summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/13705-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/13705-8.txt')
-rw-r--r--old/13705-8.txt7742
1 files changed, 7742 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/13705-8.txt b/old/13705-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..a92db43
--- /dev/null
+++ b/old/13705-8.txt
@@ -0,0 +1,7742 @@
+The Project Gutenberg EBook of Op reis en thuis, by Justus van Maurik, jr.
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Op reis en thuis
+
+Author: Justus van Maurik, jr.
+
+Release Date: October 11, 2004 [EBook #13705]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP REIS EN THUIS ***
+
+
+
+
+Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
+Proofreading Team.
+
+
+
+
+
+NOVELLEN EN SCHETSEN
+
+VAN
+
+JUSTUS VAN MAURIK JR.
+
+
+TWEEDE DRUK
+AMSTERDAM VAN HOLKEMA & WARENDORF
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ MET "DE AMALIA" VAN GENUA NAAR PADANG
+
+ I. BAL EN KERK AAN BOORD
+
+ II. COMEDIE-VOORSTELLING EN BEGRAFENIS AAN BOORD
+
+ III. IN DE ROOKKAMER
+
+ IV. EEN VERHAAL VAN DEN KAPITEIN
+
+ V. AANKOMST TE PADANG
+
+ SINT-NICOLAASAVOND AAN BOORD
+
+ EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK
+
+ EEN HUT BIJ DE KINDERKAMER
+
+ MULLER'S BUSTE
+
+ EEN LAUWERKRANS
+
+ EEN REGENACHTIGE DAG TE WIESBADEN
+
+ EEN WARME DAG TE WIESBADEN
+
+ DE LAATSTE DER OEMPAH'S
+
+ VOOR 'T LOKET--HOLLANDSCHE SPOOR
+
+ VROEG RIJPE JEUGD
+
+ EEN LANDGENOOT
+
+
+
+
+MET "DE AMALIA" VAN GENUA NAAR PADANG.
+
+I
+
+Bal en kerk aan boord.
+
+
+--Laat ze maar eens pret hebben; ze leven nu nog zonder zorg en hebben
+'t goed! zei de sergeant, die met mij stond te praten op 't voorschip
+van de _Amalia_, terwijl we van Genua af de Middellandsche Zee
+instoomden.
+
+--Wie weet hoeveel er over zes of zeven maanden nog over zijn van ons
+detachement van 80 man. 't Kan best wezen, dat ze nooit Europa terug
+zien; ik heb de reis al vier maal heen en weer gemaakt, meneer. 'k Heb
+er heel wat zien gaan en ook terugkomen--maar hoe!
+
+En 't ging intusschen vroolijk toe, vóóruit. Een Belg, een flinke jonge
+kerel, met een oolijk gezicht en een zwarten knevel, zat onvermoeid een
+groote drieklaviers harmonica te bespelen, een Hongaar begeleidde hem
+zoo goed het ging op de viool, een stoker sloeg flink in de maat groote
+trom en een matroos roffelde heel aardig op een kleine
+infanterietrommel. Tamboerijn, bekkens en triangel, door een paar
+soldaten met onmiskenbaar talent bespeeld, volmaakten het orchest dat
+onder de over de plecht gespannen zeilen allerlei populaire danswijsjes
+deed hooren.
+
+--Danzen ze nich arg nètjes? vroeg de bootsman, terwijl hij den kop van
+"leelijkerd", zijn hond, streelde.
+
+--'t Is volle liefhebberij om toe zien, hé? De man, een Noor, sprak met
+wonderlijk accent en speelde al pratend met zijn reiskameraad--een
+mormel zooals de dames verklaarden.--Hold je schtil, leelijkerd! hai wil
+wol 'r is janke, 't moesik vervèld 'm, maor hai zol dr'al aan gewoond
+konnen zain, want 't is zain vierte rais al; 'k habbe 'm van 't versoepe
+gered en noe is d'r so trouw. Oemdat 'r lilik was wolden ze hum
+versoepe--de bootsman lachte:--ik ben òk niet mooi oend ze versoepe main
+doch nich, zoo'n stomme dier wol doch ooch léve--hold dîn schnoet dan
+toch!
+
+--_Sei nich bös und schick digh d'rein!_, speelden harmonica en viool;
+bomketel, trom en triangel hielden goed de maat en op die slepende wals
+uit "Der Obersteiger" walsten in langzaam deftig tempo de soldaten met
+de stokers en de matrozen. Stijf als staken, rechtop, elkander
+vasthoudende als waren zij van porcelein, draaiden ze langzaam en
+voorzichtig rond. Blijkbaar vonden de overigen dat spilmatig ronddraaien
+buitengewoon mooi, en een paar dansers, een jong soldaat en een stoker
+met opgestroopte mouwen, en-coeur gedecolleteerd, als dame, trok de
+algemeene aandacht. Een ander paar, even chic en netjes dansend, bestond
+uit twee slagers; de een had 's morgens een koe, de ander het varken,
+dat nog in 't want hing, geslacht.
+
+--Zij doen 't netjes, arg fatsoenlijk, fain! zei de bootsman en met een
+goedig lachje:--zoo hold je die joengens bezig oend blijft 'r 't goed
+humeur in.
+
+'t Was waarlijk een alleraardigste groep, die soldaten van allerlei
+nationaliteit--er zijn Duitschers, Hongaren, Belgen en Zwitsers onder de
+aangeworvenen--babbelend, lachend, neuriënd, dansend en pretmakend niet
+de stokers en de Jantjes, die op dat oogenblik niets te doen hadden. 't
+Bal werd meer en meer geanimeerd. Een matroos danste gracelijk solo en
+de vroolijke tonen van 't primitieve orchest lokten de dames en de
+heeren van 't achterdek. 't Duurde niet lang of een groot aantal kijkers
+stond voor de afdeeling, bestemd voor de militairen. Zelfs de twee
+nonnetjes van de stichting "Le bon pasteur", die voor Suez bestemd zijn,
+de eene voor 't Lazareth, de andere voor de kleine kinderschool, stonden
+met lachende gezichten naar de vroolijke "jongens" te kijken.
+
+--Pauvres gargons! zei de eene.
+
+--Sont ils gais maintenant! que le Bon Dieu les protège zei de oudste
+die voor 't lazereth bestemd is.
+
+--Er zit nu geen jenever in en toch hebben ze schik, zei de sergeant,
+met wien ik met veel genoegen had kennis gemaakt. 't Volk krijgt aan
+boord twee maal per dag een oorlam'en daarmee basta!
+
+--'t Is een fatsoenlijk Zeedijkstafereel, lachte een toeschouwer en een
+ander beweerde: 't werkt aanstekend op de jonge dames, haar voetjes
+beginnen te trippelen. De zon was prachtig ondergaan en 't water bleef
+zoo glad en kalm, dat men zich nauwelijks verbeelden kon, de straat van
+Messina reeds te zijn gepasseerd. 't Blauwe water van de Middellandsche
+Zee was allengs grijs-groenachtig geworden en hier en daar gaf een
+blinkende ster reeds een lang wiebelend lichtschijnsel op 't even
+rimpelend zeevlak. Onze boot stoomde rustig en als glijdend voort en
+hoewel de wind wat koel begon te worden en soms een golfje deed ontstaan
+was 't heerlijk aan dek. De jonge dames, sommigen de kinderschoenen nog
+niet ontwassen, keken zóó verlangend naar die eenvoudige harmonica en de
+nog altijd op 't reeds duister geworden voorschip ronddraaiende mannen,
+dat de kommandant de hand over zijn goedig hart streek en een
+kwartiertje later zaten harmonicavirtuoos en violist op 't achterdek
+tegen de lichtkap van den grooten salon. In een ommezien zwaaiden en
+draaiden de jonge meisjes met een paar flinke luitenants en andere
+heeren, die de wals of den "pas de quatre" kenden.
+
+In gemakkelijke schommelstoelen gezeten keken de oudere dames
+toe--muurbloemen kent men aan boord niet--sommige heeren maakten een
+partijtje hombre of whist in de rookkamer, anderen stonden rookend tegen
+de verschansing, sommigen met de verzuchting in den rook van hun sigaar:
+"ils sont passés ces jours de fête."
+
+Soms is 't voor mijn oor alsof wals of "pas de quatre" maat houden met
+het stampen en dreunen der machine, met 't geruisch van 't water, dat
+opspat langs boeg en boord, vervloeiend tot een schuimend spoor achter
+'t schip, dat steeds onverpoosd voortstoomt, rustig zijn weg vervolgend,
+kalm en statig, als ware 't trotsch op zijn macht en bewust van de
+verantwoordelijkheid die het heeft. Soms wuift een zwarte rookpluim uit
+den schoorsteen omhoog naar achter, als een roet aan 't land, dat we
+heden morgen nog zagen; als een geruststellend teeken van kracht en
+volharding.
+
+ * * * * *
+
+--Wanneer het zulk weer blijft, zegt onze vriendelijke kommandant,
+bereiken we Port-Said Dinsdag ongeveer tegen 6 uur n.m.
+
+--En worden we nu niet meer zeeziek? vragen de dames, angstig en
+smeekend den kommandant aanziende.
+
+--Neen, dames!--Zóó kort beleefd en zoo stellig is zijn toon, dat alle
+gezichten opklaren en zelfs de meest zenuwachtige dame met een gerust
+hart haar couchette opzoekt, in de hoop van beter te slapen dan den
+vorigen nacht, toen schier allen haar tol aan de Middellandsche Zee
+betaalden.
+
+Maar 't kwam anders, want bij 't verlaten van de golf van Genua kwam de
+zee plotseling hevig in beroering en blies de wind zóó sterk uit het
+Zuiden, dat de zeeziekte eensklaps een aanval deed op de niets kwaad
+vermoedende passagiers.
+
+--Sakit lout! Sakit kras! klaagde een Baboe, die door een familie als
+finaal vrij van zeeziekte was aangenomen, om op haar drie kindertjes te
+passen.
+
+--'n Beroerd koopje! mopperde haar meester, die nu behalve op zijn vrouw
+en kinderen, ook op de Baboe moest passen, terwijl hij zelf nu en dan
+met doodsbleek gelaat een poosje over de verschansing ging hangen.
+
+--'n Ganz verflixtes, unheimliches Gefühl zei een Oostenrijker, die geen
+goed Hollandsch en goed Duitsch meer sprak. Maar ich habe ein
+Üniversalmittel dagegen--namelich viel Gläscher Bier.
+
+--Bier! ik kan 't niet zien, kreunde een ander die, een schokkende
+maagbeweging nauwelijks onderdrukkend, op een langen Singaporestoel
+uitgestrekt, klagend om 'n cognacje riep.
+
+--Zeeziek wezen is bepaald een penitentie, die heel wat slechte daden
+uitwischt, klaagde een dame en met eau de cologne haar wangen en
+voorhoofd bettend, zuchtte zij:--man, lieve man, zou je niet even uit
+onze hut wat bruispoeder ... willen halen, zei ze niet meer, want als
+door een adder gestoken vloog zij op, om met een sprong de verschansing
+te kunnen bereiken. Haar lieve man keek met roerende overeenstemming
+van gedachten naast en met haar in de diepte en toen zij samen waggelend
+weer hun stoelen bereikten, waren ze voor eenige oogenblikken opgelucht
+en werden 't dadelijk oneens over hun kinderen.
+
+'t Schommelde, stapte, slingerde en dreunde dan ook geweldig, de
+slingerlatten kwamen op tafel en toen we, aan table d'hote gezeten, de
+warme spijzen onder den neus kregen, waren er nog verschillende
+passagiers en dames, die eensklaps de vlucht naar 't dek namen.
+
+--Schade um's schöne Essen, zei de gemoedelijke Oostenrijker, die veel
+te dik en te stevig was om last te hebben van: ein schwankelender Magen
+im Leibe, zooals hij 't noemt.--Es ist eine dumme Idée, nichts zu essen,
+zei hij, smakelijk een vette kalfscarbonade verorberend;--de
+See-Krankheit kommt nur davon dass der Magen nicht fest liegt;
+volpropfen muss man ihn und viel Fett ...
+
+--Och meneer, hou op asjeblieft! ik wou graag wat eten, maar 't idee van
+vet maakt me al wee!
+
+--Was, wee! Fett schmiert der Magen und halt ihn fest im Corpus, ich
+esse für drei und mir bekommt alles gut.--Mefrou, doe so wie ich, dan
+soll je niks zu leiden hebben; hij klopte op zijn dikken gezelligen buik
+en lachte:--dáár sitz een laav Schpeck auf, die kan was gegenhalten.
+
+Er waren slechts weinigen aan tafel en 't aantal der etenden verminderde
+al naar het slingeren en stampen der _Amalia_ toenam. De Oostenrijker,
+een drietal oudgasten, een jong luitenant, die erg grootsch was op zijn
+immuniteit, twee heeren, die hoewel zeer bleek toch met verachting van
+alle gevaar dooraten en ik, bleven ten slotte over. De koffie werd
+gediend en door dat warme vocht bezweek nog een der bleekneuzen, die,
+alle vormelijkheid vergetend, met zijn hand voor den mond als een dolle
+naar boven stormde.
+
+--Der junge Mann soll nur gleich wieder herunter kommen und sich den
+Magen wieder voll thun, zei hoofdschuddend de Wiener en terwijl hij hem
+naoogde:--dan hat er weinigstens etwas für den folgenden Anfall!
+
+Die verzuchting klonk zoo komisch, dat zelfs een der Javaansche jongens,
+die wat Duitsch verstond, den mond een weinig vertrok, 't Zijn anders
+voorbeelden van onverschillige rust, die jongens; ze zien er zóó kalm en
+als uit chocolaad geboetseerd uit, dat 't me niet verwonderen zou,
+indien ze met dezelfde kalmte den ondergang der _Amalia_ zouden aanzien,
+zonder zich naar de booten te reppen.
+
+Sam, mijn hutjongen, is een van de mooisten, hij heeft een vrij
+fatsoenlijk gezicht en ik geloof dat hij, wanneer men hem langdurig
+kietelde, wel een begin van lachen zou vertoonen. Hij kwam met een
+ernstig gezicht vragen: "Meneer, stoeltje?" ik dacht dat hij 't
+vouwstoeltje dat in mijn hut stond wou hebben en gaf hem dat. Hij
+schudde 't hoofd en herhaalde: "meneer, stoeltje?"
+
+--Ik heb geen ander stoeltje, kijk maar!
+
+--Tida! Sam vragen, meneer, stoeltje, bopen?
+
+Goddank, eindelijk begreep ik dat hij vroeg of ik mijn stoeltje, n.b.
+een ding van pl.m. 2 meter lengte, ook boven op dek wou hebben. Een
+vriendelijk medepassagier onderrichtte mij dat "de jongens" als ze erg
+fatsoenlgk willen zijn, de aan den Europeaan toebehoorende artikelen
+steeds met het verkleinwoord aanduiden.
+
+"'t Stoeltje" werd op dek gezet naast al de anderen, waarop de arme
+zieken lagen te kreunen en te zuchten. Ik probeerde te zitten, half
+liggend, maar die houding beviel mij niet en daarom wandelde ik met den
+onverschrokken luitenant het dek op en neer, maakte mezelf compliment
+over mijn weerstandsvermogen en stak een nieuwe sigaar op. 't Begon
+harder te waaien, we zetten onze jaskragen op.
+
+Nog een paar uur bleven we als zeehelden het ruwe element trotseeren en
+wat de arme zieken niet konden zien, zagen en bewonderden wij, die
+prachtig witte koppen op de donkere golven, aanrollend, statig en met
+onweerstaanbaar geweld. Dan, als bedwongen, brekend tegen boeg en boord,
+opspattend en verstuivend door den wind. De maan kwam op en verlichtte
+nu en dan de woelige schuimende zee; achter in 't zog phosphoreseerde
+het water.
+
+--Präzis Klosterbräu, mooi wit sjuim! zei de Oostenrijker, over de
+verschansing kijkend.--Sepada, en met de hand over zijn maag strijkend
+tot den naderenden jongen: Minta bier! das Meer gibt mir Durst.
+
+Wat 'n gelukkige vent, dacht ik, de poëzie van 't leven blijft hem zelfs
+in deze oogenblikken bij.
+
+Eensklaps vlogen alle zieken op, rolden door elkander of namen de vlucht
+naar rookkamer en salon.
+
+Er was een zeetje overgekomen van stuurboordzij. Een luitenant met een
+leege maag, die in zijn burnou gewikkeld, manhaftig wind en zee
+trotseerde, was doornat; een dame had een doorweekten hoed; ja zelfs een
+hooggeplaatst ambtenaar, die zijn waarde erg voelde, was niet gespaard
+en trad druipend af. De zee kent geen consideratiën! Nog een paar
+overslaande zeetjes en 't dek werd ontvolkt; ik zocht mijn hut op en
+begon me te ontkleeden.
+
+'k Ben nooit dronken geweest maar nu weet ik, nu begrijp ik hoe iemand,
+die te diep in 't glas keek, zich gevoelen moet. Ik viel van rechts naar
+links, nu eens tegen de couchette aan, dan weer op mijn koffer of tegen
+den wand. 't Begon me akelig te draaien en ik geloof dat 't juist
+bijtijds is geweest, dat ik langscheeps lang uitgestrekt kon gaan
+liggen. Ik kreeg toen een aangenaam gevoel als werd ik zachtjes gewiegd
+en in slaap gezongen door 't geruisch der golven, 't gedruisch en
+gestamp der machine. Wél hoorde ik links, rechts, achter en voor mij
+allerlei verdachte en benauwde keelgeluiden, roepen om balies
+(bakjes).--O Gott, ein Nachtgeschirr!! en:--breng twee cognacjes. Soms
+zuchten en schreien van dames en kinderen, maagklanken, keelschrapingen
+en borrelend hoesten, maar deed mijn oogen toe en sliep in met de
+gedachte: de _Amalia_ is een beproefde oude vrienden van de zee,
+kommandant Visman een ervaren bevelhebber en zijn officieren en
+manschappen doen hun plicht in ieder opzicht.
+
+Er is iets geruststellends in te weten, dat er over u gewaakt wordt in
+den duisteren nacht, dat van af brug en voorsteven een flinke Janmaat
+met spiedend oog op den tuikijk staat en dat het schip, al kraakt en
+dreunt het ook geweldig, krachtig en sterk is, beproefd door vele
+reizen.
+
+ * * * * *
+
+In de zwak belichte ruimte van 't logies voor Militairen staat de
+sergeant, die Bijbellezing zal houden. Hij is een fatsoenlijk uitziend,
+kalm, bedaard man, van middelbaren leeftijd, 't Licht uit de
+partrijspoorten schijnt op zijn gladgeschoren gelaat en kaatst fel terug
+op 't glimmend gepoetste expeditiekruis en de medailles, die zijn
+uniform versieren.
+
+Hij is niet gekommandeerd tot de godsdienstoefening, de bijbellezing
+wordt door hem niet op bevel gehouden en de militairen zijn niet
+gehouden die aan te hooren.
+
+--'t Is puur liefhebberij van weerskanten, zei een van de equipage die
+mij vertelde dat er 's morgens om negen uur godsdienstoefening zou
+worden gehouden.--De sergeant is een beetje in den Heere, maar--de man
+tikte even met de hand aan de uniformpet--alle respect voor hem, 't is
+een patente kerel, een vent, die orde onder zijn jongens weet te houden.
+Ze mogen hem allemaal even graag lijden, want hij is zooveel als 'n
+mensch, zie je? Hij weet te geven en te nemen en hij heeft hart voor z'n
+mannetjes. 'k Heb vroeger wel meer van die lui ontmoet, die 't erg van
+Onze lieve Heer beet hadden, maar die verveelden je satansch, met 'rlui
+gewauwel. Dat doet deze sergeant niet! Begrijp je, daarom kan ik hem
+velen, hij gebruikt z'n verstand en hij zeit bij z'n eigen: lust je niet
+van de kost, die ik oplepel, welaan zet er je mond dan niet aan, ik zal
+je niet forceeren. Dat's royaal gesproken en daardoor komt het dat de
+jongens Zondags naar hem komen luisteren; ik mag hem ook wel af en toe
+'reis hooren. Hij kan 't zoo netjes zeggen, dat je dadelijk begrijpt wat
+hij meent en dat 't door je boddy en je ziel gaat. Vroeger heb ik, als
+ik niets beters te doen had, in de kerk naar den dominee geluisterd,
+maar dat was me gewoonlijk te machtig, hé? Die hemeldragonders maken
+meestal zoo'n herrie bij 't geen ze zeggen en schelden je reëel uit voor
+verdommelingen en meer rariteiten--daar moest ik niemendal van hebben.
+Maar deze sergeant mag ik wél, die meent wat ie zeit en hij zeit 't
+kort: pas op je plicht, doe je zaken, hou je neus uit de polletiek ga je
+niet te buiten aan de jandoedel en hou groot van Onze lieve Heer en
+bedank 'm voor al 't genige wat hij aan je doet. Zie je, meneer, dat is
+zoowat schering en inslag van z'n redenasies. Daar kan ik me best mee
+vereenigen en als je dan weet dat die sergeant geen slaapmuts is en op
+z'n tijd die bruine sloebers afgerazend op 'r falie heeft weten te
+spelen, dan zeg je: laat 'm z'n liefhebberij! 'n Mensch kan d'r altijd
+wat van leeren, 'n goed woord kun je altijd gebruiken. Ja, de sergeant
+is 'n aardige kerel. Je zult ze van avond reis hooren zingen, de
+jongens; hij heeft ze zooveel als gesorteerd, begrijp je, de moffen bij
+mekaar, de belsen ampart en de Hollanders sok op der eigen. De moffen
+zingen d'r lui eigen liedjes, de belsen en Hollanders laat ie samen die
+moppies van Sanky instudeeren; 't bennen liederen van godsdienstige
+aard, maar ze klinken mooi--nou, wat wil je meer? Om de klank is 't 'm
+toch maar te doen, hè! Begrijp je, meneer! als je zoo'n sergeant bij 'n
+detachement hebt is 't 'n pleizierig ding. Daar mag de kapitein net zoo
+blij mee wezen als met 'n goeie Baboe voor z'n kinderen; op reis is
+zoo'n onderofficier vrij wat beter dan 'n bullebak of 'n kerel die de
+jongens stijf vloekt. Wil je wel gelooven, meneer dat ik den sergeant
+nog nooit een onvertogen woord heb hooren zeggen--hij is altijd ferm bij
+de pinken, maar fatsoenlijk als een sjentelman....
+
+'t Is negen uur (twee glazen); in het logies zitten een groot aantal
+soldaten op de banken langs de eettafels, velen met een klein bijbeltje
+in de hand, anderen hebben plaats genomen op hun kist, op bankjes of op
+den grond. De sergeant staat voor de tafel en leest met duidelijke stem
+een kapittel uit den bijbel, hoe Johannes de Dooper kwam om den weg voor
+Jezus te bereiden. Met aandacht volgen de soldaten hem en als hij dan,
+het boek sluitend, in eenvoudige, duidelijke taal het gelezene toelicht
+en op de soberheid en matigheid wijst van Johannes, die zich met water,
+wilde honing en sprinkhanen voedde, zegt hij:--Zoo moet jelui nu
+bedenken, dat 'n mensch nooit matig genoeg kan wezen; jelui hebt het
+veel beter dan zoo'n man als Johannes, jelui hebt wat je hart begeert en
+wat je mond lust waarom zou je Gods goede gaven dan misbruiken, dat's
+nonsens! Maar je mag ze met dankbaarheid genieten, daar heeft God zelf
+vreugde in, maar 't is dom en onrecht om je te buiten te gaan en je zelf
+in een toestand te brengen, dat je niet meer weet wat je doet. Dan stel
+je je nog lager dan 't reddelooze vee; 'n beest gebruikt nooit meer dan
+ie noodig heeft, daar kon jelui nog een exemplaar aan nemen. Johannes
+zag de geest Gods neerdalen in den vorm van een duif op 't hoofd des
+Heeren, dat beduidt zoo veel, alsdat hij begreep dat de Heer Jezus zóó
+veel hooger en beter was dan alle andere menschen dat hij een gezant
+was, van God gesteld tot een voorbeeld voor anderen. Jezus was de man
+niet om opzet of oproer te prediken, integendeel, hij spoorde de
+menschen aan om den Keizer te geven wat des Keizers was, maar hij leerde
+de menschen dat ze d'r eigen waarde moesten kennen, dat ze in zichzelf
+de overtuiging moesten krijgen, dat ze goed moesten wezen omdat goed,
+goed en kwaad altijd kwaad is, enz. enz.
+
+Allengs spreekt de sergeant met meer vuur en vloeiender. Hij wordt warm
+voor zijn onderwerp en hij weet zijn eenvoudige woorden ingang te doen
+vinden bij zijn hoorders. Hij weet ze zelfs zóó te boeien dat de
+noodkreten van een varken, dat aan dek ruzie heeft met zijn hokgenoot
+geen hilariteit te weeg brengen. 't Kakelen van de kippen en 't kraaien
+van een paar vechtlustige hanen werkt evenmin storend op de aandacht als
+het jammerend geluid van den ulmerdog, die naast zijn hok een solo
+huilt.
+
+Met 't lezen van een paar verzen, uit een psalm en een kort gebed,
+waarin Koningin en Vaderland hartelijk in Godes bescherming worden
+aanbevolen, sluit de sergeant de godsdienstoefening die een groot half
+uur geduurd heeft. De soldaten gaan weer aan dek en ik verlaat hun
+logies. Inderdaad, ik heb gesticht deze godsdienstoefening verlaten!
+
+
+II.
+
+COMEDIE-VOORSTELLING EN BEGRAFENIS AAN BOORD.
+
+
+Sedert eenige dagen zweefde er aan boord van de _Amalia_ een zekere
+geheimzinnigheid door de warme, loome lucht in salon en rookkamer. Wat
+er op til was, wist eigenlijk nog niemand, maar uit verschillende
+voorteekenen was toch op te maken, dat er spoedig iets bijzonders
+gebeuren zou. Verschillende jonge dames en luitenants waren, in een
+hoekje, bezig met schrijven en bedekten, zoodra iemand naderde, 't geen
+zij schreven met hun vloei of hun hand. Zelfs in de kinderkamer had men
+een paar oudere dames fluisterend zien praten met een sergeant van het
+detachement en een nieuwsgierig jongmensch, die haar van uit zijn hut
+bespied had, kwam in de rookkamer de tijding brengen: "Verbeeldt je, ze
+hebben een groote blauwe hansop, een zoogenaamden apenbroek voor den
+sergeant gemaakt; ik heb gezien dat ze hem 't ding aanpasten!"
+
+Van 't voorschip waaiden herhaalderlijk melodieën over, door
+mannenstemmen gezongen en boven op de groote kap der rookkamer, klommen
+dagelijks heimelijk vier man en een sergeant, met stokken gewapend, om
+zonnehitte of wind trotseerend, dáár een oefening in 't schermen te
+houden. Er was dus, zoo veronderstelde men, een verrassing in aantocht;
+niemand wist er evenwel het rechte van, vóór den 13en Mei, toen men bij
+de lunch naast zijn bord een net geschreven kaart vond, luidende:
+
+ #Programma#
+
+ van de Uitvoering der Soldaten-Vereeniging
+ "Wilhelmina," op 13 Mei 1896,
+
+ 's avonds 8-1/2 uur.
+
+Verschillende voordrachten en zangnummers beloofden een waar kunstgenot
+en een pantomime zou den avond besluiten.
+
+Het raadsel was dus eensklaps opgelost. Iedereen prees de vlijt der
+jonge dames, die, met de luitenants, meer dan zeventig maal den tekst
+der zangnummers, welke ten gehoore zouden worden gebracht, hadden
+uitgeschreven en men lachte over het feit, dat een paar andere dames van
+een harer kleeding stukken een klowns-pak hadden geknutseld voor den
+sergeant, die in de pantomime zou optreden. 't Werd verder ruchtbaar dat
+verschillende heeren stukken van hun garderobe in bruikleen hadden
+afgestaan aan sommige medespelers.--Ja! 't verluidde zelfs, dat een der
+officieren zijn uniform en sabel voor dien avond had beschikbaar
+gesteld.
+
+De kinderen juichten van vreugd in 't voor uitzicht den heelen avond te
+mogen opblijven en naar de komedie te zullen gaan en de ouderen vonden
+zoo'n afwisseling op de vrij eentoonige reis niet onaardig.
+
+Intusschen begon Kees, de kwartiermeester, die behalve zijn betrekking,
+ook nog de functiên van politieagent over de lieve jeugd, van
+opredderaar en schoonmaakster uitoefent, met een paar van 't volk en den
+bootsman het tooneel op te slaan.
+
+De administrateur, aan wiens groote bekwaamheden als
+tooneeldirecteur-decorateur-tooneelmeester-inspicient ik een woord van
+lof niet kan en mag onthouden, nam de generale leiding op zich en de
+eerste machinist zorgde voor de electrische verlichting.
+
+Het stoomschip "de Amalia" bezit een eigen tooneel-decoratief, indertijd
+vervaardigd door een passagier, een photograaf-artist, die zich door het
+scheppen van dit kunstgewrocht een onsterfelijken roem heeft verworven.
+
+Het voorscherm, dat echt oprollen kan, even als in een heusche komedie,
+is ontwijfelbaar geniaal ontworpen en magistraal uitgevoerd.
+
+Twee figuren, waaronder de artist, om mogelijke verwarringen te
+voorkomen, de namen Apollo en Erato schreef staan in dansende houding op
+een nogal soliede, vettige wolk.
+
+Klokslag half negen waren alle plaatsen bezet--ook op 't schellinkje zat
+een gedistingeerd publiek, n.l. de eerste officier en de eerste
+machinist met andere officieren en gewone stervelingen. Zelf
+"leelijkerd" de hond van den bootsman, had daar een plekje gevonden, van
+waar hij met den ruigen kop op de voorpooten, met zijn verstandige oogen
+het schouwspel kon aanzien.
+
+Het was heerlijk weer, erg warm, maar daaraan raakt men op 11°.38 NB. en
+53°.40 OL. wel gewoon. De boot slingerde niet zoo veel als 's morgens,
+toen er zelfs nog even sprake van was, dat de voorstelling niet zou
+doorgaan, maar onze komandant had gezegd: "'t zal wel losloopen van
+avond"--en 't liep los!
+
+Na een schitterende ouverture, door "de gloeiende pook," het
+puik-muziek-corps der stokers, met veel brio gespeeld, begon de
+voorstelling.
+
+'t Publiek had bepaald plezier--er heerschte een echt prettige toon en
+van 't schellinkie af werd met stalles en ander publiek menig hartig
+woordje gewisseld. Soms klonk het heel familiaar--"O! Hein geef de
+flesch reis an, we zullen 'n krakertje nemen!"
+
+De voordrachten slaagden uitmuntend en eenige millitairen, die
+acrobatische toeren en platische standen ten beste gaven werden
+uitbundig toegejuigd.
+
+De entre-actes werden verdienstelijk aangevuld door Soli op groote trom,
+triangel, harmonica of tamboerijn of ensemble nummers van "de gloeiende
+pook." Trots het slingeren van 't schip slaagden de gymnastische standen
+van twee en drie hoog menschen op elkaar vrij goed en toen ze éénmaal
+door de zee werden omgeworpen lachten de executanten het hardst.
+
+De kommandant, die zeer bescheiden, achter de stalles een plaatsje had
+gezocht, om meteen een oogje te kunnen houden over 't publiek daar
+achter, dat nog al gemengd was, deed intusschen met groote vrijgevigheid
+allerlei versnaperingen ronddienen.
+
+Hij blijft altijd even kalm en vriendelijk, maar toch ziet men het hem
+aan, dat hij schik heeft in zóó'n uitvoering, al zou 't maar alleen
+zijn, omdat zijn passagiers er een aardige afleiding door hebben.
+
+'t Was heel eigenaardig, zoo'n voorstelling bij te wonen, terwijl de
+boot, nu en dan sterk overhellend, gedurig zachtkens schommelend door de
+deining van den Indischen Oceaan, met den gewonen spoed van 70 mijlen
+per etmaal door de golven sneed.
+
+'t Gedruisch van 't water, 't gedreun en gestamp der onvermoeid,
+onophoudelijk doorwerkende machine merkte men nauwelijks meer,--men
+raakt allengs aan die geluiden gewend. Alle aandacht was op tooneel en
+spelers gevestigd. Men vergeet feitelijk voor enkele oogenblikken, dat
+men zich op een bodem bevindt, die, hoe groot en stevig ze ook moge
+zijn, toch als een notendop kan worden heen en weer geslingerd, zoodra
+het verraderlijk element zich weren wil.
+
+'t Moet, dunkt mij, voor den kommandant aangenaam zijn om te zien, te
+ervaren, hoe gerust al die menschen daar te samen zijn. Hij moet juist
+in zulke oogenblikken gevoelen dat men het volste vertrouwen in zijn
+kunde en ondervinding heeft,--maar tegelijk zal hem ook zijn groote
+verantwoordelijkheid te binnen schieten, als hij zóó veel menschen voor
+zich ziet, die aan niets anders denken dan aan hun amusement.
+
+ * * * * *
+
+Op 't achterdek klinkt vroolijk het orkest van "de gloeiende pook";
+wals, mazurka en pas de quatre wisselen elkander af, luchtig en jolig
+draaien de paartjes rond, puffend van de warmte, met wangen rood en
+gloeiend van pret en vóór in 't logies der Javanen ligt Sariman, de
+jongen van den kommandant, te sterven. Niemand weet het, want niemand
+heeft opgemerkt, dat Sariman vroeg ter kooi is gegaan.
+
+Voormiddags had de kommandant hem nog laten roepen om iets voor hem te
+doen--een kleine reparatie aan een kleedingstuk.
+
+Sariman had de jas gehaald en was er zwijgend mee naar beneden gegaan.
+
+Een inlander zegt altijd zoo weinig mogelijk en Sariman was een
+dergenen, die nog minder zei: hij was niet jong meer en had reeds
+herhaalde malen op vroegere reizen kleine ongesteldheden gehad. Wat een
+Javaan scheelt, komt men bezwaarlijk te weten; hij klaagt zelden en zegt
+alleen wanneer hij zich niet wel gevoelt "Sakit!" Is 't heel erg dan
+noemt hij 't "Sakit kras," meer kan men niet van hem te weten krijgen en
+obat-blanda (geneesmiddelen) neemt hij hoogst ongaarne in.
+
+Zóó had ook Sariman gedaan. In 't begin van den avond had hij gezegd
+"Sakit!" en tegen 't vallen van den nacht "Sakit kras!" Meer niet. Hij
+was gedurende de feestvoorstelling ongemerkt ter kooi gegaan en toen de
+Mandoer (de opperkellner) hem 's morgens om 5 uur, als naar gewoonte
+wilde wekken, vond hij hem dood en reeds verstijfd.
+
+Arme kerel! misschien had hij daar in zijn donker benauwd logies nog
+een oogenblik gedroomd van zijn land--hij was een Orang-Soerabaia--van
+de groene bergen van Java, van den Klapperboom, die bij zijn geboorte
+was geplant en zijn ouderdom vertegenwoordigde. Wellicht was hij nog in
+gedachten bij zijn vrouw en kinderen geweest, terwijl hij zich "sakit
+kras" voelde--en misschien ook niet, want een Javaan, zegt men, denkt
+zeer weinig, niet verder dan 't oogenblik. Ik wil voor Sariman hopen,
+dat hij een dier gelukkigen was!
+
+De dokter constateerde den dood en uitte als zijn meening dat de Javaan
+ingeslapen en in den slaap door stilstand van het hart gestorven was. 't
+Lijk werd dadelijk in een zak genaaid, gezwaard met een aantal zware
+ijzeren roosterbaren en op de plank gelegd.
+
+ * * * * *
+
+Eén glas aan de klok!--half negen.
+
+Op 't voorschip is 't plechtig stil, de soldaten zitten in afwachting,
+hier en daar op den bak of tegen de verschansing. De Javanen, die op het
+schip in dienst zijn, naderen in hun witte baadjes met den hoofddoek om,
+de Mandoer gaat voorop. Midden op 't schip ligt het lijk van Sariman op
+de plank, overdekt met een vlag; de kommandant staat aan stuurboord bij
+de verschansing en wenkt.
+
+De eerste officier in groot tenue, met witte handschoenen aan, geeft een
+teeken en de Javanen vatten de plank aan de touwen hengels op. Zij
+dragen hun gestorven makker langzaam het voorschip rond.
+
+Voorop gaat de eerste officier met den dokter, dan volgen twee matrozen
+in 't wit, hun zondagspak, en daarna komt het lijk, twee matrozen
+sluiten den kleinen stoet.
+
+Met korte doffe slagen luidt de scheepsklok. 't Is nu de doodsklok; men
+hoort dat onmiddellijk! Er klinkt een eigenaardig-droeve sombere toon
+uit die groote metalen bel, die anders zoo vroolijk klinkt.
+
+Bom! Bam! Bom! Bam! in een langzaam en getrokken tempo galmen de slagen
+door de zuivere heldere lucht.
+
+Ernstig kijken de militairen en matrozen naar den omgaanden stoet; de
+enkele passagiers, die zich haastig hebben aangekleed, staan van verre
+en de sergeants salueeren als 't lijk hen voorbij gaat.
+
+Driemaal is de doode rondgedragen. Bom-bam! Bom-bam! luidt de klok, iets
+minder krachtig, terwijl de plank bij de verschansing wordt neergelegd.
+
+De Javanen laten de touwen los en de vier matrozen, twee voor, twee
+achter, grijpen de plank aan.
+
+--Stoppen! beveelt de kommandant.
+
+De machine komt een oogenblik in rust. Zonderling stil is het eensklaps
+geworden, men hoort alleen 't zacht ruischen van de golven en 't
+langzame kleppen van de klok, die steeds zachter schijnt te klinken:
+Bom-bam!
+
+--Mannen doet uwen plicht!--de kommandant neemt na die woorden zijn
+uniformpet af, en wacht een oogenblik, totdat hij ziet dat het lijk met
+de voeten over de verschansing ligt. Dan zegt hij duidelijk en langzaam,
+plechtig, met vaste stem, op ieder woord klem leggend:
+
+--Eén--twee--drie--in Godsnaam!
+
+Bom--bam!... Bom--Bam! doet nog zachter en weemoediger de klok--de plank
+wordt aan de achterzijde opgelicht, het lijk glijdt er af, plonst in de
+golven en is in 't zelfde oogenblik in de diepte verdwenen.
+
+Bom--Bam! heel zacht sterft tegelijk met het wegzinken van het lijk de
+galm van de klok, die over een kwartier twee heldere slagen, de glazen
+van negen uur zal doen hooren.
+
+Er is een ziel minder aan boord--de meesten hebben het niet gemerkt,
+want door de pret van den vorigen avond zijn bijna allen laat opgestaan.
+
+Zóó is het leven!--Komen en gaan--onopgemerkt en stil of met groote
+staatsie en ophef. 't Is maar de vraag wie--wat men is!
+
+
+III.
+
+IN DE ROOKKAMER.
+
+
+--Minta ajer djeroek! riep ik den tegen de kajuitskap leunenden
+Javaanschen jongen toe.
+
+Kròmò hief slaperig het hoofd op, antwoordde half luid:--Saja toewan! en
+staakte de regelmatige beweging van zijn bijzonder ontwikkelde groote
+teenen, waarmee hij, als met vingers, de maat sloeg van het liedje, dat
+in de rookkamer op een accoord-cither werd gespeeld.
+
+Een oogenblik later dronk ik het glas verfrisschend citroenwater waarom
+ik gevraagd had en vroeg:--Siapa bekin sitoe moesiek? (Wie maakt daar
+muziek)?
+
+--Toewan dokter, di roemoh roko! en Kròmò, die voor een inlander
+bijzonder veel en lang gesproken had, keek weer onverschillig in zalig
+dolce far niente naar zijn bloote voeten, leunend tegen de witte kap,
+waarop de heete zonnestralen brandden.
+
+De meeste passagiers, die de warmte in de Roode Zee ondragelijk vonden,
+deden, in hun hutten, een middagslaapje, of lagen puffend en duttend op
+hun lange stoelen onder de zonnetent.
+
+'t Was stil aan dek, want de lieve kindertjes, die anders door hun
+stoeien en gejoel er wel voor zorgden dat de rust der passagiers niet al
+te diep werd, waren beneden. De klanken van de accoord-cither bereikten
+ongehinderd mijn oor, zelfs het ruischen van het water en het gedreun
+der machine schenen mij minder luid en krachtig dan gewoonlijk.
+
+Ik luisterde, evenals Kròmò, naar de zacht trillende tonen, die aan het
+instrument werden ontlokt.
+
+Nieuwsgierig keek ik even in de rookkamer.
+
+Kom binnen, meneer van Maurik, zei de dokter en wendde zijn, door de
+tropen gebruind, gelaat vriendelijk naar mij toe.
+
+Ik wil u niet hinderen: u is zeker aan 't studeeren?
+
+--Och ja! ik neem de gelegenheid waar; nu hinder ik niemand door mijn
+getjingel.
+
+--Hoe bescheiden dokter! u speelt heel goed.
+
+--'t mocht wat, ik probeer het, maar het is nog lang niet gemakkelijk om
+op zoo'n machine te spelen. 'k Heb het even voor mijn afreis in Holland
+gekocht en oefen me nu een beetje, volgens de methode, die er bij is.
+
+'t Klinkt al heel lief, dokter.
+
+--Ja, dat is het woord, het geluid is nog al sympathiek, maar mijn spel
+is alles behalve artistiek, Betoel!
+
+--Al doende leert men!
+
+--'t Is in ieder geval muziek; ik weet niet in welk garnizoen, op welken
+buitenpost ze mij misschien stoppen zullen. Een pianino heb ik niet en
+ik ben een liefhebber van muziek, ja! Bij gebrek aan brood eet men de
+kruimels!
+
+--Is 't moeielijk om op zoo'n cither te spelen?
+
+--Volstrekt niet, met 'n beetje oplettendheid en wat maatgevoel breng je
+het een heel eind ver. Kijk maar! al de snaren en toetsen zijn genummerd
+en de muziek ook.
+
+De dokter sloeg een paar bladen om van het muziekboekje, dat op 't
+lessenaartje lag en speelde à prima vista "_Freude schöner
+Götterfunken_!"
+
+--Zie je wel dat 't goed gaat, als je maar oplet, het klinkt, betoel,
+heel aardig!
+
+Weer sloeg hij een blaadje of wat om, maar toen hij het daarop staande
+lied, "_Leise, leise, frommer Weise_," Agathens gebed uit _der
+Freischütz_, begon te spelen, trilden zijn vingers en zuchtte hij een
+paar maal. Hij hield eensklaps op en zei, met een min of meer vreemden
+blik mij aanziende:
+
+--Ik kan dat ding nooit hooren zonder beroerd te worden, ik wist niet
+dat het in dit boekje stond. Ik heb het in lang niet gehoord. Vroeger
+was het een aria, die ik machtig graag hoorde, maar later ging het me
+altijd koud door de leden als iemand ze speelde. Zelfs nu nog word ik er
+zenuwachtig van.
+
+--Hoe zoo dokter?
+
+--Hij zag me een oogenblik aan.--'k Wil het toch uitspelen, zei hij
+zacht, maar zijn lippen beefden. Nog een paar maten van de
+liefelijk-melancholische melodie trilden uit de snaren, toen hield hij
+op:--Arme kerel! zei de dokter binnensmonds--'t is eeuwig zonde en
+jammer geweest!
+
+Met nerveus bewogen vingers speelde hij tot het einde en toen, terwijl
+hij het boekje haastig dichtsloeg, als wilde hij die noten niet meer
+zien, vroeg hij:--vindt u me niet kinderachtig?--maar het was ook zoo'n
+trouwe kameraad, zoo'n beste jongen!
+
+Zijn goedige bruine oogen werden vochtig en ik zag hoe zijn onderlip
+beefde, hij beet een paar maal op zijn knevel, voor hij vertelde:
+
+--Dat eenvoudig stukje muziek brengt me altijd een treffende episode
+voor den geest, uit den tijd toen ik in Atjeh was. 't Waren moeielijke
+dagen, die we er doorbrachten, menig makker heb ik daar verloren,
+gedurig hadden we te lijden van de verraderlijke overvallen van de
+Atjehers. Je was geen oogenblik zeker, ze beschoten ons, waar en wanneer
+ze maar konden. Soms lieten ze ons weken achtereen met rust, maar je
+bleef natuurlijk altijd in spanning.
+
+Ik ben wel dikwijls 's nachts plotseling uit mijn bed geblazen. 't Is
+een angstig gehoor zoo'n signaal. "Om den dokter!" het klinkt
+onheilspellend uit de verte, van de posten.
+
+Destijds had ik een goed vriend, een tweede luitenant, jong en opgeruimd
+evenals ik. 't Was een kranig officier, een kerel als een boom en kern
+gezond. Hij had altijd schik in zijn leven, geestig en grappig was hij
+de ziel van onze gezellige bijeenkomsten. Als hij er maar bij was, kon
+je zeker zijn dat een fuif goed afliep. En een hartelijke
+jongen!--uitstedend, humaan, goed voor iedereen. 'k Herinner me nog dat
+ik eens van een rit langs de posten terugkwam in een hevige koorts--ik
+voelde dat ik wat onder de leden had. 'k Zag geen kans meer om mijn huis
+te bereiken--'k viel dus bij hem binnen. Kerel! riep ik, geef me gauw
+wat brandy-soda, 'k ga anders van m'n stokje. 'k Had nog juist de kracht
+om dat te zeggen. Hij heeft me verpleegd, totdat er andere hulp was; hij
+holde zelf naar de Soos om champagne en ijs.--Enfin! hij heeft alles
+voor me gedaan, alles beredderd, want ik werd zwaar ziek en de
+champagne--ik heb heel wat fleschjes gebruikt--kostte zijn lieve duiten,
+het tractement van 'n luitenant permitteert anders zoo'n luxe niet,
+ja?--Maar hij was van die kracht, weet je, dat hij zei:--'t _moet_ er
+wezen en dan kwam het er!
+
+In één woord: hij was een kerel met een hart als van goud, 'n beetje
+zieltje zonder zorg, die soms dacht dat een dubbeltje twintig centen
+had, maar overigens een officier, die hoog stond aangeschreven; een vent
+waar ze op aan konden. Hij had verbazend goed slag om met de soldaten om
+te springen, hij kreeg alles van ze gedaan, want hij behandelde ze als
+menschen, zie je? Ze vlogen voor hem en toch was hij streng, hard als 't
+noodig was. Van tijd tot tijd had hij, wat hij zelf noemde, "zwarte
+buien." Dan was hij somber en in zichzelf gekeerd, soms dagen lang.
+Meestal hield hij zich dan schuil en wou niemand zien:--"hij wou geen
+mensch met zijn mistroostig bakkes vervelen," zei hij en piekerde liever
+alleen.
+
+Wonderlijk genoeg had hij dan, na zoo'n bui, altijd een voorgevoel. Soms
+zei hij dan plotseling: "Over een paar maanden is die of die er geweest.
+Zeg 'm maar goeien dag, als je 'm nog ontmoet!" In den beginne lachten
+we hem uit, we noemden hem de ongeluksraaf en ik zei: "ik zal je 'ris
+wat geven, kameraad, je digestie is bepaald weer niet goed."
+
+Maar toen zijn profetiën een paar malen waren uitgekomen, konden we er
+den draak niet meer mee steken. 't Was te akelig. We zeien dus: "Amice,
+hou die dingen liever voor je." Dan keek hij je meestal zoo zonderling
+aan en zei: "'k Wou dat ik het kon!"
+
+'t Was alsof langzamerhand die eigenaardigheid bij hem uitsleet, want
+hij zei niets van dien aard meer en was de joligste, prettigste makker,
+dien we verlangen konden, maar eens op een avond, wel een jaar later,
+begon hij weer. We hadden met een clubje makkers in zijn voorgalerij
+gezeten, heel gezellig bij mekaar. We dronken brandy-soda en zetten een
+boom op, over allerlei dingen. Hij was de gezelligste van allen, tapte
+de eene ui na de andere en was nog moppiger dan anders. We soupeerden
+wat, staken lekkere Havana's op, die ze hem van huis, uit Holland,
+hadden gezonden en toen we eindelijk opstapten, hield hij mij terug en
+zei:
+
+"Doktertje, jou moet ik nog even apart spreken."
+
+Ik dacht dat hij een of andere kleinigheid mankeerde en ging weer
+zitten, de anderen marcheerden af, lachend en zingend.
+
+--Wel, wat is er? vroeg ik, pillen, poeiers of drankjes noodig?
+
+--Neen! antwoordde hij kalm, ik heb geen van je viezigheden meer noodig.
+Steek nu eerst nog een van die lekkere Havana's op en luister dan even
+met attentie, ja?
+
+--Kerel wat ben je opeens ernstig geworden; ik zei het, omdat ik min of
+meer ontstelde toen ik hem goed aankeek. Hij was bleek, met blauwe
+kringen en dikke wallen onder de oogen. Was dat zoo opeens gekomen of
+had ik 't niet eerder opgemerkt, door de jool die we samen hadden
+gemaakt. Ik wist het niet, maar ik kreeg een koude rilling over mijn rug
+toen hij, met een flauw glimlachje zei:--Steek nog wat van die sigaren
+bij je, doktertje! Jou smaken ze en ik ... zal ze niet meer noodig
+hebben. 'k Heb weer een voorgevoel gehad....
+
+--Och, Soedah!--malle dwaasheid!
+
+--...over me zelf, ging hij, kalm en ernstig sprekend voort, zonder zich
+aan mijn uitroep te storen.--'k Heb me zelf gezien--dood! Over een paar
+dagen ga ik er van door!
+
+--Dolligheid! riep ik, maar ik kòn niet lachen. Hij nam er geen notitie
+van en zei eenvoudig:
+
+--Je weet, het is weer gedurig mis aan de buitenlinie, dáár zullen ze me
+te pakken nemen, let maar op! Overmorgen ga ik er zeker met mijn
+compagnie heen--gisterennacht wist ik het in mijn slaap.
+
+--Haal je toch zoo'n dwaasheid niet in je hoofd, je hebt misschien te
+zwaar gesoupeerd en benauwd gedroomd, dat is een gewoon gastrisch
+verschijnsel! Ik wou hem van dat denkbeeld afbrengen, maar het lukte me
+niet.
+
+Hij lachte weemoedig en zei:--Je bent een goeie vent, doktertje! Je wilt
+het me uit mijn hoofd praten, maar dat kun je toch niet. Ik weet, wat ik
+weet--och! jij kunt dat zoo niet begrijpen, maar het is zóó en niet
+anders.
+
+Een oogenblikje keek hij naar buiten, waar de boomen en struiken zoo
+mooi in het heldere maanlicht stonden.--'t Is toch wel mooi en en lekker
+hier, ja? Jammer dat we niet langer bij mekaar zullen blijven. Wil
+jij--juist terwijl hij weer naar mij omkeek begon op tafel een
+speeldoos, die er stond, te spelen. Al pratend had hij, zonder er bij te
+denken, zijn hand op de doos gelegd en 't knopje van de mechaniek
+aangeraakt.
+
+--"Leise, leise, frommer Weise!" speelde de doos. Zuiver en helder klonk
+het eenvoudige lied in den stillen nacht. 't Kan in Indië zoo doodstil
+zijn 's nachts, dat het schijnt alsof ons gehoor dubbel scherp wordt.
+
+Hij luisterde zwijgend en toen het air uit was zette hij de doos op een
+aantal waterglazen en deed haar het stuk herhalen.
+
+--Dat is een van de mooiste melodiën, die ik ken, zei hij zacht; ze is
+zoo innig aangrijpend eenvoudig en lief ... en nu, Soedah: Hij liet de
+speeldoos ophouden.
+
+--Luister nu even doktertje! Wat ik je zeggen wou is dit: jij bent hier
+altijd mijn intimus geweest, ja? Doe je me nu ook pleizier en regel mijn
+boeltje, als ik er niet meer ben. Ik heb nog een paar beertjes, die moet
+je maar zien te temmen, zoo goed en kwaad als 't gaat, in mijn cassette
+liggen nog een paar brieven, die moet je maar verbranden en jij, niemand
+anders dan jij, hoor--moet aan mijn familie schrijven, hoe alles is
+gebeurd!...
+
+--Maar beste kerel!...
+
+--Neen, val me nu niet in de rede--laten we alle discussie maar staken,
+'t is tijd verspillen. Geef me nu maar een hartelijken handdruk.
+Zoo!--flink zóó! nog eens!--Je belooft me alles, ja? En zeg me nu eens
+ferm goeden dag. Hij omarmde mij en kneep mijn handen bijna fijn--'t was
+zoo'n krachtige kerel! Toen duwde hij mij vooruit, het erf op en
+zei:--En nu naar huis, 't is laat! nog eenmaal greep hij mijn handen,
+drukte die en zei: God zegen je makker, Slamat tidor! en keerde in huis
+terug.
+
+ * * * * *
+
+Twee dagen later klonk van een van de posten, tegen het vallen van den
+avond, het hoornsignaal "om den dokter!"
+
+Daar lag hij, mijn arme, brave makker. Zoo'n vuile sloeber had hem een
+kogel midden door het voorhoofd gejaagd. Morsdood! meer kon ik niet
+zeggen, mijn hart zat me in de keel.
+
+--Hij heeft gevochten als een leeuw, zei een luitenant, die zwart van
+rook en stof kwam aanloopen.
+
+--Hij viel vlak naast me neer en vóór hij stierf kon hij nog even
+zeggen:--neem het bevel over, ik heb mijn portie!
+
+De dokter pakte zijn accord-cither in de doos, lei 't muziekboekje er
+boven op en zei:
+
+--We zullen 't er voor van daag maar bij laten--en in zichzelf, even
+zuchtend,--'t was een beste jongen, Kasian!
+
+
+IV.
+
+EEN VERHAAL VAN DEN KAPITEIN.
+
+
+--'k Ben nooit bang geweest, van mijn leven niet en ik heb gelukkig in
+alle omstandigheden de noodige kalmte weten te bewaren maar éénmaal heb
+ik toch mijn lange beenen moeten opnemen en de spat zetten, zei lachend
+onze stoere kommandant, terwijl hij een versche sigaar opstak.
+
+--U spreekt daar van de spat zetten kapitein, neem me niet kwalijk, maar
+ik kan 't haast niet gelooven.
+
+--En toch is 't zoo, en ik was nog wel gewapend bovendien: ik had mijn
+dubbelloops jachtgeweer bij me.
+
+--Dan moet 't wel een heele bende geweest zijn, waarvoor u je beenen
+opnam, want u zal wel raak schieten.
+
+--Ja! Ik schiet nooit of ik moet weten dat ik tref, anders is 't maar
+zonde van de patroon, antwoordde hij bedaard en toen even lachend:--maar
+ik ben ook niet voor een hoop kerels op den loop gegaan!
+
+--Waarvoor dan kapitein?
+
+--Nu, raad eens!
+
+--Voor een tijger!
+
+--Ba! dat is maar 'n poes, zooals de resident te Mechelen[1] zei, die in
+Indië de tijgerjager bij uitnemendheid was.--Zoo'n poes is bang, die
+valt nooit iemand vanzelf aan.
+
+--Misschien voor een rhinoceros dan!
+
+--Ook niet! Ik heb 't eenvoudig op een loopen gezet voor een hoop apen.
+
+--Och kom!
+
+--Waarachtig! Je moet zoo min niet over apen denken. Dat is 't
+gemeenste, kwaadaardigste goed wat Onze lieve Heer op de wereld gezet
+heeft. Ze zijn zoo leep als menschen en nog kwajer. Je moet niet denken
+dat je in Artis apen ziet, och neen! dat zijn maar ongelukkige akelige
+misbaksels, goed om over te lachen. Neen, je moet de monkeys in d'rlui
+natuurstaat zien, dan spreken we mekaar nader!
+
+--Waren 't dan chimpansées of oerang-oetans?
+
+--Och neen! doodgewone zwarte en grijze apen.
+
+Ik was met mijn sloep, met vier man op de riemen, even voorbij
+Indramajoe aan wal geroeid om 'n beetje vogels te schieten. Je vindt
+daar boschduiven en wilde kippen plenty, ze zijn wat mager, maar goed om
+te eten. Moederziel alleen was ik een eind de wal opgegaan, ik kon niet
+veel onder schot krijgen en drong al verder en verder, door struiken en
+heesters heen, naar de rijstvelden toe, totdat ik op een plek kwam en
+even rustte.
+
+In eens zag ik een paar apen, daar nam ik geen notitie van, maar 't
+duurde niet lang of er kwamen nog een paar, toen al meer, tot misschien
+een twintig of dertig stuks. Ze keken me nieuwsgierig aan, liepen heen
+en weer, klommen in de boomen en schreeuwden mekaar toe.
+
+Toevallig keek ik om, en zag nog net bijtijds dat een heele troep van
+dat smerige goedje me sluipend van achteren naderde. Ze bleven nog wel
+op een tamelijke distantie, maar 't beviel me maar niemendal dat ik er
+zoo langzaam aan door ingesloten werd. Ik zocht dekking in den rug,
+omdat ik wist dat die rakkers je altijd van achteren aanpakken, maar dat
+gaat in zoo'n oogenblik niet zoo gemakkelijk. Groote dikke boomen waren
+daar niet en als die apen, 't was een kwaadaardig soort me in den rug
+hadden kunnen aanvallen, zouden ze mij gewoon weg hebben afgemaakt.
+
+Daar had ik nu nog geen bepaalden trek in, begrijp je? Ik dekte me dus
+zoo goed en kwaad ik kon en wachtte de gelegenheid af om er een paar
+neer te schieten.
+
+Er kwamen er hoe langer hoe meer opzetten, van alle kanten, en ik
+berekende: of ik er al een paar neerschiet geef me niemendal, ik moet
+eerst den burgemeester hebben.
+
+[Voetnoot 1: Resident ter zee, de heer te Mechelen.]
+
+--Den Burgemeester?
+
+--Ja, dien noemen we zoo! Ik was in een zoogenaamde apenkampong verzeild
+geraakt. Heb je wel eens van den Duitschen professor gelezen, die
+beweert dat hij de apentaal bestudeerd heeft en verstaat?
+
+--Jawel kapitein, professor Cärtner.
+
+--Hm ja! hoe hij heet weet ik niet en of hij die taal verstaat weet ik
+ook niet--die geleerde lui zeggen soms meer dan ze verantwoorden
+kunnen--maar dàt kan ik je wel zeggen: een soort van taal hebben apen en
+verstaan doen ze mekaar uitstekend. In zoo'n kampong dan, is altijd één
+opperhoofd, gewoonlijk een oude knappert, die geeft de lakens uit en
+houdt den boel in orde.
+
+Op eens zie ik een groote kanjer naar mij toekomen, 't leek wel een
+kleine inlander. Zijn kop was van boven als een knikker zoo kaal en een
+lange grijze baard hing van zijn kin op zijn borst. Zijn onderkaak met
+scherpe slagtanden stak hij vooruit en hij kwam, op zijn achterpooten
+loopend, naar mij toe. Een pas of twaalf van mij af bleef hij staan en
+keek mij met zijn kwaadaardige kleine oogen aan als of hij zeggen
+wou:--hoe kom jij hier, wat moet je van ons hebben?
+
+Een paar oogenblikken keken we mekaar strak aan--ik dacht: Maat! ik moet
+je met mijn oogen in bedwang houden, zoolang ik je in de gaten houd ben
+ik baas. 'k Had twee schoten op mijn geweer, die kon ik gebruiken, maar
+opnieuw laden niet, want een blik van den burgemeester afgewend zou
+genoeg zijn om me te doen aanvallen van alle kanten. Ik overlei dus:
+vrindje, jou moet ik hebben, maar ik moet je zóó raken dat je 't niet
+navertelt.
+
+Daar gaf hij op eens een schreeuw en zijn heele compagnie retireerde; 't
+was precies alsof hij een commando had gegeven--nog een schreeuw, langer
+en scherper en ze kwamen weer wat voort.
+
+Als de burgemeester avanceerde, kwam de heele troep met hem mee, ging
+hij terug dan retireerde alles. 't Was alsof ze mekaar de bevelen van
+hun chef toeriepen, want vóór, achter, naast en boven me, hoorde ik
+telkens die scherpe kreten herhalen. Soms was 't 'n helsch lawaai:
+hoeveel apen er daar in de kampong waren is niet te berekenen, 't
+moesten er honderden zijn geweest.
+
+Eindelijk kreeg ik den ouden heer goed onder schot, 'k had op mijn
+geweer een kogel en één hagelpatroon. De kogel is voor jou, papa, die
+komt je als chef eerlijk toe, de hagel zal ik voor je volkje bewaren,
+dacht ik.
+
+Daar gaf de burgemeester weer een gil, en kwam met zijn volkje resoluut
+vooruit.
+
+Pang! in eens had hij 'm beet. Hij deed een sprong omhoog, viel over
+stag en schreeuwde, precies als een mensch, akelig kermend. Heb je in 't
+Paleis voor Volksvlijt dat Ballet Jocko, of de dood van een aap wel eens
+zien spelen? Ja? nu dan weet je hoe zoo'n dier sterft, die artist deed
+'t machtig natuurlijk na.
+
+Toen de aanvoerder gevallen was, kwamen al de apen naar hem toe, ze
+stonden en liepen net als menschen, desperaat om hem heen. Waarachtig,
+als ik niet zoo in de penurie had gezeten, was ik uit aardigheid nog
+een poos blijven kijken, maar nu dankte ik onzen lieven Heer dat ik dat
+gemeene goedje niet meer achter me had.
+
+Ik maakte gebruik van de gelegenheid en koos 't hazenpad.
+
+Geloopen heb ik!--neen maar, ik heb wonderen gedaan met mijn lange
+beenen, schieten op al die apen durfde ik niet meer, want ik wist dat ze
+talrijk waren en dat ze, eenmaal over den eersten schrik heen, me zonder
+vorm van proces zouden kapot maken. 't Is al meer gebeurd weet je!
+
+Ik kwam goddank door het struikgewas heen aan het strand, maar ik hoorde
+ze al heel gauw vlak achter me. Je kunt je het helsch lawaai, dat ze
+maken, nauwelijks voorstellen, 't is onbegrijpelijk dat ze zoo krijschen
+en gillen kunnen. 't Was kapteintje loop voor je leven!--en ik liep
+hoor!--de kaptein klopte op zijn keurig nette pantalon en stak zijn
+beenen vooruit.--Ze hebben me niet in den steek gelaten, maar ik was
+toch almachtig blij dat ik weer op de riemen zat.
+
+Van uit de sloep heb ik ze toen nog een pleiziertje gedaan, met één
+schot hagel hadden er een paar genoeg en toen ik nog een stuk of wat
+patronen op d'r lui zwarte huid had geblazen, liepen ze gierend en
+gillend het bosch weêr in. Ze hadden er genoeg van--maar ik ook--en ik
+mag leien dat ik nooit weer andere apen tegenkom dan die je tegenwoordig
+nog eens in de Kalverstraat ziet, met 'n pince-nez op, hooge boorden
+omgeslagen broekspijpen, van die lange soepjassen aan en wandelstokken
+als knuppels in d'r glacétjes. Dat soort is belachelijk en tam--maar
+soms gevaarlijk--ook zijn er een hoop onder, die geen eerlijk schot
+kruit waard zijn.
+
+
+V.
+
+AANKOMST TE PADANG.
+
+
+--Pff! van middag wordt er waarachtig _te_ veel gevergd van een normale
+maag, zuchtte blazend een der jongere heeren, die aan tafel gewoonlijk
+ongeloofelijk veel goeden wil en volharding toonde. Even hijgend wischte
+hij zich herhaaldelijk voorhoofd, wangen en hals.
+
+--U heeft meer dan je plicht gedaan, lachte de administrateur en hem
+toeknikkend: dat bewustzijn zal u sterken tot verdere grootsche daden,
+mag ik u eens even zien? Hij hief zijn glas op.
+
+--Dank je wel, daar ga je, maar als ik morgen katterig van boord ga,
+heeft de kommandant 't op zijn geweten. Neen, dank je, geen champie
+meer!
+
+--Kom?
+
+--Nu, dan nog éentje, om u bescheid te doen. Drommels 't is hier vetpot
+van daag, en zich even omwendende tot den bedienenden Javaanschen
+jongen:--koffie en 'n Sopi manis[2]? Wel ja, geef maar op--ik zal
+volharden tot den einde toe!
+
+[Voetnoot 2: Likeurtje.]
+
+Flang! daar vloog, van het andere eind der tafel, een kurk tegen de
+vloeipapieren muts, die hij ophad en een vroolijke meisjesstem
+riep:---Raak, luitenant! weêrom gooien hoor, op den dokter!
+
+De goede bedaarde medicus van de _Amalia_ kreeg het hard te
+verantwoorden, want de jonge meisjes en een paar getrouwde dames,
+eenigzins opgewonden door de champagne, die kommandant Visman had laten
+rondschenken, bombardeerden hem onbarmhartig met kurken,
+hazelnootschillen en proppen, gemaakt van papieren mutsen, die uit de
+pistaches aan 't dessert waren te voorschijn gekomen.
+
+Lachend--de dokter wordt nooit boos op dames--dekte hij zich zoo goed en
+kwaad het ging met zijn bord en servet, totdat de dikke Oostenrijker,
+wiens wangen glimmend rood waren geworden, omdat hij eerst nog het
+restantje uit zijn flesch had moeten verschalken, hem nog hijgend van
+inspanning, toeriep: Herr Dokter, je bent aan die heiden overgeleverd,
+komm mit an dek, ik zol je wol besjermen. Die weiber kwam jij alleinig
+nich bewältigen, dafür bin je zoe mager; komm mit. Donnerwetter war
+dass, heute mal goetes essen? en hij klopte op zijn dikken buik. Jetzt
+ein glas frisches bier, hè? So roehig oben in die rauchkammer; hier
+wird's ein pan!
+
+'t Was inderdaad een buitengewoon groot menu, een erg vroolijk diner
+geweest, aan boord, bijzonder luidruchtig zelfs, tot dat er een
+oogenblik stilte kwam, even voor 't dessert. De kommandant namelijk was
+opgestaan, had zijn glas champagne opgeheven en gezegd:--Dames en
+heeren, ik heet U allen welkom in Indië, want binnen eenige uren hopen
+wij Padang te bereiken. Dan zullen eenigen uwer dezen bodem verlaten: ik
+wensch de débarqueerende passagiers verder goede reis en gezondheid en
+dank hen, evenals al de anderen voor de betoonde welwillendheid en
+samenwerking, waardoor de harmonie onder de passagiers geen oogenblik is
+verstoord geworden. Ik moet u verlaten, mijn plicht roept mij op de
+brug. Dames en heeren, daar ga je!
+
+--Leve de kommandant, leve onze gezellige Visman! klonk het van alle
+kanten en met een "lang zal hij leven in de gloria!" defileerden de
+passagiers, zoo goed en zoo kwaad de zachtjes schommelende boot het
+veroorloofde, voor den kommandant, om even met hem te klinken.
+
+'t Dessert begon, de tongen kwamen hoe langer hoe meer los, want het
+vooruitzicht spoedig "land" onder de voeten te hebben, had alle harten
+opgeruimder doen kloppen; hoe goed men het aan boord ook heeft, het
+denkbeeld eindelijk weer op vasten grond te zullen staan, drijft toch
+het bloed sneller door de aderen.
+
+--Mijnheer! zei fluisterend de hofmeester, achter mijn stoel komend, de
+kommandant laat vragen of U eens bij hem op de brug wil komen?
+
+ * * * * *
+
+--Ik heb je even laten roepen, zei de kapitein, toen ik, een oogenblik
+later, op de brug kwam. 't Is hier een boel lekkerder dan beneden en 't
+wordt er nu te rumoerig. Ik wou je hier toch eens een kijkje geven; je
+bent nog niet op de brug geweest, wel?
+
+--Neen kommandant.
+
+--Geef dan je oogen maar eens den kost. 't Is een heerlijke avond; kijk!
+daar in de verte--neen, je kijkt niet goed, dáár aan bakboord, heel in
+de verte--zóó, nu ben je in de goede richting, dáár heb je 't 't licht
+van Poeloe Pisang, daar houden we op aan.
+
+Hij rekte armen en beenen een maal of wat uit, nam zijn pet even af en
+streek zich snel met de hand een paar keer over 't voorhoofd:--Hè dat
+doet me goed; ik voel me hier 't lekkerst. Op de brug ben ik eerst goed
+in m'n element.
+
+--'n Heerlijk briesje van avond! Wat 'n maantje, zoo iets zie je in
+Holland toch niet.
+
+Hij stak een sigaar op, de lucifer tusschen zijn breede gespierde handen
+voor den wind beschuttend.
+
+'t Was een mooi, een indrukwekkend gezicht daarboven van die ranke brug,
+als gespannen over 't schip, dat rustig met ons in 't prachtige
+maanlicht voortsneed door golven.
+
+Op de zonnetenten vóóruit, goot de maan een tooverachtig, blauwig wit
+licht, het want, de masten en ra's, het touwwerk, scherp afstekend tegen
+de heldere lucht. Hier en daar in felle kantlichtjes schitterend op 't
+blank gepoetsten koper- en ijzerwerk, of zwarte slagschaduwen
+neerwerpend op de schuins gespannen zeilen Dartelend in de golven, vóór
+ons, of sprankelend, opspringend in 't witte schuim langs beide boorden,
+tintelde het overal.
+
+--Zie nu eens om, zei de commandant.
+
+--Prachtig!
+
+'t Achterschip, van ons afgescheiden door den grooten schoorsteen,
+strekte zich, grooter en breeder lijkend dan anders, achter ons uit. Met
+ons, maar schijnbaar alleen, deinde het zachtkens op en neer, overwijfd
+door de golvende, zwarte, breed uitwaaiende rookpluim, die in rollende
+ringen uit de dikke pijp opkwam, voortvliegend, naar de achter ons
+wegdrijvende wolken, hier en daar zilverig gerand door de maan, die,
+vlak boven onze hoofden, haar lachend gelaat vertoonde.
+
+Beneden gloeide 't vurig tusschen de naden en langs de randen van de
+zonnetenten. Goudachtig glommen achteruit de koperen randen van 't
+stuurrad en de kap van het kompashuisje, door den lichtschijn uit de
+kleurige, papieren lampions, die ter eere van 't afscheidsfeest, dat
+straks op dek zou worden voortgezet, reeds ontstoken waren.
+
+De zee was kalm en nauw gerimpeld. In 't kielwater blonken of
+schitterden, spelend, millioenen weerkaatsingen van maan en sterren en
+als een blank metaalachtig glimmend spoor, doortinteld van vonkende
+diamanten, verloor zich, heel in de verte met den donkeren horizon
+samensmeltend, de voor, die het met volle kracht stoomende schip door de
+golven sneed.
+
+Zacht ging de boot op en neer; van de brug af gezien, scheen zij een
+groot, kalm, levend wezen, regelmatig, diep ademhalend, bewust van zijn
+kracht, met zekerheid toesnellend op de kust, waar in de verre verte het
+heldere licht van Poeloe Pisang, als een vriendelijk oog nu en dan
+geruststellend pinkend, scheen te wenken: kom! kom! bij mij is 't
+veilig, kom!
+
+De kommandant stond in zijn witte ias--de uniform trekt hij altijd
+onmiddelijk uit na 't diner--naast mij. Zijn forsche`, krachtige
+gestalte was iets voorovergebogen en hij hield de rechterhand
+uitgestrekt. Met de linker steunde hij op de leuning der brug.
+
+--Daar achter ligt Padang, over een uur of wat loopen we de Emmahaven
+in. Jammer dat we niet bij dag aankomen, dan zou je nu de heerlijkheid
+der Sumatraansche bergen al kunnen zien. Dáár in die richting moeten de
+Ophir en de Merapi liggen, recht vóór ons de Goenong-Talang. Je kunt ze
+nu niet onderscheiden, maar morgen zul je je hart wel eens ophalen aan
+al dat groen. Je hebt nu zoo lang alleen water en lucht gezien, hè? Hij
+klopte mij op den schouder:--Ja, ik ben een oud zeeman, 'k heb honderd
+maal minstens, diezelfde dingen gezien, maar telkens zie ik ze weer met
+'t zelfde genot, dezelfde bewondering aan, hè? Hij liep even heen en
+weer, keek een oogenblik in den electrisch verlichten zee-kaartenbak,
+gaf een paar bevelen aan den roerganger en aan een van zijn officieren
+en bleef toen een poosje, starend in de donkere verte, zwijgend staan.
+
+--Naast God, schipper van mijn schip! dat moet de kommandant volkomen
+gevoelen als hij daar, hoog op de brug als 't ware boven zijn bodem
+staat. Die bodem zoo groot en breed, hijgend en kuchend door de
+krachtsinspanning in zijn binnenste, geboren door 't felle vuur, dat
+brullend en loeiend in zijn ingewanden woedt.
+
+En toch luistert dat brullende vuur, die ontzachlijke kracht, naar zijn
+gebiedende stem en volgt, gedwee als een kind, zijn leidende hand, die
+schip en opvarenden veilig tusschen klippen en riffen henenvoert naar 't
+land, waar zij hoopvol de toekomst tegengaan.
+
+--Kommandant, 't is onbeschrijfelijk mooi hier, wat 'n sterrenhemel, wat
+'n prachtige zee!
+
+--Ja, maar zoo treffen we 't niet altijd kameraad! 't Kan soms leelijk
+blazen en dan is 't hier zoo'n dorado niet--maar ik ben 't gewend, hè?
+Jij zou je lachen wel kunnen houden en al ben je nog zoo brani, ik zou
+je wel eens willen zien als je hier op de brug zoo'n zee'tje over
+kreeg--maar nou heb je gelijk, 't is hier goddelijk! Och ja, kameraad,
+wanneer je, zooals ik, zoo gezegd op zoo'n brug permanent bent, denk je
+over zooveel dingen na, die 'n ander mensch in den sleur van zijn
+krenterig leven niet eens overpiekert. Hier op de brug, waar je de zon
+zoo heerlijk ziet op- en ondergaan, waar je zoo'n ruimen blik hebt, hier
+wordt je beter, vrindje! Hier leer je, dat 'n mensch eigenlijk minder
+dan niemendal is. Je voelt je als kommandant een heele kerel, hè?--maar
+als mensch bitter klein, vat je? Hier leer je dat al dat geleuter van
+die geleerde lui maar lak is, wanneer ze je vertellen dat alles in en
+door de natuur ontstaat. Hij tikte even aan zijn pet. Een opperwezen
+bestaat er, daar gaat niets van af. Hoe ze dat nu noemen, komt er niet
+op aan--Jehova of onze lieve heertje, mij is 't zelfde, maar--Hij is
+er! Kijk maar eens omhoog naar die eeuwig mooie sterren, naar die
+millioenen bollen, die langs vaste wegen, volgens vaste wetten staan of
+gaan. Dàt zou allemaal van zelf komen zonder dat er een georganiseerde
+kracht achter zat? Gekheid hoor!--Er moet één wezen zijn die de lakens
+uitgeeft, anders loopt de heele natuur in de war.
+
+Ze moesten die geleerde lui eens laten reizen, niet over land, maar op
+zee, hè? Konden ze d'r neus een poos in de frissche bries steken, in
+plaats van in de boeken, dan zou de duffigheid er wel afwaaien!
+
+Kijk het zuiderkruis van avond eens schitteren, dáár heb je Jupiter en
+dáár de Kreeft; zoo'n sterrenhemel is heel wat beter en verstandiger
+docent dan al die geleerde oomes, hè?
+
+Al sprekend had de kommandant zich te lij over de leuning gebogen. Hij
+zweeg een poosje, haalde een paar maal diep adem door zijn neus en trok
+mij toen naar zich toe:
+
+--Kom eens hier, maat, haal je neus eens goed op, ruik je niets, haal op
+dan!
+
+--Ik ruik waarlijk niets kommandant!
+
+--Niet? dat komt omdat jij zoo lamlendig je neus ophaalt; haal eens ferm
+op!
+
+--'k Ruik waarachtig niets!
+
+--Nu dan is 't de ongewoonte, ik wel. Ik ruik 't land! Dààr, nu _moet_
+je 't ruiken; de boschlucht waait ons volop tegen, dààr, nu ruik ik
+zelfs kamponglucht!
+
+--O ja! nu ruik ik 't, iets specerijachtigs.
+
+--Juist! dat is 't--de landwind komt opzetten, die brengt dat geurtje
+mêe.
+
+--Wel lekker, hé?
+
+--Nu heb je de reuk al beet--ga 't nu maar eens aan de anderen
+vertellen--hoor, ze spelen achter de kruispolka. Ze tillen de beentjes
+van den vloer, ze hebben pret en dat doet mij plezier--maar hier is 't
+toch heel wat lekkerder. Bonsoir, tot straks, nu krijg ik weer handen
+vol--'k heb nu geen praats meer voor je, kameraad!
+
+Op 't achterdek was 't feest in vollen gang, de violist en de
+harmonica-speler zaten op de kajuitskap en speelden er lustig op los. De
+dikke Oostenrijker lag languit op een gemakkelijken stoel en keek met
+half gesloten oogen apathisch naar de dansende paren. In de rookkamer
+speelden een viertal oudere heeren hun partijtje, terwijl in een hoekje
+aan de andere zijde drie heeren de hoofden geheimzinnig bij elkaar
+staken en anecdotes vertelden, die zonder twijfel den geur van hun
+sigaren hoog noodig hadden.
+
+Een paar dames keken te loevert over de verschansing naar het
+uitklotsend koelwater, dat op enkele plaatsen phosohoresceerde.
+
+Daar siste eensklaps aan bakboord een vuurstraal omhoog en boven in de
+lucht knalde een schot.
+
+--'t Sein voor den loods! riepen de meesten en toen eenige minuten
+daarna het tweede knalsignaal ontplofte, waren bal, partijtje,
+flirtation en anecdoten plotseling vergeten.
+
+Menig hart begon sneller te kloppen, want de loods zou zeker tijding uit
+'t vaderland of Indië, misschien wel brieven voor den een of ander
+meêbrengen.
+
+De gesprekken namen eensklaps een andere richting, ze werden ernstig en
+op het dek vormden zich groepjes, die halfluid of fluisterend hun hoop
+en verwachting bespraken. Er waren immers veel officieren aan boord, die
+hun verplaatsing naar Atjeh of hun eerste bestemming verbreidden.
+
+De landwind woei in breede golven het aroma van bosch en bergen over 't
+schip, en de passagiers snoven begeerig die lang ontbeerde of onbekende
+geuren op.
+
+Daar naderde het loodsbootje van bakboordzij en stoomde in een wijden
+kring om 't schip heen, aangestaard door al de reizigers, die met
+belangstelling elke beweging volgend, de roode en witte seinlantaarns in
+'t oog houdend, met zakdoeken, handen en hoeden wuifden.
+
+De loods klom de valreep aan stuurboord op en begaf zich dadelijk op de
+brug, zonder van iemand notitie te nemen. Een klein poosje later kwam de
+eerste officier aan dek, nog iets later de kommandant en weldra wisten
+de meesten, wat ze weten wilden, hoopten of vreesden.
+
+--Ik ga naar Atjeh, 'k had 't wel gedacht en ben er op voorbereid, zei
+een kapitein, die gedurende de reis mijn tafelbuur was geweest en hij
+keek een oogenblik langs mij heen in de donkere verte.
+
+--En uw vrouw en 't lieve kleine ventje?
+
+--Ja, die blijven natuurlijk te Padang achter.... ik verlaat ze al over
+vier dagen....
+
+--Kasian!
+
+--Sakkerloot, ik bof! riep de jonge luitenant, de immuun voor zeeziekte
+was geweest, me toe.
+
+--Hoe dan?
+
+--Ik kom te Batavia, lekker! Mag ik u iets offreeren, een whisky-soda of
+een potje bier?
+
+--Dank u zeer, maar wel gefeliciteerd!
+
+--Op wachtgeld gesteld, tot nader bericht, zuchtte een ambtenaar en met
+een landerig gezicht keek hij naar zijn vrouw en kinderen, die nu maar
+te kooi zouden gaan. Half pay, bromde hij binnensmonds--en misschien een
+maand of wat in 'n hotel zitten, dat 's een koopje!
+
+En intusschen stoomde de _Amalia_ zachtjes door--reeds schitterden ons
+de havenlichten, de lantarens van de kade tegen en blonk het heldere
+maanlicht op de wit geverfde hangers en loodsen, die als kleine
+speelgoedhuisjes tegen de donkere bergen afstaken.
+
+Het binnenkomen van de Emmahaven bij volle maan is onbeschrijfelijk
+schoon.
+
+Als een donkergroene, hier en daar lichter gekleurde krans liggen de
+Sumatraansche bergen om de haven. Heerlijk weêrspiegelt de maan in 't
+kalme heldere zeevlak, teekenachtig werpen de talrijke gele lichten der
+lantarens hun wiebelden, slangachtigen weerschijn in 't flauw gerimpelde
+water. Schepen en booten van velerlei vorm, gemeerd of ten anker,
+stoffeeren het schilderachtig tafereel. Kleine prauwtjes en tambangangs
+schieten als vliegende visschen op uit de schaduwen der bergen, door de
+verlichte watervlakken heen, scherp belicht nu en dan, maar eensklaps
+weer verdwijnend, als duiken ze onder, en even plotseling op nieuw te
+voorschijn komend.
+
+De roeiers schreeuwen in onverstaanbare taal de matrozen toe, die, van
+'t voorschip af, hen in 't oog houden. Ze komen langs de zijden der
+boot, de trossen worden uitgebracht en zachtjes, meer glijdend dan
+varend, nadert de _Amalia_ den steiger.
+
+Allerlei geluiden, stemmen, 't gekraak van karretjes en 't dreunen van
+lorries, die op den wal worden heen en weer bewogen, zijn nu duidelijk
+hoorbaar. Op de boot worden de luiken van de laadruimten reeds geopend,
+kettingen rammelen en de donkeys beginnen af en toe te werken.
+
+--We gaan dadelijk aan 't lossen! roept me een officier, die haastig
+voorbij snelt, toe. We hebben veel goed voor Padang, zware stukken,
+spoorwegmaterieel! Aan boord is alles in beweging--de matrozen zijn aan
+de loskranen of de luiken bezig; de bootsman geeft met zijn fluitje
+herhaaldelijk aan wat gebeuren moet en onophoudelijk klinkt het gerammel
+van kettingen, ijzeren bouten en blokken. De electrische lichten werpen
+groote fantastische schaduwen over het dek en op het woelige en
+bedrijvige scheepsvolk.
+
+De boot nadert, bijna onmerkbaar voortglijdend, den steiger. Gestopt is
+er reeds; 't gedreun der machine heeft opgehouden, maar men merkt dat
+niet door al de andere harde en vreemde geluiden, die er voor in de
+plaats komen, De loopplank wordt gelegd en als een hoop baarlijke
+duivels stormen de koelies schreeuwend en joelend, elkander op zij
+dringend en duwend er over, aan boord. Maleiers, Klingaleezen, Chineezen
+verdringen elkaar om de eerste te zijn,
+
+De stuurlieden, de bootsman en 't andere scheepsvolk ontwarren met
+krachtige hand dat zonderlinge menschenkluwen, niet zonder moeite, en
+niet zonder veel hartige woorden, die een vroom christen een rilling
+over het lijf jagen,
+
+In een oogwenk is alles aan 't werk en intusschen gaan de passagiers,
+die eerst dien stormloop kalm hebben afgewacht, aan de wal.
+
+ * * * * *
+
+--Aan wal, vasten grond onder de voeten!
+
+Een wonderlijk gevoel in de eerste oogenblikken; men durft de voeten
+nauwelijks neêrzetten, want 't is alsof de grond golft en beeft. Men
+wordt licht in 't hoofd en duizelig.
+
+--De beweging van 't schip zit me nog in de beenen, 'n bespottelijke
+gewaarwording, roept de een.
+
+--'k Ben betoel, dronken! zegt een ander.--'k Heb driemaal de reis naar
+Indië gemaakt, maar telkens weer krijg ik 'm om, als ik aan wal kom.
+
+--Je wordt er bingeoeng, verward, van, ja? zegt een Indische dame die in
+sarong en kabaja naast mij op den steiger voorttrippelt op geborduurde
+muiltjes en eensklaps zich naar rechts wendend, roept zij een van haar
+dochters toe:--O, kijk já! dààr warong in de verte, kôm kind wij
+vruchten ghalen, jà? Meneer Mórik nog niet Indische vruchten ghèhéten,
+in Ghollan niet piasang, niet ramboetan, niet mangga's. Nannas, djéroek
+wél, maar gheel zuur, kom! wij ghâlen....
+
+Moeder en dochter nemen den trippellooppas aan in de richting van de
+kleine eetwaren-uitstalling, waarvan alleen zij de haar bekende lichtjes
+hebben opgemerkt.
+
+De verschillende koelies, die geen werk hebben gekregen en
+onverschillig voor zich uit starend hun strootje rooken, of
+sirih-pruimend, hier en daar op kisten en balen liggen of gehurkt op den
+grond zitten, wenden nauwelijks het hoofd om naar de "blanda's" die in
+troepjes langs de hangars en loodsen wandelen, lachend en pratend, allen
+even blij dat ze aan wal zijn. In de schaduw van een vooruitspringend
+dak tegen een donkere deur geleund, staat een lange Bengalees,
+schilderachtig in zijn wit opperkleed gedrapeerd. Zijn donkerbruin,
+gebaard, gezicht, de bijna zwarte bloote beenen, zijn ongeveer één van
+kleur met de duisternis om en achter hem.
+
+Plotseling beweegt hij zich. Zijn groote, witte tulband schijnt in 't
+geheimzinnig halfduister een kolossaal doodshoofd en het witte kleed,
+dat hij met de eene hand opheft, is als een lange lijkwade daaronder.
+
+--O, God! wat is dat--'n spook? gilt een jonge dame, die erg
+vertrouwelijk aan den arm van een luitenant vóór ons in den maneschijn
+op en neer wandelt.
+
+--Niets! niemendal, beef maar niet! antwoordt de jonge man, zijn hoofd
+tot het hare neigend en met een klein geruststellend drukje op den arm
+van het meisje, dat zich onwillekeurig vaster tegen hem aandringt.
+
+--Waar of zoo'n slungel van 'n Bengelees al niet goed voor kan zijn,
+lacht naast mij, even aan mijn arm stootend, een van de passagiers, die
+me al vroeger in vertrouwen heeft verteld dat "die twee allebei de
+hondenziekte hebben". Een nieuwe, zeker door hem uitgevonden term, voor
+verliefd te zijn.
+
+Van boord klinkt voortdurend een helsch lawaai, het lossen is in vollen
+gang. Met ontzettend geweld ratelen de donkey's en 't spil, die de zware
+kettingen en talies bewegen, waarmede de stukken ijzerwerk, de kisten,
+balen en pakken uit het ruim omhoog worden geheschen. Donderend vallen
+voortdurend de ijzeren staven neer op den steiger. Nu en dan antwoordt
+de echo uit de bergen.
+
+De koelies tieren, razen en schreeuwen onophoudelijk, terwijl ze hun
+werk doen.
+
+Uit de verte gezien, fel beschenen door 't blauwig electrische licht en
+rosachtig getint door de op de plankieren brandende lantarens, met de
+bewegende zee en den donkeren horizon, waaraan af en toe het weêrlicht
+flikkert, als achtergrond, maakt het geheel een infernalen indruk.
+
+--'t Is precies een teekening van Doré, die maakte veel van die bizarre
+dingen; ik vindt het erg mooi om te zien, maar allemachtig vervelend om
+bij te wonen. Er is geen kwestie dat we vannacht kunnen slapen aan
+boord,--en de heer die mij dat plezierig vooruitzicht opent, neemt een
+versche sigaar uit zijn koker en zegt, zich resigneerend:--ik ga in
+vredesnaam maar rooken en toddy drinken, zoolang die herrie aanhoudt.
+
+--Ghier, meneer Mòrik! jij proeven, jà? Pisang gorèng, lèkker jà? En
+Mevrouw biedt mij in een stuk pisang-blad, een gebraden vrucht aan. Haar
+dochter offreert mij jamboe en mangga, vriendelijk noodend.
+
+--Proef ze maar eens, heusch ze zijn lekker.
+
+--Kind, jij sghillen voor meneer, jà?--In Ghollan, meneer niet weet
+hoe.--Mangga gheel sappig. In die midd' sghîllen--beide punt
+vastghouden, anders veel sap te veel wegloopen, ja?
+
+Een paar andere dames en heeren, die een eind verder nog een Worang
+hebben ontdekt, komen juichend en vol plezier met allerlei indische
+lekkernijen aandragen.--Kwé-kwé (gebak) waarvoor zij in gewone
+omstandigheden misschien den neus erg vies zouden hebben opgehaald,
+vruchten van derde of vierde kwaliteit, half rijp of aangestoken, worden
+nu als fijne, vreemde lekkernijen uit den saamgeknoopten zakdoek aan de
+medepassagiers allervrijgevigst aangeboden. En tot laat in den nacht
+zitten op 't half verlichte achterdek van den stoomer, groepjes
+vroolijke menschen, die aan wal zijn geweest en nu plotseling tot de
+ontdekking komen dat 't dáár toch altijd oneindig beter is dan aan
+boord. Langzamerhand komt de ontfermende slaap zijn bedwelmende hand
+over de schepelingen uitstrekken--één voor één verdwijnen ze langs de
+kajuitstrap en als de schaduw van den laatste verdwenen is, beschijnt de
+enkele electrische gloeilomp, die nog brandt, een hoopje jamboe en
+manggaschillen, afgebeten vruchten, half gebruikte kwé-kwé, vertrapte
+pisangbladen, en een paar snurkende passagiers, die op lange stoelen
+door al de herrie heen slapen, dank zij hun toddy's!
+
+
+
+
+SINT-NICOLAAS-AVOND AAN BOORD.
+
+
+--'t Wordt nou toch een beetje al te proestig, meneer! En ze beginnen
+van boven met water te gooien ook--we zullen die tent maar op z'n
+welterusten laten leggen, zegt Kees de kwartiermeester van het
+stoomschip dat, slingerend en stampend in den wind, door de
+hoogopgolvende Middellandsche zee zijn weg naar Genua vervolgt.
+
+'t Is vier December, de dag vóór St. Nicolaas en een aantal passagiers,
+heeren met een enkele dame, die tegen rooken kan, zit als een troepje
+verkleumde vogels in de rookkamer bijeen. De oude kolonel, een van het
+gewone viertal kaartspelers, die zich door weer noch wind van hun
+partijtje laten afhouden, kijkt knorrig, naar de anderen, die door
+onophoudelijk babbelen en lachen, de aandacht van zijn overbuur, een
+O.-I. ambtenaar met verlof, afleiden van het spel.
+
+--Asjeblieft, meneer Bergersma; kaarten of molensteenen, hè? Stoor je
+niet aan dat geleuter over Sint Nikolaas, d'r komt toch niets van
+terecht, want als 't zoo door blijft waaien, ligt morgen de heele boel
+voor mirakel--asjeblieft ik speel gasco....
+
+De kwartiermeester kijkt even in de deuropening en vraagt met een klein
+glimlachje op zijn verweerd gezicht:
+
+--Kernèl! Uwes dekstoel is zooveel als kletsnat en omdat van wegens 't
+de eenige mooie is met geborduurdheid d'r an, wou 'k 'm maar beneden in
+de kinderkamer zetten.
+
+--Jawel, ga je gang maar--neen! meneer Bergersma, dat lever je me niet,
+ik heb troefheer--blijf af van dien slag, ha, ha, ha!
+
+De wind wordt heviger, de zee onstuimiger en van tijd tot tijd slaat een
+golf met geweldige kracht over het schip. De deur van de rookkamer wordt
+toegedaan.
+
+Een blauwige mist, scherp en prikkelend, blijft in de kleine ruimte
+hangen; de dame begint zachtjes te kuchen en wrijft nu en dan haar
+oogen.
+
+--'t Wordt hier een bokkinghang, zucht een bleek zwak jongmensch, die in
+het hoekje vlak naast den kolonel zit te lezen en met zijn zakdoek het
+klamme zweet van zijn voorhoofd wischt.
+
+--Zeg! lieve jongen, zou je niet naar beneden gaan! je krijgt de
+bollenkoorts, hoor! Klaveren troef! u komt uit meneer van Dalen.--Neen!
+waarachtig ik meen 't jongenlief, je houdt 't hier niet uit--asjeblief,
+de ponto!--Goddorie we zitten hier als haring in 'n ton--is me dat ook
+'n weer!
+
+--Ja overste, u heeft gelijk, ik ... ik....
+
+--Het jonge mensch, bleek om den neus wordend, met groote holle oogen
+voor zich uit starend, staat eensklaps op, stoot vrij onzacht de dame,
+die met den dikken controleur zit te domineeren, op zij en komt nog
+juist bij tijds de deur uit. Hij valt bijna in de armen van den matroos,
+die de tent vastsjort en buigt zich, wind en weer niet tellend, over de
+verschansing.
+
+De kwartiermeester schiet toe en pruttelt:--Wat weerga! wie gaat er nou
+te loevert over boord hangen? Daar! nou is je toppie al naar de maan!
+Afijn! je zal nog wel 'n ander petje beneden hebben; kom maar hier
+menneer--ik zal je wel even. Hou je maar aan me vast--Ja! 't is nou geen
+pleizier hè, vooral als je geen sturdy boy bent.--Goed dat je 't nou nog
+doet, meneer! als je maag vol Sinterklaaskoek zat, zou je 't veel
+benauwder hebben. De jonge man komt, geholpen door Kees, beneden in het
+salon. Een paar dames, bleek, met blauwe lippen en matte, omkringde
+oogen, zitten aan een der tafels en drinken thee.--Met je welnemen,
+mevrouwen; zegt in 't voorbijgaan Kees, die met iedereen familiaar
+is--dat 's nou precies om 't beet te krijgen. Ba! hij trekt een vies
+gezicht,--thee maakt je maag zoo rebelsch dat ie z'n fatsoen niet meer
+houdt; een tikkie brandewijn of elixter zou je heel wat meer dienstig
+wezen. Afijn! ieder zijn smaak--kan uwe nou, meneer Haverstam?
+Hofmeester breng 'r is wat conjak!
+
+Het jonge mensch is in zijn hut en de kwartiermeester komt
+terug.--Jàmmer! van den jongeheer!--hij steekt in geen goed vel, ik heb
+'n neef gèhad, die zag d'r net zoo uit, ook zoo'n mager, uitgepieterd
+klokhuis van een vent, die is op z'n vierentwintigste d'r uit gewaaid!
+zegt hij zachtjes tot den hofmeester, die weer in 't buffet staat, en
+nog zachter: Dat zal morgen 'n goeie boel geven--jij speelt voor
+Sinterklaas, hè? En wie is de zwarte jongen?
+
+--'t Koksmaatje!
+
+--Zoo! nou dan zal 't wel goed gaan, dat's 'n eigengereide, brutale
+snuiter--maar 'k geloof dat 't spannen zal; d'r staat heel wat zee en
+een stevige bries. Hum! de dames zullen wel op apengapen komen.
+
+Kees gaat weer aan dek.
+
+In de kinderkamer is de linnenjuffrouw, een corpulente vrouw met een
+bepaald gedistingeerd Hègsch accent, bezig om een Sint-Nicolaas-costuum
+te maken.
+
+Een Indische dame, die zeebeenen heeft, zooals de kommandant beweert,
+zit bij haar. Zij heeft haar kimònò (een Japansche peignoir) afgestaan
+en de linnenjuffrouw garneert dat kleedingstuk met kant en goud galon.
+Op tafel ligt een mijter van bordpapier, een fraai stuk werk van den
+hofmeester zelf die daarvoor twee doozen, waarin dessertartikelen
+geborgen waren, gesloopt heeft.
+
+--O juffrouw, zij wor gheêl mooi, jà! die japon voor Sinniklaas, jà!
+maar te kort, jà! Hoe doen wij daarvoor betèr makèn?
+
+--Dèr heb ik èl veur gezorgd, mevrouw!--de dikkerd houdt de kimònò voor
+haar geweldig ontwikkelde façade--Ziet u? Zoo stèt 't heel èrdig--'k heb
+er 'n stuk vlèggedoek onderèn genèid.
+
+--Allàh! gheel mooi!--O! lò--u zou wezèn gheel mooie Sinniklaas, jà!
+maar terlaloe gemoek, 'n beetje veel dik, jà!
+
+--O gusjes, verbeeld u--ik Sint Niklès--giegelt de juffrouw en dadelijk
+weer hoog ernstig:--Ik, 'n vrouw, die èl twee mènnen dood heef.
+
+--Kasian! twee? U dus weduw?
+
+--Jè, Mevrouw, èl twèlf jèr--och jè! m'n lètste mèn wès bepèld 'n idéèl;
+'k zèl 'm nooit kunnen vergeten.... Hum! Zou u denken dèt we veur den
+zwèrten knecht, hier mee volstèn kunnen? Zij toont een gestreepte blauwe
+molton onderbroek, waar roode dwarslinten over zijn genaaid.
+
+--Betoel, jà! persies goed, maar wat gheef hij voor zijn baadje?
+
+--O ellerèrdigst! 'k heb vèn Mevrouw Zwért 'n vuurroode blouse
+gekregen..., dèr plèkt de hofmeester goudpèpier op, sterretjes weet u?
+En op z'n hoofd krijgt hij 'n mètelotje van juffrouw Smits, met 'n
+beetje stroobloemen en pluizen uit 't Mèkèrtbouquet dat èltijd op die
+piènino stèt--en op z'n schoenen heb ik gele sigèrenlintjes genèid.
+
+--En zijn kousèn' ja?
+
+Zwèrte! 't moet verbeelden dat hij blootè beenèn heef.--heef U ook
+misschien zwèrte hèndschoenen?
+
+--O, neen ik niet, maar ik weten raad, jà! meneer Blikman, ghij gheef
+wel; hij in den rouw--ik dadelijk hem vragen--en de Indische dame met
+zeebeenen gaat schommel-loopend naar het salon--waar de bedoelde
+passagier in een hoekie zit te lezen.
+
+-------------------------------------------------------------------------
+
+In het volkslogies zit de bootsman met een van de jongens, een knappe
+blonde krullebol, bij een hoop uitgeplozen touw en vlas,--hij maakt een
+baard en een pruik voor den Sint. De bootsman is een knutselaar een man,
+die volgens 't zeggen van den Administrateur, een Manusje van alles is;
+"hij maakt met z'n handen wat z'n oogen zien."
+
+Nu heeft hij uit een ouden ronden hoed het kapje getrokken en naait
+daarop met groote steken zeilgaren kleine loefjes vlas, telkens op het
+hoofd van den jongen de pruik in wording passend.
+
+--Jantje, hou je kop stil, anders kan ik niet zien of de haren goed
+vullen. Hum! van onderen is ie goed--waarom lach jij, zwabber?
+
+--'t Kietelt zoo in m'n nek bootsman?
+
+Dat hoort zoo Jantje--dan krijgt Sinterklaas meteen een vriendelijke
+tronie--de hofmeester kijkt gewoonlijk anders niet komiek.
+
+Moet Sinterklaas dan altijd lachen bootsman?
+
+Aan wal niet--maar aan boord wèl--hou je kop stil, 'k moet er nog meer
+op naaien van boven.
+
+--Maak je der 'n schéiding in?
+
+Ben je nou heelemaal ... heb ie dan ooit 'n Sinterklaas met 'n pomadekop
+gezien?
+
+--Neen, maar!...
+
+--Hou je snavel dan--geef de kam 'reis.
+
+De bootsman kamt de vlasdraden een paar malen uit, naait weer nieuwe
+toeven over de andere en zegt eindelijk:--Zoo is ie mooi!--nou de
+kuif--zit dan toch stil, beroerde jongen, hou 't ding vast langs je
+ooren.
+
+Een groote dot vlas, wordt boven op het andere gelegd en vastgehecht.
+
+--Au!
+
+--Wat is er te "auwen"!
+
+--Je prikt in men kop.
+
+--Daar loop je niet op, zit stil, anders krijg je d'r een aanwaaier
+bij,--geef die schaar 'reis an--zoo, allright! Bliksems! nou ziet 't
+ding er patent uit--nou de baard nog. Zet nou je pruik voorzichtig af,
+zwabber!
+
+--O, bootsman!
+
+--Wat is er?
+
+--Je hebt m'n haar d'r ingenaaid! Hij kan d'r niet af!
+
+--Wat klets je? Dáár ... gaat ie nou of gaat ie niet?
+
+--O, Jesis! Au! Au!
+
+--Zoo!--pluk nou die paar haren d'r netjes uit en leg die pruik zoolang
+in m'n kooi!
+
+-------------------------------------------------------------------------
+
+In de bakkerij is de bakker met zijn helper druk in de weer. Of 't schip
+ook slingert, stampt en schommelt als een notedop op de fel bewogen
+golven, het deert hen niet. Zij kneden en vormen het deeg met vaste hand
+tot tulbanden van ongeveer een half pond zwaarte.
+
+Een repatrieerend onderofficier, bruin en mager, met de Atjeh-medaille
+op de borst, leunt tegen de deur en kijkt belangstellend naar binnen:
+
+--'n Heele corvee, bakkertje!
+
+--Nou!
+
+--Allemaal Sinterklaaswerk?
+
+--Ja sergeant! antwoordt de bakker, even 't tappelend zweet met een doek
+van zijn voorhoofd vegend.--Je kan d'r warm van worden.
+
+--'t Is anders vervloekt koud van daag!
+
+--'t Is nou geen gekheid hoor! 'k Moet in de tachtig tulbanden bakken
+voor de soldaatjes en de equipage en hoop letterbanket voor de
+passagiers--de kok heit nou z'n handen ook vol--als 't nou maar een
+beetje beter weêr wordt is 't niemendal, maar als we zoo blijven
+slingeren is 't zonde van de bovenste beste specie, die we voor de
+bakkerij gebruiken, want letterbanket is 'n zware kost, die 'n zeezieke
+maag niet verdraagt--afijn! 't mij een en 't zelfde--ik bak maar
+raak--maar ik zeg alsnog: 't is waarachtig zonde voor God!--maat geef de
+blom d'r is aan--en strooi nog wat suiker door 't beslag--daar heb je
+nou de kok, die maakt al drie dagen lang borstplaten met agrement voor
+de eerste klasse en voor de tweede zonder tierelantijntjes--Ik voor
+mijn, zie je, hou 't met de laatste, sergeant! want al dat gewriemel en
+gevinger op die suiker geef ik present,--ik heb ze liever zoo maar
+gewoon, zooals ze van d'r moer komen.--Neen! dankje, sergeant, onder m'n
+werk kan ik niet pruimen, je kan nooit weten hoe 'n blaadje tabak in je
+beslag raakt, en dat vleit niet. Ja, 'n sigaar wil ik wel van je hebben,
+die rook ik van avond!--
+
+--Bakker!
+
+--Wat blieft, hofmeester!
+
+--Je moet zorgen, dat er morgenochtend versch krentenbrood ook is--de
+administrateur heeft 't daar net opgegeven.
+
+--Is ie beduveld! Nou nog krentebrood ook? Ja wel zeker--ik heb daar
+niks te doen! Tulband, koek, brood, krentebrood. God zal me helpen! ik
+heb maar twee handen aan m'n lijf.... O! is u daar meneer!--jawel
+meneer, de hofmeester heeft 't me net gezeid, 'k zal d'r voor zorgen,
+meneer! O ja! 't gaat wel, meneer--we zullen wel 'n beetje poot-an
+spelen.--Ajo! maat, vooruit! sta niet te zaneken--zeker! meneer,--versch
+krentebrood--'t zal er wezen.... Kijk 'm daar gaan--_hij_ hoeft 't niet
+te bakken, _hij_ kan kommandeeren,--voor mijn part is 't nooit
+Sinterklaas.
+
+De administrateur, die aan kok, bakker, sappieboer en bottelier zijn
+orders is gaan geven, keert terug naar zijn hut en neemt uit een doos
+een paar nette kleine surprises-cartonages die hij met meer andere te
+Port-Saïd heeft gekocht om voor de passagiers als cadeaux te worden
+gebruikt.
+
+Hij begeeft zich naar een leegstaande familiehut eerste klasse, waar op
+de couchette kistjes vol bonbons, chocolade figuren pistaches en dragées
+zijn uitgestald. Twee, voor de zeeziekte immune passagiers zijn dáár
+bezig de surprises te vullen en in te pakken. Hij tikt aan.
+
+--Wie daar? klinkt 't van binnen.
+
+--Ik!
+
+--O! administrateur is u 't? Kom er in, we zijn al een heel eind op
+streek--we hebben de pakjes bijna klaar.
+
+--Mooi! ik heb hier nòg een paar aardigheden om te vullen.--Hoe is 't
+met de versjes?
+
+--Ik schrijf juist het laatste, dat's voor den kolonel--dien hebben we
+dat leuke bonbon-doosje toegedacht, met die speelkaarten er op--luister
+eens:
+
+ Kernèl! u speelt graag kaart,
+ Daarvoor is u vermaard,
+ Over geheel de aard!
+ En daarom schenkt de Sint,
+ Die u zoozeer bemint,
+ Trots storm en zee en wind,
+ U dit zeer fraai cadeau,
+ Vol chocolaad--O, zoo!
+
+--Heel goed!--en de andere gedichten?
+
+--O, die zijn naar rato!
+
+--Heeren! 'k maak je mijn compliment--als die gedichten geen panaceën
+tegen de zeeziekte zijn laat ik me kielhalen!
+
+--Niet sarcastisch worden, administrateur!
+
+--God zal me bewaren, hoop ik!--Ik ben u veel te dankbaar voor al de
+moeite die u je hebt getroost.--En hoe zullen we nu de zaak verder
+entameeren?
+
+--Wel! Wij hebben zóó gedacht: Als nu de kommandant aan tafel en als de
+passagiers ìn het salon vereenigd zijn, zou ik willen zeggen, dat de
+Sint met een extra boot aan boord is gearriveerd, of zoo iets, dan zijn
+ze geprepareerd en later kan de hofmeester dan met 't koksmaatje een
+mand binnen brengen met de cadeautjes en kan hij een kleine speech
+afsteken--die hebben we ook al voor hem geschreven. Daarna houdt hij
+uitdeeling--een beetje strooien er bij en de festiviteit is in orde!
+
+--Uitmuntend!--we zullen hoop ik een pleizierigen avond hebben.
+
+Vijf December.
+
+'t Weder is een weinig opgeklaard, de buien zijn minder hevig en het
+regent niet meer--maar toch slingert de boot sterk genoeg om het
+meerendeel der passagiers onwel te maken.
+
+Het eiland Monte Christo is in zicht geweest; nu nadert het stoomschip
+Elba.
+
+Alles gaat aan boord zijn gewonen, regelmatigen gang. Er is ontbeten,
+gelunchd en gebitterd--alles behoorlijk op tijd!
+
+Aan lij wandelen een paar passagiers, met overjassen aan en omhoog
+gezette kragen, heen en weêr.
+
+--Beroerd weer! zegt de een, ik kan me nog niet wennen aan die kou--'k
+wou dat 'k nog goed en wel op Java zat; nu begint 't lieve leven weer,
+dat satansche klimaat gaat me nu al in de botten zitten.
+
+--Ga dan beneden in het salon, meneer Vinkers.
+
+--Ba! 'k zou je danken, daar is 't me weer te onfrisch en je ziet er
+niet anders dan vervelende, landziekige vrouwen en drenzende kinderen.
+De eene juffrouw ligt op de bank, languit te dreinen en de andere hangt
+als een slappe vaatdoek over de tafel en dan die weêrlichtsche kinderen;
+ze zaniken den heelen tijd over Sinterklaas, je wordt er misselijk van.
+
+--Kom! 't zijn kinderen, ze hopen op een pretje van avond.
+
+--'t Zal wat lekkers wezen--je zult zien, er komt niets van terecht,
+want tegen den avond zal 't wel weer harder gaan waaien--wat denk jij er
+van Kees?
+
+De kwartiermeester, die juist naast hen is gekomen met een paar
+kinderen, die even een luchtje moeten scheppen, aan de hand--vraagt met
+een leuk gezicht:
+
+--Wâblief meneer?--Neen, niet loslaten Njo! Kees moet op je passen, dat
+je niet voor de haaien gaat, liefie.
+
+--Of je niet denkt dat we van avond weer slechter weer krijgen?
+
+Kees kijkt even naar de lucht, verzet met zijn tong zijn versnapering
+van de rechterwang in de linker en antwoordt dan:--Nou, dàt kan wel
+gebeuren als we Elba achter den rug hebben; d'r staat nog al wat zee en
+'t ziet er daar onder den wind wel naar uit of we van avond een beetje
+aan 't springen zullen komen.--Jongejuffrouw, blijf nou even zoet staan,
+we gaan dadelijk naar de kippetjes kijken, hoor!--Maar als 't zóó is,
+meneer, kan ik het niet helpen ... heit u anders nog iets?
+
+--Dankje!
+
+--Ah, daar is de dokter;--waar heb je zoo lang gezeten vandaag, dokter?
+
+--'k Heb vast wat laxeerwater en pilletjes voor jelui klaar gemaakt
+tegen morgen.
+
+--Wel zoo! Waarom?
+
+--Och! na zoo'n Sinterklaas-avond zullen de magen aardig van streek
+wezen; 'n mooie uitvinding zoo'n feest--letterbanket en marsepijn is
+heerlijk goedje voor ons, medici!
+
+--Hoezoo?
+
+--Je krijgt er zulke prachtige obstructies van.
+
+--Egoïst!
+
+--Beste meneer! ik heb zóó weinig te doen tegenwoordig, hier aan boord,
+dat ik me schaam om m'n gage te toucheeren.
+
+--'n Mooie aesculaap ben je--d'r zijn zeezieken genoeg, waarom cureer je
+die niet?
+
+--Daar is geen kruid voor gewassen tot nog toe.
+
+--'n Sterk bittertje, cognac, chartreuse, maagelixer....
+
+--Dwaasheid! ze zit niet in de maag.
+
+--Niet, waar dan?
+
+--In de hersenen; ik hou zeeziekte voor 'n lichte hersenaandoening en
+daarom geloof ik dat afleiding, wilskracht, niet ziek _willen_ wezen, er
+nog 't beste voor helpt. Zullen we eens wedden dat de meeste passagiers,
+die nu voor mirakel liggen, van avond alles vergeten en zoo lekker als
+kip zijn?
+
+--'k Wou dat je waarheid sprak, dokter.
+
+--Nu, je zult het beleven, als er maar veel pret is, gaat de zeeziekte
+overboord?
+
+--'n Flesch champagne, dokter, als je waarheid hebt gesproken!
+
+-------------------------------------------------------------------------
+
+Half zeven! De bel voor het diner is geluid. De passagiers zijn
+samengekomen in het salon, van dek en uit de hutten. Er zijn er velen,
+die bleek en met blauwe kringen onder de oogen aan tafel zitten, maar op
+een paar dames na, die betoel, betoel _ziek_ zijn en zooals Kees
+beweert: "geen halflood zeevleesch an d'r heele karkas hebben," zijn
+allen present.
+
+Men heeft gehoord, dat na tafel den passagiers een verrassing wordt
+bereid en wat de bittertjes, chartreuses, bruispoeders en pillen niet
+deden, heeft nu de nieuwsgierigheid gedaan, hen namelijk in zooverre
+opgeknapt, dat ze aan tafel konden komen.
+
+Er wordt druk gepraat.
+
+De administrateur, een gezellig causeur, die verbazend goed den slag
+heeft om met dames te babbelen, doet wat hij kan om 't gesprek gaande te
+houden. De dokter werkt zijn geheele anecdoten-repertoire af en zelfs de
+meestal ernstige kommandant maakt gekheid met zijn tafelbuurtjes en
+houdt haar in spanning door gezegden als:--Ik weet al wat Sint Nicolaas
+u brengt juffrouw; je zal d'r van staan kijken als een kat voor een
+duivenhok, of:--Majoor, zet je maar schrap, de Sint brengt je van avond
+een gard.
+
+Er wordt een stevig glaasje wijn gedronken, een paar malen vliegt aan de
+middagtafel een champagnekurk omhoog, en omdat de twee zijtafels niet
+voor de "hooge oomes" willen onderdoen, worden van lings en rechts
+ontploffingen gehoord.
+
+--'n Jolig diner, van avond! zegt de bleeke jongeling, die naast de
+Indische dame met zeebeenen zit.
+
+--O! Lekkèr--geheel lekkèr--zoo mag ik wel, merk u wèl niemand sakit
+laut, já?
+
+--U heeft gelijk, mevrouw! er zijn geen zieken, maar 't is ook veel
+beter weêr geworden....
+
+Bons, flang, ring, flang!... als wilde de zee die woorden logenstraffen,
+werpt zij een van de nougattempels, die als milieux de tafels versieren,
+door 't slingeren van de boot op borden en wijnglazen in gruizelementen.
+
+--Allàh! u zeggen niet zoo gojang!--O, lo! veel erger dan anders, maar u
+niet merken door de pret jà!--
+
+--Wat zei ik u? fluistert de dokter zijn buurman toe, we slingeren
+driemaal meer dan van morgen en als die miserabele taart er niet was,
+dan--Zie je, daar heb je 't al, Mevrouw Willemse staat op, nu voelt ze
+in eens weer de zee.
+
+De kommandant, begrijpend dat hij in 't voordeel der goede stemming
+partij moet trekken van het geval, tikt aan zijn glas en zegt:
+
+--Dames en heeren!
+
+--Stilte! stilte! de kommandant wil toasten!
+
+--Dames en heeren! maakt u niet bezorgd over dat schokje--'t was geen
+roller, maar 't was eene kleine aanvaring!
+
+--Hè? Wat? Hoe?
+
+--De boot van Sinterklaas is ons langs zij gekomen en zijn dolfijnen
+hebben even hun koppen tegen ons boord gestooten. We zullen het dessert
+laten afruimen en dan worden de heeren en dames, de groote en kleine
+kinderen, verzocht eerbiedig en met een gepast lied als: "Sinterklaas,
+goed heilig man" of iets dergelijks, den ouden heer te verwelkomen. U
+moet mij excuseeren, want ik word gewacht op de brug om over uw aller
+veiligheid te waken!
+
+--Bravo leve de kommandant, hoera!
+
+--Pang! Een flesch Moët knalt open!
+
+--Eerst nog een glaasje op je gezondheid, kommandant.
+
+--Nu goed dan, nog één! Je welzijn meneer Bergersma!
+
+--Dank u!... Dames en heeren! hij leve, onze gezellige kommandant!
+
+--Hiep hiep hoera! lang zal hij leven, lang zal hij leven in gloria!
+Gloria--a-a!
+
+Zee en wind zijn weer vergeten en de algemeene vroolijkheid keert terug.
+
+--Lang zal hij leven in gloria--a--a!
+
+--Hiep, hiep, hoera!
+
+ * * * * *
+
+In de hut van den hofmeester ligt alles overhoop. Op de couchette zit
+het koksmaatje reeds geheel gekleed, tusschen een grooten witten zak vol
+strooigoed en een stapel pakjes van allerlei vorm en kleur. Zijn voeten
+rusten op een mand vol papieren, snippers en stroo.
+
+De hofmeester, in 't costuum van Sint Nicolaas, met de vlaspruik onder
+den bordpapieren mijter op 't hoofd, tracht voor een spiegeltje, dat de
+koksmaat vasthoudt, zijn baard aan te doen en de dikke linnenjuffrouw
+naait met groote steken, de vlag, die te lang onder de kimónó uithangt,
+een eind op.
+
+--Stè èsjeblieft stil hofmeester, ik rèk ènders ook m'n equilibre
+kwijt--nog mèr en pèr steken, dèn ben jè klèr!
+
+--Die baard is te groot, ik stik d'r in.
+
+--Je moet 'm ook over je ooren hangen, hofmeester.
+
+--O, zóó ja! nou is ie goed!--ben je nou klaar, juf?
+
+--Dèdelijd! nog even je borstplooitjes en de kenten slippen nèzien.
+
+--Dat geveugel an m'n lijf kan ik niet velen, laat dat maar waaien.
+
+--'t Stèt zoo leelijk, wècht nu even, hé? Zoo, nu ben je klèr! Wèr is je
+vers, ken je 't vèn buiten?
+
+--Geen steek d'r van juf--maar dat's niks. Hij moet 't me maar
+voorzeggen.
+
+--Souffleeren! jè, dèt kèn wel. Vooruit nu mèr!
+
+De hofmeester gaat de hut uit, deftig, met zijn bisschopsstaf in de
+hand; 't koksmaatje springt van de couchette, keert de mand met snippers
+om, doet de pakjes er in en gaat dan, met den zak op zijn rug en de mand
+vol pakjes aan de hand, hem achterna.
+
+--Goddori! zegt de hofmeester, omkijkend, je bakkes!
+
+--Wat zou m'n bakkes?
+
+--'t Is nog wit--je bent immers 'n zwarte knecht.
+
+--Dat 's waar ook! Zeg juf, geef me gauw een gebrande kurk.
+
+--Dat duurt te lang, ik zal je wel anders helpen, neem maar inkt, dáár
+staat 't fleschje.
+
+--Maar hofmeester, dat gaat er zoo moeilijk weer af.
+
+--Hindert niet, je hoeft morgen niet naar je meissie: gauw, vooruit!
+
+-------------------------------------------------------------------------
+
+Een paar minuten later treedt Sint Nicolaas, gevolgd door zijn zwarten
+knecht, het salon binnen.
+
+Deftig begroet hij al de aanwezigen met een--Dames en Heeren! ik ben
+Sinterklaas en ik kom jelui ereisies opzoeken en dat is m'n zwarte
+jongen, die--maak je buiging roetmop--de cadeautjes brengt.
+
+--Hum! hum!... hij begint zijn vers:
+
+ Ik kom op last van God Neptuun,
+ Den Heerscher van de zee,
+ En breng voor ieder hier aan boord
+ Een klein cadeautje meê!
+ Ik kom op 't land wel ieder jaar
+ Bij kinderen groot en klein.....
+
+Maar 'k kom nu ... Hm! Hm!... Ik kom nu ook ter zeehm! hm!
+Bliksem!--Hm! ter zee!--Hm!... Ja, Dames en Heeren of ik 't nou zeg of
+zwijg, ik ben m'n vers vergeten en die stommeling soeffleurt me niet,
+maar.... hij neemt het papier uit handen van den zwarten knecht, legt
+het op tafel en zegt:--Die er lust in heeft, kan 't zelf lezen, 't is
+heel aardig!... d'r zit 'n beetje inkt an, maar dat komt omdat we in de
+gauwigheid geen kurk hadden, Hm!... en nou zal ik ieder 't zijne
+geven.--Moriaan, strooi jij ondertusschen reis 'n beetje!
+
+Met zijn groote handen grijpt de zwarte knecht in den zak en werpt
+bonbons, chocolaadjes, noten, amandelen, koekmoppen en pistaches om zich
+heen en over de passagiers, die gierend van 't lachen, als kleine
+kinderen aan 't grabbelen gaan.
+
+Dan, terwijl de vroolijkheid steeds stijgt en de jongens warme wijn en
+Sintnicolaasgoed presenteeren, ontpakt de hofmeester zijn mand en geeft
+aan iedere dame en heer het voor hen bestemde pakje.
+
+--Leve Sint Nicolaas! Leve de zwarte knecht! Hiep, hiep hoera!
+
+--Sinterklaas, een glas champagne?
+
+--Asjeblieft meneer Vinkers!
+
+--Ha! Ha! Ha!
+
+--Zwartje, jij ook een glas?
+
+--Nou meneer, drinken we in ons apenland niet dikkels. Asjeblieft, wel
+twee!
+
+--Bravo! Lang zullen ze leven!
+
+Zeeziekte en schommelingen zijn totaal vergeten, hooger kleuren zich de
+aangezichten, lachend en schertsend vallen de passagiers nu en dan tegen
+elkander aan door 't stampen van het schip, maar niemand heeft er hinder
+van.
+
+De dokter ledigt de gewonnen flesch champagne met de andere heeren.
+
+Buiten huilt de storm; de opgezweepte golven slaan over 't schip en op
+de brug staat de kommandant in zijn oliepak en tuurt oplettend in de
+duistere verte!
+
+ * * * * *
+
+In zijn hangmat in het halfduistere soldatenlogies ligt een fuselier.
+Het flauwe schijnsel van 't licht dat er brandt, beeft over zijn
+ingevallen wangen, 't glijdt langs zijn slappe rimpelige oogleden,
+waaronder de oogballen rusteloos trillen en laat even de klamme haarvlok
+zien, die, onder uit zijn politiemuts komend, tegen 't gele, beenige
+voorhoofd plakt. Hij is afgekeurd voor den dienst. Jenever en vrouwen
+hebben hem vóór den tijd oud gemaakt, buikziekte en moeraskoortsen deden
+het overige. Als een jonge grijsaard, een vroeg gesloopt organisme, ligt
+hij, half sluimerend, half soezend, onverschillig voor alles, behalve
+voor het "mokje" jenever, dat hem tweemaal per dag toekomt.
+
+--Mo'je d'r niet is uitkomme? vraagt een kameraad, die in de eene hand
+een kom koffie houdend, met de andere een stuk tulband naar den mond
+brengt.--Ze benne knappies in de pret, hoor je wel? en hij wijst op een
+aantal soldaten en stokers, die achter in 't logies bij elkaar zitten,
+lachend en pratend.
+
+--Kom! kerel, kruip d'r nou ook is uit, je lach je dood, ze hebben
+Sijbrands te pakken met een surprisie.
+
+--Och la' me liggen.
+
+--Mo' je tulband?
+
+--Nee, stik!
+
+--Nou dan niet! en met een schouderophalend: "Hij wordt suf," gaat de
+soldaat terug naar de anderen, die, bij, over en half op Sijbrands
+leunend, toekijken hoe deze een groot, in zeildoek genaaid, met teer en
+verf besmeerd pak openpeutert.
+
+Een oogenblik wendt de zieke fuselier het hoofd om naar de zwak
+verlichte groep en terwijl een smadelijke glimlach om zijn bleeke, dunne
+lippen speelt, mompelt hij:--Flauwe mop!--sluit de oogen en draait zich
+zoover mogelijk om. Zijn oogen gaan weer een poos open staren naar den
+geligen scheepswand, waartegen nu en dan reusachtige schaduwen glijden
+van de heen en weer bewegende mannen, dan sluimert hij even in om
+dadelijk weer te ontwaken, door 't gelach en gejoel der anderen.
+
+"Sunter klaassie bonne, bonne, bonne!" zingt er een met ruwe stem. "Gooi
+wat in de leege tonne!" kraait een ander. "Gooi wat in de huize!" blért
+een derde en lachend, vloekend en gillend vallen de overigen in met:
+"Dankie Sinterklaassie!" als een zwartgemaakte kolentremmer met een
+binnenstbuitengekeerde kapotjas aan, een ketting als gordel en een roode
+fez op 't hoofd, uit een linnenzak eenige handenvol noten, amandelen,
+koekmoppen en rozijnen, over de hoofden heen op tafel gooit.
+
+--Flauwe mop! bromt de zieke nog eens en tracht den slaap te vatten,
+maar eensklaps rijst voor zijn geest het beeld van een vredig, eenvoudig
+tehuis in een groote stad, vol lichte straten en pleinen. Hij ziet
+lachende, stoeiende, grabbelende kinderen in een warm, gezellig vertrek;
+hij ruikt de chocolade en koeklucht in de kamer. Hij ziet de goedige,
+dikke moeder, die voor ieder een verrassing bereidde--de altijd bezige
+vader, zich nauwelijks tijd gunnend om even naar zijn jolig troepje te
+komen kijken en ... langzaam dommelt hij in, half droomend, half wakend.
+Allerlei herinneringen dwalen door zijn weeker wordend brein:--Een
+doorboemelde jeugd, leuke vrienden, lastige schuldeischers, bedrogen
+meisjes ... als in een warreling van beelden vliegen ze aan zijn
+gesloten oogen voorbij.
+
+'t Suist in zijn ooren--die drukke geluiden om hem heen roepen andere
+klanken terug in zijn slappe hersenen; lang vergeten stemmen komen
+weer!... Kind! alles is nu vergeten en vergeven, kom als een flinke
+kerel weêrom--was dàt niet moeders stem? Voelde hij daar niet vaders
+handdruk bij 't afscheid aan boord, toen hij wegging als koloniaal?
+Hoorde hij daar niet de muziek op den wal, het joelen en schreeuwen der
+vertrekkende troepen?
+
+Hij ziet als in nevel moeders bleek, betraand gelaat, haar lang nog
+wuivenden zakdoek, en dan ... dan springt hij eensklaps als
+geëlectriseerd op uit zijn hangmat, want: "Extra oorlam!" aan de klok,
+heeft zijn oor getroffen.
+
+Hij schudt zich een paar malen, smakt met de lippen, herhaalt nog
+eens:--Flauwe mop! en gaat zijn "mokkievol" halen.
+
+-------------------------------------------------------------------------
+-------------------------------------------------------------------------
+
+Zes December.
+
+'t Sint Nicolaasfeest is voorbij.--Eenige passagiers zitten pratend aan
+'t ontbijt--de meesten zijn nog in hun hutten.
+
+Aan dek is Kees bezig met het vastsjorren van een paar stoelen, voor de
+twee dames die betoel, betoel ziek zijn en op last van den dokter elken
+dag even aan dek _moeten_.
+
+Een passagier, die ook lucht hapt, vraagt hem:
+
+--En heb jij ook 'n goeie Sinterklaas gehad, Kees?
+
+--Ik, meneer? 'k Heb gemaft in m'n kooi, 'k moest er niks van hebben. De
+pret is nou voorbij--maar je zal wel d'ris rare gezichten zien van
+daag--'t is maar de vraag waar 't door is, door de zeeziekte of door al
+de buitengewoonhedens die ze gisterenavond in d'r maag hebben gestouwd!
+
+
+
+
+EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.
+
+
+We zaten samen in 't hotel Egener te Probolingo aan 't ontbijt. Hij was
+na mij binnengekomen en had zich, op de in Indië gebruikelijke wijze,
+aan mij voorgesteld met de woorden:--Mag 'k eens even met u kennis
+maken. Mijn naam is Verbeke.
+
+--Ik heet van Maurik!
+
+--Justus van Maurik?
+
+--Juist.
+
+--Och! dat doet me plezier--ik heb in de kranten wel gelezen dat u een
+bezoek aan Indië brengt, maar 'k had nog niet het genoegen u te
+ontmoeten. En toch heb ik, vooral in den laatsten tijd, dikwijls aan u
+gedacht.
+
+--Ei, hoe komt dat zoo?
+
+--Wel! ik heb zoo nu en dan wat van u gelezen en daarbij dacht ik: als
+ik dien man sprak zou ik hem voor de curiositeit mijn levensgeschiedenis
+eens willen vertellen. Een auteur moet, dunkt me, graag zoo iets hooren,
+al is 't maar om zijn menschenkennis te verrijken of er later stof in te
+vinden voor een schets of novelle. 'k Heb dikwijls gedacht; hoe halen de
+schrijvers de dingen bij mekaar? Ze moeten zeker hier en daar lui
+vinden, die hen op de hoogte brengen van een en ander....
+
+--Dat ziet u aan u zelf meneer ... hum?...
+
+--Verbeke. Willem Frederik Hendrik Verbeke. Ja, 'k ben een Toewan! 'k
+heb drie mooie voornamen, maar daar koop je niet veel voor.... Dus 't
+zou u interesseeren als ik u vertelde, welk toertje ik al zoo door de
+wereld heb gemaakt?
+
+--Natuurlijk, maar mag ik even mijn notitieboekje halen, dan teeken ik
+de hoofdpunten aan--mijn geheugen laat mij soms in den steek.
+
+Hij lachte eventjes en streek met zijn hand over zijn dunnen rossigen
+knevel;--Ga gerust je gang, meneer, maar wanneer je 't avond of morgen
+mijn lotgevallen vereeuwigt, zet dân een anderen naam in je boek,
+asjeblieft? Ik heb nog veel familie in Holland en die lui mochten zich
+eens ergeren; 't zijn daar zulke brave zielen, weet u! Steunpilaren van
+de kerk. 'k Heb twee dominees in mijn familie en ettelijke ouderlingen.
+De witte das is erfelijk in ons geslacht.
+
+--Steek eens op, meneer! 'n lichte sigaar--eigen fabrikaat, 't is
+meteen een adreskaartje van den fabrikant, al rookend vertelt men
+gemakkelijker.
+
+--Graag! Ja 'k heb al menig sigaartje van je naar den blauwen hemel
+geblazen en soms terwijl ik een boek van je las. Dan dacht ik zoo: wat
+'n wonderlijke combinatie--sigarenfabrikant en schrijver--die man moet
+een goed standje hebben. Hij raakt ze van alle kanten ha, ha, ha!
+
+--'t Is een dringende noodzakelijkheid dat ik fabrikant blijf, want van
+zijn pen kan men in Holland niet leven, daarvoor is 't land te klein,
+ergo....
+
+--Verkoopt u sigaren. Koko blanda! Hollandsche sigaren in
+blikverpakking, gegarandeerd tegen wormen, insecten en vocht. Hij sprak
+snel en op één toon, als iemand die een les opzegt. Je ziet wel meneer,
+dat ik de reclame-biljetten uit je kistjes van buiten ken, maar je hebt
+schoon gelijk! Je moet turf opdoen zoolang je turven kunt, komt de oude
+dag dan heb je een beetje brandstof in huis om je stijve knoken bij te
+warmen. 'k Heb ook altijd zoo gedacht in den beginne, maar och! mijn
+turf is me tusschenbeiden door vrienden en buren afhandig gemaakt, en 'k
+ben er zelf ook wel 'n beetje ruw mee omgesprongen, Sepada!--hij riep
+den jongen:
+
+--Minta whisky-soda? Mag ik u ook een glas offreeren?
+
+--Dank u, 't is me nog te vroeg, 'k heb hier mijn thee nog staan.
+
+--Och! ik drink ze alleen uit gewoonte om iets te hebben wat m'n tong
+vochtig houdt; 'k heb zeker 'n droge lever!--Sedikit whisky! zei hij tot
+den jongen, die hem inschonk. 'k Neem er maar een spoor whisky in, om
+een smaakje aan 't Apollinariswater te hebben. U zou kunnen denken, dat
+ik, hij maakte de bekende beweging, van dât hield. Och heer! neen, dat
+is 't geval niet, zoolang ik onder de tropen ben, heb ik in alle
+opzichten matig geleefd. 'k Heb dagelijks één enkel bittertje gebruikt
+uit oud-Hollandsche gewoonte, vóór den eten en 's avonds een toddy of
+een paar splitjes (half glas whisky soda) anders zag ik er zóó niet uit
+op mijn vijf en veertigste jaar en 'k ben toch van mijn twee en
+twintigste al in Indië. Kijk! 'k heb nog een goeien kop met haar en mijn
+oogen zijn ook nog perfect.
+
+Ik keek mijn nieuwen kennis oplettender aan. Hij was een man van
+middelbare lengte, met een opgeruimd, bruingelig gelaat en helderblauwe
+oogen, die frank en vrij onder borstelige, rossige wenkbrauwen
+rondkeken. Zijn neus was nog al dik, maar met zeer bewegelijke vleugels,
+die op een zenuwachtig temperament wezen en als hij sprak, trok hij nu
+en dan zijn bovenlip in 't midden min of meer driehoekig op, zoodat
+onder zijn overhangenden dunnen knevel, de gave witte voortanden
+zichtbaar werden. Over 't geheel genomen, had hij iets goedigs zelfs
+iets kinderlijks in zijn uiterlijk, dat, ofschoon het een zeer
+burgerlijk type had, toch volkomen fatsoenlijk en volstrekt niet
+ordinair was.
+
+In den loop van het gesprek viel 't mij op, dat hij de gewoonte had, om
+van tijd tot tijd een der punten van zijn langen snor in den mond te
+nemen en er op te bijten, terwijl hij zijn gedachten scheen te
+verzamelen. Zijn handen, ze waren zeer goed verzorgd, schoon sproeterig
+en zonverband van boven, hield hij ze al sprekend, geen oogenblik stil.
+Nu eens krabbelde hij met zijn lange zindelijke nagels aan de korte
+stoppels, die aan zijn kin uitbotten, dan weer plukte hij met zijn
+vingers aan zijn jaslapellen of streek door zijn kort geknipt, dik
+rosblond haar. Zijn geheele persoonlijkheid was overigens kalm, zijn
+manier van vertellen klaar, kort en duidelijk, soms bijna cynisch en
+zeker zou men hem een volkomen rustig man hebben kunnen noemen, indien
+niet zijn handen zoo voortdurend in beweging waren geweest.
+
+--'k Ben in Friesland geboren, begon hij, op een klein dorp, waar mijn
+vader plattelands geneesheer was. 'k Heb nog een veel ouderen broer, die
+dokter is te Amsterdam--en ik ben ook begonnen met 't gymnasium, maar 'k
+had geen kop voor Latijn en Grieksch. Toen heb ik 't over een anderen
+boeg gegooid en ben gaan leeren voor den post- en telegraafdienst. 'k
+Was bijna klaar en zou examen doen, maar daar trof me een ongeluk met
+schaatsenrijden; ik kneusde mijn been erg, heel erg; 'k was er lang mooi
+mee! 't Genas eindelijk maar 't eene was cirka een halven decimeter
+korter geworden dan 't andere. Niets aan te doen, hoor! Ik was
+gesjochte, want even van te voren was voor de post- en telegraafbeambten
+de keuring ingesteld en ik kon dus met mijn te korte been naar huis
+hompelen.
+
+Goeie raad duur! Wát te doen? In Holland liggen de baantjes niet
+opgeschept. 'k Had een broer in Indië, ook al dokter, dien 't naar den
+vleesche ging. 'k Had hem geschreven: Jan, mijn eene poot is voor goed
+opgetrokken en heeft mijn carriére in de war geschopt, kun jij me ook in
+je apeland gebruiken?
+
+Jan was een goeie, hartelijke kerel en schreef me dadelijk terug: "Wim
+kom maar over, 'n aap meer of minder hindert hier niet. Ik zal je wel op
+een koffieland plakken, daar kun je zoo mank loopen als je wil!"
+
+'k Ben een vol jaar bij hem blijven logeeren om aan 't klimaat te wennen
+en de taal te leeren, want ik kon me beter redden met boerenfriesch, dan
+met Maleisch of Javaansch, dat snap je wel. 'k Had 't Javaansch vrij
+gauw te pakken, Maleisch leerde ik van zelf onder de hand en toen ik
+zoo'n beetje van alles wat de planterij aangaat op de hoogte was, kwam
+ik als assistent op een koffieland. 'n Hondenbaantje hoor! Toen daarna
+in de tabak. Ja, ik heb misschien menig plantje verzorgd wat u later tot
+je onvergelijkelijke sigaren hebt laten verwerken. Van de tabak kwam ik
+in de suiker en van de suiker weer in de koffie: maar hoewel ik goed
+mijn brood had en zelfs een aardig stuivertje overlei, begon me dat
+eenzame leven op die plantage de keel uit te hangen. Eten en drinken heb
+je plenty, je kunt je zelfs vet mesten als je er lust in hebt--maar
+leven? Neen! dat doe je op zulke ondernemingen eigenlijk niet, je leidt
+een plantenleven. Daar ben ik de man niet naar, 'k ben een veel te
+jolige knaap, 'k hou van pret, van lachen, van dwaasheid op z'n tijd, en
+op zoo'n land is 't altijd en eeuwig koekoek-één-zang. Soms zag ik weken
+lang geen ander Europeaan, dan m'n collega, een saaie, droge vent, die
+me verveelde.
+
+'k Schreef weer aan Jan: "Broêr" schreef ik, "als je niet wilt dat ik
+hier vastgroei of als een knol in den grond blijf zitten, kijk dan eens
+voor me uit naar wat anders."
+
+--Kom maar hier--antwoordde Jan--dan zullen we op ons gemak voor je
+uitkijken.
+
+Ik weer naar mijn broêr; die was toen al aan 't sukkelen. Beroerd hè?
+dat zoo'n dokter zich zelf niet cureeren kan en nog beroerder dat hij
+zoo precies weet wanneer ongeveer zijn lampje uitgaat.
+
+Als je je rept Wim! zei hij, dan kan ik je misschien precies nog een
+handje helpen, vóór ik de pijp uitga. Nu dat heeft ie dan ook gedaan;
+door zijn toedoen en verlichting heb ik mijn examen kunnen doen als
+opzichter bij den Waterstaat. Tegenwoordig maken ze die examens heel wat
+zwaarder, maar toen ik het deed was 't nog zóó erg niet. Wel zat je zes
+dagen lang tegenover drie inspecteurs, die je, met permissie! 't hemd
+van je lijf vroegen, maar 't ging goed--ik rolde er heerlijk door met
+nog een ander; maar de rest werd afgewezen. Enfin! troost jelui je maar,
+zei ik, drie gekken kunnen meer vragen dan één verstandig mensch
+beantwoorden kan.
+
+Ik lekker, dat vat je! En m'n broer had er deeg van; hij liep in zijn
+laatste schoenen, dat zag ik wel en den avond voor we hem dood in zijn
+bed vonden zei hij nog tegen me: Wim! dat hebben we 'm nog net gelapt,
+ouwe jongen! Kijk jij nou een beetje, dat mijn vrouw en kinderen goed
+naar Holland komen.
+
+Goddank! ze konden leven, Jan was altijd zuinig en oppassend geweest.
+
+Een heele poos ben ik opzichter bij den Waterstaat geweest, maar veel
+vooruitzicht had ik niet en 'k begon ook alweer genoeg te krijgen van
+dat dwarskijkersbaantje; 'k heb me nooit lang bij één ding kunnen
+bepalen, dat merk je wel! Daar gebeurde me iets wat je toeval of fortuin
+zou kunnen noemen. 'k Was te Samarang en maakte er kennis met een
+Engelschman. Toen die mijn naam hoorde vroeg hij: Ben jij soms een broêr
+van dokter Verbeke? Ja! dan doet 't me plezier je te ontmoeten ... jouw
+broer heeft mij radicaal van de spruw genezen, ik was destijds een arme
+slokker en hij heeft me nooit laten betalen: daar ben ik hem nog altijd
+dankbaar voor!
+
+Ik vertelde hem, dat ik mijn bekomst had van den Waterstaat en dat ik
+wat anders wou beginnen. Well! zei de Engelschman, word aannemer. Je
+zegt immers dat je wat geld hebt--ik ben toevallig in de gelegenheid om
+je goed werk te bezorgen. Je kunt op mij rekenen! 'k Hoor hem nog
+zeggen:--Your brother cured my body, I shall cure your affairs! En hij
+hield woord! Ik nam mijn ontslag, werd aannemer en hij bezorgde mij
+plenty werk. Zie je, dat was nog eens een man die voor een ander wat
+over had.
+
+Jongens, ik bofte toen zoo! In vier jaren tijd had ik een goeie
+zestigduizend gulden overgelegd, 'k had royaal geleefd en me waarachtig
+niet verkniesd. Was ik destijds aannemer gebleven dan zou 'k misschien
+nu een ton of wat in de wereld hebben, maar de duivel mag weten hoe 't
+kwam, ik kreeg van de aannemerij ook al weer genoeg. 'k Geloof dat ik
+toen, voor mijn doen, te veel geld had, en dat de broodkruimels me
+staken. Op aanraden van een goed vriend--de satan mag hem voor mijn part
+halen--kocht ik een koffieplantage.
+
+De rakker wist wel dat 't ding geen geld waard was, maar hij kreeg zijn
+provincie en dáárom was 't hem te doen. Dat was God beter 't een
+landsman. Ja! van je vrinden moet je 't maar hebben.
+
+'t Begon me tegen te loopen; in de boontjes lukte 't niet. Eerstens
+waren de gronden niet goed en tweedens hielp Toewan Allah niet meê.
+Mislukte oogsten, ziekte in de boonen, slechte prijzen, alles werkte
+samen om me uit te kleeden. 'k Zat in een minimum van tijd in de beer en
+wel zóó dik, dat ik geen gat meer zag om er uit te komen.
+
+'k Wist geen raad en dacht: waarom zal ik nou langer al die soesah
+hebben. Kinderen hou ik er niet op na, mijn familie in Holland zal me
+niet missen, ik blaas me een blauw boontje in m'n kop en Soedah!
+
+Maar 'k heb het niet gedaan en weet je wie me terug gehouden heeft? Mijn
+huishoudster!
+
+Je begrijpt wel dat 'k in Indië zoo'n nuttig meubel hebben moest, en
+toen ik er eenmaal toe overweging om zoo'n inventarisstuk aan te
+schaffen, heb ik er naar mijn beste weten een uitgezocht van goede
+kwaliteit. 'k Heb nog al een gelukkige hand in dat soort van zaken--en
+daarom trof ik 't zeker ook zoo best. Ik kreeg een Boegineesche, Sina
+heette zij. Mooi was ze zoolang ze heel jong was, later had ze toch een
+dragelijk gezicht, maar trouw! trouw meneer! als een hond. Ik heb haar
+achttien jaren lang bij me gehad, nu is ze sedert een paar maanden
+dood....
+
+Verbeke zweeg even, beet op de punt van zijn knevel, keek naar zijn
+lange nagels, nam toen een teugje whisky-soda en vervolgde:
+
+--Ja! ze is dood, 't onthandt me erg, want ze deed alles voor me. Enfin
+je kunt niet eeuwig bij mekaar blijven, hé? Maar om op mijn
+koffieplanterstijd terug te komen: ik wou me dan maar gewoonweg voor den
+kop schieten en 'k zou 't gedaan hebben ook, wanneer Sina me niet 't
+pistool uit de hand had geslagen. Ze gooide 't voor mijn oogen in de
+kali en zei:--Ben jij een man en kan jij je ongeluk niet dragen? Toewan
+Allah heeft je eerst rijkdom gegeven, dien heb je aangenomen--nu neemt
+hij je het geld weer af--moet je je daarom doodschieten? Foei! ik ben
+maar een zwakke vrouw, maar ik heb meer moed dan jij--Ajo! wees
+vroolijk; ik heb den goeden tijd met je doorgemaakt, ik zal je ook door
+den slechten helpen. We zullen er samen wel komen. Zij bracht mij een
+goede achthonderd gulden, die zij bespaard had en zei: dáár! dat heb ik
+nog, daar beginnen we weer mee!
+
+Sina's broer was tuinjongen bij me en haar vader had ik als mandoer op
+mijn land. Je begrijpt, met de familie van je huishoudster bemoei je je
+nooit--je blijft altijd Toewan tegenover die lui--maar toen ik met Sina
+'t land afging, waren ze erg beroerd, ze hadden kasian met ons.
+
+--Ja, die vader van Sina was een wonderlijke kerel, goed van hart, maar
+een driftkop. Hij had in vroeger jaren, voor hij getrouwd was met Sina's
+moeder, een perkara gehad met een anderen inlander en wel door een
+haan--dat wil ik u even en passant vertellen, 't teekent zoo'n beetje de
+toestanden onder die lui.
+
+Hij had namelijk een vechthaan, die zich meten zou met dien van zijn
+neef. U weet zeker wel dat de inlanders dolle liefhebbers zijn van
+hanengevechten en dikwijls bij die gelegenheden voor hun doen groote
+sommen verwedden. Soms zelfs verspelen zij op die manier hun heele
+hebben en houden, hun huis, hun sieraden, kortom alles! 't Is een
+passie, die hen volkomen beheerscht.
+
+Nu gebeurde het dat de haan van mijn schoonvader het verloor, zijn neef
+lachte hem daarom uit, ze kregen woorden en om een eind aan de zaak te
+maken trok Sina's vader zijn kris en stak zijn soedara overhoop. Hij
+vluchtte naar Makassar, werd daar aangeworven als cavallerist en kwam in
+later jaren weer op Java terug. Daar nam hij een andere vrouw, zijn
+vorige was te Makassar gebleven, en kreeg een dochter, Sina, mijn
+huishoudster.
+
+Hij was waarachtig een eerlijke flinke kerel, dat heeft hij me later
+bewezen, maar dat zal ik u strakjes vertellen, laat 'k nu bij mijn eigen
+lotgevallen blijven.
+
+Met het geld van Sina begon ik weer zoo hier en daar een klein werkje
+aan tenemen. 'k Had nog genoeg relaties en 't gelukte me er weer in te
+komen. Eerst vlotte 't niet te best, maar eindelijk kreeg ik beter werk
+en binnen een groote anderhalf jaar had ik weer een dikke vijfduizend
+gulden over. Sina administreerde mijn duiten, begrijp je? En ze deed dat
+zóó goed, ze hield van zóó weinig huis en paste zóó op alle kleintjes,
+dat ik zelf verwonderd was dat we 't in ieder opzicht royaal hadden en
+toch zoo bitter weinig uitgaven. Daar kreeg ik op eens een groote
+aanneming voor Menado op Celebes, een werk waar een ferme duit aan te
+verdienen was. Ik moest er natuurlijk zelf heen, maar wou Sina niet mee
+nemen--'k had haar genoeg geld gegeven en voor alles gezorgd, zoodat zij
+'t goed kon hebben zoolang ik weg was--ze scheen zich te schikken in de
+scheiding, maar toen ik goed en wel op de boot zat, zag 'k haar op eens
+voor me, met haar vader. Ze kwamen me smeeken haar meê te nemen. Eerst
+wou ik er niet van weten; 'k was nijdig, want 'k vond het onhebbelijk
+dat ze me tegen mijn zin gevolgd was, gaf haar een frisch standje en zei
+tegen haar vader:--neem haar weer mee; 'k kan haar op reis niet
+gebruiken, maar ze lei als een hond aan mijn voeten, ze omvatte mijn
+knieën en riep: "ik zal sterven als mijn heer heengaat en ik weet hij
+kan mij niet missen, hij heeft Sina noodig om voor zijn geld te zorgen.
+Och! neem me meê anders kom je arm terug" en vader zei: "Sina heeft geen
+ander in haar hart, laat haar niet sterven?"
+
+'t Was een allernaarste historie, een scène van belang aan boord. Enfin!
+ik liet me verbidden en zei:--nu in Gods naam dan, blijf! Toen zoende ze
+mijn handen, mijn voeten, ze kroop voor me op den grond, meneer en met
+al die malligheid was de boot onder stoom gegaan en waren we al een heel
+eind van de pier. Schoonpapa had er evenmin op gelet als wij, maar toen
+hij zag dat ik Sina bij me hield, kreeg hij het in eens in de gaten.
+
+Slamat djalan! riep hij ons toe, trok achter uit zijn hals zoo'n lang
+mes, dat hij op zijn rug onder zijn baadje had, nam 't tusschen zijn
+tanden en jumpte overboord. Hij zwom naar land, dat is voor zoo'n
+Boeginees maar een kleinigheid....
+
+--En dat mes, meneer Verbeke?
+
+--O! dat was voor 't geval dat hij een haai tegenkwam, maar 't is
+overbodig geweest, hij is goed en wel aan land gekomen. Sina en ik
+hebben sàmen--ja bepaald _samen_--dat werk te Menado afgemaakt en toen
+'t op zijn eind liep werd ik daar zwaar ziek; hevige koortsen. Toen was
+ik toch blij dat ik haar bij mij had. Ze heeft me verpleegd--dat doet
+geen soeur de charité beter--achttien dagen lang is ze niet van mijn bed
+weggeweest en toen ze zag dat de dokter mijn ziekte niet meester werd,
+heeft zij zelf in 't bosch kruiden gezocht en een drank gebrouwen, die
+me heel gauw er boven op hielp, 'k Herinner me niet alles van die
+ziekte, want ik was soms buiten westen, maar ik weet nog best dat ik
+niet kikken kon of ze stond voor me. Ze lei op een matje voor mijn bed,
+en was er met geen stok weg te slaan. Ja, 't was in haar soort een
+kranig mensch, maar ten slotte werd zij ook ziek en toen keerden we de
+rollen om en heb ik haar opgepast. Zij was gauw weer op dreef, want bij
+haar was 't alleen maar overspanning en vermoeienis en ze zei:
+
+--Sina wordt van zelf beter nu jij beter bent.
+
+Zoo ben ik dan weer een heelen tijd in de aannemerij gebleven, totdat ik
+ineens lust kreeg om een poos naar Holland te gaan. Natuurlijk kon ik
+Sina daarheen niet meênemen, mijn heele familie zou een
+onzedelijkheidsstuip hebben gekregen als ik met mijn bruine huishoudster
+was komen aanzetten. Ik sprak er met haar over; ze was in die dingen nog
+al beredeneerd en bevattelijk en zei zelf:--Ja, ik begrijp heel goed dat
+je eens naar je familie wilt en ook dat ik niet mee kan gaan, maar mijn
+hart zal bij je zijn--en kom je weerom?
+
+Natuurlijk, zei ik, maar hoe vraag je dat zoo? Och I zei ze, misschien
+blijf je in Holland en zoek je daar een blanke, Europeesche vrouw. Dat
+zou ik je niet kwalijk nemen, want dat moet er voor ons vrouwen toch te
+avond of morgen van komen--maar kijk goed uit wie neemt. Je bent goedig
+en je moet een vrouw hebben die van je houdt,--ze wees op mijn been--die
+begrijpt dat Toewan Allah je al genoeg misdeeld heeft en die je goed
+behandelt. Als je met haar terug komt en ze is _niet_ goed voor je--laat
+ze dan uit mijn weg blijven!
+
+'k Had Sina nog niet zóó gezien, ze was compleet in de war en begon te
+huilen dat 'k er bepaald beroerd van werd. Ze heeft alles voor me in
+orde gemaakt, keurig, alles nieuw. Slaapbroeken, kabaaien, flanellen,
+zelf genaaid op de machine. Ja, ze was verduiveld handig en zorgzaam
+ook, want--hij lachte hartelijk--ze had zelfs een flesch obat (medicijn)
+in mijn koffer gedaan, voor 't geval dat ik weer eens zoo'n koorts mocht
+krijgen.
+
+In Europa heb ik ruim anderhalf jaar genoten van alles wat te genieten
+was, te Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Hamburg en Amsterdam, 'k Heb
+overal een lieve duit laten zitten. Wat 'k oververdiend had, was glad
+weg, maar gelukkig dat ik ook nog wat in Indië op de bank had gezet. Met
+dat kapitaaltje ben ik weer begonnen toen ik terug kwam. Sina was blij
+als een kind--verbeeld je.--Ze was mager geworden en stil, 't was net
+alsof ze zich mijn afwezigheid aangetrokken had--nu, misschien had ik
+haar ook eens moeten schrijven, maar ze kon niet lezen, daarom had ze er
+toch niets aan gehad, niet waar?
+
+Ze fleurde heel gauw weer op en werd weer dik en vetjes, die inlandsche
+vrouwen hebben gauw aanleg tot corpulentie, als ze geen soesah hebben.
+Zij had zuinig geleefd terwijl ik weg was en wat ze over had kwam ons
+goed te pas, want we moesten 't toch zuinig overleggen, omdat door mijn
+verblijf in Europa mijn zaken een knauw hadden gekregen. De aannemerij
+lukte niet erg meer, maar Sina wist raad en toen hebben we een soort van
+handel opgezet. Zij had er een ongekenden slag van om voor weinig geld
+allerlei producten te koopen, ik liet haar maar scharrelen met de
+inlanders en leverde dan weer als tusschenpersoon aan exporteurs en
+handelaars. Onfortuinlijk ben ik eigenlijk nooit geweest, want als ik op
+droog geloopen was, kwam al gauw weer iets wat me vlot maakte.
+
+We hebben aardig geld verdiend en omdat ik begreep, dat als ik 'reis
+uitkneep, Sina toch wat moest hebben, had 'k een heel flink huis van
+circa drie duizend gulden voor haar gekocht, op haar naam gezet, een
+aardig duitje op de spaarbank geplaatst en verschillende juweelen van
+iemand overgenomen.
+
+En daar gaat ze me nu waarachtig dood, jammer! ze is tot 't laatst bij
+haar positieven gebleven en geen uur voor haar dood zei ze nog tegen
+haar vader: "Kijk eens voor hem--dat was ik, vat je?--naar een andere
+vrouw, want hij kan niet zonder, hij staat als een kind op z'n
+beenen"--hoe denkt zoo'n schepsel in zoo'n oogenblik aan zoo iets, hé?
+Ze is heel kalm gestorven en ze liet mijn hand niet los, dan toen haar
+vingers slap werden door den dood.
+
+Ja! 't was een heele vreemdigheid toen ze weg was, 't kwam zoo
+plotseling; ze was maar een dag of acht ziek. 'k Was heusch erg onder
+den indruk, want je hecht je aan zoo'n mensch en u weet niet hoe ze je
+hier van alle kanten beduvelen en exploiteeren als je célibatair bent.
+
+Sina's vader, dit wou ik u straks vertellen, was niets inhalig. Volgens
+de wet was hij haar erfgenaam, maar hij kwam bij me en zei:--Toewan, 't
+is allemaal van u gekomen, wat doe ik met al dat geld? Geef mij
+vijfhonderd gulden, dan koop ik een huisje, en haar juweelen, maar zoek
+er eerst alles uit wat je zelf hebben wil tot gedachtenis. De Boeginees
+viel me betoel mee! Hij ging zelf naar den notaris en liet het huis weer
+op mijn naam overschrijven. Ik betaalde hem vijfhonderd gulden en nam
+dezen ring, een mooie steen hé? En een paar brillanten oorknoppen, ze
+hadden me vierhonderd pop gekost, want ik dacht, die ouwe man heeft er
+toch niets aan en ik kan ze allicht voor een andere vrouw gebruiken.
+
+Mijn vrouws broêr, de tuinman, kwam de vorige maand bij me en zei: 'k
+heb een goeie vrouw voor u, jong en zachtaardig, en de ouwe had er
+onderwijl ook al een opgescharreld, maar ik heb geen van beiden
+genomen--ik wil nu eens een Chineesche hebben, die zijn wat meer
+ontwikkeld en nu is er me een door een sobat aan de hand gedaan. Daarom
+zit ik nu hier in 't hotel, begrijpt u? 'k Heb met dien staartknaap
+afgesproken, dat we mekaar hier zouden treffen, dan zou hij me bij de
+familie van mijn aanstaande brengen. De vader wil haar niet te duur
+afgeven--en 't moet een lief vrouwtje wezen. Bevalt ze me, dan neem ik
+haar meê--anders ga ik alleen een poosje naar Japan, dat moet zoo'n mooi
+land zijn. Nu Sina dood is heb ik toch geen idée dat ik onze zaken kan
+doorzetten, dat inkoopen is mijn fort niet. Enfin! 'k zit nu nog goed in
+mijn duiten, die moeten weer eens rollen.
+
+'k Heb voor alle eventualiteiten een levensverzekering van 3000 gulden
+genomen, dat 's voor mijn begrafenis en 't beredderen van mijn boel.
+
+Die me er onder stopt mag dan de rest, die overschiet, houden--Ah! daar
+komt mijn Chinees--adieu! meneer, tot het genoegen u weer te zien, ik ga
+eens kijken of 't nieuwe inventarisstuk, dat hij offreert, me bevalt.
+Salut!
+
+
+
+
+EEN HUT BIJ DE KINDERKAMER.
+
+
+--Ik zou u heusch aanraden om na de lunch zoo van tweeën tot vieren een
+dutje te doen, zoo'n kleine siësta is bepaald noodig in de warmte, zei
+de vriendelijke, jonge controleur, die met zijn ega tegenover mij aan
+tafel zat.
+
+--Weldadiger dan zoo'n slaapje bestaat er niets! voegde het blonde
+vrouwtje er lachend bij.
+
+--Gisteren heb ik 't al geprobeerd, Mevrouw, maar ik kon den slaap niet
+vatten; 't is altijd zoo druk aan dek, je hoort er allerlei geluiden, ze
+loopen voortdurend heen en weer en ...
+
+--Ongewoonte, meneer! en terwijl 't controleursvrouwtje haar man guitig
+aanzag, zei ze:
+
+--Charles kon in den beginne overdag ook niet slapen, maar nu ... soms
+moet ik manlief om half vijf schudden, ja? en heusch hij snurkt, foei!
+
+--Och, als ik eens den slaap gevat heb zet ik studdy door, lachtte hij
+terug en zich over tafel vertrouwelijk naar mij toe buigend:--maar ik
+slaap in mijn hut, daar leg je rustig, je kunt je ontkleeden, afijn! je
+totaal lekker maken. Geloof me, doe zooals ik, ga op uw couchette
+liggen; 't is een afdoend middel....
+
+ * * * * *
+
+De rijkelijke lunch had mij loom gemaakt. Ik voelde mijn oogen trekken
+en een dof gevoel in 't hoofd voorspelde mij dat ik ditmaal slapen zou.
+'t Was ook nog iets ongewoons voor mij om den ganschen dag, van 's
+morgens 6 uur af, in de lucht te zijn. De zee maakt meestal in den
+beginne den nieuweling moe en slaperig--ik besloot dus mijn hut op te
+zoeken. Aan boord waren reeds de meeste passagiers in in zalige rust; op
+'t dek lag de gepensionneerde majoor aan bakboord met open mond en
+afhangende armen in zijn luierstoel te slapen, naast twee Indische
+dames, die met pruimenmondjes en opgetrokken wenkbrauwen erg fatsoenlijk
+dommelden; tegen de kajuitskap leunend, snurkte op de bank de anders zoo
+spraakzame koffieplanter en aan stuurboord lagen, als de broertjes en
+zusjes van klein duimpje op één rei, zeven jonge dames en heeren, de
+vruchten van den al te weelderigen echt van een resident, die van verlof
+terugkeerde. 't Schip scheen als uitgestorven, want in den salon was
+niemand en zelfs in de kinderkamer zaten de drie Baboes met de aan haar
+zorgen toevertrouwde spruiten zachtkens druilend bijeen.
+
+Pff, wat was 't benauwd in mijn hut, ze scheen me een oven toe--maar in
+de Roode zee is het nu eenmaal niet anders mogelijk.
+
+Ik maakte mij lekker, deed jas, pantalon en overhemd uit en ging languit
+op de couchette liggen.
+
+Zachtkens, regelmatig slingerde de boot heen en weer--van zeeziekte voel
+ik gelukkig nooit iets--en voor mij was die zachte schommeling zelfs een
+aangename beweging; 't was mij alsof ik gewiegd werd. Ik kan mij die
+periode uit mijn kindsheid natuurlijk niet meer voor den geest brengen,
+maar mij dacht, ongeveer zóó moet de beweging geweest zijn die mijn
+goede bezorgde moeder met haar voet aan mijn wiegje mededeelde.
+
+Een, twee! E-é-é-n--twee-e-e! heen--terug! hé-é-én--terúg! 't Was
+inderdaad een weldadig gevoel, maar--in plaats van er door in te slapen,
+werd ik er helderder door en begon te luisteren naar al de geluiden, in
+de stilte rondom mij.
+
+Achter, onder mij, hoorde ik de rusteloos wentelende schroefas en het
+ruischen en bruisen van het water, dat schuimend opspatte langs
+achtersteven, roer en boord. Onwillekeurig telde ik, ze vijf aan vijf
+afdeelend, de doffe dreunende slagen der machine en allengs meende ik
+woorden te hooren in de regelmatig wederkeerende korte rhytmische
+stooten van het aan stuurboord ontsnappend condensatie-water. 't Scheen
+mij alsof de boot, als medelijdend met de warme puffende passagiers, de
+woorden: ik-kan-niet gauwer--ik kan niet gauwer! voortdurend uitstootte.
+
+Oah! ik geeuwde een paar malen. Was 't door slaap of zenuwachtigheid? Ik
+geloof door 't laatste, want ik bleef wakker en moest nolens volens naar
+dat eentonig ruischen en dreunen luisteren, terwijl het zweet mij aan
+alle kanten uitbrak, want de temperatuur in mijn hut was ongeveer 94°.
+
+Groote hemel welk een hitte! en wij zijn nog niet eens midden in de
+Roode zee, hoe houd ik het verder uit? Die gedachte speelde mij door het
+hoofd en overweldigd door de benauwde warmte druilde ik eindelijk in en
+begon dadelijk onrustig te droomen van een grooten glasblazersoven,
+waarin men mij met de voeten vooruit wilde duwen. Een reusachtige woeste
+kerel stootte mij voort, steunend en hijgend: ik-kan-niet
+gauwer--ik-kan-niet gauwer!
+
+Met een schrik, schokkend en trillend ontwaakte ik en keek op mijn
+horloge. Onbegrijpelijk! 'k had nog geen kwartier geslapen. Mijn gelaat
+droop van 't zweet, mijn kussen had een natten indruk van mijn hoofd
+gekregen en mijn goed kleefde me letterlijk aan 't lijf. Weg dus met
+alles wàt gemist kon worden, alleen mijn flanelletje bleef mij over. 'k
+waschte mij met het meer dan lauwe water uit mijn lavabo en dronk een
+half glas limonade.
+
+'k Begon me nu erg moe en slaperig te gevoelen, mijn oogleden werden
+als lood.
+
+Komaan! nu nog eens ernstig geprobeerd; met den vasten wil van te zullen
+slapen, zal 't, moet 't gelukken. Weer strekte ik mij op de couchette
+uit zoover ik kon, maar! ik heb lange beenen en daarom bleef ik, zooals
+men dat aan boord noemt, "opgeschoten liggen in een flauwe bocht."
+Iemand die wel eens op last van zijn dokter heete kamillen met vlier en
+anijszaad heeft gebruikt tegen een verkoudheid, die hij onder een berg
+wollen dekens en kussens bij een paar warme kruiken moest uitbroeien in
+een goed gestookte kamer, kan zich een flauw denkbeeld vormen van de
+warmte in de Roode zee.
+
+Naast mij hoorde ik mijn buurman, een naar Indië terugkeerend ambtenaar
+snurken. Hij snurkte mooi, geweldig en artistiek. Eerst haalde hij
+krachtig door zijn neus op, met een kleine ontploffing in de keelholte
+elken ophaal besluitend--en dan stootte hij een geluid uit, melodisch en
+forsch tegelijk, als de erotische kreet van een jongen panther.
+
+Aan de andere zijde van mijn hut zaagde een officier, die bij zijn lunch
+een stevig glas wijn had gedronken, een solo en achter mij hoorde ik van
+een jong mensch korte, stootende pff!-klanken, als ontsnapte er bij
+kleine tusschenpoozen stoom uit zijn mond.
+
+'k Werd jaloersch! Gelukkige snorkers!--Waarom kon ik nu toch den slaap
+niet vatten--ik heb toch anders ook een zekere reputatie wat slapen
+betreft. Hoor ze nu doorzetten! Hé, hoe benijdde ik mijn buren! Had ik
+ook maar een stevig glas St. Emilion gedronken--mijn maag kan er niet
+tegen, jammer genoeg!
+
+'k Besloot te gaan tellen, ik kwam tot driehonderd en vijftig, verder
+herinner ik me niet, want ik was langzaam ingedommeld om geen vijf
+minuten later weer klaar wakker te worden door een helsch lawaai naast
+mij.
+
+Een zevental lieve kleine onschuldige kindertjes, die van het dek waren
+weggejaagd, omdat ze volgens den kwartiermeester, zoo gezeid, ofschoon
+'t zoo in haarlui natuur lei, "den beest speelden en de passagiers 't
+natuurlijk moevement van 't slapen rinuweerden", waren in de kinderkamer
+gestormd en maakten ruzie met een der baboes, die volgens 't zeggen van
+"le petit Alfred" lui avait chipée de chocolats praliné's!
+
+In een allerzondelingst mengeloes van Hollandsch, Maleisch, Duitsch,
+Javaansch en Fransch werd het gesprek gevoerd en terwijl de jonge heer
+Alfred een blikken mokje greep en dat met een "Sâle bète!" naar 't hoofd
+van baboe no. I gooide, die grijnzend haar sirih-mond opende en betoel!
+verzekerde: "pas vrai chamais, moi makan chjocolat!"
+
+"Diam! Tais toi, Alfred!" klonk 't vinnig uit een hut,--stil toch
+kinderen! schreeuwde een andere damesstem, maar de oproerige jeugd hield
+niet op met joelen en tieren vóór een paar mama's eenige van haar
+spruiten met geweld hadden meêgenomen.
+
+De kinderjuffrouw was reeds op 't rumoer toegeschoten en deelde koekjes
+uit aan de overige onschuldige kleinen, die nu lief bij mekaar zouden
+gaan zitten en een spelletje doen.
+
+Een minuut of wat namelijk zoolang de voorraad zoetigheid strekte,
+bleef 't rustig, maar juist terwijl ik op 't punt was den slaap te
+vatten, zette een der lieve kindertjes een keel op en schreeuwde zóó
+erbarmelijk om màmè dat baboe no 2 het noodig vond hem ongemerkt een
+geniepige kastijding toe te dienen. De jongeheer--'t was bepaald een
+aankomende basso buffo--begon onmiddellijk een serie geluiden uit te
+stooten, die tot in de verste hoeken van het stoomschip moesten
+doordringen.
+
+Zoo'n attaque in G majeur werkt gewoonlijk aanstekelijk, want de sinjo
+werd dadelijk zeer verdienstelijk gesecundeerd door een anderen knaap en
+twee kleine meisjes, die--de vrouwelijke natuur verloochent zich zelfs
+niet bij kinderen van vijf of zes jaar--uit pure goedhartigheid
+meêgilden.
+
+Allengs ontstond een volkomen cacophonie, de executanten werden
+versterkt door de baboes, die haar diepe keel- en neusgeluiden--zoo'n
+Javaansche baboe heeft in haar stem iets onderaardsch--in het koor
+mengden, als de zware tonen van de contrabas, tusschen al de scherpe
+oboe en klarinetklanken der kindertjes.
+
+--Ring! Flang! Ring! een blad met een karaf en een paar glazen werd van
+tafel gegooid. 't Klonk wel mooi! als was het de turksche trom en schel
+in dat orchest.
+
+--Rang, Ring! Bons! twee blanke kleine vuistjes smeten een kop en
+schotel met een bordje over den grond.
+
+--Alweer een zoodje kommaliewant naar de weerlich! bromde een basstem
+tusschen de zich allengs met meer kracht verheffende faussettonen en
+terwijl de eerste Signo zijn solo fortissimo, con fuoco! doorzette,
+raapte de toeschietende hofmeester de scherven op en stoof een Mama in
+sarong en kabaai met loshangende haren en een badhanddoek in de hand de
+kinderkamer binnen en diende den eersten solist een goed afgewerkten
+oorvijg toe, die even als het heftig bewogen dirigeerstokje van een
+orchest-directeur een plotseling forto fortissimo deed ontstaan.
+
+--Mèmè, mèmè, zij slaèt me! O! o! hi, hi! hi!
+
+--Wie slaèt je, kind?--wie? en woedend stoof de andere "mèmè" haar hut
+uit en begon met een onbeschrijfelijke, bijna elektrische snelheid van
+tong aan de andere dame te betoogen: "dat het niet te pès kwèm!
+volstrekt niet te pès kwèm! in 't geheel niet te pès kwèm! om je hènden
+èn ên èndermèns kind te slèn? Als er wèt te slèn is, ben ik zelf mèns
+genoeg om het te doen, begrijp u lieve mevrouw? Zoo iets is korang
+adjar, (gebrek aan opvoeding) en ik verzoek u dus allerbeleefdst om in
+'t vervolg uw hènden thuis te houden lieve mevrouw, wênt ênders zèl ik
+er den kèpitein over spreken, lieve Mevrouw!
+
+De lieve Mevrouw, ook niet op haar mondje gevallen, gaf met veel minder
+snelle maar minstens even liefelijke stem te kennen, dat zij aan boord
+#recht# had op een rustig middagslaapje en dat het volgens haar
+bescheiden meening niet bepaald takt en opvoedkunde verried om in 't
+bijzijn van kinderen zoo'n scène te maken en dat zij haar man ging
+roepen, want dat zij het niet geraden achtte om met zoo'n hoogst
+beschaafde en lieve dame alleen te blijven, want een ongeluk zit in een
+klein hoekje.... De elektrische tong zweeg, gebluft door de vrij kalm
+gezegde woorden van de andere, die ik nog even en passant aan een der
+baboes een uitbrander hoorde geven.
+
+'t Was iets kalmer geworden; de lieve kindertjes keken ongetwijfeld met
+hun groote ronde onschuldige oogjes hun lieve mama's verwonderd na.
+
+En inmiddels snurkte naast mij die ambtenaar onbezorgd verder, de
+officier zaagde volgens mijn berekening zijn vijfde bos hout en de
+jongeling stoomde, achter me, poeffend door! Gedempter klonken de
+stemmetjes. De buikspreektonen van de baboes uit de kinderkamer werden
+onduidelijker, waarachtig 't werd stil, een ongekende weelde
+doortintelde mij, en ik begon zachtjes aan in te dommelen. Onduidelijk
+hoorde ik nog het zeurig neusgeluid van baboe no. 2, die een klagend
+Maleisch liedje jankte, ik zag, slaapdronken mijn oogen even openend,
+flauwtjes dat het groene gordijn voor de opening van mijn hut zachtjes
+bewoog, 'k vernam nog vlak voor mijn deur het fluisteren van een paar
+kinderstemmen, vergezeld van 't rammelen van aardewerk--toen sliep ik in
+... en dadelijk droomde ik. 'k Meende me op eens verplaatst te
+Amsterdam, midden in den zomer op de Egelantiersgracht. Mijn reukorgaan
+vertelde 't mij in den slaap en mijn hersens verwerkten half sluimerend
+het denkbeeld: "Zou die lucht ook besmettelijk zijn?"
+
+De doktoren beweren wel dat zwavelwaterstof geen bacillen bevat,
+maar.... Ring, rang, flang! daar brak een of ander stuk porcelein vlak
+voor mijn hut. Onmiddellijk was ik klaar wakker en hoorde de klagende
+stem van een kleinen jongen, die snikkend uitriep: "ik kon 't niet
+helpen, Mientje heeft me omgegooid."
+
+--Niet waar! hij doet 't expres--hij heeft er mij ook afgeduwd, hi, hi,
+hi!
+
+--Hi! hi! hi! ada sapoenja potje! huilde Mientjes zusje, die nog maar
+enkel Maleisch sprak. Ik begreep volkomen haar droefheid, omdat ik nog
+kort te voren geleerd had dat ada beteekent: "het is" een sapoenja =
+mijn.
+
+--Tida! (neen) griende een andere engel van een kind, ada Theodoortje
+poenja potje.
+
+--Ik dacht wel dat ze daar niet veel zaaks uitvoerden, ze waren zoo erg
+zoet, riep een dame, haar hoofd uit een der hutten stekend.
+
+--Goeie hemel wat 'n boel! Sepada, jongens? Een van de twee Javaansche
+jongens, die altijd zoodra ze niets te doen hebben als bruine terra
+cotta beelden onbewegelijk achter bij de badkamers of 't groote watervat
+hurken, stond langzaam op en neuzelde een: "Saja njonja!" terug.
+
+--Allo! gauw opredderen, haal een emmer water. Foei, foei! kinderen, wat
+'n historie. Met een paar putsen zeewater was, binnen een minuut of wat,
+alles in orde en ik hoorde den kwartiermeester, die om een of andere
+reden er bij kwam, zeggen:--'t Is alweer de oude geschiedenis; ze kennen
+hier niet omgaan met kinderen, daar moet je eigendommelijk slag van
+hebben, zie je? Ik heb dàt nou van natuurswege en zooveel als door de
+langdurigheid van omgang met de jeugd. De oudsten hou ik zoet met een
+praatje, of ik zet ze met een vrindelijk wezen op de'r voorman, maar dat
+kleine kaliber, dat mot je heel anders bewerken. Als ze schreeuwen, hou
+ik ze aan één been onderste boven, dat maakt derlui in eens stil, daar
+ben ze reëel van overdonderd vat je!--Als ze dan 'n beetje groezelig van
+kleur worden keer ik ze weer om als een zandlooper, dan komt 't bloed
+weer zooveel als op z'n standplaats terug--Ja! 't is een heele
+eigenaardigheid in je zelf om kinderen te kunnen behandelen, zooals 't
+hoort, dat kan je niet geleerd worden--dat's aangeboren--waarom heb
+jelui mijn niet bijtijds geroepen, dan was die pot ook niet gebroken,
+nou is d'r nog schade voor de hand....
+
+'t Begon er nu aan te wanhopen, dat ik mijn vurig begeerd tukje zou
+kunnen doen, niettegenstaande de kwartiermeester zich nu ernstig met de
+zaak bemoeide en zooals hij beweerde: "zooveul als opschòoning hield"
+door eenigen van de ergste levenmakers boven op de campagne van de
+rookkamer te brengen met de hartige woorden: "nou doen ik jelui boven op
+de rookkamer, dáár ken jelui mekaar voor mijn part om hals brengen, als
+je de passagiers maar niet hindert.
+
+'t Scheen nu waarlijk rustig geworden in de kinderkamer, maar mijn slaap
+was over, ik kleedde mij weer aan en toen ik mijn hut uitkwam bleef ik
+een oogenblik staan kijken naar de drie baboes, die slaperig aan tafel
+bij elkanker zaten. Met kracht drong zich eensklaps de theorie van
+Darwin aan mij op. De eene, ongekapt en met reeds grijze haren, zag me
+lodderig aan, lachend met breedgetrokken mond, die evenals de kin, wat
+den vorm betreft, aan den chimpansé deed denken, terwijl haar voorhoofd,
+koonen en ooren weer aan den brul-aap herinnerden. Haar buitengewoon
+ontwikkelde buste rustte als een zak nat zand op de tafel en haar
+handen, die op de bruine klauwen van een waschbeer geleken, hielden
+spelend een lepel vast, waar zij nu en dan aan likte.
+
+De tweede Javaansche kindermeid, minder oud en ook minder gezet, was
+misschien eenmaal in haar soort een "knap stuk" geweest, maar nu zag zij
+er uit alsof ze een paar maal voor oud en half fatsoen was opgeknapt,
+versteld en overgedaan. Als zij sprak dook haar stem uit haar onderbuik
+omhoog en baande zich met moeite een weg door haar ingedeukten neus.
+
+Toch was zij ontegenzeggelijk van deze drie gratiën de bevoorrechte, aan
+wie Paris den appel, in dit geval bepaald een gedroogden, zou kunnen
+geven, want de derde baboe heb ik nooit voor een vrouw kunnen houden--ik
+geloof heusch nu nòg dat ze een verkleede "ouwe kerel" was. Zij bracht
+me onmiddellijk een half suffen bothobbelaar voor den geest, die behebt
+met pokputjes en bruin van vel, aan de vischmarkt met den naam van
+"Janus liplap, de spons" werd aangeduid.
+
+De aanblik van die trits aanminnige vrouwen maakte mij somber, want ik
+dacht, zijn dat nu menschen naar Gods beeld geschapen?--Waar moet ik
+heen met mijn geloof? Weg dus! aan dek, in de frissche lucht! maar 't
+was daar ook niet frisch, integendeel warm, broeiïg--doch in ieder geval
+beter dan beneden ... ik stak een sigaar op en bleef over de
+verschansing kijken.
+
+ * * * * *
+
+--Wèl? vroeg de controleur mij familiaar aanstootend, dat's u zeker
+goed bevallen, die siësta in de hut. Heeft u nu niet rustiger geslapen?
+
+--Vraagt u dat maar eens aan den kwartiermeester, die komt daar juist
+aan. Hé! Arie, zeg, vertel jij meneer eens hoe 't beneden was van
+middag!
+
+--Met je welnemen meneer, ik laat me liever niet posetief verklarend
+over zulke dingen uit, want ik ben 'n loontrekkend persoon hier aan
+boord en niet eigen familjaar genoeg met de ouwers van de diverse
+rakkers en kleinighedens--maar dat kan ik je met de hand op 't hart
+verklaren, ze hebben allemaal d'r eigendommelijkheid--en een passagier
+die in 'n hut naast de kinderkamer wil slapen overdag mot iemand wezen,
+die doofstom geboren is met een goed humeur!
+
+
+
+
+MULLER'S BUSTE
+
+
+Muller was niet meer; de dichter, de hoog begaafde had eensklaps het
+aardsche tranendal verlaten.
+
+De dagbladen hadden, met een zwart randje omlijst, vermeld, dat Johan
+Friedrich Adalbert Muller overleden was. Duitschland en Nederland
+betwisten elkander de eer hem te hebben zien geboren worden, maar
+Nederland triomfeerde, omdat Muller geen twee titteltjes op zijn U had
+en het bewezen werd, dat er vóór dezen Muller nog een andere leefde, die
+ergens in Holland kadetjes bakte, en bij den burgelijken stand als zijn
+vader stond ingeschreven. Eén rouwkreet klonk door 't gansche land en
+vond zijn echo in de harten van allen, die hem en zijn werken gekend
+hadden.
+
+Toen hij nog leefde, waren velen zijn bewonderaars en aanhangers
+geweest, anderen hadden hun schouders opgehaald, om aan te duiden dat ze
+hèm niet heel veel en zijn werken zoo zoo vonden, en nog anderen hadden
+eenvoudig met hoog opgetrokken wenkbrauwen en een smadelijken glimlach
+_gezwegen_, om daardoor te _zeggen_, dat hij _niets_ en wat hij dichtte
+nog minder was.
+
+Na zijn dood echter waren alle partijen het plotseling met roerende
+smart er over eens, dat er in Nederland nooit eerder zoo'n Muller
+geboren was, en dat er ook waarschijnlijk nooit weer zóó een zou
+sterven. Niemand durfde meer iets ten nadeele van den afgestorvene
+zeggen, want _de critikus_ van het _grootste litteraire blad_ had Muller
+_de eenige_ ware poëet van Nederland genoemd en de critikus was
+buitengewoon knap, die wist het, zei men--en _men_ heeft altijd gelijk!
+
+De uitgevers van Muller's gedichten maakten buitengewoon goede zaken,
+door op de nog onverkochte exemplaren de woorden _tweeden druk_ te doen
+aanbrengen en 't publiek eerde den doode, door de uitgevers er af te
+helpen.
+
+In alle winkels hingen photographie-portretten van den overledene.
+Immortellenkransen dienden als lijsten en de winkeliers verhoogden den
+prijs van 't visiteformaat met tien en van de cabinetsportretten met
+vijf en twintig cents.
+
+Een comité vormde zich, om op Mullers graf een zijner waardig
+gedenkteeken--de circulaire vermeldde: "eenvoudig als de man zelf"--te
+stichten, terwijl eenige meer intieme vrienden bijeenkwamen, om de
+nagedachtenis van hun voortreffelijken vriend te eeren, door zijn
+loopende schulden zooveel mogelijk te vereffenen, want Muller was in
+alle opzichten een wáár poëet geweest en had ruim zooveel onbetaalde
+rekeningen als verzen nagelaten.
+
+Nooit was er zooveel notitie van den Dichter genomen dan toen de koude
+aarde zijn eens zoo warm hart omsloot.
+
+Lijkzangen en grafdichten verschenen bij de vleet en vonden plaats in
+dag- en weekbladen. Zelfs de Reizende Trompetter, het blaadje van den
+Boerenstand, gaf een nécrologie van den gestorven poëet, en aan het stot
+daarvan vier treffende regels:
+
+ "Treur, Neêrland, treur om Uwen Muller,
+ Nooit zong een Dichter blijer, guller,
+ Tot Godes en der menschen eer.
+ Nu is hij dood en zingt niet meer!"
+
+'t Was mode geworden, om over Muller rouw te bedrijven, zijn werken
+waren eensklaps meesterstukken geworden en zij, die ze vroeger niet
+begrepen, dweepten er nu mede. 't Scheen wel alsof 't publiek zich
+verheugde, dat Muller dood was, alleen om in de gelegenheid te zijn, de
+assche des beroemden te huldigen.
+
+Kort na elkander verschenen bij een muziekuitgever: "Souvenir à Muller,"
+élégie pour piano-forte à 4 mains, en "Sonnette posthume Mullerienne,"
+fantaisie pour contrebasse avec accompagnement de piccolo.
+
+In de modewinkels werden strikjes, en fichu'tjes à la Muller
+verkrijgbaar gesteld. De dames, begeerig naar een haute nouveauté,
+tooiden zich met die zaken, als hulde aan den te vroeg ontslapene. 't
+Stond wel niet altijd mooi bij haar toilet, die sapgroene kleur met geel
+achtigen weerschijn, maar 't was de geliefkoosde kleur des Dichters
+geweest; al zijn dichtwerken waren in omslagen van die kleur
+verschenen--en wat doet een vrouw al niet om naar de mode te zijn en
+tegelijkertijd gemakkelijk te bewijzen, dat zij ontwikkeld in haar
+smaak, de Muzen en haar zonen genegen is.
+
+'t Was dus niet te verwonderen dat de Heer Giovanni Capelli, de
+Italiaansche fabrikaat van gipsen-beelden en statuetten, op de gedachte
+kwam, om van den algemeen betreurden dichter een buste te doen
+vervaardigen en in den handel te brengen.
+
+'t Moest een sprekend gelijkend afbeeldsel zijn en tegelijk goedkoop
+opdat een ieder zich er van zou kunnen voorzien en voortaan in geen huis
+Muller's buste behoefde te ontbreken.
+
+Giovanni Capelli was een ondernemende geest een man van genie, zooals
+hij 't zelf uitdrukte. Eigenlijk heete hij _Jan Haar_, maar toen hij
+zijn zaak in gipsfiguren van een echten Piemontees overnam, was hij op
+'t geniale denkbeeld gekomen om zijn naam in 't Italiaans te vertalen.
+_Giovanni Capelli_ klonk toch veel beter dan _Jan Haar_, 't scheelde
+minstens dertig percent op de verkoopprijzen.
+
+Dat zijn limineus denkbeeld met goed gevolg was bekroond, bewees het
+groote magazijn, dat hij in een der hoofdstraten hield. 't Was een waar
+Pantheon, zooals Giovanni het met welgevallen noemde, want zijn winkel
+was altijd ruim voorzien van beroemde gipsen personen van beiderlei
+kunne, en gros en détail verkrijgbaar.
+
+--Was er maar geen portret van dien snuiter, zei hij in zichzelf, dan
+maakte ik een brillante affaire--'k heb nog een paar gros staan van dien
+onverkoopbaren Duitschen philosoof; hm! een mislukte speculatie geweest,
+geen mensch lustte 'm hier; daar was best 'n Hollandsche van te maken;
+'n beetje afnemen van den neus, 't haar wat afvijlen en ... maar enfin,
+dat gaat nu eenmaal niet, ze kennen den kerel hier te goed, jammer,
+jammer...!
+
+Hij besloot dus een buste te laten maken door een jong modelleur, die
+eenmaal zijn adreskaartje had bezorgd. Giovanni was logisch en
+overlegde:--zoo'n jong artist wil graag naam maken door een bekend
+persoon te modelleeren--hm! dan moet hij voor mij voor een schuifje
+werken, dan helpen we mekaar ... d'r zit wel een masseltje aan. Eerst
+verkoop ik ze voor _een daalder_, dan voor een gulden, en eindelijk, als
+de loop er zoowat uitgaat, frisch ik de 30-cents-bazars er mee op....
+
+Met die gedachten was Giovanni op weg getogen naar de nieuwe buurt, waar
+de beeldhouwer woonde en repte zich zoo snel zijn zwaarlijvigheid het
+toeliet. 't Was warm weêr en op zijn voorhoofd parelden de druppels van
+inspanning en haast.
+
+Eindelijk had hij het huis bereikt en stond stil voor de deur; een klein
+bordje met de woorden: J. Bruin, Beeldhouwer, 3 × schellen, toonde hem,
+dat hij terecht was.
+
+Hij schelde driemaal met duidelijke tusschenpoozen.... Knip! deed de
+deur en sprong een eindje open. Giovanni trad in 't portaal en ... zag
+niemand!
+
+--Wie da-a-ar! klonk een schelle, oude vrouwenstem van boven.
+
+--Woont hier Bruin de beeldhouwer?
+
+--Jawel! kom u maar boven!
+
+Is ie t'huis?
+
+Kom u maar boven, drie hoog op de voorkamer!
+
+Even fronste Capelli zijn borstelige wenkbrouwen en mat met één blik de
+hoogte der eerste verdieping--een oogenblik stond hij besluiteloos en
+streek over zijn embonpoint, maar in het volgende begon hij, zuchtend,
+de opstijging.
+
+Toen hij twee hoog was, bleef hij even staan, om adem te scheppen en te
+pruttelen: "Dat artistenvolk woont ook altijd zoo eeuwig hoog--enfin! in
+'s hemels naam," en hij klauterde de laatste trap op.
+
+Een kleine, magere oude juffrouw met een bont boezelaar voor en
+opgestroopte mouwen, keek hem met een dom-vinnig gezicht aan en vroeg,
+de mouwen over de nog van zeepsop dampende stokkerige armen
+neerslaande:--Most uwe bij Bruin wezen?
+
+--Pff, Poeh! Pff. Jà, hè-hè! Jawel-juffrouw,
+sakkerloot-wat-woon-jelui-hoog!
+
+--De trap is 'n beetje stijl; vooral voor dikkige menschen zooals uwe is
+'t een heele klim....
+
+--Pff, ja, geweldig steil, pff-Poeh!, maar goed licht hier. Capelli zag
+met zaakkundigen blik, dat 't atelier in de voorkamer was en uitmuntend
+licht had.
+
+--Ga d'r maar in, meneer!
+
+--O, dank u.... Giovanni trad binnen.
+
+--Ja, ziet u--m'n zoon is op 't moment niet t'huis.
+
+--Hê? pfft!
+
+--Hij is de deur uit!
+
+--Dat-had-je-me-wel eerder kunnen zeggen--Poeh! pfft! dan was ik
+waarachtig al die trappen niet opgeklommen.
+
+--Dat dacht ik ook al, grinnikte de juffrouw en met een vluggen greep
+deed zij het bonten boezelaar van haar lichaam verdwijnen;--maar, ziet
+u, d'r is tegenwoordig al niet veel te doen in 't vak ... en als d'r nou
+iemand om 'm komt, dan denk je al, die brengt misschien wat te doen en
+daarom ... ziet uwé?
+
+--Jawel, jawel, ik snap je, moedertje--hum! is dàt werk van je zoon?
+Capelli was het atelier eens rond gegaan en bekeek aandachtig een
+basrelief afgietsel.... Hm! dat ben je zelf, oudje.
+
+--Hè, hè, há, ja--dat heit ie zoo ereis gemaakt uit tijdpasseering.
+
+--'t Lijkt goed; heb je er bepaald voor geposeerd?
+
+--N-neen--hij heit 't zoo maar gemaakt uit z'n hoofd.
+
+--'t Is realistisch opgevat; 't doet 't best.... Capelli keek
+beurtelings de oude vrouw en 't afgietsel aan.
+
+--Ja, d'r is nieks an vergeten, ziet u wel dat m'n wratje d'r ook op
+zit--'k heb er een op mijn linker wang, kijk maar O, Sjuul werkt heel
+netjes en sicuur, Heb u soms wat voor 'm te doen?
+
+--Misschien wel; jammer dat ie niet t'huis is.... En dat? Hum! Giovanni
+bleef met de handen op den rug vol aandacht een vrouwentorso
+bekijken,--is dat ook werk van uw zoon? Zeker naar 't leven gedaan?
+
+Het oude menschje aarzelde een oogenblik en wreef verlegen haar
+knokkelige handen over elkander, terwijl zij knorrig antwoordde:--Ja,
+naar 't bloote model.
+
+--Zoo, zoo! Nu, 't is flink gedaan--hij zag eens rond, en omdat hij veel
+naaktstudies aantrof, zei hij zonder erg:
+
+--Je zoon schijnt veel van 't naakt te houden.
+
+Juffrouw Bruin kleurde een beetje, en meenend dat die meneer haar
+misschien minder netjes zou vinden, viel ze plotseling vrij heftig uit:
+
+--Nou meneer, zóó erg is 't Goddank niet. Sjuul is een heel net,
+fatsoenlijk persoon, maar 't is tegenwoordig de mode; al die blootigheid
+is mijn anders altijd 'n doorn in m'n vleesch geweest en ik potersteer
+d'r nog alle dagen tegen....
+
+--Zoo! De kunstkooper keek glimlachend om naar de oude juffrouw, die met
+opgetrokken neus vervolgde:
+
+--'t Is de rug van Roosie, een jodenmeissie, maar dat's ook ál mooi wat
+ze an d'r lijf heit; een mond als een hooischuur en een neus commesi,
+zoo'n bom! Ik heb iedere keer al gezeid: Sjuul, 't komt niet te pas, dat
+je zoo'n messie in d'r nakendheid afmoderleerd; wat jullie an die
+akademie doen, kan ik niet beletten, die schandaligheid gaat me niet
+an, maar hier in huis wil ik 't niet zien gebeuren. Als je dan absoluut
+een bloote rug noodig heb, kan je de mijne krijge, dat's ten minste nog
+eigen onder mekaar, maar om zoo'n vreemd mensch ampart bij je te laten
+komen en priemelnakend voor je te zetten is ergerlijk en onchristelijk,
+en--zei ik--ik blijf d'r bij, hoor, anders ben ik als ouwer niet
+verantwoord--heb ik nou gelijk of niet meneer?
+
+--Zeker, moeder, zeker! antwoordde Capelli zich eensklaps omkeerend: hij
+scheen opnieuw Roosie's rug met alle aandacht te beschouwen, terwijl
+juffrouw Bruin voortklaagde:
+
+--'t Is een ramp tegenwoordig, je durft als ouwer niks meer tegen je
+kinderen zeggen, want ze slaan je, zoo gezeid, in eens dood door d'rlui
+meerdere geleerdheid. Verbeeld u, Sjuul zei: Och, moeder! je weet'r niks
+van; 't is immers alleen maar studeeren. Nou, m'n lieve mensch, nou
+vraag ik je? in mijn tijd was studeeren heel wat anders ... dat deën
+alleen dominees en dokters.
+
+--'t Is blikslagers mooi gedaan! zei de kunstkooper halfluid.
+
+--O, zoo!--Ja, uwe heit zeker ook zoo iets noodig; 't is treurig, alles
+wat ze komen bestellen is in de nakendigheid; wat zie jelui toch aan die
+bloote menschen?
+
+--Wees maar gerust, juffrouw--ik heb nu juist een heel deftige
+bestelling voor je zoon, een ouweheerenkop.
+
+--O, dat's goed, neem me dan niet kwalijk. Ja, als ik u goed bekijk,
+ziet u er ook veels te suffisant en te degelijk uit, om je met zulke
+goddelositeiten op te houwen. Stil! wacht even, daar is Sjuul, ik hoor
+'m fluiten op de trap. Dat zal uwe net treffen, meneer! Zeit u maar
+assieblieft niks tegen Sjuul, assieblief, hij is zoo driftig. Ik ben nog
+van 'n ouwerwetsche burgerfamilie; men vader was stovenzetter in de
+Groote Kerk en ik zou d'r niks tegen hebben, dat m'n zoon in de kunst
+zat, als d'r maar fatsoenlijk brood in stak--maar 't is huilen
+tegenwoordig--hij kon genoeg werk krijgen, als ie maar niet zoo
+eigenwijs was--hij wil de onmogelijkheid, weet u--O, daar is ie!--Zij
+brak eensklaps haar woordenvloed af, deed de deur open en liet haar zoon
+binnen.
+
+--Sjuul, daar is 'n meneer voor je, ik heb 'm zoolang gezelschap
+gehouwen ... dag meneer, dienaresse! en toen zachtjes, maar toch zóó dat
+Giovanni het hooren kon:--'t Eten staat klaar, jongen!
+
+--Goed, moeder, goed! ga u asjieblieft maar heen, zei de jonge modelleur
+een beetje knorrig....--Meneer, gaat u niet zitten--laat moeder u staan!
+
+--Neen, Sjuul, meneer liep uit z'n eigen rond.
+
+--Jawel, 't is goed, moeder ... hij duwde haar zachtkens op 't
+portaaltje en toen tot Capelli:
+
+--Waarmede kan ik u dienen?
+
+--Ik heb een buste noodig--ik ben Giovanni Capelli. U kent mijn magazijn
+zeker wel.
+
+--O ja, natuurlijk!
+
+--'k Wou eens hooren wat u rekent voor een buste, naar een photo?
+
+--Levensgrootte?
+
+--Neen! half....
+
+--Marmer?
+
+--Waarachtig niet! gips--maar in veel exemplaren.
+
+--Dat 's moeilijk zóó te zeggen--U moet 't model in klei betalen en dan
+later zus of zooveel voor elk afgietsel--heb u de photo bij u?
+
+Capelli nam een zorgvuldig in vloeipapier gevouwen cabinetportret uit
+den zak en toonde het aan Bruin:
+
+--'n Mooie duidelijke photografie, hé?
+
+--Schikt wel--is dat niet Muller de dichter, die pas overleden is?--de
+winkels hangen vol van die dingen.
+
+--Juist, de groote Muller.
+
+Bruin ging naar 't venster, hield de photo goed in 't licht, bezag haar
+aandachtig, nam een loep en keek nog eens met alle oplettendheid naar de
+details.
+
+--Heeft u geen "en-face" portret?
+
+--Neen, dit is het eenige wat bestaat.
+
+--'t Is lastig, om alleen op zoo'n profiel af te gaan,--hij hield
+Capelli het portret en de loep voor--ziet u, daar zit iets in dien neus,
+dat ik niet heelemaal verklaren kan--'t is een min of meer gebogen neus,
+maar ... hm! er is iets vreemds aan ... kan u nergens een "en-face"
+krijgen? Dit is bovendien Rembrandtiek verlicht en dat liegt zoo--hebt u
+geen gewoon portretje, al is 't kleiner?
+
+--Neen, ik heb er nog moeite voor gedaan, maar--Capelli gaf de loep en
+de photo terug--'t is toch een vrij gewone kop.
+
+--Schrikkelijk gewoon, je zou niet zeggen, dat die vent zoo'n kraan is
+geweest; hij ziet er niets schrander uit; 'n vrij laag voorhoofd,
+uitstekende jukbeenderen, de mond en kin wat achteruit, geen baard,
+gewoon glad haar--'t Zal een lastig ding wezen om de gelijkenis goed te
+treffen.
+
+--Ja, maar lijken moet ie en goed, heel goed ook. Dat is 'n conditio
+sine qua non, dat begrijp je wel, Meneer Bruin.
+
+--Heeft _u_ 'm persoonlijk gekend?
+
+--Ik? Volstrekt niet, ik hou niks van verzen--maar er zijn genoeg lui,
+die hem goed hebben gekend. Weet u wat, maak een schets in klei en zie
+dan, dat je het oordeel inwint van menschen die hem dikwijls zagen, dan
+kom je er wel--ik zal je wel wat lui sturen....
+
+--Was hij niet getrouwd?
+
+--Neen!
+
+--Geen broers of zuster?
+
+--Ik geloof het niet--enfin! ik zal wel een paar menschen vinden; begin
+maar vast, want ik heb er haast meê. U begrijpt: 't is een speculatie op
+de _Mode_--als ik niet heel gauw kom met m'n buste, is er misschien al
+weer een andere dooie knul in trek en dan zit ik later met die prullen.
+
+Het gelaat van den moddelleur betrok bij dat woord en min of meer kortaf
+zei hij:
+
+--In allen gevalle lever _ik_ artistiek werk en als u mij de afgietsels
+laat maken, is de eene zoo goed als de andere--maar u moet me geen
+hoop-werk laten maken, ik leen mijn naam voor zoo iets niet.
+
+--Kalm, jongmensch! bedaard aan, we zijn nog zoo ver niet, laat maar
+eens eerst 't model zien; over de rest spreken we nader.
+
+Na een poosje loven en bieden, waarin de heer Giovanni Capelli een
+schitterend bewijs gaf, dat de natuur in zijn hersens het centrum van
+den handel tot een buitengewone afmeting had gebracht, werden zij het
+eens, vooral ook, omdat de kunsthandelaar den jongen artist had weten te
+overtuigen, dat ieder beginner, hoe knap hij ook was, protectie noodig
+had en dat één aasje geluk meer waard was dan een kilo verstand.
+
+--Luister eens, jongmensch--zoo besloot Capelli zijn betoog: ik heb
+hier, terwijl je weg was, je werk eens bekeken; je bent een kraan, hoor,
+maar je hebt geen connectie en die kun je door mij krijgen. Ik weet niet
+hoe 't komt, beste jongen, maar zoodra ik je zag, voelde ik iets voor
+je--ik wil je voorthelpen--maar je begrijpt, ik ben zelf geen
+gefortuneerd man--het walletje moet bij het schuurtje blijven--als je me
+te duur bent, haal ik het zaakje niet aan. Doe jij nu je best op de
+buste van dien verzensmid, dan zal ik je naam bekend maken--dat is nu
+eigenlijk geen werk voor je, dat weet ik wel, maar ik heb wat in petto.
+Hm! daar hebben al heel wat artisten duim en vinger naar gelikt! en dat
+zul jij hebben, want nu ik dat ruggetje van dat model....
+
+--Van Roosje?
+
+--Juist! nu ik dat gezien heb, weet ik, dat jij de man bent dien ik
+hebben moet. Adieu! groet je Mama!
+
+Bruin keek den vertrekkenden man na en dacht:--Wat 'n nobele
+vent!--Jonge artisten zijn gewoonlijk goed van vertrouwen. En Capelli
+keek, op straat gekomen, even omhoog naar 't atelier en grinnikte in
+zich zelf:
+
+--'n Knap ventje, die lapt 't me voor een koopje!
+
+
+II.
+
+De buste stond op 't atelier in schets, 't was eigenlijk meer dan een
+schets, zoo mooi was ze uitgevallen.
+
+Capelli zou dien dag met een paar vrienden van den overledene komen, om
+te zien hoe de gelijkenis was.
+
+Bruin had den natten doek er af genomen en bekeek aandachtig, met het
+portret in de hand, zijn werk, nu en dan hier of daar even iets aan de
+klei veranderend of afnemend met een klein boetseerstokje.
+
+Hij was er zelf nog al voldaan over, al kon hij niet weten of de
+gelijkenis volkomen goed was. Zijn moeder stond naast hem met de kat in
+haar armen en bromde--'t mensch bromde altijd:
+
+--'t Is toch eeuwig zonde zoo als jij je tijd verleutert. Nou werk je al
+een week lang aan dat lamme ding en wat verdien je er an? 't Is de peine
+niet waard. Sjuul, Sjuul! als jij zoo doet, komen we nooit uit de
+armzaligheid. Is dat ding nou nog niet goed voor die "dikke."
+
+Zij kon den naam Capelli niet goed onthouden.
+
+--'t Is toch precies, zooals ie op 't portret staat.... Stil poessie,
+we gaan zoo naar de keuken--nou, stil dan liefie, je weet wel, hier op
+'t atelier mag je niet rond loope, dat wil Sjuul niet hebbe--nou stil
+dan Tommie!
+
+--Och, moeder, doe toch die nare kat naar achteren, dat beest is zoo
+wild; verleden week heeft ie 'n beeldje omgesprongen, dat me 'n hoop
+moeite kostte; 't was totaal weg!
+
+--Nou ja, 'k hou 'm immers vast ... zeurde de oude vrouw.--Tommie, de
+baas kan je niet lijen, stom dier, maar de vrouw wel. Zeg, Sjuul, heb je
+nou geld voor den huisheer, de belasting moet ook betaald worden en de
+kruidenier moet ook al elf gulden hebben; dan bennen ze d'r geweest van
+de....
+
+--Och, moeder hou op!--'k heb nog 'n paar kwartjes in m'n zak, dat 's
+alles, maar zoodra ik dit ding heb afgeleverd, zal ik je geld geven.
+
+--Sjuul! je doet veels te veel moeite voor die dikke, je had in dien
+tijd, dat je aan die kop werkte meer kunnen verdienen, want 't was
+casueel, hé? Nou kwam d'r juistement werk ... zeg nou maar: 't is af en
+knoei d'r niet langer an.
+
+--Zeur toch niet ouwe, je begrijpt er geen steek van--je weet niet wat
+een artist is ... ik kan 't niet zóó afleveren, 't ding bevalt me nog
+niet heelemaal!
+
+--Nou ja, zóó fijn zullen ze toch ook niet kijken, 't is immers mooi
+genoeg voor 't geld. Stil Tommie! Jij leit veel te lang aan zoo'n ding
+te hannessen ... blijf d'r nou dan toch af met je vingers, wat je er aan
+de ééne kant opplakt, krab je d'r aan de andere kant weer af ... dat is
+monnikenwerk....
+
+--Daar wordt gescheld, moeder! Ga nou asjeblieft heen en zorg dat er
+niemand anders boven komt, dan die heeren.
+
+Een gestommel op de trap, een stuk of wat zuchten en kuchende geluiden,
+en aangevoerd door den blazenden en hijgenden Giovanni Capelli, betrad
+een viertal heeren Bruins' atelier.
+
+--Pff! Poeh! Wat 'n toren! Ga binnen heeren!
+
+--Verbazend hoog!
+
+--Hé, hé!
+
+--Een opstijging in optima forma!
+
+--Mag ik u voorstellen, heeren! Mijn speciale vriend Jules Bruin, 'n
+veelbelovend talent, modelleur, beeldhouwer,--Mijnheer Drogers,
+letterkundige, Mijnheer Coquenard, particulier, Mijnheer Assman,
+criticus van De Morgenster en de Kunstbode.--Dr. Operling--recensent van
+de Dichtwarande--zelf ook beroemd door zijn verzen.
+
+--Aangenaam! zei Bruin.
+
+--Engeném! Meneer Drogers boog stijfjes het hoofd.
+
+--Charmé! Een hartelijke handschudding van den heer Coquenard.
+
+--Aangenaam kennis te maken! Twee vingers van den criticus raakten even
+Bruins hand aan.
+
+Dr. Operling zei niets, maar hij liet zijn hoofd als een geknakte bloem
+op zijn gesteven overhemd vallen, even steunend.
+
+--Daar zijn we nu,--zei Capelli, zijn hoed en stok op een stoel
+leggend:--Je hebt toch mijn briefkaart ontvangen, niet waar?
+
+--Zeker!
+
+--We stonden juist op 't punt hierheen te gaan, toen mijn vriend
+Coquenard 't magazijn kwam inloopen. Zoodra hij hoorde, wat we bij je
+gingen doen, zei hij: dan ga ik mee, want Muller was een intieme, goeie
+vriend van me, niet waar Coquenard?
+
+--Zeker 's--Oui certainement, 'k 'ebbe monsieur Mullere so dikwijlse
+keziee. O! 'ij was 'n éminente poéte--un homme charmant. Isse dat
+y?--Hij wees op de buste.
+
+--Ja! vindt u dat hij lijkt--wacht! ik zal 't gordijn dáár 'n beetje
+laten zakken, de zon is wat fel--dat doet niet goed; de reflex van die
+witte huizen aan den overkant hindert.
+
+--O, ne faites pas de façons--ikke kan eele koete sien, hm! hm!
+
+Giovanni draaide als een kat om een stuk spek een paar malen rondom de
+buste, bekeek haar oplettend, voelde even, heel voorzichtig, met den
+vinger langs de nog vochtige klei en zei in zichzelven: 't Is goed
+gedaan, 't zit flink in mekaar;--toen, luid:--Nu, wat zeggen de heeren
+er van;--is 't Muller?
+
+Monsieur Coquenard, die intusschen 't atelier rondwandelde, scheen hem
+niet te hooren, omdat hij zich in Roosje's rug verlustigde en zijn oogen
+niet kon afhouden van een kleine Venus-callipigos, die hem verleidelijk
+scheen toe te lonken.
+
+Capelli nam intusschen Bruin even apart en zei:--ik breng je daar drie
+eminente lui--Mr. Drogers is één kluit geleerdheid--een man die je als
+artist heel nuttig kan zijn--en Assman en Dr. Operling, hm!--hij kuste
+zijn vingertoppen--zijn critici, zooals er maar weinig zijn. Zij
+behandelen alles wat kunst is. Sculptuur, muziek, tooneel-,
+schilderkunst, enfin alles en ... zie je, niet ouderwetsch, om den dood
+niet! Modern vat je? Kranig; Assman vóóral zet niet één, maar twee
+puntjes op de i.... Je moet je voordeel doen, vriend, met deze
+gelegenheid. Assman kan je onwaardeerbare wenken geven waarvan je als
+jong artist ontzaggelijk kunt profiteeren; 't is heusch waar, zoo'n
+kennismaking is wel een buste waard.
+
+--Wèl, wèl! zei Bruin en keek met een benauwd wantrouwen naar den
+kunstcriticus, die, na met een diepzinnig gelaat het atelier te hebben
+rondgekeken, zonder plichtplegingen in den grooten lederen fauteuil was
+gaan zitten, die tegenover de piedestal met Muller's buste stond; hij
+zonk er in weg als 't ware.
+
+Met de beenen over elkander, achterover geleund, drukte hij zijn hals en
+kin vóór in zijn hoogen staanden boord, zoodat zijn wangen over den
+boord kwabden, zette langzaam een gouden pince-nez op, trok nadenkend
+een paar malen aan het puntige bakkebaardje, dat zijn kin versierde en
+zei, gewichtig de wenkbrauwen fronsend, met neergetrokken
+mondhoeken:--Hum, hum! hum!
+
+Dr. Operling stond achter den stoel met gekruiste armen, somber voor
+zich uit te staren en zei niets.
+
+Capelli keek de critici vragend aan, zei ook: hum! hum, hum! en de heer
+Drogers, die op een afstand stond en de rechterhand boven de oogen
+hield, alsof hij in de verte een zonnig landschap of een schilderij
+wilde beschouwen, liet na een geleerd hum, hum, hum! een beschroomd
+lachje hooren, waarin iets blatends klonk. De Franschman was inmiddels
+alweer bij Roosje's torso en de Venus; 't was alsof hij aan die twee
+naaktstudies smulde.
+
+--Maar Coquenard, kijk nu toch eerst eens naar de buste? vroeg Capelli
+verwijtend.--Jij als leek kunt misschien nog het objectiefst oordeelen,
+jij bent hier de Vox populi!
+
+--Ah, oui! certainement--ik ebbe dadelijk kezien datte monsieur Muller
+wasse, zei hij als terloops en keerde zich weer om, magnetisch
+aangetrokken door de kleine Venus-figuur, die op een tafeltje
+stond:--Admirable, mooie meid! zei hij in zichzelf en toen luid:
+Monsieur Bruin, isse dat naare levend model?
+
+--Natuurlijk!
+
+--'Eele mooie vrouw, superbe forme--wone dat meissie 'iere in die
+stadte?
+
+--'t Is 'n beetje geïdealiseerd natuurlijk, glimlachte de artist.
+
+--O, maar toch en réalité bepaald 'eele skoon meissie.
+
+--Kom, Coquenard! ouwe snoeper, kijk nu liever naar Muller--lijkt ie?
+
+--Décidément--maare als ij een 'oed oppe 'adde, zou ik beter kan
+zekke--ik 'ebbe 'm nooit tête nue kezien, altijd met zijnen chapeau--zoo
+kroote 'ooge 'oed!
+
+--Och kerel, je zeurt! Capelli werd knorrig, maar vroeg niet meer, omdat
+mijnheer Drogers, die een paar malen eenige stappen voor- en achteruit
+gedaan had, steeds met door de hand beschaduwde oogen, de buste
+beziende, eensklaps zijn min of meer geaffecteerde stem verhief en
+verklaarde:
+
+--Ik ben misschien geen bevoegd beoordeelaer, wèt de èrtistieke
+uitvoering betreft, wènt ik ben niet meer den een kèmergeleerde, maer ik
+heb de waerdige men toch goed gekend--hij wès 'n collègae ven me--jèren
+lèng....
+
+--Dus u zou hem dadelijk herkennen? vroeg Giovanni.
+
+--Dèt is te zeggen--jae en neen--èls _U_ me niet gezegd hèd, we gaen
+Muller's buste zien, zon ik niet zeggen, dèt dit Muller wes.
+
+--C'est ça! zei Coquenard, even omziende; hij streek juist met zijn
+vleezige hand als liefkozend over Roosje's torso;--ç'est ça! alse
+Capelli niette 'adde kezekd--wij kaane Mullere zien, zou ikke mete wete
+dat het le brave homme was.
+
+--Pèrdon! viel Drogers in,--de suggestie speelt hier wel een kleine rol,
+maer.... 't oordeel ken toch individueel en objectief zijn.... Els ik
+mijn meening ronduit zeggen mèg...?
+
+--Zeker, asjeblieft! zei Bruin, die in zijn linnen kiel, met over
+elkander geslagen armen tegen den muur leunde. Fijntjes glimlachend keek
+hij met afwachtende oogen naar de drie heeren.
+
+--Nu, den permitteer ik me deze opmerking: Ik heb hem in mijn
+herinnering veur me, toen we sèmen in de littéraire club: "_De honingbij
+vèn den Hélikon_" lid wèren. Daar zegen we mekaèr elken Woensdègèvend.
+Nu is het buiten kijf, dèt lèmplicht heel ènders is dèn dèglicht, mèr
+... de mensen, "dés denkende Wesen èn sich," zooèls Kènt zegt, 't
+individu, blijft toch 't zelfde, niet waer?
+
+--Jawel, natuurlijk! antwoordde Bruin, omdat meneer Drogers hem met
+zijn kleine grijze oogjes scherp aankeek.
+
+--Begrijpt u? Drogers wees op de buste,--dit is geen levend wezen--dit
+is geen soort vèn fèntoon in soliden vorm gebrècht en èls zoodènig heeft
+'t groote verdienste zonder twijfel, mèr....
+
+--Lijkt ie nu, of lijkt ie niet? vroeg Capelli kortaf.
+
+--Jè, dèt is uiterst moeilijk te bepèlen--èls ik 'm goed bekijk--de
+littèrator deed een stapje nader met vooruitgestoken hoofd--dèn is 't
+Muller _wèl_ en toch is 't Muller _niet_....
+
+--Dat snap ik niet goed, waarde heer!
+
+--Meneer Capelli, permitteer me? U laet me niet uitspreken ... ik
+bedoel, ik herken in sommige opzichten den ontslèpene wèl, bijv. zijn
+dèsje 's frèppènt juist geobserveerd; hij droeg, zoo lèng ik hem kende,
+èltijd vèn die kleine vierkènte zijden strikjes onder een omgeslègen
+boord met overvêllende puntjes--juist zooèls de mijne--we kochten in één
+winkel.... Dèn zie ik--U neemt me tech niet kwèlijk, meneer Bruin?...
+
+--O! in 't minst niet! De artist kwam wat dichterbij, met een
+uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij in meneer Drogers een clown zag,
+die hem amuseerde.
+
+--Dèn zie ik iets in de oogen daerentegen, dèt me _niet_ bevèlt. Muller
+hèd heel licht blauwe oogen, die herken ik hier volstrekt niet, 't lijkt
+net een blindemèn. En dèn, om je de waerheid te zeggen, z'n neus, die
+wès énders.--De philoloog bewoog zijn hoofd naar links en rechts, bekeek
+den neus van den zaligen dichter aan alle kanten en zei:--Wonderlijk! 't
+is Muller's neus wèl en toch is 't z'n neus niet! Wèt er èn schort, zou
+ik niet kunnen zeggen, wènt ik ben geen modelleur-èrtist of beeldhouwer;
+'k ben mèr 'n gewoon sterveling ... hè, hè ... mèr ... Muller hèd 'n
+kèrèkteristieke neus en dit is 'n bènéle neus. De mond is best, hij had
+die min of meer dunne lippen ... en toch ... Ik ben immers niet
+onbescheiden--u neemt toch niet kwélijk èls ik soms iets zeg, dèt u niet
+toegeven kèn?...
+
+--Neen! neen! Waarachtig niet; ik luister met allebei m'n ooren--u
+spreekt zoo verstandig--ik leer van u--ik ben u dankbaar!
+
+--O, meneer Bruin! De letterkundige trok een pruimenmondje en hief zijn
+rechterhand met een afwijzend, bescheiden gebaar op.--U is een
+welwillend mèn ... ik wou dèn maer zeggen, dat ik zijn mond wèl groot
+vind, en dèn heb ik dèt kuiltje op zijn bovenlip, onder zijn neus, nooit
+opgemerkt--misschien kwèm dèt wel, omdèt Muller destijds een knevel
+droeg en daerdoor zèl waerschijnlijk z'n mond niet normaal hebben
+geschenen--ook z'n kin vind ik niet weerom, hèd hij zijn kin wel zoo
+leelijk èchteruit?
+
+--De photografie geeft die juist zóó aan.
+
+--Jè, maer hij hèd er destijds zoo'n dingetje òp--hoe noemen ze 't ook
+weer, zoo'n sikje!
+
+--Een jeune-France?
+
+--Dèt is 't--jèwel, juist. Ziet u, meneer Bruin, dèt zèl 't verschil
+zijn; veur 't overige zit er mèchtig veel in die buste in! summæ
+summærum kèn ik toch niet ènders zeggen dan: 't Is Muller! Bovendien,
+--hier lachte de geleerde heer allerminzaamst tegen den artist--u heeft
+de photo en die kèn niet jokken--ik maek u wel m'n compliment--'k ben
+blij, dèt 'k uw chef-d'oeuvre gezien heb en kennis met u maekte....
+
+Dank u! Bruin drukte, met meer vuur dan natuurlijk was, de hem
+toegestoken hand en op zijn gelaat stoeide even een lach, die in zijn
+donkerbruine oogen weggleed en daar bleef lichten, terwijl hij kalm en
+bescheiden vroeg:
+
+--En wat is uw opinie, meneer Assman?
+
+De critikus was in de houding, die hij had aangenomen, blijven zitten,
+schijnbaar geheel verdiept in de beschouwing der buste. Hij had geen
+enkel teeken van goed- of afkeuring gegeven, terwijl de heer Drogers
+sprak; nu draaide hij langzaam zijn hoofd naar Bruin, en met een zucht,
+als ontwakend uit diep gepeins, sprak hij, op ieder woord de noodige
+klem leggend:
+
+--Laat me u eerst zeggen, dat ik de uitvoering van 't model, "l'oeuvre,"
+_het werk_, begrijpt u, zeer verdienstelijk vind--u ziet, ik begin niet,
+zooals veel collega's van me doen, met _af te breken_, ik prijs uw
+habiliteit--Assman stak zijn gekromden rechterduim vooruit.--Ziet u, er
+zit _dát_ wel in, dát weet u--dàt zeker iets, dat hm!--dat lekkere, dat
+smeuïge als 't ware, waardoor je, als u 't er nog meer in kon brengen,
+zou kunnen vergeten dat 't ding een bonk klei was, maar ... wat nu de
+gelijkenis betreft zeg ik, die den overledene herhaaldelijk zag: _'t is
+'m niet!_
+
+Dr. Operling schudde, langzaam somber voor zich uit starend, het
+hoofd--en zei niets!
+
+Ah! kwam Giovanni.
+
+--'t Is 'm in 't geheel niet!
+
+--Dat 's ronduit gesproken, meneer Assman.
+
+--Juist, meneer Bruin, dat is zoo mijn gewoonte; ik wind om mijn opinie
+geen doekjes--ik geef mijn oordeel niet af, vóór ik in mijn innerste
+overtuigd ben, dat ik _objectief, zonder eenig aanzien des persoons,
+zonder eenige consideratie van welken aard ook_, oordeelen kan, en
+daarom zeg ik u nu:--'t Is Muller niet!
+
+--Wat mankeert er dan aan, meneer Assman?
+
+--Voelt u niet als artist, wat ik bedoel?
+
+--Neen, nòg niet!
+
+--Laat me u dan zeggen, wat ik in dit beeld mis.
+
+--Asjeblieft!
+
+--Ik zie daar voor me een beeld; misschien lijkt het goed, wat neus,
+ooren, mond, voorhoofd, enfin! wat den uiterlijken vorm betreft; die
+laat ik er op 't oogenblik geheel buiten....
+
+--Maar permitteer me, 't is juist de vorm, die....
+
+--Neen, laat me uitspreken, meneer Bruin, u moet me goed begrijpen--ik
+ga dieper dan een ander--ik zoek de psyche--en die vind ik in die buste
+niet--ik mis de ziel!
+
+--De ziel?
+
+--Juist! ik heb den hoogbegaafden man gekend, zooals misschien weinig
+anderen; ik heb zijn gedichten gesavoureerd, mijnheer Bruin--ik heb
+hem, waar anderen hem verguisden, altijd de hand boven 't hoofd
+gehouden--omdat ik zijn mooie ziel kende en waardeerde. Hij was z'n tijd
+vooruit, hij was een moedig dichter, die radikaal met 't metruim, met 't
+rhythmus brak; hij rijmde niet met woorden, neen! hij sprak denkbeelden;
+hij zei z'n ziel uit in zijn sonnetten, in zijn balladen en oden, in
+zijn ... enfin in alles, wat hij schreef ... en als je hem zag, was zijn
+gelaat _bezield_: de vorm was voor hem echter heelemaal bijzaak, de
+inhoud, daar lachte hij meê--hij zei spontaan z'n intens mooie gedachten
+zóó, als ze opwelden in zijn geweldig brein. En dat vind ik heelemaal
+niet terug in die klomp grijze klei, die daar voor me staat ... zooals
+ik hem daar voor me zie, is 't die independente groote ziel niet; hij
+lijkt op iedereen, op een gewoon mensch!
+
+--Maar z'n gezicht is ook heel banaal!
+
+--Pardon!--zooals _u_ of den ander hem misschien ziet, is hij gewoon,
+dat wil ik wel toegeven, maar jelui kijkt ook gewoon--Enfin, als u niet
+begrijpt, niet _voelt_, wat ik bedoel, kan _ik_ het u niet zeggen, maar
+_'t is Muller niet_--Kan u niet wat meer ziel in dat ding leggen?
+
+--Ik kan hem niet anders maken, dan hij was.
+
+--Maar zóó was hij niet, meneer Bruin; ziet u geen kans den hevigen
+dichter meer te doen zien?
+
+--Bezwaarlijk! Ik kan alleen den vorm teruggeven.
+
+--Aha I daar heb ik u!--Juist, daar zit 'm de knoop, de vorm! de vorm!
+maar ik heb niets met dien vorm te maken, wanneer ik zoo'n buste als
+herinnering aan den Dichter wil koopen--en dát is toch het doel, waarmeê
+je ze in den handel brengt, nietwaar Capelli?--dan wil ik niet den
+stoffelijken mensch zien, maar den poëet--en een poëet bij de gratie
+Gods was Muller--een groot genie.
+
+Dr. Operling keek met gekruiste armen, somber starend, smadelijk
+glimlachend naar de buste en zei niets.
+
+--Oh! sans doute, un genie! viel monsieur Coquenard, die zijn
+ontdekkingstocht door 't atelier gestaakt had, eensklaps in.--IJ wasse
+een kroot genie, un homme admirable, altijdde aan die prak kiseer, veele
+distrait. Alsse 'y kwam dans mon mahasin, zek ikke tout de suite:
+Bonjour, monsieur Mullere--alweere parapluie verkete--verlore, éh!
+
+--Wat bedoelt u?
+
+--Eh, monsieur Bruine! eel simplement, dat 'y toujours kwam om een nieuw
+paraplue te koope--Monsieur le poète Mullere altijd verlieze son
+parapluie--ikke 'ebbe le pauvre homme verkokt wel 'onderd parapluie....
+
+--Já, dan zal u hem zeker wel goed hebben gekend.
+
+--Maar meneer Coquenard, viel de heer Assman eenigszins scherp in:--Hoe
+kan u een parapluie in verband brengen met zijn genialiteit?
+
+--Hommes de gènie 'ebbe tokke nooite koeie mémoire--altijdde verkete dan
+ditte, dan datte....
+
+--Maar dat doet toch aan de gelijkenis van deze buste niets af of toe;
+dat 's nonsens!
+
+--En die siele dan, waarvan u spreeke? Alsse ik jugeere wil, of de man
+kelijkke op deze buste offe niete--'eb ik te kijk niete naare zijn
+siele, maare naare zijnen neuse, zijn oore en ook', (oog) "en un mot":
+ikke moete inspecteer la matiére, niette die impondérabilité, die
+qualité psychique; pardonnez moi, maare watte u zek van die _siel_ isse
+meere nonsens dan mijn parapluie!
+
+--Wat blieft u? Assmans oogen werden boos.
+
+--Ikke blief niemendalle--u 'ebbe miskien meer keleerdheid dan ikke,
+maar ikke 'ebbe meer bon sens!--Alsse meneer Bruine zou opzetten willen
+un chapeau aan die buste, zal ikke u zek of la ressemblance, die
+kelijkenisse koet is.
+
+--Een slappe hoed? vroeg Bruin lachend.
+
+--Pardon! chapeau haute forme.
+
+--Een hooge dop? Dien bezit ik niet.
+
+--Neem den mijne, zei meneer Drogers, zijn hoed aanbiedend--'t kan best
+zijn dat meneer gelijk heeft.
+
+--Te groot! lachte Bruin; hij verdrinkt er in ... maar wacht! ik zal hem
+er boven houden.--Zoo! wat dunkt u nu, meneer Coquenard?
+
+--Sal wel luk! Oui, isse al beter, maar die neuse daar mankeere nok wat
+aan--ikke 'ebbe monsieur Mullere nooite zonder chapeau kezien ... maar
+tiens nu lijkke 'ij! Oui, oui, la ressemblance y est. Weet u watte:
+makke u 'm een 'oed van klei op die kop--en dan een andere neuse, tiens!
+
+--Wat 'n laffe onzin! bromde Assman.
+
+Dr. Operling bleef somber voor zich uitstaren en--zei niets. En Drogers
+vroeg zacht aan Capelli:--Zouden we niet maer liever heengaen--ik geloof
+dét we geen pés veurwaerts komen--de meeningen loopen te veel uiteen ...
+en met een blik op Assman, die er hoe langer hoe strijdlustiger begon
+uit te zien:--De gemoederen worden wèrm--ik geloof dét u beter zou doen,
+éndere opinies dén de onze in te winnen.
+
+--'k Geloof dat je gelijk hebt, meneer Drogers;--Meneer Bruin, we zijn u
+dankbaar voor je ontvangst. 't Spijt me dat 't resultaat van ons bezoek
+niet beter is. U moet nog maar eens kijken, of u aan Muller's neus nog
+wat veranderen kan, want hoezeer de heeren ook van opinie verschillen,
+op één punt zijn ze 't eens: de neus van den Dichter deugt niet; daarin
+ligt de kardinale fout!
+
+--Oui, ikke keloof 'ij 'adde meer zóó neuse.... Meneer Coquenard duwde
+met zijn wijsvinger zijn reukorgaan iets omhoog.
+
+--Een wipneus? Geen kwestie van! zei Bruin, oplettend photo en buste
+vergelijkend.
+
+--Neen, neen! dén eerder 'n dikkere, meer volumineuse. Dét réppeleer ik
+me ten minste wel. Muller héd iets pérticuliers aén z'n neus--maer wét
+'t wés...? De geleerde heer Drogers haalde de schouders op en trok zijn
+handschoenen aan. Dr. Operling ontvouwde zijn gekruiste armen,
+ontrimpelde zijn voorhoofd, keek nog eenmaal met een zucht naar Mullers
+buste, lachte toen smadelijk in zich zelf en drukte Bruins de hand ten
+afscheid.
+
+--Pardon, meneer, zei Bruin, U heeft uw opinie nog niet gezegd: Vind u
+dat Muller lijkt?
+
+Toen opende Dr. Operling zijn mond en sprak:--ik heb den man nooit
+gekend, wel van 'm gelezen--en als ik naar zijn gedichten oordeel, kan
+hij er wel zoo banaal hebben uitgezien. Bonjour!
+
+Meneer Assman keek met souvereine minachting Dr. Operling na, en toen
+naar den parapluienkoopman, die hem met een spottend: á l'avantage;
+monsieur Assmanne, in den deurpost salueerde. Hij groette met een
+nuffige handbeweging Capelli, en zei, toen beiden vertrokken waren, op
+beschermenden toon:--Jonge vriend, je zult later wel leeren begrijpen
+wat ik bedoel; je bent nog wat te veel onder den indruk van 't genoten
+akademisch onderricht--je moet vrij, indépendent worden. Tegenwoordig is
+de vorm geheel bijzaak--'t komt er volstrekt niet meer op aan, of een
+portret of buste lijkt, zooals men dat vroeger noemde; al geef je, zoo
+gezegd, iemand, die rood is zwart haar, al zou je een man met een
+wipneus een arendsneus maken, 't doet er allemaal niet toe--als je maar
+zorgt, dat het _onzienlijke_ er in zit. Begrijp me goed: al had je nu
+b.v. deze buste--hij tikte met zijn wandelstok tegen 't piédestal--op
+Muller's gelaat afgegoten, dan zou hij voor mij toch niet lijken,
+zoolang ik dat onbeschrijfelijke er in mis, dat psychische, dat niet
+gezien, maar alleen _gevoeld_ kan worden.--Adieu!
+
+
+III.
+
+--Oeff! deed Bruin, toen de heeren 't atelier verlaten hadden.--Pff! wat
+'n geleerdheid, 'k snap er geen steek van--hij wil er in zien, wat niet
+gezien kan worden, niet zien wat ie voelen kan--daar mag Joost uit wijs
+worden ... hij ging in den fauteuil zitten, nam opnieuw de photo en
+vergeleek die nog eens nauwkeurig met het kleimodel.--'k Laat me villen,
+als ik weet, wat er aan scheelt; die beroerde Versjesmaker _wil_ maar
+niet lijken ... 'k weet toch zoo zeker, dat ik de photo conscientieus
+heb gevolgd, maar toch hebben ze gelijk: dáár in den neus zit de
+fout--wat blikslagers, kan 't toch wezen?
+
+Nog eens en nog eens weer bekeek hij zijn werk, greep een
+boetseerhoutje, toetste hier en daar wat aan den kop, nam distantie,
+keek dan weer vlak bij van links en van rechts, en eindelijk, knorrig en
+zenuwachtig geworden, smeet hij met een vloek portret en stokje vóór
+zich uit, ver door de kamer.
+
+Juist ging de deur open, een vlugge hand ving 't stokje op en een
+vroolijke stem riep:--Heé heé! is dat 'n manier, ouwe jongen?
+
+--O, Karel, ben jij 't? Kom binnen!
+
+--Jawel, ik ben 't en je buurjongentje, Puckie, is vlak achter me.
+
+--Zoo, wurm, kom jij ook 'ris kijken?
+
+--Ja, sliert! En ik kom een beetje tabak halen, heb je nog, zei een
+klein dik ventje, met een erg wijd, sopperighangend geruit broekje aan,
+dat uit een fluweelen jacquet over een paar versleten gele fietsschoenen
+hing.
+
+--Kijk maar in den pot, misschien is er nog shag in.
+
+--'k Schoot niet op vandaag en ik kreeg 't land, daarom loop ik eens
+over en kom je Verzenpallurk nog 'ris kijken.
+
+--Nou, d'r is geen moois an, hoor!
+
+--'k Wou hier in, maar je ouwe mensch hield me tegen, omdat de OOMES er
+waren. Puckie zat al bij d'r koffie te lebberen, niet waar, wurm?
+
+--Ja, jouw koffie.--Zeg, sliert, ik heb ze gehad en hij had ze _willen_
+hebben.... Wat is je ouwe vrouw mopperig--en hoe vonden de "heeren" je
+kop?
+
+--Nou, maar zóó--zóó; de eene vond 'm te dit, de ander te dàt.--Och! ze
+hebben me een poos geamuseerd met d'r lui gewauwel, maar eindelijk
+hebben ze me nijdig gemaakt--de duivel mag dan ook weten, wat er aan
+dien neus scheelt--kijk jij nu 'ris, Karel--daar leit 't portret bij de
+deur. Toe, Puckie, raap jij 't is op, jij bent 't dichtst bij den
+vloer....
+
+--Ja ... en jij 't laagst bij den grond,--grinnikte het ventje, maar
+zocht meteen de photo op en gaf die aan Karel.
+
+Met hun drieën bekeken zij nu aandachtig Muller's buste, een heele poos,
+zwijgend, met kritische oogen. Eindelijk zei Karel:--ik snap d'r niks
+van, 't ding zit toch best in mekaar en 't is goed gedaan naar 't
+portret. Puck nam een stukje klei, rolde er handig een klein balletje
+van, plakte dat op Muller's neus en streek er met zijn natgemaakten
+vinger overheen, met schuins gehouden hoofd kijkend, hoe 't deed. Bruin,
+die de photographie in handen had, riep eensklaps:--D'r af, Puckie! Gauw
+d'r af! Zóó is 't heelemaal donderen--veel te dikke ponem. Neen, dàt is
+'t ware niet!
+
+--Geef 'ris hier, Jules; de kleine nam de photo uit Bruin's handen, ging
+er meê bij 't venster staan, keek met ingespannen aandacht en riep
+eindelijk snerpend:--Wat sakkerloot! d'r is aan dien ponem (neus)
+geretoucheerd.
+
+--Hè! is 't waarachtig?
+
+--Wat ik je brom, hoor! d'r is aan geknoeid--God weet, hoe 'n
+kinderklomp die vrijer voor z'n kop heeft gehad--ze hebben 'm mooier
+gemaakt, dan ie was--mijn kop af, als 't _niet_ zoo is!
+
+--Maar Puck, wat zou ie dan wel voor 'n snuit gehad hebben? Geef 'ris
+op! Karel nam 't portret uit Puckies vingers, keek ook met alle
+oplettendheid en zei:--Jules, gooi eris links een moppie klei tegen z'n
+gevel--en zet vóórop een klein korreltje met 'n deukie.
+
+Bruin deed zooals Karel zei, maar vóór hij er mee klaar was, riep Puck
+teleurgesteld:
+
+--Mis, 't deugt niet, nou lijkt ie zelfs niet meer op 't photo'tje.
+
+--Dan maar d'r af! Bruin bracht Muller's neus weer tot den primitieven
+vorm terug en zei knorrig:--Dat beroerde ding verveelt me, 'k heb er al
+acht dagen aan gewerkt en als ik geen "en face" heb, breng ik er nooit
+wat van terecht.
+
+--Hou nou eens even je gemak, ik geloof, dat ik er ben!
+
+Karel riep Bruin bij zich, vlak voor 't venster.--Kijk! zie je daar die
+retouche--geef je loup eris--nou, kijk nou zelf; ze hebben 'n eind van
+z'n kajim afgenomen.
+
+--Waarachtig dat lijkt wel.
+
+Puck stond op zijn teenen bij de anderen en vroeg:--Laat me ook eris
+kijken, ik kan d'r zóó niet bij.
+
+--Kom hier, hobbelbroek, kijk!--Bruin pakte 't ventje eensklaps beet en
+tilde hem op.
+
+--D'r is van voren wat afgehaald en aan de eene zij bijgebracht. Die
+neus is goed, om iemand gek te maken!... riep Puck.
+
+Bruin zette hem weer op den grond; hij liep naar de buste; duwde den
+neus wat in elkaar, rondde hem aan één kant af en vroeg: "Is ie zóó
+beter?"
+
+--Neen, schei maar uit; je bent ook al geen professor, blijf maar bij je
+decoraties--die schilder je ten minste nogal dragelijk.
+
+--Dankje wel! Puckie tikte met één vinger aan zijn slappen hoed,--ik zal
+je groeten--God geve je sterkte met dien mooien jongen dáár--misschien
+komt van nacht z'n geest en maakt zelf z'n facie in orde--Dà-ag!
+
+--Dag hobbelbroek!
+
+--Dà-ag!
+
+Karel, meer serieus artiest, bleef nog een poosje met Bruin aan 't
+zoeken, maar eindelijk gaven ze 't beiden op.
+
+--Ik zou niet graag zoo'n koopie snappen, Bruin; als ik 'n dingetje
+schilder, heb ik er lang niet zóóveel gehaspel mee.
+
+--Och! schei uit, 'k ben misselijk van dien Muller--kijk die beroerde
+kerel daar nou staan--Is 't niet of ie me uitlacht?--Goddorie, kerel! ik
+wou, dat jij nooit beroemd was geworden, dan had je mij niet zoo
+verveeld--wat is 't toch lam, als je voor zoo'n paar ellendige guldens
+je tijd moet verknoeien aan zoo'n leelijke, vieze, ouwe mannenkop,
+terwijl er zoo'n eeuwige boel mooie vrouwen zijn, die je
+inspireeren.--Allo, vent, ga mee--'k heb er m'n buik van vol--neen, ik
+moet er juist m'n buik dóór vol krijgen, anders gooide ik dien Muller
+tegen die vervelende wijze kerels, dat de kluiten om der ooren stoven!
+
+--Jules, je wordt landerig. Komaan, ouwe jongen, ga meê--dan pakken we
+samen een borrel--ik heb vandaag een résédatje voor je over.
+
+--Mooi, vooruit dan!--Ajuus, leelijke ouwe verzenpikker--dáár!--Bruin
+trok zijn kiel uit en smeet die opgerold naar de buste.
+
+--Pas op, je klei is nog week!
+
+--Och, 't beroerde ding kan me niks meer schelen. Kom meê!
+
+
+IV.
+
+Meneer Capelli gaf de zaak echter zoo spoedig nog niet op; hij was te
+veel koopman, om niet alle moeite te doen, goede waar voor zijn geld te
+krijgen en daarom zond hij reeds 's anderen daags en nog een paar dagen
+daarna, verschillende menschen, die beweerden den grooten Dichter van
+aangezicht tot aangezicht te hebben gekend, naar Bruins' atelier.
+
+De modelleur kreeg hoe langer hoe meer het land, door de zoo wijd
+uiteenloopende meeningen en kritieken, die hij moest aanhooren; hij werd
+gejaagd en zenuwachtig, zoodra de schel van het bovenhuis driemaal
+tingelde, maar toen er eindelijk twee belletristische dames kwamen, die
+elkander haast bij de haren kregen, omdat de oudste beweerde, dat
+Muller-zaliger een schippersbaardje en een kaal hoofd had gehad, terwijl
+de jongste snikkend volhield, dat "_de lieve man lange, artistieke
+lokken droeg_," werd het hem tè benauwd en liep hij in wanhoop de deur
+uit, met de woorden:--Moeder, als d'r nu weer iemand komt met 'n
+visitekaartje van Capelli, gooi 'm dan vierkant de trappen af!
+
+--Och, Puckie, zei juffrouw Bruin op dien middag tegen den kleinen
+décoratieschilder, die zijn dagelijksch kopje koffie bij haar kwam
+halen--Sjuul is heelemaal in de war, d'r is geen land met 'm te
+bezeilen--'t wordt een mooie boel hier; die akelige dooie
+versjesmaker--zij wenkte met haar hoofd in de richting van het atelier,
+waarvan de deur openstond--bederft z'n heele humeur. Hij voert geen
+steek uit, en als die Fransche mesjeu dat nakende vrouwtje en die rug
+van Roosje niet van 'm had gekocht, zoüen we d'r nou heel akelig voór
+zitten; dat's ten minste nog een meevallertje geweest. Zij schudde
+bedenkelijk 't hoofd:--'t Is bedroevend dat ik 't zeg, maar ik geloof
+nou toch ook, dat Sjuul maar in blootigheid moet blijven werken; daar
+zit 'n broodje an, want 't is de mode, maar onchristelijk en goddeloos
+is 't toch. Heere, Heere, wat leven we in een verdorven tijd!
+
+--Ja, juffrouw, zei Puck, terwijl hij langzaam zijn koffie dronk,--de
+wereld is boos en vol zondige wulpschheid en als ik je zoon was zou ik
+er m'n voordeel mee doen.
+
+--Hoe zoo dan?
+
+--Wel, ik zou dien dichter ook in de blootigheid, ten voeten uit,
+modelleeren, misschien vinden ze dan dat ie lijkt, want zooals 't nu is
+gegaan kan ik me best begrijpen, dat Jules half dol wordt. Hij haalde
+een papier voor den dag:--Luister eris, ik heb uit aardigheid
+opgeschreven, wat al die lui hebben gezegd, en als je nu alles bij
+mekaar neemt, weet je precies hoe die zalige verzensmid er bij zijn
+leven heeft uitgezien.
+
+Met een leuk gezicht las het ventje: "Volgens het oordeel van vrienden
+en vereerders, die den overledene van zeer nabij hebben gekend, had de
+begaafde dichter een smal, langwerpig, breed gelaat met vooruitstekende,
+wegzinkende jukbeenderen; _kleinen_ mond, die _groot_ was door de
+_dikke_, vooruitstekende, saamgeknepen _dunne_ lippen een stompen, spits
+opwippenden, rechten arendsneus en een laag voorhoofd, dat hoog, gewelfd
+en geniaal was. Zijne uitpuilende oogen zonken weg in de kassen en zijn
+ooren waren klein van grootheid. Zijn rond, spits voorhoofd rustte op
+een inééngedrongen hals, mager van dikte. Lang artistiek krullend haar
+versierde zijn kalen schedel en een schippersbaard en knevel orneerden
+zijn gladgeschoren gezicht."--Zie je, juffrouw Bruin, dat is nu 't
+résumé van al de opinies.
+
+--'s Jongés, 's jonges! wat 'n raar model, en zou ie d'r nou warentig
+zóó hebben uitgezien, Puckie?
+
+--Als je al die lui gelooven wilt, ja--maar misschien was ie nog anders,
+dat hangt nou maar af van degene, die hem gekend heeft en.... Stil! wat
+is dat? Is Jules in 't atelier?
+
+--Neen! maar ik hoor toch ook iets--d'r valt wat, d'r is toch iemand
+bezig ... 'k zal 'ris even gaan kijken.... Zij slofte naar voren.
+
+De kleine decoratieschilder bleef rustig zijn pijpje zitten rooken en
+schonk zich nog eens in, terwijl de oude vrouw de kamer had verlaten,
+maar met één sprong was hij, een oogenblik daarna, bij haar toen hij
+haar met verschrikte bevende stem hoorde roepen:
+
+--O, mens! O, Heere! Tommy,--ommy, wat begin je me nou. O, Puckie! kom
+eris gauw hier, dat's me een geschiedenis!!
+
+--Wat is er an de hand, juffrouw?
+
+--O, genade! wat 'n ding!
+
+In 't atelier stond de oude vrouw en keek met groote angstige oogen naar
+de buste; de kat namelijk had een sprong gedaan en in haar vaart een
+langen stok omgesmeten, die tegen Muller's kop was terecht gekomen en in
+de nog weeke klei een deuk had gemaakt.
+
+--Zoo'n stinkende kat! Allo, ketsch! Vort! schreeuwde Puck en schopte
+met zijn korte beentjes een bankje voort, maar Tom, met dikken, hoogen
+rug wreef zich tegen een stoel.
+
+--Neen, doe 'm niks! 't Stomme dier kan 't toch niet helpen; kom hier
+m'n poessie! 't Is zoo'n goeie lobbes--zij nam de kat op--'k zal 'm zoo
+lang in 't keukentje opsluiten, want als Sjuul thuis komt en 't merkt,
+krijgt ie d'r van langs. Sjuul heit toch al zoo 't land aan Tom,
+nietwaar lievert? Met de poes in haar armen bekeek ze de buste:--'t Is
+nogal goed afgeloopen, hij had heelemaal kapot kunne weze.
+
+--'t Is wat moois, bromde de kleine en drukte zooveel hij kon de klei
+weer in haar fatsoen;--dat moet er nou nog bij komen!
+
+--Gauw! naar achteren, gauw! daar hoor ik Sjuul op de trap. Laat maar
+staan, Puck! kom mee, laat 't 'm in Godsnaam niet dadelijk merken; hij
+is toch al zoo uit z'n humeur. Hier! pak an, gooi dien doek d'r maar
+zoolang over, gauw dan! O, heere, heere! Wat 'n gedoe met dat miserabele
+ding!
+
+In een oogwenk zaten beiden, alsof er niets gebeurd was weer bij de
+koffie en de kat in de keuken.
+
+Angstig luisterden ze, want Bruin was niet alleen, ze hoorden hem met
+iemand spreken.
+
+--Wie zou ie bij 'm hebben? vroeg fluisterend de juffrouw.
+
+--Misschien weer een kijker, een criticus.
+
+O goeie genade, dan merkt ie 't direkt, dan hebben we de poppen aan 't
+dansen.
+
+Juffrouw Bruin stond op en luisterde, voorzichtig de kamerdeur op een
+kiertje houdend. Puck rookte en zweeg, afwachtend en vragend naar haar
+ziende.
+
+--O! zei ze eindelijk,--'t is onze huisheer maar....
+
+--Stil! sjuut...!
+
+Bruin stond in 't atelier en sprak tamelijk luid.
+
+--M'n goeie meneer Apels, ik geef u volkomen gelijk--'t is heel beroerd
+als je zoo telkens teleurgesteld wordt, maar ik kan 't waarachtig niet
+helpen--'t is slap tegenwoordig met 't werk. Gelukkig kan ik u ten
+minste iets geven vandaag,--'k heb een Venusje verkocht en over een dag
+of wat hoop ik weer wat te krijgen, ten minste als dat ding--hij keek
+naar de buste ... wat duivel, wie heeft daar dien doek over gegooid?
+
+Hij nam den doek er af en bleef een oogenblik verbluft staan, toen hij
+Muller's buste zag.
+
+Voor hij evenwel iets verder zeggen kon, nam de huisheer het woord en
+zei, met minachtend gebaar op de klei-pop wijzend:
+
+--Dat's ook een mooie jongen geweest, die Muller.
+
+--Hè, wat?--U zegt Muller, hoor ik goed?
+
+--Ja natuurlijk, is 't 'm dan niet? 'k Bedoel de dichter, die is 't
+immers?
+
+--Ja zeker! zeker! maar....
+
+Hij lijkt sprekend:
+
+--Zoo-o! Ei!
+
+--Frappant!
+
+Bruin bleef met groote, verwonderde oogen èn buste, èn huisheer
+aankijken en zei niemendal, omdat hij een sensatie had, alsof iemand hem
+balsem in de ooren goot. Hij luisterde, terwijl zijn gelaat meer en meer
+opklaarde.
+
+--Je hebt 'm goed getroffen, die lamme vent! 'k Moet nog een half jaar
+huur van 'm hebben--'t zat er nooit bij 'm an, maar praatjes had die
+scheefneus genoeg.
+
+--Hè, wat! O, hum! Ja, zoo! Scheefneus zeit u?
+
+--Ja, zeker! Z'n neus stond scheef voor z'n kop, precies zooals je 'm
+daar gemaakt hebt--verduiveld goed, 't is alsof ie leeft.--Mooi!
+
+O, zoo! Jawel, dank U! Bruin kreeg een gevoel, alsof hij ineens vliegen
+kon.
+
+-------------------------------------------------------------------------
+
+Toen de heer Apels vertrokken was, stoof de modelleur de achterkamer
+binnen en vroeg lachend: Zeg eris, wat is er met m'n klei-pop gebeurd
+terwijl ik weg was? En zijn moeder, die alles had gehoord en zich ook
+veel lichter voelde dan een oogenblik te voren, zei haperend--ze was
+toch nog eenigszins bang voor de veiligheid van haar Tom:--'t Stomme
+dier kon 't heusch niet helpen, Sjuul; hij zat zeker een muissie na ...
+en zij vertelde hoe alles zich had toegedragen; maar toen ze eindigde
+met te zeggen:--Wat 'n toeval, hè nou lijkt ie ineens? zei Puck hoog
+ernstig:
+
+--Neen, m'n beste juffrouw! 't Is hier geen bloot toeval; 't is de
+inwerking van Muller's geest, die niet velen kon, dat z'n aardsche
+tabernakel zoo verkeerd werd afgebeeld. U gelooft toch immers ook aan de
+metempsychosis?
+
+--Aan de wat, Puckie?
+
+Aan de zielsverhuizing. Heeft u niet gehoord, hoe vreemd Tom sedert een
+paar dagen heeft gemiauwd--en vooral van morgen?
+
+--Ja, 't beessie deê wel raar, maar ik dacht, dat 't door de warmte was,
+of....
+
+--Neen, dat waren de zoetvloeiende zangen van den poëet, die niet goed
+door die kat heen wouen, maar voor den sprong had Muller's geest kracht
+genoeg!
+
+--"Flauw wurm, hou je nou je mond, 't is welletjes", lachte de modelleur
+en even teruggaande in 't atelier haalde hij de photo en zei:
+
+--Dáár! kijk nou zelf, 't is niet te zien hierop; dat beroerde
+Rembrandtieke licht liegt altijd, daar kan geen kat uit wijs worden!
+
+--Niet? En mijn Tommie dan? riep triomfantelijk de oude juffrouw. Ze
+haalde de poes, die angstig mauwde achter de keukendeur, hield hem in
+haar armen voor haar zoon en zei:--Sjuul! jij mag 't stomme dier wel
+bedanken.--Ja, lekkere Torn, kom jij maar hier, lieveling! Jij alléén
+heb meer verstand, dan al die snuggere bolle samen!
+
+
+
+
+EEN LAUWERKRANS.
+
+
+--Mag ik zoo vrij zijn, om u mijn lijst aan te bieden? De lijst voor
+mijn benefiet; ik speel "Henri" in Laurierboom en Bedelstaf--Balkon één
+gulden vijftig, Loge één gulden vijfentwintig, parterre één gulden.
+
+--O, is ú 't? Ik dacht niet, dat ik....
+
+--U dacht niet, dat u mij zou zien. Ja, weet u, geachte heer, 't is
+tegenwoordig uiterst moeilijk om accés te krijgen bij de heeren of
+dames; ze dresseeren er hun dienstpersooneel op, om, zoodra zij iemand
+zien, die een lijst of zoo iets wenscht aan te bieden, "niet thuis" te
+zeggen, of een ander onjuistheid ... en eventjes glimlachend:--Ik ken
+die loopjes en daarom pousseer ik eenvoudig mijn kaartje.
+
+--Ah zoo! Maar, neem me niet kwalijk, op uw kaartje staat Mr.
+Mansholt--en ik meen u vroeger toch te hebben zien optreden onder den
+naam....
+
+--Holtsman? Accoord! dat is mijn "nom de guerre", mijn familie was er
+altijd violent tegen, dat ik op de planken ging. Wij behooren tot een
+patricische familie en ... enfin! U begrijpt! je wilt geen onnoodige
+bisbiljes maken, daarom heb ik destijds mijn naam omgezet.
+
+--Ja, dat klopt! Maar dat Mr.?... Heeft u gestudeerd?
+
+--N ... neen!--dat Mr. beteekent gewoon "Mijnheer." Och, 't is een heel
+klein trucje, dat ik me veroorloof. 't Is zoo verbazend moeielijk, de
+menschen te spreken te krijgen. Er is zoo bitter weinig animo voor de
+kunst. Hij keek somber vóór zich en zei met een weinig gemaakte
+tragiek:--Vroeger jaren was 't beter, toen apprécieerde men een acteur,
+die conscientieus werkt, die #weet#, wat hij #doet#.
+Tegenwoordig moet je potsen maken, om de lui te lokken, of 'n
+reklame-man zijn! Daar ben ik niet voor geschikt. Ik ben een te sérieus
+artist ... mag ik u noteeren, Balkon? Hoeveel?...
+
+--Geef me liever drie Loges, mijnheer Holtsman.
+
+--Uitstekend, dank u, ... ik zal u eerste rij geven.
+
+Hij haalde uit zijn borstzak een in de lengte toegevouwen, reeds wat
+smoezelig papier en terwijl hij één handschoen uittrok en naar een
+potloodje grabbelde in zijn vestzakje, keek ik hem eens goed aan.
+
+'k Had hem in vroeger jaren dikwijls zien spelen en hem wel wat
+arrogant, maar toch 'n goed acteur gevonden; iemand, die werkelijk zijn
+best deed, om door te dringen in de rol, die hij vervulde. Op 't tooneel
+was hij steeds een kranige, jeugdige verschijning, een "gentleman", die
+zijn uiterlijk verzorgde en goede manieren had. Nu zag ik hem niet op de
+planken of voor 't voetlicht, en zooals hij daar voor me stond, in
+gewoon, eerlijk daglicht, scheen hij me oud en vervallen. Zijn kleeding
+was nog die van een heer, maar ze begon reeds dat zeker iets te krijgen,
+dat men gewoonlijk "sjofel" noemt.
+
+Een wijde, koffiebruine overjas met breeden, zwarten astrakankraag en
+omslagen aan de op de naden glimmende mouwen, hing ietwat sopperig over
+een valig-zwarte, gekleede jas en een geruite pantalon, waaruit zeer
+lichtgrijze slobkousen kwamen, zijn lakschoenen halverwege bedekkend.
+Zijn breedgeranden, hoogen, grijzen hoed had hij op een stoel gelegd.
+
+Zijn magere hals leek nog dunner, geler en rimpeliger door den wijden,
+omgeslagen boord en de lichtblauwe, geelgemoesde das, die met een
+zwierigen, lossen strik een eindje over de lapellen van zijn jas hing.
+
+Misschien kreeg door die opzichtige das zijn gelaat den zonderlingen
+tint, die mij opviel, maar 't kon ook zijn, dat Mr. Mansholt, nu hij
+zelf met zijn lijst rondging, zich, zooals men dat aan het tooneel
+noemt--"'n beetje had opgemaakt"; immers het donkere streepje onder zijn
+oogleden, en de onnatuurlijk zacht-rose kleur onder de oogen, de iets te
+blanke neus, duidden met het donzige waas, dat over zijn geheele gelaat
+lag, op "rouge de théatre," "poudre de riz" en O.-I. inkt.
+
+Hij was zorgvuldig, glad geschoren en gefriseerd. De kapper had van het
+beetje haar, dat hij nog bezat, kunstvaardig partij getrokken en op zijn
+reeds hoogwordend voorhoofd een artistieke lok gelegd, waarin de "coup
+de fer" zeer duidelijk zichtbaar was.
+
+Op eenigen afstand gezien, kon hij nog voor een knap man doorgaan; zijn
+gelaat was regelmatig gevormd; de neus met een kleine artistocratische
+buiging, had zeer bewegelijke vleugels en om den mond lag een soms
+bittere trek, die vooral zichtbaar werd, als hij het hoofd in den nek
+wierp en met zijn groote donkergrijze oogen "#werkte#", iets, wat
+hij voortdurend deed, terwijl hij sprak.
+
+Zijn rijzige gestalte en slank figuur deden hem jonger schijnen, dan hij
+werkelijk was, want de vijftig lagen reeds ver achter hem.
+
+Hij had het potloodje gevonden en schreef mijn naam op zijn lijst met
+ietwat onvaste hand.
+
+--Heeft u soms ook kennissen of vrienden, liefhebbers van goede kunst,
+die u me zou kunnen recommandeeren--en zou u me dan een visitekaartje
+willen geven als introductie?... Dat zou me zeer veel goed doen, weet u?
+'t Is toch zoo moeielijk, om een goed benefiet te maken, als men niet 'n
+beetje aanbeveling heeft.
+
+--Kaartjes geef ik nooit, aan niemand, maar....
+
+--O, neem me dan vooral niet kwalijk!--Hij boog even, zette een zeer
+deêmoedig gezicht en lei de rechterhand tegen het roode roosje, dat hij
+op de linker borst droeg.
+
+--Volstrekt niet, ik zal u eenige namen opgeven.
+
+--Gaarne!
+
+--Ik heb u in langen tijd niet zien optreden, meneer Holtsman; 't laatst
+meen ik in het Salon de Variétés--waar is u nu geëngageerd?
+
+--Dat is juist het fatale van de zaak; ik ben sedert eenigen tijd--laat
+ik maar zeggen, geruimen tijd--zonder emplooi, en 't is akelig moeilijk,
+om 'n geschikte plaats te vinden. Iedere directie past mij niet, want ik
+ben er de man niet naar, om me te vergooien. Goddank! daarvoor ben ik te
+veel #artist#. 'k Heb aanbiedingen genoeg gehad van kleine
+theaters. Dáár wil ik niet spelen en bij de betere, och! daar is 't ook
+al misère tegenwoordig; ze geven stukken, waar ik niet in pas en
+bovendien, ik kan me toch niet laten terugdringen naar het tweede plan,
+door jonge spring-in-'t-veld's die zoogenaamd modern spelen. Ze hebben
+heusch geen notie van serieuze kunst, ze draaien, God beter 't, soms
+familjaar hun rug naar 't publiek en ze spreken, meneer! alsof ze in hun
+huiskamer zitten, Bah!
+
+--Ja, ik herinner me, dat ik u altijd in eerste rollen heb gezien.
+
+--Juist; ik was jaren lang "jeune premier". Hij poseerde, een hand op de
+borst leggend, de andere bevallig op de heup houdend, den rechtervoet
+een weinig vooruit, het hoofd ietwat achterover. Met een kleine,
+schuddende beweging, zoodat de gefriseerde lok op zijn voorhoofd even
+schommelde, zei hij:--Ik heb later karakterrollen gespeeld--'k heb ook
+gezongen, 'k had een goeden ténorléger; misschien heeft u me wel eens
+gehoord in "de scheepsjongen" als Julien. Na een paar lichte kuchjes en
+ahem's zong hij:
+
+ Ondanks den wind, ondanks de baren!
+ Ondanks het woeden van de zee,
+ Zal God den braven zeeman sparen! enz.
+
+O! daarmee had ik altijd succes!
+
+'t Viel mij op, dat zijn stem min of meer heesch en beverig was
+geworden; hij merkte 't zelf wel en zei pijnlijk glimlachend:
+
+--Ahem! 'k ben nu wat verkouden, maar ik heb nòg een goed geluid, dat
+durf ik zeggen. Ik ben nu 'n beetje in 't achterspit, franchementdit. 't
+Lot was mij niet gunstig, 'k heb veel pech gehad. 'k Ben laat aan 't
+tooneel gekomen, 'k was al bij de dertig. Mijn familie hield me altijd
+tegen.--'k Was in een goeie betrekking, maar,--hij tikte even op zijn
+borst--hier brandde 't feu-sacré! Ik rederijkte langen tijd, totdat de
+drang naar de kunst me te machtig werd. 'k Heb 'n heele poos veel succes
+gehad als artist, heel veel!--maar toen heb ik een dwaasheid begaan: 'k
+ben gaan trouwen.... Hum! 'n sérieus artist moest eigenlijk nooit
+trouwen.... Veel kinderen gekregen, 'n lijdende vrouw, altijd in
+finantieele zorgen gezeten. Je wil gentleman blijven, niet waar? Ieder
+'t zijne geven ... dat knauwt je, meneer--dat ruïneert je énergie! Hij
+zuchtte een paar malen.--En dan die moderne richting ... daar kan ik me
+niet toe schikken. Ik heb altijd mijn eigen opvatting gehad van spelen
+en die hoop ik te blijven behouden, zoolang ik ademhaal. Is dat spelen,
+wat ze tegenwoordig doen? Geen zweem van plastiek meer, geen nobele
+gestes, geen intonatiën, die van inzicht en studie getuigen. Ze rabbelen
+hun rol af als gewone menschen.
+
+Laat een van die jongere grootheden eens verzen zeggen. Je loopt gewoon
+de komedie uit, als je 't hoort! Ah, meneer! dat was in mijn tijd
+anders, toen wist men wat verzen zeggen was. Je hield rekening met 't
+metrum, met den rhythmus, de scandeering. Enfin!--toen was 't kunst, wat
+men gaf. Daar heb je bij voorbeeld in Ines de Castro, den Don Pero, die
+rol heb ik gespeeld, meneer! gespeeld, dat het publiek letterlijk wég
+was--wég, meneer! van schrik en ontzetting!
+
+Hij deed een stap terug, strekte langzaam zijn rechterhand uit, hief die
+plechtig omhoog en de twee voorste vingers trillend opstekend, de oogen
+ten hemel slaande, reciteerde hij met een stem, die nog hier en daar een
+forschen metaalklank had:
+
+ Ik zweer op u, mijn voet zal hier geen rust genieten,
+ Vóór ik het eerloos bloed uws moordenaars zie vlieten,
+ Zijn pezen knarsen en zijn beenderen kraken hooren,
+ Zijn lillend ingewand zie in het bloed versmoren.
+
+Hoort u, hoe ik die claus zeg? Ieder woord slaat in het publiek in; je
+krijgt zóódoende voeling met je publiek, meneer! Och, dat zoûen ze
+tegenwoordig zeggen precies als iemand, die z'n knecht roept om een
+kopje thee. Ik kan me niet anders geven dan ik bén en dat 's mijn
+ongeluk; bovendien spelen ze die degelijke stukken ook niet meer. 't Is
+allemaal licht werk ... comédies, grollen, flauwe blijspelletjes! En dan
+'t proza, van die nieuwbakken acteurs, och! dat is zoo ellendig, geen
+kwestie van gesoigneerde kunst meer. Iedereen meent maar dadelijk
+tooneelspeler te zijn. 't Mocht wat!--Ze weten een waarachtig artist
+niet meer te waardeeren, meneer! Daarom ben ik ook een heele poos uit de
+kunst geweest; ik verchagrineerde me te veel; de directeuren trappen je;
+ze willen je voorschrijven, hoe je spelen moet. Dat kan een zelfbewust
+artist, zooals ik meen te zijn, niet verdragen--ik opponeerde nu en dan
+misschien iets te heftig, maar dat ligt zoo in mijn temperament en ...
+'t gevolg is, dat je zonder emplooi raakt.
+
+--U zei, dat u een poos van 't tooneel af was!
+
+--Juist, 'k heb een affaire gehad, maar daar deugde ik hoegenaamd niet
+voor ... een sigarenwinkel is een heel eerlijke broodwinning, maar voor
+een artist--'n gruwel! Ik kon er niet tegen, 't stuitte me tegen de
+borst.
+
+Zijn gezicht in een heel andere plooi trekkend en met veranderde stem
+begon hij:
+
+--Een dubbeltje zware, van de vijf!
+
+--Asjeblief, lief weertje, meneer--opsteken? Hij glimlachte zoetelijk en
+maakte de beweging van 't overreiken eener lucifer.
+
+--Een kwartje van de vier!
+
+--Asjeblief! lief weertje, meneer--opsteken? O, goeie God, meneer, ik
+dacht soms uit m'n vel te springen, als ik zoo'n dialoog moest voeren,
+en dan al dat gezanik van de klanten:--te zwaar, te licht, niet trekken,
+geen witte asch, ruilen, enfin!--ik werd er wee van. Eigenlijk was 't
+jammer, want 't zaakje was nog zoo slecht niet, we hadden er brood in.
+Mijn vrouw, ze is een jaar geleden gestorven--hier pinkte hij "een
+denkbeeldigen traan" weg--kon den winkel waarnemen, als ik hier of daar
+offertes maakte. Bah! als ik er nog aan denk, dat ik destijds met zoo'n
+paar kistjes onder m'n arm bij mijn kennissen en vroegere collegas
+kwam--dan bloosde ik. Waarachtig! ik deed het toen, omdat ik moest....
+#Zóó perst de nood zóó dwingt het lot tot buigen!#--reciteerde hij,
+eensklaps weer in den tooneeltoon vervallend. Later ben ik nog een poos
+geëngageerd geweest in Rotterdam, maar ze zett'en me ook daar den voet
+dwars en nu probeer ik het eens met een benefiet; de collega's helpen
+me. Als u soms door uw relatiën met het tooneel een emplooi voor me
+wist?--Ik zou nu wel in de pére-nobles willen overgaan, desnoods. Mijn
+familie is nog bijna geheel en al ten mijnen laste. Ik heb vijf
+kinderen.
+
+--Is er nog geen van in betrekking?
+
+--De oudste is kinderjuffrouw, externe. Twee werken er op een
+corsettenfabriek, maar ze verdienen een schijntje en de andere twee gaan
+nog op school.
+
+--En heeft u geen zoons?
+
+--Eén zoon, meneer! Hij keek een oogenblik zwijgend, met bedroefde oogen
+als in de verte, zuchtte diep en zei met zachte stem: 't Is een
+stakkerd, meneer, een stumperd!
+
+--Och, in welk opzicht?
+
+--Geen gehemelte, moeilijk loopend, en ze zeggen, dat ie niet heelemaal
+wijs is--maar dát is positief niet waar! De doctoren mogen zoo knap
+zijn, als ze willen, maar daarin dwalen ze heelemaal. De stakkerd weet
+best wat hij doet, maar hij kan zich niet uiten, ten minste niet goed
+uiten ... en niemand thuis geeft zich de moeite, om hem te verstaan. Ze
+hebben een hekel aan 't kind--kan u je dat nu begrijpen van meisjes?
+Zelfs mijn vrouw mocht hem niet en zei altijd:--Charles, doe hem toch in
+een gesticht!
+
+--Misschien had ze geen ongelijk; wat kan men voor zoo'n stumpertje
+doen? Hoe oud is hij?
+
+--Ruim vijftien jaar! maar hij ziet er uit als twaalf.... 't Is m'n
+eenigste jongen. M'n vrouw kreeg drie meisjes achter elkaar--ja, dat was
+een bittere déceptie voor me.... 'k Heb aan dat kind heel wat
+verdokterd, maar d'r schijnt niets afdoende aan gedaan te kunnen
+worden--en nu ben ik de eenige, die hem begrijpt. Hij heeft zulke mooie
+donkere oogen, hé! Zoodra hij me ziet, beginnen ze te glimmen ... en de
+geluiden, die hij maakt, versta ik heel goed. Waarachtig, hij is niet
+onwijs, meneer, ik kan best met 'm redeneeren, maar dat komt, omdat ik
+er moeite voor doe. Hij zuchtte diep: wat moet er van hem worden, als ik
+er niet meer ben.... Enfin! ik sta hier te praten en ik beroof u van uw
+kostbaren tijd.
+
+Plotseling ging hij weer over in den min of meer gezwollen toon, dien
+hij aansloeg, zoolang hij niet over zijn jongen sprak. Zijn hoed
+opnemend, vroeg hij:--U komt me toch zeker zelf zien--'t is één van
+mijn beste rollen. Misschien vindt u aanleiding om een gunstig woordje
+over me in de krant te zetten. 'k Zou nu zelfs een zéér bescheiden
+appointement aannemen. Adieu, meneer, mijn besten dank voor uw
+vriendelijkheid!
+
+
+II.
+
+Eenige weken later, den dag nà zijn benefiet, 's morgens vóór elven
+reeds, stond Holtsman weer voor mij op mijn bureau.
+
+Hij zag bleek, vaalbleek; zijn artistieke haarlok plakte klam en
+omgekruld tegen zijn tanig voorhoofd en zijn oogen lagen diep in hun
+kassen. Zijn geheele voorkomen was dat van een oud, vermoeid man. Zijn
+kleeding was niet anders, dan toen ik hem de eerste maal zag, alleen
+miste ik de opzichtige blauwe das; zijn groezelige, lage boord was los.
+Het scheen wel, alsof alles hem nu slordiger aan 't lijf zat, alsof hij
+opeens magerder was geworden. De hooge grijze hoed, die hij anders min
+of meer zwierig schuins droeg, zat nu achterover en hij vergat dien af
+te zetten, door de zenuwachtige gejaagdheid, waarmede hij binnenkwam.
+
+Met een nerveus-schorren klank in zijn stem zei hij, zoodra hij mij zag:
+
+--Ik ben zoo vrij, om u te komen spreken. U moet me helpen. U zal dit
+doen, want u is een mensch, dat weet ik. U ... pardon: Hij merkte
+eensklaps, dat hij zijn hoed nog ophad en nam dien af.--Pardon! ik ben
+akelig nerveus.... U voelt voor artisten, wou ik zeggen. U kan
+begrijpen, wat het is, om zóó, inééns, de risée te worden van een
+publiek, dat je vroeger op de handen droeg.
+
+Holtsman sprak afgebroken en opgewonden en sloeg zich eenige malen, de
+oogen theatraal ten hemel heffend, met de rechtervuist op de borst.
+
+--Hier hebben ze me gewond. M'n hart is tot bloedens toe getroffen. Mijn
+God, heb ik dát aan ons publiek verdiend? Zijn handen vielen slap langs
+zijn dijen en 't hoofd zonk hem zóó diep op de borst, dat zijn bijna
+geheel onthaarde kruin zichtbaar werd.
+
+Eensklaps hief hij 't hoofd met een kort rukje weer op, achterover,
+schudde het eenige malen als in heftige ontkenning en riep
+melodramatisch:
+
+--Neen! neen!--dat kán ik niet dragen, 't is te veel hoon op eens--te
+veel smaad voor een denkend artist! 't is mijn ondergang! Ik, Holtsman!
+eerste karakterrol, van de planken gelachen! Ja, ge-la-chen, meneer! Is
+'t geen gruwel? Schreit het niet ten hemel?
+
+--Maar, m'n beste meneer, wat is er dan toch gebeurd?
+
+--Weet u 't niet? Heeft u mijn débacle dan niet bijgewoond? Niet? O,
+Goddank!--Hij hief de armen op met tragisch gebaar. Ik hoef me dus voor
+u niet te schamen. U lacht dus nog niet om me?
+
+--Ik begrijp u heusch niet goed.
+
+--Ik meende, u toch te zien zitten gisteren avond.
+
+--Zeker! maar ik ben even vóór de pauze heengegaan. Ik had hoofdpijn
+gekregen door den rook, de hitte en de menschenlucht; 't théater is zoo
+klein en 't was stikvol; mij dunkt, u had niet te klagen.
+
+--Finantieel was ik tevreden, maar moreel, helaas! ben ik geruïneerd....
+Somber keek hij voor zich uit.
+
+--Maar vertel mij dan toch?
+
+Hij kruiste langzaam de armen over de borst, en steunde met diep gebogen
+hoofd naar den grond starend:--Vernietigd!... Ver-nie-tigd! herhaalde
+hij met een traan in zijn stem. Daarna, alsof het een "ter zijde" op het
+tooneel was, zei hij zacht in zich zelven:
+
+--Komaan, moed! moed!... en luider:--Ja, aan u durf ik 't vertellen,
+omdat u een mensch is!
+
+--Wilt u niet gaan zitten? U ziet er zoo vermoeid uit.
+
+--'k Ben óp, meneer, totaal óp!--Geen oog geloken van nacht. 'k Zal zoo
+vrij zijn. Hij nam een stoel en ging zitten met de beenen over elkaar in
+een tooneelachtige houding, één arm over de leuning van den stoel
+geslagen, met den anderen gesticuleerend.
+
+--Alles ging goed, dat heeft u gezien. Ik speelde met animo, dat heeft u
+ook zelf gezien, niet waar? Ik gaf een Henri, zooals hij moet zijn, een
+dweepend dichter, een naïf gevoelsmensch; ik was goed in mijn rol, dat
+voel ik, en ofschoon ik heel slecht gesecondeerd werd--'k had ter elfder
+ure moeten opgrabbelen, wat ik krijgen kon, omdat mijn collega's me voor
+'t meerendeel hadden gedupeerd! De één was hierdoor verhinderd, de ander
+dáárdoor--toch heb ik het stuk weten te houden. Ik vul het tooneel,
+nietwaar? En 't publiek was heel lief in het begin.
+
+--Ja, me dunkt, er was na ieder bedrijf veel applaus!
+
+--Te veel, meneer! te veel! Viermaal riepen ze me, toen de pauze kwam,
+terug, maar ... ik werd beetgenomen, o God! dat heb ik smartelijk
+ondervonden. Toen ik, nadat er al driemaal gehaald was, voor de vierde
+maal voor 't voetlicht kwam, om te buigen, zag ik, achter in het
+parterre, een krans opsteken. Hij bedekte een oogenblik zijn gelaat met
+beide handen en scheen te snikken.
+
+--Een krans, vader, een lauwerkrans!--riep mijn jongste dochter, die
+rechts achter de coulissen stond, me zachtjes toe.
+
+Ik boog, ik lei, zooals gebruikelijk is, m'n hand op m'n hart. Holtsman
+stond op en speelde nu letterlijk het volgende:
+
+--Daar vloog de krans over de hoofden der toeschouwers op het tooneel en
+viel vlak voor mijn voeten neer, maar,--hij scheen bij de herinnering te
+rillen--met een onnatuurlijk doffen slag.
+
+--D'r zit een cadeau aan! hoorde ik m'n tweede dochter, van achter den
+Mantemau d'Arlequin, links, zeggen.
+
+'t Arme kind werd misleid door den zwaren plof, dien de krans gaf.
+
+Ik raapte hem op!... Groote God! meneer, toen ik haar in m'n handen had,
+was 't alsof de bliksem voor mijn voeten neêrsloeg--ik dacht, dat ik
+door den grond zonk. 't Was geen krans, meneer! 't Was--weer bedekte hij
+een oogenblik het gelaat met de nu beverige handen,--'t was een
+worst!... Zoo'n groote, gemeene, geldersche rookworst, waar ze
+boerenkool, bladeren en bloemen om hadden gewonden.
+
+Holtsman stond naast zijn stoel en maakte, naar den grond ziende, alsof
+de worst daar nog lag, een breed gebaar van afschuw en schrik, deed een
+pas terug met afwerend, gebogen handen en siste tusschen zijn tanden
+door:--Ploerten! hadden hem gegooid, ploerten, die ik nu achter in de
+zaal zag dubbelslaan van 't lachen.
+
+--'k Sprong 'n oogenblik terug, meneer! 't Was me, alsof ik een adder
+had aangepakt. Ik wist een paar seconden lang niet, wat ik doen moest,
+maar plotseling ontwaakte in mij de artist, de gehoonde kunstenaar. Ik
+greep de worst, rukte er 't groen, de bloemen af, strooide die uit over
+mijn schedel en toen--toen slingerde ik het vette, vieze ding met één
+krachtigen zet, "zóó!--hij greep als in extase zijn hoed en smeet dien
+over mijn lessenaar--naar die ploerten ... en metéén donderde ik hun
+toe: Ellendelingen! Lafaards! Ik heb als kunstenaar een krans, een
+lauwerkrans, bloemen, verdiend, maar ... honger heb ik om den bliksem
+nog niet!--Dat was misschien iets te kras gezegd, meneer, maar ad-rem
+was 't wel! En in zoo'n oogenblik ben je jezelf niet heelemaal meester,
+dát voelt u!
+
+--Nu, en toen?--ik had werkelijk veel moeite, om ernstig te blijven;
+Holtsman zag het en zei kalmer:
+
+--O, geneer u niet! Ik begrijp, dat u mijn situatie ook belachelijk
+vindt en u neem ik dit in 't minst niet kwalijk ... omdat u óók wel
+voelt dat ik--hij bracht de uitgespreide rechterhand even aan zijn
+voorhoofd--krankzinnig werd van woede op dat moment. U kan begrijpen,
+hoe helsch ik was!
+
+--Volkomen! 't Was een verschrikkelijke toestand.
+
+--Een supplice, meneer! Maar 't ergste kwam nog. Dat brieschend gelach,
+dat satanisch geschater neen! noem 't gerust gebrul, van alle rangen.
+Bravo, bis, kranig! Mooi gezeid! riepen ze van alle kanten maar op een
+toon, dat ik ze wel in d'r gezicht had willen vliegen. 't Werd een
+ontzettende chaos!
+
+Zakken!--Zakken!--schreeuwden ze achter me op 't tooneel, maar je zult
+altijd zien, dat in zulke penible oogenblikken nog iets
+extra-onaangenaams gebeurt, 't doek bleef halverwege schuins zitten, 't
+wou niet op of neer.
+
+Halen!--Zakken!--Halen! gilden ze achter me, en vóór me brulden ze
+lachend: Da capo, Bravo! Bravo! En 't scherm bleef maar steken, ze
+trokken het touw haast stuk; niets hielp, 't zat muurvast, fataal!
+meneer, fataal!
+
+Heengaan, als een druipstaartende hond wou ik niet. Dien triomf gunde ik
+mijn belagers niet ... en daarvoor ben ik niet laf genoeg, ik voel me 'n
+te hoogstaand artist voor zóó iets!
+
+Daarom bleef ik zóó, in uitdagende houding, met de armen over de borst
+en 't hoofd fier opgeheven, die ploerten zwijgend aanzien maar ... m'n
+oogen spraken als dolken! Maar toen ze opnieuw: Bravo, Bis! riepen en de
+worst in de hoogte staken op een parapluie, vloog 't bloed me in eens,
+onstuimig, naar 't hoofd en met al de kracht van mijn orgaan smeet ik
+een donderend:
+
+--Ellendelingen, ik veracht je!... door de zaal.
+
+Een oogenblik was het publiek gebluft, maar daar begonnen die gemeene
+kwâjongens te zingen:--Dat's mooi gezeid, dat's mooi gezeid! en ...
+weg, totaal weg! was de indruk van mijn woorden. 't Gelach begon
+opnieuw; anderen sisten en floten er tusschen in.... 't Was
+afgrijselijk, om razend van te worden! Gelukkig zakte toen het gordijn.
+
+Als uitgeput door 't vertellen, liet Holtsman zich, met langzame
+sleeppasjes achteruitgaande, op den stoel nedervallen, zijn hoofd, diep
+gebogen, rustend op de uitgespreide vingers der linkerhand, den elleboog
+op de knie. Een klein poosje bleef hij zóó zitten, nam met een diepen
+melodramatischen zucht en langzame beweging een witten zakdoek uit zijn
+borstzak en zachtjes zijn bepereld voorhoofd bettend, vroeg hij dof:--Is
+'t niet om te besterven?
+
+--Ik heb erg medelijden met u, meneer Holtsman.
+
+--O, dank! innigen dank!--hij breidde de armen naar mij uit.--Zoo'n
+woord van u is een droppel balsem op mijn verscheurd gemoed!
+
+Hij stond weer op, wrong even de handen, als in wanhoop, en sloeg toen
+de linker voor de oogen, terwijl hij met de rechtervuist zachtjes op
+zijn hart klopte:
+
+--O, meneer! ik heb zoo geleden, gisterenavond, van nacht, want ...
+zelfs m'n dochters hebben om me gelachen! Ze konden 't niet helpen,
+zeiden ze, maar 't was zoo wreed!--Ik ben toch haar vader! Afschuwelijk,
+niet waar, om door je eigen vleesch en bloed te worden doodgelachen.
+Door deze strophe ben ik vermoord!
+
+Met een veelzeggende handbeweging naar den grond en in mineur zuchtte
+hij dof:--Zedelijk gesluipmoord, bedoel ik, want mijn prestige tegenover
+mijn kinderen is dood, morsdood, sedert gisteren! Verbeeld u, de oudste,
+die in de zaal was, is niet eens opgestaan, om met luider stem te
+protesteeren tegen den smaad, die haar vader werd aangedaan. Ze verweet
+me zelfs, dat ik me had "aangesteld" "màl-aangesteld", door dat groen,
+die bloemen over m'n hoofd te strooien. Ze begrijpt de symboliek niet
+van die daad!
+
+--Ze had zich voor mij gegêneerd, zei ze, omdat sommige hartelooze
+menschen, die haar kenden, haar zoo raar hadden aangekeken.... Maar,
+mijn God! bestaan er dan geen banden des bloeds meer?
+
+Droevig voor zich uitstarend, poosde hij even, diep ademhalend, toen
+kwam hij vlak voor me staan en zei schier fluisterend:--Illusie, meneer!
+Hersenschim! als je dankbaarheid van je kinderen verwacht; de moderne
+ideeën maken ze los van alles, ze ontgroeien tegenwoordig te gauw de
+ouderlijke tucht. Hoe grooter ze worden, hoe meer egoïst.
+
+--We hebben van nacht een in-treurigen nacht gehad, want ik zei heel
+duidelijk mijn opinie aan mijn meisjes.... Misschien heb ik nog al
+krasse termen gebruikt, want 't gaf een huilpartij--daar kan ik in 't
+geheel niet tegen; dat gegrien irriteert me geweldig, 't beleedigt mijn
+aesthetisch gevoel. Toen ze kalmer waren, rekende ik het mijn plicht als
+vader, om haar ernstig voor te houden, dat ik van mijn kinderen heel wat
+anders had verwacht dan hilariteit. Ze lieten me gewoon praten en gingen
+naar bed. In de achterkamer hoorde ik ze giegelen met mekaar;--dat deed
+me zeer, maar toen ik m'n tweede dochter, Sophie, schamper hoorde
+zeggen:--"Wat 'n zanik--had ie de worst maar liever meegebracht"--toen,
+meneer! was m'n lijdensbeker te vol, toen heb ik geschreid, bitter en
+lang!
+
+--Niemand troostte me--alleen Karel, die stumperd, was hartelijk voor
+z'n vader en die jongen noemen anderen nu: onwijs! De stakkerd was
+alleen uit z'n bed gekomen,--#hoe#, mag de goeie hemel weten--en
+streelde mijn wangen, zóó, heel zachtjes ... dat is zoo'n eigen manier
+van hem, weet u?
+
+--Als ik thuis ben, gebeurt het meer, dat ik zwaarmoedig ben. Dat ziet
+de jongen dadelijk aan me, of hij merkt 't als bij intuïtie. Dan worden
+zijn oogen zoo goedig, zoo groot en zacht en dan sukkelt ie naar me toe
+en drukt zich tegen me aan, net als een trouwe hond, hè? 't Is precies,
+alsof ie zeggen wil: Vader, #ik# hou van je, #ik# kom je
+troosten--#ik# weet, dat je lijdt. Ach, als die arme jongen maar
+spreken kon, was alles zooveel beter--dan zouen ze niet meer zeggen: hij
+is suf! dan zouen z'n zusters 'm niet zoo verschoppen.
+
+--Wij hooren nu eerst goed bij mekaar, want #ik# ben ook een
+verschoppeling--een uitgelachen artist is niets beters.
+
+--Kom, kom! meneer Holtsman, geen moed verliezen. Je zult deze
+teleurstelling wel weer te boven komen.
+
+--N--neen!----n--neen! Hij nam zijn hoed van den grond op en maakte er
+een deuk uit.--Ik ben "fini",--de worstacteur--de artist van de
+worst--zullen ze mij voortaan noemen. Bah, 't is al te walgelijk!
+
+Een paar malen schudde hij zich als in hevigen afschuw; toen scheen de
+crisis voorbij. Hij veranderde van houding en van toon en lei iets
+nederigs in zijn stem, terwijl hij vroeg:
+
+--Zou u niet in uw veelgelezen blad--dat was ook de reden van mijn
+vroege komst hier--onder de rubriek "kunst" een entre-filet willen
+plaatsen, waarin u een scherpe afkeuring uitspreekt over het gebeurde
+van gisterenavond? En zou u dan meteen de beleefdheid willen hebben er
+op te wijzen, hoe ik nu, totaal onschuldig, het slachtoffer ben
+van--zijn gelaat teekende eensklaps afschuw, toorn en minachting--van
+een vuile, ploertige studentengrap.
+
+--Als u er dan bijvoegen kon, dat ik als acteur mijn sporen wel heb
+verdiend en dat ... maar--hij boog even deemoedig het hoofd--misschien
+is 't al te onbescheiden, wat ik vraag--dat ik voor menig
+tooneelgezelschap door mijn veeljarige routine, door mijn beschaafd, met
+verstand spelen en goed orgaan een aanwinst zou kunnen zijn.
+
+--Ik heb Don César de Bazan, Paljas, Lazaro, IJzervreter, La
+Gardére--enfin, u weet wel, alléén éérste rollen gespeeld, maar ik ben
+nu niet ongenegen, om in een ander emplooi over te gaan. Als ik maar
+eerst ergens voor vast ben, kom ik van zelf weer "au premier plan,"
+omdat ze onmiddellijk zullen begrijpen, wat ze aan #mij# hebben.
+Hij richtte zich in zijn volle lengte op, zette een hooge borst en trok
+langzaam een paar erg oude glacé handschoenen aan. Zijn mimiek was
+geheel in overeenstemming met zijn pose, want zijn wenkbrauwen waren
+sterk gefronst en de hoekjes van zijn mond omlaag getrokken onder de
+zacht bewegende neusvleugels.
+
+--Ik zal probeeren, of ik iets voor u doen kan, maar u begrijpt wel, dat
+#ik# niet bij machte ben, om u een engagement te bezorgen.
+
+"Het pogen zelfs is grootsch in 't worstelperk der eer," citeerde hij
+met een beminnelijken glimlach en geleidelijke stemverheffing, daarna
+meer gewoon:--Ik ben u al vooruit innig dankbaar!
+
+Met een fraaie, goedbestudeerde tooneelbuiging nam hij afscheid. Aan de
+deur gekomen, keerde hij zich om, de rechterhand op den deurknop
+leggend, één knie vooruit, het hoofd iets achterover.
+
+--Vaarwel, mijnheer! Hij wuifde me toe met de slappe
+linkerhand.--Vaarwel!
+
+
+III.
+
+Een paar jaren later, ik stond juist op 't punt van naar huis te gaan,
+kwam de jongste bediende mijn privé-kantoor binnen met een visitekaartje
+en de boodschap: of u een oogenblikje te spreken is?
+
+--Zeker! Zeker! laat mijnheer dadelijk binnenkomen. Ik lei mijn hoed en
+handschoenen naast mij neer en trok haastig mijn overjas weer uit, omdat
+ik, naar ik meende, een Wethouder der gemeente, die mij de eer van zijn
+bezoek gunde, niet in haast mocht ontvangen.
+
+Terwijl de deur voor den bezoeker geopend werd, hoorde ik in het
+voorkantoor een onderdrukt gelach, dat mij zeer ongepast scheen, maar
+zoodra ik den binnentredende zag, begreep ik alles. Holtsman stond voor
+me, even theatraal en gewichtig als vroeger, maar ouder geworden en nog
+meer vervallen. Hij droeg een wijde manteljas en hield zijn #mij#
+bekenden, hoogen grijzen hoed in de hand.
+
+--O, is u 't?
+
+--Om u te dienen. Een onberispelijke buiging volgde.
+
+--Maar?... ik keek op 't visitekaartje ... ik dacht?
+
+Vóór ik verder spreken kon, was hij mij genaderd en nam met een snelle,
+maar zeer beleefde beweging, voorzichtig met duim en vingertop, het
+kaartje uit mijn hând:
+
+--Permitteer mij, dat ik mijn talisman weer tot me neem? Hij borg het
+kaartje zorgvuldig weg. Ik zou 't voor geen geld ter wereld willen
+missen, want het is mijn Sesam-open-u?
+
+--Aha!--nu begrijp ik 't--uw gewone truc.
+
+--Noem het, zooals u wil, mijnheer, maar 't is voor mij een
+levenskwestie, dat ik persoonlijk toegang krijg tot menschen van positie
+en stand. Och, ik ben wel genoodzaakt zoo'n handigheid te baat te nemen,
+de meeste heeren zijn zoo ongenaakbaar; 't is, alsof men bang is voor
+een artist.... Ik kom u een vriendelijk verzoek doen. Zijn glimlach werd
+zoetelijk.
+
+--Geeft u soms weer een benefiet?
+
+Holstman keek mij min of meer verwijtend aan, strekte de handen,
+artistiek gebogen, als afwerend uit, wendde zijn gelaat, waarover een
+smartelijke trek gleed, een paar seconden af en zei:
+
+--O, ik bid u, herinner mij niet aan dien vreeselijken avond. Ik ben dàt
+leed nòg niet te boven; ik tràcht te vergeten, maar ... ik-kan-niét,
+helaas! En na eene kleine kunstpauze:
+
+--N-neen! ik speel niet veel meer, en toch leeft hier,--hij tikte
+zachtjes met den rechter-middelvinger op zijn borst--hier, in 't
+diepste van mijn binnenste, lièfde voor de kunst; de denkende artist
+sluimert slechts een wijle, omdat--voorzichtig rondziende, alsof hij in
+een verradersrol op de planken stond: ... Zijn wij hier alléén?
+
+--U kan vrijuit spreken.
+
+--Welaan dan!... omdat de lijfelijke mensch behoeften heeft. Ja, meneer!
+'t is treurig, maar ik ben weer in den handel moeten gaan. O! 't is met
+een blos van schaamte, dat ik 't beken: mijn hart bloedt, mijn geheele
+kunstenaarsziel komt in opstand maar ... ik heb een familie, die eten
+moet.
+
+Met een mooi tragisch gebaar één hand voor de oogen brengend en in zijn
+stem een bitter droeve klank leggend herhaalde hij:--Een huisgezin, dat
+fatsoenlijk wil blijven. Ik wil het niet voor iedereen weten, dat ik ...
+God het is zoo hard om te zeggen ... een kleine negotie heb. Men kan
+immers nooit weten of ik niet weer op het niveau kom, waar ik thuis
+hoor. 't Publiek zal toch wel ééns genoeg krijgen van al dat moderne
+gespeel, en van die kopjes-thee-stukken, maar "en attendant" moet men
+leven--dat's logisch niet waar?
+
+--Zeker!
+
+--Daarom kom ik persoonlijk "en privé"--bij de chefs van groote firma's,
+bij bekende kunstbeschermers en menschen van hoogere ontwikkeling. Hun
+durf ik vrijmoedig naderen en vragen, ... zijn stem daalde tot
+fluisteren:--Zou u van een miskend artist niet een doosje stalen pennen
+en wat postpapier willen koopen?
+
+Toen sloeg hij zijn wijde manteljas open en ik zag, dat hij er een
+reistaschje onder droeg.
+
+Haastig nam hij er een paar doosjes pennen en een pakje postpapier uit,
+lei een en ander op mijn schrijftafel en zei met gebogen hoofd en
+afgewend gelaat, zuchtend:
+
+--Ze kosten me ingekocht één gulden ... ik laat met gerustheid aan u
+over, wat u er voor betalen wil ... ik ben geen handelsman.
+
+--Meneer Holtsman, u is een diplomaat!
+
+Ik accepteerde de pennen en 't papier en gaf hem een klein bedrag. Met
+weergalooze nonchalance liet hij 't zonder na te zien, hoeveel 't was,
+in zijn zak glijden, boog eventjes en zei als ter loops:--Dank u zeer!
+Toen langzaam:--Mag ik nog iets vragen?
+
+--Welzeker!
+
+--Heeft u ook soms copiëerwerk voor me--ik zou het 's avonds best kunnen
+doen; ik schrijf een mooie, loopende hand en grammaticaal.
+
+--'s Avonds? Is u dan heelemaal van 't tooneel af.
+
+--Ja!--dat is te zeggen: Neen!... Ik ... zijn stem trilde iets en, naar
+'t mij toescheen, ditmaal echt. Zelf speel ik voorloopig niet meer. Er
+is tegenwoordig geen plaats voor 'n denkend kunstenaar van rijpe
+ervaring; ze hebben liever jonge, grasgroene schreeuwers, die in de
+broeikas zijn gekweekt.
+
+--In de broeikas?
+
+--Scholieren van de Tooneelschool, meneer! Bah, wat zijn 't in den
+regel? Papegaaien, die nabouwen wat 'r lui wordt voorgesnaterd--van
+créatie geen spoor! Ik gevoel me ver boven zulke ... enfin! boven zulke
+quasi-beschaafde kakatoes ... maar vooralsnog kun je tegen de strooming
+der tijden, de opinies van Regies en Directiën niet op. Ze hebben me
+hier en daar willen hebben voor figuratie en voor--hij haalde de
+schouders verachtelijk op--voor sloome-duikelaars-werk.
+
+--Duivelstoejager! Merci! Daarvoor is Holtsman te veel artist ... maar
+je familie, hè? Ze voelen dat niet, ze houën d'r hand op, alle weken,
+zonder te vragen, hoe je er aan komt. Enfin! 't is niet anders; ik heb
+dus maar genomen, wat ik krijgen kon.... Och! u kan ik 't wel zeggen: ik
+souffleer tegenwoordig!
+
+--Wel zoo en waar!
+
+--Nu eens hier, dan weer dáár--ook niet alle avonden geregeld. Onlangs
+ben ik zes weken op Tournée geweest in de provincie; kermis te
+Groningen--een série voorstellingen te Zwolle, Kampen, Assen etc. 't Is
+niet gemakkelijk om de eindjes bij mekaar te houden, meneer! Vijf
+dochters thuis, gezonde eters. Ja! en daarom copiëer ik al muziek,
+schrijf rollen uit en van tijd tot tijd régisseer ik bij
+liefhebberijgezelschappen. 't Zijn wel meest kantoorbedienden- of
+werkliedenvereenigingen, maar die eenvoudige lui appréciëeren je,
+hè!--Zulke avonden zijn de oasen in mijn levenswoestijn.
+
+--Is er nog geen van uw dochters getrouwd?
+
+Zijn gelaat betrok, toen hij antwoordde: Ja, helaas! en zuchtend:--De
+oudste, maar zij is alweer van haar man af--'n gemeene dronken lap, die
+'r met een kind van drie maanden gewoon heeft laten zitten,--Ja, ja! die
+heb ik nu ook op m'n dak! 'k Heb nog een schoolgaand meisje en dan één
+jongen, 'n stumperd.
+
+--O, ja! dat 's waar, hoe gaat het met hem?
+
+Holtsman's oogen kregen meer uitdrukking, zijn fletse wangen kleurden
+even en een klein lachje omspeelde zijn vale lippen, toen hij, een pas
+naderbij komend, bijna verheugd zei:--Ik geloof nu dat er eenige kans
+is, dat Karel iets zal leeren zeggen. 'k Heb 'm in een inrichting,
+meneer! al bijna 'n jaar! 't Is goed voor den stakker, maar ik mis hem
+zóó,--alle dagen! Van de anderen nam hij geen notitie, maar voor mij was
+ie een-en-al hartelijkheid.
+
+--Zoo'n behandeling is duur. 'k Moet alle weken zes gulden vijftig voor
+'m betalen--'t is een heele boel--en als je nu overal nog maar je
+négotie kon aanbieden, maar al ben je nu ook nog zoo volkomen vader--je
+kunt je als artist toch niet heelemaal vergooien. Zondags mag ik Karel
+altijd zien. Ik vind wèl, dat hij iets vooruit gaat. Enfin, ik ben
+eigenlijk niet heelemaal bevoegd tot oordeelen, want: ik verstond hem,
+zoo gezegd, van z'n geboorte af, maar hij dient toch voor anderen ook
+verstaanbaar te zijn ... als ik er eens niet meer ben.
+
+Och, ja!--hij knoopte zijn manteljas langzaam over zijn taschje
+dicht,--ik heb veel, heel veel bittere décepties in mijn leven
+ondervonden ... als ik nu ten minste maar die ééne satisfactie mocht
+hebben, dat mijn jongen 'n beetje spreken leert.
+
+--Ik help 't u wenschen.
+
+--Dank, innigen dank! Eensklaps verviel hij weer in een tooneeltoon, Met
+een zekeren zwier nam hij zijn hoed, boog achteruitgaande, bereikte de
+deur en zei vóór hij vertrok:
+
+--Als de Hemel 't wil geheugen, zult u me wederzien, mijnheer!
+
+
+
+
+EEN REGENACHTIGE DAG TE WIESBADEN.
+
+_Een reisherinnering_.
+
+
+"Sechs Uhr! Stehen sie gefälligst auf? roept de huisknecht van "'t
+Römerbad" aan mijn kamerdeur.
+
+"Oah!" ik gaap en wordt wakker.
+
+"Sechs Uhr! Ihr Bad ist bereit!"
+
+"Jawohl, gleich! Wie ist das Wetter, Christiaan?"
+
+"Regenwetter, meinherr,--Regen! immer Regen!"
+
+Ik hoef het eigenlijk niet te vragen; ik steek slechts even mijn hoofd
+om 't hoekje van mijn bed en ik zie genoegzaam hoe 't weêr is, door 't
+vale grauwe licht; dat tusschen de reten van de gesloten stores
+binnenvalt.
+
+Ik sta op; 'k heb het land door al het water, dat ik hoor neervallen, ik
+trek mijn kousen en mijn chambercloack aan. Ik gaap nog even en stoot
+knorrig raam en store open. Ik kijk naar de lucht, ze is grauw, grijs.
+De regen slaat mij in 't gezicht, want 't waait vrij sterk. "De
+Kochbrunnen" vlak voor mij dampt en borrelt; de "Brunnenmädchen" staan
+achter de tafels op haar post. De eene heeft een wollen doek om, dat
+maakt mij kwaad: een "Brunnenmädchen" met een zielenwarmer om! Ik kan er
+niet naar kijken--de andere heeft een leelijken wipneus--goeie hemel!
+wat een wipneus! 't regent er in.
+
+Dat had ik gisteren toen 't mooi weer was niet eens gezien. Hoe meer ik
+naar de lucht kijk, des te knorriger word ik! 't Is of de zon een vieze,
+grauwe slaapmuts op heeft--net als die vent, die hierover in "der
+Europäische Hof", uit het raam ligt.--Bah; wat een ordinair gezicht: wat
+kijkt die kerel knorrig als hij gaapt.--Heer in den hemel! wat heeft die
+man leelijke tanden; 't is of ik in een kolenhok kijk.--Hou je mond toch
+dicht, akelige vent: daar gaapt hij waarachtig al weer.
+
+Ik kijk er niet meer naar; 't eene bronnenmeisje ziet mij aan 't venster
+staan. Ze knikt mij toe, kijkt omhoog naar de lucht, trekt haar
+mondhoeken omlaag en schudt met het hoofd, haalt de schouders op, knikt
+mij nog eens toe en geeft aan een magere Engelschman, die met den kraag
+van zijn demi saison omhoog voor haar tafeltje staat, een glas
+"Kochbrunnenwasser".
+
+Wat een misselijke vent is die Engelschman; hij heeft een paar voeten
+als strijkijzers; 't is precies een lat met een demi-saison aan. Daar
+komt een juffrouw bij hem staan; zeker zijn dochter, want ze is even
+plat en houterig als hij. 'k Zie aan haar lippen dat ze "morning" zegt.
+Hij draait zich even om, zegt iets dergelijks en slurpt zijn glas leeg.
+
+Wat ziet die Trinkhalle er saai uit--er is nog niemand anders in dan
+drie natte droogstokken.--Ja! toch wel; heelemaal aan 't eind er van zie
+ik een parapluie, die neêrgedaan wordt.--Er waggelt iets nader; 't is
+die vette Sakser, dien ik gisterenavond in de restauration Engel een
+portie haché (Gulasch) zag eten, om tien uur 's avonds.--Hoe kan iemand
+'t verdragen.--Almachtig! wat is hij dik; met zijn grijze paletot lijkt
+hij nog dikker; compleet een bal.
+
+'t Is kil in de lucht en toch transpireert die vent.--Zooveel vet op
+mijn nuchtere maag, bah! ik kan 't niet velen--ik doe m'n raam dicht,
+maar 'k hoor hem nog juist zeggen: "Ai, Herr Chjaeses! was e Wetter!"
+
+.........................................................................
+
+Voor het gesloten venster blijf ik nog een oogenblik staan, want ik zie
+dien langen, beenigen schoolmeester uit Barmen, die aan de table d'Hôte
+altijd water drinkt, aankomen.--Hoe is 't mogelijk, dat iemand zoo 'n
+hoed kan dragen--een bol van lage drukking en een rand als een
+duivenplat. Wel zeker! Herr, ga je gang maar! staat alléén bij de
+bronnenmeisjes en geeft de knapste stiekum een handje. Ga gerust je
+gang, oude zondaar, je vrouw ziet 't immers niet--ze zit zeker thuis met
+een dozijn kinderen.--Zeg eens, hei! niet zoo erg familiaar--hij knijpt
+haar in de bolle wangen.--Och 't is maar een eenvoudig kneepje--hij
+denkt er niets bij, de brave man is geheel zonder erg; dat kun je wel
+aan zijn gezicht zien, want hij trekt een pruimensnoetje;--Schlechtes
+Wetter, ach! furchtbar, zum verzweifeln"--ik hoor het niet, maar ik zie,
+dat het Brunnenmädchen het zegt.
+
+'k Ga in "chambercloak" mijn kamer uit: de barometer in de vestibule is
+alweer gedaald, ik tik er op:--hij gaat nog een eindje terug. Een
+miserabel ding, die barometer.
+
+"Morgen!" zegt de portier.
+
+"Morgen!"
+
+"Miserabeles Wetter, Meinherr!"
+
+"Jawohl!"--nare vent, dat zie ik zelf immers wel.
+
+Voordat ik de trap naar 't badhuis afga, komt mij de Oberkellner tegen
+met een blad vol koffiekoppen en broodjes.
+
+"Morgen!"
+
+"Morgen."
+
+"Unglückseliges Wetter!"
+
+"Jawohl!"--Ringelingeling! klinkt een kamerschel naast mijik schrik er
+van,--dom dat ze hier nog geen electrische schellen hebben!
+
+De Oberkellner ziet naar 't bruine klepje, dat aan den deurpost No. 16
+is opgeslagen en roept: "Zimmerkellner, auf 16 hats geklingelt." De
+Zimmerkellner is er reeds en zegt, terwijl _hij_ in No. 16 en _ik_ in 't
+badhuis ga: "Hundewetter heute!"--Weet je niets anders, kerel?
+
+De warmte der baden komt mij bij het binnentreden tegemoet; zij doet me
+goed, anders puf ik er van.
+
+De "bademeister" doet mijn badkamertje open.
+
+"Morgen Herr!"
+
+"Morgen Bademeister!"
+
+"Scheussliches Wetter heute."
+
+Flap! ik gooi de deur van 't kamertje achter mij toe.
+
+'t Bad komt mij veel te warm voor, veel warmer dan gisteren.
+
+"Bademeister!"
+
+"Gefälligst!"
+
+"Mein Bad ist zu heiss."
+
+"Bitte sehr? 27 grad präcis!"
+
+"Unmöglich!"--de badmeester komt bij mij binnen.
+
+De bad-thermometer overtuigd mij dat ik ongelijk heb.
+
+"Sie haben doch Recht, Bademeister!"
+
+"Sie finden es wärmer, weil es heute draussen kühler ist durch den
+Regen."
+
+'k Blijf alleen, tot aan den hals in het warme water.
+
+Achter mij hoor ik een dakgoot loopen, en 't kletteren van den regen op
+een plat. Regelmatig niet te hard, niet langzaam maar zonder ophouden
+klettert het voort; 'k word er melankoliek van. En tusschen dat geluid
+door, hoor ik het choraal "Jesu meine Zuversicht" dat de muzikanten bij
+de Trinkhalle spelen.
+
+'t Choraal stemt mij anders aangenaam, ik hoor het zoo graag; nu wordt
+ik er nog melankolieker door.
+
+Zou ik al 20 minuten in 't bad zitten?
+
+"Bademeister!"
+
+"Sie befehlen?
+
+"Sinds es schon 20 Minuten?"
+
+"I bewahre; noch kleine zehn!"
+
+Ik hoor de deur van 't Badhuis opengaan.
+
+Hè, wat piept die deur, waarom smeeren ze hier die scharnieren niet!
+olie is toch goedkoop.
+
+"Uche! uche! uche!" dat is die oude heer van No. 3--ik herken hem aan
+zijn volheid op de borst, ik logeer in No. 2 en hij heeft me al een paar
+maal uit den slaap gehouden!
+
+"Uche! uche!--Uche! morgen!--uche!"
+
+"Morgen Herr Schwiepelmeier?"
+
+Kristenenzielen wat een naam! wie heet er nu Schwiepelmeier?
+
+"Uche!--Morgen Bademeister, hundsgemeines Wetter"!
+
+"Jawohl Herr--Schwiepelm...."
+
+Ik hoor niets verder, want ik trek aan 't touwtje naast mij en ik krijg
+mijn douche. Brrr! wat is die koud van daag.
+
+De reactie is voorbij, mijn huid begint te gloeien, ik grijp mijn
+badlaken en wikkel er mij in; ik wrijf, ik schuur, ik zaag met de ruwe
+oppervlakte langs mijn rug en ik word droog.
+
+Buiten is 't des te natter.
+
+Ik kom terug in mijn kamer, en ga curgemäss weer te bed. Eerst kijk ik
+nog even naar de Trinkhalle. Een hoop natte in elkander gedoken menschen
+staat voor de muziektent; natte parapluis, opgespannen, dichtgeslagen en
+druipende regenschermen en anders niet. Er komen meer parapluies, meer
+menschen, dames en heeren, ze kijken allen naar de lucht en ze schudden
+allen op ongelijke wijze en op verschillende oogenblikken het hoofd.
+
+'t Is lekker om nog even in bed onder de wollen deken te
+kruipen--behaagelijk rek ik mij uit, mijn oogleden worden zwaar.
+
+Buiten speelt de Curmuziek,--"Am schönen blauen Donau"--in gedachten
+wals ik in mijn bed mede; 't is me alsof ik draai--ik dommel in en ik
+droom van ... mooi weêr.
+
+_9 uur_.--Ik ontbijt; de thee smaakt mij niet. Zouden ze hier in
+Duitschland dan nooit leeren hoe men thee zet;--'k heb een duf ei bij
+mijn brood. Bah! ik schei er uit. Ik ga mijn bottines aantrekken en de
+deur uit--om mij te laten scheren.
+
+Van de stoep van 't Römerbad tot aan den winkel van den coiffeur Rosener
+op den Kranzplatz is een kippeneindje--ik druip als ik er binnen kom.
+
+"Rasiren?"
+
+"Bitte!"
+
+Onder 't inzeepen maakt de barbier de gloednieuwe opmerking: "Schlechtes
+Wetter heute!"
+
+Als een wandelende dakgoot treedt, na mij, een Pruisische luitenant
+binnen.
+
+"Janz verfluchtes Wetter! Aèh!"
+
+"Jawohl Herr Lieutenant!"
+
+"Aèh!--Ziehen sie mir den Scheitel janz durch."
+
+"Zu befehl Herr Lieutenant."
+
+De kapper trekt met den kam een scheiding door de donkerblonde
+stekelharen van den Germaanschen Mars, zoodat zijn hoofd er uit ziet als
+een gespleten wilde kastanje.
+
+"Thun sie mir etwas mehr Harzpomade im Haar; bei diesem verfluchten
+Regenwetter hält die Frisur sonst nicht."
+
+"Zu befehl Herr Lieutenant."
+
+De kapper smeert minstens een decagram of vijf cosmetique in des
+krijgsmans lokken, zoodat diens hoofd glimt als een gepolitoerde
+deurknop.
+
+Wel tien of twaalf klanten komen gedurende den tijd, dat ik onder 't mes
+zit, binnen en evenveel keer hoor ik geestige opmerking dat 't slecht
+weer is.
+
+Als ik buiten kom, stortregent het niet meer; 't is geen bui meer, maar
+'t is een regen voor den geheelen dag geworden.
+
+Langzaam met dunne stralen, maar dicht, onverdroten en onverpoosd vliedt
+het hemelwater neer. De dakgooten stroomen over; de straat is hier en
+daar in een beek herschapen. De hemel is egaal loodkleurig, er is geen
+denken aan dat er kans is van ophouden; de wolken zijn het volkomen
+eens.
+
+Ik loop even naar het postkantoor: mijn parapluie begint iet of wat door
+te regenen; mijn schoeisel wordt week.
+
+In de "Langgasse" ontmoet ik een paar boerinnen.
+
+Ze houden haar rokken buitengewoon hoog op, haar kousen lijken op alles
+behalve op wat ze zijn.
+
+De zware mand op haar hoofd houden ze met de eene hand vast, met de
+andere zijn ze voortdurend bezig, om haar neus af te vegen, want op dat
+lichaamsdeel verzamelen zich alle druppels, die van den rand der korf en
+uit haar hoofddoek lekken.
+
+Zij spreken met elkaar over----den regen, over slechten oogst, zieke
+aardappelen, dure boter en schaarsche eieren. Mijn parapluie begint zeer
+onaangenaam te worden, zij heeft bijna 't onmogelijke gepresteerd, maar
+'t gaat haar vervelen, zij kan met den besten wil niets meer doen. Aan
+de punten der baleinen zijn kleine watervallen ontstaan en bovenaan bij
+den stok is een opening in een der naden gekomen; dikke droppels vallen
+er doorheen op mijn hand.
+
+Wat ziet er alles op straat vies en grauw uit; 't is of de huizen
+grienen.
+
+Een vrachtwagen komt mij te gemoet, de remketting rammelt veel doffer
+dan gewoonlijk en de wielen maken een geluid als 't rad van een
+watermolen in de verte. De voerman heeft een blauwen kiel aan, die zwart
+ziet door de nattigheid. Hij klapt met de zweep, maar 't is geen knal
+meer zooals anders, een knal scherp en kort, zoodat men onwillekeurig
+opspringt. De vochtigheid van de lucht dempt het geluid, dat dof en saai
+klinkt, alsof men met een beddekussen slaat.
+
+"Ho!"--het paard staat stil, geduldig, met den kop diep gebogen, alleen
+schudt het nu en dan met de ooren als een bijzonder dikke regendroppel
+er in valt en zijn staart is een hevel geworden. De voerman staat op de
+stoep van een huis, neemt zijn druipenden hoed af, slaat hem uit, ('t is
+monnikenwerk!) krabt zich even achter de ooren, haalt den roodbonten
+zakdoek uit den broekzak en droogt er zijn gelaat meê af.
+
+De eigenaar van het huis, waarvoor de kar stilstaat, komt naar buiten,
+bromt, pruttelt en haalt eindelijk de schouders op.
+
+De voerman begint de steenkolen, die hij bezorgen moet, af te laden, en
+weldra heeft de huisheer een groote zwarte plas op zijn stoep, in zijn
+gang en op zijn trappen.
+
+Op de trottoirs glimt het asphalt alsof het vernist was, een paar oude
+juffrouwen staan onder een parapluie te babbelen, haar deert de regen
+niet; babbelen moeten zij, al ging de wereld ook onder.
+
+Ik caramboleer met een anderen parapluiedrager.
+
+"Pardon!"
+
+"Entschuldigen Sie!"
+
+"Bitte!"
+
+Voor den winkel van een koopman in parapluies sta ik even stil, ik ben
+in twijfel of ik de mijne ook zal laten repareeren--daarom kijk ik naar
+binnen.--'t Is om woedend te worden, daar staat de eigenaar met een van
+pleizier glimmend gelaat achter zijn toonbank en ziet naar de lucht.--De
+gemeene vent lacht met z'n geheele gezicht.
+
+Goddank! 't is eindelijk één uur geworden--de table d'hôte zal me eenige
+afleiding geven.--Ik kom naast een allerliefste jonge dame te zitten van
+plus minus zeventig jaar, met een teint als een sinaasappel en een
+gezicht, alsof zij er al haar leven meê te koop heeft geloopen. Over mij
+zit nog zoo'n exemplaar, maar met meer levervlekken, daardoor denk ik
+aan de schaal van een schildpad--en krijg plotseling een aversie voor de
+potage á la tortue.
+
+In stilte maak ik de opmerking dat het damespersoneel aan de table
+d'Hôte over 't algemeen veel heeft van een muséum van antiquiteiten en
+ik word sterk herinnerd aan de mummies te Leiden.
+
+Mijn appetijt is zoo goed als weg, maar toch eet ik.
+
+De gesprekken aan tafel zijn aangenaam en leerrijk tevens.
+
+"Furchtbares Wetter."
+
+"Oh! entsetzlich!"
+
+"Es regnet heute wie verrückt."
+
+"Touren kann man nicht machen durch diesen abscheulichen Regen."
+
+"Ich reise ab wenn es nicht besser wird!"
+
+"'s Ist fast nie zum aushalten"
+
+"Mein Koffer ist schon gepackt!"
+
+"Ich bin sechs Wochen hier, und immer Regen! Regen!"
+
+Een vrouw met rozen komt binnen:
+
+"Rosen gefällig meine Herrschaften."
+
+De stumperd druipt en maakt de ruggen der gasten aan tafel nat.--De
+kellner zet haar de deur uit.
+
+De tafel duurt veel langer dan gewoonlijk, want niemand heeft haast;
+clubjes heeren zitten na het dessert bij elkaar, rook sigaren en drinken
+champagne. Ik ken geen dier clubjes en uit verveling ga ik naar mijn
+kamer.
+
+Mijn rechter voet is nat geworden, de naad der bottine is gebarsten, ik
+trek andere kousen aan, ga op mijn kanapée liggen, doe mijn oogen dicht
+en kan niet slapen.
+
+Ik neem een boek, 't helpt niet--op het boekenrekje in mijn kamer, staat
+een bundel "Predigten vom Superintendent Zäh"--ik lees er in--helaas!
+zelfs daar slaap ik niet van.
+
+'t Is om radeloos te worden--ik spring op--neem een pen en papier, steek
+een nieuwe sigaar op en begin te schrijven, waarover? Natuurlijk over
+den regen, over iets anders te schrijven zou vandaag positief onmogelijk
+zijn geweest.
+
+.........................................................................
+
+'t Is den hemel zij lof, prijs en dank negen uur 's avonds geworden, ik
+berg mijn schrijfmap op en ik ga naar moeder Engel's restauratie om een
+glas bier te drinken.--ik ontmoet daar kennissen die ook pruttelen....
+
+.........................................................................
+
+_11 uur_.--'t Regent nog steeds. Ik ben weer te huis, maar door en door
+nat.
+
+
+
+
+EEN WARME DAG TE WIESBADEN.
+
+_Reisherinnering_.
+
+
+Half elf 's morgens: de Thermometer wijst 28° in de schaduw.
+
+Ik zit amechtig op een stoel voor de Restauratie op den Neroberg. Mijn
+hoed weent innerlijk tranen van medelijden over mijn dwaasheid om bij
+een dergelijke temperatuur dien berg te beklimmen. Mijn voorhoofd
+glinstert als ware het met diamanten bezet, mijn zakdoek wischt ze weg,
+te vergeefs; de zon doet telkens nieuwe ontstaan.
+
+Daar nadert iemand, ik herken hem, 't is een kurgast evenals ik. Zijn
+hoed houdt hij in de eene, zijn zakdoek in de andere hand; beurtelings
+wijft hij zich koelte toe en droogt zich voorhoofd, slapen en hals.
+
+Hijgend en blazend knikt hij mij toe en neemt, ademloos tegenover mij,
+op een stoel plaats. Eindelijk puft hij:
+
+"Benauwd warm vandaag, meneer! 28° in de schaduw, 't zal in de zon wel
+32° wezen--neen! zoo'n hitte geef ik present; met zulk weer is 't in
+Wiesbaden niet uit te houden--dan is 't hier precies een ketel, een
+braadpan...."
+
+"De mensch is toch nooit tevreden; verleden week, toen we elkaâr
+toevallig aan tafel ontmoetten, pruttelden wij om 't hardst over den
+regen."
+
+"O! maar toen was 't óók niet om uit te houden; zoo'n regenachtige dag
+hier, is om dood melankoliek te worden, dan nog liever 28° in de
+schaduw. U is zeker ook hier gekomen om lucht te zoeken?"
+
+"'t Was mij te warm in mijn kamer, ze ligt vlak tegenover den
+Kochbrunnen en heeft den geheelen dag zon...."
+
+"Een lief plekje hier op den Neroberg, prachtig uitzicht."
+
+"Heerlijk! 'k heb 't al wel twintigmaal gezien, maar telkens ga ik er
+weer naar toe.--Zouden we niet wat verder gaan zitten? 't Wordt hier al
+weer te zonnig onder de veranda; in de schaduw is het beter...."
+
+"Laten we dan gaan verzitten, mijnheer!"
+
+"Best.--Kellnèr!--'t Is hier onder de veranda waarlijk nog benauwder, 't
+schijnt wel alsof de hitte hier nog meer hangen blijft.--Kellnèr!--Wat
+zijn die kellners lui vandaag."
+
+"'t Is ook zoo warm, moet u denken--je kunt het die menschen haast niet
+kwalijk nemen.--Ah! daar komt er een.--allemachtig wat transpireert die
+vent!"
+
+"Sie wünschen?"
+
+"Bringen Sie mir eine halbe Rauenthaler...."
+
+"Goeie hemel, drinkt u Rijnwijn bij die hitte?"
+
+"Waarom niet?..."
+
+"Rijnwijn maakt zoo warm.--Bier is veel beter...."
+
+"Bier? Wie viel, zwei Glas?"
+
+"Bier neen! daar wordt je eerst recht benauwd en opgezet van...."
+
+"Eigenlijk heeft u gelijk. Haben Sie Selterswasser?"
+
+"Gewiss! künstliches und echtes."
+
+"Bringen Sie mir eine Flasche Selters, echtes, aber recht kalt."
+
+"Mir auch! und etwas Eis dazu."
+
+"Schön--"
+
+ "In einem kühlen Grunde
+ Da geht ein Mühlenrad,
+ Mein Liebchen ist verschwunden
+ Dass dort gewohnet hat"
+
+zingt uit de verte een frissche heldere stem.
+
+"Hoe is 't mogelijk dat iemand bij zoo'n hitte van "einem kühlen Grunde"
+kan zingen--'t klinkt als een parodie op de 28°."
+
+Met zijn jas over zijn stok, zijn stroohoed aan het élastiekje over den
+anderen schouder hangend, nadert de jeugdige zanger, gevolgd door twee
+andere blonde Duitschers. Hun vesten hangen open en de veelkleurige
+bretels zijn zichtbaar. De drie gezichten glimmen en van een hunner, een
+dikkert, die bepaalt 90 kilo weegt, zweemt de gelaatskleur naar 't
+violet.
+
+"Bier her!--Bier her! Oder ich fall um--" hijgt de zanger, terwijl hij,
+niet ver van ons, met zijn makkers plaats neemt.
+
+De kellner brengt ons Selters water.
+
+"Wünschen Sie auch etwas zu speisen?"
+
+"Eten, bij die hitte?" ik zie mijn vis-à-vis aan; hij mij.
+
+"Eten?--ik stik als 'k er aan denk."
+
+"Geef me water.--Hé! dat smaakt--dat is lafenis!"
+
+Nu krijgt ook het drietal bier en in één teug ledigen zij de glazen,
+terwijl zij met de lippen smakkend eenparig uitroepen: "Bringen Sie
+gleich noch drei Gläser."
+
+"Und etwas Göttinger Wurst dazu?" roept de dikkert den kellner na.
+
+Goeie Hemel, worst bij zoo'n hitte; ... de gedachte aan worst maakt me
+onwel. Dat Selterwater is overheerlijk.
+
+"Drink niet te snel mijnheer. 't Water is ijskoud."
+
+"Heerlijk!" hij smakt met de lippen--"verrukkelijk!"
+
+Een pauze.--
+
+De Germanen trekken hun vesten uit--en bestellen nog meer bier.
+
+"#Puff#!--ik geloof dat men van dat water nog warmer wordt.--'t Is
+eigenlijk gekheid om bij deze temperatuur op den Neroberg te gaan
+zitten.--Ik had wel lust om even naar Biebrich te sporen en dan dood
+kalm en rustig aan den Rijn te gaan uitblazen. Gaat u meê"
+
+"'t Is geen kwaad idée; heeft u een spoorboekje?"
+
+Er gaat een trein om kwart voor twaalf. Dien kunnen wij nog best halen,
+wanneer we nu dadelijk opstappen en de tram nemen van Beausite af."
+
+"Komaan! dan vooruit!"
+
+Wij betalen onze vertering en dalen langzaam den berg af.
+
+Heerlijk schoon is het bosch ... maar warm, ontzettend warm. De
+beukeboomen beschutten niet meer voor de zonnestralen, ze zijn er als 't
+ware door verzadigd en geven nu op hun beurt weer een gedeelte der
+opgenomen hitte af. Toch is 't niet zulk een benauwde warmte als onder
+de veranda, want 't hout geurt en hier en daar op een open plek, komt de
+fijne reuk van pas gemaaid hooi ons te gemoet.
+
+Onder de veranda rook het naar uien.--Bah!--die eeuwige uien in
+Duitschland zijn onverdragelijk--en vooral bij 28° in de schaduw is
+Zwiebelgeruch verfoeielijk.
+
+"'t Afdalen is ook niet verfrisschend, mijnheer."
+
+"Ik weet waarachtig niet wat 't ergste is. 'k Ben _en nage_."
+
+"Kijk! daar loopt een eekhoorn."
+
+"Waar?"
+
+"Over den weg--dáár! dáár! hij gaat tegen den dikken beukeboom op--'t is
+heusch of het diertje 't meer op zijn gemak doet dan anders."
+
+"'t Zal het ook warm hebben."
+
+We volgen een oogenblik met de oogen den vluggen klimmer, die eindelijk
+op een vooruitstekenden tak, hoog boven ons, met den staart omhoog
+blijft zitten en ons met zijn kleine schrandere oogjes aankijkt alsof
+hij zeggen wil:--"Ik lach jelui uit, ik zit hier lekker tusschen de
+bladeren en ik heb 't lang niet zoo warm als je wel denkt."
+
+'t Is buitengewoon stil in het bosch, geen vogel tjilpt, het schijnt wel
+alsof ze slapen, een enkele spreeuw vliegt even op tusschen het
+kreupelhout, gaat een eindje verder weer zitten en pikt onbekommerd over
+onze nabijheid in zijn vleugels.
+
+Een oud moedertje met een ontzettend grooten bos dood rijshout op het
+hoofd, kruist onzen weg, ziet ons, haar tandeloozen mond tot een
+vriendelijken grijns vertrekkend, aan, strekt de magere hand uit en
+vraagt: "Lieber Herr! schenken Sie mir etwas, bitte?"
+
+"Groote Hemel, bij 28° hitte met een vracht hout op 't hoofd, 't is om
+medelijden te hebben. Daar moedertje."
+
+"Segne's Gott lieber Herr!"
+
+In de verte hooren wij de schel van de tram.
+
+We bereiken haar nog juist, en vinden, vóór bij den koetsier, een
+plaatsje.
+
+"Verkwikkelijk zoo'n ritje."
+
+Heerlijk blaast ons de lichte wind, door 't voortrollend voertuig
+geboren, in 't gelaat, maar och! die arme paarden, ze zijn eigenlijk
+bruin van kleur, af neen! de eene is een vos, maar ze zien tot bijna
+over de helft van hun lichaam zwart; zwart door de vochtigheid, die met
+ongestemde kracht uit hun huidporiën dringt. De conducteur glimt als een
+tomaatappel, als hij uit het binnenste van de tram komt om ons geld in
+ontvangst te nemen.
+
+Nu en dan schuift een der ongelukkigen, die binnen-in zitten, de deur
+achter ons open, om in 's hemels naam een aasje verlichting te hebben,
+maar telkenmale doet een hoestend, uitgedroogd, lederachtig mannetje de
+deur weder dicht, met de opmerking, dat hij geen tocht verdragen kan, en
+dat 't waarlijk niet zoo erg warm is.
+
+Juist bijtijds bereiken wij het station, nemen kaartjes en stappen in de
+2e klasse.
+
+"Groote hemel, meneer! dat's positief niet uit te houden, dat's erger
+dan een bakkersoven," roept mijn reismakker uit, als hij 't portier van
+een "Nichtrauchercoupé" opent.
+
+Geen wonder; de zon heeft met volle kracht op den stilstaanden wagen
+geschenen en de warmte daarbinnen minstens met 8° of 10° verhoogd; 't is
+alsof de hitte van een gloeiende kachel ons tegemoet komt.
+
+"Ziet u wel meneer dat ik gelijk had om u te raden 3e klasse te nemen;
+bij deze temperatuur is...."
+
+"Einsteigen meine Herren!"
+
+"Wir wollen lieber dritter Klasse fahren!"
+
+"Alles besetzt, einsteigen bitte!"
+
+In 's hemels naam dan. Wij stappen in, steken ieder ons hoofd uit een
+der portieren, en rijden weg. We herademen, maar moeten onze hoofden
+terugtrekken, omdat onze oogen niet tegen zooveel stof bestand zijn.
+
+"Die Billette, gefälligst?"
+
+Een Duitsch conducteur zal steevast bij 2e klasse passagiers
+bovenstaande drie woorden gebruiken. Voor de 4e klasse bezigt hij alleen
+het woord "_Billette?_" In de derde klasse hoort men van hem "_Die
+Billette?_" terwijl hij bij 1e klasse passagiers vriendelijk vraagt:
+"_Bitte gefälligst Billette vorzuzeigen?_" Bij hem staat het aantal
+woorden dat hij gebruikt steeds in omgekeerde rede tot het No. der
+klasse waar hij zich bevindt.
+
+Eindelijk zijn wij te Biebrich. Heerlijk, verkwikkend kabbelt de Rijn;
+verrukkelijk tintelt de zon in het water. Gartenwithschaft van 't Hotel
+"Zur Krone" vinden we een koel plekje.
+
+'t Is toch nog warmer geworden, want de zon staat in 't zenith, maar de
+koelte van 't water reageert tegen de zonnestralen. Mainz ligt links van
+ons, als in een lichten nevel gehuld. Het is alsof de lucht trilt van de
+hitte. De groene bergen aan weerzijden van den oever verkwikken ons oog.
+Wij herleven.
+
+We moeten iets gebruiken, want de kellner nadert en vraagt beleefd:
+
+"Sie wünschen?"
+
+Wij nemen koffie--heete koffie!--'t is homéopatisch; waarlijk de koffie
+maakt ons niet warmer. Een paar kleine bengels van 10 of 12 jaar gaan
+vlak voor ons op hun hoofd staan en loopen op hun handen heen en weer,
+terwijl ze de naakte voeten omhoog steken.
+
+Daar krijgen we het beiden bepaald benauwd van--verbeeld u eens, in de
+middaghitte van een dag, die 's morgens om halfelf reeds 28° in de
+schaduw had, op 't hoofd te staan; 't is om er een beroerte van te
+krijgen, alleen door het te zien.
+
+We werpen hun wat geld toe en de jeugdige acrobaten verdwijnen, om
+elders weer te beginnen.
+
+Wat is dat voor een boot, kelner? die daar van den kant van Mainz komt?"
+
+"Dass ist der Lokaldampfer der nach Rüdesheim fährt!
+
+"Naar Rüdesheim?
+
+"Jawohl."
+
+"Wie lange dauert die Fahrt?"
+
+"Ungefähr anderthalb Stunde."
+
+"Wat zou u er van denken," vraagt plotseling mijn reisgenoot, "indien we
+eens naar Rüdesheim stoomden--'t moet heerlijk zijn op 't water--we
+kunnen vanavond met 't spoor nog wel driemaal terug."
+
+"Jongens meneer! we zitten hier zoo kalm en lekker."
+
+"Ja maar op zoo'n boot is 't toch nog lekkerder, zoo midden op 't water,
+daar bekomt men. Als u er niets tegen hebt dan zou ik wel willen."
+
+"Met pleizier! ik ga mee...."
+
+Vijf minuten later zitten we op den Lokaldampfer en stoomen stroomaf
+naar Rüdesheim. 't Is vol op de stoomboot, tevergeefs zoeken we naar een
+aangenaam plaatsje onder de zonnetent.
+
+Rustig vervolgt zij haar weg, door het blauwe water. De raderen wentelen
+onvermoeid voort en zweepen het schuim met kracht aan beide zijden
+omhoog. Nu en dan steunt en dreunt de boot, die niet van de nieuwste
+constructie schijnt, als viel het haar zwaar, bij de heete temperatuur,
+die zelfs op 't water heerscht, haar plicht te doen.
+
+Soms blaast de schoorsteen plotseling hoestend en proestend een zwarte
+rookmassa uit, die over 't water blijft hangen en op onze gezichten
+zwarte moesjes plakt, die door de zweetdruppels veranderen in plekken,
+veel overeenkomst hebbend met inktvlakken.
+
+De Rijn is buitengewoon kalm en rustig, en het eenige levensteeken dat
+hij geeft is een lichte rimpeling van zijn oppervlak, als hinderde het
+hem door het dampend en snuivend gevaarte te worden gestoord in zijn
+zacht gekabbel.
+
+Een bonte menigte passagiers zitten, liggen en hangen op de banken,
+taboeretten en stoelen op het dek.
+
+Allen zuchten, want niettegenstaande de boot vrij snel stroomafwaarts
+snelt, brandt de zon geweldig en puffen allen van de warmte, terwijl ze
+hun heil zoeken onder de zonnetent, de eenige plaats op het schip, waar
+schaduw is.
+
+'t Is nu bepaald 32° warm, want we hebben de volle middagzon.
+
+Alles transpireert aan boord; de kapitein, de passagiers, de stuurman
+aan 't roer, de kelner die met zijn servet over den arm tusschen de
+reizigers heen en weer draaft, ja zelfs de planken van het dek zweeten
+een kleverige vloeistof uit haar naden.
+
+Met innig medelijden zien wij de stokers aan, die beurtelings uit de
+machinekamer opduiken om een mondje vol lucht te scheppen.
+
+"'t Is of 't gezicht van die zwarte kerels iemand nog warmer maakt!"
+zegt mijn reisgenoot.
+
+"Bepaald, ik geloof zelfs dat zij hitte afstralen."
+
+De kok kijkt met een gezicht als een pioen uit zijn kombuis. Zijn wit
+buis is door en door vochtig, dat zien wij als hij ons den rug toedraait
+om naar zijn pan met kalfscoteletten te zien.
+
+Hoe is 't mogelijk om bij zulke hitte warme kalfscoteletten te
+gebruiken, vraag ik mij zelf af, als ik zie dat de kok met onnavolgbare
+snelheid de eene cotelet na de andere bakt, uit de pan pikt en met zijn
+niet overzindelijken duim en wijsvinger op de schaaltjes rangschikt.
+
+'t Is om er wee van te worden. Wanneer men de oogen sluit en den
+twijfelachtigen geur opsnuift, weet men waarlijk niet _wat_ men ruikt,
+want door de temperatuurhitte en noodzakelijke verhooging van 10° door
+de warmte van het fornuis, ruikt alles even vies, scherp en branderig.
+Ik geloof haast dat de vettige lucht der ranzige olie, die gebruikt
+wordt om de assen en krukken der machine te smeren en die uit het luik
+der machinekamer tot ons komt, nog de voorkeur verdient.
+
+Onder de zonnetent praat iedereen over de hitte.
+
+De een blaast naar links, de ander naar rechts, onophoudelijk zijn de
+zakdoeken en hoeden in de weer om koelte aan te brengen door er mee te
+wuiven. Gelukkig zij, die een waaier heeft.
+
+"Entsetzlich heiss!" roept een bejaarde dame.
+
+"Kolossal, piramidal!" schettert een luitenantje.
+
+"Unausstehlich, fürchterlich!"--zucht een jong meisje met een hoed à la
+Kate Greenaway op--en beschut door het reuschachtige gevaarte, dat haar
+lief jong gezichtje niet al te bevallig omgeeft--maakt ze ter sluiks een
+knipoogje tegen een heer, die tegenover haar, met een monocle in 't oog,
+onophoudelijk aan zijn scherpgepunte knevels draait.
+
+Hij is "de Hij"--van die Zij.
+
+'t Is haast te warm om verliefd te zijn, maar wat vraagt Amor naar
+graden Celsius of Réaumur of Fahrenheit.
+
+Hoe warm het ook moge zijn, hoe zeer ook het kwik in den Thermometer
+stijgt, toch zijn er op de boot twee wezens, wier harten een hooger
+warmtegraad aanwijzen.
+
+Bovendien, dat er op een Lokaldampfer met zulk een menigte passagiers
+een Hij en een Zij gevonden worden, is niet meer dan natuurlijk.
+
+En welk een Hij! Verrukkelijk gepomadeerd trotseert zijn glimmende
+haardos hitte en zweetdroppels. Een heerlijke hyacintkleurige das
+begrenst een schitterend wit boordje (ik geloof vast dat de man het pas
+heeft aangedaan). Een prachtig wit vest waarop 't zwarte koordje van
+zijn oogglas scherp afsteekt, strijdt èn door snit èn door fijnheid om
+den voorrang met een lichtgrijs jacquet en een bijna hemelsblauwe
+pantalon, die zijn beenen nauw omsluit.
+
+Onafgebroken staart hij door het lorgnet zijn schoone aan; wel glijdt
+het glas nu en dan uit zijn oog door de glibberigheid van zijn
+huidplooien, maar telkens doet hij het instrument zijn plaats hernemen
+en onvermoeid tuurt hij naar 't knipoogend meisje.
+
+En zij!--Zij bloost van warmte en verliefdheid.
+
+Haar teere vingertjes in glacé, gris-perle geperst, spelen met een
+roosje, dat half bezwijmd aan den dunnen stengel hangt. Een licht grijs
+kleedje omsluit haar wespentaille en doet haar verdere bekoorlijkheden
+alle recht wedervaren. Naast haar dommelt een individu met een
+kanariegele, veel te wijde pantalon en een lustren jasje aan, dat hem
+als een zak om 't lijf hangt. Zijn stroohoed rust op zijn knieën en zijn
+handen hangen slap langs zijn omvangrijk lichaam.
+
+Dikke droppels parelen op zijn voorhoofd en zelfs zijn kale schedel is
+als met een zachten dauw overtogen--terwijl langs zijn breeden, dikken,
+rooden neus een dun waterstraaltje afloopt.
+
+Plotseling laat de man zijn dikke onderlip zakken, zijn neusgaten worden
+wijder en een geluid als 't zuchten van een nijlpaard doet de jonge
+schoone opschrikken uit de mijmerende beschouwing van haar "hij".
+
+Met een niet zeer lieve uitdrukking op haar gezicht stoot zij den naast
+haar zittenden man aan met de woorden.
+
+"Aber Papa!"
+
+"Hé was ist?"
+
+"Du scharchst ja!"
+
+"So ja! 's ist auch so verdammt heiss."
+
+"Aber Papa?"
+
+Papa doet alle mogelijke moeite om wakker te blijven, maar de natuur
+eischt haar recht, en trots alle "aber Papa's" van de jonge dame en de
+min of meer spotachtige aanmerkingen van den monocledrager, dommelt de
+brave man telkens weer in, tot dat we Rüdesheim naderen.
+
+Ik haak naar het oogenblik, dat we zullen landen; mijn reiskameraad doet
+niets dan blazen en zich 't gelaat afvegen. Als wij eindelijk den voet
+op de loopplank zetten, zegt hij:
+
+"'k Geloof dat we toch wijzer hadden gedaan, om kalm te Biebrich te
+blijven; dat watertochtje is mij niets bevallen."
+
+"'k Ben 't met u eens; we hadden 't daar goed, maar we haakten naar
+beter."
+
+De boot stoomt verder.
+
+Wij zoeken in den tuin van 't hotel "Zum Rhein" een schaduwrijk plaatsje
+aan den Rijnkant, drinken overheerlijk koelen Rüdesheimer en als 't
+langzaam avond wordt, lachen wij om het denkbeeld dat wij bij 28° in de
+schaduw, op een "Lokaldampfer" koelte zochten.
+
+
+
+
+DE LAATSTE DER OEMPAH'S
+
+
+'t Begint al meer of min te schemeren, de lucht is donker en zwaar van
+buien, langzaam uit 't Zuidwesten opkomend, nu en dan sneller
+voortgestuwd door den wind, die soms met een plotselingen stoot
+henenvaart tusschen de hooge huizen en spichtige schoorsteenen der
+groote stad, enkele dikke druppels en sneeuwvlokken voor zich uit jagend
+als de voorboden van ruw, koud weer.
+
+'t Wordt allengs donkerder--op enkele plaatsen in de tochtige stegen en
+sloppen, waar de oude, bouwvallige, kille huisjes, als bij elkander
+steun en warmte zoekend, zich opèèndringen, schemert reeds roodachtige
+lampenschijn door de stoffige ruiten en gore gordijntjes, waarachter
+arme menschen huiverend en hongerig hun leven vol zorg, in doffe
+onverschilligheid voortleven.
+
+Uit een dier smalle steegjes, uit een huis waarvan de trapdeur nooit
+gesloten wordt en waarin een aantal huisgezinnen opeengepakt zijn, is
+hij langzaam, moeilijk loopend, bijna hinkend te voorschijn gekomen, de
+ongelukkige Oempah!
+
+Hij is gewond, hij bloedt nog, want gisteren heeft hij in een potscherf
+getrapt, toen hij vluchten moest voor zijn vijand den politieagent. Zijn
+schoenen beschermen zijn voeten niet meer, ze zijn gescheurd en
+versleten en bedekken nauwelijks de grove wollen sokken vol gaten.
+
+Treurig sluipt hij voort over de glibberige straat.
+
+Hij, die eens een fiere krijger was, die, trotsch en moedig een
+brieschenden schimmel bereed, hij sukkelt nu langzaam verder met
+knikkende knieën en met gebogen hoofd. Zijn moede, donkere oogen,
+waterig door alkohol en verkoudheid, staren dof en doelloos voor zich
+uit.
+
+Snuffelend haalt hij den rooden, kouden neus op en in zijn ongeschoren,
+reeds grijs wordende stoppel-baard rollen nu en dan een paar zilte
+tranen,--zóó erg heeft de arme Oempah het beet.
+
+Schurkend met de schouders en rillend--het grijs-groene, rafelige jasje,
+dat hij over zijn eenmaal rose sporthemd draagt, is, evenals zijn te
+korte geruite broek, veel te dun voor 't seizoen--schommelt hij een der
+minder bezochte hoofdstraten in. Onder zijn jasje, tegen zijn borst
+gedrukt, verbergt hij iets wat hem heel dierbaar schijnt te zijn, want
+hij drukt het met den linkerarm stijf tegen zijn hart en met de
+rechterhand voelt hij er nu en dan naar, als meende hij het te zullen
+verliezen. Zijn rechterbroekzak puilt geweldig uit door iets glimmends,
+dat hij telkens zorgvuldig met een pand van zijn jasje zoekt te
+bedekken.
+
+Hij is onrustig; schichtig ziet hij om terwijl hij voortgaat over de
+natte keien der groote stad, die hem, den vreemdeling, verstoot en
+vervolgt.
+
+Hij balt de vuisten, zijn lippen trillen en somber fronsen zich zijn
+dichte, nog donkere wenkbrauwen, als hij plotseling terugdenkt aan den
+tijd vóór hij zich bij den stam der Oempah's had aangesloten,--aan dien
+goeden tijd toen hij, de vrije zoon der bergen, jong en sterk, op zijn
+vurig ros gezeten, het oorlogspad opging en de jonge meisjes haar
+woningen uitkwamen om hem te zien en vriendelijk toe te lachen.
+
+Toen was hij nog rijzig en welgemaakt, schoon in zijn krijgsdos met den
+wuivenden vederbos op het hoofd, den fladderen mantel om de schouders!
+Toen was zijn oog helder en scherp als dat van den valk en als zijn
+krachtige adem in den krijgshoorn blies, weêrgalmden bosschen en velden
+van 't geluid en werden de echo's der bergen wakker. Jong en oud
+begroetten hem juichend als hij door de dorpen trok en overal bood men
+hem spijs en drank en de eereplaats bij het vuur. En toen hij het
+oorlogspad verliet, rieden enkele ouderen, wier grijze haren van
+wijsheid en kalmte getuigden, hem aan, zich bij hen te vestigen, een
+vrouw te kiezen en rustig in hun midden te blijven en te leven van
+akkerbouw en veeteelt,--maar hij wilde niet, hij had nog te veel wilde
+haren, daarom sloot hij zich aan bij een stam Oempah's, die een zwervend
+leven leidden. Zijn oorlogsdos verwisselde hij voor het kleed der
+Oempah's, een groenachtige fantasieuniform met geel katoenen passanten
+op de schouders en glimmende koperen knoopen. Hij zette een platte,
+groene pet op, zonder klep, met een geel biesje er om en een kleine rood
+en zwarte kokarde er aan. Zijn beenen omkleede hij met een witte broek,
+die, ofschoon meestal bemodderd en beklonterd, toch niet gescheurd was,
+en aan zijn voeten droeg hij groote lederen schoenen met sterke
+bespijkerde zolen.
+
+In plaats van in den krijgshoorn blies hij nu op een halfsleten cornet à
+piston--onwillekeurig drukt hij de hand tegen de borst, ze rust daar
+thans nog; zij is hem trouw gebleven ook in zijn verval.
+
+Hij herinnert zich hoe hij haar kocht van den hoofdman der Oempah's, die
+den stam verliet om zich ergens in een klein dorp als schoenmaker te
+vestigen, omdat hij begreep dat er meer brood in 't lappen en maken van
+schoenen, dan in 't blazen van wals, potpourri of marsch stak.
+
+Met die "cornet" nam hij tegelijk het bevel van den troep over en
+terwijl hij nu, rillend van kou en met een bonten kiespijndoek om 't
+hoofd onder zijn roodzwart, rond hoedje, sukkelig, armzalig verder gaat,
+komt zijn geheele bende hem weer voor den geest. Onwillekeurig glimlacht
+hij even als hij ze plotseling in gedachten voor zich ziet: de lange
+magere, sproeterige klarinettist met den rossigen sik en den blauwen
+bril; de breedgeschouderde, dikbuikige, roodwangige, blonde reus, die 't
+piccolo-fluitje zoo schel bespeelde; de altijd opgeruimde, goedmoedige,
+bijziende snorrebaard met zijn schuiftrompet; de scheefgegroeide
+vlasblonde boerenkinkel die melancholisch in den waldhoorn blies en het
+allerkleinste Oempah'tje, bijna bezwijkend onder 't gewicht van den
+grooten bashoorn, waarmeê hij de andere instrumenten begeleidde door het
+onophoudelijk, blazend en hijgend uitgestooten: Oempah--Oempah--Oempah!
+
+Toen had hij geen gebrek aan brood en bier, àl leefde hij ook van den
+eenen dag op den anderen, toen sliep hij soms op een bed, soms in een
+hooiberg of op versch gedorscht stroo in een schuur--maar hij sliep
+rustig en met een gevulde maag ... en nu? Nu is hij de schim van 't geen
+hij eens was.
+
+De groote stad is zijn ongeluk geweest. Hij had dáár nooit moeten komen,
+ten minste er niet moeten blijven, maar zijn noodlot in de gedaante van
+een dikke, overvriendelijke en al te toeschietelijke vrouw, die in een
+der buitenwijken een welbeklante tapperij hield, had hem bereikt--en
+vastgehouden. Zij beweerde een hartstochtelijke liefde voor muziek te
+hebben, terwijl haar flegmatieke man tegen zijn buren volhield; "dat het
+meer de muzikant was, die haar aantrok en dat de Oempah #zijn
+onversneden# in zijn dorstige moffenkeel goot, omdat "de vrouw" zei
+dat hij er niets voor #mocht# betalen, maar dat 't hèm niet schelen
+kon, als ze hem maar met rust lieten." Intusschen togen de andere
+Oempah's, minder gevoelig voor de aanmoedigende blikken der bazin en den
+Hollandschen jenever, verder onder aanvoering van den klarinettist, die
+de cornet nooit had kunnen lijden omdat hij zijn instrument
+overschetterde.
+
+De Oempah hield van zijn gemak en bleef dus bij de vrouw, die hem in
+haar vleezige armen en bij haar steeds welvoorziene tapkast
+vasttooverde.
+
+De baas uit de "Visschende reiger", een dikke waterzuchtige man, die,
+altijd rookend, op zijn gebloemde pantoffels en in zijn overhemd en
+bretels, in het kleine tuintje achter de tapperij stond te soezen over
+'t voortreffelijke van zijn eigen consumptie en elken dag
+onverschilliger, rooder en opgezetter werd, was eindelijk
+schouderophalend zijn vriend geworden om met "de vrouw" vrede te houden,
+daar hij den toestand zóó 't gemakkelijkste vond. Zóó deelde de Oempah
+geruimen tijd met het echtpaar de woning, waarin de "onversneden" hem
+allengs beter en de vrouw hem langzaam aan minder beviel.
+
+Toch bleef hij, omdat de bazin hem 't leven, "lui en lekker" maakte en
+niet op een paar gulden keek--totdat eensklaps de wettige man te dik was
+geworden voor zijn zwak hart, niet meer rookte en de gebloemde
+pantoffels voor een paar oude wollen kousen en 't uitpuilend overhemd
+voor een doodshemd verwisselde.
+
+Een begrafenis derde klasse, niet veel bijzonders, vooral wanneer er
+maar één volgkoets is, waarin slechts één vriend zit, doch er bleef in
+de toonbanklade en in de linnenkast van "de vrouw" wel zóóveel over dat
+zij een paar maanden nadat de Oempah haar man de laatste eer had
+bewezen, een mooien trouw-coupé kon laten voorrijden voor dezelfde deur,
+waarvoor de eenvoudige lijkwagen had gestaan.
+
+De bazin met al haar goud behangen, en fluweelen mantel om, een toque
+met roode rozen en oranjebloesem op 't hoofd, en de Oempah in het voor
+hem pasgemaakte zwart lakensche pak van wijlen den baas en met een
+nieuwen hoogzijden hoed op, stapten er in en kwamen terug als
+echtelieden, die voortaan lief en leed zouden deelen.
+
+De habitués van de "visschende reiger" werden dien dag bij gesloten
+deuren onthaald, totdat al de flesschen leeg en de zingende, joelende
+menschen overvol waren en toen de laatsten, midden in den nacht waren
+weggezwaaid, wisselden de echtgenooten de eerste klappen.
+
+Jenever is een eigenaardig vocht, 't verteert op den duur alles wat er
+mede in aanraking komt, zelfs een weldoortimmerd eigen huisje is er niet
+tegen bestand, en vooral wanneer echtelieden eendrachtig samenwerken in
+'t gebruik, doet zij haar werking dubbel snel. Binnen korten tijd
+benijdde de Oempah den man, die de eeuwige rust was ingegaan en zei de
+vrouw in arren moede: "Jij bent een doodvreter. Hoepel op, beroerde mof,
+ga terug naar je land voor mijn part!"
+
+Maar de mof hoepelde niet op, hij bleef en verzoende zich kalmpjes met
+de bazin, die dezelfde uitnoodiging nog herhaaldelijk tot hem richtte,
+maar toch telkens weer verteederd in zijn armen zonk, omdat hij toch
+"zoo'n leuk moffie" was als hij 'm niet om had--en hij vond haar,
+zoolang ze nog geld bezat, zoo kwaad niet, al zeiden de buren ook: "Ze
+pakt 'm van tijd tot tijd zóó, dat 't zonde en schande is om te zien!"
+
+En zóó leefden zij samen voort, in één roes, in één huis, totdat alles
+wat er nog was en alles wat er nu en dan inkwam, zich oploste in het
+vocht, dat volgens het zeggen der habitués: "niet voor de ganzen wordt
+gebrouwen."
+
+De eigen tapperij was reeds lang verlaten voor een kleine gehuurde
+kroeg, waar minder te doen en dus nog meer te drinken was en vóór het
+gras 't graf van den gestorven man geheel bedekte, togen de vrouw en de
+Oempah ook daaruit naar een achterbuurt van de stad, elkander de schuld
+gevend van hun verval, schimpend en scheldend, 't toeval verwenschend
+dat hen samen had gebracht.
+
+Er is iets zonderlings in de menschelijke natuur, waarvoor de
+psychologen nog geen verklaring hebben gevonden, namelijk het bij
+elkander blijven van lieden, die feitelijk, zooals men het vulgair
+uitdrukt: elkander niet kunnen luchten of zien. Zelfs minder
+ontwikkelden merken dit eigenaardige verschijnsel op, want in het
+buurtje, waar de vrouw met haar Oempah woonde, zeiden de menschen:--"Je
+zou zeggen, hoe is 't mogelijk, ze leven als hond en kat, ze spelen
+mekaar voortdurend op d'r tabernakel--en toch blijven ze samen, die
+moffenmuzikant en dat dikke ouwe wijf!"
+
+En zóó was het ook: deelden ze vroeger min of meer oneerlijk "de
+centjes" van den ter rechter tijd ontslapen man, nu deelden ze eerlijk
+armoede en ontbering, af en toe door een hartige ruzie wat afwisseling
+brengend in hun eentonig bestaan.
+
+De vrouw was eindelijk, waarschijnlijk tengevolge van overspanning bij
+de herhaalde verschillen van meening met haar echtgenoot, aan ééne zijde
+ietwat lam geworden en de Oempah had zijn "embouchure" niet meer zooals
+vroeger tot zijn dienst; hij had een paar tanden verloren en de cornet à
+pistons was te lang op non-activiteit geweest.
+
+Dat instrument, 't eenigste voorwerp wat niet in de jenever was
+opgelost, moest nu weer voor den dag komen om "brood te blazen" voor hem
+en zijn vrouw, "want," zei hij gemoedelijk, als hij niet in kennelijken
+staat verkeerde:
+
+"Je kan zoo'n sjepsel, kottorie! doch nich verhoengeren lassen. 's Ist
+woll ein salamander von 'n wijf, maar sie hèbt doch ein maag, wissen
+sie? Al hangt d'r eine vlerk d'r voor niemendal bij, sie shaff noch
+zoo'n bischen, oend früher, als sie noch moneten hatte, war sie
+schplendied. Daarom bin ich wieder in die koenst jegaan! Dan bekeek hij
+met zijn waterige, zwakker wordende oogen zijn instrument, poetste met
+zijn mouw den beker er van wat op, haalde een paar malen lucht heen en
+weer door 't enkele mondstuk en blies dan, als om zich te oefenen, een
+fanfare of een aantal schelle maten, die schetterend stuksloegen tegen
+de brokkelige muren van het nauwe steegje en dan de gebarsten
+vensterruitjes deden rinkelen, zoodat de buren nijdig hun hoofden uit de
+lage deuren en vensters staken, elkander toeroepend: "daar begint die
+sikkere muziekmof weer met z'n valsch getoeter!"
+
+In het geheele buurtje stond hij bekend onder dien naam; zijn vrouw
+heette: "de muziekmoffin." Hoe hun eigenlijke namen waren had men hun
+nooit gevraagd; in zulke omgeving kent men elkander meestal alleen bij
+den bijnaam, dien de een of ander spontaan uitdenkt.
+
+Het bijvoeglijk naamwoord "sikker" dankte hij aan zijn voortdurenden
+staat van geheele of gedeeltelijke onbekwaamheid en de
+schoenlappersvrouw, die 't keldertje van 't hoekhuis bewoonde, getuigde
+van hem: "Zoo'n model heb je nooit eerder gezien--mijn man is ook
+dikkels in de olie--maar als ik met zoo'n vette vaatdoek permanent most
+huizen liep ik liever vierkant de wal in." Toch mocht men hem soms wel
+lijden, namelijk wanneer hij een goeie bui had en voor de kinderen in de
+steeg een dansje blies.--"'t Is wel mankelieke muziek, maar de schapen
+springen d'r nog 'ris bij, want orgels komen hier niet; de orgeldraaiers
+binnen te veel granssinjeur en ze kennen met d'r orgels de steeg ook
+niet in," beweerde een oppermansvrouw, die, op dezelfde trap wonend, de
+muziekmoffin wel eens bezocht en daarom er bij voegde: "'t Is een kalf
+van een vent als ie nuchter is, maar zijn vrouw is een nijdige vuilik,
+een sloerie; geen blind paard doet schade in d'r lui kamer."
+
+Een tijd lang verdiende de Oempah een schamel stukje brood, door 's
+nachts in danshuizen of matrozenkroegen te spelen, maar ook dààr moet
+men muzikanten hebben waarop men rekenen kan en dat kon men op hem niet.
+Daarom vond hij ook zelfs in die gelegenheden geen plaats meer en begon
+hij weer zijn zwerftochten door de straten der groote stad, totdat er
+een stedelijke verordening kwam, die de straatmuzikanten buiten de veste
+bande.--Toch waagde hij het nu en dan, door den nood gedrongen, zijn
+cornet à piston te doen hooren. Kwam hij dan thuis, dikwijls zonder een
+cent op zak, dan klaagde hij zijn nood aan de muziekmoffin:
+
+"'s Ischt versjrikkelijk, die verfluchte polizei laat oens kein
+oogenblik mit rust, 's wirdt ein beroerder boel hier! Die miserable
+orjels, die moesiekmolens wo gar keine spoer von koenscht bei ischt,
+werden tolerrirt oend wir, die doch moesik stoediert haben, werden
+vervolgt; 's ischt sjande! Ach Kott, war dàs eine sjeene zeit als ich
+frisch aus Bayern herüber kam,--überrall hab' ich mit orfolg
+jeschpielt--aber hièr, pfoei!--Ich hatte nooit in Holland kommen
+sollen!"
+
+"En ik wou dat 'k jou nooit gezien had!" was de eenig troost, die hij
+van haar kreeg en vinnig voegde zij erbij: "Och leg toch niet te
+lammenteeren! Ruk liever weer op en ga blazen, we hebben geen krummel
+meer in huis--en de flesch is ook leeg!"
+
+Had de Oempah, door hier en daar, voornamelijk in de buitenwijken, te
+spelen, wat klein geld opgehaald, dan--'t zij hem ter eere gezegd, had
+hij de beste voornemens, en kocht "brot oend woerscht für 's
+froumensch!" liet 't netjes inpakken en bracht een en ander ook
+werkelijk thuis, wanneer hij de verleiding weerstond, om hier of daar
+even in te wippen "oem ein paar auf die lampe zoe jiessen."
+
+'t Scheen wel alsof het noodlot hem telkens weer in de tapperijen der
+buitenwijken voerde, want juist dáár voelde hij zich "gemüthlich"--dáár
+was hij een gaarne geziene gast. Hij kon zoo aardig vertellen in zijn
+gebroken Duitsch met Beiersch accent. Hoe hij bij "'s militair, bei der
+cavallerie stand," hoe hij trompetter was geweest bij de Huzaren en hoe
+hij later "durch talent oend verdienst erster pistonist" geworden was
+bij 't muziekcorps.
+
+Hij kende allerlei vroolijke soldatenliedjes en voor één borrel blies of
+zong hij er met zijn schorre stem wel drie. De groenteboeren en venters,
+die de kroegjes waar hij kwam bezochten, kenden den "leuken
+blaasmof"--zoo heette hij dáár--allen en vermaakten zich met hem als hij
+op de kentering van nuchterheid en kennelijken staat, allerlei dwaze
+verhalen opsneed of op zijn cornet populaire deuntjes blies, totdat hem
+de borrel werd geschonken, die den doorslag gaf. Dan kreeg hij een
+oogenblik van mélancholie, smeet zijn instrument op of onder een stoel,
+trok zijn ouden ronden hoed diep in de oogen en beweerde half grienend,
+dat hij eigenlijk een "verdammter jemeiner schweinhoend war" en dat hij
+gevoelde, dat aan hem een "groot kunstenaar" was verloren gegaan. Somber
+voor zich uitstarend, 't geledigde glaasje in de hand, een afgekouwd
+eindje--hij accepteerde ook graag een sigaar--tusschen de lippen, bromde
+hij:
+
+"I bin 'n verlor'ner mann, aber schlecht bin i niet!"--en aan dengeen
+die 't hooren wilde, vertelde hij dan, dat hij altijd "ein lustiger,
+tüchtiger, braver kerl" was geweest, dat zijn talent, zijn kunst in zijn
+"Vaterland" genoeg bekend waren, maar dat hij nooit naar Holland had
+moeten komen omdat hij, wanneer "dass verdammte Weib hem niet an der
+verdammte Holländische sjenever had geholfen, bestimmt Musikdirector in
+Baireuth war geworden."
+
+Zijn droefgeestige bui duurde gewoonlijk niet lang.
+
+Als niemand zich over zijn dorstige keel ontfermde, liep hij de straat
+op, ging ergens staan blazen en keerde meestal terug in de kroeg,
+grabbelend in zijn zak, waar hij dan zooveel vond, dat hij zuchtend
+zeggen kon:--"Ich bin zoe misérabel--Hum!--'s ischt ein teufels trinken
+der sjenever, der mensch jeht dabei zoe groende mit leib oend seel, dass
+weiss er voraus--aber trinken moess er ihn doch! Sjenk mir in
+Kottesnamen nog 'ris in!"
+
+Met een huivering van genot dronk hij dan in één teug zijn glas uit,
+smakte met de lippen, likte met 't puntje van zijn tong het laatste
+druppeltje uit zijn knevelharen en schudde zich als een hond, die uit
+het water komt, heesch brommend: "Hè, hè dass thoet wohl, noen hin ich
+wieder ein mensch!"
+
+De Oempah vergat gewoonlijk, zoodra hij "ein mensch" werd, zijn
+dagelijksche ellende en werd weer grappig, zóó grappig zelfs, dat de
+boeren en aakschippers zich slap lachten over den "blaasmof", die niet
+alleen zulke vroolijke liedjes speelde, maar ook komieke boerendansen
+kende, waarbij hij jodelnd zong en met de vingers knipte.
+
+Maar al te dikwijls vergat hij echter ook in die oogenblikken de worst
+en 't brood, die hij bij zich had, liet ze in de herberg liggen of
+herinnerde zich later, als de borrels uitgewerkt hadden, dat hij alles
+zelf had opgegeten, om niet zoo gauw "doezelich" te worden.
+
+Dan wachtte de half lamme "muziekmoffin" te vergeefs op haar middagmaal
+en wist de Oempah zich, zoodra hij haar onder de oogen kwam, niet beter
+tegen haar rechtvaardige verwijten en aanvallen te beschermen, dan door
+opnieuw de deur uit te gaan en er uit te blijven, totdat hij, zooals hij
+'t noemde: "Woerscht oend brot wieder herausgepustet hatte!"
+
+ * * * * *
+
+In den laatsten tijd gaat het ellendig slecht met "die koenscht". Het
+politietoezicht is overal verscherpt. Straatmuzikanten worden nergens
+meer geduld en vooral op de Oempah's wordt steeds jacht gemaakt. Alleen
+de orgels hebben nog het privilegie om de arbeidzame burgers, die zitten
+te schrijven, te denken of te rekenen, razend te maken. De orgeldraaiers
+lachen in hun vuistje en wijzen elkander met leedvermaak den enkelen
+Oempah aan, die nog beproeft om aan het valkenoog der agenten te
+ontsnappen.
+
+Als een gejaagd hert zwerft hij door de straten en langs de
+grachten--zijn instrument verbergend zoo goed hij kan.
+
+Een blikslager heeft den beker voor hem #mobiel# gemaakt, zoodat
+hij dien afzonderlijk in zijn broekzak verstoppen kan, want overal loert
+op hem het verderf, uit elke straat of steeg, van iederen hoek der
+gracht dreigt de sterke arm des gerechts en toch #moet# hij "voor
+das fraumensch ergens in abendbrot zoesammenblasen."
+
+Bij voorkeur kiest hij daartoe, tegen het vallen van den avond, een der
+hoofdgrachten bij een straat en een brug; dan heeft hij altijd twee
+wegen, twee kansen om zijn vijand te ontloopen.
+
+Voorzichtig speurt hij rond, zijn mageren hals rekkend uit den
+groezeligen boord van 't sporthemd.--Geen agent is op de gracht vóór hem
+te ontdekken, achter hem evenmin. Ook de overkant is, zoover hij zien
+kan, veilig.
+
+Een paar passen terug gaande kijkt hij even de straat in, op de teenen
+staande; hij is vrij lang en kan dus een eind ver het terrein verkennen.
+
+Nergens dreigt gevaar--Wacht! nog even de brug op--ook in de andere
+straat ziet hij niemand; hij zal 't dus maar wagen.
+
+Haastig nu de gracht op; voor een groot heerenhuis, waar de gordijnen
+der zijkamer nog open zijn, blijft hij staan. Er zitten dames voor de
+vensters en daarom zet hij zich in postuur, één been vooruit, het
+lichaam rechtop.
+
+Terwijl hij nog even schichtig rondziet, haalt hij de cornet uit de
+borstplooien van 't sporthemd, den beker uit zijn broekzak en voegt
+beide stukken aaneen.
+
+--Pfuut! pfuut! pfuut!--even door 't mondstuk geblazen, de pistons een
+paar malen snel op en neer bewogen en hij is gereed.
+
+Hij begint te spelen en uit zijn instrument klinkt als uit de zeere keel
+van een versleten bariton, de sentimenteele melodie:
+
+ Ich kenn' ein Auge, das so mild....
+
+Zijn hoofd draait links en rechts, zijn oogen puilen angstig uit,
+terwijl hij verder blaast:
+
+ Und gläzend wie ein Sternenbild,
+
+Hij ziet snel achterom, dan weer voor zich, liefelijk voortkweelend:
+
+ Voll Huld auf mich hernieder sieht,
+
+Zijn gemoed wordt rustiger, want er komen allengs menschen en kinderen
+om hem heen staan en die waarschuwen wél als er gevaar op til is; zijn
+toon wordt smeltender als hij verder speelt:
+
+ Und mich hinauf zum Himmel zieht,
+ Dort prangt ein Stern so hell und rein--
+ Wie jenes Auges Sonnenschein."
+
+"Baas speel d' ris wat lolligs--dit is zoo'n drensdeun!" roept een
+jongen, maar een dienstmeisje, dat ook luistert, geeft hem een vinnigen
+duw en snauwt: "Hou je mond, aap! 't is wat 'n mooi duis liedje."
+
+"'t Is wat moois," lacht een kruier, "'t lijkt de overture van de
+bedroefde hond wel."
+
+"Kijk 'm z'n best doen!" giegelt een magere fabrieksmeid, "hij haalt 't
+uit z'n toonen op--z'n oogen rollen haast z'n kop uit!"
+
+De Oempah stoort zich niet aan de kritiek; hij raakt nu eerst goed op
+dreef, zet den linkervoet nog een eind vooruit, gooit 't hoofd meer
+achterover en slaat de oogen verrukt omhoog, want 't mooiste refrein
+komt nu:
+
+ Du liebes Aug, du lieber Stern,--
+
+Toch dwalen zijn blikken, als van zelf weer omlaag, links en rechts rond
+spiedend, als hij, de cornet sierlijk in de hoogte stekend, met diep
+gevoel de laatste maten begint:
+
+ Du bist mir nah und doch so fern,
+ Du liebes Aug'....
+
+"Muziekantje! d'r komt 'n smeris an in de straat," roept eensklaps een
+klein jongetje, dat met zijn groezelige handen op de rug staat te
+genieten van de mooie muziek.
+
+ ... Du lieber Sté-hé-ern
+
+gilt overslaand, als in doodsangst de cornet en met onnavolgbare
+vlugheid verdwijnt het instrument in des Oempah's sporthemd en zwelt
+zijn broekzak eensklaps door den beker, die halverwege zichtbaar blijft.
+
+De muziekant is dadelijk veranderd in een particulier, die met alle
+aandacht een aan den walkant staande kruierskar fluitend bekijkt, totdat
+de agent, die in den voorgeschreven pas de straat uit en de brug over
+wandelt, verdwenen is.
+
+'t Gevaar is voorbij!
+
+"De smeris is de brug over!" waarschuwt het ventje, dat veel van cornet
+á pistons schijnt te houden. "Uwe kan wel weer doortoeteren!"
+
+De Oempah heeft 't reeds opgemerkt--'t instrument is bliksemsnel weêr in
+orde en smeltend klinkt nu door de lucht:
+
+ Du bist mir na-áh und do-hô-och so fern!
+
+met een verbazend langen, mooien, bibberenden uithaal op de laatste
+halve noot.--
+
+Met een armoedig gezicht naar de dames in de zijkamer ziende, neemt nu
+de muziekant zijn hoedje af, als wilde hij zeggen: "ik heb waarlijk wel
+iets verdiend--voor mijn moed!"
+
+Men neemt daarbinnen echter nog geen notitie van hem--en slechts enkele
+omstanders geven een paar centen, waarvoor hij met een tikje van den
+rechter voorvinger aan 't weer opgezette hoedje bedankt. Dan begint hij
+opnieuw zoo liefelijk mogelijk:
+
+ Ich kenn' ein Aug, das wunderblau
+
+"Muzikant let op, ze maken binnen een pampiertje voor je," en een dikke,
+goedige vrouw geeft hem een stoot aan den elleboog, waardoor zijn vinger
+van de piston glipten de strophe:
+
+ D'rin spiegelt sich des Himmelsblau!
+
+met een akelig valschen kwaak eindigt.
+
+Schuin naar het in aantocht zijnde papiertje kijkend brengt hij het nog
+tot:
+
+ Und wenn dies Auge nicht mehr lacht,
+ Da-än wird es ewig, ewig Nacht!
+
+Dan gaat het venster open, en 't kleine witte pakje vliegt door de
+lucht. Hij vangt het in de vlucht in zijn haastig afgenomen hoed en
+speelt met gevoel verder:
+
+ Du--hu!--liebes Aug'l....
+
+maar als een paar vriendelijke toehoorders haastig roepen: "daar kom er
+weer een an op de gracht!" rekt hij zich op zijn teenen omhoog, om te
+zien of hij 't refrein nog voleinden kan.
+
+'t Zal wel lukken, met mannenmoed blaast hij:
+
+ Du--hu! lieber Sté-he-rn!
+
+Een paar geldstukken vallen, door onzichtbare handen geworpen, voor zijn
+voeten.
+
+Met de ééne hand de piston beheerschend, snel bukkend en daardoor
+afgebroken blazend, neemt hij met de andere het geld op en juist als hij
+'t hartroerend:
+
+ Du--hu, bist mir na-áh!
+
+ten tweeden male doet hooren, roept een meisje met schelle stem: "Pak
+nou je beenen op, van de andere kant komt ook een agent!"
+
+Daar valt een grooter pakje voor zijn voeten neer; een lachende dame
+heeft het uit 't opengeschoven zijkamervenster geworden.
+
+Even dankend zijn hoed oplichtend "für das Abendbrot", de Oempah blijft
+bij al zijn tekortkomingen toch een hoffelijk man, raapt hij het op, al
+klinkt daardoor het:
+
+ Und doch so fé-hérn!
+
+ellendig valsch en uit de maat.
+
+De agent is nu zeer dicht bij hem en reeds dwingt hij zijn beenen tot
+een hompelenden aftocht, als een man hem naroept: "Hei! ho! Blaasmoffie
+daar valt nog 'n pampiertje!"
+
+Dat is misschien "die Woerscht" denkt hij en met zijn instrument nog
+ongedeeld in de hand gaat hij hinkend terug.
+
+Er kome dan van, wat er van komen moet--hij zal 't wagen. Hij gaat zijn
+noodlot te gemoet en ... geen zes pas van den agent verwijderd grijpt
+hij het pakje, vóór zijn vijand hém grijpen kan.
+
+De politiedienaar, misschien een zeldzaam medelijdend man wandelt echter
+doodkalm door en kijkt zelfs niet om als hij op de volgende gracht is en
+uit de verte hoort, hoe een oogenblik later de Oempah, in een zijstraat,
+wreedaardiglijk "die wacht am Rhein" vermoordt.
+
+ * * * * *
+
+En zóó dwaalt de laatste der Oempah's door de duister wordende straten,
+totdat de nacht valt en hij in 't slopje bij de "muziekmoffin"
+terugkomt. Op een ouden muffen stroozak liggend, tracht hij te slapen,
+terwijl zij hem de buitengewone radheid en scherpte van haar tong, 't
+eenige lichaamsdeel dat haar nog geheel ten dienste staat, doet gevoelen
+omdat hij volgens haar begrippen, altijd te weinig thuis brengt.
+
+Als hij eindelijk inslaapt, droomt hij soms van de bergen zijner
+Heimath, van zijn vroolijken regimentstijd of van zijn vrienden de
+andere Oempah's, die vrij rondtrekken in steden en dorpen, waar de
+orgels niet anders mogen komen dan in kermistijd, waar geen
+politieagenten op hen loeren en waar 't zoo goed en goedkoop is, dat
+niemand denkt aan "der Holländische sjenever, das Teufelstrinken."
+
+
+
+
+VOOR 'T LOKET--HOLLANDSCHE SPOOR.
+
+
+'t Is twee minuten vóór zessen; een menigte passagiers maakt queue voor
+het loket, om met den trein van 6.9 naar Haarlem, Den Haag of Rotterdam
+te kunnen vertrekken. Het aantal reizigers groeit even snel aan als hun
+ongeduld, want een dikke, oude juffrouw met een parapluie, die
+gevaarlijk achteruit steekt onder den linker- en een taschje aan den
+rechterarm, staat voor het loket, schijnt niet de minste haast te hebben
+en neemt volstrekt geen notitie van de ongeduldige uitroepen en 't
+onwillekeurige opdringen der overigen.
+
+--Hoe laat gaat er een trein naar Haarlem, m'neer? vraagt ze met een
+hooge, neuzige stem.
+
+--Zoo dadelijk, zes uur negen--klinkt 't van binnen terug.
+
+--En gaat er gauw weer een, na dien, want 't is nou al bij zessen, weet
+u?
+
+--Niet vóór 6.47.
+
+--O Commies neen, dat is me veels te laat man, maar weet u 't wel zeker?
+In me spoorwegboekje staat toch duidelijk dat....
+
+--Moet u 'n kaartje hebben of niet? Er staan 'n menigte passagiers op u
+te wachten.
+
+--Jawel, jawel, maar vergissen is menschelijk ziet u? ik heb me verlejen
+week nog zelf vergist in 't kijken op 't predikbeurtenbriefie, waarom
+zou uwe dus hiermee niet een abuis kunnen hebben; kijk assieblief nog
+eris....
+
+--Nu kort en goed, wil u een biljet?--geen praatjes meer....
+
+--Nou! dat's wel mogelijk, maar maak zoo'n kouwe bereddering niet! u
+staat hier toch voor 't publiek als een betaald persoon, die z'n centen
+an 't publiek verdient, o zoo! Ik behandel u beleefd, niet waar? Dus mag
+ik billijkerwijs van u ook hetzelfde dito dito weerom verwachten.
+
+--Natuurlijk?--maar wil u nu meê of niet, en welke klasse, 1e, 2e?
+
+--O zoo! als uwe 't maar begrijpt, ziet u--ik ben wel 'n burgermensch,
+maar ik hoef niet onder te doen voor anderen, 'k heb niemand naar de
+oogen te zien, neen, Goddank!
+
+--Welke klasse dan?
+
+--Geef me maar tweede.
+
+--Retour?
+
+--Wat kost 'n retourtje?
+
+--Negentig cents.
+
+--Groote hemel! juffrouw, we komen allemaal te laat door uw gezanik,
+bromt een oude heer achter haar.
+
+--'t Zal wel losloopén vader, zegt ze, even omziende, en dan:
+
+--En wat kost 'n enkele reis?
+
+--Zestig cents.
+
+--Tweemaal zestig is vierentwintig stuivers, één gulden en twintig
+centjes, Hm! Neen! dan komt 't toch beter uit als ik 'n retour neem.
+
+--Mevrouw, juffrouw, maak toch asjeblief voort, kijk eens even om, wij
+moeten allemaal nog mee en 't is al over zessen, roept knorrig een
+jongmensch, dat een plaats of wat achter haar staat.
+
+Nijdig kijkt de juffrouw om en antwoordt:
+
+--'t Zal nog wel later worden, als 't God blieft.--Ieder z'n beurt; die
+'t eerst komt, die 't eerst maalt; ik bestee hier net zoo goed mijn geld
+als uwe, ik betaal en uwe geeft geld, dat's zoogezeid één pot nat.
+Achttien stuivers dus--'t was immers negentig centen, zei u?--(_zij
+haalt haar beursje voor den dag_.) wacht ik zal 't u afpassen, hier:
+twee kwartjes, drie dubbeltjes, twee halvestuivers--och heere, nou kom
+ik net vijf centen te kort. 't Was anders zoo mooi gepast--net vijf
+centen te min.
+
+--Hier, alsjeblief, hier zijn ze--Hier! 'n dubbeltje--Pak an! roepen
+twee, drie stemmen te gelijk.--Hier neem aan, maar maak in Godsnaam
+voort, 't is nog maar zes minuten....
+
+--Wel ja. Ik ben daar om jullie vijf centen verlegen, 'n mooi ding,
+neen, ik ben wel 'n burger mensch, maar ik hoef goddank niemand naar de
+oogen te zien. Maar 'k wou 't m'neer makkelijk maken; 'k heb geld zatter
+hoor! Hier asjeblief: een bankje van vijf en twin....
+Gossiemossie!--daar zit waarachtig men haakpennetje tusschen, daar heb
+ik me nou de heele week mal naar gezocht.--Assieblief, een bankie van
+vijfentwintig--kan uwé wisselen? Maar geef me niet allemaal klein geld
+terug.
+
+--Heb u 't niet kleiner.
+
+--Juffrouw, maak nou toch voort, asjeblief--'t is om dol te worden,
+roepen eenige stemmen.
+
+Kalm kijkt de juffrouw om, schudt het hoofd langzaam heen en weer en
+terwijl ze met een pruimenmondje:--Sjonges, wat 'n bereddering! zegt,
+blijft zij in haar zak grabbelen; dan roept ze in eens: kijk dat's
+casuweel, daar vind ik nog een losse gulden in me zak; als u nou 'n
+dubbeltje heeft, dan bennen we in eens van mekaar af. Hier--heerejemel!
+zóó had ik hem nog in mijn hand en ... de juffrouw pakt achtereenvolgens
+uit haar zak de volgende voorwerpen: een pepermuntdoosje, een flacon,
+een paar handschoenen, een naaldenkoker, een zakje met gedroogde pruimen
+en een zakdoek; eindelijk vindt ze den gulden en legt dien voor den
+beambte neder, terwijl ze, even omziende naar de woedend haar
+aankijkende menschen, zegt:--Zie zoo, nou die volgt; ieder z'n beurt,
+da's niet te veel.
+
+
+
+
+VROEG RIJPE JEUGD.
+
+
+--En ik zeg dat 't 'n ongepermitteerd schandaal is, dat ze aan zulke
+apen van jongens tappen--ze bennen mirakel--God zal me bewaren, maar ik
+zou zoo'n slokkiesbaas kunnen doodslaan, en de kruidenier, die met zijn
+twee knechts op de stoep is gekomen om, evenals zijn buren, naar het
+opstootje voor de deur staat te kijken, wordt rood van kwaadheid als hij
+vervolgt:
+
+--Die eene is waarachtig niet ouwer dan dertien of veertien jaar, hij
+moest 'r reis frisch voor z'n vermaak hebben.
+
+--Als 'k mijn jonge zóó trappeerde, sloeg 'k 'm z'n armen en beenen
+stuk, valt zijn buurman, de bejaarde melkverkooper, die over 't stoephek
+leunt, in.
+
+--Nou word ik d'r beroerd van, ik ga naar binnen, zegt de kruidenier, en
+tot zijn knechts: Kom Jan,--kom Gerrit, laat ze maar in d'r vet gaar
+smoren, 't is te misselijk om er langer naar te zien.
+
+'t Zijn drie jongens, tusschen dertien en vijftien jaren oud die de
+geheele buurt in opschuddig hebben gebracht.
+
+Stomdronken schreeuwend en joelend, razend en vloekend, zijn ze komen
+aanzeilen uit de dwarsstraat.
+
+--Precies als groote dronke-geweldenaars, beweert de banketbakkersvrouw,
+in wier winkel ze een glas hebben ingeslagen, omdat de deur voor hun
+neus werd dichtgedaan.
+
+Nadat ze ieder meisje of vrouw, die ze tegenkwamen, op de meest
+onhebbelijke wijze hebben gemolesteerd, heeft de groenteverkoopster, die
+even haar onderhuis had verlaten, het moeten ontgelden. Haar uitstalling
+hebben ze baldadig door elkander gesmeten en getracht een mandje druiven
+te stelen. 't Is hun niet gelukt en daarom zijn ze, vloekend en tierend,
+nog een paar huizen verder gegaan en eindelijk over elkander, op de
+stoep van den garen- en bandwinkel neergetuimeld.
+
+De jongste knaap leunt, bleek en zonder pet, met de zwarte haren voor
+zijn lodderige oogen, den mond half opengezakt, schier wezenloos
+ineengedoken tegen den stoepkant, nu en dan even opkijkend en tegelijk
+een paar ongearticuleerde tonen uitstootend, die hij als begeleiding
+bedoelt, van 't gezang der twee oudere, die op aandoenlijke wijs "We
+gane nog niet dood" blaêren.
+
+De twee magere oude juffrouwen, die reeds sedert jaren als brave
+fatsoenlijke gezusters, de garen- en bandaffaire drijven, zien met
+verschrikte oogen en booze gezichten, waarop duidelijk het: en zoo iets
+moet nu bij ons op de stoep gebeuren, te lezen staat, door de ruit der
+winkeldeur, die ze op het nachtslot hebben gedaan.
+
+Voor de jongens staat de groote, stoere groentevrouw en slaat met de
+eene hand heftig en hard klinkend op de andere, terwijl ze luidkeels
+schreeuwt:
+
+--Laaielichter, gappers ben jelui, maar mijn ken je niet beduvele--ik
+ben jelui te kwiek af geweest, en tot de omstanders:
+
+--Ja, als ik niet casuweel d'r op ankom, gappe ze me een heel mandje
+blauwe druiven weg--maar 'k snapte ze en nou blijven ze d'r lekker
+nuchter van--en weer tot de jongens: Jelui most naar 't buro, maar nou
+is d'r geen agent te zien, in geen velde of wege. Ja, zoo gaat 't hier
+altijd!
+
+--Vrouw, maak je niet driftig, dat vee is 't niet waard: 't groeit op
+voor 't rooie dorp, zegt een burgerman, die geheel het uiterlijk heeft
+van een rentenierend bakker of slager.
+
+--Nou.... Vee! dat kan wel 'n beetje minder, hé? vraagt een verloopen
+kerel, met een lompe beweging zich voor den rentenier plaatsend--jij
+bent zeker nooit sikker geweest, in je jonge dagen, hé? Jij lust ze
+zeker niet, hé?
+
+--Wel ja, 'k zou nog partij trekke voor dat stelletje, roept de
+groenvrouw en nijdig bijt ze den kerel toe:--jij bent zeker, toen je
+zoo'n aap van 'n jaar of vijftien was, ook al aan de jandoedel geweest,
+daarvan zie je d'r nou ook uit als een vieze vaatdoek--en met den
+elleboog hem op zij stootend:--Ga weg vuilik!
+
+--En we gane nog niet do-od, niet do-o-od! joelen de jongens, zonder
+ophouden.
+
+De menigte groeit aan en verspert de nauwe straat, zoodat de rijtuigen
+niet dan met moeite kunnen voorbijkomen.
+
+Allerlei meeningen worden door de verzamelde menschen uitgesproken, maar
+niemand steekt een hand uit om de jongens van de stoep te halen, totdat
+een fatsoenlijk burgermeisje, dat eerst met uitgerekten hals,
+nieuwsgierig, tusschen de anderen door heeft gekeken, eensklaps een
+kreet uitstoot en dan naar voren dringt, tot dat ze vlak voor de stoep
+is.
+
+Bleek van schrik, bevend en onthutst staart ze de jongens aan; bijna
+schreiend zegt ze:
+
+--Och God, 't is Piet! En meteen bukt zij zich naar den jongsten knaap,
+vat hem bij den arm en tracht hem op te heffen.
+
+--Och God! wat zal moeder schrikken, toe kom met me meê dan zal ik je
+naar huis brengen.
+
+De jongen ziet haar versuft aan, en beproeft op te staan, de andere
+knapen trekken hem weer naar beneden op de stoep en onthalen het meisje
+op de gemeenste, liederlijkste scheldwoorden.
+
+--Kom Piet, luister nou niet naar die schooiers, ga nou maar meê; ik
+zal wel zorgen dat moeder 't niet merkt.--Toe dan, kom! en tot de
+menschen, die het geval aangapen, zegt ze schreiend:
+
+--Hij is pas dertien jaar en moeder is weduwe,--en dat's nou al de
+tweede keer van de week,--kom Piet, toe jongen!--hou je maar aan me
+vast.--Blijf jelui van m'n lijf af, gemeene rakkers, toe Piet!... is d'r
+dan niemand die me 'reis helpen wil?
+
+Een paar mannen komen eindelijk het meisje te hulp--de jongen wordt op
+zijn beenen gezet en aan den arm van zijn zuster, die hem met goede
+zachte woorden zoekt te paaien, gaat hij eindelijk, zonder pet, gehavend
+en vuil, een eind mee, maar niet verder dan tot op de brug; daar bedenkt
+hij zich, rukt zich met geweld los en presenteert vloekend zijn zuster,
+als ze hem nog langer vasthoudt, een pak slaag. Schreiend keert het
+meisje terug, langzaam haar broer volgend, die zijn kornuiten weer
+opzoekt.
+
+
+
+
+EEN LANDGENOOT.
+
+
+We zaten, na 't diner, gezellig pratend en koffie drinkend aan tafel,
+onder de begroeide veranda van 't hôtel de France te Versailles, toen we
+op een kleinen afstand een soort heer ontwaarden, die met een slip van
+zijn zwarte demi-saison de glazen van een kleinen tooneelkijker
+afpoetsend, langzaam nader kwam. Hij droeg een pince-nez, gooide die met
+een kort hoofdrukje van zijn neus en keek aandachtig door zijn kijker nu
+eens schijnbaar oplettend naar het paleis van Versailles, dat door het
+reeds dalend zonlicht rose werd gekleurd dan weer naar ons.
+
+--Wat 'n brutale man, zei een onzer dames, hij neemt ons waarlijk
+heelemaal op.
+
+--Wat zou hij willen? Kijk! hij komt dichterbij en hij beziet ons hoe
+langer hoe scherper; dat 's wel 'n beetje al tè, beweerde een ander.
+
+De man naderde, stak de tooneelkijker in zijn linker jaszak, haalde uit
+een beugeltaschje, een andere, kleine jumelle, keek nog eens naar het
+kasteel, toen weer naar ons en trad al poetsend en vegend met zijn
+jasslip, vlak voor ons tafeltje.
+
+--Bonsoir, mesdames, messieurs! Permettez moi de vous offrir une belle
+jumelle? Tres bon marché!
+
+--Merci!
+
+--Vraie nacre, verres achromatiques, très jolie, avec étui, un Louis!
+
+--Non merci, nous en avons!
+
+--Nous en avons même a vendre! lachte een der dames.
+
+--Madame veut rire: madame ne fait pas le même article, hein?
+
+Hij lachte en ik zag hoe onder zijn knevel zijn mond reeds tandeloos
+werd. Zijn grijze baard was netjes geschoren aan de kin en zijn nog
+heldere, donkerbruine oogen keken met een slimme uitdrukking van onder
+dichte wenkbrauwen naar ons groepje.
+
+--Precies een verfranschte Hollandsche brillenkoop, fluisterde ik mijn
+buurman toe, en toen de man vlak bij mij stond zag ik dat hij een
+uitgerafeld halfhemdje droeg en een boordje dat, even grijs als zijn
+baard, aan ééne zijde flauw lag over een rood en blauw geruite, zwierig
+gestrikte Parijsche das. Zijn zalmkleurig vest was evenals zijn grijze
+pantalon, vol vetvlekken en de manchetten, die hun franjeachtige randen
+over zijn gerimpelde handen uitstrekten, waren eenmaal wit geweest. Een
+nieuwe pince-nez, met een prijsetiketje op een der glazen geplakt,
+bungelde tegen de uitgesleten knoopsgaatjes van zijn frontje en het
+donkergrijze jacquet, dat onder zijn zwarte overjas uitkeek, had beter
+dagen gekend. In de verte zag hij er uit als een toerist, van dichtbij
+bekeken als iemand die men onmiddelijk met "goede vriend" of "koopman"
+aanspreekt.
+
+--Une marchandise sans pareil, travail exquis! zei hij, de jumelle
+aanbiedend.
+
+Zijn accent verried onmiddelijk, dat hij geen Franschman was en in de
+uitspraak van zijn l's en r's klonk ons een zeer bekend jargon tegemoet.
+
+--Hij is bepaald een zoon van de Breestraat, lachte een van ons
+gezelschap half luid en toen hij nogmaals aanhield met:--Je vous prie
+mesdames, regardez donc un moment quel travail, en de paerelmoeren
+montuur van den kijker in het zwakke zonlicht liet glanzen, zei
+ik:--Neen dankje, 'k heb kijkers genoeg thuis, merci!
+
+--Menheer is een Hollander? Ik ook! Wat 'n gezegend toeval, landslui te
+ontmoeten, nou ben ik als zeker, dat ik 'n kijkertje aan je verkoop.
+
+--Zoo! Nu, dan kon je je wel eens vergissen, ouwe heer--we hebben wel
+zes kijkers thuis.
+
+--Is meneer dan ook in de optiek, ook van 't vak.
+
+--Neen, dat nu juist niet, maar we zullen toch geen gebruik van je
+aanbieding maken.
+
+--De dames dan misschien?
+
+--Neen, wij ook niet!
+
+--Alweer mis! 'k Heb vandaag m'n boozen dag, nog niks verkocht en 't is
+haast avond. Enfin! 't doet me toch pleizier dat 'k 'reis weer
+Hollandsch kan spreken. Je zou hier je moedertaal vergeten, n'est ce
+pas?
+
+In den vreemde maakt men licht een praatje, wanneer men een landgenoot
+ontmoet vooral wanneer hij een type is, en dat was de koopman in
+jumelles zeker. Hij had iets leuks, iets grappigs over zich, dat ons
+deed zeggen:--We hebben waarlijk geen kijker noodig; maar we willen wel
+eens babbelen, wil u een glas bier?
+
+--Un bock, mais volontiers! van een compatriot kan 'n mensch altijd wat
+accepteeren.
+
+--Garçon, un bock pour monsieur!
+
+De garçon bracht het gevraagde en terwijl hij het glas bier op tafel
+zette, keek hij eerst den koopman en toen ons ironisch aan. Hij zocht
+blijkbaar naar de reden van onze plotselinge familiariteit met een man,
+die er volgens zijn begrippen nòch comme-il-faut, nòch correct uitzag.
+
+--Op uw gezondheid dames! Messieurs à votre santé.
+
+--Een Hollandsch sigaartje er bij meneer...?
+
+--Nègotiant! Aäron, Joseph Negotiant, meneeren! hij haalde een vettige
+portefeuille uit zijn binnenzak, nam daaruit eenige, op de vouwen
+versleten, groezelige papieren en zei:--'n mensch kan niet te
+voorzichtig wezen met z'n kennismaking in den vreemde, er loopen hier
+veel chevaliers d'industrie, hier is m'n geboortebewijs--en dit is 'n
+papier van den maire van mijn arondissement en daar heb je m'n
+verhuisbiljet naar Parijs. Ben ik nou een Hollander of niet?
+
+--Jawel, u is een Hollander, dat had ik al lang aan uw spraak gehoord en
+ik wist ook al ongeveer waar u geboren is.
+
+--Welzoo! en waar dan?
+
+--Te Amsterdam, op de Snoekjesgracht of op 't Waterlooplein.
+
+--Mis! op de Breêstraat vlak bij de St. Theunis!
+
+--Accoord! dat kan uitkomen; hier steek eens op!
+
+--Met genoegen. Hij nam een sigaar, bekeek, berook en besnuffelde haar
+van alle kanten en zei:--hum! dat is fijn spul en lei ze toen
+voorzichtig op tafel,--U permitteert? Hij nam een stoel--ik ben 'n oud
+man, den heelen dag geloopen--u is een knaapje bij mij vergeleken, ik
+ben twee en zeventig, hè, hè! Even steunend ging hij heel familiaar, als
+waren we reeds oude kennissen, bij ons zitten.
+
+'t Was een aardig type, hij had iets erg vrij's over zich, dat een
+glimlach afdwong, maar hij bewoog zich toch met een zekere reserve en
+wist hoever hij gaan kon.--'k Ben al veertig jaar in Frankrijk, 'n heele
+tijd, zei hij, even van zijn glas proevend.
+
+--En al dien tijd in de optiek?
+
+--Neen! waarachtig niet, eerst in de diamanten--ik ben slijper en zetter
+en later handelaar geweest, maar ik heb malheur gehad in de zaken.--Ik
+ben altijd te eerlijk en te goed van vertrouwen geweest, weet je--ik heb
+ieder 't zijne willen geven, ik kon geen mensch bedriegen en daarom ben
+ik uit m'n vak gegaan. 'k Ben een gammor (ezel) en een schlemiel
+(ongeluksvogel) in zaken! Als ik had gewild was ik een rijk man
+geworden, maar--hij knipte erg leuk met zijn linkeroog--'k hou niet van
+gevaarlijke zaken, ik heb altijd gedacht: je zal d'r met
+rechtvaardigheid ook wel komen, eerlijk duurt het langst--nou bij mij
+duurt 't al veertig jaar, lang genoeg hè!
+
+--En ben je nu binnen, meneer Negotiant?
+
+--Binnen? 'k ben nooit zoo erg buiten geweest als nou, 'k heb den dalles
+(armoed) hoor je! Hebben de dames nou geen idee in dit kijkertje; is dat
+je vrouw, meneer?
+
+-Ja!
+
+--Nou koop dan die jumelle voor d'r; ze houdt er geen oog af, ze is d'r
+dol op, nietwaar Madame?
+
+--Neen heusch niet!
+
+--En uwe kijkt toch zóó...! hij knipte weer allerleukst met zijn
+linkeroog, streek over zijn grijzen knevel en lachte.
+
+--Mevrouw kijkt toch niet naar mijn, hè? 't Zou zonde en jammer wezen,
+want ik ben maar een oud man; 'k heb anders in mijn jonge jaren oogies
+gehad van de dames. Neen lach uwe nou niet, ik was een erg knappe
+jongen; m'n vrouw zaliger zei altijd: Aäronleben, je mag d'r wel
+wezen!--Dus wil uwe mijn niet en mijn kijkers ook niet? Enfin! dan
+spreken we over wat anders. Vindt u niet dat ik nog goed Hollandsch
+praat?
+
+--Prachtig!
+
+--Ja, en toch ben ik er nou al in geen acht-en-twintig jaar geweest, 'k
+was eerst niet van plan hier te blijven, maar een mensch weet nooit
+zijn eigen noodlot. Je gaat heen als vrije jongen, je maak amours,
+blijft hangen aan een vrouw, je trouwt, je krijgt familie--neen! hij
+wachtte even--ik heb geen familie; alles wat ik had is dood--'k ben
+weêr--hij lachte, pijnlijk knippend met zijn linkeroog, een célibatair,
+nog à prendre dames, twee-en-zeventig jaar, gezond goddank en met een
+eeuwigdurende dalles.
+
+--En wanneer was u 't laatst in Holland?
+
+--Tijdens den oorlog van 70. Ik zag d'r niks in om mee te doen, waarom
+zou ik die Duitschers, die me niks gedaan hebben, gaan ongelukkig maken
+door op haarlui te hakken of te schieten--ik ben een rakker als ik begin
+zie je? En daarom dacht ik: hou je liever nergens mee op en ga een
+visite brengen aan je familie in Holland. Dat heb ik gedaan; 't beviel
+me niks meer in Amsterdam, maar oorlog beviel me nog minder.
+
+--Was u bang?
+
+--Bang! wie is d'r nou bang als ie 'n man is? Neen ik dacht zoo bij me
+zelf: als de Pruisen beginnen te bombardeeren, kunnen ze aan mijn neus
+niet zien of ik een Franschman of een Hollander ben. Ik heb met d'rlui
+ruzie niks te maken. Ik ben een man van de vrede. Als ik bij vergissing
+zoo'n Duitsche granaat of een puntkogel in m'n maag krijg ben ik voor
+goed gesjochte, want wie betaalt mijn schade?--Ik kan toch geen bordje
+voor mijn lijf hangen met: _niet raken, ik ben geen Franschman!_ Ik heb
+stilletjes te Amsterdam de kat uit den boom gekeken en toen hier alles
+weer koscher was ben ik weer naar Parijs gegaan.
+
+--Waarom bleef je niet in Holland, meneer Negotiant?
+
+--Och Holland is heel goed, maar Parijs is beter. Amsterdam was me te
+stil, je heb er geen Boulevards, geen chic, geen lui die geld verteren.
+De Hollander is 'n man die geld verdient, maar d'r op blijft zitten, de
+Franschman, de vreemde geven uit al verdienen ze niks. Voilà la
+différence! Hier is altijd nog wat te verdienen, al is 't maar met de
+optiek. Heb u geen pince-nez noodig mevrouw, uw neus is d'r als voor
+geknipt, 'k heb nog een mooie gouwe.
+
+--Neen, dank je wel, ik kan uitmuntend zien.
+
+--Nooit zoo goed als door mijn brilletjes, maar ik wil u niet forseeren,
+anders heb ik nog een face à main ook en kijk 'reis wat 'n heerlijke
+tooneelkijkers!
+
+In een oogwenk haalde de koopman eenige lorgnetten en pince-nez uit zijn
+zak, uit zijn taschje een paar tooneelkijkers en uit zijn binnenzak een
+klein ivoren jumelle en een bril. De man zweette letterlijk optische
+instrumenten uit. De dames lachten en hij knipoogde, terwijl hij met een
+quasi treurig gezicht zijn koopwaar opbergend, vervolgde: ik ben en
+blijf toch een schlemiel, d'r zit geen affaire voor me an vandaag!
+
+--En heeft u geen verlangen naar Holland? vroeg ik, om hem van zijn
+stokpaardje, de optiek, af te helpen.
+
+--'t Blijft altijd je geboortegrond, maar je koopt er niks voor, 't is
+in Holland ook al een povere boel, in de diamanten zit geen zegen meer
+en de menschen kijken d'r als valken--hier benne ze kippiger en hier
+dragen 'n boel lui een glaassie alleen voor de chic, snap je 't?
+
+--En is er niets nieuws te Parijs, meneer Negotiant?
+
+--Waarom zou d'r niet? Alles is nieuw te Parijs.
+
+--Ook iets nieuws in de Dreyfuszaak?
+
+--Man, spreekt me assieblief niet van de Dreyfuszaak! 'k Heb d'r meer
+dan te veel schade van gehad; miserabele affaire?
+
+--Hoezoo? waardoor?
+
+--Vraag je dat nog? 't Leit toch voor de hand, ze zien an m'n extérieur,
+dat ik ook een joodje ben, tegenwoordig is dat 'n crime. De Parijzenaars
+bennen dom weet u, oliedom; ze schreeuwen mekanderen na: à bas le juif!
+gelooven alles wat er tegen ons gedrukt wordt in de kranten--en de
+presse is vuil in Frankrijk, vuil tegen de joden. Die "Libre Parôle" met
+die monsieur Drumond als redacteur maakt de menschen razend, dol jegen
+de Israëlieten en wat hebben de joden derlui voor kwaad gedaan? Niks,
+geen zier, ze bennen alleen 'n beetje pienterder dan de Franschen, die
+hebben te veel spek in den kop, zooals wij zeggen, die laten zich
+lijmen, de eene helft door de geestelijkheid, de andere door de
+schreeuwende republikeinen en allemaal samen door de mooie vrouwtjes;
+elegant bennen ze hier, waarachtig; om te zoenen hoor je! Maar serpenten
+en krokodillen als je ze in derlui binnenste bekijkt--allemaal azen ze
+op de centen. Oui monsieur! l'Or n'est qu'une chimère, zingen ze in de
+opera, maar 't is hier net omgekeerd--voor l'or doen ze hier de malste
+dingen, voor l'or is hier alles te koop; ze bennen d'r gek op--behalve
+Rothschild, die gooit er mee! Geeft me die man tweemaal honderdduizend
+francs zoo maar in eens cadeau aan de armen. Wat 'n gezegende man!
+
+--Hoe zoo, wat bedoel je?
+
+--Wel heeft u niet gelezen dat hij Zondag de Grand Prix heeft gewonnen
+bij de courses en dat hij dadelijk die heele prijs aan de armen gaf; dat
+'s nou toch ook een jood, waarom schelden ze hem nou niet uit en mijn
+wel. Ik heb geen twee ton francs te geven en als ik ze had, deed ik 't
+nog niet. Ja, ik ben daar zoo'n gammor als Rothschild! Ik heb de last
+gehad, hoor je, ik heb het dagelijks ondervonden, zelfs bij mijn vaste
+klantjes kreeg ik refus: ze wouën niet meer van me koopen omdat 'k een
+jood ben, een broertje van Dreyfus, le traitre. Gekheid, groote gekheid,
+hoor je, die Dreyfus is zoo onschuldig als een pas geboren kind, altijd
+een braaf man geweest, zoo waarachtig als ik hier zit, zoo braaf zulle
+uwe en ikke met permissie, wezen. Ik zal maar zoo vrij wezen--hij greep
+naar de lucifers op tafel, streek er een paar af zonder dat ze branden
+wilden en bromde:--gemeene lucifers hier, en 'n stuiver een doossie, die
+hebben ze in Holland toch beter.... Hum! hè-hè! hij snoof met groot
+welbehagen den rook van zijn sigaar op, lekker, lekker! zoo'n sigaar
+betaal je hier met cinquante centimes en dan is ie nog niet half zoo
+goed.--Enfin! ik wou maar zeggen dat voor mijn part die Dreyfuszaak voor
+goed uit is, m'n vak lijdt er onder--nou heb ik de glazen nog eens extra
+opgepoetst, kijk er nou 'reis door Madame? Hij reikte over de tafel heen
+de jumelle aan een der dames toe.
+
+--Daar komt net 'n artillerie-officier an, 't benne knappe posturen,
+maar ook al traitres misschien.--Hoe kijkt ie nou? Heb u nou zoo'n
+pracht-jumelle thuis? Ik wil d'r een fatsoenlijk bod op aannemen....
+
+--Heusch niet! we hebben tooneelkijkers genoeg.
+
+--Nou madame, kijken kost toch niks--mooi gemonteerd, zuivere nacre en
+echt verguld; 't is een stuk voor je leven--wat is 't je waard?
+
+--Niemendal!
+
+--Voor niemendal heb je alleen de dood,--alles kost anders geld, vooral
+hier in Frankrijk, peperduur!
+
+--Och! ik dacht dat men hier ook heel goedkoop kon leven.
+
+--Wat zou 't? Je hebt hier meer geld noodig dan in Holland, maar je
+leeft ook beter; ik verteer alle middagen een franc voor mijn diner;
+fijn, met een glaasje wijn d'r bij. In Amsterdam kun je voor drie vier
+stuivers eten, maar 't is buikvulling, meer niet.
+
+--En is 't koscher wat je voor die franc krijgt?
+
+--Nou! dat weet ik niet,--'t is hier meestal treife, maar wat zal je
+doen, eten moet je toch en ik zal maar denken: vieze varkens worden niet
+vet--hij kwam heel dicht bij mij en lachte: 't Is eigenlijk heelemaal
+een treife boel in Parijs 't eten, de zaken, de heeren, de vrouwtjes, de
+militairen, de ministers--stil Aäron hou je mond--je bent ook Franschman
+op 't moment--maar u begrijpt er alles van, n'est ce pas?
+
+Mijnheer Negotiant, je raakt heelemaal van je à propos af, we hadden 't
+over de Dreyfuszaak ik wou juist uw opinie eens daarover hooren. U houdt
+hem bepaald voor onschuldig ... en Esterhazy?
+
+De jumellenkoopman sprong eensklaps een klein eindje van zijn stoel op,
+nam zijn sigaar uit den mond, stak het hoofd over de tafel heen zoover
+hij kon naar ons toe, knipte een paar maal erg geheimzinnig met zijn
+oogen en terwijl zijn stem onder uit zijn vestzak scheen te komen, zei
+hij:--Dreyfus is een schlemiel, maar Esterhazy is de grootste gauwdief,
+een zakkenroller, de geraffineerde schurk, die z'n kop moest afgeslagen
+krijgen op de guilotien! Wat 'n vuilik! Wil ie toch de joden als
+konijnen doodslaan met 'n stok--waarom, waarvoor? Hebben wij den man
+ooit wat gedaan?--Hij moest met de stok hebben, dat ie niet zitten of
+loopen kon, zoo'n smerige ophakker, zoo'n gaszer--hij is de traître, hij
+heeft het borderel geschreven, hij hoort op 't Duivelseiland in plaats
+van die brave Dreyfus, maar dan moesten ze hem tot aan zijn hals in den
+grond graven, anders komt die gewikste vuilpoes d'r toch nog
+uit.--Esterhazy heeft de heele boel in de war gebracht; Dreyfus is een
+knap man, maar hij wist te veel van de streken van de groote oomes, hij
+had achter de schermen gekeken, snap je? En hij deed niet meê. Waarom
+zou ie meedoen, had ie toch niet noodig, centen genoeg, 'n mooie vrouw,
+lieve kinderen, maar hij moest er tusschenuit, juistement omdat ie niet
+corrompu is, en toen zeiën ze: hij is een jood, wij bennen christenen en
+dus zooveel beter, daarom staken die heeren van de grrande arrmèe de
+koppen bij elkander en riepen: "D'raus muss der jid!" De jood moet de
+laan uit, hij doet z'n dienst goed, hij is een braaf huisvader, hij
+speelt niet, hij drinkt niet, hij houdt er geen maitressen op na. Wat 'n
+fatsoenlijk man! Die kunnen _wij_ niet in ons midden verdragen; toen
+hebben ze gesmoesd, gesmoesd met mekanderen en----Enfin! toen was ie
+ineens een verraaier, een traitre, die zijn land had verkocht. Gekheid,
+hoor je! een jood verkoopt zijn land niet, daarvoor is hij veel te
+gochem, weet je wat ie soms wel verkoopt? Goed waar een luchie aan zit.
+Ik zou ook een heel ander man wezen als ik van _dat_ goed verkocht had,
+maar ik ben te eerlijk vat je--ik durfde nooit, want ik wou niks met de
+politie te maken hebben, daar zit geen centiem massel an--maar d'r
+bestaan hier joden, die d'r schatrijk van benne geworden--kijk u nou
+'reis even door de binocle, daar komt in de verte een tram aan--je kunt
+de menschen herkennen--'t is toch zonde dat u dit instrumentje niet van
+me koopt Mevrouw! In heel Holland vind je zulke glazen niet--zal ik je
+nou in ernst de prix fixe zegge?
+
+--Neen! dankje, positief niet, ik heb er twee thuis.
+
+--In godsnaam, 't is je eigen schade ... 'k mag lijen dat die
+Dreyfuszaak maar uit _blijft_, want de affaires beginnen nou net weer
+zoo'n beetje te marcheeren. Hier te Versailles heb ik in de laatste
+maanden niks niemendal kunnen doen, door die zitting voor Zola--hij nam
+even zijn flambard af.--Dat is een groot man, een braaf man, een genie,
+een beroemd man, die verdient alsdat ie een jood was. Ik heb hem gezien
+uit de verte toen ie naar de zitting ging en 'k heb an 'm gewonken en
+m'n hoedje voor hem afgenomen--omdat ie de rechtvaardigheid voorstaat.
+J'accuse!--dat 's 't grootste, 't mooiste en 't heldhaftigste woord wat
+ie ooit heit gezeid. D'r bestaan duizenden menschen, die d'r eigen nog
+wel 'reis bedenken zouen voor ze "J'accuse" gingen zeggen tegen de
+bierkaai--want tegen de gouwe torren van de Fransche Republiek, de
+generaals en de militaire groothedens kan je niet vechten--en toch had
+Zola daar courage voor. Wat 'n man--als ik 'm ooit tegen 't lijf loop,
+zal ie 'n mooie pince-nez van me cadeau hebben, met zoo'n nieuwe
+springveêren montuur, die niet knijpt over den neus--moet u er geen
+hebben, mijnheer, je knipt zoo met je oogen als je in de verte kijkt;
+zwakte van 't gezicht man! Daar moet je bij tijds bijwezen. Hier!
+probeer dit lorgnetje 'reis, licht als een veertje.--Hij stak zijn hand
+naar een van de heeren uit en drukte hem eensklaps een pince-nez voor de
+oogen. Niet hebben? ook goed, Gunst, man kijk maar niet zoo benauwd--ik
+kom niet an je neus en ik zal je geen pijn doen! Gerust, je neus heeft
+wel wat van dien van Zola, die heeft er ook zoo'n deukie in, Zola is de
+grootste man van de heele wereld en gekheid hoor, dat ze van hem zeggen
+hij heeft z'n pen verkocht aan de joden. Malligheid! hij hoeft niks te
+doen voor de duiten, hij kan zachs eerlijk wezen, hij is een maal of
+vijf millioenair, waarom zou je dan niet rechtvaardig doen. Hij heeft
+geen centen noodig--en reputatie? Die heeft ie ook genoeg, iedereen weet
+dat ie boeken schrijft die 'n beetje,--nou enfin, de dames zullen me
+niet kwalijk nemen--die zoo wat hobbeldebobbel loopen--niet voor jonge
+meissies, 'n getrouwde vrouw mag d'r in lezen want d'r komt zoo'n beetje
+in van cocottes en de demiemonde en van de ... enfin--hij is toch een
+man, waar de heele wereld respekt voor heeft, en die uitgever van 'm,
+mogendste vader, wat 'n boffert! Ze hebben mijn hier al verteld, dat 't
+debiet van z'n boeken zoo'n beetje begon af te nemen en nou maakt ie me
+ineens zoo'n reuzen-reclame, dat's voor Van Houten om van te
+kwijlen--wat 'n gladde jongen is die Zola, ik wou dat ik hem en dat hij
+ikke was, nou!...
+
+--"En wat dunkt u, zou Zola zijn zin krijgen, zou er van 't proces
+Dreyfus een revisie komen?"
+
+--Wat Zola _wil_ krijgt ie gedaan, meneer--hij en Mr. Labori bennen de
+duivel te goochem af. Je begrijpt, nou heeft ie zich hier te Versailles
+onontvankelijk laten verklaren en nou komt ie opnieuw voor Parijs; die
+Labori is niet van gisteren--ze maken hem daar weer niemendal, en als
+dan zijn proces voorgoed is afgehandeld, begint de zaak Dreyfus eerst
+goed. Dan zal de rechtvaardigheid d'r eerst heelemaal uitkomen, want 't
+Opperwezen zal niet langer gedoogen dat er een van zijn volk zóó wordt
+behandeld; dat denken hier al de joden, dat wil zeggen: de arme; de
+rijke doen veelal alsof ze met de heele boel niet te maken willen
+hebben, die schamen zich soms dat ze van Gods volk zijn, wij niet. Wij,
+schlemiels, wij zeggen: God is rechtvaardig, en Dreyfus komt los. Binnen
+'t jaar is ie van 't eiland af en bij zijn vrouw en kindertjes.
+
+--Maar als hij nu vóór dien tijd sterft? Hij is immers lijdend.
+
+--Wat lijdend? Waarvoor, waarom zou hij sterven? Leven moet ie, om de
+waarheid te doen uitblinken als 't zonnelicht. Hij komt er uit zeg ik
+je. Voorwat zou ie sterven? Versche lucht heeft ie genoeg, te doen heeft
+ie niks, eten en drinken zooveel ie lust, en zijn vrouw stuurt hem alle
+maanden vijfhonderd francs.
+
+--Wat moet hij met dat geld doen op 't Duivelseiland?
+
+--Nah! geld is toch geld!--Mijnheer Negotiant haalde met een
+eigenaardige snelle beweging beide schouders op en lachte.--Als je 't
+bewaart heb je wat, en heb je 't niet dan ben je heelemaal gesjochte.
+
+--Maar daar is niets te krijgen.
+
+--Och wat, d'r is alles te krijgen, maar schreeuwend duur,
+
+--Maar de eenzaamheid, het verdriet, 't verlangen naar zijn familie?
+
+Hij krabde zich even achter het oor en zei:--Ja 't is een naar geval
+voor zijn heele familie, hij prisonnier weet je en de familie voornaam!
+Ze hebben moos genoeg, zijn vader de rijkste mensch van den Elsas, zijn
+broer Matthieu staat voor geen millioen of wat op en toch konden ze niks
+voor hem doen. Die vuile jodenhaters staan te hoog in de wereld; ze
+kunnen d'r niet bij en die smerige presse helpt ze, d'r is maar één
+fatsoenlijke krant in Frankrijk--dat's de Aurora, die lees ik, daar heb
+ik m'n laatste sou voor over de Aurora zeit ook, dat Dreyfus d'r uit
+komt, eer 't jaar om is--en de Aurora is het eenige blad dat de waarheid
+spreekt. Nou heb ik zoo met m'n domme verstand gedacht, als Dreyfus d'r
+uit komt, zal hij zijn mond niet houden, hij zal spreken en vertellen
+wat ie weet en juist omdat ie te veel weet hebben ze 'm op dat eiland
+geplakt. Hoe moet dat nou rond loopen?
+
+--Hoort u wel eens in café's of magazijnen, waar u kom over die zaak
+spreken?
+
+--Weinig! de menschen binnen d'r beu van geworden--de een zeit: laat
+Dreyfus maar zitten, d'r is geen negotie als d'r zooveel te koop is in
+de kranten, een ander zeit: wat gaat mij Zola an--, 'k heb nog nooit een
+cent aan hem verdiend en een derde moppert: Als ze in mijn café over
+Zola en Dreyfus beginnen, trampeneeren ze m'n boel. Ze maken d'r eigen
+over die zaak zóó warm die Franschen, dat ze soms den cabaretier z'n
+heele boutique kapot slaan. Een van m'n klantjes die ik al jaren bedien,
+zei me laatst nog:--Monsieur Negotiant, zei die--ik heb veel minder
+brillen en pince-nez verkocht dan verleden jaar, omdat ik Simon heet en
+ze me voor een jood houwen--'k wou dat ze monsieur Zola bij Dreyfus
+stopten en dat de zaken wat vlotter marcheerden, voilá!
+
+Ik heb niet te klagen gehad, 'k verdien m'n broodje, maar al ben ik een
+oud man, ik weet ook _hoe_ je zaken moet doen. Verleden Zondag met de
+grand-prix heb ik nog zeven kijkers verkocht! 'n Goeie dag gehad en als
+d'r maar meer Amerikaanders waren--ze blijven weg door de oorlog--zou ik
+nog meer verkoopen. Dat bennen roijale lui, die dingen niet af; ik ken
+ze an d'r uiterlijk; ze hebben allemaal zoowat eigenaardigs, en bij
+enkelen liggen de dollars 'n duim dik op d'r gezicht. Och! Och! wat 'n
+menschen van geld!--ik vraag ze nooit francs--en ik spreek ze aan in d'r
+eigen taal, dat flatteert ze, weet je?
+
+Want to buy a beautiful glass, sir? zeg ik.
+
+Als ze dan kijken en vragen: how much? bennen ze mijn hoor je. Dan zeg
+ik: ten dollars of twelve dollars, of wat me zoo in den kop komt en ik
+kijk ze erg vriendelijk an, daar kunnen vooral de Amerikaander dames
+niet tegen--dan koopen ze en ik steek de dollars op met: God bless
+you--verslijt 'm in gezondheid!
+
+Zie ik een Duitsche mof, dan vraag ik Marken--daar zit ook altijd nog
+een masseltje in den prijs--een mark is toch ruim één franc twintig.
+
+--En wat vraag je aan Russen?
+
+--'k Spreek geen Russisch, die behandel ik als de amis de la nation; 'k
+vraag maar 4 francs meer dan aan een Franschman, omdat derlui natie
+zooveel grooter is.
+
+Mijnheer Negotiant knipte herhaaldelijk guitig met zijn eene oog en liet
+er dadelijk op volgen: Brazilianen bennen ook goeie koopers, die ken ik
+an d'r bruine gezichten en de groote diamanten, die ze dragen. Spanjolen
+zag je hier vroeger veel, maar daar zit geen zegen an, die hebben mooie
+namen en trotsche manieren, maar weinig centen en tegenwoordig blijven
+ze ook al weg om den oorlog.
+
+--En de Hollanders?
+
+--Mijn landslui? Dat bennen beste menschen, maar ze hebben allemaal
+kijkers t'huis zeggen ze. O ja! dat's waar ook, hoe heet de burgemeester
+van Amsterdam ook weer?
+
+--Vening Meinesz.
+
+--Neen die was 't niet! Wie was er voor hem?
+
+--Mr. van Tienhoven.
+
+--Die was 't ook niet, jelui heb toch nog meer burgemeesters gehad niet
+waar?
+
+--Zeker! Den Tex, Van Vollenhoven, Fock.
+
+Neen! 't was een naam zoowat tusschen Den Tex en Vollenhoven in, enfin!
+dat doet er niet toe, maar 'k ontmoette hem een jaar of wat geleden ook
+bij de courses. Hij zat met z'n dochter in een rijtuig, ik hoorde
+toevallig dat hij de Burgemeester van Amsterdam was, ik naar hem
+toe:--Bonjour meneer de Burgemeester, zei ik, hoe gaat het, familie ook
+wel? 'k Zag aan den man z'n gezicht, dat hij blij was een compatriot te
+ontmoeten, hij keek me zoo aán. Negotiant trok een allergrappigst
+gezicht--heel vriendelijk weet je? Ik liet hem een jumelle zien, precies
+'t broêrtje van dezen--neem maar gerust in je handjes Mevrouw. 't Is een
+fijne achromatische kijker. Burgemeester, zeg ik, bederf je dochters
+oogen niet langer met dat lor dat zij daar in de handen heeft.--De man
+keek me dankbaar an, ging over z'n zak, gaf me een Louis en z'n dochter
+de jumelle--en ze hadden er wel zes thuis! 'n Fijn man, hè? Ja, die
+burgemeester, die had nog wat over voor 'n landsman.
+
+--Heel aardig gevonden koopman, maar we loopen er niet in, hoor!
+
+--Nou! loop er dan uit voor mijn part meneer--maar ik ben toch blij, dat
+ik weer eens Hollandsch heb kunnen spreken en voor je glas bier en je
+sigaartje--'t is bijna op--blijf ik je dankbaar, evenwel je bent tegen
+je zelf, want in Holland maken ze zulke kijkers niet, maar enfin je wil
+nou eenmaal geen goed gedaan wezen.--Welzeker meneer, assieblieft met
+genoegen.
+
+--Hè, wat bedoel je?
+
+--O, excuseer, ik dacht als dat u vroeg of ik nòg zoo'n sigaartje wou.
+
+--Ha, ha, ha! Ziedaar ouwe heer!
+
+--Merci! 'k Zal eerst dit eindje heelemaal oprooken, ze bennen fijn,
+zeker Havana--hij stak de sigaar in zijn zak en vroeg:
+
+--Blijft u nog lang te Parijs?
+
+--Nog een dag of zes.
+
+--En gaat u dan weer naar Amsterdam?
+
+--Natuurlijk!
+
+--Doe me dan pleizier en zeg de Jodenbreestraat van me goeiendag. 'k Ben
+d'r groot geworden, vatje? 't Is mijn geboortegrond, daar blijft een
+mens altijd wat voor voelen. Is die groote winkel van De Vries van
+Buuren d'r nog?
+
+--Zeker!
+
+Schuins d'r over kocht ik altijd mijn sigaren in een klein winkeltje
+lekkere zware Seedleaf sigaren, de man die ze maakte was een klein, dik
+kereltje met een groot hoofd, "klein Duimpje" noemden we hem. En bestaat
+die koekbakkerij van Frankfort nog?
+
+--Bij de Hoogstraat?
+
+--Dezelfde. Man! wat een overheerlijke boterkoek bakken ze daar. 'k Kan
+d'r naar verlangen, en gemberkoek en mangelenkoek en kaakies! Laat ze
+nou zeggen wat ze zeggen willen, meneer, tegen die dingen kunnen de
+Fransche patissiers niet aan. Zij gebruiken die goeie, koschere boter
+niet zooals bij ons en niet zulke fijne ingrédienten ... en zie je op de
+Breestraat nog zooveel wagens met zuur en schelvisch en van die emmers
+lever? Manlief, ik wou dat ik die schelvischlever hier had, dat is een
+eten, nou! Zijn oogen glinsterden. Daar weten ze hier niet van. Ja
+Frankrijk is een best land, maar boter, zuur en visch hebben ze een boel
+beter in Holland.
+
+--Mesdames! Mijnheer Negotiant stond op, maakte een sierlijke buiging,
+pakte zijn jumelles en pince-nez bij elkaar en zei: Mesdames, Messieurs!
+j'ai l'honneur de vous saluer--ik ga naar de kazerne. Daar zal ik
+vanavond nog wel een paar van die jonge snuiters vinden die een monocle
+noodig hebben, Charmé d'avoir fait votre connaissance wel thuis en de
+complimenten aan de Breestraat!
+
+Nog even keerde hij zich om, toen hij pas of tien van ons verwijderd
+was, hield de paêrlemoeren jumelle even voor de oogen, en maakte toen
+een vragend gebaar met het hoofd en beide handen.
+
+--Wij schudden "neen."
+
+Negotiant haalde met een medelijdend lachje de schouders op en verdween
+in de richting der kazerne.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Op reis en thuis, by Justus van Maurik, jr.
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP REIS EN THUIS ***
+
+***** This file should be named 13705-8.txt or 13705-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/7/0/13705/
+
+Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
+Proofreading Team.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+*** END: FULL LICENSE ***
+