summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/13346-h/13346-h.htm
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '13346-h/13346-h.htm')
-rw-r--r--13346-h/13346-h.htm3402
1 files changed, 3402 insertions, 0 deletions
diff --git a/13346-h/13346-h.htm b/13346-h/13346-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..2e71420
--- /dev/null
+++ b/13346-h/13346-h.htm
@@ -0,0 +1,3402 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --><html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=UTF-8">
+
+<title>Reis naar Yucatan</title>
+<link href="style/gutenberg.css" rel="stylesheet" type="text/css">
+<link href="style/arctic.css" rel="stylesheet" type="text/css">
+<link href="style/print.css" rel="stylesheet" type="text/css" media="print">
+<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/DC/elements/1.0/">
+<meta name="author" content="D&eacute;sir&eacute; Charnay (1828&#8211;1915)">
+<meta name="DC.Creator" content="D&eacute;sir&eacute; Charnay (1828&#8211;1915)">
+<meta name="DC.Title" content="Reis naar Yucatan">
+<meta name="DC.Date" content="### August 2004">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Reis naar Yucatan, by Desire Charnay
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Reis naar Yucatan
+ "De Aarde en haar Volken," jaargang 1886
+
+Author: Desire Charnay
+
+Release Date: September 1, 2004 [EBook #13346]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIS NAAR YUCATAN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<span class="pageno"><a id="d0e63"></a>Bladzijde 17</span><a id="d0e64"></a><h1>Reis naar Yucatan</h1><a id="d0e67"></a><p id="d0e68"></p>
+<div id="d0e69" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-017.jpg" alt="Het stadhuis te Merida."></p>
+<p class="figureHead">Het stadhuis te Merida.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e73">Bij allen, die zich bezig houden met de zoo belangwekkende studie van de amerikaansche oudheid, dat wil zeggen met de studie
+der beschaving en der geschiedenis van Amerika v&oacute;&oacute;r de ontdekking door Columbus en de verovering door de Spanjaarden en andere
+europeesche mogendheden,&#8212;bij die allen is de naam van den heer D&eacute;sir&eacute; Charnay geen onbekende. Hij gaf ons belangrijke studi&euml;n
+over het oude Mexico en andere landen van Centraal-Amerika, die hij zelf bereisde, voornamelijk met het doel om de nog overgebleven
+sporen en gedenkteekenen eener ondergegane beschaving te leeren kennen, en daarmede winst te doen voor de oplossing van zoo
+menig gewichtig vraagstuk op ethnografisch gebied. De lezers van <i>De Aarde</i> brachten wij nog niet met den arbeid van den heer Charnay in kennis: wij willen dit thans doen, door hem te vergezellen op
+zijne reis naar het schiereiland Yucatan, niet een der minst belangrijke landstreken van Centraal-Amerika.
+
+
+</p><a id="d0e78"></a><h1>I</h1>
+<p id="d0e81">Den 1<sup>sten</sup> December 1881 wierp de boot het anker uit op de reede van het dorp Progreso, de tegenwoordige haven van het schiereiland.
+Er woei een vrij harde noordenwind, en als trouwens alle groote stoomschepen, moesten wij het anker uitwerpen op vier &agrave; vijf
+mijlen afstands van den wal, dien wij ter nauwernood konden zien: de kleine gebouwen van Progreso krompen op dien afstand
+tot mikroskopische huisjes samen. Deze kust met hare ondiepten en zandbanken staat sinds lang ter kwader naam; evenmin als
+wij, konden de eerste spaansche ontdekkers haar van nabij naderen. Bij ruw weer is de ontscheping zeer gevaarlijk; maar de
+bootslieden zijn zoo voor hunne taak berekend, dat zij ons zonder eenig letsel, uitgenomen een aanval van zeeziekte, aan den
+kleinen houten havendam brengen.
+
+</p>
+<p id="d0e86">Yucatan is een groot schiereiland, waarvan de vorming nog niet voltooid is. Het noordelijk gedeelte, waar de kalkachtige bodem
+nog maar met eene dunne laag teelaarde is bedekt, is eene dorre kale vlakte; in het midden wordt de grond, sinds langer gevormd,
+vruchtbaarder en minder vlak; in het zuiden eindelijk verheffen zich vrij hooge heuvels, die in verband staan met de vertakkingen
+van de sierra Madre, welke zich door geheel Centraal-Amerika uitstrekt. Het schiereiland, dat noch rivieren, noch stroomende
+wateren heeft, strekt zich van het zuiden naar het noorden in de golf <span class="pageno"><a id="d0e88"></a>Bladzijde 18</span>van Mexico uit, tusschen den achtsten en den twaalfden graad oosterlengte van Mexico, en den achttienden en den twee-en-twintigsten
+graad noorderbreedte.
+
+</p>
+<p id="d0e90">De eerste berichten omtrent Yucatan, of althans omtrent zijne bewoners, zijn afkomstig van Columbus zelven, die op den 30<sup>sten</sup> Juli 1502, toen hij op het Pijnboomeneiland, ten zuiden van de noordwestpunt van Cuba, vertoefde, van den kant van het westen
+eene groote boot zag naderen, uit een enkelen boomstam gehouwen, bemand met vier-en-twintig roeiers en voerende een cacique
+(opperhoofd, vorst) met zijne familie. Verder wordt verhaald, dat deze lieden het sedert bekend geworden yucatansche kostuum
+droegen, en dat er zich aan boord van de boot, hetzij ten gebruik van de reizigers, hetzij om daarmede handel te drijven,
+koeken of brooden van ma&iuml;s bevonden, benevens verschillende dranken uit ma&iuml;s bereid; voorts cacao, groote houten zwaarden
+met sneden van obsidiaan, koperen bijlen en katoenen stoffen, zoo zacht als zijde en met levendige verwen gekleurd.
+
+</p>
+<p id="d0e95">Ik twijfel er zeer aan of wij in dit verhaal werkelijk met Yucateken of Mayas te doen hebben. Die groote, acht voet breede
+boot, uit een enkelen boomstam gehouwen, kan niet uit Yucatan afkomstig zijn, een bij uitnemendheid droog en, althans in zijn
+noordelijk gedeelte, tamelijk dor en kaal land. Bovendien kan men niet aannemen dat de Mayas, die een rotsachtig, vlak en
+droog land bewoonden, waar geen rivieren zijn, ervaren zeelieden waren; koperen bijlen waren er bij hen wel niet veel te vinden,
+evenmin als obsidiaan; eerst op hunne tweede reis, onder Gryalva, vonden de Spanjaarden zulke bijlen in Tabasco.
+
+</p>
+<p id="d0e97">Het komt mij dus waarschijnlijk voor, dat de boot, waarvan Columbus spreekt, van Tabasco kwam: eene landstreek, toen niet
+minder beschaafd dan Yucatan, maar bovendien doorsneden door groote rivieren en bedekt met een weelderigen plantengroei, waar
+de inboorlingen te kiezen hadden tusschen ceders en andere woudreuzen om de groote kano's te vervaardigen, waarvan het verhaal
+melding maakt. Deze inboorlingen gingen evenals de Mayas gekleed; maar de voorraad cacao vooral pleit ten voordeele van mijne
+onderstelling, want de cacao is in Yucatan niet inheemsch, maar was en is nog steeds een der voornaamste voortbrengselen van
+Tabasco.
+
+</p>
+<p id="d0e99">Wat mij het meeste verwondert in dit verhaal, is dat Columbus, bij de voor hem zoo geheel onverwachte verschijning van die
+groote sloep met hare beschaafde bemanning, niet op de gedachte is gekomen om deze zeevaarders te volgen, ten einde te zien
+van waar zij kwamen: hadde hij dit gedaan, dan zou hij ook de eerste zijn geweest die de beschaafde landen van Amerika had
+ontdekt.
+
+</p>
+<p id="d0e101">De eer der ontdekking van het schiereiland behoort nu aan Vincente Yanez Pinzon, die in gezelschap van Juan Diaz Solis in
+1506 langs de oostkust van Yucatan voer, maar zonder haar te verkennen. In 1511 eindelijk leed Valdivia, die met twintig Spanjaarden
+van Darien kwam en naar Cuba ging, schipbreuk op de riffen, bekend onder den naam van de Alacranes. De bemanning, in eene
+sloep saamgepakt, werd, na eene omzwerving van dertien dagen, door den stroom op eene onbekende kust geworpen. Dat was de
+kust van Yucatan; de schipbreukelingen, wier aantal door dorst en honger tot dertien geslonken was, bevonden zich aan de oostelijke
+punt van het schiereiland, bij kaap Catoche. Zij werden door de inboorlingen gevangen genomen en bestemd om geofferd en gegeten
+te worden; allen ondergingen dat lot, met uitzondering van twee, Geronimo de Aguilar en Gonzalo Guerrero, van wie wij nog
+nader spreken zullen. Deze ontdekking was dus bloot toevallig; opzettelijke ontdekkingstochten werden eerst eenige jaren later
+ondernomen.
+
+</p>
+<p id="d0e103">In 1517 doet Cordova een verkenningstocht langs het noordoosten van het schiereiland; hij volgt de kust van het oosten naar
+het westen en bespeurt verschillende groote steden en hooge pyramiden; hij gaat te Camp&ecirc;che aan land, waar hij tempels vindt
+aan Kukulcan, den god Quetzalcoatl der Tolteken, gewijd; op de muren van die tempels zag hij groote slangen in relief uitgehouwen,
+gelijk aan die waarmede de buitenmuur van den grooten tempel te Mexico prijkte. Door gebrek aan water gedrongen, landde Cordova
+aan de westkust, te Potonchan, thans Champoton, waar hij, in een gevecht met de Indianen, zeven-en-vijftig zijner manschappen
+verloor, terwijl geen enkele van zijn volk ongekwetst bleef. Ook later vond Cortez nergens zoo hardnekkigen tegenstand en
+zoo geduchte vijanden; want in de gevechten, die hij vijftien dagen lang tegen de Tlascalteken, de moedigsten onder alle indiaansche
+stammen der hoogvlakten, moest leveren, verloor hij niet meer dan drie man.
+
+</p>
+<p id="d0e105">In 1518 landt Gryalva te Cozumel, op de oostkust van Yucatan; vandaar verkent hij eene groote stad aan de kust, Tuloom, Pamal
+of Paalmul; vervolgens richt hij zich noordwaarts en vaart, als zijn voorganger, langs de kust van het schiereiland. Ook hij
+houdt te Camp&ecirc;che en Potonchan op, gaat Tabasco verkennen en dringt door tot de eilanden Sacrificios en Ulua, vlak tegenover
+de plek, waar later Vera-Cruz zou verrijzen.
+
+</p>
+<p id="d0e107">In 1519 volgt Cortez denzelfden weg; maar gelukkiger dan zijne beide voorgangers, vindt hij in Yucatan Aguilar, die hem als
+tolk zal dienen, en op de kust van Tabasco ontvangt hij, uit handen van een cacique, Marina, het indiaansche meisje, die als
+het ware de beschermengel werd van zijne expeditie.
+
+</p>
+<p id="d0e109">Het zonderlingste is dat de Spanjaarden nooit den waren naam hebben geweten van het land, dat zij veroverd hadden. De naam
+Yucatan zou, naar sommigen zeggen, zijn afgeleid van de woorden <i>Chac-Nuitan</i> (wij begrijpen niet), waarmede de inboorlingen antwoordden op de vraag der Spanjaarden naar den naam van hun land. Anderen
+verklaren dien naam weer op andere wijze en wagen de wonderlijkste gissingen, die elkander lijnrecht tegenspreken. Trouwens
+dit behoeft ons niet te verwonderen, als wij bedenken dat de geschiedschrijvers <span class="pageno"><a id="d0e114"></a>Bladzijde 19</span>op achttien verschillende manieren den naam schrijven van Montezuma, dien keizer met wien de Spanjaarden toch van nabij bekend
+waren! Men kan zich eenigszins voorstellen met hoeveel moeite de lezing der kronieken gepaard gaat; eerst wanneer men op de
+plaatsen zelve geweest is, is het mogelijk achter de waarheid te komen. Wij zullen al deze gissingen en onderstellingen laten
+rusten, en beproeven of wij met behulp van de overgebleven monumenten de verborgenheden van den ouden tijd kunnen ontsluieren.
+Juist hier hebben de Indianen tal van herinneringen achtergelaten.
+
+</p>
+<p id="d0e116">Het is niet der moeite waard, zich in het dorp Progreso op te houden: het is eene verzameling van pakhuizen, winkels en ellendige
+krotten, midden in het zand; de uiterst eenvoudige havendam verkeert in zeer verwaarloosden toestand. De tijd ontbreekt ons
+voor verder onderzoek, want de trein, die ons naar Merida moet brengen, vertrekt ten tien uren; en de vele koffers van onze
+bagage moeten nog eerst door de beambten der douane worden nagezien. Deze heeren zijn overigens zoo beleefd mogelijk: van
+mijne vijf-en-twintig koffers wordt er maar een, en dat nog voor den vorm, geopend; allen beijveren zij zich om ons zoo spoedig
+mogelijk te helpen. Toch is het goed, zijne bagage niet uit het oog te verliezen, want de commissionairs zijn bijzonder vlug
+met andermans goed, zoo als ik later tot mijne schade ondervond. De stoomfluit gilt, en wij vertrekken.
+
+</p>
+<p id="d0e118">Progreso is omringd door een gordel van moerassen, die een zeer treurigen aanblik opleveren; dan komen wij aan eene steenachtige
+vlakte, hier en daar met struiken en onkruid begroeid. Het is een eentonig, dor landschap; maar de bewoners hebben toch dien
+kalen dorren grond zeer winstgevend weten te maken. Ter wederzijde van den weg strekken zich onafzienbare <i>henequen</i>-plantages uit: eene agave met smalle en lange bladeren, waaruit zeer stevige en fraai glanzende draden vervaardigd worden,
+die op de amerikaansche markten grooten aftrek vinden. Links en rechts wijzen verspreide boomgroepen de woningen van de eigenaars
+der plantages aan; de hooge schoorsteenen, waaruit de rook opstijgt, zijn die van de fabrieken, waarin de bewerking van de
+henequen-bladeren plaats heeft. Wij ontmoeten op onzen weg nog zeer enkele dorpen: voor de deur der langwerpige, met riet
+gedekte hutten, zitten bronskleurige vrouwen met korte rokken en omgeven door talrijke groepen naakte kinderen, die den voorbij
+snorrenden trein met verbaasde oogen aanstaren.
+
+</p>
+<p id="d0e123">Na een rit van drie uren komen wij te Merida. Hotels zijn hier niet, waaruit volgt dat de verschijning van een reiziger eene
+zeldzaamheid is; evenmin staan er huizen te huur, hetgeen pleit voor de welvaart der stad, want vroeger stonden er een aantal
+huizen leeg. Wij loopen gevaar, onder den blooten hemel te moeten overnachten; en niet dan met veel moeite gelukt het ons,
+eene kleine kamer van vijf el in het vierkant te vinden, waar wij met ons drie&euml;n moeten logeeren: mijn secretaris, mijn bediende
+en ik zelf. In de geheele stad is maar een restaurant&#8212;en welk een restaurant! Maar het komt er niet op aan: het is ons om
+de ru&iuml;nen en de oude monumenten te doen, en niet om een lekkere keuken. Bovendien worden wij ge&iuml;ntroduceerd in eene amerikaansche
+club, waar wij onze avonden aangenaam kunnen doorbrengen.
+
+</p>
+<p id="d0e125">Merida werd in 1542 gesticht door Francisco de Montejo, tijdens zijne tweede expeditie: want de veroveraar slaagde er eerst
+bij deze tweede expeditie in, dit kleine dappere volk te onderwerpen en eene der merkwaardigste nationaliteiten van Amerika
+te vernietigen. Hij kwam hier voor het eerst in 1527; hield Chichen gedurende twee jaren bezet, en moest zich toen, overwonnen
+en uitgehongerd, terug trekken om te Mexico versterking te gaan halen. Bij zijne tweede expeditie gelukte het Montejo eindelijk,
+door het verraad van een opperhoofd, vasten voet in het land te winnen. De verovering van Yucatan kostte inderdaad meer inspanning,
+meer menschenlevens en meer tijd dan de verovering van geheel Mexico; en ook na dien tijd moest de overwinnaar voortdurend
+op zijne hoede zijn tegen telkens dreigende opstanden van een volk, dat het vreemde juk verafschuwde en altijd gereed was
+naar de wapenen te grijpen.
+
+</p>
+<p id="d0e127">Het zou wel der moeite waard zijn, meer in bijzonderheden met deze langdurige worsteling bekend te zijn; maar oneindig belangwekkender
+ware de kennis van de geschiedenis van het volk, dat ons zulke schoone monumenten heeft achtergelaten. Deze monumenten, die
+tot zoo velerlei gissingen en hypothesen aanleiding hebben gegeven, zijn heden ten dage de eenige overgebleven getuigen van
+die in geheimenissen gehulde beschaving. Toch ontbraken tijdens de verovering de authentieke documenten geenszins: manuscripten
+op alo&euml;papier en op geitenvel, kaarten, afgodsbeelden, vaatwerk, nog levende traditi&euml;n en overleveringen: ziedaar bouwstoffen
+genoeg, waarvan de toenmalige schrijvers gebruik hadden kunnen maken om ons eene uit de bronnen geputte geschiedenis te geven
+van de oude beschaving der Mayas. Maar de Spanjaarden dachten aan geheel andere dingen; en op het voorbeeld van den bisschop
+Zumarraga van Mexico, die de jaarboeken der Azteken vernietigde, verbrandde ook de bisschop Landa, van Merida, te Camp&ecirc;che
+alle documenten, die hij kon bijeen brengen. Na dit schoone auto-da-f&eacute; zette hij zich aan het schrijven zijner geschiedenis
+van Yucatan! Zeker eene zonderlinge wijze van behandeling der bronnen!
+
+</p>
+<p id="d0e129">Ons blijft dus niets anders over dan met de meeste nauwgezetheid alle sporen en herinneringen van den vroegeren toestand uit
+te vorschen en te onderzoeken, en door de studie van de monumenten en bas-reliefs, door vergelijking van deze kunstwerken
+met anderen die ons bekend zijn, te trachten een beeld te ontwerpen van dat verleden, dat steeds nader bij komt, hoe meer
+men het bestudeert. Men heeft meermalen aan deze monumenten eene tot in het belachelijke overdreven oudheid toegekend: inderdaad
+zijn zij betrekkelijk modern, zoo als ik nader, op onzen tocht, hoop te bewijzen.
+<span class="pageno"><a id="d0e131"></a>Bladzijde 20</span></p>
+<p id="d0e132">Merida werd gebouwd op de plaats van het oude Ti-hoo of T-hoo, eene der grootste yucatansche steden, waarvan de overlevering
+echter ter nauwernood melding maakt. Volgens het zeggen der Spanjaarden, was de stad sedert lang verlaten; uit de feiten zelven
+schijnt echter te blijken dat zij nog bewoond was. Wel waren de pyramiden met struiken en distels begroeid, maar de daarop
+rustende gebouwen waren, naar de verklaring van Landa, nog ongeschonden in wezen; en Francisco de Montejo kon in de stad zijn
+intrek nemen met zijne troepen en het contingent der Indianen van Mani. Bovendien verhaalt de jongste geschiedschrijver van
+Yucatan, de heer Eligio Ancona, van een beroemden tempel, H-Chum-C&aacute;an genoemd, hetgeen zooveel beteekende als: het middelpunt
+en de grondslag des hemels. De inwoners van T-hoo waren bijzonder gehecht aan dit hoog vereerde heiligdom; en om die bijgeloovige
+vereering uit te roeien, was het, volgens Cogolludo noodig, den tempel af te breken en hem te vervangen door eene aan Sint-Antonius
+gewijde kapel.
+
+</p>
+<p id="d0e134"></p>
+<div id="d0e135" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-020.jpg" alt="Het huis van don Francisco de Montejo te Merida. (Blz. 22)"></p>
+<p class="figureHead">Het huis van don Francisco de Montejo te Merida. (<a id="d0e138" href="#d0e146">Blz. 22</a>)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e142">Uit deze mededeeling blijkt, dunkt mij, onwedersprekelijk dat de tempels en paleizen van Merida ook nog na de komst der Spanjaarden
+bestonden en dat daarin nog dienst werd gedaan; maar deze tempels en paleizen beantwoordden gewis niet aan de overdreven beschrijving
+van den abt Brasseur. Op het gebied der archeologie vooral is het zeer gevaarlijk, aan de verbeelding vrij spel te laten;
+het gezond verstand is ook hier de beste gids; en zucht naar het wonderbare spant ons bij het onderzoek soms gevaarlijke strikken.
+Laat mij daarvan een sprekend voorbeeld verhalen. Landa geeft ons eene beschrijving van het voornaamste gebouw, dat uit vier
+vleugels bestond, rustende op pyramiden; deze vleugels omgaven eene langwerpige binnenplaats, die door hare gedaante herinnerde
+aan het paleis der nonnen, dat wij te Uxmal zullen bezoeken, en door haar bouwstijl aan een der paleizen van Kabah, welke
+wij eveneens zullen zien. De twee hoofdvleugels nu bevatten vijftien vertrekken van twaalf voet lengte, hetgeen te zamen honderd-tachtig
+voet bedraagt; voegt men daar nu veertig voet bij voor de dikte der muren, dan krijgen wij tweehonderd-twintig voet voor het
+geheele gebouw. Volgens de teekening hebben de beide terrassen, die het paleis dragen, eene meerdere oppervlakte van tachtig
+voet: zijnde een totaal van driehonderd voet voor het terras, waarop het paleis was gebouwd. Deze cijfers schijnen de verbeelding
+van den abt te hebben ontvlamd: de driehonderd voet worden tot drieduizend voet voor het geheele monument. Het is maar een
+nul te veel, doch het maakt nog al eenig verschil!
+
+</p>
+<p id="d0e144">De stad Merida, met de bouwstoffen der indiaansche stad opgetrokken, heeft, als alle spaansche steden in de Nieuwe-Wereld,
+de gedaante van een groot dambord, gevormd door rechte straten en zuiver vierkante blokken huizen. In het midden bevindt zich
+een groot plein, dat thans in een soort van square is herschapen, met eene waterlooze fontein, dorre en verschroeide bloemperken,
+en jonge boompjes, in welker schaduw misschien het verre nageslacht eens zal mogen wandelen.&#8212;De eene zijde van dit plein wordt
+ingenomen door het stadhuis, een groot gebouw met twee galerijen boven elkaar, en volkomen gelijkende op alle stadhuizen in
+de spaansche koloni&euml;n. Daar tegenover verrijst de kathedraal, die inderdaad een monument mag worden genoemd voor eene stad,
+welke thans eene bevolking telt van dertigduizend zielen, maar waarschijnlijk nog geen tienduizend inwoners had toen deze
+kerk werd gesticht. Het heiligdom dagteekent toch uit de laatste jaren der zestiende eeuw, toen de kolonie nog pas in haar
+opkomst was en over zeer weinig hulpmiddelen had te beschikken: de inwoners moesten waarlijk voor hunne godsdienst veel over
+hebben om de zware onkosten van dit werk te kunnen bestrijden. De kerk, in 1598 voltooid, kostte vijftienhonderd-duizend francs:
+eene som, die gelijk staat met omstreeks vijftien millioen, naar de tegenwoordige geldswaarde berekend.&#8212;De voorgevel wordt
+ter wederzijde geflankeerd door twee sierlijke torens; het inwendige maakt een grootschen indruk: het bestaat uit drie ruime
+schepen, <span class="pageno"><a id="d0e146"></a>Bladzijde 22</span>waarvan de gewelven gedragen worden door twaalf kolossale zuilen in het midden, en door twintig anderen van gelijke afmeting,
+die ten deele in de muren gevat zijn. In de zijschepen bevinden zich kleine kapellen; en het geheel vertoont dien stempel
+van soliediteit, die aan alle gewrochten der veroveraars eigen was.
+
+</p>
+<p id="d0e148">Ten zuiden van het plein staat het huis van Francisco de Montejo: dit huis, het oudste van Merida, is eene kostbare herinnering
+uit de eerste tijden der verovering: het werd in 1549 gebouwd. De zuilen ter wederzijde van de deur dragen twee spaansche
+soldaten; aan iedere zijde van het venster der eerste verdieping staat het beeld van een gewapenden ridder, wiens voeten rusten
+op een neergehurkten Indiaan. Deze voorgevel met zijn zuilen, zijn standbeelden, zijn wapenschilden, medaillons en lijsten,
+is een aardig staaltje van den renaissance-stijl in Amerika; maar zoo het plan door een Spanjaard werd geteekend, werd het
+werk zelf waarschijnlijk door Indianen uitgevoerd, want toen dit huis gebouwd werd, was het getal der Spanjaarden nog zeer
+gering: zij waren nog een troep soldaten en avonturiers, die het allen als eene vernedering zouden hebben beschouwd, steenhouwersarbeid
+te verrichten. Zij vonden trouwens bij de Indianen de werklieden, die zij noodig hadden: de Mayas, die hun land met zoo vele
+merkwaardige monumenten hadden versierd, waren bekwaam genoeg om ook deze en dergelijke werken uit te voeren: nog heden staan
+zij bekend als de beste metselaars van Amerika.
+
+</p>
+<p id="d0e150">Met uitzondering van deze gebouwen, bestaat de stad uit eene verzameling van lage huizen met platte daken en getraliede vensters;
+sommigen hebben, bij uitzondering, eene bovenverdieping. Van buiten trekken zij door niets de aandacht; maar inwendig zijn
+zij uitnemend ingericht: groote, ruime, luchtige vertrekken komen uit op eene door moorsche galerijen omgeven binnenplaats,
+die met bloemen, heesters en palmen is versierd en een recht aangenaam verblijf oplevert.
+
+</p>
+<p id="d0e152">Alle leven en beweging trekt zich samen op en om de markt: overal elders is de stad als uitgestorven. Daar ziet men de voornaamste
+winkels en handelskantoren; Spanjaarden, Indianen en mestiezen bewegen zich hier, in hunne eigenaardige kleederdrachten, onophoudelijk
+heen en weder. In de naburige straten ziet men groepjes indiaansche vrouwen, op de trottoirs neergehurkt voor haar kleine
+uitstallingen van vruchten en groenten. De markt zelve levert een schilderachtigen aanblik op: die schaar van vrouwen, in
+haar bevallig sneeuwwit gewaad, maakt een verrassenden indruk. In lange rijen staan zij daar, de schouders ontbloot of met
+een glanzend witte roboza bedekt en bieden zwijgend of met een stillen glimlach hare eenvoudige koopwaren aan. Gij ziet daar
+vrouwen van allerlei leeftijd, mooien en leelijken, maar de smaakvolle kleeding geeft aan allen eene eigenaardige bekoorlijkheid.
+
+
+</p>
+<p id="d0e154"></p>
+<div id="d0e155" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-021.jpg" alt="De kathedraal te Merida."></p>
+<p class="figureHead">De kathedraal te Merida.</p>
+</div><p>
+
+</p><a id="d0e159"></a><h1>II</h1>
+<p id="d0e162">De Mayas zouden, naar men zegt, tot de oudste rassen behooren, hoewel men niets omtrent hun oorsprong weet; hun type en hun
+taal onderscheidt hen evenzeer van de omwonende stammen als van die der hoogvlakten. De Maya is evenmin verwant aan de Otomis
+van Mexico als aan de Roodhuiden van Noord-Amerika, waaruit de onhoudbaarheid blijkt van de theorie, die alle volken van geheel
+Amerika als tot een en hetzelfde ras behoorende beschouwt. Men zegt dat de Mayas in het bezit waren eener oorspronkelijke
+beschaving, die zich hetzij rechtstreeks, hetzij door tusschenkomst van bevriende stammen, in Guatemala, Chiapas en Yucatan
+zou hebben uitgebreid; maar deze hypothese, samenhangende met de onderstelling eener hooge oudheid van deze kultuur, mist
+allen deugdelijken grond. Volgens deze zelfde theorie zouden de monumenten en de ru&iuml;nen, die men in de gewesten van Centraal-Amerika
+vindt, overblijfselen zijn van deze oorspronkelijke inlandsche beschaving; maar op grond van onze jongste ontdekkingen, durven
+wij dit ten stelligste tegenspreken. Wij weten toch, en alle traditi&euml;n stemmen daarin overeen, dat de hier bedoelde landen,
+tegen het einde der elfde en het begin der twaalfde eeuw, door de Tolteken werden veroverd en beschaafd; en wanneer wij daarbij
+in aanmerking nemen, dat alle onderling overeenkomende monumenten aan hetzelfde ras moeten behooren; dat wij afdoende bewijzen
+bezitten van den architektonischen zin en de technische bekwaamheid der Tolteken; dat bovendien de bouwstijl en de dekoratie
+der monumenten volkomen overeen stemmen met de beschrijvingen, die de geschiedschrijvers ons gegeven hebben van de tolteeksche
+tempels en paleizen op de mexicaansche hoogvlakten,&#8212;dan mogen wij met vrij veel zekerheid vaststellen, dat er in Centraal-Amerika
+nooit eene andere kultuur bestaan heeft dan de tolteeksche; althans, zoo er ooit eene andere bestaan heeft, dat daarvan geen
+enkel spoor is overgebleven, zoodat wij met haar geene rekening hebben te houden.
+
+</p>
+<p id="d0e164">De Tolteken zouden dus de Mayas gemaakt hebben tot hetgeen zij waren: een onder meer dan een opzicht belangwekkend volk, dat
+mede zijn deel moet hebben bijgedragen tot de schepping der kunstwerken, waaraan Yucatan zoo rijk is; dat eene zeer krachtige
+nationaliteit vormde, en beter en langer tijd dan eenig ander ras aan de vreemde overheerschers weerstand bood.
+
+</p>
+<p id="d0e166">Zoo als hij nog heden ten dage, na eene meer dan driehonderdjarige onderdrukking en vernedering is, onderscheidt de Maya zich
+nog van alle indiaansche stammen. Ik vind de Mayas een mooi slag van menschen, en ik betwijfel zeer of er onder de landbouwende
+klassen in Europa, naar evenredigheid, zoo veel welgebouwde menschen en zoo veel verstandige en intelligente koppen te vinden
+zijn. Zij hebben een rond hoofd, zwarte oogen, een gebogen neus, een kleinen mond en welgevormde ooren, fraaie tanden, een
+vooruitstekende kin en eene breede borst; hunne kleur is vrij licht bruinrood; hun haar is grof, zwart en niet krullend.
+
+</p>
+<p id="d0e168">Hunne oude maatschappelijke organisatie schijnt te wijzen op eene vroegere verovering. Aan het hoofd der hierarchie stond
+de koning; op hem <span class="pageno"><a id="d0e170"></a>Bladzijde 23</span>volgden de priesters, dan de adel, dan het volk, dan de slaven. Alle lasten en opbrengsten drukten op het volk; de grond was
+gemeenschappelijk eigendom, en elke Indiaan bebouwde het hem aangewezen stuk; de wijze van bebouwing was reeds toen dezelfde
+als nog tegenwoordig. Daar de rotsachtige bodem van het schiereiland geene gelegenheid aanbiedt tot ploegen, was de ploeg
+onbekend, evenals de Spanjaarden, die den ploeg kenden, er toch geen gebruik van maakten. Daarbij was de grond niet enkel
+steenachtig, maar bovendien met wouden bedekt; men kapte dus eenige maanden voor den regentijd de boomen om en verbrandde
+ze, nadat zij genoegzaam gedroogd waren, zoodat hunne asch tot bemesting kon dienen; vervolgens boorde men met een puntigen
+stok gaten in de aarde om daarin ma&iuml;s te zaaien. Deze wijze van bebouwing had natuurlijk ten gevolge dat de grond lang braak
+moest liggen; de verdeeling der landerijen was dan ook zoo geregeld, dat de akker eerst na verloop van vijf jaren weer in
+bebouwing kwam. Slechts een vijfde gedeelte van den grond werd dus werkelijk bebouwd; en hoe snel de boomen ook opschoten,
+kon het bosch zelden iets meer zijn dan hakhout. De opbrengst van den oogst werd in magazijnen geborgen, en vervolgens aan
+elke familie, naar gelang van hare behoeften, een deel uitgereikt.
+
+</p>
+<p id="d0e172">De Indiaan moest niet alleen den grond bebouwen, maar ook jagen en visschen, en langs de kust het zout inzamelen, en dat alles
+onder opzicht van daarvoor opzettelijk aangestelde ambtenaren, die over de opbrengst beschikten; de vrouwen en meisjes moesten
+spinnen en weven. De koningen, priesters en edelen leefden dus in overvloed en onbekommerd, te midden van feesten en uitspanningen
+van allerlei aard; maar zij voerden ook oorlog, en de Indiaan moest steeds gereed zijn om zijn heer in den krijg te volgen.
+De oorlogen waren talrijk genoeg, maar zij duurden kort: het lot van den veldtocht werd doorgaans in een enkelen slag beslist.
+Het ging daarbij wreedaardig toe: men kende geen medelijden met den overwonnen vijand; alles werd geplunderd en uitgemoord,
+en wat men niet mede kon nemen, werd vernield of verbrand. Dit verklaart ons het groote aantal van verwoeste steden en van
+nieuwe monumenten, die na afloop van den oorlog weder werden opgebouwd.
+
+</p>
+<p id="d0e174">Als zij ten krijg uittogen, beschilderden de Mayas, even als vele andere volksstammen, hun gelaat, en Bernal Diaz del Castillo,
+die meermalen met hen vocht, verhaalt ons dat zij een soort van harnas van gevoerd katoen droegen: eene wapenrusting, die
+de Spanjaarden onder Cortez later van hen overnamen; zij waren gewapend met boog en pijlen, met lans en schild, met slingers
+en groote houten slagzwaarden. Zij versierden hun hoofd met schitterend gekleurde vederbossen en verfden zich het gelaat wit
+en zwart, sommigen ook steenrood.
+
+</p>
+<p id="d0e176">Was men van den krijgstocht teruggekeerd, dan werd die verf weggewasschen en vervangen door een onvernietigbare tatouage:
+dit tatoueeren was, naar het schijnt, een privilege voor de edelen en de krijgslieden, die op deze wijze de herinnering aan
+hunne heldendaden bewaarden en zich van de massa des volks onderscheidden; Cogolludo verhaalt dat zij hun lichaam versierden
+met allerlei figuren en afbeeldingen van dieren, zooals arenden, tijgers, slangen en anderen. De jeugdige krijgsman begon
+met een of twee van deze symbolische figuren; maar elke nieuwe overwinning moest door een nieuw teeken worden herdacht, zoodat
+het lichaam van in den krijg vergrijsde helden eindelijk geheel met deze hi&euml;roglyphen bedekt was. Volkomen dezelfde gewoonte
+heerscht nog tegenwoordig in Nieuw-Zeeland en op andere eilanden van den Stillen-oceaan.
+
+</p>
+<p id="d0e178">De kleederdracht van de lieden uit de volksklasse was bij uitstek eenvoudig en bestond uit een kleinen doek, die de plaats
+verving van het traditioneele vijgenblad; trouwens het warme, aangename klimaat liet dit minimum van kleeding toe. Aguilar,
+een Spanjaard, die acht jaren lang krijgsgevangene was bij de Yucateken, was zoo volkomen gewend aan dit primitieve kostuum,
+dat hij met de europeesche kleeding niet meer terecht kon. De kinderen liepen tot hun tweede jaar naakt; de kleine meisjes
+droegen om haar middel een koord, waaraan eene schelp hing; bisschop Landa, die ons dit mededeelt, voegt er bij dat het als
+eene groote zonde en eene schandelijke daad werd beschouwd, haar deze schelp te ontnemen v&oacute;&oacute;r haar doop, die gemeenlijk tusschen
+het derde en het twaalfde jaar plaats had.
+
+</p>
+<p id="d0e180">De kleeding der adellijke mannen en vrouwen was zeer rijk en bestond uit tunica's en mantels van katoen, met verschillende
+figuren geborduurd of in sprekende kleuren beschilderd. De Mayas lieten hun haar groeien, maar knipten het op het voorhoofd
+boven de wenkbrauwen af; zij hadden weinig baard en trokken dien uit; de lieden van hooge geboorte en de jongelieden naar
+de mode moesten scheel zien: dit gold in de oogen der dames als bijzonder schoon. Om dit voorrecht deelachtig te worden, lieten
+de moeders een vlok hair over den neus der kinderen hangen, waarnaar zij onwillekeurig moesten kijken, zoodat zij eindelijk
+scheel zagen. De Mayas doorboorden ook hunne ooren, hunne lippen en hun neus, en droegen daarin houten en metalen ringen en
+andere sieraden.
+
+</p>
+<p id="d0e182">Evenals bij de Azteken, de Totonaken, de bewoners van Palenqu&eacute; en de Peruanen, heerschte ook bij hen de gewoonte der schedelmisvorming;
+maar dit gebruik was verre van algemeen en gold vermoedelijk ook als een privilege voor de adellijke famili&euml;n en de priesterkaste.
+Torquemada verhaalt daaromtrent het volgende: &#8220;Ten einde zich een woest en krijgshaftig voorkomen te geven, geldt voor hunne
+vorsten, in sommige provinci&euml;n, het gebod om zich het gelaat en het hoofd (met behulp der vroedvrouwen en der moeders) te
+misvormen, en daaraan eene puntige en langwerpige gedaante te geven, gepaard met een breed voorhoofd.&#8221; Ten aanzien van Tlaxcala
+voegt hij erbij: &#8220;Sommigen hebben een puntig hoofd en een plat voorhoofd; anderen gelijken op die Mexicanen en die lieden
+van Peru, wier schedel eenigzins de gedaante heeft van een hamer (?) of van een schip (?), die de fraaiste van allen is.&#8221;&#8212;Heel
+duidelijk is <span class="pageno"><a id="d0e184"></a>Bladzijde 24</span>deze beschrijving niet; vermoedelijk wil Torquemada te kennen geven, dat het hoofd buitengewoon langwerpig was. Landa zegt:
+&#8220;De vrouwen gingen zeer ruw met haar kinderen om; het kleine schepseltje was nauwelijks vier of vijf dagen oud, of zij legden
+het op den grond, op een bed van stokjes en riet, met het gezichtje voorover; dan klemden zij het hoofdje tusschen twee plankjes
+en drukten het met kracht, totdat, na verloop van eenige dagen, het hoofd den vereischten platten vorm had aangenomen.&#8221; Deze
+operatie was zoo pijnlijk en gevaarlijk, dat vele kinderen op het punt stonden daaraan te bezwijken; de schrijver zelf had
+een kind gezien, waarvan de schedel achter de ooren gespleten was: hetgeen ongetwijfeld meermalen moest gebeuren.
+
+</p>
+<p id="d0e186">De moderne geschiedschrijver Eligio Ancona beschrijft als volgt de politieke organisatie des lands voor de verovering: &#8220;Een
+of meer vorsten regeerden met onbeperkte macht; de priesters beheerschten het geweten; de edelen bekleedden alle openbare
+betrekkingen; de overgroote meerderheid des volks was in twee kasten verdeeld: plebejers, die alle lasten hadden te dragen
+voor het onderhoud der bevoorrechte standen, en slaven, die geheel aan de willekeur van den meester waren prijsgegeven.&#8212;Op
+politiek gebied, de autokratie; in stede van godsdienst, fanatisme; eene zeer onvolkomen beschaving en ontwikkeling, uitsluitend
+in handen der priesterkaste; bij de massa, onwetendheid en verdierlijking; slavenhandel en menschenoffers; de vrouw buiten
+de maatschappij zoo wel als buiten de familie gesloten; en bovenal de onrustige, onverzadelijke eerzucht der caciquen, telken
+dage en onder de nietigste voorwendsels het bloed des volks doende stroomen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e188">Deze beschouwing verraadt in ieder woord haar modern, doctrinair karakter: ge gevoelt het aanstonds, hier spreekt een man,
+in wiens mond de afgesleten fraseologie der negentiende eeuw bestorven ligt. Dit is zeker, dat, ondanks al deze gruwelen,
+dit kleine volk niet ongelukkig was, veel meer het tegendeel: het land was dicht bevolkt, en de monumenten leggen nog getuigenis
+af van den bloei der kunst. Wat heeft dit volk nu wel van de Spanjaarden ontvangen? Hebben zij zijn lot verbeterd; is het
+door hen minder onwetend geworden; is het peil der zedelijkheid werkelijk verhoogd? Voor de verovering werd Yucatan door ettelijke
+millioenen Indianen bewoond; tegenwoordig zijn er ter nauwernood nog honderdduizend over, en dezen verkeeren in ellendiger
+toestand en zijn dieper gezonken dan ooit te voren. Vanwaar dit? De verklaring is gemakkelijk genoeg: ieder volk heeft de
+godsdienst die het waard is en die het beste past bij zijne geestelijke ontwikkeling; elke beschaving is geschikt voor het
+volk, dat haar uit zich zelve ontwikkelt of van anderen overneemt en dan zoodanig wijzigt dat het zijn eigen karakter daarin
+ontplooien kan en ruimte en vrijheid van beweging vindt in gebruiken en instellingen, overeenkomende met zijn aard en zijn
+aanleg. Of die beschaving, in onze oogen en gemeten met onzen maatstaf, hoog of laag staat, is eene kwestie van ondergeschikt
+belang; aprioristische beschouwingen, uitgaande van eene of andere abstracte theorie, doen niets ter zake: de eenige vraag
+is, of die bepaalde kultuurtoestand past voor het volk, bij hetwelk wij dien aantreffen. En het antwoord op die vraag kan
+alleen de historie geven. Zooveel is zeker, en de indiaansche stammen van Centraal-Amerika leveren daarvan op nieuw het bewijs,
+dat het opdringen van nieuwe instellingen en gebruiken, van eene vreemde, laat het zijn hoogere beschaving, den ondergang
+en den dood van een volk ten gevolge kan hebben.
+
+</p>
+<p id="d0e190"></p>
+<div id="d0e191" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-024.jpg" alt="Mayas."></p>
+<p class="figureHead">Mayas.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e195">Wij moeten met een enkel woord gewag maken van de vrouwen van gemengd bloed, die tot de voornaamste bekoorlijkheden van Merida
+en andere steden van Yucatan behooren. Deze mestiezen vormen als het ware eene kaste op zich zelve en schijnen zonder morren
+de geringschatting te dragen, waarmede zij over het algemeen behandeld worden; zij weten zich echter op verschillende wijze
+daarover te wreken, waarbij de bekoorlijkheid der vrouwen van geen geringe dienst is. Deze vrouwen schijnen allen mooi, en
+al zijn ze niet werkelijk mooi, hebben zij toch eene bijna onwederstaanbare aantrekkelijkheid. Dat is zeker voor een groot
+deel toe te schrijven aan haar smaakvol kostuum, bestaande uit eene wijde tunica met korte mouwen, en op de borst vierkant
+uitgesneden. Deze <span class="pageno"><a id="d0e197"></a>Bladzijde 25</span>tunica, <i>uipile</i> genoemd, is van boven en van onderen versierd met roode, groene, of blauwe borduursels, bloemen, bladeren, vogels, en heeft,
+evenals de uitstaande rok, een breeden zoom van kant. Zij steken een zilveren haarspeld door haar prachtig, gitzwart haar,
+dat in twee zware tressen is verdeeld; haar vingers zijn overladen met ringen, en om haar hals dragen zij lange gouden kettingen,
+vaak haar geheele fortuin.
+
+</p>
+<p id="d0e202">Deze mestiezen wonen in de voorsteden, in kleine langwerpige huisjes met rieten daken; de buitenmuren zijn doorgaans met schuine
+ruiten versierd, bezaaid met kleine steentjes op de kruispunten der lijnen. Zulk eene hut heeft stellig zeer veel overeenkomst
+met de woningen der Mayas in den tijd voor de verovering; de wijze van decoratie herinnert ook aan het beeldhouwwerk der oude
+paleizen. Van binnen vindt men geen andere meubelen dan een hangmat, een paar koffers tot berging van de kleedingstukken bij
+feestelijke gelegenheden, en een <i>butaca</i>, een kleinen fauteuil met eene lage rugleuning en met leer bekleed.&#8212;Deze voorsteden zijn inderdaad bosschen: bij iedere woning
+behoort een terrein van omstreeks een tiende bunder, beplant met eene bijzondere soort van boom, <i>ramon</i> genoemd, waarvan de bladeren tot voedsel dienen voor de lastdieren.
+
+</p>
+<p id="d0e210">Men leeft over het algemeen te Merida zeer stil en huiselijk; de dames gaan weinig uit; men ziet haar zelden in de vuile straten,
+die geen riolen hebben, vol kuilen en gaten zijn en in den regentijd in moerassen zijn herschapen. Zij hebben geene andere
+afleiding dan het bezoeken der kerk, en des avonds, van vijf tot zes uur, een toertje met rijtuig. De eerste kerkdienst begint
+reeds des morgens tusschen drie en vier uren; op dit onmogelijke uur worden, tot schrik van alle vreemdelingen, alle klokken
+geluid, hetgeen een allesbehalve aangenaam concert is.
+
+</p>
+<p id="d0e212"></p>
+<div id="d0e213" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-025.jpg" alt="De volan coch&eacute;. (Blz. 26.)"></p>
+<p class="figureHead">De <i>volan coch&eacute;</i>. (<a id="d0e219" href="#d0e225">Blz. 26</a>.)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e223">Het gezellig verkeer is echter te Merida zeer levendig: letterkundige bijeenkomsten, danspartijtjes, concerten, schouwburgen,
+dagbladen en tijdschriften:&#8212;men vindt er van alles; er is wrijving genoeg van denkbeelden en een opgewekt litterair leven.
+Twee geschiedschrijvers, Eligio Ancona en de canonigo Crescentio Ancona, schilderen in hunne verhalen de heldendaden der veroveraars,
+het lijden der eerste kolonisten, de innerlijke partijtwisten en beroeringen en de bloedige episoden van den burgeroorlog.
+De Yucateken zijn niet alleen staatsambtenaren, zoo als dat meestal het geval is met de Mexicanen der hoogvlakten: zij drijven
+ook handel en leggen zich toe op industrie: in hun land wordt dit arbeidsveld niet, als bijna overal elders, aan de vreemdelingen
+overgelaten. Zij zijn een eigenaardig ras, door harde beproevingen geleerd <span class="pageno"><a id="d0e225"></a>Bladzijde 26</span>en gestaald; een jong en levenslustig ras, bij hetwelk de noodlottige invloed van het klimaat zich, naar het schijnt, alleen
+toont in de kleine gestalte en het overwicht van het vrouwelijk element in de bevolking. Men kan den Yucateken misschien al
+te groote winzucht verwijten, die er hen toe brengt met name den vreemdeling op onbeschaamde wijze te plunderen. Ik kan uit
+eigen ondervinding daarvan een merkwaardig voorbeeld mededeelen.
+
+</p>
+<p id="d0e227">Ik wilde een huis huren met den amerikaanschen consul, die overal rondkeek en mij inmiddels aan zijne talrijke vrienden voorstelde.
+Wij werden overal met de meeste welwillendheid ontvangen; men betuigde zijn spijt, dat men ons niet kon helpen; men verklaarde
+zich overigens geheel tot onze dienst bereid; maar daar bleef het bij. Eindelijk zeide een van de vriendelijksten en ijverigsten,
+een dagbladschrijver, tot ons: &#8220;Ik heb wat gij zoekt; in die straat heb ik een huis; hier is de sleutel; gaat het eens zien;
+als het u aanstaat, is het tot uwe beschikking.&#8221; Wij gaan het huis zien, dat echter voor ons niet geschikt blijkt; terugkeerende
+loopen wij even bij onzen vriend aan om te zeggen, dat wij het niet nemen. Maar Aym&eacute;, de consul, vergeet den sleutel terug
+te geven en brengt dien eerst na verloop van vijf dagen, zich verontschuldigende over het verzuim.
+
+</p>
+<p id="d0e229">&#8220;O, dat is niets, antwoordt onze vriend: maar ik krijg dertig francs van u.
+
+</p>
+<p id="d0e231">&#8212;Dertig francs: waarvoor? vraagt Aym&eacute;.
+
+</p>
+<p id="d0e233">&#8212;Waarvoor? Wel, gij hebt den sleutel vijf dagen gehouden; vijf dagen, tegen zes francs per dag, dat maakt dertig francs. Mij
+dunkt, dat is eenvoudig genoeg.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e235">Het was inderdaad zeer eenvoudig; en er schoot niet anders over dan te betalen. Wij hadden evenwel de voorzichtigheid, van
+dat heerschap, wiens naam ik niet noemen wil, eene kwitantie te vragen.
+
+</p>
+<p id="d0e237">De Yucateken zijn er op gesteld, meester in hun eigen land te blijven en hunne eigene zaken te beheeren. Met meer ondernemingsgeest
+bezield, energieker en hooghartiger dan hun volksgenooten op de hoogvlakten, hebben zij voor den aanleg van spoorwegen en
+andere openbare werken geen beroep gedaan op de kapitalen der Yankees; uit hun eigen, waarlijk niet overvloedige middelen
+hebben zij de kosten bestreden. Wel vorderen de werken langzaam, maar de Yucateken mogen er dan ook roem op dragen, dat zij
+er niemand dank voor hebben te brengen.
+
+</p>
+<p id="d0e239">Het is inderdaad treffend te zien, hoe dit kleine volk, dat zoo vreeselijk door binnenlandsche oorlogen en beroerten werd
+geteisterd en vergeefs elders om hulp smeekte, zich weer heeft opgericht, met ijver en inspanning zijne hulpbronnen ontwikkelt
+en de bittere beproevingen te boven komt. In tegenoverstelling van hunne trage en verkwistende buren, zijn de Yucateken arbeidzaam
+en zuinig: twee onmisbare deugden, die zij zich verwierven in den moeielijken strijd tegen de ongunstige omstandigheden, waarin
+zij geplaatst waren: de betrekkelijke armoede van den grond, het ontbreken van minerale schatten, en die verschrikkelijke
+verdelgingsoorlog, die het volk op den rand des ondergangs bracht.
+
+</p>
+<p id="d0e241">De geschiedenis van dien oorlog is dramatisch in hooge mate; ik zal haar hier niet vertellen, maar slechts aanstippen dat
+de bewegingen onder de Indianen, reeds in 1761 begonnen, in 1846 tot een geweldigen algemeenen opstand leidden, die nog niet
+geheel onderdrukt is. Men mag echter aannemen, dat de bloedige oorlog ten einde loopt; de wilde trekt zich voor de beschaving
+terug en ziet schier met den dag zijn gebied inkrimpen.
+
+
+</p><a id="d0e243"></a><h1>III</h1>
+<p id="d0e246">Nadat wij te Merida eenige dagen hadden vertoefd, maakten wij ons gereed voor een uitstapje naar Ak&eacute;. Dit uitstapje was inderdaad
+een reisje <i>en famille</i>, want Louis Aym&eacute;, de amerikaansche consul, die ook in archeologie liefhebberde, en die reeds meer dan eens de ru&iuml;nen bezocht
+had, wilde mij vergezellen; maar mevrouw Aym&eacute;, eene Amerikaansche, gaf daartoe alleen hare toestemming, onder voorwaarde dat
+zij ook mede zou gaan; en daar Shuty niet alleen thuis kon blijven, moesten wij hem ook mede nemen. Shuty was de gunsteling
+van mevrouw, een mooi hondje, met lange zijdeachtige haren. Met inbegrip van mijn secretaris en mijn bediende, waren wij dus
+met ons zessen: wij hadden mitsdien twee rijtuigen noodig.
+
+</p>
+<p id="d0e251">Ak&eacute; is eene hacienda, hofstede, van don Alvaro Peon, bij wien ik een bezoek ga afleggen om hem vergunning te vragen tot het
+bezichtigen der ru&iuml;nen, en tevens een brief van aanbeveling voor den majordomo of intendant. Don Alvaro deed meer dan van
+hem verlangd werd: niet tevreden met den brief van aanbeveling, zond hij zijn chineeschen bediende met allerlei levensmiddelen
+en benoodigdheden, opdat het ons aan niets ontbreken zou.
+
+</p>
+<p id="d0e253">Wie in het binnenland reizen wil, heeft tusschen twee vervoermiddelen te kiezen: de groote kales, eene soort van diligence,
+bij ieder bekend; en den <i>volan coch&eacute;</i>, het eigenlijke nationale rijtuig. Wij kozen het laatste. De volan coch&eacute; is geheel van hout, met uitzondering alleen van
+de ijzeren banden om de wielen. Op een zwaar en lomp onderstel rust, gedragen door twee lederen riemen, een soort van langwerpige
+bodemlooze bak of kist; over een van touw gevlochten net wordt een dunne matras uitgespreid, om het schokken en stooten minder
+hinderlijk te maken. Voorop zit de koetsier; van achteren is plaats voor de bagage; terwijl ook een aantal voorwerpen onder
+aan het net hangen. Reist men alleen, dan gaat men lang uit op de matras liggen; maar is men met zijn drie&euml;n, dan moet men
+op turksche manier, met samengevouwen beenen, gaan zitten: eene houding, welke iemand, die daaraan niet gewoon is, in het
+eind onuitstaanbare kramp bezorgt. De inlanders zitten met hun zessen of achten&#8212;hoe, begrijpt men niet&#8212;in zulk een wagen.
+Hoewel de bak volkomen in evenwicht hangt, schokt en slingert hij toch op eene geweldige manier; en wanneer de half dronken
+koetsier zijn drie muildieren in vollen ren laat draven over de ongelijke, rotsige wegen, schokt en hotst het rijtuig zoo
+hevig, dat de reizigers <span class="pageno"><a id="d0e258"></a>Bladzijde 27</span>door en over elkander geworpen worden. Gevaar is er echter niet; het verwonderlijkste is dat er nooit iets aan het rijtuig
+breekt, en op al mijne tochten ben ik maar eens omgevallen.
+
+</p>
+<p id="d0e260">Ak&eacute; ligt tien mijlen ten oosten van Merida. Wij volgen den weg naar Izamal, ter wederzijde omzoomd door onafzienbare velden
+met agaven beplant, en laten ter rechterhand twee met ru&iuml;nen bekroonde heuvels liggen. Vervolgens komen wij aan het dorp Tixpeual,
+waar de Spanjaarden in 1541 een langdurig en bloedig gevecht moesten leveren. Het dorp ziet er zoo armoedig uit en heeft zoo
+veel bouwvallige en verwoeste huisjes, als ware de veldslag eerst gisteren geleverd; dat komt, omdat de opstandelingen in
+1848 tot aan de poorten van Merida doordrongen en Tixpeual in de asch legden. Maar de gansche landstreek, met haar weinige
+vervallen dorpen, haar eenzame wegen en schralen plantengroei, maakt een zeer somberen indruk.
+
+</p>
+<p id="d0e262">Drie mijlen verder wijzen palmboschjes de ligging aan van Tixkokob, waarvan al de inwoners zich bezig houden met het vervaardigen
+van hangmatten. In de openstaande huizen, ziet men overal de witte, gele, blauwe, roode of veelkleurige netten uitgespannen;
+deze hangmatten, de eenige soort van bedden waarvan de Indianen gebruik maken, zijn zeer goedkoop: zij kosten niet meer dan
+drie &agrave; vijf francs; de mooisten komen uit de omstreken van Valladolid.
+
+</p>
+<p id="d0e264">Te Tixkokob waar wij een kop chocolade gebruikten, verlaten wij den grooten weg, en slaan een zijweg in, waarop wij alle gelegenheid
+hebben om met den volan coch&eacute; nader kennis te maken. De rotsen zijn steil, en het rijtuig schokt op de merkwaardigste wijze:
+wij zitten te dansen als de poppen in een poppenkast.&#8212;Het was inmiddels avond geworden; de indiaansche hutten, in de duisternis
+verloren, waren nog maar alleen kenbaar aan het wegstervende schijnsel van de niet langer onderhouden wordende vuren; de omtrekken
+der pyramiden teekenden zich in zwarte massa's tegen den donker blauwen hemel; overal heerschte een doodelijke stilte, alleen
+afgebroken door het knarsen en kraken van het hotsende en stootende rijtuig. Wij vonden den toegang tot de hacienda gesloten:
+men verwachtte ons niet meer. Op het luid geblaf der honden verscheen de majordomo; hij liet de zware balken wegruimen, die
+de poort barrikadeerden; weldra waren wij ge&iuml;nstalleerd en sliepen in de vervallen, verwaarloosde zaal der heerenhuizinge.
+
+
+</p>
+<p id="d0e266">Ak&eacute; is eene hacienda voor de veeteelt; en men had ons gewaarschuwd, dat het, overal waar runderen zijn, wemelt van garrapaten.
+Wij hadden dus alle mogelijke voorzorgen genomen, want deze verfoeilijke houtluis is het geduchtste insekt dat ik ken. Wij
+knoopten al onze kleeren dicht; wij staken de pijpen van onze pantalons in hooge laarzen; wij stopten zoo veel mogelijk alle
+denkbare openingen. Mevrouw Aym&eacute;, in een sierlijk bloomerskostuum, scheen ook tegen de indringers gewapend; maar Shuty, de
+aardige Shuty, hoe zou hij zich verdedigen? Ten slotte bleek dat al onze voorzorgen ons niets baatten. De hongerige garrapate
+laat zich door niets weerhouden; schier onmerkbaar en dunner dan een velletje papier, dringt zij overal door, ook door onzichtbare
+openingen; wij ondervonden het tot onze schade.
+
+</p>
+<p id="d0e268">Wij gaan uit om den c&eacute;not&eacute; op te zoeken; Shuty springt vroolijk blaffend voor ons uit. Wat is een c&eacute;not&eacute;? Yucatan heeft noch
+stroomen, noch rivieren, maar daarentegen een zeer uitgestrekten onderaardschen waterplas, meer of minder diep beneden de
+oppervlakte, naarmate de kalklaag dikker of dunner is; nabij de kust is het water zeer dicht bij den beganen grond, in het
+binnenland vindt men het eerst op aanmerkelijke diepte. Men noemt nu c&eacute;not&eacute;s de inzinkingen van den bodem, die tot dit water
+toegang geven. Is het water op geringe diepte onder den grond, en is de kalklaag slechts aan den eenen kant verteerd, dan
+verkrijgt men een onregelmatige spelonk, die over de geheele breedte open is. Heeft de kalklaag eene middelbare dikte en stroomt
+het onderaardsche water in bepaalde richting, dan wordt de bodem regelmatig ondermijnd, tot de bovenlaag, niet langer steun
+vindende, instort; z&oacute;&oacute; ontstaat een reusachtige put, meestal van ronde gedaante, zooals de c&eacute;not&eacute;s van Chichen-Itza. Is de
+kalklaag daarentegen zeer dik, dan tast het water slechts de weeke, zachte deelen aan waarvan een gedeelte instort, waardoor
+somtijds in de bovenste laag eene smalle opening ontstaat: zoo krijgt men eene werkelijke grot, met stalactiten en stalagmiten
+versierd, zooals te Sacalun en te Valladolid; somwijlen ook is de c&eacute;not&eacute; niet meer dan eene reusachtige onderaardsche ruimte,
+zooals te Bolonchen.
+
+</p>
+<p id="d0e270">Het is opmerkelijk dat alle beschaafde nederzettingen in Yucatan zich hebben gevormd om deze natuurlijke waterbekkens; want
+in den beginne hadden de kolonisten vermoedelijk niet de noodige hulpmiddelen om putten of waterbakken te graven, noch ook
+om kunstmatige reservoirs te maken, zoo als zij het later te Uxmal deden.
+
+</p>
+<p id="d0e272">De c&eacute;not&eacute; van Ak&eacute; behoort tot de eerste kategorie; de toegang vormt als het ware een grooten boog, die een zeer schilderachtig
+en bijna indrukwekkend voorkomen heeft. Op den achtergrond, omstreeks twintig voet beneden het gewelf, en dertig beneden den
+beganen grond, ziet men een groot bekken vol frisch en helder water, waarin eene menigte kleine vischjes zwemmen, terwijl
+zwermen van zwaluwen in alle richtingen de grot doorkruisen en de ruimte vullen met haar vroolijk geroep.
+
+</p>
+<p id="d0e274">Van den c&eacute;not&eacute; begeven wij ons naar de ru&iuml;nen, die onze bedienden inmiddels bezig waren van den overvloedigen plantengroei
+te zuiveren. In afwachting dat zij daarmede gereed waren, dwaalden wij rond door de bosschen, uitziende naar ru&iuml;nen, zonder
+eenig kwaad vermoeden ons een weg banende door de verraderlijke takken der boomen, maar welhaast stikkende van de hitte in
+onze nauw sluitende kleeding. Niemand voelde zich onwel of klaagde over iets buitengewoons. Shuty was de eerste, die teekenen
+gaf van een abnormalen toestand; bij het verlaten van den c&eacute;not&eacute; was hij onrustig geworden; hij stond eensklaps stil en beet
+zich in zijne pooten of maakte zonderlinge <span class="pageno"><a id="d0e276"></a>Bladzijde 28</span>sprongen; maar steeds vroolijk, levendig en aardig, vervolgde hij, luid blaffende, zijn weg. Wij gingen toen door het dichte
+hout; en de min of meer gekunstelde vroolijkheid van Shuty maakte plaats voor wezenlijken angst; zijn blaffen ging over in
+janken; hij beet zich met woedende heftigheid, rolde zich in het gras en begon zoo akelig te huilen, dat zijne meesteres hem
+opnam: het lichaam van het arme dier was geheel en al overdekt met wriemelende garrapaten: wij zelven werden onmiddellijk
+door dit ongedierte aangetast.&#8212;Gelukkig vonden wij bij onze tehuiskomst een uitnemend dejeuner, door den chineeschen kok van
+don Alvaro klaar gemaakt; maar eer wij aan tafel gingen, begaven wij ons een voor een naar een kabinetje om ons van ongedierte
+te zuiveren en op nieuw toilet te maken. Mevrouw Aym&eacute; en Shuty bleven verder tehuis en waagden zich niet meer aan ontdekkingstochten.
+
+
+</p>
+<p id="d0e278"></p>
+<div id="d0e279" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-028.jpg" alt="Beeldwerk te Izamal (Blz. 31.)"></p>
+<p class="figureHead">Beeldwerk te Izamal (<a id="d0e282" href="#d0e326">Blz. 31</a>.)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e286">De ru&iuml;nen van Ak&eacute; zijn zoo goed als onbekend. Stephens, de amerikaansche onderzoeker, spreekt er in zijn belangrijk reisverhaal
+slechts ter loops van. Hij noemt de groote galerij een kolossaal werk, en het paleis in zijn geheel een gewrocht van reuzen;
+de ru&iuml;nen hebben, volgens hem, het merk van hooger ouderdom dan andere monumenten. Hij voegt er bij, dat volgens Cogolludo
+de Spanjaarden op hun tocht eene stad ontmoetten, Ak&eacute; genaamd, waar zij een gevecht moesten leveren tegen eene groote menigte
+Indianen. Stephens vergist zich; als hij Cogolludo nauwkeuriger had gelezen, zou hij bemerkt hebben dat de stad, waarvan de
+geschiedschrijver spreekt, niet dezelfde is als die hij heeft bezocht. De ligging van de stad Ak&eacute; verwijdert haar ten eenemale
+van den weg, dien de veroveraars volgden.
+
+</p>
+<p id="d0e288">Francisco de Montejo landde toch aan de oostkust van Yucatan, tegenover het eiland Cozumel; hij trok dus van het oosten naar
+het westen, door Koba, eene stad vol monumenten, die nog op acht mijlen afstands van Valladolid gevonden worden, en bereikte
+eene plaats, C&eacute;-Ak&eacute; genoemd, waar hij bloedige gevechten moest leveren. Van daar ging hij naar Chichen-Itza, waar hij twee
+jaren bleef. Dit geschiedde op zijne eerste expeditie in 1527; het C&eacute;-Ak&eacute; waarvan hier sprake is, lag dus omstreeks vijf-en-dertig
+mijlen oostwaarts van de ru&iuml;nen van Ak&eacute;, waar wij ons thans bevinden.
+
+</p>
+<p id="d0e290">Ak&eacute; was ongetwijfeld eene zeer volkrijke stad; vijftien a twintig pyramiden van verschillende grootte, met de bouwvallen van
+paleizen gekroond, zijn over eene oppervlakte van een vierkante mijl verspreid. De belangrijkste ru&iuml;nen schijnen een rechthoek
+te vormen, en omsluiten eene ruimen binnenhof, die zorgvuldig ge&euml;ffend is, en in welks midden nog een steen overeind staat,
+die door de Indianen <i>picot&eacute;</i> wordt genoemd. Dit was de straf- of geeselpaal, dien men ook te Uxmal en andere plaatsen vindt, en die zoowel voor als na
+de verovering, in geen enkel indiaansch dorp ontbrak. Te Tenosiqu&eacute; verhaalde mij een oud man, dat hij, nog geen dertig jaar
+geleden, dien steenen paal op het midden van de markt had gezien. De veroordeelde Indiaan werd geheel naakt aan den picot&eacute;
+gebonden, om daar het bepaalde aantal stokslagen te ontvangen. Ik vond dezelfde gewoonte te Tumbala, een indiaansch dorp op
+den weg van Palenqu&eacute; naar San-Christobal. Volgens de begrippen der Indianen, wischt de straf de schuld uit; en ik heb Indianen
+ontmoet, die, om hun geweten tot rust te brengen, zelven aanhielden om eene bestraffing, die niemand hun zocht op te leggen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e295">Nemen wij thans de ru&iuml;nen nader in oogenschouw. Aan den noordwestelijken uithoek verrijst eene pyramide van twee verdiepingen,
+saamgesteld uit groote steenblokken zonder kalk; zij heeft eene hoogte van omstreeks veertig voet, en eindigt in een klein
+vertrek, waarvan het dak is ingestort, maar waarvan de muren nog ten deele overeind staan. Wij vinden hier dezelfde constructie
+terug, die wij reeds te Tula, te Teotihuacan en te Palenqu&eacute; <span class="pageno"><a id="d0e297"></a>Bladzijde 30</span>hebben opgemerkt, en die wij ook nog in de andere oude steden van Yucatan zullen aantreffen.
+
+</p>
+<p id="d0e299"></p>
+<div id="d0e300" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-029.jpg" alt="Mestiezen te Merida."></p>
+<p class="figureHead">Mestiezen te Merida.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e304">Dit monument met het kleine vertrekje, dat voor bewoning ten eenemale ongeschikt is, kan onmogelijk een paleis zijn geweest;
+wij mogen veilig aannemen dat wij hier met een tempel te doen hebben; en dat te meer omdat deze pyramide een deel schijnt
+uit te maken van het daaraan grenzende monument, waarboven zij zich verheft. Dit laatste monument herinnert door zijne rechthoekige
+gedaante, aan de soortgelijke gebouwen, die wij te Tula en te Teotihuacan gezien hebben en die men met den naam van citadellen
+bestempelt, maar die inderdaad niet anders waren dan de vermaarde Tlachtli, de kaatsbaan, waarvan alle geschiedschrijvers
+melding maken. Het kaatsspel was bij uitnemendheid het nationale spel der Tolteken, die het ook in Tabasco en Yucatan invoerden.
+Wij zullen zulk een tlachtli, beter bewaard, te Uxmal en te Chichen-Itza terugvinden. Waarschijnlijk hadden er, v&oacute;&oacute;r den aanvang
+van het spel, in dien kleinen tempel godsdienstige ceremoni&euml;n plaats.
+
+</p>
+<p id="d0e306">Een weinig meer ten zuidoosten zien wij een monument, dat tot velerlei gissingen aanleiding heeft gegeven. Het is eene langwerpige
+pyramide, met een zonderling gebouw gekroond. Het geheel ongewone voorkomen, de buitengewoon groote trap, die zonderlinge
+architektuur, geheel afwijkende van het gewone karakter der yucatansche monumenten: dit alles verplaatst ons als het ware
+in eene nieuwe wereld. Het zonderlinge monument bestond uit zes-en-dertig pilaren, waarvan er nog negen-en-twintig over zijn,
+geplaatst op het bovenvlak van eene langwerpige pyramide of liever een terras van zes el hoogte. Men bereikt dat plat langs
+een reusachtige trap van ruwe steenblokken, van anderhalve tot twee el lengte, en van dertig tot vijftig duim hoogte. De pilaren
+waren gemiddeld vier el vijf-en-zeventig duim hoog, te oordeelen althans naar de hoogsten en best bewaarden, die nog voorhanden
+zijn; zij bestaan uit tien blokken van een el twintig duim in lengte en breedte, en tusschen de veertig en vijftig duim hoogte.
+
+
+</p>
+<p id="d0e308">Men had mij gezegd dat de steenen eenvoudig op elkander waren gelegd, en dat de bouwmeesters te Ak&eacute; geen kalk of cement hadden
+gebruikt. Dit is onjuist; bij onderzoek blijkt toch dat wel de buitenzijden der blokken, waaruit de pilaar bestaat, werden
+behouwen, maar dat de binnenzijden ruw werden gelaten. Daar nu die binnenzijden niet juist op elkander konden passen, moest
+men de ledige ruimten aanvullen met kleine steenen, die nog voorhanden zijn, en werd ongetwijfeld tot bedekking gebruik gemaakt
+van kalk of cement.
+
+</p>
+<p id="d0e310">De heer Aym&eacute;, de amerikaansche consul te Merida, loochent dit laatste; en daar de kalk verdwenen is, kan ik hem niet met de
+stukken overtuigen, en moet wachten tot eene nieuwe ontdekking de juistheid mijner meening bewijze. Deze zes-en-dertig pilaren,
+in drie evenwijdige rijen geplaatst, vormen een rechthoek; de esplanade waarop zij staan, heeft eene lengte van vijf-en-zestig
+el veertig duim, bij eene breedte van veertien el veertig duim; de richting der pyramide, die aan de uiteinden afgerond is,
+is van het noorden naar het zuiden; de trap bevindt zich aan de zuidzijde.
+
+</p>
+<p id="d0e312">Welke was nu de bestemming van dit wonderlijke gebouw? Was het eenvoudig eene open galerij? Men vindt hoegenaamd geen puin
+op het plat van de pyramide; was er dus vroeger eene bedekking, dan moet dit dak uit hout en riet hebben bestaan, waarvan
+niets is overgebleven. Was dit gedenkteeken bestemd om de herinnering aan een of ander persoon of feit te bewaren? Wij kunnen
+op die vragen geen antwoord geven. Zeker is dit monument in geheel Yucatan volstrekt eenig in zijne soort; maar het draagt
+hoegenaamd geen monumentaal karakter.&#8212;Gewisselijk ontbreekt het niet aan commentaren; maar het is bekend, dat de commentatoren
+dikwijls de schrijvers en ook de monumenten zeer veel meer laten zeggen, dan zij werkelijk doen: van nature zijn zij geneigd,
+het vreemde, het verrassende, het onmogelijke boven het eenvoudige en voor de hand liggende te verkiezen. Sommige reizigers
+hebben, ten aanzien van de ru&iuml;nen van Ak&eacute;, hunner fantazie den vrijen teugel gevierd en theorie&euml;n verkondigd, die den nuchteren
+opmerker verbijsteren. Ziehier een staaltje van zulke buitensporigheid.
+
+</p>
+<p id="d0e314">Het monument, waarvan wij spreken, zou de herinnering moeten bewaren aan tijdperken of regeeringen, en ieder steenblok zou
+een Ahan Katun of een Katun moeten voorstellen. Volgens de oude tijdrekening der Mayas omvat een Ahan Katun een tijdvak van
+vier-en-twintig, en een Katun een van twee-en-vijftig jaren. Daar er nu zes-en-dertig pilaren zijn, ieder uit tien blokken
+bestaande, krijgen wij in het eerste geval een tijdvak van achtduizend-zeshonderd-veertig jaren, en in het tweede eene periode
+van achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaren. Ik behoef wel niet op te merken, dat het onderste blok, voor achttienduizend-zevenhonderd-twintig
+jaar gelegd, reeds lang verdwenen zou zijn v&oacute;&oacute;r het aanbrengen van het laatste blok, dat nog eenige eeuwen ouder zou zijn
+dan de verovering. Bovendien dragen alle blokken het kenmerk van gelijken ouderdom. Maar eigenlijk is het niet noodig, over
+dergelijke buitensporige dwaasheden veel woorden te verspillen.
+
+</p>
+<p id="d0e316">Is het niet eenvoudiger, aan te nemen dat dit vreemdsoortige monument eene galerij was, vroeger met riet overdekt, en die
+hetzij voor openbare spelen, hetzij voor vergaderingen of plechtige ceremoni&euml;n bestemd was? De ligging midden tusschen de
+andere monumenten schijnt voor deze onderstelling te pleiten.
+
+</p>
+<p id="d0e318">Na dit monument opgemeten te hebben, begeven wij ons naar eene andere ru&iuml;ne, <i>Akabua</i>, dat wil zeggen, huis der duisternis, genoemd. De vertrekken zijn inderdaad donker, daar zij hun licht uitsluitend ontvangen
+door de in andere kamers uitkomende deuren. Ook daar, als overal elders, vinden wij de zoogenaamde <i>boveda</i>, het door vooruitspringende lagen gevormde gewelf, dat wij ook in de monumenten der Hindoes en der Tolteken aantreffen. Dit
+dusgenoemde, oneigenlijke gewelf is hier te Ak&eacute; sterker gebogen: een gevolg van de gebruikte materialen, <span class="pageno"><a id="d0e326"></a>Bladzijde 31</span>want, even als de pyramiden, is dit gewelf saamgesteld uit die groote onbehouwen steenblokken, waarvan het gebruik ook aan
+deze monumenten den naam van cyclopische bouwgewrochten heeft doen geven.
+
+</p>
+<p id="d0e328">Toch is die benaming niet goed gekozen: immers de dusgenoemde cyclopische constructie bestaat uit veel grooter blokken van
+onregelmatige gedaante, maar zoo volkomen op elkander passende, dat men er niets tusschen kan steken; de steenen daarentegen
+in de ru&iuml;nen van Ak&eacute; hebben allen denzelfden vorm: het zijn dikke, niet behouwen zerken, die door aanmerkelijke tusschenruimten
+van elkander gescheiden zijn.
+
+</p>
+<p id="d0e330">Ik maakte mijn gids, den heer Aym&eacute;, daarop opmerkzaam, en zeide tot hem: &#8220;Gij beweert dat er bij de gebouwen van Ak&eacute; noch
+kalk, noch cement is gebruikt, en dat men er nooit beeldhouwwerk, noch eenige decoratie welke ook heeft ontdekt. Ik kan dit
+niet toegeven, hoewel de feiten mij in het ongelijk schijnen te stellen. Hier staan wij voor een raadsel, dat wij moeten trachten
+op te lossen. De stichters van deze gebouwen hebben zich zeker niet zoo veel moeite en inspanning getroost, om hun werk onvoltooid
+te laten. Wij moeten dus aannemen, dat deze zerken eenmaal volkomen aan elkander sloten, en dat de tijd ze heeft afgeknaagd
+en verwijderd; maar dan moeten wij aan deze monumenten een ouderdom toekennen, die volstrekt onaannemelijk is. Bovendien ziet
+ge dat deze steenen nog geheel in denzelfden toestand verkeeren, als toen zij uit de groeve werden gehaald; ook zijn zij hier
+in de binnenkamers niet beter geconserveerd dan aan de buitenmuren, hetgeen toch het geval moest zijn. Ik kom dus tot het
+besluit dat al deze steenen, van de muren zoowel als van de gewelven, vroeger met cement bestreken en, volgens de gewoonte,
+ook beschilderd waren.
+
+</p>
+<p id="d0e332">&#8220;Toon mij het bewijs van hetgeen gij zegt, antwoordde hij, en ik zal u gelooven.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e334">Ik moest zwijgen, en wij begaven ons naar eene hooge pyramide, met een ru&iuml;ne gekroond.
+
+</p>
+<p id="d0e336">&#8220;Laat ons dit paleis gaan zien, zeide ik tot Aym&eacute;.
+
+</p>
+<p id="d0e338">&#8212;Er is niets te kijken: het zijn muren en meer niet; ik heb het vroeger al bezocht; antwoordde hij.
+
+</p>
+<p id="d0e340">&#8212;Laat ons toch maar eens gaan zien,&#8221; hernam ik. En wij gingen.
+
+</p>
+<p id="d0e342">Op het plat van de pyramide gekomen, was het eerste wat ik zag een zeer fraai bas-relief van cement, bestaande uit schuine
+ruiten en afgeplatte bollen. Dit bas-relief vormde de rechterlijst van een groot kader, waar binnen verschillende figuren
+geplaatst waren, waarvan men nog de overblijfselen kon ontdekken. Een laag cement van ongeveer een el dik bedekte de steenen,
+vulde de ledige ruimten en maakte de geheele oppervlakte glad en effen. Wij vonden zelfs nog sporen van de oude beschildering.
+
+
+</p>
+<p id="d0e344">&#8220;Wat zegt ge nu? vroeg ik aan mijn reisgezel.
+
+</p>
+<p id="d0e346">&#8212;Gij hadt gelijk,&#8221; antwoordde hij.
+
+</p>
+<p id="d0e348">Inderdaad was door deze ontdekking een einde gemaakt aan alle tegenspraak.
+
+
+</p><a id="d0e350"></a><h1>IV</h1>
+<p id="d0e353">Van Ak&eacute; begeven wij ons naar Izamal, waar wij ten drie uren aankomen.
+
+</p>
+<p id="d0e355">Izamal is eene van de voornaamste steden der provincie, of liever een groot, aardig dorp met tusschen de vijf- en zesduizend
+inwoners; het vlek maakte een des te aangenamer indruk, omdat men er zoo pas het feest van den heiligen schutspatroon had
+gevierd, bij welke gelegenheid de huizen, de openbare gebouwen en zelfs de vervallen muren in de buitenwijken opnieuw waren
+gewit. Behalve zijne nette woningen, bezit Izamal ook nog twee pleinen, door sierlijke moorsche zuilengangen omringd.
+
+</p>
+<p id="d0e357">Wij moeten hier even een uitstapje maken op historisch gebied, waarbij opnieuw de betrekkelijke jonkheid zal blijken der beschaving in Yucatan, in tegenspraak
+met de bewering van sommigen, die zich te zeer door hunne verbeelding laten leiden en aan deze beschaving een bespottelijken
+ouderdom toekennen.
+
+</p>
+<p id="d0e362">Evenals Merida en andere steden van het schiereiland, verrees ook Izamal op de plek, waar eene indiaansche stad stond. Evenals
+elders, was ook hier het eerste werk der Spanjaarden, de tempels en paleizen te verwoesten, de geschreven dokumenten te vernietigen,
+en zoo veel mogelijk elk spoor en elke herinnering van de inlandsche beschaving uit te roeien. Bisschop Landa, wiens werk
+over de zaken van Yucatan omstreeks 1566 geschreven werd, dat is dus vijf-en-veertig jaar na de verovering, spreekt van de
+gebouwen te Izamal, waarvan er toen nog twaalf in wezen waren, en deelt ons mede, dat de stichters dier monumenten onbekend
+waren. Lizana daarentegen, die in 1628, zestig jaren later, schreef, en die veel minder dan Landa in de gelegenheid was om
+zich bekend te maken met de oude traditi&euml;n en legenden, vertelt ons uitvoerig de geschiedenis dier monumenten; van de twaalf
+bouwwerken, waarvan zijn voorganger melding maakt, kent hij er wel is waar slechts vijf, maar hij weet de namen, die Landa
+niet wist: wij zullen dus zijne opgave volgen.
+
+</p>
+<p id="d0e364">Landa, die eerst zegt dat men den oorsprong dezer monumenten niet kende, deelt ons later mede, dat zij door het nog bestaande
+ras der inlandsche bevolking waren gesticht: immers, onder het puin der verwoeste monumenten, heeft men fragmenten gevonden
+van naakte menschenbeelden en andere versierselen, zoo als de Indianen nog heden van bijzonder sterke cement vervaardigen.
+In een graf vindt hij kunstig bewerkte voorwerpen van steen, gelijk aan die welke de Indianen nog tegenwoordig bij wijze van
+geld gebruiken. Even als te Merida, waar hij genoodzaakt was, eene kapel te verwoesten, om een einde te maken aan de godsdienstige
+vereering van het oude heiligdom, bestond ook hier, volgens Landa, eene groote pyramide, waarvan wij de afbeelding geven op
+<a id="d0e366" href="#d0e460">bladz. 32</a>. De kapel, welke deze pyramide bekroonde, bestond in zijn tijd nog: hij geeft er eene beschrijving van en zegt dat zij opgetrokken
+was uit zorgvuldig gehouwen, met beeldwerk versierde <span class="pageno"><a id="d0e369"></a>Bladzijde 32</span>steenen. Met echt-zuidelijke overdrijving, voegt hij aan zijne beschrijving de opmerking toe: &#8220;Dit monument is zoo hoog, dat
+men er versteld van staat.&#8221; Toch bedraagt die hoogte nauwelijks tachtig voet!
+
+</p>
+<p id="d0e371">Het monument bestond uit twee gedeelten: de bijna tweehonderd el breede basis met een ruim terras of platform, en de kleine
+pyramide, aan de noordzijde van dit terras. Op het terras stond het volk, om getuige te zijn van de godsdienstige plechtigheden,
+die ten aanschouwe van allen op den top der pyramide werden volbracht. In de kapel, waarvan Landa spreekt, stond het afgodsbeeld.
+Wij spreken hier bij analogie: want wij weten dat dit het gebruik was te Mexico en in de steden der Tolteken, Teotihuacan
+en Cholula.
+
+</p>
+<p id="d0e373"></p>
+<div id="d0e374" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-032.jpg" alt="De groote pyramide te Izamal. (Blz. 31.)"></p>
+<p class="figureHead">De groote pyramide te Izamal. (<a id="d0e377" href="#d0e326">Blz. 31</a>.)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e381">Volgens Lizana droeg deze groote pyramide den naam van Kinich-Kakm&oacute;, omdat op den top een tempel stond, waarin het beeld van
+een afgod, die aldus werd genoemd. Deze naam zou zooveel beteekenen als: &#8220;Zon, met het vurig stralende gelaat.&#8221; De tempel
+was dus een zonnetempel, met de daarbij behoorende pyramide, evenals te Teotihuacan.
+
+</p>
+<p id="d0e383">Ten zuiden van deze pyramide verrees eene andere, niet minder breed, maar eindigende in een terras en dus minder hoog dan
+de eerste; zij heette Ppapp-Hol-Chac, dat wil zeggen: &#8220;Huis der hoofden en der bliksemstralen.&#8221; Daar woonden de priesters,
+vermoedelijk in een fraai paleis, zoo als men die ook in andere steden vindt. De Spanjaarden bouwden op die plek een aan Sint-Franciscus
+gewijd klooster, benevens de parochiale kerk, die zeer mooi is.
+
+</p>
+<p id="d0e385">De derde pyramide, ten oosten, droeg een tempel toegewijd aan Ytzama-ul, Itzamna of Zamna, den <span class="pageno"><a id="d0e387"></a>Bladzijde 33</span>legendarischen stichter van de stad Izamal. &#8220;Deze koning of deze afgod, zegt Landa, werd door de Indianen voorgesteld onder
+de gedaante van eene hand; zij beweren dat men de zieken en zelfs de dooden tot hem bracht en dat de god hen door de aanraking
+met zijne hand genas of weder tot het leven opwekte; daarom noemde men den tempel Kab-ul, hetgeen beteekent de werkzame, de
+wondervolle hand.&#8221;&#8212;Deze tempel, waar zoo vele wonderen gewrocht werden, was het doel van scharen van bedevaartgangers: daarom
+had men naar de vier windstreken groote wegen of heerbanen aangelegd, die tot aan de grenzen van het land waren doorgetrokken
+en naar Guatemela, naar Chiapas en naar Tabasco voerden. Nog heden, zegt onze schrijver, vindt men op verscheidene plaatsen
+sporen van die wegen.
+
+</p>
+<p id="d0e389">Wij zelven hebben de overblijfselen gevonden van den met cement geplaveiden weg, die van Izamal naar den oever der zee liep,
+tegenover het eiland Cozumel. Wij moeten hierbij opmerken, dat deze manier van wegen te maken bij voorkeur aan de Tolteken
+eigen was, zoo als wij reeds vroeger in de gelegenheid waren te constateeren.
+
+</p>
+<p id="d0e391"></p>
+<div id="d0e392" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-033.jpg" alt="Beeld van den god Tlaloc, in den omtrek van Tlascala gevonden."></p>
+<p class="figureHead">Beeld van den god Tlaloc, in den omtrek van Tlascala gevonden.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e396">In den naam van den tempel, Kab-ul, de werkzame hand, herkennen wij zonder moeite Hueman, de lange handen, het groote opperhoofd
+en de wetgever der Tolteken van Tula, die door verschillende geschiedschrijvers voor denzelfden gehouden wordt als Quetzalcoatl,
+dien wij in Yucatan terugvinden onder den naam van Cuculkan, hetgeen hetzelfde beteekent.
+
+</p>
+<p id="d0e398">De vierde, meer voorwaarts gelegen pyramide droeg de woning van den opperbevelhebber des legers, die den titel voerde van
+Hunpictok, hoofdman over achtduizend steenen lansen. Op den top dezer pyramide vindt men niets dan puin; in het onderste gedeelte,
+dat van gelijke constructie is als de piramide te Ak&eacute;, bevond zich het door Stephens beschreven beeld, dat thans verdwenen
+is, en ziet men nog heden, aan de oostzijde, de figuur, op <a id="d0e400" href="#d0e279">bladz. 28</a> afgebeeld. Aan dit beeld kunnen wij de manier van werken der bouwmeesters duidelijk waarnemen. Deze kolossale kop heeft eene
+hoogte van vier ellen; de oogen, de neus, de onderlip zijn gevormd uit ruwe steenblokken, die, even als de wangen, met versche
+cement zijn bestreken; de ornamenten ter rechter- en ter linkerzijde zijn evenzoo van cement; aan de versierselen links, die
+beter bewaard zijn gebleven, bespeuren wij nog die dubbele spiralen, zinnebeeldige voorstellingen van den wind of den adem,
+het woord, die wij reeds zoowel te Mexico als te Palenque hebben gezien en die wij te Chichen-Itza zullen terugvinden.
+
+</p>
+<p id="d0e403">Aan de westzijde van deze pyramide, waar men een gedeelte van de basis heeft blootgelegd, zien wij een der fraaiste bas-reliefs,
+die wij in Yucatan hebben ontmoet. De hoofdfiguur is een liggende tijger met een menschenhoofd; het beeldwerk is van cement;
+de modeleering der figuren is voortreffelijk; deze tijger met het aangezicht van een mensch herinnert ons aan de teekens der
+mexicaansche ridderorden, arenden, tijgers en sperwers. De orde van den tijger was de voornaamste van allen; en niets past
+beter bij de bestemming, die het paleis, volgens de legende, zou hebben gehad, dan deze symbolische voorstelling van de kracht
+en den moed: eene waardige versiering der woning van den opperbevelhebber van het leger van Izamal.
+
+</p>
+<p id="d0e405">Al deze monumenten, de pyramide met den zonnetempel, de tempel van Quetzalcoatl, het paleis van den vorst en de woning der
+priesters, leveren het bewijs dat Izamal, op het tijdstip der verovering, eene zeer talrijke bevolking had en een der hoofdpunten
+was van de nederzettingen der Tolteken; voorts weten wij zeker, dat de godsdienstoefeningen geregeld in de heiligdommen plaats
+grepen en door het volk werden bijgewoond. Dit is echter <span class="pageno"><a id="d0e407"></a>Bladzijde 34</span>onbestaanbaar met den hoogen ouderdom, dien sommigen aan deze stad willen toekennen.
+
+</p>
+<p id="d0e409">Wij vertrokken van Izamal ten vier uren in den morgen; het landschap maakte op ons een bij uitnemendheid treurigen indruk.
+Op een afstand van vier mijlen ontmoeten wij slechts een dorp, Sitilpech genoemd, eene verzameling van armoedige, meest ledigstaande
+hutten.
+
+</p>
+<p id="d0e411">In Yucatan bemoeit de administratie zich waarschijnlijk niet met de dienst der telegrafen en posterijen. Reeds te Merida had
+ik daarvan de ondervinding opgedaan, daar toch een aantal telegrammen, waarvoor ik zeer duur moest betalen, niet ter plaats
+hunner bestemming kwamen, of althans onbeantwoord bleven. Bij navraag gaf men mij ten antwoord, dat de telegraaflijn in geen
+goeden toestand verkeerde. Op onzen tocht kon ik mij daarvan overtuigen. De aanleg van deze lijn moet inderdaad zeer goedkoop
+zijn geweest, en de kosten van onderhoud zijn vermoedelijk gelijk nul. Er was wel een draad, maar er waren geen palen en geen
+isolators. Die ongelukkige draad liep langs den zoom van het bosch, vastgemaakt aan een of anderen tak; boog de tak, dan hing
+de draad neer; brak hij, dan viel de draad op den grond; nu eens zweefde hij even boven den bodem, dan weer lag hij, als lusteloos
+en wanhopig, slap op de struiken en rotsen. Die draad was te beklagen: maar nog meer te beklagen waren zij die betaalden,
+om haar weer in orde te brengen, of die er gebruik van maakten zonder eenig nut. Echter werkte hij toch van tijd tot tijd,
+die rampzalige telegraaf: hij was er ten minste, en onder dat opzicht onderscheidde Yucatan zich gunstig van Tabasco, waar
+de telegrafen onmiddellijk na den aanleg weer verdwenen, omdat de inwoners de draden voor hun eigen gebruik aanwendden.
+
+</p>
+<p id="d0e413">Na een zeer vermoeienden rit kwamen wij des avonds ten zeven uren te Citas. Het was volslagen donker, en men wachtte ons niet
+meer. Voor onze ontvangst was niets in gereedheid gebracht; de dorpelingen waren blijkbaar met deze verrassing alles behalve
+ingenomen. Waar zouden wij overnachten? Daar de school voor het oogenblik ledig stond, werd die ons ten gebruike afgestaan;
+wij gingen allen te zamen aan den arbeid, zetten de tafels en banken op zij, en maakten zoodoende ruimte voor onze hangmatten
+en veldbedden. Maar het souper:&#8212;dat is een lastig ding! De tijd is verstreken, en de dorpelingen hebben geen lust, weer aan
+het werk te gaan. Gelukkig komen de rechter en de burgemeester ons bezoeken: dank zij hunne tusschenkomst, wordt de zaak nog
+geschikt; de hoop op eene goede winst vermurwt de harten, en wij kunnen ons avondmaal gebruiken.
+
+</p>
+<p id="d0e415">Te Citas moeten wij den grooten weg verlaten om de bosschen in te gaan; wij moeten dus hier onze rijtuigen achterlaten, en
+in de plaats daarvan ons dragers, ezels en muildieren aanschaffen: daartoe is natuurlijk tijd noodig, en het verblijf te Citas
+is in het minst niet uitlokkend. De dorpelingen zijn onwillig; zij vragen een dubbel loon en blijven weg als zij geprest worden.
+Een vreemdeling, die zulke verre reizen onderneemt om ru&iuml;nen te zien, waarin de Indiaan hoegenaamd geen belang stelt, moet
+iemand zijn die met zijn geld geen weg weet: het is dus niet meer dan billijk dat hij betale. Nu, de Indianen van Yucatan
+zijn niet de eenigen, die zoo redeneeren.&#8212;Eindelijk krijgen wij dan toch onze dragers, tegen een derde boven den gewonen prijs.
+Paarden zijn schaarsch: zij moeten geprest worden; het militair geleide wordt ons gracieuselijk toegestaan. Natuurlijk zijn
+noch de soldaten, noch de paarden gereed; wij zelven moeten ook nog verschillende toebereidselen voor de reis maken. Bovendien
+zijn de paden in het bosch dicht gegroeid; de afstand naar Pist&eacute; bedraagt zeven mijlen; het eerste wat wij te doen hebben,
+is dus mannen uit te zenden om den weg te banen. Zij gaan op weg, en wij houden ons verder met onze uitrusting bezig, daar
+wij eerst den volgenden dag zullen vertrekken.
+
+</p>
+<p id="d0e417">Tegen den avond kregen wij eene uitnoodiging tot het bijwonen van een bal. Tot mijne verbazing vernam ik dat er te Citas gedanst
+werd, ondanks het gevaar, waarin het dorp steeds verkeerde ten gevolge van den opstand der Indianen, die elk oogenblik het
+vlek konden overvallen, de woningen verbranden en de dorpelingen vermoorden of medevoeren. Natuurlijk namen wij de uitnoodiging
+aan.
+
+</p>
+<p id="d0e419">De straten van Citas zijn geene straten, maar kleine ketens van steile rotsen, door miniatuurafgronden gescheiden, waarin
+de vreemdeling zeer gemakkelijk armen en beenen breken kan. Wij gaan dus op weg, ieder door twee Indianen geleid, want het
+huis, waar het feest wordt gegeven, is vier- of vijfhonderd el van het dorp verwijderd en het is buiten pikdonker. Wij komen
+zonder ongelukken ter plaatse onzer bestemming.
+
+</p>
+<p id="d0e421">In eene hut van armoedig voorkomen, verlicht door het schijnsel van drie vuren, zijn een half dozijn vrouwen bezig met het
+gereedmaken der spijzen; ik zie gansche stapels van kippen, kalkoenen en groote stukken varkensvleesch, die gekookt of gebraden
+moeten worden. Buiten zijn andere vrouwen bezig met het malen van ma&iuml;s, het kneden van het deeg of het bakken van koeken,
+die warm gegeten worden.
+
+</p>
+<p id="d0e423">Een met riet overdekte open loods, waarin eenige walmende lampen hangen, dient tot balzaal. Eene rij banken en eenige met
+leder bekleede stoelen zijn voor de dames bestemd; in het midden van het lokaal staan de heeren, met bloote voeten, een witte
+pantalon, een wijd loshangend hemd en een gekleurden doek om den hals. Het is er vol: het gansche dorp is hier vergaderd;
+althans al de Indianen en mestiezen, maar weinig ladinos, dat wil zeggen blanke vrouwen.
+
+</p>
+<p id="d0e425">&#8220;Het is een Indiaan, die dit feest geeft en de kosten betaalt,&#8221; zeide de rechter tot mij; &#8220;zulk een feest, dat dikwijls verscheidene
+dagen of liever verscheidene nachten duurt, kost veel geld. Dit feest zal, na afloop van alles, misschien driehonderd piasters
+(vijftienhonderd francs) hebben gekost: voor een mesties, zoowel als voor een Indiaan, vertegenwoordigt die som eene heele
+fortuin. Maar voor zulk eene gelegenheid zal hij al zijn geld uitgeven; hij draagt daar roem op; en eerlang zal het de beurt
+zijn van een anderen Indiaan, om een dergelijk feest te geven.
+<span class="pageno"><a id="d0e427"></a>Bladzijde 35</span></p>
+<p id="d0e428">&#8212;Maar,&#8221; hernam ik, &#8220;dat is voor die lieden de ondergang; wat moeten zij daarna beginnen?
+
+</p>
+<p id="d0e430">&#8212;Precies hetzelfde wat zij te voren deden,&#8221; antwoordde de rechter; &#8220;zij keeren tot hunne milpas, dat wil zeggen hunne plantages,
+terug. Is de oogst overvloedig, dan leven zij op den ouden voet voort, telkens eenige stuivers besparende om op hunne beurt
+een feest te kunnen geven; mislukt de oogst, dan binden zij hun maag toe; is er hongersnood, dan sterven zij van gebrek. De
+zorg voor den dag van morgen is hun, als allen onbeschaafden volken, ten eenemale vreemd, en de bitterste ervaringen zijn
+machteloos om hen op dit punt te genezen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e432"></p>
+<div id="d0e433" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-035.jpg" alt="Beeld van den god Tlaloc, te Chichen-Itza gevonden"></p>
+<p class="figureHead">Beeld van den god Tlaloc, te Chichen-Itza gevonden</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e437">Deze feestelijke plechtigheid is voor ons een nieuw bewijs voor de taaie levenskracht der aloude traditi&euml;n, waaraan men vasthoudt,
+ook al verstaat en begrijpt men ze sinds lang niet meer. Gij zoudt vergeefs tot deze lieden de vraag richten, vanwaar zij
+de zonderlinge gewoonte hebben om voor zulk een feest al hun geld uit te geven? Zij zouden u op die vraag niet kunnen antwoorden:
+wij moeten het voor hen doen.
+
+</p>
+<p id="d0e439">Wij vinden bij Landa een bericht, dat ons licht geeft. Na gesproken te hebben van de slemppartijen der Mayas en hunnen hartstocht
+voor feesten en gemeenschappelijke maaltijden, gaat de geschiedschrijver aldus voort:
+
+</p>
+<p id="d0e441">&#8220;Zij verteerden dikwijls bij een enkel feest alles wat zij gedurende een langen tijd met zwaren arbeid gewonnen hadden. Zij
+vierden hunne feesten op twee&euml;rlei wijze. De eerste gold voor de edelen en de lieden van aanzien: het gebruik wilde dat ieder
+der gasten, op zijne beurt, een feest gaf gelijk aan dat waarop hij genoodigd was. Aan elk der gasten gaf men een gebraden
+kip, brood en uit cacao bereiden drank in overvloed; en na afloop van den maaltijd, een mantel om zich te bedekken en een
+kleinen piedestal met een daarop geplaatsten beker, die zoo fraai mogelijk bewerkt was. Kwam een der gasten inmiddels te sterven,
+dan ging de verplichting om den maaltijd te geven op zijne erfgenamen of familie over.&#8221;&#8212;Is dat niet hetzelfde gebruik, hetwelk,
+zoo als wij zien, nog heden heerscht? En verder: &#8220;Bij deze maaltijden werd den gasten te drinken gegeven door schoone vrouwen,
+die, na hun den beker toegereikt te hebben, zich omkeerden en zoo met afgewend gelaat wachtten tot de gast den beker geledigd
+had. De indiaansche vrouwen volgen nog dezelfde gewoonte, als zij haar mannen bedienen.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e443">Wij verlaten vroegtijdig het bal, want wij moeten morgen ochtend vroeg vertrekken. Onze manschappen zijn gereed; muildieren
+en dragers hebben hun vracht; de paarden zijn gezadeld; een deel van het militair geleide gaat als voorhoede op weg; wij volgen.
+Het pad is de oude weg naar Pist&eacute;, die nu bijna geheel is dichtgegroeid, zoodat wij achter elkander moeten loopen en niet
+dan met moeite voortkomen. De tocht is vrij vervelend: wij trekken altijd door het dichte kreupelhout, vol lianen en doornen,
+waarboven slechts enkele palmen en hoogstammige boomen zich verheffen.
+
+</p>
+<p id="d0e445">Wij komen te Pist&eacute;, waarvan niets meer over is dan de gehavende en vervallen kerk, waarin thans eene afdeeling van vijf-en-twintig
+soldaten is gelegerd, als een uiterste voorpost tegen de Indianen. De manschappen moeten drie maanden in deze wildernis blijven,
+eer zij afgelost worden. Het gevaar is niet groot, want de Indianen, die opgestaan waren om hunne vrijheid te heroveren en
+uit wraak hun overwonnen vijanden vermoordden, gaan nu nog maar alleen op roof uit.
+
+<span class="pageno"><a id="d0e447"></a>Bladzijde 36</span></p><a id="d0e448"></a><h1>V</h1>
+<p id="d0e451">Het was laat in den namiddag, toen wij de ru&iuml;nen bereikten. Hoewel ik vroeger reeds tweemalen te Chichen was geweest, doortrilde
+mij toch een gevoel van blijde verrassing, toen ik in de verte het dusgenoemde Castillo ontdekte, tronende op zijne steile
+pyramide van zeventig voet hoogte.
+
+</p>
+<p id="d0e453">Wij hadden nauwelijks tijd gehad, ons in het Castillo te installeeren, toen de avond viel. Het was een aangrijpend schouwspel.
+Statig dreef de maan aan den onbewolkten, met tintelende sterren bezaaiden hemel, en goot haar licht uit over de eindelooze
+met bosch bedekte vlakte; op den voorgrond teekenden zich de grillige gestalten van muren of dichtbegroeide heuvels en terpen.
+Met deze ru&iuml;nen bekend, kon ik mijn reisgenooten elk monument aanwijzen.
+
+</p>
+<p id="d0e455">Het Castillo vormt het middelpunt der ru&iuml;nen; ten oosten, aan den voet der pyramide, lag het marktplein, met twee kleine,
+daartoe behoorende paleizen; ten noorden, de ru&iuml;nen van een fraai gebouw en de gewijde c&eacute;not&eacute;, met den tempel ter bewaking
+van het bassin; ten noordwesten de beroemde Kaatsbaan; ten oosten en ten zuidoosten, de Chichanchob, de Caracol, de tweede
+c&eacute;not&eacute;, het paleis der Nonnen, de Akab-sib, en verder, de sedert lang verlaten hacienda. Wij spraken half fluisterend over
+het geheimzinnig verleden van die doode stad, die wij zouden trachten uit het graf op te roepen; geen enkel geluid steeg uit
+de wijde vlakte tot ons op: alom een plechtige stilte als op een kerkhof, slechts nu en dan afgebroken door het geroep der
+schildwachten, die met geregelde tusschenpoozen elkander waarschuwden.
+
+</p>
+<p id="d0e457">Toen de dag was aangebroken, vertoonde zich een ander schouwspel, niet minder schoon. De vlakte, geheel met een dichten nevel
+overdekt, waarboven de pyramiden en de begroeide terpen uitstaken, scheen een kalme zee, met groene eilanden bezaaid; de horizon
+tooide zich, bij het rijzende licht, met de heerlijkste kleuren; lichte, doorschijnende nevelwolkjes zweefden door de ruimte,
+telkens wisselend van vorm en tint. Eindelijk verscheurde zich de nevelsluier en smolt weg voor de zonnestralen, niets achterlatende
+dan de schitterende droppels, als diamanten over de bladeren van het geboomte verspreid.
+
+</p>
+<p id="d0e459"></p>
+<div id="d0e460" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-036.jpg" alt="Bas-relief aan de Kaatsbaan te Chichen-Itza."></p>
+<p class="figureHead">Bas-relief aan de Kaatsbaan te Chichen-Itza.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e464">De zoogenoemde steden der Mayas verschilden ten eenemale van onze tegenwoordige steden; de Spanjaarden vergeleken de eerste
+steden, die zij hier zagen, met de steden in hun vaderland, met Sevilla bij voorbeeld; maar deze vaak herhaalde vergelijking
+is toch verre van juist. Voor zoo ver wij daarover thans, naar de overblijfselen, kunnen oordeelen, bestonden deze steden
+uit eenige groepen van gebouwen, die wij overal terugvinden, namelijk: een of meer tempels, de paleizen van den vorst en van
+de caciquen of hoofden, en gebouwen voor de openbare dienst bestemd. Deze groepen waren, schijnbaar zonder plan of orde, over
+eene aanmerkelijke oppervlakte verspreid; de tusschenruimten werden ingenomen door tuinen, waartusschen met cement geplaveide
+wegen liepen; in den omtrek stonden de hutten der bedienden en slaven.
+
+</p>
+<p id="d0e466">Chichen-Itza&#8212;dat wil zeggen, nabij de put van de Itza&#8212;ontleent haar naam aan den c&eacute;not&eacute; of de twee c&eacute;not&eacute;s, aan welker zoom
+de bevolking zich had neergezet. Chichen is jonger dan Izamal en Ak&eacute;, maar ouder dan Uxmal: evenals deze laatste stad, behoort
+zij tot den tijd, toen men bij het bouwen geen cement, maar gehouwen steenen gebruikte. De berichten, die wij omtrent de stad
+bezitten, zijn zeer schraal en zeer onzeker, zoo als trouwens alles wat wij aangaande Yucatan weten. Dit alleen is met zekerheid
+bekend, dat Chichen, <span class="pageno"><a id="d0e468"></a>Bladzijde 38</span>omstreeks de helft der vijftiende eeuw, door hare inwoners verlaten werd. De bevolking verhuisde in massa&#8212;de oorzaak dier
+verhuizing is onbekend&#8212;en stichtte in de lagune van Peten, ruim honderd mijlen meer zuidwaarts, een klein vorstendom, waarvan
+de hoofdstad Tayasal werd genoemd, dat door Cortez op zijn tocht naar Honduras werd bezocht, en dat eerst in 1697&#8212;alzoo, nog
+geen tweehonderd jaar geleden&#8212;door de Spanjaarden werd veroverd.
+
+</p>
+<p id="d0e470"></p>
+<div id="d0e471" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-037.jpg" alt="Het paleis der Nonnen te Chichen-Itza."></p>
+<p class="figureHead">Het paleis der Nonnen te Chichen-Itza.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e475">&#8220;Wij weten dus dat Chichen, omstreeks zestig jaar v&oacute;&oacute;r de aankomst der Spanjaarden nog bewoond was, en dat hare monumenten
+toen nog ongeschonden in wezen waren. Het is trouwens meer dan waarschijnlijk, dat deze stad, die bevoorrecht was niet twee
+groote en onuitputtelijke water-reservoirs&#8212;een onschatbaar bezit in een land, dat van water is ontbloot,&#8212;al spoedig nadat
+zij door hare inwoners verlaten was, op nieuw bevolkt werd en dat zij aldus haar leven voortzette tot op het tijdstip der
+verovering.
+
+</p>
+<p id="d0e477">De eerste bezetting door de Spanjaarden had plaats in 1527. Montejo landde, tegenover het eiland Cozumel, op de oostkust van
+Yucatan, met vierhonderd soldaten. Hij liet zijne schepen achter, onder de hoede der matrozen, en trok, onder het geleide
+van een Indiaan van Cozumel, naar het binnenland: dit verhaalt de Bachiler Valencia, die zijn verhaal schreef in 1639, te
+Valladolid woonde en van een der veroveraars afstamde. Bovendien blijkt ten duidelijkste uit de namen der steden, die Montejo
+doortrok, dat de expeditie haar weg nam van het oosten naar het westen; bij de tweede expeditie daarentegen, in 1541, toen
+de Spanjaarden te Champoton landden, trokken zij van het westen naar het oosten.
+
+</p>
+<p id="d0e479">Montejo kwam te Coni, dat van de kaart verdwenen is, trok door de provincie Choaca, en bereikte Kaba; van Kaba begaf hij zich
+naar Ak&eacute;, een dorp, dat, zoo als wij reeds opmerkten, niet moet worden verward met de stad Ak&eacute;, waarvan wij de ru&iuml;nen hebben
+bezocht. Daar stuitte hij op eene talrijke menigte Indianen, die hem den weg wilden versperren; het kwam tot een gevecht,
+het bloedigste dat de Spanjaarden hadden te leveren; en voor de eerste maal leerde Montejo het dappere volk kennen, waartegen
+hij te kampen zou hebben. Ondanks hunne vuurwapenen, die vreeselijke verwoestingen aanrichtten in de dichte drommen der Indianen,
+ondanks hunne ijzeren harnassen, die hen bijna onkwetsbaar maakten, moesten de Spanjaarden twee dagen achtereen vechten, om
+den hardnekkigen tegenstand hunner vijanden te overwinnen. Van Ak&eacute; begaf Montejo zich naar Chichen-Itza, dat men hem, volgens
+Herrera, had aangewezen als eene bij uitnemendheid geschikte plaats om zich daar te vestigen. De stad was dus bewoond. Montejo
+nam te Chichen zijn intrek in de gebouwen, waarvan wij nader zullen spreken; hij vestigde zich daar te midden van eene bevolking,
+die ten gevolge van het vreeselijke gevecht bij Ak&eacute;, door den schrik als verlamd was.
+
+</p>
+<p id="d0e481">In den eersten tijd ondervonden de Spanjaarden dus geene moeilijkheden en ontbrak het hun aan niets; maar allengs begon het
+den Indianen te verdrieten, in het onderhoud te moeten voorzien van deze vreemden, die ieder per dag meer gebruikten dan voor
+het onderhoud eener geheele indiaansche familie gedurende eene maand noodig was; zij weigerden zich langer te onderwerpen
+aan de afpersingen en wreede mishandelingen van deze bandieten. Nu werden niet langer levensmiddelen naar het kamp gebracht;
+eindelijk verdwenen de Indianen, de veroveraars in eene eenzame wildernis achterlatende. Op den overvloed van straks volgde
+nu gebrek en hongersnood; om zich levensmiddelen te verschaffen, moesten de Spanjaarden verre tochten naar de omliggende dorpen
+ondernemen en daar met geweld nemen, wat men hun niet vrijwillig wilde afstaan: van daar onophoudelijke gevechten; de Spanjaarden
+hadden honderd-vijftig hunner manschappen verloren, en de overgeblevenen waren allen gewond. Montejo, die waarschijnlijk de
+gemeenschap met zijne schepen had onderhouden, zag zich genoopt tot den terugtocht. Het omliggende land was geheel door Indianen
+bezet, en de terugtocht werd uiterst bezwaarlijk. Na een bloedig gevecht, waarin Montejo een deel van zijne beste manschappen
+verloren had, volgde een zeer donkere nacht, die bij uitstek gunstig scheen voor de vlucht. Hij beval de grootst mogelijke
+stilte, liet de hoeven der paarden omwikkelen, opdat men hen op den rotsigen grond niet hooren zou; om de waakzaamheid der
+Indianen te verschalken, liet hij vervolgens een zijner honden aan een buigzamen paal, waaraan een bel bevestigd was, vastbinden;
+en op eenigen afstand, buiten het bereik van den hond, een stuk vleesch nederleggen, dat het hongerige dier vergeefs trachtte
+te bereiken. Het gelui van de bel en het janken van den hond brachten de Mayas in den waan, dat hunne vijanden nog steeds
+in hun kamp waren. Inmiddels trokken de Spanjaarden in alle stilte naar het noorden, in de richting van Cilan. Toen het dag
+werd, bespeurden de Indianen dat zij misleid waren geworden: woedend zetten zij de vluchtelingen na, die niet dan met groote
+moeite de zeekust en het grondgebied van een vredelievenden vorst bereikten, die hun eene schuilplaats bood.
+
+</p>
+<p id="d0e483">Het paleis der Nonnen (el palacio de las Monjas) is een der voornaamste paleizen van Chichen-Itza; men heeft er een klooster
+van gemaakt, evenals van het groote gebouw te Uxmal, dat denzelfden naam draagt. Sommige schrijvers verhalen namelijk, dat
+bij de Azteken in Mexico de gewoonte heerschte, om jonge meisjes van aanzienlijke familie en omstreeks twaalf jaren oud, gedurende
+zekeren tijd aan de goden te wijden. De meesten verlieten den tempel om in het huwelijk te treden; sommigen verbonden zich,
+door plechtige gelofte, voor haar geheele leven. Sahagun deelt mede dat deze meisjes, kleine priesteressen of zusters genoemd,
+in de bijgebouwen van den tempel woonden, onder streng opzicht van daartoe aangestelde vrouwen; zij leidden daar een kloosterleven,
+en waren aan zeer strenge regelen onderworpen. Haar hair werd afgeknipt; zij moesten des nachts opstaan om te bidden en den
+tempel te reinigen; zij vastten bijna <span class="pageno"><a id="d0e485"></a>Bladzijde 39</span>onophoudelijk en pijnigden en martelden zichzelven op allerlei wijze ter eere der goden. Zij doorboorden zich de tong en de
+ooren met scherpe doornen, sliepen steeds geheel gekleed, om elk oogenblik haar arbeid te kunnen hervatten, gingen altijd
+met neergeslagen oogen, en moesten de doodstraf ondergaan voor iedere inbreuk op de strenge regelen der godsdienstige tucht.
+Zij waren dus inderdaad nonnen.
+
+</p>
+<p id="d0e487">Het paleis bestond uit een middengebouw en twee vleugels; de plaat op <a id="d0e489" href="#d0e471">bladz. 37</a> geeft den voorgevel van den linkervleugel te aanschouwen, die zeer schoon en uitmuntend goed bewaard is gebleven. Deze fa&ccedil;ade
+bestaat uit drie vooruitspringende lijsten, die twee friesen begrenzen, waarvan de versiering uit dezelfde motieven is saamgesteld.
+Op de eerste fries ziet men twee omlijste hoog-reliefs, waarop mannen zijn voorgesteld in neergehurkte houding; het lichaam
+van den een is gevat in de schaal van een schildpad; de reusachtige, groteske figuren in het midden en aan de hoeken van de
+eerste fries vindt men ook aan de fa&ccedil;ade van het hoofdgebouw, en met geringe wijzigingen op alle monumenten van Yucatan.&#8212;Het
+hoofdgebouw van het paleis der Nonnen leunt tegen eene pyramide, op welker terras of platform een zeer net bewerkt gebouw
+verrijst, bevattende kleine kamers met twee nissen tegenover elke deur, en gescheiden door een gang, die op den westelijken
+uithoek van de pyramide uitkomt. Op dit tweede gebouw rust nog een derde van kleiner afmetingen: het geheel vormt dus een
+paleis van drie verdiepingen.
+
+</p>
+<p id="d0e492">Wij keeren terug tot het gebouw waarin wij onzen intrek genomen hebben, dat ten onrechte den naam van Castillo draagt en eigenlijk
+een tempel was. Het rust op eene pyramide met vier trappen, naar de vier windstreken gekeerd; de plaat op <a id="d0e494" href="#d0e514">bladz. 40</a> stelt den westelijken gevel voor. De pyramide, waarvan de basis vier-en-vijftig meters bedraagt, bestaat uit negen terrassen,
+door loodrechte muren gedragen; zij is gekroond met een gebouw, waarvan de zijden ongeveer twaalf el lang en breed zijn, bij
+eene hoogte van zes el vijftig duim. Het bovenvlak van de pyramide verheft zich een-en-twintig el boven de vlakte; de trap
+bestaat uit negentig treden van ongeveer twaalf el breed.
+
+</p>
+<p id="d0e497">Uit deze constructie blijkt dat de naam van Castillo, kasteel, vesting, nog niet zoo ten eenemale onjuist is: immers zoowel
+in Yucatan als op de hoogvlakten, dienden de tempels in tijd van oorlog als vestingen; op die reusachtige trappen en terrassen
+verzamelden zich, in den uitersten nood, de uitgelezenste krijgslieden, om den zegevierenden vijand tegen te houden en hun
+leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De verdediging van zulk eene vesting kon lang worden volgehouden; en wanneer de bezetting
+inderdaad uit onverschrokken mannen bestond, die tot sterven bereid waren, dan moest de bestorming van elk dezer terrassen
+stroomen bloeds kosten. Wij zien daarvan een voorbeeld bij de bestorming van den grooten tempel te Mexico: de Spanjaarden
+werden bij herhaling terug geslagen, en Cortez moest zich zelf aan de spits zijner soldaten plaatsen, om achtereenvolgens
+de vier terrassen der pyramide te veroveren; het gevecht werd nog voortgezet op het bovenste plat, waar zich de Azteken hadden
+vereenigd, die tot den laatsten man werden gedood.
+
+</p>
+<p id="d0e499">De noordelijke fa&ccedil;ade, die tevens de voornaamste was, moest, nog ongeschonden, een grootschen indruk maken. Zij bestaat uit
+eene portiek met twee massieve kolommen, onderling verbonden door houten lijsten, waarop de dubbele kroonlijst van de fries
+rust, in het midden versierd met een groot medaillon. Deze portiek geeft toegang tot eene galerij, die de geheele breedte
+van het gebouw inneemt; uit de galerij komt men door eene enkele deur in een groot vertrek, zeer waarschijnlijk het heiligdom,
+waarvan het dubbele gewelf gedragen werd door twee pilaren met vierkante kapiteelen. De trap tegenover deze fa&ccedil;ade was breeder
+dan die aan de drie anderen; ter wederzijde zag men, bij wijze van leuning, een reusachtige gevederde slang, van onderen uitloopende
+in een monsterachtigen kop met wijd geopenden bek en uithangende tong. De kolommen, de pilaren, de deurposten en houten lijsten
+zijn bedekt met beeldhouwwerk en bas-reliefs. Even als de paleizen te Mexico en te Palenqu&eacute;, hadden ook de paleizen te Chichen
+geene deuren, maar werden de openingen slechts met matten of gordijnen gesloten; men vindt dan ook geen sporen van scharnieren,
+maar wel kleine gaten in de zuilen, waarin de koorden voor de gordijnen werden vastgemaakt.
+
+</p>
+<p id="d0e501">Toen Landa omstreeks 1560 Chichen bezocht, was deze voorgevel nog ongeschonden; geen steen ontbrak aan de negen terrassen
+van de pyramide, en de tempel vertoonde zich nog zoo als hij uit de hand der bouwmeesters was gekomen. Landa maakt ook gewag
+van de twee slangen ter wederzijde van de groote trap. &#8220;De galerij diende voor het ontsteken van reukwerk, en boven de deur
+ziet men een groot in steen uitgehouwen medaillon, waarvan de beteekenis mij onbekend is. Rondom dit gebouw bevinden zich
+een aantal anderen, groot en goed gebouwd; de tusschenruimte is bekleed met cement, die een aaneengesloten geheel vormt en
+geheel nieuw schijnt, zoo hard is de kalk, waarvan zij de cement maken.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e503">Die lagen van cement, die wij ook elders gevonden hebben, zijn eene kenmerkende eigenaardigheid van de kunst der Tolteken.
+Te Chichen zijn die cementlagen nu verdwenen; maar uit de beschrijving van Landa blijkt, dat in zijn tijd de bodem nog niet
+met planten en kruiden was begroeid: hetgeen bewijst, dat de stad nog niet lang geleden verlaten was. De uitmuntende toestand
+van de gebouwen, van de pyramiden en van dit plaveisel van cement, in een land waar de plantengroei zoo krachtig en welig
+is, bewijst dit nog te meer en wel op de meest afdoende wijze.
+
+</p>
+<p id="d0e505">In dezen tempel trof ons voor het eerst de verrassende overeenstemming tusschen de tolteeksche beeldwerken en bas-reliefs
+op de hoogvlakten, en de bas-reliefs van deze stad in Yucatan. Deze monumenten zijn, naar mijne overtuiging, afkomstig van
+de Tolteken, en van betrekkelijk jongen datum. Ziehier het bewijs voor deze meening.
+<span class="pageno"><a id="d0e507"></a>Bladzijde 40</span></p>
+<p id="d0e508">De balustrade van de groote trap verbeeldt, zoo als wij zagen, eene gevederde slang, geheel overeenkomende met die aan den
+muur van den tempel te Mexico. De gevederde slang was het symbool van Quetzalcoatl, een god der Tolteken en der Azteken: in
+Yucatan was zij het teeken van Cuculkan, een god der Mayas; in beide talen hebben de twee namen dezelfde beteekenis, namelijk
+die van <i>gepluimde slang</i>. Dit beeld, dat op de gebouwen van Yucatan veelvuldig voorkomt, diende ook ter versiering van de huizen der aanzienlijken
+te Mexico. Clavigero zegt ons dat de Azteken, in hunne bouworde, de kroonlijst bezigden, en dat men aan sommige gebouwen eene
+reusachtige slang in relief zag, die zich om alle openingen van het paleis slingerde, en zich zelve in den staart scheen te
+bijten.
+
+</p>
+<p id="d0e513"></p>
+<div id="d0e514" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-040.jpg" alt="Het Castillo te Chichen-Itza. (Blz. 39.)"></p>
+<p class="figureHead">Het Castillo te Chichen-Itza. (<a id="d0e517" href="#d0e485">Blz. 39</a>.)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e521">De twee pilaren van den voorgevel vertoonen eene onmiskenbare overeenkomst met eene tolteeksche zuil, die wij te Tula hebben
+gezien: ook hier zijn de schachten met vederen versierd en vertoonen de basementen den kop van een slang. Uit alles blijkt
+dus dat deze tempel aan Cuculkan was gewijd. Ook het kapiteel van den pilaar te Chichen-Itza verdient de aandacht. Het is
+geheel gebeeldhouwd: in het midden ziet men eene staande figuur, die met haar opgeheven armen het entablement schijnt te torsen.
+Deze gestalte met haar langen baard is wederom eene voorstelling van den tolteekschen god Quetzalcoatl, die onder verschillende
+gedaanten werd afgebeeld. Zijne kleeding is buitengewoon rijk: aan de polsen draagt hij breede armbanden, en op het hoofd
+een reusachtig tooisel van vederen; om zijn hals hangt een lange keten van edelgesteenten, en zijne laarsjes zijn met lederen
+rosetten versierd.
+<span class="pageno"><a id="d0e523"></a>Bladzijde 137</span></p>
+<p id="d0e524"></p>
+<div id="d0e525" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-137.jpg" alt="Kampement in het bosch."></p>
+<p class="figureHead">Kampement in het bosch.</p>
+</div><p>
+
+
+</p><a id="d0e529"></a><h1>VI</h1>
+<p id="d0e532">Ik heb reeds gezegd, dat er te Chichen-Itza twee c&eacute;not&eacute;s zijn, reusachtige kuilen, met loodrechte wanden, waarin het water
+door onderaardsche beken wordt aangevoerd. Deze twee natuurlijke reservoirs hebben ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de
+keuze van deze plaats voor de stichting eener stad en voor de nederzetting eener talrijke bevolking in den omtrek. De inwoners
+van Chichen konden zich de moeite sparen om diepe putten te boren; evenmin behoefden zij kunstmatige waterbakken of vijvers
+aan te leggen: de natuur zelve had gezorgd voor een rijken overvloed van water, een voorraad, die onuitputtelijk was en ook
+bij de grootste droogte nooit verminderde. Een van deze c&eacute;not&eacute;s bevond zich in het midden van de stad, en werd dan ook het
+meeste gebruikt; door middel van eene glooiing, waartegen men eene soort van trap had gemaakt, daalde men naar het water af;
+de andere, de heilige c&eacute;not&eacute;, ligt ten noorden van het Castillo, buiten den kring der gebouwen en op de grenzen der stad.
+Om dezen te bereiken, moeten wij ons een weg banen midden door het bosch; halverwege vinden wij de helft van een groot beeld
+van Tlaloc, en in de onmiddellijke nabijheid groote hoopen van puin, overblijfselen van twee tempels, aan wier voet wij weder
+het beeld terugvinden van de gepluimde slang, Quetzalcoatl of Cuculcan, die de voornaamste godheid der bevolking van Chichen
+schijnt te zijn geweest.
+
+</p>
+<p id="d0e534">De c&eacute;not&eacute;, die ongeveer honderd-vijftig el verder ligt, is langwerpig van gedaante; het water is niet te bereiken, want de
+loodrechte wand is omstreeks twintig el hoog en biedt nergens eene gelegenheid tot afdalen. Het water schijnt groen van kleur:
+dit kan het gevolg zijn van de aanzienlijke diepte, of ook de weerspiegeling van het dichte gebladerte rondom den put. Deze
+eenzame c&eacute;not&eacute;, waarvan de wanden met distels, struiken, heesters en lianen begroeid zijn, te midden van het bosch, maakt
+een somberen indruk. Deze plek was eens gewijd als bedevaarts- en offerplaats; Chichen was eene heilige stad, en deze c&eacute;not&eacute;
+behoorde tot de voornaamste heiligdommen. Een kleine tempel, waarvan wij nog de ru&iuml;nen kunnen ontdekken, verrees aan zijn
+zoom; aan de lokale godheid werden hier niet enkel halskettingen van edelgesteenten, gouden en zilveren vazen geofferd, maar
+ook volwassen menschen en kinderen, die vermoedelijk hier in de diepte werden geworpen.
+
+</p>
+<p id="d0e536">Landa maakt zoowel van den c&eacute;not&eacute; als van <span class="pageno"><a id="d0e538"></a>Bladzijde 138</span>den tempel melding; een breede, fraai geplaveide weg voert daarheen; hij vindt er vazen en allerhande soort van offergaven;
+hij voegt er bij, dat er nog in 1560 menschenoffers werden geslacht.
+
+</p>
+<p id="d0e540">Mij dunkt, dit is duidelijk genoeg. Meer dan veertig jaren na de verovering bestaat de tempel nog ongeschonden, vol van afgodsbeelden
+en van wijgeschenken, door de toen levende Indianen daar gebracht; er wordt nog voortdurend dienst in gedaan, en men ziet
+er afbeeldingen van Mayas in hun nationaal kostuum. Hoe kan men dan beweren, dat deze tempels het werk zijn van een verdwenen
+ras en dagteekenen uit een tijdvak v&oacute;&oacute;r onze christelijke jaartelling? Het verhaal van Landa moet iedereen de oogen openen.
+De stad was tijdens de verovering nog betrekkelijk jong, en ongetwijfeld bewoond toen Francisco de Montejo haar voor het eerst
+in 1527 bezette: immers in 1560 werden de tempels nog door de geloovigen bezocht.
+
+</p>
+<p id="d0e542">Van den heiligen c&eacute;not&eacute; begeven wij ons naar de Kaatsbaan, het voornaamste en het best bewaard gebleven van al dergelijke
+gebouwen, die voor het bij uitnemendheid nationale spel der Indianen waren bestemd. Het bestond uit twee evenwijdig loopende,
+zware gemetselde muren, ongeveer honderd el lang en tien el dik; de afstand tusschen de muren bedraagt vijf-en-dertig el.
+Aan het uiteinde dier muren bevinden zich twee kleine gebouwtjes, waarvan dat aan de noordzijde slechts een enkel vertrek
+bevat, van eene op zuilen rustende galerij of portiek voorzien, waar de aanzienlijke heeren, beveiligd tegen de brandende
+zonnestralen, op hun gemak het spel konden gadeslaan. Over de architektuur en de uitwendige dekoratie van dat gebouwtje kunnen
+wij in den tegenwoordigen toestand geen oordeel meer vellen; maar van binnen was het zeer rijk versierd: de zuilen en muren
+zijn geheel met bas-reliefs bedekt, die echter door den tijd in hooge mate geleden hebben.
+
+</p>
+<p id="d0e544">Dit groote monument alleen, waarvan alle geschiedschrijvers melding maken en dat zij Tlachtli en Tlachco noemen, is op zich
+zelf reeds een afdoend bewijs voor den tolteekschen invloed in Yucatan, want dit gebouw komt geheel overeen met de voor het
+kaatsspel bestemde lokalen op de hoogvlakten. De groote afmetingen en de rijke versiering van den Tlachtli te Chichen-Itza,
+waarvan wij bereids eene proeve hebben gegeven (zie <a id="d0e546" href="#d0e447">bladz. 36</a>), leveren ons het bewijs, dat het geliefkoosde spel van de bewoners der hoogvlakten in Yucatan niet minder in eere werd gehouden.
+
+
+</p>
+<p id="d0e549">Wij mogen Chichen-Itza niet verlaten, zonder nog te spreken van de beide beelden, op de bladz. <a id="d0e551" href="#d0e392">33</a> en <a id="d0e554" href="#d0e433">35</a> afgebeeld. Het eene is afkomstig van Chichen, waar het eenige jaren geleden gevonden werd; het andere is afkomstig uit den
+omtrek van Tlascala in de onmiddellijke nabijheid van Mexiko: alzoo op grooten afstand van het eerste. Naar de meening van
+doctor Hamy, waarmede ik mij geheel kan vereenigen, stellen de beide beelden den tolteekschen god Tlaloc voor, den god van
+den regen en den overvloed.
+
+</p>
+<p id="d0e557">Een enkele blik op de beide beelden is voldoende om ons te overtuigen, dat zij denzelfden persoon moeten voorstellen. Het
+verschil in de wijze van bewerking doet niets ter zake: het is blijkbaar dezelfde persoon, in dezelfde houding, met dezelfde
+kom op den buik om den regen op te vangen, en hetzelfde soort van kapsel of hoofddeksel. Het eene beeld is van kalksteen en
+het andere van basalt; dat uit den omtrek van Tlascala is misschien van zuiver tolteekschen arbeid en dan zeer oud; maar van
+waar het ook afkomstig moge zijn, het is zeer stellig tolteeksch van karakter en verspreidt dus ook licht over het andere
+beeld van Chichen-Itza.
+
+</p>
+<p id="d0e559">
+
+</p>
+<p id="d0e561">Van Merida begeven wij ons naar Ticul in het zuiden, om vandaar uit de fraaie ru&iuml;nen van Kabah te bezoeken. Van dezen tocht
+is niets te zeggen: het landschap van Yucatan is bij uitnemendheid eentonig, de eene weg gelijkt volmaakt op den anderen.
+In deze streek zijn de woningen of hofsteden minder ver van elkander verwijderd, maar onderscheiden zich overigens niet van
+de haciendas in andere streken. Als naar gewoonte, in den vroegen morgen vertrokken, komen wij omstreeks negen uren te Uayalceh;
+de muildieren moeten eenige rust nemen, en wij maken daarvan gebruik om te ontbijten.
+
+</p>
+<p id="d0e563">In deze groote hofsteden moet men voor de genoten gastvrijheid betalen; maar de reizigers worden er goed ontvangen; men beijvert
+zich om u te bedienen en de prijzen zijn matig. Terwijl ons maal wordt gereed gemaakt, gaan wij de hacienda bezien. Uayalceh
+is een indiaansch woord, dat &#8220;de rust van het hert&#8221; beteekent; de dusgenoemde plantage is waarschijnlijk de voornaamste in
+Yucatan. Men verbouwt hier, behalve de noodige ma&iuml;s voor de voeding van het talrijke personeel, uitsluitend henequen; dit
+gewas is trouwens winstgevend genoeg, want men verzekert mij dat de netto opbrengst vijftigduizend piasters bedraagt, dat
+is omstreeks tweehonderd-vijftigduizend francs. De hacienda is voor een millioen te koop! Dat geeft dus eene rente van vijf-en-twintig
+percent! Het spijt mij, dat ik geen millioen beschikbaar heb.
+
+</p>
+<p id="d0e565">Op de hacienda leeft eene bevolking van niet minder dan twaalfhonderd personen, die allen een of anderen arbeid verrichten.
+De kinderen zijn in de woning, onder het opzicht van een ouden Indiaan, bezig met het schoonmaken van een gewas, waarvan de
+naam mij onbekend is. Hun vroolijk gezang weergalmt door het geheele huis. Vrouwen gaan en komen, in lange rijen achter elkander,
+naar en van de noria, om de waterkruiken te vullen, die zij op haar hoofd dragen. Men zou zich in den tijd der aartsvaders
+verplaatst wanen, kwam niet de stoommachine den indruk bederven.
+
+</p>
+<p id="d0e567">Des avonds omstreeks vijf uren komen wij te Ticul, waar, door de goede zorgen van onzen vriend Don Antonio Fajardo, voor ons
+een huis in gereedheid is gebracht, dat wij aanstonds betrekken.
+
+</p>
+<p id="d0e569">Ticul mag in waarheid eene stad worden genoemd; welvarend en mooi, goed gelegen, niet ver van de heuvelreeks, die van het
+noordwesten naar het <span class="pageno"><a id="d0e571"></a>Bladzijde 139</span>zuidoosten het schiereiland doorsnijdt. Alle sporen van den indiaanschen oorlog schijnen hier uitgewischt; alles ziet er splinternieuw
+uit, uitgezonderd de kerk en het groote klooster, waar de door Stephens zoo hoog geroemde abt Carillo woonde, en dat bijna
+een bouwval is. Daar woont in een der haast niet bruikbare kamers de nieuwe pastoor, een vroolijk, voorkomend, aangenaam man,
+de broeder van den zoo even genoemden abt, van wien de amerikaansche reiziger ons zoo veel goeds vertelt.
+
+</p>
+<p id="d0e573">De inwoners van Ticul zijn zeer vriendelijk en ontvangen ons met groote hartelijkheid. Evenmin als elders in Yucatan, vindt
+men ook hier een hotel; maar in de kleine <i>tienda</i>, waarin wij onzen intrek nemen, vonden wij eene goede bediening en eene vrij wat betere tafel dan te Merida. Daar ontvangen
+wij geregeld bezoek van eenigen der voornaamste burgers van Ticul, die ons helpen bij onze studie en met wie wij onze avonden
+op de aangenaamste wijze doorbrengen.
+
+</p>
+<p id="d0e578">Ons doel was in de eerste plaats de ru&iuml;nen van Kabah te bezoeken, die tot de hacienda Santa-Ana behooren; maar tusschen de hacienda en de ru&iuml;nen strekt zich een bosch
+van vier mijlen uit, waardoor geen enkele weg loopt. Don Antonio geeft mij den raad eenige manschappen vooruit te zenden,
+om een weg te banen; en op last van den burgemeester zal een troep Indianen van het dorp Santa-Helena den arbeid verrichten.
+Wij zullen twee dagen geduld moeten oefenen; en daar er op de hac&iuml;enda Yokat een feest of kermis zal worden gevierd, dringt
+de eigenaar, die niemand anders is dan onze vriend Fajardo, er op aan, dat wij daarbij tegenwoordig zullen zijn. Zoo gezegd,
+zoo gedaan.
+
+</p>
+<p id="d0e583">Deze feesten in Yucatan worden zeer druk bezocht en lokken een aantal menschen, ook al worden zij buiten op het land gevierd.
+Het feest te Yokat moest drie dagen duren; stierengevechten, dansen, maaltijden in de open lucht, kramen en tenten van allerlei
+soort, niets zal er ontbreken; en van tien mijlen in den omtrek stroomt de bevolking er heen. De weg is vol van voetgangers
+en <i>volans coch&eacute;s</i>: deze wonderlijke rijtuigen, opgepropt met fraai uitgedoste vrouwen, schijnen welhaast bewegelijke bloemenkorven.&#8212;De hacienda,
+mooi gelegen aan den voet van een steilen heuvel, bestaat uit ruime gebouwen en prachtige tuinen; de gelukkige eigenaar is
+zeer verheugd als ik hem mijn oprecht gemeend compliment maak over zijne kostbare bezitting.
+
+</p>
+<p id="d0e588">Wij wonen de mis bij, gevolgd door eene preek in de taal der Mayas, die zeer zacht en welluidend klinkt; voor kapel dient
+eene lange galerij, waar een groot aantal mooie vrouwen, in haar fraaie rijk geborduurde kleederen en met gouden kettingen
+versierd, liggen neergeknield of op den grond zitten; allen volgen met eerbiedige aandacht de heilige handeling. Nauwelijks
+heeft de priester het <i>Ita missa est</i> uitgesproken, of zij zweven weg, als een dartele vogelenzwerm.
+
+</p>
+<p id="d0e593">Daarop volgden de voorstellingen; ik druk de kleine handjes der koninginnen van het feest, drie jonge meisjes van vijftien
+tot achttien jaar, waarvan de eene met volle recht eene schoonheid van den eersten rang mag worden genoemd. Er worden ververschingen
+gepresenteerd; en elke van deze bekoorlijke jonge meisjes komt haar rozenlipjes aan mijn glas zetten: dit is zoo het gebruik.
+
+
+</p>
+<p id="d0e595">Intusschen groeit de menigte van oogenblik tot oogenblik aan; zij vult de ruime binnenplaatsen van de hacienda en het uitgestrekte
+terrein voor de woning; daar bevindt zich de circus voor de stierengevechten, een groot amphitheater van takken, met verwonderlijke
+vlugheid door de Indianen in elkaar gezet. Het geheel bestaat uit planken, takken, palmbladen, lianen, zonder een enkelen
+spijker: en toch zit alles vast en zal dit luchtig getimmerte, zonder gevaar van bezwijken, het gewicht kunnen torschen van
+ettelijke duizenden toeschouwers.
+
+</p>
+<p id="d0e597">Daartegenover bevindt zich de balzaal, van takken en groen gemaakt; en verder, in bonte wanorde door elkander, een aantal
+kraampjes en winkeltjes, waar allerlei soorten van drank, vooral ook koppig engelsch bier, worden verkocht, en waarvoor de
+dorstige klanten elkaar verdringen. Er wordt sterk gedronken; de opgewondenheid neemt hand over hand toe; het is een geraas,
+een geschreeuw een gejuich, dat hooren en zien vergaat.
+
+</p>
+<p id="d0e599">Het uur voor de stierengevechten is gekomen; de circus is overvol; voor mij ligt de aantrekkelijkheid van het schouwspel minder
+in de kampplaats, dan wel in het publiek, hoofdzakelijk bestaande uit mestiezen-vrouwen, stralende van vreugde en genot, uitgedost
+in haar fraaiste kleederen, schitterende in de bontste kleuren, in roode, gele en blauwe borduursels, die zoo goed uitkomen
+tegen de sneeuwwitte jurken, te midden van wolken van kant, waartusschen de gouden kettingen en edelgesteenten vonkelen. Welk
+een betooverende aanblik! En, vreemd, niet waar? er zijn daar ruim tweeduizend toeschouwers en daaronder hoogstens drie- of
+vierhonderd mannen: men zou zeggen, dat men zich in eene vergadering van dames bevond. Deze wanverhouding tusschen het mannelijk
+en het vrouwelijk element is een verschijnsel, dat men in alle heete landen aantreft, waar het blanke ras zich gevestigd heeft.
+Op Java zijn van de zeven kinderen, die geboren worden, gemiddeld vijf meisjes. Hier schijnt het verschil nog grooter: de
+verhouding is hier, naar men zegt, van zeven of acht op tien. Mijn gastheer heeft acht dochters en twee zoons; op eene bevolking
+van honderd-elf-duizend blanken of mestiezen, zou men dus ter nauwernood twee-en-twintigduizend mannen tellen. Deze schromelijke
+wanverhouding, het onwedersprekelijk bewijs van den achteruitgang en de verbastering van het ras, komt natuurlijk niet voor
+bij de indiaansche bevolking, die op honderd-vijftigduizend zielen wordt geschat, en die dus het evenwicht eenigermate zou
+helpen herstellen. Men moet echter ook niet vergeten, dat de onophoudelijke burgeroorlogen en de langdurige gevechten met
+de Indianen onder de mannelijke bevolking groote verwoestingen hebben aangericht; misschien is ook daaraan voor een deel het
+ontzaglijk overwicht van het vrouwelijk element toe te schrijven.
+
+</p>
+<p id="d0e601">Vermoeid van het oorverdoovend geraas, van valsche muziek en eindeloos herhaalde dansen, keer <span class="pageno"><a id="d0e603"></a>Bladzijde 140</span>ik naar Ticul terug, waar ik tijding hoop te vernemen van mijne werklieden. Bij mijne tehuiskomst hoor ik inderdaad dat de
+weg naar de ru&iuml;nen gebaand is, en dat ik vertrekken kan wanneer het mij behaagt.
+
+
+</p><a id="d0e605"></a><h1>VII</h1>
+<p id="d0e608">Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen,
+en de volans-coch&eacute;s zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de ru&iuml;nen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul
+verwijderd; Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint
+zich tegenwoordig weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de onmiddellijke nabijheid voor het grijpen;
+zij zijn afkomstig uit een groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond, welke thans geheel in puin
+liggen. Onder die materialen merken wij vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en, hetgeen opmerkelijk
+is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen werktuig,
+dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne beeldwerken
+en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen
+voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen
+van koper met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest.
+
+</p>
+<p id="d0e610"></p>
+<div id="d0e611" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-140.jpg" alt="Ru&iuml;nen van het eerste paleis te Kabah (Blz. 142.)"></p>
+<p class="figureHead">Ru&iuml;nen van het eerste paleis te Kabah (<a id="d0e614" href="#d0e618">Blz. 142</a>.)
+</p>
+</div><p>
+<span class="pageno"><a id="d0e618"></a>Bladzijde 142</span></p>
+<p id="d0e619">De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ru&iuml;nen van Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide
+en vele andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken
+zij van de vorsten dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken of steden aan de andere zijde waren gelegen
+van de heuvelketen, die Yucatan doorsnijdt.
+
+</p>
+<p id="d0e621"></p>
+<div id="d0e622" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-141.jpg" alt="Het paleis van den gouverneur te Uxmal. (Blz. 142.)"></p>
+<p class="figureHead">Het paleis van den gouverneur te Uxmal. (<a id="d0e625" href="#d0e618">Blz. 142</a>.)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e629">Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge
+pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ru&iuml;nen bedekt, triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte.
+Deze gebouwen, met die van Uxmal, welke wij zoo aanstonds zullen bezoeken, en die van Chichen-Itza, welke wij reeds kennen,
+kunnen ons een volledig denkbeeld geven van de architektuur in Yucatan, en leveren tevens het afdoend bewijs voor de eenheid
+der beschaving in het schiereiland.
+
+</p>
+<p id="d0e631">Al deze monumenten, van de oudste tot de jongste, hebben denzelfden oorsprong, zijn afkomstig van hetzelfde volk en vertoonen
+allen, met eenige varianten, denzelfden karaktertrek. Zie het eerste paleis van Kabah: de voorgevel is op de weelderigste
+wijze versierd, maar wij vinden hier dezelfde kolossale figuren terug, die wij te Chichen hebben gezien, en die het best zijn
+te vergelijken met die reusachtige houten afgodsbeelden, uit boven elkander geplaatste hoofden bestaande, die van de eilanden
+in den Stillen-oceaan afkomstig zijn. De versiering van dit monument is tot in het buitensporige overdreven: de architektonische
+lijnen, ja ik zou bijna zeggen, het gebouw zelf verdwijnt geheel en al, om plaats te maken voor ornamenten. De zeer vervallen
+toestand, waarin het monument verkeert, laat niet meer toe, een oordeel over het geheel te vellen; maar deze vijftig el breede
+voorgevel met zijne alles overstelpende dekoratie moet een zonderlingen indruk hebben gemaakt.
+
+</p>
+<p id="d0e633">Evenals alle monumenten in Yucatan, verrees ook dit paleis op eene pyramide van twee verdiepingen; voor het gebouw strekte
+zich eene ruime esplanade uit, waarop zich ter wederzijde twee breede waterbakken bevonden en in het midden de zuil voor de
+strafoefeningen, de <i>picot&eacute;</i>. Het inwendige van het paleis bevat eene dubbele reeks van zalen, de schoonste, die wij nog gezien hebben. Zij hebben eene
+lengte van ongeveer negen, bij eene breedte van ruim drie el, en zijn zes el hoog. In alle zalen waren de wanden beschilderd
+en met beelden en opschriften bedekt, zoo als blijkt uit de brokstukken die ons nog zijn overgebleven: het is zelfs waarschijnlijk,
+dat de gebouwen geheel beschilderd waren. De polychromie was dus bij de Yucateken in gebruik, even als bij de volken der oude
+wereld. Ook bij hen werd, even als in de klassieke oudheid, de schilderkunst nooit van de bouwkunst gescheiden: die beide
+kunsten vulden elkander aan, en hetgeen wij nu eene schilderij noemen, bekleedde toen slechts eene zeer onderschikte plaats.
+Ook hier besteedde de kunstenaar zijne voornaamste zorg aan de uitwendige dekoratie; en die levendige sprekende kleuren, in
+zoo weelderigen rijkdom aangebracht op de breede gevels, moeten, met de warreling der monsterachtige figuren, niet weinig
+hebben bijgedragen tot verhooging van de zeker echt barbaarsche pracht dezer wonderlijke gebouwen.
+
+</p>
+<p id="d0e638">Het tweede paleis ligt honderd-vijftig el ten noordoosten van het eerste; het verheft zich evenzoo op eene pyramide, en heeft
+ook zijne esplanade met twee waterbakken en een <i>picot&eacute;</i>; maar het staat bovendien op een tweede terras, dat eene reeks zalen bevat, die geheel zijn verwoest. In het midden bevindt
+zich de trap, gedragen door een soort van gewelf, die toegang geeft tot het gebouw.
+
+</p>
+<p id="d0e643">Dit zeer lage paleis&#8212;de hoogte bedraagt niet meer dan vijf el&#8212;onderscheidt zich door zijn eenvoud, tegenover de overladen
+versiering van het andere. De gevel, die bijna nog in zijn geheel aanwezig is, heeft eene breedte van vijftig el; in dien
+gevel zijn zeven openingen, waarvan twee toegang geven tot twee kleine en nauwe vertrekjes. Het benedenste gedeelte van den
+muur is zonder versiering; de fries boven de weinig uitstekende kroonlijst bestaat uit kleine zuilen, bij drietallen gegroepeerd,
+met een vlakken muur tusschenbeiden. Het achterste gedeelte van het paleis is geheel vernield.
+
+</p>
+<p id="d0e645">Links van dit monument verrijst eene pyramide met verschillende verdiepingen, voorzien van vier trappen, die naar de bovenste
+terrassen voerden, waar de gebouwen geheel in puin liggen. Deze pyramide is omringd door vertrekken van verschillende afmetingen,
+waarvan de deuren of toegangen soms door pilaren in twee&euml;n gescheiden zijn. De posten en drempels der deuren zijn van steen,
+even als in het tweede paleis; voor het meerendeel zijn die posten zeer goed bewaard gebleven.
+
+</p>
+<p id="d0e647">Omtrent de geschiedenis van Kabah verkeeren wij niet ten eenemale in het duister. Wij zeiden reeds, dat bij de verschijning
+der Spanjaarden, Yucatan in verschillende onafhankelijke vorstendommen of heerlijkheden was verdeeld. Maar een eeuw vroeger
+voerde de vorst van eene zekere stad, Mayapan genoemd, den schepter over het geheele schiereiland: hij had de aan zijn vorstendom
+grenzende gewesten onderworpen en, als naar gewoonte, hunne hoofdsteden verwoest. De caciquen van de Sierra, waartoe ook de
+vorsten van Kabah, Uxmal enz. behoorden, waren onder de verwonnelingen.
+
+</p>
+<p id="d0e649">De vorst van Mayapan kon zijn gezag alleen staande houden met behulp van eene mexikaansche bezetting: dit geeft ons een datum.
+Wij weten namelijk dat de Azteken schatplichtig waren aan den koning van Azcapozalco, en dat zij eerst onder de regeering
+van Itzcoatl, omstreeks het jaar 1425, hunne onafhankelijkheid herwonnen; dat zij echter eerst onder de regeering van Montezuma
+I, omstreeks 1440, invloed verwierven en veroverend optraden; zij konden dus eerst in dezen tijd aan den vorst van Mayapan
+hulptroepen zenden.
+
+</p>
+<p id="d0e651">Om zijne heerschappij te verzekeren en zijne vazallen in onderwerping te houden, dwong de koning van Mayapan de hoofden der
+voornaamste famili&euml;n om als gijzelaars aan zijn hof te vertoeven; het juk der overheersching drukte des te <span class="pageno"><a id="d0e653"></a>Bladzijde 143</span>zwaarder en scheen te hatelijker, omdat de overwinnaar steunde op de hulp van vreemde soldaten. De andere vorsten sloten onderling
+een verbond, waaraan ook de bewoners van de Sierra deelnamen; het kwam tot een oorlog; de koning van Mayapan werd overwonnen
+en zijne stad geheel verwoest. De gevangen gehouden caciquen keerden naar hunne woonsteden terug.
+
+</p>
+<p id="d0e655">Dit geschiedde in 1420, volgens Landa; maar volgens Herrera, wiens chronologie veel juister schijnt en door beter bewijzen
+gestaafd, in 1460. &#8220;Volgens hem verliepen er zeventig jaar tusschen de verwoesting van Mayapan en de komst der Spanjaarden:
+Montejo nu hield van 1528 tot 1531 Chichen bezet. Herrera verzekert ook, dat na de verdeeling van het land in onafhankelijke
+gewesten, de bevolking zich zoo sterk vermenigvuldigde, dat het geheele land slechts eene enkele stad scheen; men bouwde overal
+tempels en paleizen: &#8220;het is daarom dat er zoo velen van zijn.&#8221; Ook Landa zegt hetzelfde: ook hij verzekert dat de bevolking
+buitengewoon toenam en dat er tempels in menigte gebouwd werden, &#8220;zoodat men die heden nog overal ziet, en dat men in de bosschen,
+te midden van het woud, groepen van huizen en verwonderlijk schoon bewerkte paleizen vindt.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e657">De monumenten, waarvan wij de ru&iuml;nen nog heden kunnen bestudeeren, zijn dus in geenen deele uit lang vervlogen eeuwen, uit
+voorhistorische tijden afkomstig.
+
+</p>
+<p id="d0e659">De weg van Kabah naar Santa-Helena is een der beste, die wij nog ontmoet hebben: hij is vrij breed, goed belommerd en niet
+al te oneffen. Was deze bruikbare weg voor ons reeds eene verrassing, eene nog grootere wachtte ons, toen wij het prachtige
+indiaansche dorp Santa-Helena bereikten.
+
+</p>
+<p id="d0e661">Dit dorp beslaat eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds, die, even als eene nieuwerwetsche stad, in regelmatige vierkante
+vakken is verdeeld; elk vak, met groote boomen beplant, is weder gesplitst in perceelen van ongeveer tweeduizend el in oppervlakte,
+omringd door muren van gedroogden steen, waarop de woning van den eigenaar staat. Eenige bloeiende heesters en vruchtboomen
+vormen kleine bosschages, en nabij de woning ziet ge een soort van groote horde van rijswerk, twee meter in het vierkant en
+op palen rustende, waarover een laag teelaarde is gespreid. In dit hangende tuintje kweekt de eigenaar bloemen en eenige groenten.
+Een zwerm van gevogelte stoffeert het stille plekje: het gekakel van kippen, het gekwaak van eenden en het geklok van kalkoenen
+vermengt zich met het geknor van varkens. Alles teekent welvaart, bijna overvloed.
+
+</p>
+<p id="d0e663">Dit dorp was voor mij bijna eene openbaring uit het verleden. Zoo moet, zeide ik tot mij zelven, een dorp der Mayas er hebben
+uitgezien. Uit hetgeen wij voor oogen hebben, kunnen wij zonder moeite en met meer dan waarschijnlijkheid tot de vroegere
+toestanden besluiten; de eeuwenoude traditi&euml;n, de overge&euml;rfde begrippen en voorstellingen, geheel de omgeving oefenen een
+zoo machtigen invloed op de menschen uit, dat er in de indiaansche organisatie niet veel veranderd kan zijn. Van waar zou
+ook zulke verandering gekomen zijn? De Spanjaarden hebben wel, ook in Yucatan, hunne godsdienst ingevoerd, en dat geschiedde
+meer door geweld, dan langs den weg der overtuiging; maar zij konden noch de bebouwing des lands, noch de kleederdracht, noch
+de zeden, noch de taal veranderen. Zij zelven ondergingen, door de aanraking met het onderworpen ras, gaandeweg eene zeer
+wezenlijke verandering; en indien het hun al gelukte de plaats in te nemen van de oude beheerschers des lands, zoo traden
+zij toch onder menig opzicht, eenvoudig in hun spoor.
+
+</p>
+<p id="d0e665">Yucatan was eene feodaliteit, waarvan de sporen nog geheel te herkennen zijn; overal langs de wegen en in de bosschen, vindt
+men de overblijfselen van meer of minder belangrijke gebouwen, die het middelpunt vormden van eene nederzetting, van eene
+groote plantage: de twee, drie of vier pyramiden, vroeger met monumenten bedekt, stellen ons nog in staat ons een denkbeeld
+te maken van de macht en het aanzien van den cacique, die daar weleer zijn zetel had.
+
+</p>
+<p id="d0e667">Tegenwoordig zijn die nederzettingen ongetwijfeld minder talrijk en minder belangrijk, want de bevolking is tot minder dan
+een tiende geslonken, dank zij het vaderlijk regeeringsstelsel der veroveraars; maar de steden, dorpen en haciendas hebben
+dezelfde bestemming &eacute;n staan nog op de oude plaats: daar zijn er maar weinigen, in wier onmiddellijke nabijheid men geen ru&iuml;nen
+vindt en die niet zijn gebouwd met de materialen, van de vroegere monumenten afkomstig. Overal heeft de Spanjaard de plaats
+ingenomen van den overwonnen cacique; er is niets veranderd, dan alleen dat de oude adellijke familie tot armoede en slavernij
+is vervallen.
+
+</p>
+<p id="d0e669">In het wezen der zaak is niets veranderd: de hacienda met haar gebouwen in spaansch-moorschen stijl heeft de plaats ingenomen
+van het paleis der vorsten of de nederiger woning van den edelman. Maar even als vroeger, omgeven de hutten der arbeiders
+en onderhoorigen ook nu het huis van den heer, en die hutten vertoonen nog heden het beeld der vroegeren: ook zij zijn langwerpig
+van vorm, met riet gedekt, en, wanneer de bewoner maar eenigszins welgesteld is, versierd met die kleine ruitvormige teekeningen,
+eene flauwe afschaduwing der rijke dekoratie van de paleizen der vroegere vorsten.&#8212;Alleen de godsdienst is veranderd: de kerk
+heeft den tempel verdrongen: maar wie zal zeggen, in welke mate de oude heidensche wereldbeschouwing nog leeft in de harten
+dezes volks? Van Santa-Helena begeven wij ons naar Uxmal, waar ons de administrateur, Don Lu&iuml;z Perez, wachtte. De hacienda
+is niet meer de verlaten, eenzame woning van voorheen: er heerscht thans leven en beweging, en overal is alles in volle werkzaamheid.
+In plaats van eene eenvoudige hut, aanschouwt ge een statig gebouw, dat ruime zalen en vertrekken bevat en met eene op kolommen
+rustende veranda prijkt. In de werkplaats zijn dag en nacht honderden Indianen aan den arbeid; een spoorweg loopt van de hacienda
+naar de plantages en de met muildieren bespannen wagens voeren onophoudelijk vrachten suikerriet aan; er is een rustelooze
+<span class="pageno"><a id="d0e671"></a>Bladzijde 144</span>beweging, een komen en gaan van menschen en paarden en vee: alles teekent leven en welvaart. Maar evenals vroeger, is de woning
+ongezond; en de majordomo klaagt bitter over de sluipkoortsen, die zijne gezondheid ondermijnen.
+
+</p>
+<p id="d0e673">De ru&iuml;nen zijn twee mijlen van de hacienda verwijderd.
+
+</p>
+<p id="d0e675">Uxmal, de mededingster van Chichen, is reeds meermalen beschreven; wij zullen ons dus hier tot het voornaamste bepalen. Daaronder
+komt de eerste plaats toe aan het zoogenaamde paleis van den gouverneur, buiten kijf het grootste en het prachtigste van alle
+oude monumenten in Amerika; zijne ligging op drie opeenvolgende terrassen verhoogt nog het effekt van dit tegelijk sobere en rijke gebouw. Hoewel sedert drie eeuwen verlaten, schijnt dit paleis nog bijna nieuw; het zou geheel ongeschonden
+zijn, indien de vroegere eigenaars niet de steenen van het onderste gedeelte hadden laten weghalen om daarmede hunne hacienda
+te bouwen.
+
+</p>
+<p id="d0e680"></p>
+<div id="d0e681" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-144.jpg" alt="Afgodsbeelden in terra cotta van Tabasco."></p>
+<p class="figureHead">Afgodsbeelden in terra cotta van Tabasco.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e685">Het zoogenaamde paleis der nonnen beslaat een groot parallelogram, gevormd door vier fraaie gebouwen, wier bij uitnemendheid
+rijke ornamentatie aanstonds de aandacht trekt. De noordelijke vleugel van dit paleis bevat een stuk van een kleiner en ongetwijfeld
+ouder gebouw: naar men vermoedt, zou dit het overblijfsel zijn van een paleis, dat deel uitmaakte van eene vroegere stad Uxmal,
+die, naar men zegt, verwoest werd. Het laatste paleis dagteekent vermoedelijk uit den tijd na den val van Mayapan.
+
+</p>
+<p id="d0e687">Het huis van den Dwerg, ook het huis van den Waarzegger genoemd, is een zeer fraaie tempel op den top eener zeer steile pyramide,
+die eene hoogte bereikt van bijkans honderd voet. De tempel bestaat uit twee gedeelten: het eene staat op het bovenste terras;
+het andere is bij wijze van souterrain daartegen aangebouwd en met den gevel naar het westen gekeerd. Deze soort van kapel
+was zeer rijk versierd en waarschijnlijk aan den dienst van een der voornaamste goden gewijd. Twee groote trappen, een ten
+oosten en een ten westen, voeren naar de beide gebouwen.
+
+</p>
+<p id="d0e689">Pater Cogolludo bezocht dien tempel in 1656; hij verhaalt ons dat de trap zoo steil was dat hij er duizelig van werd, en dat
+hij in een der zalen van het gebouw offeranden van cacao vond en sporen van copal, die men er sedert kort gebrand had: hieruit
+blijkt dus, dat de Indianen van Uxmal, honderd-vijftien jaren na de verovering, nog aan hunne goden offerden. Daaruit blijkt
+ook, dat de tempel nog in wezen was en dat de Indianen er nog hunne oude eeredienst uitoefenden.
+
+</p>
+<p id="d0e691">Uxmal is de eenige stad, waar de gebouwen zoo <span class="pageno"><a id="d0e693"></a>Bladzijde 145</span>geplaatst zijn, dat men ze gezamenlijk overzien kan. Bepaaldelijk wordt de aandacht getrokken door eene groote pyramide zonder
+monument, met eene breede vlakke kruin, die den naam draagt van <i>Cerro de los sacrificios</i>, heuvel der offeranden, waar de menschenoffers plaats grepen. Deze pyramide zou dan eene navolging zijn van de mexikaansche
+tempels, welke uit eene pyramide bestonden, met kleine houten kapellen waarin de beelden van de afgoden stonden, en den <i>techcatl</i>, een blok steen met bolle oppervlakte, waarop het slachtoffer werd uitgestrekt, zoodat de vooruitstekende borst gemakkelijk
+door het mes van den priester kon worden opengesneden, die er vervolgens het hart uitnam. Het menschenoffer geschiedde altijd
+ten aanschouwe van het volk, aan den rand der pyramide, van waar men vervolgens het lijk naar beneden wierp, opdat de toeschouwers
+het onder zich zouden kunnen verdeelen en verslinden.
+
+</p>
+<p id="d0e701"></p>
+<div id="d0e702" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-145.jpg" alt="Ru&iuml;ne van een paleis te Uxmal."></p>
+<p class="figureHead">Ru&iuml;ne van een paleis te Uxmal.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e706">De Tolteken daarentegen, bij wie het menschenoffer niet in gebruik was, hadden werkelijk tempels op hunne pyramiden, naar
+de beschrijving te oordeelen, geheel overeenkomende met die, welke men in Yucatan ziet, waar zij deze wijze van bouwen invoerden
+en ontwikkelden. Vinden wij dus bij de Mayas het menschenoffer en de daarmede verbonden anthropophagie, dan kunnen wij dit
+gebruik alleen aan mexikaansche invloeden toeschrijven: alle geschiedschrijvers verklaren dan ook eenstemmig dat het de Azteken
+waren, die deze afschuwelijke gewoonte in het schiereiland invoerden. Maar wij weten dat deze Azteken niet voor het jaar 1440
+als hulptroepen naar Mayapan konden komen. De voor het voltrekken der menschenoffers bestemde monumenten kunnen dus niet ouder
+zijn dan de tweede helft der vijftiende eeuw.
+
+</p>
+<p id="d0e708">Ik kan te dezer plaatse deze kwestie van den ouderdom der monumenten van Yucatan niet in alle bijzonderheden bespreken; op
+deugdelijke gronden ben ik overtuigd dat de steden van het schiereiland, op verschillende tijden door de veroverende Tolteken
+gesticht, voor het meerendeel niet ouder zijn dan de elfde eeuw, en dat de jongsten uit de vijftiende eeuw dagteekenen.
+
+</p>
+<p id="d0e710">Wij nemen afscheid van de ru&iuml;nen en slaan den weg in naar Muna, een aanzienlijk vlek, waar een feest gevierd wordt. Welk een
+aantal feesten! Bijna in elk dorp, dat wij doortrekken, is het feest. Dat is eene uitmuntende gelegenheid om te drinken; het
+wemelt van beschonkenen en de herbergen zijn vol van Indianen, die het verfoeilijke bier drinken. Maar ge hoort geen geschreeuw
+en ziet geen vechtpartijen of ergerlijke tooneelen: zelfs in hunne dronkenschap zijn deze lieden stil en vreedzaam. De een
+gaat op den grond liggen; een ander ziet u met verglaasde oogen aan; een derde wil u uit louter teederheid omhelzen.
+<span class="pageno"><a id="d0e712"></a>Bladzijde 146</span></p>
+<p id="d0e713">Op het marktplein waggelt een mooie, rijzige mesties, met een blauwen hoed op en geheel in het nieuw gestoken; hij valt, maar
+richt zich weer op, dank zij de krachtige hulp van zijne moeder en zijne vrouw, die hem zoo goed zij kunnen ondersteunen en
+trachten weg te voeren. Dicht bij ons, op de trappen van de herberg, waar wij onzen intrek genomen hebben, richt een jonge
+Indiaan zich op: aarzelend kijkt hij naar den winkel, waaruit hij naar buiten is getuimeld, en die hem zoo onwederstaanbaar
+lokt met al die gevulde flesschen. Twee schreden verder staat zijne kleine vrouw, die hem wacht, en hem met haar zachte stem
+toefluistert, &#8221;<i>Coox....</i> laat ons gaan.&#8221; Maar hij gaat niet: de verzoeking is hem te sterk: hij keert in de herberg terug en komt naar buiten met
+een gevuld glas, dat hij zijne echtgenoote aanbiedt. De Indiaansche keert zich om, omsluiert zich het gelaat, drinkt het glas
+leeg, en zegt tot haar gemaal, maar op nog zachter toon: &#8221;<i>Co.....ox</i>.&#8221; Hij, denkende haar overreed te hebben, lacht onnoozel, keert in de herberg terug, drinkt nog een glas en gaat nu, bijna
+bewusteloos, met dof starende oogen, weer op de trap liggen. &#8221;<i>Co....ox....coox</i>,&#8221; herhaalde de vrouw op klagenden toon; maar hij hoorde haar niet meer. De ongelukkige zal daar misschien den geheelen nacht
+blijven liggen, en zijne vrouw zal bij hem waken tot de dag aanbreekt.
+
+</p>
+<p id="d0e724">Wij vernachtten te Abala in eene verlaten hut, en kwamen den volgenden morgen ten tien uren, te Merida.
+
+
+</p><a id="d0e726"></a><h1>VIII</h1>
+<p id="d0e729">Wij gaan te Progreso aan boord van de <i>Asturias</i>, een stoombootje zoo groot als een notendop, met slechts vier slaapplaatsen. Gelukkig zijn wij de eenige passagiers. De zee
+is kalm, en den volgenden morgen vroeg komen wij te Camp&ecirc;che. Daar het bootje maar zeer weinig diepgang heeft, kunnen wij
+dicht genoeg de kust naderen om het panorama van de stad te kunnen genieten; grootere stoomschepen moeten ook hier, even als
+te Progreso, het anker uitwerpen op vier mijlen afstands van de kust, van waar men ter nauwernood het land kan zien.
+
+</p>
+<p id="d0e734">Camp&ecirc;che werd gebouwd op de plek, waar eene oude indiaansche stad stond, en waar Antonio de Cordova zich ophield bij zijne
+eerste ongelukkige expeditie van 1517. De Indianen kwamen de vreemdelingen tegemoet, en, zegt Bernal Diaz del Castillo, &#8220;zij
+geleidden ons naar zeer uitgestrekte gebouwen, die de kapellen van hunne goden bevatten. Op de muren dier gebouwen zag men
+bas-reliefs, reusachtige slangen verbeeldende; daarnaast, geschilderde afbeeldingen van goden, rondom een soort van altaar,
+waarop nog versche bloeddroppelen zichtbaar waren. Een groot aantal mannen en vrouwen kwamen naderbij, glimlachende en vriendelijk;
+naar het scheen, enkel gedreven door de begeerte om ons te zien.&#8221;&#8212;Maar het tooneel veranderde weldra: men bracht vuurpotten,
+waarin geurig riet brandde, en priesters, wier haren doortrokken waren van bloed, beduidden den Spanjaarden dat zij deze kust
+moesten verlaten, eer de vuurpotten waren uitgebrand, anders zouden zij vermoord worden. De Spanjaarden verwijderden zich
+aanstonds, en keerden eerst in 1541 te Camp&ecirc;che terug. Tempels en pyramiden zijn sedert lang verdwenen, maar zoowel deze gebouwen
+als de eigenaardige versiering, de zonderlinge ceremoni&euml;n, die priesters met hunne bloedige haren&#8212;dit alles herinnert ons
+levendig aan Mexico. Wat is er van die tempels en pyramiden geworden? Als alle gebouwen langs de kust of in de onmiddellijke
+nabijheid der spaansche nederzettingen, zijn zij van de aarde verdwenen; zij behoorden tot dezelfde bouworde als de monumenten
+in het binnenland, die aan de vernielingswoede der veroveraars ontsnapten en die, zij het ook als ru&iuml;nen, nog bestaan.
+
+</p>
+<p id="d0e736">Toen Camp&ecirc;che later de rijkste stad van Yucatan was geworden, werd zij bij herhaling door fransche en engelsehe zeeschuimers
+geplunderd; om de stad tegen die bijna periodiek wederkeerende rooverijen te beveiligen, omgaf men haar met een zwaren muur
+en bracht haar in staat van tegenweer. Die muur, waaraan de stad toen hare veiligheid dankte, beknelt en benauwt haar nu,
+en verhindert hare uitbreiding. Het voorkomen van Camp&ecirc;che verschilt van dat van Merida: de kromme bochtige straten der voorsteden,
+de grachten met haar ophaalbruggen en de zware muren geven haar het karakter eener vesting, waarop zij roem draagt: metterdaad
+werd zij slechts eene enkele maal belegerd door de inwoners van Merida, die haar niet konden overmeesteren. De straten loopen
+niet rechtlijnig, zoo als in alle andere steden der republiek; en de ongelijke huizen, die ook hooger zijn dan in de mexikaansche
+steden, geven aan Camp&ecirc;che een minder oostersch voorkomen. Monumenten zijn er niet, en de kathedraal is meer dan eenvoudig.
+
+
+</p>
+<p id="d0e738">De rijke kooplieden bezitten, buiten de stad, villas en buitenverblijven, <i>fincas</i> genoemd, waar de tropische flora al haar weelde en overstelpenden rijkdom ten toon spreidt, en die de stad met een krans
+van groen omringen.&#8212;Uit zee gezien, maakt Camp&ecirc;che, zoo als het daar ligt tegen het hellende strand, tusschen twee fraai gevormde
+heuvelen, een zeer schilderachtigen indruk.
+
+</p>
+<p id="d0e743">De boot zou hier een dag stilhouden. Ik haastte mij aan land te gaan om de hand te drukken van een mijner beminnelijkste correspondenten,
+don Jos&eacute; Ferrer, die mij reeds herhaaldelijk, met den vriendelijksten aandrang, gastvrijheid had aangeboden, ingeval mijne
+studi&euml;n mij naar Camp&ecirc;che mochten voeren. Ik vond daar een alleraangenaamst interieur, en bracht in den blijden familiekring,
+onder zang en muziek en vroolijk gesprek, een dag door, dien ik niet gemakkelijk vergeten zal.
+
+</p>
+<p id="d0e745">Om vier uren in den namiddag moest ik weer naar onze drijvende notendop terugkeeren om naar Carmen te stoomen, en reeds verheugde
+ik er mij over dat wij nog alleen aan boord waren, toen eene groote sloep vol passagiers de boot naderde. Het was een troep
+tooneelspelers, achttien personen sterk, vergezeld van honden, katten en papegaaien. Dat was een ramp! Het vooruitzicht toch,
+in dit gezelschap, een paar dagen op zee te moeten doorbrengen, was alles behalve aangenaam: te minder daar wij vriendelijk
+verzocht werden, de hutten <span class="pageno"><a id="d0e747"></a>Bladzijde 147</span>te ontruimen, die de troep reeds voor lang had afgehuurd. Niet zonder moeite kon ik bewerken, dat men mijn secretaris Lucien
+ongemoeid zou laten, die met hevige koorts te bed lag. Zijn kermen trok de aandacht van de komedianten, en de vrouwen maakten
+zich ongerust over de nabijheid van den zieke. &#8220;Wat scheelt hem toch? vroegen zij, op angstigen toon. Het is toch niet de
+gele koorts?
+
+</p>
+<p id="d0e749">&#8212;Waarschijnlijk wel;&#8221; antwoordde ik met een zeer ernstig gezicht; en de verschrikte troep ontruimde dadelijk de hutten om
+zich naar het andere einde van het schip terug te trekken.&#8212;Wij namen weer bezit van onze bedden en brachten een zeer aangenamen
+nacht door, zoodat wij des morgens verkwikt te Carmen aankwamen.
+
+</p>
+<p id="d0e751">Carmen is de groote stapelplaats van het onder den naam van Camp&ecirc;chehout bekende verfhout; de stad is rijk; een aantal handelshuizen
+hebben groote fortuinen gewonnen in dien weinig bekenden handel, die een langdurig verblijf in het land vordert en eene volkomen
+kennis eischt van de plaatselijke toestanden en van de menschen, met wie men in aanraking komt. Een van de voornaamste huizen
+is dat van de heeren Anizan, waarvan ik vroeger den stichter had gekend: hij was dood, maar zijn broeder don Benito en zijn
+zoon don Pancho waren nog in leven. Wij hadden elkander in geen vijf-en-twintig jaren gezien, en wij waren dus alle drie vrij
+wat veranderd: men herkende mij eerst nadat ik mijn naam had genoemd. Maar nu was ik ook aanstonds een lid der familie; ik
+knoopte met don Benito een gesprek aan over de ru&iuml;nen, waarmede hij volkomen vertrouwd was. Hij had juist eene zeer merkwaardige
+ontdekking gedaan. Don Benito is eigenaar van een zeer groot eiland in de Usumacinta, het eiland del Chimal, waar men oude
+pyramiden, graven en overblijfselen van tempels vindt. Bij het doen van opgravingen had men nu kanonnen gevonden van gebakken
+aarde, anderhalve el lang, met kogels eveneens van gebakken aarde, waarvan hij mij enkele exemplaren aanbood. Dit aarden kanon
+schijnt inderdaad iets zeer vreemds, maar bij nadenken wijkt mijne verbazing en kan ik mij de zaak zeer goed verklaren. Het
+schijnt mij zeer natuurlijk, dat ten gevolge van den grooten veldslag, dien Cortez tegen de troepen van Tabasco moest leveren
+bij Centla&#8212;tegenwoordig Comalcalco&#8212;waarbij hij al zijne krachten moest inspannen en waarin vooral de artillerie uitstekende
+diensten bewees,&#8212;het schijnt mij natuurlijk, zeg ik, dat de Indianen, ten hoogste getroffen door de vreeselijke uitwerking
+van het nieuwe wapentuig, eene poging hebben beproefd om het na te maken. Zonder zich rekenschap te geven van de werking van
+het kruit en onbekend met het ijzer, vergenoegden zij zich, in hunne naieve onwetendheid, met het nabootsen van dit moorddadig
+wapentuig in aarde, denkende dat zij daarmede hetzelfde doel zouden bereiken als de Spanjaarden met hun geschut.
+
+</p>
+<p id="d0e753">Bij den dood van den cacique werden de kanonnen en de kogels van gebakken aarde met hem begraven. Ook hieruit wederom blijkt
+de jonge dagteekening van sommigen dezer grafheuvelen.
+
+</p>
+<p id="d0e755">De vaart van Carmen naar Frontera duurt twaalf uren; juist een jaar nadat wij deze plaats verlaten hadden, stapten wij er
+weer aan land. Er is niets veranderd: de kleine aanlegsteiger ziet er nog wat meer vervallen uit dan ten vorigen jare; en
+de slechte herberg, waarin wij toen onzen intrek namen, hangt nog altijd op haar palen boven het slijkerig bed der rivier,
+waarvan zij de verderfelijke uitwasemingen uit de eerste hand ontvangt. Er is evenwel geene keus: deze afschuwelijke fonda
+is de eenige, en overal elders zouden wij ongetwijfeld aan hetzelfde gevaar zijn blootgesteld. De stad is in de hoogste mate
+ongezond; de directeur der douane is gedurende mijne afwezigheid gestorven; pokken, dysenterie en gele koorts heerschten om
+strijd in dit rampzalig stadje, dat driehonderd inwoners verloren had. Maar een goede genius beschermt de reizigers: wij blijven
+gespaard en zetten onze studi&euml;n voort, in afwachting dat eene stoomboot of een ander vaartuig ons hooger op de rivier zal
+kunnen brengen.
+
+</p>
+<p id="d0e757">Mijne nasporingen langs de kust en de rivier hebben mij in staat gesteld, met vrij groote zekerheid de plaats te bepalen,
+waar de oude hoofdstad Centla eens stond. De Grysalva van heden komt niet overeen met de rivier van vroeger: zij liep toen
+meer dan twintig mijlen meer westwaarts, in de bedding van de rio Seco, nabij de stad Comalcalco, waarvan wij de ru&iuml;nen hebben
+bezocht; hetzij door eene werking der natuur, hetzij op kunstmatige wijze, werd haar loop veranderd. Ik heb daarvan het bewijs.
+Tijdens zijne expeditie en zijn grooten veldslag tegen de inwoners van Tabasco, hield Cortez zich op aan den mond van eene
+rivier, die zich met twee monden in zee uitstortte: las dos Bocas, een naam, die nog heden wordt gebruikt voor de uitmonding
+van de rio Seco. Van zijne vaartuigen konden slechts de allerkleinste door den mond der rivier binnenvaren; bij Frontera daarentegen
+loopen schepen van twaalf voet diepgang dagelijks zonder eenige moeite binnen. De geschiedschrijver bericht ons dat Cortez
+zich terugtrok op een klein eiland, tegenover het dorp, bij Frontera bevindt zich slechts een zeer groot eiland, maar dat
+ligt ongeveer een mijl lager.
+
+</p>
+<p id="d0e759">Herrera gewaagt ook van eene voorde, waarvan de soldaten van Cortez gebruik maakten om de rivier te doorwaden, ten einde de
+verschansingen der Indianen te gaan verkennen. Op de plaats waarvan hij spreekt, kan er in de Grysalva nimmer eene voorde
+zijn geweest: overal is de rivier buitengewoon breed en zeer diep. Zoowel hieruit, als uit andere bijzonderheden, die Herrera
+mededeelt, blijkt dat de groote veldslag geleverd werd aan de oevers van de rio Seco, en dat daar ook de indiaansche hoofdstad
+Centla lag, tegenwoordig Comalcalco.
+
+</p>
+<p id="d0e761">Gedurende mijn verblijf te Frontera houd ik mij vooral bezig met het opsporen van oud aardewerk, en het gelukt mij eene vrij
+volledige verzameling bijeen te brengen. Wel zijn de indiaansche afgodsbeelden van terra-cotta in Tabasco niet zeldzamer dan
+elders,&#8212;men vindt er eene menigte in de bosschen&#8212;maar in den regel slaat men ze stuk; <span class="pageno"><a id="d0e763"></a>Bladzijde 148</span>tot hiertoe heeft niemand zich de moeite gegeven, ze te verzamelen; in het museum te Mexico vindt men er geen enkel exemplaar
+van.
+
+</p>
+<p id="d0e765">Onder degenen die ik heb bijeengebracht, vindt men verschillende beelden, meer of minder overeenkomende met die van de hoogvlakten.
+Ik voeg hier (<a id="d0e767" href="#d0e681">blz. 144</a>) de afbeelding van twee der fraaiste en volledigste bij. Als ik zeg fraaiste, is dat maar bij manier van spreken, want de
+aarde is ruw en grof, de figuren zijn monsterachtig en onbeholpen, en men zou zeggen, dat de vervaardigers er zich bij voorkeur
+op toelegden om iets grotesks en leelijks voort te brengen. Maar als bewijzen van de mate van kunstontwikkeling bij de Indianen,
+en dus als historische dokumenten, hebben ook deze wanstaltige beelden waarde en betekenis.
+
+</p>
+<p id="d0e770">Intusschen volgen de dagen maar steeds, in vervelende eentonigheid op elkander, en er is geen spoor van een stoomboot te ontdekken.
+De dood velt rechts en links zijne slachtoffers, maar daar wij midden in het karnaval zijn, wordt er niet minder pret gemaakt
+en gedanst. De jonge meisjes van de stad verschijnen in het logement, bijdragen vragende voor de kosten van het bal; onder
+haar zijn er die er heel aardig uit zien, en daar men ook ons uitnoodigt, teekenen wij mede. Mannen, bij wijze van maskerade
+in onmogelijke lompen gehuld, loopen door de straten, gevolgd door jongens en vrouwen, die luidkeels lachen om hunne kwinkslagen;
+er worden zwermen afgestoken, koperinstrumenten schetteren, geaccompagneerd door het knarsen en janken van guitaren: het bal
+begint. De menigte stroomt er heen; wij gaan mede om getuigen te zijn van de reeds vroeger aanschouwde tooneelen en van dezelfde
+eentonige dansen. Julien, mijn bediende, is de koning van het feest: hij is jong, welgemaakt en danst verrukkelijk: de schoonen
+van Frontera zijn op hem verzot en dingen om zijn gunst; wel eenigszins tot ergernis van Lucien, die hem niet uit het oog
+verliest, maar hem zijn geluk vergeeft: want, zegt hij, hij is zachtaardig, dienstvaardig, bescheiden en hij poetst onze laarzen
+beter dan iemand anders. Deze min of meer kwaadaardige opmerking gaat verloren onder een onbeschrijfelijk gerucht: daar is
+een twist uitgebarsten, doorgaans het gevolg van gekrenkten minnenijd, die zich wreekt door een dolkstoot of een pistoolschot.
+Eensklaps knalt een schot te midden der menigte: algemeene verwarring en luid geschreeuw van de dansers; men schiet toe; de
+moordenaar wordt gevat door eenige vrienden, die hem zeer kalm naar het politie-bureau brengen. Het slachtoffer, aan de linkerzijde
+van het hoofd getroffen, zakt in elkaar; men draagt hem weg, en het bal gaat, na deze kleine stoornis, weer zijn gang.
+
+</p>
+<p id="d0e772">Eindelijk verschijnt eene kleine stoomboot, die de rivier moet opvaren, de kapitein wil ons wel opnemen, maar zonder zich
+tot iets te verbinden en zonder te zeggen, waar hij ons zal afzetten. Ook kunnen wij geen prijs te weten te komen; men zal
+niet meer van ons vragen dan billijk is: maar dat billijke zal wel zoo hoog mogelijk gesteld worden: wij ondervonden dat later.
+
+
+</p>
+<p id="d0e774">Wij vertrekken; maar reeds den volgenden dag, te Jonuta, vindt de kapitein den waterstand onrustwekkend laag: hij aarzelt,
+of hij de reis wel zal voortzetten! Onze dringende verzoeken laten hem tamelijk onverschillig; eindelijk besluit hij toch
+voort te stoomen, vooral omdat hij eene groote sloep op sleeptouw heeft genomen, vol Indianen en koopwaren. Deze sloep is
+intusschen eene belemmering te meer voor onze vaart; en toen het avond geworden was, voeren wij zoo in den blinde door de
+ondiepe rivier, dat wij omstreeks middernacht aan den grond raakten. Wij ontwaken door den schok: het kwaad is geschied. Te
+vergeefs laat de machinist zijne machine voor- en achteruit werken: wij zitten als een muur. Tot overmaat van ramp heeft het
+sleeptouw zich om de schroef gewikkeld, zoodat iedere beweging onmogelijk is.
+
+</p>
+<p id="d0e776">Wij zijn op tien mijlen afstands van iedere menschelijke woning, en wanneer het water nog meer zakt, hebben wij het aangename
+vooruitzicht, dat wij in deze positie den was van het volgende saizoen kunnen afwachten. De dag breekt aan, en het geval blijkt
+minder hopeloos: de bemanning gaat te water, en de kapitein, met een mes gewapend, duikt onder om het touw door te snijden
+dat de schroef omklemt. Deze begint weer te werken, en nu komt er ook beweging in de boot; omstreeks tien uren raken wij weer
+vlot, en wij sukkelen voort tot aan Monte-Christo, een armoedig dorp aan den linkeroever van de Usumacinta, waar de kapitein
+ons aan wal zet.
+
+</p>
+<p id="d0e778">Onze bagage wordt op den oever neergezet, en nu komt het op betalen aan; ik vraag wat wij schuldig zijn. &#8220;Vijfhonderd francs,&#8221;
+antwoordt de kapitein. Ik weet dat elke tegenspraak nutteloos is, maar toch veroorloof ik mij de opmerking, dat de boot de
+groote zware sloep op sleeptouw heeft, bemand met vier Indianen, plus den eigenaar en eene vracht koopwaren, en dat men van
+dien man niet meer dan vijftig francs voor het traject had gevraagd; ik verzoek dus te mogen weten, waarom men mij zoo veel
+meer rekent;&#8212;maar de kapitein geeft eenvoudig ten antwoord: &#8220;Het is vijfhonderd francs.&#8221; Er schiet niet anders over dan te
+betalen.
+
+</p>
+<p id="d0e780">Nu rijst de vraag, hoe wij verder zullen komen. Als wij de rivier volgen, hebben wij vier of vijf dagen noodig om T&eacute;nosiqu&eacute;
+te bereiken; over land, dwars door de bosschen, bedraagt de afstand niet meer dan vier-en-twintig uren.
+
+</p>
+<p id="d0e782">Dank zij de tusschenkomst van een Franschman, in dezen uithoek verzeild, gelukt het ons, binnen weinige uren, ons eene kano
+met de noodige roeiers en levensmiddelen aan te schaffen; ik vertrouw ons geld en al onze verdere bagage aan de hoede van
+mijn getrouwen Julien, die zich zoo spoedig mogelijk bij ons zal voegen. Lucien en ik nemen een gids en paarden, en gaan den
+volgenden morgen op weg.
+
+</p>
+<p id="d0e784"></p>
+<div id="d0e785" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-149.jpg" alt="Camp&ecirc;che."></p>
+<p class="figureHead">Camp&ecirc;che.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e789">Het weer is prachtig, de grond is droog, de weg gemakkelijk; alles gaat naar wensch; en na door eene uitgestrekte savane te
+zijn gereden, volgen wij, in de schaduw van het geboomte, den oever der rivier tot aan de monding van de Chacamas, die wij
+doorwaden. Toen kwamen wij in het woud; onze paarden, die op eene zeer onaangename <span class="pageno"><a id="d0e791"></a>Bladzijde 150</span>manier draven, vliegen, zoo hard zij kunnen. Onze gids, die aan deze manier van reizen gewoon is, wil ons zeker in &eacute;&eacute;n stuk
+de twintig mijlen laten afleggen, die ons van T&eacute;nosiqu&eacute; scheiden; daarom maakt hij zooveel mogelijk spoed. Wij hebben moeite
+om hem te volgen, en de weg dunkt ons minder fraai. Op het nauwe pad, dat wij volgen, struikelen onze paarden telkens over
+rotsblokken en stukken hout; de takken der boomen slaan ons in het gezicht: en links en rechts, van achteren en van voren,
+omstrengelen ons de lianen, dreigende ons van het paard te sleuren of te worgen. Welk een afschuwelijke weg! De gids rent
+maar altijd door, zonder zich in het minst om ons te bekommeren; wij verliezen hem uit het oog, en, uitgeput van vermoeienis,
+laten wij onze paarden voortstappen, min of meer in den blinde het half gebaande pad volgende.
+
+</p>
+<p id="d0e793">Een rit van zes uren had onzen honger geprikkeld: en toen wij eindelijk den gids weder vonden, die ons aan den oever eener
+beek wachtte, was de eerste vraag:
+
+</p>
+<p id="d0e795">&#8220;Waar zijn onze levensmiddelen?
+
+</p>
+<p id="d0e797">&#8212;Welke levensmiddelen?
+
+</p>
+<p id="d0e799">&#8212;Wel, het ontbijt, dat men heden morgen voor ons heeft gereed gemaakt.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e801">De ongelukkige had het vergeten; en om onzen honger te stillen, moesten wij ons tevreden stellen met wat rhum en water.
+
+</p>
+<p id="d0e803">Hoe ook afgemat, hervatten wij den tocht, om tegen drie uren eene der krommingen van de Usumacinta te bereiken, waar zich
+de hut van den veerman bevond. Daar waren kippen, dus ook eieren: wij plunderen de arme hut en besproeien ons zeer eenvoudig
+maal met groote plassen posol&eacute;, een mengsel van gemalen ma&iuml;s en water, maar zonder onzen brandenden dorst te lesschen.
+
+</p>
+<p id="d0e805">Wij steken over naar den anderen oever, en komen, na een rit van twee uren te Cabecera, een armoedig dorp, op drie mijlen
+afstands van T&eacute;nosiqu&eacute;. Onze gids wil doorrijden, maar wij weigeren volstandig, en worden gastvrij ontvangen door twee oude
+dames, die ons kippensoep en gebakken visch voorzetten, welke ons heerlijk smaken. Na een vrij rustigen nacht kwamen wij den
+volgenden morgen vroeg te T&eacute;nosiqu&eacute;.
+
+
+</p><a id="d0e807"></a><h1>IX</h1>
+<p id="d0e810">T&eacute;nosiqu&eacute; is het laatste dorp in de vlakte; de eerste heuvelen van de Cordillera verheffen zich op twee mijlen afstands; de
+Usumacinta komt daar, van de steilte nederdalend, met zeer sterk verval, tusschen twee bergen te voorschijn. Een weinig verder
+begint de sierra met haar doolhof van onbekende valleien, waarin de Lacandons hun verblijf hebben gevestigd. Dat is de plaats
+onzer bestemming; maar om er te komen, hebben wij vele moeilijkheden te overwinnen.
+
+</p>
+<p id="d0e812">T&eacute;nosiqu&eacute; ligt op eene hoogte, waardoor het tegen periodieke overstroomingen beveiligd is; maar even als alle van de hoofdplaatsen
+verwijderde dorpen, bestaat het uit armzalige hutten, en leidt men er een vrij ellendig leven. Men bezorgt ons een hut, waarvan
+het rieten dak rust op vier wanden van biezen met aarde besmeerd; ondanks wij dit lokaal herhaalde malen laten aanvegen, worden
+wij toch opgegeten door het ongedierte en gemarteld door de muskieten. Natuurlijk is er geen enkel meubel: gelukkig hebben
+wij onze hangmatten en veldbedden bij ons. Dit ellendige nest dagteekent niettemin uit de eerste tijden na de verovering,
+en bestond zeer waarschijnlijk reeds voor dien tijd als indiaansch dorp. In den laatsten tijd heeft dit vergeten dorp eene
+zekere bekendheid verworven. Ten gevolge van de toenemende zeldzaamheid van het mahoniehout in de bosschen van Tabasco, zijn
+de handelaars in deze kostbare houtsoort gedwongen geworden, hunne agenten tot naar de onbekende valleien van den staat Chiapas,
+naar de oevers van de Usumacinta, en zelfs naar Guatemala te zenden. T&eacute;nosiqu&eacute; is daardoor de stapelplaats geworden voor alle
+produkten van dien aard, die uit Guatemala komen, en de woonplaats van de ge&euml;mploieerden der beide huizen, die tot dusver
+dezen handel gemonopoliseerd hebben.
+
+</p>
+<p id="d0e814">De geschiedenis van een blok mahoniehout is merkwaardig genoeg: ik zal mij de vrijheid veroorloven, ze aan mijn lezer te vertellen.
+
+
+</p>
+<p id="d0e816">Niet iedereen kan zulk eene exploitatie op touw zetten; daartoe behoort een aanzienlijk kapitaal en eene volledige kennis
+van de plaatselijke gesteldheid, benevens de geschiktheid om met de menschen, met wie men in aanraking komt, om te gaan. Meer
+dan een, verlokt door het vooruitzicht der buitensporige winst, heeft zich, door gebrek aan kennis en ondervinding, geru&iuml;neerd.
+
+
+</p>
+<p id="d0e818">Het mahoniehout zelf kost niets; de boomen staan daar in dichte gelederen, recht als dennen, hoog en prachtig; de staat legt
+u slechts eene zeer geringe belasting op van vijf francs per stuk. Gij hebt ze voor het nemen: maar juist daar ligt de moeilijkheid.
+Vooreerst moet een plek opgespoord worden, waar mahonieboomen in menigte te vinden zijn. De handelaar heeft daarvoor speciale
+agenten, <i>monteros</i> genoemd. De montero is een ondernemend, moedig, energiek man, gewend aan het wilde leven in de bosschen en bestand tegen
+alle vermoeienissen; hij begeeft zich op weg, gevolgd door twee Indianen en een muilezel, die de mondbehoeften draagt; hij
+neemt zijn revolver en zijn geweer mede, niet zoo zeer als veiligheidsmaatregel, maar om te kunnen jagen, want als de levensmiddelen
+zijn opgeteerd, moet hij op die wijze in het onderhoud van drie menschen voorzien. Hij verlaat de bekende paden, en trekt
+het oerwoud in, waar hij zich met behulp van zijn sabel, een smallen doortocht moet banen, die zich achter hem aanstonds weer
+sluit; somwijlen blijft hij twee of drie maanden lang in deze onbekende wildernis, telken avond een hut van takken en bladeren
+bouwende, als schuilplaats tegen de tropische stortregens, vechtende tegen de wilde dieren, dagen achtereen rondzwervende
+door moerassige streken, waar de vochtige grond verpestende dampen uitwasemt, bezwangerd met koortsmiasmen. Steeds zoekt hij
+overal naar het kostbare hout; hij telt de boomen, hij merkt ze, en geeft, als hij terug keert, aan zijn chef het juiste getal
+op.
+<span class="pageno"><a id="d0e823"></a>Bladzijde 151</span></p>
+<p id="d0e824">Hij heeft nu de lokaliteit bestudeerd, heeft zich rekenschap gegeven van de bezwaren, aan de exploitatie verbonden, en de
+kosten van transport berekend; er moet eene keus gedaan worden, want hij kan niet alles medenemen. Hoe vele prachtige boomen
+heeft hij niet op zijn zwerftochten ontmoet; welke schatten heeft zijn oog niet aanschouwd, die toch voor hem onbereikbaar
+zijn! Volslagen gemis van wegen, een zeer ongelijk, bergachtig terrein, een allesoverweldigende plantengroei, ziedaar de bezwaren,
+die men moet overwinnen, om den schat meester te worden. Hoe zal men dat aanleggen? De weg is te maken; maar er moet noodzakelijk
+eene rivier in de onmiddellijke nabijheid zijn, want zoodra de afstand meer dan twee mijlen bedraagt, wordt de exploitatie,
+met het oog op de kosten, onmogelijk. De rivier is de steeds bereidvaardige helpster, die zich kosteloos met het vervoer belast:
+zij voert de kostbare blokken mede en brengt ze, ondanks alle hinderpalen, rotsen, watervallen en stroomversnellingen, ongedeerd
+voor uwe deur.
+
+</p>
+<p id="d0e826"></p>
+<div id="d0e827" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-152.jpg" alt="Het vellen der mahonieboomen. (Blz. 151.)"></p>
+<p class="figureHead">Het vellen der mahonieboomen. (<a id="d0e830" href="#d0e823">Blz. 151.</a>)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e834">Het terrein is nu verkend; een be&euml;edigd landmeter gaat er heen om de grenzen te bepalen: en de houthakkers kunnen nu aan het
+werk gaan. Neen, zoover zijn wij nog niet: er is gebrek aan handen; de arbeiders zijn schaarsch, en allen zijn gehuurd&#8212;dat
+wil zeggen, moeten werken om hunne schuld af te doen bij de ondernemers, die zonder dit van ouds in zwang zijnde stelsel,
+niemamd zouden kunnen vinden om voor hen te werken. Zij leggen het dus zoo aan, dat de Indianen bij hen in schuld komen; en
+is het eenmaal zoo ver, dan zijn zij de slaven van hunne schuldeischers. Daar de Indiaan zwak van karakter is, zorgeloos en
+op drank verzot, raakt hij telkens meer in de schuld, en zoo is hij feitelijk veroordeeld tot levenslangen dwangarbeid. Komt
+hij te sterven, dan is de zoon verantwoordelijk voor de schuld van den vader en treedt in diens plaats; dat is nog de aloude
+wet der Mayas, die nog steeds van kracht is. Zonder deze wet zouden wij, ondanks hooge werkloonen, geen mahoniehout hebben;
+want evenmin als de bewoners van welk ander tropisch gewest ook, werkt de Indiaan vrijwillig, en het geld heeft voor hem weinig
+bekoring. Daar de Indiaan zijn meester niet verlaten kan, zoolang zijn schuld niet aangezuiverd is, betaalt de nieuwe ondernemer
+die ten einde zich werklieden te verschaffen; zoo kost iedere arbeider twee-, drie- tot vijfduizend francs; en somwijlen heeft
+men twee- tot driehonderd man noodig. Ge ziet dus, dat de ondernemer over kapitaal moet kunnen beschikken.
+
+</p>
+<p id="d0e836">De arbeiders begeven zich op weg, en worden door den montero naar de bepaalde plaats geleid. Daar, midden in het woud, op
+dertig, veertig, zestig mijlen van iedere menschelijke woning, worden de ranchos opgeslagen, en rusteloos heen en weer trekkende
+konvooien voorzien de nieuwe kolonie van de noodige werktuigen en levensmiddelen. Dat is nog niet alles; de boomen worden
+geveld; men ontdoet ze van het spint&#8212;het zachte hout onder de schors&#8212;; men zaagt ze in blokken, en de kostbare waar groeit
+tot stapels: maar de rivier is verre, en de stammen staan op vrij grooten afstand van elkander: bijna voor iederen stam moet
+een pad gebaand worden! En wie zal ze vervoeren? Ossen; maar ossen zijn in de provincie nog zeldzamer dan mannen; men moet
+ze dus gaan halen aan gene zijde van de Cordillera, in de vlakten van Chiapas, op honderd-vijftig mijlen afstands. Zij zijn
+daar niet duur: voor twintig piasters (honderd francs), kan men zeer goede beesten hebben; maar de afstand, de bezwaren van
+de reis, het onvoldoende voedsel doen de kudde dikwijls tot op een vierde slinken; het woud ligt bezaaid met lijken, en de
+weinige ossen, die eindelijk behouden ter bestemder plaatse aankomen, verkeeren in een zeer ellendigen toestand en kosten
+ieder meer dan vierhonderd francs.
+
+</p>
+<p id="d0e838">Maar ook nu houdt de sterfte nog aan: vele dieren bezwijken ten gevolge van vermoeienis en het ongewone, ontoereikende voedsel,
+dat hoofdzakelijk uit bladeren en <i>ramon</i> bestaat. Bovendien maken de arbeiders, die hun honger naar versch vleesch moeilijk kunnen bedwingen, dikwijls met opzet dat
+er een ongeluk gebeurt, zoodat een os moet worden gedood. Telkens moeten nieuwe dieren worden aangevoerd, en het blok mahoniehout
+wordt aardig duur.
+
+</p>
+<p id="d0e843"></p>
+<div id="d0e844" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-153.jpg" alt="Lacandons. (Blz. 159 vg.)"></p>
+<p class="figureHead">Lacandons. (<a id="d0e847" href="#d0e823">Blz. 159 vg.</a>)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e851">Eindelijk is de oever der rivier bereikt. Daar wordt elk blok aan de zes kanten met een cijfer gemerkt, en van den hoogen
+oever in de bedding geworpen. Bij den eerstvolgenden was zal het water al die blokken medevoeren; blijft er bij ongeluk een
+hier en daar, op een rots of in een bocht van den oever vastzitten, dan wordt het toch in het volgende jaar medegevoerd.
+
+</p>
+<p id="d0e853">In den tijd als de wateren der rivier zwellen, begeven de Indianen van T&eacute;nosiqu&eacute; zich met lichte kanos naar de plaats, waar
+de Usumacinta uit de bergen te voorschijn treedt, naar de zoogenaamde Boca del rio, om daar de mahonie blokken op te wachten,
+die de rivier bij honderden medevoert; zij krijgen twee-en-een halve franc per blok, en het is onder hen een hartstochtelijke
+wedstrijd, wie de moeste blokken machtig zal worden. Daar elk blok gemerkt is, rangschikken zij ze naar de eigenaars, binden
+ze tot vlotten en voeren ze zoo naar het dorp. Al die arbeid, al die moeiten en gevaren, al die uitgaven zijn noodig, waarde
+lezers, om u van mahoniehout te voorzien; en nu heb ik nog niet gesproken van de epidemie&euml;n, die het vee doen sterven, van
+de koortsen, waaraan de arbeiders bezwijken, van monteros, die met het geld op den loop gaan of het verspillen, en van andere
+kwade kansen meer.
+
+</p>
+<p id="d0e855">Intusschen heb ik zelf met allerlei moeielijkheden te worstelen, die mijn vertrek vertragen. Ik ontvang zulke tegenstrijdige
+berichten omtrent de ru&iuml;nen, wier ontdekking ik mij ten doel heb gesteld, dat ik soms geneigd ben aan eene algemeene samenspanning,
+eene onverklaarbare mystificatie te gelooven. De ru&iuml;nen bestaan; de persoon zelf, die ze voor het eerst zag, geeft mij daarvan
+de uitdrukkelijke verzekering. Zij zijn ver verwijderd, vijftig mijlen ver, aan de andere zijde van de sierra, op den linker
+oever van de Usumacinta; een weg <span class="pageno"><a id="d0e857"></a>Bladzijde 154</span>is er niet, maar de richting, die ik volgen moet, is bekend. Ik houd mij dan ook onledig met de toebereidselen voor den tocht,
+maar mijne handen zijn gebonden.
+
+</p>
+<p id="d0e859">Daar ik aanbevelingsbrieven bij mij had voor de beide handelshuizen in het dorp, had men mij, bij mijne komst, alle mogelijke
+beloften gedaan, maar geene enkele daarvan gehouden. Ik had op zijn minst vijftien manschappen noodig, benevens veertien muildieren
+en drie paarden; er waren noch paarden, noch muilezels, noch manschappen. Om de laatsten te verkrijgen, liet ik twintig mijlen
+in het rond nasporingen doen, onder aanbieding van dubbel loon; wat de muildieren betreft, gaf men mij te kennen, dat er eerlang
+een konvooi uit Peten verwacht werd: na eenige dagen rust, zouden de muildieren wel weer voor den tocht geschikt zijn. Ik
+had levensmiddelen: rijst, bonen en beschuit, maar geen vleesch. Met moeite kon ik twee stieren machtig worden, die geslacht
+werden en wier vleesch in lange reepen werd gesneden, gezouten en gedurende drie dagen in de zon gedroogd. Dit vleesch, <i>tasajo</i> genoemd, kan zoo lang bewaard worden als men wil.
+
+</p>
+<p id="d0e864">Inmiddels had men eenige manschappen bij elkander gebracht, en men verzekerde mij, dat de anderen zouden volgen; maar de zoo
+vurig verlangde muildieren kwamen niet opdagen. Eindelijk, op een avond, den achtsten dag van onze gedwongen gevangenschap,
+hooren wij kreten en het getrappel van hoeven. Wij ijlen naar buiten: dat waren de muildieren! Ik tel ze haastig: daar zijn
+er twaalf; wij zijn gered! Neen, nog niet; want den volgenden morgen ontwaarde ik, tot mijn schrik, in welken rampzaligen
+toestand de arme dieren verkeerden. Zij waren bijkans levende geraamten, overdekt met afzichtelijke, stinkende wonden, half
+dood, en ten eenemale buiten staat om eene zoo langdurige en bezwaarlijke reis te ondernemen.
+
+</p>
+<p id="d0e866">De eigenaar verzekerde mij evenwel, dat zij na acht dagen rust weder zouden kunnen vertrekken, mits zij slechts de helft van
+de gewone vracht hadden te dragen. De schurk kon met des te meer gerustheid die verzekering geven, daar hij er vast op rekende
+dat de meeste muilezels onderweg zouden bezwijken, in welk geval ik ze hem, tegen den prijs van nieuwe dieren, zou moeten
+vergoeden: hetgeen later ook inderdaad gebeurde. Maar ik vermoedde niets van deze sluwe berekening, en wij hielden ons onledig
+met onze laatste toebereidselen.
+
+</p>
+<p id="d0e868">De manschappen verschenen; voor de muildieren werden nieuwe pakzadels en tuigen gemaakt, omdat de oude geheel versleten waren;
+men verdeelde de vrachten onder het opzicht van den chef der muilezeldrijvers, die het bestuur der karavaan op zich zou nemen,
+en ik moest een gedeelte van mijn materieel achterlaten. Dit was niet alles; de montero, die ons als gids zou dienen, verzekerde
+mij dat wij niet rechtstreeks naar de ru&iuml;nen konden gaan: op een zeker punt aan den rechteroever van de rivier gekomen, moesten
+wij de Usumacinta ongeveer vijf mijlen ver afzakken, om dan aan den linkeroever, vlak tegenover de monumenten, aan land te
+gaan. Het was dus noodig, eenige manschappen vooruit te zenden, om een weg door het woud te banen en ook eene groote kano
+te timmeren, die ons naar de puinhoopen der oude stad brengen zou.
+
+</p>
+<p id="d0e870">Den volgenden dag gingen dan ook zes man op weg, met het beste muildier, dat de noodige levensmiddelen droeg en de gereedschappen
+voor het maken der boot; wij zelven zouden later volgen. Na velerlei getob en oponthoud konden wij dan toch eindelijk den
+vijftienden Maart 1882 vertrekken. De muildieren zijn niet genezen: men heeft hunne wonden gewasschen, dat is alles; en onder
+den druk der nieuwe vrachten zullen deze wonden op schrikbarende wijze verergeren: ik ben overtuigd, dat enkele dieren bezwijken
+zullen. Maar wat te doen? Ons rest geen keus: reeds bij het vertrek, en hoe wel slechts eene halve vracht te dragen hebbende,
+schijnen de arme dieren onder den last te bezwijken.
+
+</p>
+<p id="d0e872">Wij zijn midden in het woud; de weg is afschuwelijk, of liever, er is in het geheel geen weg: doornstruiken, lianen, kreupelhout,
+omgevallen boomen houden ons elk oogenblik tegen; het pad is zoo smal, dat de muilezels telkens tegen de takken stooten, waardoor
+hunne vracht wordt verschoven, en zoo weinig gebaand, dat men zeer oplettend moet zijn om het spoor niet geheel bijster te
+raken. Wij komen slechts zeer langzaam vooruit: de eerste dag der reis is altijd de moeilijkste; men moet de muildieren, die
+zeer onwillig zijn, voortsleepen en daarbij zeer streng in het oog houden, want zij peinzen voortdurend op een middel om te
+ontsnappen. Omstreeks het midden van den dag zijn er twee muildieren verdwenen; na een uur zoeken worden zij terug gevonden.
+
+
+</p>
+<p id="d0e874">Wij hebben nu de vlakte verlaten en trekken in zuidoostelijke richting voort, naar den voet van de Cordillera. Het woud wordt
+prachtig: reusachtige stammen, door lianen als kabeltouwen omstrengeld, palmen van meer dan honderd voeten hoogte, pandanussen
+met kolossale bladeren, vermengd met slanke ceders en mahonieboomen, wier ruwe schors aan onze eiken herinnert, vormen een
+schilderachtig, grootsch en indrukwekkend geheel. Men wordt des bewonderens niet moede, en men zou wenschen, in deze bosschen
+zijn leven te slijten, indien men niet zoo schrikkelijk te lijden had van allerlei ongedierte, met name van muskieten en van
+onze oude vijanden, de garrapaten.
+
+</p>
+<p id="d0e876">De chef der karavaan regelt de dagreizen en bepaalt telkens de plaats, waar men voor den nacht kampeeren zal; hij moet volkomen
+met het woud bekend zijn, want men kan alleen daar ophouden, waar water voor onze muildieren te vinden is en ook dien boom,
+<i>ramon</i> genaamd, waarvan de bladeren gedurende de reis hun eenig voedsel zijn. Doorgaans kampeert men op eene kleine hoogte, te midden
+van eene ruime open plek, waar reeds anderen hun kamp hebben opgeslagen, en waar de grond van boomen en kreupelhout gezuiverd
+is. De hooge boomen blijven alleen staan, en hunne machtige takken beveiligen ons tegen den killen nachtelijken dauw. Deze
+kampementen dragen op de kaart een naam, <span class="pageno"><a id="d0e881"></a>Bladzijde 155</span>hoewel er noch eene hut, noch eene levende ziel te vinden is; maar zij dienen den muilezeldrijvers als rust- en verkenningspunten
+op hunne tochten van Peten naar T&eacute;nosiqu&eacute;. Bij onze aankomst aan de bepaalde halt, worden de beesten ontladen; de bagage wordt
+met de pakzadels op rijen geplaatst; daarna begint men de arme dieren te verbinden. Deze eerste dag heeft hunne wonden op
+schromelijke wijze verergerd. De mannen gaan het bosch in om ramon te zoeken; men hoort hunne bijlslagen tegen den stam, vervolgens,
+het gekraak van den neervallenden boom, overstemd door hunne vreugdekreten. Kort daarna keeren zij terug, gebogen onder eene
+geweldige vracht van groenende takken, die onder de hongerige muildieren worden verdeeld. Inmiddels maakt Julien onze veldbedden
+gereed, en de kok van den troep legt zijn vuur aan om ons souper te bereiden. Het menu is steeds hetzelfde: een groote ketel
+met tasajo, rijst of bonen met eene portie beschuit, en tot toegift een kop koffie. Toch is er soms eenige afwisseling, naarmate
+wij op de jacht gelukkig zijn geweest: apen, wilde kalkoenen, p&eacute;caris, alles is ons welkom.
+
+</p>
+<p id="d0e883">De avond valt; de manschappen, rondom de vuren gezeten, rooken en praten; dan wordt het nacht, en ieder vlijt zich neer op
+een bed van groene bladeren, beveiligd door een muskietenscherm. Onze slaap is niet vast, en wordt telkens gestoord door zonderlinge
+geluiden: het brullen of knorren van wilde dieren, het schreeuwen van nachtvogels en het verschrikkelijk gehuil der brulapen.&#8212;Voor
+het aanbreken van den dag zijn wij weer op de been; met het ontbijt, het optuigen der muildieren en het verdeelen der bagage
+zijn ruim twee uren gemoeid, en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de karavaan zich op weg begeeft.
+
+</p>
+<p id="d0e885">De eene dag gelijkt volkomen op den anderen, behoudens de uiterst zeldzame ontmoeting van een uit Peten terugkeerenden reiziger.
+Deze geheele streek is rijk aan ru&iuml;nen, en alles bewijst dat zij vroeger, voor de komst der Spanjaarden, bebouwd en bevolkt
+was; te midden van deze uitgestrekte eenzame wouden vindt men nog de sporen van groote steden, waarvan de geschiedschrijvers
+der verovering nog melding maken. Die steden, die dorpen en tempels zijn van de aarde verdwenen, en de eens zoo talrijke bevolking
+is geslonken tot enkele famili&euml;n, in de wouden verloren: de verbasterde en diep gezonken afstammelingen van het ongelukkige
+ras.
+
+</p>
+<p id="d0e887">Onze tocht wordt met den dag moeilijker, want wij hebben reeds twee muildieren verloren, die waarschijnlijk wel de prooi der
+jaguars zullen zijn geworden. Hunne vrachten zijn tusschen de anderen verdeeld moeten worden; en om onze dieren zoo veel mogelijk
+te verlichten, gaan wij beurtelings te voet.
+
+</p>
+<p id="d0e889">Op den zevenden dag van onze reis, des morgens vroeg, begonnen wij te voet de berghellingen te beklimmen. Hoewel deze bergen
+niet hooger waren dan omstreeks vierhonderd-vijftig el, was de bestijging toch een zeer zwaar en moeilijk werk, dat groote
+inspanning vorderde. Kort daarna bereikten wij de vlakte en sloegen ons kamp op aan de oevers van de rio Chotal, die zich
+in de Usumacinta uitstort. Het woud is hier verwonderlijk schoon, en rijk aan allerlei wild; papegaaien en aras doen de lucht
+weergalmen van hunne snijdende kreten; geelgekuifde hoccos bewegen zich zwijgend in de hoogste takken, van waar groote brulapen
+ons met nieuwsgierige blikken gadeslaan; een troep wilde zwijnen rent in dolle vaart langs ons heen.
+
+</p>
+<p id="d0e891">Wij bevinden ons in het land der Lacandons: hier en daar ontdekken wij sporen van vroegere bebouwing, vruchtboomen en overblijfselen
+van verlaten hutten. De Lacandons hebben zich uit deze streek teruggetrokken bij de komst der houthakkers. Des avonds komen
+wij eindelijk ter plaatse onzer bestemming, aan den paso Yalchilan, en slaan wij ons kamp op aan den rechteroever van de Usumacinta.
+
+
+
+</p><a id="d0e893"></a><h1>X</h1>
+<p id="d0e896">Het was reeds laat, toen wij op deze plek, waar geene hut of spoor van menschelijke woning te vinden is, aankwamen; wij waren
+allen uitgeput van vermoeienis, en de tijd ontbrak om ons bivouak in behoorlijke orde te brengen. Tot mijne verwondering vonden
+wij geen spoor van de mannen, die vooruit waren gezonden en die ons hier moesten afwachten met de door hen getimmerde boot;
+hunne afwezigheid boezemde mij eenige ongerustheid in. Den volgenden morgen maakten de manschappen voor ons eene soort van
+woning gereed; anderen gingen weer het bosch in, om een muilezel op te zoeken, die achter gebleven was. Zij vonden het arme
+dier, ruim twee mijlen verder op den grond liggende, half dood van vermoeienis, honger en dorst. De mannen ontdeden den ezel
+van zijne vracht, dien zij onderling verdeelden; maar het ongelukkige dier had niet lang genot van die welwillendheid, want
+de jager die den troep vergezelde, doodde een prachtig zwijn, dat de muilezel nu naar het kamp moest dragen, en dat daar met
+groot gejuich ontvangen werd.
+
+</p>
+<p id="d0e898">Tegen den middag verschenen eindelijk de cano&euml;ros; aanstonds vroeg ik hun, hoe ver zij met hun arbeid waren gevorderd. De
+timmerman antwoordde met zekere verlegenheid, dat de kano nog niet klaar was; dat zij verschillende boomen hadden omgehakt,
+die later bij de bewerking bleken ongeschikt te zijn voor de vervaardiging van de canoa: dat was een ongeluk, en niet hunne
+schuld; maar binnen eenige dagen zouden zij met hun werk gereed zijn. Ik volgde hen naar hunne werkplaats, omstreeks een mijl
+stroomafwaarts: ik vond daar inderdaad twee boomen op den grond liggen, waarvan de een, in ruwe omtrekken, de gedaante van
+eene kano vertoonde, maar nog geheel uitgehold moest worden. Hadden de werklieden zes dagen noodig gehad, om het zoover te
+brengen, dan hadden zij er minstens nog acht noodig, om het werk te voltooien. Blijkbaar hadden zij hun tijd verbeuzeld met
+jagen en visschen en luieren, en hadden zij zich niet om mij bekommerd.
+
+</p>
+<p id="d0e900">Maar een oponthoud van acht dagen was onmogelijk, <span class="pageno"><a id="d0e902"></a>Bladzijde 156</span>want de levensmiddelen slonken ziender oog, en hoewel ik den voorraad voor veertig dagen had berekend, zou hij ter nauwernood
+voor twintig toereikend zijn. In alles behalve opgewekte stemming keerde ik naar het kamp terug, niet wetende wat te doen.
+Ik kon wel den oever der rivier volgen tot tegenover de ru&iuml;nen, die aan de overzijde lagen: daartoe moest een pad van omstreeks
+twintig kilometers lengte door het woud worden gebaand en vervolgens een vlot getimmerd om de rivier over te steken. Maar
+ik kon dan slechts een gedeelte van mijn materieel medenemen; en bovendien, zouden de manschappen mij willen volgen? Zij en
+de muilezels waren slechts gehuurd tot den paso Yalchilan, en zeer vermoedelijk zouden zij weigeren verder te gaan, want zij
+zijn van niets zoo afkeerig als van arbeid, meer dan strikt noodig is.
+
+</p>
+<p id="d0e904">Terwijl mijne blikken daar over die breede, snelvlietende rivier dwaalden, ontdekte ik, stroomopwaarts, een vaartuigje, waarin
+een onbekende zat. Hij was gekleed met een lang hemd en liet zich met den stroom afdrijven, terwijl hij zich met een palmblad
+tegen de zonnestralen beschermde. Maar niet zoodra had de Lacandon&#8212;want het was een Lacandon&#8212;ons bespeurd, of hij greep zijne
+pagaai en wendde zijne boot. Gelukkig verstond een mijner manschappen zijne taal; hij riep den cayuco toe, en beloofde hem
+allerlei moois, als hij bij ons wilde komen. De Indiaan kwam: het was een grijsaard, gehuld in eene lange tuniek of hemd met
+wijde mouwen; hij drukte mij glimlachend de hand en ging mede naar het kamp, schuw rechts en links omziende. Behalve zijne
+van grof katoen gemaakte tuniek, droeg hij om het hoofd een doek van dezelfde stof; om zijn hals hing eene reusachtige ketting,
+bestaande uit twintig rijen zaden, glaskralen, tanden van dieren en eenige muntstukken; in de hand hield hij zijn boog en
+pijlen.
+
+</p>
+<p id="d0e906">De grijsaard was gelukkig een opperhoofd: ik liet hem de geschenken zien, die ik voor hem en de zijnen had medegebracht: bijlen,
+sabels, katoenen stoffen, messen, zout en vischtuig. De oude man was geheel verbluft, en verzekerde dat hij zijne onderdanen
+met mij in aanraking zou brengen. Mijn tolk vroeg hem, of hij ons kanos kon leenen: hij had er twee, en de tolk ging dadelijk
+met hem mede, om de booten te halen. Het was niet veel, maar toch altijd beter dan niets.
+
+</p>
+<p id="d0e908">Den volgenden morgen had ik eene vreemde ontmoeting. Ik stond aan den oever der rivier, uitziende naar de kanos, toen ik eensklaps
+eene vrij groote boot zag verschijnen, waarin drie mannen, die geen Indianen waren. Van waar kwamen zij, en waar gingen zij
+heen? Een bittere gedachte schoot mij eensklaps door de ziel: deze mannen behoorden tot eene andere expeditie, die mij v&oacute;&oacute;r
+was geweest. Dat was het gevolg van mijn lang oponthoud te T&eacute;nosiqu&eacute;!
+
+</p>
+<p id="d0e910">Ik riep de boot aan, die aan den oever kwam, en ik vernam van die onbekenden, dat zij levensmiddelen hadden gevraagd bij de
+Lacandons, maar niets hadden kunnen krijgen dan tomaten, en verder dat zij naar de ru&iuml;nen terugkeerden, waar zich een zekere
+don Alfredo bevond.
+
+</p>
+<p id="d0e912">&#8220;Wie is don Alfredo? vroeg ik aan een der mannen.
+
+</p>
+<p id="d0e914">&#8212;Wel, antwoordde hij, dat is don Alfredo.
+
+</p>
+<p id="d0e916">&#8212;Heel goed: maar wat voert hij daar in de ru&iuml;nen uit?
+
+</p>
+<p id="d0e918">&#8212;Hij wandelt.
+
+</p>
+<p id="d0e920">&#8212;Met u hoevelen zijt gij?
+
+</p>
+<p id="d0e922">&#8212;Wij zijn met ons zestienen, en wij hebben geen levensmiddelen meer.
+
+</p>
+<p id="d0e924">&#8212;Hebt gij nog eene andere kano?
+
+</p>
+<p id="d0e926">&#8212;Ja, wij hebben er nog een groote.
+
+</p>
+<p id="d0e928">&#8212;Welnu, zeide ik, ik heb levensmiddelen.&#8221; Daarop mijne manschappen roepende, liet ik naar de kano de helft van een wild zwijn,
+een zak met tasajo, rijst en beschuit brengen.
+
+</p>
+<p id="d0e930">&#8220;Ziedaar levensmiddelen voor u en voor uw meester: gij zult drie lieden van mijn volk medenemen, en don Alfredo verzoeken,
+dat hij mij morgen zijne groote kano zende. Hier is mijn kaartje, dat gij hem moet ter hand stellen. Gaat nu en keert zoo
+spoedig mogelijk terug!&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e932">Ik begon nu dadelijk toebereidselen voor mijn vertrek te maken; maar ik had niet gerekend op de koorts, die mij juist des
+morgens aantastte. De aanval was zeer hevig; ik ijlde en was geheel machteloos. Zoodra de crisis voorbij was, nam ik eene
+goede dosis quinine en ging een paar uren rusten. De kano kwam; en hoe ziek ik ook was, liet ik mij toch aan boord dragen;
+zes onzer Indianen met Lucien gingen mede. De anderen bleven achter onder de hoede van Julien. Mijn hoofd gloeide; slechts
+met groote moeite kon ik blijven zitten; alles werd mij groen en geel voor de oogen. De sterke stroom voerde ons mede, en
+na eene vaart van drie uren kwamen wij aan een grooten steenhoop, die op de rotsen aan den linkeroever der rivier was opgericht.
+Wij waren ter plaatse onzer bestemming. Met een kloppend hart ging ik aan wal; een der Indianen, die wij daar aantroffen,
+was bereid mij als gids te vergezellen; wij togen het bosch in, om don Alfredo op te zoeken.
+
+</p>
+<p id="d0e934">Wij hadden nauwelijks driehonderd ellen afgelegd, toen ik een rijzig jonkman naar mij toe zag komen, in wien ik aanstonds
+een Engelschman herkende. Wij gaven elkander de hand; hij had op mijn kaartje mijn naam gelezen, dien hij kende; hij noemt
+mij den zijnen: &#8220;Alfred Maudsley, van Londen&#8221;; en ziende dat ik van mijne verbazing nog niet bekomen was, voegde hij er aanstonds
+bij:
+
+</p>
+<p id="d0e936">&#8220;Maak u niet ongerust over mijne tegenwoordigheid: een bloot toeval heeft mij eer dan u naar deze ru&iuml;nen geleid; het omgekeerde
+had evengoed kunnen gebeuren; ik ben geen mededinger, en gij hebt niets te vreezen. Ik reis eenvoudig voor mijn pleizier;
+gij zijt een geleerde, en de stad komt u toe; geef haar een naam; onderzoek, maak teekeningen en kopie&euml;n, zoo veel ge wilt;
+gij zijt hier te huis. Ik ben niet van plan, iets te schrijven of uit te geven; maak des noods geene melding van mij, en behoud
+uwe ontdekking geheel voor u zelven. En laat mij u nu tot gids mogen verstrekken; ik heb een paleis laten gereed maken, en
+uwe woning wacht u.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e938"></p>
+<div id="d0e939" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-157.jpg" alt="Bas-relief te Lorillard."></p>
+<p class="figureHead">Bas-relief te Lorillard.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e943">Deze kieschheid trof mij zeer; maar ik mocht <span class="pageno"><a id="d0e945"></a>Bladzijde 158</span>het voorstel van mijn nieuwen vriend niet aannemen: aan ons beiden komt de eer toe der ontdekking van deze nieuwe stad, waar
+wij te zamen hebben gearbeid, en waaraan ik den naam heb gegeven van Lorillard, ter eere van den edelmoedigen man, die voor
+een deel de kosten mijner expeditie wilde dragen. De stad ligt op den linkeroever van de Usumacinta, in een soort van neutraal
+terrein tusschen Guatemala en de twee mexikaansche provinci&euml;n Chiapas en Tabasco. Zij werd voor omstreeks twaalf jaren ontdekt
+door een zekeren Suarez en sedert bij herhaling door de monteros bezocht.
+
+</p>
+<p id="d0e947">Het is zeer moeilijk, zich rekenschap te geven van den juisten omvang der stad en van het aantal gebouwen; de bodem is zoo
+dicht begroeid, dat een nauwkeurig onderzoek onmogelijk is, althans met de gebrekkige middelen, waarover men ter plaatse beschikken
+kan. Maar voor zoo ver men naar vergelijking mag oordeelen, moet de stad Lorillard, als alle indiaansche steden, waarvan wij
+reeds gesproken hebben, hebben bestaan uit een vijftien- of twintigtal verschillende monumenten, tempels en paleizen, woningen
+van den cacique en de voornaamste hoofden, omgeven door de hutten van de lieden uit de volksklasse en de slaven. Deze monumenten
+verrijzen op terrassen, ongeveer twintig ellen van de rivier verwijderd, en verheffen zich vervolgens, amphitheatersgewijze,
+op natuurlijke heuvelen, die de bouwmeesters benuttigd hebben, en die zij in esplanaden hebben verdeeld, welke door muren
+worden gesteund en van trappen zijn voorzien.
+
+</p>
+<p id="d0e949">De schikking is geheel dezelfde als te Palenqu&eacute;; de tempels en paleizen zijn minder talrijk en minder aanzienlijk; zij zijn
+ook ruwer bewerkt, schoon men over dit laatste misschien niet juist kan oordeelen, omdat de geheele uitwendige dekoratie,
+die uit cement bestond, is verdwenen.&#8212;Het eerste monument dat wij bestudeeren is een tempel, die op eene pyramide van ongeveer
+honderd-twintig voet hoogte is gebouwd. Ik noem dit gebouw een tempel, omdat het een groot steenen afgodsbeeld bevat, benevens
+verscheidene nissen, waarin kleinere beelden moeten gestaan hebben, want de wanden zijn zwart van den rook der offeranden.
+
+
+</p>
+<p id="d0e951">Het hoofd van het beeld is van den romp gescheiden en het gelaat is deerlijk geschonden, maar toch behoort het beeld tot het
+schoonste, wat wij tot dusver in Tabasco en Yucatan gezien hebben. Het stelt een mannelijk wezen voor, zittende op oostersche
+wijze, met de beenen onder het lijf gevouwen en de handen rustende op de knie&euml;n; de kalme, waardige houding doet u onwillekeurig
+aan Boeddha denken. Op het hoofd draagt het beeld een reusachtig, monsterachtig kapsel, dat de gansche figuur verplettert.
+De kleeding is rijk versierd met kralen en parelen en drie groote medaillons, twee op de schouders en een op de borst.
+
+</p>
+<p id="d0e953">Rondom het beeld en in ieder vertrek van den tempel vindt men eene menigte vazen van grof aardewerk en in vorm meest overeenkomende
+met ondiepe kommen; de randen zijn met gedrochtelijke menschenhoofden versierd. Deze vazen werden gebruikt voor het ontsteken
+van reukwerk; wij vinden ze terug in alle gebouwen die voor de eeredienst bestemd schijnen geweest te zijn.
+
+</p>
+<p id="d0e955">Achter dien tempel en op eene veel hoogere pyramide, vindt men het belangrijkste monument van de stad Lorillard. Op eene ruime
+esplanade stonden daar, in een rechthoek, zes paleizen, waarvan er nog maar een gedeeltelijk in wezen is. De andere gebouwen
+zijn niet meer dan vormelooze puinhoopen. Dit paleis was misschien de woning van den vorst of eene soort van vesting; in ieder
+geval was het prachtig gelegen. Van het terras of de esplanade had men een heerlijk uitzicht; en op nieuw bewonderde ik den
+praktischen zin van deze bouwmeesters. De pyramiden, waarop zij hunne paleizen plaatsten, waren eene werkelijke behoefte in
+dit heete en ongezonde land: deze manier van bouwen bezorgde frissche lucht en was tevens eene verdediging tegen de muskieten
+en andere insekten; en bovendien, welk een prachtig panorama ontplooide zich voor de oogen, bij morgen en avond, over de omringende
+heuvelen, over de rivier, over de tuinen en plantages aan de overzijde, en aan den anderen kant, naar het zuiden, over de
+wijde vlakte, aan den horizon begrensd door de schemerende lijnen van de Cordillera.
+
+</p>
+<p id="d0e957">Het paleis, dat wij bewonen, ligt lager en dichter bij de rivier. Het was meer vervallen en geschonden dan de tempel en droeg
+sporen van dezelfde versiering; maar de constructie scheen slordiger. De deuren zijn van verschillende afmetingen, en de posten
+zijn nu eens, zonder schijnbare reden, recht, dan weer scheef geplaatst; ook is de verdeeling der openingen en der nissen
+zeer onregelmatig. Van binnen is dit paleis een ware doolhof van smalle gangen en kleine vertrekken; in het achterste gedeelte,
+in een donker souterrain, waarheen een sterk glooiende gang afdaalt, bevinden zich twee smalle zalen, die tot aan de zoldering
+met steen en gruis gevuld zijn; naar ik vermoed, zijn dit graven. Althans te Palenqu&eacute; vond ik in dergelijke vertrekken, geraamten
+en vazen. Het gebouw is twintig ellen breed en zestien diep.
+
+</p>
+<p id="d0e959">Ik heb reeds vroeger gesproken over de gebeeldhouwde deurposten, in steen of in hout, die ik in de meeste steden van Yucatan,
+onder andere ook te Chichen, heb aangetroffen; maar de schoonsten vond ik te Lorillard. Mijne lezers mogen zich daarvan overtuigen
+door de afbeeldingen van twee dezer kleine monumenten op bladz. <a id="d0e961" href="#d0e939">157</a> en <a id="d0e964" href="#d0e1013">160</a>.
+
+</p>
+<p id="d0e967">Het kleinste maakt deel uit van den bovendrempel van de middelste poort des tempels; het paneel heeft een lengte van een el
+twaalf duim bij eene breedte van twee-en-tachtig duim. In het midden zien wij twee figuren, beiden het hoofd gedekt met hooge
+myters met vederen versierd; evenals bij het afgodsbeeld, waarvan ik hierboven sprak, zijn hunne schouderen bekleed met een
+korten mantel met paarlen en medaillons en lange franjes getooid; een rijk versierde maxtli omgordt hunne heupen en hunne
+voeten zijn in laarzen gestoken, met lederen riemen bezet.&#8212;Deze twee figuren, van verschillende grootte, schijnen een man
+en eene <span class="pageno"><a id="d0e969"></a>Bladzijde 159</span>vrouw te moeten voorstellen; uit hunne houding zou men moeten opmaken, dat zij eene godsdienstige handeling verrichten. De
+grootste heeft in iedere hand een kruis, de kleinste alleen in de rechterhand. Het zijn gewone, zoogenaamde latijnsche kruisen,
+waarvan de armen met bloemen zijn versierd en die van boven zijn gekroond met een symbolieken vogel. Ik meen in deze voorstelling
+den god Tlaloc te herkennen, den god van den regen en de vruchtbaarheid, wiens symbool een kruis was; te Palenqu&eacute; vinden wij
+dien god op dezelfde wijze voorgesteld.
+
+</p>
+<p id="d0e971">Het tweede bas-relief (<a id="d0e973" href="#d0e939">bladz. 157</a>) is buiten kijf het merkwaardigste monument, dat wij in Amerika hebben aangetroffen, en dat inderdaad kunstwaarde heeft.
+Afgezien van het onmogelijk gelaatsprofiel der beide figuren&#8212;dat trouwens zuiver conventioneel is&#8212;zijn de twee beelden voortreffelijk
+van bewerking. De voorstelling draagt een godsdienstig karakter: wij zijn getuigen van eene offerplechtigheid. Een der personen,
+die in knielende houding, ongetwijfeld een priester, heeft zich een met doornen bezet touw door de tong gestoken. De staande
+figuur is evenzeer een priester, die, met een grooten palmtak in de hand, den martelaar schijnt aan te moedigen. Nu weten
+wij dat de Mexikanen zich zelven op de gruwelijkste manier pijnigden; dag en nacht vergoten zij hun bloed in de tempels, ter
+eere der goden. Torquemada deelt ons daaromtrent het volgende mede, sprekende over de martelingen, die de priesters van Quetzalcoatl
+zich zelven aandeden:
+
+</p>
+<p id="d0e976">&#8220;Ziehier de martelingen, die de priesters van Camaxtli te Tlascala en die van Quetzalcoatl te Cholula zich zelven oplegden.
+De priesters kwamen bijeen onder het voorzitterschap van den oudste hunner, <i>achcantli</i> genoemd; en na een vijfdaagsche vasten, met verschillende boetedoeningen gepaard, sloot men hen op in den voornaamsten tempel
+van Camaxtli, waar zij eene menigte stokken met zich namen, zoo lang als een arm en zoo dik als een vuist ongeveer; dan kwamen
+timmerlieden, die vijf dagen gevast en gebeden hadden, om deze stokken, volgens aanwijzing, tot zeer dunne staafjes te maken,
+waarna men hun buiten den tempel te eten gaf; vervolgens kwamen de werklieden, die messen van obsidiaan moesten maken, en
+zij vervaardigden een aantal messen, waarmede de tongen der priesters moesten worden doorboord, en zij legden die neder op
+een witten doek.
+
+</p>
+<p id="d0e981">&#8220;Daarna volgden gebeden; en als de oude en de jonge priesters te zaam gekomen waren en gereed voor de offerande, boorde de
+bekwaamste onder de werkmeesters hun met een mes een groot gat in de tong.
+
+</p>
+<p id="d0e983">&#8220;Aanstonds stak nu de voornaamste <i>achcantli</i> in zijne doorboorde tong meer dan vier- of vijfhonderd van die staafjes, die de timmerlieden gemaakt hadden; de andere oude
+priesters deden desgelijks, en diegenen onder de jongeren, die den meesten moed hadden, volgden hun voorbeeld na.
+
+</p>
+<p id="d0e988">&#8220;Als deze afschuwelijke operatie volbracht was, trachtte de oudste, die als hoofd gold, ondanks de duldelooze pijn, te zingen,
+om de jongeren aan te moedigen tot het volbrengen der ceremonie.&#8221;
+
+</p>
+<p id="d0e990">Ons bas-relief stelt ons dus zulk eene offerande aan Quetzalcoatl of Cuculcan voor, en de tempel, die met deze beeldwerken
+prijkte, was aan dien god gewijd.
+
+</p>
+<p id="d0e992">Eene bijzonderheid, die de geschiedschrijver aan het slot van hetzelfde hoofdstuk vermeldt, geeft ons de verdere verklaring
+van het bas-relief.
+
+</p>
+<p id="d0e994">&#8220;Gedurende dien vastentijd&#8212;zegt Torquemada&#8212;begaf de voornaamste <i>achcantli</i> zich naar de steden en de dorpen, om de lieden te vermanen tot de voorbereiding van het groote offerfeest; en tot teeken
+droeg hij in de hand een grooten groenen tak.
+
+</p>
+<p id="d0e999">Dit is duidelijk genoeg. Daar staat de priester met den palmtak in de hand, waarvan de bladeren rusten op het symbolische
+teeken van den wind, waarmede Quetzalcoatl zoo dikwijls wordt afgebeeld. Wij vinden dus te Lorillard de eeredienst van Tlaloc
+en van Quetzalcoatl, de godheden der Tolteken, ook door de Azteken vereerd, en wier dienst in de veroverde landen werd ingevoerd.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1001">Ons bezoek aan de stad Lorillard, waarvan de indiaansche naam mij onbekend is, was hiermede afgeloopen. Niet dan met spijt
+verliet ik deze nieuwe stad, waar ik mij gaarne langer had opgehouden, want ik was er zeker van, dat er nog vele nieuwe en
+misschien belangrijke ontdekkingen waren te doen. Anderen, in gunstiger omstandigheden verkeerende, zullen de aangevangen
+taak, naar ik vertrouw, voltooien en ook de monumenten op den rechter oever opsporen, van welker bestaan ik mij verzekerd
+houde, maar die ik niet heb kunnen vinden.
+
+</p>
+<p id="d0e1003">Wij gaan weer aan boord, en hebben bijna een ganschen dag noodig, om stroomopwaarts den afstand af te leggen, dien wij, de
+rivier afzakkende, in drie uren hadden afgelegd. De stroom is zoo sterk, dat somwijlen onze manschappen, die de kano voorttrekken,
+worden meegesleept; echter komen wij toch vooruit.
+
+</p>
+<p id="d0e1005">Ik hoopte te Yalchilan de Lacandons te vinden, die men mij had beloofd; zij waren er echter niet, maar het oude opperhoofd
+had iederen dag een bode gezonden om te vernemen of wij reeds waren teruggekeerd; de geschenken, die ik hem had toegezegd,
+hadden te zeer zijne begeerlijkheid opgewekt, dan dat ik vreesde dat hij zijn woord niet zou houden. Den volgenden morgen
+verscheen hij ook in het kamp met zijne twee vrouwen en vier jongelieden. Zij waren allen op dezelfde wijze gekleed: zij droegen
+een soort van lang wijd hemd of tuniek met korte mouwen; dit kleedingstuk van grof katoen is zeer plooibaar en wordt door
+de vrouwen geweven. Deze tunieken vertoonden roode vlekken, die ik eerst voor slijkspatten hield; later bleek mij, dat zij
+bij wijze van versiering moesten dienen, en dat de verfstof, waarmede deze ornamenten worden aangebracht, uit de bezi&euml;n van
+een struik wordt getrokken, waarvan de naam mij onbekend is. Daar zij de kunst niet verstaan, om het geheele kleedingstuk
+te verven, maken de Lacandons er deze roode vlekken op; ik vermoed dat dit een bijzonder privilege is van het opperhoofd en
+zijne vrouwen, want de hemden van de jongelieden vertoonen geen spoor van de versiering.
+<span class="pageno"><a id="d0e1007"></a>Bladzijde 160</span></p>
+<p id="d0e1008">Mannen en vrouwen dragen om den hals zware kettingen, vervaardigd van verschillende zaden, tanden van apen en wilde zwijnen,
+nagels van vogels en muntstukken. Hunne lange, ongekamde ruwe haren hangen in wanorde om hun hoofd en hals; de vrouwen steken
+daar een paar arendsvederen in. Zoowel aan de hemden als aan de halskettingen schijnen zij bijzondere waarde te hechten, want
+al mijne pogingen om een dezer voorwerpen machtig te worden, waren vruchteloos; daarentegen waren zij aanstonds bereid, mij
+hunne pijlen en bogen af te staan.
+
+</p>
+<p id="d0e1010">De Lacandons bedienen zich nog van steenen bijlen, waarmede zij de boomen omhakken, als zij in het bosch een plek willen bebouwen.
+Met de grootste dankbaarheid namen zij evenwel de stalen bijlen, de sabels en messen aan, die ik hun ten geschenke gaf, benevens
+zout, waaraan zij gebrek hebben en dat zij zeer gebrekkig vervangen door de asch van eene zekere houtsoort.
+
+</p>
+<p id="d0e1012"></p>
+<div id="d0e1013" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-160.jpg" alt="Bas-relief te Lorillard."></p>
+<p class="figureHead">Bas-relief te Lorillard.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1017">De Lacandons zijn baardeloos, van middelbare gestalte en welgemaakt; eene van de vrouwen is zelfs mooi te noemen: maar te
+oordeelen naar hunne fletsche kleur en bleeke lippen, schijnen allen aan bloedarmoede te lijden, hetgeen mede een gevolg kan
+zijn van hun leven in de donkere, vochtige bosschen. Zij spreken de oude taal der Mayas, en leven van de jacht, de vischvangst
+en het bebouwen hunner kleine akkers. Hunne hutten zijn zindelijk, en men vindt er altijd een voorraad van tabak en katoen,
+van ma&iuml;s en vruchten; zij hebben geen aardewerk, maar behelpen zich met kalebassen. Hunne voorvaderen stonden, voor den ondergang
+van hun volk, op vrij wat hooger trap van beschaving.
+
+<span class="pageno"><a id="d0e1019"></a>Bladzijde 301</span></p>
+<p id="d0e1020"></p>
+<div id="d0e1021" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-301.jpg" alt="Tempel vau Tikal."></p>
+<p class="figureHead">Tempel vau Tikal.</p>
+</div><p>
+
+
+</p><a id="d0e1025"></a><h1>XI</h1>
+<p id="d0e1028">Om van Yachilan naar Peten te gaan, kan de reiziger tusschen twee wegen kiezen: hij kan de Usumacinta opvaren, die eenige
+uren verder den naam aanneemt van rio de la Passion; of wel, dwars door de bosschen, den zoogenoemden Camino Real (koninklijke
+heerbaan) volgen, die feitelijk niet anders is dan een afschuwelijk, onbruikbaar voetpad, waarvan de Indianen gebruik maken.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1030">Maar nog afgezien van haar sterk verval, maakt de rivier zuidwaarts een zeer grooten omweg, alvorens zij zich naar Libertad
+wendt; en hoe slecht de landweg ook moge zijn, toch is hij altijd minder bezwaarlijk voor onze manschappen, die zwaar beladen
+kano's tegen stroom moesten optrekken; bovendien hebben wij onze muildieren, die op ons wachten, en die door de dagen van
+rust, aan den oever der rivier doorgebracht, nog volstrekt niet op hun streek zijn gekomen. Zij zijn nog even mager als vroeger,
+en nog steeds bedekt met afschuwelijke wonden, die door de reis erger zullen worden. <span class="pageno"><a id="d0e1032"></a>Bladzijde 302</span>Wij slaan dus het pad in, dat twee dagreizen verder, op den weg naar Peten uitloopt.
+
+</p>
+<p id="d0e1034">Omstreeks het midden van onze eerste dagreis, ontmoeten wij Pepe Mora, den onverschrokken montera; hij is zeer vermagerd en
+ziet er zeer afgemat uit: de koorts laat hem niet los, maar hij wil zijn post niet verlaten, voor hij het geheele district
+heeft onderzocht; hij denkt zelfs over de stichting van eene kolonie en heeft oranjeappels en cherimayos gezaaid, waarvan
+de roode vrucht bijna geen pit heeft; hij geeft ons eenig zaad van deze zeldzame soort en voegt er een zak met gerookt wilde
+zwijnenvleesch bij. Wij bedanken den braven man, dien wij niet weder zullen zien, en komen omstreeks vier uren aan onze eerste
+pleisterplaats.
+
+</p>
+<p id="d0e1036">De kleine rivier die ons tot richtsnoer heeft gediend is niet diep: zij heeft nauwelijks drie voet water, maar de oevers zijn
+buitengewoon steil; de beladen muildieren dalen niet dan met weerzin langs die bijna loodrechte helling naar beneden, maar
+eens in het frissche water, willen zij er niet meer uitkomen. De muilezel die mijne bagage met mijne aanteekeningen en clich&eacute;s
+droeg, deed nog beter: hij ging op de diepste plek in het riviertje liggen, zoodat alleen zijn kop boven water uitstak. Ik
+kon een kreet van schrik niet onderdrukken, want ik dacht aanvankelijk dat al mijne dokumenten verloren zouden zijn; gelukkig
+was dit niet het geval, maar wij moesten een gedeelte van den nacht gebruiken om bij onze vuren mijne kleederen en mijne photografi&euml;n
+te drogen. Des morgens was het kwaad gelukkig weer hersteld.
+
+</p>
+<p id="d0e1038">Dien eigen avond bereikten wij het gedeelte van het woud, waar wij een zekeren voorraad levensmiddelen hadden verborgen en
+een onzer paarden stervende achtergelaten hadden. De levensmiddelen waren nog in goeden staat: de apen en andere stroopers
+hadden onze beschuit en ons gedroogd vleesch ontzien en de kisten met wijn waren nog ongeschonden; van het paard konden wij
+geen spoor ontdekken: het arme dier was waarschijnlijk dieper in het bosch ingegaan en daar gestorven, of misschien door de
+tijgers verscheurd.
+
+</p>
+<p id="d0e1040">Den volgenden morgen sloegen wij den weg in naar Peten, en kwamen vier dagen later te Sacluc, dat tegenwoordig Libertad wordt
+genoemd.
+
+</p>
+<p id="d0e1042">Libertad, de zetel van den prefect van Peten, is het laatste bewoonde vlek van Guatemala, zoo als Tenosique van Tabasco; het
+draagt geheel denzelfden stempel als alle spaansch-indiaansche dorpen in de warme luchtstreek: ook hier hetzelfde ruime, met
+gras begroeide plein, dezelfde armoedige kerk en enkele onaanzienlijke woningen in het rond. Er is te Libertad aan alles gebrek,
+en de hongersnood schijnt er permanent; wij zouden van honger zijn omgekomen, zonder de beambten van de monteria van de heeren
+Jamet en Sastre van San-Juan Bautista, die zoo goed waren ons een huisje te verhuren en ons een deel van hun voorraad wilden
+afstaan. Trouwens, dat het dorp nog bestaat, heeft het te danken aan het weinige vertier dat de hakkers van mahoniehout hier
+nog aanbrengen.
+
+</p>
+<p id="d0e1044">Van Libertad loopt de weg in noordelijke richting naar Flores, aan het meer van Peten, dertig kilometers verder. Flores is
+het oude Tayasal; het bevallige dorp, zoo schoon gelegen midden in het fraaie meer en door zijn gordel van bergen omringd,
+staat op dezelfde plek, waar eens de stad der Mayas verrees. Want zij was wel degelijk eene maya stad, waarvan de inwoners,
+Itzaes genoemd, de afstammelingen waren van die emigranten, die onder aanvoering van hun Canek, omstreeks 1440, de stad Chichen-Itza
+in Yucatan verlieten en van wie wij reeds gesproken hebben. Daar, in deze heerlijke streek, omringd door krijgshaftige stammen,
+die dezelfde taal spraken, vormden de Itzaes op nieuw eene eigene nationaliteit, van zoo krachtig leven, dat zij tot het einde
+der zeventiende eeuw weerstand bood aan den invloed der spaansche overheerschers. Huizen, paleizen, tempels en pyramiden zijn
+verdwenen; maar toch is het ons mogelijk de geschiedenis te reconstrueeren en op nieuw het betrekkelijk moderne dezer monumenten
+aan te toonen.
+
+</p>
+<p id="d0e1046">Eerst in 1696 slaagde de gouverneur van Yucatan, Martin Ursua, er in, zich van de stad meester te maken en dit kleine volk
+ten onder te brengen. Maar hij had daarvoor niets minder dan een leger noodig: opzettelijk voor dit doel werd een weg aangelegd,
+die in rechte lijn vam Camp&ecirc;che naar Peten liep. Midden in de bosschen stuitte de expeditie op eene stad, Nohbecan genoemd,
+met groote tempels vol afgoden; en toen de gouverneur aan de oevers van het meer Chaltuna kwam, was hij even als Cortez gedwongen,
+vaartuigen te bouwen om de stad te kunnen belegeren. De bestorming greep plaats op den tweeden Maart 1696, en nog dienzelfden
+dag werd Tayasal ingenomen.
+
+</p>
+<p id="d0e1048">Zonderling genoeg, werd de stad in een oogwenk verlaten: al de bewoners, mannen vrouwen en kinderen, ontsnapten over de lagune,
+hetzij met behulp van hun prauwen, hetzij zwemmende; de meesten verdwenen voor altijd. Martin Ursua had eene wildernis veroverd.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1050">Dit zeer opmerkelijke feit toont ons den onverzoenlijken haat, dien de Indianen jegens de Spanjaarden koesterden, en verklaart
+ons tevens, hoe steden, die tijdens de verovering nog dichtbevolkt waren, op een gegeven oogenblik eensklaps geheel verlaten
+zijn. Het is nu ook duidelijk, dat men zich niet op dit verlaten zijn beroepen kan ten bewijze van de oudheid dier steden.
+
+
+</p>
+<p id="d0e1052">De stad Tayasal bevatte in 1696 een-en-twintig tempels, terwijl zij er in 1618 maar twaalf telde; in den loop der zeventiende
+eeuw waren er dus negen nieuwe tempels verrezen, en daaronder de schoonste van allen, volgens de getuigenis van Villa Gutierre
+Soto Mayor.
+
+</p>
+<p id="d0e1054">&#8220;De groote tempel was met zijn spitsbooggewelf geheel van steen gebouwd; hij was vierkant met een fraaien peristijl en van
+fraai bewerkte steenen; elke zijde had eene breedte van twintig <i>vares</i>, en hij was zeer hoog.&#8221; Is het niet of men eene beschrijving leest van het Castillo van Chichen, vierkant als dat van Tayasal,
+van dezelfde afmetingen en eveneens met een fraai peristijl.
+
+</p>
+<p id="d0e1059">Wij erkennen dus in Tayasal de dochter van <span class="pageno"><a id="d0e1061"></a>Bladzijde 303</span>Chichen-Itza; haar moeder hebben wij te begroeten in Tikal, waarheen wij den lezer gaan voeren. De voorname reden van de verhuizing
+der Itzaes naar het zuiden was ons onbekend: Tikal zal daarover licht verspreiden; wij waren nog in het onzekere omtrent de
+richting en den voortgang van de tolteeksche kolonisatie in Yucatan: Tikal zal met onwederlegbare bewijzen op onze vragen
+een antwoord geven; Tikal eindelijk zal een geheel nieuw probleem oplossen en ons bekend maken met den invoed der tolteeksche
+beschaving in de noordelijke steden van Guatemala, Coban, Copan, Quiriga.
+
+</p>
+<p id="d0e1063">Tikal ligt ongeveer vijf-en-veertig kilometers ten noordoosten van Flores, aan de zuidelijke grens van het schiereiland Yucatan.
+Deze stad werd laatstelijk bezocht door twee wetenschappelijke onderzoekers: door Bernouilli en door Alfred Maudsley. Bernouilli
+werd ontijdig door den dood aan zijn werkkring ontrukt en het verhaal zijner reis is verloren gegaan, maar gelukkig heeft
+hij belangrijke en zeer merkwaardige dokumenten omtrent Tikal nagelaten. Deze dokumenten, waardoor wij in staat worden gesteld,
+der stad hare plaats in de geschiedenis aan te wijzen, bestaan in een twaalftal stukken gesneden hout, die de reiziger door
+Indianen van Flores uit de tempels liet wegnemen. De andere reiziger Alfred Maudsley schijnt van Guatemala zijne bijzondere
+studie te hebben gemaakt en heeft zich door zijne werken bereids een welverdienden naam verworven. De aanteekeningen en photografie&euml;n,
+die hij van Tikal heeft medegebracht, zijn ons bij de beschrijving der stad van zeer groote dienst geweest.
+
+</p>
+<p id="d0e1065">De belangrijkste gebouwen zijn de tempels, op hooge pyramiden gebouwd, die terrasvormig zijn aangelegd. Aan de voorzijde bevindt
+zich de groote trap, die naar de poort van den tempel voert; de tempel zelf staat eenigszins achterwaarts op het plat, en
+de achterzijde der pyramide loopt veel steiler af dan de voorzijde en de beide kanten. Datzelfde merkten wij ook te Lorillard
+zoowel als te Palenque op.
+
+</p>
+<p id="d0e1067">De basis van de pyramide heeft een breedte van honderd-vier-en-tachtig engelsche voeten en eene diepte van honderd-acht-en-zestig;
+de trap is acht-en-dertig engelsche voeten breed. Deze trap heeft eene lengte van honderd-twaalf voet; de gemiddelde hoogte
+van de pyramide zou dus negentig voet bedragen; de tempel is een-en-veertig voet breed en acht-en-twintig voet lang; de hoogte
+bedraagt ongeveer veertig voet, met inbegrip van den zoogenaamden dekoratieven muur, die geheel begroeid is.
+
+</p>
+<p id="d0e1069">Al deze tempels gelijken op elkander; hunne meest kenmerkende eigenaardigheid is de geweldige dikte der muren, voorts de nissen
+ter wederzijde van het voornaamste vertrek en de regelmatige versmalling van het gebouw naar de achterzijde. Het inwendige
+van zulk een tempel bestaat uit twee of drie smalle, evenwijdig loopende gangen, die door middel van breede openingen gemeenschap
+hebben met een zaal of dwarsgang aan de voorzijde. De houten posten dier poorten of openingen zijn rijk gebeeldhouwd. In de
+tempels zijn de muren hooger dan in de paleizen, en vormt het zoogenoemde gewelf, dat eveneens hooger is, een scherper hoek.
+Blijkbaar was deze constructie noodig ter wille van den geweldigen dekoratieven muur, die het gebouw in figuurlijken zin verplettert,
+en het ook in letterlijken zin zou gedaan hebben, als de bouwmeester daartegen niet de noodige voorzorgen had genomen door
+de dikte der muren, de verlenging van het gewelf en de weinige breedte der gangen of kamers.
+
+</p>
+<p id="d0e1071">Maudsley zegt, dat hij in die tempels geen enkel afgodsbeeld noch eenig ander voorwerp van vereering vond; maar hierin vergist
+hij zich. Indien hij toen reeds Lorillard had bezocht en Palenque gekend, zou hij begrepen hebben dat al het snijwerk in hout
+eene godsdienstige beteekenis had, dat deze voorstellingen de plaats der afgodsbeelden bekleedden en rechtstreeks in verband
+stonden met de eeredienst.
+
+</p>
+<p id="d0e1073">Laat ons een blik werpen op die beeldwerken. Eene eerste plaats bekleedt daaronder een groot bas-relief in hout, dat ongetwijfeld
+deel uitmaakte van een altaar en eene treffende gelijkenis heeft met de steenen bas-reliefs, die wij te Palenque hebben gevonden.
+Dit paneel heeft ongeveer dezelfde afmetingen: het is een el vijf-en-negentig duim hoog en twee el acht-en-twintig duim breed.
+Evenals op de gebeeldhouwde zerken van Palenque, zien wij hier twee figuren in hoog relief, omgeven van die wonderlijke, barbaarsche
+en vaak onverklaarbare ornamenten en attributen, die een kenmerk zijn van de amerikaansche beeldwerken.
+
+</p>
+<p id="d0e1075">De letters van de opschriften ter rechter en ter linker zijde zijn verwonderlijk goed bewaard gebleven en kunnen onmogelijk
+tot een verwijderd tijdperk behooren; die letters of teekens zijn overigens geheel dezelfden, die wij te Lorillard en te Palenque
+hebben gevonden, en die wij straks te Copan zullen wedervinden. De hoofdfiguur neemt hier het midden van het paneel in, in
+plaats van aan de rechter of linker zijde te staan, zoo als op de zerken van Palenque, waar het beeld der godheid het midden
+inneemt.
+
+</p>
+<p id="d0e1077">Deze hoofdfiguur is een man, in staande houding, het hoofd gedekt met een allerwonderlijkst kapsel, overladen met allerlei
+grillige gedrochtelijke ornamenten en uitloopende in reusachtige vederbossen of pluimen: in een woord, een monsterachtig hoofddeksel,
+waarvan de onzinnige wanstaltigheid ten volle voor het barbaarsche dezer kunst getuigt. In de rechterhand houdt dit personage
+een soort van schepter, gekroond met vederen of den staart van een vogel: zijn linkerarm is halverwege bedekt door een soort
+van schild. Zijne kleeding is zeer rijk; behalve een met paarlen versierde halskraag of schoudermantel draagt hij eene lange
+en rijk geborduurde tuniek, die bijna tot aan de voeten afhangt. Onnoodig te zeggen, dat de teekening van het menschenbeeld
+zoo gebrekkig en onbeholpen mogelijk is.
+
+</p>
+<p id="d0e1079">Onder het opschrift ter rechterzijde ziet men symbolische ornamenten, waarvan de beteekenis niet te raden is; onder het opschrift
+ter linkerzijde bespeurt men&#8212;althans met eenigen goeden <span class="pageno"><a id="d0e1081"></a>Bladzijde 304</span>wil&#8212;eene tweede monsterachtige figuur, die geacht kan worden een mensch te verbeelden, op een soort van trapje gezeten. Maar
+de voornaamste figuur, hoewel zij de minste plaats inneemt, is onzes inziens het menschenhoofd boven de hoofdfiguur aangebracht,
+en dat ongetwijfeld de zon moet voorstellen. De zoogenoemde vlammen, die te midden van allerlei andere, onbegrijpelijke, barbaarsche
+ornamenten, aan beide zijden van dezen monsterachtigen kop zijn aangebracht, laten daaromtrent geen twijfel over; wij mogen
+dus als zeker aannemen, dat dit bas-relief eenmaal in een aan de zon gewijden tempel was geplaatst.
+
+</p>
+<p id="d0e1083"></p>
+<div id="d0e1084" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-304.jpg" alt="Afgodsbeeld te Copan."></p>
+<p class="figureHead">Afgodsbeeld te Copan.</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1088">Wij allen weten dat de zonnedienst algemeen heerschte bij alle amerikaansche nati&euml;n; het is dus niet vreemd, dat wij dienzelfden
+cultus ook te Tikal vinden. De tempels, de pyramiden, de opschriften, de zinnebeelden en figuren dragen echter een bijzonder
+lokaal karakter, dat herinnert aan de godsdienstige monumenten der hooge bergplateaux en ons het recht geeft, ook hier van
+den invloed der tolteeksche beschaving te spreken.
+
+</p>
+<p id="d0e1090">Uit alles wat wij gezien en gezegd hebben, volgt dat ook Tikal eene stad was, behoorende tot die tolteeksche beschaving, waarvan
+wij den gang en de ontwikkeling hebben gevolgd van Comalcalco tot Palenque en Ocosingo, die den loop der rivieren opwaarts
+volgende, de stad Lorillard heeft gesticht en vervolgens Tikal bereikt, om zich later eenerzijds in Yucatan uit te breiden,
+waar zij eene vroegere tolteeksche nederzetting ontmoet, en anderzijds in het noorden van Guatemala door te dringen, waar
+zij Coban, Copan en Quiriga zal stichten.
+
+</p>
+<p id="d0e1092">Tikal, verder van het punt van uitgang verwijderd, is natuurlijk jonger dan de steden die wij reeds beschreven hebben, maar
+zij vertegenwoordigt ons een der belangrijkste tijdperken van deze zoo zeer eigenaardige beschaving, die toch altijd halverwege
+in de barbaarschheid bleef steken. Van daar drong de meer beschaafde stam in het noorden van het schiereiland door: wij vinden
+daarvoor niet slechts de materieele bewijzen in de steden langs den gevolgden weg, zooals bij voorbeeld de stad Nohbecan,
+die Martin Usua op zijn marsch naar Tayasal ontdekte, maar wij mogen ons ook beroepen op de getuigenis der historie.
+
+</p>
+<p id="d0e1094">Herrera verhaalt, dat in den tijd toen de opperhoofden van de eerste tolteeksche immigratie, die der Cocomes, regeerden, het
+land werd overweldigd door lieden uit het land der Lacandons, Chiapas enz.; deze indringers zwierven gedurende veertig jaren
+door de woestijnen van Yucatan en kwamen tot op tien mijlen afstands van Mayapan, te midden der heuvelen van Uxmal, waar zij
+prachtige gebouwen oprichtten.
+
+</p>
+<p id="d0e1096">Deze indringers werden aangevoerd door opperhoofden, Tutulxius genoemd; zij waren zoo vreedzaam van natuur dat zij geen wapenen
+hadden en de dieren op de jacht met lasso's vingen of vallen uitzetten.
+
+</p>
+<p id="d0e1098">Volgens Landa verhaalden de Indianen dat van den kant van het zuiden talrijke stammen met hunne opperhoofden in Yucatan waren
+gedrongen; naar het schijnt waren die immigranten uit Chiapa afkomstig, hoewel de Indianen dat niet met zekerheid konden zeggen,
+maar Landa vermoedt het ook op taalkundige gronden; deze stammen zwierven gedurende veertig jaren in de woestijn en kwamen
+in de sierra op tien mijlen afstand van Mayapan.
+
+</p>
+<p id="d0e1100">Reeds bij ons bezoek te Palenque werden wij getroffen door het bij uitstek vreedzaam en godsdienstig karakter der beeldwerken,
+waarop wij nooit iets hebben gevonden dat aan den oorlog of aan wapenfeiten herinnert. Na de bijna geheele uitroeiing van
+hun ras, hebben de naar elders verhuizende Tolteken de rol van veroveraars, die zij niet langer konden volhouden, laten varen,
+en er zich meer op toegelegd om de barbaarsche stammen, die zij op hun weg ontmoetten, te bekeeren en te beschaven. Zij traden
+meer op als zendelingen en predikers en wonnen op die wijze de inlanders voor zich, even als de Boeddhisten op Java deden,
+waar zij de taal hunner bekeerlingen overnamen en prachtige tempels ter eere van Boeddha stichtten. Zoo namen ook de Tolteken
+de taal over van de landen, die zij beschaafden, en bouwden ook tempels en paleizen, die echter de vergelijking met de javaansche
+monumenten niet kunnen doorstaan.
+
+</p>
+<p id="d0e1102">Uit dit alles blijkt dus overtuigend dat de tolteeksche stammen uit het zuiden in Yucatan zijn <span class="pageno"><a id="d0e1104"></a>Bladzijde 305</span>gekomen. Wij hadden dus recht te beweren, dat de gewone verklaring van het verlaten van Chichen-Itza door hare inwoners, omstreeks
+het jaar 1440, niet aannemelijk was; wat ook verder tot dien uittocht aanleiding moge gegeven hebben, zeker moet de hoofdreden
+gezocht worden in de nog levende herinnering aan de door hunne voorvaderen gestichte koloni&euml;n in het zuiden van het schiereiland.
+Tikal moet het middelpunt van die nederzettingen zijn geweest; Tikal bestond misschien toen nog; de caciquen van Chichen hadden
+ongetwijfeld betrekkingen met die stad onderhouden, en toen zij den weg insloegen naar deze stad, de bakermat van hunne familie,
+handelden zij geheel in den geest der traditie.
+
+
+</p><a id="d0e1106"></a><h1>XII</h1>
+<p id="d0e1109">Als wij geloof mogen hechten aan het verhaal, dat de pastoor van Santa-Cruz del Quich&eacute; aan Stephens deed, dan bestond er te
+Coban eens groote stad, die hij bezocht had en waarvan hij met groote verbazing gewaagde. Nooit heeft iemand ons over deze
+stad gesproken, die tot dusver aan de nasporingen der reizigers is ontsnapt; maar het is zeer waarschijnlijk dat Coban eene
+nederzetting was van dien tak der Tolteken, die Tikal stichtte en die zich van daar naar het oosten richtte, waar hij achtervolgens
+Copan en Quiriga, in de provincie Chiquimula, grondvestte.
+
+</p>
+<p id="d0e1111">Copan was ten tijde van de verovering nog eene bloeiende stad, evenals Utatlan, Itatlan, Xelahu, Patinamit en andere steden
+in Guatemala, door Alvaredo verwoest. Hernandez de Chaves, een zijner onderbevelhebbers, kreeg in last zich van Copan meester
+te maken. Dit geschiedde in 1530. Volgens Juarros, wiens zegsman Francisco de Fuentes de stad bezocht, was de groote circus
+van Copan in 1700 nog ongeschonden in wezen.
+
+</p>
+<p id="d0e1113">De zonderlingste en merkwaardigste monumenten van Copan zijn de uit &eacute;&eacute;n steenblok gehouwen afgodsbeelden, die wij ook reeds,
+zij het ook minder afgewerkt, te Tikal hebben aangetroffen. Wij vinden te Copan dezelfde inscripties, dezelfde bas-reliefs
+en dezelfde godheden, als in de steden die wij reeds vroeger bezochten; Copan is echter de jongste van deze steden, daar zij
+het verst van het uitgangspunt der immigranten verwijderd was. Ondanks zijn niet licht te misleiden gezond verstand en zijne
+buitengewone helderheid van inzicht, heeft Stephens toch de monumenten van Copan niet begrepen. Trouwens, Copan was de eerste
+stad die hij bezocht; hij dacht hier de werken voor zich te hebben eener geheel oorspronkelijke beschaving, die hij met geene
+andere in verband wist te brengen. Zonder het te weten, begon hij bij het einde en vermoedde niet dat hij de laatste monumenten
+eener oude beschaving voor zich had. Later, beter ingelicht, oordeelde hij anders en bracht zijn helder inzicht hem van zelf
+op het spoor der waarheid.
+
+</p>
+<p id="d0e1115"></p>
+<div id="d0e1116" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-305.jpg" alt="Afgodsbeeld te Copan"></p>
+<p class="figureHead">Afgodsbeeld te Copan</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1120">Stephens geeft ons in de eerste plaats de afbeelding van een te Copan gevonden menschenhoofd, waarin hij een koning meent
+te herkennen. Bij nadere beschouwing van dien gebaarden kop, die in eene reusachtige draken- of slangenmuil is gevat, herkennen
+wij daarin het beeld van den god Quetzalcoatl; de type is een weinig veranderd, maar de kenmerkende attributen ontbreken ook
+hier niet. Hij draagt een hoofddeksel van dooreengevlochten slangen, of misschien een soort van tulband, dien wij op andere
+monumenten in Guatemala zullen wedervinden. Wij bezitten geene nauwkeurige beschrijving van de monumenten van Copan, en te
+oordeelen naar hetgeen Stephens zegt, schijnt het dat zij verschillen van die, welke wij bestudeerd hebben. De inrichting
+der stad zou ons doen denken aan die der mexikaansche steden, evenals bij de andere hoofdsteden in Guatemala, omdat die steden,
+evenals in Mexico, op bergplateaux gebouwd, een ander voorkomen hadden dan de steden in de heete vlakte, Comalcalco, Palenque,
+Chichen. Uxmal en anderen. <span class="pageno"><a id="d0e1122"></a>Bladzijde 306</span>De tak van den tolteekschen stam, die zich langs den Stillen-Oceaan gevestigd had, had de traditi&euml;n van het gemeenschappelijke
+vaderland, van Anahuac, behouden en volgde zoowel in levenswijze, als bij den bouw van tempels, paleizen en huizen, de oude
+gewoonten: een natuurlijk gevolg van de overeenkomst tusschen de vroegere en latere omgeving. De andere hoofdtak, die in een
+andere natuur en andere omgeving was gekomen, moest zich, ook wat de bouworde aangaat, daarnaar voegen en alzoo in meerdere
+of mindere mate van den voorvaderlijken type afwijken. Te Copan ontmoetten de beide takken elkander weder, en de bouwstijl
+onderging eene verandering door het opnemen van verschillende elementen.
+
+</p>
+<p id="d0e1124">Wij hebben reeds vroeger, bij ons bezoek te Kabah, gesproken van de overdrijving en overlading in de ornamentiek, die het
+kenmerk is der perioden van kunstverval: een verschijnsel, dat zich bijna bij alle volken heeft voorgedaan. Bijna overal zien
+wij de in den aanvang zoo strenge en sobere monumenten, zeer schaars met ornamenten versierd, langzamerhand al rijker en weelderiger
+worden; de architektonische lijnen treden op den achtergrond voor het ornament, dat al meer en meer voortwoekert en eindelijk
+tot overlading, gemaaktheid en wansmaak voert. De gothiek levert ons daarvan een sprekend voorbeeld, en de arabische kunst
+in Spanje niet minder.
+
+</p>
+<p id="d0e1126">De Tolteken van Copan getuigen ook op hunne beurt van de waarheid dezer opmerking; en men behoeft inderdaad geen archeoloog
+te zijn, om bij het aanschouwen van deze monumenten te verklaren dat zij niet tot de eerste, maar veelmeer tot de laatste
+periode eener kunstontwikkeling behooren. De bewerkers van de monolithen, waarvan wij boven reeds spraken, hebben hier alle
+ornamenten en alle architektonische motieven bijeengebracht, die hunne voorgangers bij hunne paleizen, hunne tempels hunne
+bas-reliefs en hunne godenbeelden hadden aangewend.
+
+</p>
+<p id="d0e1128">En niet alleen vermenigvuldigen zij de motieven en ornamenten, zij stellen zelfs in &eacute;&eacute;n beeld verschillende goden voor: getuige
+het beeld, waarvan wij de afbeelding en face geven en waarin men gemakkelijk vier onderscheidene goden herkent. De groote
+middenfiguur, die uit een drakenmuil te voorschijn komt, herinnert ons aanstonds aan Quetzalcoatl, maar het is het hoofd eener
+vrouw, wier kostuum ons de attributen te aanschouwen geeft van een Tlaloc van Palenque, met zijne menschenhoofden als gordel
+versiersels; deze koppen zijn hier geplaatst boven een krans of slinger van ma&iuml;shalmen, die een der attributen is zoowel van
+Chalciutlicue, de echtgenoote van Tlaloc, als van Centeotl, de mexikaansche Ceres, de godin van den oogst. Dit beeld zou dus
+tegelijkertijd Quetzalcoatl, Tlalco, Chalciutlicue en Centeotl moeten voorstellen. Wij weten reeds, dat men te Mexico de drie eersten meermalen vereenigd afbeeldde
+en dat hun feest op denzelfden dag werd gevierd.
+
+</p>
+<p id="d0e1133">Laat ons nu een blik werpen op het zoo merkwaardige altaar, waarmede wij door Stephens bekend zijn geworden. Dat altaar, waarvan
+wij op bladz. 308 de afbeelding geven, is zes voet lang en vier voet hoog; het bovenste gedeelte is verdeeld in zes-en-dertig
+vakken met hi&euml;roglyfen.
+
+</p>
+<p id="d0e1135">Aan elke zijde van het altaar zien wij vier personen, die met gevouwen beenen, naar oosterschen trant, op kussens zitten;
+het profiel is minder schuin dan bij andere beeldwerken, waarschijnlijk uit vroegeren tijd; het hoofddeksel is een soort van
+tulband, zoo als in Guatemala gebruikelijk was. Deze typen zijn nieuw voor ons, maar wij vinden ze nevens ons reeds bekende
+typen: een verschijnsel, dat zijne verklaring vindt in het feit, dat de twee takken van het tolteeksche ras, na eene lange
+scheiding van misschien twee eeuwen, elkander hier weder voor het eerst ontmoetten en in zekere mate samensmolten. Dit zonderlinge
+monument is als het ware de uitdrukking van die vermenging: het is guatemalto-tolteeksch door de figuren en zuiver tolteeksch
+door de symbolische teekens, die hetzij op iedere figuur, hetzij op de kleeding, hetzij op het kussen aangebracht, ons den
+naam en de hoedanigheid van iederen persoon mededeelen. Dat herinnert aan de bas-reliefs van Chichen; maar het altaar is vooral
+tolteeksch door zijne opschriften, waarvan de letterteekens bijna geheel dezelfden zijn als die der inscripties van Lorillard.
+De kunst van Copan draagt zoo geheel een tolteeksch karakter, dat Diego Grarcia Palacio, in een brief aan den koning van Spanje,
+Filips II, in 1574 geschreven, verhaalt dat hij de monumenten van Copan als bouwvallen aantrof, maar dat zij hem toeschenen
+ver verheven te zijn boven gebouwen van gelijksoortigen aard, die door de inwoners dezer streken waren gesticht.
+
+</p>
+<p id="d0e1137">&#8220;De onder de Indianen aangenomen overlevering, zoo zegt hij, schrijft de stichting dezer monumenten toe aan emigranten uit
+Yucatan&#8221;; en Palacio is mede van die meening, daartoe gebracht door de overeenkomst in stijl tusschen deze monumenten en die
+welke men in Yucatan en Tabasco aantreft.
+
+</p>
+<p id="d0e1139">Wij zien dus te Copan de laatste voortbrengselen van eene oude kunst en hare vermenging met eene andere, niet minder oude
+kunst. Misschien zou deze samenvloeiing tot hooger ontwikkeling hebben geleid en zou de amerikaansche beschaving en de amerikaansche
+kunst, aan haar eigen historische ontvouwing overgelaten, zich gaandeweg aan de windselen der barbaarschheid, waarin zij nog
+gevangen lag, hebben ontworteld. Maar de ontdekkingstocht van Columbus en de verschijning der Spanjaarden maakten aan die
+ontwikkeling een einde en vernietigden de oorspronkelijke beschaving van het indiaansche ras, om er iets voor in de plaats
+te stellen dat nooit meer was en is dan eene karikatuur der europeesche beschaving.
+
+
+</p><a id="d0e1141"></a><h1>XIII</h1>
+<p id="d0e1144">Van Copan naar Oaxaca is een lange reis, waarvoor wij twee maanden noodig hebben. De beschikbare ruimte ontbreekt ons, om
+dezen langen <span class="pageno"><a id="d0e1146"></a>Bladzijde 307</span>en vermoeienden tocht, dwars over de groote keten der Cordillera, in bijzonderheden te beschrijven. De weg voerde ons meermalen
+door wonderschoone indrukwekkende wouden, door prachtige landschappen, maar hij was vermoeiend in de hoogste mate: nu eens
+gingen wij, zwoegend en hijgend, te voet, dan reden wij te paard, somwijlen zelfs moesten wij door menschen gedragen worden;
+zonder de vriendelijke hulp van de pastoors in het gebergte, zou het ons moeite genoeg gekost hebben, de plaats onzer bestemming
+te bereiken. Eindelijk, eindelijk bereikten wij de vallei van Oaxaca en kwamen in de stad van denzelfden naam: menschen en
+beesten waren ter dood vermoeid en uitgeput.
+
+</p>
+<p id="d0e1148">Om naar Mitla te gaan, keeren wij op onze schreden terug en begeven ons naar Santa-Lucia, beroemd om zijne hanengevechten.
+Twee mijlen verder ligt, verscholen onder het dichte lommer van goyaven, cherimoias en granaatboomen, het aardige, bevallige
+dorp Santa-Maria del Tule. De reusachtige boom, Sabino genaamd, die het pleintje van eene kleine kapel overschaduwt, is door
+de gansche republiek bekend; van verre gezien, gelijkt de omvangrijke kruin een klein bosch; van nabij wekt de oude boom onwederstaanbaar
+onze bewondering door zijn geweldigen omvang en zijne onuitputtelijke levenskracht.
+
+</p>
+<p id="d0e1150">Op het dikste punt heeft de stam een omtrek van veertien schreden of ongeveer dertien el; tot op twintig voeten boven den
+grond behoudt hij bijna dezelfde afmeting. Daar splitst zich de reusachtige stam, en zijne machtige takken, in omvang gelijk
+aan honderdjarige eiken, verspreiden tot op honderd voeten afstands hunne verkwikkende schaduw. Hij is niet zoo hoog, als
+zijn geweldige omvang eigenlijk zou vorderen: ik reken dat hij niet hooger is dan negentig voet.
+
+</p>
+<p id="d0e1152">De Indianen bewaken den eerwaardigen boom met angstvallige zorg, opdat geen profane hand hem schende. Zij koesteren jegens
+den Sabino eene bijgeloovige vereering; niemand mag hem bezoeken dan onder hun geleide; elken dag reinigen zij den grond rondom
+den voet des booms; en zij zouden nooit toelaten, dat iemand een takje of twijgje afbrak. Sommige reizigers verklaren dit
+wonder van het plantenrijk door de vereeniging van drie verschillende stammen, die saamgegroeid zouden zijn. Wij hebben den
+boom nauwkeurig onderzocht, en niets dan een enkelen stam kunnen ontdekken, die, naar het zich laat aanzien, nog eeuwen kan
+leven.
+
+</p>
+<p id="d0e1154">Naar het oosten versmalt zich de vallei: de weg loopt door Tlacolula, en voert langs de heuvelen, aan wier voet ge in de steengroeven
+nog blokken ziet, door de oude bouwmeesters van Mitla ten deele bewerkt. Rechts afslaande, zouden wij te San-Dionysio komen,
+het laatste dorp der vlakte; maar wij slaan links af, waar in eene bijna onbebouwde vallei, door naakte bergen omgeven, de
+ru&iuml;nen der paleizen van Mitla onze aandacht vragen. Er waait hier onophoudelijk een sterke wind, die alles doet uitdrogen;
+er groeit hier bijna niets dan de zoogenaamde <i>pitayoles</i>, die dichte hagen vormen en waarvan de vrucht zeer lekker smaakt, ongeveer als de aardbei.
+
+</p>
+<p id="d0e1159">De ru&iuml;nen van Mitla, die ten tijde van de verovering eene aanzienlijke ruimte besloegen, bestaan nu slechts uit overblijfselen
+van zes paleizen en drie pyramiden. De pastorie is het eerste gebouw ten noorden, op de helling van den heuvel. Het is eene
+ordelooze samenvoeging van binnenplaatsen en gebouwen, waarvan sommige wanden met moza&iuml;eken in relief zijn versierd. Onder
+de uitspringende lijsten vindt men sporen van zeer onbeholpen schilderwerk, waarbij zelfs de eenvoudige rechte lijn niet in
+acht is genomen: het zijn zeer ruwe, barbaarsche figuren van goden, benevens lijnen die elkander kruisen, maar waarvan de
+beteekenis ons ten eenemale ontgaat. Men vindt diezelfde uiterst onbeholpen muurschilderingen in elk paleis, waar zij op eene
+of andere wijze tegen den invloed van de lucht en het weder beschut waren.
+
+</p>
+<p id="d0e1161">De kerk van het dorp, die aan dit gebouw grenst, is geheel opgetrokken met de bouwstoffen van de oude paleizen.
+
+</p>
+<p id="d0e1163">Lager, ter linkerzijde, ziet men eene geknotte pyramide, van indiaanschen oorsprong, waarop eene moderne kapel is gebouwd.
+De pyramide is voorzien van een steenen trap. De Spanjaarden zorgden er voor, dat er geen spoor meer te vinden is van den
+tempel, die weleer op het plat moet hebben gestaan. Het groote paleis, dat nog in zijn geheel is en waaraan alleen het dak
+ontbreekt, bestaat uit een groot laag gebouw, waarvan de voornaamste, naar het zuiden gekeerde gevel het schoonste en belangrijkste,
+en tevens het best geconserveerde der monumenten van Mitla is. Deze gevel heeft eene breedte van veertig meters; daarachter
+bevindt zich eene zaal van gelijke breedte, waarvan de zoldering gedragen werd door zes monolithpijlers van ongeveer veertien
+voet hoogte. Drie breede en lage deuren geven toegang tot deze zaal, waarvan de vloer bedekt was met eene dikke laag cement.
+Rechts voert eene donkere smalle gang naar eene eveneens bepleisterde binnenplaats, waarvan de muren, evenals de voorgevel
+van het paleis, met moza&iuml;ekpaneelen en figuren in steenen lijsten zijn versierd. Deze binnenplaats is vierkant; op haar komen
+vier lange en smalle kamers uit, die van onder tot boven met moza&iuml;eken en relief zijn bedekt. De posten der deuren zijn geweldige
+steenblokken, die een omvang hebben van vijf of zes meter.
+
+</p>
+<p id="d0e1165">Het tweede en het derde paleis hebben zeer sterk geleden. Van het tweede is alleen de poort met haar gebeeldhouwde post staande
+gebleven, benevens twee pijlers in de hal. Van het vierde paleis is vooral de zuidelijke gevel zeer goed bewaard gebleven.
+Maar zuidwestwaarts bevinden zich nog vier andere paleizen, die half gesloopt en onder den grond begraven zijn, waarboven
+de muren nog slechts ter hoogte van drie of vier voet uitsteken. De Indianen hebben tusschen deze ru&iuml;nen en op de binnenplaatsen
+hunne woningen gevestigd.
+
+</p>
+<p id="d0e1167">De bouwmaterialen van deze monumenten zijn zeer eenvoudig: zij zijn opgetrokken uit aarde, met groote keien vermengd en met
+eene soort van steenen <span class="pageno"><a id="d0e1169"></a>Bladzijde 308</span>tegels bekleed. Onder de ru&iuml;nen strekken zich kelders uit; zij werden reeds eenmaal geopend, maar de vijandige houding der
+Indianen noodzaakte den toegang weder te sluiten, eer men de kelders had kunnen onderzoeken en zien wat zij bevatten.
+
+</p>
+<p id="d0e1171">Wij weten niet met juistheid uit welken tijd de monumenten van Mitla dagteekenen, maar zij kunnen kwalijk ouder zijn dan die,
+waarvan wij reeds gesproken hebben. Hun ondergang dagteekent echter reeds van vroeger tijd: Orozco y Berra verzekert dat zij
+verwoest werden door Ahuizotl, dat is dus tusschen de jaren 1490 en 1500; overigens valt de verwantschap tusschen deze gebouwen
+en de tolteeksche of mexikaansche monumenten niet te miskennen. Mitla was eene beroemde heilige plaats en de begraafplaats
+der koningen van Teotzapotlan. Toen de gebouwen nog ongeschonden waren, bevatten zij vier gebeeldhouwde kompartimenten boven
+den grond, waarmede vier andere lokalen onder den grond overeen kwamen.
+
+</p>
+<p id="d0e1173">Een der eerstgenoemde vertrekken was bestemd voor de woning van den opperpriester; een ander voor de huisvesting der priesters;
+het derde vertrek was voor den koning, als hij te Mitla kwam; het vierde eindelijk voor de heeren, die het heiligdom bezochten.
+De woning van den opperpriester was rijker versierd dan de andere vertrekken, want zij bevatte een troonzetel met een kussen
+en een rugleuning, beiden met tijgervel bekleed. De dekoratie der andere kamers bestond uit fijne beschilderde matten, gelooide
+huiden en stoffen om zich gedurende den slaap te dekken.
+
+</p>
+<p id="d0e1175">Van de onderaardsche kamers diende het middelste als heiligdom; de afgodsbeelden waren op eene groote zerk geplaatst, die
+het altaar verving; het tweede was de begraafplaats der opperpriesters; in het derde werden de koningen begraven. Het vierde,
+dat naar men zegt zeer groot was, werd gedragen door rijen pijlers, even als de groote zaal boven den grond; de toegang tot
+dit vertrek werd met eene groote zerk gesloten. Daar, in dezen ruimen kelder, wierp men de lijken der slachtoffers en der
+in den oorlog gevallen krijgsbevelhebbers. Sommige vrome boetelingen vroegen, als eene gunst, vergunning om op deze heilige
+plaats te mogen sterven; was dit verzoek toegestaan, dan geleidden de priesters deze vrijwillige slachtoffers naar den ingang
+van den kelder, wentelden de zerk af, zeiden den martelaars vaarwel en sloten den ingang weder, zoodat de ongelukkigen levend
+begraven werden.
+
+</p>
+<p id="d0e1177"></p>
+<div id="d0e1178" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-308-1.jpg" alt="Altaar te Copan (voorzijde) (Blz. 306.)"></p>
+<p class="figureHead">Altaar te Copan (voorzijde) (<a id="d0e1181" href="#d0e1122">Blz. 306</a>.)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1185">De opperpriester, die den titel voerde van Huiyatoo (de groote schildwacht, hij die alles ziet), was met onbeperkte macht
+bekleed en stond boven den koning, die hem vreesde en eerbiedigde; de lieden uit het volk konden zijn aangezicht niet aanschouwen,
+zonder hunne vermetelheid met den dood te bekoopen. Als eenige middelaar tusschen de goden en de menschen, was hij ook de
+eenige uitdeeler van gaven en voorrechten: iets als de groote lama in onzen tijd.
+
+</p>
+<p id="d0e1187">Burgoa, aan wien wij deze bijzonderheden ontleenen, schijnt de ru&iuml;nen van Mitla niet bezocht te hebben: althans hij spreekt
+in zijne beschrijving slechts van een paleis, terwijl er in zijn tijd nog acht bestonden. Maar zeker is het te verwonderen,
+dat de mexikaansche regeering, in het bezit van zoo uitvoerige en nauwkeurige gegevens, geene opgravingen heeft laten doen
+in de paleizen van Mitla. Men zou daar eene onuitputtelijke mijn kunnen vinden van de belangrijkste zaken: afgodsbeelden,
+sieraden, aardewerk en wat niet meer. Men bedenke slechts dat daar de koningen begraven werden, bekleed met hunne prachtigste
+kleederen, het lichaam versierd met vederen, halskettingen van goud en edelgesteenten en andere sieraden; in de linkerhand
+hielden zij hun schild, in de rechter hun staf. Misschien zelfs zou men er handschriften vinden, die tegenwoordig zoo uiterst
+zeldzaam zijn.
+
+</p>
+<p id="d0e1189"></p>
+<div id="d0e1190" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-308-2.jpg" alt="Altaar te Copan (achterzijde). (Blz. 306.)"></p>
+<p class="figureHead">Altaar te Copan (achterzijde). (<a id="d0e1193" href="#d0e1122">Blz. 306</a>.)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1197">
+
+</p>
+<p id="d0e1199">Tot dusver de heer Charnay, wiens reisverhaal, onderdeel van een uitgebreid werk, hier afbreekt. Naar wij vertrouwen, zal
+het onzen lezers, tot recht verstand en toelichting van het voorafgaande, niet onwelkom zijn, een beknopt samenvattend overzicht
+van de overblijfselen en monumenten eener vroegere beschaving, bepaaldelijk in Centraal-Amerika, te ontvangen. Het betreft
+hier een veld van studie, dat bij ons nog weinig bekend en bearbeid is, en waarvan toch het hooge belang voor de algemeene
+kultuurgeschiedenis niet te miskennen valt.
+
+</p>
+<p id="d0e1201">De amerikaansche antiquiteiten, de monumenten <span class="pageno"><a id="d0e1203"></a>Bladzijde 310</span>van de eigenaardige beschaving der oorspronkelijk amerikaansche volken, behooren deels tot een voorhistorischen tijd, deels
+tot den tijd der Tolteken en hunner opvolgers de Azteken, aanvangende omstreeks de zevende eeuw onzer jaartelling; of wel
+tot het rijk der Inka's in Peru, uit de dertiende eeuw. Zij worden in drie hoofdgroepen verdeeld, die zoowel geografisch als
+historisch gescheiden zijn: namelijk, in noord-amerikaansche, centraal-amerikaansche en zuid-amerikaansche antiquiteiten.
+Van de eersten en de laatsten kunnen wij nu niet spreken: slechts zij hier opgemerkt, dat de noord-amerikaansche antiquiteiten,
+die weder in drie groepen worden gesplitst en bijna het geheele gebied der Vereenigde-Staten omvatten, een veel lageren trap
+van beschaving aanduiden, dan die van Zuid- en vooral van Centraal-Amerika. Dit neemt echter niet weg, dat ook de in Noord-Amerika,
+met name in het stroomgebied van den Mississippi gevonden overblijfselen van gebouwen en voorwerpen van kunstnijverheid de
+onwedersprekelijke bewijzen zijn voor eene vrij wat hoogere beschaving, dan waarop later, bij de aanraking met de Europeanen,
+de indiaansche stammen van Noord-Amerika stonden.
+
+</p>
+<p id="d0e1205"></p>
+<div id="d0e1206" class="divFigure">
+<p class="legend"><img src="img/p1886-309.jpg" alt="Boom te Santa-Maria del Tule. (Blz. 307.)"></p>
+<p class="figureHead">Boom te Santa-Maria del Tule. (<a id="d0e1209" href="#d0e1146">Blz. 307</a>.)
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p id="d0e1213">De belangrijkste overblijfselen van de oud-amerikaansche beschaving bezitten, buiten kijf, de hooglanden van Centraal-Amerika,
+Mexiko, Guatemala en Yucatan. Met name zijn het de gewrochten van bouw- en beeldhouwkunst, die hier deels als op zich zelven
+staande monumenten in de nabijheid van nog bewoonde plaatsen, deels tot groepen vereenigd als overblijfselen en ru&iuml;nen van
+voormalige steden, de aandacht tot zich trekken. Hoewel zij in het algemeen en in hoofdzaak hetzelfde karakter eener zeer
+eenvoudige kunst vertoonen, kunnen zij toch in twee afdeelingen worden onderscheiden, die elk tot eene andere kunstperiode
+behooren. Tot de oudere en tevens hooger ontwikkelde periode behooren de monumenten in Oaxaca, Guatemala en Yucatan, die van
+tolteekschen oorsprong zijn; tot de jongere azteeksche periode behooren de monumenten, die men in Mexiko en in het algemeen
+binnen de grenzen van het oude rijk der Azteken vindt. Eene meer nauwkeurige splitsing naar nationaliteit en tijdvakken is
+nog aan vele twijfelingen en bezwaren onderhevig.
+
+</p>
+<p id="d0e1215">Sedert Antonio del Rio in 1787, op last van den gouverneur van Guatemala, de ru&iuml;nen van Palenque bezocht, maar vooral sedert
+zijn verslag, in 1822, in eene engelsche en eene fransche vertaling het licht zag, hebben vele andere reizigers en geleerden
+de monumenten dezer landstreek onderzocht en in beeld en schrift meer algemeen bekend gemaakt. In Mexiko zijn de voornaamste
+overblijfselen ru&iuml;nen van tempels en van vestingwerken: welke groepen van bouwwerken echter meermalen samenvallen, in zoo
+verre de tempels ook zelven vestingen waren. Zij onderscheiden zich vooral door hun massieven bouw, maar getuigen tevens van
+smaak en van eene vrij hoog ontwikkelde kunst. De voornaamste tempel van Mexiko lag in het midden der stad en was zoo groot,
+dat hij, volgens Cortez, ruimte aanbood voor vijfhonderd paarden. Hij vormde eene pyramide van vijf verdiepingen, acht-en-dertig
+meter hoog, met een basis van vijf-en-negentig meter, en twee torens. Pyramiden van meer of minder merkwaardigen bouw vindt
+men op een aantal andere plaatsen; ru&iuml;nen van oude steden vindt men bij Tula, de oude Toltekenstad, bij Papantla in Vera-Cruz,
+bij Mopilca in dezelfde provincie, bij Palenque, bij Ocosingo en elders.
+
+</p>
+<p id="d0e1217">Grondvorm van de geheele architektuur in Centraal-Amerika is de pyramide, die voornamelijk in godsdienstige monumenten, minder
+duidelijk in eigenlijke tempels en nog minder in paleizen, aan het licht treedt. De teokalli's (godshuizen), die men onder
+zeker opzicht reusachtige altaren zou kunnen noemen, zijn altijd vierzijdige, nauwkeurig naar de windstreken geori&euml;nteerde,
+van boven afgeknotte pyramiden, waarop zeer dikwijls nog kapellen of andere gebouwen verrezen. Hare wanden stijgen soms in
+onafgebroken helling naar boven; maar meestal verheffen zij zich in verschillende, hoogstens acht, verdiepingen, die of wel
+afzonderlijke terrassen vormen, of alleen door omloopende, meestal versierde galerijen aangewezen worden. Naar het plat voeren
+breede en steile trappen, die meest aan eene, soms ook aan twee of meer zijden zijn aangebracht; enkele malen zijn ook de
+verschillende terrassen of verdiepingen door trappen onderling verbonden. Rondom de teokalli's lagen de woningen der priesters,
+benevens andere lokalen voor de dienst der goden bestemd. Doch ook bij andere gebouwen dan de teokalli's vinden wij den pyramiden
+vorm terug, en wel door het regelmatig afnemen der grootte van de verschillende verdiepingen.
+
+</p>
+<p id="d0e1219">De architektuur der Mexikanen getuigt niet van eene hooge kunstontwikkeling, maar kenmerkt zich door strenge consequentie
+in den stijl; alle details en onderverdeelingen zijn naar de eenvoudigste beginselen en regelen ontworpen. Voor de versiering
+der wandoppervlakten gebruikte men rechtlijnige, maar vaak zeer samengestelde vakken of kassetten, voorts golvende lijnen,
+zigzags en dergelijke figuren. In hun geheel genomen, vertoonen de op den vlakken grond, of op gewone terrassen, of ook wel
+op het plat der teokalli's geplaatste gebouwen, de gedaante van eenvoudige, vierkante steenklompen, met rechtlijnig overdekte
+portalen, en eenvoudige pijlers, waarboven zich dikwijls een rijk versierde, dikwijls overladen, geweldig groote fries&#8212;door
+Charnay dekoratiemuur genoemd&#8212;verheft. Het dak is horizontaal of bestaat ook wel uit een soort van gewelf, dat door trapsgewijze
+over elkander liggende zerken wordt gevormd. Deze wijze van bedekking en het gemis van eigenlijke zuilen maken het aanleggen
+van groote zalen of hallen onmogelijk.
+
+</p>
+<p id="d0e1221">De meeste gebouwen zijn met beeldwerken versierd, hetzij reli&euml;fs, hetzij standbeelden in eigenlijken zin. Deze beeldwerken,
+die blijkbaar van verschillende volken en uit verschillende tijden afkomstig zijn, getuigen zoowel van onbeholpenheid als
+van barbaarschen wansmaak in de zonderlinge <span class="pageno"><a id="d0e1223"></a>Bladzijde 311</span>overlading. Bij vergelijking met egyptische, assyrische, indische of oud-grieksche beeldwerken, staan de monumenten der amerikaansche
+skulptuur op een zeer lagen trap. Niet alleen dat alle individualiteit en uitdrukking aan de beelden ontbreekt, maar de navolging
+der natuur is zoo gebrekkig, dat de meeste figuren iets monsterachtigs hebben. Somwijlen doen zij ons denken aan de wanstaltige
+afgodsbeelden van de bewoners der Zuidzee-eilanden. In hoeverre deze hoogst gebrekkige, onbeholpen kunst de kiem van hoogere
+ontwikkeling in zich bevatte, kunnen wij in het midden laten. Eene geschiedenis der amerikaansche kunst is zeker nog niet
+te schrijven.
+
+</p>
+<p id="d0e1225">In Centraal-Amerika zijn vooral Honduras en Yucatan rijk aan antiquiteiten en ru&iuml;nen. In den eerstgenoemden staat zijn de
+beroemdste ru&iuml;nen die van Copan; in Yucatan kent men reeds meer dan vijftig ru&iuml;nen, die door haar omvang en deels ook door
+haar pracht de bewondering wekken. De paleizen bestaan dikwijls uit verschillende gebouwen boven elkander; kolossale trappen
+voeren van het eene terras naar het andere; ter wederzijde zijn die trappen met slangen versierd, wier kop den grond aanraakt,
+terwijl het reuzenlijf zich naar boven kronkelt. Terwijl de monumenten uit lateren tijd met versieringen overladen zijn, kenmerken
+zich de oudste gedenkteekenen door eenvoud, ernst en soliditeit; zoo als, bij voorbeeld, de pyramidale tempel van Palenque
+in Guatemala, waarvan de voorgevel met figuren en opschriften is versierd, terwijl van binnen mythologische beeldwerken en
+bas-reliefs de wanden bedekken.
+
+</p>
+<p id="d0e1227">Ook elders in Centraal-Amerika heeft men merkwaardige overblijfselen eener vroegere beschaving gevonden; zoo in Costa-Rica,
+waar massieve sieradi&euml;n van goud, kleine godenbeelden van brons, goud en koper, en bevallig vaatwerk nog getuigen van de aanwezigheid
+eener hooger beschaafde bevolking dan de Indianen; voorts aan de Mosquitokust en vooral in Nicaragua, waar de eilanden in
+de meren nog belangrijke ru&iuml;nen bevatten, die nog maar voor een deel onderzocht zijn.
+
+</p>
+<p id="d0e1229">De Tolteken, van wie in het reisverhaal van Charnay bij herhaling gesproken wordt, zijn een amerikaansche volksstam, die vermoedelijk
+in de vijfde of zesde eeuw onzer jaartelling, van een meer noordelijk gelegen land, Huehuetlapallan genoemd, naar Anahuac
+verhuisden en daar omstreeks het midden der zevende eeuw de stad Tollan (Tula) stichtten. Door verovering en vreedzame overeenkomsten
+breidden de Tolteken allengs hun gebied uit en bereikten een betrekkelijk vrij hoogen trap van beschaving. Omstreeks de elfde
+of twaalfde eeuw onzer jaartelling stond het rijk der Tolteken op het toppunt van bloei en macht; door ongelukkige oorlogen
+en andere rampen geraakte het allengs in verval. Tegen het midden der twaalfde eeuw werden de Tolteken uit een deel hunner
+woonplaatsen verdrongen door de Chichimeken, die anderhalve eeuw later gevolgd werden door het krijgshaftige volk der Azteken,
+die in 1325 de stad Tenochtitlan (Mexiko) stichtten en allengs meester werden van het geheele land. De nieuwe veroveraars
+namen ook hier de beschaving en kunst hunner hooger ontwikkelde voorgangers, de Tolteken, over; deze laatsten weken allengs
+naar zuidelijker streken, met name naar Yucatan, waar zij gaandeweg met de inheemsche stammen samensmolten of uitstierven.
+
+
+</p>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Reis naar Yucatan, by Desire Charnay
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIS NAAR YUCATAN ***
+
+***** This file should be named 13346-h.htm or 13346-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/3/3/4/13346/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>