baardkop.
+
+--Schouwt eens wat eensgezinde familie! God geve hun eere, o ridderen!
+Wie zijn die?? Vader met dochterlijn en schoonzoon, dacht mij??
+Schildknaap er achter? O neen: het is, bij alle Engelen van den Trone,
+de wigantenrug van Gawein, die allerdapperste, ook voor de vrouwkens!!
+En het is, tusschen Guenevers vrouwruggetje en Lancelots mannerug, de
+roode mantelrug van onzen Koning! Ik herken niet zoo goed ruggen als gij
+zekerlijk wel doet, valiante ridderen, gij allen, op uwe beurt,
+allerdapperste, die steeds ruggen voor u uit zaagt vlieden!
+
+En Keye lachte grinnikend en de ridders, nog na geeuwende en rekkende,
+zagen hem norsch van ter zijde aan.
+
+Toen nam oude Keye twee ballen en speelde met zichzelven bal in het
+vergier en hinkende was hij lenig en loensch miste hij niet één van de
+twee, die hij beurtelings, en onder zijn arm door, op ving.
+
+--Op een goeden dag, zoo helpe God, nek ik hem nog, zeide Bohort. Zoo,
+tusschen mijn vuisten: krkk!
+
+En Bohort, met zijn reuzenvuisten, gebaarde of hij eene kele omspande en
+wurgde.
+
+De tien ridders traden loomelijk de zaalpoort uit. Zij kwamen op het
+opene burchtplein en zetteden zich op de ronde bank, die stond onder een
+breedkruinigen kastanjelaar, vol van opgestokene bloesemkeersen. Zij
+zetten zich allen ter neêr, de machtige beenen wijd, met nu en dan nog
+eens een geeuw.
+
+--Bi caritate, het wordt wel van groote noye tot Camelot! meende Galehot
+en gaapte: tien jaar geleden had hij drie draken verslagen en twee
+jonkvrouwen bevrijd uit betooverde kasteelen, maar als hij niet gaapte,
+glimlachte hij steeds gracielijk als men van de jonkvrouwen en draken
+sprak.
+
+--Smacht gij, Galehot, naar uw vierden drake? vroeg Gwinebant, jongste
+en schoonste van allen, neef der koninginne en zoo blond als zij: hij
+had, heél jong nog, achttien jaren, met Sagremort en Acglovael Lancelot
+eens verlost uit het Dal van den Dollen Dans, waar wie was binnen
+gedanst, bleef dansen tot hij dood viel.
+
+--Neen ik! zeide Galehot. Bij Sint Jan, dat niet, Gwinebant. Een draak
+dooden, onder ons gezegd, is niet zoo roemrijk fayt van wapenen.
+
+--Het gebeest spuwt tòch vier, God weet!? weifelde Sagremort, brauw
+gefronst.
+
+--De reus, Sagremort, zei Galehot; dien gij te eenen werf hebt
+verslagen, was zekerlijk geweldiger tegenstander dan mijn drie draken
+waren.
+
+--Bij den goeden dage! beäamde, klein maar dapper, Meleagant, die ook
+wel een paar draken gedood had. Galehot heeft wèl recht!
+
+--Ik, zeide modestelijk Hestor; heb alleen en zonder bijstand tien
+keytieve ridderen den een na den ander in den zande doen bijten, eenige
+geschaakte damoselen bevrijd maar een draak en heb ik nie vernomen!
+
+--Een drake is met één prikke te pointe in zijn buik al doodelijk
+gewond, kleineerde Galehot.
+
+--Spuwt het gebeeste vlamende vier ofte en spuwt het dat niet? vroeg,
+brauwen gefronst, Sagremort. Dat is de vrage!
+
+Galehot hief de breede schouderen hoog.
+
+--Wen gij er tegen spuwt, schroeit zijn aâm zelfs niet! Dat is
+alleenlijk wat sulferachtig geblaas, dat stinkt.
+
+Hierom schaterlachte Acglovael want hij schaterlachte veel, ook als het
+niet van pas kwam, en lachende nog, hoewel het onderwerp des gespreks
+heel ernstig was, zeide hij:
+
+--Gij konst toch verstikken wen een drake blies en de luchte om u
+bedierf?
+
+--Of het geheele foreest konde in barning geraken! verzekerde boos
+Didoneel. Alzoo helpe mij Sint Michiel!
+
+--Of dat konde gaan aardbeven en tempeesten daarbij als het monster uit
+zijn spelonk kwam, beweerde ontstemd Mordret: Mordret en Didoneel, die
+wel draken hadden bekampt maar nooit ééne damosele bevrijd, vonden het
+voor hunne twijfelachtige glorieuzigheid niet aangenaam, dat Galehot
+zijn eigen heldendaden zoo verkleineerde....
+
+Maar Galehot bleef de schouders halen.
+
+--Ik herhaal, zeide hij; éene prik te pointe in zijne weeken buik en....
+Is een drake eigenlijk wel een drake, Sagremort? Mijn draken en waren
+niet meer dan lezarden maar gevlerkt en zoó schadelijk niet!
+
+--De onze waren draken! verdedigde zich Mordet.
+
+En Dioneel zeide somber:
+
+--En maakten wel degelijk groot dangier.
+
+--Even veel dangier als die damoselen, die gij bevrijddet! riep Keye,
+knikkerende nu met de ballen.
+
+--Gij zegt wel, Galehot! meende Sagremort en ontfronste de brauwen. Een
+draak bestond--misschien?--even min als een reus! Was de reus, dien ik
+velde, wel een reus? Of was hij niet dan vileinig ribaud, die een paar
+voet hooger was gewassen dan ik??
+
+--Dddd...aar zijn wij het immm...ers al lll...àng over eens, kwam Ywein
+aan; dat reuzen ende ddd...raken niet en bb...estaan.
+
+--En Wonder even min, zoo helpe mij Sinte Mariëns Kind! bevestigde
+Bohort wat ruw. Wat wij deden, was kinderespel. Wij telden niet meer dan
+twintig vroegzomeren, toen wij die aventuren volbrachten en groot jolijt
+dreven wen wij er een ridderlijk meende te hebben doorgemaakt maar
+eigenlijk was het mallen....
+
+--Met onszelven, viel Galehot in.
+
+--En van alle mijne wonden, ging Bohort voort; heb ik zelfs geen
+lijkteeken over omdat ik in den Yvoren Bedde werd verpleegd, waar alle
+wonden in één nacht genezen.
+
+Keye's spotlach grinnikte, oud, slecht en venijnig.
+
+--En dus is dat Yvoren Bedde, waar alle wonden genezen, geen tooverbed?
+O, Bohort, gij werkelijke reus, je kop is groot als Goliaths maar je
+verstande is dorperlijk klein, wees des gewes, man!
+
+--Ik ben die gone, die je om je kwade lachter nog eene werve verderven
+zal, heer Keye! dreigde Bohort en liep met beide vuisten open op Keye
+toe.
+
+Maar Keye gebaarde of hevige vrees hem beving; hij veinsde te vluchten
+achter een boomstam, hoe oud hij ook was, vlug hinkende en riep:
+
+--O, wat felle liebaert! O, wat vreeslijke lioen is los gelaten in dit
+vreêzaam vergier! Helpt mij, helpt mij, gij alle Heiligen van Paradise!
+
+Een naderend gesnor snorkte aan door het blauwe geluchte.
+
+--Dat is Merlijn! Dat is Merlijn! riepen door malkanderen de ridders met
+groot misbaar en Ywein riep:
+
+--Ddd...dat is Merlijn!!
+
+Acglovael schaterde, niet omdat Ywein stotterde, maar omdat hij wel heel
+veel schaterde en van pleizier....
+
+En de ridders wezen malkanderen, nog in de verte, een wijd vliegenden
+vogel, die aanvloog, windesnel.
+
+--Op zijn fenix, die ook geen Wonder is! grijnsde Keye den ridders toe.
+Maar die geene van gondere wiganten verstaat!
+
+De ridders staarden verrukt omhoog. In der daad, daar zweefde een blauwe
+fenix aan, maar zijn vlucht verwekte vreemd rhythmisch geruisch en er
+snorde en snorkte iets geheimzinnigs in hem. Zijn smalle nek droeg een
+fantastischen vogelkop met pluimen en al zijn geveêrte geleek wel
+juweel, zoo schitterde en schakeerde het pauwachtig om hals en oogen,
+heel groot en de wijde wieken, waarop hij in cirkel dreef boven den
+burcht, schenen wel van blauwe zijde gestrekt. Het was de toovervogel
+van Merlijn, den toovenaar en Merlijn zelve bereed hem en zat in het
+gouden geveêrte van den hollen rug en richtte hem en wendde hem naar
+believen, tot het zwevende tooverdier met zwierige drijfvlucht in den
+ronde neêrdaalde in het vergier, op leêg grasplein en toen, trillende,
+stille stond.
+
+Merlijn steeg af en naderde hoofsch groetend de ridders. Hij was van
+Arturs en Keye's leeftijd, maar omdat hij elken morgen baadde in zijne
+fonteine der Jouvence, zag hij er jonger uit dan alle die ridders en
+geleek meer een ondeugende jongeling met een baard.
+
+--God van Hemelrijk geve u eere! riep hij luid, terwijl hij, pralende in
+gracielijke samaar van rood sindaal, zijn lokken zwart, zijne brauwen
+gelijk schorpioentjes opstekende hun scherpe tangetjes en zijn cierlijke
+baardje geknipt met felle punt, over het grasplein naderkwam. Ik ben
+gekomen om mijn Koning eere te doen, maar is hof dan al gehouden, dat ik
+u allen hier aantref in lediglijk vertier en lentegepeise?
+
+--Wij spreken, zeide Sagremort en fronste de brauwen, wat hij steeds
+deed als hij twijfelde; of wonderen, reuzen, draken en heldenfayten
+bestaan, Merlijn!
+
+--Het Scepticisme heeft jullie in de klauwen, o Sagremort! waarschuwde
+Merlijn.
+
+--Het wie? Het wat?? vroeg Acglovael schaterlachende.
+
+--Des Duivels zone, zeide Merlijn. Als jullie vertwijfelen aan jezelf,
+gaan jullie stappans na den doode Hellewaart!
+
+--Maar Mordret en Didoneel twijfelen niet, o Merlijn! grinnikte Keye,
+van achter een dikken boomstam. En zullen toch niet ten Hemel gaan!
+
+Didoneel en Mordret hoorden hem niet; zij waren te zamen in geheimvol
+fluistergesprek. Waarover? Dat wil ik u nog niet zeggen....
+
+--Ik twijfel niet heelemaal, zei Sagremort; maar ik weifel veel,
+Merlijn. Zeg mij, Merlijn, is je vliegende vogel werkelijk een vogel van
+tooverië? En al die schoone beziensweerdigheden in je burcht, is dat
+tooverië? En magië? Als gij met een van zelven snellenden wagen over den
+gladden wege vaart, is dat werkelijk dan magië?
+
+--Het is alles magië en tooverië, Sagremort! verzekerde Merlijn. Zoo
+goed als de Wonderboom, dien ik der koninginne gemaakt heb en op welks
+gulden twijgkens duizend vogelkens kwinkeleeren, en het Yvoren Bedde,
+dat ik ook maakte en waarin uw aller wonden genezen.... Het is alles
+tooverië, Sagremort!
+
+Keye, om den azuur gewiekten fenixvogel, die stond op het grasplein,
+hinkte, oplettende, en telkens luid lachende rond om het enghien.
+
+--Tooverië! riep Keye. Tooverië! Staal is de vogel en zijde, juweel is
+zijn kop en zijne oogen zijn diamant en hij snort en snorkt als hij
+oprijst, wen Merlijn hem drijft het geluchte in! Hij snort en snorkt
+door tooverië! En wie er aan twijfelt, gaat Hellewaart!
+
+--Merlijn! vroeg Bohort. Waarom sinds tien jaren en meer, kondde geen
+Aventuur zich aan?
+
+--Is het omdat wij twijfelen? Omdat wij weifelen met Sagremort? Omdat
+wij geen lijkteeken overhielden van alle onze verledene wonden?? drongen
+om Merlijn de ridders.
+
+--Wacharme! Mocht wederomme Aventuur zich melden, om ons van dit gepeize
+te redden!
+
+--Om ons te redden van deze vernoye!
+
+--Ook al geloofden wij niet aan den Aventure! zoo riepen om beurten
+Sagremort en Acglovael, Hestor en Meleagant, Galehot en Ywein en Bohort.
+Maar Gwinebant, de schoone knape, der koninginne neef, riep niet mede
+maar hield Mordret en Didoneel in het oog, wat of die toch smoezelden
+zoo met elkaar.
+
+--Hoort! fluisterde tot de ridders Merlijn heel Zacht--om Keye, die
+steeds nieuwsgierig, rondom den fenix, hinkte. Ik kan met magië wel een
+Aventuur bereiden of liever een Aventuur herhalen zich doen, omdat
+eigenlijk alles in dit leven zich herhaalt maar telkens anders en dat
+noemen wij evolutië....
+
+--Welk Aventuur?? drongen de ridders rondom Merlijn.
+
+--Eén, fluisterde Merlijn geheimzinner, vinger omhoog; dat alléén Gawein
+volbrengen kan en herhalen, omdat hij gelooft en smacht!
+
+--Hij was nooit trouw aan zijn vrouw! zei Galehot; maar trouw bleef hij
+aan Wonderwet!
+
+--Hij beminde vele vrouwen, fluisterden de ridderen onder elkaâr; maar
+boven haar allen: Het Aventuur!
+
+--Gawein zal het Wonder en Aventuur dan gebeuren! fluisterde Merlijn.
+Gawein zal het zich konden. Wat het zal zijn? Ik denk: een Zwevende
+Scaec, als het de laatste male reeds was. Komt, lieve vrienden, deze
+nacht in mijn burcht, om ons te beraden!
+
+De ridders beloofden het, blij om de samenzwering. Zij beloofden
+malkanderen op handslag geheim te houden, dat Merlijn het te gebeuren
+Aventuur zoû bereiden.
+
+Keye, met zijn bos sleutels, hinkte weg, om bevel voor het noenmaal te
+geven en Merlijn riep tot Mordret en Didoneel:
+
+--Didoneel en Mordret, komt gij ook in mijn burcht deez' nacht?
+
+--Wij zullen komen, Merlijn!! stemden haastig de twee ridders toe,
+opschrikkend uit heimelijk tweegesprek.
+
+--En gij, Gwinebant? vroeg Merlijn.
+
+Gwinebant was jonger dan de anderen: over de schouderen was hij breed,
+den neus had hij schoon en recht, voorhoofd breed en glad, oogen grauw
+en wenkbrauwen bruin, haar had hij krisp en blond, hals sneeuwwit en
+rond, zijne lieren bloeiden als rozen, een kuiltje lachte in zijn kin,
+om het middel was hij smal: zoo was hij volmaakt naar alle leden.
+
+Hij beloofde Merlijn te komen maar zijn peinzen was noch bij het
+aanstaand Aventuur noch bij Didoneel en Mordret, want hij minde een
+verre jonkvrouw....
+
+En als hij, zoo als nu, de koninginne, zijne moei, zag dwalen door het
+vergier, immer met Lancelot, dien zij minde en wien zij trouw was als
+hij haar, zuchtte Gwinebant van onvoldaan verlangen, vooral als hare
+wijle woei op den wind en zij zekerlijk malkanderen kusten, onder de
+stuivende appelebloesems....
+
+En dan dacht hij aan de jonkvrouw, die hij minde, aan Ysabele, de
+schoone, princesse van Endi en Koning Assentijns kleindochter...
+Ysabele, die hij niet wist hoe te winnen omdat hij te schuchter was, al
+was hij neve van koninginne Guenever....
+
+--Gwinebant, welschoone knape, dien ik krank van minne raad, wilt gij
+Lancelot, dien ik niet storen wil, nu dat de koninginne en hij met
+malkanderen drijven zoo amoreuselijk dat groote solaes, die zoete
+melodië in het appelbloesemend vergier, kond doen, dat ik ook hem beid
+in mijn burcht, deez' nacht, om te beraden van nieuwe dingen?
+
+Gwinebant beloofde het.
+
+--Ja, ik Merlijn....
+
+En zuchtte diep want smachtte, naar Ysabele....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+
+Die nacht was de Koning van weemoed moê en had zich vroeg te ruste
+begeven hoewel de maan licht aan den hemel stond en bosch en burcht zoo
+zwart en romantisch Romaansch tegen die klaarte zich teekenden, dat
+schoener nacht zich niet denken liet. Door de duistere schaduwen en
+blauwwitten lichtval in de schuimblank bloesemende vergieren wandelden
+Lancelot en Guenever, of zaten op de marmeren bank en hare wijle, als
+witte nevel, waar maan door scheen, sluierde om beider hoofden hun
+staâgen kus. Gawein ook was ter ruste getogen, maar Keye, de drossaet,
+hoorde in de nacht vreemd rumoer, onderdrukt, en zag uit, uit zijn rond
+raamke, hoog in den burcht, zijn neus plat tegen de kleurige ruitkens.
+Hij zag ter andere zijde des burchts de kemenade der koninginne verlicht
+met een geligen schijn van toortsen en meende, dat zij niet sliep en
+Lancelot evenmin, maar dat was bekender zake, waarom Keye niet zoû geven
+een aas! Doch, om het rumoer spiedde hij uit in den binnenhof en
+werkelijk, in het schuin vallen van maan en van schaduw, die verdeelden
+den hof tusschen haar beiden met één lange streep dwars over de muren en
+torens en pavement, zag hij de achterhand van een ros, dat, getuigd, een
+garsoen bij den teugel hield.... En zag hij Lancelot uitkomen de poort
+van den toren van Guenevers porprijs, zag hij de gelige toortsen dooven
+en vernam toen meerder paardgetrap en, bij alle engelen van den Trone!
+zag hij de geschaduwde of even maan-opgelichte ridderen, te peerd, den
+cour uit rijden, dien hij zelve had doen sluiten. Lancelot, opgestegen,
+voegde zich in hun midden en zij reden, als schimmen, altemaal weg....
+Hij kon ze niet volgen meer, maar waar gingen zij henen? Hij verbaasde;
+hij stond versaagd en verwonderd; hij verstond niet, dat in de nacht
+alle Koning Arturs ridderen van Tafel-Ronde--want dat Gawein hun
+ontbrak, had hij niet bespied--Camelot zouden verlaten om wie weet waar
+heen te gaan?! En furieus, dat zij de dichte poorten wisten door te
+komen, alle de dichte poorten zekerlijk, die naar alle de bruggen van de
+elf grachten toegang gaven, nam hij zijn zwaren bos sleutels, dien, om
+niet te rammelen en den Koning te wekken, hij wikkelde in een slip van
+zijn mantel, verliet zijn closet en hinkte, een licht in de hand, van
+schoentip op schoentip, de sombere, zwijgende gangen van den donkeren
+burcht door. Daalde de smalle trappen af, opende zachtkens de hoofddeur,
+keek om en om en uit en uit, spiedde éenoogig in duister, hoedde voor
+maan zich ter eene en sloop in de schaduw ter andere zijde, naar de
+poort, om te zien of zij toe was.... Werkelijk, zij was gesloten en toen
+hij haar nu zelve geopend had en uitgekeken naar de tweede poort aan de
+andere zijde van de eerste gracht--een brug er over, die opgehaald was,
+bevond hij, dat, werkelijk de tweede poort ook gesloten was...! Zoo
+vermoedelijk zouden àlle poorten wel gesloten weêr zijn na der ridders
+geheimvolle uitvaart en Keye verwonderde zich.... Hoe, bij den rijken
+God van Hemelrijk! hadden zij zich alle de verschillende sleutels na
+laten bootsen?? En plòts begreep hij: het was Merlijn! Het was het
+Wonder, dat zij wel eens betwijfelden omdat zij moê waren des tien jaren
+wachtens op Aventuur, maar dat er toch was, vooral in Merlijns euvele
+wetenschap! De poorten wederom gesloten, hinkte, schuin oogend met één
+oog, Keye terug, boos en bang, zich nijdig vragend wat het er toe deed
+zoo vele poorten elken avond met vele sleutels te doen sluiten als toch
+Merlijn met tooverkunst... en met Wonder...! Hij rilde nu van vreeze.
+Waar waren zij heen, die keytivige feloenen, die booze ribauden? Denken
+kon hij zich niet anders dan dat zij waren te Merline-waart maar waarom
+en wat speelde hun door de zinnen? Hij sloop weêr terug in den burcht,
+sluitende iedere poort achter zich met licht getinkel der sleutels, toen
+zijn zoekende hand zich verwarde in den bos en hij er zocht in zijn
+mantelslip, het lichtje telkens neêr zettende op het pavement en dan
+weêr moeizaam het beurend, in vreemd gespook van geschaduw, tot hij
+eindelijk, hinkend en boos, de nauwe gang zich terug af sleepte waar der
+ridderen kemenaden uit kwamen.... Tot hij plots hoorde in Gaweins closet
+als den diepen zucht van een, die slaapt en zich ommewendt in zijn
+slaap.... Hij dus niet? Was Gawein niet mede? Waren alle de anderen wel
+mede?? En Keye sloop terug en hij luisterde aan deze deur, aan die deur,
+hij ging ter andere zijde, hij legde oor en oog tegen de kier en hij
+besloot, dat alle de anderen waren mede getogen want er was niet het
+minste geruchte, noch van Bohorts reuzegesnork, noch van schoonen
+Gwinebants murmelen in liefdedroom noch van wat ook, dat hem denken kon
+doen, dat Ywein de stotteraar, Sagremort de twijfelaar, Acglovael de
+lachebek, Meleagant en Hestor of Mordret en Didoneel--die beide
+schalken, die nooit een damosel hadden gewroken!--zich te ruste hadden
+gelegd. Ook Galehot niet, die zijn draken tot groote kikvorschen
+kleineerde? Neen, ook hij niet.... De kameren, nu Keye spiedde, voelden
+ledig aan, ja wàren ledig.... En Keye ging terug naar eigen kamerkijn en
+hij dacht:
+
+--Wat zweren zij samen, die kwade jongens? Of in welk kwalijk huis gaan
+zij zich divertieren....??
+
+ * * * * *
+
+Maar al rees er ook wel in de foreesten van het Land van Logres,
+tusschen de vele burchten, een burcht op, waar schoone en slechte
+vrouwen tusschen feloenige ridderen de goede ridders belaagden en binnen
+lokten, de elf makkers dezen avond--vergeet niet hunne sonore namen, die
+immers zijn Lancelot, Bohort en Ywein, Mordret en Didoneel, Hestor,
+Meleagant en Acglovael, Sagremort, Galehot en Gwinebant!--reden rustig
+stapvoets, gewapend als steeds maar aan Aventuur niet geloovig, de
+zwarte, donkere wegen langs, die zij zoo goed kenden, om dan in eens
+tusschen het ijlere, doorzichtige loover uit te komen op vlakte of
+viersprong, waar de witte maan over vloeide als loome melk tegen der
+boomschaduwen zwarten inkt. Zoo liebaert noch drake school in dat zwarte
+of plots dreigend uitschoot over dat wit, het geheimenis weefde er wel
+door de geluidlooze stilte of zweefde den ridders voor door den val van
+het manelicht en geleidde de zwijgende ruiters naar den burcht van
+Merlijn. Slechts brieschte nu en dan een ros en kraakte het kreupelhout
+onder zijn ijzeren hoef....
+
+En plotseling, op wijdener opene vlakte, rees de burcht vreemd op, zoo
+geheel anders dan Camelot en niet Romaansch en niet middeneeuwsch
+romantisch maar meer verrassend Oostersch grillig, met blankere muren,
+spitsere torens, flamboyant en Gothiesch reeds, ongemeen nog deze
+wereldfantazie, in een wijden, witten rozentuin vol reuzekelken, die
+stoomden-uit wolkjes van zichtbaar wit neveligen geur en geen gracht of
+wal beschermde het, in de maan als een diamant schitterend, slot. Zoo
+scheen het wel een kasteel van blanke tooverië, dat niemand ooit zoude
+naderen dan wie wist welkom te zijn en niet plots doorschokt te worden
+met den tooverschok, dien veroorzaakten de geheimzinnige, metalen
+draden, tusschen de rozen verborgen en die doodden wien hunne hevigheid
+voer door het heftig doortrilde lijf....
+
+Zekerlijk zag Merlijn, zagen zijne trawanten reeds van verre door
+tooverkijkers van kristal of diamant den stoet naderen, want plotseling
+schitterde, bij wijze van welkomstgroet, geheel het slot om poorten en
+ramen en torentinnen van licht, heller dan starrenschijn en de grootste
+poort week open om een verschiet van diepsten gloed....
+
+--Ik dacht wel, dat het Wònder is, zeide Hestor verblind; waarmede
+Merlijn zijn kasteel zoo doet gloeien!
+
+--En tooverië, zeide Meleagant; waarmede hij zonder sparen doodt wie
+zich verwart in zijne felle draden, die liggen verholen tusschen de
+rozen, serpenten gelijk.
+
+--Vroô ben ik, dat hij ons vroed maakte van zulke booze hinderlage en
+dat wij weten den weg tusschen de zoete rozen, lachte Acglovael.
+
+--Rechts af ter poortewaart, mijn lieve gezellen! waarschuwde Lancelot.
+
+--Het is diablerië, die niet en door riddermoed noch kracht ware te
+overwinnen! bromde Bohort, onder den indruk.
+
+--Het is dia...dia...dia...bbblerië! was Ywein het eens.
+
+En desniettemin is Merlijn de magiër vol goede prise! loofde de schoone
+Gwinebant met zijn stem, die was als een nachtegaal klaar.
+
+--Zouden al zijne treken wel diablerië zijn? twijfelde, brauwfronsende,
+Sagremort. Of tooverië zelfs? Of alleenlijk maar...?
+
+--Wat, Sagremort? drongen op hunne rossen de ridders om den twijfelaar
+rond. Bij caritate, wàt Sagremort?
+
+--Clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen! Hij leest véél in
+heel dikke boeken!
+
+--En al ware het al clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen,
+zoude dat dan niet diablerië ook zijn?
+
+--En tooverië? riepen Mordet en Didoneel, om wat mede te zeggen, want
+zij waren in eindeloos tweegesprek, fluisterend en de andere ridders
+letten hen op: Gwinebants donkere oogen begluurden hen fèl.
+
+--Gij zegt wel, bij Sint Michiel! gaf Sagremort zich wel weêr gewonnen
+maar dacht toch na, brauwen fronsende en ontfronsende.
+
+Maar de ridders waren tusschen de rozen, die hoog stengelden en wijd
+bloeiden en zichtbaar welriekende stoofden, gereden tot op een
+voorplein; er stonden op voetstukken marmeren figuren in het rond,
+voorstellende de helden, die gestreden hadden voor en in Troye, waarvan
+de blinde Homeros gezongen heeft en de goden en godinnen, die hen
+beschermden en er stonden ook Aeneas en vrouw Dido, van wie een zekere
+Vergilius eens dichtte in de Latijnsche sprake--de clerken en de
+trouvère's dichtten die dichters wel na, en zongen hen na op de lange
+schemeravonden in de kasteelen. En de beelden waren zoo schoon, dat de
+ridders zich verbaasden, iedere maal, dat zij ze zagen.... Tal van
+garsoenen schoten toe, terwijl de ridderen afstapten en grepen bij de
+teugels de rossen; een seneschalk naderde met een stoet van dienaren, en
+toen de elf ridderen binnen traden, doofde plots, voor de poort nog zich
+sloot, al de illumineering van het slot. En verbaasden de ridders steeds
+om de prachtige inkomst van breede, marmeren trappen, met de blanke
+goden- en heldenfiguren ter weêrszijden bezet en dan die felle gloed,
+die straalde òp voor hun blik en doofde dadelijk weêr achter hun tred.
+Hoe Merlijn toch meester was over licht en donker! bepeinsden zij allen
+nu wel en zij stegen de treden op en Merlijn heette hen wellekom boven
+aan de trap en zij vonden, hij was zoo jong niet meer als dien morgen
+vlak na zijn Jouvence-bad; hij had een goediger gelaat, meer gerimpeld
+en onder zijn puntdiadeem scheen zijn haar even gegrijsd en zijn
+gestalte boog even, gebrokener, in zijn stijf van gesteente, scharlaken,
+wijde magiërsamaar. Zijne wellieve gasten voerde hij naar een groote
+zale, die was van zuilen zoo schoon en doorzichtig als nergens in Land
+van Logres een burchtzaal, en de ridders, vol tuitinge van love,
+verbaasden.
+
+Toen zeide Merlijn:
+
+--Ik heet u, lieve gezellen, wel dank, dat gij gekomen zijt om samen te
+rade te gaan over wat wij bedochten om uit deze vernoie te raken van
+aventuurloosheid, die vooral onzen beminden Prins en Gawein zoo bedrukt
+en smachten doet. Ik heb bedacht te hunner weldade een Zwevend Scaec
+Camelot binnen te laten vliegen, als tien jaren geleden geschiedde, en
+zoo gij wilt, zult gij allen mij trouw zijn en niet verraden, nu ik u in
+mijn vertrouwen neem, want ik heb u allen van noode. En om u wederom
+goed en duidelijk te doen heugen van zoo lang verledene maar voor Gawein
+glorievolle Aventure, wil ik u de Verledenheid voor tooveren opdat gij u
+allen ziet in de dagen van weleer, toen gij twintig vroegzomeren teldet
+en zoo frissche knapen waart, allen vol vertrouwen in Aventuren en
+Wonder en Heldenfayten....
+
+En hij wees den elf ridderen elf wijde zetels aan. Zij zetten zich en
+Meleagant vroeg:
+
+--Zien wij de Verledenheid wellicht in een grooten smaragd?
+
+--Neen wij, zeide Merlijn. Salomo zag het Verleden in een grooten,
+ronden smaragd, die zijn magische spiegel was; ik toon u dat eenvoudiger
+op dezen witten wand.
+
+En hij toonde vóór de ridders een witten wand, die was gelijst in
+gouden, vlammend geloover en de wand was een vierkant amelaken gelijk,
+gespannen strak en ontvankelijk voor alle des Verledens beeltenis.
+
+--Tooverië? Of geen tooverië? vraagde zich Sagremort af. Dat is de
+vrage!
+
+--Tooverië! Tooverië! verzekerde Merlijn.
+
+En met eenen doofde de zale van alle lichten en straalde alleen aan de
+overzijde des witten wands een geheimvollen lichtbundel uit met felle
+stralen: er snorde en draaide iets onzichtbaars, en....
+
+De ridders, plots, zagen in trillend beeld op den witten wand ontrollen
+het Verleden zelve, hun eigen Verleden! Zij schrikten heftig op. Te
+twijfelen voor Sagremort, niet-te-weten voor Galehot was ondoenlijk, om
+dit sobere feit.... Aan den smaragd van Salomo hadden zij misschien
+nooit één van allen geloofd; aan Merlijns blanken tooverwand, waarover
+het Verleden óp trilde, moesten zij wel gelooven! Want zij zagen zich
+allen, maar tien jaren jonger, zitten in de Ronde-Tafelzaal, rondom de
+Tafel-Ronde! De Koning, zoo krachtig en fier nog, vergeleken bij den
+weemoedigen grijsaard, die hij nu was.... Gawein, reeds ernstig, maar
+even jeugdig als zij allen toen waren geweest.... Gwinebant, bijna een
+knape, van achttien lentes nauwelijks. En de stoel aan 's Konings
+rechterzijde leêg, als dien morgen, want Lancelot met de jeugdige
+Guenever, wandelde de bloesemende vergieren door, soms teederlijk door
+opgewaaide wijle omwoeld.
+
+--O Wonder! O Wonder!! riepen zij allen. O tooverië! Diablerië! Hoe
+doèt gij het, zeg toch, Merlijn? Ons eigen Verleden, wij zien het voor
+ons! Het en is niet te gelooven en wij zien het...! Toen... op het
+triltafereel over den wand zweefde uit de lentewolken een Schaakbord
+binnen en het zette zich, als een vogel licht, voór Koning Artur en de
+ridders zagen zich allen even ontstellen maar niet lange omdat destijds
+zeer vaak vreemd Aventuur zich meldde. En zij zagen den Koning spelen
+met den onzichtbaren tegenspeler en toen het Schaakbord zich weêr
+verheffen, weg zweven en verdwijnen in het geluchte....
+
+--O Wonder! O Wonder!! herhaalden zij allen.
+
+Ja, zoo was het eenmaal geweest! Zoo en niet anders! Tien jaren her,
+tien jaren her!!
+
+En een huivering, koud, doorvloot hunne elftal heldenzielen, terwijl zij
+in den donker Merlijn zagen uit stralen, steeds zichtbaarder, maar
+steeds ouder ook, met een grauwen baard, die scheen te groeien....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+
+In het zaalgedeemster zagen de ridders op den strak witten wand voor
+zich, als op een levend schilderij, tusschen de al flamboyant Gothische
+krullen der omlijsting--stijl der toekomst nog vreemd aan hun
+aesthetisch bewustzijn--het laatste Aventuur herleven, het Aventuur van
+Gawein, het Aventuur van het Zwevende Schaakbord, dat Gawein den Koning
+gezocht had en gevonden na moeitevolle queste. Ja, nu waren zij er zeker
+van, dat Merlijn het Verleden op nieuw kon doen zichtbaar zijn,
+precieselijk als het geschied was: zij zagen, als het geschied was, zich
+allen zitten blijven, om de Ronde Tafel, toen de Koning rondom vroeg wie
+hem het Schaakbord zoude zoeken; zij zagen toen Gawein rijzen, zich
+wapenen, te paard stijgen op zijn goed ros Gringolette, dat nu nog wel
+op stal stond, maar oud en weinig meer wrochte; zij zagen hun gezel zich
+in het foreest verliezen en stand houden voor een berg, die hem den weg
+versperde; zij zagen den berg, met tooverië, zich openen en Gawein
+verslinden en toen plots, zagen zij Gawein in fellen strijd met den
+draak, terwijl hem de draak in zijn staart omkronkelde! Dat wat zij
+zelven sedert jaren niet meer hadden gezien noch gedaan, een drààk en
+eens ridders strijd met dien zagen zij nu, gezeten in hunne wijde zetels
+en het was als een schouwspel ten vermake! En zij waren allen zeer
+verbaasd en versaagd en verwonderden zich, tot Merlijn eensklaps zeide,
+terwijl het licht in de zale als uit groote edelsteenen, jochanten en
+karbonkelen, straalde overal uit den wand:
+
+--Verder, mijn valiante wiganten en lieve gezellen, kan mijn conste u
+niet toonen het Aventuur van der Aventuren Vader. Mijn diengeesten
+vermochten alleen nog Gaweins strijd met het serpent te fixeeren in
+hunne enghienen, die het Verleden opzuigen en bewaren voor immer. Maar
+wat gij zaagt, is genoeg en zal u herinneren doen hoe het Scaec binnen
+kwam zweven, hoe gij allen weifeldet en zoo, zeg ik u, zal op nieuw, nu
+Pinksteren nadert, een Scaec op Pinksteren-dage binnen zweven en zult
+gij op nieuw, zoo gij mij en Gawein te wille wilt zijn en den Koning
+voor sombere geesteskrankte bewaren, aarzelen op te staan om de queste
+te volbrengen. Dan zal, als hij reeds deed, Gawein zich verheffen; dan
+zal hij ten tweeden male....
+
+Op dit oogenblik weêrklonk een trillende zilveren bel boven een groote
+lelie van parelmoêr en Merlijn zeide:
+
+--Vergeeft mij, mijn makkeren en jont mij, dat ik even spreek met mijne
+zuster, die is de fee Morgueine en zij is vèrre, in haren burcht en belt
+mij op!
+
+De ridders verbaasden zeer, maar Merlijn naderde het toover-enghien der
+groote parelmoêren lelie, en hij riep door de bloem heen:
+
+--Hallo!... Wellieve zuster Morgueine, zijt gij daar? Ja... ja, zeker...
+Volgeerne zal ik u morgen mijn tooverwagen zenden, die van zelve gaat,
+zonder peerdegespan en gij zult zekerlijk er meerder jolijt mede drijven
+op de gladde wegen, die uw slot omgeven aan den zoom van de zee, dan ik,
+die midden in deze foreesten van Logres toch geen nut van mijn schoonen
+wagen heb! Zonder meswende, wellieve zuster, ik zal u den wagen zenden
+en gij zult ondervinden hoe ruischloos hij vaart!
+
+De ridders waren opgetogen en verzamelden zich rondom Merlijn, die zich
+afwendde van de groote, parelmoêren lelie.
+
+--Wat! riepen door elkaâr Sagremort en Acglovael, Bohort, Hestor en
+Meleagant. Bij Sint Jan! Bij Sint Michiel! Bij Maria's Kind, den rijken
+Gode van Hemelrijke! Hebt gij met uwe zuster gesproken, Morgueine, die
+zoo verre woont aan de zee??
+
+--En waarom en zoude ik niet, wellieve gezellen, mijn gevoeg hebben aan
+mijne tooverlelië? antwoordde Merlijn, en zij zagen nu allen, dat hij
+geheel veranderd was en verouderd en voor hen stond als een oude man,
+als een eerwaardige grijsaard met zilvergrijze lokken, zilvergrijzen
+baard. Heeft mijne zuster niet ook in haar slot een dergelike
+tooverlelië--eene sprakebloem heeten wij de schoone kelke--, waarin zij
+met mij spreekt en waarin zij mij spreken hoort?
+
+--Mm...Mm...Mmm...et wie, vroeg Ywein; zijt gij nog meer verbonden,
+Merlijn, door dergelijke sprakeblom?
+
+--Met niemand meer, Ywein, verzekerde Merlijn; want alleen grootste
+tooverconste kan deze aansluiting van slot tot slot bewerkstelligen en
+met Camelot, lace, zoude het niet en mogelijk zijn omdat onzes Heeren
+Konings burcht een huis is naar al te oude zede en costume gebouwd, en
+niet abel voor onze laatste uitpeizinge van tooverië. En nu, mijn
+ridderen, peis ik in mijn moed, dat gij slapen moet gaan en zoete
+droomen hebben, die ik u zenden zal, om morgen, met Pinksterendage,
+voorbereid te zijn op het Aventuur van Gawein, dat zich herhalen gaat
+ten gerieve van onzen held en ter liefde voor onzen Koning, die
+smacht....
+
+De ridderen namen van hun gastheer oorlof met hoofsche manieren; de
+wijde deuren openden en over de trappen, in eenen, straalden de lichten
+op, die schenen te schijnen en te dooven naar mate Merlijn maar zijn
+hand bracht aan een knop van jochant, die hier en daar aan den wand zich
+bijna verborg tusschen het nieuw Gothische geflamboyeer van goudene
+krullen.... Tot Galehot, die hem had bespied, achter de anderen aan
+loopende, nauwelijks toen de seneschalk, naar Merlijns voorbeeld, achter
+de trap neer tredende ridderen het licht had doen tanen, zijn hand
+bracht aan den jochanten knop, dien hij vond en... het juist gedoofde
+licht weer op deed stralen!
+
+--God zij gebenedijd, mijn makkers! riep Galehot. Schouwt eens! Ook ik
+ben toovenaar en laat het licht zijn naar mijn wille!!
+
+De andere ridders wendden zich, zagen het stralen waar zij juist achter
+zich het hadden voelen dooven en verschrikten hevig. En Bohort riep:
+
+--Ik bid Gode om zijne genade, wellieve Galehot!! Draken heb ik
+verslagen, ik en weet niet meer hoe vele, maar vaar heb ik, trots mijn
+ridderschap, voor deze duivelsche gloeilampen; hoe hebt gij ze op doen
+glanzen??
+
+--Zoo ende niet anders! riep Galehot en deed wederom een lamp aan den
+wand opstralen, die juist de seneschalk had gebluscht en hij lachte, de
+ridder Galehot. Maar de andere ridders, en zelfs Acglovael, lachten niet
+en drongen angstig Galehot niet met die tooverenghiene zijn spel te
+drijven....
+
+Niet alle ridders echter waren de trap afgegaan om naar Camelot terug te
+keeren. Toen Merlijn terug in de zaal keerde, na den vertrekkenden
+uitgeleide te hebben gedaan, vond hij Gwinebant, den neef der
+koninginne, misnoegd zitten in een zetel en Lancelot bezorgd voor hem
+staan.
+
+--Wat is er, wellieve vrienden? vroeg Merlijn; en waarom volgt gij niet
+alle de anderen van Tafel-Ronde?
+
+--Krank is Gwinebant, peis ik, Merlijn, zeide Lancelot, die zijn hand op
+des jongelings smal voorhoofd legde. Zijne slapen kloppen met
+hamerslagen en zie zelve hoe bleek zijn lieren zijn. Kunt gij hem niet
+genezen, Merlijn, gij, die toch alle tooverconsten weet en ook die van
+kruiden en heilzame bloem?
+
+Merlijn zag een pooze op den schoonen Gwinebant neer. En toen zeide hij:
+
+--Voorwaar, mijn lieve Lancelot, deze knape, die bloeit anders een roze
+gelijk, boven alle zijne gezellen van Tafel-Ronde, kwijnt den lesten
+tijd, als een gebrokene lelie.... Bij mijne trouwe, niet moeilijk is het
+te raden wat hem scheelt. Hij drijft rouwe, onze lieve Gwinebant, om
+liefdes wille, wees des ghewes! Gwinebant, is dat niet zoo?
+
+--Het is zoo, Merlijn, antwoordde Gwinebant en kwijnende vielen zijn
+anders zoo krachtige armen langs zijn slank jonge leden. Sedert ik,
+maanden geleden, bij het leste tornooi Ysabele gezien heb, de schoone
+dochter van Koning Assentijn van Endi, heeft Liefde mijn zinnen gevangen
+en vervult mijn geest geen andere gepeize dan die aan de jonkvrouw. Want
+de jonkvrouwe Ysabele heeft meer schoonheden te haren deele dan Venus
+heeft, de godinne, die over de Minne gebod voert; Ysabele is schooner
+dan Helena van Sparta of Ysaude van Ierland, die zoo ongelukkiglijk
+Tristan minde; ja, Ysabele is schooner, vergeef mij, o wellieve
+Lancelot, dat ik dit zegge, dan onze beroemde koninginne Guenever en wen
+ik u beiden spanseeren zie door de bloesemende vergieren, dan weet ik
+wel, dat Ysabele verre Guenever overtreft in menigertiere schoonheden,
+maar ai mij, wacharme, dan sterft mij ook het harte in mijn borst omdat
+ik van vlammen verteer en niet weet hoe ik mijn brandenden dorst zal
+drenken!
+
+En minnekranke Gwinebant, gezeten, legde zijn kloppend hoofd tegen
+Lancelots hart als om troost bij een vriend te zoeken, toen Merlijn--wat
+was hij oud, nu dat het over middernacht was!--vinger tegen voorhoofd
+uitriep:
+
+--Ysabele! Ysabele, Assentijns kleindochter!! Maar wellieve vrienden, ik
+had nog niet aan haar gepeisd in mijn moed maar wij hebben haar harde
+noodig voor ons Aventure, dat zich na tien jaren herhalen gaat! Want
+vond Gawein niet Assentijns dochter, Ysabele eveneens geheeten, in den
+Burcht van Endi, waar het eerste Scaec werkelijk binnen dreef door het
+opene venster en nam hij haar niet en mede en huwde hij haar niet aan
+onzes Konings hove en stierf zij niet in kinderbedde! Arme Gawein:
+ontrouw was hij haar dikwijls al minde hij haar, zijn Ysabele, zijn
+lieve wijf, vol van deugden! En eene kleindochter heeft Assentijn, ik
+weet het, van zijn zoon, die omkwam in den strijd tegen Rome en zij is
+geheeten als hare moei was: Ysabele! Ysabele, de tweede Ysabele, zij zal
+haren oom, Gawein, ontvangen te Endi als eenmaal hare moeie het deed!
+
+Gwinebant was opgesprongen, in groote verwarring.
+
+--Wat meent gij, Merlijn? En wat wenscht gij met al uwe achtergedochten
+en toovergepeize?
+
+--Niet anders, o wellieve Gwinebant, dan uw liefde te dienen, zoete
+knape! Lancelot, ga terug tot Camelot, en laat mij Gwinebant. En gij,
+Gwinebant, vertrouw Merlijn, die nie een kwade toovenaar en was, en
+stijg deze nacht nog mede op mijn fenix.... Zoo voer ik u tot Ysabele!
+
+De jonge ridder gaf een kreet van geluk.
+
+--Tot Ysabele! Tot Ysabele! riep hij uit.
+
+Een pooze later reed Lancelot, alleen, in de nacht, terug naar Camelot.
+Dat hij zoû binnen komen door alle de poorten, die Keye zorgvuldig
+gesloten, had, beloofde hem Merlijn, zoo als hij het den anderen ridders
+beloofd had.
+
+En stegen, op de fenix, die Merlijn stuurde, Gwinebant en de toovenaar
+op. De jonge ridder zat achter zijn stuurder en verbaasde zich. De
+schitterend pauwevervig geschakeerde vogel, met recht gestreken wieken,
+azuur in den maneschijn, zweefde hooger en hooger op en uit zijne
+diamanten oogen schoten twee bundels felle lichtstralen, die verlichtten
+den weg door de lucht en de boomkruinen van het nachtelijk foreest. En
+tusschen hemel en aarde, tusschen bosch en sterren, voerde Merlijn
+Gwinebant naar zijn liefde. Van gelukzaligheid glimlachte, open zijn
+zacht hijgenden mond, Gwinebant, de sterren toe of de zwarte
+bladerenzee, beneden even gekabbeld de golven.... Hoe zij zweefden, hoe
+de fenix zweefde! Hoe zij vlogen, hoe de fenix vloog! O tooverië, o
+heerlijke tooverië van vliegen en zweven, de luchten door, de zomernacht
+door, over de wereld, tusschen sterren en bosschen! Tot ginds,
+afgeteekend tegen de klare nacht, de zware burchtsilhouet rees van het
+slot van Assentijn, Gaweins schoonvader--lace, Ysabele, zijne dochter en
+Gaweins lieve vrouwe, zij was verscheiden van deze aarde! Maar Ysabele,
+de jonge maagd, en Assentijns kleindochter, die Gwinebant zoo beminde,
+zij leefde, dààr in dat slot....!
+
+De fenix cirkelde boven het slot: de vogel, nu geruischloos en
+onzichtbaar, door kunst van Merlijn, Merlijn zelve en Gwinebant
+onzichtbaar.... Er was een aanzwellend gesuis rondom in de lucht als van
+vele vluchtige en luchtige vleugelen: een gesuizel, tevens aanzwellende,
+als van honderden stemmen....
+
+--O Merlijn...! begon Gwinebant.
+
+Maar het scheen, dat hij zwijmde, achter Merlijns rug.
+
+--Mijn zoete trawanten! fluisterde naar de lucht, links en rechts,
+Merlijn. Mijn trouwe dienaren uit de lucht! Mijn blijde sylfen:
+hierheen, hierheen op uw lichte vlinderwieken!! Neemt den jongen ridder
+hier bachten mij in uwe armen en geeft zijn lijflijk huls aan mijne
+gnomen in het foreest, ter bewakinge, aan mijn goede gnomen, dat zij hem
+houden in zoete vaak en voert gij zelve, o sylfen! zijne ziele van
+liefde met u tot in Ysabele's droom! Komt! Komt! Neemt hem en voert hem
+met u!
+
+Er was even een manestraal door de wolk, die veronzichtbaarde de fenix,
+Merlijn, Gwinebant.... En in den manestraal verduidelijkte voor
+duizenden geestesoogen, die van boven neêr zagen, het blauwe
+tooverenghien, het zwevende fenixdier... verduidelijkten even tal van
+zilverige sylfewieken, die waren als van waterjofferen en libellen,
+doorschijnende glas, dooraderde vlies: de wolk van sylfen, die droegen
+het bezwijmde lijf van Gwinebant, zacht dalende, dalende laag....
+Verduidelijkten zij daarna zilveriger, in stralender lijnen, toen zij,
+opstijgende uit het duistere foreest, Gwinebants astrale lijf hieven
+omhoog in hare armen, in hare handen, liggende levenloos de schoone
+jongelingvorm in hare stijging.
+
+--Weeft den droom van hier naar daar, van daar naar hier! fluisterde
+bevelend Merlijn en wees van slot naar bosch, van bosch naar slot.
+
+Als met een wijd geweven spinnerag zilverden de ijle draden van slot
+naar bosch, van bosch naar slot terwijl Merlijn, onzichtbaar, op den
+beweegloos zwevende fenix, zijn staf hoog, staande, verroerloosde...
+
+En het droomeweb, het ijle spinnerag weefde voort, weefde voort,
+tusschen aarde en hemel, tusschen ridder en maagd....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+
+In hare kemenade lag de princes Ysabele te bed en sliep. In het lage,
+bruine, gewelfde vertrek, tusschen der wandtapijten beweeglooze figuren,
+die te waken schenen in de zacht gouden schemering van het robijnroode
+lampje voor de beeltenis der Moeder Gods, rees het groote, vergulde
+bedde, twee treden hoog. Het was harer ouderen bedde, en de princes
+Ysabele sliep, als de zede was en de costume, op de eéne plaats, rein en
+kuisch, recht haar blonde hoofdje op het rolkussen met kwastjes, de
+couverture getrokken tot hare borst en haar eene handje over de deken
+heen. Het scheen of zij in haar slaap afwachtte wie haar ter zijde in
+het te groote bedde als haar gemaal zoû komen liggen. In de schaduw, die
+bruineerde tusschen de rossige gordijnen, lag haar wit gezichteke zoo
+zoet als van een kind, met de twee gelokene oogleden onder de duidelijk
+geharceerde wenkbrauwboogjes. Hare lippen openden zich in een onbewusten
+glimlach. Op een treê van het bedde was, ter zijde, haar
+princessekroontje geplaatst. Hare muiltjes stonden zoetjes en recht op
+de pelline, die voor het bedde uit lag. Door het éene kruisraam blauwde
+een weinig de nacht binnen over de twee vazen met bloemkens in de
+vensterbank en achter in het vertrek dommelden goudig de
+schemeringen--dat was om het lampje--over het bidgestoelt. Een koperen
+wijwaterbak glimmelde. Voor het andere raam waren de luiken half toe; er
+blauwde alleen een smalle reep nacht tusschen de kier en het tafeltje
+stond daar, met ter zijde het boekenschrijntje: daar rijden Levens van
+Heiligen en de door clerken van dien tijd opgestelde, tien jaren
+geledene Aventuren der Ridders van de Tafel-Ronde. En het zwart-bruine
+hondje lag te slapen, midden in het vertrek.
+
+Onbewegelijk lag de princes Ysabele. Weeze, was zij de kleindochter van
+Koning Assentijn, wiens land van Endi grensde aan dat van Logres. Somber
+en booze om veel ongeval en smart, die hij geleden had, bewaakte de
+Koning zijn laatste spruit jaloerschelijk. Zij mocht het kasteel niet
+uit dan met dicht gevolg van vele gewapenden, ter jachte of ten tornooi
+of ten pelegrimage en verder bleef zij onverbiddellijk binnen. Twaalf
+muren omringden het slot, tusschen iedere twee muren een diepe gracht en
+het al omringde een diepe, breede rivier, die was van steeds ziedend
+water en wie er in verdronk, verbrandde eveneens. En wie hij zijne
+kleindochter toe had bedacht te slapen ter leêge stede in het groote,
+vergulde bed, was de oude Koning Clarioen van Noordhumberland, aan wien
+Koning Assentijn veel verplicht was, om hulp van wapenen in verleden
+krijg en Koning Clarioen wachtte Ysabele te trouwen tot zij zestien
+jaren volbracht zoû hebben.
+
+Ysabele wist het en had haar grootvader beloofd een lieve vrouw te
+worden voor Koning Clarioen, ook al had hij een grauwen baard en al was
+hij bijna als haar grootvader zoo oud. Zij had gelezen in de berijmde
+kronijken der clerken, dat Koning Artur, van het Land van Logres, ook
+oud was en de koninginne Guenever zeer jong steeds bleef. Zij had ook
+gelezen van Lancelot en dat hij een trouw ridder steeds der koninginne
+Guenever gebleven was meer reeds dan tien lange jaren, en Ysabele
+hoopte, dat, als Koning Clarioen haar gemaal werd, Gode van Hemelrijk,
+Sint Marië's Kind, haar ook wel zulk een lieven, dapperen hoofschen,
+trouwen ridder zoû jonnen. Zij was vol vertrouwen op toekomst. En zij
+lag zoo kalm als een zoet kindeke, recht op het rolkussen, met de oogen
+toe, onder de duidelijke brauweboogjes. Ook het sluimerende hondje
+bewoog niet. En ook bewogen niet de wakende figuren, uit lichtende als
+bewaarengelen op de wandtapijten, in de gouden dommeling der
+schemeringen....
+
+Buiten bruiselde nauwelijks de wind, over de boomkruinen van het woud.
+Was het wind door de blâren of waren het te vroeg ontwaakte vogelen? Of
+was het gesuizel van sylfestemmen, duizenden, maar zoo licht, dat het
+Ysabele zelfs niet in den slaap bewegen deed? Het waren geen
+vogelvlerken, die tegen de blauw beschenen ruitjes tikten des
+kruisraams. Het waren sylfewieken, want zij maakten nauwelijks
+geluid.... Dat was toen de sylfen binnen drongen door het raamke, dat
+niet voor hen bestond. Noch voor hen afsloot binnen van buiten, kemenade
+van lucht.... Binnen drongen, tot zij, duizenden, vulden de kemenade.
+Maar zoo licht, zoo luchtig, zoo niets dan nevel onzichtbaar, wat
+maneschijn meer, naar het scheen. Het hondje bewoog niet, sliep. Maar
+Ysabele had zich lichtelijk omgewend naar de leêge plaats in het bedde.
+En haar andere arm bevrijdde zich van de couverture en beide armen
+strekten en sloten zich nu als omhelsden zij één, die daar lag....
+
+En zij droomde van Gwinebant en omdat de elfen iets namen van haar
+slapende wezen, astrale gelijkenis, droomde Gwinebant, in het foreest,
+waar de gnomen zijn lichaam bewaakten, den zelfden droom.
+
+Ysabele droomde, dat zij wandelde met den jongen ridder, wien zij op het
+laatste tornooi hare losse, lange mouw had gereikt, opdat hij te harer
+eere zoude josteeren tegen de andere ridders en die hij aan den helm
+had bevestigd.... Dat zij wandelden, in zoet jolijt ende solaes van
+amoers, als de koninginne Guenever en Lancelot, van wie zij gelezen
+hadden, waren gewoon.... Over de wallen van het kasteel, door de
+vergieren, in de zalen; zelfs, dat zij samen waren in de kemenade, zaten
+in de vensterbank, tusschen de vazen met bloemkens, lazen in het zelfde
+boek: den Roman van Alexander, den Roman van de Helden van Troje, den
+Roman van Lancelot zelven, dien de clerken juist dichtten in deze
+dagen....
+
+En toen zeide Gwinebant tot Ysabele, in den droom:
+
+--O schoone jonkvrouwe, ik heb u lief, want gij zijt de roze, die over
+alle andere bloemen vol van deugd bloeit in schoonheden.
+
+En Ysabele antwoordde:
+
+--Mijn ridder, vol van deugden en hoveschhede, ik heb u ook zoo lief
+sedert het tornooi, toen gij mijn mouwe vast hechttedet aan uw helm en
+zoo mij Koning Clarioen van Noordhumberland tot zijne koninginne
+verkoren heeft, zult gij mij zijn wat Lancelot is der koninginne
+Guenever, zoo als ik gelezen heb in de boeken, die de clerken dichtten
+en waaruit de minnestreelen zingen en vertellen....
+
+Toen, in den droom, werd Gwinebant treurig, maar hij dorst, om Ysabele's
+reine onwetendheid niet te verrassen, haar niet zeggen, dat hij harde
+veel pijn en verdrietelijkheden zoude hebben, zoo de zoete jonkvrouw met
+den ouden Koning Clarioen zoude huwen. En hij zeide alleen:
+
+Ysabele, mijn zoete jolijt, solaes van mijn vie, hebt gij ooit gehoord
+van ridder Gawein, die met ons mede zit aan Tafel-Ronde?
+
+--Ja, ik, Gwinebant, antwoordde Ysabele. Want Gawein is mijn oom en hij
+huwde mijne moei, wier ziele is in Paradijs,
+
+--Zoo weet, dat hij zal komen, spoediglijk om Aventure, dat hij
+volbrengen zal en het zal goed zijn, zoo gij hem liefdevol ontvangt, in
+de zelfde maniere als uwe moei--Ysabele als gij geheeten--hem ontving
+tien jaren her....
+
+--Ontvangen zal ik mijn oom Gawein, o Gwinebant, als mijne moei hem
+ontving, antwoordde Ysabele.
+
+En zij dreven verder in den droom de zoete melodie te zamen, in kuische
+vreugde en zaligheden, en de kussen, die zij wisselden, werden hun door
+de sylfen gegund, maar niet méér gunden hun de sylfen.
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden dag was het Pinksteren; de klokken der kapel van Camelot
+bimmebamden en de Koning en de Koninginne schreden ter vroegmis,
+zingende zacht in ondertoon de hymne aan den Heiligen Geest, de
+vergieren door, waarvan de bloesems stuivende op den bries over hunne
+hoofden verwoeien. En na de mis, die vierde de kapelaan, zetten zij alle
+twaalf zich om Koning Artur neder in de Ronde Zaal, omme de Ronde Tafel
+van jaspis, zetten zij zich zwijgende, als zij iederen dag reeds deden,
+durende tien jaren, om Aventure af te wachten. Ook Lancelot zette zich
+maar Guenever, tusschen de ooftboomen, wenkte hem, want zij wist van
+niets, dat was voorbereid; omdat vrouwen meer praten dan mannen over
+dingen, die beter verzwegen worden, had Merlijn den ridders verzocht
+niets aan de koninginne te melden. Ook Keye, de spotaard, wist niets en
+hij verbaasde zich zeer, toen Guenever Lancelot tot spanseeren noodde in
+de vergieren--omdat er immers toch nimmer Aventuur meer zich meldde,
+--dat de amys der koninginne haar bediedde met schuddinge des hoofds
+van niet, en dat hij zittend moest op zijn plaats blijven. Waarom de
+koninginne verbaasd en zelfs booze werd, tot zij hare wijle om zich heen
+dichter wond en beleedigd alleen weg wandelde; hare vrouwen die zich,
+bescheidenlijk, eerst hadden terug getrokken, naderden haar, vroegen,
+begrepen niet en begeleidden Guenever toen in hare verpoozing, haar
+noodende naar heur eigen tuin te gaan, waar Merlijns tooverboom stond,
+om de gouden vogeltjes er te hooren zingen....
+
+Om den Koning bleven zwijgen de ridders, terwijl Keye bal speelde,
+alleen, behendiglijk als een jonge man, hoe hij ook hinkte, hoe hij ook
+loenschte. En zorgelijk en weemoediglijk zat de Koning in zijn wat
+motputterig hermelijn en fluweel--mottig ook even zijn zilveren baard,
+en Gawein, naast hem, zat weemoediglijk en zorgelijk als hij. Geen van
+beiden, in het diepst hunner ziel, geloofde meer aan het nieuwe Aventuur
+en dat het ooit meer zoude komen. En zoo zij daar zaten, stil, zwijgend,
+te wachten, met de anderen, Lancelot, Bohort en Ywein, Acglovael,
+Sagremort en Meleagant, Hestor, Mordret en Didoneel, Galehot en
+Gwinebant, was dit meer uit niet te verstoren vroomheid aan het
+Verleden, aan de groote Verleden Dagen, toen zij zelden ten avonddisch
+zich begaven voor zich Aventuur had gemeld en een of twee ridderen ter
+gloriënde queste zich op maakten. En Gawein gaapte even, achter de hand,
+had wel slaap na de mis en nu om het altijd te vergeefsche wachten. Maar
+de andere elf, zij gaapten niet, vol spanning om wat gebeuren zoû. Zelfs
+vloekte Bohort tot Lancelot:
+
+--Bij Sint Michiel, komt er nog niets aan?--waarop Lancelot ter sluiks
+naar de lucht zag en Ywein fluisterde:
+
+--Ge...ddduld dd...an toch!
+
+Zoodat Acglovael een zenuwigen schater moest onderdrukken om eerbied
+voor den zwijgenden Koning en Sagremort, zelfs twijfelend dezen morgen,
+of Aventuur zich melden zoû door toedoen van Merlijn, schudde het hoofd,
+brauwen gefronst. De anderen zwegen steeds: Hestor, modest, zeide nooit
+veel; Mordret en Didoneel keken malkander wel wetende aan omdat zij
+beiden dachten aan een aventuur, dat zij met hen beiden voorbereidden en
+waarvan ik niets anders melden kan dan dat het niet waardig der
+Tafel-Ronde was; o, zoo Koning Artur er van hadde geweten...! Galehot
+glimlachte vol felle nieuwsgierigheid en Gwinebant gedacht zich zijn
+zaligen droom en was, nu Lancelot zitten bleef, bijna niet meer
+jaloersch op de wandelingen door het vergier, omdat hij zich heugde
+eigene droomen en droomzaligheden.... Tot plotseling....
+
+--Zie, zie! riep Gwinebant.
+
+Zij zagen allen op.... En zij zagen allen--zij zagen het!--door de
+blauwe lucht, die zomerde boven de appelaren en tusschen de Romaansche
+bogen groote ronde stukken azuur deed stralen, een Schaakbord zweven,
+zwevende den burcht naderen, zwevende in het ronde dalen, een grooten,
+schitterenden vogel gelijk, zweven toen boven s' Konings oude hoofd, dat
+zich opwendde, opdat zijn ongeloovige oogen konden zien. Gawein was, met
+een forschen kreet, opgestaan; achter de tafel stond Keye, openmonds,
+handen in de zij en geloofde niet wat hij zag en terwijl de koningin en
+hare vrouwen toe liepen en het vergier vulden met hare verbaasde kreten,
+riepen de ridders, allen te zamen, zoo als een koor, dat goed de
+zangmeester drilde:
+
+--Een Wonder! Een Wonder! Een Scaec zweeft ten tweeden male aan!
+
+Zoo de Koning en Gawein en de koninginne en Keye niet buiten zichzelven
+waren geweest in liezen oogenblik van verwondering, zoû het hen zeker
+getroffen hebben, dat de elf ridders zoo maatvol vol en rhythmiesch te
+zamen en te gelijk hun koorzin zin hadden uitgeroepen en gescandeerd:
+Bohort riep met zijn diepst basgeluid, Ywein stotterde niet, Acglovael
+grinnikte maar even en Gwinebant klaterde het uit met zijn
+nachtegaalstem. En de roep deed mooi aan, door de echo's der Ronde Zaal
+herhaald, tot de klanken elkaâr als op een rijtje na liepen langs de
+gepinghierde wanden; toen zwegen allen; wie was opgestaan zette zich en
+terwijl de Koning de oude handen bevende hief, zweefde het Scaec met een
+licht gesnor als van een zwaren hommel, maar véél lichter van geluid dan
+Merlijns fenixvogel snorde, nog even in de lucht en zette zich toen vóor
+Koning Artur.
+
+Diens oude perkamenten gezicht was geheel opgeklaard en scheen
+verjeugdigd van vreugde.
+
+--Het Aventuur van het Scaec komt weêr! juichte de Koning met krakende
+stem.
+
+--Komt weêr! jubelde Gawein.
+
+--Komt weêr! verwonderde zich Keye.
+
+--Komt weêr! sopraanden de vrouwen er tusschen.
+
+--Komt weêr! klonk, als de finale van een opera uit latere eeuwen, het
+koor der elf ridderen.
+
+En alles te zamen klonk het héel mooi.... Nu stond het Scaec van
+tooverië voór den Koning en trots het zweven waren de gouden en zilveren
+stukken niet verward of omver gevallen maar geschaard gebleven naar
+behooren op de velden van agaath en chalcedoon. Wat was het een
+schitterend schoon Schaakbord! De gouden stukken stonden voor den
+Koning, uit hoffelijkheid zeker van den onzichtbaren tegenspeler en zij
+waren cierlijk gedreven: zij vertoonden Koning Artur, koninginne
+Guenever zelve, staande de figuurtjes ten voeten uit; de raadsheeren
+waren ridders der Tafel-Ronde en ieder der twaalf kon zich wel, als hij
+wilde, herkennen, zoo als de beide paarden, de steigerende gouden,
+gelijken konden op de beroemde paarden van elk dier ridders, die allen
+even beroemde paarden hadden, hoewel Gaweins ros, Gringolette, misschien
+het allerberoemdste was, en de kasteelen waren zeer zeker getrouwe
+gesmeed en gedreven naar den Burcht van Camelot. En hoe schoone
+garsoenen en schildknapen waren niet de acht pionnen!
+
+Terwijl de zilveren koning wel iets had van Koning Clarioen van
+Noordhumberland....
+
+Toen, opgestraald van geluk, deed oude Koning Artur een zet: hij zette
+een der garsoenen vooruit....
+
+Een onzichtbare hand speelde tegen.
+
+Allen zagen toe....
+
+En het scheen Gwinebant, dat hij de schimme-hand, die tegen speelde, zàg
+en dat die hand geleek op de hand van Merlijn....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+
+Ademloos volgden de ridders het spel. Want zij waren wel voorbereid, dat
+het Scaec binnen zoû zweven, maar verder had Merlijn hun niets gezegd.
+Ademloos volgden zij dus het spel: Koning Artur, goed speler, mocht niet
+verliezen tegen zijn onzichtbaren tegenspeler. Bedachtzaam speelden
+beiden, met tusschenpoozen vol overdenking en de vreemde atmosfeer van
+het Oneigenlijke vervulde als een raadselachtige geur de zaal.... Uit
+het vergier spiedde ook Guenever toe, hare oogen niet kunnende
+gelooven... spiedden ook hare vrouwen.... Een zwijgen heerschte en de
+vogels schenen te tjilpen in ondertoon.... Noodlottigheid zoû het
+spellen, zoo de onzichtbare den Koning schaakmat zette: ramp zoû dat
+bedieden... En de ridders wisten niet wàt te gelooven. Zeker, Merlijn,
+had het Scaec doen zweven, maar toch, het Zwevende Scaec blééf een
+Wonder: dat waaraan zij, elf van hen, eigenlijk niet meer geloofden, al
+weifelden zij wel eens in hun ongeloof, al twijfelden zij, al wisten zij
+eigenlijk niet of zij moesten gelooven of niet.... Nu, nu zagen zij het,
+als zij gezien hadden het optrillende beeld van het Verleden op den
+witten wand en de lelie der sprakebloeme en al het licht, dat doofde en
+op straalde naar Merlijns enkele handbeweging.... Wonder ofte geen
+Wonder? Galehot poogde te glimlachen, maar niet te best ging het hem af,
+al dacht hij de draken, die hij gedood had, lezarden te zijn geweest....
+Sagremart fronste en ontfronste zijn brauw. En wat ook de anderen deden,
+Gawein, geloovig, staarde toe als op eene openbaring van bovenaardsche
+heiligheid.
+
+Het spel vervolgde zich, met snellere zetten. De gouden
+Camelot-burchtjes in des Konings hand gleden in rechte lijnen, zijn
+goudene paardjes sprongen hun paardesprong; zijn gouden koninginnetje
+nam het zilveren schaakvorstinnetje.
+
+--"Koning!" waarschuwde Arturs jubelende, oude stem.
+
+De zilveren koning liep gevaar. Wel kon hij zich nog redden met een
+achterwaartschen zet, maar toch zoû hij, zonder bizonderste
+schaakgenialiteit, vermoedelijk wel in twee, drie volgende Zetten
+schaakmat zijn.... Allen zagen toe.... Koning Artur mocht niet
+verliezen.
+
+Plotseling trillerde het Scaec en verhief zich snel in de lucht hoog. De
+ridders, de vrouwen, de Koning slaakten hun kreet. Het bord verhief zich
+met de stukken, zoo als zij, nog weinige, stonden bij dit einde van de
+partij, dat noodlottig zich voor het zilveren koninkje had gekondigd. En
+de van weêrszijden genomene stukken verhieven zich eveneens, verdwenen
+als het ware in het niets of onzichtbare handen ze weg goochelden. Maar
+het Scaec zelve, recht, en de weinige stukken staande blijvende, zweefde
+hooger en hooger, weg. Het Zweefde, zoo hoog, niet zoo snel meer, als
+tartte het allen, die daar omlaag waren, en boven de appelaren dreef
+het, onder de witte, dikke stapelwolken in de blauwe lucht langzaam,
+langzaam weg.
+
+--Wie achterhaalt mij het Zwevende Scaec!? riep Koning Artur
+opgewonden en wees naar het tooverbord. De helft van mijn koninkrijk aan
+wie mij het Scaec achterhaalt!
+
+Nu had de Koning dit tien jaren geleden, toen zonder Merlijns
+medewerking een Schaakbord was binnen gezweefd, ook al uitgeroepen. Maar
+toen Gawein, na vele Aventure, terug was gekeerd, voor op zijn ros
+Gringolette Ysabele, Koning Assentijms dochter!--en den Koning het Scaec
+had gebracht, scheen Artur zijne belofte geheel te hebben vergeten, want
+de notarissen van het Hof van Logres haddden geen bizonderen last
+gekregen 's Konings belofte te boeken, opdat minstens na 's Konings
+verscheiden Gawein de helft van Logresland toe kwam. Zoodat nu, op 's
+Konings na tien jaren herhaalden uitroep, Galehot fijntjes glimlachte en
+Acglovael een giechelen onderdrukte en Sagremort de brauwen fronste en
+ontfronste, want hij twijfelde ietwat, Sagremort, aan zijn leenheers
+woord en belofte.
+
+--Wie!? riep de Koning. Wie achterhaalt mij het Scaec!? Want zoo ik
+wederom droom, dat mij mijn krone te loor gaat, zoo ik niet win deze
+partië en den zilveren koning schaakmat zet, zal ik zekerlijk zelve, o
+mijne ridderen! zoeken het Scaec, tenzij een uwer wel het mij
+achterhalen wil!!
+
+Het hoofd van den Koning schudde van ontroering en oudheid en, staande
+hij, beefden zijne oude, groote, opgehevene handen. Maar de ridders
+zwegen, wachtende op Gawein. En iedereen zweeg, ook Guenever, ook Keye
+zelfs, die altijd spotte, ook Merlijn, die jong, dwaas jong, met een
+zwart puntbaardje, achter een der Romaansche bogen verschenen was en
+toezag en luisterde.
+
+Toen, plechtig, rees Gawein op. Hij rees groot en prachtig, en het
+scheen den elf anderen, dat hij grooter was en pràchtiger dan zij allen.
+Zij verwonderden er om één oogenblik. Zij, elf, bleven zitten en hunne
+roerloosheid, hun zwijgen bediedden den Koning, dat zij zich
+verontschuldigden voor hun Prince op queste te tijgen naar het
+betooverde Scaec.... Maar Gawein was opgerezen. Wat was hij grootsch,
+toen hij daar stond! Zijn hoofd, zoo ernstig van aangezicht, even hoog
+gericht, zagen zijne donkergrauwe oogen als bezield voor zich uit. De
+donkerbruine haren golfden tot op de zware schouders en glansden als
+vrouwenhaar. Maar de nek was breed en rond als een zuil. Zijne leden
+waren forsch en edel, de spieren zich nauwelijks teekenend onder de
+bruine bliaut, die spande over borst en lendenen, onder de keelkleurige
+hozen, die de lange, sterke beenen omgoten. Op zijne ridderlijke vuisten
+leunde Gawein over de Ronde Tafel. En allen, op dat oogenblik,
+gevoelden, dat zij Gawein beminden, allen... maar niet Mordret en niet
+Didoneel....
+
+Toen zeide Gawein:
+
+--Mijn Vorst, als ik reeds deed te uwer liefde en te uwer eere zal ik
+het Scaec achterhalen, zoo helpe mij Sint Marië's Kind, God van
+Hemelrijk, zoo helpe mij Sint Michiel met zijn vlammenden brant, zoo
+helpen mij alle Heiligen van Paradijs. Aventure heeft zich eindelijk
+gekond, om na zoo vele bedenkingen tot daad te doen besluiten. Mijn
+Prins, ten tweede male zal ik het Zwevende Scaec u achterhalen; mijn
+Koning, ten derden male, al ware het over tien jaren weêr, zoû ik het
+Scaec u achterhalen, zoo het ten derden male zich kondde en voor u
+omneder zweefde. Want ik ben die gone, die trouw u is en was en zijn
+zal, in den Aventure, die was, in den Aventure, die is, in den Aventure,
+die zijn zal. Zegen mij, mijn Vorst, en beveel mij te gaan.
+
+En Gawein knielde voor Koning Artur neêr, die hem zegende....
+
+Maar nauwelijks was Gawein opgerezen of Keye's spottende hekellach
+klonk:
+
+--Hahaha! grinnikte Keye zoo schel, dat het Acglovaels schaterlach
+smoorde in diens keel, toen hij schateren wilde om Keye's plotse
+verschijning van achter een boom tot in de zaal, terwijl ook Galehots
+glimlach bezwijmde.
+
+--Dappere wigant, Gawein! spotte Keye. Merk ende versta! Hadt gij
+genomen een draad en dien aan het Scaec gebonden, zoo mocht gij nu het
+getrokken hebben tot u toe en het en ware u niet ontvaren!
+
+--Zoo gij, heer Keye, sprak hoog en kalm Gawein; u eindelijk onthouden
+wilde van zoo kwade scherne, zoude ik dit wel op prijs stellen en u
+loven voor uwe hoofschheid.
+
+En Gawein beval Gringolette te zadelen en men bracht hem spoedig zijn
+paard voor. Het was niet jong meer, het strijdros, dat Gawein bij zoo
+vele Aventuren bereden had; jaren reeds genoot het zijn rust want al
+besteeg hem zijn heer iederen dag, die stille rit door vreedzaam foreest
+was niet wat eertijds geweest was strijdbaar steigeren en draven in
+drakenstrijd en tweegevecht.... Dit dachten wel alle ridders, toen zij
+den schildknaap Gringolette voór zagen leiden, terwijl Gawein in den hof
+werd gerust en gewapend. Maar tevens dachten zij na, dat draken niet
+meer bestonden, nooit hadden bestaan en reuzen eigenlijk evenmin....
+
+Twee andere schildknapen gespten Gawein den zilveren halsberg om, de
+maliëncotte, die sloot om borst en beenen en armen en waarover de
+wapenrok van zwaar donker scharlaken gleed tot aan de heupen. En een
+gouden liebaertkop was gewrocht op den wapenrok en op de hoes, die
+Gringolette, de geäppelde schimmel, omhuifde en die zelfde liebaertkop
+schitterde op Gaweins schild in goud. Toen boden de schildknapen de
+speer en het zwaard en Gawein steeg op en de Koning riep:
+
+--Wellieve neve, dappere wigant, zie wat gij doet en hoor den raad, dien
+ik u geve: wacht u en uw paard voor ongeval, want zeer zoude ik daar
+toorn van hebben...!
+
+Toen, na een laatsten groet met zijn speer, reed Gawein weg. En allen
+snelden de hooge tinnen op....
+
+De Koning stommelde Guenever na, die reeds met Lancelot en de tien
+ridders vooruit was gesneld en Keye volgde den Koning, hinkende, na, de
+steile, smalle trappen van den toren op en de kapelaan met de clerken en
+de hellebaardiers en alle serianten, zij volgden allen eerbiedig den
+Koning, tot de Koning hen vóór wenkte te gaan en hij achter-aan met Keye
+de eene treê na de andere zich moeizaam opheesch. Tot zij allen tusschen
+de barbekanen en de kanteelen--zoo hoóg, dat zij de kruinen der boomen
+beheerschten--uit zagen over de vlakte, die omringde den burcht en
+bemerkten hoe Gawein draafde achter het Scaec, dat bij wijlen hoog, bij
+wijlen lager, hem scheen te tarten, te lokken....
+
+En de ridders, de elf, achter den rooden mantelrug van den Koning,
+achter Guenever en hare vrouwen en alle de anderen, wisselden een blik
+met Merlijn, die, zoo dwaas jong, aandachtig toezag ter zijde....
+
+--Is het Scaec Wònder? vroeg fluisterend Sagremort.
+
+--Is het Scaec tooverië? vroeg grinnikend Acglovael.
+
+--Dià... iablerië? vroeg Ywein.
+
+Ook de anderen vroegen ter sluiks.
+
+--Wat is diablerië? Wat tooverië en Wonder? En wat is het niet?
+antwoordde, met vaag beweeg van armen, Merlijn en Galehot meende, dat
+hijzelve, eveneens, zoo had kunnen antwoorden, en zonder toovenaar te
+zijn....
+
+ * * * * *
+
+Maar Gawein, in de vlakte, draafde steeds achter het Scaec. En het
+zweefde zoo loom en zoo laag, dat Gawein meende, het werkelijk wel onder
+de hand te kunnen vatten...! Bijna had hij de gemaliede vingers geheven!
+Maar hij hief de vingers niet, want plotseling beving hem de vrees:
+
+--Zoo ik het met de hand niet en zoû vangen, mocht er heer Keye zijn
+scherne meê maken....
+
+En Keye's spot was het eenige, waarvoor versaagde Gaweins anders
+vreesloos hart.
+
+Toen zweefde het Scaec weder hooger, boven de opene vallei.
+
+En Gawein hoorde nog roepen den Koning van af de hoogste tinnen:
+
+--God moet u geleiden, Gawein! Scheiden moeten mijne oogen hier van
+u...!
+
+--God moet u geleiden! hoorde Gawein de ridders om den Koning roepen.
+
+Gawein, zonder ommezien, om het Scaec niet uit het oog te verliezen,
+hief ten laatsten groet de speer hoog....
+
+Toen breidde vlakte en vallei om hem rond, eindeloos en in de
+middaglucht, die goud gloeide tusschen witte wolkstapels in blauwen
+ether, zweefde steeds, als een vierkante vlieger, het Scaec....
+
+--Maar ik en houd het niet aan een draad...! peinsde Gawein; als mij
+kwade heer Keye ried...! O, wonder Aventuur, zijt gij gekomen en zult
+gij u herhalen na tien jaren beidens, zoo precieselijk eender als ik u
+Destijds volbracht!? Het Scaec zweefde binnen, het Scaec zweefde weg....
+Zal droomen mijn Koning deez' nacht? En zal ik? O, liever ware het mij
+geweest, zoo nieuw Aventure zich hadde gekond! Wat zich herhalen moet
+door noodlottigheden, herhaalt zich toch zekerlijk anders...? Zal ik mij
+nu niet verwerren in wat geweest is en wat nu zijn gaat? Wat bepeis ik
+in mijn moed? Versagen en wil ik niet! Het Scaec, het Scaec zal ik
+vinden, zal ik vangen, als ik het toen ving en vond! Het Scaec zal mijn
+eigen zijn en ik zal het mijn Prince brengen! O, Aventure, o
+menigertiere Aventure, dat toen mijn jeeste omringde, omring mij ten
+tweeden male!
+
+Gawein draafde het Scaec achterna en hij bespeurde, dat het Scaec den
+zelfden weg zweefde, dien Destijds dat andere--of dat zelfde, want
+verdwenen was het eerste, niemand wist waar!--gezweefd had. De zelfde
+vallei omheen en toen... toen....
+
+--O, Wonder! dacht Gawein.
+
+...Rees, als vroeger, een gebergte, geheel den horizon afsluitende....
+Spleet de berg open met nauwe spleet als vroeger.... Zweefde het Scaec
+binnen de spleet in den donkeren berg, als vroeger ...Reed Gawein, als
+vroeger, den berg binnen....
+
+De spleet sloot dicht; het was donker, met hier en daar een gezeef van
+zwakken dageschijn door hoogere, smallere spleten heen....
+
+Gawein seinde zich.
+
+En hij bad:
+
+--Helpe God, Sinte Marië's Kind! Ik ben in den berg, als ik was! Het is
+duister als het was! Het Scaec heb ik verloren! En al mocht ik uit den
+berg gaan, kwam ik zonder het Scaec te hove, ik zoude buiten love
+geworpen worden en met mij zoude heer Keye zijn kwade schere maken! God,
+die voor ons stierf en om ons verkoort den bitteren dood aan het kruis,
+help mij, Heer, uit dezen nood!
+
+Toen hinnikte Gringolette angstig....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+
+Gawein herinnerde zich.... Dit was de zelfde donkere, euvele plaats,
+waar hij tien jaren geleden door tooverië en magië, hemzelven onbekend,
+was binnen gedrongen en ingesloten....
+
+Ruim was de holle berg, een eindelooze spelonk gelijk en de dag, door de
+nauwe spleten, scheen niet meer dan, hier en daar, een ster.... En,
+destijds, in deze duistere, bleek doorlichte, labyrinth-achtige
+caveerne, had hij het serpent gezien, de vreeslijke draak, met hare vier
+jongen en hij had eerst den vier jongen strijd geleverd--als kronkelende
+hellelarven hadden de drieste slangen om hem heen gekronkeld met de
+staarten en met de vlerken geflapperd. Gringolette had hen gruwzaam
+vertrapt, terwijl Gaweins zwaard naar links en rechts had gestoken, hun
+de breede pooten afbouwende, hun het vlijmende staal in de vlammende
+sulfer spuwende muilen stekende. Tot zij als een bloedig doorkloofd
+kluwen van afgrijselijke monsterlijkheid lagen levenloos in het nest, in
+hun laatsten fosforglans, die doofde met den dood en de moederdraak,
+blazende, was aangeschoven en aangeslopen door de donkere gangen, van
+buiten, waar zij voedsel en aas was gaan voor hare jongen halen. Het
+felle moederserpent, vier spuwende en verstikkende vlam, was over
+Gawein, in het duistere hol, neêr gevlogen, en had hem aangegrepen met
+klauwen en tanden, hem met den langen staart omkronkeld, terwijl hare
+wijde vlerken als van een duivel op stonden met de klapperende scherpe
+schermen. Gawein, in hare doodsomhelzing, was gegleden van zijn ros en
+Gringolette gevlucht, bonzende tegen de grottige muren, zich een uitgang
+zoekende en, omwrongen in des serpenten staartgekronkel, had Gawein
+eerst met zijn zwaard en, toen hem dit uit de hand viel, met zijn goede
+misericorde, zijn breeden dolk, steke na steke toegebracht, tot het
+gebeeste eindelijk dood lag en uit honderd wonden het heet ziedende
+bloed sproeieren deed over Gawein.... En nu wachtte Gawein af, tot
+wederom...? Waarom niet? Waarom zoû op nieuw niet een drakemoeder haar
+helsche kroost hebben gebaard in de caveerne; waarom zoû het op nieuw
+niet gaan gloren van fosfor, waarom zouden op nieuw niet de strijden
+worden gestreden? En Gawein, van Gringolette afgestegen, en het ros
+leidende aan den breidel, spiedde uit, langzaam voort gaande vol
+voorzichtigheid of niet plotseling.... Tot hij langs de sombere gangen
+van den hollen berg aan een wijdener holte kwam en zich herinnerde en
+zelfs zàg! Hier had hij de jonge serpenten verslagen...! Dáár had hij
+het moederserpent verslagen...! En hij versaagde, Gawein, meer dan hem
+een nieuwe drake hadde gedaan, toen hij, in het sterrebleeke gezeef des
+dagelichts door de spleten, onderscheidde de geraamten der jonge
+slangen, de blankende riffen met de leêge ribben, de blanke schedels, de
+bekkeneelen, de wervelgeledingen der lange staarten.... En, op korten
+afstand, spookte, als het skelet van een leviathan uit de eeuwen toen
+Christenen noch Heidenen zelfs leefden, het vreeslijke geraamte der
+moederdraak, versperrende den weg door de nauwe berggang; de wijde muile
+nog open gesperd, onder de witte ribben de leêge wijdte van den buik,
+die geweest was een gloeihaard van vuur, nu gedoofd en de vliezen der
+hooge schermevlerken, verschrompeld, hingen in rafels aan de beenderen
+ervan en schenen een reusachtige vleêrmuis, in den dood
+verschrikkelijker want spookachtiger dan een nieuw ondier geweest zoû
+zijn.... En Gawein seinde zich en toorn had hij in zijn gemoed, dat zich
+alleen de dood van het Verleden herhaalde en niet het levende Verleden
+zelve.... Hij besloot bij zichzelven, zoo hij ooit behouden en met het
+Scaec terug te Camelot zoû keeren, niet van deze verbleekte
+overblijfselen één woord ook maar te reppen: hij was bang voor heer
+Keye's venijnigen spot.... En met zijn zwaard hieuw hij in het geraamte,
+dat hem versperde, links en rechts: de ribben rolden door elkaâr en de
+vlerken stuivelden te zamen tot stof en door wat een spooksel geweest
+was, trok Gawein zijn ros meê, dat tegen stribbelde als gevoelde het de
+huiveringwekkendheid van dit nog overgeblevene Destijds... Maar zijn
+heer, die zich heugde het nauwe pad door den hollen berg heen, zag
+eindelijk het licht heller stralen en de opening in den berg, die hij
+ook Destijds uit was gegaan....
+
+Ja, ook de berg, daar buiten, was de zelfde gebleven. De berg rees, als
+toen, op uit een onafzienbaar breede rivier, met groote rotsblokken
+gestapeld en scheen wel een reusachtige kerk, die gebouwd zoû zijn op
+een eiland, midden in een diepen, diepen vloed. En Gawein herinnerde
+zich, dat hij met Gringolette van die hooge oevers in den diepen vloed
+was gesprongen en dat zij gezwommen had uren lang en toen gerust op een
+landtong en wederom was door gezwommen, tot hij gezien had voor zich een
+burcht, die, met tallooze torens, wel scheen van goud te zijn. En dáár,
+in dien burcht, had hij immers toen getroffen den Koning van den
+Mirakele, en Alidrisonder, zijn zoon en tusschen hen beiden had, o
+Wonder, het Scaec gestaan en de Mirakele-koning had beloofd het Gawein
+af te staan zoo deze hem het Zwaard zoude brengen, het Tooverzwaard met
+de twee Ringen...!
+
+Dat Zwaard behoorde aan koning Amoraen en deze had het Gawein wel willen
+afstaan, zoo hij hem bracht Ysabele, de schoone dochter van Koning
+Assentijn, en Gawein had Ysabele gewonnen, maar ook lief gekregen, de
+schoone! En, ach ja, toen Gawein Ysabele aan Amoraen volgens
+ridderbelofte was komen afstaan, was deze reeds zoo fortuinelijk van de
+aarde verscheiden, zoodat Gawein de jonkvrouw voor zichzelven had kunnen
+behouden, al had hij het Zwaard moeten geven aan koning Mirakel, om het
+Scaec voor Koning Artur te krijgen....
+
+En met Ysabele en Scaec was hij te Camelot Destijds gekeerd en Keye had
+niet kunnen spotten.
+
+Wacharme, hoe zoû het nu verloopen? Waarom had het zelfde Aventuur zich
+herhaald? Nu Gawein er over dacht, opgestegen aan den boord van de
+breede en diep verzonken rivier en in den glad weg stroomenden afgrond
+van wateren, als in een toekomstspiegel, poogde te zien, vroeg hij het
+telkens zich wederom af: waarom had dit zelfde Aventuur zich herhaald?
+O, waarom had zich niet liever een nieuw Aventuur gemeld? Het is
+afmattend en niet bemoedigend het reeds volbrachte Aventuur weêr door te
+maken; het is afmattend en niet bemoedigend, in steê van een pas
+uitgebroed of gebaard drakennest--broeden of baren, dat wist eigenlijk
+niemand en een drake-ei was nooit gevonden--de riffen en ribben weêr te
+zien van jaren geleden verdolgen ondieren. Destijds was Gawein
+oversproeierd geworden met drakebloed en in den strijd was hem wapenrok
+gescheurd, halsberg ontmalied, schild bijna versmolten in vurigen
+drakezwadder en zwaard geschaard en verwrongen. En hij had zich,
+Destijds! daat beneden in het gras gezet, gewasschen zijne wonden met
+het water van de rivier en Gringolette gewreven de flanken met krachtige
+palmen en met meer liefde zeker dan welke stalgarsoen ook het ros
+verzorgd zoude hebben met roskam en borstel! Terwijl nu, dat Gawein
+tuurde in het water, hij zich bewust werd toorn in zijn gemoed te
+hebben, niet gewond te zijn en niet met drakebloed te zijn
+oversproeierd... Gringolette was heelemaal niet moê.... Toch zoo lange
+te zwemmen in den diepen afgrond van water tegen den stroom op, zoû
+Gringolette het nù nog vermogen? Gawein klopte met de maliënhand het ros
+op den nog satijnigen hals en het trilde zalig onder de welbekende, om
+den metalen handschoen, wat ruwe koozing. En Gawein besloot van ja en
+dat Gringolette niet oud nog en was... Hij dwong haar dus, met de lange
+sporen in de zijde, te springen en, een korte wijle aarzelend, sprong
+zij den afgronddiepen sprong. Het glad stroomende water bruiste om haar
+op en schuimde en zij hief haar ietwat hijgende hoofd omhoog, de oogen
+verwilderd van den sterken stroom, dien zij tegen op moest zwemmen....
+
+Toen een schaterlachen van boven weêrklonk. Gawein, verbaasd, keek op en
+hij zag aan den oever van de rivier, waar hij was afgesprongen, een
+jongen herder, tusschen zijne schapen. De zon, over de vlakte, die zich
+als een vallei van purper strekte, zonk en gloeide goud tusschen de
+lager gestapelde witte wolkmassa's, ze als het ware met zich mede
+sleepende in haar zinken en over de wollen ruggen der zacht blèrende
+schapen streek de gulden schampval van het licht. Over den
+kathedraalachtigen berg, uit wiens holte Gawein was ontsnapt, vloeiden
+de violette schemeringen en het bergbeeld spiegelde verkabbeld zacht
+lila omneêr in den stroomenden vloed, wijd als een meer, de overzijde
+der lage wateren niet zichtbaar in vaalwitte nevelen, die rezen....
+
+Toen hij den herder ontdekte, werd toornig Gawein, maar riep, zich met
+hoofschheid, zelfs tegen een dorper en vilein, bemeesterend, kalm naar
+de hooge helling op:
+
+--Darf ik vragen, jonge knape, wat u zoo blijde lachen doet, daat boven
+aan den hoogen oever, terwijl hier omlaag een ridder moeizaam zijn ros
+stroom-opwaarts naar gindschen verren burcht dwingt?
+
+De herdersknaap schrikte nu van eigen spot, en riep, hand aan zijn mond,
+terug naar omlaag:
+
+--Door uwe edelheid, heer ridder en groote baroen, hebt mijns genade! Of
+het uwe wille is en bekwame, wees mij niet booze, maar toen ik aanzag
+hoe gij uzelven in meswende gebracht hebt door te springen met uw goede
+ors in zoo diepe wateren, terwijl gij rustig hadt kunnen gaan den
+zelfden weg, dien ik voor mijn kudde ontdekt heb, toen heb ik gelachen.
+Vergeef, edele heer, een dorperlijken keytief: ik en had niet moeten
+lachen, voorwaar: heb mijns genade!
+
+Gawein was goedertieren en toornde niet meer; op het zwemmende ros--en
+hoe hijgde Gringolette!--riep hij naar boven, den herder toe:
+
+--Is dan een weg gemaakt naar den burcht van Koning Mirakel, waarheen ik
+tien jaren her heb moeten gaan op mijn zwemmend paard als ik nu ga?
+
+--Zekerlijk, hooge baroen! antwoordde de herder; een harde gemakkelijke
+weg is hier al gemaakt sedert jaren. En dezen morgen toen ik mijne kudde
+weiden ging, zag ik over den weg een tooverwagen bliksemsnel glijden,
+een van zelf voort snellenden wagen en ik versaagde harde en seinde mij
+want in den wagen stond eene trotsche princesse, zoo zij niet eene
+tooveresse en was en zij had een staaf in de hand en met haar gebaar
+alleen stuurde zij den wagen over den gladden weg. En als ik niet doole,
+heer ridder, in mijn dorperlijk verstand, was de fee of de trotsche
+princesse Morgueine, die is de bloedeigene zuster van Merlijn, den
+toovenaar, die jaren her dezen weg heeft gestrekt!
+
+Onderwijl zwom in de watere diepte Gawein op Gringolette voort, en hij
+bespeurde hoe de sterke stroom zijn ros tegen de hijgende borst sloeg en
+het den adem benam.
+
+--Mijn brave herder, zeide Gawein. Verre is nog het slot van den Koning
+Mirakel en ik neem goom, dat mijn ors pijn heeft tegen den stroom op te
+zwemmen. Maak mij vroed: waar kan ik tegen de helling van den oever
+opstijgen daar het niet en zoo steil is?
+
+--Heer ridder, riep de herder. God geve u gratie wel te doen, maar uren
+nog zult gij zwemmen moeten doen uw goede ors: zie dan toch hoe steil
+hier de oever blijft en ter andere zijde zwemmen is gelijk het
+oversteken van eene zee en leidt verre weg van Koning Mirakels burcht...
+Maar dichtbij het slot weet ik wel een plek waar òp te stijgen mogelijk
+is!
+
+Zwijgend nu spoorde Gawein Gringolette aan voort te zwemmen, terwijl de
+jonge herder, boven, op den oever, te midden van zijn zacht blakende
+kudde in den gloor van de zinkende zon mede met ridder en ros ging. En
+Gawein dacht:
+
+--Zoo snel en zonder mij te beraden ben ik met Gringolette omneêr
+gesprongen in het diepe, lage water! O, zoo ik geweten hadde van dien
+weg, dien Morgueine met den tooverwagen weet over te vliegen en dien
+Merlijn jaren her heeft gebaand! Maar ik en wist van niets! Wijl ik
+rustig had kunnen stappen doen mijn arme ors, moet ik het doen zwoegen
+tegen zoo feilen stroom op! En het Scaec.... ik en zie het niet zweven
+meer, sedert ik den hollen berg uit kwam....
+
+Te gelijker tijd, toen zijne oogen zich hieven als onwillekeurig, om het
+Scaec te zoeken, zag Gawein ginds, in de laatste waaierstralen der zon
+over de vlakte, iets schitteren, als een vogel, een vlinder. En hij
+slaakte een vreugdekreet. Want de vogel, de vlinder vervierkantte zich,
+glinsterde scheller als met vierkante velden doffer en heller juweel en
+op die velden, harentare, stonden de stukken des Schaakspels,
+schitterden de gouden, waarmede Koning Artur gespeeld had, minder fel de
+zilveren des onzichtbaren tegenspelers....
+
+Maar de herder zàg niet en riep:
+
+--Edele heer, wat is geschied? Kan uw ors niet meer den stroom op? Hoû
+goeden moed, groote baroen; nog een vierde stonde zwemmens en gij zult
+stijgen de minder steile helling omhoog van den oever!
+
+Gawein antwoordde niets. Hij bleef, de oogen hoog, volgen het Scaec....
+Het zweefde de waaierstralen uit van de zon en toen, plotseling, als met
+de vlucht van een vogel, streek het naar links, waar in het violette
+avondduister rosse torens begonnen zich in verre zichtbaarheid te doen
+raden....
+
+--Het Scaec! juichte stille in zich Gawein. Het slot van den Koning
+Mirakele! Als Destijds zal het er dalen en binnen dringen en zal ik het
+er vinden, tusschen den Koning en zijn zone, Alidrisonder! O Wonder, o
+Wonder! O Aventure! Gringolette, sneller gezwommen! Dat het mij niet
+ontga! Sneller, sneller, Gringolette....
+
+Het ros zwom.... Het kreunde, met open mond, de oogen, schoon als die
+van een vrouw, puilend van doodsangst, terwijl boven op den oever,
+steeds de herder, angstiglijk neêr ziende, mede liep en zijne blatende
+kudde dreef voor zich uit.
+
+Tot hij eindelijk riep en wees:
+
+--Heer ridder! Valiante baroen! Nog enkele minuten en ginds, zie! ginds
+daalt de oever plots en is de steilte gedaan!
+
+Toen sloeg Gawein zijne oogen naar den verderen oever, dien wees de
+herder en voelde hij, dat aan Gringolette, snuivende, hijgende, hare
+laatste krachten begaven....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII
+
+
+Gawein dwong het ros naar den oever. Het gehoorzaamde, uitgeput, sloeg
+met de voorhoeven in de grazige helling, die daar afglooide naar het
+water, gleed uit, maar slaagde eindelijk en klom met den ridder op.
+Toen, aan den kant van den weg, waarvan Gawein niet geweten had, viel
+het wankelend in een, zoodra haastig de ruiter was afgestegen en lag,
+hijgende, met de puilende vrouwe-oogen en de kloppende flanken, waarvan
+het water droop.
+
+--Awi, ach wacharme! kreet smartvol Gawein. Gringolette, gaat gij mij
+begeven!?
+
+De uitschichtende krans der zonnestralen doofde, een donkerder paars
+spreidde over den geheelen hemel, het water stroomde voort in reeds
+nachtelijke schaduw en ginds in de verte, verrees de burcht van den
+Koning van den Mirakele en donkerde tegen den laatsten gloor van den
+dag. De schapen graasden zacht blatend, kabbelend de wollene ruggen, aan
+de grazige helling rondom en de jonge herder knielde met Gawein neêr
+naast de hijgende merrie.
+
+--Lace, heer ridder! klaagde de herder mede; uw goede ors, het is wel
+krank. Bied mij uwen helm, baroen, opdat ik er water in putte om haar
+verhitten kop te besproeien....
+
+Gawein, klagende als in grooten nood, ontdeed zich van zijn helm en de
+herder liep er meê omlaag en kwam, den helm gevuld, weêr op.
+
+--Awi, ach wacharme! klaagde Gawein steeds. Zie, mijn ors sterft! Brave
+herder, mijn ors sterft!! Gringolette, wilt gij mij verlaten en hier
+alleen laten bij dezen rivier, dien ik u heb doen op zwemmen en zonder
+noode!?
+
+De herder besproeide met het water uit den helm het hoofd van het paard,
+dat Gawein in zijn schoot had genomen. En met stervende oogen keek het
+zijn heer aan, hief toen den open mond omhoog, en kuste, blazende den
+laatsten adem, hem over zijn mond. En zonk toen in een en lag stil. En
+Gawein, opgerezen, riep:
+
+--Herder, Gringolette is dood! Vermoord heb ik haar, lace! Oud was zij
+nog niet maar hare krachten waren niet meer de zelfde! Tien jaren
+geleden deed zij ook dien zelfden sprong van dien muursteilen, rotsigen,
+hoogen oever; tien jaren geleden zwom zij de rivier op, tot aan den
+burcht van Koning Mirakele! Zoo trouw was zij, dat zelfs wen ik was
+afgestegen, zij nimmer afdwaalde maar marde tot ik haar weêr nam! Geen
+smette en zoude wie ook aan Gringolette vinden: zij was zoo sterk en zoo
+goed en bewaakte mij met hare leden zoo als ik haar beschermde met mijn
+schild! Wen ik gewond was, en bewusteloos lag, neyede zij in den pleine
+en maakte groot misbaar, tot mijne knapen mij kwamen vinden en wen ik
+haar dan terug zag, met mijne oogen, dacht mij, dat ik al leeds vergat,
+begon mij het hart te verhoogen en gevoelde ik mij of ik al genas!
+
+De nacht was geheel gezonken. Daar ginds, tegen de ijl blauwende lucht,
+waarin de starren ontloken, ging vagelijk de ommelijn van den burcht
+duisteren, week verder en verder weg als een droom, aan een droomeinder,
+die onbereikbaar werd.
+
+--Heer ridder en baroen! klaagde de herder bewogen. Wat zult gij, hier,
+nu uw ors verging, nog langer toeven aan de rivier! Wilt gij niet met
+mij mede gaan naar mijne hut en darf ik u geen gastvrijheid bieden, al
+zij het maar een bedde van stroo en een bete broods voor avondmaal?
+
+--Brave herder, antwoordde kalmer Gawein. Heb dank voor uw aanbod maar
+deze nacht blijf ik hier, waken over mijn ors, dat de raven het niet en
+komen vreten en de heksen haar niet en komen verscheuren voor hare brei,
+die op de onzalige ketelen ziedt. Brave herder gij, met uw jongen lach
+en met uwe jonge tranen om leed, dat niet was uw eigen, ga met de
+schapen: laat zal het zijn voor gij de stallen bereikt; ga en laat mij
+alleen bij de rivier...
+
+En Gawein dwong den herder te gaan, met zijne schapen, den weg op, de
+vlakte toen over, de nacht in.... Het was als een vage kabbeling, die
+verdween, daar ginds, in de stilte, in de starre-doorlichte schemering,
+in de schemering van het onbestemde..... De burcht was geheel aan de
+nevelige kim verzwijmd.... Geen geluid klonk boven den stadigen stroom
+uit van den vloed, die klaterde zacht en eentonig. En alleen bleef
+Gawein met het doode ros, onder de starren, die stralender klaarden.
+
+Gawein, in het gras, was wederom gaan zitten. Hij nam het doode hoofd
+van het paard in zijn schoot en maakte er drie malen het teeken des
+Kruizes over. En alles wat het ros hem geweest was, overleefde hij of
+schimmig hem het Verleden omzweefde. Toen legde hij het hoofd neêr zacht
+in het gras en knielde bij Gringolette en bad.
+
+Zijn zwaard had Gawein bij Gringolette's doode hoofd gestoken in de
+aarde en het kruis van het gevest teekende zich af in het vage licht van
+de nacht als een heilig symbool van bewaking. En Gawein betreurde, dat
+hij geene kaarsen ontsteken kon rondom het dierbaar lijk....
+
+Hij begon de nachtwake, gezeten op een terp, stil, het helmlooze hoofd
+gebogen, de bloote handen gevouwen. Toen hij opzag, bespeurde hij, dat
+zes dwaallichten rondom het paard flikkerden. Zij bleven op gelijken
+afstand als stille sterretjes zweven en Gawein begreep, dat zij door de
+goede gnomen waren gezonden. Langs den boord van de rivier, dwarrelden
+tallooze vuurvliegjes. Maar over de vlakte zag Gawein ook naderen zes
+gloeiende lichten, met gele, groene weêrschijnen en hij begreep, dat het
+drie wolven waren. In een boom, trots de nacht, kraste drie malen een
+zwarte vogel en andere vogels, op dien kreet, vlogen aan.
+
+De geheele nacht bleef Gawein de wake doen tot de vroege dag kleurloos
+rees. De azende vogels zaten stil en somber toe te kijken op de takken.
+De burcht, daar ginds, scheen vaal en vaag in den morgenmist en Gawein
+twijfelde of het wel was de vroeger zoo goudene burcht van Koning
+Mirakel, waar hij het eerste Scaec had gevonden.... Trouwens, hij dacht
+nauwlijks aan het Scaec, aan de queste, die hij volbrengen moest. Zijn
+hart was vol stille wanhoop, omdat hij verloren had, eerst zijn zoete
+vrouw Ysabele, die hij wel dikwijl was ontrouwe geweest; nu zijn
+Gringolette! Zijn verdriet drukte zwaar over zijn vertrouwen en hij
+hoopte niet meer, dat hij zoû vinden dit maal het Scaec....
+
+Toen de dag doorbrak, rees hij en trok zijn zwaard uit de aarde. En
+begon hij met zijn zwaard om Gringolette heen vier diepe vorens te
+trekken. En de aarde uit te graven onder haar doode lijf en haar graf te
+delven. En arbeidde hij, een serf gelijk. Hij dolf en dolf, met zwaard
+en met handen en lanzamerhand zonk het lijk weg in de aarde. Het laatst
+bedekte hij het hoofd met het zand en hij torste van den rivierboord de
+zware steenen naar boven en stapelde ze over het graf. Toen, legde hij
+zijn schild, waarop de gouden liebaertkop, over de steenen. En stak zijn
+zwaard wederom in den grond, ter plaatse, waar het zijn kruis zoû
+richten bij het hoofd van Gringolette. En hij plantte ter zijde van het
+graf diep zijn speer en zette daarop zijn helm en hij legde de
+maliënhandschoenen er bij. En toen ging hij, na een laatste teeken des
+Kruizes over wat hij achter liet, blootshoofds, de lokken, die glansden
+als die van een vrouw, vallende tot over zijn halsberg, ongewapend en
+langzaam den weg op. De nieuwe zon straalde over de wereld uit, de
+zwarte vogelen waren verdwenen en een leeuwerik twetterde hooger en
+hooger de eindeloos doorzichtige lucht in.
+
+Maar onverschillig ging Gawein. Naar Camelot terug keeren wilde hij
+niet; zoo hij zonder wapenen, zonder Gringolette, zonder het Scaec zoû
+komen, zoû zeker Keye spot met hem drijven. Den weg op naar den burcht
+van Mirakele ging hij maar eigenlijk zonder te weten waarom, omdat hij
+zeer twijfelde of dit tweede Scaec hij vinden zoû bij den Wonderkoning.
+En, in zijn maliëncotte, ging hij, wel vreemd doelloos een ridder, zoo
+ongehelmd en zwaardloos en paardloos, langs den weg, die leidde in het
+Wonderland. Tot hij achter zich hoorde een fel getoeter als van schelle
+trompetten. En omziende zag hij een tooverwagen, die naderde, naderde
+bliksemsnel, raderende in een wolk van zongoud-doorpoeierde stof en hoog
+in den wagen stond een vrouw. Zij richtte met de eene hand heur wagen
+door een horizontaal cirkelend stuur en in de ander hield zij een staf,
+waarmede zij scheen aan te geven de wendingen, die de wagen moest nemen
+evenwijdig aan de wendingen van den weg. Als een wapperende wolk
+omringde haar heur doorzichtig scharlaken mantel, die omviel haar uit
+haar schitterende helmkroon over de schubben van haar kuras. En zij was
+heel schoon in de blauwzwarte haren, die haar trotsch gelaat omzwierden.
+
+Toen hare trompetten, die ter zij van den wagen hunne gouden monden
+vooruit staken, hadden getoeterd ter waarschuwing en Gawein zich had
+omgewend om te zien, vertraagde zij den gang van haar tooverwagen. En
+stond toen stil, met een ruk, terwijl een blauwige nevel en een vreemd
+zoete zwijmelgeur haar wagen omdampte. Gawein verwonderde zich, maar
+toen hij Merlijns zuster herkende, Morgueine, de fee, groette hij haar
+hoofsch met hoofd en met hand. En zij ook herkende hem en riep:
+
+--Gawein, groote wigant en Vader van Aventure, wat tref u ik hier op den
+eenzamen weg en zonder helm, zwaard, speer, schild ende ors?
+
+--Morgueine, antwoordde Gawein. Mijn zoete ors, Gringolette, stierf en
+mijn schild beschermt haar graf; op mijn speer staat mijn helm haar ter
+zijde en bevat eene laatste gedachte van minne aan haar en het zwaard,
+dat aan heur hoofdeinde steekt in den grond en met zijn kruis haar
+bewaakt, zal zich heffen in mijn ijzeren handschoen, zoo mensch of dier
+haar gesteente schendt, zoo helpe mij Marië's Kind, Jezus Kerst van
+Nazarene!
+
+--En waar gaat gij henen, Gawein, alleen en loopende blootshoofds in het
+stof van den langen weg, geen ridder gelijk maar een banneling, die niet
+weet waar zijne schreden hem voeren?
+
+--Lace, Morgueine, weet ik waar henen ik ga? Zal ik tot Camelot keeren
+om Keye, voor wien ik vrees, zijn schere met mij drijven te doen? Ik ga,
+ik ga, ik en weet niet waar henen; ik ga, ik ga voor mij uit!
+
+--Zoo stijg in, valiante ridder, noodde Morgueine; en ik zal u voeren
+naar mijne Valleie, die is vol jolijt en solaes van riveel en amoers!
+
+--Morgueine, wederstreefde Gawein. Wat wilt gij mij mede voeren naar uwe
+tooverlandouwen, naar het Dal van den dollen Dans, waar wie binnen
+treedt, danst tot hij dood valt en waar uit ik Lancelot, die zonder arg
+was binnen gedoold, heb moeten verlossen van den dood, dien gij hem aan
+wildet doen, mijn edelen gezel, dien ik min!
+
+--Gawein, glimlachte zoet Morgueine. Ik en voer u niet naar dat dolle
+dal: ik voer u naar wel andere beemde, vol vië van vreugde en zaligheden
+waar in de wijde valleien, tusschen prayeelen en pauwillioenen vol
+schaduw en zoete rust, staan de wonderbare boomen van peper, anijs en
+gingebare, vijgen en notemuscaten, pumegernaten en amandelen! Wij zullen
+er in mijne foreesten de witte herten jagen en de vlakkige leoparden en
+wen wij terug van de jacht komen, zullen wij hippocras drinken en
+clareit en avondmalen met pauwbraad en pasteien! Harpe en psaltherion
+zullen voor ons spelen van zelve: ik heb een orgel, dat zweeft in het
+geluchte en zingt dan uit alle zijne zilveren pijpen, die klinken
+zuiverder dan goudene, bij mijne rechte trouwe! En wij zullen de gnomen
+om ons dansen zien en de elfen om ons zingen hooren, met hooge
+stemmekens, die trilleren als zilveren klokskens! Op het meer, dat is
+doorzichtig als glas, zullen wij spelevaren op een vlot met tal van
+toortijtsen om ons rond en wij zullen zweven op glanzende muzijk tot aan
+de maan.... Komt gij niet mede, o Gawein?
+
+Gawein, moedeloos, glimlachte en stapte in. De wagen begon te snorren,
+bewoog rukkende vooruit en snelde weg, voorbij Koning Mirakels burcht,
+voor dat Gawein het zich bewust was. Hij zat aan Morgueine's voeten en
+voelde zich mede voeren in duizelingwekkende vaart.
+
+--Deze is de wagen, zeide Morgueine; van mijn broeder, Merlijn. Maar ik
+loof deze enghiene niet harde, want door de lucht en kan ik er niet mede
+varen en Merlijn houdt zijn fenix-vogel voor zich! En als mijne
+diengeesten mij niet in de verborgene bronnen onder den grond weten te
+vinden de geurige oliën, waarmede de wagen bewogen wordt--want hij gaat
+niet van zèlve, Gawein, maar door middel van geheime beweegkracht en
+wonderoliën--dan kan niets zoo zware enghien voor uit drijven, al is de
+weg ook nog zoo glad!
+
+Maar de wonderolie en de geheime beweegkracht schenen niet te
+faelgieren, want de wagen vloog, vloog voort als een vogel.. Hier wist
+Gawein nauwelijks waar hij was, in welk rijk, want het was niet Logres
+en het waren niet de landen der omringende koningen. De boomen hadden
+wonder kronkelende takken; aan de twijgen, tusschen de groote bladeren,
+hingen de roode, lange en de ronde, goudgele vruchten; een sneeuwwitte
+hinde ijlde plots over den weg en verdween tusschen de warreling van
+bloesemende, blanke amandelstruiken en ooftzware granaatappelboomen en
+plotseling zag Gawein voor zich uit strekken de toovervallei en klonk de
+zoete muziek uit de van zelf spelende instrumenten, die zweefden, even
+vaag zilver of nauwelijks elpenbeenblank, tusschen zwoele wolkjes, in
+blauwe zomerluchten boven.
+
+--O, Wonder! zeide Gawein. Hoè spelen die speeltuigen van zelve,
+Morgueine?
+
+Morgueine schaterde, terwijl de wagen met forschen ruk stil stond, zoo
+dat Gawein bijna er uit viel....
+
+--Niet anders dan door tooverconste, Gawein, zeide zij; wees des
+gewes....
+
+Zij stegen uit. En aan de hand voerde Morgueine Gawein binnen de
+tooverpoort van de Vallei der Ontrouwe Ridders, waaruit een ridder, die
+ooit ontrouw geweest was aan zijne geliefde, alleen verlost kon worden
+door een ridder, die nooit ontrouw geweest was....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX
+
+
+Gedurende een maand reeds had Koning Artur, hadden de ridders te Camelot
+niets vernomen van Gawein, die ter queste getogen was en hoewel een
+maand niet bizonder lang is om een Zwevend Schaakbord te vangen, begon
+Koning Artur, begonnen de ridders ongerust te worden en fluisterden de
+laatsten onder elkaâr wat er toch met Gawein had kunnen gebeuren...?
+Tevens was het vreemd, dat Didoneel en Mordret des avonds dikwijls
+afwezig waren, voor welke afwezigheid zij niet bizonder aanneembare
+redenen konden opgeven, terwijl daarbij nog kwam, dat Merlijn gedurende
+een maand zich niet op Camelot had laten zien. Het waren alle dingen,
+die een onaangename stemming opriepen te Camelot, waarvan alleen, naar
+het scheen, Lancelot en Guenever zich weinig schenen aan te trekken. Tot
+eindelijk Merlijn, op een goeden dag, heel vroeg tegen priemtijd, op
+zijn fenix aan kwam vliegen en, afgestegen, met vragen door de ridders
+werd bestormd. Wist hij niet waar Gawein was en waar was hij zelve zoo
+lang geweest?
+
+--Waar ik zoo lange geweest ben? antwoordde Merlijn. Maar mijn dappere
+wiganten, ik ben niet als gij lieden, die hier tot Camelot reeds sedert
+tien jaren respijt neemt van uwe heldendaden en rustiglijk afwacht tot
+Aventure zich meldt! Ik ben, het is waar, een tooveraar, maar ik ben
+tevens een chemicus, en een fyzicus, een mechanicus, een naturalist, een
+man van occulte sciencië en ik heb veel te werken, ik heb werkelijk veel
+te werken! Denkt gij, dat ik maar iederen dag hier tot Camelot kan
+komen klapaaien en maar niets doen en zitten te bepeizen van Wondere
+ofte van geen Wondere? Ik heb dezer dagen doorgrond of ik niet de
+sprakebloemen, die de gesprekken tusschen Morgueine en mij opvangen en
+terug kaatsen, draadloos kan inrichten.
+
+--Draadloos? schaterde Acglovael het uit.
+
+Merlijn zag den te pas of te onpas schaterenden ridder aan en haalde
+zijne schouders op.
+
+--Ja, draadloos, zeide hij, droog. Nu hebben wij er metalen draden voor
+noodig, die spannen mijn gnomen mij onder de aarde, weet gij, Acglovael.
+Draadloos zoude veel simpeler zijn. Maar omdat Morgueine deze maand
+nimmer in haar slot aan zee was, nam mij het werk veel tijds en nu eerst
+ben ik er achteren gekomen waar zij zich divertiert en dat is in de
+Valleie der Ontrouwe Ridderen en daar drijft zij jolijt met
+honderd-vijftig Ontrouwen....
+
+--Honderd-vijftig? weifelde Sagremort.
+
+--Honddd...erd-vijftig? stotterde Ywein verbaasd.
+
+--Min noch meere, verzekerde Merlijn. En de honderd-vijftigste is...
+Gawein.
+
+--Gawein?? riepen Hestor en Meleagant.
+
+Galehot glimlachte omdat hij al lang geraden had, waar Gawein zoo lange
+toefde. En toen Lancelot en Gwinebant aan kwamen wandelen, beider arm om
+malkanders schouderen, lichtte Galehot hen in:
+
+--Gawein divertiert zich met Morgueine in de Valleie der Ontrouwe
+Ridderen....
+
+En Merlijn vertelde van den dood van Gringolette, het goede ros, en hoe
+Morgueine hem eindelijk door een sprakebloeme had gemeld, dat Gawein
+haar honderd-vijftigste Ontrouwe was.
+
+--Als de Koning dàt hoort...! zeide Lancelot ontsteld.
+
+--Alleen een ridder, trouw aan zijne minne, kan Gawein verlossen! zeide
+Gwinebant.
+
+--Zoo ga gij, Gwinebant, zeide Merlijn. Gij dròomt zelfs niet van andere
+jonkver dan van Ysabele, Assentijns kleindochter.
+
+--Gwinebant lieft niet lange genoeg! Hij en is niet genoeg beproefd!
+riepen Meleagant en Hestor.
+
+--Twijfelt gij aan mijne trouwe? riep Gwinebant, de klare stem klaterend
+van verontwaardiging.
+
+--Wie van u is dan trouw? vroeg Merlijn, die het wel wist.
+
+Zij waren het op één na van allen geen. En zij glimlachten tegen
+malkanderen en schokten de schouders en zij wisten van malkanderen, dat
+als zij ééne jonkver hadden bemind, zij er ook eene andere hadden
+bemind. Gwinebant, die was nog een knape... al telde hij maar drie, vier
+jaren minder dan zij.
+
+--Lancelot, antwoordde toen Hestor en hij antwoordde zeer modestelijk,
+alsof hij aan zich zelven niet dacht.
+
+--Ja. Llll...Lancelot! beäamde Ywein.
+
+--Lancelot! riepen de anderen.
+
+Lancelot stond, als wilde hij zich verontschuldigen, de oogen neêr, het
+gebaar vaag weêrgevend zijn onmacht ontrouw te zijn. Toen zeide hij vast
+en sloeg de oogen op:
+
+--Ik ben trouw!
+
+--Gij zijt trouw, Lancelot! riepen zij allen. Bij Sint Michiel!
+
+--Zoo zal het aan u zijn... begon Merlijn.
+
+--Aan u! vielen zij allen in.
+
+--Het zal aan mij zijn, beäamde Lancelot. Ik zal den Koning vragen
+verlof Gawein te verlossen...
+
+--Neen, dat niet vragen! riepen zij allen. De Koning weet niet....
+
+--Dat Gawein....
+
+--Toeft in de Valleie der Ontrouwe Ridderen! riepen Sagremort, Acglovael
+en de anderen.
+
+--Waar zijn toch Mordret en Didoneel? dacht Galehot.
+
+--Ik zal, hernam Lancelot; den Koning verlof vragen Gawein... te zoeken!
+
+--Te zoeken, ja justement!
+
+--Ik zal u helpen, Lancelot! riep Merlijn. Werkelijk, mijn zuster
+Morgueine drijft ergerlijk spel in hare Valleie....
+
+--Honddd...erd-vijftig! verontwaardigde zich Ywein.
+
+Een zware bel slingerde zijn metalen roep. Het was het teeken, dat
+Koning Artur afdaalde ter Ronde Zale en zijn troonzetel in zoû nemen aan
+de Tafel Ronde. En reeds verscheen hij, geleid door Guenever, en drie
+pagiën beurden zijn mottigen mantel. En de ridderen, een voor een,
+naderden hun leenheer en vorst en bogen voor hem de knie....
+
+Met dezen noen togen Lancelot en Gwinebant, na verlof van den Koning te
+hebben gekregen, er te paard op uit om Gawein te zoeken. Merlijn had het
+betreurd hen niet dadelijk te kunnen helpen, omdat hij juist zijn
+tooverwagen ter beschikking van Morgueine had gesteld: anders hadden de
+beide ridders er een toer meê kunnen maken tot aan de Valleie van de
+Ontrouwe Ridders.... Maar toch, ze hadden geen van beiden met de
+enghiene kunnen omgaan--zeide Merlijn--en den wagen kunnen sturen en
+Merlijn zelve had het dien dag te druk met de draadlooze theorië te
+vervolmaken. Zoo dat zij met hun beiden te paard gingen, de vlakte over
+in zonneschijn en om den wonderberg heen, want die ontsloot zich niet
+voor de ridders. Zoo dat zij langs de rivier reden; breed was de rivier
+als een zee; soms draafden zij, soms stapten zij.... Gwinebant keek
+telkens op, of hij het Scaec niet en zag, maar er was geen Scaec te
+zien; trouwens, het zoû ook niet altijd de lucht doorzweven en misschien
+nu reeds rustig wachten ter plaatse waar Merlijn het heen zoû zenden,
+opdat Gawein het vinden zoû na Aventure, groot en klein. En plotseling
+zagen de ridders, ter zij van den weg, een graf van steenen gestapeld en
+zij ontroerden hevig, want zij herkenden helm en zwaard en schild en
+speer van hun makker Gawein en zij begrepen, dat hij ongewapend
+Morgueine in de Vallei was gevolgd. Zij waagden echter zwaard noch helm
+noch speer noch schild van Gawein mede te nemen en weg van het graf, dat
+zij begrepen te zijn van Gringolette, die bezweken was van het zwemmen.
+En zij maakten zich beiden het teeken des Kruizes en passeerden het
+graf, front makende op hunne paarden omdat Gringolette bijna menschelijk
+verstand had gehad en zekerlijk nu hare ziel weidde in de hemelsche
+weiden, die voor de poort zich strekken, waar Sint Peter waakt, met de
+Sleutelen, en waar alle goede paarden, in den strijd verslagen of
+anderzins omgekomen, naleven een lief leven van vrede, en klaver en
+haver.... En zij reden steeds verder en het werd reeds avond en zij
+ontmoetten den herder, die terug keerde met zijne kudde en hij groette
+hen beleefdelijk--hij was zoo gewend ridders te treffen te paard of
+feeën in tooverwagens, zeide hij--en hij vertelde hen ook van
+Gringolette's dood: dat was nu al meer dan een maand geleden! Sedert had
+hij dien edelen baroen niet meer terug gezien.... Maar het graf, daar
+van konden de edele baroenen zeker zijn, zoû door niemand worden
+geschonden: daar waren de ridderlijke wapenen en het schild en de helm
+en de handschoenen borg voor, zeide de herder. Van de Valleie wist hij
+niets, maar hij meende, de baroenen moesten maar altijd recht-uit
+rijden, den Burcht van Koning Mirakel voorbij en dan links: daar waren
+weder andere wonderlanden: o, er waren er hier zoo vele, aan deze zijde
+van de rivier. Zoo dat, met het vallen van den avond, de ridders nog
+immer reden, nu stapvoets en dan weêr in draf, tot zij begrepen
+verdwaald te zijn door dien linkschen weg. Hunne paarden waren wel moede
+en Gwinebant zeide, ongeduldig:
+
+--Waarom zendt Merlijn ons ook niet een teeken, dat wij in de nacht niet
+en verdwalen...!
+
+--Hij is bezig met de draadlooze theorië, verontschuldigde mild
+Lancelot; maar mij ware het ook bekwaam zoo wij hier een burcht zagen,
+om gastvrijheid te vragen....
+
+--Zoo wij terug gingen tot Koning Mirakel...? aarzelde Gwinebant.
+
+--Wij gaan nimmermeer terug, Gwinebant, wen wij eene queste doen, zeide
+streng Lancelot.
+
+En Gwinebant bloosde als een maagd en hij zeide, nederig:
+
+--Gij hebt wel recht, Lancelot; zoo vergeve mij Sinte Marië, onze Lieve
+Vrouwe aller Genade.... Wij gaan nimmermeer terug.
+
+En zij stapten voort in de nacht, die gezonken was. Het land aan de kant
+van den weg strekte zich eindeloos en verlaten uit onder den schijn van
+de starren, die weefden een zilveren mist. Aan den anderen kant van de
+rivier waren de kimmen niet te zien en het water was zoo breed als een
+zee....
+
+--O zie! zeide Gwinebant en hij seinde zich vol vromen huiver.
+
+--Ik zie! Ik zie! zeide Lancelot en ook hij bekruiste zich.
+
+De beide ridderen hielden de paarden in. Zij zagen ademloos toe. Over
+de zee-breede rivier vlogen tal van zwarte vogelen. Het waren geen
+raven, het waren geen kraaien; het schenen meer zwarte duiven. En zij
+vlogen in zwierende kringen en dan, plotseling, als in wanhoop,
+dompelden zij in de even zilveren wateren onder. En vlogen weêr op, maar
+zoo blank als versche sneeuw en zij verloren zich in de nacht....
+
+--Het zijn de zielen van Vagevure, zeide Lancelot, en seinde zich weêr.
+
+--Die zich louteren in de loutere wateren, zeide Gwinebant en bekruiste
+zich als Lancelot had gedaan.
+
+--Wij zijn op de heilige Landouwen gedoold, zeide Lancelot en hij
+schouwde om zich rond. Dit is niet Logres meer.
+
+--En zelfs niet meer Wonderland van ouden Mirakele!
+
+--En noch tooverland van Morgueine en van Merlijn....
+
+--Zullen zij gered worden voor Paradijs, o Lancelot? vroeg Gwinebant
+huiverig. Merlijn en Morgueine?
+
+--Ja, zij, zeide Lancelot. Zij en zijn niet booze.
+
+--Neen, niet booze....
+
+--Zij zijn alleenlijk te welwetend van de dingen boven en onder de
+aarde.
+
+--Alleenlijk te welwetend... herhaalde Gwinebant.
+
+--Maar aan het einde zullen zij worden gered.... Bidden wij voor hen,
+Gwinebant.
+
+De ridders stegen af. Zij bonden de paarden aan hunne in het gras
+gestoken zwaarden. Zij knielden naast malkanderen aan den rand van het
+zee-breede water en begonnen hunne orisone te zeggen.
+
+Vóór hunne blikken, daar ginds, in de wijde, zilveren nacht, vlogen de
+zwarte vogelen aan, doken onder, en stegen sneeuwblank, druipelend van
+de droppen, op, tusschen de sterren....
+
+En Lancelot en Gwinebant baden voor Morgueine en voor Merlijn, dat zij
+aan het Einde zouden worden gered.
+
+--Zoo zullen zij, bad Lancelot; als zwarte vogelen aan vliegen komen, o
+God van Hemelrijk, over uwe loutere wateren....
+
+--Zoo zullen zij, bad Gwinebant; als witte vogelen uit vliegen komen, o
+God van Hemelrijk, uit uwe loutere wateren....
+
+--Amen, baden zij beiden en seinden zich.
+
+En zij stegen weêr op en reden voort, terwijl zij uit de lucht de witte
+duiven, heel zacht, meenden te hooren zingen:
+
+--Kyrië Eleïson! Kyrië Eleïson!
+
+Maar zij waren te vroom, de beide ridders, om op te zien. En zij reden
+voort, steeds voort, niet wetende waarheen en vertrouwende, dat zij wel
+door bewaarengelen zouden worden begeleid, zoo niet dadelijk aan het
+einddoel der queste, dan toch tot Aventure....
+
+--Zoo als in het Leven, zeide Lancelot wijsgeerig.
+
+--In het Leven? vroeg Gwinebant, als een knaap.
+
+--Waar het Aventuur is het Goede en het Kwade, als in de queste, zeide
+Lancelot.
+
+--Is dat waar? vroeg Gwinebant.
+
+En hij voegde er aan toe:
+
+--Lancelot, gij waart immer trouw aan uwe zoete minne, mijn moeie
+Guenever?
+
+--Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar in mijne zonde was ik
+altijd trouw.
+
+--Ik zal ook altijd trouw blijven, zei Gwinebant; maar gij waart alreede
+trouw lange, lange, verledene jaren.
+
+--Ik ben een groot zondaar, zeide Lancelot; maar ik kan niet anders,
+zoo helpe mij God. Mijn trouwe is mijne groote zonde.
+
+--Wij zullen Gawein zekerlijk vinden, zei Gwinebant. Want wij zijn
+beiden trouwe....
+
+--Maar zondig ik alleen, zei Lancelot en seinde Zich drie malen.
+
+Toen bekruisde zich drie malen Gwinebant, hoewel hij noch zich, noch
+Lancelot zeer zondig vond.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X
+
+
+In de nacht reden de ridders langzaam aan, zooals ridders-van-aventuren,
+die geen burcht tegen komen om te overnachten, in alle ridderromans, in
+de nacht, door rijden. Maar Merlijn was, hoewel niet alwetend, toch
+veelwetende door wat hem zijn sylfen en gnomen vertelden, en wist
+Lancelot en Gwinebant met dwarrelende vuurvliegjes en dwalende
+dwaallichtjes juist te houden op den rechten weg, waar de burcht rees
+van den een of anderen ouden koning, die niet was Mirakel, noch
+Assentijn, noch Artur. Lancelot en Gwinebant werden door den ouden
+koning Ban, die wel van de Tafel-Ronde gehoord had, in nachtjapon
+slaperig en ietwat brommerig ontvangen, maar toen geleid naar een
+kemenade, waar garsoenen hen van rusting en wapenen ontdeden--wees des
+ghewes, gij, o lezer, dat de rossen reeds goed werden verzorgd en
+geroskamd stonden voor volle ruif. Waarna de knapen de ridders
+aankleedden in surcoet en hozen en hun water en dwale boden, om zich te
+wasschen, als hooge lieden plegen. Toen geleidden de knapen de ridders
+naar een groote zaal, waar de tafelen op de schragen waren gelegd en het
+amelaken was uitgespreid en deden zij zich te goede aan venizoen en
+dronken zij oude clareit naar genoegen. En toen de knapen hen na het
+maal wederom met tortijtsen geleidden naar hun porprijs, strekten zij
+Zich spoediglijk uit op de bedden en dachten te slapen tot dageraad toe.
+Maar een zachte muziek klonk en plots schoof weg de muur in een wijden
+boog in den wand en twee jonkvrouwen, uitermate schoon, verschenen,
+glimlachende, omringd van vele brandende keersen en witte rozenkransen
+en luit en psalterion ter hand.
+
+--O, zie dan toch, Lancelot! riep Gwinebant, en richtte zich van zijn
+bedde. Twee schoone Sinte Ceciliën naderden ons door de muren!
+
+Ook Lancelot was opgerezen en de twee ridders, schoon als de
+jonkvrouwen, blond als de jonkvrouwen zij beiden, Lancelot zoo ernstig
+voor zijne dertig jaren, Gwinebant een jongeling nog voor zijn
+acht-en-twintig, zagen verrast de beide speelsters naderen. Maar dezen
+legden hare speeltuigen neder en traden uit den boog, die zich sloot.
+
+--Wellekom, heer ridder, zeide de een en zeide de andere.
+
+--Wellekom, gij beide schoone bezoeksters, zeide Lancelot en zeide
+Gwinebant na en Lancelot vroeg:
+
+--Twi doet gij ons deze groote eer, jonkvrouwen, met muzijk en gebloemt
+te verschijnen in ons closet?
+
+--Sinte Cecilië gelijk, voltooide Gwinebant, die zijne vergelijking wel
+goed vond.
+
+--Heiligen en zijn wij niet, zeide de eene jonkvrouw, met een lachje
+naar Gwinebant. Wij zijn zusteren, de beide dochteren van onzen vader,
+den Koning Ban en ik ben Ydeleine.
+
+--En ik ben Belleflore, zeide de andere; en wij komen u vragen, o
+ridderen, of gij genegen zijt de zoete melodië te drijven, met ons, deze
+nacht. Wij bidden het u met hoofschheden....
+
+--Wij bedanken u beiden met hoofschheden, Belleflore ende Ydeleine, zei
+Lancelot, voor zelfs Gwinebant een woord had kunnen zeggen; maar weet
+wel, dat wij die gonen zijn, die morgen onzen gezel, heer Gawein, moeten
+verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridderen en wij dat alleenlijk
+zullen vermogen zoo wij zelven trouwe blijven aan onze minnekijns...
+Wij verontschuldigen ons dus harde.
+
+--Harde, herhaalde Gwinebant met een zekeren spijt, ook al vergat hij
+nooit Ysabele.
+
+--Gawein! riepen de beide jonkvrouwen uit. Maar is hij ook niet van
+Tafel-Ronde?
+
+--Gewes en zeker, bij Sint Michiel! riep Gwinebant.
+
+--Bij Sinte Marië, Koninginne van Hemelrijk, voegde waardig Lancelot er
+aan toe.
+
+--Wij kennen hem, zeide Ydeleine schalk.
+
+--Wij kennen hem beiden, zeide Belleflore nog schalker.
+
+--Was hij hier gisteren? riep heftig Lancelot, om te weten.
+
+--Dezen dag nog? riep Gwinebant na.
+
+--Niet gisteren....
+
+--En niet dezen dage, zeiden de zusters.
+
+--Maar een jaar her.... zei Ydeleine.
+
+--Ja, een jaar her, zei Belleflore. Hij kwam en was moede des dwalens en
+rustte uit en hij at met ons en wij dreven jolijt....
+
+--Wij festoyierden te zamen en hij was zoo hoofsch....
+
+--Wij hebben toren, zeide Lancelot; niet zoo hoofsch te zijn als onze
+gezel, welschoone jonkvrouwen, maar hij is immer de hoofschte van ons
+allen....
+
+--Wij dringen niet aan, glimlachte Ydeleine.
+
+--Wij willen u beiden geen vernoye doen, glimlachte Belleflore.
+
+--Onze vader zeide ons: gaat tot de ridderen naar antieke zede om
+gastvrijheid hun verder te bieden.
+
+--Wij gingen met ons gebloemt en muzijk, als onze vader ons beval, voor
+hij slapen ging.
+
+--Maar wij zullen geerne de muziek hooren, jonkvrouwen! riep Gwinebant.
+Niet waar, Lancelot?
+
+--Geerne zullen wij de muzijk hooren, jonkvrouwen! zeide, bijna zoo
+hoofsch als Gawein, Lancelot.
+
+--Zoo rust uit op uwe bedden, ridderen! noodden de beide jonkvrouwen.
+
+De ridders legden zich neêr. De kemenade donkerde, met wat maneschijn,
+blauwig aan de kleurige ruiten bleekend. En Belleflore tokte aan haar
+luit en Ydeleine vlijde met den strijkstaaf over de vijf glasreine
+koorden van haar psalterion. En zij zongen, beiden, met zachte stemmen,
+om beurten en te zamen:
+
+ Lancelot!
+ Droom ju zoete lot!
+ Droom ju Koninginne!
+ Gwinebant!
+ Lieve knape, schoon wigant
+ Droom ju zoete minne!
+
+--Ysabele.... murmelde Gwinebant, de oogen toe, half reeds in slaap.
+
+Maar de ronde bogepoort opende zich geluidloos, de twee jonkvrouwen
+trokken zich in den kaarsenschijn tusschen de rozenslingers terug; de
+poort schoof toe....
+
+En de beide trouwe ridders sliepen en droomden, terwijl bleekte aan de
+kleurige ruiten de blauwe maan....
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden morgen, na oorlof van Koning Ban en de beide princessen te
+hebben genomen, reden de beide ridders verder en nu zeker van hun weg,
+want Belleflore en Ydeleine, die wel van Morgueine wisten, hadden hun
+gezegd welken weg te nemen was naar de Vallei der Ontrouwe Ridderen. En
+zonder verder aventuur reden zij enkele morgenuren en het was niet meer
+dan een genoegelijken rit.
+
+--Wel anders dan destijds, Gwinebant, zei Lancelot; toen bij iederen
+tred Aventure zich voor deed.
+
+--Draken, zekerlijk, ontmoetten wij nimmer, maar zoo als ik u, Lancelot,
+met Gawein eenmaal verlost heb uit den Dale van den dollen Dans, zoo ga
+ik toch heden Gawein verlossen met u, Lancelot, uit de Valleie der
+Ontrouwe Ridderen. En is het Scaec zelve niet Aventure, al weten wij dat
+het door Merlijns toovermacht is gedaan? zei Gwinebant.
+
+--Hij geloofde! zei Lancelot. Hij geloofde als Koning Artur geloofde!
+Wat was Gawein schoon en jong, toen hij opstond en zeide, dat hij de
+queste volbrengen wilde! Gwinebant, met u is Gawein de jongste en
+schoonste ons aller, enkel omdat hij geloofde!
+
+--Maar gij, Lancelot, zijt de trouwste!
+
+--Gawein is de hoofschte.
+
+--Wie de hoofschte is, kan moeilijk de trouwste zijn, Lancelot, want hij
+mint te veel naar alle zijden uit. Zeg, wie van ons is de ridderlijkste?
+
+--Gawein.
+
+--Hij en is niet de vroomste.... Hij en biecht soms niet in jaren. En
+hij laat zich verlokken door Morgueine en vergeet alles van het Zwevende
+Scaec... Lancelot, zeg mij, wellieve gezel, ben ik ridderlijk?
+
+--Gewes, gij, Gwinebant.
+
+--Ik ben de zwakste, want ik ben de krankste. Om Vrouwe Venus' wille,
+Lancelot, ben ik krank. Ik denk immer aan mijne Ysabele. Ik droom immer
+van mijne Ysabele. Lace, zij is zoo verre....
+
+--Gij en zijt niet zwak, Gwinebant, zoo gij mint met sterke trouwe. Gij
+en zijt niet krank, Gwinebant, zoo gij verhoogt in blijde gezondheid
+van minne. Gij bloeit boven ons allen als een roze, Gwinebant. En uw
+stemme klatert als van een nachtegaal....
+
+Zoo troostte Lancelot Gwinebant en Gwinebant voelde zich eigenlijk ook
+niet ziek en zwak; hij voelde zich integendeel gezond en sterk, maar
+zeer in de macht van Vrouwe Venus en hij droomde iedere nacht van
+Ysabele....
+
+Zoo als zij droomde van hem, iedere nacht....
+
+ * * * * *
+
+--Lancelot! Lancelot! Zie, riep Gwinebant.
+
+Zij waren uit een dicht foreest gekomen op een breede vallei, waarheen
+geleidden verschillende gladde wegen, geëigend voor tooverwagens, die,
+door wonderolie en geheimzinnig enghien bewogen, het snelst over gladde
+wegen vliegen. In het midden van de vallei was als een paradijs, omheind
+met hooge, roode rozenheggen en een wolk van geur woei den ridders te
+gemoet. En toen zij beiden aan de zuilenpoort stille stonden, trok
+Lancelot zijn zwaard en Gwinebant trok het zijne. Maar hij zeide:
+
+--Slaat gij de poorten, Lancelot, want mijne trouwe is niet en beproefd.
+
+Lancelots trouw was beproefd, sinds meer dan tien lange jaren. En hij
+sloeg met zijn zwaard een kruis tegen de poort. De goud gesmede hekken
+sprongen open, als op wonderveeren. En de ridders reden binnen.
+
+--Gawein! Gawein! riepen zij luide. Wij komen u verlossen, Gawein!
+
+Er was een groot rumoer tusschen de prayeelen en de pauwillioenen,
+tusschen de peper-, anijs- en gingebareboomen. Vlakkige leoparden en
+witte herten, getemd, vloden tusschen de amandelen, pumegernaten en
+notemuscaten en een menigte ridderen drong zich baan tusschen een
+menigte dansende feeën. Onder haar schitterde Morgueine. Zij lachte
+luide, haar arm nog om den hals van Gawein, die, als uit een droom
+ontwakende, naast haar lag op een ivoren bedde vol rozen.
+
+--Twee trouwe ridderen zijn gekomen! schaterlachte Morgueine. Riveel
+heeft uit en solaes van verscheidenheden! Maar, vreest niet, mijn lieve
+ridderen! Na Dollen Dans en Ontrouw-valleie vindt Morgueine u morgen
+nieuwe fantazijë uit!
+
+Plotseling donderde het vervaarlijk en een zwarte wolk veronzichtbaarde
+geheel de vallei. Het riep en schreeuwde door elkaâr van ridderlijke
+mannestemmen; het krijschte door elkaâr, als van verschrikte vogelen,
+van weg vliedende feeën.
+
+--Gawein! riepen Lancelot en Gwinebant.
+
+Zij hadden Gawein gegrepen en hij liet zich mede voeren. Maar in de
+pikduisterte was niets te onderscheiden en de honderd-negen-en-veertig
+ontrouwe ridders bonsden tegen malkanderen, zochten verschrikt uitweg en
+vloekten en riepen aan:
+
+--Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk!
+Alzoo helpe mij Sinte Marië's Kind!
+
+Toen klaarde wederom de dag. Maar de toovervallei was niet meer dan een
+kale hei geworden en over de vale vlakte, in de donkere floersen van
+nevel, die optrokken, liepen dom verdwaasd door elkaâr
+honderd-negen-en-veertig ontrouwe ridderen. Over den weg snorde een
+tooverwagen weg. Dat was Morgueine: zij schaterlachte nog na, terwijl
+zij zich spoedde naar haar slot aan zee.
+
+Nu drongen alle de ridders om Lancelot en Gwinebant, die hielden Gawein
+in hun midden en hunne paarden aan den toom.
+
+--Waart gij beiden trouw?
+
+--Werkelijk trouw??
+
+--Immer trouw???
+
+Zoo verbaasden zich de honderd-negen-en-veertig.
+
+--Zij heeft haar zoete spel met ons gedreven, zeide Gawein weêr. Wij
+waren allen die gonen, die ontrouwe waren.... En ziet, wij zijn allen
+ongewapend! Maar zij was Meesteresse ende Koninginne van Riveel en van
+Solaes!
+
+--Gawein! zei Lancelot, en sloeg zijn gezel op den rechterschouder.
+
+--Gawein! zei Gwinebant, en sloeg zijn gezel op den linkerschouder.
+
+Gawein zag naar beiden om, ontwakende uit betoovering.
+
+--Gawein, zei Lancelot. Herinner u van het Zwevende Scaec!
+
+--Gawein, zei Gwinebant. Herinner u van het Zwevende Scaec!
+
+--Ik zoû het zoeken, zeide Gawein, en streek zich met de hand over het
+voorhoofd. Maar Gringolette, mijn goede ors, stierf en ik liet mijn
+wapenen op haar graf....
+
+--Morgueine ontwapende ons, riepen de ridderen. Waar zijn onze wapenen?
+Wie geeft ons onze wapenen!
+
+--Blijven wij allen te zamen! riepen anderen. Ongewapend zullen wij
+sterker te zamen zijn dan gescheiden!
+
+--Wat bedieden ongewapende ridderen in de landen onzer oude Koningen!
+riepen weêr anderen. Wij vermogen, ongewapend, niet één drakeserpent te
+dooden!
+
+--Of eene damosele van een feloenigen ridder te redden! Want
+drakeserpenten zijn allen dood!
+
+--Er zijn ook geen feloenige ridderen meer!
+
+--Er rijden nooit geene belaagde damoselen meer rond op witte
+palafroeten in de foreesten!
+
+Zij lachten allen in den nog bewolkten noen. Zij lachten luide en schor.
+
+--Het Wonder! riep Gawein, geheel ontwaakt. Het Aventure, dat zich
+eindelijk meldde! O, ik geloof er aan! Gaan wij, mijn zoete gezellen,
+Lancelot en gij lieve knape, Gwinebant. Ik zal het achterhalen, het
+Zwevende Scaec!
+
+En hij stortte, beide handen hoog, als zag hij het zweven, als wilde hij
+het grijpen, vooruit, terwijl de twee Trouwe Ridders, te paard, hem
+volgden en allen de anderen achter hen aan drongen in een wilde
+horde....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI
+
+
+Buiten den ban der betooverde beemden, die weêr hun gewone aanzicht van
+heide hadden aangenomen, liepen de ongewapende ridderen aan achter
+Lancelot en Gwinebant, te paard, Gawein tusschen die beiden. En er was
+rumoer van beraadslaging, waarheen zij zich zouden richten; zoo
+ongewapend was, op des goeden Heeren wegen, het een ridder wel vreemd te
+moede en zij wilden allen weêr rusting en wapenen hebben en een ros
+daarbij, sedert Morgueine hen ontwapend had. Tot plotseling zij zagen
+uit de klaardere lucht, waar zij, sedert hunne betoovering hadden zien
+zweven verlerlei welluidende snaarinstrumenten, dalen halsbergen en
+maliëncotten, helmen en zwaarden, speren en schilden en zoo vele stukken
+van ridderlijke rusting verduisterden wederom den dag en de ridders,
+roepende van wonder, hieven er de handen heen en vingen op hier een
+zwaard, daar een helm, maar te gelijker tijd moesten zij zich hoeden en
+weren want de stukken vielen met een dichten regen den hemel uit,
+botsten rammelend op elkaâr, deden lichten donder rommelen door het
+geluchte, vol van metaalschel geluid. En de ridders grepen of kregen een
+slag op het hoofd van een zwaar neêr zijgend schild, ontweken den
+onwillekeurigen houw van eens makkers zwaard tot de stukken rusting en
+wapenen om hen heen op de heide lagen als een roestige rommel oud ijzer.
+En zij zochten koortsachtig uit, vonden wel eens hun zwaard, maar niet
+hun riem; pasten om beurt de helmen op, die zij gegrepen hadden, maar
+zochten wanhopig naar hun halsberg, tot zij het hinniken hoorden rondom
+en tal van strijdrossen zagen draven in het wilde omrond, hunne eigene
+rossen, maar velen nog met gewei zich op het hoofd verheffend en andere
+met vlakken over de huid verspreid, zoo dat zij begrepen, dat de
+vlakkige leoparden en de wonderwitte herten niet anders dan hunne eigene
+rossen waren geweest, zoo als de speeltuigen hunne betooverde wapenen.
+
+--Zij zullen zich weldra wapenen en hunne orsen berijden, zeide Gawein;
+maar ik, die mij na Gringolette's dood zelven ontwapende, weet niet waar
+wapen en ors te vinden.
+
+Juist toen hij dit zeide, zag Gawein voor zich neder dalen, zilver en
+goud blinkende, maliëncotte en helm, zwaard en schild en speer, en
+metalen handschoenen daarbij. Hij wist niet, dat Merlijn hem deze
+onmisbare stukken uit den hemel deed vallen maar Lancelot en Gwinebant
+begrepen het en zagen elkander met blik van verstandhouding aan. Alleen
+Merlijn wist het gunstige Wonder te doen gebeuren, vermoedelijk door
+clerkeconste en het Aventuur voor te bereiden, maar het Wonder was
+eigenlijk geen Wonder en het Aventuur zou eigenlijk geen Aventuur zijn.
+Het was heel eenvoudig, dat wapenen uit den hemel regenden, even
+eenvoudig als dat zij het Verleden zagen opdoemen op Merlijns witten
+tooverwand, of dat Merlijn sprak tot Morgueine door eene sprakebloeme
+heen van parelmoer, of dat Gwinebant droomde van zoete Ysabele....
+
+En Lancelot en Gwinebant seinden zich alleen, om zich vooruit te
+behoeden voor wat er euvels mocht schuilen in dit eenvoudige Wonder maar
+zij zagen vol liefde en eerbied naar Gawein, die zich niet seinde maar
+blijde de stukken opving. En zij stegen af en hielpen hun gezel zich te
+rusten en zich te wapenen en toen zij gereed waren, hinnikte het vlak
+bij en zij zagen een ros en het geleek zeer op Gringolette, hoewel het
+niet Gringolette was. Maar Gawein verheugde zich zeer, en liep op het
+ros toe en greep het bij den teugel, want het was getuigd en gezadeld,
+en Lancelot en Gwinebant begrepen wederom zeer goed, dat het een ros
+was, dat Merlijn aan Gawein zond en er eigenlijk niets vreemds aan was,
+dat, nu Gringolette dood was, Gawein, door Merlijns clerkeconste, een
+ander ros erlangde. Het was een zeer schoon ros, een jeugdige hengst,
+ijzerschimmel krachtig breed van borst, verstandig en menschelijk van
+blik, fijn en sterk van beenen en het hinnikte blijde Gawein tegen of
+het hem reeds lange kende. En Gawein zelve voelde wel het vreemde Wonder
+om zich heen gebeuren, omdat eigenlijk alles Wonder was en Aventuur;
+Zwevende Scaec, feeën, tooverwagens, uit den hemel vallende rustingen en
+Leven en Dood. Gawein nu was op gestegen tusschen Lancelot en Gwinebant.
+Terwijl alle de andere ridders, met dankbetuiging naar de twee Trouwen,
+die hen hadden verlost, nog een enkelen keer elkanders helmen wisselden
+en zwaarden en weg reden, ijlings verschillende kanten uit. Zij reden
+her en der, zij reden harentare, terug naar de verschillende oude
+Koningen, wier baroenen zij waren; over weg en heide, over vlakte en
+vallei scheerden zij zich weg op hunne ijlende paarden en de drie
+gezellen van Tafel-Ronde zagen hen rondom aan de kimmen verdwijnen....
+
+Toen zeide Lancelot:
+
+--"Wellieve Gawein, wij hebben u verlost en gij zijt gewapend. Wat denkt
+gij? Zullen wij u laten op Aventure gaan en zoeken naar het Zwevende
+Scaec?"
+
+"Dat zij zoo, mijne dappere vrienden, antwoordde Gawein. Gaat beiden,
+met mijn grooten dank. Gaat terug tot Camelot en zegt daar, dat gij
+Gawein verlost hebt uit Morgueine's tooveriën en dat hij op weg tijgt
+naar het Zwevende Scaec.... Het gaat tegen den noen en gij weet: tegen
+den noen groeien mij mijne krachten; toen mij in mijne eerste kindsheid
+de heremiet doopte en mijne toekomst las, voorspelde hij reeds, dat
+immer tegen den noen mij mijne krachten groeien zouden. Het is voor mij
+een jonstig oogenblik om te slagen in queste en Aventure: gaat, gaat,
+mijne lieve vrienden!"
+
+Toen, te paard blijvende, omhelsden elkaâr de drie ridders, voor zoo
+verre het mogelijk was elkander te omhelzen, te paard en gewapend. Het
+was ook meer een symbool van omhelzing maar het was genoeg om van
+elkander afscheid te nemen in broederlijke liefde, al steigerden even de
+paarden en al schuurden de maliën tegen elkander, al klonken de schilden
+schel tegen elkaar. En reden Lancelot en Gwinebant den weg, dien zij
+meenden, dat ten spoedigste leidde naar Camelot....
+
+Gawein, een pooze, marde. Toen bedacht hij zich, dat de burcht van
+Koning Mirakel op den weg lag, dien hij met Morgueine in den tooverwagen
+had afgeijld en besloot hij dien weg terug te gaan....
+
+Terug gaan, op den weg der queste, het was nooit goed. Vooruit, vooruit
+moest de dolende ridder.... Terug gaan, het was een teeken van zwakheid
+en onmacht.... Maar, bedacht Gawein, ook kon het een boete zijn en om
+boete ging hij terug. Trouwens, waarheen zou hij vooruit zijn nieuwen,
+jongen Gringolei moeten richten? Bij Koning Mirakel had hij Destijds het
+eerste Scaec getroffen, bij Koning Mirakel alleen kon hij vermoeden
+ditmaal het Scaec weêr te treffen! Waar anders? Hij keek naar de
+luchten, spiedde uit; hij zag niet meer het Scaec.... Zekerlijk, bij
+Koning Mirakele was het neêr gedaald.
+
+En hij reed terug, in rustigen draf. Zoû Aventure zich melden op zijn
+terugweg? Hij twijfelde er aan, het geen hij betreurde, want hij voelde
+groeien zijne krachten en het ging meer en meer tegen den noen aan. Tot
+hij plotseling opschrikte. Daar ginder zag hij iets, dat hij in jaren
+niet meer had gezien! Gingen dan de dingen van Destijds zich herhalen?!
+Eerst het Scaec en nu, o rouwe, o schande, o oneere! Daar ginds, waar de
+weg in woud zich verloor, zag hij twee ridderen te paard, een rooden en
+een zwarten. En tusschen hen beiden voerden de ridders eene jonkvrouw,
+te paard ook. Zij was gekleed in groenen sindale; twee zilverblonde
+vlechten vielen haar tot op het artsoen van het gereide, maar de beide
+slechte ridders trokken haar ruw aan de vlechten, hadden haar de
+kleederen gescheurd van den lijve en sloegen haar met twee geesels, van
+riemen, over borst en aangezicht, zoodat zij bloedde. En zij riep luide,
+hare smart uitklagende en kermende:
+
+--Wacharme, o Sinte Marië, komt mij dan geen ènkele ridder, met zijne
+deugd, verdedigen van deze kwade feloenen, die nie ridderschap
+betrachtten!
+
+En hare armen gebonden op haar rug en ter nauwer nood zich houdende,
+gezeten op haar palafroet, wankelde zij in het gereide en gilden hare
+kreten het woud uit over weg en tot hemel.
+
+Gawein, van verre, zag het. De twee ridderen kende hij niet: zij waren
+geheel onherkenbaar in hunne zwarte en roode rusting, met gesloten
+vizier en Gawein, na zijn vizier te hebben neêr gelaten, ijlde op jongen
+Gringolet vooruit. En van verre reeds riep hij met zware, dreigende
+stem:
+
+--Heeren ridderen, merkt! Het is dòrperheid, weet dat wel, en onzede, al
+wat gij deze damosele doet! Gij zoudt des ontberen, bij Sint Michiel,
+waart gij vroed! Al hadde die jonkver misdaan, hoofschelijk zoude men
+haar behandelen, want daar ligt luttel eere aan, zoo fel een schoone en
+zwakke vrouwe te slaan!
+
+Toen schreeuwden de roode en de zwarte door elkaâr woedend Gawein tegen:
+
+--Om u, dorper en curliaen, of gij ridder zijt of niet, zal zij niet
+worden gespaard! Om u meer toren te doen hebben, zullen wij haar doen
+meer lachter dan ooit te voren! En wilt gij nog een woord toe spreken,
+dan zullen wij u met onze speren averrecht van uw orse steken!
+
+--Heeren ridderen, riep Gawein. Staakt gij mij van mijn ors, wel, zoo
+ware ik te voet! Maar te peerd of te voet, weest daar vroed van, zal ik
+de jonkvrouwe, die gij mishandelt, beschermen en haar toren minderen,
+ook al zet ik er het leven voren! Doet mij echter een bede, ridderen,
+voor uwe edelheden en voor Gode en voor aller ridderen eere ende laat àf
+die damosele zoo fel te schoffieren!
+
+--Maak, dat gij henen komt en vliedt! riepen de ridders en zij sloegen
+de jonkvrouw met hunne geesels, zoodat zij gilde naar den wijden hemel
+toe. Of, bij al dat God geleesten mag, deze zal uw doemsdag worden! Wat
+hebben wij met uwe sermoenen van noode?
+
+--Laat die jonkvrouw met goede! riep Gawein, van woede buiten
+zichzelven. Of wacht u jegen mijn speer!
+
+En hij reed, als een afgeschoten pijl zoo snel, op de ridders toe, speer
+gestrekt.
+
+De roode en de zwarte scheidden zich; zij lieten de jonkvrouwe, die hare
+gebonden handen zelfs ten hemel niet kon strekken, alleen te paard op
+den weg staan; de roode reed op Gawein toe, de zwarte ontweek diens
+speerstoot en draafde de vlakte over, ter achterzijde Gaweins, maar vóór
+hij Gawein van daar had kunnen bestoken, stiet Gawein den roode ter zij
+van zijn schild bliksemsnel door wapenrusting en maliëncotte in de
+ribben onder het hart, zoodat Gaweins speer brak en met het trensoen
+bleef steken in 's rooden ridders lijf. Hij slaakte een verscheurenden
+kreet en tuimelde af van zijn paard.
+
+Toen wendde Gawein woedend zijn jongen Gringolet. En hij rende, de
+wigant, zwaard uit scheede getrokken, op den zwarten ridder in; hij
+sloeg den zwarte diens speer in tweeën, en toen deze zijn glavië trok,
+gevoelde Gawein al zijn noenkracht in zich groeien, sloeg hij hem met
+één slag het zware, zwarte schild uit den arm, zoodat het kletterend
+rolde over den grond. En de zwarte, den linkerarm gebroken door Gaweins
+slag tegen het schild, poogde vloekend van pijn en van woede, met één
+vuist zijne glavië te heffen, toen reeds Gaweins zwaard, hoog in beide
+vuisten verheven, den zwarte kliefde over den helm heen, dwars door den
+zwarten helm heen, waarvan de zwarte diamanten rechts en links sprongen
+dwars over des zwarten hoofd, zoodat de hersens uitvloeiden, als een
+witte etter-en-bloed en de zwarte achterover viel van zijn paard. Toen
+steeg Gawein af en hij naderde de jonkvrouw, tilde haar af en begon haar
+het koord van hare polsen los te binden.
+
+--Dank heb, ridder! riep zij juichende en weenende te eenen stond. Gij
+hebt mij wel gewroken jegen den rooden en den zwarten ridder! Ik wil uw
+dienstwijf zijn en blijven tot het einde van mijne dagen!
+
+En zij wierp zich neêr aan Gaweins knieën en kuste hem de maliën her en
+der.
+
+--Wie zijt gij, schoone jonkvrouwe, en hoe komt gij in zoo groote rouwe?
+vroeg Gawein, terwijl hij de jonkvrouw oprichtte en nauwelijks merkte
+dat ter zijde, de roode ridder kermende te sterven lag.
+
+--Mijn vader was ridder en goedman en wel geboren van den lande! riep
+de jonkvrouw. Maar hij is onder gegaan van goede en ligt nu in zware
+armoede! Hij is krank en kan rijden noch gaan, noch zelfs over zijne
+voeten staan! Luttel vrienden zijn hem gebleven en luttel dienaren!
+Wacharme, edele ridder, heden kwamen de roode en de zwarte binnen onze
+veste, die is harde vervallen en te-broken en voor de oogen van mijn
+vader grepen zij mij aan en maakten mij beiden tot hunne amië! Toen
+wierpen zij mij op dit peerd, dat mijn eigen is en schaakten mij met hen
+mede, om mij mede te voeren naar den burcht, o wellieve heer ridder,
+waar menigertiere slechte ridder zijn spel drijft met de damoselen, die
+zij schaken!
+
+--Gawein! Gawein! riep de roode ridder. Kom mij te hulpe, mij en mijne
+ziele! Ik sterve!
+
+Gawein schrikte op: het was of hij nu eerst herkende des rooden ridders
+stem. Hij snelde toe waar de roode ridder lag, sloeg op diens vizier en
+riep uit:
+
+--Mordret! Mordret! Zijt gij dat!? Mijn gezelle van Tafel-Ronde?!
+
+--Lace, ik!! riep Mordret. O, help mij, Gawein, help mijn ziele en mij!
+
+Maar Gawein stortte toe op den zwarten ridder, die, den schedel
+gekloofd, lag in het stof van den weg. En zoodra hij diens zwarte vizier
+opsloeg, riep hij uit:
+
+--Didoneel! Didoneel! Ik herken hem, ook al kloofde ik hem! Didoneel! O,
+jonkvrouwe, van Tafel-Ronde was Didoneel ook mijn gezelle, als mij
+Mordret was! Barmhartige God van Hemelrijk, ik versloeg heden twee
+mijner gezellen en ridderen van mijnen Koning Artur van den Lande van
+Logres en zij waren feloenen en meineedig aan eede van ridderschap!
+
+En toen barstte Gawein uit in snik van groote smarte en wierp de armen
+ten hemel, terwijl hem de jonkvrouw in medesmart omhelsde en, op den
+grond stervende, riep Mordret:
+
+--Gawein! Gawein! Help mij en mijne ziele!!
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII
+
+
+Maar Gawein knielde neêr naast Mordret, die kreunende lag in het stof;
+hij trok hem voorzichtig het trensoen uit de wonde en legde er een
+talisman over, zoodat het bloed niet meer vloeide....
+
+--Gawein! kreunde Mordret. Ik bidde genade! Ik heb van mijne misdaden
+penitencië ontvangen, die mij te zwaar zal worden! Ik zal sterven, door
+uw hand. Voor menig jaar heb ik al den dood verdiend en nu zal hij
+komen!
+
+De jonkvrouw, op Gaweins teeken, had den zwaren helm van Mordret genomen
+en die vol water gevuld, aan de beek, die stroomde, uit bemost rotsblok
+te voorschijn. En zij laafde Mordret en zij wiesch hem er mede het
+aanzicht, terwijl antwoordde Gawein:
+
+--Mordret, mijn gezelle van Tafel-Ronde, Didoneel is dood en spreken kan
+hij niet meer van zijn zonde, maar gij kunt spreken nog: zoo laat het u
+berouwen, bid ik u en roep Onzer Lieve Vrouwe genade opdat het aan uwe
+ziele goeden raad moge worden....
+
+--Gawein! kreunde steeds Mordret; waande ik er mede te genade te komen,
+dan zoude ik geerne van mijne misdaden te biechten gaan, maar ik heb er
+zoo vele gedaan, dat nauwlijks mijne ziele meer raad weet!
+
+--Vriend, zeide Gawein goedertieren; al der wereld misdaad is weinig
+voor Gods genade: God, die voor ons geboren wierd, ontving voor ons de
+bittere wonden en mag u van uwe zonde quiten: zeg ze al uit en uit en
+laat den Grooten Duivel uit de Helle u niet pakken, dat bidde ik u!
+
+--Gawein! klaagde Mordret. Het is Didoneel, die mij verleidde; al sedert
+tien jaren verleidde hij mij damoselen te schaken te zijner wille en ze
+te voeren binnen de Amoreuse-Garde, dat is de burcht ver van hier, ver
+van Logres, en van al deze koninkrijken, en waar wij de jonkvrouwen
+heimelijk gevangen hielden en vele andere ridderen kwamen daar ook
+jolijt drijven en zondig solaes en vele ridders vermoordden wij en vele
+jonkvrouwen teffens en hare broederen mede en magen, die haar zoeken
+kwamen! Gawein, o mijn Gawein, heb erbarmen en bid voor mij: sedert tien
+jaren waren wij schakers en moordenaren en wij waren niet weerd te
+zitten met u allen om Tafel-Ronde! Geroofd hebben wij wat wij konden en
+van wien wij konden! Maar menegertiere stonde is berouw over mij gekomen
+en heb ik willen wenden op den wege des kwaads, maar ik was zwak voor
+Didoneel, die mij verleidde!
+
+Toen sprak Gawein tot de jonkvrouw:
+
+--Edele jonkver, laat mij eene bede doen, met uwe genade?
+
+--Mijn heere! riep de jonkvrouw; bede en doe mij niet: beveel mij: ik
+ben uw dienstwijf!
+
+--Zoo bidde ik u, welschoone jonkver, dat gij alle misdaden dezen twee
+ridderen vergevet. Door uwe vergiffenis en gebeden zal het Didoneel, die
+daar dood ligt, bet worden in de pijn van de Helle en zult Mordret
+wellicht gij verlossen van vele vlammen van Vagevure....
+
+--Mijn edele heer en beschermer, wees des gewes: die bede wil ik u
+toestaan en vergeven alle de misdaden, die mij deden deze roode,
+stervende en gondere zwarte, doode ridder. God vergeve u, roode ridder,
+alle zonde en dezen nood, waarin gij mij bracht!
+
+Mordret stamelde:
+
+--Dank, dank, edele jonkver!
+
+En zijn hoofd viel op de knie van Gawein, die, bij hem geknield, hem
+gebeurd had in zijn armen.
+
+Toen liep de jonkvrouw in hare gescheurde kleêren en met hare verwarde
+vlechten langs haar bloedend gelaat en hare bloedende borst naar
+Didoneel en zij knielde bij hem neêr en bad.
+
+--Gawein! Gawein! klaagde steeds Mordret. Zult gij voor mij bidden ook?
+En mij begraven op een kerkhof?
+
+--Ja, ik, Mordret! beloofde Gawein.
+
+En ter zelfder stonde snikte Mordret zijn laatsten adem uit.
+
+Toen seinde Gawein den doode en zich en stond op en naderde de
+jonkvrouw.
+
+--Jonkvrouwe, zeide Gawein; uw beide belagers zijn dood. En als ik u te
+huis in uw kasteel gebracht heb, wensch ik hen te begraven.
+
+--Welzoete heere! zeide de jonkvrouw. Dit foreest is mij bekend. Voor
+wij komen aan den burcht van mijn vader, slaat een zijweg links naar een
+kapelle en daar woont een oude paap bij en vóor gij mij te huis voert,
+zullen wij den zwarte en den roode begraven.
+
+--Dat zij zoo, jonkver! zeide Gawein.
+
+Toen zag hij om naar de paarden. Zij liepen daar alle vier te grazen de
+grashalmen, als ware hunnen berijders niets gebeurd en Gawein greep bij
+de teugels zijn jongen Gringolet en het paard van Mordret; de jonkvrouw
+greep haar eigen en Didoneels ros, hoewel het steigerde.
+
+En Gawein nam in zijn armen het lijk van Mordret. Hij nam het als ware
+het een kind en legde op den rug den dooden ridder over diens zaâl. Hij
+nam toen het lijk van Didoneel en legde dat over diens ros heen, dat hij
+bedaarde. En de jonkver en Gawein stegen op. Gawein geleidde het ros
+van Didoneel en de jonkvrouw geleidde Mordrets ros. En zij reden het
+foreest binnen en zwegen. Zij reden stapvoets en zwijgend en de weg was
+lang en wendde eindeloos zich door het woud. Eerst ruischelde nog de
+beek en zongen de vogelen luide, maar toen de schemering zonk, zwegen de
+vogelen en de bron van het water ontwelde te ver om aan den weg haar
+geruisch te doen zingen. En de schaduwen zonken door het foreest en
+weefden de komende duisternis.
+
+Gawein bad Pater-Noster en Credo en beval de zielen der dooden aan Sint
+Michiel en de jonkvrouw bad telken en telken male Kyrië-Eleyson en
+"Amen" zei dan Gawein. En geen van beiden zeiden zij, dat zij zagen, hoe
+kaarsen schenen, bleek van vlamme, mede te zweven om het lijk heen van
+Mordret: zes dunne wastoortsen en hoe er, héél licht van geluid,
+gezongen mede met hen werd, alsof onzichtbare handen de lichten beurden,
+alsof onzichtbare kelen mede baden de gebeden voor de dooden. Maar
+achter vernam Gawein gebruis van bladeren en toen hij omzag, zag hij
+donkere gedaanten en hij heette de jonkvrouw vóor te rijden, met
+Mordrets lijk dwars over diens paard heen en de lichten en de stemmen
+rondom, die waren in de vallende nacht duidelijk te zien en te hooren:
+zacht engelengeluid en waskaarsengloor.
+
+En weêr omziende herkende Gawein de, hem na kruipende, donkere
+gedaanten: zij sleepten zich ter sluiks over de ritselende bladeren, die
+reeds vielen in midzomer, maar zij dorsten niet nader sluipen en Gawein
+zag, dat zij haken in de klauwen hielden en hoornen droegen; zij slipten
+door het struweel ter zij van den weg; het waren duivelen en hunne
+staarten slingerden als van apen om hunne lijven of slierden over de
+ritselende bladeren en dan schoot een vuur uit hunne kelen en gloeiden
+als van wolven hunne demone-oogen en Gawein hoorde hen wel mompelen nù
+en murmureeren:
+
+--Didoneel! Didoneel! Menig jaar hebt gij ons gediend, met Mordret. Nu
+zult gij het loon wel ontvangen. Wij zullen, wen wij uw ziele hebben,
+haar steken en slaan en harde pijne doen! Wij zullen spelen met uwe
+ziele! Wij zullen daar mede sollen als met een bal en uwe ziele werpen
+van de' een naar d'aâr! Didoneel! Didoneel! Geef ons uwe ziele, dat wij
+er ons jolijt mede drijven en riveel naar onzen aard!
+
+Voór reed de jonkvrouw en zij bad, en om het lijk van Mordret, dat hing
+over het zadel des stappenden paards, gloorden in de nacht de zes
+bleeke, onzichtbaar gebeurde kaarsen en zongen met de jonkvrouw mede de
+onzichtbare engelen, zes.... Maar achter voerde Gawein Didoneels lijk
+mede op diens paard en de duivelen, al mompelende, slopen nader. Zij
+trokken aan de beenen van Didoneel en zij heschen zich op naar zijn
+hangende hoofd, waar, uit den mond, mede gekloofd, de ziel aarzelde uit
+te varen....
+
+--Slechtaarden! riep Gawein. Pautenieren! Duvelsche broed! Gij zijt
+Didoneels ziele zoo fel, maar waart gij tot mij gekomen en niet tot hém,
+dien ik doodde, vóor hij biechten konde en Onzer Lieve Vrouwe om genade
+bidden, ik zoude, ging het mij te schade of te vrome, u doen weten wat
+mijn zwaard vermag! En zoo zal ik, in trouwe, ook heden doen!
+
+En Gawein hief hoog zijn zwaard over Didoneels lichaam, zoo dat een
+kruis zich er boven teekende, bleek goud lichtende in schemering. Toen
+vloden de duivelen hunne vaart, Noord-Oost, Noord-West, met groot
+geschal en gekrijsch van open gespalkte, vuur spuwende tronies en
+lichtende oogen, die doofden....
+
+En reden door de jonkvrouw en Gawein. Het was na middernacht, toen zij
+den zijweg insloegen en de kapel zagen liggen, in het late manelicht,
+nabij eene vlakte, waar zij de kruizen der graven blanken zagen. En zij
+stegen af en Gawein luidde er het klokje, dat aan de poort hing en het
+klonk door de nacht met de bede der dooden. Der engelen kaarsen waren
+gedoofd en hunne stemmen zongen niet meer en wellicht waren zij
+opgestegen eer de kapel was bereikt, in de ijle wolkjes, die zweefden,
+hoog in den ijlen maneschijn en staarden zij van daar naar omlaag. De
+paap kwam uit en vroeg wat de ridder begeerde en zeide Gawein:
+
+--Vader, laat ons helpen ter aarde deze dooden twee; dat zoû zijn wel
+gedaan. En laat ons missen zingen.
+
+--Wie zal mij dienen? vroeg de paap.
+
+--Dat zal ik wezen, sprak Gawein. Ik kan wel lezen, zoo dul en ben ik
+niet, want in mijn kindsheid ging ik zeven jaren ter schole....
+
+--Ik en twijfel niet, heer ridder, zeide de paap, en zij legden de
+dooden op een baar, die daar stond voor het altaar en bedekten hen met
+het zwarte kleed en de jonkvrouw, die Alliene heette, stak de zes
+kaarsen aan, die waren gestoken in ijzeren luchters. En terwijl de paap
+over der doode ridders zielen de misse zong, diende hem Gawein als zijn
+koorknaap, gewillig en nederig en vroom, terwijl de jonkvrouw in gebed
+bleef verzonken. Maar toen de mis was gezongen, biechtte Gawein niet en
+hij had reeds niet in twaalf jaren gebiecht, want hij was alleen vroom
+op zijne wijze en daarom bad voor hem zijne moeder in Paradijs....
+Gawein en de paap droegen toen de bare achter de kapel in het kerkhof en
+in den maneschijn dolf Gawein met zijn zwaard het graf, breed genoeg
+voor Didoneel en Mordret. Want de lijken mochten samen liggen, mochten
+de zielen ook gescheiden worden, zoo dadelijk Didoneels ziel mede met
+de duivelen moest ter Helle.... Dat Gawein vreesde, maar wel was hij te
+moede, omdat Alliene vergiffenis Didoneel had geschonken en voor hem bad
+en voor hem steeds nog bad, voor hem en voor Mordret.
+
+Toen was het diep in de nacht en Gawein gaf penning den paap en steeg
+op. Hij tilde voor op zijn zaâl Alliene en zij lag uitgeput, oogen toe,
+tegen zijn borst, tegen den liebaert aan van zijn wapenrok. Hij had de
+drie andere paarden mede aan de teugels genomen en zij stapten mede aan,
+ter zijde en achteren.
+
+En in de stille nacht ging Gringolet den weg, die geleidde tot Alliene's
+vaders burcht. Toen zij naderden, zag Gawein het vervallen slot, met den
+geknotten toren, zich weemoediglijk teekenen tegen bleeke nacht. En
+voelde hij, hij wist niet welk ongeluk huiveren boven den burcht. De
+valbrug over de gracht lag neêr, als ware het niet de moeite waard zoo
+vervallen armoede des nachts af te sluiten. De poort stond open. In den
+hof stond in een hoek eenig landbouwgereedschap bij een kar. Geen
+dienaar liep aan. De toren brokkelde toe naar de maan. Afgestegen,
+Alliene en Gawein, verontschuldigde zich de jonkvrouw.
+
+--Wij en hebben niet dienaren, heer; onze huisman zorgt voor ons met
+zijn wijf en vader zal waarschijnlijk slapen.
+
+Het was donker in de sombere gangen, die zweetten uit de kille vocht.
+Ter zijde lag een groote zaal in puin. Maar Alliene voerde den ridder in
+een overwulfde kemenade, waar zich in den manestraal, die bleek viel
+door het ronde raam, een bedde teekende, waarop scheen te slapen een
+grijsaard.
+
+--Vader...! riep Alliene. Vader, waak op: ik ben terug bij u want deze
+hoofsche ridder redde uw kind van de kwade feloenen! Vader! Vader!! Waak
+op!
+
+Toen roerloos de oude bleef liggen, naderde Alliene de sponde. Zij
+struikelde bijna over een zwaard, dat lag over den grond, en zij
+herinnerde zich, dat haar vader haar had willen verdedigen tegen Mordret
+en Didoneel toen zij haar wilden schaken.... Maar toen zij legde hare
+hand op haar vaders voorhoofd, waar langs de grauwe lokken lagen, voelde
+zij, dat het koud was.
+
+Zij schrikte, legde haar oor tegen des ouden borst. Zij verhief zich.
+
+--Hij is dood, zeide zij. God was zijn ziele genadig hem te laten
+sterven in zijn noode.
+
+--Dood is hij? vroeg Gawein.
+
+--Hij is dood, zeide zij.
+
+Zij tastte in het duister, stak een kaars op en zette die bij den doode.
+Zij ging in haar eigen aangrenzend closet, stak een kaars op en zette
+die bij den doode. Gawein knielde neêr en zij ook en zoo baden zij
+beiden.
+
+Toen Gawein teffens zijn oogen opsloeg, speurde hij in den laten
+maneschijn, in den hoek van het ruige, steenen vertrek in schaduw, die
+op lichtede, een gedaante, weg gedoken, als van een aap, met een staart,
+die uitkronkelde in een gaffel.... En herkende hij aan de horenen een
+duivel, die daar wachtte op zijn prooi....
+
+--God, die voor ons geboren werdt.... begon te bidden Gawein.
+
+De duivel, in de schaduw, die voor het oog van Gawein oplichtede, loste
+zich als schaduw op in den maneschijn. Maar voor hij geheel verdwenen
+was, hoorde Gawein hem mompelen, als nachtwind door dorre bladeren heen:
+
+--Wij zullen u wachten, Gawein.... Gij en biecht nimmer, Gawein.... Gij
+zijt boordevol zonde en moorden pleegt gij wat gij vermoogt. Twee
+moorden placht gij heden.... Wij zullen u wachten, Gawein en wen gij
+gestorven zijt, met uwe ziele sollen, als met een bal, als met een
+bal....
+
+--God, die voor ons geboren werdt.... herhaalde Gawein. Vergeef zijne
+zonde den zondaar....
+
+--Amen, bad Alliene.
+
+--En laat uwe engelen zijne ziele voeren ten Trone....
+
+--Amen, bad Alliene.
+
+--In glorië van uw Paradijs....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII
+
+
+Twee dagen later reed een ridder het woud uit en hem ter zijde een
+jeugdige edelknaap. Het was Gawein en het was Alliene. Zij hadden den
+vader ter aarde besteld en de paap was de mis komen lezen. De huisman en
+zijn vrouw hadden voor spijs gezorgd en drank en Gawein had hun de
+paarden van Morgret en Didoneel geschonken tot delging van schuld, die
+Alliene's vader aan hen liet na beschreven. En de jonkvrouw, in de
+rusting haars jeugdigen broeders, kortelings verslagen, volgde den
+ridder, die haar beschermd en gered had. Want zij had niets meer en
+niemand ter wereld en zij verliet den vervallen burcht, die brokkelde
+over haar hoofd.
+
+Zij reden zwijgend en Gawein dacht na, in den klaren morgen, die zoo
+vreemd welfde den openbaren hemel boven hen na de treurenissen, die
+waren geweest. Dat wat rondom Gawein de Ridders van Tafel-Ronde zoo
+dikwijls hadden betwijfeld, dat was gekomen en had hem omringd en zoû
+hem weder omringen. Het Scaec, dat was aan komen zweven; de berg, die
+zich ontsloten had; Morgueine, die hem na Gringolette's dood in een
+tooverwagen, die van zelve ijlde, gevoerd had in de Valleie der Ontrouwe
+Ridderen, waar speelinstrument zweefde in de lucht en waaruit twee
+liefdegetrouwe gezellen hem waren komen verlossen....
+
+Was het niet alles Wonder en Aventure geweest? Was Wonder het niet
+geweest, dat harnas en wapenen uit het geluchte hem waren gevallen en
+dat een jong Gringolet hem hinnikend toe was geloopen? Was Aventuur het
+toen niet geweest, dat Alliene hij uit het geweld had bevrijd van fellen
+Didoneel en Mordret? O, de bittere verrassing van dat Aventure! Nu
+breidde de wereld weêr nieuw maar vol verborgenheden van Toekomst zich
+rondom hem uit met den nieuwen dag en....
+
+--Schouw toe, heere! riep Alliene plots naast hem.
+
+Hij zag òp, volgend de wijzing van heur gemalieden vinger. En hij zag
+voor zich hoog, tusschen de witte wolkjes, dan lager, dalende als met
+vogelvluchtgril, het Scaec, het Zwevende Scaec. Bijna als een leeuwerik
+vloog het nu òp, òp, òp, met korte schokjes, verloor zich tusschen de
+wolkjes, schoot weêr uit, daalde, daalde, steeg, òp, òp, òp.... En het
+schitterde met de juweelen velden en de enkele glinsterende stukken,
+door toover, wankelden niet maar bleven recht op, gouden en zilveren
+gensters....
+
+--Het verschijnt voor mij, zeide Gawein, terwijl hij ruimer ademde;
+omdat ik het achterhalen moet. Ik meende het in Koning Wonders burcht te
+zullen vinden, waar ik het Destijds vond maar Aventure voerde mij verre
+voorbij het slot van koning Mirakel! Zoo moet het ook geschieden in
+queste; zoo is het immer geschied: nimmer is Heilige Speer of Heilige
+Graal of Zwevende Scaec dadelijk gevonden door dolenden ridder; jaren
+lang doolde ridder in queste, voordat hij vond Heilige Graal, Heilige
+Speer of Zwevende Scaec.... Het Wonder is de werkelijkheid, het Aventuur
+is het leven van iederen dag voor dolenden ridder en zoo niet het
+Aventuur hem tegen hield dadelijk het doel te bereiken, zoû hij nimmer
+verlossen belaagde onschuld en zoude trouw-aan-liefde nimmer verklaren
+openlijk voor héél de wereld, als zij deed toen Lancelot mij
+verloste....
+
+En Gawein spoorde zijn paard en Alliene spoorde het hare tot vluggeren
+draf, om het Scaec niet uit het oog te verliezen.... Tot het Scaec,
+ergens, achter de kartelende lijn van geboomte, pijlrecht neêr daalde en
+verdween.
+
+--Bij Sint Michiel, mijne schoone jonkver! riep Gawein. Vooruit in de
+richting waar het verdween!
+
+En zij draafden dwars door het foreest, waar het Scaec scheen neder
+gevallen. Een serpent, een drake, meende Gawein kon plots, zekerlijk,
+voor hem doemen in de verwarring der takken en twijgen, die dikwerf den
+weg hun versperden of tusschen het door één gestrengeld struweel,
+waartusschen strompelden de gespoorde rossen. Maar geen serpent doemde
+op en de beide ruiters vervolgden hun weg, tot zij door moeras, waar,
+pluime-bloeiende, het riet uit stak, de rivier bereikten, de zelfde, die
+Gawein met Gringolette was op gezwommen. En aan de rivier verrees de
+burcht van den Koning Mirakel, die heerschte over Wonderland, dat lag
+daar tusschen den Wonderstroom en de Vagevuursche wateren en de lucht
+was er anders dan in de gewone, omringende luchten, ook al werden die
+dikwijls doorstroomd met de ademen der Wonderlandsche winden. Het was
+eigenlijk alles Wonder, Land van Logres en alle de andere koninkrijken
+van oude koningen daar om heen, waar over tooverstaf voerde Koning
+Mirakel of Merlijn en Morgueine of wie er nog verder in stilte heerschte
+over elementen in aarde, lucht, water, vuur: over gnomen en sylfen,
+nixen en salamanders. Deze burcht echter, bedacht Gawein, had hem
+Destijds, toen hij den eersten keer er het Scaec kwam zoeken en het er
+ook werkelijk gevonden had, toe geschenen als een burcht van koper, als
+een burcht van gloeiend brons, als een burcht van goud, en nu scheen het
+Gawein toe, dat de burcht gebouwd was van steen, van roode, rossige
+steen als andere koningsburchten in de omringende landen, rooder alleen,
+rossiger.... Goud, neen, het was geen goud.... Hoe vreemd, dat het geen
+goud meer was.... Maar dáár, voor hem, was de poort, die hij Destijds
+ook was binnen gereden. Zwijgend wees hij Alliene met zijn speer mede
+binnen te rijden. De poort gaf toegang tot een hagedochte en dat
+hagedochte geleidde onder de rivier tot in den burcht. De ruiters reden
+beiden het sombere hagedochte binnen; daar duisterde de dag en boven
+hunne hoofden hoorde zij den snellen stroom van het diepe water, dat
+raasde vervaarlijk als een waterval.
+
+--Heer, zeide Alliene zacht en treurig; geloof mij nu wel, bij Sinte
+Marië, dat ik uw dienstknape ben zoo niet uw dienstwijf, dat gij niet en
+wenschtet en gij niet meer een jonkvrouw in mij ziet maar alleenlijk een
+garsoen. En dat, zoo ik sterven kan voor u, door u te beschutten met
+mijn lijf en leven, ik beiden niet en sparen zal.
+
+Zoo sprak Alliene maar zij zeide niet alles in volle waarheid was zij
+gevoelde in heur hart voor den ridder, groot van prise, die vol edelen
+moed haar had beschermd en verlost van twee booze feloenen. Zij zeide
+niet de groote minne, die vrouwe Venus in haar voor Gawein had
+ontstoken: voor den edele, den sterke, den hoofsche, die met haar
+gebeden had tijdens de nachtwake bij den dooden vader, die haar om hare
+heilige smart had geëerbiedigd als de Maagd zelve, in de eenzaamheid der
+brokkelende burchtzalen. Want Gawein, anders gemakkelijk en veelvuldig
+in liefde, niet trouw ooit aan Ysabele, Assentijns dochter, gebleven,
+had van geen liefde betuigd aan Alliene, die hij in rouwe en in smart
+had bijgestaan, volgens ridderlijken plicht en eed.
+
+--Zoo zij het, Alliene en, naar mijnen waan meen ik, dat het best zal
+zijn u, bloeme boven alle knechten en edelknapen, voortaan te noemen
+Amadijs en u ridderschap te beloven op lateren dag, aan mijn Konings
+Arturs hove....
+
+En er was scherts in zijn woord en toch ernst, nu hij Alliene vergund
+had hem te vergezellen in de rusting haars broeders, omdat zij geheel
+alleen ter wereld verlaten was. Nu waren zij het hagedochte uit gereden,
+zonder dat toover-enghien hen verhinderd had, want de torenwachters
+hadden Gawein herkend en lieten hem vrij binnen rijden met den knaap,
+die hem ter zijde reed.
+
+Gawein en Alliene reden door opene poort bij poort over brug en brug den
+burchthof binnen; garsoenen schoten toe, hielden de rossen vast; de
+ruiters stegen af....
+
+En zij zagen in den hof, onder den lindeboom, den ouden Koning Mirakel
+liggen op een rustbank.
+
+En zijn zoon Alidrisonder zat naast hem.
+
+En zij speelden schaak....
+
+Rondom in den hof, onder rood gouden appels, die hingen zwaar in de
+appelaren, zwoel van geur en gestoofd door midzomerzon, zaten of
+vermeiden zich de ridders en edelvrouwen van het hof.
+
+De jeugdigen sloegen er den bal; anderen speelden het werptafelspel en
+dobbelden er met de steenen....
+
+Een edelman, in kostbaar gewaad van siglatoene, liet op zijn vuist zijn
+valk bewonderen aan eene edelvrouw, die in heur schoot haar leliewitte,
+zijdeharige hondje koesterde en hoofsch gesprek ging om, terwijl zachte
+melodië van knapestemmen weêrklonk bij viool, luit, psaltherion en
+cither.
+
+En toen de garsoenen Gawein en Alliene--zij heette nu Amadijs, o lezer,
+wees des gewes!--den hof binnen leidden, zagen allen toe en stond
+dadelijk op de prins Alidrisonder en beide handen uit gestoken, riep
+hij blij:
+
+--God van Hemelrijk geve u goed geval en al dat gij begeert, o zoete
+vriend Gawein, mede met den welschoonen knape-van-wapenen, die u
+verzelt! Wellekom in onzen burcht en duld, dat onze garsoenen u beiden
+sporen afdoen en glaviën ontgorden!
+
+En tot zijn vader, die, krank, zich slechts even uit zijne kussens
+richtte, riep Alidrisonder:
+
+--Hooge vader, mijn edele heere, hier is tot ons gekomen de bloem boven
+alle ridderen, dat is Gawein, van Koning Arturs Tafel-Ronde!
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV
+
+
+En Gawein liep op den kranken Koning toe en knielde hoofsch voor hem en
+kuste zijn hand, terwijl alle de baroenen van den lande en alle die
+edele vrouwen, die zich daar in den hof vermeiden, Gawein bezagen en
+bewonderden en opstonden om hem te begroeten.
+
+--Mijn heere Gawein! zeide Koning Mirakel. Uw gelijke is er geen van
+deugden onder den Trone! Hoe vroô ben ik u weder te zien na zoo vele
+jaren! Herkend heb ik u dadelijk! Herinnert gij u, dat gij hier tusschen
+mij en mijn zoon vondt staan het tooverschaakspel, dat in Camelot was
+binnen gevlogen en dat gij harde begeerdet en dat ik het u gaf, toen gij
+mij na vele Aventure kwaamt brengen het Zwaard met de Ringen, dat gij
+van Koning Amoraen kreegt, omdat gij hem beloofdet de schoone Ysabele
+tot hem te brengen, Koning Assentijns dochter! Lace, hoe vele jaren is
+dat alles her! Amoraen was gestorven, toen gij hem Ysabele kwaamt
+brengen in smartelijke trouwe om uw eed want gij hadt haar zelve lief
+gekregen en zij u, maar toen hadt gij zoowel uw zoete wijf als het Scaec
+gevonden en uw geluk met beiden!
+
+--Mijne heere Koning van Wonderland, antwoordde Gawein, die naast des
+Konings bedde zich had gezet. Ik herinner mij van alle deze dingen en
+heb smarte u te zeggen, dat mijne minne en geluk ten einde kwamen, want
+Ysabele, lace, zij stierf....
+
+Er was groote rouwbedrijvinge rond om Gawein toen hij dit zeide; de
+Koning nam hem eene hand en Alidrisonder de andere en de edelvrouw met
+het schoothondje, dat zij los had gelaten en dat kefte in haar gewaad
+verward, trad nader vooruit, want zij vond Gawein een verleidelijken
+ridder, vooral nu zij wist, dat hij weduwnaar was en een der groote
+baroenen van Koning Artur.
+
+Toen Gawein bedankt had voor zoo algemeene deelneming in zijn verlies,
+hernam hij:
+
+--Mijn heere Koning, dat ik heden voor u waag te verschijnen is om geen
+andere reden dan dat ik wederom op queste ben van een Zwevende
+Tooverscaec en dat ik dit dacht bij u te vinden, maar het Scaec, dat ik
+op deze tafel zie en waaraan gij speeldet met uwen zoon den prins, dien
+ik bemin, wellieven Alidrisonder, is niet het Scaec, dat in vroegzomer
+binnen zweefde in de Ronde Zale van Camelot.
+
+Toen sloeg de oude Koning Mirakel de trillende armen op. En hij
+weeklaagde:
+
+--Eilace, wellieve heere Gawein! Tooverscaec zoekt gij bij mij? Maar
+weet gij dan niet, dat alle toovermacht ontzonk aan Koning Wonder? Dat
+mijn Wonderland geen Wonder en meer is? Neen, dit Scaec hier is een
+gewone scaec en ik en zoû geen tooverscaec meer kunnen scheppen en
+beheerschen! Wat ik kende, is de oude tooverië en, ai mij, de nieuwe
+toovenaars hebben, wat zij noemen de moderne magië uit gevonden! Weet
+gij, Merlijn, bij uwen Koning Artur, die is de moderne tooveraar! Ik,
+lace, en weet niets van zijne conste, die zijn met natuurkrachten
+bereid, mij en mijnen gelijken nimmer bekend. Merlijn, die verjeugdigt
+zich, al is hij zoo oud als ik! En dat drukt op knoppen of draait aan
+sturen en dat vliegt door het geluchte of verlicht geheele burchten of
+doorschicht geheele foreesten en donkere wolkstapelingen en dat is
+Wonder, werkelijk Wonder, mijn wellieve Gawein, onbegrijpelijk met mijn
+armen geeste! En wat ik nog wist te maken: tooverbedden, waarin gewonde
+ridder genas, wonderboomen van rooden goud, waarop de vogelkijns
+zingende vlerken uitslaan--ik zeg u in gemoede: dat gebeurde door
+mannen-met-blaasbalgen, die onder een duwiere den hollen boom wind toe
+joegen en zoo de vogelkijns zingen deden--dat maakt Merlijn, met
+Zwevende Scaecken, nu veel beter dan ik; dat is hèm kinderspel,
+spelleconstjes, aardigheidjes, meer niet: vooral een Zwevende Scaec--des
+ben ik overtuigd--zal hij nu ook veel beter vermogen te maken dan ik het
+ooit vermocht! Gawein, lieve Gawein, ziet gij dan niet, dat ik krank ben
+van mijne onkunde geworden, dat ik in troostelooze moede ben, trots al
+mijn hof, dat jolijt drijft om mij rond, om mij vergeten te doen?
+Gawein, lace Gawein, ziet gij dan niet, dat de oude Koning Mirakel
+sterft, omdat de nieuwe mirakelen door de geluchten zweven en wij, o
+wacharme, hen niet en weten?
+
+Toen knielde op nieuw Gawein bij den zieken Koning en hij zeide:
+
+--Mijn wellieve heere Koning Wonder, zoo ik niet en vroeg of gij krank
+waart, zijt des gewes! liet ik dit na uit bescheidenheid. Laat mij u
+wenschen beterschap toe en zeggen wat mijn gedachte is. Merlijn is een
+knappe tooveraar maar hij is alleenlijk jong in den morgen en oud in de
+nacht en als hij eens des avonds sterft, zal dit zijn omdat zijn
+tooverconste overheerscht wordt door die natuurkracht. Maar het Wonder,
+dat Wonder was, zal het blijven als wij het Wonder voelen in ons harte
+als ik het voel, o mijn heere! die het Zwevende Scaec dit maal toch niet
+vind tusschen u en uw prins staan....
+
+De zieke Koning richtte zich half op, verrast. Hij glimlachte en zag
+Gawein in diens groote, bruine oogen. Hij legde zijne handen op Gaweins
+schouders. Hij zeide niets maar hij was geroerd en toen hij daarna zijn
+blik weidde over zijne baroenen en hunne edelvrouwen--wijven en
+dochteren--zag hij onder den glimlach van hun hoofsche doen den Twijfel
+en het Ongeloof schemeren en had er Gawein liever om.
+
+ * * * * *
+
+Al was Koning Mirakel van Wonderland krank en droef te moede omdat hij
+geen modern toovenaar was, aan zijn hof heerschte nog vele vreugde, waar
+niemand zich scheen aan te trekken, dat de Koning zulke vernoye had en
+pijn van zwaarmoedigheid. En nu de blijde bellen sprenkelden heldere
+klanken tot nooden aan den disch, voerden edelknapen Gawein en zijn
+Amadijs naar een kemenade, waar zij zich zouden verkleeden. De knapen
+brachten de feestkleederen, zoo als die steeds in alle burchten klaar
+lagen voor ridderen, die aan kwamen dolen en wie hen vergezelden en
+boden hunne diensten aan. Maar Gawein, denkende aan Amadijs, die
+eigenlijk Alliene was, verzekerde hun, dat hij genoeg had aan zijns
+eigenen schildknapen hulp, en hij bleef met Alliene, liever, met Amadijs
+alleen.
+
+Toen zag Gawein om zich rond en zeide en wees:
+
+--Wellieve Amadijs, mijn schoone knape, zie deze kemenade; ik ken haar
+van Destijds en op dit tooverbedde heb ik geslapen, nadat ik met de
+draken gekampt had, de moederdrake en de vier felle serpentenjongen en
+in minder dan een nacht was ik genezen van mijne wonden. Maar sedert
+heeft Merlijn het geheim ontdekt tooverbedden te maken, waar de gewonde
+ridder in minder dan zes uren van zijne wonden geneest: zoo een hebben
+wij te Camelot en daarom is Koning Wonder onvroô te moede.
+
+En Gawein toonde Amadijs het bedde. De vier pilaren van het ledekant
+waren van fijn, rood goud en de sponde was van gebeeldhouwd ivoor en op
+den hemel, waarvan de gordijnen van geel damast af vielen, zaten vier
+gouden engelen aan de vier hoeken en zongen, sedert de edelknapen de
+gasten hadden binnen geleid.
+
+--De engelen zingen niet zuiver meer, zeide Gawein. Bet is het, dat wij
+ze doen zwijgen. Hij poogde den knop te draaien, die een der engelen kon
+doen zwijgen en met een knars zweeg de engel ook stil; toen deed Gawein
+zwijgen de andere drie.
+
+--Wat er zingt bij Merlijn in zijn burcht, zeide Gawein; zingt uit
+groote, gouden kelken en dunkt mij schooner van klank. Maar ik heug mij:
+toen ik tien jaren geleden deze engelen hoorde zingen voor de eerste
+male, vond ik hunne melodië wel uitermate schoon....
+
+Gawein begon zich te ontgespen.
+
+En hij duldde nu, hoffelijk zich verontschuldigend, dat Amadijs hem
+hielp, want moeilijk was het wel en hijzelve ontgespte daarna Amadijs.
+En zij wieschen zich in het bronzen bekken, waarin het water, te pointe
+koud, te pointe heet, reeds gegoten was en verkleedden zich toen voor
+het maal met de kleederen, die de edelknapen hadden klaar gelegd. Gawein
+kleedde zich in een surcoet van roode zijde, die was met hermelijn
+omzoomd en zijne hozen waren wit en zijne schoenen waren rood wederom,
+met rooden goud bedropen en hij stond in zijn feestgewaad zóó ernstig en
+beminnelijk, met het lange, bruine haar, dat glansde als van een vrouw
+en golvend om zijn breeden nek viel, tot Amadijs ontroerde, terwijl
+hij--maar Amadijs was Alliene--zich kleedde in bliaut van witte zijde,
+met sabelbont omzoomd en in roode hozen met wederom witte schoenen,
+lang van toot, de kort geknipte, geluwe lokken om het even weemoediglijk
+aanschijn niet minder gouddraadblond dan koninginne Guenevers vlechten.
+En toen wederom de blijde bellen sprenkelden de klanken tot nooden aan
+den disch, gingen zij beiden de kemenade uit en in de gangen en
+gaanderijen verdrongen zich, maar hoofsch, de baroenen en hunne vrouwen
+en dochteren. In de groote zaal--rijk de wanden gepinghierd met
+tafereelen uit Koning Wonders eigene tooverjaren--waren de vele tafelen
+over de schragen gelegd; 's Konings eigene tafel was van rooden goud en
+de anderen waren van ivoor en kostbare ammelakens werden er over
+gespreid.
+
+De Koning zoû zich zetten op een zetel, die vroeger ongenaakbaar was
+voor bliksem en donder en waarin hij ook onaantastbaar was gebleken voor
+elken vijandigen aanval, maar hij bekende nu zijn gast, strompelend aan
+diens arm, den prins Alidrisonder ter andere zijde, dat hij niet gaarne
+meer tijdens tempeest of overrompeling in den zetel ware gebleven.... De
+toovermacht ervan was versleten, meende de Koning Wonder en schudde
+bezwaarlijk zijn grauwe lokkenhoofd. Maar Alidrisonder, jeugdig, lachte
+en meende, dat er eigenlijk geen toovermachten bestonden en dat het
+alles was werktuigkunde en clerkeconste: zingende engelen, bedde van
+hygiëne en zetels, onaantastbaar voor bliksemflits of voor donderkeil.
+Wat de Koning boos deed worden, wankel op zijne zieke beenen aan den arm
+van zijn lieven gast, heere Gawein, zoo dat Gawein hem verzekeren moest,
+dat Alidrisonders oordeel dat was van jeugdigen overmoed en dat het
+Wonder der wondermeesters en des Konings van Wonderland meer was van
+heilige scienscië dan clerkeconste en wetenschap-van-enghiene waren....
+Om welke troostende verzekering Koning Mirakel zeer dankbaar was toen
+hij Gawein noodde naast hem te zitten op den tooverzetel en met hem te
+tasten uit één bord van rooden goud en met hem te drinken uit één beker
+van rooden goud. De stopen van goud stonden her en der op de tafelen
+voor de gasten gevuld met clareit en met hypocras en met gekruide
+malvezijen; nappen stonden er menigertiere van goud en zilver en zuiver
+kristal in vele vormen van sierlijkheid en de edelknapen gingen rond,
+met, hoog geheven, de zware schalen, waarop de pauwen lagen, staart
+ontplooid, of dampend, thijm-doorgeurd venizoen, afgewisseld met jong,
+malsch tam: over de tafelen lagen de kersen geschikt, voor fraaiïgheid
+en voor snoeperij....
+
+En gouden engelen, in de hoeken der zale, staken trompetten en
+zongen....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV
+
+
+Toen zeide de Koning Wonder tot zijn hoogen gast:
+
+--Heere, zijt te gemake, ik bid u zeer daaromme en neem van wat u
+gevalt.
+
+Waarop Gawein antwoordde als het behoorde:
+
+--Hier is, hooge vorst, genoeg van alle zaken: niet gebreekt mij, wil
+mij gelooven; ik ben harde wel te gemake.
+
+Er zaten aan de andere tafelen de baroenen des Wonderrijks: er waren
+hertogen en graven bij en eene hertogin schertste met Amadijs, dien zij
+bekoorlijk vond, zoo jong en ernstig en zoo lieflijk bijna als een
+jonkvrouw.... En Gawein, omziende aan des Konings zijde, verwonderde
+zich wel, vreemd te moede, want al twijfelden alle die gonen, die daar
+zaten en aten, aan het Wonder, waarvan hun heer de Koning was, er was
+geen droefenis om hen: zij lachten en dronken en dreven jolijt ende
+riveel, en Gawein, in zijn geheimste ziel, meende: als het Wonder niet
+bestond, of niet van machte meer ware, zoû het geheele Rijk toch weldra
+vergaan!? Zoo als hij meende, dat het Land van Logres, Koning Arturs
+rijk, lace, vergaan kon, als ten slotte geen Aventure zich meldde en hij
+zelve niet slagen zoû in de queste.... Maar zulke gedachten schenen niet
+om te gaan in dier edelen en schooner vrouwen testoyierende hoofden en
+Gawein, ernstig, verwonderde zeer en plotseling scheen het hem toe, dat
+twee gevleugelde geniï met omgekeerde, brandende fakkelen, zweefden
+tusschen de appele-boomen, zichtbaar door de bogen der zale en toen
+binnen zweefden over de zorgelooze gasten in de burchtzale van den
+Mirakele....
+
+Maar tal van knapen staken tal van toortijtsen en stallichten aan op
+gouden kandelaren en zij gingen om met bekkens van goud en kannen van
+goud en schonken het geurige water en boden de dwale om zich de vingers
+te drogen. Maar den Koning was het hoofd op de borst gezonken; hij
+sliep, moede en uitgeput, want hij wist het nieuwe Wonder niet meer en
+Gawein begreep, dat hij het Zwevende Scaec dit maal niet bij Koning
+Wonder vinden zoû.
+
+Toen het feestmaal ten einde was, gingen de gasten zich divertieren in
+de vergieren in amoereuzelijke vië ende jolijt en zag Amadijs, dat
+Gawein zich verloor met de edelvrouw van het leliewitte schoothondje,
+tusschen de boomstammen door der bongerds, in de welwillende schaduwen,
+die als donker fulpen pauwillioenen waren....
+
+Amadijs bespeurde het met een schok zijns harten en vluchtte toen voor
+de hertogin, die hem naderde met een bescheiden geruisch van haar kleed
+van sindaal. En hij vluchtte naar de kemenade en legde zich, alleen, op
+het wonderbed, dat vroeger de gewonde ridders genas in vier-en-twintig
+uren. Maar dat nu van weinig waarde geworden was, want zelfs na
+zes-en-dertig uren slapens genazen er lijfsgevaarlijke wonden niet te
+allen deele. En Amadijs legde er zich ruggelings alleene op en omdat hij
+alleene was, en alleene bleef, nam hij Gaweins breed zwaard-in-scheede,
+drukte dat tegen de borst en bedacht of het wonderbed nog kracht genoeg
+in had om van minne te doen genezen, die stak met pijlen van pijne....
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden morgen namen Gawein en Amadijs, gewapend, afscheid van
+Koning Wonder en van zijn jolijselijk hof. Wonder omhelsde Gawein zeer
+innig en zeide, dat het zeker de laatste male was, dat hij den dapperen
+wigant zoû hebben aanschouwd want dat hij zich sterven gevoelde, omdat,
+lace, het nieuwe Wonder niet meer was van zijn weten.
+
+En Gawein sprak hem troost toe, zoo als hij vermocht.
+
+Toen reden ridder en schildknaap--maar weet wel, die was Alliene, o
+lezer!--de rivier langs; zij verdwaalden en Gawein, die bespiedde of
+niet wederom Aventuur hem zoû ontmoeten, zeide:
+
+--Mijn welschoone knape, Amadijs, Aventuur ontmoet niet meer iederen dag
+van zijn queste den dolenden ridder, schijnt het; vermoedelijk is het
+beducht geworden telken male zich te openbaren op dezen gladden weg,
+dien ik meer dan een maand geleden ben afgëijld in Morgueine's
+tooverwagen. Geerne echter hadde ik ontmoet een ridder, niet al te
+feloenig en dien ik, om welke reden ook, had moeten bekampen en dan had
+overwonnen maar niet verslagen, want ik had hem geerne gezonden op
+eerewoord naar mijn Konings Arturs hove, naar Camelot, opdat hij zoude
+melden van Didoneel en van Mordret, want hun dood ligt mij zwaar op het
+harte. Nu weet, lace, de Koning, nog niet en ietwat van deze droeve
+Aventure! En uzelve, zoo jong en teeder, wage ik niet te vragen alleen
+te gaan tot Camelot en ook vreeze ik des Konings gramschap voor u, zoo
+gij hem meldt, dat twee zijner dierbaarste ridderen keytieven waren,
+verholen voor aller oogen en nu dood liggen, begraven op kerkhove bij de
+kapelle. Daarom, laten wij samen dolen; allicht zweeft het Scaec weêr
+op, in het gelucht, gelijk een leeuwrik, en licht ons voor, waar wij het
+vangen kunnen....
+
+En zij doolden door het woud, samen. Het woud werd ontzaglijk wijd, de
+zware eikenboomen stonden er reusachtig met eeuwoude stammen en
+knoestig verwrongen tronken en lieten door hunne zware bladerenweefsels
+nauwelijks lichtschijn door van den dag. Tegen den noen groeiden Gawein
+zijne heldenkrachten, zoo als het hem steeds gewoon was en hij was
+bereid voor alle Aventuur, maar er bood zich hem niets aan. Het woud
+scheen verlaten van dieren en menschen en draken en ridders, van vogelen
+zelfs in de takken. En een huiveringwekkende beklemming hing onder de
+boomen, die reeds de eerste bladeren deden vallen met ritselingen, die
+Amadijs schrikken deden hoewel hij zich had voorgenomen met mannemoed
+alles door te maken wat hem aan de zijde Gaweins zoude overkomen kunnen.
+Woud was dit zeker, in vroegere eeuwen gewijd aan payeinsche godheid en
+door de priesters van toen en de priesteressen, die er met het sikkelmes
+misteltak en maretwijg sneden, met menschelijke offers geëerediend op de
+groote, vierkante steenen, zich hier en daar, door vreemd, onkerstelijk
+inschrift overgroefd, verduidelijkend in sombere schaduw en
+geheimzinnigheid. Tot als een groote vlinder, laag over den grond, die
+geen weg meer teekende, het Scaec, het juweelene Scaec, met de enkele
+stukken en den schaakmat bedreigden koning voort fladderde, verdween
+tusschen het lage hout, weêr te voorschijn zweefde en tusschen de
+boomstammen als een uitweg zocht....
+
+Gawein en Amadijs wezen het beiden elkaâr en nu het wederom verschenen
+was, rees in Gawein het goede vertrouwen en volgde hij het Scaec, zoo
+vlug Gringolet het vermocht maar het fladderde boomstammen om, verdween
+telkens, dwarrelde weder te voorschijn, met een duidelijk waarneembaar
+gebruis als van een grooten hommel, een brommende paardevlieg.... Het
+scheen zijn achtervolger te tarten; buiten het woud, dat plotseling
+eindigde op ruime weiden, vol plassen, die reeds rossigden in de
+dalende zon, wiekte het hooger de lucht in, lokte ridder en knaap, de
+gloor-overspeelde moerassen over: daar zouden in de nacht de euvele
+geesten zweven tusschen misten en nevelen heen....
+
+Tot het plots in een rechte vaart, een pijl gelijk, schoot door de lucht
+en de ruiters hunne rossen aanzetten ten draf.
+
+--Ik en weet niet, zeide Gawein; waar wij herberg zullen ontmoeten voor
+deze nacht. Maar wij kunnen ons dat Scaec niet en laten ontgaan,
+wellieve knape!
+
+Amadijs--maar hij was Alliene, zijt des gewes, o lezer!--draafde zijn
+heer achterna; na een geheelen dag rusteloos dolen door woud en over
+weide was hij hongerig en moede, als de jonkvrouw, die hij was, wel
+zeker zijn mocht, maar een zoet geluk was er tevens pijnlijk wrang in
+zijn ziel om den rit, den dravenden ridder achterna, die reed het
+Zwevende Scaec achterna....
+
+ * * * * *
+
+Plotseling herkende Gawein de landstreek, die hij door draafde.
+
+Hier was hij geweest, jaren her!
+
+Tien jaren her en daar, in de richting, die het Zwevende Scaec had
+verkozen en waarhenen het fladderde, hoog in de lucht, om zich
+plotseling te laten recht neêr zinken, in een glinsterende spiraal, rees
+de reusachtige burcht Endi van Koning Assentijn!
+
+Daarheen was jaren her, was Destijds Gawein gereden om Ysabele te
+winnen, des Konings dochter....
+
+Maar niet voor zich....
+
+Om haar te winnen voor minnezieken Koning Amoraen, die hem het Zwaard
+met de Twee Ringen zoude afstaan....
+
+Indien hij de jonkvrouw hem bracht.
+
+Dat was het Tooverzwaard met de Twee Ringen, waarvoor hij eindelijk bij
+Koning Wondere had kunnen inruilen het Scaec van Destijds.... Maar omdat
+Amoraen was gestorven van verlangen, voór Gawein hem de jonkvrouw
+bracht, had Gawein Ysabele, die hij zoo lief had gekregen, voor zich
+behouden en haar mede met het Scaec naar Camelot gevoerd.
+
+Lace, zij was gestorven!
+
+En alle Gaweins herinneringen beroerden hem hevig....
+
+Toen hij landstreek en burcht herkende!
+
+ * * * * *
+
+Het Scaec was midden tusschen tallooze torens van den burcht neêr
+gezonken, spiralende glinstering.
+
+En Gawein, intoomende zijn Gringolet, zoodat Amadijs dadelijk hem ter
+zijde was, werd zich bewust het zelfde kasteel binnen te moeten dringen,
+dat hij Destijds met zoo vele moeite was binnen gedrongen....
+
+Destijds!!
+
+Om de jonkvrouwe....
+
+Nu om het Zwevende Scaec zelve....
+
+En tal van muren en grachten met tal van poorten omringden den
+dreigenden reuzenburcht, dien het ziedende water omgaf....
+
+En hij herinnerde zich: Destijds had hij aan iedere poort en bij iedere
+gracht moeten verslaan, hij alleen aanzienlijke heirmacht van gewapende
+mannen, vóór hij, zegevierende, was binnen gedrongen!
+
+Het Aventuur herhaalde zich!
+
+Hoe anders het zich ook herhaalde....
+
+Maar toen haalde Gawein ruim adem en juichte in zijn gemoed en gevoelde
+zich getroost, dat de nieuwe queste niet, als Destijds, was aangevangen
+met den strijd tegen een draak, nu weêr wel voor hem doemde de zware
+riddertaak.
+
+Alleen een wel versterkten koningburcht in te nemen!
+
+Alleen eene geheele bezetting te verslaan!
+
+Want zeker zoû de burcht niet minder waakvol verdedigd zijn dan
+Destijds....
+
+Toen Gawein er zijne Ysabele gevonden had....
+
+Zie, daar dampte reeds de altijd ziedende rivier en wie er in verdronk,
+verbrandde even eens....
+
+Twaalf muren omringden den burcht en tusschen iedere twee muren groefde
+een diepe gracht en ziedende wateren omringden het al.
+
+Was Koning Assentijn niet de zwaarmoedigste, somberste, oude Koning der
+oude Koningen, die in deze landen van Brittannië en Wallis over hunne
+koninkrijken schepters hieven?
+
+Was het niet bekend, dat Koning Assentijn niet gaf om Aventure?
+
+Toch zoû Aventure den burcht van Endi nu naderen, want alleen, alleen
+zoû Gawein wederomme en ten tweedenmale Assentijns burcht moeten nemen:
+Amadijs zoû hem van nut en noode niet en zijn....
+
+En hij zeide tot zijn schildknaap:
+
+--Wellieve knape, aanzie! Dezen burcht, waar binnen het Scaec verzonk,
+als ik denk, moet ik winnen om mijn queste tot goeden einde te brengen
+en moet ik alleenlijk winnen, o Amadijs, als ik reeds deed, tien jaren,
+her: Destijds! En nu bidde ik u, op hoofschheid: zeg mij, zoudt gij
+niet, nu zich zoo groote Aventure en gevaarlijk dangier mij voor doet,
+voor uwe vrouwelijkheid minder gevaarlijk kiezen en mijn boodschapper
+willen zijn naar Camelot, naar mijn Koning Arturs hove, om te melden van
+Mordret en van Didoneel, wier dood mij zwaar op het harte weegt. Want
+mijn moed is wel droeve om beider lot en omdat ik twee ridders van
+Tafel-Ronde versloeg en mijnen heere nog niet kondschap zond van zoo
+allersmartelijkste dingen! Zeker, de weg is lang, maar goede ontmoeting
+bereidt de Hemel zoo wel voor als kwalijke en eenmaal te Camelot, als
+des Konings gramschap om mij over uw zoete hoofd is gegaan, zal mijn
+heere en de koningin gewes den kondschapper eere doen.
+
+--Mijn zoete heere, zeide Amadijs; doen zal ik als gij beveelt en gaan
+kond doen den Koning Artur van den dood mijner belageren; trotseeren wil
+ik zijn gramschap maar liever ware het mij u te beschutten alhier in den
+strijd en voor u te sterven zoo ik vermocht....
+
+Nauw had Amadijs zoo gesproken of....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI
+
+
+Tot groote verwondering van Gawein en zijn schildknaap beiden, staken
+vier torenwachters op de vier hoogste torens hunne koperen, schelle
+horens en staken op alle andere torens de wachters de hunne! Zoo dat het
+koperen rumoer vervulde den hemel, die te avonden aanving en Gawein
+meende, dat dadelijk de strijd beginnen zoude en de gewapenden buiten de
+eerste poort zouden treden in fellen aanval om te verslaan wie waagde
+Koning Assentijn te belagen.... Maar hoe groeide niet Gaweins verbazing
+toen wel de dubbele poort breed opende maar op de brug over de eerste
+gracht des Konings drossaet verscheen met hoofschen groet tusschen tal
+van lijfstaffieren en zeide tot Gawein:
+
+--Heer ridder, mijn Koning zendt wie hem gekond wordt door zijner
+torenwachters geschal als ridder van prise met schildknape zijnen
+koninklijken groet ende bidt u binnen te rijden en biedt u beiden
+gastvrijheid aan.
+
+Hoofsch antwoordde verrast Gawein en reed met Amadijs binnen over de
+brug en zij reden de twaalf poorten door en de elf bruggen over en in
+den wijden burchthof naderden hen garsoenen; zij stegen af en de
+garsoenen ontgespten hun sporen en ontgordden hun de zwaarden en de
+drossaet noodde hen den burcht in. Voor zoo zeer hoofsche ontvangst in
+het slot, dat hij Destijds had ingenomen, hij strijdende alleen tegen
+honderden mannen, meende Gawein niet minder hoofsch te zijn door nog,
+vòòr hem name en rang werd gevraagd, te verklaren wie hij was en van
+waar hij kwam. En hij zeide:
+
+--Mijn wellieve heere drossaet, ik dank u voor zoo beminnelijke
+noodiginge en joyeuselijke innekomst nu deemster zich breidt over woud
+en weide en dolende ridder met zijn knape herberg zochten, harentare,
+voor geheel de nacht zich spreidt. Maar voor gij mij verder voert den
+koning Assentijn te moet, bidde ik, dat gij mij meldet: ik ben Gawein
+van Koning Arturs Tafel-Ronde ridder; ik ben Gawein, des Konings
+Assentijns schoonzone eenmaal, voor mijn schoone wijf, Ysabele, des
+Konings dochtere, stierf; ik ben Gawein, eenmaal des Konings Assentijns
+vijand en zijner dochtere schaker.... Ik ben Gawein en deze hier is
+Amadijs, mijn knape-van-wapenen.
+
+De drossaet zeide, dat hij Gawein en Amadijs melden ging. In de groote
+zale, slechts met enkele stallichten op luchters aan den muur verlicht,
+wachtte Gawein en wachtte Amadijs, beiden, ongewapend. Toen passen
+buiten weêrklonken, deuren werden geöpend en binnen trad de Koning,
+Assentijn, met enkelen zijner baroenen en pagiën. Hij was groot en
+somber; onder zijn kroon hingen de grauwe lokken om zijn gerimpeld
+gelaat en het trof Gawein, dat zijn roode mantel en hermelijnen kraag
+motputterig waren en wel gesleten, zoo als die van Koning Artur zelven.
+En het trof Gawein ook wel, dat er zoo vele oude Koningen heerschten
+alom in het rond, in deze landen, die de zee in het rond alomme
+omspoelde, zoo heel veel oude Koningen.... Gawein groette eerbiedig zijn
+schoonvader maar deze bleef recht, fronsende, voor hem staan,
+doorpriemende hem met nog vurige, booze oogen, fronsend de zware
+brauwen. En zeide toen eindelijk:
+
+--Mijn here schoonzoon tegen wille en dank, mij heeft wonder wat zaken
+gij zoekt en twi gij tot Endi dus zijt gekomen? Komt gij om te jagen of
+te josteeren, komt gij aventure zoeken en begeert gij goed of kwaad?
+
+--Mijn machtige heere Assentijn, Koning van dezen rijken lande en
+wellieve heere schoonvader, antwoordde allerhoofscht Gawein. God, die
+voor ons geboren werd, moge u loonen om zoo vele poorten als gij geboodt
+te openen voor mijne passagië en om die vriendelijke vrijheden, die gij
+uw gast heet. Verstaat wel in uw zin, mijn edele heere: dat ik te Endi
+ben gekomen, dat heeft mij àl dat Scaecspel gedaan, het zelfde, dat is
+neêr gezweefd binnen uw koninklijken burcht en dat ik zoek om het te
+brengen tot Camelot, aan mijn heere, den Koning Artur....
+
+Assentijn, de oude Koning, had plaats genomen in een zetel bij de tafel,
+balde zijn vuist, die hij neêr plofte en zag Gawein, voor hem staande
+met achter zich Amadijs, doordringende aan, het harige hoofd schuddende
+als doen zoû zijn kop een ontevreden leeuw.
+
+--Welzoo, zeide Assentijn. Mijn valiante wigant en schoonzone, komt gij
+heden een scaecspel zoeken, dat binnen mijn muren schijnt neêr gezweefd?
+En waarom ook niet? Gij, ridderen van uwen Koning Artur, die nimmer der
+Aventuren zat en heeft, zoekt immers immer het een of het aâr in queste,
+door deze landen van Brittannië en van Wallis? Waarom en zoudt gij niet?
+Zijt gij niet reeds tien jaren her hier geweest, mijn wel hoofsche
+ridder, mijn lieve Gawein en kwaamt gij toen niet mij mijne dochter
+ontschaken, Ysabele, die schoone, om haar te voeren tot Amoraen, zoo
+weinig abel om haar zelve te winnen, en die u het Zwaard met de Twee
+Ringen in ruil voor zoo zoete bruid zoû afstaan, het Zwaard, dat gij
+weêr bij den Koning Wonder zoudt inruilen voor een Zwevende Scaec? Was
+het niet zoo? Amoraen stierf te wel gevoegelijker oogenblik, zoo dat
+gij zelve mijn zoo zoete kind kondt behouden en voor het Zwaard het
+Scaec ontvingt en met Scaec en Ysabele tot Camelot over kwaamt waar gij
+gefesteerd werdt met grooter joye om zoo glorieuze wapenenfayten. Was
+het niet alles zoo, mijn wellieve schoonzoon tegen wille en dank? Bij
+mijne koningskrone, Destijds versloegt gij aan mijner twaalf muren
+twaalf poorten telken male vierwerf twintig man, zonder waan! en wel
+gewapend; gij drongt binnen mijn burcht en toen gij gevangen laagt in
+donkere duwiere en mijn dochter tot u kwam, wist gij haar te schoffieren
+en te ontvoeren daarna.... Zoû ik dan heden, naar nieuwe zede en
+costume, maar niet bet doen u alle poorten te openen, u hoofschelijk te
+ontvangen en u te vragen wat gij wenscht? Wees gewes, dat ik blijde ben,
+valiante wigant, dat gij mij niet mijne zoete kleindochter vraagt, mijne
+leste troost, die Ysabele heet als haar arme moeie, uw wijf, mijne zoete
+dochter, die stierf in kinderbedde, als ik hoorde gewagen.... En zeg mij
+nu, Gawein, wenscht gij, dat ik u zegge: ga en doorzoek mijn kasteel en
+zoek het Tooverscaec, dat hier binnen zweefde en dat Koning Artur
+wenscht te zijnen bezit en keer dan terug tot Camelot, in pays en vrede?
+
+Zittende, de vuist op de tafel, had de oude Koning met verbeten woede
+gesproken, terwijl Gawein, achter zich Amadijs, die zeer wonderde om wat
+hij hoorde, voor hem stond een stoute scholier gelijk, die door den
+boozen magister gescholden werd. Tot Gawein zich verdedigde:
+
+--Machtige Koning, Assentijn van Endi, voor ik u spreek van het Scaec,
+waarom ik op queste toog, zoude ik u willen zeggen: Ysabele, uwe
+dochter, had ik lief reeds voor ik haar trof, had ik lief reeds in mijne
+droomen, waar binnen zij verscheen, als door tooverië in vele schoone
+tooverzalen. Ysabele, uwe dochter, herkende ik zoodra ik haar zag en zij
+herkende mij uit haar eigenen droom. En met vele listen vroeg zij u,
+haren vader, met mij te doen wat zij wilde en zij deed mij binden met
+sterke koorden en werpen in den duwiere maar zoodra wij alleen waren,
+ontbond zij mij en koosden wij en kusten wij....
+
+De Koning sloeg met de vuist op de tafel, zoodat de echo's verschrikten
+en elkander na joegen de wanden der zalen langs:
+
+--Ik weèt het, bij mijne trouwe! riep Assentijn. Zij was een onwaardig
+koningskind en ik heb haar gevloekt en zij is gestorven, maar meent gij,
+Gawein, dat gij rècht waart haar mij te ontschaken en weg te voeren naar
+Amoraen, die haar niet zelve dorst winnen, en toen hij zoo jongstiglijk
+dood bleek en gij uw ridderwoord niet en behoefdet gestand te doen, haar
+zelf te behouden tot eigen wijf? Meent gij--en de Koning gaf een tweeden
+vuistslag ter tafel en de echo's ijlden wat zij ijlden konden--dat gij
+recht waart vierwerf twintig man aan iedere mijner twaalf poorten te
+verslaan om te dringen binnen mijn kasteel waar ik u niet en van noode
+had? Zekerlijk, gij waart een wigant: de koppen en beenen en armen en
+rompen lagen harentare in plassen van bloed; gij waaddet, Gawein, door
+den bloede en gij zettet u neêr in eene wachtzale en at en dronkt van
+wat gij vondt en gij drongt door tot wij u eindelijk gevangen namen en
+Ysabele mij, naar het scheen, bij liste verzocht u die nacht te mogen
+bewaken en ik zoo zot was de bede der kwade, die u bevrijden wilde, toe
+te staan. Maar meent gij, Gawein, dat gij recht waart? Meent gij, dat
+gij recht waart op queste te gaan van een Zwaard, dat u niet behoorde,
+op queste te gaan van een Scaec, dat u niet behoorde, op queste te gaan
+van een Bruid, die u niet behoorde? En maar dapperlijk er op los te
+houwen, tot gij uwen zin hadt? Gij waart sterker dan alle mijne
+serianten, die gij versloegt en ik zoude u verbazen, denke ik mij, zoo
+ik u zeide, dat gij geen hoofsch ridder waart, gij, die geloofd wordt
+als de hoofschte van allen maar, in gemoede, mijn schoonzoon tegen wille
+en dank en weduwnaar mijner arme dochter, bedenk eens: zijt gij recht
+heden ten dage voor mij te verschijnen en te vorschen naar een Scaec,
+dat schijnt binnen gezweefd tusschen mijne barbekanen en dat gij
+bezitten wilt terwijl het mij voor komt dat wat mijne barbekanen vrij
+van wille binnen zweeft, het mijne is en niet het uwe en niet des
+Konings Arturs??
+
+Beduusd bleef Gawein voor den Koning staan en achter hem verwonderde
+zeer Amadijs. Woorden vond niet Gawein en het duizelde hem in zijn
+ridderkop. Eindelijk echter meende hij te kunnen spreken en zeide hij,
+hoofsch en bijna nederig hoewel toch waardig omdat hij zich geen schuld
+was bewust meer dan God op hem geladen had bij zijne vleeschlijke
+geboorte:
+
+--Assentijn, machtige Koning en vader mijner wellieve en, lace, te vroeg
+verscheidene Ysabele, gij zegt mij vele woorden en zekerlijk, zij
+verbijsteren mijne ziele en mijnen armen geest. Want zij zouden mij goed
+recht van ridderschap moeten betwijfelen doen zoo ik meende, dat gij
+recht waart met zoo vele woorden tot mij te richten. Ik weet alleen, dat
+ik 's Konings Arturs Ronde-Tafelridder ben en dat, wen hij een queste
+verlangt--dat zij om Scaec of Graal of Speer of wie of wat ook--ik opsta
+van Tafel-Ronde en gereed mij verklaar.... En dat, als ik vroom ben der
+Maagd en Haar Kind, Gode van Hemelrijk, die voor ons geboren werd... en
+dat als ik bescherme zoo weduwe als weeze... en dat als ik versla
+feloenen, keytieven en ribauden... Gawein kon zijn reeds zoo moeilijken
+zin niet voltooien: de deur der zale opende; knapen met stallichten ter
+hand traden binnen; in een plotsen, gelen kaarsengloor, verscheen eene
+zoo blanke en blonde jonkvrouw, zoo lieflijk en uitermate schoon, dat
+Gawein, verblind, tevens verstomde en de handen, onbewust, hief en
+vouwde als zoude hij knielen gaan en aanbidden!
+
+--Mijn wellieve grootvader en edele Koning, zeide de jonge Ysabele;
+vergeef uwe kleindochter, dat zij u storen komt maar haar angst, waar
+dat gij bleeft, was groot en hare harte was vol gepeize om u....
+
+En de jonkvrouw naderde, als een droom, zoo blond, zoo blank, zoo wit in
+haar witte, nauwe kleed van sindaal, zoo goud heur haar als het goudene
+draad, waarmede jonkvrouwevingers de aureolen der heiligen borduren, dat
+Gawein het harte stille stond en dat hij meende: een engel naderde maar
+een engel, die zijne gestorvene Ysabele was....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII
+
+
+Ysabele was haar grootvader genaderd en had hare witte handekens gelegd
+over des ouden Konings Assentijns rood fluweelen schouders en Gawein
+dacht om dit gebaar aan Koning Artur en aan Guenever, maar het meeste
+dacht hij aan zijne eigene, lace, gestorven vrouw en het scheen hem toe,
+dat zij herboren ginds voor hem stond, maar schooner nog, jeugdiger dan
+hij haar ooit gezien had. Hij werd zich bewust, Gawein, niet trouw aan
+hare nagedachtenisse te zijn, maar omdat Gawein nooit trouw was geweest
+en meende, dat niet iedere ridder zóó trouw kon zijn als Lancelot was
+aan zijne amië, koninginne Guenever, voelde Gawein zich niet zondiger
+dan God hem had willen scheppen. Van Gwinebants liefde en trouw--al had
+Gwinebant hem mede met Lancelot bevrijd uit de Vallei der Ontrouwe
+Ridders--wist Gawein niets, al had hij sedert wel eens gedacht: wie is
+toch Gwinebants liefde en aan wie zoû hij zoo trouw zijn, dat hij
+waardig is naast Lancelot te gaan....
+
+Zoo waren Gaweins gedachten, terwijl hij als aanbiddende, handen
+gevouwen, de jonge Ysabele aanstaarde en Amadijs, achter hem, het hart
+klopte van ijverzucht om Gaweins hem verradend gebaar. Maar de oude
+Koning Assentijn, opstralend zijn rimpelgelaat als een winterlandouw in
+lentezon, zei, nemende in de zijne Ysabele's handeke:
+
+--Zoet dochterlijn van mijn zaligen zoon, wij danken u voor zoo lieven
+zorg en vrome gepeize maar deze gasten namen ons den vespertijd en
+deden ons vergeten, dat avondmale ons wacht. Weet gij, wie deze ridder
+is, mijne roze? Hij is des Konings Arturs ridder van Tafel-Ronde, hij is
+Gawein; hij is die gone, die tien jaren her dezen mijnen koninklijken
+burcht belegerde, alleen hij, strijdende tegen vierwerf twintig man aan
+mijner twaalf poorten elk; hij is die gone, die ze alleen versloeg,
+zelfs zonder den schilknaap dien ik nu achter hem zie, en door het bloed
+waadde... weet gij, mijne roze, tot wie? Tot uwe moeie, tot mijne
+schoone dochter, die heette Ysabele als gij heet, en hij, die wigant,
+hij voerde haar weg, hij schaakte haar, hij bracht haar verre naar
+Camelot en, lace, zij stierf, van den kinde in haren schoot en van den
+vloek haars vaders; zij stierf! En nu, mijne roze, verschijnt mij die
+heere schoonzoon, of niets en ware geschied, en ik vrage u, gij, mijne
+zoete lieve: zeg mij en raad mij: wat moèt ik met dezen moordenaar van
+mijn kind en van mijne mannen?
+
+--Bij mijne trouwe in Paradijs! juichte zacht Ysabele en hare stem klonk
+lieflijker, meende Gawein, dan Guenevers stem, dan zijner eigene Ysabele
+stemme geklonken had, dan de gulden vogelkens zongen op den wonderboom
+in Guenevers vergier. Dus zijt gij, o edele ridder en groote wigant,
+mijn eigen oom, Gawein? Der Aventuren Vader zijt gij? Mijner zalige
+moeie gemaal? Zijt gij de onvergelijklijke, de allerhoofschte, de
+allerdapperste, de ridder aller ridderen aller onzer oude Koningen? Wees
+wellekom dan, mijn oom-lief! Ik ken u, al ben ik bijna niet meer dan een
+kind en al zag ik u ook nimmer! Want ik las van uwe wondere
+fayten-van-wapenen, die de clerken sinds tien jaren reeds hebben op
+geschreven in klankvol vallende rijmen en, o wonder Toeval, juist heeft
+een vinder, die kwam met zijn veêler en vroeg verlof de jeeste voor te
+zingen van u, o mijn oom, en van uwe heldendaden! En juist wilde ik
+verlof vragen mijn heere Koning en grootvader den vinder met zijn veêler
+te doen zingen en spelen in de groote burchtzale, voor alle de
+burchtgenooten, zingen en spelen van u, o groote wigant vol heerlijke
+prise, van u, o mijn oom-lief, dien ik nu zekerlijk kussen mag met love
+en blij riveel!
+
+En Ysabele, de handekens uitgespreid, trad nader, terwijl Gawein haar
+naderen zag als een wonder. In den gelen gloor van de luchters der
+knapen was zij immer als uitglanzende in een stralenkrans, zoo wit en
+goudblond als een engel, hemelsche schijning in de sombere, gewulfde
+zaal en Gawein, betooverd, wachtte af. Hij wist nu, dat Ysabele hem
+dicht was genaderd; hij knipte de oogen; hij voelde hare koele handekens
+aan zijn kloppend voorhoofd; hij voelde haar kus op zijn rechter- en
+linkerwang; hij wist niet te zeggen, noch te doen; hij hoorde alleen
+weêrklinken haar stemmeke van gouden klanken:
+
+--Wat gij doen moet met mijn heer oom, met uw heer schoonzoon, mijn heer
+Koning en grootvader? Gij moet hem eeren als een ridder en gast van
+hoogste prise, gij moet hem lief hebben als een zoon en maag, dien in
+jaren gij niet en zaagt, gij moet hem nooden met ons aan den male, gij
+moet hem daarna mede doen zitten op hoogste eereplaats in de burchtzale
+om door vinder met veêler hem toe te doen zingen zijn eigene jeeste,
+zijn eigenen roman van heldendaden! O mijn zoete heere, o mijn lieve
+grootvader, en gij moet terug nemen alle veete en vloek en vergeten al
+van vijandschap en zoo vele kwadertiere dingen, of ik en trouwe niet
+Koning Clarioen van Noordhumberland; wees des gewes, mijn booze Koning!
+
+En Ysabele, met de armen om ouden Assentijns mottigen kraaghals van
+hermelijn, lachte hem in de oogen, dat de Koning schudde het hoofd,
+ontevreden op zich, omdat hij zóó zwak was voor zijner kleindochter
+omvleiïngen.
+
+--Dat zij dan! zeide hij, opstaande, de rimpels nog diep gefronst. De
+jaren zijn gewenteld, de straf is voltrokken: mijn arme kind, heb ik,
+wil ik eerlijk zeggen, nie ende nooit gevloekt hoewel ik zeide, dat ik
+het deed; zij heeft er, Gawein, de vrucht van haren schoot bij in
+geboet, zeg ik; gijzelve, Gawein, gij zijt een dapper wigant, hoewel gij
+een roofridder zijt van damoselen en van scaecspelen.... Bij mijne
+trouwe, ik bedenk mij, o roze: weet gij ook iets van een zwevende
+scaec--niet het eerste, van tien jaren her, dat uw heere oom met zijne
+bruid mede naar Camelot voerde--maar van een ànder, ook toover-enghien,
+dat zoû gezweefd zijn binnen onze muren, een vogel gelijk in zijn kooi?
+
+Ysabele beval den burcht te doorzoeken.
+
+En overal zochten de dienaren en kamenieren.
+
+Maar zij vonden geen schaakspel.
+
+--Morgen, mijn oom, zeide Ysabele; met den nieuwen dag, wen zonneschijn
+in de duisterste hoeken schijnt, zullen wij zoeken naar dat tweede,
+Zwevende Scaec....
+
+--O mijne tweede, leliëzoete Ysabele! zeide Gawein vervoerd, terwijl
+Amadijs, achter hem, luisterde jaloerschelijk. Kendet gij mij? Laast gij
+van mij? Liefdet gij een luttel den held?
+
+--Ik kende u, ik las van u, ik liefde u al zoo zeer, mijn held en oom!
+zeide Ysabele. En ik dacht: mocht eenmaal de ridder, die mij zal dienen,
+wen ik koninginne van Noordhumberland ben, dienen als Lancelot Logres'
+koninginne doet, mijn oom gelijken: Gawein!
+
+Maar de edelknapen met de lange stallichten geleidden Gawein en Amadijs
+naar de kemenade, hun toe bedacht.
+
+Wees gewes, o lezer, dat er een wonderbed stond, waarin ridders van
+hunne wonden genazen, want zulke wonderbedden stonden nu bijna in
+iederen koninklijken burcht, maar zij waren niet altijd zoo vervallen
+als dat allereerste--van ouden Koning Wondere--en niet altijd zoo modern
+hygiënisch als het bedde, dat Merlijn voor Camelot had gemaakt en voor
+de Ridders van Tafel-Ronde: het wonderbed van Koning Assentijn was maar
+van gemiddeld comfort. En de statie-kleederen lagen gereed en in de zale
+werden reeds de tafelen op schragen gelegd en er werd op toebereid tam
+en venizoen en klaar gezet clareit en pigmentwijn en hypocras en
+malvezij en de knapen rijden reeds de bekkens van rooden goud en de
+dwalen om de vingers te wasschen en te drogen daarna en de seneschalk
+zette met zijne dienaren de stopen op de dresseren en het was alles zoo
+als het overal was, in iederen koningsburcht, op dit uur van den laten
+avond, als de dolende ridderen binnen waren en de blijde bellen van het
+avondmaal sprenkelden de helle klanken langs gaanderijen en langs
+gangen....
+
+En na het versterkende maal deed Assentijn eere zijn gasten.
+
+Gawein zat naast den Koning op zijn breeden troon en zeer verwonderde
+hij zich als hij dacht aan Destijds, toen alles zoo anders geweest
+was....
+
+En Ysabele--o zij heette als Gaweins verstorvene vrouw en zij geleek zoo
+zeer op haar!--zat op kussens van scharlaken aan grootvaders voet....
+
+En Amadijs zat neêr aan den voet van Gawein....
+
+En de burchtgenooten, baroenen en edelvrouwen en lijfstaffieren en
+pagiën overvulden de zale en zaten of stonden achter of bogen zich uit
+de binnenbogen der hoogere gaanderijen.
+
+En licht van kaarsen gloorde zacht overal....
+
+Toen traden de vinder op met zijn veêler en de knapen haastten zich met
+sneller de laatste tafelen weg van de schragen te nemen en zij namen de
+schragen zelve weg.
+
+En de veêler, terwijl de vinder boog, vedelde zacht op zijne veêl....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII
+
+
+De veêler vedelde zacht zijne veêl, begeleidende de stem van den vinder,
+die zong hoog en heldhaftiglijk uit van een ridder van Tafel-Ronde. De
+vinder, uit zijn tasch, had zijn handschrift genomen; het was hem zoo
+kostbaar, zeide hij, als een zwaard aan den ridder, als een koninkrijk
+aan den Koning en het was een klein boeksken van perkament, dat hij fijn
+had beschreven met zijn goudhel klinkende rijmen. En terwijl vedelde de
+veêler zijn veêl, hief de vinder het boeksken omhoog en kuste het en
+zeide; het was zijn gedicht en zijn kunst en hij behoefde het nauw in te
+zien want hij kende het wel bij harte en uit hoofd. En hij hoopte, God
+zoû hem vergeven de mesdade, die hij aan zijne redenen deed, en de
+wijsheid verleenen, groot, om zonder meswende van Gawein te zingen. En
+hij zong van Gawein en hij wist, dat hij zong vóór Gawein, maar hij
+zweeg bescheidenlijk van het bloedbad, en Gawein was er hem dankbaar
+voor. En zijn stem gloeide, terwijl hij zong van Gawein. Hij zong
+eentonig zuiver zijn lang reciet, hoe Gawein, Koning Arturs neve, wien
+in den noen wiesen de krachten, niet enkel de krachtigste, maar ook de
+hoofschte was en de allerdapperste, de allerdapperste!
+
+--Lancelot is óók de allerdapperste, fluisterde Gawein verlegen zijn
+schoonvader in. En harde hoofsch daarbij.
+
+De allerdapperste, zong de vinder voort, en die een moederserpent
+versloeg met vier felle, jonge drakinen!!
+
+--Ik heb in de grot, niet lange geleden, de geraamten nog wel
+aanschouwd, fluisterde Gawein en bloosde en hij ontroerde hevig, toen de
+vinder van Gringolette zong. Lace, zijn goede wrene was dood en begraven
+bij de rivier, maar Ysabele... zij was herleefd! Nu hoorde hij
+nauwelijks meer naar des vinders jeeste, die hem bezong. Nu zag hij met
+kloppend hart neêr op de bloeiende roze, op de zoo blanke lelië, die
+bloeide aan Koning Assentijns voet. Nu voelde hij Vrouwe Venus hem
+heftig doorvaren; nu wist hij, dat hij beminde als hij nooit bemind had,
+zelfs niet zijn gestorvene vrouw. Ysabele, Ysabele, de oude naam
+weêrtrilde met een nieuwen klank bij het trilleren der vedelsnaren door
+Gaweins ontroerde gemoed: Ysabele, Ysabele, zoo jubelde het boven alle
+die hoofden uit in de verwulfde burchtzale. Ysabele, Ysabele, zoo zouden
+de engelen zingen in Paradijs om wie hen verlaten had en neêr was
+gedaald op aard tusschen zegen en regen van rozen en leliën, lelië en
+roze zijzelve!
+
+Maar toen de vinder gezongen had en met den veêler in de keukens was
+afgedaald om tusschen alle de serianten kostelijk te worden onthaald en
+toen allen zich ter ruste trokken terug en ook Gawein en Amadijs waren
+binnen hunne kamer, toen leunde Gawein aan het boograam en zag naar
+buiten in de stille, starrige nacht. En hij herdacht, dat de dingen en
+Aventuren zich herhaalden, maar zich toch niet herhaalden. Destijds was
+hij hier dwars door een bloedbad binnen gedrongen, maar had hij die
+nacht zijne Ysabele gekust, Ysabele, die hij uit zijne droomen reeds
+kende; Ysabele, die hij daarna geschaakt had! Ysabele, die toch zijn
+zoete vrouw was geworden! Nu was hij hier met eere ontvangen, maar hij
+kuste niet Ysabele. Hare kamenieren hadden haar weg geleid in haar eigen
+vertrek en haar ontkleed en ter ruste gelegd en haar princessekroontje,
+als het behoorde, gezet op de treê van het bedde en haar hondje sliep
+zeker in het midden der kemenade.
+
+En Gawein staarde naar buiten.
+
+Het scheen hem toe, dat zijn geluk en zijn weemoed om zijn late liefde
+zich mengden.... Zoo, als buiten zich mengden de aardegeuren en de verre
+starreglanzen met het zachte bruischelen der bladeren van het omringende
+foreest.... En met het vreemde ruischelen van die zacht zilveren
+wolkjes...
+
+Maar die geen wolkjes waren, geen nevel en geen mist en geen
+windeveêren....
+
+Maar wel zilverige wieken als van waterjofferen en van libellen:
+sylfewieken...
+
+Ook Ysabele's kemenade was vol van dien zelfden vreemden zilverschemer
+en schijn, dien Gawein, naar buiten starende, zag wemelen uit den
+hemel....
+
+En Ysabele, op haar kuische bed, wendde zich zachtekens om, met een
+gebaar als omhelsde zij een, die naast haar lag op de leêge plaats....
+
+En zij droomde van Gwinebant....
+
+En Gwinebant, ver weg, droomde van Ysabele...
+
+Maar Gawein stond en staarde vol weemoed en vol geluk.
+
+Het was hem of zijn leven begon.
+
+Het was hem of heel zijn leven zich met wonder en heldendaad en tooverië
+had voorbereid tot alleen dit zoete, onvoldane verlangen.
+
+Het was hem of er niets was geweest dan dit.
+
+Of dit het alleenlijke, eenige Aventuur hem was...
+
+En eindelijk wendde hij zich van het boograam. Trad de trede omneêr en
+toe op het bedde.
+
+Daar lag Amadijs, roerloos, de oogen geloken, achterover het hoofd op
+het ronde oorkussen.
+
+En hij deed of hij sliep.
+
+En Gaweins zwaard lag naast den schildknaap, uit zorg reeds neêr
+gelegd, want het was goed voor ridder en knape te slapen met hun zwaard.
+
+Gawein legde zich naast het zwaard, dat lag tusschen hem en Amadijs.
+Gawein sliep niet, hij lag en staarde in de schaduwen van het baldakijn
+boven zich. Hij glimlachte met open oogen. Vrouweschimmen van wie hij
+bemind had, vervloeiden voor zijn droomende oogen open en telkens
+tusschen haar ijle genevel glansde het hemelsche vizioen van Ysabele op.
+Amadijs' hand lag niet op zijn eigen zwaard, dat ter andere zijde hem
+lag, maar over Gaweins eigen zwaard.
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden dag zochten allen in den burcht naar het Zwevende Scaec,
+dat, als Gawein en Amadijs verklaarden, boven den breeden burcht zich
+had laten zinken naar omlaag. De baroenen en edelvrouwen, de pagiën en
+lijfstaffieren, allen zochten, gingen trappen op, trappen af, bestegen
+de tallooze torens, daalden in de tallooze duwieren af en ook Gawein en
+Ysabele zochten. En Gawein toonde Ysabele het duwiere, waar hij, meer
+dan tien jaren her, met hare moeie, Ysabele als zij geheeten, met Koning
+Assentijns schoone dochter--zóó vergramd was de Koning geweest, toen hij
+Destijds van hun kussen gehoord had!--in ketens was neêr geworpen. En
+Ysabele, de zoete, ontzette, maar Gawein vertelde haar, dat de geest van
+een ridder, dien hij eenmaal gered had, hen beiden uit den kerker
+bevrijd had.... En al het vreemde en ongewone spookte om hen beiden
+heen, in het nauwelijks door de vlammende toortijtsen der hen
+vergezellende knapen opgelichte schemerduister: de atmosfeer van het
+Destijds, terwijl zij zochten naar het Scaec en het niet vonden. De
+herinnering aan den geest van een ridder... een Zwevend Scaec, dat zij
+zochten, hier in dezen burcht, dien Gawein eenmaal had ingenomen, hij
+alleen strijdende en verslaande vierwerf twintig man aan elk der twaalf
+poorten....
+
+--Gij versloegt tachtig malen twaalf mannen, mijn oom? verwonderde
+Ysabele, terwijl zij buiten het duistere duwiere traden; over de trappen
+stegen en daalden eindeloos de burchtgenooten, zoekende. Gij versloegt
+zoo vele mannen, gij, alleen? Ja, ik weet, ik las er van in de jeeste,
+de zelfde, die de vinder ons gisteren zong!
+
+--Het gaf mij toren, zoete Ysabele, zeide Gawein, verlegen voor de
+maagd, om het bloedbad, dat hij eenmaal hier had aangericht; zoo vele
+dappere mannen te moeten verslaan, maar het was, weet gij, om uwe moeie
+Ysabele te winnen, voor Koning Amoraen.... Maar die stierf van
+verlangen, voor ik haar bracht....
+
+--Is het véél mannen, mijn oom, vroeg Ysabele; voor éénen ridder om te
+verslaan: vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk?
+
+--Het is nog al veel, Ysabele, zeide Gawein en bloosde. Maar het is niet
+zoo veel of Lancelot zoû het fayt-van-wapenen ook hebben kunnen bestaan.
+
+--En Sagremort?
+
+--Sagremort ook, bij Sint Michiel! verzekerde krachtig Gawein. En ook
+Bohort, Hestor of Acglovael, wees des gewes, mijne zoete nicht!
+
+--Maar... Galehot? vroeg Ysabele vol belang.
+
+--Zekerlijk zoude Galehot het hebben volbracht! hield Gawein vol. En
+Ywein eveneens, zonder sparen!
+
+--En ook... Gwinebant, mijn oom?
+
+--Gwinebant is de jongste, die mede aan zit aan Tafel-Ronde en hij is
+met Lancelot mij komen verlossen--uit de Valleie van Ontrouwe
+Ridderen.... Hij is een dierbare jongeling mij, Ysabele, en harde
+valiant en ik twijfel niet, of hij, als wij allen, had het volbracht,
+het fayt-van-wapenen....
+
+Ysabele glimlachte, heimelijk verheugd en zij stegen de trap op, die
+wentelde, steeds zoekende naar het Scaec.
+
+--Ik en zie het niet, oom.
+
+--Ik en zie het evenmin, Ysabele.... Amadijs, ziet gij het Scaec?
+
+Gawein wendde zich om naar den schildknaap, die volgde eenige treden
+lager.
+
+--Ik en zie het niet, mijn heer, antwoordde Amadijs zoo treurig en
+zacht, dat het Ysabele trof.
+
+--Wij en zien het niet, zeiden de baroenen en de edelvrouwen, die mede
+opgingen, afdaalden.
+
+Gawein en Ysabele waren op een der torenterrassen gekomen. De zomerlucht
+veropenbaarde boven hunne hoofden onmetelijk en zware blanke wolkmassa's
+stapelden er, drijvende uit en in elkaâr.
+
+--Dus Gwinebant, herhaalde Ysabele en hare stem klonk nu zoo vreemd, zoo
+zacht en treurig, als Amadijs' stem had geklonken; Gwinebant is wèl
+krachtig en harde valiant...? Vierwerf twintig man aan elke onzer twaalf
+poorten... zoude hij als gij, mijn oom... kunnen verslaan... om een
+jonkvrouw te winnen...? Het is zoo veel bloed... te veel bloed...! Maar
+het zoude zijn om te winnen een jonkver... eene jonkver, die hij minde,
+en trouwe was zijne minne, niet waar, mijn oom?
+
+--Zaagt gij ooit Gwinebant, Ysabele?
+
+--Ik zag hem eene male.... Tijdens het tornooi, lesten jare.... Ik gaf
+hem mijne mouwe, die hij vast hechtede aan zijn helm.... Sedert, sedert
+zag ik hem niet meer....
+
+--Nooit meer, Ysabele? Nooit meer?
+
+--Ik en zag hem nooit meer, mijn oom, zeide Ysabele en glimlachte nu
+zacht en zij sprak niet van hare droomen. Maar zeg mij, mijn oom, zoo
+hij met Lancelot waardig was u te verlossen uit de Valleie der Ontrouwe
+Ridderen, aan wie is hij dan zoo trouwe als Lancelot is aan koninginne
+Guenever??
+
+--Gwinebant zeide het mij nimmer, Ysabele, antwoordde Gawein, turende
+van de wolken naar de boomen. En plotseling riep hij luid uit, zoodat
+zijn stem overal om den burcht weêrklonk:
+
+--Het Scaec! Daar ginder! Het Zwevende Scaec! Tusschen de boomstammen
+van het vergier!!
+
+En hij wees....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIX
+
+
+Overal klonken stemmen. Het Scaec! Het Scaec! Overal stormden de
+burchtbewoners de poorten uit, de trappen af. Aan een boograam, beneden,
+verscheen Koning Assentijn.
+
+De waakhonden en schoothondjes liepen uit en blaften. De paarden
+hinnikten in de stallen. En zwermden overal de mannen en vrouwen in het
+vergier en over de wallen en langs de elf grachten. En joegen zij naar
+het Zwevende Scaec.
+
+Gawein was de wenteltrap afgestormd, latende Ysabele en Amadijs.
+
+--Het Scaec! wees Ysabele naar het glinstervierkant beneden, dat zich
+verloor als een vluchtende vogel tusschen de looveren van het geboomt.
+
+--Het Scaec... herhaalde, bleek, Amadijs.
+
+Ysabele naderde den schildknaap.
+
+--Zoete en schoone knape, zei de princes. Zijt gij krank? Gij en volgt
+niet uw heer en alle kleur besterft op uwe kaken! Darf ik u bijstaan,
+lieve Amadijs?
+
+--Lace, mijn hooge jonkver! zei Amadijs en sloot de oogen. Ja, ik gevoel
+mij krank tot mijnen toren en zal mijn heere Gawein niet volgen kunnen
+in zijne queste!
+
+--Zoo blijf hier en laat mij u plegen, zeide Ysabele bezorgd en zij
+omvatte Amadijs in hare armen....
+
+Ten zelfden tijd ontstelde zij....
+
+Zij voelde Amadijs' borst onder het knapebuis zwellende kloppen. Zij zag
+Amadijs nu aan in zijne oogen, die zich openden....
+
+En liet hem los.
+
+--Voelt gij u bet, Amadijs, wellieve... knape? vroeg de princes.
+
+Amadijs was gezonken zittende in het kanteel. Met groote oogen starende,
+zag hij naar beneden, waar de menigte, zoekende, woelde om den burcht.
+
+--Ik voel mij bet, hooge jonkver, zei Amadijs. Ik zal mijn heere volgen
+gaan.
+
+Hij wilde opstaan.
+
+Maar Ysabele, zacht glimlachende, hield hem tegen.
+
+--Blijf... herhaalde Ysabele. En zeg mij.... Ik ben die gone, die
+nieuwsgierig is.... Vertel mij van Camelot. Zijn daar vele schoone
+edelvrouwen? Rondom de ridderen van Tafel-Ronde?
+
+--Ik en weet niet, zoete jonkver, zeide Amadijs.
+
+--Waart gij nie tot Camelot?
+
+--Ik en was nie te Camelot....
+
+--Zaagt gij nie Guenever, die is vol van deugden, die "fonteyne aller
+schoonheden"?
+
+--Ik en zag haar nie, zoete jonkver.... Ik ben eens armen ridders eenige
+zoon, verwantloos, en mijn vader stierf, en heer Gawein erbarmde--God
+van Hemelrijk zij hem genadig--zich mijner.
+
+--Zaagt gij, zeg mij, Gwinebant nimmer?
+
+--Ik en zag hem nimmer, jonkver.... Ik en zag alleenlijk Mordret... en
+ik zag Didoneel. Maar zoete jonkver, dat u God moge eeren, nu zeg mij
+ook door uwe genade: is de Koning, uw hooge vader, mijn heer niet meer
+booze te moede?
+
+--Ik denk niet, Amadijs.
+
+--Zult gij weder, o mijn zoete princesse, wen uw vader mijn heere booze
+is, hem voorspraak en toeverlaat wezen, Sinte Marië gelijk?
+
+--Vergelijk mij niet, o Amadijs, met de heilige Moeder van God, die voor
+ons geboren wierd, maar wees gewes: ik zal immer mijn oom Gawein
+toeverlaat en voorspraak wezen.
+
+--Hebt gij hem lief, princes?
+
+De schildknaap verried zich geheel. Ysabele lachte heel zacht hem toe en
+zij zeide:
+
+--Ik heb Gawein lief, o Amadijs, met mijne bewondering. Omdat ik van hem
+las en van zijne hoofsche en van zijne ridderlijke daden.... Ik heb een
+ander lief, o Amadijs, met mijn harte en mijn ziele en met alle mijne
+zoete droomen. Ik heb een ander lief, die is ver, maar dicht bij mij
+elke nacht....
+
+--Ik heb, murmelde Amadijs; één lief, die is dicht bij mij elke nacht
+maar blijft zoo verre als een zwaard maar scheiden kan....
+
+--Wat zegt gij, Amadijs?
+
+--Niets ik, zoete jonkver. Ik zeide van een lied en een lays, die de
+vinders zingen en dat is van treurige minne.
+
+--Zing het, gij.
+
+--Ik en kan niet zingen, hooge jonkver. Mijn harte is te smartevol om te
+zingen. Ik ben jong, maar ik leed reeds veel. En ik heb lief en ik lijd
+te veel.... Want Minne is vaak treurig als Vrouwe Venus' wil. Dan mint
+een wie hem niet en mint en dan mint eene wie haar niet en mint....
+
+--En dan mint eene wie ver is, zoo verre en weet niet wie die verre wel
+mint misschien....
+
+--En de vinders, zeide Amadijs; maken er van een lays en een lied en
+niet meer, neen, niet meer....
+
+--Niet meer, lace, dan een lied en een lays, herhaalde weemoedig
+Ysabele.
+
+Beneden was het vergier leêg en verlaten.
+
+--Kom, zeide zacht Ysabele. Dalen wij omneêr en wij zullen hooren of het
+Scaec is gevonden....
+
+En zij nam Amadijs' hand en voelde zijn vrouwehand. Maar zij zeide
+niets. Hij volgde haar de sombere, de diepe, de wentelende trappen
+af....
+
+En zij waren beiden vol van liefde voor anderen, door Vrouwe Venus'
+wille.
+
+En zij hadden beiden wel kunnen weenen, van het eeuwige verlangen, dat
+Vrouwe Venus drupt als zoete gif in zielen van menschen, waarover zij
+altijd godin bleef, hoe het ook wisselde van heerschappij der goden over
+de menschen...
+
+ * * * * *
+
+Geen Zwevende Scaec werd dien dag gevonden in den burcht van Assentijn,
+noch in de vergieren, noch in de foreesten, waar de jagers een jacht er
+op maakten en toen daarna de Koning Assentijn Gawein, uit hoofschheid,
+zijn gast en schoonzoon, noodde niet dadelijk te vertrekken, maar uit te
+rusten van geleden vermoeienis, nam Gawein dankbaar aan en scheen het
+Zwevende Scaec te vergeten, zoo als hij, durende een maand, gedaan had
+bij Morgueine, in de Vallei der Ontrouwe Ridderen. Maar toen was Gawein
+gevangen in het net der tooveriën van wellust ende zondig riveel, met
+honderd-negen-en-veertig anderen; nu was hij, alleen, gevangen in den
+zoeten toover der puurste liefde. En de dagen gingen voorbij; er was des
+morgens de jacht, niet meer op Scaecspel maar op ever en hert, bij het
+schallen der jagerhoornen, Ysabele op witten palafroet, omringd van de
+baroenen en edelvrouwen te paard; er was tornooi der ridders in den
+burchthof, terwijl de edelvrouwen om Assentijn en Ysabele zich schaarden
+aan het grootste burchtraam; er waren des avonds zoete Liefdehoven,
+waarin bij den gloor der kaarsen de vragen werden gesteld wat ridder
+voor vrouwe zoû doen, wat vrouwe voor ridder doen zoû in menigertiere
+gevalle, volgens de zoete wetten der courtoisië. Er was werptafelspel en
+dobbelsteenspel en zang en reciet van vinder en begeleiding van veêler
+en Koning Assentijn scheen niet zoo somber meer in rouwe om de
+verledene dingen, die hij wilde vergeten.
+
+En Gawein volgde waar zij ging Ysabele.
+
+Ter zijde haar op Gringolet bij de jacht, terwijl hij haar hielp heur
+valk, dien zij gekapt op het gehandschoende vuisteken hief, te juister
+tijd te ontkappen....
+
+Opdat de vogel pijlsnel vloog op zijn prooi van haas of fazant....
+
+Of door de verlichte burchtzalen, des avonds, bij het vroolijk en
+hoofsch festijn, volgde Gawein Ysabele....
+
+En de fluistering ging tusschen de omringende ridders en edelvrouwen van
+mond tot mond met het nieuwsgierig geschuinoog naar Gawein en
+Ysabele....
+
+Tot Gawein vraagde aan Ysabele, in de blauwe nacht van maneschijn, die
+tusschen de zwarte kruinen van het donkere foreest, tusschen de zwarte
+kanteelen van den donkeren burcht neêr zeefde met zilveren vallen van
+licht, boven in den hemel de glanzende wemeling der starren:
+
+--Ysabele, mijne zoete Ysabele, koninginne van mijner harte rijk, zeg
+mij: hebt gij mij lief? Want ik heb u zoo lief als ik niet en wist, dat
+liefde lief konde zijn, als ik nie eene vrouwe heb lief gehad van dat ik
+als knape vrouwen en jonkvrouwen te lieven begon en zoo gij mij niet en
+lieve hebt, is mij te leven geen waarde meer, al zoude ik Koning wezen
+over alle deze koninkrijken der oude Koningen, die in Brittannië
+heerschen: Assentijn van Endi en Mirakel van Wonderland en Clarioen van
+Noordhumberland en Artur, mijn Heere van Logres.... Maar als gij mij
+lief hebt, o Ysabele, dan zoude ik willen, konde ik zoo als hoofsch en
+trouw ridder doen, deze geheele wereld voor u verwinnen tot Rome toe en
+Parijs en den geheel en hemel daarbij.
+
+Toen ontroerde zeer Ysabele.
+
+Zij wist, dat zij alleen Gwinebant lief had, dien zij eens op het
+tornooi had gezien en wien zij hare mouwe gegeven had en dien zij nacht
+aan nacht droomde, droomde in de zoete tooverdroomen en omhelzingen.
+Maar zij kon het Gawein niet zeggen, omdat zij hem niet ongelukkig wilde
+maken. Want hij was voor haar de held, van wien zij gelezen had, van
+wien zij wist de heldendaden en de roemruchtigheden en die, ontrouwe aan
+vele liefde, steeds trouw was gebleven aan zijn groot geloof: geloof aan
+het Wonder en aan de Werkelijkheid van het Aventuur.... En zij zelve,
+zij wilde gelooven aan het Wonder en het Aventuur, wat om haar henen ook
+glimlachten de baroenen haars vaders en hunne edelvrouwen. En zij was,
+met Gwinebants liefde in heur harte, vol zorg Gawein, den wigant, geen
+rouwe te doen en zij zeide, toen Gawein nog eens vroeg:
+
+--Ysabele, mijne zoete Ysabele, hebt gij mij lief?
+
+--Ik heb u harde lief, mijn oom Gawein en wen ik Koning Clarioen van
+Noordhumberland trouwe, zal ik u mijn ridder wel kiezen, zoo als
+Guenever Lancelot koos....
+
+Toen aarzelde wel Gawein.
+
+Maar sloeg zijne armen heen om Ysabele en kuste haar lang. En zij kuste
+hem weder en dacht:
+
+--Het is om hem geen toren te geven en smartelijke rouwe....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XX
+
+
+Een week daarna reed Amadijs, de jeugdige schildknaap, die eigenlijk
+Alliene, de jonkvrouw, was, alleen, dwars door de foreesten, die
+scheidden de landen van Koning Assentijn, van Koning Wonder, van Koning
+Artur. Hij was op weg naar Camelot, waarheen Gawein hem gezonden had, om
+eindelijk te melden den dood van Mordret en Didoneel.
+
+Zijn stille ijverzucht, als hij Gawein en Ysabele te zamen zag, leed te
+veel dan dat hij niet met klem van woorden Gaweins bezwaren overwonnen
+had om te gaan, en alleen de gevaarvolle foreesten door te tijgen.
+Trouwens, hij was niet vervaard; Alliene, de jonkvrouw, was niet
+vervaard. Armoede en rampspoed hadden haar in den vervallen burcht haar
+vaders geleerd geen vrees te voeden voor mogelijk ongeval; de
+wapenrusting haars broeders drukte haar niet te zwaar de tengere
+schouders; het zware zwaard vermocht zij zelfs te hanteeren. Draken
+scholen er niet meer in de spelonken der wouden; Alliene, die heette
+Amadijs, was dus op weg getogen met Gaweins boodschap: dat Mordret en
+Didoneel twee stille feloenen waren geweest maar nu verslagen en met
+genade van orisone ende vigelië begraven en dat het Scaec voor het
+oogenblik onvindbaar was....
+
+Zekerlijk, het Scaec had zich niet meer vertoond en waarheen de queste
+te richten als het zich niet meer vertoonde...? Gawein toefde dus te
+Endi, verzoend met zijn schoonvader en vol minne voor Ysabele, die met
+hem las, in het breede boograam samen gezeten, zijne eigene jeeste: die
+van vroeger, toen hij het eerste Zwevende Scaec had gezocht--of die met
+hem jaagde, valk op vuist.... En Amadijs nu, weemoedig, reed de
+eindelooze foreesten door, onvervaard, maar zonder hope en blijdschap
+des levens, omdat de dingen der liefde zoo treuriglijk waren, omdat de
+een den ander liefde gaf en niet altijd liefde weêrom ontving.... Zoo
+liefde Amadijs Gawein en zoo liefde Gawein Ysabele, die toch een ander
+liefde met liefde als de princes zelve Amadijs had bekend...! En de
+schaduwen vielen weemoediglijk uit de dicht gebladerde boomen: er was
+nauwelijks gezeef van zonneschijn en tinteling van zonnerondten rondom
+den jongen ruiter, op den mossigen grond, over den met onkruid
+bewoekerden weg....
+
+En de vogelen zwegen stil, om de wolken, die laag dreven, boven de
+boomenkruinen....
+
+Een slang schuifelde soms....
+
+Sloop tusschen rotsblokken, ritselend geheimvol, onder de dorrende
+bladeren, die verschrompelden en rotten van vocht, tusschen de dof roode
+zwammen....
+
+Tot zware stemmen in de verte verduidelijkten, en het ros de zenuwige
+ooren spitste en Amadijs uitluisterde naar wie naderde met ontmoeting
+kwade of goede, die hem het gemoed zoû ontroeren.
+
+Waar de weg wendde en de rotsen zoomden het ruige ravijn en de
+zonneschijn feller viel in het woud uit de opene lucht, den afgrond over
+en de schaduw dieper den schemer indrong, reed een drom van ridders
+aan....
+
+Een drom, neen....
+
+Amadijs telde er zeven slechts....
+
+Maar hunne woorden waren geweldig, hunne breede rossen versperden den
+smallen weg, hunne rustingen rammelden van ijzeren en stalen rateling
+en zij schenen meer in aantal dan zij waren....
+
+Amadijs, wel onderricht van wat ramp kan worden en tegenspoed, seinde
+zich achter zijn schild maar reed onvervaard door.
+
+En genaderd de ridders, groette hij hen hoofsch met zijn speer en met
+Gods eere, die hij hun toe riep. De voorste, een reus, riep terug den
+groet en voegde er aan toe:
+
+--Waarheen richt gij u, jeugdige knape, aan deze grenzen veler
+koninkrijken, wen ik u vragen darf? Zoo alleenlijk en jong van jaren te
+dolen door deze foreesten, dunkt mij moed boven uwe jaren?
+
+--Ik zeg dank, heer ridder, zeide Amadijs; voor uwe hoofsche vrage, die
+ik geerne beäntwoord: ik richt mij tot Camelot, tot des grooten Konings
+Arturs hove, om hem kond te doen van drie zijner ridderen.
+
+--Bij den goeden dage! bulderde de reus verwonderd.
+
+En naast hem stotterde zijn makker:
+
+--Bbbb...ij dd...en goeddd...en ddd...age!
+
+Terwijl een derde achter hen schaterde van luiden lach:
+
+--Bij den goeden dage!
+
+En de vier anderen uitriepen:
+
+--Bij Sint Michiel!
+
+--Bij Sint Jan!
+
+--Dit is met rechte jongstige fortuin! hernam, bulderend blijde, de
+reus. Want weet, wellieve knape, dat wij zijn zeven ridderen van
+Tafel-Ronde en dat wij zoeken Mordret en Didoneel, die zijn van Camelot
+gegaan en zij kwamen niet meer weêrom, zoodat onze heer Koning ons
+heette hen te zoeken; zij zijn hem harde dierbaar en hij vreest voor
+hunne levens.... Ik ben die gone, die is Bohort; mijn gezelle, hier
+naast mij, heet Ywein....
+
+--Ywein! herhaalde de stotteraar en stotterde niet, omdat hij op een w
+niet stotterde.
+
+--Acglovael, bij mijne trouwe, ben ik! lachte de schateraar en sloeg
+joviaal uit zijn hand naar den knaap.
+
+En de anderen galmden hunne sonore namen van Keltischen klank en die
+daverden geluidvol langs het ravijn en het woud door:
+
+--Hestor en Meleagant!
+
+--Galehot ik!
+
+--En ik Sagremort, weet dat wel!
+
+Toen lichtte Amadijs de ventalië van zijn helm omhoog.
+
+En zeide zacht en bescheiden:
+
+--Mijn hooge heer en en valiante baroenen! God van Hemelrijk deed mij
+genadiglijk uw zevenen op mijn eenzamen weg ontmoeten. Ik ben Amadijs,
+schildknape des heeren Gawein....
+
+--Gawein!! bulderden zij allen en Bohort, haastig, ging door:
+
+--Vertel mij, welzoete knape, van onzen Gawein. Want wij ontberen hem
+ook sedert dagen en Lancelot en Gwinebant zijn ten tweeden male
+uitgetogen om hem te zoeken.
+
+--Hij toeft bij zijn schoonvader, den Koning Assentijn, verzekerde
+Amadijs. Maar hoort mij verder aan, o ridderen: geheimenis is niet meer
+van noode; neen, ik ben geen knape maar eene rampzalige jonkvrouwe: ik
+ben Alliene en Gawein beschermde mij toen Mordret en Didoneel mij
+ontschaakten uit den burcht mijns vaders!
+
+Uitroepen van verrassingen en van verontwaardiging ontsnapten Koning
+Arturs ridders. Zij stegen in ijle af, bonden de paarden aan de boomen
+vast en zetten zich aan den rand van het ravijn rondom Amadijs, die hun
+vertelde van al dat gebeurd was. Dat Mordret en Didoneel twee feloenen
+zouden zijn geweest, was hun bijna ondenkbaar, maar nu herinnerden zij
+zich toch:
+
+--Nooit ende nie hebben zij eene damosele bevrijd van andere feloenige
+ridderen, merkte kleine, dappere Meleagant op.
+
+En zij beäamden het alle de andere zes: nooit hadden Mordret en Didoneel
+in alle die jaren belaagde damoselen bevrijd. Daarom wilden zij ook wel
+geloof hechten aan de woorden van deze, als Gaweins schildknecht,
+vermomde jonkvrouw en toen zij eindelijk weêr op zouden zitten, zeide
+Bohort:
+
+--Jonkvrouwe Alliene, of Amadijs, als gij u heet, zes onzer zullen
+zekerlijk tijgen naar Amoreuse-Garde, den boozen burcht, waarvan gij
+spreekt en waar belaagde, damoselen gevangen worden gehouden door
+keytivige ridderen, gezellen van Didoneel en Mordret en die zes zullen
+de jonkvrouwen wel verlossen, weet dat wel, maar één onzer zal u
+begeleiden tot Camelot, opdat gij den Koning Artur konde doet. Zeg mij,
+wien kiest gij onder ons?
+
+--Ik en weet niet, heer Bohort, zeide Amadijs.
+
+--Zoo ik mij melden darf, zeide Galehot; zoude ik geerne dezen lieven
+schildknecht den mijne noemen wen Gawein hem niet heeft van noode en met
+hem terug keeren tot Camelot. Ziet, lieve gezellen--o Sagremort, trek
+zoo niet de wenkbrauwen op!--gij gaat allen die belaagde damoselen
+bevrijden uit Amoreuse-Garde maar willen zij wel bevrijd worden?
+
+Acglovael schaterde om Galehots twijfeling, maar Sagremort zeide.
+
+--Hij heeft recht, Galehot; willen die damoselen bevrijd of niet bevrijd
+worden: dat is de vrage?
+
+--Riddd...erplicht, stotterde Ywein; is bbbe...laagde ddd...amoselen te
+bbb...evrijden!
+
+--Of zij bevrijd willen worden of niet, meende Hestor op modeste wijze,
+nu hij zijne meening ook kenbaar maakte en het was of hij zich
+verontschuldigde,
+
+--Zoo zult gij, gezel Galehot, zeide Bohort; met Amadijs weder keeren
+tot Camelot, waar onze heere alleenlijk beidt met de koniginne en met
+Keye en angstiglijk uit spiedt naar tijdingen. En wij zessen, makkeren,
+wij gaan die damoselen bevrijden!
+
+--Wij gaan eindelijk weder damoselen bevrijden! riep Meleagant,
+juichende blij.
+
+--Wij gaan ddd...amoselen bevrijden, stotterde Ywein; of zij willen
+worden bevrijd of niet!
+
+--Het is wèl een klein Aventuur te noemen, meende Hestor, die nooit van
+grootspraak hield.
+
+Maar Sagremort zeide:
+
+--Ik en weet eigenlijk niet of het een Aventuur is te noemen, maar het
+zoude wel kunnen gaan worden een Aventure... ja, ja, dàt wel!
+
+--En daarom zitten wij zessen op! schaterde Acglovael en zette, ratelend
+van lach en van wapenene, zijn gemalieden voet in den breeden beugel.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXI
+
+
+Intusschen doolden Lancelot en Gwinebant door andere foreesten rond,
+waar zij meenden Gawein te zullen vinden.
+
+--Zoo wij slechts Merlijn hadden mogen zien, die leste tijden: hij hadde
+ons gezegd waar Gawein allicht ware te treffen.
+
+--Wij en zagen Merlijn niet sedert dagen en maanden, zei Gwinebant.
+
+--Hij is zekerlijk nog bezig met de draadlooze theorië, peinsde
+Lancelot.
+
+Gwinebant antwoordde niet; hij wist, voor zich, dat Merlijn, al bleef
+onzichtbaar de toovenaar, hem iedere nacht, o zaligheid, deed droomen
+van schoone Ysabele, in zoete vië en amoreuselijk samenzijn en hij vroeg
+zich af, de schoone knaap, of Merlijn die droomen ook zocht te doen
+weven volgens draadlooze theorië...? Maar hij vroeg niets aan Lancelot
+en genoot liever zwijgend de herinnering van den laatsten droom:
+Ysabele's armen om zijn blonde hoofd, Ysabele's mond op zijn mond. En
+het kuiltje in zijn kin groef zich schalker.... De schemering zonk reeds
+grauwer door de dichte twijgen.
+
+En laag in de boomen gloorde de weg zinkende zon.
+
+Geene ontmoetingen hadden de ridders. En Lancelot meende reeds, dat deze
+dag des dolens er een verloren zoude zijn en dat zij herberg moesten
+zoeken. Want de dolende ridders op queste waren wel steeds gesteld op
+een bedde des nachts in burcht of kasteel, liefst een wonderbed, waarin
+hunne wonden den volgenden dag waren genezen. Gewond waren niet
+Lancelot en Gwinebant, maar zij hadden honger, hoe verliefd zij beiden
+ook waren en trouw. Zij spiedden dus beiden een weinig baloorig uit of
+geen torens tusschen de boomen uit staken, maar het scheen wel, dat
+eindeloos het foreest zich strekte....
+
+Tot zij plotseling hoorden kreunen en kermen.
+
+--Het Aventuur! zeide Lancelot en hief den vinger aandachtig op.
+
+--Het Aventuur! herhaalde Gwinebant.
+
+Het gekerm, het gekreun naderde aan. Het was niet van vrouwestem.... En
+met een wending van den weg werd zichtbaar een kar, getrokken door een
+armzalig paard en dat een dwerg geleidde. Het paard waren ooren en
+staart af gesneden en in de kar lag een half naakte ridder, gebonden
+handen en voeten en hij was het, die kermde en kreunde...
+
+--De Kar! riep Gwinebant, hevig ontsteld.
+
+--De Kar! riep ook Lancelot in grootste ontroering. De Kar der Schande!
+Gij, dwerg, zeg mij wien voert gij rond door de foreesten op deze
+schandekar?
+
+De dwerg grinnikte; hij was idioot; maar de ridder op de kar kermde
+hooger.
+
+--Heeren ridderen, wie gij ook zijt, ontfermt u mijner! Ik ben Lionel en
+ridder van Koning Clarioen van Noordhumberland, en hij beval mij naakt
+te werpen op de schandekar, opdat mij deze zinnelooze dwerg zoude
+voeren, alle straten door, alle wegen over, voorbij de burchten, dat uit
+de vensteren de bewoneren mij belachen zouden en onteeren! Heeren
+ridderen, de Koning Clarioen, hij beschuldigde mij van hem naar het
+leven te staan om mij meester van zijn troon te maken! Maar hij
+beschuldigt alle zijne ridderen van hem naar het leven te staan om zich
+meester van zijn troon te maken! Edele ridderen, dat is omdat hij geen
+oir en bezit, geen zoon of erfgenamen en hij zijne bruid Ysabele nog
+niet darf huwen.
+
+--Ysabele! riep Gwinebant, heftig ontroerd. Welke Ysabele, ridder, zeg
+mij?
+
+--Ysabele, die schoone, die is de kleindochter van den Koning Assentijn
+en princesse van Endi!
+
+Gwinebant en Lancelot waren afgesprongen.
+
+--Zweer mij, gij zijt onschuldig! drong Lancelot.
+
+--Ik zweer, heer! riep de ridder. Ik Lionel, ik ben de zesde ridder uit
+Noordhumberland, die onschuldig wordt rond gevoerd op deze schandelijke
+tooverkar! O verlost mij, verlost mij, heeren!
+
+--U verlossen... van de Schandekarre! riep Lancelot in hevigste
+ontsteltenis.
+
+--Van de Schandekarre... u verlossen! riep radeloos Gwinebant.
+
+En de beide ridders wierpen de armen op en riepen tot Sint Michiel.
+
+Want de Kar te ontmoeten was groot ongeluk.
+
+Want de Schandekar met het armzalige paard en den dwerg, die het leidde,
+was een tooverkar, een marteltuig en wie er in werd geworpen, werd er
+van zelve geboeid aan handen en voeten, en wie er in lag, geboeid, kon
+er alleen uit worden bevrijd door wie voor den geboeide, vrijwillig, de
+Kar besteeg. De Kar te ontmoeten was een ramp voor den dolenden ridder
+want het was ridderplicht den gemartelde te verlossen en in zijne plaats
+de Schandekar te bestijgen, maar de dolende ridder versloeg liever
+honderd reuzen en honderd draken daarbij.
+
+Toen zeide Lancelot:
+
+--Ik zal de Kar bestijgen....
+
+--Neen!! riep Gwinebant uit, Lancelot omhelzende. Mijn zoete vriend, dat
+nie! Gij, de eerste aan den Hove, gij, die zit aan 's Konings
+rechterhand, gij, die onze koninginne lief hebt, gij, mijn gezel, dien
+ik minne: dat nie! Ik, ik ben de jongste, ik ben Gwinebant, die Ysabele
+minne; ik, ik zal de Schandekarre bestijgen!
+
+En hij zette den voet op de kar.
+
+Het was heel donker geworden....
+
+Er was als een woedend gevecht op de Kar.
+
+Het lichtte....
+
+En de donder rolde....
+
+Toen Lancelot de handen strekte, tastte hij en herkende niet Gwinebant
+maar Lionel. En hoorde hij Gwinebant, geboeid, liggende op de
+Schandekar, zich van pijn en smarte wringen en kermen en kreunen.
+
+--Gwinebant! riep Lancelot smartelijk. Ik zal u bevrijden op mijne
+beurte...!
+
+--Na twaalf uren! grinnikte de dwerg.
+
+--Lionel! riep Lancelot. Sla mijn mantel om en bestijg mijns vriend
+paard! Dwerg, gij zot, zijt gij der burchten wel wijs?
+
+De dwerg grinnikte bevestigend.
+
+--Zoo voer de kar! riep Lancelot. Voer de kar, deze geheele nacht van
+smarte, rond, tot wij des daags langs de burchten rijden, waar vrouwen
+en ridderen mijn zoeten gezel uit de vensteren zullen belachen en
+onteeren!
+
+--Gwinebant, riep Lionel naar den jongeling op de Kar: hij lag er half
+naakt in zijn door tooverij ontgespte rustingstukken, maar Lancelot
+bedekte hem met een mantel. God zal u loonen! God zal u loonen, o mijn
+bevrijder!
+
+En pijnlijk en nog na kermende van de geledene pijnen, besteeg hij
+Gwinebants paard....
+
+De dwerg rukte, op het lamoen van de Kar gezeten, de teugels; het
+mizerabele paard trok aan....
+
+Stortregen viel neêr....
+
+--Ik ben zot maar van de burchten wijs! grinnikte de dwerg.
+
+ * * * * *
+
+Wat was de vië schoon en goed, meende Gawein; wat was te ademen reeds
+zaligheid, want was te beminnen niet het Paradijs voor wie meent, dat
+hij bemind wordt! In den volzomer straalde de blauwe lucht wolkenloos
+boven den burcht, die breed, een stad gelijk, met zijne talrijke torens,
+zijne verweerde massa's stapelde tusschen de bosschen in den steeds
+nevelenden wadem, stijgende uit de ziedende tooverrivier. En met Ysabele
+dwaalde Gawein over de wallen en langs de grachten, de twaalf poorten nu
+in vredestijd open, zoodat zij de eene poort in, de andere poort uit,
+dwaalden en doolden, terwijl in den hof voor den burcht de oude Koning
+behagelijk zat onder de linde in den gezeefden zonneschijn te
+knikkebollen....
+
+En zijne ridders bal speelden en de edelvrouwen zich vermeiden, zoo wel
+met de pagiën als met hare schoothondjes.
+
+Maar Gawein ging steeds Ysabele ter zijde, als haar ridder, die ook in
+het aanstaande tornooi te harer hulde strijden zoû. En geen ridder was
+zoo hoofsch als Gawein: al wist hij niet te zeggen de dingen als de
+woordenrijke vinders doen, hij wist te doen de dingen der courtoisië,
+die een ridder doet voor de vrouwe zijner keuze. Hij liep een middag
+Ysabele's valk na, die was weg gevlogen.... Tot hij den vogel eindelijk
+vond, moede des vluchtens, in het struweel. Hij redde eens Ysabele's
+hondje, dat in een der grachten gevallen was en sprong in het water het
+reeds verdrinkende keffertje met levensgevaar te grijpen: het was hem
+bijna ondoenlijk de gracht weêr uit te komen. Toen las Ysabele in de
+jeeste van Lancelot--ook reeds door de clerken geboekt--dat Lancelot, na
+drie wintermaanden gekerkerd te zijn geweest door een vijandelijken
+koning--de traliën had verwrongen om eindelijk in Mei, in den kerkerhof,
+een prachtige roze te plukken, die hem denken deed aan zijn liefde,
+koninginne Guenever.... En Ysabele vroeg haar oom en ridder of hij ook,
+te harer hulde, zes kerkertraliën wilde verwringen, om een roze te
+plukken.... Zoo dat Gawein zich in een kerker op deed sluiten....
+
+Er bloeide juist een rozenstruik voor het gevang en alle ridders en
+edelvrouwen en pagiën, rondom Ysabele, kwamen zien hoe Gawein de traliën
+wrong en wrong om, eindelijk, bevrijd, de roos te plukken, die hij legde
+aan Ysabele's voetje. En zij kuste hem dankbaar en alle ridders en
+edelvrouwen prezen Gawein als den hoofschte, maar hij verontschuldigde
+zich en zeide, hij had niet meer dan Lancelot gedaan. Toen gaf Ysabele
+aan Gawein haar gouden kam en rondom de tanden had zij drie harer
+goudblonde haren gewonden omdat zij gelezen had in de jeeste, dat
+Guenever eens aan Lancelot ook haar kam geschonken had met enkele heurer
+haren er in....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII
+
+
+Zoo was de vië goed en schoon, vol jolijt en solaes, meende Gawein,
+terwijl hij met Ysabele ging langs de grachten en over de wallen, waar
+hoog de zonnebloemen opstaken en boven de hooge stengelen hieven hare
+groote gouden zonnen, donker gehart, afstralend tegen het rosbruine
+steen der burchtmuren, met de enkele boogramen her en der verloren. En
+de zoete woorden, al was Gawein geen vinder, welden als water uit een
+wel Gawein uit het harte en sprak hij met zijn diepe stem en Ysabele,
+naast hem gaande, langs de lange zonnebloemenhaag, in hare witte, nauwe,
+even slepende kleed, de vlechten twee over den smallen rug, twee over
+den smallen boezem, hoorde ze met vreugde aan, hoe zij ook droomde,
+iedere nacht van Gwinebant, van Gwinebant! En zij herhaalde tot Gawein,
+dien zij geen oom meer heette maar Gawein, dat zij zekerlijk weldra zoû
+trouwen met den ouden Koning, Clarioen van Noordhumberland.... En Gawein
+begreep dat, omdat zij was de princes van Endi en het princessekroontje
+met drie puntjes hare slapen omgaf en omdat zij niemand dan een Koning
+kon trouwen en omdat alle Koningen in den ommetrek oud waren... Maar,
+zeide Ysabele, als zij heur princessekroontje geruild had voor de
+koninginnekroon van Noordhumberland, zoû zij toch wel "hoofsche ridders"
+willen hebben aan heur hof, één of twee, en zij wist niets van de
+Noordhumberlandsche ridders af en er zouden zeker, met hare vrouwen,
+ridders haar in bruidvaart vergezellen. Zoodat veel hoop Gawein werd
+gelaten en hij zoo gelukkig leefde aan Ysabele's zijde als hij nooit
+geleefd had naast wie hij ook had bemind, lace, zelfs niet ter zijde van
+de eerste Ysabele, dezer tweede Ysabele moeie en dochter Koning
+Assentijns. Zoo was het spansieren eindeloos, des morgens, na priemtijd,
+over de wallen en in de vergieren, in de zonlachende hoeken tusschen de
+muren en torens, den burcht om en eindeloos om; zoete wandelingen,
+poorten uit, bruggen over, de grachten groenblauw en grijs goudend,
+ringelend als breede gordelen rondomme en Gawein heugde zich niets meer
+van slachterij, die hij Destijds hier had aangericht. Tot zij, dien
+morgen, wederom den slothof naderden en groote beweging zagen en ook tal
+van hoofden, die bogen uit alle burchtramen, van staffieren en
+kamenieren en zij zelven zich haasten om mede te aanzien wat geschiedde,
+buiten, vóor den burcht, op den weg, die er heen geleidde, zichtbaar
+over de grachten heen van af den hof.
+
+En met den Koning en het hof zagen Gawein en Ysabele, terwijl der
+edelvrouwen vele schoothondjes op de barbekanen keften, een schandekar,
+gevoerd door een dwerg, gezeten op het lamoen en in de schandekar lag
+een half naakte ridder en kermde van pijn en ter zijde reden twee
+ridders, de ventalië op geslagen.... Van zoo verre over de elf grachten
+heen en door den stadigen wasem van de ziedende tooverrivier, waren de
+ridders niet dadelijk te herkennen; niet alleen wie in de kar lag, ook
+de beide ruiters schenen bleek en moê, wellicht meer uitgeput dan zij
+zouden van tweestrijd of veldslag geweest zijn. Reeds ging onmeêdoogend,
+naar die costume en zede, der burchtgenooten gejoel en gejouw opgalmen,
+vooral dat der vele mindere serianten, die over de wallen krioelden om
+te kijken en hun spot te drijven met wie op een schandekar voort werd
+geleid door een onnoozelen dwerg....
+
+Toen Gawein, met de hand voor de oogen:
+
+--Bij mijne zoete Vrouwe van Hemelrijk! Bij caritate, wat zie ik! Herken
+ik in dien eenen ridder niet mijn gezel, Lancelot? Is het mogelijk, dat
+ik Lancelot herken!?
+
+--Lancelot! juichte Ysabele. Is hij Lancelot, dien ik ginder schouw!?
+Lancelot, van wien ik juist geheel de schoone jeeste las?!
+
+--Hij is Lancelot, mijn schoonvader!! riep Gawein in hevigste ontroering
+tot Koning Assentijn. Hij is Lancelot en wien zal hij vergezellen in de
+Schandekar, zoo niet de geschandvlekte een ridder van goeden moed is! Om
+hem troost te bieden en eere te doen: niet ànders dan om dien zal
+Lancelot een op de vreeselijke Kar verzellen!
+
+En Gawein, heftig ontroerd, liep de eerste opene poort uit en riep over
+de brug, over de eerste slotgracht, luid van stemme:
+
+--Lancelot! Lancelot!
+
+Lancelot zag smartelijk op; hij herkende....
+
+En verrast riep hij:
+
+--Gawein! Gawein, dien wij zochten!
+
+Maar Gawein riep een tweeden kreet, smartelijker nog dan waarmeê hij
+Lancelot had geroepen:
+
+--Wat zie ik! Gwinebant! Gwinebant!
+
+Want hij herkende den ridder op de Kar!
+
+Maar achter hem had een schelle vrouwekreet weêrklonken.
+
+Het was Ysabele, die niet meer juichte om Lancelot; het was Ysabele,
+die, achter Gawein aanloopende, met velen der baroenen en edelvrouwen
+Gwinebant had herkend en uitriep:
+
+--Gwinebant! O, Heiligen van Paradijs! Op de Karre ligt Gwinebant, mijn
+ridder met de mouwe, die voor mij dapperlijk streed in het leste
+tornooi!
+
+En vóór haar grootvader en de baroenen het haar konden verhinderen, was
+zij met Gawein vooruit gesneld, was hen vóór gesneld, alle de poorten
+uit, alle de bruggen over, tot zij, het hondje aankeffende achter zich,
+gekomen was op den weg, waar langs de dwerg voerde zijn kar, met het
+mizerabele, verminkte paard.
+
+--Lancelot! riep Gawein.
+
+--Gawein! riep Lancelot. Wij zochten u!
+
+En hij wierp zich af en de beide ridders omhelsden elkaâr.
+
+--Lancelot! riep Gawein. Wat ligt mijn Gwinebant, onze jongste en
+schoonste gezel, op de Kar?!
+
+--Hij ligt er om ridderlijken plicht! zei Lancelot. Hij ligt er om
+Lionel te bevrijden, die lag op de Kar schuldeloos! Wij waren uit
+getogen, Gawein, op queste naar u, die bleef zoek en ontmoetten de Kar
+en Gwinebant bevrijdde dezen hier: Lionel!
+
+--Maar ik, heeren! riep Lionel; heb mijne krachten terug erlangd! Ik zal
+de Kar wederom bestijgen!
+
+--Lionel! riep Lancelot. Aan mij is nu de beurte de Kar te bestijgen! En
+die dwerg zal mij voeren tot Camelot, waar ik mijnen Koning kond zal
+doen en Merlijn de Kar onttooveren zal!
+
+--Neen! riep Ysabele. Mijn hooge heer, Lancelot, gij van wien ik las met
+Gawein, mijn ridder, uwe zoete jeeste, gij, de trouwste ridder van
+Kerstenheid, gij, de trouwe ridder van de "fonteyne aller schoonhede",
+koninginne Guenever--o hoe geerne zag ik haar niet!--gij moogt niet de
+Karre bestijgen! Het is Gawein, mijn oom maar ook mijn ridder, hij!, die
+de Kar bestijgen zal, om Gwinebant te verlossen!
+
+En met de kreten der jonkvrouw mengden zich de ontroerde stemmen van
+Lionel, Lancelot en Gawein, die met malkanderen wedijverden in
+edelmoedigheden, wie de Kar bestijgen zoû.
+
+Want Gawein aarzelde niet, hoofsche ridder, die hij was, te voldoen aan
+het bevel van Ysabele, die hij minde boven alles ter wereld. Hij zette,
+vóór,--garsoenen schoten op de paarden toe--Lancelot en Lionel hem
+konden verhinderen, zijn voet op de Kar... Er was als donder en
+weêrlicht uit blauwe lucht; de dwerg grinnikte; angstig hinnikte het
+mizerabele paard....
+
+In de Kar lag Gawein...
+
+En wrong zich, gebonden, de kleêren verscheurd.
+
+Tusschen Lancelot en Lionel stond wankelend Gwinebant. Hij was heel
+bleek.
+
+Hij hield de oogen gesloten, terwijl hem steunden zijn vrienden.
+
+Hij scheen uitgeput van de pijnen, geleden die nacht in de onzalige Kar.
+
+Toen hij de oogen opende, zag hij, tusschen tal van baroenen en
+vrouwen--o hoe heur aller schoothondjes kef-kef-keften omrond--eene
+jonkvrouw...
+
+Zoo blond, zoo blank, zoo goud van haar, zoo wit van kleed, dat zij een
+engel scheen...
+
+En vol liefde-angst zagen hare azuren oogen hem aan...
+
+En hij herkende haar...
+
+Eénmaal had hij haar gezien ten tornooie...
+
+En hij had hare mouwe, die zij hem had gereikt, geslingerd rondom zijn
+helm...
+
+En sedert had hij haar gezien, tallooze malen van onzegbaar geluk, in
+zijne droomen...
+
+--Ysabele... murmelde hij.
+
+--Gwinebant... stamelde Ysabele.
+
+En hare witte handekens reikten hem toe.
+
+Hij greep ze en kuste ze zacht.
+
+--Ik zag u... stamelde hij.
+
+--Ik zag u ook, Gwinebant, murmelde Ysabele.
+
+Maar zij zeiden niet wáár zij malkanderen meer hadden gezien...
+
+O, die leste tijden, iedere nacht!
+
+In hunne droomen. Hoewel hij niet wist van de háre en zij niet van de
+zijne...
+
+Rondom hunne elkander ontmoetende, zoet herkennende liefdeblikken, was
+het veel laweide, want de paarden hinnikten, steigerend aan de vuisten
+der garsoenen, die ze bedwongen...
+
+De edelvrouwen riepen wi ende wacharme...
+
+De baroenen huldigden met lof ende prise Lancelot en Lionel.
+
+En de schoothondjes... o wat de schoothondjes razende keften!
+
+Toen klakte de dwerg met de zweep.
+
+--Ik ben die gone, die wijs is van de burchten! grijns-grinnikte de
+onwijze dwerg. Wij gaan tot Camelot in den lande van Logres en dan terug
+naar Noordhumberland!
+
+Maar Lancelot, Lionel en al de baroenen wilden niet, dat de dwerg de Kar
+weg zoude rijden. En ook Koning Assentijn, die de poorte uit en de
+bruggen was over gekomen, wilde het niet.
+
+--Wij en willen het niet! riepen zij allen. Den burcht in, dwerg! Hiér,
+in den burcht van Endi zal blijven de Karre! Den burcht in, dwerg, trots
+tooverië en Schandekar-wonder! Als Gawein onschuldig op de Karre
+geschandvlekt ligt uit edelmoedigheid, zal hij niet vertoond worden
+langs de straten, tot spot van keytieven en kaerelen! Den burcht in,
+dwerg!
+
+En zij dwongen den dwerg de eerste brug over te rijden, door den heeten
+wasem heen van het ziedende water. De garsoenen geleidden de twee
+paarden weg...
+
+De schoothondjes keften...
+
+Het was een laweide van grootst belang en nauwelijks kon zich
+verstaanbaar maken de Koning, die noodde hoffelijk Lancelot, Lionel,
+Gwinebant zijne gasten te zijn. Hevig kermde Gawein en wrong zich,
+wrong zich op de Kar...
+
+Hij wrong zich van de tooverpijn, die hem met scheuten schoot door de
+leden maar hij kermde vooral--want meer dan kermen was zijn klagen
+niet--omdat hij, vóór het mizerabele paard, dat de Kar trok... Ysabele
+zag gaan met Gwinebant, zijn jongen gezel, dien hij wel minde...
+
+En hij leed ijverzucht want Ysabele, teederlijk,--meende hij--geleidde
+Gwinebant, die nog wankelde na, bleek, in zijn stukkende rusting...
+
+Tot Gawein zag, dat Gwinebant glimlachte zijdelings naar Ysabele en
+haar, zekerlijk, bediedde dat het hem beter ging, hij, een ridder van
+Tafel-Ronde en die niet sterven zoû van één nacht onschuldig gelegen te
+hebben op de Schandekar. In der daad richtte zich ook Gwinebants ranke,
+breedschouderige gestalte, zoo jeugdig als van strijdengel, meende
+kermend Gawein, aan Sint Michiel gelijk! en Ysabele, zijdelings,
+glimlachte Gwinebant toe... En Gawein kermde en er was zùlk een laweide,
+dat plots donderend de Koning Assentijn uitriep, tusschen Lionel en
+Lancelot:
+
+--Jonkvrouwen en vrouwen! Ik beveel u: doet zwijgen, en dadelijk, al uw
+onzalige schoothondjes want, mij mijne koningskrone! ik laat ze anders
+allen door de garsoenen in de grachten gooien!
+
+Toen stortten alle de vrouwen en jonkvrouwen toe op hare keffende
+hondjes en borgen de lieve beestjes in hare armen, aan hare boezems, in
+de schootplooien van haar gehevene kleed...
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII
+
+
+Maar blijde waren alle de burchtgenooten, de hoogste en ook de laagste,
+dat zij Gawein gespaard hadden van die schande op de vreeselijke Kar te
+worden rond gevoerd langs wegen en straat, om vertoond te worden aan
+allen, die hem zouden ontmoeten. En de dwerg voerde nu zijn Kar naar den
+burchthof en daar werd het paard, dat doodmoede was, uit gespannen en
+weg geleid. De Kar, waarop Gawein lag te kermen en te krimpen, werd
+onder de breedtakkige linde getrokken en allen om Gawein heen wrongen de
+handen want verlost kon hij eerst worden na twaalf uren zonder
+levensgevaar voor hem en zijn bevrijder. En om hem heen zwoeren Lancelot
+en Koning Assentijns baroenen, dat zij, zoodra de zon zonk, Gawein
+zouden verlossen, om beurten; zij beloofden het malkanderen met
+handslag.
+
+Ysabele, met Gwinebant, naderde nu ook de Kar en zij begon te weenen,
+toen zij Gawein zoo zag krimpen.
+
+--Gawein! riep zij. Mijn lieve ridder! Doet de tooverkar harde pijn? Ik
+en kàn u zoo onnoodig niet lijden zien!
+
+--Ysabele! zeide Gawein, heel bleek. Het is niet zóó groote pijn! Het is
+meer prikken van muggen en steken van wespen maar méér en is het leed
+niet! En ik en zal niet meer kermen en krimpen als gij het niet aan kunt
+zien en als het uwe zoete oogen doet weenen!
+
+Toen lag Gawein heel stil en sloot de oogen, terwijl ter zijde van de
+Kar grinnikte de dwerg. En de Koning zette zich bezorgd op zijn zetel
+en beval der ridders bal te spelen en met het werptafelspel. En hij
+beval jongen knapen te zingen en vedelaren te vedelen, opdat Gawein
+minder zoû lijden, zoo rondom hem er muziek klonk en voort ging de
+gewone vië, die des kasteels was in vredestijd. En steeds lag Gawein
+heel stil, de oogen gesloten en Ysabele dankte hem, dat hij niet meer
+kermde en kromp en Gwinebant dankte hem, dat hij hem wel had willen
+verlossen. Zoo gingen er enkele uren voorbij...
+
+En het scheen bijna, dat Gawein niet meer leed, zoo stil lag hij...
+
+O, de vreeslijke Kar, de Schandekar, die een tooverkar was, o de
+vreeslijke Kar van Clarioen van Noordhumberland! In alle andere rijken
+der oude Koningen rondom was zij reeds afgeschaft, die Kar van schande
+en van marteling en nog deed Clarioen haar door de landen gaan! O, zoo
+de baroenen haar dorsten vernietigen, die Kar, die alleen leidde één
+onzinnige dwerg! Maar tooverië en magië waren sterker dan alle baroenen
+ter wereld en de Kar wàs niet te vernietigen, alleen te onttooveren! O,
+zoo Merlijn maar te roepen was, maar Gwinebant noch Lancelot wisten,
+waar hij toefde, zeker steeds bezig met die zoo moeilijke, draadlooze
+theorië... Zoodat Lancelot zich droef bij den Koning zette en Gwinebant
+Ysabele verder geleidde langs de grachten en de zonnebloemen: al lag
+Gawein stille, het bleef toch pijnlijk voor de zoete princesse haar
+ridder op de Schandekar te zien! Tot plotseling boven van de tinnen
+galmde koperen torengeschal der torenwachters en de burchtzaten uit
+zagen: twee ruiters naderden en de drossaet des Konings, met staffieren
+en met garsoenen, ging hen door de opene poorten te gemoet en
+verwelkomden hen. Zij reden binnen en Lancelot herkende den eene: die
+was Galehot en de andere was zeker zijn schildknaap, maar Lancelot kende
+dien niet, zeide hij Koning Assentijn, die bijziende de oogen knipperde.
+Galehot en de schildknaap stegen af op het voorplein en Lancelot
+omhelsde zijn wapenbroeder en riep uit:
+
+--Lace, Galehot, wel ontmoet ik u op een kwaden dag! Want zie, daar ligt
+Gawein, over de Schandekarre, die hij betrad uit edelmoedigheid om onzen
+Gwinebant te verlossen en de ure is nog niet daar, dat wij hem verlossen
+mogen!
+
+Galehot--anders de gracelijk stil glimlachende--sloeg een oprechten
+jammerkreet uit en de schildknaap een nog schelleren. En terwijl Galehot
+den Koning begroette, herkenden alle de burchtgenooten den schildknaap.
+Die was Amadijs. Hij kwam met Galehot terug van Camelot, waar hij Koning
+Artur kond had gedaan en Koning Artur was blijde geweest, dat hij nu
+wist van Gawein, maar toen heel booze geworden, dat Gawein niet om het
+Scaec scheen te achten en toen had hij wi ende wacharme geroepen om
+Mordret en om Didoneel. En hij had Amadijs, en Galehot mede, bevolen
+dadelijk op weg te gaan, naar Endi, om Gawein te zeggen, dat hij
+oogenblikkelijk op queste moest naar het Scaec. Omdat alle zijne
+Tafel-Ronde-ridders er op uit waren, had Koning Artur, meldde Galehot,
+twaalf andere zijner hoogste baroenen tot Tafel-Ronde-ridders geslagen
+en die zaten nu om het jaspis-blad in de Ronde Zale te wachten tot
+Aventure zich voor zoû doen en dikwijls verstreek het uur van den
+maaltijd en wachtten zij nog... Toen Assentijn daarvan hoorde, schudde
+hij bedenkelijk het hoofd en bedacht, hoewel hij er uit hoofschheid
+tegen zijne gasten niets van repte, dat die Koning Artur van Logres, zoo
+belust op Aventuur, wel heel oud werd, ouder dan hij, Assentijn was. En
+dat het slecht voor de mage was zóó lang te wachten en niet te eten.
+
+--Ik moet, bij mijn trouwe, bedenken, zeide Koning Assentijn tot
+Lancelot en Galehot; waar nu toch gij allen twaalf toeft van oude en
+eerste Tafel-Ronde. Om mij zie ik armen Gawein; gij, Lancelot; gij,
+Galehot en ginds dwaalt Gwinebant, de schoone knape, met mijne Ysabele
+in jeugendlijke sprake langs de zonnebloemen; die vertellen malkander
+zekerlijk van hunne droomen... Nu, dat zijn vier uwer, waar zijn dan de
+acht anderen, zeg?
+
+--Didoneel en Mordret lijden pijnen in Vagevure, glimlachte gracielijk
+Galehot; als Amadijs melden kwam. En de zes anderen zijn Amoreuse-Garde
+belegeren gaan...
+
+En Galehot vertelde alles en meldde ook Lancelot nu, hoe Mordret en
+Didoneel verslagen werden toen Gawein Alliene, die was Amadijs,
+verloste.
+
+--Ja, ik! riep Gawein, met gesloten oogen, van de Kar. Ik, ik versloeg
+de feloenen, die met ons mede waagden aan te zitten aan Tafel-Ronde!
+
+En hij lag weêr stil. En Lancelot was zeer verbaasd en droeve te moede
+en Koning Assentijn verwonderde zich in stilte, dat nog wel ridderen van
+Tafel-Ronde een slechten burcht hadden kunnen stichten in afgelegen
+foreest, waar zij geschaakte damoselen opsloten!
+
+--Lace! riep Lancelot. Ik zal Gwinebant melden van Didoneel en Mordret.
+
+Maar Assentijn hield hem tegen en zeide:
+
+--Ik zoude dat laten, mijn lieve Lancelot! Gwinebant spansiert er zoo
+zoete met Ysabele langs die zonnebloemen: dat is de joghet, die zich
+verhoghet. Laàt ze... Mijne arme kleindochter, dat zoete kind, heb ik
+beloofd aan Clarioen van Noordhumberland en dat is mij niet wel te moede
+na al wat ik van dien ouden schalk hoore en zie. Schandekarren zijn
+niet meer te dulden enghienen, als zij met tooverië gaan en door
+ridderen moeten worden beklommen.... Zeg nu, mijn lieve Lionel--en de
+Koning richtte zich tot den Noordhumberlander--maak mij vroed van den
+hove daar ginder: hoe staat het daar wel bij dien Clarioen?
+
+En Assentijn hoorde Lionel uit, over het verre Noordsche rijk, waarheen
+zijne kleindochter ter bruidvaart zoû gaan en waar Clarioen iederen
+ridder, dien hij verdacht van hem naar de kroon te staan, wierp op de
+Schandekar!
+
+Maar naast de Kar was Amadijs ontzet blijven staan, de edelvrouwen en
+baroenen rondom.
+
+--Mijn heer! hijgde ten laatste Amadijs. Mijn heere Gawein! Gij, gij, de
+edelste, de overgelijklijke op de Schandekarre, gij!
+
+De dwerg grinnikte.
+
+--Dat en doet geene pijn, schildknaap! Zie toch, de ridder kermt niet en
+hij krimpt niet! Het is alleenlijk als van muggen en wesp! En ik weet
+den weg naar alle burchten maar ik weet ook van knapen en jonkvrouwen!
+Schildknapen hebben vaak zachte oogen, en weet gij, eene jonkvrouwe kan
+ook harde wel de Karre bestijgen!
+
+Amadijs bloosde omdat een onzinnige dwerg hem had kunnen doorzien en de
+baroenen en edelvrouwen rondom, reeds gehoord hebbende van wat Galehot
+aan Lancelot en den Koning gemeld had, beweerden, dat zij altijd wel
+gedacht hadden, dat Amadijs een jonkvrouw was. Hoewel deze bewering niet
+geheel en al waar was en menige edelvrouw, die met Amadijs de zoete
+melodië had willen drijven, zeer teleur was gesteld in hare begeerten en
+zoo weinig toeschietelijken schildknaap in de eentonigheid van de
+kasteelvië zich niet had kunnen verklaren.
+
+Gawein lag steeds stil...
+
+De oogen gesloten, dacht hij aan Ysabele.
+
+En leed hij zwijgend om haar. De baroenen en edelvrouwen bleven rondom,
+met troostenden roep, terwijl vedelden de vedelaren.
+
+En de hoogstemmige knapen zongen.
+
+En Amadijs vroeg wanhopig den dwerg:
+
+--Wanneer heeft de tooverië uit gevierd? Wanneer kan een ander, knaap of
+jonkvrouw, mijn heere verlossen? Zeg mij, dwerg; na zonsondergang?
+
+De dwerg grinnikte; de zon stond nog hoog aan het namiddaggeluchte en de
+zonnebloemen langs de muren en grachten straalden den gouden gloed
+terug...
+
+Toen grinnikte de dwerg en fluisterde:
+
+--Hoor, mijn zoete knape! Ik en ben niet zoo dul als zij denken! De
+baroenen dwongen mij den burcht binnen te rijden en de garsoenen spanden
+het rosside uit. Maar als de Karre niet en beweegt en hier stille staat
+onder de koningslinde om den ridder van alle lachter te sparen, vermag
+niets ende niemand hem te bevrijden... En wie op de Karre springt,
+waarschuw ik u, ligt mede geboeid ter neêr!
+
+--O wi, o wacharme! riep Amadijs. Zal God van Hemelrijk dat dulden!
+
+Ook de baroenen, die mede den dwerg hadden aangehoord, riepen:
+
+--Bij Sint Michiel! Bij Sint Jan! Bij den rijken God van Hemelrijk!
+
+Zij wilden den dwerg te lijf en hem als een worm vertrappen. Maar
+Lancelot, Galehot stortten toe, zelfs Gwinebant verliet Ysabele, om den
+dwerg te ontzetten. Ridderlijke daad zoû het niet zijn een dwerg te
+verdelgen en daarbij, zoo hij verdelgd ware, wie wist van de Karre en
+hare enghiene, zoo de voerder daar niet en ware? De dwerg, bevrijd uit
+den boozen drang der baroenen, grinnikte en zette zich spottend,
+gedrochtelijk, met de spichtige armen over de vergroeide knieën op het
+lamoen van de kar, terwijl doodstille Gawein leed en lag.
+
+--Ik zal wachten! grinnikte de dwerg. Uw welgevallen zal ik, hooge
+heeren, wachten! Voor zonsondergang kan zelfs geen schildknape met
+zachte oogen of een baroen of valiante wigant den ridder uit de Karre
+verlossen, maar ik moet naar den Koning Clarioen terug: wees des gewes,
+hoe zot ik ook ben!
+
+Woedend stonden de baroenen rondom de Schandekar en den dwerg.
+Plotseling betrok de lucht...
+
+De gloed der zonnebloemen, waartegen Ysabele's figuurken blankte,
+wachtende angstig, dat Gwinebant zoû keeren, doofde...
+
+Een zwarte wolk zonk over den burcht...
+
+--Een tempeest? riepen de burchtgenooten. Een horeest!
+
+Want het weêrlichtte...
+
+Er rommelde donder en in die onweêrsbui naderde een heftig gesnor...
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIV
+
+
+En boven den burcht, door de wolk heen, brak door met zwaar
+wiekengewapper een reusachtige fenixvogel, die straalde vreemd in eigen
+juweelachtige, pauwblauw geschakeerde glanzen...
+
+--Merlijn! Merlijn! riepen de drie ridders van Tafel-Ronde, Lancelot,
+Gwinebant, Galehot.
+
+Werkelijk, het was Merlijn, die op zijn vogel neêr daalde, in een wijden
+cirkel van zweefvlucht. Snorrend en hevig sidderend daalde de fenix maar
+zette zich toen luchtig en sierlijk vóór den Koning, en Merlijn steeg af
+uit des vogels rug. Merlijn was niet zoo heel jong meer, tegen het eind
+van den dag, als zijn jeugdbad had uitgewerkt en hij het de moeite niet
+waard had gevonden een tweede bad te nemen. Hij groette Koning
+Assentijn, die niet meer verbaasde dan overeen kwam met zijne
+koninklijke waardigheid en riep en jubelde:
+
+--Eureka! Eureka! Ik heb de draadlooze theorieë gevonden! En ik kom mijn
+lieven Gawein verlossen!
+
+Nu lachte hij luide. Terwijl hij lachte, scheen zijn baard te groeien,
+schenen zijne oogen als vlammen gloeien te gaan. Zijn gebaar uit wijde,
+purperen mouwen was zóó wijd, als of hij met zijn staf een tooverban
+trok om het geheele burchtplein heen. De lindeboom bewoog krakend alle
+zijn takken en bladeren in den fel waaienden wind. Een dichte nevel zonk
+neêr. Allen--de Koning, Lancelot, Gwinebant, Ysabele, Galehot, Amadijs,
+de baroenen en edelvrouwen, drongen tegen elkaâr, wèg van Merlijn en de
+Kar. Een wervelwind woei. Het duurde nauwlijks twee, drie blikken der
+oogen. De nevel trok op; de wind verwoei om den burcht; de zon straalde,
+zinkende, door; bij de zonnebloemen blankte op Ysabele; zij school half
+bezwijmende in de armen weg van Gwinebant en zij waren schoon en
+lieflijk om te aanzien. En voor Merlijns voeten versmeulde weg de Kar
+tot een witte asch, terwijl Gawein ongedeerd, hoewel verbijsterd, stond,
+als nog omgeven door Merlijns wijd gebaar.
+
+--Tooverië! Tooverië!! riepen de baroenen en angstig de edelvrouwen,
+door elkaâr, dringende duwende.
+
+Maar Gawein was verlost...
+
+Over het burchtplein kroop een schildpad.
+
+Merlijn schaterlachte......
+
+Hij wees......
+
+--Dat is de dwerg! zeide hij. Burchtzaten, opent den weg voor mijn
+schildpad! Hij keert terug tot Noordhumberland! Hij gaat konden Koning
+Clarioen van zijne Schandekarre!
+
+En Merlijn schaterde zóo, dat alle de baroenen ook schaterden. De, door
+de edelvrouwen heel lang stil en achterbaks gehoudene, schoothondjes
+ontsnapten, liepen toe op den schildpad, die weg kroop en keften.
+Ysabele stortte naar Gawein met een vreugdekreet en omhelsde hem.
+
+En toen boog zij eerbiedig voor Merlijn en riep juichend met hare
+vreugdestem:
+
+--Groote Merlijn! Ik heb van u gelezen in de schoone jeesten, die de
+clerken sedert tien jaren boeken en nu zie ik u met mijn oogen! Gij zijt
+de goede toovenaar van hoogste lof! Gij verbranddet in tooverviere de
+Kar en zij versmeulde tot witte assch! Wees gebenedijd, gij, die Gawein,
+mijn ridder, verloste!
+
+En zij boog diep en herhaaldelijk, beurende hare vlechten omhoog en
+alle de edelvrouwen volgden het voorbeeld van de princes.
+
+Terwijl de Koning dreigend riep:
+
+--Jonkvrouwen en vrouwen, zoo gij niet uwe schoothondjes...
+
+Hij kon niet voltooien. Het laweide barstte los oorverdoovend. Er was
+gejuich van triomf aan alle ramen des burchts, over alle barbekanen.
+Maar de vele schoothondjes keften het hoogst, zonder zich te storen aan
+Koning Assentijns oude zenuwen....
+
+Toen, van boven den hoogsten toren, galmde, brallende, koperen geschal,
+het signaal van den torenwachter.
+
+De lagere torenwachters galmden hem na.
+
+Allen keken uit, naar den weg.
+
+Een ridder naderde en vroeg toegang.
+
+Het was Sagremort: Gawein, Lancelot, Galehot, Gwinebant ijlden op hem
+toe.
+
+Sagremort steeg af. De ridders voerden, met de baroenen en de
+edelvrouwen en de schoothondjes, Sagremort vóór den Koning.
+
+Sagremort zeide:
+
+--Edele heere Koning van Endi, hooge Assentijn! Mijn vijf gezellen:
+Bohort, Acglovael, Ywein, Hestor en Meleagant zijn gevangen in den
+burcht van Amoreuse-Garde, waar vele feloenige ridderen damoselen
+gevangen houden en te tijde en te ontijde belagen. Ik kwam langs uwen
+burcht en trof mijn valiante gezellen, zoo hielp mij Sint Michiel. Heere
+Koning, waarom ik niet en gevangen ben met die vijf anderen genomen?
+Omdat ik weifelde en twijfelde binnen te gaan, toen de damoselen aan de
+vensteren verschenen en lonkten en lokten met zoeten lach en lonk... Ik
+dacht: willen die damoselen wel worden bevrijd of... willen zij niet
+worden bevrijd. Dat is de vrage!
+
+--Zeide ik het u niet al?! riep Galehot.
+
+Koning Assentijn sloeg de handen om zijn arme hoofd en zijn kroon gleed
+scheef. Een Schandekar, vijf ridders van Tafel-Ronde ten zijnent, vijf
+gevangen in een burcht van feloenen; daarbij nog Merlijn, de toovenaar,
+op een fenix; Clarioen van Noordhumberland een oude curliaen ende
+schalck, wien hij zijne kleindochter had beloofd; keffende
+schoothondjes, die niet waren tot zwijgen te brengen.
+
+--Het is mij te veel! riep hij. Ik bezwijme!
+
+En hij viel achter over in zijn zetel, maar Ysabele omringde zijn oude
+hoofd met hare ranke armen en lachte...
+
+ * * * * *
+
+Een ruste was den vijf ridders van Tafel-Ronde wel van noode in den
+burcht van Endi. Zij konden toch dien avond voor vespermaal niet
+dadelijk vertrekken! De pagiën geleidden de gasten in verschillende
+kemenaden en zij wieschen zich in gulden bekkens met fijne dwalen en
+kleedden zich--er lagen steeds surcoet en hozen klaar voor dolende
+ridders. Lionel, die vooreerst niet naar Koning Clarioen dorst keeren,
+hoopte onder Koning Assentijns ridderschap te worden opgenomen; ook
+Merlijn bleef nog die nacht.
+
+En na het maal, door heel eenvoudige tooverië, bracht Merlijn Gwinebant
+en Ysabele te zamen. Zij troffen elkaar ditmaal niet bij de zonnebloemen
+maar bij de donkerroode, bloeiende rozenstruiken, waarvan éene roos
+Gawein had geplukt na zes kerkertraliën te hebben verbroken: dat geurde
+daar van rozengeur onder aan de muren van den burcht en in de nieuwe
+maan, die in blauwe nacht wit op straalde en neêr vloeide over de
+barbekanen en speelde en spiegelde in de grachten; daar dwaalden
+Gwinebant en Ysabele.
+
+--Gedenk u des, Ysabele, gij gaaft mij de mouwe ten lesten tornooi...?
+
+--Ik en vergat het nimmer, Gwinebant... Gij streedt en verwont te mijner
+eere...
+
+--Ik dacht sedert steeds aan Ysabele...
+
+--Ik dacht sedert steeds aan Gwinebant...
+
+Merlijn luisterde om een hoek: hij was nu héél oud en de maan zilverde
+in zijn baard.
+
+--Ik droomde u, zei Ysabele.
+
+--Ik droomde u ook! zei Gwinebant en lachte verbaasd.
+
+--Ik droomde u, dat gij kwaamt, in mijne kemenade en ik omhelsde u....
+
+--Zoo zoete, zoo zoete droomde ik ook, dat ik u omhelsde! zeide
+Gwinebant verbaasd.
+
+--Droomden wij malkanderen eenderlijk? vroeg Ysabele. Ik omhelsde u in
+deze maniere...
+
+Zij sloeg om zijn blond, krispe hoofd hare armen en kuste hem lang op
+den mond.
+
+--Eenderlijk, beäamde Gwinebant ontroerd om haar kus. Want ik omhelsde u
+in deze maniere....
+
+En hij kuste haar en zij kusten malkanderen zoo als zij malkander in den
+droom hadden gekust en heel lang.
+
+--Ik droomde u iedere nacht, na dien, zeide Ysabele.
+
+--Ik droomde u ook iedere nacht! lachte Gwinebant verbaasd.
+
+--Iedere nacht, zeiden zij beiden en kusten malkanderen lang.
+
+--Ridder zijt gij van Koning Artur, zeide Ysabele. Maar, o Gwinebant,
+mijn ridder wensch ik u wel hartelijk...
+
+--Ysabele, hebt gij mij lief?
+
+--Harde lief heb ik u, Gwinebant...
+
+--Ik heb u, Ysabele, ook harde lief...
+
+--Zoo lief... Zoo lief! zeiden zij beiden en zij kusten malkanderen
+lang.
+
+--Ysabele, wilt gij dan mijne zoete wijf wezen?
+
+--Wat denkt gij, Gwinebant! lachte zacht Ysabele. Ik ben eene princesse
+van Endi, kleindochter van Koning Assentijn. Ik zal een Koning trouwen:
+Clarioen van Noordhumberland....
+
+--Dien ouden curliaen? vroeg Gwinebant. Gij en zult dien toch niet
+trouwen, Ysabele??
+
+--Ik zal hem trouwen, Gwinebant, zeide Ysabele en kuste hem, lang.
+
+Hij kuste haar, lang, terug.
+
+--Ik zal hem trouwen, herhaalde zij. Ik moet toch eene koninginne worden
+en daar zijn geen andere Koningen rondom, die jonger zijn en eene
+koninginne hebben van noode. De prins Alidrisonder van Koning Wonder van
+Mirakeleland is mij te jong...
+
+--Te jong, Ysabele? Wilt gij dan een ouden man?
+
+--Ik wil een ouden Koning tot man, Gwinebant, zeide Ysabele.
+
+Gwinebant kreunde van minnesmart, maar Ysabele kuste hem weg zijn
+kreunen en hij kuste haar: zij kusten malkanderen, lang.
+
+--En ik wil u als mijn ridder, mijn Gwinebant.
+
+--Hoe dat, o Ysabele, als ik u heb zoo lief, zoo lief?!
+
+--Zoo als koninginne Guenever, die is Koning Arturs wijf, Lancelot tot
+ridder heeft. Dat weet gij zelve, mijn Gwinebant, en dat las ik in
+Lancelots jeeste. Amijs en amië zijn Lancelot en Guenever. Wij zullen
+amijs en amië zijn...
+
+--O Ysabele, maar die oude schalk, Clarioen, die Koning, staat mij
+bitterlijk in den wege!
+
+Zij kuste hem en hij kuste haar, lang.
+
+--En Gawein, ging Ysabele voort; wil ik ook tot ridder hebben en amijs.
+
+--Gawein ook, Ysabele?!
+
+--Ja, Gwinebant, ik bewonder harde Gawein, en heb hem ook heel lief; hij
+is mijn oom, maar hij is mijn ridder en mijn amijs.
+
+--Ysabele, hij en is niet uw amijs... Gij weet nog niet wat een amijs
+is, zoete Ysabele....
+
+--En weet ik niet wat een amijs is? Ik weet harde wel wat is een amijs.
+Ik wil een ouden Koning hebben tot man en ik wil twee amijsen hebben
+daarbij. Ik wil Clarioen hebben tot man en Gawein en u, Gwinebant, tot
+amijsen.
+
+--Ysabele, Ysabele, ziet gij niet, hoe ik lijde?
+
+--Gij en moet niet lijden, mijn Gwinebant. Clarioen, die zal maar zijn
+de Koning, die mij tot koninginne maakt. Gij zult zijn mijn amijs en ook
+Gawein, omdat hij zoo veel toren in zijn harte zoû dragen, zoo hij niet
+mede mijn amijs mocht wezen. Met u samen.
+
+--Hij en zal niet willen met mij samen uw amijs zijn, o Ysabele! Gij en
+weet niet wat een amijs heet, jonkver.
+
+--Ik weet harde wel wat een amijs heet, ridder. Een Koning is, wie mij
+koninginne maakt, maar een amijs is wie met mij hoofschelijk de
+courtoisië drijft. In deze maniere...
+
+En Ysabele omhelsde Gwinebant en kuste hem, lang.
+
+--O Ysabele! zuchtte dronken Gwinebant, maar kuste haar, lang.
+
+Van uit de burchtzale klonken de vedelen en knapestemmen.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXV
+
+
+Gij en moogt niet ijverzuchtig zijn van Gawein, zeide Ysabele, zeer
+ernstig, met opgeheven vingerkijn. Ik en wil het niet, Gwinebant. Ik heb
+Gawein harde lief en wil hem geen leed doen en hij darf niet denken, dat
+ik u meer lieve dan hem. Hij heeft mij harde lief, Gwinebant en hij mag
+het niet denken...
+
+--Maar wien hebt gij het meeste lief, Ysabele?
+
+Ysabele omhelsde Gwinebant.
+
+--Gwinebant! antwoordde zij en zag hem diep in de oogen.
+
+Gwinebant sloot de zijne.
+
+--Gaan wij, zeide de jonkvrouw. Ik wil u droomen, deez' nacht, mijn
+lief!
+
+--O Ysabele! zuchtte Gwinebant.
+
+--Zult gij mij droomen--deez' nacht, lief?
+
+--Ja, ik! zeide Gwinebant. Ik zal u droomen en al onze kussen!
+
+Zij gingen. Maar door heel eenvoudige tooverië wist Merlijn, die om een
+hoek had geluisterd, Gwinebant in de schaduw Ysabele te doen verliezen
+en haar Gawein te doen tegen komen, die haar zocht. En vond, terwijl
+Gwinebant haar verloor.
+
+--Ysabele! riep blijde uit Gawein. Vind ik u eindelijk!
+
+--Gawein! riep Ysabele. Zocht gij mij? Maar ik zocht u en harde blijde
+ben ik u gevonden te hebben!
+
+--Ik en vond u niet in de burchtzale, zeide Gawein; waar de burchtzaten
+in feestelijk deduut te zamen zijn en aan den male, zag ik u met
+Lancelot zoo zoete spel drijven en samensprake vol courtoisië, dat ik
+niet en wist wat te denken, o Ysabele!
+
+--O Gawein, mijn wellieve Gawein, verweet schalks Ysabele; wat verdacht
+gij mij van courtoisië met Lancelot te drijven! Lancelot, die is de
+amijs van de "fonteyne aller schoonhede", koninginne Guenever, bij wie
+ik alleenlijk maar een onnoozel en schamel maagdelijn ben; Lancelot,
+dien ik bewonder als een wigant van den Rijke van Logres, alleen
+vergelijkbaar met u, Gawein!
+
+--Maar Ysabele, gij bewonderdet mij ook als een wigant van Logres' Rijk
+en Tafel-Ronde en toch zeidet gij mij, dat gij mij wel mindet! O
+Ysabele, zoo gij mij niet en mindet meer, mijn dood zoû het, Ysabele,
+wezen, mijn dood, die niet en was dat bekampen van vierwerf twintig man
+aan twaalver poorten elk van dezen burcht! Mijn dood, o Ysabele, zoude
+mij niet en komen van veldslag of tweestrijd, niet van draken of van
+reuzen, niet van queste of Aventure maar van een onnoozel en schamel
+maagdelijn, die eene princesse is en hoewel zij koninginne van de
+Noordhumbersche landen zal worden, Lancelot beminnen gaat, Guenevers
+amijs!
+
+--O Gawein, hoe zoude ik Lancelot beminnen gaan, Guenevers amijs! Ik
+waag hem nauw in de oogen te blikken al zijn die zachte: hij is zoo
+hoogelijk verheven boven mij en hij is zoo trouw als een ridder niet en
+ooit was: de vinders hebben in zijne jeeste zijn trouwe boven alle lof
+verheven; hoe zoude ik, o Gawein, Lancelot gaan beminnen!
+
+--Of mijn dood, Ysabele, zal komen van dat zelfde maagdelijn, zoo
+onnoozel en schamel, zoo zij Gwinebant beminnen gaat!
+
+--O Gawein, hoe zoude ik Gwinebant gaan beminnen! Zoo zulke min, mijn
+Gawein, ware uw dood! Zoude ik uw dood willen en Gwinebant gaan
+beminnen? Ik en zoude het niet kunnen, Gawein!
+
+--Zoo zeg mij, o Ysabele, zoo zweer mij, o Ysabele, dat gij noch
+Lancelot noch Gwinebant bemint! Want ik twijfelde tusschen die beiden,
+wie gij, o Ysabele, beminnen konst!
+
+--O Gawein, eeden van minne zijn als vogelen met vlogelen, die vliegen
+door de luchten zoodra een ze los uit de handen laat! O Gawein, Ysabele
+neemt geen minne-eeden in den mond maar hoe kan zij Lancelot of
+Gwinebant beminnen gaan als zij u bemint, o Gawein!
+
+--Zoo kus mij, zoete Ysabele......
+
+Toen, in de zwarte schaduw van de burchtmuren, met de blauwe manenacht
+rondom, kuste Ysabele Gawein en Gawein Ysabele, lang. En geloofde hij,
+dat zij hem beminde en niet Lancelot en ook niet Gwinebant en ook niet
+Galehot en ook niet Sagremort en ook niet Lionel, den Noordhumberlander.
+En voelde hij, dat zijn liefde zijn leven was: al was hij ook nooit als
+Lancelot trouw geweest, zijne liefde zoude ditmaal kunnen worden zijn
+dood. En terwijl zij malkanderen kusten, lang, keek Merlijn steeds om
+den hoek en verdween toen en keek om een anderen hoek Amadijs. En de
+schildknaap hoorde juist Ysabele zeggen, schalk, aan het einde van den
+langen kus:
+
+--Maar Gawein, mijne smarte zal mij komen, gepeis ik, van een ridder,
+die is niet Lancelot en niet Gwinebant en dien vergezelt een wel schoone
+schildknape. En die schildknaap is eene jonkver onder zijne maliëncotte
+en surcoet en ik zoude, om mijne ijverzucht te stillen, weten willen,
+Gawein: heeft de ridder zijn schildknape lief?
+
+--O Ysabele! hoorde Amadijs antwoorden zijn heer Gawein. Hoe zoude ik
+Amadijs beminnen, die is Alliene, die ik ridderlijk verloste, ànders
+dan met pietate en met caritate, als een broeder zijn zijne zuster wel
+minnen zal: hoe zoude ik, Ysabele, Alliene beminnen als ik Ysabele
+minne, Ysabele, Ysabele alleen!
+
+Toen kusten malkanderen Gawein en Ysabele lang en Amadijs vluchtte van
+daar......
+
+Maar uit de burchtzale weêrklonken fanfaren......
+
+En Gawein en Ysabele repten zich langs de donkere muren en torens binnen
+en de ridder geleidde de princes naar de voettrede van den troon, waar
+haar vader zat.
+
+Want alle baroenen en edelvrouwen en alle de burchtzaten waren daar
+verzameld en Merlijn stond in het midden der zale.
+
+En zeide:
+
+--Gawein, mijn hooge wigant, wij wachtten u! Want nu gij van de Karre
+tot aller onzer blijdschap zijt verlost, is het mijn plicht u, na
+Galehots boodschap van Koning Artur, dat hij booze zoude zijn omdat gij
+vergeet van het Scaec, zijne eigene koninklijke stemme hooren te doen!
+
+--Hoe dat, Merlijn!? verbaasde Gawein. Van zoo verre als Camelot ligt
+van Endi, zoudt gij kunnen mij Koning Arturs stemme doen hooren?
+
+--Merlijn is der tooverkonst harde abel! zeide de Koning Assentijn
+goedmoedig. Laat hooren, Merlijn, mijn vriend, Koning Arturs koninklijke
+stemme!
+
+Allen drongen nieuwsgierig dichter.
+
+En Merlijn gaf een teeken.
+
+Zes serianten brachten binnen een nooit geziene, groote trompet van
+rooden goud, die opende met een wijden, ronden mond.
+
+En zij zetten de trompet op een tafel van rooden goud en Merlijn, zeer
+eerbiedig, als neeg hij voor vorstelijkheid, boog.
+
+En beschreef toen een statigen boog met staf.
+
+En het was of de trompet even trilde......
+
+En toen sprak, met Koning Arturs stemme:
+
+--"Hoor mij, Gawein, mijn neve! Zoo gij vergeet van dat Zwevende Scaec
+en talmen blijft in de queste, door u op u genomen als ridderplicht, zal
+ik zelve, uw Koning, mijn goede ors bestijgen en ter queste tijgen: dat
+zwere ik bij mijn krone en bij den rijken God van Hemelrijk, Marië's
+Kind, die voor ons geboren werd!"
+
+Er ruischte een verbazing de zale door! Werkelijk, het was Koning Arturs
+stem, betuigden in hoogste verwondering Assentijn en de ridders van
+Tafel-Ronde. Er was geen twijfelen aan! Het Wonder sprak met koninklijke
+stem dringend, bevelend uit de gouden trompet! Gawein bloosde als een
+knaap.
+
+En boog het hoofd.
+
+Toen riep hij luide;
+
+--Morgen, voor dauwe en dage, tijg ik ter queste uit, zoo helpe mij Sint
+Michiel!
+
+Maar voor de groote trompet was een kleinere komen te staan.
+
+Die was zoo sierlijk en met kostbare, ronde steenen omzet: jochanten,
+robijnen, karbonkels.
+
+En Merlijn bewees weêr hoofschen eerbied aan de trompet en zwaaide zijn
+staf.
+
+Toen sprak de kleine trompet:
+
+--"Lancelot, o mijn ridder! Kom terug tot Camelot, want de Koning Artur
+zit den geheelen dag met de twaalf nieuwe Ronde-Tafel-ridderen te
+wachten tot Aventure zich kondt en de uren van maal gaan voorbij en wij
+en eten niet en wij en lieven niet en wij en leven niet en dat leven is
+mij groote vernoye, zonder u, Lancelot, o mijn ridder!"
+
+Aandachtig hoorde allen toe, hand aan het oor. Ysabele was opgestaan,
+trad een pas nader en luisterde in zoete verrukking naar de stemme van
+koninginne Guenever.
+
+Maar Lancelot riep uit, smartelijk en toch bedwongen:
+
+--Lace, mijne zoete vorstinne! Ik en kan nog niet keeren tot Camelot!
+Want als Gawein wederom ter queste tijgt naar dat Scaec, tijgen wij,
+niet waar, mijne gezellen, tijgen Sagremort, Galehot, Gwinebant en tijgt
+Lancelot mede naar den burcht der feloenen en der belaagde dampselen,
+waar die kwade ridders gevangen houden vijf ridderen van Tafel-Ronde:
+Bohort!
+
+--Ywein! riep Gwinebant.
+
+--Acglovael! riep Sagremort.
+
+--Meleagant! riep Galehot.
+
+--En Hestor! riepen alle vier te zamen.
+
+De zaal daverde van sonore, Keltische naam-echo's....
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVI
+
+
+Die nacht viel er het volgende voor in den koninklijken burcht van Endi:
+Droom weefde over en weêr van Ysabele naar Gwinebant en van Gwinebant
+naar Ysabele...
+
+En Amadijs, de schildknaap, die naast Gawein op het zelfde bedde gewoon
+was te slapen, sliep niet die nacht naast Gawein, het geen Gawein niet
+bemerkte, omdat hij, wakende zelfs, droomde van Ysabele...
+
+Den volgenden morgen zaten, na afscheid van den Koning, van Ysabele, van
+allen, die nu op de hoogste transen uitkeken, de vijf ridders van
+Tafel-Ronde op.
+
+Wees des gewes, lezer, dat Lancelot, Gwinebant, Galehot en Sagremort
+Amoreuse-Garde gingen belegeren.
+
+En dat Gawein--maar waar school toch Amadijs? dacht Gawein--op queste
+toog naar het Scaec.
+
+Dat Amadijs hem niet vergezelde, merkte nauwlijks Gawein. Hij was vòl
+geluk, om Ysabele. Er was een stralende zon in zijn ziel of de zon, die
+aan den hemel straalde, zich terug kaatste in zijn ziel, als een groote
+glans in een spiegel. Toen hij omzag voor de laatste maal, zag hij de
+vier speren zijner vier makkers, geheven, glinsteren, met de zon aan de
+punten en wuiven tot lesten groet. En zag hij op den hoogsten trans iets
+wits, dat wuifde: Ysabele, die bewoog haar wijle... Hij wuifde terug,
+met de speer.
+
+De weg, dien hij gekozen had, ging eenzaam het wijde woud in. Dolende
+ridder kiest weg naar bezieling van hoogere macht: bezieling van Sint
+Michiel of van den rijken Gode van Hemelrijk. En als hij den weg gekozen
+heeft, vroom, om het goede te doen naar ridderplicht en de gevaarvolle
+queste te volbrengen, wacht hij het Aventuur, dat hem te moet op den
+wege zal komen. Draken waren dood en spookten alleen met hunne skeletten
+in bergspelonken; reuzen bestonden sinds lang niet meer; ook niet meer
+de vreeslijke reuzinnen, die Pantasilde heetten of hoe ook en die in
+heel hooge torens woonden: die lagen in ruïne nu langs den weg...
+Feloenige ridders, ja, lace, bestonden nog en belaagden damoselen en
+sloten haar op in Amoreuse-Garde maar vier valiante wiganten gingen den
+burcht belegeren. En een betooverd Scaec zweefde wel nog de lucht door,
+maar bleef onvindbaar, ongrijpbaar, die vogel, die vlinder...
+
+Met huiver van eerbied heugde Gawein zich door zijn stil liefdegeluk
+heen de stem van den Koning Artur, zoo als die uit Merlijns rood gouden
+trompet had geklonken, booze en verstoord, omdat Gawein lauw was
+gebleken in de queste naar het Scaec.
+
+Zekerlijk, hij was nu weêr op weg naar het Scaec. Hij had den weg
+gekozen en seinde zich... Hij zoû het zoeken, hij zoû het vinden en
+grijpen! Maar hiervan werd hij zich wel bewust: zoo Koning Artur hem
+booze bleef omdat hij niet het Scaec vond en bracht, zoû hij harde veel
+toren hebben in zijn harte, dat loyaal blijven den Koning zoû, vol
+riddertrouw en liefde van baroen en vazal... Maar zoo Ysabele hem niet
+meer zoû minnen, minnen zoo als Vrouwe Venus hèm minnen had doen
+Ysabele, zoû hij sterven. Hij had velen bemind van de edelvrouwen en van
+de jonkvrouwen in de kasteelen, die de dolende ridders aan het einde van
+den dage tegen komen om gastvrijheid voor de nacht te vragen; hij had
+rondom zijne eerste Ysabele, zijn zoete wijf, velen bemind met de minne,
+die Vrouwe Venus geeft voor een oogenblik--zoo als de roze bloeit, een
+dag of één nacht of enkele uren--en hij had zijne eerste Ysabele zelve
+jaren bemind, maar zijne tweede beminde hij tot den dood... Een
+ridder-van-aventure moge vierwerf twintig man aan twaalver poorten elk
+telken male verslaan, als het Vrouwe Venus' wille is, kan hij beminnen
+tot den dood... Sterven van minne kan alles wat mint: de dag sterft om
+de zon, die van hem scheidt; de roos om den nachtegaal, dien zij meende,
+dat tot haar zong; de maagd om den man en ook de man kan sterven om de
+maagd. Maar hij zal het nooit zeggen, de man, de ridder, de
+ridder-van-aventure, die nooit vreesde van Aventure en van Wonder; hij
+zal het nooit zeggen maar de vinders zeggen het later, de vinders, die
+de jeesten boeken van heldenfeit en van liefde en ze dan voor zingen bij
+het begeleidende spel der veêlers, in de lange avonden, des winters
+vooral, aan de ooren der ontroerde vrouwen... En der ontroerde mannen
+ook, maar die zeggen en toonen hunne ontroering niet... Zeker, de
+ridders sterven van liefde soms... Gawein wist niet dadelijk welke
+ridders reeds van liefde waren gestorven; hij heugde het zich niet uit
+de jeesten, was ze zeker vergeten maar zeker, er waren er, die van
+liefde waren gestorven... Niet op hun bedde, als de bleeke jonkvers,
+maar op het slagveld en in de battalgiën, als de helden, sterk van arm
+nog en onweêrstaanbaar van zwaardzwaai tot het einde toe, maar met de
+barst in het hart, waaruit bloedde het leven, te gelijk, dat het bloed
+uit de wonde bloedde...
+
+Maar Gawein behoefde niet aan dien weemoed zich over te geven, want
+Ysabele beminde Gawein, o zoete joye! en zelfs al huwde zij een ouden
+Koning, zoû zij hem beminnen, de nog zuivere en van onschuld zoete, als
+Guenever Lancelot beminde!
+
+En de zon straalde in Gaweins ziel terug, als een groote glans in een
+spiegel...
+
+Langzaam stapte Gringolet, de jonge hengst, over de krakende takken, die
+lagen verwaaid over den weg. En het was stil in het woud als in de
+tijden, toen de witte priesters, de Druïden en de witte priesteressen
+hier hunne geheimenissen hadden gevierd in de groote bladertempels,
+waarvan de eikenstammen de zuilen waren. Zelfs de vogelen zwegen. Geen
+Aventuur wachtte op aan de wending des wegs en hoe ook spiedde Gawein,
+het Scaec zweefde niet op... Dralende rit te ros door het maar even
+ritselende woud, schijnbaar doellooze doling des ridders door het maar
+even doorruischte, schaduwvolle geheimenis,--meer beloofde deze dag niet
+te brengen. En Gawein, toch tevreden en zoet gelukkig, de gedachte maar
+even doorrild door dien toch niet te verdrijven weemoed, die als een
+schaduw ligt ter zijde van het allergrootste geluk, ademde op, zuchtte
+op, glimlachte op, zocht het Scaec, dacht en droomde Ysabele, Ysabele
+altijd en haar droombeeld blankte daar ginds voor hem uit als een zoet
+vizioen...
+
+De nacht zonk. Zij weefde hare stille blauwte tusschen de ijlere, zwarte
+takken en twijgen; zij stapelde hare stille zwartheid tusschen de
+dichtere en donkere stammen. Zij strekte haar valen schemer uit over den
+vergrauwenden weg, nauw begaanbaar voor het telkens in woekergewas zich
+verwarrende ros. En Gawein zag geen burcht en wist deze wegen ook weinig
+en heugde zich niet kasteel of kapelle of welke woning ook in deze
+contreien... Hij wist alleen de richting: Westwaarts was hij gereden,
+Westwaarts had hij gekozen, volgens ingeving van Sint Michiel, zijn
+weg, en hij wist alleen, dat een breede rivier daar wezen zoû, zoo hij
+zich heugde deze oorden van vroegere dwalingen... En werkelijk, daar
+blauwde in de nacht de vloed en verder op vloeide die, blanker, in de
+late maan, die rees, later, deez' nacht, dan zij gerezen was de nacht
+van gisteren toen Gawein Ysabele onder aan de burchtmuren gevonden
+had... En breed en kalm stroomde, bijkans zonder kabbelingen, de
+maannacht weêrspiegelende stroom en de witte glansen vloeiden van de
+lange rietstengelen af en versmolten dan in het glinstere water...
+Bekoord om zoo stille schoonheid, staarde Gawein, tusschen de telkens
+zijn blik brekende stammen en takken en zwarte sluiers wevende bladeren,
+de rivier toe, tot hij eensklaps verschrikte... Want over het water
+gleed als een witte vrouw weg, meê met den stroom, gleed zij, haar witte
+gewaad plakkende om hare leden, haar gouden haar plakkende om heur witte
+gelaat en schouders, als of de stroom zelve haar liefdevol het hoofd
+hield omvat en zoo mede sleepte in zachte maar sterke vaart... En toen
+Gawein haar zag, seinde hij zich en seinde hij een kruis naar de
+verdronkene toe... En steeg toen af, nam het paard bij den teugel en
+liep dichter toe naar den oever... En van af den oever herkende hij wie
+daar, dood, verdreef op den stadigen stroom... Het was Alliene, het was
+de jonkvrouw; het was Amadijs, het was zijn vergeten schildknaap en
+Gawein begreep alles en zijn geluk, dat zon in zijn hart was geweest
+dien dag, verzwijmde in eenen om de smart en het medelijden, die hij
+gevoelde, om den schrik, dat hij niet eerder begrepen had en zoo weinig
+van hoofschheid gepleegd had tegenover de ongelukkige maagd, die hij
+gered had maar niet bemind, en hij herinnerde zich het zwaard tusschen
+hen beiden in, in de leêge, onverschillige nachten... Maar hij
+herinnerde zich niet, dat die onverschilligheid juist eerbied was...
+Toen welde het in Gawein vol van wroeging en weemoed en van groote smart
+en hij waadde, zijn ros aan den toom, door het riet en trad in het water
+tot aan de borst, verder dan de stroom de drijvende mede voerde... En
+daar wachtte hij haar op. Het paard hinnikte luide de manenacht in, als
+begreep het van geschied onheil, en Gawein sidderde heel koud van groote
+droefheid en van berouw, eindeloos, als schenen om hem heen nacht, woud,
+water weemoed-stilte en verzwegene smarten. En toen, het paard achter
+zich, hinnikend weêr de nacht in en zich angstiglijk dringende tegen hem
+aan, greep Gawein Alliene in zijn armen--het riet brak om hem en
+ritselde--en zag haar, bleek hij, in het bleeke, natte, van gouden haar
+omplakte gelaat, waarin de oogen als door de watergeesten schenen toe
+gestreken. En hief haar gelaat toen hooger en kuste haar met zijn
+eersten kus op haar natten, dooden mond.
+
+Het paard hinnikte heviger... En Gawein liet de doode toen zachtekens
+zijne armen uit glippen, zoo dat zij drijven bleef op den waterstroom en
+hij stuwde haar liefdevol zoo, dat zij, in het midden des strooms,
+verdreef... Daar zag hij haar na; zij dreef verder in den geheel nu
+gloeienden maneschijn en het scheen of er een glimlach was opgebloeid om
+den bleeken mond, die was opener geloken. En Gawein keek haar lange na
+en seinde zich en seinde een kruis toe naar de verder weg drijvende...
+
+Zij dreef naar de wijde zee toe, die is het groote, weldadige, alruime
+graf, zoeter dat zilten graf dan welke aardsche kuil ook zoû wezen... En
+toen hij haar niet meer zag, zij verdrijvende als een zacht zilveren
+kabbeling, witte lijn, wèg met alle kabbelingen en verlijningen van het
+verdere water, steeg hij uit water en riet, druipende de zilveren
+stralen van zijne zilveren rusting. En zuchtte diep maar niet meer van
+geluk.
+
+En hief, zuchtende, den arm en sloeg zich met de gemaliede vuist op het
+voorhoofd onder de opgeslagen ventalië... En knielde neêr en bad zijne
+orisone voor Alliene's ziele, die wellicht dezen oogenblik reeds, éven
+een donkere vogel, dompelde in vagevuursche wateren, om blànk en louter
+weêr op te zweven, terwijl haar lijf nog zelfs ter zeeë niet in was
+gespoeld en dáár nog dreef, dáár, in de verte...
+
+En toen, diep zuchtende weêr, steeg Gawein op en reed door en de donkere
+gevoelens waren niet van hem af, in de schaduwen van de nacht. Toen hij
+moede gleed van zijn moede ros en zij beiden zonken op het mos, onder de
+zwarte bladeren der boomen en sliepen, de ridder het onthelmde hoofd
+tegen de ademende flank van zijn paard, en hij droomde... van Ysabele.
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVII
+
+
+Hoog reeds was gerezen de zon, toen Gawein ontwaakte, verbaasd, dat hij
+daar lag in het woud. Gringolet liep te grazen en rondom Gawein lagen in
+het gras het zadel, zijn helm, zwaard, schild, speer en
+maliehandschoenen. En toen hij zag, dat zijn ros er was en daar rustig
+te grazen liep, was hij blijde, Gawein en vergeleek den jongen hengst
+bij de verscheidene Gringolette, die ook nooit ware weg gedwaald, van
+haar heer, de lieve wrene, die hij, lace, had dood gezwommen...
+
+Nu wilde hij meer ook niet marren en stond op en rukte zijne maliëncotte
+recht om de leden: ridder-van-aventure rust wel eens min te gemake dan
+hij doet in wonde-genezend wonderbed in gastvrijen burcht aan den weg...
+Hij wreef Gringolet de flanken en zaâlde het fluks en helmde zich en
+gereidde zich en zat op en reed verder toen door. Weemoed en geluk
+beiden wemelden door zijn ziel, die de morgeneenzaamheid zoet dronk,
+weemoed om Alliene, geluk om Ysabele, en hij dacht daartusschen door aan
+vele vrouwen en tusschen de vele vrouwen rees dan immer weêr de eene
+jonkvrouw: Ysabele...
+
+En zij bleef alleen...
+
+Wat de keuze van wegen en wendingen des wegs betrof, zoû hij zich vroom
+overgeven aan Sint Michiel, die hem wel leiden zoude als het was
+beschikt, dat hij het Scaec zoû vinden... Vaak was het reeds hem voor
+gezweefd, tot het in den burcht van Endi was omneêr gevallen,
+verdwenen... Wat zoo het in den burcht nog verstoken lag? Maar hij had,
+alleen en met Ysabele samen, gezocht in alle hagedochten en hoeken,
+achter alle deuren, in alle duwieren en hij meende wel: het Scaec was
+weêr weg gezweefd uit het kasteel... En hij zoû het weêr zoeken en hij
+zoû het eenmaal vinden en weêr de gunste winnen zijns Konings, Arture,
+naast de minne van zijne jonkvrouw: Ysabele...
+
+In wisselende gepeizen Gawein, stapte het ros rustig door: de morgenzon
+verried de geheimenissen van het woud; reeds geelden de laagste bladeren
+en verguldden in nazomer-zonneschijn en de lucht verzichtbaarde heel
+blauw door de takken en er zweefden de gestapelde wolkgevaarten. Toen
+tusschen wat vogels, die tjilpten, eerst onhoorbaar bijna, dra
+duidelijker, het zacht gesnor weêrtrillerde en Gawein, als tartte het
+hem, ginds, héél hoog, tegen de blauwe lucht, tegen de blanke wolkbergen
+het Scaec zag zweven, een ruitachtigen vogel gelijk en het schitterde
+even op van de kostelijke stukken, die stonden steeds roereloos
+overeind. Het Scaec; het Scaec, dáar was het. Waar zoû het hem nu
+geleiden? In welken burcht, tot welk Aventuur? Het ging tegen den noen,
+en Gawein, nuchter reeds dag en nacht lang, voelde toch zijne krachten
+wassen als immer in hem zijne kracht wies tegen den noen.
+
+O, tot alles was hij dezen dag voorbereid, trots weemoed en trots geluk;
+tot alles was hij bereid om het tartende Scaec eindelijk meester te
+worden! En voor het eerst sedert de nieuwe queste, sedert gisteren en
+dien dag van heden, spoorde Gawein Gringolet en draafde het den weg
+over, sprong het hoog over de hindernissen van omver gevallen boomen en
+reed het uit het woud op opener vlakte, met wazige heuveling toe
+glooiend den horizon ommerond, terwijl het Scaec, als een trillende
+leeuwerik, hoog, heel hoog, boven Gaweins hoofd bleef hangen... O, zoo
+Gringolet vleugelen hadde aangeschoten, hij zoû door de zomerluchten het
+Scaec na zweven, na zweven, tot hij het hàd in zijn greep! En Gawein,
+bijna onbewust zijn ros steigeren doend of het werkelijk de hooge lucht
+in konde zweven, staarde steeds verlangend naar het Scaec, trillende,
+trillerende, daar boven hem... Hij had een kreet als een knaap, die een
+vlinder wil grijpen; hij richtte, zonder het te weten wellicht, zijne
+opene maliënhand naar het onbereikbare, tartende, hoog daar in de lucht
+hangende glinsterding...
+
+Tot plots het alleronverwachtste gebeurde...
+
+Er knalde iets...
+
+Vreemd geluid, vreemd toovergeluid in de eenzame wereld van heuvelen,
+vlakte, wolken en woud....
+
+Er knalde iets, vermoedelijk aan het Scaec...
+
+En uit het Scaec, ter zijde, ontplofte een blauwe damp, dadelijk
+verijlende in de blauwere lucht...
+
+En toen, o wonder, als ware aan het Scaec iets gebroken, viel het, snel,
+wirrelende sneller en sneller uit de lucht en Gawein, openmonds van
+verbazing, zag het neêr vallen midden in de vlakte, in het ruige gras!
+
+Hij reed er met razende vaart heen, vreezende, dat het hem ontsnappen
+weêr zoû, maar toen hij de plek, waar het viel, had bereikt, vond hij
+het liggen tusschen de halmen.
+
+Hij was zoo verbaasd, dat hij niet aanstonds af steeg en greep.
+
+Maar toen wierp hij zich af uit het zaâl, greep het Scaec...
+
+De stukken rolden door malkanderen heen, hoewel zij toch aan het bord
+bleven hangen.
+
+Het spel was in de war: aan metalen draadjes slingerden de stukken over
+het bord.
+
+Het gouden koninkje zelf--Artur na gebootst, sierlijk gedreven
+beeldje--was los geraakt en Gawein raapte het op uit het gras en bezag
+het...
+
+Hij had het Scaec!
+
+Maar de partij was niet meer uit te spelen...
+
+Hij had het Scaec... maar het bord met de juweelen velden was gebroken.
+Gawein bekeek het nieuwsgierig.
+
+Het had, naar het scheen, een dubbelen bodem... Die was gebarsten... En
+in de holte van dien dubbelen bodem ontdekte Gawein een vreemd, klein,
+sierlijk enghien, zoo ingewikkeld, dat het hem wel een raadsel scheen:
+het waren heel kleine radertjes, met tal van ijzeren draadjes over en
+weêr verbonden en alle die fijne draadjes lagen door elkaâr gesprongen,
+verwrongen, verkronkeld tot een hopeloos verward klein kluwentje en
+Gawein schudde zijn hoofd en haalde onwetend, hij zelve verward in alle
+zijn denken van Wonder en Aventuur, de schouders op. Hij keek er maar in
+en tastte met blooten vinger voorzichtig aan de metalen draadjes en aan
+de radertjes maar begreep er niets van: alleen begreep hij, dat tooverië
+en wonderlijke enghiene, groot of klein, wel heel veel met malkanderen,
+zoo niet alles, te maken hadden. Maar één ding wist hij zeker, hij hàd
+het Scaec, ook al was het gebroken. Het zag er zelfs zoo uit, als of het
+nimmer meer weg kon zweven, als of het niet zweven meer kon. En
+zorgvuldig voegde hij de, aan de metalen draadjes hangende, stukken bij
+elkaâr en borg schaakbord en stukken in de tasch, die in zijn voorsten
+zadelboog was. Het schaakbord kon er niet heelemaal in: het stak er met
+den bovenkant uit. Wat leek het een mizerabel Tooverschaakbord, zoo als
+het daar, op geborgen, uit de zadelboogtasch stak! En Gawein, terwijl
+hij op steeg en langzaam stappende weg reed van daar, was vol
+gedachten... Wat zoû zijn Koning hem zeggen, zoo hij te Camelot terug
+kwam, met het stukkende Schaakbord, dat niet zweefde meer en waarop geen
+partij meer was uit te spelen! Zoo dat de Koning, zoo hij wederom had
+gedroomd, vreeze kon voor het verlies zijner krone koesteren! Het deed
+Gawein heel veel leed, dat hij dit Scaec niet als het eerste terug
+bracht, ongerept en nog tooverkrachtig... Ja, er waren tusschen hemel en
+aarde meer vreemde dingen dan een dolende ridder vermoeden kon! En
+Gawein, moede des denkens, schudde zijn hoofd en haalde zijn schouders
+op... En dwaalde als de hengst wilde, het woud weder in...
+
+Plotseling zag hij op. Was hij op weg naar Camelot? Om Koning Artur het
+Scaec te brengen...? Hij dacht niet, dat deze weg naar Camelot voer...
+En, waarom wist hij niet goed, maar vermoedelijk, omdat de voltooiïng
+van deze queste hem zich onbehagelijk deed gevoelen in zijn riddergemoed
+en hem afleidde van zijn geluk om Ysabele, vond hij in eens alle deze
+dingen van groote vernooye: deze foreesten, die zoo op elkander geleken,
+dat een dolende ridder er immer verdwaalde; deze wegen, die alleen
+gemaakt schenen om dolende ridders, nog meer dan hun roeping reeds was,
+te doen verdwalen; dat Aventuur, dat wel bekroond scheen met uitslag
+maar zoo twijfelachtig, omdat het Scaec waarlijk voor niets meer
+deugde... En booze op zichzelf en op alles en niet heel vroom aan Sint
+Michiel, met iets als een vloek binnensmonds, keek Gawein alle
+richtingen uit, meende, hij moest nu Zuidwaarts rijden, was werkelijk
+van niets meer zeker... Tot hij--blijde was hij in zijne vereenzaming
+het te hooren!--hoefgetrappel aan hoorde naderen over de krakende
+takken, die lagen verward over den weg, en meende welbekende stemmen te
+vernemen... Een dier stemmen riep:
+
+--Ja, waarlijk, bij den rijken God van Hemelrijk! De Aventuren en zijn
+niet meer van het geluchte, zoo menigerwerve meldden zij zich aan:
+Gawein is gegaan om een Scaec...
+
+--En heeft twee onzer eigene gezellen, die feloenen waren, gestraft!
+
+--Eéne belaagde damosele gewroken en bevrijd!
+
+--En wij...
+
+Maar de aannaderende ruiters waren de wending van den weg omgeslagen en,
+in zicht van Gawein, herkende deze, twee aan twee naast malkanderen
+rijdende, de negen ridderen van Tafel-Ronde:
+
+Lancelot, Gwinebant, Galehot, en Sagremort en tevens Hestor en
+Meleagant, Acglovael, Ywein en Bohort!
+
+En de negen--van hunnen kant--herkenden Gawein en zij juichten hem
+blijde tegen en Gawein, zeer hoofsch, juichte tot zijne makkers terug.
+
+En hij vroeg:
+
+--Ik zie, mijn lieve gezellen vier, Lancelot, Gwinebant, Galehot en
+Sagremort, gij hebt wel spoedig onze vijf andere makkers bevrijd uit
+Amoreuse-Garde!
+
+Gelukkig, dat Acglovael hierop in een juichenden schaterlach uit
+barstte, want de andere uit Amoreuse-Garde verloste ridders keken heel
+erg strak en verlegen.
+
+--Acglovael schaterlachte, zei Galehot en glimlachte; dat is het beste,
+dat Acglovael kan doen om zich te verontschuldigen.
+
+--Waren zij gevangen of niet gevangen, twijfelde Sagremort; dàt is de
+vrage...
+
+--Dddd...aar en was niemand gevangen, in Amoreuse-Garde, stotterde Ywein
+maar even; en die ddd...amoselen wilden niet en bbb...evrijd worden...
+
+--Zoo dat wij werkelijk, Gawein, verklaarde, klein maar dapper,
+Meleagant; geen feloenige ridderen te bekampen meer hadden, wees des
+gewes, wellieve gezel!
+
+--Zij kwamen en gingen, de ridderen, legde Hestor het heel eenvoudig uit
+aan Gawein. En er waren er bij van Koning Mirakel...
+
+--Van Koning Ban...
+
+--Van Koning Assentijn ook!
+
+--En van alle andere oude Koningen van Kerstenhede rondomme! riepen door
+elkaar Acglovael, Ywein, Meleagant en Hestor.
+
+--Het is alles de fout van Bohort! beschuldigde met vingerwijzing Ywein.
+
+En de drie anderen, wijzende met vingers ook, beschuldigden:
+
+--Het is alles de fout van Bohort!
+
+--Wat wilt gij! zeide Bohort en sloeg vuurrood de oogen neêr, hoe reuzig
+hij zat op zijn ros. Die damoselen hingen zoo verleidelijk uit de
+vensteren toen wij aan kwamen om haar te verlossen...!
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXVIII
+
+
+Lancelot had medelijden met zijn vriend.
+
+--De poort van Amoreuse-Garde staat immer open tot gastvrijheid, sprak
+Lancelot met zeer milde stem.
+
+En Gwinebant, in zich wèl ijzerzuchtig op Gawein om Ysabele, die
+schoone, deed zich geweld aan en voegde er hoofsch aan toe:
+
+--En de ophaalbruggen lagen immer neêr gelaten.
+
+Gawein glimlachte hoofsch terug.
+
+--Ik begrijp, zeide hij, zeer welwillend.
+
+--Zoo groote feloenen waren de ridderen niet, die wij daar mochten
+ontmoeten, verontschuldigde Bohort met diepe bas en schudde energisch
+ontkennend zijn kolossigen helmkop.
+
+--Wij speelden met hen werptafelspel, zeide Hestor, zoo modest hij het
+zeggen kon.
+
+--Wij ddd...ronken met hen c...c...c...clareyt en zoete
+p...p...pigmentwijn, stotterde Ywein wat meer, nu hij zekerder werd van
+zijn zaak, tegenover Gawein.
+
+Maar Acglovael schaterlachte:
+
+--Wij aten met hen tam en venizoen!
+
+--En wij josteerden harde hoofschelijk met hen! glorifieerde, kraaiende
+als een haantje, Meleagant.
+
+--Uw Aventure, lieve gezellen, glimlachte steeds Gawein zoo hoofsch, dat
+zij alle vijf begrepen, dat Gawein hen begreep; verliep dus zoo wel als
+het maar verloopen konde en ik ben harde blijde u allen in welstand te
+ontmoeten. En zoo gij keert tot Camelot en tot onzen genadigen heere,
+Koning Artur, keer ik met u, want ik heb mij meester gemaakt van het
+Zwevende Scaec: ziet, hier steekt het uit de tassche van mijn arsoen!
+
+En Gawein wees op de punt van het schaakbord, dat uit zijn
+zadelboogtasch omhoog stak.
+
+Alle de ridders verwonderden zich.
+
+Het Scaec! Het Zwevende Scaec! Het Scaec--dat Merlijn uit had doen
+zweven om Aventure te brengen--het Scaec had Gawein gevonden, gegrepen:
+hij ging het den Koning brengen!
+
+--Maar het is harde te-broken! zeide Gawein.
+
+En zij zagen rondom Gawein malkanderen allen aan met een onderling
+kruisvuur van vragende blikken. Aventuur? Had het Scaec Aventure
+gebracht in de groote vernooye van hun leven...?
+
+--Keeren wij tot Camelot, mijne lieve gezellen, noodde mild Lancelot:
+hij voelde zich wel beschaamd te weten van het Scaec, dat Merlijn had
+gezonden...
+
+En hij reed links van Gawein, terwijl Gwinebant zich rechts van hem
+rijde en toch blijde was, trots zijn ijverzucht om Ysabele, die schoone,
+dat Gawein zonder meswende de queste, die geene echte queste geweest
+was, volbracht had.
+
+Maar achter hem fluisterden de andere ridders; Sagremort:
+
+--Het Zwevende Scaec... was het nu tooverië of was het niet tooverië?
+
+Galehot:
+
+--Het is zoo tooverië, dat het te-broken is, harde....
+
+Ywein:
+
+--Het is ttt...ooverië, want Merlijn blijft een ttt...oovenaar.
+
+Bohort zeide niets; omdat hij zoo reuzig groot was en toch de leider
+geweest der ridders, die gingen zoeken naar Gawein, Mordret, Didoneel,
+was hij nog steeds beschaamd de fout van alles geweest te zijn in de
+zake van Amoreuse-Garde....
+
+Meleagant zeide ook niets, omdat hij op eens niet meer zeker
+was--twijfel zat hun wel min of meer in het bloed--of de ridders met wie
+hij in Amoreuse-Garde had gejosteerd wel allen eerlijke ridderen waren
+geweest...
+
+Maar Acglovael schaterde op eens, wijzende naar een wijde vlakte, die
+zij langs reden en waarover vele kudden schapen als eene zee heen
+golfden, gedreven door tal van hard aanloopende herders:
+
+--Ziet, gezellen, gonder, die dulle schapen vlieden en die dullere
+herderen bachten!
+
+De ridders hielden stand in de schaduw der beuketakken, die bogen over
+den weg, en over de in zonneschijn wazende vlakte naderden de vluchtende
+schapen met de, achter hen rennende, herders. En hoorden de ridders
+roepen de herders:
+
+--Groote baroenen en valiante wiganten! Helpt ons! Helpt ons allen van
+den lande Endi! Helpt ons allen van de maisniede van den Koning
+Assentijn!
+
+--Wat geschiedt?? riepen Gawein, Lancelot, Gwinebant.
+
+De herders hieven wanhopig de staven op.
+
+--De Koning van Noordhumberland, Clarioen, hij komt met een heir Endi
+belegeren! Hij is onzen Koning booze, Assentijn, den goede! Hij is booze
+om den Karre-ridder, dien onze Koning te zijnen hove houdt... Hij is
+booze, dat onze Koning zijne princesse en kleindochterlijn weigert te
+geven aan zoo kwaden prins!
+
+--Ysabele!! riepen Gawein en Gwinebant uit.
+
+--Helpt ons, valiante wiganten en groote baroenen! riepen de herders.
+
+Grijswit wollige zee, golfden de schapen aan langs den weg.
+
+--Waar is de weg, die ten snelste voert naar Endi? riep Gawein.
+
+Want dolende ridders wisten zelden de kortste wegen.
+
+--Hierheen! Gonder! schreeuwden en wezen de herders. Over de vlakte
+terug! En dan...
+
+De tien ridders, op hunne steigerende rossen, wierpen zich over de
+vlakte, ongeduldig; zij hoorden niet meer. Hun metalen gerammel van
+rusting en wapenen klaterde en ratelde op in den overdadigen
+zonneschijn. Zij waren prachtig, alle tien dravende, hunne zilververguld
+glinsterende, metalen silhouetten op de forsche, zware, omhoesde rossen
+krachtig duidelijk in het trillende, neêr vloeiende licht van den noen.
+Rondom hun weg stormende vaart golfden de schapen, schreeuwden de
+herders en scheerden de verschrikte zwaluwen....
+
+ * * * * *
+
+Toen onstuimig de tien ridders van Tafel-Ronde, na een hevigen rit over
+vlakten, door bosschen, tusschen moerassen, langs wegen en langs
+omwegen, aanstormden over heide en weide en den koningsburcht van Endi
+kregen in het gezicht, zagen zij, werkelijk, als de herders hen hadden
+doen denken, een schouwspel, dat hen verbaasde. Want een ontzaglijk heir
+lag gelegerd wijd rondom den burcht heen; de groote tenten en
+pauwillioenen waren in dichte massa op geslagen; er waren groene,
+blauwe, en roode, en de gouden arenden van Noordhumberland blikkerden op
+alle de tentepunten tegen het groen van de bosschen of tegen het blauw
+van de lucht. En toen de ridders zagen het heir, zoo groot, zoo breed,
+zoo lang rondom den burcht van Koning Assentijn gelegerd, begrepen zij,
+dat zij, tièn ende niet meer ende niet minder, het Groote Aventuur
+moesten bestaan: het Groote Aventuur den burcht te ontzetten, omdat
+Koning Assentijn toch bevriend was met Koning Artur van Logres, omdat
+'s Konings Assentijns kleindochter, de princesse Ysabele--al wisten zij
+haar ook verloofd aan dien zelfden Clarioen, die het Rijk van Endi was
+binnen gevallen--de geliefde was van Gawein of van Gwinebant: daar waren
+zij onder malkanderen niet zeker van maar zij wilden het uit hoofschheid
+niet vragen, noch aan Gwinebant, noch aan Gawein. Zij wisten alleen, dat
+zij tegen een geheel leger strijden zouden, zij met hun tienen slechts,
+als echte wiganten, die zij waren. Nu ja, nu zij beter schouwden omrond,
+handen voor oogen, want de ventaliën nog opgeslagen, zagen zij wel over
+weide en heide, langs omwegen en wegen, tusschen moerassen, door
+bosschen en over vlakten, aanstormen alle de onderhoorigen van Endi,
+kleinere vazallen en serven: zij kwamen hun heer ontzetten maar de tien
+wiganten lachten er om tegen elkaâr, want ter nauwer nood zouden die
+dorpers en kaerelen, velen slechts gewapend met houweelen, spaden,
+schoppen en stokken, de krijgsknechten bezig kunnen houden van Clarioen!
+Zij beloofden malkanderen dus, onze ridders, met manwaarhede ende op
+handslag, te strijden voor Koning Assentijn en voor de princesse
+Ysabele, hoewel Sagremort even nog riep:
+
+--Maar wil zij nog koninginne van Noordhumberland worden of wil zij het
+niet meer: dat is de vrage......
+
+Waarop Acglovael schaterde, Ywein iets stotterde, terwijl Gawein zeide:
+
+--Mijne lieve gezellen, mart nog een wijle... Ziet, ik heb het Zwevende
+Scaec gegrepen, ik heb de queste voltooid! Ik en durf niet met dit
+kostbare pand in mijn artsoentassche ten strijde tijgen. Laat mij het
+hier, bij dezen eik, begraven en sneef ik in de battalgië, zoo zal wie
+van u negenen gespaard blijft, bij den rijken God van Hemelrijk het
+Scaec uit delven en het met mijne trouwe en minne brengen den Koning
+Artur...
+
+Zij stegen allen af; zij hielpen allen met de zwaarden een kuil te
+graven; Gawein legde er het Scaec met de stukken in, breidde er
+varenbladeren over; zij wierpen de kuil weêr vol zand; zij zwoeren er
+boven hun riddereed bij de kruizen hunner zwaardgevesten; zij zaten op
+en sloegen de ventaliën omneêr. En toen, met éen kreet, stormden zij los
+in de richting, waar het vijandelijke leger lag voor de hoofdpoort van
+den burcht, in het gezicht van den burchthof met de koningslinde,
+waaronder Koning Assentijn gewoon was te zitten. Op alle de wallen van
+den burcht, bij de poorten en de opgetrokkene ophaalbruggen wemelden de
+ijzeren krijgsknechten, afwachtende den aanval en de baroenen van Endi
+herkenden van af de barbekanen de tien Tafel-Ronde-ridders, die aan
+kwamen stormen, zoo als zijzelven de baroenen herkenden en hen toe
+wuifden en schreeuwden moed te houden; uit het grootste boograam zagen
+de tien gezellen den Koning Assentijn spieden, terwijl zijne edelheeren
+hem weêrhielden zich verder in het gezicht te wagen, in het bereik van
+vijandelijke werpspies of pijl. Maar boven op de hoogste tinnen zagen de
+tien, en Gwinebant en Gawein het eerst, wuiven iets wits: het was de
+wijle van Ysabele; het was Ysabele tusschen den drom der edelvrouwen en
+dienaressen; het waren alle de vrouwen van Endi, die daar boven de
+belegering aan zagen, den strijd zouden durven aanzien en terwijl hare
+eigene kreten slechts zwak den tien ridders toe klonken, nu die bewogen
+de speren tot groet en tot bemoediging, weêrschetterde fel het gekef der
+tallooze schoothondjes, die de edelvrouwen mede op dien hoogsten toren
+hadden genomen, in hare armen, aan hare boezems, in hare schootplooien
+van klêederen van sindaal en siglatoene, de blaffende hondekopjes
+duidelijk te onderscheiden met felle oogjes en tallooze, zich heesch
+blaffende zwart open keeltjes en over alle die vrouwen en hondjes
+wapperde wijd-uit de groen-geluw-roode vaan van Endi......
+
+Maar in het kamp van Clarioen, Koning van Noordhumberland, die booze
+was, dat zijn ridder Lionel van de Schandekar bevrijd, de Kar zelve
+onttooverd was, en die booze was, dat de Koning Assentijn hem door
+boodschappers plotseling geweigerd had zijne kleindochter, de schoone
+Ysabele, tot vrouw en tot koninginne--waren de tien Ronde-Tafel-ridderen
+gezien!
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIX
+
+
+Toen ging het er op los. De baroenen van Noordhumberland, die in hunne
+tenten nog rustiglijk zaten te schaakspelen, maar gewapend, wierpen zich
+op de rossen en reden de tien ridders te moet, terwijl reeds ontbrand
+was strijd tusschen dorpers en serven, wijd rondom den belegerden
+burcht. Maar Gawein ordineerde Bohort, Hestor, Meleagant en Galehot en
+Lancelot ordineerde Sagremort, Ywein, Acglovael en Gwinebant en zij
+weêrstonden den plotsen drang van zoo vele Noordhumberlandsche baroenen.
+Bij Sint Michiel, wat waren daar goede zwaarden! En wat waren daar
+blikkerende helmen ende bliksemende glaviën ende wimpelende ponioenen
+geluw, keel, sinopel ende zilver, schitterend fel op elkaâr en tegen
+elkaâr! En wat waren daar groote en sterke rossen: wel vijfduizend en
+meer waren er om de bedrongene wiganten heen! Maar eer deze tien zich
+zullen laten onterven des blijden levens, zullen zij menigen man doen
+sneven, wees des gewes, gij allen, die dit lezen gaat! Hoe begeerig zijn
+zij van elke zijde malkanderen op den velde te ontlijven! Halsbergen
+ziet men ontmaliën en de schilden kwartieren! Bij Sint Jan, daar gaat
+men houwen ende kerven; menig stout man moet er sterven, die dorst
+genaken speerpunt of zwaardslag van een onzer tien! Ridderlijke
+prouaetse doen zij er met hunne klaar gebruneerde zwaarden, die zwaaien
+maar en die houwen maar en wie of het is--Gwinebant zoo jong en zoo
+minziek; Acglovael, die altijd maar schatert; Ywein, die al houwende
+niet stottert meer; Sagremort, die niet meer weifelt of twijfelt,
+terwijl Lancelot hen aanvuurt ende ordineert--zij houwen de koppen en
+armen af en die vallen er links en rechts, hier een kop, daar een arm,
+bij Sint Michiel, wat armen en koppen! En ook de reus Bohort, die niet
+meer dènkt aan Amoreuse-Garde, en Hestor, die heelemaal niet modest meer
+is, en Meleagant, die nog dapperder wordt naarmate hij kleiner is dan
+zijn tegenstander, en Galehot, die steeds gracieuselijk glimlachen
+blijft, onzichtbaar die glimlach achter zijne ventalië, zwaaien de
+zwaarden, klaar gebruneerd ende frotsieren ze met der vijanden schilden
+en de Noordhumberlandsche koppen vliegen links en rechts en de
+Noordhumberlandsche armen vallen, her en der! Maar Gawein, die is als
+een lioen! Gawein, die doet als de liebaert! Gawein, die slaat de
+Noordhumberlanders ter middele in twee; mannen en paarden verslaat hij
+en velt ze over hoop! Nooit zag wie ook zulk een geloop en hoorde wie
+ook zulk geschal en zulk geschetter en zulk gekletter en zulk geklank!
+Als de zeis maait de halmen, zoo maait Gaweins zwaard de gehelmde
+hoofden en ontzet is wie het ook ziet! Met vingeren wijzen allen naar
+hem, naar Gawein, den koene, die, zwaard vlug in scheede, de
+Noordhumberlanders met de speren dwars door de lijven steekt en ze dan
+hoog uit den zadele licht en uit werpt, links, rechts, over den grond!
+
+Daar is niet tegen te strijden, tegen tien ridderen van Tafel-Ronde!
+Daar is niet tegen te asselgieren, dat ziet zelve de oude Koning, de
+kwade Koning, de slechte Koning, de Koning Clarioen van Noordhumberland,
+die er nog een schandekar voor zijn ridders op na hield; de Koning
+Clarioen van Noordhumberland, die meende, dat iedere ridder stond hem
+naar zijn leven en kroon; de Koning Clarioen van Noordhumberland, die
+wenschte een oir te verwekken bij de zoete princesse Endi's, Ysabele,
+die schoone! Neen, daar is niet tegen te strijden, zelfs niet met
+duizenden, want de tien Ronde-Tafel-ridderkoppen schitteren steeds
+goud-en-zilver gehelmd boven uit die allergruwbaarste mortorië en rondom
+hen zwieren de koppen de halzen af en vliegen de af gebouwene armen
+rondom! En het groene gras ligt bedauwd met het roode bloed en overal
+waar de tien komen te hoope, doen hunne tegenstanders een bittere
+joeste! Tot te wijken beginnen de duizenden, terug naar de pauwillioenen
+en tenten toe, tot de tenten bezwijken en neêr slaan als schepezeilen op
+woeste zee in stormgeweld, tot de booze Koning, Clarioen van
+Noordhumberland, vloekende Sint Jan en Maria's Kind, God van Hemelrijk,
+vloekende zoo, dat duivelen en demonen hem al in de gaten krijgen--zich
+hijscht op zijn zwaar gepantserde ros en, te midden zijner laatste
+baroenen en ridders en na gedrongen door geheel zijn verslagen
+legertros, het op een radeloos draven zet, het foreest door, het moeras
+door, de vlakte over, dravende, dravende, dravende voor zijn onzalig
+leven...
+
+Dapperlijk hadden ook de baroenen van Endi en hebben de dorpers met
+hunne spaden en houweelen mede gevochten en de overwinning
+was--Sagremort twijfelde er niet aan!--ten jonste van die van Endi. Het
+was tegen het einde des dags; koperkleurig en rood zonk de zon, hare
+laatste schijnen geverfd als met bloed, als na stralende met de laatste
+schichtingen van het geweld der wapenen. Het veld lag bijna al te male
+bedekt met dooden en met paarden en de baroenen bevolen den dorpers die
+te ruimen: dat zoude wel dagen duren en nachten eer zoo vele
+verslagenen, ruiters en rossen, zouden zijn ter aarde besteld in het
+rond. De tien Ronde-Tafel-ridders verzamelden zich met de baroenen en
+reden den burcht te gemoet, van waar op de tinnen wuifden de edelvrouwen
+hare wijlen en keften de schoothondjes en justement toen de baroenen en
+ridders de eerste neer gelatenen ophaalbrug wilden over rijden, trad de
+huispaap uit met zes koorknaapskens; hij bracht op des Konings
+Assentijns bevel het Heilige Sacrament der Stervenden op het slagveld en
+bidden zoude hij voor alle zondige zielen, die daar in den schemeravond
+aarzelden de veege monden uit te gaan, omdat de felle duivelen met
+gloeiende oogen zekerlijk uit loerden in de vallende schaduwen, om hun
+spel met de arme zielen te drijven en met ze te sollen als met ballen.
+
+En toen de baroenen en ridders den paap eerbiedig lieten uit gaan met de
+zes knaapskens, die al van vigeliën zongen, bekruisten zich de dappere
+wiganten en reden toen binnen, alle de bruggen over, alle de poorten
+binnen en zij werden met groot gejuich ontvangen op het burchtplein;
+daar viel al de nacht maar het was er licht van de vele toortijtsen en
+de koning Assentijn stond er onder de linde op zijn troon en ontving met
+open armen Gawein; dien drukte hij aan zijn hart en hij zeide, dat alles
+vergeten was van vroeger, alle wrok en nagepeize, over de eerste
+Ysabele, die Gawein had ontvoerd en over de vierwerf twintig man, die
+hij Destijds aan elk der twaalf poorten verslagen had. En ook Lancelot
+omarmde de Koning en ook Gwinebant en ook Sagremort en ook Acglovael...
+wat zal ik het maken zoo lange? Hij omhelsde alle de tien ridders, de
+valiante Tafelgezellen van Koning Arture, die hem tot soccoers waren
+gekomen en hij was blijde zijne goede baroenen terug te zien, die
+knielden voor hem neêr op een knie en hij prees ze om hunne vele koene
+fayten van heldewapenen. En toen trad tusschen de edelvrouwen--maar de
+Koning had streng bevolen alle de schoothondjes op te sluiten, om het
+plechtige instant niet te storen--Ysabele naar buiten: zij was--meende
+Gawein en Gwinebant meende het ook--in haar witte kleed van sindaal met
+hare gouddraad-gelijke vlechten, een engel gelijk, zoo blank en zoo
+glanzend in dien den walm uitstralenden gelen gloed der toortijtsen en
+zij bedankte de ridders ook met hare eigene zoete sprake en toen zij
+bogen voor haar, ontroerde het in ieders binnenborst, omdat zij
+gevoelden gezworenen ridderplicht wel te zijn na gekomen en, met Sinte
+Marië's hulpe, zoo zoete princesse te hebben verlost met, te gelijker
+tijd, zoo vele bekoorlijke edelvrouwen...
+
+De ridders en baroenen, die gewond waren--want zekerlijk, er waren er
+wel, die een schram of een buil hadden opgeloopen--er werden er zelfs
+van het slagveld binnen gedragen--gingen bij drieën en vieren in het
+wonderbed liggen: dat was, al was het door Merlijn niet gewrocht, een
+werkelijk harde goed wonderbed--in iederen burcht stond immers dezer
+dagen zoo een wonderbed als Destijds alleen bij Koning Mirakel stond. En
+na één of twee of drie uren--dat hing van de wonden af--zouden zij zijn
+genezen... Maar intusschen hadden om den Koning en de schoone Ysabele de
+tien Ronde-Tafel-ridderen en de baroenen en de edelvrouwen gegeten en
+gedronken, tam ende venizoen, clareyt ende pigment-wijn en de vinder,
+met zijn veêler, had dadelijk den veldslag bezongen. Niemand hoorde er
+echter veel naar; het was laat in de nacht en de ridders waren wel moê
+van den strijd en de Koning ook, maar de princes Ysabele niet, want toen
+de baroenen en edelvrouwen, na groet voor den Koning, de zale waren uit
+getogen om ter ruste te gaan, nam Ysabele haar grootvader bij een punt
+van zijn hermelijnen kraag en zeide, haar hoofdje oprichtende, en de
+tien wiganten hoorden het wel:
+
+--Mijn wellieve Grootvader en machtige Prins! Dat is nu alles harde wel;
+wij van Endi hebben gezegevierd en die van Noordhumberland zijn zonder
+twijfel verslagen. Maar nu wij booze zijn met dien schalk van een
+Clarioen en die schalk van een Clarioen booze is met ons van Endi...
+welken Koning, bij hare trouwe, zal Ysabele huwen, mijn wellieve
+Grootvader en machtige Prins??
+
+--Zoet kleindochterlijn, zeide Assentijn een weinig verstoord, terwijl
+Ysabele's hoofdje zich streelde tegen den watten, witten baard van den
+Koning; wees des gewes: uw huwelijk zal eene zake zijn van groote
+internatie-lijke politiek en ik en waag dat zoo niet voetstoots
+beslissen maar... zelfs zoo gij geen Koning en huwt, mijne roze, zult
+gij wel eenmaal koninginne wezen over Endi als ik ter eeuwige ruste ben:
+zoo wees zonder zorg en gaan wij ter ruste... En praten wij morgen daar
+nog wel van...
+
+Toen, omdat de Koning Assentijn lang en harde wijd gaapte na zoo
+vermoeienden dag van vele beroeringen om beleg en krijgskans en
+ongedacht snelle ontzetting zijns burchts tegen zonsondergang, neeg
+Ysabele voor haar grootvader, die haar kustte op het voorhoofd, neeg
+zij, als een lelie, voor de tien wiganten, die hoofsch haar groeteden en
+zij fluisterde tot Gawein en tot Gwinebant, met een zoeten blik tot elk:
+
+--Hoe het ook loope, mijne lieve wiganten, welken Koning Ysabele ook
+huwe en waar zij ook koninginne worde, twee ridderen als gij zullen haar
+immer welkom wezen, zoo gij haar hoofschelijk trouw blijft...
+
+Na een uur sliepen allen in den kasteele.
+
+En droomde Ysabele van Gwinebant.
+
+En droomde Gwinebant van Ysabele.
+
+Maar Gawein, plotseling, werd wakker...
+
+En hij zag uit het raam...
+
+Hij zag over het nog lijk-bezaaide slagveld... Wijd lag het daar
+tusschen burcht en foreest... En het was of hij witte nevelen zag
+dalen... En wemelend weêr stijgen...
+
+Of hij gloeiende oogen uit schaduwen zag loeren. En weder dooven...
+
+Als van sluipende demonen......
+
+Het was of hij engelen, heel zacht, vigeliën hoorde zingen voor de vele
+dooden...
+
+En hij wist niet meer of hij gelukkig was of ongelukkig, omdat hij
+Ysabele's blik benijdde naar Gwinebant, den welschoonen knape, van wien
+hij ijverzuchtig werd...
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXX
+
+
+Dien volgenden dag, voor dage ende dauwe, stond Gawein op, aan het
+begravene Scaec gedachtig, verliet den burcht, terwijl de schildwachten
+met eere hem de poorten door lieten, en kwam buiten, op den weg en op de
+vlakte, waar de slag was geleverd. En hij zag reeds de dorpers bezig met
+de verslagenen te begraven; voor velen hadden zij reeds een kerkhof
+gemaakt, op de heide en tusschen de plassen, die moerassig daar lagen
+aan den rand van het foreest. En toen hij de gravers zoo bezig zag,
+vreesde hij voor het Scaec, dat zij misschien op zouden graven en denken
+een schat, en betreurde hij het niet gisteren reeds, trots het late uur,
+te hebben gehaald. Maar de gedachte troostte hem, dat het toch niet weg
+zweven konde, omdat het toch harde te-broken was. Hij liep langs het
+veld, tusschen vlakte en woud en stelde zich dra gerust: waar hij met de
+gezellen was afgestapt en het Scaec had begraven, was niet gestreden
+geworden en hij vond den eikenboom aan welks voet hij het Scaec bedolven
+had onder de aarde. Hij dolf met den dolk den grond weêr op en
+werkelijk, daar lag het Scaec, maar, o wonder, zoodra Gawein het
+ontdekte van de aarde, die het bedekte, verhief het zich... de stukken
+voegden zich met tooverië ter plaatse, waar zij hadden gestaan sedert
+Koning Artur er de onvoleindigde partij had gespeeld en het Scaec, dat
+scheen door de gnomen met wel goede reparatie te zijn hersteld, verhief
+zich, een vogel, zoo luchtig, gelijk. En Gawein schrikte hevig,
+bevreesd, dat het hem ontsnappen zoû en in zijn schrik sloeg hij beide
+handen uit en greep er naar... vlak voor zijn oogen... greep er naar als
+hij naar een vlinder gegrepen zoû hebben. Maar het Scaec zweefde luchtig
+weg, om Gaweins hoofd, als plaagde het behaagziekjes hem en bleef toen
+boven hem brommen met zijn stadig gesnor als van een grooten hommel.
+Toen sloeg Gawein wederom de twee handen omhoog en hij greep nu het
+Scaec... En de gedachte schoot door hem, dat het zich wel lièt vangen,
+want dat het best tijd hadde gehad hoog weg te zweven, zoo het gewild
+had. Hoe dan ook, Gawein had weêr het Scaec; het brommelde en trilde in
+zijne handen, terwijl hij er henen keek en zich verwonderde hoe het weêr
+heel scheen: een harde schoone Scaec was het toch met de juweelen velden
+van agaath en chalcedoon en met de gouden en zilveren, zoo cierlijk
+gedrevene stukken! Hoe blijde was Gawein het eindelijk te hebben, het
+eindelijk naar Koning Artur te kunnen brengen! Niet lange zoû hij marren
+te Endi, bedacht Gawein, terwijl hij met groote schreden burchtwaarts
+keerde: zoo spoedig mogelijk zoû hij keeren tot Camelot maar het liefst
+zoû hij keeren met het Scaec èn met Ysabele, als zijne zoete bruid! Zoo
+als hij tien jaren geleden ook tot Camelot gekeerd was, met Scaec en
+Jonkvrouwe beiden, lace, zijne eerste Ysabele, die verscheiden was met
+Sinte Marië's gratië...
+
+En binnen komende, tusschen de wachten, poorten door, bruggen over en
+eindelijk weêr in zijn kemenade terug, meende hij, het zoete Geluk
+lachte hem toe, het naderde hem: Koning Assentijn was hem nu wèl te
+moede, wrokte niet langer den bevrijder, die hij geworden was na eenmaal
+de belager en schaker te zijn geweest en dit maal zoû Ysabele hem wel
+met grootvaders wille vergezellen en zoo zij koninginne wilde wezen,
+voor zij nog heerschte over Endi, welnu, bij Sint Michiel, een
+koninkrijk zoû hij veroveren haar, al zoude het zijn bij Paris of zelfs
+bij Rome!
+
+En het glansde in zijn wiganteziel van zaligheid, terwijl hij het Scaec
+neêr zette op de tafel en den vinger ophief, als dreigde hij het, mocht
+het aan wegzweven denken.
+
+Maar rustig bleef het staan en het schitterde in een zonnestraal en het
+was zóó schoon... Wat was alleen die knop, die ter zijde uitstak als een
+witte jochant? Gawein tastte aan den knop, werd zich bewust, dat het
+juweelen knopje kon draaien.... hij draaide er aan en wond en wond op,
+nieuwgierig en plots.... zie!... daar verhief zich het Scaec in de kamer
+en zweefde! Gawein stortte naar het opene venster, sloot het haastig,
+bevreesd, dat weg zoude zweven dat duvelsche Scaec en te gelijker tijd
+zag hij beneden, langs de gracht, langs de zonnebloemen, in den
+stralenden zonneschijn, wandelen zijde aan zijde, hand aan hand, Ysabele
+en Gwinebant! Hij vergat er om het Scaec, dat trilde snorrende tegen de
+zoldering... Nu sloot hij spoedig het raam en herinnerde zich spottende
+Keye's raad: bind er een draad omme, Gawein, zoo gij het vangt...! En
+Gawein, werkelijk, zocht een stevigen draad en bond dien om het Scaec,
+tusschen de stukken door en bond het Scaec vast aan een luchterring in
+den muur en rondom de tafel en het stond na trillende nog, zoo gebonden,
+stil. Nu opende weêr Gawein het venster, zag uit: Ysabele en Gwinebant
+zag hij niet meer... En hij zette zich, hoofd in hand, elleboog op knie
+en dacht na en herinnerde zich: Ysabele had toch hem verzekerd, hèm had
+zij lief met zoete minne en niet Lancelot en niet Gwinebant... Hèm had
+zij lief... Hem zoû zij haar ridder hebben gekozen, wellicht wel mèt
+Gwinebant... als zij Koning Clarioen had getrouwd... Maar nu zij Koning
+Clarioen niet trouwen zoû... hoe had zij nu Gwinebant lief? Liever dan
+zij Gawein lief had? Het duizelde van denken in Gaweins arme hoofd en
+hij voelde zich o zoo naijverig worden van Gwinebant, dien hij toch zoo
+minde, den schoonen knape, jongsten aller ridderen van Tafel-Ronde,
+Gwinebant, die hem zoo trouwe--maar aan Ysabele?--verlost had uit de
+Valleie der Ontrouwe Ridderen; Gwinebant, dien hij op zijne beurt
+verlost had van de Schandekarre; Gwinebant, dien hij gunde van al zoet
+geluks. Wel, zoo hij, Gawein, nu zoete Ysabele's gemaal ooit
+werd--Koning Assentijn kòn hare hand niet weigeren den valianten
+bevrijder van Endi--zoû hij, Gawein, dan dulden, dat zij Gwinebant tot
+ridder er bij koos? Gawein schudde woest het hoofd van neen en hij wrong
+de handen en wist niet meer, in de overpeinzingen, die Vrouwe Venus
+kweekt in hoofd en hart der arme stervelingen, om hen te plagen en
+waartegen geen heilige, zelfs Sint Michiel niet iets weet te doen.
+
+Koning Assentijn vierde die maand met groote feesten de tien dappere
+ridders van Tafel-Ronde en toen hij vroeg aan Gawein wat hij hem geven
+konde om zijn dank en aller dank van die van Endi hem te betuigen,
+aarzelde Gawein niet langer en vroeg hij, blozende maar luid-op, trots
+alle de moeilijke overpeinzingen, die hem hadden bedrongen, om Ysabele.
+
+En Koning Assentijn stond Ysabele toe als bruid aan haar oom, Gawein.
+
+--Bij Rome of Parijs, o Ysabele, mijne schoone, zal ik u koninkrijken
+winnen! juichte Gawein.
+
+Ysabele legde zoet lachende, de ronde scheelen neêr geslagen, haar wit
+handekijn in Gaweins ridderlijke palm en er was gezang van knapen om
+hen heen en zoet luidende muziek van snaren.
+
+Maar Gwinebant, dien avond, bij de roode-rozenstruiken klaagde tegen de
+starren zijn wanhoop uit als een nachtegaal, die van liefde zal sterven.
+Ysabele, die hem had zien verwijderen uit de burchtzale, zoo bleek en
+bedroefd, was hem na geslopen en zij naderde, wit als een engel, in den
+nieuwen maneschijn.
+
+--Gwinebant! riep zij. Wat klaagt gij? En wat snikt gij, mijn Gwinebant,
+als die gone, die geen raad meer en weet? Is het, omdat Gawein mij zal
+huwen in steê van den Koning Clarioen? Maar hadt gij mij dan liever
+Clarioens wijf gezien, wijf van dien ouden schalk met de Schandekarre?
+Gwinebant, mijn lieve, lieve Gwinebant, dien ik zoo minne, dat ik u
+iedere nacht droom in mijne droomen, wilt gij dan niet gelooven, bij
+mijne trouwe, dat het best is, dat ik Gawein huw? Zekerlijk, hadde ik
+dien Clarioen gehuwd, ik hadde Gawein en u, mijn zoete Gwinebant, mede
+genomen naar Noordhumberland, als mijne twee ridderen... Maar nu ik niet
+Clarioen huwe, maar Gawein zelven, nu klinkt het toch als een klokke
+klaar, dat ik u, Gwinebant, als mijn ridder zal nemen. En dat gij mijn
+amijs zult wezen, zoo als Lancelot is de amijs van koninginne Guenever,
+die schoone!
+
+--O Ysabele! Edoch Ysabele! riep Gwinebant en wrong de armen tegen de
+roode-rozenstruiken. Gij en weet niet wat een amijs is!
+
+--En weet ik niet wat een amijs is? glimlachte Ysabele. Ik weet harde
+wel wat een amijs is en Gwinebant mag niet ijverzuchtig zijn van Gawein,
+want Ysabele heeft Gwinebant toch altijd het meeste lief, maar toren en
+verdriet wil zij Gawein nimmer doen, die zouden hem wel den dood kunnen
+brengen, die hem nimmer nog dreigde van battalgië of Aventure...
+
+En zij sloeg hare armen om Gwinebants ronden knapenhals en kuste hem,
+lang, zoo dat, dronken, Gwinebant niet meer wist hoe te denken en hoe te
+doen in zoo moeilijke kwestië-van-minne, waarover in hof-van-minne wel
+lang dispuut zoû te houden zijn, tusschen hoofsche ridders en
+edelvrouwen.
+
+Gawein, dien dag daarop, ook verward door Vrouwe Venus en haren zoon,
+zocht--toen hij in den burchthof, waar de ridders hulde hadden gedaan
+aan Koning Assentijn, die zat onder de linde--Gwinebant. Die liep met
+Lancelot, wien hij zijn hartsverdriet had toe vertrouwd. En justement
+wilde Gawein, hoewel hij des woords niet heel zeker was, vrijelijk
+vragen aan Gwinebant, of hij Ysabele minde en hoe en of Ysabele die gone
+was, wie hij reeds lang zoo trouwe was, dat hij met Lancelot samen hem,
+Gawein, had kunnen verlossen uit de Valleie der Ontrouwe Ridders... Maar
+op dit oogenblik, terwijl wemelde de burchthof van de baroenen en
+ridders en edelvrouwen, ratelde hoog in de lucht een razend gesnor aan
+en zagen allen een wijd-uit blauw gevleugelden fenixvogel aanzweven over
+de bosschen, over de vlakte, toen cirkelen boven den burcht, om in
+snelle zweefvlucht te dalen op het ronde en open plein. Allen liepen toe
+met juichen en jubelen om Merlijn te verwellekomen; haastig stapte hij
+uit; jong was hij nog, nu, tegen den noen en vol jeugdigen zwier groette
+hij den Koning Assentijn, zeide hem van Koning Arturs liefde maar riep
+dadelijk daarop:
+
+--Wellieve heer en en zoete gezellen en valiante wiganten! U allen ook
+breng ik, als aan den Koning hier, liefde van onzen Koning Artur, maar
+lace, wees des gewes: allergrootst dangier dreigt Camelot en ik roep u
+allen toe: òp, tot soccoers!
+
+Heftige ontroering doorvoer de tien ridders van Tafel-Ronde en met de
+baroenen van Endi drongen zij om Merlijn, terwijl de Koning Assentijn
+beval de mede ontroerde schoothondjes, die begonnen te keffen, zwijgen
+te doen: tal van pagiën grepen de keffertjes in de armen en spoedden er
+ijlings meê heen.
+
+--Weet, riep luide Merlijn; dat Clarioen van Noordhumberland vertoornd
+is op ons allen van Camelot, omdat gij, mijne gezellen, Endi hebt ontzet
+en wel groote mortorië hebt aangericht onder zijne wiganten! Weet, dat
+hij een machtig heir heeft verzameld na zijne nederlaag en met dien òp
+tijgt naar Camelot, om wraak te nemen op Koning Arture en dat onze heer
+mij zendt om u allen toe te roepen: mart niet maar òp, tot soccoers!
+
+--Spoedt u, lieve heeren ridders! riep Assentijn. Spoedt u tot uw
+Koning, spoedt u tot Camelot en gij, mijn baroenen, spoedt u met zoo
+lieve vrienden mede: òp tot soccoers!
+
+--Ik spoed mij met u allen! riep Lionel, de Noordhumberlander
+Karreridder. Want trouwe zwoer ik sedert aan Koning Assentijn! Òp, tot
+soccoers!
+
+--Òp, tot soccoers! riep helle uit Ysabele; zij stortte tusschen de
+ridders en de baroenen in. Sedert Clarioen, die mij koninginne van
+Noordhumberland zou maken, zulk een oude schalk bleek, vol blaamweerdige
+bastaardieën, zult gij, alle mijne heeren ridderen en baroenen, hem
+bestrijden, ter eere van Logres, ter eere van Endi!
+
+--Ter eere van Logres, ter eere van Endi! riepen alle de ridders met
+groot enthoeziasme....
+
+Maar Gawein naderde Ysabele...
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXI
+
+
+Ysabele! riep Gawein. Mijn Koning ga ik ontzetten, het Scaec zal ik hem
+brengen, want gevaen heb ik het en vast gebonden aan een draad; maar als
+ik terug kom... wilt gij, o zoete en schoone, dan de mijne zijn?
+
+--Ja, ik, Gawein! riep Ysabele en zij rukte zich eene harer lange, witte
+mouwen af en bood die in vervoering Gawein.
+
+Gawein nam de mouw, kuste die en snelde weg om zich te wapenen.
+
+--Ysabele! riep Gwinebant. Gij zult Gaweins wijf zijn, maar ik, die u
+minne, zal sterven, in den oorlog voor Camelot, die vangt aan.
+
+--Ik en wil niet, Gwinebant! riep Ysabele, die schoone; dat gij sterven
+zult! Gij zult leven en overwinnen, om mijne minne!
+
+En Ysabele scheurde zich hare andere mouw af en bood die Gwinebant.
+
+Hij kuste de mouw en snelde weg, om zich te wapenen.
+
+In hevigst gedrang snelden alle de ridderen meê en riepen den garsoenen
+de rossen te zadelen.
+
+Maar plotseling hielden zij stand.
+
+Op den drempel van de poort was de oude Koning Assentijn verschenen, in
+volle wapenrusting.
+
+Alle de ridders en de baroenen schrikten hevig.
+
+Maar de Koning riep:
+
+--Wiganten gij en baroenen! Mijn arm is oud en beeft maar mijn oude kop
+is nog harde abel! En ik zal uwe prouaetse leiden en ik zal uw heir
+ordineeren, om mijn vriend, Koning Assentijn van Logres, in zijn burcht
+van Camelot te ontzetten. Weet wel, dat ik het nimmer eens met hem was,
+zoo iederen dag te marren met noenmaal of vesper, tot Aventuur zich zoû
+voor doen. Maar niet is dit reden om te vergeten, dat vriendschap mij
+bindt aan hem en alles, dat zijns is: zijn rijk en zijne edele ridderen!
+Baroenen, gij en wiganten: òp, tot soccoers!
+
+Een daverend gejuich ging door de dichte rijen; overal op tinnen en
+barbekanen verschenen de burchtgenooten om den Koning gewapend te zien.
+
+--Op, tot soccoers! riep Ysabele, die schoone, weêr. Mijn heere Koning
+en Grootvader, zoo gij Zelve ten oorlog mede tijgt, trots uwe grauwe
+haren, zoo wil ik, uwe kleindochter, niet marren in dezen burcht en met
+u gaan en met mij zoo velen dezer edele vrouwen als maar meenen kracht
+te bezitten te aanzien het tornooi, dat is werkelijkheid!
+
+De Koning was het niet met Ysabele eens. Maar er was geen houden meer
+aan. Alle de ridders en baroenen juichten en het gejuich daverde tegen
+de ruige, rosse wanden des burchts. Vele edelvrouwen voegden zich bij
+Ysabele: zij zouden om den Koning en de princes, met de legertros, in de
+achterhoede blijven en der vrouwen aanwezigheid, om hun vorst heen, zou
+de ridderen van Endi en van Tafel-Ronde onoverwinbaar maken.
+
+--Wapent u, vrienden! riep Merlijn, die reeds opsteeg in zijn fenix.
+Garsoenen, zadelt de rossen! Wapenknechten, grijpt de spiezen! De tijd
+dringt! Wel heb ik mijn gnomen bevolen met prikkelige tooverdraden, door
+het foreest gespannen, Clarioen tegen te houden, maar de tijd dringt, de
+tijd dringt! Ik ben, ofschoon toovenaar, maar die gone, die mensch is
+als gij!
+
+Allen drongen den burcht in, om zich te wapenen. De garsoenen geleidden
+reeds, gezadeld, het prachtige strijdros des Konings voor...
+
+ * * * * *
+
+Op den hoogsten toren van Camelots koningsburcht was de koninginne
+Guenever met hare vrouwen gestegen, in grootste wanhoop en radeloosheid.
+
+Want het machtige heir van Koning Clarioen van Noordhumberland, die
+harde gram was op Koning Artur en op zijn eerste twaalftal
+Ronde-Tafel-ridderen, verscheen, reeds door vluchtende vazallen,
+dorpers, herders gekondigd, rings-om-rond aan den horizon, over de
+vlakte zichtbaar, voor zoo ver van den hoogen toren de oogen konden
+weiden ten Noorden en ten Westen beiden. En Guenever, tusschen hare
+vrouwen, wees met een wijden boog van haar bevenden lelievinger, de
+wijde schare, die, met een telkens opblikkeren van wapenen en schilden
+en helmen, waaraan de bleeke herfstzon sterren ontvonkte, daar, heel in
+de verte, overwaasd door verren mist en vochtigen najaarsnevel,
+verscheen. De zon streed met de nevels en misten en telkens vonkten die
+naderende sterren op en Guenever meende, zij hoorde reeds, angstig
+tusschen haar angstigen vrouwendrom, de hand aan het oor, het aandraven
+der vijandelijke ruiterijen...
+
+Beneden lag de koning Artur ziek en Keye, de drossaet, hinkende, kwam
+hem juist den drank brengen, dien hij zelve bereid had, brommende op
+Guenever, dat zij haars gemaals ziekbed had verlaten, om naar boven den
+toren op te loopen. Hij spotte over de echtelijke trouwe van de
+"fonteyne aller schoonhede", die zeker boven uit zag naar Lancelot, haar
+amijs en waar hij bleef met de negen anderen--sinds Didoneel en Mordret
+twee feloenen waren gebleken, was, lace, het eerste twaalftal niet meer
+twaalf...--om Camelot, dat belegerd zoû worden, te ontzetten. En
+hijzelve, mank en scheel en steeds bitter om al wat het Lot hem niet had
+gegund--nooit Wonder, nooit Aventuur, noch wellicht Liefde zelfs, hem,
+Keye, den Spotter,--spotte zelfs nu en riep tot den kranken Koning, die
+zich kreunende hief van de sponde, om den drank te drinken:
+
+--Drink, lieve heer Koning, drink wat uw drossaet u biedt om u genezen
+te doen want weldra nadert Aventure en Wonder: dat is Clarioens
+heirmacht en dat al moet gij toch gezond ontvangen, gezeten aan
+Tafele-Ronde, met uw twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridderen, nu de oude zoo
+lange marren! Drink, lieve heer Koning, drink!
+
+Maar de oude, zieke Koning, op den elleboog leunende en drinkende de
+schaal uit, kreunde:
+
+--Keye, dat gij toch ontberen wilde van zoo kwade scherne te drijven met
+uwen armen Koning Artur, die hier ligt krank van weemoed om de dagen van
+Destijds, toen zoo vaak, voor noen of voor vespermale ridderlijk
+Aventuur zich kondde! Zwevende Scaec of Bloedende Speer; Ridder op Kar,
+die verlost moest worden of belaagde damosele! Ach wi, ach wacharme,
+Keye, terwijl mijn eerste twaalftal--ach wi, ach wacharme, sedert
+Mordret en Didoneel feloenen bleken, moet ik wel zeggen: tiental--zoo
+lang toeft te keeren tot Camelot en ik van berouwe smacht, dat ik Gawein
+gedrongen heb te gaan op queste van een tweede Scaec, dat wellicht een
+onzalig duvelsche Scaec blijkt en hem tot verderf zal brengen!
+
+Maar Keye hoorde al niet meer; hij luisterde aan de wenteltrap naar de
+kreten der angstige vrouwen boven en hij meende, naderde vernietiging
+voor Camelot en dood voor alle burchtzaten, bij God van Hemelrijk, hij
+zou niet dat onridderlijke leven betreuren maar het gaarne verwisselen
+voor goede plaatse in Paradijs, waar hij zeker seneschalk zoû worden bij
+een der heiligen, Sint Michiel, Sint Jan, als vergoeding voor alles wat
+hem op aarde onthouden was.
+
+Intusschen stonden de twaalf nieuwe Tafel-Ronde-ridders bij de poorten
+en op de barbekanen in volle rusting op wacht, te midden van duizenden
+wapenknechten, die zich schaarden over de wallen om Camelot te
+verdedigen. Hunne namen klonken met sonore, Keltische klanken; hunne
+zielen waren nog meer van twijfel vervuld aan Wonder en Aventuur dan der
+tien eerste ridderen zielen, maar zij waren, wees des gewes, o lezer,
+valiante wiganten en onoverwinlijke lioenen en zij zouden Camelot en den
+Koning, Arture, en hunne zoete vrouwe, de koninginne Guenever,
+verdedigen, tot den lesten droppel bloede, die vloeide...
+
+En de wijde, halve kring van Koning Clarioens machtige heir naderde en
+naderde dichter, nu het tegen den noen ging en Guenever, op den toren,
+tusschen hare vrouwen, op de knieën gezonken, luide bad tot Sinte
+Marië's Kind, God van Hemelrijke ende tot Sint Michiel om haar te hulpe
+te komen. Dat de twaalf nieuwe ridders wel hoorden en dat hen nu niet
+zoo zeer aangenaam stemde, want zij gevoelden zich te kort gedaan in
+haar vertrouwen... Het geen zij haar echter wederom vergaven omdat zij
+vooral naar Lancelot verlangde, dien zij in dagen en weken niet meer had
+gezien...
+
+Maar plotseling snorde er door de herfstlucht, die opgoudde, snorde er
+boven de foreesten, die koper en purper gloeiden van het vallende
+herfstgeblaârte, het welbekend gebrom aan, dat zoo wel kleintjes
+rommelde in Zwevende Scaec als machtiger drommelde in Vliegende Fenix,
+en Guenever zag Merlijn aan komen zweven; hij zweefde rond hoog boven
+haar hoofd en riep haar toe:
+
+--Mijne schoone koninginne, zeg mij: wilt gij, dat ik dale, als een
+zwaluw, op de tinne van uw toren? Ik zoude u dan, o Guenever, mede
+kunnen voeren naar mijn kasteel, waar gij veilig zoudt wezen voor
+Noordhumberland, maar ik zegge u zonder sparen: Lancelot en Gawein en de
+anderen en Koning Assentijn mede met machtige heirmacht ijlen door de
+foreesten en over de vlakten toe om Camelot te ontzetten en zelfs
+vergezelt de princes het heir, Ysabele, die schoone, tusschen alle hare
+vrouwen, te peerd, alsof het de jachte maar gold! Zeg mij, wilt gij, dat
+ik dale?
+
+--Nadert Lancelot? riep Guenever in hooge vervoering. En naderen Gawein
+en de anderen? Nadert zelfs Koning Assentijn en nadert zelfs de
+princesse Ysabele? En zoude Guenever versagen? Neen, Merlijn, zij en
+versaagt niet meer, nu Lancelot haar ontzetten komt! Te Camelot, wees
+des gewes, blijft Guenever!
+
+Een juichende roep van bijval donderde op naar de koningin: het waren de
+twaalf nieuwe ridders, die haar toe juichten, ook al bevroedden zij, dat
+Guenever Lancelot alleen meer vertrouwde dan hen twaalven! Maar zij
+juichten desniettemin want vonden het wel vol lof, dat Guenever niet
+vluchtte op de fenix....
+
+--Maar wellicht, riep Guenever; o Merlijn, wil de Koning op de fenix
+vlieden?
+
+--Zoo vraag het snel! riep Merlijn, rond cirkelend boven de hoofden der
+vrouwen, waarvan er wel eene enkele had meê willen gaan, al ware het
+alleen maar om den aanstaanden strijd van uit de wolken te aanschouwen.
+
+--Keye! riep Guenever tot Keye, onder aan de wenteltrap.
+
+--Heer Keye! Heer Keye! riepen de vrouwen.
+
+Keye riep vragende wat er was.
+
+--Vraag den Koning, riep Guenever; of hij Camelot wil ontvlieden op
+Merlijns blauwen fenixvogel....
+
+De vrouwen luisterden aan de trap.
+
+Maar weldra riep mopperend Keye terug:
+
+--De Koning en wil niet, Guenever! Hij is bang duizelig te worden zoo
+hoog met de fenix te vliegen maar hij en is niet bang in zijn burcht te
+midden van zijne ridderen en beidende de ridderen, die komen!
+
+De vrouwen riepen het Merlijn toe naar boven....
+
+En riepen het den ridders en wapenknechten toe naar beneden.
+
+En een donderend gejuich klonk rondomme.
+
+--Zoo ga ik! riep Merlijn en hevig snorde de fenix en ontslaakte een
+azurigen damp van vreemd zoete roken. Van nut en noode ben ik niet meer
+in dezen oogenblik maar ik keere, zoodra ik het wezen kan. Goeden moed,
+o koninginne! Goeden moed, mijn valiante, nieuwe ridderen! Goeden moed,
+allen!
+
+En Merlijn snorrende en te mid van azuren dampwolken, die zijn enghien
+ontblies van voren en slaakte van achteren, uit vogelekop en staart,
+steeg hoog, hoog de gouden herfstlucht in....
+
+De vrouwen zagen om en op en om zich rond.
+
+--Ziet!! wees Guenever plots naar het foreest, waar het zich tusschen de
+vallende bladeren verklaarde in opener verschieten en windenden weg. O
+ziet, daar naderen zij! Daar nadert mijn Lancelot!!
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXII
+
+
+En werkelijk, daar naderde groot stampeide van rossen en geblikker van
+wapenen en geschitterstarrel van schilden en daar naderden de tien
+wiganten, die schenen wel een drom van ridders, zoo zwaar en breed
+vertoonden zij zich op hunne zware en breed omhoesde rossen.... Gawein,
+Lancelot, Gwinebant.... Bohort, Hestor, Meleagant.... Acglovael, Ywein,
+Sagremort en Galehot en achter hen, tusschen zijn baroenen, naderde oude
+Assentijn, ontzagwekkend de grijsaard te paard en daar achter naderde
+het leger en de vele vlaggen en wimpels aan de ponioensperen fladderden.
+Maar ook over de vlakte was de halve cirkel van Clarioens heirmacht
+genaderd, klaarblijkelijk met het doel Camelot te omsingelen, maar het
+was niet van de torens te onderscheiden wie de grootste heirmacht wel
+was: die van Clarioen, die van Assentijn: vóor den laatste waren de tien
+wiganten zelven alleen al gelijk aan een machtig heir, dat dreunde aan
+over den weg.
+
+Maar nu zagen, waar de weg uit het foreest langs de vlakte geleidde, de
+beide legers elkander, en die van Clarioen begrepen, dat van omsingelen
+geen sprake meer zijn zoû, want met oorlogszuchtige kreten wierpen de
+tien wiganten zich over de vlakte, vóor den burcht en zij schenen wel
+tien ijzeren paardmenschen, vast aan hun ros, de ventaliën neêr en de
+strijd, in éen wenk, was begonnen! Gode, wat waren daar goede zwaarden
+ende glaviën ende sterke helmen ende stalen hoeden ende ponioenen,
+geluw, zilver, sinopel, keel en lazuur. En wat waren daar groote ende
+sterke orsen: er waren er wel vijfduizend aan den eenen en vijfduizend
+aan den anderen kant en eer er een zoû in den zande bijten, zoû hijzelve
+wel menigen man doen sneven! Begeerig aan beide zijden waren zij hevig
+malkanderen te ontlijven op den velde des slags en zij vergaderden te
+zaâm met geweld. Gode, wat hieuwen de zwaarden daar door de suizende
+lucht, die rilde er van, en wat knarsten tegen malkanderen en kraakten
+de boomzware speren: menige wigant viel daar dood. En Gawein stak hier
+en daar en overal met zijn speer de lichamen door en wierp hen uit het
+zadel, hier een ridder, daar een ridder, allen ridders van
+Noordhumberland: ze vlogen over het slagveld heen rechts en links van
+hun rossen, die draafden dan dol over hen heen of vielen, doorstoken
+ook, hinnikende te hoop. Aan beide zijden trokken zwaarden wie wel
+konden strijden en het was een houwen en steken: menig stout man moest
+er sterven. Ridderlijke prouaeste vertoonden daar alle de tien wiganten:
+de koppen vlogen links en rechts met der zwaarden slag van Lancelot en
+van Gwinebant, van Bohort en van Sagremort... wat zal ik de anderen
+noemen, wat hielp het of ik het maakte lang! Niemand sloeg er minder
+koppen af dan een ander, maar wellicht sloeg Gawein toch nog de meeste
+koppen af, die vlogen rondom hem als met een rond cirkelend rad van
+koppen, van uitbloedende koppen en de armen vielen en de beenen vielen,
+allen van de wiganten van den Koning Clarioen. En honderden wezen naar
+Gawein met de vingers en riepen over het slagveld, zoo wel van de eene
+als van de andere zijde:
+
+--Ziet hèm daar! Ziet hèm daar! Ziet hèm daar: Gawein! Geen stoutere en
+is hier verre noch na!
+
+Te midden van zijner baroenen wacht zag de Koning Clarioen van
+Noordhumberland naar de gruwbare mortorië. Maar ook op den weg, die
+wendde uit het woud, zag Koning Assentijn naar de allervreeslijkste
+sconfilture der Noordhumberlanders en ordineerde hij als een abel
+veldheer zijn dappere Endi'sche baroenen. En naast hem, op haar
+palafroet, te midden veler onversaagde edelvrouwen op palafroeten, zag
+Ysabele, de schoone, naar de allerverschrikkelijkste battalgië. Daar zag
+men halsbergen ontmaelgieren, helmen doorhouwen, schilden kwartieren,
+ridders lichten aan speren uit zadels, koppen door het geluchte zwieren
+met de roode fonteinen van stralen bloed! En Ysabele, zij volgde met den
+blik hier Gawein en daar Gwinebant, hier Gwinebant en daar Gawein en zij
+had tevens, op den hoogsten torentrans, Guenever ontdekt, de zoete
+Guenever, wie Lancelot jaren lang trouw was en die jaren lang Lancelot
+trouw was; Guenever, van wie zij gelezen had in de schoone jeesten der
+vinders. En nu zij alles met eigen oogen in werkelijkheid zag, wat zij
+eerst nog slechts had gelezen en hooren zingen, vond zij het wel veel
+bloed, o harde veel bloed, maar zij versaagde niet, zij, de princes van
+Endi, geboortig uit het bloed van zoo vele strijdbare helden en
+koningen, en daarbij juichte zij uitermate, dat Gwinebant zoo valiant
+was en dat Gawein onoverwinnelijk scheen... Tot zij plots, ter zij van
+de vlakte, Gwinebant, afgeraakt van zijne gezellen, zag in strijd met
+vijf, niet minder dan vijf, Noordhumberlander baroenen, die hieuwen hier
+en hieuwen daar en Gwinebant, knellend zijn ros tusschen de knieën,
+verdedigde zich hier, verweerde zich daar, onder zijn schild, achter
+zijn schild, dat wendde vlug daar en hier, terwijl hij tevens stak hier
+met zijn speer, hieuw daar met zijn zwaard, als of hij tien handen hadde
+gehad, want Ysabele begreep van zoo verre niet hoe hij het deed! Zij
+wees hem aan haar grootvader en onderwijl klopte van beroering en
+ontroering heur hartje. Eén tegen vijf, één tegen vijf, dacht zij,
+hijgende op haar paard, nu bleek van angst, dan rood van trots. Kwam
+niemand der anderen hem dan te hulpe? Zoude hij wel kunnen verwinnen?
+Twee Noordhumberlander koppen zag zij reeds vliegen het geluchte door,
+den eenen links, rechts den anderen, tot plotseling zij slaakte een
+kreet als ware zij zelve gewond... Want Gwinebants ros onder hem
+steigerde en zonk toen ter zijde in een, doorboord en hijzelve, met
+schild en speer en zwaard niet dadelijk zich kunnende bevrijden uit het
+gereide, geplet zijn voet in den beugel onder het paard en achterover
+gezwikt in het zaâl tegen het achterarsoen, scheen een oogenblik
+machteloos en in doodsgevaar, hoe hij zich ook nog verweerde, achter
+zijn schild. Rtts.... daar stak hij zijn speer een derden
+Noordhumberlander dwars door het lijf en die zonk, maar Gwinebants
+zwaard ontgleed hem en wederom gaf Ysabele een kreet...
+
+Zoodat haar grootvader haar zeggen moest, dat een princes, die mede te
+wijch toog, zich niet door hare aandoeningen mocht laten bemeesteren.
+
+Zij bleef dus een oogenblik bleek, recht op haar ros, sidderende van
+ingetoomde ontroeringen, toen zij zag, dat de twee overblijvende
+Noordhumberlanders zich wierpen op Gwinebant, zijn schild slechts
+tusschen hen en hem, want niet kon hij richten zijn speer meer.
+
+En, trots grootvaders verbod, gaf Ysabele een derden kreet, nu eer van
+woede dan smart en zeker zijnde, dat Gwinebant daar sneven zoû, bijna
+vlak voor hare oogen, spoorde zij plots, voor wie ook het haar
+verhinderen konde, haar palafroet en wierp zich...
+
+Eén angstkreet slaakten de vrouwen...
+
+...Met een sprong van het paard over den hoogeren weg af, op de lagere
+vlakte!
+
+De Koning Assentijn huilde nu zelve een wanhoopgil uit, toen hij zijne
+Ysabele zag, te ijlende paard, midden in het gruwzame strijdgewoel...
+
+De baroenen zijner wacht volgden radeloos hunne princes...
+
+--Victorie! riep ginds Lancelot.
+
+Want de ridders van Noordhumberland, om hun Koning Clarioen, weken en
+namen de vlucht, zoo als dien keer voor den burcht van Endi.
+
+--Victorie! riepen Bohort, Sagremort, Ywein... wat zal ik de anderen nog
+noemen!
+
+Maar Gawein riep niet meê van victorië.
+
+Hij had daar ginds, ter zijde der vlakte, bespeurd de princes, te midden
+harer radelooze baroenen.
+
+Hij bespeurde tevens een Tafel-Ronde-ridder, die over zijn stervende ros
+lag en twee aanvalleren boven zich... een klomp van knarsend en
+rammelend en frotsierend metaal.
+
+Hij herkènde den Tafel-Ronde-ridder!
+
+--Gwinebant!
+
+En hij spoorde ruw Gringolet...
+
+En met de knieën alleen sturende zijn ros, hoog op gericht zijn zwaar
+geharnaste lijf, speer met slinke gericht, schild over schouder aan riem
+en zwaard in rechte reeds zwaaiend, ontzettend, als Sint Michiel zelve
+zoo schoon en stralend, Gawein een aartsengel gelijk, draafde hij aan
+tot soccoers...
+
+ * * * * *
+
+Gawein draafde aan tot soccoers...
+
+Maar te gelijker tijd werd zijn blik geketend door de princes op
+palafroet...
+
+Zij draafde heftig naar Gwinebant, te midden van hare baroenen, alsof
+zij mede aankwam tot soccoers, Ysabele, de schoone...
+
+En Gawein onstelde hevig, toen hij zijn bruid daar zag te midden van
+groot dangier...
+
+Want vele Noordhumberlanders, die nog toefden te vlieden, verzamelden
+zich, zoodra zij de princes op het slagveld zagen en wilden rondom haar
+heen...
+
+De baroenen verdedigden hunne koninklijke jonkvrouw maar zij waren
+radeloos om de overmoedigheid van Ysabele...
+
+Toen doemde echter Gawein in hun midden...
+
+En het duurde niet meer dan twee, drie blikken-der-oogen...
+
+Gawein stortte zich op de klomp der drie strijdende ridders en hunne
+paarden. Hij hieuw den eenen Noordhumberlander af den kop, die vloog ver
+weg, als een waardelooze bal...
+
+Hij stak met zijn speer den andere dwars door het lijf...
+
+Maar ontving te gelijker tijd van dien doodelijk getroffene een
+speersteek zelve, vlak onder zijn hart, tusschen de maliën door zijner
+cotte...
+
+Hij gevoelde een hevige pijn en den schok en vloeien het bloed als uit
+Onzen Lieven Heeren eigene wonde, die de speer van Longinus Hem aandeed
+ten Kruize...
+
+Maar te zelfden tijd wierp Gawein zich af en ontzette Gwinebant, rukte
+hem op en zag, dat zijn gezel bloedde...
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIII
+
+
+Gwinebants helm was gekloofd en de stroom bloed vloeide er langs; maar
+hij stond, nog niet bezwijmd, tusschen de baroenen van Endi.
+
+Maar Gawein wierp zich haastig op Gringolet--meerdere Noordhumberlanders
+stortten toe...
+
+Was victorië ook reeds geroepen daar ginds door Lancelot, hier was de
+verwarring nog woelende om der Noordhumberlanders nieuwe hoop en
+verwachting... Zelfs Clarioen, de Koning, was ginds staande in de vlucht
+gebleven, riep luide, wie hem de princes toe zoû voeren, die zoû
+ontvangen de helft zijns koninkrijks!--en er was in het rond heviger
+strijd weêr ontvlamd...
+
+Terwijl alle de Ronde-Tafel-ridderen aandraafden tot soccoers, tot
+soccoers!
+
+Nu riep Gawein, omringd van de baroenen van Endi, hen toe hem Gwinebant,
+gewond en bezwijmende, op zijn knie te beuren.
+
+De baroenen beurden Gwinebant op Gaweins rechterknie omhoog en hij wierp
+zijn nu geheel bezwij menden gezel dwars op het voorarsoen, vóór zich
+heen.
+
+Maar Ysabele, na kreet van smart, was van haar paard gegleden en toe
+gëijld, niets achtende dan Gwinebant, dien zij stervende meende...
+
+O, zij was zoo wit en broos als een bloem, die dadelijk vertrapt zoû
+worden, tusschen zoo vele woelende orsen, getrokken zwaarden, gerichte,
+gekruiste speren.
+
+Maar zoodra zij de vier, vijf passen genaderd was, die haar nog
+scheidden van Gwinebant en Gawein, trok Gawein haar omhoog...
+
+Op zijn slinke knie, waar langs Gwinebants hoofd hing.
+
+--Ysabele! riep Gawein. Neem Gwinebants hoofd in uw schoot!
+
+En te gelijker tijd omarmde hij tot steun de princes in zijn linkerarm,
+het schild voor haar en Gwinebant in de lengte.
+
+En het zwaard hoog geheven in de rechtervuist; gebeurde dit niet alles
+zoo snel als het niet is te zeggen of te zingen door vinder of
+minstreel?
+
+--Naar Camelot! riep Gawein den baroenen toe, die stegen weêr op en het
+was een hevig gevecht tusschen de baroenen en hunne schildknapen met de
+Noordhumberlanders.
+
+De baroenen en de toegeschoten acht Ronde-Tafel-ridders omringden Gawein
+ter bescherming, terwijl hij dwars door de woeling draafde naar Camelot.
+
+Daarheen was over de vlakte de weg schoon geveegd.
+
+De Noordhumberlanders vluchtten nu allen en overal weg...
+
+Ook Clarioen meende niet goed te doen zoo lange te toeven, daar zijne
+ridders hem toch niet Ysabele hadden geschaakt... Geheel Noordhumberland
+vluchtte...
+
+Maar Gawein, in razenden draf op Gringolet, dien hij bijna alleen met
+den druk zijner knieën dwong en die nauw tikte met de hoeven den grond,
+naderde Camelot, waar de eerste ophaalbrug omneêr knarste aan de zware
+ketenen...
+
+Steeds lag bij Gawein Gwinebant vóor over op het breede zaâl; steeds
+hield Gawein Ysabele omarmd op zijn slinke knie; welke andere ridder van
+Kerstenhede had dit fayt zoo kunnen volvoeren!
+
+Ysabele had den stukkenden helm van Gwinebant ontgespt, in haar schoot,
+weg de stukken des helms geslingerd en haars liefs gewonde, blonde,
+ooggelokene hoofd bloedde rood in hare blanke handekens en over heur wit
+sammeten kleed...
+
+Zoo, de baroenen om hen, de acht Tafel-Ronde-ridders rondom hen, als een
+wijde kring van bescherming en Koning Assentijn tusschen zijn lijfwacht
+volgende, draafde Gawein de eerste brug over van Camelot.
+
+Gejuich riep hem toe van wallen en tinnen en torens...
+
+En de vrouwen op den hoogsten torentrans, rondom Guenever, galmden het
+blijde heil!
+
+In hield Gawein den draf en reed de volgende brug nu over...
+
+Alle de bruggen, die neder vielen, de een na de ander, reed hij over:
+hij reed het burchtplein nu op...
+
+Op den drempel der opene burchtpoort was Koning Artur, krank en gesteund
+door zijne pagiën, verschenen.
+
+Rondom Gawein, te paard nog met zijn zwaren, dubbelen last, verdrongen
+zich de haastig afgestegen baroenen en de acht wiganten.
+
+Zij beurden eerst Gwinebant, bezwijmd, af...
+
+En legden hem onder de koningslinde over de treden van 's Konings zetel.
+
+Zij tilden toen Ysabele af...
+
+En hare handen en hare witte schoot waren rood van bloed.
+
+Toen, te paard nog, sloeg Gawein zijne ventalië op...
+
+En snakte naar den hemel, om lucht.
+
+Zij zagen allen, dat hij doodsbleek was.
+
+--Gawein! riep Ysabele, heffende hare geheel roode handekens. Mijn
+Gawein, dien ik zoo minne, zijt gij gewond?!
+
+Gawein, los latende zwaard en schild, voelde onder zijn hart, waar het
+door de maliën bloedde...
+
+En Ysabele begreep, dat hare handen en schoot rood waren van het bloed
+van Gwinebant en van Gawein beiden.
+
+--Gawein en Gwinebant zijn beiden gewond! riepen de ridders tot den
+Koning Artur.
+
+--Maar Camelot is ontzet!
+
+--Noordhumberland is op de vlucht!
+
+Het snorde boven Camelot; de fenix vloog aan.
+
+--Legt Gawein en Gwinebant dadelijk op het wonderbed! riep Merlijn, nog
+in de lucht, en daalde in het vergier.
+
+Terwijl Guenever, met hare vrouwen, van den toren gedaald, naar buiten
+stortte......
+
+En Lancelot ziende, uit riep:
+
+--Lancelot! Lancelot! Zijt gij behouden?!
+
+En zij kuste en omarmde Lancelot en Koning Artur, zoo krank, deed of hij
+niet zag.
+
+--Legt eerst Gwinebant, beval zacht Gawein. Ik volg hem stappans......
+
+Op zijn bevel tilden dadelijk drie, vier ridders Gwinebant op en droegen
+hem binnen, naar het wonderbed, waar hij in één dag zoû genezen.
+
+--In éen dag, o zoete Ysabele! verzekerde koninginne Guenever, hare
+armen om de princes, die zij ontroerd zag en wier minne zij ried.
+
+Gawein, nauw geholpen door zijne gezellen, was uit het zadel gegleden.
+
+Hoe bleek zag hij en hoe rood van bloed droop zijne cotte, hoewel hij
+zoo recht stond, als of niets met hem geschied was.
+
+--Gawein! riep Keye, die kluchtig hinkende aankwam. Gij zijt gewond!
+Maar gij allen, ridderen, ziet gij dan niet, heer Koning, ziet gij dan
+niet, dat Gawein is gewond......?
+
+De Koning Assentijn, met zijn lijfwacht, was binnen gereden.
+
+--Ziet gij dan niet allen, riep Keye voort; dat Gawein is gewond,
+zwaarder dan is Gwinebant? Legt hem dadelijk naast Gwinebant in het
+wonderbed of zijn leven rint hem weg uit den lijve!
+
+De gezellen, één oogenblik, meenden, dat Keye spotte als altijd.
+
+Maar hij spotte niet.
+
+En Merlijn, van uit het vergier, zag--en hij ontzette er om, dat Gawein,
+staande zoo recht, maar zóo bleek reeds, als veeg was des stervens......
+
+En dat zelfs het wonderbed niet meer van noô was.
+
+Maar Gawein, recht naast zijn ros, had uit de diepe arsoentasch een
+vierkant ding genomen, dat was omwikkeld in een lange, witte reep van
+sindaal...
+
+De beide Koningen begroetten elkander, Guenever neeg voor Assentijn en
+terwijl allen zeer bezorgd om Gawein henen drongen--de Koningen en de
+vorstinnen, de ridders en de baroenen--naderde Gawein zijn heer, Koning
+Artur, die, krank, was neêr gezegen, in den zetel, onder de linde.
+
+En Gawein knielde op de trede.
+
+En hij zeide met vaste stem, die van heel ver scheen te komen:
+
+--Mijn wellieve Heere, mijn Oom, mijn hooge Koning van Logres! Ik, uw
+ridder Gawein, dien gij wel dulddet aan uwe Tafel-Ronde, waar wij immer
+geloofden in Wonder en dat het eenmaal wederomme zoû keeren, waar wij
+immer geloofden in Aventure, dat is vië van dolenden ridder der
+Kestenhede...... zie: hier brenge ik u dit Zwevende Scaec! Ik vond het
+en ving het voor u en ik wond er de mouwe om van Ysabele, de schoone,
+die ik minne...... Mèt het Scaec, o mijn Koning, voer ik tot Camelot
+Ysabele, zoo als ik...... Destijds!...... eene Ysabele, wacharme, en een
+zwevende Scaec tot Camelot ook voerde. Toen was het zóo...... nu is het
+anders: nu is het beter misschien en grooter Wonder en edeler Aventure!
+Want nu, met Ysabele en met het Scaec, bracht ik ook mijn gezel,
+Gwinebant, en mocht hem van den doode redden......
+
+Gawein bood Koning Artur het Scaec in de handen, uit de los gewondene
+mouwe...
+
+Toen gevoelden de gezellen hoe lief zij Gawein allen hadden en hoe
+prachtig hij was, omdat hij aan Wonder geloofde...
+
+Maar tevens gevoelden zij een vreemde wroeging...
+
+En zij wisten eigenlijk geen van allen waarom...
+
+Maar Merlijn, die ook de wroeging zich in zijn menschenhart bewust werd,
+wist, daar ginds, ver, toe ziende uit het vergier, wèl waarom zij
+elkander allen aanzagen met een schakeling van blikken, die nog niet
+geheel begrepen...
+
+--Het wordt alles zoo als het wordt, dacht Merlijn, om zich te
+verontschuldigen. Ook zonder mij en zonder dat ik Zwevende Scaeken
+zend...
+
+Koning Artur had, met van geluk bevende handen, uit de handen van
+geknielden Gawein, het Zwevende Schaakbord ontvangen: de gouden en
+zilveren stukken, voor het einde des spels, stonden op de juweelen
+velden juist zoo als zij stonden, toen het Scaec weg was
+gezweefd.........
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXIV
+
+
+Mijn lieve neve! zeide Koning Artur ontroerd; mijn valiante wigant, ik
+danke u voor zoo harde schoon volbrachte queste, niet minder schoone,
+dan wij Destijds volbrachten en al bleken Didoneel en Mordret, ach wi,
+ach wacharme, ook twee feloenen...
+
+De Koning--hij had het Scaec aan de zorg aanbevolen zijner
+schatmeesters--wilde er aan toe voegen, dat hij de Tafel-Ronde, wat hij
+ook de laatste jaren geraden had van kritiek zijner ridderen, een
+uitstekende, ridderlijke instelling achtte en er niet aan dàcht die op
+te heffen...
+
+Maar hij wilde Koning Assentijn, die zich na de eerste begroeting, zoo
+echt koninklijk bescheiden niet te zeer op den voorgrond had willen
+begeven, nu met eere overladen en riep:
+
+--O mijn machtige Vriend en Koning van Endi, wat verheugt zich mijn
+harte, dat gij met uwe roze en kleindochter, de princesse Ysabele,
+binnen Camelots muren thans zijt gekomen, zoodat wij nauwer de banden
+mogen aanbinden van koninklijke vriendschap tusschen ons beiden en...
+
+Toen Gawein, met een smartelijke vertrekking alle zijner trekken, zich
+heffende uit zijn knielende houding, ter zijde viel, zijn hand onder
+zijn hart.
+
+--Hij is gewond! riepen allen. Gawein is gewond! Laten wij hem leggen,
+naast Gwinebant, op het wonderbed!
+
+Gawein, echter, wendde zich pijnlijk om, over de trede van den
+koningszetel en hij weerde de gezellen af.
+
+--Laat mij, mijne zoete gezellen! zeide Gawein. Ik voel, dat het te ver
+met mij is...
+
+Neen, dat wilden zij geen van allen gelooven! Te ver, als het wonderbed,
+dat Merlijn zoo kunstig gewrocht had, daar boven stond in de kemenade!
+Te ver, als zij hem er nu dadelijk legden naast Gwinebant, die er
+reeds--zoo meldden drie, vier artsenij-meesteren--in gezonden
+tooverslaap lag en wiens wonde aan de slaap, onder de oogen van drie,
+vier andere artsenij-meesteren, die zijne genezing bespiedden, zichtbaar
+genas! Te ver... neen, het kon niet te ver zijn! riepen allen en allen
+Gawein toe en wilden hem beuren.
+
+Maar hij weerde af, hij weerde af.
+
+--Zoete vrienden, zeide zacht Gawein en hij zeide het zóo hoofsch als
+hij alles tot iedereen heel zijn leven gezegd had; laat mij u raden en
+gelooft mij, bij mijne trouwe in Paradijs. Het is te verre... Ik
+sterve... Mijn lieve heeren Koningen van Logres en van Endi, mijn oom
+Artur en gij, heer schoonvader, ik sterve... O wees des gewes... zoo ik
+voelde te kunnen genezen in het wonderbed, waarin Gwinebant ligt te
+genezen, ik en marde niet, want ik ben die gone...
+
+Hij bezwijmde bijna...
+
+En alle hunne angsten bogen zich over hem heen.
+
+--Ik ben die gone, die wèl dat lieve, schoone leven minne...... Wonder,
+Aventure, battalgiën en...... schoone vrouwen: ik heb ze wellicht te
+lieve gehad...... Vrienden, ik en biechtte nooit! Vrienden, roept mij
+den huispaap...!
+
+De huispaap trad voor.
+
+--Ik biecht...... stamelde Gawein. Ik ben een slechte mensch
+gewezen...... Een zondaar...... Een feloenige ridder,.... Ik biecht.....
+Ik biecht alles.....
+
+Hij stamelde aan het oor van den bij hem knielenden huispaap.
+
+Rondom zijn stille biecht was nu het algemeen weegeklaag. Gawein......
+hij stierf?! Zij wilden het niet gelooven. Zij vroegen het ongeloovig
+Merlijn en malkanderen: de twee Koningen vroegen het malkander en;
+Ysabele, met een snik, vroeg het Guenever:
+
+--Sterft Gawein...?
+
+En zij konden het geen van allen gelooven! Gawein, hij, die zoo sterk,
+zoo jong, zoo mannesterk, zoo mannejong hun in den strijd had toe
+gestraald, een aartsengel gelijk, Sint Michiel met den vlammenden brant
+gelijk... Gawein stierf......?
+
+Maar Gawein riep, met veege stem:
+
+--Ysabele...
+
+Zij naderde, bevende als een windbewogene lelie, maar haar schoot
+overvlakt met bloed, hare bloedroode handekens gestrekt.
+
+--Gawein, murmelde zij en knielde naast hem.
+
+--Ysabele, stamelde Gawein. Ziet gij... ik sterve. Langzaam, langzaam
+vloeit mij dat bloed uit het harte. Neen... laat mij hier sterven op de
+trede van mijns heeren Konings troon... Laat mij sterven in mijne
+cotte... Zoo is het mij beter dan op een bedde en voor het wonderbed,
+lace, is het te laat! Ysabele, mijne bruid gij, zeg mij alleenlijk eén
+ding! Ik heb somwijlen harde getwijfeld! Ik en wist menigerwerve niet...
+Ik dacht somwijlen... Ysabele, zeg mij nu, ééne male slechts, maar
+oprecht: hebt gij mij lief...? Of hadt gij Gwinebant, den lieven
+gezel... immer liever dan gij mij hadt...?
+
+Ysabele, over Gawein heen, geknield, hare armen om zijn bruin lokkige
+hoofd, zijne wonde aan haar borst, zag hem lang in de bruine oogen aan,
+die nog nauwelijks braken.
+
+En zij zeide:
+
+--Gawein, mijn lieve Gawein, geloof mij in deze ure: ik heb u immer
+liever gehad... dan Gwinebant!
+
+Zijne armen sloten zich om haar blonde hoofd, dat hij, liggende, drukte
+tegen zich aan... De avondschemering viel: overal ontgloeiden in den
+hof, aan de poorten, de toortsen en de lange stallichten. Overal
+knielden harentare de vrouwen, de ridders, de baroenen en baden. En op
+den drempel was Gwinebant verschenen, gesteund door de
+artsenij-meesteren. Genezen was hij nog niet, maar toen hij ontwaakt
+was, na eersten tooverslaap en gehoord had, dat Gawein stierf, was hij
+van het tooverbedde gerezen... En daar stond hij, op den drempel der
+poort......
+
+En hoorde Ysabele's woord, dat zij herhaalde:
+
+--Ik heb u, Gawein, immer liever gehad... dan Gwinebant!
+
+--Gwinebant! fluisterde het hier en daar, verschrikt, omdat de nog niet
+genezen gewonde verscheen.
+
+Ysabele, uit Gaweins armen, richtte het hoofd op. Zij zag Gwinebant
+recht in de oogen, die staarden uit zijn bleek gelaat. En zij glimlachte
+hem achter Gawein, die zalig de oogen sloot, smartelijk smeekende toe.
+
+Gwinebant begreep. En zij begrepen allen. De huispaap begreep en, om
+haar logen, seinde hij, onzichtbaar voor Gawein, Ysabele over het
+hoofd...
+
+En bad God van Hemelrijk, dat Hij vergeven zoude...
+
+--Gawein! riep Gwinebant, bleek op den drempel.
+
+--Gwinebant! riep Gawein stervende. Kom tot mij!
+
+Gwinebant, gesteund, naderde. En hij knielde bij Gawein.
+
+--Gij hebt mij gered, Gawein, zeide hij. En gij sterft van de wonde, die
+gij voor mij opvingt!
+
+Maar Gawein, in beide armen, drukte tegen zich en zijn langzaam
+vloeiende bloed Ysabele en Gwinebant. Hij drukte hun beider hoofden
+tegen zijn borst, die heftig deinde. En zijne oogen zagen in de nacht
+op, naar de klare starren, die veropenbaarden aan stralenden hemel, hoog
+boven de walmende toortsen omher.
+
+--Gwinebant! murmelde Gawein. Ysabele! O mijne beider minne! Gwinebant,
+Ysabele, mijne bruid, minde mij maar zij mint u ook, Gwinebant!
+Gwinebant, zoo het onzer Koningen wille is, ontvang, Gwinebant, Ysabele
+van mij, omdat ik stervende ben! Wees haar man, Gwinebant; Ysabele, gij,
+die ik min als ik geen vrouw minde, wees Gwinebant tot wijf! Ik
+sterve--al hadde ik langer nog wel, lace, leven willen--gelukkiglijk! Ik
+sterve gelukkiglijk... Ziet, ziet, vrienden allen: de Hemelen openen...!
+Het straalt, het straalt! Een heir van engelen met zilveren vlogelen
+vult den openen Trone! Mijn Koning Artur, zie! Ik zie Sint Michiel
+zelven, den heiligen Held! Zijn brant vlamt en hij verslaat Lucifer! En
+werpt hem uit den Trone! Mijn heilige Patroon, ik zie! Sint Michiel!
+Sint Michiel! Ik zie daar de hemelsche foreesten en zij zijn vol draken,
+die ik bestrijden ga! Sint Michiel: hij wenkt mij! Ik zie Zwevende
+Scaeken, zóo vele, en Bloedende Speren en ik zie... ik zie den Heiligen
+Graal, de stralende Schale vol des Heiligen Bloeds, dat is Licht! Sint
+Michiel, ik kom! Uw ridder, dien gij ontvaen wel wilt, zal zich van de
+zondige cotte om de zondige leden ontdoen en komen tot u op, om te
+stralen in de diamanten rusting, die gij mij biedt! Ysabele, die ik
+minne, vaar wel! Gwinebant, zoete knape, vaar wel! De engelen, zie, zij
+dalen omneder, om mijn ziele te ontvaen!
+
+Langzaam opende Gawein zijne armen...
+
+En liet hij Gwinebant en Ysabele los.
+
+Zijn stervende oogen zagen verheerlijkt in der blikken breking omhoog,
+waar in glorie de Hemelen openden...
+
+Rondom in de nacht, in den walm der winddoorwaaide toortsevlammen over
+het buchtplein, knielden allen neêr.
+
+Vigeliën klonken:
+
+--God van Hemelrijk, die voor ons geboren werdt...
+
+ * * * * *
+
+Die volgende maanden werd er groote rouwe gedreven te Camelot om Gawein,
+die was--meenden allen nu--de allerdapperste ridder geweest van
+Tafel-Ronde en hij rustte in het grafgewelf onder de burchtkapel. Maar
+zijne ziele, daar waren allen ook zeker van, hadden de engelen mede
+gevoerd in Paradijs, naar Sint Michiel... En Koning Artur was zeer
+krank, dat was van ouderdom en van weemoed om Wonder en Avontuur, want
+hij begreep wel, dat zijne ridders er niet harde aan geloofden. Gawein
+was de laatste geweest, die er aan had geloofd, en de nieuwe ridders,
+hoewel zij valiante wiganten waren gebleken in de leste verdediging van
+Camelot, geloofden er heelemaal niet aan en meenden--had Koning Artur
+gehoord--dat alle Aventuur en daarmede samenhangende krijg van de oude
+Koningen onderling van geen belang meer was in de Nieuwe Wereld. En zij
+meenden, oorlog moest er komen met Parijs of met Keulen, om Logres en de
+andere koninkrijken van Brittannië tot bloei te brengen. Die moderne
+inzichten deden Koning Artur harde pijn in zijn oud koningsharte, vooral
+omdat hij wederom alleen met de nieuwe ridders was. Want de negen
+eersten: Lancelot, Gwinebant, Sagremort; Bohort, Ywein, Acglovael;
+Galehot, Hestor, Meleagant, waren te zamen, tot boete, naar Rome
+vertrokken als pelegrijnen; hunne zielen waren harde bezwaard om de
+meer of minder kwade scherts, dien zij met het door Merlijn gezonden
+Scaec jegens hun lieven gezel Gawein hadden bedreven. Zij hadden
+gemeend, Merlijn had hen ook wel mogen verzellen, maar Merlijn, die een
+toovenaar was, hoewel geen kwade, zeide, hij ging niet naar Rome en
+boete had hij niet te doen: geleid had hij alleen de dingen, die zonder
+hem toch zouden gebeurd zijn, volgens de wille der Almacht en der Tronen
+en Hiërarchieën... Goed begrepen de ridders niet wat Merlijn bedoelde
+met die opsomming der hemelsche machten, maar zij baden voor hem onder
+weg en in Rome... De Koning Artur, alle die lange maanden, zat, uit
+rouwe, niet aan de Tafel-Ronde, ook om de nieuwe ridders, wier twijfel
+en tegenzin hij had opgemerkt, niet te dwingen tegen hun ongeloof in:
+dat deed hem echter harde pijn en gaarne had hij wel eens alleen aan de
+jaspis-tafel gezeten maar liet dat na om Guenever, die melodie-vol hem
+zeide, dat het, nu hij krank was, zeer kwade was voor de gezondheid en
+ook voor de maag: de "fonteyne aller schoonhede" geleidde Koning Artur
+dan zoetkens van daar...
+
+Gebleven tot Camelot waren Koning Assentijn en Ysabele, tot troost van
+Koning Artur...
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXXV
+
+
+Oorlog dreigde er niet meer met Noordhumberland; tweemalen was Clarioen
+nu verslagen en hij zoû niet durven meer, zelfs al waren de negen
+wiganten tot penitentië Rome-waarts. En de winterdagen sleepten
+eentoniglijk voort; de sneeuw lag over de bladerlooze foreesten en
+zoomde met breed dons de barbekanen van Camelot, de tinnen en torens en
+bijna nimmer klonk het hoorngeschal der wachters: geen ridder trok deze
+landen door; de Noordewind blies om den burcht; de korte dagen deden dra
+in de namiddagen de weemoedigheden dwalen langs de donkere hoeken der
+kemenaden en omdat Koning Artur krank lag, waren zorg en droeve
+nagepeize niet te verdrijven van daar. En terwijl Koning Assentijn zat
+naast het bedde van Koning Artur en hem troostte met te herinneren aan
+het glorieuze Destijds, toen iederen dag, bijna! zich Aventure had voor
+gedaan--wel dagen van vermoeienisse vele, meende Assentijn, die nooit
+met de Tafel-Ronde gedweept had--zochten Guenever en Ysabele elkaâr. De
+jonkvrouw was blijde de zoete koninginne, van wie zij in trouwen
+Lancelots jeeste zoo veel gelezen had, nu te zien met eigene oogen en te
+beminnen als eene koninginne van minne en zij bekende zelve Gwinebant te
+minnen, altijd bemind te hebben en te hebben gelogen tot Gawein toen hij
+stervende lag, onder de koningslinde. En hoewel Guenever haar troostte,
+dat zij gelogen had uit caritate en hoewel de huispaap hare biechten
+hoorde en haar de heilige absolutië schonk, wilde Ysabele meer boeten
+dan alleen iederen dag aan Gaweins sepulker in het grafgewelf onder de
+kapelle te bidden voor zijne ziele en voor haar eigene vergeving en toog
+zij ter beêvaart, met de koninginne samen, die meende, een beêvaart was,
+om zoo trouwe, echtbreukige minne tot Lancelot, die zelve ter beêvaart
+was, beter dan nooit berouwe te toonen. Zoo dat langs de sneeuwige
+wegen, met hare edelvrouwen, koningin en princes barrevoets en in witte
+pij en de lange, wind verflakkerende keersen ter hand, en met ridders en
+wapenknechten ter begeleiding voor en achter, de beêvaaart volbrachten,
+drie dagen lang van kapelle tot kapelle; zij kwamen ook ter kapelle,
+waar, achter op den hove, Didoneel en Mordret door Gawein lagen begraven
+en zij baden voor hun beider zielen. Zij baden veel gebeds en zij deden
+veel goeds en zij schonken overal hare gaven maar zij waren wel blijde
+toen zij terug kwamen tot Camelot en zich warmen konden bij de groote
+vlammende vuren de verkleumde handekens en de verkleumde voetekens. En
+elkander vertellen van haar beider minne met minder wroeging, nu zij
+drie dagen in de sneeuw ter pelgrimagië waren geweest.
+
+Maar somwijlen riep Assentijn Guenever aan het ziekbed des Konings; die
+wilde zelve niet, dat Guenever immer daar toefde maar nu hij zelve zich
+sterven voelde, van dag tot dag, legde hij, als zij knielde bij hem,
+zijn groote, aderige hand over haar gouddraad-blonde hoofd en zeide
+haar, zij was toch altijd liefdevol voor hem geweest, als een
+dochterlijn en dat zij, nu hij haar verlaten ging, als koninginne van
+Logres zoû heerschen en dat hij haar ried, spoedig na zijn dood, zich
+een gemaal te kiezen: Lancelot ried hij haar aan. En zij weende zeer,
+hare tranen vloeiden over 's Konings handen en 's Konings kus zegende
+haar voorhoofd van zoete en trouwe zondaresse...
+
+Tot op een morgen, de negen pelegrijnen terug kwamen uit Rome. Onderweg
+hadden zij veel met malkanderen gesproken en hoe vreemd het was, van
+Wonder en Aventure; zij moesten malkanderen toe geven, dat het door
+Merlijn gezondene Scaec, waarvan zij allen geweten hadden, allerlei mede
+gesleept had, tot zelfs Schandekarren en belaagde damoselen toe, lace,
+tot zelfs Gaweins dood toe! Was alles niet geschakeld geworden het een
+aan het aêr, tot hunne bedevaart toe, waartoe zij zich hadden verplicht
+gevoeld? En toen zij terug waren tot Camelot, omhelsde Ysabele Gwinebant
+en omhelsde Guenever Lancelot en zeide hem met tranen, die vloeiden en
+haar nog schooner maakten, dat de Koning stervende was. En de negen
+wiganten verzamelden om 's Konings bedde, waarbij een vinder, dien de
+veêler begeleidde, zong van vroegere jeesten--die werden van alle
+ridders geboekt door de clerken en gepinghiert door schilders op de
+wanden der zalen--en zoo tusschen de zijnen en vizioenen van Wonder en
+Aventure, verscheidde Koning Artur, die heerschte over het Land van
+Logres, in zijn burcht tot Camelot.
+
+Toen de Koning in zijn koningsgraf, midden in het gewelf onder de
+kapelle--Gawein lag daar ook dicht bij--was bij gezet, huldigden de
+wiganten in bijzijn van Assentijn en Ysabele de Koninginne Guenever en
+zwoeren haar als vazallen en als baroenen de plechtige eeden. En toen
+duwde Bohort Lancelot naar voren, maar Lancelot en de anderen duwden
+Bohort, die was zoo reuzig groot en die zoû het wel goed kunnen zeggen,
+terwijl Guenever zoo zoetjes verlegen zat op den troonzetel met ter
+zijde zich hare gasten, Assentijn en ook Ysabele. En Bohort zeide het
+toen... Dat de Koninginne, om Logres' wille, om harer krone wille, een
+nieuwen gemaal moest kiezen... onder hen allen van Tafel-Ronde... En
+Bohort zeide het zeer goed, als of hij geen oogenblik dacht aan Lancelot
+en alle de anderen hielden zich ook heel goed, als of zij geen oogenblik
+dachten aan Lancelot. En toen Koninginne Guenever Lancelot koos--met
+schuchtere stem zeide zij hare keuze--toen deden zij allen of zij zeer
+verrast waren maar ook of zij hunner Koninginne keuze zeer prezen, want
+zij hieven blijde kreten aan en huldigden Lancelot als den aanstaanden
+Koning van Logres...
+
+Wat hielp het, dat ik het maakte lang? als de vinder in zijn jeeste
+zegt, telkens als hij op adem wil komen. Toen de winter voorbij was,
+brak de Wereldoorlog uit. Dat was tusschen alle vereenigde koninkrijken
+van Brittanië en Wallis, die zich vereenigd hadden met Parijs en met
+Rome tegen den Koning van Keulen. Wees des gewes, lezer, dat alle oude
+Koningen gevoeglijk dood waren en zelfs die goede Assentijn van Endi en
+ook Clarioen van Noordhumberland. En dat de schoone Gwinebant gehuwd was
+met de zoete Ysabele--zij beiden heerschten over Endi--en dat Lionel, de
+Ridder van de Kar, heerschte over Noordhumberland. Tusschen alle die
+jonge Koningen weefde de modern internatie-lijke politiek de nieuwe
+draden en een ontzaglijke heirmacht zoû onder hun aller leiding
+optrekken naar Keulen, waar ook een jonge Koning heerschte even als te
+Parijs en te Rome. Want al jonge Koningen heerschten er over de wereld:
+de Wereldoorlog zoû er een nooit geziene zijn...
+
+In Camelot en in Endi bleven de koninginnen, Guenever en Ysabele, die
+afscheid hadden genomen van Koning Lancelot en van Koning Gwinebant,
+alleen. Maar Guenever, die de voornaamste was der twee en de oudste ook,
+zond boodschap aan Ysabele of zij niet op Camelot wilde komen logieren
+tot dat hare beide Koningen en gemalen zegevierend uit den Wereldoorlog
+waren terug gekeerd. Ysabele nam dit dankbaar aan en kwam tot Camelot.
+En Merlijn, die wel eens aan kwam zweven op blauwen fenixvogel, maakte,
+dat de beide koninginnen iederen nacht droomden van hare Koningen en dat
+er twee wondertrompetten stonden op tafel, de eene vol van Koning
+Lancelots milde, diepe stem, de ander vol van Koning Gwinebants
+nachtegaalklaar geluid. En ook noodde Merlijn de beide koninginnen vaak
+uit om op den witten tooverwand in zijn eigen slot te komen aanzien de
+laatste wonderopname van de optijgende heirmachten: hij deed dat nu
+alles met de draadlooze theorië. En had ook de hoofschheid de edele
+vorstinnen te npoden zijn tooverwagen te bestijgen voor een tochtje of
+zelfs zijn fenixvogel, die hoog met haar steeg, boven de tinnen van
+Camelot en van Endi.
+
+Maar eigenlijk hield koninginne Guenever niet van alle die nieuwe
+enghienen, hoewel koninginne Ysabele er mede dweepte. En op een zoeten
+Meie-morgen--de Wereldoorlog zou weldra gedaan zijn; Wereldoorlogen
+duurden niet langer dan één enkelen winter--sprak zoete Guenever zoete
+Ysabele aan:
+
+--Mijne wellieve vorstinne en vriendinne, zoudt gij mij, in afwachting
+onzer wiganten en zegevierende Koningen, jolijt willen doen? Kom dan
+toch mede, in mijn Vergier van Vreugde, waar ik zoo vaak spansierde met
+mijn Lancelot, toen Koning Artur nog leefde. Daar staat de Wonderboom,
+de oude Wonderboom, die is mij van alle Merlijns enghienen nog de meest
+dierbare en Merlijn heeft hem harde wel op mijn verzoek gerepariert en
+wij zullen er onder zitten en de gulden vogelkens hooren zingen en de
+gulden bladerkens zien bewegen...
+
+En koninginne Guenever nam koninginne Ysabele mede naar haar vergier.
+De Meie bloeide alomme met bloesems en bladeren menigertiere maar het
+schoonste van haar hof, wees Guenever, was de Wonderboom, dien Merlijn
+haar reeds jaren geleden gemaakt had. En Ysabele zag den Boom, dien zij
+wel kende uit de jeesten der vinders en zij keek er glimlachend en harde
+nieuwsgierig heen. De rijke Boom was geheel en al van fijnen, rooden
+goud en stak breed de takken en twijgen uit, die waren alle van goud en
+op elke twijg, op elken telg stond een gouden vogelkijn, zeer proper en
+allerliefst. De Boom was wel gemaakt in alre maniere en van
+tooverschoonheden voldaan want aan elk schoon bladekijn hing een gouden
+bellekijn......
+
+En Guenever deed Ysabele zitten op de marmeren bank onder den Boom en de
+beide koninginnen zagen lachende op, terwijl hare edelvrouwen en pagiën
+ook kwamen zien en hooren. Want plotseling begon elk vogelkijn recht te
+staan en te beven als of het leefde en toen te zingen zoetekens, elk
+vogelkijn zijn geluidje en het klonk zoo schoon en klaar, dat de beide
+koninginnen er met verheugde zinnen naar luisterden. Bij zessen en
+zevenen zongen de vogelkens hunne liedekens, hoog en laag en toen
+begonnen ook de bellekens aan de bladerkens te klinkelen, hoog en laag
+en het stemde alles te zamen met melodië en met harmonië, en Guenever
+zeide, aandachtig heffende haar vingerkijn:
+
+--Hoort gij, wellieve Ysabele? Schooner muziekboom en klinkelt er niet
+voor de engelen in Paradijs! Al ware er een tot den dood gewond, ware
+hij hier eene stonde kort en moest hij hooren de vogelkens, van alle
+pijnen werd hij kwijt... En wij, zoete Ysabele, wij zullen, wachtende
+onze Koningen tot zij keeren zegerijk uit Wereldoorlog, luisteren naar
+die klare muzijk en vergeten de stonden des langen beidens. Want beneden
+den Wonderboom, wees des gewes, o Ysabele, is behendelijk en met list
+gewrocht een duiwere en daarin staan wel zestien mannen en hebben acht
+blaasbalgen in de handen en daarmede jagen zij met groote kracht wind in
+den Boom, van beneden in de wortelen tot boven in den top en wen zij
+bewaaien de vogelkens en mede de bellekens, zingen en klokkespelen zij
+allen zoo schoon te zamen... Hoort! Hoort!!
+
+--Hoort! Hoort! herhaalden zacht de edelvrouwen en zij staken allen,
+luisterend, vingerkens in de lucht.
+
+Toen, glimlachend, luisterde, ook de koninginne Ysabele. Alle de vrouwen
+zongen de muziek na en ook Guenever, verrukt, zong mede. En zij
+glimlachten allen en zongen. En de vogelkens klaterden hooger en de
+bellekens klinkelden lager. En het was àlles Wonder ende Tooverië....
+
+De beide koninginnen glimlachten elkander, zacht zingende, toe, vingers
+geheven. Toen zag Ysabele plotseling, dat in het gouddraad-blonde haar
+der "fonteyne aller schoonheden" een zilveren draad verglinsterde. En
+begreep Ysabele, waarom Guenever den ouden Boom liever had dan al de
+nieuwe enghienen.
+
+Maar zij zeide niets, de zoete Ysabele en eigenlijk was de zoetste
+tooverië, dat zij iedere nacht droomde van haar jongen gemaal, Koning
+Gwinebant, schoon als Sint Michiel!
+
+Plotseling klaterde boven de muziek van den Boom der torenwachters
+koperen fanfare: zij kondigden de zegevierende Koningen aan!
+
+En de koninginnen vielen elkander, terwijl Keye hinkende aan kwam met
+zware sleutelbos, om de poorten te ontsluiten, juichende in de armen.
+
+Toen wijdde zoete Ysabele tusschen fanfaregeschetter en klinkende
+tooverboomemuziek, hare ontroerde herinnering aan Gawein, de hoofschte
+hij, àller ridderen van Kerstenhede!!
+
+
+
+
+BIJ DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR VERSCHEEN MEDE VAN
+
+LOUIS COUPERUS:
+
+KORTE ARABESKEN
+
+(IN HERDRUK)
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Het zwevende schaakbord, by Louis Couperus
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET ZWEVENDE SCHAAKBORD ***
+
+***** This file should be named 14850-8.txt or 14850-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/4/8/5/14850/
+
+Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
+Proofreading Team
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.