diff options
Diffstat (limited to '13346-h/13346-h.htm')
| -rw-r--r-- | 13346-h/13346-h.htm | 3402 |
1 files changed, 3402 insertions, 0 deletions
diff --git a/13346-h/13346-h.htm b/13346-h/13346-h.htm new file mode 100644 index 0000000..2e71420 --- /dev/null +++ b/13346-h/13346-h.htm @@ -0,0 +1,3402 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --><html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=UTF-8"> + +<title>Reis naar Yucatan</title> +<link href="style/gutenberg.css" rel="stylesheet" type="text/css"> +<link href="style/arctic.css" rel="stylesheet" type="text/css"> +<link href="style/print.css" rel="stylesheet" type="text/css" media="print"> +<link rel="schema.DC" href="http://purl.org/DC/elements/1.0/"> +<meta name="author" content="Désiré Charnay (1828–1915)"> +<meta name="DC.Creator" content="Désiré Charnay (1828–1915)"> +<meta name="DC.Title" content="Reis naar Yucatan"> +<meta name="DC.Date" content="### August 2004"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Reis naar Yucatan, by Desire Charnay + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Reis naar Yucatan + "De Aarde en haar Volken," jaargang 1886 + +Author: Desire Charnay + +Release Date: September 1, 2004 [EBook #13346] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIS NAAR YUCATAN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team + + + + + +</pre> + +<span class="pageno"><a id="d0e63"></a>Bladzijde 17</span><a id="d0e64"></a><h1>Reis naar Yucatan</h1><a id="d0e67"></a><p id="d0e68"></p> +<div id="d0e69" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-017.jpg" alt="Het stadhuis te Merida."></p> +<p class="figureHead">Het stadhuis te Merida.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e73">Bij allen, die zich bezig houden met de zoo belangwekkende studie van de amerikaansche oudheid, dat wil zeggen met de studie +der beschaving en der geschiedenis van Amerika vóór de ontdekking door Columbus en de verovering door de Spanjaarden en andere +europeesche mogendheden,—bij die allen is de naam van den heer Désiré Charnay geen onbekende. Hij gaf ons belangrijke studiën +over het oude Mexico en andere landen van Centraal-Amerika, die hij zelf bereisde, voornamelijk met het doel om de nog overgebleven +sporen en gedenkteekenen eener ondergegane beschaving te leeren kennen, en daarmede winst te doen voor de oplossing van zoo +menig gewichtig vraagstuk op ethnografisch gebied. De lezers van <i>De Aarde</i> brachten wij nog niet met den arbeid van den heer Charnay in kennis: wij willen dit thans doen, door hem te vergezellen op +zijne reis naar het schiereiland Yucatan, niet een der minst belangrijke landstreken van Centraal-Amerika. + + +</p><a id="d0e78"></a><h1>I</h1> +<p id="d0e81">Den 1<sup>sten</sup> December 1881 wierp de boot het anker uit op de reede van het dorp Progreso, de tegenwoordige haven van het schiereiland. +Er woei een vrij harde noordenwind, en als trouwens alle groote stoomschepen, moesten wij het anker uitwerpen op vier à vijf +mijlen afstands van den wal, dien wij ter nauwernood konden zien: de kleine gebouwen van Progreso krompen op dien afstand +tot mikroskopische huisjes samen. Deze kust met hare ondiepten en zandbanken staat sinds lang ter kwader naam; evenmin als +wij, konden de eerste spaansche ontdekkers haar van nabij naderen. Bij ruw weer is de ontscheping zeer gevaarlijk; maar de +bootslieden zijn zoo voor hunne taak berekend, dat zij ons zonder eenig letsel, uitgenomen een aanval van zeeziekte, aan den +kleinen houten havendam brengen. + +</p> +<p id="d0e86">Yucatan is een groot schiereiland, waarvan de vorming nog niet voltooid is. Het noordelijk gedeelte, waar de kalkachtige bodem +nog maar met eene dunne laag teelaarde is bedekt, is eene dorre kale vlakte; in het midden wordt de grond, sinds langer gevormd, +vruchtbaarder en minder vlak; in het zuiden eindelijk verheffen zich vrij hooge heuvels, die in verband staan met de vertakkingen +van de sierra Madre, welke zich door geheel Centraal-Amerika uitstrekt. Het schiereiland, dat noch rivieren, noch stroomende +wateren heeft, strekt zich van het zuiden naar het noorden in de golf <span class="pageno"><a id="d0e88"></a>Bladzijde 18</span>van Mexico uit, tusschen den achtsten en den twaalfden graad oosterlengte van Mexico, en den achttienden en den twee-en-twintigsten +graad noorderbreedte. + +</p> +<p id="d0e90">De eerste berichten omtrent Yucatan, of althans omtrent zijne bewoners, zijn afkomstig van Columbus zelven, die op den 30<sup>sten</sup> Juli 1502, toen hij op het Pijnboomeneiland, ten zuiden van de noordwestpunt van Cuba, vertoefde, van den kant van het westen +eene groote boot zag naderen, uit een enkelen boomstam gehouwen, bemand met vier-en-twintig roeiers en voerende een cacique +(opperhoofd, vorst) met zijne familie. Verder wordt verhaald, dat deze lieden het sedert bekend geworden yucatansche kostuum +droegen, en dat er zich aan boord van de boot, hetzij ten gebruik van de reizigers, hetzij om daarmede handel te drijven, +koeken of brooden van maïs bevonden, benevens verschillende dranken uit maïs bereid; voorts cacao, groote houten zwaarden +met sneden van obsidiaan, koperen bijlen en katoenen stoffen, zoo zacht als zijde en met levendige verwen gekleurd. + +</p> +<p id="d0e95">Ik twijfel er zeer aan of wij in dit verhaal werkelijk met Yucateken of Mayas te doen hebben. Die groote, acht voet breede +boot, uit een enkelen boomstam gehouwen, kan niet uit Yucatan afkomstig zijn, een bij uitnemendheid droog en, althans in zijn +noordelijk gedeelte, tamelijk dor en kaal land. Bovendien kan men niet aannemen dat de Mayas, die een rotsachtig, vlak en +droog land bewoonden, waar geen rivieren zijn, ervaren zeelieden waren; koperen bijlen waren er bij hen wel niet veel te vinden, +evenmin als obsidiaan; eerst op hunne tweede reis, onder Gryalva, vonden de Spanjaarden zulke bijlen in Tabasco. + +</p> +<p id="d0e97">Het komt mij dus waarschijnlijk voor, dat de boot, waarvan Columbus spreekt, van Tabasco kwam: eene landstreek, toen niet +minder beschaafd dan Yucatan, maar bovendien doorsneden door groote rivieren en bedekt met een weelderigen plantengroei, waar +de inboorlingen te kiezen hadden tusschen ceders en andere woudreuzen om de groote kano's te vervaardigen, waarvan het verhaal +melding maakt. Deze inboorlingen gingen evenals de Mayas gekleed; maar de voorraad cacao vooral pleit ten voordeele van mijne +onderstelling, want de cacao is in Yucatan niet inheemsch, maar was en is nog steeds een der voornaamste voortbrengselen van +Tabasco. + +</p> +<p id="d0e99">Wat mij het meeste verwondert in dit verhaal, is dat Columbus, bij de voor hem zoo geheel onverwachte verschijning van die +groote sloep met hare beschaafde bemanning, niet op de gedachte is gekomen om deze zeevaarders te volgen, ten einde te zien +van waar zij kwamen: hadde hij dit gedaan, dan zou hij ook de eerste zijn geweest die de beschaafde landen van Amerika had +ontdekt. + +</p> +<p id="d0e101">De eer der ontdekking van het schiereiland behoort nu aan Vincente Yanez Pinzon, die in gezelschap van Juan Diaz Solis in +1506 langs de oostkust van Yucatan voer, maar zonder haar te verkennen. In 1511 eindelijk leed Valdivia, die met twintig Spanjaarden +van Darien kwam en naar Cuba ging, schipbreuk op de riffen, bekend onder den naam van de Alacranes. De bemanning, in eene +sloep saamgepakt, werd, na eene omzwerving van dertien dagen, door den stroom op eene onbekende kust geworpen. Dat was de +kust van Yucatan; de schipbreukelingen, wier aantal door dorst en honger tot dertien geslonken was, bevonden zich aan de oostelijke +punt van het schiereiland, bij kaap Catoche. Zij werden door de inboorlingen gevangen genomen en bestemd om geofferd en gegeten +te worden; allen ondergingen dat lot, met uitzondering van twee, Geronimo de Aguilar en Gonzalo Guerrero, van wie wij nog +nader spreken zullen. Deze ontdekking was dus bloot toevallig; opzettelijke ontdekkingstochten werden eerst eenige jaren later +ondernomen. + +</p> +<p id="d0e103">In 1517 doet Cordova een verkenningstocht langs het noordoosten van het schiereiland; hij volgt de kust van het oosten naar +het westen en bespeurt verschillende groote steden en hooge pyramiden; hij gaat te Campêche aan land, waar hij tempels vindt +aan Kukulcan, den god Quetzalcoatl der Tolteken, gewijd; op de muren van die tempels zag hij groote slangen in relief uitgehouwen, +gelijk aan die waarmede de buitenmuur van den grooten tempel te Mexico prijkte. Door gebrek aan water gedrongen, landde Cordova +aan de westkust, te Potonchan, thans Champoton, waar hij, in een gevecht met de Indianen, zeven-en-vijftig zijner manschappen +verloor, terwijl geen enkele van zijn volk ongekwetst bleef. Ook later vond Cortez nergens zoo hardnekkigen tegenstand en +zoo geduchte vijanden; want in de gevechten, die hij vijftien dagen lang tegen de Tlascalteken, de moedigsten onder alle indiaansche +stammen der hoogvlakten, moest leveren, verloor hij niet meer dan drie man. + +</p> +<p id="d0e105">In 1518 landt Gryalva te Cozumel, op de oostkust van Yucatan; vandaar verkent hij eene groote stad aan de kust, Tuloom, Pamal +of Paalmul; vervolgens richt hij zich noordwaarts en vaart, als zijn voorganger, langs de kust van het schiereiland. Ook hij +houdt te Campêche en Potonchan op, gaat Tabasco verkennen en dringt door tot de eilanden Sacrificios en Ulua, vlak tegenover +de plek, waar later Vera-Cruz zou verrijzen. + +</p> +<p id="d0e107">In 1519 volgt Cortez denzelfden weg; maar gelukkiger dan zijne beide voorgangers, vindt hij in Yucatan Aguilar, die hem als +tolk zal dienen, en op de kust van Tabasco ontvangt hij, uit handen van een cacique, Marina, het indiaansche meisje, die als +het ware de beschermengel werd van zijne expeditie. + +</p> +<p id="d0e109">Het zonderlingste is dat de Spanjaarden nooit den waren naam hebben geweten van het land, dat zij veroverd hadden. De naam +Yucatan zou, naar sommigen zeggen, zijn afgeleid van de woorden <i>Chac-Nuitan</i> (wij begrijpen niet), waarmede de inboorlingen antwoordden op de vraag der Spanjaarden naar den naam van hun land. Anderen +verklaren dien naam weer op andere wijze en wagen de wonderlijkste gissingen, die elkander lijnrecht tegenspreken. Trouwens +dit behoeft ons niet te verwonderen, als wij bedenken dat de geschiedschrijvers <span class="pageno"><a id="d0e114"></a>Bladzijde 19</span>op achttien verschillende manieren den naam schrijven van Montezuma, dien keizer met wien de Spanjaarden toch van nabij bekend +waren! Men kan zich eenigszins voorstellen met hoeveel moeite de lezing der kronieken gepaard gaat; eerst wanneer men op de +plaatsen zelve geweest is, is het mogelijk achter de waarheid te komen. Wij zullen al deze gissingen en onderstellingen laten +rusten, en beproeven of wij met behulp van de overgebleven monumenten de verborgenheden van den ouden tijd kunnen ontsluieren. +Juist hier hebben de Indianen tal van herinneringen achtergelaten. + +</p> +<p id="d0e116">Het is niet der moeite waard, zich in het dorp Progreso op te houden: het is eene verzameling van pakhuizen, winkels en ellendige +krotten, midden in het zand; de uiterst eenvoudige havendam verkeert in zeer verwaarloosden toestand. De tijd ontbreekt ons +voor verder onderzoek, want de trein, die ons naar Merida moet brengen, vertrekt ten tien uren; en de vele koffers van onze +bagage moeten nog eerst door de beambten der douane worden nagezien. Deze heeren zijn overigens zoo beleefd mogelijk: van +mijne vijf-en-twintig koffers wordt er maar een, en dat nog voor den vorm, geopend; allen beijveren zij zich om ons zoo spoedig +mogelijk te helpen. Toch is het goed, zijne bagage niet uit het oog te verliezen, want de commissionairs zijn bijzonder vlug +met andermans goed, zoo als ik later tot mijne schade ondervond. De stoomfluit gilt, en wij vertrekken. + +</p> +<p id="d0e118">Progreso is omringd door een gordel van moerassen, die een zeer treurigen aanblik opleveren; dan komen wij aan eene steenachtige +vlakte, hier en daar met struiken en onkruid begroeid. Het is een eentonig, dor landschap; maar de bewoners hebben toch dien +kalen dorren grond zeer winstgevend weten te maken. Ter wederzijde van den weg strekken zich onafzienbare <i>henequen</i>-plantages uit: eene agave met smalle en lange bladeren, waaruit zeer stevige en fraai glanzende draden vervaardigd worden, +die op de amerikaansche markten grooten aftrek vinden. Links en rechts wijzen verspreide boomgroepen de woningen van de eigenaars +der plantages aan; de hooge schoorsteenen, waaruit de rook opstijgt, zijn die van de fabrieken, waarin de bewerking van de +henequen-bladeren plaats heeft. Wij ontmoeten op onzen weg nog zeer enkele dorpen: voor de deur der langwerpige, met riet +gedekte hutten, zitten bronskleurige vrouwen met korte rokken en omgeven door talrijke groepen naakte kinderen, die den voorbij +snorrenden trein met verbaasde oogen aanstaren. + +</p> +<p id="d0e123">Na een rit van drie uren komen wij te Merida. Hotels zijn hier niet, waaruit volgt dat de verschijning van een reiziger eene +zeldzaamheid is; evenmin staan er huizen te huur, hetgeen pleit voor de welvaart der stad, want vroeger stonden er een aantal +huizen leeg. Wij loopen gevaar, onder den blooten hemel te moeten overnachten; en niet dan met veel moeite gelukt het ons, +eene kleine kamer van vijf el in het vierkant te vinden, waar wij met ons drieën moeten logeeren: mijn secretaris, mijn bediende +en ik zelf. In de geheele stad is maar een restaurant—en welk een restaurant! Maar het komt er niet op aan: het is ons om +de ruïnen en de oude monumenten te doen, en niet om een lekkere keuken. Bovendien worden wij geïntroduceerd in eene amerikaansche +club, waar wij onze avonden aangenaam kunnen doorbrengen. + +</p> +<p id="d0e125">Merida werd in 1542 gesticht door Francisco de Montejo, tijdens zijne tweede expeditie: want de veroveraar slaagde er eerst +bij deze tweede expeditie in, dit kleine dappere volk te onderwerpen en eene der merkwaardigste nationaliteiten van Amerika +te vernietigen. Hij kwam hier voor het eerst in 1527; hield Chichen gedurende twee jaren bezet, en moest zich toen, overwonnen +en uitgehongerd, terug trekken om te Mexico versterking te gaan halen. Bij zijne tweede expeditie gelukte het Montejo eindelijk, +door het verraad van een opperhoofd, vasten voet in het land te winnen. De verovering van Yucatan kostte inderdaad meer inspanning, +meer menschenlevens en meer tijd dan de verovering van geheel Mexico; en ook na dien tijd moest de overwinnaar voortdurend +op zijne hoede zijn tegen telkens dreigende opstanden van een volk, dat het vreemde juk verafschuwde en altijd gereed was +naar de wapenen te grijpen. + +</p> +<p id="d0e127">Het zou wel der moeite waard zijn, meer in bijzonderheden met deze langdurige worsteling bekend te zijn; maar oneindig belangwekkender +ware de kennis van de geschiedenis van het volk, dat ons zulke schoone monumenten heeft achtergelaten. Deze monumenten, die +tot zoo velerlei gissingen en hypothesen aanleiding hebben gegeven, zijn heden ten dage de eenige overgebleven getuigen van +die in geheimenissen gehulde beschaving. Toch ontbraken tijdens de verovering de authentieke documenten geenszins: manuscripten +op aloëpapier en op geitenvel, kaarten, afgodsbeelden, vaatwerk, nog levende traditiën en overleveringen: ziedaar bouwstoffen +genoeg, waarvan de toenmalige schrijvers gebruik hadden kunnen maken om ons eene uit de bronnen geputte geschiedenis te geven +van de oude beschaving der Mayas. Maar de Spanjaarden dachten aan geheel andere dingen; en op het voorbeeld van den bisschop +Zumarraga van Mexico, die de jaarboeken der Azteken vernietigde, verbrandde ook de bisschop Landa, van Merida, te Campêche +alle documenten, die hij kon bijeen brengen. Na dit schoone auto-da-fé zette hij zich aan het schrijven zijner geschiedenis +van Yucatan! Zeker eene zonderlinge wijze van behandeling der bronnen! + +</p> +<p id="d0e129">Ons blijft dus niets anders over dan met de meeste nauwgezetheid alle sporen en herinneringen van den vroegeren toestand uit +te vorschen en te onderzoeken, en door de studie van de monumenten en bas-reliefs, door vergelijking van deze kunstwerken +met anderen die ons bekend zijn, te trachten een beeld te ontwerpen van dat verleden, dat steeds nader bij komt, hoe meer +men het bestudeert. Men heeft meermalen aan deze monumenten eene tot in het belachelijke overdreven oudheid toegekend: inderdaad +zijn zij betrekkelijk modern, zoo als ik nader, op onzen tocht, hoop te bewijzen. +<span class="pageno"><a id="d0e131"></a>Bladzijde 20</span></p> +<p id="d0e132">Merida werd gebouwd op de plaats van het oude Ti-hoo of T-hoo, eene der grootste yucatansche steden, waarvan de overlevering +echter ter nauwernood melding maakt. Volgens het zeggen der Spanjaarden, was de stad sedert lang verlaten; uit de feiten zelven +schijnt echter te blijken dat zij nog bewoond was. Wel waren de pyramiden met struiken en distels begroeid, maar de daarop +rustende gebouwen waren, naar de verklaring van Landa, nog ongeschonden in wezen; en Francisco de Montejo kon in de stad zijn +intrek nemen met zijne troepen en het contingent der Indianen van Mani. Bovendien verhaalt de jongste geschiedschrijver van +Yucatan, de heer Eligio Ancona, van een beroemden tempel, H-Chum-Cáan genoemd, hetgeen zooveel beteekende als: het middelpunt +en de grondslag des hemels. De inwoners van T-hoo waren bijzonder gehecht aan dit hoog vereerde heiligdom; en om die bijgeloovige +vereering uit te roeien, was het, volgens Cogolludo noodig, den tempel af te breken en hem te vervangen door eene aan Sint-Antonius +gewijde kapel. + +</p> +<p id="d0e134"></p> +<div id="d0e135" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-020.jpg" alt="Het huis van don Francisco de Montejo te Merida. (Blz. 22)"></p> +<p class="figureHead">Het huis van don Francisco de Montejo te Merida. (<a id="d0e138" href="#d0e146">Blz. 22</a>) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e142">Uit deze mededeeling blijkt, dunkt mij, onwedersprekelijk dat de tempels en paleizen van Merida ook nog na de komst der Spanjaarden +bestonden en dat daarin nog dienst werd gedaan; maar deze tempels en paleizen beantwoordden gewis niet aan de overdreven beschrijving +van den abt Brasseur. Op het gebied der archeologie vooral is het zeer gevaarlijk, aan de verbeelding vrij spel te laten; +het gezond verstand is ook hier de beste gids; en zucht naar het wonderbare spant ons bij het onderzoek soms gevaarlijke strikken. +Laat mij daarvan een sprekend voorbeeld verhalen. Landa geeft ons eene beschrijving van het voornaamste gebouw, dat uit vier +vleugels bestond, rustende op pyramiden; deze vleugels omgaven eene langwerpige binnenplaats, die door hare gedaante herinnerde +aan het paleis der nonnen, dat wij te Uxmal zullen bezoeken, en door haar bouwstijl aan een der paleizen van Kabah, welke +wij eveneens zullen zien. De twee hoofdvleugels nu bevatten vijftien vertrekken van twaalf voet lengte, hetgeen te zamen honderd-tachtig +voet bedraagt; voegt men daar nu veertig voet bij voor de dikte der muren, dan krijgen wij tweehonderd-twintig voet voor het +geheele gebouw. Volgens de teekening hebben de beide terrassen, die het paleis dragen, eene meerdere oppervlakte van tachtig +voet: zijnde een totaal van driehonderd voet voor het terras, waarop het paleis was gebouwd. Deze cijfers schijnen de verbeelding +van den abt te hebben ontvlamd: de driehonderd voet worden tot drieduizend voet voor het geheele monument. Het is maar een +nul te veel, doch het maakt nog al eenig verschil! + +</p> +<p id="d0e144">De stad Merida, met de bouwstoffen der indiaansche stad opgetrokken, heeft, als alle spaansche steden in de Nieuwe-Wereld, +de gedaante van een groot dambord, gevormd door rechte straten en zuiver vierkante blokken huizen. In het midden bevindt zich +een groot plein, dat thans in een soort van square is herschapen, met eene waterlooze fontein, dorre en verschroeide bloemperken, +en jonge boompjes, in welker schaduw misschien het verre nageslacht eens zal mogen wandelen.—De eene zijde van dit plein wordt +ingenomen door het stadhuis, een groot gebouw met twee galerijen boven elkaar, en volkomen gelijkende op alle stadhuizen in +de spaansche koloniën. Daar tegenover verrijst de kathedraal, die inderdaad een monument mag worden genoemd voor eene stad, +welke thans eene bevolking telt van dertigduizend zielen, maar waarschijnlijk nog geen tienduizend inwoners had toen deze +kerk werd gesticht. Het heiligdom dagteekent toch uit de laatste jaren der zestiende eeuw, toen de kolonie nog pas in haar +opkomst was en over zeer weinig hulpmiddelen had te beschikken: de inwoners moesten waarlijk voor hunne godsdienst veel over +hebben om de zware onkosten van dit werk te kunnen bestrijden. De kerk, in 1598 voltooid, kostte vijftienhonderd-duizend francs: +eene som, die gelijk staat met omstreeks vijftien millioen, naar de tegenwoordige geldswaarde berekend.—De voorgevel wordt +ter wederzijde geflankeerd door twee sierlijke torens; het inwendige maakt een grootschen indruk: het bestaat uit drie ruime +schepen, <span class="pageno"><a id="d0e146"></a>Bladzijde 22</span>waarvan de gewelven gedragen worden door twaalf kolossale zuilen in het midden, en door twintig anderen van gelijke afmeting, +die ten deele in de muren gevat zijn. In de zijschepen bevinden zich kleine kapellen; en het geheel vertoont dien stempel +van soliediteit, die aan alle gewrochten der veroveraars eigen was. + +</p> +<p id="d0e148">Ten zuiden van het plein staat het huis van Francisco de Montejo: dit huis, het oudste van Merida, is eene kostbare herinnering +uit de eerste tijden der verovering: het werd in 1549 gebouwd. De zuilen ter wederzijde van de deur dragen twee spaansche +soldaten; aan iedere zijde van het venster der eerste verdieping staat het beeld van een gewapenden ridder, wiens voeten rusten +op een neergehurkten Indiaan. Deze voorgevel met zijn zuilen, zijn standbeelden, zijn wapenschilden, medaillons en lijsten, +is een aardig staaltje van den renaissance-stijl in Amerika; maar zoo het plan door een Spanjaard werd geteekend, werd het +werk zelf waarschijnlijk door Indianen uitgevoerd, want toen dit huis gebouwd werd, was het getal der Spanjaarden nog zeer +gering: zij waren nog een troep soldaten en avonturiers, die het allen als eene vernedering zouden hebben beschouwd, steenhouwersarbeid +te verrichten. Zij vonden trouwens bij de Indianen de werklieden, die zij noodig hadden: de Mayas, die hun land met zoo vele +merkwaardige monumenten hadden versierd, waren bekwaam genoeg om ook deze en dergelijke werken uit te voeren: nog heden staan +zij bekend als de beste metselaars van Amerika. + +</p> +<p id="d0e150">Met uitzondering van deze gebouwen, bestaat de stad uit eene verzameling van lage huizen met platte daken en getraliede vensters; +sommigen hebben, bij uitzondering, eene bovenverdieping. Van buiten trekken zij door niets de aandacht; maar inwendig zijn +zij uitnemend ingericht: groote, ruime, luchtige vertrekken komen uit op eene door moorsche galerijen omgeven binnenplaats, +die met bloemen, heesters en palmen is versierd en een recht aangenaam verblijf oplevert. + +</p> +<p id="d0e152">Alle leven en beweging trekt zich samen op en om de markt: overal elders is de stad als uitgestorven. Daar ziet men de voornaamste +winkels en handelskantoren; Spanjaarden, Indianen en mestiezen bewegen zich hier, in hunne eigenaardige kleederdrachten, onophoudelijk +heen en weder. In de naburige straten ziet men groepjes indiaansche vrouwen, op de trottoirs neergehurkt voor haar kleine +uitstallingen van vruchten en groenten. De markt zelve levert een schilderachtigen aanblik op: die schaar van vrouwen, in +haar bevallig sneeuwwit gewaad, maakt een verrassenden indruk. In lange rijen staan zij daar, de schouders ontbloot of met +een glanzend witte roboza bedekt en bieden zwijgend of met een stillen glimlach hare eenvoudige koopwaren aan. Gij ziet daar +vrouwen van allerlei leeftijd, mooien en leelijken, maar de smaakvolle kleeding geeft aan allen eene eigenaardige bekoorlijkheid. + + +</p> +<p id="d0e154"></p> +<div id="d0e155" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-021.jpg" alt="De kathedraal te Merida."></p> +<p class="figureHead">De kathedraal te Merida.</p> +</div><p> + +</p><a id="d0e159"></a><h1>II</h1> +<p id="d0e162">De Mayas zouden, naar men zegt, tot de oudste rassen behooren, hoewel men niets omtrent hun oorsprong weet; hun type en hun +taal onderscheidt hen evenzeer van de omwonende stammen als van die der hoogvlakten. De Maya is evenmin verwant aan de Otomis +van Mexico als aan de Roodhuiden van Noord-Amerika, waaruit de onhoudbaarheid blijkt van de theorie, die alle volken van geheel +Amerika als tot een en hetzelfde ras behoorende beschouwt. Men zegt dat de Mayas in het bezit waren eener oorspronkelijke +beschaving, die zich hetzij rechtstreeks, hetzij door tusschenkomst van bevriende stammen, in Guatemala, Chiapas en Yucatan +zou hebben uitgebreid; maar deze hypothese, samenhangende met de onderstelling eener hooge oudheid van deze kultuur, mist +allen deugdelijken grond. Volgens deze zelfde theorie zouden de monumenten en de ruïnen, die men in de gewesten van Centraal-Amerika +vindt, overblijfselen zijn van deze oorspronkelijke inlandsche beschaving; maar op grond van onze jongste ontdekkingen, durven +wij dit ten stelligste tegenspreken. Wij weten toch, en alle traditiën stemmen daarin overeen, dat de hier bedoelde landen, +tegen het einde der elfde en het begin der twaalfde eeuw, door de Tolteken werden veroverd en beschaafd; en wanneer wij daarbij +in aanmerking nemen, dat alle onderling overeenkomende monumenten aan hetzelfde ras moeten behooren; dat wij afdoende bewijzen +bezitten van den architektonischen zin en de technische bekwaamheid der Tolteken; dat bovendien de bouwstijl en de dekoratie +der monumenten volkomen overeen stemmen met de beschrijvingen, die de geschiedschrijvers ons gegeven hebben van de tolteeksche +tempels en paleizen op de mexicaansche hoogvlakten,—dan mogen wij met vrij veel zekerheid vaststellen, dat er in Centraal-Amerika +nooit eene andere kultuur bestaan heeft dan de tolteeksche; althans, zoo er ooit eene andere bestaan heeft, dat daarvan geen +enkel spoor is overgebleven, zoodat wij met haar geene rekening hebben te houden. + +</p> +<p id="d0e164">De Tolteken zouden dus de Mayas gemaakt hebben tot hetgeen zij waren: een onder meer dan een opzicht belangwekkend volk, dat +mede zijn deel moet hebben bijgedragen tot de schepping der kunstwerken, waaraan Yucatan zoo rijk is; dat eene zeer krachtige +nationaliteit vormde, en beter en langer tijd dan eenig ander ras aan de vreemde overheerschers weerstand bood. + +</p> +<p id="d0e166">Zoo als hij nog heden ten dage, na eene meer dan driehonderdjarige onderdrukking en vernedering is, onderscheidt de Maya zich +nog van alle indiaansche stammen. Ik vind de Mayas een mooi slag van menschen, en ik betwijfel zeer of er onder de landbouwende +klassen in Europa, naar evenredigheid, zoo veel welgebouwde menschen en zoo veel verstandige en intelligente koppen te vinden +zijn. Zij hebben een rond hoofd, zwarte oogen, een gebogen neus, een kleinen mond en welgevormde ooren, fraaie tanden, een +vooruitstekende kin en eene breede borst; hunne kleur is vrij licht bruinrood; hun haar is grof, zwart en niet krullend. + +</p> +<p id="d0e168">Hunne oude maatschappelijke organisatie schijnt te wijzen op eene vroegere verovering. Aan het hoofd der hierarchie stond +de koning; op hem <span class="pageno"><a id="d0e170"></a>Bladzijde 23</span>volgden de priesters, dan de adel, dan het volk, dan de slaven. Alle lasten en opbrengsten drukten op het volk; de grond was +gemeenschappelijk eigendom, en elke Indiaan bebouwde het hem aangewezen stuk; de wijze van bebouwing was reeds toen dezelfde +als nog tegenwoordig. Daar de rotsachtige bodem van het schiereiland geene gelegenheid aanbiedt tot ploegen, was de ploeg +onbekend, evenals de Spanjaarden, die den ploeg kenden, er toch geen gebruik van maakten. Daarbij was de grond niet enkel +steenachtig, maar bovendien met wouden bedekt; men kapte dus eenige maanden voor den regentijd de boomen om en verbrandde +ze, nadat zij genoegzaam gedroogd waren, zoodat hunne asch tot bemesting kon dienen; vervolgens boorde men met een puntigen +stok gaten in de aarde om daarin maïs te zaaien. Deze wijze van bebouwing had natuurlijk ten gevolge dat de grond lang braak +moest liggen; de verdeeling der landerijen was dan ook zoo geregeld, dat de akker eerst na verloop van vijf jaren weer in +bebouwing kwam. Slechts een vijfde gedeelte van den grond werd dus werkelijk bebouwd; en hoe snel de boomen ook opschoten, +kon het bosch zelden iets meer zijn dan hakhout. De opbrengst van den oogst werd in magazijnen geborgen, en vervolgens aan +elke familie, naar gelang van hare behoeften, een deel uitgereikt. + +</p> +<p id="d0e172">De Indiaan moest niet alleen den grond bebouwen, maar ook jagen en visschen, en langs de kust het zout inzamelen, en dat alles +onder opzicht van daarvoor opzettelijk aangestelde ambtenaren, die over de opbrengst beschikten; de vrouwen en meisjes moesten +spinnen en weven. De koningen, priesters en edelen leefden dus in overvloed en onbekommerd, te midden van feesten en uitspanningen +van allerlei aard; maar zij voerden ook oorlog, en de Indiaan moest steeds gereed zijn om zijn heer in den krijg te volgen. +De oorlogen waren talrijk genoeg, maar zij duurden kort: het lot van den veldtocht werd doorgaans in een enkelen slag beslist. +Het ging daarbij wreedaardig toe: men kende geen medelijden met den overwonnen vijand; alles werd geplunderd en uitgemoord, +en wat men niet mede kon nemen, werd vernield of verbrand. Dit verklaart ons het groote aantal van verwoeste steden en van +nieuwe monumenten, die na afloop van den oorlog weder werden opgebouwd. + +</p> +<p id="d0e174">Als zij ten krijg uittogen, beschilderden de Mayas, even als vele andere volksstammen, hun gelaat, en Bernal Diaz del Castillo, +die meermalen met hen vocht, verhaalt ons dat zij een soort van harnas van gevoerd katoen droegen: eene wapenrusting, die +de Spanjaarden onder Cortez later van hen overnamen; zij waren gewapend met boog en pijlen, met lans en schild, met slingers +en groote houten slagzwaarden. Zij versierden hun hoofd met schitterend gekleurde vederbossen en verfden zich het gelaat wit +en zwart, sommigen ook steenrood. + +</p> +<p id="d0e176">Was men van den krijgstocht teruggekeerd, dan werd die verf weggewasschen en vervangen door een onvernietigbare tatouage: +dit tatoueeren was, naar het schijnt, een privilege voor de edelen en de krijgslieden, die op deze wijze de herinnering aan +hunne heldendaden bewaarden en zich van de massa des volks onderscheidden; Cogolludo verhaalt dat zij hun lichaam versierden +met allerlei figuren en afbeeldingen van dieren, zooals arenden, tijgers, slangen en anderen. De jeugdige krijgsman begon +met een of twee van deze symbolische figuren; maar elke nieuwe overwinning moest door een nieuw teeken worden herdacht, zoodat +het lichaam van in den krijg vergrijsde helden eindelijk geheel met deze hiëroglyphen bedekt was. Volkomen dezelfde gewoonte +heerscht nog tegenwoordig in Nieuw-Zeeland en op andere eilanden van den Stillen-oceaan. + +</p> +<p id="d0e178">De kleederdracht van de lieden uit de volksklasse was bij uitstek eenvoudig en bestond uit een kleinen doek, die de plaats +verving van het traditioneele vijgenblad; trouwens het warme, aangename klimaat liet dit minimum van kleeding toe. Aguilar, +een Spanjaard, die acht jaren lang krijgsgevangene was bij de Yucateken, was zoo volkomen gewend aan dit primitieve kostuum, +dat hij met de europeesche kleeding niet meer terecht kon. De kinderen liepen tot hun tweede jaar naakt; de kleine meisjes +droegen om haar middel een koord, waaraan eene schelp hing; bisschop Landa, die ons dit mededeelt, voegt er bij dat het als +eene groote zonde en eene schandelijke daad werd beschouwd, haar deze schelp te ontnemen vóór haar doop, die gemeenlijk tusschen +het derde en het twaalfde jaar plaats had. + +</p> +<p id="d0e180">De kleeding der adellijke mannen en vrouwen was zeer rijk en bestond uit tunica's en mantels van katoen, met verschillende +figuren geborduurd of in sprekende kleuren beschilderd. De Mayas lieten hun haar groeien, maar knipten het op het voorhoofd +boven de wenkbrauwen af; zij hadden weinig baard en trokken dien uit; de lieden van hooge geboorte en de jongelieden naar +de mode moesten scheel zien: dit gold in de oogen der dames als bijzonder schoon. Om dit voorrecht deelachtig te worden, lieten +de moeders een vlok hair over den neus der kinderen hangen, waarnaar zij onwillekeurig moesten kijken, zoodat zij eindelijk +scheel zagen. De Mayas doorboorden ook hunne ooren, hunne lippen en hun neus, en droegen daarin houten en metalen ringen en +andere sieraden. + +</p> +<p id="d0e182">Evenals bij de Azteken, de Totonaken, de bewoners van Palenqué en de Peruanen, heerschte ook bij hen de gewoonte der schedelmisvorming; +maar dit gebruik was verre van algemeen en gold vermoedelijk ook als een privilege voor de adellijke familiën en de priesterkaste. +Torquemada verhaalt daaromtrent het volgende: “Ten einde zich een woest en krijgshaftig voorkomen te geven, geldt voor hunne +vorsten, in sommige provinciën, het gebod om zich het gelaat en het hoofd (met behulp der vroedvrouwen en der moeders) te +misvormen, en daaraan eene puntige en langwerpige gedaante te geven, gepaard met een breed voorhoofd.” Ten aanzien van Tlaxcala +voegt hij erbij: “Sommigen hebben een puntig hoofd en een plat voorhoofd; anderen gelijken op die Mexicanen en die lieden +van Peru, wier schedel eenigzins de gedaante heeft van een hamer (?) of van een schip (?), die de fraaiste van allen is.”—Heel +duidelijk is <span class="pageno"><a id="d0e184"></a>Bladzijde 24</span>deze beschrijving niet; vermoedelijk wil Torquemada te kennen geven, dat het hoofd buitengewoon langwerpig was. Landa zegt: +“De vrouwen gingen zeer ruw met haar kinderen om; het kleine schepseltje was nauwelijks vier of vijf dagen oud, of zij legden +het op den grond, op een bed van stokjes en riet, met het gezichtje voorover; dan klemden zij het hoofdje tusschen twee plankjes +en drukten het met kracht, totdat, na verloop van eenige dagen, het hoofd den vereischten platten vorm had aangenomen.” Deze +operatie was zoo pijnlijk en gevaarlijk, dat vele kinderen op het punt stonden daaraan te bezwijken; de schrijver zelf had +een kind gezien, waarvan de schedel achter de ooren gespleten was: hetgeen ongetwijfeld meermalen moest gebeuren. + +</p> +<p id="d0e186">De moderne geschiedschrijver Eligio Ancona beschrijft als volgt de politieke organisatie des lands voor de verovering: “Een +of meer vorsten regeerden met onbeperkte macht; de priesters beheerschten het geweten; de edelen bekleedden alle openbare +betrekkingen; de overgroote meerderheid des volks was in twee kasten verdeeld: plebejers, die alle lasten hadden te dragen +voor het onderhoud der bevoorrechte standen, en slaven, die geheel aan de willekeur van den meester waren prijsgegeven.—Op +politiek gebied, de autokratie; in stede van godsdienst, fanatisme; eene zeer onvolkomen beschaving en ontwikkeling, uitsluitend +in handen der priesterkaste; bij de massa, onwetendheid en verdierlijking; slavenhandel en menschenoffers; de vrouw buiten +de maatschappij zoo wel als buiten de familie gesloten; en bovenal de onrustige, onverzadelijke eerzucht der caciquen, telken +dage en onder de nietigste voorwendsels het bloed des volks doende stroomen.” + +</p> +<p id="d0e188">Deze beschouwing verraadt in ieder woord haar modern, doctrinair karakter: ge gevoelt het aanstonds, hier spreekt een man, +in wiens mond de afgesleten fraseologie der negentiende eeuw bestorven ligt. Dit is zeker, dat, ondanks al deze gruwelen, +dit kleine volk niet ongelukkig was, veel meer het tegendeel: het land was dicht bevolkt, en de monumenten leggen nog getuigenis +af van den bloei der kunst. Wat heeft dit volk nu wel van de Spanjaarden ontvangen? Hebben zij zijn lot verbeterd; is het +door hen minder onwetend geworden; is het peil der zedelijkheid werkelijk verhoogd? Voor de verovering werd Yucatan door ettelijke +millioenen Indianen bewoond; tegenwoordig zijn er ter nauwernood nog honderdduizend over, en dezen verkeeren in ellendiger +toestand en zijn dieper gezonken dan ooit te voren. Vanwaar dit? De verklaring is gemakkelijk genoeg: ieder volk heeft de +godsdienst die het waard is en die het beste past bij zijne geestelijke ontwikkeling; elke beschaving is geschikt voor het +volk, dat haar uit zich zelve ontwikkelt of van anderen overneemt en dan zoodanig wijzigt dat het zijn eigen karakter daarin +ontplooien kan en ruimte en vrijheid van beweging vindt in gebruiken en instellingen, overeenkomende met zijn aard en zijn +aanleg. Of die beschaving, in onze oogen en gemeten met onzen maatstaf, hoog of laag staat, is eene kwestie van ondergeschikt +belang; aprioristische beschouwingen, uitgaande van eene of andere abstracte theorie, doen niets ter zake: de eenige vraag +is, of die bepaalde kultuurtoestand past voor het volk, bij hetwelk wij dien aantreffen. En het antwoord op die vraag kan +alleen de historie geven. Zooveel is zeker, en de indiaansche stammen van Centraal-Amerika leveren daarvan op nieuw het bewijs, +dat het opdringen van nieuwe instellingen en gebruiken, van eene vreemde, laat het zijn hoogere beschaving, den ondergang +en den dood van een volk ten gevolge kan hebben. + +</p> +<p id="d0e190"></p> +<div id="d0e191" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-024.jpg" alt="Mayas."></p> +<p class="figureHead">Mayas.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e195">Wij moeten met een enkel woord gewag maken van de vrouwen van gemengd bloed, die tot de voornaamste bekoorlijkheden van Merida +en andere steden van Yucatan behooren. Deze mestiezen vormen als het ware eene kaste op zich zelve en schijnen zonder morren +de geringschatting te dragen, waarmede zij over het algemeen behandeld worden; zij weten zich echter op verschillende wijze +daarover te wreken, waarbij de bekoorlijkheid der vrouwen van geen geringe dienst is. Deze vrouwen schijnen allen mooi, en +al zijn ze niet werkelijk mooi, hebben zij toch eene bijna onwederstaanbare aantrekkelijkheid. Dat is zeker voor een groot +deel toe te schrijven aan haar smaakvol kostuum, bestaande uit eene wijde tunica met korte mouwen, en op de borst vierkant +uitgesneden. Deze <span class="pageno"><a id="d0e197"></a>Bladzijde 25</span>tunica, <i>uipile</i> genoemd, is van boven en van onderen versierd met roode, groene, of blauwe borduursels, bloemen, bladeren, vogels, en heeft, +evenals de uitstaande rok, een breeden zoom van kant. Zij steken een zilveren haarspeld door haar prachtig, gitzwart haar, +dat in twee zware tressen is verdeeld; haar vingers zijn overladen met ringen, en om haar hals dragen zij lange gouden kettingen, +vaak haar geheele fortuin. + +</p> +<p id="d0e202">Deze mestiezen wonen in de voorsteden, in kleine langwerpige huisjes met rieten daken; de buitenmuren zijn doorgaans met schuine +ruiten versierd, bezaaid met kleine steentjes op de kruispunten der lijnen. Zulk eene hut heeft stellig zeer veel overeenkomst +met de woningen der Mayas in den tijd voor de verovering; de wijze van decoratie herinnert ook aan het beeldhouwwerk der oude +paleizen. Van binnen vindt men geen andere meubelen dan een hangmat, een paar koffers tot berging van de kleedingstukken bij +feestelijke gelegenheden, en een <i>butaca</i>, een kleinen fauteuil met eene lage rugleuning en met leer bekleed.—Deze voorsteden zijn inderdaad bosschen: bij iedere woning +behoort een terrein van omstreeks een tiende bunder, beplant met eene bijzondere soort van boom, <i>ramon</i> genoemd, waarvan de bladeren tot voedsel dienen voor de lastdieren. + +</p> +<p id="d0e210">Men leeft over het algemeen te Merida zeer stil en huiselijk; de dames gaan weinig uit; men ziet haar zelden in de vuile straten, +die geen riolen hebben, vol kuilen en gaten zijn en in den regentijd in moerassen zijn herschapen. Zij hebben geene andere +afleiding dan het bezoeken der kerk, en des avonds, van vijf tot zes uur, een toertje met rijtuig. De eerste kerkdienst begint +reeds des morgens tusschen drie en vier uren; op dit onmogelijke uur worden, tot schrik van alle vreemdelingen, alle klokken +geluid, hetgeen een allesbehalve aangenaam concert is. + +</p> +<p id="d0e212"></p> +<div id="d0e213" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-025.jpg" alt="De volan coché. (Blz. 26.)"></p> +<p class="figureHead">De <i>volan coché</i>. (<a id="d0e219" href="#d0e225">Blz. 26</a>.) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e223">Het gezellig verkeer is echter te Merida zeer levendig: letterkundige bijeenkomsten, danspartijtjes, concerten, schouwburgen, +dagbladen en tijdschriften:—men vindt er van alles; er is wrijving genoeg van denkbeelden en een opgewekt litterair leven. +Twee geschiedschrijvers, Eligio Ancona en de canonigo Crescentio Ancona, schilderen in hunne verhalen de heldendaden der veroveraars, +het lijden der eerste kolonisten, de innerlijke partijtwisten en beroeringen en de bloedige episoden van den burgeroorlog. +De Yucateken zijn niet alleen staatsambtenaren, zoo als dat meestal het geval is met de Mexicanen der hoogvlakten: zij drijven +ook handel en leggen zich toe op industrie: in hun land wordt dit arbeidsveld niet, als bijna overal elders, aan de vreemdelingen +overgelaten. Zij zijn een eigenaardig ras, door harde beproevingen geleerd <span class="pageno"><a id="d0e225"></a>Bladzijde 26</span>en gestaald; een jong en levenslustig ras, bij hetwelk de noodlottige invloed van het klimaat zich, naar het schijnt, alleen +toont in de kleine gestalte en het overwicht van het vrouwelijk element in de bevolking. Men kan den Yucateken misschien al +te groote winzucht verwijten, die er hen toe brengt met name den vreemdeling op onbeschaamde wijze te plunderen. Ik kan uit +eigen ondervinding daarvan een merkwaardig voorbeeld mededeelen. + +</p> +<p id="d0e227">Ik wilde een huis huren met den amerikaanschen consul, die overal rondkeek en mij inmiddels aan zijne talrijke vrienden voorstelde. +Wij werden overal met de meeste welwillendheid ontvangen; men betuigde zijn spijt, dat men ons niet kon helpen; men verklaarde +zich overigens geheel tot onze dienst bereid; maar daar bleef het bij. Eindelijk zeide een van de vriendelijksten en ijverigsten, +een dagbladschrijver, tot ons: “Ik heb wat gij zoekt; in die straat heb ik een huis; hier is de sleutel; gaat het eens zien; +als het u aanstaat, is het tot uwe beschikking.” Wij gaan het huis zien, dat echter voor ons niet geschikt blijkt; terugkeerende +loopen wij even bij onzen vriend aan om te zeggen, dat wij het niet nemen. Maar Aymé, de consul, vergeet den sleutel terug +te geven en brengt dien eerst na verloop van vijf dagen, zich verontschuldigende over het verzuim. + +</p> +<p id="d0e229">“O, dat is niets, antwoordt onze vriend: maar ik krijg dertig francs van u. + +</p> +<p id="d0e231">—Dertig francs: waarvoor? vraagt Aymé. + +</p> +<p id="d0e233">—Waarvoor? Wel, gij hebt den sleutel vijf dagen gehouden; vijf dagen, tegen zes francs per dag, dat maakt dertig francs. Mij +dunkt, dat is eenvoudig genoeg.” + +</p> +<p id="d0e235">Het was inderdaad zeer eenvoudig; en er schoot niet anders over dan te betalen. Wij hadden evenwel de voorzichtigheid, van +dat heerschap, wiens naam ik niet noemen wil, eene kwitantie te vragen. + +</p> +<p id="d0e237">De Yucateken zijn er op gesteld, meester in hun eigen land te blijven en hunne eigene zaken te beheeren. Met meer ondernemingsgeest +bezield, energieker en hooghartiger dan hun volksgenooten op de hoogvlakten, hebben zij voor den aanleg van spoorwegen en +andere openbare werken geen beroep gedaan op de kapitalen der Yankees; uit hun eigen, waarlijk niet overvloedige middelen +hebben zij de kosten bestreden. Wel vorderen de werken langzaam, maar de Yucateken mogen er dan ook roem op dragen, dat zij +er niemand dank voor hebben te brengen. + +</p> +<p id="d0e239">Het is inderdaad treffend te zien, hoe dit kleine volk, dat zoo vreeselijk door binnenlandsche oorlogen en beroerten werd +geteisterd en vergeefs elders om hulp smeekte, zich weer heeft opgericht, met ijver en inspanning zijne hulpbronnen ontwikkelt +en de bittere beproevingen te boven komt. In tegenoverstelling van hunne trage en verkwistende buren, zijn de Yucateken arbeidzaam +en zuinig: twee onmisbare deugden, die zij zich verwierven in den moeielijken strijd tegen de ongunstige omstandigheden, waarin +zij geplaatst waren: de betrekkelijke armoede van den grond, het ontbreken van minerale schatten, en die verschrikkelijke +verdelgingsoorlog, die het volk op den rand des ondergangs bracht. + +</p> +<p id="d0e241">De geschiedenis van dien oorlog is dramatisch in hooge mate; ik zal haar hier niet vertellen, maar slechts aanstippen dat +de bewegingen onder de Indianen, reeds in 1761 begonnen, in 1846 tot een geweldigen algemeenen opstand leidden, die nog niet +geheel onderdrukt is. Men mag echter aannemen, dat de bloedige oorlog ten einde loopt; de wilde trekt zich voor de beschaving +terug en ziet schier met den dag zijn gebied inkrimpen. + + +</p><a id="d0e243"></a><h1>III</h1> +<p id="d0e246">Nadat wij te Merida eenige dagen hadden vertoefd, maakten wij ons gereed voor een uitstapje naar Aké. Dit uitstapje was inderdaad +een reisje <i>en famille</i>, want Louis Aymé, de amerikaansche consul, die ook in archeologie liefhebberde, en die reeds meer dan eens de ruïnen bezocht +had, wilde mij vergezellen; maar mevrouw Aymé, eene Amerikaansche, gaf daartoe alleen hare toestemming, onder voorwaarde dat +zij ook mede zou gaan; en daar Shuty niet alleen thuis kon blijven, moesten wij hem ook mede nemen. Shuty was de gunsteling +van mevrouw, een mooi hondje, met lange zijdeachtige haren. Met inbegrip van mijn secretaris en mijn bediende, waren wij dus +met ons zessen: wij hadden mitsdien twee rijtuigen noodig. + +</p> +<p id="d0e251">Aké is eene hacienda, hofstede, van don Alvaro Peon, bij wien ik een bezoek ga afleggen om hem vergunning te vragen tot het +bezichtigen der ruïnen, en tevens een brief van aanbeveling voor den majordomo of intendant. Don Alvaro deed meer dan van +hem verlangd werd: niet tevreden met den brief van aanbeveling, zond hij zijn chineeschen bediende met allerlei levensmiddelen +en benoodigdheden, opdat het ons aan niets ontbreken zou. + +</p> +<p id="d0e253">Wie in het binnenland reizen wil, heeft tusschen twee vervoermiddelen te kiezen: de groote kales, eene soort van diligence, +bij ieder bekend; en den <i>volan coché</i>, het eigenlijke nationale rijtuig. Wij kozen het laatste. De volan coché is geheel van hout, met uitzondering alleen van +de ijzeren banden om de wielen. Op een zwaar en lomp onderstel rust, gedragen door twee lederen riemen, een soort van langwerpige +bodemlooze bak of kist; over een van touw gevlochten net wordt een dunne matras uitgespreid, om het schokken en stooten minder +hinderlijk te maken. Voorop zit de koetsier; van achteren is plaats voor de bagage; terwijl ook een aantal voorwerpen onder +aan het net hangen. Reist men alleen, dan gaat men lang uit op de matras liggen; maar is men met zijn drieën, dan moet men +op turksche manier, met samengevouwen beenen, gaan zitten: eene houding, welke iemand, die daaraan niet gewoon is, in het +eind onuitstaanbare kramp bezorgt. De inlanders zitten met hun zessen of achten—hoe, begrijpt men niet—in zulk een wagen. +Hoewel de bak volkomen in evenwicht hangt, schokt en slingert hij toch op eene geweldige manier; en wanneer de half dronken +koetsier zijn drie muildieren in vollen ren laat draven over de ongelijke, rotsige wegen, schokt en hotst het rijtuig zoo +hevig, dat de reizigers <span class="pageno"><a id="d0e258"></a>Bladzijde 27</span>door en over elkander geworpen worden. Gevaar is er echter niet; het verwonderlijkste is dat er nooit iets aan het rijtuig +breekt, en op al mijne tochten ben ik maar eens omgevallen. + +</p> +<p id="d0e260">Aké ligt tien mijlen ten oosten van Merida. Wij volgen den weg naar Izamal, ter wederzijde omzoomd door onafzienbare velden +met agaven beplant, en laten ter rechterhand twee met ruïnen bekroonde heuvels liggen. Vervolgens komen wij aan het dorp Tixpeual, +waar de Spanjaarden in 1541 een langdurig en bloedig gevecht moesten leveren. Het dorp ziet er zoo armoedig uit en heeft zoo +veel bouwvallige en verwoeste huisjes, als ware de veldslag eerst gisteren geleverd; dat komt, omdat de opstandelingen in +1848 tot aan de poorten van Merida doordrongen en Tixpeual in de asch legden. Maar de gansche landstreek, met haar weinige +vervallen dorpen, haar eenzame wegen en schralen plantengroei, maakt een zeer somberen indruk. + +</p> +<p id="d0e262">Drie mijlen verder wijzen palmboschjes de ligging aan van Tixkokob, waarvan al de inwoners zich bezig houden met het vervaardigen +van hangmatten. In de openstaande huizen, ziet men overal de witte, gele, blauwe, roode of veelkleurige netten uitgespannen; +deze hangmatten, de eenige soort van bedden waarvan de Indianen gebruik maken, zijn zeer goedkoop: zij kosten niet meer dan +drie à vijf francs; de mooisten komen uit de omstreken van Valladolid. + +</p> +<p id="d0e264">Te Tixkokob waar wij een kop chocolade gebruikten, verlaten wij den grooten weg, en slaan een zijweg in, waarop wij alle gelegenheid +hebben om met den volan coché nader kennis te maken. De rotsen zijn steil, en het rijtuig schokt op de merkwaardigste wijze: +wij zitten te dansen als de poppen in een poppenkast.—Het was inmiddels avond geworden; de indiaansche hutten, in de duisternis +verloren, waren nog maar alleen kenbaar aan het wegstervende schijnsel van de niet langer onderhouden wordende vuren; de omtrekken +der pyramiden teekenden zich in zwarte massa's tegen den donker blauwen hemel; overal heerschte een doodelijke stilte, alleen +afgebroken door het knarsen en kraken van het hotsende en stootende rijtuig. Wij vonden den toegang tot de hacienda gesloten: +men verwachtte ons niet meer. Op het luid geblaf der honden verscheen de majordomo; hij liet de zware balken wegruimen, die +de poort barrikadeerden; weldra waren wij geïnstalleerd en sliepen in de vervallen, verwaarloosde zaal der heerenhuizinge. + + +</p> +<p id="d0e266">Aké is eene hacienda voor de veeteelt; en men had ons gewaarschuwd, dat het, overal waar runderen zijn, wemelt van garrapaten. +Wij hadden dus alle mogelijke voorzorgen genomen, want deze verfoeilijke houtluis is het geduchtste insekt dat ik ken. Wij +knoopten al onze kleeren dicht; wij staken de pijpen van onze pantalons in hooge laarzen; wij stopten zoo veel mogelijk alle +denkbare openingen. Mevrouw Aymé, in een sierlijk bloomerskostuum, scheen ook tegen de indringers gewapend; maar Shuty, de +aardige Shuty, hoe zou hij zich verdedigen? Ten slotte bleek dat al onze voorzorgen ons niets baatten. De hongerige garrapate +laat zich door niets weerhouden; schier onmerkbaar en dunner dan een velletje papier, dringt zij overal door, ook door onzichtbare +openingen; wij ondervonden het tot onze schade. + +</p> +<p id="d0e268">Wij gaan uit om den cénoté op te zoeken; Shuty springt vroolijk blaffend voor ons uit. Wat is een cénoté? Yucatan heeft noch +stroomen, noch rivieren, maar daarentegen een zeer uitgestrekten onderaardschen waterplas, meer of minder diep beneden de +oppervlakte, naarmate de kalklaag dikker of dunner is; nabij de kust is het water zeer dicht bij den beganen grond, in het +binnenland vindt men het eerst op aanmerkelijke diepte. Men noemt nu cénotés de inzinkingen van den bodem, die tot dit water +toegang geven. Is het water op geringe diepte onder den grond, en is de kalklaag slechts aan den eenen kant verteerd, dan +verkrijgt men een onregelmatige spelonk, die over de geheele breedte open is. Heeft de kalklaag eene middelbare dikte en stroomt +het onderaardsche water in bepaalde richting, dan wordt de bodem regelmatig ondermijnd, tot de bovenlaag, niet langer steun +vindende, instort; zóó ontstaat een reusachtige put, meestal van ronde gedaante, zooals de cénotés van Chichen-Itza. Is de +kalklaag daarentegen zeer dik, dan tast het water slechts de weeke, zachte deelen aan waarvan een gedeelte instort, waardoor +somtijds in de bovenste laag eene smalle opening ontstaat: zoo krijgt men eene werkelijke grot, met stalactiten en stalagmiten +versierd, zooals te Sacalun en te Valladolid; somwijlen ook is de cénoté niet meer dan eene reusachtige onderaardsche ruimte, +zooals te Bolonchen. + +</p> +<p id="d0e270">Het is opmerkelijk dat alle beschaafde nederzettingen in Yucatan zich hebben gevormd om deze natuurlijke waterbekkens; want +in den beginne hadden de kolonisten vermoedelijk niet de noodige hulpmiddelen om putten of waterbakken te graven, noch ook +om kunstmatige reservoirs te maken, zoo als zij het later te Uxmal deden. + +</p> +<p id="d0e272">De cénoté van Aké behoort tot de eerste kategorie; de toegang vormt als het ware een grooten boog, die een zeer schilderachtig +en bijna indrukwekkend voorkomen heeft. Op den achtergrond, omstreeks twintig voet beneden het gewelf, en dertig beneden den +beganen grond, ziet men een groot bekken vol frisch en helder water, waarin eene menigte kleine vischjes zwemmen, terwijl +zwermen van zwaluwen in alle richtingen de grot doorkruisen en de ruimte vullen met haar vroolijk geroep. + +</p> +<p id="d0e274">Van den cénoté begeven wij ons naar de ruïnen, die onze bedienden inmiddels bezig waren van den overvloedigen plantengroei +te zuiveren. In afwachting dat zij daarmede gereed waren, dwaalden wij rond door de bosschen, uitziende naar ruïnen, zonder +eenig kwaad vermoeden ons een weg banende door de verraderlijke takken der boomen, maar welhaast stikkende van de hitte in +onze nauw sluitende kleeding. Niemand voelde zich onwel of klaagde over iets buitengewoons. Shuty was de eerste, die teekenen +gaf van een abnormalen toestand; bij het verlaten van den cénoté was hij onrustig geworden; hij stond eensklaps stil en beet +zich in zijne pooten of maakte zonderlinge <span class="pageno"><a id="d0e276"></a>Bladzijde 28</span>sprongen; maar steeds vroolijk, levendig en aardig, vervolgde hij, luid blaffende, zijn weg. Wij gingen toen door het dichte +hout; en de min of meer gekunstelde vroolijkheid van Shuty maakte plaats voor wezenlijken angst; zijn blaffen ging over in +janken; hij beet zich met woedende heftigheid, rolde zich in het gras en begon zoo akelig te huilen, dat zijne meesteres hem +opnam: het lichaam van het arme dier was geheel en al overdekt met wriemelende garrapaten: wij zelven werden onmiddellijk +door dit ongedierte aangetast.—Gelukkig vonden wij bij onze tehuiskomst een uitnemend dejeuner, door den chineeschen kok van +don Alvaro klaar gemaakt; maar eer wij aan tafel gingen, begaven wij ons een voor een naar een kabinetje om ons van ongedierte +te zuiveren en op nieuw toilet te maken. Mevrouw Aymé en Shuty bleven verder tehuis en waagden zich niet meer aan ontdekkingstochten. + + +</p> +<p id="d0e278"></p> +<div id="d0e279" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-028.jpg" alt="Beeldwerk te Izamal (Blz. 31.)"></p> +<p class="figureHead">Beeldwerk te Izamal (<a id="d0e282" href="#d0e326">Blz. 31</a>.) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e286">De ruïnen van Aké zijn zoo goed als onbekend. Stephens, de amerikaansche onderzoeker, spreekt er in zijn belangrijk reisverhaal +slechts ter loops van. Hij noemt de groote galerij een kolossaal werk, en het paleis in zijn geheel een gewrocht van reuzen; +de ruïnen hebben, volgens hem, het merk van hooger ouderdom dan andere monumenten. Hij voegt er bij, dat volgens Cogolludo +de Spanjaarden op hun tocht eene stad ontmoetten, Aké genaamd, waar zij een gevecht moesten leveren tegen eene groote menigte +Indianen. Stephens vergist zich; als hij Cogolludo nauwkeuriger had gelezen, zou hij bemerkt hebben dat de stad, waarvan de +geschiedschrijver spreekt, niet dezelfde is als die hij heeft bezocht. De ligging van de stad Aké verwijdert haar ten eenemale +van den weg, dien de veroveraars volgden. + +</p> +<p id="d0e288">Francisco de Montejo landde toch aan de oostkust van Yucatan, tegenover het eiland Cozumel; hij trok dus van het oosten naar +het westen, door Koba, eene stad vol monumenten, die nog op acht mijlen afstands van Valladolid gevonden worden, en bereikte +eene plaats, Cé-Aké genoemd, waar hij bloedige gevechten moest leveren. Van daar ging hij naar Chichen-Itza, waar hij twee +jaren bleef. Dit geschiedde op zijne eerste expeditie in 1527; het Cé-Aké waarvan hier sprake is, lag dus omstreeks vijf-en-dertig +mijlen oostwaarts van de ruïnen van Aké, waar wij ons thans bevinden. + +</p> +<p id="d0e290">Aké was ongetwijfeld eene zeer volkrijke stad; vijftien a twintig pyramiden van verschillende grootte, met de bouwvallen van +paleizen gekroond, zijn over eene oppervlakte van een vierkante mijl verspreid. De belangrijkste ruïnen schijnen een rechthoek +te vormen, en omsluiten eene ruimen binnenhof, die zorgvuldig geëffend is, en in welks midden nog een steen overeind staat, +die door de Indianen <i>picoté</i> wordt genoemd. Dit was de straf- of geeselpaal, dien men ook te Uxmal en andere plaatsen vindt, en die zoowel voor als na +de verovering, in geen enkel indiaansch dorp ontbrak. Te Tenosiqué verhaalde mij een oud man, dat hij, nog geen dertig jaar +geleden, dien steenen paal op het midden van de markt had gezien. De veroordeelde Indiaan werd geheel naakt aan den picoté +gebonden, om daar het bepaalde aantal stokslagen te ontvangen. Ik vond dezelfde gewoonte te Tumbala, een indiaansch dorp op +den weg van Palenqué naar San-Christobal. Volgens de begrippen der Indianen, wischt de straf de schuld uit; en ik heb Indianen +ontmoet, die, om hun geweten tot rust te brengen, zelven aanhielden om eene bestraffing, die niemand hun zocht op te leggen. + + +</p> +<p id="d0e295">Nemen wij thans de ruïnen nader in oogenschouw. Aan den noordwestelijken uithoek verrijst eene pyramide van twee verdiepingen, +saamgesteld uit groote steenblokken zonder kalk; zij heeft eene hoogte van omstreeks veertig voet, en eindigt in een klein +vertrek, waarvan het dak is ingestort, maar waarvan de muren nog ten deele overeind staan. Wij vinden hier dezelfde constructie +terug, die wij reeds te Tula, te Teotihuacan en te Palenqué <span class="pageno"><a id="d0e297"></a>Bladzijde 30</span>hebben opgemerkt, en die wij ook nog in de andere oude steden van Yucatan zullen aantreffen. + +</p> +<p id="d0e299"></p> +<div id="d0e300" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-029.jpg" alt="Mestiezen te Merida."></p> +<p class="figureHead">Mestiezen te Merida.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e304">Dit monument met het kleine vertrekje, dat voor bewoning ten eenemale ongeschikt is, kan onmogelijk een paleis zijn geweest; +wij mogen veilig aannemen dat wij hier met een tempel te doen hebben; en dat te meer omdat deze pyramide een deel schijnt +uit te maken van het daaraan grenzende monument, waarboven zij zich verheft. Dit laatste monument herinnert door zijne rechthoekige +gedaante, aan de soortgelijke gebouwen, die wij te Tula en te Teotihuacan gezien hebben en die men met den naam van citadellen +bestempelt, maar die inderdaad niet anders waren dan de vermaarde Tlachtli, de kaatsbaan, waarvan alle geschiedschrijvers +melding maken. Het kaatsspel was bij uitnemendheid het nationale spel der Tolteken, die het ook in Tabasco en Yucatan invoerden. +Wij zullen zulk een tlachtli, beter bewaard, te Uxmal en te Chichen-Itza terugvinden. Waarschijnlijk hadden er, vóór den aanvang +van het spel, in dien kleinen tempel godsdienstige ceremoniën plaats. + +</p> +<p id="d0e306">Een weinig meer ten zuidoosten zien wij een monument, dat tot velerlei gissingen aanleiding heeft gegeven. Het is eene langwerpige +pyramide, met een zonderling gebouw gekroond. Het geheel ongewone voorkomen, de buitengewoon groote trap, die zonderlinge +architektuur, geheel afwijkende van het gewone karakter der yucatansche monumenten: dit alles verplaatst ons als het ware +in eene nieuwe wereld. Het zonderlinge monument bestond uit zes-en-dertig pilaren, waarvan er nog negen-en-twintig over zijn, +geplaatst op het bovenvlak van eene langwerpige pyramide of liever een terras van zes el hoogte. Men bereikt dat plat langs +een reusachtige trap van ruwe steenblokken, van anderhalve tot twee el lengte, en van dertig tot vijftig duim hoogte. De pilaren +waren gemiddeld vier el vijf-en-zeventig duim hoog, te oordeelen althans naar de hoogsten en best bewaarden, die nog voorhanden +zijn; zij bestaan uit tien blokken van een el twintig duim in lengte en breedte, en tusschen de veertig en vijftig duim hoogte. + + +</p> +<p id="d0e308">Men had mij gezegd dat de steenen eenvoudig op elkander waren gelegd, en dat de bouwmeesters te Aké geen kalk of cement hadden +gebruikt. Dit is onjuist; bij onderzoek blijkt toch dat wel de buitenzijden der blokken, waaruit de pilaar bestaat, werden +behouwen, maar dat de binnenzijden ruw werden gelaten. Daar nu die binnenzijden niet juist op elkander konden passen, moest +men de ledige ruimten aanvullen met kleine steenen, die nog voorhanden zijn, en werd ongetwijfeld tot bedekking gebruik gemaakt +van kalk of cement. + +</p> +<p id="d0e310">De heer Aymé, de amerikaansche consul te Merida, loochent dit laatste; en daar de kalk verdwenen is, kan ik hem niet met de +stukken overtuigen, en moet wachten tot eene nieuwe ontdekking de juistheid mijner meening bewijze. Deze zes-en-dertig pilaren, +in drie evenwijdige rijen geplaatst, vormen een rechthoek; de esplanade waarop zij staan, heeft eene lengte van vijf-en-zestig +el veertig duim, bij eene breedte van veertien el veertig duim; de richting der pyramide, die aan de uiteinden afgerond is, +is van het noorden naar het zuiden; de trap bevindt zich aan de zuidzijde. + +</p> +<p id="d0e312">Welke was nu de bestemming van dit wonderlijke gebouw? Was het eenvoudig eene open galerij? Men vindt hoegenaamd geen puin +op het plat van de pyramide; was er dus vroeger eene bedekking, dan moet dit dak uit hout en riet hebben bestaan, waarvan +niets is overgebleven. Was dit gedenkteeken bestemd om de herinnering aan een of ander persoon of feit te bewaren? Wij kunnen +op die vragen geen antwoord geven. Zeker is dit monument in geheel Yucatan volstrekt eenig in zijne soort; maar het draagt +hoegenaamd geen monumentaal karakter.—Gewisselijk ontbreekt het niet aan commentaren; maar het is bekend, dat de commentatoren +dikwijls de schrijvers en ook de monumenten zeer veel meer laten zeggen, dan zij werkelijk doen: van nature zijn zij geneigd, +het vreemde, het verrassende, het onmogelijke boven het eenvoudige en voor de hand liggende te verkiezen. Sommige reizigers +hebben, ten aanzien van de ruïnen van Aké, hunner fantazie den vrijen teugel gevierd en theorieën verkondigd, die den nuchteren +opmerker verbijsteren. Ziehier een staaltje van zulke buitensporigheid. + +</p> +<p id="d0e314">Het monument, waarvan wij spreken, zou de herinnering moeten bewaren aan tijdperken of regeeringen, en ieder steenblok zou +een Ahan Katun of een Katun moeten voorstellen. Volgens de oude tijdrekening der Mayas omvat een Ahan Katun een tijdvak van +vier-en-twintig, en een Katun een van twee-en-vijftig jaren. Daar er nu zes-en-dertig pilaren zijn, ieder uit tien blokken +bestaande, krijgen wij in het eerste geval een tijdvak van achtduizend-zeshonderd-veertig jaren, en in het tweede eene periode +van achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaren. Ik behoef wel niet op te merken, dat het onderste blok, voor achttienduizend-zevenhonderd-twintig +jaar gelegd, reeds lang verdwenen zou zijn vóór het aanbrengen van het laatste blok, dat nog eenige eeuwen ouder zou zijn +dan de verovering. Bovendien dragen alle blokken het kenmerk van gelijken ouderdom. Maar eigenlijk is het niet noodig, over +dergelijke buitensporige dwaasheden veel woorden te verspillen. + +</p> +<p id="d0e316">Is het niet eenvoudiger, aan te nemen dat dit vreemdsoortige monument eene galerij was, vroeger met riet overdekt, en die +hetzij voor openbare spelen, hetzij voor vergaderingen of plechtige ceremoniën bestemd was? De ligging midden tusschen de +andere monumenten schijnt voor deze onderstelling te pleiten. + +</p> +<p id="d0e318">Na dit monument opgemeten te hebben, begeven wij ons naar eene andere ruïne, <i>Akabua</i>, dat wil zeggen, huis der duisternis, genoemd. De vertrekken zijn inderdaad donker, daar zij hun licht uitsluitend ontvangen +door de in andere kamers uitkomende deuren. Ook daar, als overal elders, vinden wij de zoogenaamde <i>boveda</i>, het door vooruitspringende lagen gevormde gewelf, dat wij ook in de monumenten der Hindoes en der Tolteken aantreffen. Dit +dusgenoemde, oneigenlijke gewelf is hier te Aké sterker gebogen: een gevolg van de gebruikte materialen, <span class="pageno"><a id="d0e326"></a>Bladzijde 31</span>want, even als de pyramiden, is dit gewelf saamgesteld uit die groote onbehouwen steenblokken, waarvan het gebruik ook aan +deze monumenten den naam van cyclopische bouwgewrochten heeft doen geven. + +</p> +<p id="d0e328">Toch is die benaming niet goed gekozen: immers de dusgenoemde cyclopische constructie bestaat uit veel grooter blokken van +onregelmatige gedaante, maar zoo volkomen op elkander passende, dat men er niets tusschen kan steken; de steenen daarentegen +in de ruïnen van Aké hebben allen denzelfden vorm: het zijn dikke, niet behouwen zerken, die door aanmerkelijke tusschenruimten +van elkander gescheiden zijn. + +</p> +<p id="d0e330">Ik maakte mijn gids, den heer Aymé, daarop opmerkzaam, en zeide tot hem: “Gij beweert dat er bij de gebouwen van Aké noch +kalk, noch cement is gebruikt, en dat men er nooit beeldhouwwerk, noch eenige decoratie welke ook heeft ontdekt. Ik kan dit +niet toegeven, hoewel de feiten mij in het ongelijk schijnen te stellen. Hier staan wij voor een raadsel, dat wij moeten trachten +op te lossen. De stichters van deze gebouwen hebben zich zeker niet zoo veel moeite en inspanning getroost, om hun werk onvoltooid +te laten. Wij moeten dus aannemen, dat deze zerken eenmaal volkomen aan elkander sloten, en dat de tijd ze heeft afgeknaagd +en verwijderd; maar dan moeten wij aan deze monumenten een ouderdom toekennen, die volstrekt onaannemelijk is. Bovendien ziet +ge dat deze steenen nog geheel in denzelfden toestand verkeeren, als toen zij uit de groeve werden gehaald; ook zijn zij hier +in de binnenkamers niet beter geconserveerd dan aan de buitenmuren, hetgeen toch het geval moest zijn. Ik kom dus tot het +besluit dat al deze steenen, van de muren zoowel als van de gewelven, vroeger met cement bestreken en, volgens de gewoonte, +ook beschilderd waren. + +</p> +<p id="d0e332">“Toon mij het bewijs van hetgeen gij zegt, antwoordde hij, en ik zal u gelooven.” + +</p> +<p id="d0e334">Ik moest zwijgen, en wij begaven ons naar eene hooge pyramide, met een ruïne gekroond. + +</p> +<p id="d0e336">“Laat ons dit paleis gaan zien, zeide ik tot Aymé. + +</p> +<p id="d0e338">—Er is niets te kijken: het zijn muren en meer niet; ik heb het vroeger al bezocht; antwoordde hij. + +</p> +<p id="d0e340">—Laat ons toch maar eens gaan zien,” hernam ik. En wij gingen. + +</p> +<p id="d0e342">Op het plat van de pyramide gekomen, was het eerste wat ik zag een zeer fraai bas-relief van cement, bestaande uit schuine +ruiten en afgeplatte bollen. Dit bas-relief vormde de rechterlijst van een groot kader, waar binnen verschillende figuren +geplaatst waren, waarvan men nog de overblijfselen kon ontdekken. Een laag cement van ongeveer een el dik bedekte de steenen, +vulde de ledige ruimten en maakte de geheele oppervlakte glad en effen. Wij vonden zelfs nog sporen van de oude beschildering. + + +</p> +<p id="d0e344">“Wat zegt ge nu? vroeg ik aan mijn reisgezel. + +</p> +<p id="d0e346">—Gij hadt gelijk,” antwoordde hij. + +</p> +<p id="d0e348">Inderdaad was door deze ontdekking een einde gemaakt aan alle tegenspraak. + + +</p><a id="d0e350"></a><h1>IV</h1> +<p id="d0e353">Van Aké begeven wij ons naar Izamal, waar wij ten drie uren aankomen. + +</p> +<p id="d0e355">Izamal is eene van de voornaamste steden der provincie, of liever een groot, aardig dorp met tusschen de vijf- en zesduizend +inwoners; het vlek maakte een des te aangenamer indruk, omdat men er zoo pas het feest van den heiligen schutspatroon had +gevierd, bij welke gelegenheid de huizen, de openbare gebouwen en zelfs de vervallen muren in de buitenwijken opnieuw waren +gewit. Behalve zijne nette woningen, bezit Izamal ook nog twee pleinen, door sierlijke moorsche zuilengangen omringd. + +</p> +<p id="d0e357">Wij moeten hier even een uitstapje maken op historisch gebied, waarbij opnieuw de betrekkelijke jonkheid zal blijken der beschaving in Yucatan, in tegenspraak +met de bewering van sommigen, die zich te zeer door hunne verbeelding laten leiden en aan deze beschaving een bespottelijken +ouderdom toekennen. + +</p> +<p id="d0e362">Evenals Merida en andere steden van het schiereiland, verrees ook Izamal op de plek, waar eene indiaansche stad stond. Evenals +elders, was ook hier het eerste werk der Spanjaarden, de tempels en paleizen te verwoesten, de geschreven dokumenten te vernietigen, +en zoo veel mogelijk elk spoor en elke herinnering van de inlandsche beschaving uit te roeien. Bisschop Landa, wiens werk +over de zaken van Yucatan omstreeks 1566 geschreven werd, dat is dus vijf-en-veertig jaar na de verovering, spreekt van de +gebouwen te Izamal, waarvan er toen nog twaalf in wezen waren, en deelt ons mede, dat de stichters dier monumenten onbekend +waren. Lizana daarentegen, die in 1628, zestig jaren later, schreef, en die veel minder dan Landa in de gelegenheid was om +zich bekend te maken met de oude traditiën en legenden, vertelt ons uitvoerig de geschiedenis dier monumenten; van de twaalf +bouwwerken, waarvan zijn voorganger melding maakt, kent hij er wel is waar slechts vijf, maar hij weet de namen, die Landa +niet wist: wij zullen dus zijne opgave volgen. + +</p> +<p id="d0e364">Landa, die eerst zegt dat men den oorsprong dezer monumenten niet kende, deelt ons later mede, dat zij door het nog bestaande +ras der inlandsche bevolking waren gesticht: immers, onder het puin der verwoeste monumenten, heeft men fragmenten gevonden +van naakte menschenbeelden en andere versierselen, zoo als de Indianen nog heden van bijzonder sterke cement vervaardigen. +In een graf vindt hij kunstig bewerkte voorwerpen van steen, gelijk aan die welke de Indianen nog tegenwoordig bij wijze van +geld gebruiken. Even als te Merida, waar hij genoodzaakt was, eene kapel te verwoesten, om een einde te maken aan de godsdienstige +vereering van het oude heiligdom, bestond ook hier, volgens Landa, eene groote pyramide, waarvan wij de afbeelding geven op +<a id="d0e366" href="#d0e460">bladz. 32</a>. De kapel, welke deze pyramide bekroonde, bestond in zijn tijd nog: hij geeft er eene beschrijving van en zegt dat zij opgetrokken +was uit zorgvuldig gehouwen, met beeldwerk versierde <span class="pageno"><a id="d0e369"></a>Bladzijde 32</span>steenen. Met echt-zuidelijke overdrijving, voegt hij aan zijne beschrijving de opmerking toe: “Dit monument is zoo hoog, dat +men er versteld van staat.” Toch bedraagt die hoogte nauwelijks tachtig voet! + +</p> +<p id="d0e371">Het monument bestond uit twee gedeelten: de bijna tweehonderd el breede basis met een ruim terras of platform, en de kleine +pyramide, aan de noordzijde van dit terras. Op het terras stond het volk, om getuige te zijn van de godsdienstige plechtigheden, +die ten aanschouwe van allen op den top der pyramide werden volbracht. In de kapel, waarvan Landa spreekt, stond het afgodsbeeld. +Wij spreken hier bij analogie: want wij weten dat dit het gebruik was te Mexico en in de steden der Tolteken, Teotihuacan +en Cholula. + +</p> +<p id="d0e373"></p> +<div id="d0e374" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-032.jpg" alt="De groote pyramide te Izamal. (Blz. 31.)"></p> +<p class="figureHead">De groote pyramide te Izamal. (<a id="d0e377" href="#d0e326">Blz. 31</a>.) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e381">Volgens Lizana droeg deze groote pyramide den naam van Kinich-Kakmó, omdat op den top een tempel stond, waarin het beeld van +een afgod, die aldus werd genoemd. Deze naam zou zooveel beteekenen als: “Zon, met het vurig stralende gelaat.” De tempel +was dus een zonnetempel, met de daarbij behoorende pyramide, evenals te Teotihuacan. + +</p> +<p id="d0e383">Ten zuiden van deze pyramide verrees eene andere, niet minder breed, maar eindigende in een terras en dus minder hoog dan +de eerste; zij heette Ppapp-Hol-Chac, dat wil zeggen: “Huis der hoofden en der bliksemstralen.” Daar woonden de priesters, +vermoedelijk in een fraai paleis, zoo als men die ook in andere steden vindt. De Spanjaarden bouwden op die plek een aan Sint-Franciscus +gewijd klooster, benevens de parochiale kerk, die zeer mooi is. + +</p> +<p id="d0e385">De derde pyramide, ten oosten, droeg een tempel toegewijd aan Ytzama-ul, Itzamna of Zamna, den <span class="pageno"><a id="d0e387"></a>Bladzijde 33</span>legendarischen stichter van de stad Izamal. “Deze koning of deze afgod, zegt Landa, werd door de Indianen voorgesteld onder +de gedaante van eene hand; zij beweren dat men de zieken en zelfs de dooden tot hem bracht en dat de god hen door de aanraking +met zijne hand genas of weder tot het leven opwekte; daarom noemde men den tempel Kab-ul, hetgeen beteekent de werkzame, de +wondervolle hand.”—Deze tempel, waar zoo vele wonderen gewrocht werden, was het doel van scharen van bedevaartgangers: daarom +had men naar de vier windstreken groote wegen of heerbanen aangelegd, die tot aan de grenzen van het land waren doorgetrokken +en naar Guatemela, naar Chiapas en naar Tabasco voerden. Nog heden, zegt onze schrijver, vindt men op verscheidene plaatsen +sporen van die wegen. + +</p> +<p id="d0e389">Wij zelven hebben de overblijfselen gevonden van den met cement geplaveiden weg, die van Izamal naar den oever der zee liep, +tegenover het eiland Cozumel. Wij moeten hierbij opmerken, dat deze manier van wegen te maken bij voorkeur aan de Tolteken +eigen was, zoo als wij reeds vroeger in de gelegenheid waren te constateeren. + +</p> +<p id="d0e391"></p> +<div id="d0e392" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-033.jpg" alt="Beeld van den god Tlaloc, in den omtrek van Tlascala gevonden."></p> +<p class="figureHead">Beeld van den god Tlaloc, in den omtrek van Tlascala gevonden.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e396">In den naam van den tempel, Kab-ul, de werkzame hand, herkennen wij zonder moeite Hueman, de lange handen, het groote opperhoofd +en de wetgever der Tolteken van Tula, die door verschillende geschiedschrijvers voor denzelfden gehouden wordt als Quetzalcoatl, +dien wij in Yucatan terugvinden onder den naam van Cuculkan, hetgeen hetzelfde beteekent. + +</p> +<p id="d0e398">De vierde, meer voorwaarts gelegen pyramide droeg de woning van den opperbevelhebber des legers, die den titel voerde van +Hunpictok, hoofdman over achtduizend steenen lansen. Op den top dezer pyramide vindt men niets dan puin; in het onderste gedeelte, +dat van gelijke constructie is als de piramide te Aké, bevond zich het door Stephens beschreven beeld, dat thans verdwenen +is, en ziet men nog heden, aan de oostzijde, de figuur, op <a id="d0e400" href="#d0e279">bladz. 28</a> afgebeeld. Aan dit beeld kunnen wij de manier van werken der bouwmeesters duidelijk waarnemen. Deze kolossale kop heeft eene +hoogte van vier ellen; de oogen, de neus, de onderlip zijn gevormd uit ruwe steenblokken, die, even als de wangen, met versche +cement zijn bestreken; de ornamenten ter rechter- en ter linkerzijde zijn evenzoo van cement; aan de versierselen links, die +beter bewaard zijn gebleven, bespeuren wij nog die dubbele spiralen, zinnebeeldige voorstellingen van den wind of den adem, +het woord, die wij reeds zoowel te Mexico als te Palenque hebben gezien en die wij te Chichen-Itza zullen terugvinden. + +</p> +<p id="d0e403">Aan de westzijde van deze pyramide, waar men een gedeelte van de basis heeft blootgelegd, zien wij een der fraaiste bas-reliefs, +die wij in Yucatan hebben ontmoet. De hoofdfiguur is een liggende tijger met een menschenhoofd; het beeldwerk is van cement; +de modeleering der figuren is voortreffelijk; deze tijger met het aangezicht van een mensch herinnert ons aan de teekens der +mexicaansche ridderorden, arenden, tijgers en sperwers. De orde van den tijger was de voornaamste van allen; en niets past +beter bij de bestemming, die het paleis, volgens de legende, zou hebben gehad, dan deze symbolische voorstelling van de kracht +en den moed: eene waardige versiering der woning van den opperbevelhebber van het leger van Izamal. + +</p> +<p id="d0e405">Al deze monumenten, de pyramide met den zonnetempel, de tempel van Quetzalcoatl, het paleis van den vorst en de woning der +priesters, leveren het bewijs dat Izamal, op het tijdstip der verovering, eene zeer talrijke bevolking had en een der hoofdpunten +was van de nederzettingen der Tolteken; voorts weten wij zeker, dat de godsdienstoefeningen geregeld in de heiligdommen plaats +grepen en door het volk werden bijgewoond. Dit is echter <span class="pageno"><a id="d0e407"></a>Bladzijde 34</span>onbestaanbaar met den hoogen ouderdom, dien sommigen aan deze stad willen toekennen. + +</p> +<p id="d0e409">Wij vertrokken van Izamal ten vier uren in den morgen; het landschap maakte op ons een bij uitnemendheid treurigen indruk. +Op een afstand van vier mijlen ontmoeten wij slechts een dorp, Sitilpech genoemd, eene verzameling van armoedige, meest ledigstaande +hutten. + +</p> +<p id="d0e411">In Yucatan bemoeit de administratie zich waarschijnlijk niet met de dienst der telegrafen en posterijen. Reeds te Merida had +ik daarvan de ondervinding opgedaan, daar toch een aantal telegrammen, waarvoor ik zeer duur moest betalen, niet ter plaats +hunner bestemming kwamen, of althans onbeantwoord bleven. Bij navraag gaf men mij ten antwoord, dat de telegraaflijn in geen +goeden toestand verkeerde. Op onzen tocht kon ik mij daarvan overtuigen. De aanleg van deze lijn moet inderdaad zeer goedkoop +zijn geweest, en de kosten van onderhoud zijn vermoedelijk gelijk nul. Er was wel een draad, maar er waren geen palen en geen +isolators. Die ongelukkige draad liep langs den zoom van het bosch, vastgemaakt aan een of anderen tak; boog de tak, dan hing +de draad neer; brak hij, dan viel de draad op den grond; nu eens zweefde hij even boven den bodem, dan weer lag hij, als lusteloos +en wanhopig, slap op de struiken en rotsen. Die draad was te beklagen: maar nog meer te beklagen waren zij die betaalden, +om haar weer in orde te brengen, of die er gebruik van maakten zonder eenig nut. Echter werkte hij toch van tijd tot tijd, +die rampzalige telegraaf: hij was er ten minste, en onder dat opzicht onderscheidde Yucatan zich gunstig van Tabasco, waar +de telegrafen onmiddellijk na den aanleg weer verdwenen, omdat de inwoners de draden voor hun eigen gebruik aanwendden. + +</p> +<p id="d0e413">Na een zeer vermoeienden rit kwamen wij des avonds ten zeven uren te Citas. Het was volslagen donker, en men wachtte ons niet +meer. Voor onze ontvangst was niets in gereedheid gebracht; de dorpelingen waren blijkbaar met deze verrassing alles behalve +ingenomen. Waar zouden wij overnachten? Daar de school voor het oogenblik ledig stond, werd die ons ten gebruike afgestaan; +wij gingen allen te zamen aan den arbeid, zetten de tafels en banken op zij, en maakten zoodoende ruimte voor onze hangmatten +en veldbedden. Maar het souper:—dat is een lastig ding! De tijd is verstreken, en de dorpelingen hebben geen lust, weer aan +het werk te gaan. Gelukkig komen de rechter en de burgemeester ons bezoeken: dank zij hunne tusschenkomst, wordt de zaak nog +geschikt; de hoop op eene goede winst vermurwt de harten, en wij kunnen ons avondmaal gebruiken. + +</p> +<p id="d0e415">Te Citas moeten wij den grooten weg verlaten om de bosschen in te gaan; wij moeten dus hier onze rijtuigen achterlaten, en +in de plaats daarvan ons dragers, ezels en muildieren aanschaffen: daartoe is natuurlijk tijd noodig, en het verblijf te Citas +is in het minst niet uitlokkend. De dorpelingen zijn onwillig; zij vragen een dubbel loon en blijven weg als zij geprest worden. +Een vreemdeling, die zulke verre reizen onderneemt om ruïnen te zien, waarin de Indiaan hoegenaamd geen belang stelt, moet +iemand zijn die met zijn geld geen weg weet: het is dus niet meer dan billijk dat hij betale. Nu, de Indianen van Yucatan +zijn niet de eenigen, die zoo redeneeren.—Eindelijk krijgen wij dan toch onze dragers, tegen een derde boven den gewonen prijs. +Paarden zijn schaarsch: zij moeten geprest worden; het militair geleide wordt ons gracieuselijk toegestaan. Natuurlijk zijn +noch de soldaten, noch de paarden gereed; wij zelven moeten ook nog verschillende toebereidselen voor de reis maken. Bovendien +zijn de paden in het bosch dicht gegroeid; de afstand naar Pisté bedraagt zeven mijlen; het eerste wat wij te doen hebben, +is dus mannen uit te zenden om den weg te banen. Zij gaan op weg, en wij houden ons verder met onze uitrusting bezig, daar +wij eerst den volgenden dag zullen vertrekken. + +</p> +<p id="d0e417">Tegen den avond kregen wij eene uitnoodiging tot het bijwonen van een bal. Tot mijne verbazing vernam ik dat er te Citas gedanst +werd, ondanks het gevaar, waarin het dorp steeds verkeerde ten gevolge van den opstand der Indianen, die elk oogenblik het +vlek konden overvallen, de woningen verbranden en de dorpelingen vermoorden of medevoeren. Natuurlijk namen wij de uitnoodiging +aan. + +</p> +<p id="d0e419">De straten van Citas zijn geene straten, maar kleine ketens van steile rotsen, door miniatuurafgronden gescheiden, waarin +de vreemdeling zeer gemakkelijk armen en beenen breken kan. Wij gaan dus op weg, ieder door twee Indianen geleid, want het +huis, waar het feest wordt gegeven, is vier- of vijfhonderd el van het dorp verwijderd en het is buiten pikdonker. Wij komen +zonder ongelukken ter plaatse onzer bestemming. + +</p> +<p id="d0e421">In eene hut van armoedig voorkomen, verlicht door het schijnsel van drie vuren, zijn een half dozijn vrouwen bezig met het +gereedmaken der spijzen; ik zie gansche stapels van kippen, kalkoenen en groote stukken varkensvleesch, die gekookt of gebraden +moeten worden. Buiten zijn andere vrouwen bezig met het malen van maïs, het kneden van het deeg of het bakken van koeken, +die warm gegeten worden. + +</p> +<p id="d0e423">Een met riet overdekte open loods, waarin eenige walmende lampen hangen, dient tot balzaal. Eene rij banken en eenige met +leder bekleede stoelen zijn voor de dames bestemd; in het midden van het lokaal staan de heeren, met bloote voeten, een witte +pantalon, een wijd loshangend hemd en een gekleurden doek om den hals. Het is er vol: het gansche dorp is hier vergaderd; +althans al de Indianen en mestiezen, maar weinig ladinos, dat wil zeggen blanke vrouwen. + +</p> +<p id="d0e425">“Het is een Indiaan, die dit feest geeft en de kosten betaalt,” zeide de rechter tot mij; “zulk een feest, dat dikwijls verscheidene +dagen of liever verscheidene nachten duurt, kost veel geld. Dit feest zal, na afloop van alles, misschien driehonderd piasters +(vijftienhonderd francs) hebben gekost: voor een mesties, zoowel als voor een Indiaan, vertegenwoordigt die som eene heele +fortuin. Maar voor zulk eene gelegenheid zal hij al zijn geld uitgeven; hij draagt daar roem op; en eerlang zal het de beurt +zijn van een anderen Indiaan, om een dergelijk feest te geven. +<span class="pageno"><a id="d0e427"></a>Bladzijde 35</span></p> +<p id="d0e428">—Maar,” hernam ik, “dat is voor die lieden de ondergang; wat moeten zij daarna beginnen? + +</p> +<p id="d0e430">—Precies hetzelfde wat zij te voren deden,” antwoordde de rechter; “zij keeren tot hunne milpas, dat wil zeggen hunne plantages, +terug. Is de oogst overvloedig, dan leven zij op den ouden voet voort, telkens eenige stuivers besparende om op hunne beurt +een feest te kunnen geven; mislukt de oogst, dan binden zij hun maag toe; is er hongersnood, dan sterven zij van gebrek. De +zorg voor den dag van morgen is hun, als allen onbeschaafden volken, ten eenemale vreemd, en de bitterste ervaringen zijn +machteloos om hen op dit punt te genezen.” + +</p> +<p id="d0e432"></p> +<div id="d0e433" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-035.jpg" alt="Beeld van den god Tlaloc, te Chichen-Itza gevonden"></p> +<p class="figureHead">Beeld van den god Tlaloc, te Chichen-Itza gevonden</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e437">Deze feestelijke plechtigheid is voor ons een nieuw bewijs voor de taaie levenskracht der aloude traditiën, waaraan men vasthoudt, +ook al verstaat en begrijpt men ze sinds lang niet meer. Gij zoudt vergeefs tot deze lieden de vraag richten, vanwaar zij +de zonderlinge gewoonte hebben om voor zulk een feest al hun geld uit te geven? Zij zouden u op die vraag niet kunnen antwoorden: +wij moeten het voor hen doen. + +</p> +<p id="d0e439">Wij vinden bij Landa een bericht, dat ons licht geeft. Na gesproken te hebben van de slemppartijen der Mayas en hunnen hartstocht +voor feesten en gemeenschappelijke maaltijden, gaat de geschiedschrijver aldus voort: + +</p> +<p id="d0e441">“Zij verteerden dikwijls bij een enkel feest alles wat zij gedurende een langen tijd met zwaren arbeid gewonnen hadden. Zij +vierden hunne feesten op tweeërlei wijze. De eerste gold voor de edelen en de lieden van aanzien: het gebruik wilde dat ieder +der gasten, op zijne beurt, een feest gaf gelijk aan dat waarop hij genoodigd was. Aan elk der gasten gaf men een gebraden +kip, brood en uit cacao bereiden drank in overvloed; en na afloop van den maaltijd, een mantel om zich te bedekken en een +kleinen piedestal met een daarop geplaatsten beker, die zoo fraai mogelijk bewerkt was. Kwam een der gasten inmiddels te sterven, +dan ging de verplichting om den maaltijd te geven op zijne erfgenamen of familie over.”—Is dat niet hetzelfde gebruik, hetwelk, +zoo als wij zien, nog heden heerscht? En verder: “Bij deze maaltijden werd den gasten te drinken gegeven door schoone vrouwen, +die, na hun den beker toegereikt te hebben, zich omkeerden en zoo met afgewend gelaat wachtten tot de gast den beker geledigd +had. De indiaansche vrouwen volgen nog dezelfde gewoonte, als zij haar mannen bedienen.” + +</p> +<p id="d0e443">Wij verlaten vroegtijdig het bal, want wij moeten morgen ochtend vroeg vertrekken. Onze manschappen zijn gereed; muildieren +en dragers hebben hun vracht; de paarden zijn gezadeld; een deel van het militair geleide gaat als voorhoede op weg; wij volgen. +Het pad is de oude weg naar Pisté, die nu bijna geheel is dichtgegroeid, zoodat wij achter elkander moeten loopen en niet +dan met moeite voortkomen. De tocht is vrij vervelend: wij trekken altijd door het dichte kreupelhout, vol lianen en doornen, +waarboven slechts enkele palmen en hoogstammige boomen zich verheffen. + +</p> +<p id="d0e445">Wij komen te Pisté, waarvan niets meer over is dan de gehavende en vervallen kerk, waarin thans eene afdeeling van vijf-en-twintig +soldaten is gelegerd, als een uiterste voorpost tegen de Indianen. De manschappen moeten drie maanden in deze wildernis blijven, +eer zij afgelost worden. Het gevaar is niet groot, want de Indianen, die opgestaan waren om hunne vrijheid te heroveren en +uit wraak hun overwonnen vijanden vermoordden, gaan nu nog maar alleen op roof uit. + +<span class="pageno"><a id="d0e447"></a>Bladzijde 36</span></p><a id="d0e448"></a><h1>V</h1> +<p id="d0e451">Het was laat in den namiddag, toen wij de ruïnen bereikten. Hoewel ik vroeger reeds tweemalen te Chichen was geweest, doortrilde +mij toch een gevoel van blijde verrassing, toen ik in de verte het dusgenoemde Castillo ontdekte, tronende op zijne steile +pyramide van zeventig voet hoogte. + +</p> +<p id="d0e453">Wij hadden nauwelijks tijd gehad, ons in het Castillo te installeeren, toen de avond viel. Het was een aangrijpend schouwspel. +Statig dreef de maan aan den onbewolkten, met tintelende sterren bezaaiden hemel, en goot haar licht uit over de eindelooze +met bosch bedekte vlakte; op den voorgrond teekenden zich de grillige gestalten van muren of dichtbegroeide heuvels en terpen. +Met deze ruïnen bekend, kon ik mijn reisgenooten elk monument aanwijzen. + +</p> +<p id="d0e455">Het Castillo vormt het middelpunt der ruïnen; ten oosten, aan den voet der pyramide, lag het marktplein, met twee kleine, +daartoe behoorende paleizen; ten noorden, de ruïnen van een fraai gebouw en de gewijde cénoté, met den tempel ter bewaking +van het bassin; ten noordwesten de beroemde Kaatsbaan; ten oosten en ten zuidoosten, de Chichanchob, de Caracol, de tweede +cénoté, het paleis der Nonnen, de Akab-sib, en verder, de sedert lang verlaten hacienda. Wij spraken half fluisterend over +het geheimzinnig verleden van die doode stad, die wij zouden trachten uit het graf op te roepen; geen enkel geluid steeg uit +de wijde vlakte tot ons op: alom een plechtige stilte als op een kerkhof, slechts nu en dan afgebroken door het geroep der +schildwachten, die met geregelde tusschenpoozen elkander waarschuwden. + +</p> +<p id="d0e457">Toen de dag was aangebroken, vertoonde zich een ander schouwspel, niet minder schoon. De vlakte, geheel met een dichten nevel +overdekt, waarboven de pyramiden en de begroeide terpen uitstaken, scheen een kalme zee, met groene eilanden bezaaid; de horizon +tooide zich, bij het rijzende licht, met de heerlijkste kleuren; lichte, doorschijnende nevelwolkjes zweefden door de ruimte, +telkens wisselend van vorm en tint. Eindelijk verscheurde zich de nevelsluier en smolt weg voor de zonnestralen, niets achterlatende +dan de schitterende droppels, als diamanten over de bladeren van het geboomte verspreid. + +</p> +<p id="d0e459"></p> +<div id="d0e460" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-036.jpg" alt="Bas-relief aan de Kaatsbaan te Chichen-Itza."></p> +<p class="figureHead">Bas-relief aan de Kaatsbaan te Chichen-Itza.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e464">De zoogenoemde steden der Mayas verschilden ten eenemale van onze tegenwoordige steden; de Spanjaarden vergeleken de eerste +steden, die zij hier zagen, met de steden in hun vaderland, met Sevilla bij voorbeeld; maar deze vaak herhaalde vergelijking +is toch verre van juist. Voor zoo ver wij daarover thans, naar de overblijfselen, kunnen oordeelen, bestonden deze steden +uit eenige groepen van gebouwen, die wij overal terugvinden, namelijk: een of meer tempels, de paleizen van den vorst en van +de caciquen of hoofden, en gebouwen voor de openbare dienst bestemd. Deze groepen waren, schijnbaar zonder plan of orde, over +eene aanmerkelijke oppervlakte verspreid; de tusschenruimten werden ingenomen door tuinen, waartusschen met cement geplaveide +wegen liepen; in den omtrek stonden de hutten der bedienden en slaven. + +</p> +<p id="d0e466">Chichen-Itza—dat wil zeggen, nabij de put van de Itza—ontleent haar naam aan den cénoté of de twee cénotés, aan welker zoom +de bevolking zich had neergezet. Chichen is jonger dan Izamal en Aké, maar ouder dan Uxmal: evenals deze laatste stad, behoort +zij tot den tijd, toen men bij het bouwen geen cement, maar gehouwen steenen gebruikte. De berichten, die wij omtrent de stad +bezitten, zijn zeer schraal en zeer onzeker, zoo als trouwens alles wat wij aangaande Yucatan weten. Dit alleen is met zekerheid +bekend, dat Chichen, <span class="pageno"><a id="d0e468"></a>Bladzijde 38</span>omstreeks de helft der vijftiende eeuw, door hare inwoners verlaten werd. De bevolking verhuisde in massa—de oorzaak dier +verhuizing is onbekend—en stichtte in de lagune van Peten, ruim honderd mijlen meer zuidwaarts, een klein vorstendom, waarvan +de hoofdstad Tayasal werd genoemd, dat door Cortez op zijn tocht naar Honduras werd bezocht, en dat eerst in 1697—alzoo, nog +geen tweehonderd jaar geleden—door de Spanjaarden werd veroverd. + +</p> +<p id="d0e470"></p> +<div id="d0e471" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-037.jpg" alt="Het paleis der Nonnen te Chichen-Itza."></p> +<p class="figureHead">Het paleis der Nonnen te Chichen-Itza.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e475">“Wij weten dus dat Chichen, omstreeks zestig jaar vóór de aankomst der Spanjaarden nog bewoond was, en dat hare monumenten +toen nog ongeschonden in wezen waren. Het is trouwens meer dan waarschijnlijk, dat deze stad, die bevoorrecht was niet twee +groote en onuitputtelijke water-reservoirs—een onschatbaar bezit in een land, dat van water is ontbloot,—al spoedig nadat +zij door hare inwoners verlaten was, op nieuw bevolkt werd en dat zij aldus haar leven voortzette tot op het tijdstip der +verovering. + +</p> +<p id="d0e477">De eerste bezetting door de Spanjaarden had plaats in 1527. Montejo landde, tegenover het eiland Cozumel, op de oostkust van +Yucatan, met vierhonderd soldaten. Hij liet zijne schepen achter, onder de hoede der matrozen, en trok, onder het geleide +van een Indiaan van Cozumel, naar het binnenland: dit verhaalt de Bachiler Valencia, die zijn verhaal schreef in 1639, te +Valladolid woonde en van een der veroveraars afstamde. Bovendien blijkt ten duidelijkste uit de namen der steden, die Montejo +doortrok, dat de expeditie haar weg nam van het oosten naar het westen; bij de tweede expeditie daarentegen, in 1541, toen +de Spanjaarden te Champoton landden, trokken zij van het westen naar het oosten. + +</p> +<p id="d0e479">Montejo kwam te Coni, dat van de kaart verdwenen is, trok door de provincie Choaca, en bereikte Kaba; van Kaba begaf hij zich +naar Aké, een dorp, dat, zoo als wij reeds opmerkten, niet moet worden verward met de stad Aké, waarvan wij de ruïnen hebben +bezocht. Daar stuitte hij op eene talrijke menigte Indianen, die hem den weg wilden versperren; het kwam tot een gevecht, +het bloedigste dat de Spanjaarden hadden te leveren; en voor de eerste maal leerde Montejo het dappere volk kennen, waartegen +hij te kampen zou hebben. Ondanks hunne vuurwapenen, die vreeselijke verwoestingen aanrichtten in de dichte drommen der Indianen, +ondanks hunne ijzeren harnassen, die hen bijna onkwetsbaar maakten, moesten de Spanjaarden twee dagen achtereen vechten, om +den hardnekkigen tegenstand hunner vijanden te overwinnen. Van Aké begaf Montejo zich naar Chichen-Itza, dat men hem, volgens +Herrera, had aangewezen als eene bij uitnemendheid geschikte plaats om zich daar te vestigen. De stad was dus bewoond. Montejo +nam te Chichen zijn intrek in de gebouwen, waarvan wij nader zullen spreken; hij vestigde zich daar te midden van eene bevolking, +die ten gevolge van het vreeselijke gevecht bij Aké, door den schrik als verlamd was. + +</p> +<p id="d0e481">In den eersten tijd ondervonden de Spanjaarden dus geene moeilijkheden en ontbrak het hun aan niets; maar allengs begon het +den Indianen te verdrieten, in het onderhoud te moeten voorzien van deze vreemden, die ieder per dag meer gebruikten dan voor +het onderhoud eener geheele indiaansche familie gedurende eene maand noodig was; zij weigerden zich langer te onderwerpen +aan de afpersingen en wreede mishandelingen van deze bandieten. Nu werden niet langer levensmiddelen naar het kamp gebracht; +eindelijk verdwenen de Indianen, de veroveraars in eene eenzame wildernis achterlatende. Op den overvloed van straks volgde +nu gebrek en hongersnood; om zich levensmiddelen te verschaffen, moesten de Spanjaarden verre tochten naar de omliggende dorpen +ondernemen en daar met geweld nemen, wat men hun niet vrijwillig wilde afstaan: van daar onophoudelijke gevechten; de Spanjaarden +hadden honderd-vijftig hunner manschappen verloren, en de overgeblevenen waren allen gewond. Montejo, die waarschijnlijk de +gemeenschap met zijne schepen had onderhouden, zag zich genoopt tot den terugtocht. Het omliggende land was geheel door Indianen +bezet, en de terugtocht werd uiterst bezwaarlijk. Na een bloedig gevecht, waarin Montejo een deel van zijne beste manschappen +verloren had, volgde een zeer donkere nacht, die bij uitstek gunstig scheen voor de vlucht. Hij beval de grootst mogelijke +stilte, liet de hoeven der paarden omwikkelen, opdat men hen op den rotsigen grond niet hooren zou; om de waakzaamheid der +Indianen te verschalken, liet hij vervolgens een zijner honden aan een buigzamen paal, waaraan een bel bevestigd was, vastbinden; +en op eenigen afstand, buiten het bereik van den hond, een stuk vleesch nederleggen, dat het hongerige dier vergeefs trachtte +te bereiken. Het gelui van de bel en het janken van den hond brachten de Mayas in den waan, dat hunne vijanden nog steeds +in hun kamp waren. Inmiddels trokken de Spanjaarden in alle stilte naar het noorden, in de richting van Cilan. Toen het dag +werd, bespeurden de Indianen dat zij misleid waren geworden: woedend zetten zij de vluchtelingen na, die niet dan met groote +moeite de zeekust en het grondgebied van een vredelievenden vorst bereikten, die hun eene schuilplaats bood. + +</p> +<p id="d0e483">Het paleis der Nonnen (el palacio de las Monjas) is een der voornaamste paleizen van Chichen-Itza; men heeft er een klooster +van gemaakt, evenals van het groote gebouw te Uxmal, dat denzelfden naam draagt. Sommige schrijvers verhalen namelijk, dat +bij de Azteken in Mexico de gewoonte heerschte, om jonge meisjes van aanzienlijke familie en omstreeks twaalf jaren oud, gedurende +zekeren tijd aan de goden te wijden. De meesten verlieten den tempel om in het huwelijk te treden; sommigen verbonden zich, +door plechtige gelofte, voor haar geheele leven. Sahagun deelt mede dat deze meisjes, kleine priesteressen of zusters genoemd, +in de bijgebouwen van den tempel woonden, onder streng opzicht van daartoe aangestelde vrouwen; zij leidden daar een kloosterleven, +en waren aan zeer strenge regelen onderworpen. Haar hair werd afgeknipt; zij moesten des nachts opstaan om te bidden en den +tempel te reinigen; zij vastten bijna <span class="pageno"><a id="d0e485"></a>Bladzijde 39</span>onophoudelijk en pijnigden en martelden zichzelven op allerlei wijze ter eere der goden. Zij doorboorden zich de tong en de +ooren met scherpe doornen, sliepen steeds geheel gekleed, om elk oogenblik haar arbeid te kunnen hervatten, gingen altijd +met neergeslagen oogen, en moesten de doodstraf ondergaan voor iedere inbreuk op de strenge regelen der godsdienstige tucht. +Zij waren dus inderdaad nonnen. + +</p> +<p id="d0e487">Het paleis bestond uit een middengebouw en twee vleugels; de plaat op <a id="d0e489" href="#d0e471">bladz. 37</a> geeft den voorgevel van den linkervleugel te aanschouwen, die zeer schoon en uitmuntend goed bewaard is gebleven. Deze façade +bestaat uit drie vooruitspringende lijsten, die twee friesen begrenzen, waarvan de versiering uit dezelfde motieven is saamgesteld. +Op de eerste fries ziet men twee omlijste hoog-reliefs, waarop mannen zijn voorgesteld in neergehurkte houding; het lichaam +van den een is gevat in de schaal van een schildpad; de reusachtige, groteske figuren in het midden en aan de hoeken van de +eerste fries vindt men ook aan de façade van het hoofdgebouw, en met geringe wijzigingen op alle monumenten van Yucatan.—Het +hoofdgebouw van het paleis der Nonnen leunt tegen eene pyramide, op welker terras of platform een zeer net bewerkt gebouw +verrijst, bevattende kleine kamers met twee nissen tegenover elke deur, en gescheiden door een gang, die op den westelijken +uithoek van de pyramide uitkomt. Op dit tweede gebouw rust nog een derde van kleiner afmetingen: het geheel vormt dus een +paleis van drie verdiepingen. + +</p> +<p id="d0e492">Wij keeren terug tot het gebouw waarin wij onzen intrek genomen hebben, dat ten onrechte den naam van Castillo draagt en eigenlijk +een tempel was. Het rust op eene pyramide met vier trappen, naar de vier windstreken gekeerd; de plaat op <a id="d0e494" href="#d0e514">bladz. 40</a> stelt den westelijken gevel voor. De pyramide, waarvan de basis vier-en-vijftig meters bedraagt, bestaat uit negen terrassen, +door loodrechte muren gedragen; zij is gekroond met een gebouw, waarvan de zijden ongeveer twaalf el lang en breed zijn, bij +eene hoogte van zes el vijftig duim. Het bovenvlak van de pyramide verheft zich een-en-twintig el boven de vlakte; de trap +bestaat uit negentig treden van ongeveer twaalf el breed. + +</p> +<p id="d0e497">Uit deze constructie blijkt dat de naam van Castillo, kasteel, vesting, nog niet zoo ten eenemale onjuist is: immers zoowel +in Yucatan als op de hoogvlakten, dienden de tempels in tijd van oorlog als vestingen; op die reusachtige trappen en terrassen +verzamelden zich, in den uitersten nood, de uitgelezenste krijgslieden, om den zegevierenden vijand tegen te houden en hun +leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De verdediging van zulk eene vesting kon lang worden volgehouden; en wanneer de bezetting +inderdaad uit onverschrokken mannen bestond, die tot sterven bereid waren, dan moest de bestorming van elk dezer terrassen +stroomen bloeds kosten. Wij zien daarvan een voorbeeld bij de bestorming van den grooten tempel te Mexico: de Spanjaarden +werden bij herhaling terug geslagen, en Cortez moest zich zelf aan de spits zijner soldaten plaatsen, om achtereenvolgens +de vier terrassen der pyramide te veroveren; het gevecht werd nog voortgezet op het bovenste plat, waar zich de Azteken hadden +vereenigd, die tot den laatsten man werden gedood. + +</p> +<p id="d0e499">De noordelijke façade, die tevens de voornaamste was, moest, nog ongeschonden, een grootschen indruk maken. Zij bestaat uit +eene portiek met twee massieve kolommen, onderling verbonden door houten lijsten, waarop de dubbele kroonlijst van de fries +rust, in het midden versierd met een groot medaillon. Deze portiek geeft toegang tot eene galerij, die de geheele breedte +van het gebouw inneemt; uit de galerij komt men door eene enkele deur in een groot vertrek, zeer waarschijnlijk het heiligdom, +waarvan het dubbele gewelf gedragen werd door twee pilaren met vierkante kapiteelen. De trap tegenover deze façade was breeder +dan die aan de drie anderen; ter wederzijde zag men, bij wijze van leuning, een reusachtige gevederde slang, van onderen uitloopende +in een monsterachtigen kop met wijd geopenden bek en uithangende tong. De kolommen, de pilaren, de deurposten en houten lijsten +zijn bedekt met beeldhouwwerk en bas-reliefs. Even als de paleizen te Mexico en te Palenqué, hadden ook de paleizen te Chichen +geene deuren, maar werden de openingen slechts met matten of gordijnen gesloten; men vindt dan ook geen sporen van scharnieren, +maar wel kleine gaten in de zuilen, waarin de koorden voor de gordijnen werden vastgemaakt. + +</p> +<p id="d0e501">Toen Landa omstreeks 1560 Chichen bezocht, was deze voorgevel nog ongeschonden; geen steen ontbrak aan de negen terrassen +van de pyramide, en de tempel vertoonde zich nog zoo als hij uit de hand der bouwmeesters was gekomen. Landa maakt ook gewag +van de twee slangen ter wederzijde van de groote trap. “De galerij diende voor het ontsteken van reukwerk, en boven de deur +ziet men een groot in steen uitgehouwen medaillon, waarvan de beteekenis mij onbekend is. Rondom dit gebouw bevinden zich +een aantal anderen, groot en goed gebouwd; de tusschenruimte is bekleed met cement, die een aaneengesloten geheel vormt en +geheel nieuw schijnt, zoo hard is de kalk, waarvan zij de cement maken.” + +</p> +<p id="d0e503">Die lagen van cement, die wij ook elders gevonden hebben, zijn eene kenmerkende eigenaardigheid van de kunst der Tolteken. +Te Chichen zijn die cementlagen nu verdwenen; maar uit de beschrijving van Landa blijkt, dat in zijn tijd de bodem nog niet +met planten en kruiden was begroeid: hetgeen bewijst, dat de stad nog niet lang geleden verlaten was. De uitmuntende toestand +van de gebouwen, van de pyramiden en van dit plaveisel van cement, in een land waar de plantengroei zoo krachtig en welig +is, bewijst dit nog te meer en wel op de meest afdoende wijze. + +</p> +<p id="d0e505">In dezen tempel trof ons voor het eerst de verrassende overeenstemming tusschen de tolteeksche beeldwerken en bas-reliefs +op de hoogvlakten, en de bas-reliefs van deze stad in Yucatan. Deze monumenten zijn, naar mijne overtuiging, afkomstig van +de Tolteken, en van betrekkelijk jongen datum. Ziehier het bewijs voor deze meening. +<span class="pageno"><a id="d0e507"></a>Bladzijde 40</span></p> +<p id="d0e508">De balustrade van de groote trap verbeeldt, zoo als wij zagen, eene gevederde slang, geheel overeenkomende met die aan den +muur van den tempel te Mexico. De gevederde slang was het symbool van Quetzalcoatl, een god der Tolteken en der Azteken: in +Yucatan was zij het teeken van Cuculkan, een god der Mayas; in beide talen hebben de twee namen dezelfde beteekenis, namelijk +die van <i>gepluimde slang</i>. Dit beeld, dat op de gebouwen van Yucatan veelvuldig voorkomt, diende ook ter versiering van de huizen der aanzienlijken +te Mexico. Clavigero zegt ons dat de Azteken, in hunne bouworde, de kroonlijst bezigden, en dat men aan sommige gebouwen eene +reusachtige slang in relief zag, die zich om alle openingen van het paleis slingerde, en zich zelve in den staart scheen te +bijten. + +</p> +<p id="d0e513"></p> +<div id="d0e514" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-040.jpg" alt="Het Castillo te Chichen-Itza. (Blz. 39.)"></p> +<p class="figureHead">Het Castillo te Chichen-Itza. (<a id="d0e517" href="#d0e485">Blz. 39</a>.) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e521">De twee pilaren van den voorgevel vertoonen eene onmiskenbare overeenkomst met eene tolteeksche zuil, die wij te Tula hebben +gezien: ook hier zijn de schachten met vederen versierd en vertoonen de basementen den kop van een slang. Uit alles blijkt +dus dat deze tempel aan Cuculkan was gewijd. Ook het kapiteel van den pilaar te Chichen-Itza verdient de aandacht. Het is +geheel gebeeldhouwd: in het midden ziet men eene staande figuur, die met haar opgeheven armen het entablement schijnt te torsen. +Deze gestalte met haar langen baard is wederom eene voorstelling van den tolteekschen god Quetzalcoatl, die onder verschillende +gedaanten werd afgebeeld. Zijne kleeding is buitengewoon rijk: aan de polsen draagt hij breede armbanden, en op het hoofd +een reusachtig tooisel van vederen; om zijn hals hangt een lange keten van edelgesteenten, en zijne laarsjes zijn met lederen +rosetten versierd. +<span class="pageno"><a id="d0e523"></a>Bladzijde 137</span></p> +<p id="d0e524"></p> +<div id="d0e525" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-137.jpg" alt="Kampement in het bosch."></p> +<p class="figureHead">Kampement in het bosch.</p> +</div><p> + + +</p><a id="d0e529"></a><h1>VI</h1> +<p id="d0e532">Ik heb reeds gezegd, dat er te Chichen-Itza twee cénotés zijn, reusachtige kuilen, met loodrechte wanden, waarin het water +door onderaardsche beken wordt aangevoerd. Deze twee natuurlijke reservoirs hebben ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de +keuze van deze plaats voor de stichting eener stad en voor de nederzetting eener talrijke bevolking in den omtrek. De inwoners +van Chichen konden zich de moeite sparen om diepe putten te boren; evenmin behoefden zij kunstmatige waterbakken of vijvers +aan te leggen: de natuur zelve had gezorgd voor een rijken overvloed van water, een voorraad, die onuitputtelijk was en ook +bij de grootste droogte nooit verminderde. Een van deze cénotés bevond zich in het midden van de stad, en werd dan ook het +meeste gebruikt; door middel van eene glooiing, waartegen men eene soort van trap had gemaakt, daalde men naar het water af; +de andere, de heilige cénoté, ligt ten noorden van het Castillo, buiten den kring der gebouwen en op de grenzen der stad. +Om dezen te bereiken, moeten wij ons een weg banen midden door het bosch; halverwege vinden wij de helft van een groot beeld +van Tlaloc, en in de onmiddellijke nabijheid groote hoopen van puin, overblijfselen van twee tempels, aan wier voet wij weder +het beeld terugvinden van de gepluimde slang, Quetzalcoatl of Cuculcan, die de voornaamste godheid der bevolking van Chichen +schijnt te zijn geweest. + +</p> +<p id="d0e534">De cénoté, die ongeveer honderd-vijftig el verder ligt, is langwerpig van gedaante; het water is niet te bereiken, want de +loodrechte wand is omstreeks twintig el hoog en biedt nergens eene gelegenheid tot afdalen. Het water schijnt groen van kleur: +dit kan het gevolg zijn van de aanzienlijke diepte, of ook de weerspiegeling van het dichte gebladerte rondom den put. Deze +eenzame cénoté, waarvan de wanden met distels, struiken, heesters en lianen begroeid zijn, te midden van het bosch, maakt +een somberen indruk. Deze plek was eens gewijd als bedevaarts- en offerplaats; Chichen was eene heilige stad, en deze cénoté +behoorde tot de voornaamste heiligdommen. Een kleine tempel, waarvan wij nog de ruïnen kunnen ontdekken, verrees aan zijn +zoom; aan de lokale godheid werden hier niet enkel halskettingen van edelgesteenten, gouden en zilveren vazen geofferd, maar +ook volwassen menschen en kinderen, die vermoedelijk hier in de diepte werden geworpen. + +</p> +<p id="d0e536">Landa maakt zoowel van den cénoté als van <span class="pageno"><a id="d0e538"></a>Bladzijde 138</span>den tempel melding; een breede, fraai geplaveide weg voert daarheen; hij vindt er vazen en allerhande soort van offergaven; +hij voegt er bij, dat er nog in 1560 menschenoffers werden geslacht. + +</p> +<p id="d0e540">Mij dunkt, dit is duidelijk genoeg. Meer dan veertig jaren na de verovering bestaat de tempel nog ongeschonden, vol van afgodsbeelden +en van wijgeschenken, door de toen levende Indianen daar gebracht; er wordt nog voortdurend dienst in gedaan, en men ziet +er afbeeldingen van Mayas in hun nationaal kostuum. Hoe kan men dan beweren, dat deze tempels het werk zijn van een verdwenen +ras en dagteekenen uit een tijdvak vóór onze christelijke jaartelling? Het verhaal van Landa moet iedereen de oogen openen. +De stad was tijdens de verovering nog betrekkelijk jong, en ongetwijfeld bewoond toen Francisco de Montejo haar voor het eerst +in 1527 bezette: immers in 1560 werden de tempels nog door de geloovigen bezocht. + +</p> +<p id="d0e542">Van den heiligen cénoté begeven wij ons naar de Kaatsbaan, het voornaamste en het best bewaard gebleven van al dergelijke +gebouwen, die voor het bij uitnemendheid nationale spel der Indianen waren bestemd. Het bestond uit twee evenwijdig loopende, +zware gemetselde muren, ongeveer honderd el lang en tien el dik; de afstand tusschen de muren bedraagt vijf-en-dertig el. +Aan het uiteinde dier muren bevinden zich twee kleine gebouwtjes, waarvan dat aan de noordzijde slechts een enkel vertrek +bevat, van eene op zuilen rustende galerij of portiek voorzien, waar de aanzienlijke heeren, beveiligd tegen de brandende +zonnestralen, op hun gemak het spel konden gadeslaan. Over de architektuur en de uitwendige dekoratie van dat gebouwtje kunnen +wij in den tegenwoordigen toestand geen oordeel meer vellen; maar van binnen was het zeer rijk versierd: de zuilen en muren +zijn geheel met bas-reliefs bedekt, die echter door den tijd in hooge mate geleden hebben. + +</p> +<p id="d0e544">Dit groote monument alleen, waarvan alle geschiedschrijvers melding maken en dat zij Tlachtli en Tlachco noemen, is op zich +zelf reeds een afdoend bewijs voor den tolteekschen invloed in Yucatan, want dit gebouw komt geheel overeen met de voor het +kaatsspel bestemde lokalen op de hoogvlakten. De groote afmetingen en de rijke versiering van den Tlachtli te Chichen-Itza, +waarvan wij bereids eene proeve hebben gegeven (zie <a id="d0e546" href="#d0e447">bladz. 36</a>), leveren ons het bewijs, dat het geliefkoosde spel van de bewoners der hoogvlakten in Yucatan niet minder in eere werd gehouden. + + +</p> +<p id="d0e549">Wij mogen Chichen-Itza niet verlaten, zonder nog te spreken van de beide beelden, op de bladz. <a id="d0e551" href="#d0e392">33</a> en <a id="d0e554" href="#d0e433">35</a> afgebeeld. Het eene is afkomstig van Chichen, waar het eenige jaren geleden gevonden werd; het andere is afkomstig uit den +omtrek van Tlascala in de onmiddellijke nabijheid van Mexiko: alzoo op grooten afstand van het eerste. Naar de meening van +doctor Hamy, waarmede ik mij geheel kan vereenigen, stellen de beide beelden den tolteekschen god Tlaloc voor, den god van +den regen en den overvloed. + +</p> +<p id="d0e557">Een enkele blik op de beide beelden is voldoende om ons te overtuigen, dat zij denzelfden persoon moeten voorstellen. Het +verschil in de wijze van bewerking doet niets ter zake: het is blijkbaar dezelfde persoon, in dezelfde houding, met dezelfde +kom op den buik om den regen op te vangen, en hetzelfde soort van kapsel of hoofddeksel. Het eene beeld is van kalksteen en +het andere van basalt; dat uit den omtrek van Tlascala is misschien van zuiver tolteekschen arbeid en dan zeer oud; maar van +waar het ook afkomstig moge zijn, het is zeer stellig tolteeksch van karakter en verspreidt dus ook licht over het andere +beeld van Chichen-Itza. + +</p> +<p id="d0e559"> + +</p> +<p id="d0e561">Van Merida begeven wij ons naar Ticul in het zuiden, om vandaar uit de fraaie ruïnen van Kabah te bezoeken. Van dezen tocht +is niets te zeggen: het landschap van Yucatan is bij uitnemendheid eentonig, de eene weg gelijkt volmaakt op den anderen. +In deze streek zijn de woningen of hofsteden minder ver van elkander verwijderd, maar onderscheiden zich overigens niet van +de haciendas in andere streken. Als naar gewoonte, in den vroegen morgen vertrokken, komen wij omstreeks negen uren te Uayalceh; +de muildieren moeten eenige rust nemen, en wij maken daarvan gebruik om te ontbijten. + +</p> +<p id="d0e563">In deze groote hofsteden moet men voor de genoten gastvrijheid betalen; maar de reizigers worden er goed ontvangen; men beijvert +zich om u te bedienen en de prijzen zijn matig. Terwijl ons maal wordt gereed gemaakt, gaan wij de hacienda bezien. Uayalceh +is een indiaansch woord, dat “de rust van het hert” beteekent; de dusgenoemde plantage is waarschijnlijk de voornaamste in +Yucatan. Men verbouwt hier, behalve de noodige maïs voor de voeding van het talrijke personeel, uitsluitend henequen; dit +gewas is trouwens winstgevend genoeg, want men verzekert mij dat de netto opbrengst vijftigduizend piasters bedraagt, dat +is omstreeks tweehonderd-vijftigduizend francs. De hacienda is voor een millioen te koop! Dat geeft dus eene rente van vijf-en-twintig +percent! Het spijt mij, dat ik geen millioen beschikbaar heb. + +</p> +<p id="d0e565">Op de hacienda leeft eene bevolking van niet minder dan twaalfhonderd personen, die allen een of anderen arbeid verrichten. +De kinderen zijn in de woning, onder het opzicht van een ouden Indiaan, bezig met het schoonmaken van een gewas, waarvan de +naam mij onbekend is. Hun vroolijk gezang weergalmt door het geheele huis. Vrouwen gaan en komen, in lange rijen achter elkander, +naar en van de noria, om de waterkruiken te vullen, die zij op haar hoofd dragen. Men zou zich in den tijd der aartsvaders +verplaatst wanen, kwam niet de stoommachine den indruk bederven. + +</p> +<p id="d0e567">Des avonds omstreeks vijf uren komen wij te Ticul, waar, door de goede zorgen van onzen vriend Don Antonio Fajardo, voor ons +een huis in gereedheid is gebracht, dat wij aanstonds betrekken. + +</p> +<p id="d0e569">Ticul mag in waarheid eene stad worden genoemd; welvarend en mooi, goed gelegen, niet ver van de heuvelreeks, die van het +noordwesten naar het <span class="pageno"><a id="d0e571"></a>Bladzijde 139</span>zuidoosten het schiereiland doorsnijdt. Alle sporen van den indiaanschen oorlog schijnen hier uitgewischt; alles ziet er splinternieuw +uit, uitgezonderd de kerk en het groote klooster, waar de door Stephens zoo hoog geroemde abt Carillo woonde, en dat bijna +een bouwval is. Daar woont in een der haast niet bruikbare kamers de nieuwe pastoor, een vroolijk, voorkomend, aangenaam man, +de broeder van den zoo even genoemden abt, van wien de amerikaansche reiziger ons zoo veel goeds vertelt. + +</p> +<p id="d0e573">De inwoners van Ticul zijn zeer vriendelijk en ontvangen ons met groote hartelijkheid. Evenmin als elders in Yucatan, vindt +men ook hier een hotel; maar in de kleine <i>tienda</i>, waarin wij onzen intrek nemen, vonden wij eene goede bediening en eene vrij wat betere tafel dan te Merida. Daar ontvangen +wij geregeld bezoek van eenigen der voornaamste burgers van Ticul, die ons helpen bij onze studie en met wie wij onze avonden +op de aangenaamste wijze doorbrengen. + +</p> +<p id="d0e578">Ons doel was in de eerste plaats de ruïnen van Kabah te bezoeken, die tot de hacienda Santa-Ana behooren; maar tusschen de hacienda en de ruïnen strekt zich een bosch +van vier mijlen uit, waardoor geen enkele weg loopt. Don Antonio geeft mij den raad eenige manschappen vooruit te zenden, +om een weg te banen; en op last van den burgemeester zal een troep Indianen van het dorp Santa-Helena den arbeid verrichten. +Wij zullen twee dagen geduld moeten oefenen; en daar er op de hacïenda Yokat een feest of kermis zal worden gevierd, dringt +de eigenaar, die niemand anders is dan onze vriend Fajardo, er op aan, dat wij daarbij tegenwoordig zullen zijn. Zoo gezegd, +zoo gedaan. + +</p> +<p id="d0e583">Deze feesten in Yucatan worden zeer druk bezocht en lokken een aantal menschen, ook al worden zij buiten op het land gevierd. +Het feest te Yokat moest drie dagen duren; stierengevechten, dansen, maaltijden in de open lucht, kramen en tenten van allerlei +soort, niets zal er ontbreken; en van tien mijlen in den omtrek stroomt de bevolking er heen. De weg is vol van voetgangers +en <i>volans cochés</i>: deze wonderlijke rijtuigen, opgepropt met fraai uitgedoste vrouwen, schijnen welhaast bewegelijke bloemenkorven.—De hacienda, +mooi gelegen aan den voet van een steilen heuvel, bestaat uit ruime gebouwen en prachtige tuinen; de gelukkige eigenaar is +zeer verheugd als ik hem mijn oprecht gemeend compliment maak over zijne kostbare bezitting. + +</p> +<p id="d0e588">Wij wonen de mis bij, gevolgd door eene preek in de taal der Mayas, die zeer zacht en welluidend klinkt; voor kapel dient +eene lange galerij, waar een groot aantal mooie vrouwen, in haar fraaie rijk geborduurde kleederen en met gouden kettingen +versierd, liggen neergeknield of op den grond zitten; allen volgen met eerbiedige aandacht de heilige handeling. Nauwelijks +heeft de priester het <i>Ita missa est</i> uitgesproken, of zij zweven weg, als een dartele vogelenzwerm. + +</p> +<p id="d0e593">Daarop volgden de voorstellingen; ik druk de kleine handjes der koninginnen van het feest, drie jonge meisjes van vijftien +tot achttien jaar, waarvan de eene met volle recht eene schoonheid van den eersten rang mag worden genoemd. Er worden ververschingen +gepresenteerd; en elke van deze bekoorlijke jonge meisjes komt haar rozenlipjes aan mijn glas zetten: dit is zoo het gebruik. + + +</p> +<p id="d0e595">Intusschen groeit de menigte van oogenblik tot oogenblik aan; zij vult de ruime binnenplaatsen van de hacienda en het uitgestrekte +terrein voor de woning; daar bevindt zich de circus voor de stierengevechten, een groot amphitheater van takken, met verwonderlijke +vlugheid door de Indianen in elkaar gezet. Het geheel bestaat uit planken, takken, palmbladen, lianen, zonder een enkelen +spijker: en toch zit alles vast en zal dit luchtig getimmerte, zonder gevaar van bezwijken, het gewicht kunnen torschen van +ettelijke duizenden toeschouwers. + +</p> +<p id="d0e597">Daartegenover bevindt zich de balzaal, van takken en groen gemaakt; en verder, in bonte wanorde door elkander, een aantal +kraampjes en winkeltjes, waar allerlei soorten van drank, vooral ook koppig engelsch bier, worden verkocht, en waarvoor de +dorstige klanten elkaar verdringen. Er wordt sterk gedronken; de opgewondenheid neemt hand over hand toe; het is een geraas, +een geschreeuw een gejuich, dat hooren en zien vergaat. + +</p> +<p id="d0e599">Het uur voor de stierengevechten is gekomen; de circus is overvol; voor mij ligt de aantrekkelijkheid van het schouwspel minder +in de kampplaats, dan wel in het publiek, hoofdzakelijk bestaande uit mestiezen-vrouwen, stralende van vreugde en genot, uitgedost +in haar fraaiste kleederen, schitterende in de bontste kleuren, in roode, gele en blauwe borduursels, die zoo goed uitkomen +tegen de sneeuwwitte jurken, te midden van wolken van kant, waartusschen de gouden kettingen en edelgesteenten vonkelen. Welk +een betooverende aanblik! En, vreemd, niet waar? er zijn daar ruim tweeduizend toeschouwers en daaronder hoogstens drie- of +vierhonderd mannen: men zou zeggen, dat men zich in eene vergadering van dames bevond. Deze wanverhouding tusschen het mannelijk +en het vrouwelijk element is een verschijnsel, dat men in alle heete landen aantreft, waar het blanke ras zich gevestigd heeft. +Op Java zijn van de zeven kinderen, die geboren worden, gemiddeld vijf meisjes. Hier schijnt het verschil nog grooter: de +verhouding is hier, naar men zegt, van zeven of acht op tien. Mijn gastheer heeft acht dochters en twee zoons; op eene bevolking +van honderd-elf-duizend blanken of mestiezen, zou men dus ter nauwernood twee-en-twintigduizend mannen tellen. Deze schromelijke +wanverhouding, het onwedersprekelijk bewijs van den achteruitgang en de verbastering van het ras, komt natuurlijk niet voor +bij de indiaansche bevolking, die op honderd-vijftigduizend zielen wordt geschat, en die dus het evenwicht eenigermate zou +helpen herstellen. Men moet echter ook niet vergeten, dat de onophoudelijke burgeroorlogen en de langdurige gevechten met +de Indianen onder de mannelijke bevolking groote verwoestingen hebben aangericht; misschien is ook daaraan voor een deel het +ontzaglijk overwicht van het vrouwelijk element toe te schrijven. + +</p> +<p id="d0e601">Vermoeid van het oorverdoovend geraas, van valsche muziek en eindeloos herhaalde dansen, keer <span class="pageno"><a id="d0e603"></a>Bladzijde 140</span>ik naar Ticul terug, waar ik tijding hoop te vernemen van mijne werklieden. Bij mijne tehuiskomst hoor ik inderdaad dat de +weg naar de ruïnen gebaand is, en dat ik vertrekken kan wanneer het mij behaagt. + + +</p><a id="d0e605"></a><h1>VII</h1> +<p id="d0e608">Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen, +en de volans-cochés zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de ruïnen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul +verwijderd; Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint +zich tegenwoordig weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de onmiddellijke nabijheid voor het grijpen; +zij zijn afkomstig uit een groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond, welke thans geheel in puin +liggen. Onder die materialen merken wij vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en, hetgeen opmerkelijk +is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen werktuig, +dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne beeldwerken +en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen +voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen +van koper met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest. + +</p> +<p id="d0e610"></p> +<div id="d0e611" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-140.jpg" alt="Ruïnen van het eerste paleis te Kabah (Blz. 142.)"></p> +<p class="figureHead">Ruïnen van het eerste paleis te Kabah (<a id="d0e614" href="#d0e618">Blz. 142</a>.) +</p> +</div><p> +<span class="pageno"><a id="d0e618"></a>Bladzijde 142</span></p> +<p id="d0e619">De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ruïnen van Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide +en vele andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken +zij van de vorsten dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken of steden aan de andere zijde waren gelegen +van de heuvelketen, die Yucatan doorsnijdt. + +</p> +<p id="d0e621"></p> +<div id="d0e622" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-141.jpg" alt="Het paleis van den gouverneur te Uxmal. (Blz. 142.)"></p> +<p class="figureHead">Het paleis van den gouverneur te Uxmal. (<a id="d0e625" href="#d0e618">Blz. 142</a>.) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e629">Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge +pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ruïnen bedekt, triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte. +Deze gebouwen, met die van Uxmal, welke wij zoo aanstonds zullen bezoeken, en die van Chichen-Itza, welke wij reeds kennen, +kunnen ons een volledig denkbeeld geven van de architektuur in Yucatan, en leveren tevens het afdoend bewijs voor de eenheid +der beschaving in het schiereiland. + +</p> +<p id="d0e631">Al deze monumenten, van de oudste tot de jongste, hebben denzelfden oorsprong, zijn afkomstig van hetzelfde volk en vertoonen +allen, met eenige varianten, denzelfden karaktertrek. Zie het eerste paleis van Kabah: de voorgevel is op de weelderigste +wijze versierd, maar wij vinden hier dezelfde kolossale figuren terug, die wij te Chichen hebben gezien, en die het best zijn +te vergelijken met die reusachtige houten afgodsbeelden, uit boven elkander geplaatste hoofden bestaande, die van de eilanden +in den Stillen-oceaan afkomstig zijn. De versiering van dit monument is tot in het buitensporige overdreven: de architektonische +lijnen, ja ik zou bijna zeggen, het gebouw zelf verdwijnt geheel en al, om plaats te maken voor ornamenten. De zeer vervallen +toestand, waarin het monument verkeert, laat niet meer toe, een oordeel over het geheel te vellen; maar deze vijftig el breede +voorgevel met zijne alles overstelpende dekoratie moet een zonderlingen indruk hebben gemaakt. + +</p> +<p id="d0e633">Evenals alle monumenten in Yucatan, verrees ook dit paleis op eene pyramide van twee verdiepingen; voor het gebouw strekte +zich eene ruime esplanade uit, waarop zich ter wederzijde twee breede waterbakken bevonden en in het midden de zuil voor de +strafoefeningen, de <i>picoté</i>. Het inwendige van het paleis bevat eene dubbele reeks van zalen, de schoonste, die wij nog gezien hebben. Zij hebben eene +lengte van ongeveer negen, bij eene breedte van ruim drie el, en zijn zes el hoog. In alle zalen waren de wanden beschilderd +en met beelden en opschriften bedekt, zoo als blijkt uit de brokstukken die ons nog zijn overgebleven: het is zelfs waarschijnlijk, +dat de gebouwen geheel beschilderd waren. De polychromie was dus bij de Yucateken in gebruik, even als bij de volken der oude +wereld. Ook bij hen werd, even als in de klassieke oudheid, de schilderkunst nooit van de bouwkunst gescheiden: die beide +kunsten vulden elkander aan, en hetgeen wij nu eene schilderij noemen, bekleedde toen slechts eene zeer onderschikte plaats. +Ook hier besteedde de kunstenaar zijne voornaamste zorg aan de uitwendige dekoratie; en die levendige sprekende kleuren, in +zoo weelderigen rijkdom aangebracht op de breede gevels, moeten, met de warreling der monsterachtige figuren, niet weinig +hebben bijgedragen tot verhooging van de zeker echt barbaarsche pracht dezer wonderlijke gebouwen. + +</p> +<p id="d0e638">Het tweede paleis ligt honderd-vijftig el ten noordoosten van het eerste; het verheft zich evenzoo op eene pyramide, en heeft +ook zijne esplanade met twee waterbakken en een <i>picoté</i>; maar het staat bovendien op een tweede terras, dat eene reeks zalen bevat, die geheel zijn verwoest. In het midden bevindt +zich de trap, gedragen door een soort van gewelf, die toegang geeft tot het gebouw. + +</p> +<p id="d0e643">Dit zeer lage paleis—de hoogte bedraagt niet meer dan vijf el—onderscheidt zich door zijn eenvoud, tegenover de overladen +versiering van het andere. De gevel, die bijna nog in zijn geheel aanwezig is, heeft eene breedte van vijftig el; in dien +gevel zijn zeven openingen, waarvan twee toegang geven tot twee kleine en nauwe vertrekjes. Het benedenste gedeelte van den +muur is zonder versiering; de fries boven de weinig uitstekende kroonlijst bestaat uit kleine zuilen, bij drietallen gegroepeerd, +met een vlakken muur tusschenbeiden. Het achterste gedeelte van het paleis is geheel vernield. + +</p> +<p id="d0e645">Links van dit monument verrijst eene pyramide met verschillende verdiepingen, voorzien van vier trappen, die naar de bovenste +terrassen voerden, waar de gebouwen geheel in puin liggen. Deze pyramide is omringd door vertrekken van verschillende afmetingen, +waarvan de deuren of toegangen soms door pilaren in tweeën gescheiden zijn. De posten en drempels der deuren zijn van steen, +even als in het tweede paleis; voor het meerendeel zijn die posten zeer goed bewaard gebleven. + +</p> +<p id="d0e647">Omtrent de geschiedenis van Kabah verkeeren wij niet ten eenemale in het duister. Wij zeiden reeds, dat bij de verschijning +der Spanjaarden, Yucatan in verschillende onafhankelijke vorstendommen of heerlijkheden was verdeeld. Maar een eeuw vroeger +voerde de vorst van eene zekere stad, Mayapan genoemd, den schepter over het geheele schiereiland: hij had de aan zijn vorstendom +grenzende gewesten onderworpen en, als naar gewoonte, hunne hoofdsteden verwoest. De caciquen van de Sierra, waartoe ook de +vorsten van Kabah, Uxmal enz. behoorden, waren onder de verwonnelingen. + +</p> +<p id="d0e649">De vorst van Mayapan kon zijn gezag alleen staande houden met behulp van eene mexikaansche bezetting: dit geeft ons een datum. +Wij weten namelijk dat de Azteken schatplichtig waren aan den koning van Azcapozalco, en dat zij eerst onder de regeering +van Itzcoatl, omstreeks het jaar 1425, hunne onafhankelijkheid herwonnen; dat zij echter eerst onder de regeering van Montezuma +I, omstreeks 1440, invloed verwierven en veroverend optraden; zij konden dus eerst in dezen tijd aan den vorst van Mayapan +hulptroepen zenden. + +</p> +<p id="d0e651">Om zijne heerschappij te verzekeren en zijne vazallen in onderwerping te houden, dwong de koning van Mayapan de hoofden der +voornaamste familiën om als gijzelaars aan zijn hof te vertoeven; het juk der overheersching drukte des te <span class="pageno"><a id="d0e653"></a>Bladzijde 143</span>zwaarder en scheen te hatelijker, omdat de overwinnaar steunde op de hulp van vreemde soldaten. De andere vorsten sloten onderling +een verbond, waaraan ook de bewoners van de Sierra deelnamen; het kwam tot een oorlog; de koning van Mayapan werd overwonnen +en zijne stad geheel verwoest. De gevangen gehouden caciquen keerden naar hunne woonsteden terug. + +</p> +<p id="d0e655">Dit geschiedde in 1420, volgens Landa; maar volgens Herrera, wiens chronologie veel juister schijnt en door beter bewijzen +gestaafd, in 1460. “Volgens hem verliepen er zeventig jaar tusschen de verwoesting van Mayapan en de komst der Spanjaarden: +Montejo nu hield van 1528 tot 1531 Chichen bezet. Herrera verzekert ook, dat na de verdeeling van het land in onafhankelijke +gewesten, de bevolking zich zoo sterk vermenigvuldigde, dat het geheele land slechts eene enkele stad scheen; men bouwde overal +tempels en paleizen: “het is daarom dat er zoo velen van zijn.” Ook Landa zegt hetzelfde: ook hij verzekert dat de bevolking +buitengewoon toenam en dat er tempels in menigte gebouwd werden, “zoodat men die heden nog overal ziet, en dat men in de bosschen, +te midden van het woud, groepen van huizen en verwonderlijk schoon bewerkte paleizen vindt.” + +</p> +<p id="d0e657">De monumenten, waarvan wij de ruïnen nog heden kunnen bestudeeren, zijn dus in geenen deele uit lang vervlogen eeuwen, uit +voorhistorische tijden afkomstig. + +</p> +<p id="d0e659">De weg van Kabah naar Santa-Helena is een der beste, die wij nog ontmoet hebben: hij is vrij breed, goed belommerd en niet +al te oneffen. Was deze bruikbare weg voor ons reeds eene verrassing, eene nog grootere wachtte ons, toen wij het prachtige +indiaansche dorp Santa-Helena bereikten. + +</p> +<p id="d0e661">Dit dorp beslaat eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds, die, even als eene nieuwerwetsche stad, in regelmatige vierkante +vakken is verdeeld; elk vak, met groote boomen beplant, is weder gesplitst in perceelen van ongeveer tweeduizend el in oppervlakte, +omringd door muren van gedroogden steen, waarop de woning van den eigenaar staat. Eenige bloeiende heesters en vruchtboomen +vormen kleine bosschages, en nabij de woning ziet ge een soort van groote horde van rijswerk, twee meter in het vierkant en +op palen rustende, waarover een laag teelaarde is gespreid. In dit hangende tuintje kweekt de eigenaar bloemen en eenige groenten. +Een zwerm van gevogelte stoffeert het stille plekje: het gekakel van kippen, het gekwaak van eenden en het geklok van kalkoenen +vermengt zich met het geknor van varkens. Alles teekent welvaart, bijna overvloed. + +</p> +<p id="d0e663">Dit dorp was voor mij bijna eene openbaring uit het verleden. Zoo moet, zeide ik tot mij zelven, een dorp der Mayas er hebben +uitgezien. Uit hetgeen wij voor oogen hebben, kunnen wij zonder moeite en met meer dan waarschijnlijkheid tot de vroegere +toestanden besluiten; de eeuwenoude traditiën, de overgeërfde begrippen en voorstellingen, geheel de omgeving oefenen een +zoo machtigen invloed op de menschen uit, dat er in de indiaansche organisatie niet veel veranderd kan zijn. Van waar zou +ook zulke verandering gekomen zijn? De Spanjaarden hebben wel, ook in Yucatan, hunne godsdienst ingevoerd, en dat geschiedde +meer door geweld, dan langs den weg der overtuiging; maar zij konden noch de bebouwing des lands, noch de kleederdracht, noch +de zeden, noch de taal veranderen. Zij zelven ondergingen, door de aanraking met het onderworpen ras, gaandeweg eene zeer +wezenlijke verandering; en indien het hun al gelukte de plaats in te nemen van de oude beheerschers des lands, zoo traden +zij toch onder menig opzicht, eenvoudig in hun spoor. + +</p> +<p id="d0e665">Yucatan was eene feodaliteit, waarvan de sporen nog geheel te herkennen zijn; overal langs de wegen en in de bosschen, vindt +men de overblijfselen van meer of minder belangrijke gebouwen, die het middelpunt vormden van eene nederzetting, van eene +groote plantage: de twee, drie of vier pyramiden, vroeger met monumenten bedekt, stellen ons nog in staat ons een denkbeeld +te maken van de macht en het aanzien van den cacique, die daar weleer zijn zetel had. + +</p> +<p id="d0e667">Tegenwoordig zijn die nederzettingen ongetwijfeld minder talrijk en minder belangrijk, want de bevolking is tot minder dan +een tiende geslonken, dank zij het vaderlijk regeeringsstelsel der veroveraars; maar de steden, dorpen en haciendas hebben +dezelfde bestemming én staan nog op de oude plaats: daar zijn er maar weinigen, in wier onmiddellijke nabijheid men geen ruïnen +vindt en die niet zijn gebouwd met de materialen, van de vroegere monumenten afkomstig. Overal heeft de Spanjaard de plaats +ingenomen van den overwonnen cacique; er is niets veranderd, dan alleen dat de oude adellijke familie tot armoede en slavernij +is vervallen. + +</p> +<p id="d0e669">In het wezen der zaak is niets veranderd: de hacienda met haar gebouwen in spaansch-moorschen stijl heeft de plaats ingenomen +van het paleis der vorsten of de nederiger woning van den edelman. Maar even als vroeger, omgeven de hutten der arbeiders +en onderhoorigen ook nu het huis van den heer, en die hutten vertoonen nog heden het beeld der vroegeren: ook zij zijn langwerpig +van vorm, met riet gedekt, en, wanneer de bewoner maar eenigszins welgesteld is, versierd met die kleine ruitvormige teekeningen, +eene flauwe afschaduwing der rijke dekoratie van de paleizen der vroegere vorsten.—Alleen de godsdienst is veranderd: de kerk +heeft den tempel verdrongen: maar wie zal zeggen, in welke mate de oude heidensche wereldbeschouwing nog leeft in de harten +dezes volks? Van Santa-Helena begeven wij ons naar Uxmal, waar ons de administrateur, Don Luïz Perez, wachtte. De hacienda +is niet meer de verlaten, eenzame woning van voorheen: er heerscht thans leven en beweging, en overal is alles in volle werkzaamheid. +In plaats van eene eenvoudige hut, aanschouwt ge een statig gebouw, dat ruime zalen en vertrekken bevat en met eene op kolommen +rustende veranda prijkt. In de werkplaats zijn dag en nacht honderden Indianen aan den arbeid; een spoorweg loopt van de hacienda +naar de plantages en de met muildieren bespannen wagens voeren onophoudelijk vrachten suikerriet aan; er is een rustelooze +<span class="pageno"><a id="d0e671"></a>Bladzijde 144</span>beweging, een komen en gaan van menschen en paarden en vee: alles teekent leven en welvaart. Maar evenals vroeger, is de woning +ongezond; en de majordomo klaagt bitter over de sluipkoortsen, die zijne gezondheid ondermijnen. + +</p> +<p id="d0e673">De ruïnen zijn twee mijlen van de hacienda verwijderd. + +</p> +<p id="d0e675">Uxmal, de mededingster van Chichen, is reeds meermalen beschreven; wij zullen ons dus hier tot het voornaamste bepalen. Daaronder +komt de eerste plaats toe aan het zoogenaamde paleis van den gouverneur, buiten kijf het grootste en het prachtigste van alle +oude monumenten in Amerika; zijne ligging op drie opeenvolgende terrassen verhoogt nog het effekt van dit tegelijk sobere en rijke gebouw. Hoewel sedert drie eeuwen verlaten, schijnt dit paleis nog bijna nieuw; het zou geheel ongeschonden +zijn, indien de vroegere eigenaars niet de steenen van het onderste gedeelte hadden laten weghalen om daarmede hunne hacienda +te bouwen. + +</p> +<p id="d0e680"></p> +<div id="d0e681" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-144.jpg" alt="Afgodsbeelden in terra cotta van Tabasco."></p> +<p class="figureHead">Afgodsbeelden in terra cotta van Tabasco.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e685">Het zoogenaamde paleis der nonnen beslaat een groot parallelogram, gevormd door vier fraaie gebouwen, wier bij uitnemendheid +rijke ornamentatie aanstonds de aandacht trekt. De noordelijke vleugel van dit paleis bevat een stuk van een kleiner en ongetwijfeld +ouder gebouw: naar men vermoedt, zou dit het overblijfsel zijn van een paleis, dat deel uitmaakte van eene vroegere stad Uxmal, +die, naar men zegt, verwoest werd. Het laatste paleis dagteekent vermoedelijk uit den tijd na den val van Mayapan. + +</p> +<p id="d0e687">Het huis van den Dwerg, ook het huis van den Waarzegger genoemd, is een zeer fraaie tempel op den top eener zeer steile pyramide, +die eene hoogte bereikt van bijkans honderd voet. De tempel bestaat uit twee gedeelten: het eene staat op het bovenste terras; +het andere is bij wijze van souterrain daartegen aangebouwd en met den gevel naar het westen gekeerd. Deze soort van kapel +was zeer rijk versierd en waarschijnlijk aan den dienst van een der voornaamste goden gewijd. Twee groote trappen, een ten +oosten en een ten westen, voeren naar de beide gebouwen. + +</p> +<p id="d0e689">Pater Cogolludo bezocht dien tempel in 1656; hij verhaalt ons dat de trap zoo steil was dat hij er duizelig van werd, en dat +hij in een der zalen van het gebouw offeranden van cacao vond en sporen van copal, die men er sedert kort gebrand had: hieruit +blijkt dus, dat de Indianen van Uxmal, honderd-vijftien jaren na de verovering, nog aan hunne goden offerden. Daaruit blijkt +ook, dat de tempel nog in wezen was en dat de Indianen er nog hunne oude eeredienst uitoefenden. + +</p> +<p id="d0e691">Uxmal is de eenige stad, waar de gebouwen zoo <span class="pageno"><a id="d0e693"></a>Bladzijde 145</span>geplaatst zijn, dat men ze gezamenlijk overzien kan. Bepaaldelijk wordt de aandacht getrokken door eene groote pyramide zonder +monument, met eene breede vlakke kruin, die den naam draagt van <i>Cerro de los sacrificios</i>, heuvel der offeranden, waar de menschenoffers plaats grepen. Deze pyramide zou dan eene navolging zijn van de mexikaansche +tempels, welke uit eene pyramide bestonden, met kleine houten kapellen waarin de beelden van de afgoden stonden, en den <i>techcatl</i>, een blok steen met bolle oppervlakte, waarop het slachtoffer werd uitgestrekt, zoodat de vooruitstekende borst gemakkelijk +door het mes van den priester kon worden opengesneden, die er vervolgens het hart uitnam. Het menschenoffer geschiedde altijd +ten aanschouwe van het volk, aan den rand der pyramide, van waar men vervolgens het lijk naar beneden wierp, opdat de toeschouwers +het onder zich zouden kunnen verdeelen en verslinden. + +</p> +<p id="d0e701"></p> +<div id="d0e702" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-145.jpg" alt="Ruïne van een paleis te Uxmal."></p> +<p class="figureHead">Ruïne van een paleis te Uxmal.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e706">De Tolteken daarentegen, bij wie het menschenoffer niet in gebruik was, hadden werkelijk tempels op hunne pyramiden, naar +de beschrijving te oordeelen, geheel overeenkomende met die, welke men in Yucatan ziet, waar zij deze wijze van bouwen invoerden +en ontwikkelden. Vinden wij dus bij de Mayas het menschenoffer en de daarmede verbonden anthropophagie, dan kunnen wij dit +gebruik alleen aan mexikaansche invloeden toeschrijven: alle geschiedschrijvers verklaren dan ook eenstemmig dat het de Azteken +waren, die deze afschuwelijke gewoonte in het schiereiland invoerden. Maar wij weten dat deze Azteken niet voor het jaar 1440 +als hulptroepen naar Mayapan konden komen. De voor het voltrekken der menschenoffers bestemde monumenten kunnen dus niet ouder +zijn dan de tweede helft der vijftiende eeuw. + +</p> +<p id="d0e708">Ik kan te dezer plaatse deze kwestie van den ouderdom der monumenten van Yucatan niet in alle bijzonderheden bespreken; op +deugdelijke gronden ben ik overtuigd dat de steden van het schiereiland, op verschillende tijden door de veroverende Tolteken +gesticht, voor het meerendeel niet ouder zijn dan de elfde eeuw, en dat de jongsten uit de vijftiende eeuw dagteekenen. + +</p> +<p id="d0e710">Wij nemen afscheid van de ruïnen en slaan den weg in naar Muna, een aanzienlijk vlek, waar een feest gevierd wordt. Welk een +aantal feesten! Bijna in elk dorp, dat wij doortrekken, is het feest. Dat is eene uitmuntende gelegenheid om te drinken; het +wemelt van beschonkenen en de herbergen zijn vol van Indianen, die het verfoeilijke bier drinken. Maar ge hoort geen geschreeuw +en ziet geen vechtpartijen of ergerlijke tooneelen: zelfs in hunne dronkenschap zijn deze lieden stil en vreedzaam. De een +gaat op den grond liggen; een ander ziet u met verglaasde oogen aan; een derde wil u uit louter teederheid omhelzen. +<span class="pageno"><a id="d0e712"></a>Bladzijde 146</span></p> +<p id="d0e713">Op het marktplein waggelt een mooie, rijzige mesties, met een blauwen hoed op en geheel in het nieuw gestoken; hij valt, maar +richt zich weer op, dank zij de krachtige hulp van zijne moeder en zijne vrouw, die hem zoo goed zij kunnen ondersteunen en +trachten weg te voeren. Dicht bij ons, op de trappen van de herberg, waar wij onzen intrek genomen hebben, richt een jonge +Indiaan zich op: aarzelend kijkt hij naar den winkel, waaruit hij naar buiten is getuimeld, en die hem zoo onwederstaanbaar +lokt met al die gevulde flesschen. Twee schreden verder staat zijne kleine vrouw, die hem wacht, en hem met haar zachte stem +toefluistert, ”<i>Coox....</i> laat ons gaan.” Maar hij gaat niet: de verzoeking is hem te sterk: hij keert in de herberg terug en komt naar buiten met +een gevuld glas, dat hij zijne echtgenoote aanbiedt. De Indiaansche keert zich om, omsluiert zich het gelaat, drinkt het glas +leeg, en zegt tot haar gemaal, maar op nog zachter toon: ”<i>Co.....ox</i>.” Hij, denkende haar overreed te hebben, lacht onnoozel, keert in de herberg terug, drinkt nog een glas en gaat nu, bijna +bewusteloos, met dof starende oogen, weer op de trap liggen. ”<i>Co....ox....coox</i>,” herhaalde de vrouw op klagenden toon; maar hij hoorde haar niet meer. De ongelukkige zal daar misschien den geheelen nacht +blijven liggen, en zijne vrouw zal bij hem waken tot de dag aanbreekt. + +</p> +<p id="d0e724">Wij vernachtten te Abala in eene verlaten hut, en kwamen den volgenden morgen ten tien uren, te Merida. + + +</p><a id="d0e726"></a><h1>VIII</h1> +<p id="d0e729">Wij gaan te Progreso aan boord van de <i>Asturias</i>, een stoombootje zoo groot als een notendop, met slechts vier slaapplaatsen. Gelukkig zijn wij de eenige passagiers. De zee +is kalm, en den volgenden morgen vroeg komen wij te Campêche. Daar het bootje maar zeer weinig diepgang heeft, kunnen wij +dicht genoeg de kust naderen om het panorama van de stad te kunnen genieten; grootere stoomschepen moeten ook hier, even als +te Progreso, het anker uitwerpen op vier mijlen afstands van de kust, van waar men ter nauwernood het land kan zien. + +</p> +<p id="d0e734">Campêche werd gebouwd op de plek, waar eene oude indiaansche stad stond, en waar Antonio de Cordova zich ophield bij zijne +eerste ongelukkige expeditie van 1517. De Indianen kwamen de vreemdelingen tegemoet, en, zegt Bernal Diaz del Castillo, “zij +geleidden ons naar zeer uitgestrekte gebouwen, die de kapellen van hunne goden bevatten. Op de muren dier gebouwen zag men +bas-reliefs, reusachtige slangen verbeeldende; daarnaast, geschilderde afbeeldingen van goden, rondom een soort van altaar, +waarop nog versche bloeddroppelen zichtbaar waren. Een groot aantal mannen en vrouwen kwamen naderbij, glimlachende en vriendelijk; +naar het scheen, enkel gedreven door de begeerte om ons te zien.”—Maar het tooneel veranderde weldra: men bracht vuurpotten, +waarin geurig riet brandde, en priesters, wier haren doortrokken waren van bloed, beduidden den Spanjaarden dat zij deze kust +moesten verlaten, eer de vuurpotten waren uitgebrand, anders zouden zij vermoord worden. De Spanjaarden verwijderden zich +aanstonds, en keerden eerst in 1541 te Campêche terug. Tempels en pyramiden zijn sedert lang verdwenen, maar zoowel deze gebouwen +als de eigenaardige versiering, de zonderlinge ceremoniën, die priesters met hunne bloedige haren—dit alles herinnert ons +levendig aan Mexico. Wat is er van die tempels en pyramiden geworden? Als alle gebouwen langs de kust of in de onmiddellijke +nabijheid der spaansche nederzettingen, zijn zij van de aarde verdwenen; zij behoorden tot dezelfde bouworde als de monumenten +in het binnenland, die aan de vernielingswoede der veroveraars ontsnapten en die, zij het ook als ruïnen, nog bestaan. + +</p> +<p id="d0e736">Toen Campêche later de rijkste stad van Yucatan was geworden, werd zij bij herhaling door fransche en engelsehe zeeschuimers +geplunderd; om de stad tegen die bijna periodiek wederkeerende rooverijen te beveiligen, omgaf men haar met een zwaren muur +en bracht haar in staat van tegenweer. Die muur, waaraan de stad toen hare veiligheid dankte, beknelt en benauwt haar nu, +en verhindert hare uitbreiding. Het voorkomen van Campêche verschilt van dat van Merida: de kromme bochtige straten der voorsteden, +de grachten met haar ophaalbruggen en de zware muren geven haar het karakter eener vesting, waarop zij roem draagt: metterdaad +werd zij slechts eene enkele maal belegerd door de inwoners van Merida, die haar niet konden overmeesteren. De straten loopen +niet rechtlijnig, zoo als in alle andere steden der republiek; en de ongelijke huizen, die ook hooger zijn dan in de mexikaansche +steden, geven aan Campêche een minder oostersch voorkomen. Monumenten zijn er niet, en de kathedraal is meer dan eenvoudig. + + +</p> +<p id="d0e738">De rijke kooplieden bezitten, buiten de stad, villas en buitenverblijven, <i>fincas</i> genoemd, waar de tropische flora al haar weelde en overstelpenden rijkdom ten toon spreidt, en die de stad met een krans +van groen omringen.—Uit zee gezien, maakt Campêche, zoo als het daar ligt tegen het hellende strand, tusschen twee fraai gevormde +heuvelen, een zeer schilderachtigen indruk. + +</p> +<p id="d0e743">De boot zou hier een dag stilhouden. Ik haastte mij aan land te gaan om de hand te drukken van een mijner beminnelijkste correspondenten, +don José Ferrer, die mij reeds herhaaldelijk, met den vriendelijksten aandrang, gastvrijheid had aangeboden, ingeval mijne +studiën mij naar Campêche mochten voeren. Ik vond daar een alleraangenaamst interieur, en bracht in den blijden familiekring, +onder zang en muziek en vroolijk gesprek, een dag door, dien ik niet gemakkelijk vergeten zal. + +</p> +<p id="d0e745">Om vier uren in den namiddag moest ik weer naar onze drijvende notendop terugkeeren om naar Carmen te stoomen, en reeds verheugde +ik er mij over dat wij nog alleen aan boord waren, toen eene groote sloep vol passagiers de boot naderde. Het was een troep +tooneelspelers, achttien personen sterk, vergezeld van honden, katten en papegaaien. Dat was een ramp! Het vooruitzicht toch, +in dit gezelschap, een paar dagen op zee te moeten doorbrengen, was alles behalve aangenaam: te minder daar wij vriendelijk +verzocht werden, de hutten <span class="pageno"><a id="d0e747"></a>Bladzijde 147</span>te ontruimen, die de troep reeds voor lang had afgehuurd. Niet zonder moeite kon ik bewerken, dat men mijn secretaris Lucien +ongemoeid zou laten, die met hevige koorts te bed lag. Zijn kermen trok de aandacht van de komedianten, en de vrouwen maakten +zich ongerust over de nabijheid van den zieke. “Wat scheelt hem toch? vroegen zij, op angstigen toon. Het is toch niet de +gele koorts? + +</p> +<p id="d0e749">—Waarschijnlijk wel;” antwoordde ik met een zeer ernstig gezicht; en de verschrikte troep ontruimde dadelijk de hutten om +zich naar het andere einde van het schip terug te trekken.—Wij namen weer bezit van onze bedden en brachten een zeer aangenamen +nacht door, zoodat wij des morgens verkwikt te Carmen aankwamen. + +</p> +<p id="d0e751">Carmen is de groote stapelplaats van het onder den naam van Campêchehout bekende verfhout; de stad is rijk; een aantal handelshuizen +hebben groote fortuinen gewonnen in dien weinig bekenden handel, die een langdurig verblijf in het land vordert en eene volkomen +kennis eischt van de plaatselijke toestanden en van de menschen, met wie men in aanraking komt. Een van de voornaamste huizen +is dat van de heeren Anizan, waarvan ik vroeger den stichter had gekend: hij was dood, maar zijn broeder don Benito en zijn +zoon don Pancho waren nog in leven. Wij hadden elkander in geen vijf-en-twintig jaren gezien, en wij waren dus alle drie vrij +wat veranderd: men herkende mij eerst nadat ik mijn naam had genoemd. Maar nu was ik ook aanstonds een lid der familie; ik +knoopte met don Benito een gesprek aan over de ruïnen, waarmede hij volkomen vertrouwd was. Hij had juist eene zeer merkwaardige +ontdekking gedaan. Don Benito is eigenaar van een zeer groot eiland in de Usumacinta, het eiland del Chimal, waar men oude +pyramiden, graven en overblijfselen van tempels vindt. Bij het doen van opgravingen had men nu kanonnen gevonden van gebakken +aarde, anderhalve el lang, met kogels eveneens van gebakken aarde, waarvan hij mij enkele exemplaren aanbood. Dit aarden kanon +schijnt inderdaad iets zeer vreemds, maar bij nadenken wijkt mijne verbazing en kan ik mij de zaak zeer goed verklaren. Het +schijnt mij zeer natuurlijk, dat ten gevolge van den grooten veldslag, dien Cortez tegen de troepen van Tabasco moest leveren +bij Centla—tegenwoordig Comalcalco—waarbij hij al zijne krachten moest inspannen en waarin vooral de artillerie uitstekende +diensten bewees,—het schijnt mij natuurlijk, zeg ik, dat de Indianen, ten hoogste getroffen door de vreeselijke uitwerking +van het nieuwe wapentuig, eene poging hebben beproefd om het na te maken. Zonder zich rekenschap te geven van de werking van +het kruit en onbekend met het ijzer, vergenoegden zij zich, in hunne naieve onwetendheid, met het nabootsen van dit moorddadig +wapentuig in aarde, denkende dat zij daarmede hetzelfde doel zouden bereiken als de Spanjaarden met hun geschut. + +</p> +<p id="d0e753">Bij den dood van den cacique werden de kanonnen en de kogels van gebakken aarde met hem begraven. Ook hieruit wederom blijkt +de jonge dagteekening van sommigen dezer grafheuvelen. + +</p> +<p id="d0e755">De vaart van Carmen naar Frontera duurt twaalf uren; juist een jaar nadat wij deze plaats verlaten hadden, stapten wij er +weer aan land. Er is niets veranderd: de kleine aanlegsteiger ziet er nog wat meer vervallen uit dan ten vorigen jare; en +de slechte herberg, waarin wij toen onzen intrek namen, hangt nog altijd op haar palen boven het slijkerig bed der rivier, +waarvan zij de verderfelijke uitwasemingen uit de eerste hand ontvangt. Er is evenwel geene keus: deze afschuwelijke fonda +is de eenige, en overal elders zouden wij ongetwijfeld aan hetzelfde gevaar zijn blootgesteld. De stad is in de hoogste mate +ongezond; de directeur der douane is gedurende mijne afwezigheid gestorven; pokken, dysenterie en gele koorts heerschten om +strijd in dit rampzalig stadje, dat driehonderd inwoners verloren had. Maar een goede genius beschermt de reizigers: wij blijven +gespaard en zetten onze studiën voort, in afwachting dat eene stoomboot of een ander vaartuig ons hooger op de rivier zal +kunnen brengen. + +</p> +<p id="d0e757">Mijne nasporingen langs de kust en de rivier hebben mij in staat gesteld, met vrij groote zekerheid de plaats te bepalen, +waar de oude hoofdstad Centla eens stond. De Grysalva van heden komt niet overeen met de rivier van vroeger: zij liep toen +meer dan twintig mijlen meer westwaarts, in de bedding van de rio Seco, nabij de stad Comalcalco, waarvan wij de ruïnen hebben +bezocht; hetzij door eene werking der natuur, hetzij op kunstmatige wijze, werd haar loop veranderd. Ik heb daarvan het bewijs. +Tijdens zijne expeditie en zijn grooten veldslag tegen de inwoners van Tabasco, hield Cortez zich op aan den mond van eene +rivier, die zich met twee monden in zee uitstortte: las dos Bocas, een naam, die nog heden wordt gebruikt voor de uitmonding +van de rio Seco. Van zijne vaartuigen konden slechts de allerkleinste door den mond der rivier binnenvaren; bij Frontera daarentegen +loopen schepen van twaalf voet diepgang dagelijks zonder eenige moeite binnen. De geschiedschrijver bericht ons dat Cortez +zich terugtrok op een klein eiland, tegenover het dorp, bij Frontera bevindt zich slechts een zeer groot eiland, maar dat +ligt ongeveer een mijl lager. + +</p> +<p id="d0e759">Herrera gewaagt ook van eene voorde, waarvan de soldaten van Cortez gebruik maakten om de rivier te doorwaden, ten einde de +verschansingen der Indianen te gaan verkennen. Op de plaats waarvan hij spreekt, kan er in de Grysalva nimmer eene voorde +zijn geweest: overal is de rivier buitengewoon breed en zeer diep. Zoowel hieruit, als uit andere bijzonderheden, die Herrera +mededeelt, blijkt dat de groote veldslag geleverd werd aan de oevers van de rio Seco, en dat daar ook de indiaansche hoofdstad +Centla lag, tegenwoordig Comalcalco. + +</p> +<p id="d0e761">Gedurende mijn verblijf te Frontera houd ik mij vooral bezig met het opsporen van oud aardewerk, en het gelukt mij eene vrij +volledige verzameling bijeen te brengen. Wel zijn de indiaansche afgodsbeelden van terra-cotta in Tabasco niet zeldzamer dan +elders,—men vindt er eene menigte in de bosschen—maar in den regel slaat men ze stuk; <span class="pageno"><a id="d0e763"></a>Bladzijde 148</span>tot hiertoe heeft niemand zich de moeite gegeven, ze te verzamelen; in het museum te Mexico vindt men er geen enkel exemplaar +van. + +</p> +<p id="d0e765">Onder degenen die ik heb bijeengebracht, vindt men verschillende beelden, meer of minder overeenkomende met die van de hoogvlakten. +Ik voeg hier (<a id="d0e767" href="#d0e681">blz. 144</a>) de afbeelding van twee der fraaiste en volledigste bij. Als ik zeg fraaiste, is dat maar bij manier van spreken, want de +aarde is ruw en grof, de figuren zijn monsterachtig en onbeholpen, en men zou zeggen, dat de vervaardigers er zich bij voorkeur +op toelegden om iets grotesks en leelijks voort te brengen. Maar als bewijzen van de mate van kunstontwikkeling bij de Indianen, +en dus als historische dokumenten, hebben ook deze wanstaltige beelden waarde en betekenis. + +</p> +<p id="d0e770">Intusschen volgen de dagen maar steeds, in vervelende eentonigheid op elkander, en er is geen spoor van een stoomboot te ontdekken. +De dood velt rechts en links zijne slachtoffers, maar daar wij midden in het karnaval zijn, wordt er niet minder pret gemaakt +en gedanst. De jonge meisjes van de stad verschijnen in het logement, bijdragen vragende voor de kosten van het bal; onder +haar zijn er die er heel aardig uit zien, en daar men ook ons uitnoodigt, teekenen wij mede. Mannen, bij wijze van maskerade +in onmogelijke lompen gehuld, loopen door de straten, gevolgd door jongens en vrouwen, die luidkeels lachen om hunne kwinkslagen; +er worden zwermen afgestoken, koperinstrumenten schetteren, geaccompagneerd door het knarsen en janken van guitaren: het bal +begint. De menigte stroomt er heen; wij gaan mede om getuigen te zijn van de reeds vroeger aanschouwde tooneelen en van dezelfde +eentonige dansen. Julien, mijn bediende, is de koning van het feest: hij is jong, welgemaakt en danst verrukkelijk: de schoonen +van Frontera zijn op hem verzot en dingen om zijn gunst; wel eenigszins tot ergernis van Lucien, die hem niet uit het oog +verliest, maar hem zijn geluk vergeeft: want, zegt hij, hij is zachtaardig, dienstvaardig, bescheiden en hij poetst onze laarzen +beter dan iemand anders. Deze min of meer kwaadaardige opmerking gaat verloren onder een onbeschrijfelijk gerucht: daar is +een twist uitgebarsten, doorgaans het gevolg van gekrenkten minnenijd, die zich wreekt door een dolkstoot of een pistoolschot. +Eensklaps knalt een schot te midden der menigte: algemeene verwarring en luid geschreeuw van de dansers; men schiet toe; de +moordenaar wordt gevat door eenige vrienden, die hem zeer kalm naar het politie-bureau brengen. Het slachtoffer, aan de linkerzijde +van het hoofd getroffen, zakt in elkaar; men draagt hem weg, en het bal gaat, na deze kleine stoornis, weer zijn gang. + +</p> +<p id="d0e772">Eindelijk verschijnt eene kleine stoomboot, die de rivier moet opvaren, de kapitein wil ons wel opnemen, maar zonder zich +tot iets te verbinden en zonder te zeggen, waar hij ons zal afzetten. Ook kunnen wij geen prijs te weten te komen; men zal +niet meer van ons vragen dan billijk is: maar dat billijke zal wel zoo hoog mogelijk gesteld worden: wij ondervonden dat later. + + +</p> +<p id="d0e774">Wij vertrekken; maar reeds den volgenden dag, te Jonuta, vindt de kapitein den waterstand onrustwekkend laag: hij aarzelt, +of hij de reis wel zal voortzetten! Onze dringende verzoeken laten hem tamelijk onverschillig; eindelijk besluit hij toch +voort te stoomen, vooral omdat hij eene groote sloep op sleeptouw heeft genomen, vol Indianen en koopwaren. Deze sloep is +intusschen eene belemmering te meer voor onze vaart; en toen het avond geworden was, voeren wij zoo in den blinde door de +ondiepe rivier, dat wij omstreeks middernacht aan den grond raakten. Wij ontwaken door den schok: het kwaad is geschied. Te +vergeefs laat de machinist zijne machine voor- en achteruit werken: wij zitten als een muur. Tot overmaat van ramp heeft het +sleeptouw zich om de schroef gewikkeld, zoodat iedere beweging onmogelijk is. + +</p> +<p id="d0e776">Wij zijn op tien mijlen afstands van iedere menschelijke woning, en wanneer het water nog meer zakt, hebben wij het aangename +vooruitzicht, dat wij in deze positie den was van het volgende saizoen kunnen afwachten. De dag breekt aan, en het geval blijkt +minder hopeloos: de bemanning gaat te water, en de kapitein, met een mes gewapend, duikt onder om het touw door te snijden +dat de schroef omklemt. Deze begint weer te werken, en nu komt er ook beweging in de boot; omstreeks tien uren raken wij weer +vlot, en wij sukkelen voort tot aan Monte-Christo, een armoedig dorp aan den linkeroever van de Usumacinta, waar de kapitein +ons aan wal zet. + +</p> +<p id="d0e778">Onze bagage wordt op den oever neergezet, en nu komt het op betalen aan; ik vraag wat wij schuldig zijn. “Vijfhonderd francs,” +antwoordt de kapitein. Ik weet dat elke tegenspraak nutteloos is, maar toch veroorloof ik mij de opmerking, dat de boot de +groote zware sloep op sleeptouw heeft, bemand met vier Indianen, plus den eigenaar en eene vracht koopwaren, en dat men van +dien man niet meer dan vijftig francs voor het traject had gevraagd; ik verzoek dus te mogen weten, waarom men mij zoo veel +meer rekent;—maar de kapitein geeft eenvoudig ten antwoord: “Het is vijfhonderd francs.” Er schiet niet anders over dan te +betalen. + +</p> +<p id="d0e780">Nu rijst de vraag, hoe wij verder zullen komen. Als wij de rivier volgen, hebben wij vier of vijf dagen noodig om Ténosiqué +te bereiken; over land, dwars door de bosschen, bedraagt de afstand niet meer dan vier-en-twintig uren. + +</p> +<p id="d0e782">Dank zij de tusschenkomst van een Franschman, in dezen uithoek verzeild, gelukt het ons, binnen weinige uren, ons eene kano +met de noodige roeiers en levensmiddelen aan te schaffen; ik vertrouw ons geld en al onze verdere bagage aan de hoede van +mijn getrouwen Julien, die zich zoo spoedig mogelijk bij ons zal voegen. Lucien en ik nemen een gids en paarden, en gaan den +volgenden morgen op weg. + +</p> +<p id="d0e784"></p> +<div id="d0e785" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-149.jpg" alt="Campêche."></p> +<p class="figureHead">Campêche.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e789">Het weer is prachtig, de grond is droog, de weg gemakkelijk; alles gaat naar wensch; en na door eene uitgestrekte savane te +zijn gereden, volgen wij, in de schaduw van het geboomte, den oever der rivier tot aan de monding van de Chacamas, die wij +doorwaden. Toen kwamen wij in het woud; onze paarden, die op eene zeer onaangename <span class="pageno"><a id="d0e791"></a>Bladzijde 150</span>manier draven, vliegen, zoo hard zij kunnen. Onze gids, die aan deze manier van reizen gewoon is, wil ons zeker in één stuk +de twintig mijlen laten afleggen, die ons van Ténosiqué scheiden; daarom maakt hij zooveel mogelijk spoed. Wij hebben moeite +om hem te volgen, en de weg dunkt ons minder fraai. Op het nauwe pad, dat wij volgen, struikelen onze paarden telkens over +rotsblokken en stukken hout; de takken der boomen slaan ons in het gezicht: en links en rechts, van achteren en van voren, +omstrengelen ons de lianen, dreigende ons van het paard te sleuren of te worgen. Welk een afschuwelijke weg! De gids rent +maar altijd door, zonder zich in het minst om ons te bekommeren; wij verliezen hem uit het oog, en, uitgeput van vermoeienis, +laten wij onze paarden voortstappen, min of meer in den blinde het half gebaande pad volgende. + +</p> +<p id="d0e793">Een rit van zes uren had onzen honger geprikkeld: en toen wij eindelijk den gids weder vonden, die ons aan den oever eener +beek wachtte, was de eerste vraag: + +</p> +<p id="d0e795">“Waar zijn onze levensmiddelen? + +</p> +<p id="d0e797">—Welke levensmiddelen? + +</p> +<p id="d0e799">—Wel, het ontbijt, dat men heden morgen voor ons heeft gereed gemaakt.” + +</p> +<p id="d0e801">De ongelukkige had het vergeten; en om onzen honger te stillen, moesten wij ons tevreden stellen met wat rhum en water. + +</p> +<p id="d0e803">Hoe ook afgemat, hervatten wij den tocht, om tegen drie uren eene der krommingen van de Usumacinta te bereiken, waar zich +de hut van den veerman bevond. Daar waren kippen, dus ook eieren: wij plunderen de arme hut en besproeien ons zeer eenvoudig +maal met groote plassen posolé, een mengsel van gemalen maïs en water, maar zonder onzen brandenden dorst te lesschen. + +</p> +<p id="d0e805">Wij steken over naar den anderen oever, en komen, na een rit van twee uren te Cabecera, een armoedig dorp, op drie mijlen +afstands van Ténosiqué. Onze gids wil doorrijden, maar wij weigeren volstandig, en worden gastvrij ontvangen door twee oude +dames, die ons kippensoep en gebakken visch voorzetten, welke ons heerlijk smaken. Na een vrij rustigen nacht kwamen wij den +volgenden morgen vroeg te Ténosiqué. + + +</p><a id="d0e807"></a><h1>IX</h1> +<p id="d0e810">Ténosiqué is het laatste dorp in de vlakte; de eerste heuvelen van de Cordillera verheffen zich op twee mijlen afstands; de +Usumacinta komt daar, van de steilte nederdalend, met zeer sterk verval, tusschen twee bergen te voorschijn. Een weinig verder +begint de sierra met haar doolhof van onbekende valleien, waarin de Lacandons hun verblijf hebben gevestigd. Dat is de plaats +onzer bestemming; maar om er te komen, hebben wij vele moeilijkheden te overwinnen. + +</p> +<p id="d0e812">Ténosiqué ligt op eene hoogte, waardoor het tegen periodieke overstroomingen beveiligd is; maar even als alle van de hoofdplaatsen +verwijderde dorpen, bestaat het uit armzalige hutten, en leidt men er een vrij ellendig leven. Men bezorgt ons een hut, waarvan +het rieten dak rust op vier wanden van biezen met aarde besmeerd; ondanks wij dit lokaal herhaalde malen laten aanvegen, worden +wij toch opgegeten door het ongedierte en gemarteld door de muskieten. Natuurlijk is er geen enkel meubel: gelukkig hebben +wij onze hangmatten en veldbedden bij ons. Dit ellendige nest dagteekent niettemin uit de eerste tijden na de verovering, +en bestond zeer waarschijnlijk reeds voor dien tijd als indiaansch dorp. In den laatsten tijd heeft dit vergeten dorp eene +zekere bekendheid verworven. Ten gevolge van de toenemende zeldzaamheid van het mahoniehout in de bosschen van Tabasco, zijn +de handelaars in deze kostbare houtsoort gedwongen geworden, hunne agenten tot naar de onbekende valleien van den staat Chiapas, +naar de oevers van de Usumacinta, en zelfs naar Guatemala te zenden. Ténosiqué is daardoor de stapelplaats geworden voor alle +produkten van dien aard, die uit Guatemala komen, en de woonplaats van de geëmploieerden der beide huizen, die tot dusver +dezen handel gemonopoliseerd hebben. + +</p> +<p id="d0e814">De geschiedenis van een blok mahoniehout is merkwaardig genoeg: ik zal mij de vrijheid veroorloven, ze aan mijn lezer te vertellen. + + +</p> +<p id="d0e816">Niet iedereen kan zulk eene exploitatie op touw zetten; daartoe behoort een aanzienlijk kapitaal en eene volledige kennis +van de plaatselijke gesteldheid, benevens de geschiktheid om met de menschen, met wie men in aanraking komt, om te gaan. Meer +dan een, verlokt door het vooruitzicht der buitensporige winst, heeft zich, door gebrek aan kennis en ondervinding, geruïneerd. + + +</p> +<p id="d0e818">Het mahoniehout zelf kost niets; de boomen staan daar in dichte gelederen, recht als dennen, hoog en prachtig; de staat legt +u slechts eene zeer geringe belasting op van vijf francs per stuk. Gij hebt ze voor het nemen: maar juist daar ligt de moeilijkheid. +Vooreerst moet een plek opgespoord worden, waar mahonieboomen in menigte te vinden zijn. De handelaar heeft daarvoor speciale +agenten, <i>monteros</i> genoemd. De montero is een ondernemend, moedig, energiek man, gewend aan het wilde leven in de bosschen en bestand tegen +alle vermoeienissen; hij begeeft zich op weg, gevolgd door twee Indianen en een muilezel, die de mondbehoeften draagt; hij +neemt zijn revolver en zijn geweer mede, niet zoo zeer als veiligheidsmaatregel, maar om te kunnen jagen, want als de levensmiddelen +zijn opgeteerd, moet hij op die wijze in het onderhoud van drie menschen voorzien. Hij verlaat de bekende paden, en trekt +het oerwoud in, waar hij zich met behulp van zijn sabel, een smallen doortocht moet banen, die zich achter hem aanstonds weer +sluit; somwijlen blijft hij twee of drie maanden lang in deze onbekende wildernis, telken avond een hut van takken en bladeren +bouwende, als schuilplaats tegen de tropische stortregens, vechtende tegen de wilde dieren, dagen achtereen rondzwervende +door moerassige streken, waar de vochtige grond verpestende dampen uitwasemt, bezwangerd met koortsmiasmen. Steeds zoekt hij +overal naar het kostbare hout; hij telt de boomen, hij merkt ze, en geeft, als hij terug keert, aan zijn chef het juiste getal +op. +<span class="pageno"><a id="d0e823"></a>Bladzijde 151</span></p> +<p id="d0e824">Hij heeft nu de lokaliteit bestudeerd, heeft zich rekenschap gegeven van de bezwaren, aan de exploitatie verbonden, en de +kosten van transport berekend; er moet eene keus gedaan worden, want hij kan niet alles medenemen. Hoe vele prachtige boomen +heeft hij niet op zijn zwerftochten ontmoet; welke schatten heeft zijn oog niet aanschouwd, die toch voor hem onbereikbaar +zijn! Volslagen gemis van wegen, een zeer ongelijk, bergachtig terrein, een allesoverweldigende plantengroei, ziedaar de bezwaren, +die men moet overwinnen, om den schat meester te worden. Hoe zal men dat aanleggen? De weg is te maken; maar er moet noodzakelijk +eene rivier in de onmiddellijke nabijheid zijn, want zoodra de afstand meer dan twee mijlen bedraagt, wordt de exploitatie, +met het oog op de kosten, onmogelijk. De rivier is de steeds bereidvaardige helpster, die zich kosteloos met het vervoer belast: +zij voert de kostbare blokken mede en brengt ze, ondanks alle hinderpalen, rotsen, watervallen en stroomversnellingen, ongedeerd +voor uwe deur. + +</p> +<p id="d0e826"></p> +<div id="d0e827" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-152.jpg" alt="Het vellen der mahonieboomen. (Blz. 151.)"></p> +<p class="figureHead">Het vellen der mahonieboomen. (<a id="d0e830" href="#d0e823">Blz. 151.</a>) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e834">Het terrein is nu verkend; een beëedigd landmeter gaat er heen om de grenzen te bepalen: en de houthakkers kunnen nu aan het +werk gaan. Neen, zoover zijn wij nog niet: er is gebrek aan handen; de arbeiders zijn schaarsch, en allen zijn gehuurd—dat +wil zeggen, moeten werken om hunne schuld af te doen bij de ondernemers, die zonder dit van ouds in zwang zijnde stelsel, +niemamd zouden kunnen vinden om voor hen te werken. Zij leggen het dus zoo aan, dat de Indianen bij hen in schuld komen; en +is het eenmaal zoo ver, dan zijn zij de slaven van hunne schuldeischers. Daar de Indiaan zwak van karakter is, zorgeloos en +op drank verzot, raakt hij telkens meer in de schuld, en zoo is hij feitelijk veroordeeld tot levenslangen dwangarbeid. Komt +hij te sterven, dan is de zoon verantwoordelijk voor de schuld van den vader en treedt in diens plaats; dat is nog de aloude +wet der Mayas, die nog steeds van kracht is. Zonder deze wet zouden wij, ondanks hooge werkloonen, geen mahoniehout hebben; +want evenmin als de bewoners van welk ander tropisch gewest ook, werkt de Indiaan vrijwillig, en het geld heeft voor hem weinig +bekoring. Daar de Indiaan zijn meester niet verlaten kan, zoolang zijn schuld niet aangezuiverd is, betaalt de nieuwe ondernemer +die ten einde zich werklieden te verschaffen; zoo kost iedere arbeider twee-, drie- tot vijfduizend francs; en somwijlen heeft +men twee- tot driehonderd man noodig. Ge ziet dus, dat de ondernemer over kapitaal moet kunnen beschikken. + +</p> +<p id="d0e836">De arbeiders begeven zich op weg, en worden door den montero naar de bepaalde plaats geleid. Daar, midden in het woud, op +dertig, veertig, zestig mijlen van iedere menschelijke woning, worden de ranchos opgeslagen, en rusteloos heen en weer trekkende +konvooien voorzien de nieuwe kolonie van de noodige werktuigen en levensmiddelen. Dat is nog niet alles; de boomen worden +geveld; men ontdoet ze van het spint—het zachte hout onder de schors—; men zaagt ze in blokken, en de kostbare waar groeit +tot stapels: maar de rivier is verre, en de stammen staan op vrij grooten afstand van elkander: bijna voor iederen stam moet +een pad gebaand worden! En wie zal ze vervoeren? Ossen; maar ossen zijn in de provincie nog zeldzamer dan mannen; men moet +ze dus gaan halen aan gene zijde van de Cordillera, in de vlakten van Chiapas, op honderd-vijftig mijlen afstands. Zij zijn +daar niet duur: voor twintig piasters (honderd francs), kan men zeer goede beesten hebben; maar de afstand, de bezwaren van +de reis, het onvoldoende voedsel doen de kudde dikwijls tot op een vierde slinken; het woud ligt bezaaid met lijken, en de +weinige ossen, die eindelijk behouden ter bestemder plaatse aankomen, verkeeren in een zeer ellendigen toestand en kosten +ieder meer dan vierhonderd francs. + +</p> +<p id="d0e838">Maar ook nu houdt de sterfte nog aan: vele dieren bezwijken ten gevolge van vermoeienis en het ongewone, ontoereikende voedsel, +dat hoofdzakelijk uit bladeren en <i>ramon</i> bestaat. Bovendien maken de arbeiders, die hun honger naar versch vleesch moeilijk kunnen bedwingen, dikwijls met opzet dat +er een ongeluk gebeurt, zoodat een os moet worden gedood. Telkens moeten nieuwe dieren worden aangevoerd, en het blok mahoniehout +wordt aardig duur. + +</p> +<p id="d0e843"></p> +<div id="d0e844" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-153.jpg" alt="Lacandons. (Blz. 159 vg.)"></p> +<p class="figureHead">Lacandons. (<a id="d0e847" href="#d0e823">Blz. 159 vg.</a>) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e851">Eindelijk is de oever der rivier bereikt. Daar wordt elk blok aan de zes kanten met een cijfer gemerkt, en van den hoogen +oever in de bedding geworpen. Bij den eerstvolgenden was zal het water al die blokken medevoeren; blijft er bij ongeluk een +hier en daar, op een rots of in een bocht van den oever vastzitten, dan wordt het toch in het volgende jaar medegevoerd. + +</p> +<p id="d0e853">In den tijd als de wateren der rivier zwellen, begeven de Indianen van Ténosiqué zich met lichte kanos naar de plaats, waar +de Usumacinta uit de bergen te voorschijn treedt, naar de zoogenaamde Boca del rio, om daar de mahonie blokken op te wachten, +die de rivier bij honderden medevoert; zij krijgen twee-en-een halve franc per blok, en het is onder hen een hartstochtelijke +wedstrijd, wie de moeste blokken machtig zal worden. Daar elk blok gemerkt is, rangschikken zij ze naar de eigenaars, binden +ze tot vlotten en voeren ze zoo naar het dorp. Al die arbeid, al die moeiten en gevaren, al die uitgaven zijn noodig, waarde +lezers, om u van mahoniehout te voorzien; en nu heb ik nog niet gesproken van de epidemieën, die het vee doen sterven, van +de koortsen, waaraan de arbeiders bezwijken, van monteros, die met het geld op den loop gaan of het verspillen, en van andere +kwade kansen meer. + +</p> +<p id="d0e855">Intusschen heb ik zelf met allerlei moeielijkheden te worstelen, die mijn vertrek vertragen. Ik ontvang zulke tegenstrijdige +berichten omtrent de ruïnen, wier ontdekking ik mij ten doel heb gesteld, dat ik soms geneigd ben aan eene algemeene samenspanning, +eene onverklaarbare mystificatie te gelooven. De ruïnen bestaan; de persoon zelf, die ze voor het eerst zag, geeft mij daarvan +de uitdrukkelijke verzekering. Zij zijn ver verwijderd, vijftig mijlen ver, aan de andere zijde van de sierra, op den linker +oever van de Usumacinta; een weg <span class="pageno"><a id="d0e857"></a>Bladzijde 154</span>is er niet, maar de richting, die ik volgen moet, is bekend. Ik houd mij dan ook onledig met de toebereidselen voor den tocht, +maar mijne handen zijn gebonden. + +</p> +<p id="d0e859">Daar ik aanbevelingsbrieven bij mij had voor de beide handelshuizen in het dorp, had men mij, bij mijne komst, alle mogelijke +beloften gedaan, maar geene enkele daarvan gehouden. Ik had op zijn minst vijftien manschappen noodig, benevens veertien muildieren +en drie paarden; er waren noch paarden, noch muilezels, noch manschappen. Om de laatsten te verkrijgen, liet ik twintig mijlen +in het rond nasporingen doen, onder aanbieding van dubbel loon; wat de muildieren betreft, gaf men mij te kennen, dat er eerlang +een konvooi uit Peten verwacht werd: na eenige dagen rust, zouden de muildieren wel weer voor den tocht geschikt zijn. Ik +had levensmiddelen: rijst, bonen en beschuit, maar geen vleesch. Met moeite kon ik twee stieren machtig worden, die geslacht +werden en wier vleesch in lange reepen werd gesneden, gezouten en gedurende drie dagen in de zon gedroogd. Dit vleesch, <i>tasajo</i> genoemd, kan zoo lang bewaard worden als men wil. + +</p> +<p id="d0e864">Inmiddels had men eenige manschappen bij elkander gebracht, en men verzekerde mij, dat de anderen zouden volgen; maar de zoo +vurig verlangde muildieren kwamen niet opdagen. Eindelijk, op een avond, den achtsten dag van onze gedwongen gevangenschap, +hooren wij kreten en het getrappel van hoeven. Wij ijlen naar buiten: dat waren de muildieren! Ik tel ze haastig: daar zijn +er twaalf; wij zijn gered! Neen, nog niet; want den volgenden morgen ontwaarde ik, tot mijn schrik, in welken rampzaligen +toestand de arme dieren verkeerden. Zij waren bijkans levende geraamten, overdekt met afzichtelijke, stinkende wonden, half +dood, en ten eenemale buiten staat om eene zoo langdurige en bezwaarlijke reis te ondernemen. + +</p> +<p id="d0e866">De eigenaar verzekerde mij evenwel, dat zij na acht dagen rust weder zouden kunnen vertrekken, mits zij slechts de helft van +de gewone vracht hadden te dragen. De schurk kon met des te meer gerustheid die verzekering geven, daar hij er vast op rekende +dat de meeste muilezels onderweg zouden bezwijken, in welk geval ik ze hem, tegen den prijs van nieuwe dieren, zou moeten +vergoeden: hetgeen later ook inderdaad gebeurde. Maar ik vermoedde niets van deze sluwe berekening, en wij hielden ons onledig +met onze laatste toebereidselen. + +</p> +<p id="d0e868">De manschappen verschenen; voor de muildieren werden nieuwe pakzadels en tuigen gemaakt, omdat de oude geheel versleten waren; +men verdeelde de vrachten onder het opzicht van den chef der muilezeldrijvers, die het bestuur der karavaan op zich zou nemen, +en ik moest een gedeelte van mijn materieel achterlaten. Dit was niet alles; de montero, die ons als gids zou dienen, verzekerde +mij dat wij niet rechtstreeks naar de ruïnen konden gaan: op een zeker punt aan den rechteroever van de rivier gekomen, moesten +wij de Usumacinta ongeveer vijf mijlen ver afzakken, om dan aan den linkeroever, vlak tegenover de monumenten, aan land te +gaan. Het was dus noodig, eenige manschappen vooruit te zenden, om een weg door het woud te banen en ook eene groote kano +te timmeren, die ons naar de puinhoopen der oude stad brengen zou. + +</p> +<p id="d0e870">Den volgenden dag gingen dan ook zes man op weg, met het beste muildier, dat de noodige levensmiddelen droeg en de gereedschappen +voor het maken der boot; wij zelven zouden later volgen. Na velerlei getob en oponthoud konden wij dan toch eindelijk den +vijftienden Maart 1882 vertrekken. De muildieren zijn niet genezen: men heeft hunne wonden gewasschen, dat is alles; en onder +den druk der nieuwe vrachten zullen deze wonden op schrikbarende wijze verergeren: ik ben overtuigd, dat enkele dieren bezwijken +zullen. Maar wat te doen? Ons rest geen keus: reeds bij het vertrek, en hoe wel slechts eene halve vracht te dragen hebbende, +schijnen de arme dieren onder den last te bezwijken. + +</p> +<p id="d0e872">Wij zijn midden in het woud; de weg is afschuwelijk, of liever, er is in het geheel geen weg: doornstruiken, lianen, kreupelhout, +omgevallen boomen houden ons elk oogenblik tegen; het pad is zoo smal, dat de muilezels telkens tegen de takken stooten, waardoor +hunne vracht wordt verschoven, en zoo weinig gebaand, dat men zeer oplettend moet zijn om het spoor niet geheel bijster te +raken. Wij komen slechts zeer langzaam vooruit: de eerste dag der reis is altijd de moeilijkste; men moet de muildieren, die +zeer onwillig zijn, voortsleepen en daarbij zeer streng in het oog houden, want zij peinzen voortdurend op een middel om te +ontsnappen. Omstreeks het midden van den dag zijn er twee muildieren verdwenen; na een uur zoeken worden zij terug gevonden. + + +</p> +<p id="d0e874">Wij hebben nu de vlakte verlaten en trekken in zuidoostelijke richting voort, naar den voet van de Cordillera. Het woud wordt +prachtig: reusachtige stammen, door lianen als kabeltouwen omstrengeld, palmen van meer dan honderd voeten hoogte, pandanussen +met kolossale bladeren, vermengd met slanke ceders en mahonieboomen, wier ruwe schors aan onze eiken herinnert, vormen een +schilderachtig, grootsch en indrukwekkend geheel. Men wordt des bewonderens niet moede, en men zou wenschen, in deze bosschen +zijn leven te slijten, indien men niet zoo schrikkelijk te lijden had van allerlei ongedierte, met name van muskieten en van +onze oude vijanden, de garrapaten. + +</p> +<p id="d0e876">De chef der karavaan regelt de dagreizen en bepaalt telkens de plaats, waar men voor den nacht kampeeren zal; hij moet volkomen +met het woud bekend zijn, want men kan alleen daar ophouden, waar water voor onze muildieren te vinden is en ook dien boom, +<i>ramon</i> genaamd, waarvan de bladeren gedurende de reis hun eenig voedsel zijn. Doorgaans kampeert men op eene kleine hoogte, te midden +van eene ruime open plek, waar reeds anderen hun kamp hebben opgeslagen, en waar de grond van boomen en kreupelhout gezuiverd +is. De hooge boomen blijven alleen staan, en hunne machtige takken beveiligen ons tegen den killen nachtelijken dauw. Deze +kampementen dragen op de kaart een naam, <span class="pageno"><a id="d0e881"></a>Bladzijde 155</span>hoewel er noch eene hut, noch eene levende ziel te vinden is; maar zij dienen den muilezeldrijvers als rust- en verkenningspunten +op hunne tochten van Peten naar Ténosiqué. Bij onze aankomst aan de bepaalde halt, worden de beesten ontladen; de bagage wordt +met de pakzadels op rijen geplaatst; daarna begint men de arme dieren te verbinden. Deze eerste dag heeft hunne wonden op +schromelijke wijze verergerd. De mannen gaan het bosch in om ramon te zoeken; men hoort hunne bijlslagen tegen den stam, vervolgens, +het gekraak van den neervallenden boom, overstemd door hunne vreugdekreten. Kort daarna keeren zij terug, gebogen onder eene +geweldige vracht van groenende takken, die onder de hongerige muildieren worden verdeeld. Inmiddels maakt Julien onze veldbedden +gereed, en de kok van den troep legt zijn vuur aan om ons souper te bereiden. Het menu is steeds hetzelfde: een groote ketel +met tasajo, rijst of bonen met eene portie beschuit, en tot toegift een kop koffie. Toch is er soms eenige afwisseling, naarmate +wij op de jacht gelukkig zijn geweest: apen, wilde kalkoenen, pécaris, alles is ons welkom. + +</p> +<p id="d0e883">De avond valt; de manschappen, rondom de vuren gezeten, rooken en praten; dan wordt het nacht, en ieder vlijt zich neer op +een bed van groene bladeren, beveiligd door een muskietenscherm. Onze slaap is niet vast, en wordt telkens gestoord door zonderlinge +geluiden: het brullen of knorren van wilde dieren, het schreeuwen van nachtvogels en het verschrikkelijk gehuil der brulapen.—Voor +het aanbreken van den dag zijn wij weer op de been; met het ontbijt, het optuigen der muildieren en het verdeelen der bagage +zijn ruim twee uren gemoeid, en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de karavaan zich op weg begeeft. + +</p> +<p id="d0e885">De eene dag gelijkt volkomen op den anderen, behoudens de uiterst zeldzame ontmoeting van een uit Peten terugkeerenden reiziger. +Deze geheele streek is rijk aan ruïnen, en alles bewijst dat zij vroeger, voor de komst der Spanjaarden, bebouwd en bevolkt +was; te midden van deze uitgestrekte eenzame wouden vindt men nog de sporen van groote steden, waarvan de geschiedschrijvers +der verovering nog melding maken. Die steden, die dorpen en tempels zijn van de aarde verdwenen, en de eens zoo talrijke bevolking +is geslonken tot enkele familiën, in de wouden verloren: de verbasterde en diep gezonken afstammelingen van het ongelukkige +ras. + +</p> +<p id="d0e887">Onze tocht wordt met den dag moeilijker, want wij hebben reeds twee muildieren verloren, die waarschijnlijk wel de prooi der +jaguars zullen zijn geworden. Hunne vrachten zijn tusschen de anderen verdeeld moeten worden; en om onze dieren zoo veel mogelijk +te verlichten, gaan wij beurtelings te voet. + +</p> +<p id="d0e889">Op den zevenden dag van onze reis, des morgens vroeg, begonnen wij te voet de berghellingen te beklimmen. Hoewel deze bergen +niet hooger waren dan omstreeks vierhonderd-vijftig el, was de bestijging toch een zeer zwaar en moeilijk werk, dat groote +inspanning vorderde. Kort daarna bereikten wij de vlakte en sloegen ons kamp op aan de oevers van de rio Chotal, die zich +in de Usumacinta uitstort. Het woud is hier verwonderlijk schoon, en rijk aan allerlei wild; papegaaien en aras doen de lucht +weergalmen van hunne snijdende kreten; geelgekuifde hoccos bewegen zich zwijgend in de hoogste takken, van waar groote brulapen +ons met nieuwsgierige blikken gadeslaan; een troep wilde zwijnen rent in dolle vaart langs ons heen. + +</p> +<p id="d0e891">Wij bevinden ons in het land der Lacandons: hier en daar ontdekken wij sporen van vroegere bebouwing, vruchtboomen en overblijfselen +van verlaten hutten. De Lacandons hebben zich uit deze streek teruggetrokken bij de komst der houthakkers. Des avonds komen +wij eindelijk ter plaatse onzer bestemming, aan den paso Yalchilan, en slaan wij ons kamp op aan den rechteroever van de Usumacinta. + + + +</p><a id="d0e893"></a><h1>X</h1> +<p id="d0e896">Het was reeds laat, toen wij op deze plek, waar geene hut of spoor van menschelijke woning te vinden is, aankwamen; wij waren +allen uitgeput van vermoeienis, en de tijd ontbrak om ons bivouak in behoorlijke orde te brengen. Tot mijne verwondering vonden +wij geen spoor van de mannen, die vooruit waren gezonden en die ons hier moesten afwachten met de door hen getimmerde boot; +hunne afwezigheid boezemde mij eenige ongerustheid in. Den volgenden morgen maakten de manschappen voor ons eene soort van +woning gereed; anderen gingen weer het bosch in, om een muilezel op te zoeken, die achter gebleven was. Zij vonden het arme +dier, ruim twee mijlen verder op den grond liggende, half dood van vermoeienis, honger en dorst. De mannen ontdeden den ezel +van zijne vracht, dien zij onderling verdeelden; maar het ongelukkige dier had niet lang genot van die welwillendheid, want +de jager die den troep vergezelde, doodde een prachtig zwijn, dat de muilezel nu naar het kamp moest dragen, en dat daar met +groot gejuich ontvangen werd. + +</p> +<p id="d0e898">Tegen den middag verschenen eindelijk de canoëros; aanstonds vroeg ik hun, hoe ver zij met hun arbeid waren gevorderd. De +timmerman antwoordde met zekere verlegenheid, dat de kano nog niet klaar was; dat zij verschillende boomen hadden omgehakt, +die later bij de bewerking bleken ongeschikt te zijn voor de vervaardiging van de canoa: dat was een ongeluk, en niet hunne +schuld; maar binnen eenige dagen zouden zij met hun werk gereed zijn. Ik volgde hen naar hunne werkplaats, omstreeks een mijl +stroomafwaarts: ik vond daar inderdaad twee boomen op den grond liggen, waarvan de een, in ruwe omtrekken, de gedaante van +eene kano vertoonde, maar nog geheel uitgehold moest worden. Hadden de werklieden zes dagen noodig gehad, om het zoover te +brengen, dan hadden zij er minstens nog acht noodig, om het werk te voltooien. Blijkbaar hadden zij hun tijd verbeuzeld met +jagen en visschen en luieren, en hadden zij zich niet om mij bekommerd. + +</p> +<p id="d0e900">Maar een oponthoud van acht dagen was onmogelijk, <span class="pageno"><a id="d0e902"></a>Bladzijde 156</span>want de levensmiddelen slonken ziender oog, en hoewel ik den voorraad voor veertig dagen had berekend, zou hij ter nauwernood +voor twintig toereikend zijn. In alles behalve opgewekte stemming keerde ik naar het kamp terug, niet wetende wat te doen. +Ik kon wel den oever der rivier volgen tot tegenover de ruïnen, die aan de overzijde lagen: daartoe moest een pad van omstreeks +twintig kilometers lengte door het woud worden gebaand en vervolgens een vlot getimmerd om de rivier over te steken. Maar +ik kon dan slechts een gedeelte van mijn materieel medenemen; en bovendien, zouden de manschappen mij willen volgen? Zij en +de muilezels waren slechts gehuurd tot den paso Yalchilan, en zeer vermoedelijk zouden zij weigeren verder te gaan, want zij +zijn van niets zoo afkeerig als van arbeid, meer dan strikt noodig is. + +</p> +<p id="d0e904">Terwijl mijne blikken daar over die breede, snelvlietende rivier dwaalden, ontdekte ik, stroomopwaarts, een vaartuigje, waarin +een onbekende zat. Hij was gekleed met een lang hemd en liet zich met den stroom afdrijven, terwijl hij zich met een palmblad +tegen de zonnestralen beschermde. Maar niet zoodra had de Lacandon—want het was een Lacandon—ons bespeurd, of hij greep zijne +pagaai en wendde zijne boot. Gelukkig verstond een mijner manschappen zijne taal; hij riep den cayuco toe, en beloofde hem +allerlei moois, als hij bij ons wilde komen. De Indiaan kwam: het was een grijsaard, gehuld in eene lange tuniek of hemd met +wijde mouwen; hij drukte mij glimlachend de hand en ging mede naar het kamp, schuw rechts en links omziende. Behalve zijne +van grof katoen gemaakte tuniek, droeg hij om het hoofd een doek van dezelfde stof; om zijn hals hing eene reusachtige ketting, +bestaande uit twintig rijen zaden, glaskralen, tanden van dieren en eenige muntstukken; in de hand hield hij zijn boog en +pijlen. + +</p> +<p id="d0e906">De grijsaard was gelukkig een opperhoofd: ik liet hem de geschenken zien, die ik voor hem en de zijnen had medegebracht: bijlen, +sabels, katoenen stoffen, messen, zout en vischtuig. De oude man was geheel verbluft, en verzekerde dat hij zijne onderdanen +met mij in aanraking zou brengen. Mijn tolk vroeg hem, of hij ons kanos kon leenen: hij had er twee, en de tolk ging dadelijk +met hem mede, om de booten te halen. Het was niet veel, maar toch altijd beter dan niets. + +</p> +<p id="d0e908">Den volgenden morgen had ik eene vreemde ontmoeting. Ik stond aan den oever der rivier, uitziende naar de kanos, toen ik eensklaps +eene vrij groote boot zag verschijnen, waarin drie mannen, die geen Indianen waren. Van waar kwamen zij, en waar gingen zij +heen? Een bittere gedachte schoot mij eensklaps door de ziel: deze mannen behoorden tot eene andere expeditie, die mij vóór +was geweest. Dat was het gevolg van mijn lang oponthoud te Ténosiqué! + +</p> +<p id="d0e910">Ik riep de boot aan, die aan den oever kwam, en ik vernam van die onbekenden, dat zij levensmiddelen hadden gevraagd bij de +Lacandons, maar niets hadden kunnen krijgen dan tomaten, en verder dat zij naar de ruïnen terugkeerden, waar zich een zekere +don Alfredo bevond. + +</p> +<p id="d0e912">“Wie is don Alfredo? vroeg ik aan een der mannen. + +</p> +<p id="d0e914">—Wel, antwoordde hij, dat is don Alfredo. + +</p> +<p id="d0e916">—Heel goed: maar wat voert hij daar in de ruïnen uit? + +</p> +<p id="d0e918">—Hij wandelt. + +</p> +<p id="d0e920">—Met u hoevelen zijt gij? + +</p> +<p id="d0e922">—Wij zijn met ons zestienen, en wij hebben geen levensmiddelen meer. + +</p> +<p id="d0e924">—Hebt gij nog eene andere kano? + +</p> +<p id="d0e926">—Ja, wij hebben er nog een groote. + +</p> +<p id="d0e928">—Welnu, zeide ik, ik heb levensmiddelen.” Daarop mijne manschappen roepende, liet ik naar de kano de helft van een wild zwijn, +een zak met tasajo, rijst en beschuit brengen. + +</p> +<p id="d0e930">“Ziedaar levensmiddelen voor u en voor uw meester: gij zult drie lieden van mijn volk medenemen, en don Alfredo verzoeken, +dat hij mij morgen zijne groote kano zende. Hier is mijn kaartje, dat gij hem moet ter hand stellen. Gaat nu en keert zoo +spoedig mogelijk terug!” + +</p> +<p id="d0e932">Ik begon nu dadelijk toebereidselen voor mijn vertrek te maken; maar ik had niet gerekend op de koorts, die mij juist des +morgens aantastte. De aanval was zeer hevig; ik ijlde en was geheel machteloos. Zoodra de crisis voorbij was, nam ik eene +goede dosis quinine en ging een paar uren rusten. De kano kwam; en hoe ziek ik ook was, liet ik mij toch aan boord dragen; +zes onzer Indianen met Lucien gingen mede. De anderen bleven achter onder de hoede van Julien. Mijn hoofd gloeide; slechts +met groote moeite kon ik blijven zitten; alles werd mij groen en geel voor de oogen. De sterke stroom voerde ons mede, en +na eene vaart van drie uren kwamen wij aan een grooten steenhoop, die op de rotsen aan den linkeroever der rivier was opgericht. +Wij waren ter plaatse onzer bestemming. Met een kloppend hart ging ik aan wal; een der Indianen, die wij daar aantroffen, +was bereid mij als gids te vergezellen; wij togen het bosch in, om don Alfredo op te zoeken. + +</p> +<p id="d0e934">Wij hadden nauwelijks driehonderd ellen afgelegd, toen ik een rijzig jonkman naar mij toe zag komen, in wien ik aanstonds +een Engelschman herkende. Wij gaven elkander de hand; hij had op mijn kaartje mijn naam gelezen, dien hij kende; hij noemt +mij den zijnen: “Alfred Maudsley, van Londen”; en ziende dat ik van mijne verbazing nog niet bekomen was, voegde hij er aanstonds +bij: + +</p> +<p id="d0e936">“Maak u niet ongerust over mijne tegenwoordigheid: een bloot toeval heeft mij eer dan u naar deze ruïnen geleid; het omgekeerde +had evengoed kunnen gebeuren; ik ben geen mededinger, en gij hebt niets te vreezen. Ik reis eenvoudig voor mijn pleizier; +gij zijt een geleerde, en de stad komt u toe; geef haar een naam; onderzoek, maak teekeningen en kopieën, zoo veel ge wilt; +gij zijt hier te huis. Ik ben niet van plan, iets te schrijven of uit te geven; maak des noods geene melding van mij, en behoud +uwe ontdekking geheel voor u zelven. En laat mij u nu tot gids mogen verstrekken; ik heb een paleis laten gereed maken, en +uwe woning wacht u.” + +</p> +<p id="d0e938"></p> +<div id="d0e939" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-157.jpg" alt="Bas-relief te Lorillard."></p> +<p class="figureHead">Bas-relief te Lorillard.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e943">Deze kieschheid trof mij zeer; maar ik mocht <span class="pageno"><a id="d0e945"></a>Bladzijde 158</span>het voorstel van mijn nieuwen vriend niet aannemen: aan ons beiden komt de eer toe der ontdekking van deze nieuwe stad, waar +wij te zamen hebben gearbeid, en waaraan ik den naam heb gegeven van Lorillard, ter eere van den edelmoedigen man, die voor +een deel de kosten mijner expeditie wilde dragen. De stad ligt op den linkeroever van de Usumacinta, in een soort van neutraal +terrein tusschen Guatemala en de twee mexikaansche provinciën Chiapas en Tabasco. Zij werd voor omstreeks twaalf jaren ontdekt +door een zekeren Suarez en sedert bij herhaling door de monteros bezocht. + +</p> +<p id="d0e947">Het is zeer moeilijk, zich rekenschap te geven van den juisten omvang der stad en van het aantal gebouwen; de bodem is zoo +dicht begroeid, dat een nauwkeurig onderzoek onmogelijk is, althans met de gebrekkige middelen, waarover men ter plaatse beschikken +kan. Maar voor zoo ver men naar vergelijking mag oordeelen, moet de stad Lorillard, als alle indiaansche steden, waarvan wij +reeds gesproken hebben, hebben bestaan uit een vijftien- of twintigtal verschillende monumenten, tempels en paleizen, woningen +van den cacique en de voornaamste hoofden, omgeven door de hutten van de lieden uit de volksklasse en de slaven. Deze monumenten +verrijzen op terrassen, ongeveer twintig ellen van de rivier verwijderd, en verheffen zich vervolgens, amphitheatersgewijze, +op natuurlijke heuvelen, die de bouwmeesters benuttigd hebben, en die zij in esplanaden hebben verdeeld, welke door muren +worden gesteund en van trappen zijn voorzien. + +</p> +<p id="d0e949">De schikking is geheel dezelfde als te Palenqué; de tempels en paleizen zijn minder talrijk en minder aanzienlijk; zij zijn +ook ruwer bewerkt, schoon men over dit laatste misschien niet juist kan oordeelen, omdat de geheele uitwendige dekoratie, +die uit cement bestond, is verdwenen.—Het eerste monument dat wij bestudeeren is een tempel, die op eene pyramide van ongeveer +honderd-twintig voet hoogte is gebouwd. Ik noem dit gebouw een tempel, omdat het een groot steenen afgodsbeeld bevat, benevens +verscheidene nissen, waarin kleinere beelden moeten gestaan hebben, want de wanden zijn zwart van den rook der offeranden. + + +</p> +<p id="d0e951">Het hoofd van het beeld is van den romp gescheiden en het gelaat is deerlijk geschonden, maar toch behoort het beeld tot het +schoonste, wat wij tot dusver in Tabasco en Yucatan gezien hebben. Het stelt een mannelijk wezen voor, zittende op oostersche +wijze, met de beenen onder het lijf gevouwen en de handen rustende op de knieën; de kalme, waardige houding doet u onwillekeurig +aan Boeddha denken. Op het hoofd draagt het beeld een reusachtig, monsterachtig kapsel, dat de gansche figuur verplettert. +De kleeding is rijk versierd met kralen en parelen en drie groote medaillons, twee op de schouders en een op de borst. + +</p> +<p id="d0e953">Rondom het beeld en in ieder vertrek van den tempel vindt men eene menigte vazen van grof aardewerk en in vorm meest overeenkomende +met ondiepe kommen; de randen zijn met gedrochtelijke menschenhoofden versierd. Deze vazen werden gebruikt voor het ontsteken +van reukwerk; wij vinden ze terug in alle gebouwen die voor de eeredienst bestemd schijnen geweest te zijn. + +</p> +<p id="d0e955">Achter dien tempel en op eene veel hoogere pyramide, vindt men het belangrijkste monument van de stad Lorillard. Op eene ruime +esplanade stonden daar, in een rechthoek, zes paleizen, waarvan er nog maar een gedeeltelijk in wezen is. De andere gebouwen +zijn niet meer dan vormelooze puinhoopen. Dit paleis was misschien de woning van den vorst of eene soort van vesting; in ieder +geval was het prachtig gelegen. Van het terras of de esplanade had men een heerlijk uitzicht; en op nieuw bewonderde ik den +praktischen zin van deze bouwmeesters. De pyramiden, waarop zij hunne paleizen plaatsten, waren eene werkelijke behoefte in +dit heete en ongezonde land: deze manier van bouwen bezorgde frissche lucht en was tevens eene verdediging tegen de muskieten +en andere insekten; en bovendien, welk een prachtig panorama ontplooide zich voor de oogen, bij morgen en avond, over de omringende +heuvelen, over de rivier, over de tuinen en plantages aan de overzijde, en aan den anderen kant, naar het zuiden, over de +wijde vlakte, aan den horizon begrensd door de schemerende lijnen van de Cordillera. + +</p> +<p id="d0e957">Het paleis, dat wij bewonen, ligt lager en dichter bij de rivier. Het was meer vervallen en geschonden dan de tempel en droeg +sporen van dezelfde versiering; maar de constructie scheen slordiger. De deuren zijn van verschillende afmetingen, en de posten +zijn nu eens, zonder schijnbare reden, recht, dan weer scheef geplaatst; ook is de verdeeling der openingen en der nissen +zeer onregelmatig. Van binnen is dit paleis een ware doolhof van smalle gangen en kleine vertrekken; in het achterste gedeelte, +in een donker souterrain, waarheen een sterk glooiende gang afdaalt, bevinden zich twee smalle zalen, die tot aan de zoldering +met steen en gruis gevuld zijn; naar ik vermoed, zijn dit graven. Althans te Palenqué vond ik in dergelijke vertrekken, geraamten +en vazen. Het gebouw is twintig ellen breed en zestien diep. + +</p> +<p id="d0e959">Ik heb reeds vroeger gesproken over de gebeeldhouwde deurposten, in steen of in hout, die ik in de meeste steden van Yucatan, +onder andere ook te Chichen, heb aangetroffen; maar de schoonsten vond ik te Lorillard. Mijne lezers mogen zich daarvan overtuigen +door de afbeeldingen van twee dezer kleine monumenten op bladz. <a id="d0e961" href="#d0e939">157</a> en <a id="d0e964" href="#d0e1013">160</a>. + +</p> +<p id="d0e967">Het kleinste maakt deel uit van den bovendrempel van de middelste poort des tempels; het paneel heeft een lengte van een el +twaalf duim bij eene breedte van twee-en-tachtig duim. In het midden zien wij twee figuren, beiden het hoofd gedekt met hooge +myters met vederen versierd; evenals bij het afgodsbeeld, waarvan ik hierboven sprak, zijn hunne schouderen bekleed met een +korten mantel met paarlen en medaillons en lange franjes getooid; een rijk versierde maxtli omgordt hunne heupen en hunne +voeten zijn in laarzen gestoken, met lederen riemen bezet.—Deze twee figuren, van verschillende grootte, schijnen een man +en eene <span class="pageno"><a id="d0e969"></a>Bladzijde 159</span>vrouw te moeten voorstellen; uit hunne houding zou men moeten opmaken, dat zij eene godsdienstige handeling verrichten. De +grootste heeft in iedere hand een kruis, de kleinste alleen in de rechterhand. Het zijn gewone, zoogenaamde latijnsche kruisen, +waarvan de armen met bloemen zijn versierd en die van boven zijn gekroond met een symbolieken vogel. Ik meen in deze voorstelling +den god Tlaloc te herkennen, den god van den regen en de vruchtbaarheid, wiens symbool een kruis was; te Palenqué vinden wij +dien god op dezelfde wijze voorgesteld. + +</p> +<p id="d0e971">Het tweede bas-relief (<a id="d0e973" href="#d0e939">bladz. 157</a>) is buiten kijf het merkwaardigste monument, dat wij in Amerika hebben aangetroffen, en dat inderdaad kunstwaarde heeft. +Afgezien van het onmogelijk gelaatsprofiel der beide figuren—dat trouwens zuiver conventioneel is—zijn de twee beelden voortreffelijk +van bewerking. De voorstelling draagt een godsdienstig karakter: wij zijn getuigen van eene offerplechtigheid. Een der personen, +die in knielende houding, ongetwijfeld een priester, heeft zich een met doornen bezet touw door de tong gestoken. De staande +figuur is evenzeer een priester, die, met een grooten palmtak in de hand, den martelaar schijnt aan te moedigen. Nu weten +wij dat de Mexikanen zich zelven op de gruwelijkste manier pijnigden; dag en nacht vergoten zij hun bloed in de tempels, ter +eere der goden. Torquemada deelt ons daaromtrent het volgende mede, sprekende over de martelingen, die de priesters van Quetzalcoatl +zich zelven aandeden: + +</p> +<p id="d0e976">“Ziehier de martelingen, die de priesters van Camaxtli te Tlascala en die van Quetzalcoatl te Cholula zich zelven oplegden. +De priesters kwamen bijeen onder het voorzitterschap van den oudste hunner, <i>achcantli</i> genoemd; en na een vijfdaagsche vasten, met verschillende boetedoeningen gepaard, sloot men hen op in den voornaamsten tempel +van Camaxtli, waar zij eene menigte stokken met zich namen, zoo lang als een arm en zoo dik als een vuist ongeveer; dan kwamen +timmerlieden, die vijf dagen gevast en gebeden hadden, om deze stokken, volgens aanwijzing, tot zeer dunne staafjes te maken, +waarna men hun buiten den tempel te eten gaf; vervolgens kwamen de werklieden, die messen van obsidiaan moesten maken, en +zij vervaardigden een aantal messen, waarmede de tongen der priesters moesten worden doorboord, en zij legden die neder op +een witten doek. + +</p> +<p id="d0e981">“Daarna volgden gebeden; en als de oude en de jonge priesters te zaam gekomen waren en gereed voor de offerande, boorde de +bekwaamste onder de werkmeesters hun met een mes een groot gat in de tong. + +</p> +<p id="d0e983">“Aanstonds stak nu de voornaamste <i>achcantli</i> in zijne doorboorde tong meer dan vier- of vijfhonderd van die staafjes, die de timmerlieden gemaakt hadden; de andere oude +priesters deden desgelijks, en diegenen onder de jongeren, die den meesten moed hadden, volgden hun voorbeeld na. + +</p> +<p id="d0e988">“Als deze afschuwelijke operatie volbracht was, trachtte de oudste, die als hoofd gold, ondanks de duldelooze pijn, te zingen, +om de jongeren aan te moedigen tot het volbrengen der ceremonie.” + +</p> +<p id="d0e990">Ons bas-relief stelt ons dus zulk eene offerande aan Quetzalcoatl of Cuculcan voor, en de tempel, die met deze beeldwerken +prijkte, was aan dien god gewijd. + +</p> +<p id="d0e992">Eene bijzonderheid, die de geschiedschrijver aan het slot van hetzelfde hoofdstuk vermeldt, geeft ons de verdere verklaring +van het bas-relief. + +</p> +<p id="d0e994">“Gedurende dien vastentijd—zegt Torquemada—begaf de voornaamste <i>achcantli</i> zich naar de steden en de dorpen, om de lieden te vermanen tot de voorbereiding van het groote offerfeest; en tot teeken +droeg hij in de hand een grooten groenen tak. + +</p> +<p id="d0e999">Dit is duidelijk genoeg. Daar staat de priester met den palmtak in de hand, waarvan de bladeren rusten op het symbolische +teeken van den wind, waarmede Quetzalcoatl zoo dikwijls wordt afgebeeld. Wij vinden dus te Lorillard de eeredienst van Tlaloc +en van Quetzalcoatl, de godheden der Tolteken, ook door de Azteken vereerd, en wier dienst in de veroverde landen werd ingevoerd. + + +</p> +<p id="d0e1001">Ons bezoek aan de stad Lorillard, waarvan de indiaansche naam mij onbekend is, was hiermede afgeloopen. Niet dan met spijt +verliet ik deze nieuwe stad, waar ik mij gaarne langer had opgehouden, want ik was er zeker van, dat er nog vele nieuwe en +misschien belangrijke ontdekkingen waren te doen. Anderen, in gunstiger omstandigheden verkeerende, zullen de aangevangen +taak, naar ik vertrouw, voltooien en ook de monumenten op den rechter oever opsporen, van welker bestaan ik mij verzekerd +houde, maar die ik niet heb kunnen vinden. + +</p> +<p id="d0e1003">Wij gaan weer aan boord, en hebben bijna een ganschen dag noodig, om stroomopwaarts den afstand af te leggen, dien wij, de +rivier afzakkende, in drie uren hadden afgelegd. De stroom is zoo sterk, dat somwijlen onze manschappen, die de kano voorttrekken, +worden meegesleept; echter komen wij toch vooruit. + +</p> +<p id="d0e1005">Ik hoopte te Yalchilan de Lacandons te vinden, die men mij had beloofd; zij waren er echter niet, maar het oude opperhoofd +had iederen dag een bode gezonden om te vernemen of wij reeds waren teruggekeerd; de geschenken, die ik hem had toegezegd, +hadden te zeer zijne begeerlijkheid opgewekt, dan dat ik vreesde dat hij zijn woord niet zou houden. Den volgenden morgen +verscheen hij ook in het kamp met zijne twee vrouwen en vier jongelieden. Zij waren allen op dezelfde wijze gekleed: zij droegen +een soort van lang wijd hemd of tuniek met korte mouwen; dit kleedingstuk van grof katoen is zeer plooibaar en wordt door +de vrouwen geweven. Deze tunieken vertoonden roode vlekken, die ik eerst voor slijkspatten hield; later bleek mij, dat zij +bij wijze van versiering moesten dienen, en dat de verfstof, waarmede deze ornamenten worden aangebracht, uit de beziën van +een struik wordt getrokken, waarvan de naam mij onbekend is. Daar zij de kunst niet verstaan, om het geheele kleedingstuk +te verven, maken de Lacandons er deze roode vlekken op; ik vermoed dat dit een bijzonder privilege is van het opperhoofd en +zijne vrouwen, want de hemden van de jongelieden vertoonen geen spoor van de versiering. +<span class="pageno"><a id="d0e1007"></a>Bladzijde 160</span></p> +<p id="d0e1008">Mannen en vrouwen dragen om den hals zware kettingen, vervaardigd van verschillende zaden, tanden van apen en wilde zwijnen, +nagels van vogels en muntstukken. Hunne lange, ongekamde ruwe haren hangen in wanorde om hun hoofd en hals; de vrouwen steken +daar een paar arendsvederen in. Zoowel aan de hemden als aan de halskettingen schijnen zij bijzondere waarde te hechten, want +al mijne pogingen om een dezer voorwerpen machtig te worden, waren vruchteloos; daarentegen waren zij aanstonds bereid, mij +hunne pijlen en bogen af te staan. + +</p> +<p id="d0e1010">De Lacandons bedienen zich nog van steenen bijlen, waarmede zij de boomen omhakken, als zij in het bosch een plek willen bebouwen. +Met de grootste dankbaarheid namen zij evenwel de stalen bijlen, de sabels en messen aan, die ik hun ten geschenke gaf, benevens +zout, waaraan zij gebrek hebben en dat zij zeer gebrekkig vervangen door de asch van eene zekere houtsoort. + +</p> +<p id="d0e1012"></p> +<div id="d0e1013" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-160.jpg" alt="Bas-relief te Lorillard."></p> +<p class="figureHead">Bas-relief te Lorillard.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e1017">De Lacandons zijn baardeloos, van middelbare gestalte en welgemaakt; eene van de vrouwen is zelfs mooi te noemen: maar te +oordeelen naar hunne fletsche kleur en bleeke lippen, schijnen allen aan bloedarmoede te lijden, hetgeen mede een gevolg kan +zijn van hun leven in de donkere, vochtige bosschen. Zij spreken de oude taal der Mayas, en leven van de jacht, de vischvangst +en het bebouwen hunner kleine akkers. Hunne hutten zijn zindelijk, en men vindt er altijd een voorraad van tabak en katoen, +van maïs en vruchten; zij hebben geen aardewerk, maar behelpen zich met kalebassen. Hunne voorvaderen stonden, voor den ondergang +van hun volk, op vrij wat hooger trap van beschaving. + +<span class="pageno"><a id="d0e1019"></a>Bladzijde 301</span></p> +<p id="d0e1020"></p> +<div id="d0e1021" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-301.jpg" alt="Tempel vau Tikal."></p> +<p class="figureHead">Tempel vau Tikal.</p> +</div><p> + + +</p><a id="d0e1025"></a><h1>XI</h1> +<p id="d0e1028">Om van Yachilan naar Peten te gaan, kan de reiziger tusschen twee wegen kiezen: hij kan de Usumacinta opvaren, die eenige +uren verder den naam aanneemt van rio de la Passion; of wel, dwars door de bosschen, den zoogenoemden Camino Real (koninklijke +heerbaan) volgen, die feitelijk niet anders is dan een afschuwelijk, onbruikbaar voetpad, waarvan de Indianen gebruik maken. + + +</p> +<p id="d0e1030">Maar nog afgezien van haar sterk verval, maakt de rivier zuidwaarts een zeer grooten omweg, alvorens zij zich naar Libertad +wendt; en hoe slecht de landweg ook moge zijn, toch is hij altijd minder bezwaarlijk voor onze manschappen, die zwaar beladen +kano's tegen stroom moesten optrekken; bovendien hebben wij onze muildieren, die op ons wachten, en die door de dagen van +rust, aan den oever der rivier doorgebracht, nog volstrekt niet op hun streek zijn gekomen. Zij zijn nog even mager als vroeger, +en nog steeds bedekt met afschuwelijke wonden, die door de reis erger zullen worden. <span class="pageno"><a id="d0e1032"></a>Bladzijde 302</span>Wij slaan dus het pad in, dat twee dagreizen verder, op den weg naar Peten uitloopt. + +</p> +<p id="d0e1034">Omstreeks het midden van onze eerste dagreis, ontmoeten wij Pepe Mora, den onverschrokken montera; hij is zeer vermagerd en +ziet er zeer afgemat uit: de koorts laat hem niet los, maar hij wil zijn post niet verlaten, voor hij het geheele district +heeft onderzocht; hij denkt zelfs over de stichting van eene kolonie en heeft oranjeappels en cherimayos gezaaid, waarvan +de roode vrucht bijna geen pit heeft; hij geeft ons eenig zaad van deze zeldzame soort en voegt er een zak met gerookt wilde +zwijnenvleesch bij. Wij bedanken den braven man, dien wij niet weder zullen zien, en komen omstreeks vier uren aan onze eerste +pleisterplaats. + +</p> +<p id="d0e1036">De kleine rivier die ons tot richtsnoer heeft gediend is niet diep: zij heeft nauwelijks drie voet water, maar de oevers zijn +buitengewoon steil; de beladen muildieren dalen niet dan met weerzin langs die bijna loodrechte helling naar beneden, maar +eens in het frissche water, willen zij er niet meer uitkomen. De muilezel die mijne bagage met mijne aanteekeningen en clichés +droeg, deed nog beter: hij ging op de diepste plek in het riviertje liggen, zoodat alleen zijn kop boven water uitstak. Ik +kon een kreet van schrik niet onderdrukken, want ik dacht aanvankelijk dat al mijne dokumenten verloren zouden zijn; gelukkig +was dit niet het geval, maar wij moesten een gedeelte van den nacht gebruiken om bij onze vuren mijne kleederen en mijne photografiën +te drogen. Des morgens was het kwaad gelukkig weer hersteld. + +</p> +<p id="d0e1038">Dien eigen avond bereikten wij het gedeelte van het woud, waar wij een zekeren voorraad levensmiddelen hadden verborgen en +een onzer paarden stervende achtergelaten hadden. De levensmiddelen waren nog in goeden staat: de apen en andere stroopers +hadden onze beschuit en ons gedroogd vleesch ontzien en de kisten met wijn waren nog ongeschonden; van het paard konden wij +geen spoor ontdekken: het arme dier was waarschijnlijk dieper in het bosch ingegaan en daar gestorven, of misschien door de +tijgers verscheurd. + +</p> +<p id="d0e1040">Den volgenden morgen sloegen wij den weg in naar Peten, en kwamen vier dagen later te Sacluc, dat tegenwoordig Libertad wordt +genoemd. + +</p> +<p id="d0e1042">Libertad, de zetel van den prefect van Peten, is het laatste bewoonde vlek van Guatemala, zoo als Tenosique van Tabasco; het +draagt geheel denzelfden stempel als alle spaansch-indiaansche dorpen in de warme luchtstreek: ook hier hetzelfde ruime, met +gras begroeide plein, dezelfde armoedige kerk en enkele onaanzienlijke woningen in het rond. Er is te Libertad aan alles gebrek, +en de hongersnood schijnt er permanent; wij zouden van honger zijn omgekomen, zonder de beambten van de monteria van de heeren +Jamet en Sastre van San-Juan Bautista, die zoo goed waren ons een huisje te verhuren en ons een deel van hun voorraad wilden +afstaan. Trouwens, dat het dorp nog bestaat, heeft het te danken aan het weinige vertier dat de hakkers van mahoniehout hier +nog aanbrengen. + +</p> +<p id="d0e1044">Van Libertad loopt de weg in noordelijke richting naar Flores, aan het meer van Peten, dertig kilometers verder. Flores is +het oude Tayasal; het bevallige dorp, zoo schoon gelegen midden in het fraaie meer en door zijn gordel van bergen omringd, +staat op dezelfde plek, waar eens de stad der Mayas verrees. Want zij was wel degelijk eene maya stad, waarvan de inwoners, +Itzaes genoemd, de afstammelingen waren van die emigranten, die onder aanvoering van hun Canek, omstreeks 1440, de stad Chichen-Itza +in Yucatan verlieten en van wie wij reeds gesproken hebben. Daar, in deze heerlijke streek, omringd door krijgshaftige stammen, +die dezelfde taal spraken, vormden de Itzaes op nieuw eene eigene nationaliteit, van zoo krachtig leven, dat zij tot het einde +der zeventiende eeuw weerstand bood aan den invloed der spaansche overheerschers. Huizen, paleizen, tempels en pyramiden zijn +verdwenen; maar toch is het ons mogelijk de geschiedenis te reconstrueeren en op nieuw het betrekkelijk moderne dezer monumenten +aan te toonen. + +</p> +<p id="d0e1046">Eerst in 1696 slaagde de gouverneur van Yucatan, Martin Ursua, er in, zich van de stad meester te maken en dit kleine volk +ten onder te brengen. Maar hij had daarvoor niets minder dan een leger noodig: opzettelijk voor dit doel werd een weg aangelegd, +die in rechte lijn vam Campêche naar Peten liep. Midden in de bosschen stuitte de expeditie op eene stad, Nohbecan genoemd, +met groote tempels vol afgoden; en toen de gouverneur aan de oevers van het meer Chaltuna kwam, was hij even als Cortez gedwongen, +vaartuigen te bouwen om de stad te kunnen belegeren. De bestorming greep plaats op den tweeden Maart 1696, en nog dienzelfden +dag werd Tayasal ingenomen. + +</p> +<p id="d0e1048">Zonderling genoeg, werd de stad in een oogwenk verlaten: al de bewoners, mannen vrouwen en kinderen, ontsnapten over de lagune, +hetzij met behulp van hun prauwen, hetzij zwemmende; de meesten verdwenen voor altijd. Martin Ursua had eene wildernis veroverd. + + +</p> +<p id="d0e1050">Dit zeer opmerkelijke feit toont ons den onverzoenlijken haat, dien de Indianen jegens de Spanjaarden koesterden, en verklaart +ons tevens, hoe steden, die tijdens de verovering nog dichtbevolkt waren, op een gegeven oogenblik eensklaps geheel verlaten +zijn. Het is nu ook duidelijk, dat men zich niet op dit verlaten zijn beroepen kan ten bewijze van de oudheid dier steden. + + +</p> +<p id="d0e1052">De stad Tayasal bevatte in 1696 een-en-twintig tempels, terwijl zij er in 1618 maar twaalf telde; in den loop der zeventiende +eeuw waren er dus negen nieuwe tempels verrezen, en daaronder de schoonste van allen, volgens de getuigenis van Villa Gutierre +Soto Mayor. + +</p> +<p id="d0e1054">“De groote tempel was met zijn spitsbooggewelf geheel van steen gebouwd; hij was vierkant met een fraaien peristijl en van +fraai bewerkte steenen; elke zijde had eene breedte van twintig <i>vares</i>, en hij was zeer hoog.” Is het niet of men eene beschrijving leest van het Castillo van Chichen, vierkant als dat van Tayasal, +van dezelfde afmetingen en eveneens met een fraai peristijl. + +</p> +<p id="d0e1059">Wij erkennen dus in Tayasal de dochter van <span class="pageno"><a id="d0e1061"></a>Bladzijde 303</span>Chichen-Itza; haar moeder hebben wij te begroeten in Tikal, waarheen wij den lezer gaan voeren. De voorname reden van de verhuizing +der Itzaes naar het zuiden was ons onbekend: Tikal zal daarover licht verspreiden; wij waren nog in het onzekere omtrent de +richting en den voortgang van de tolteeksche kolonisatie in Yucatan: Tikal zal met onwederlegbare bewijzen op onze vragen +een antwoord geven; Tikal eindelijk zal een geheel nieuw probleem oplossen en ons bekend maken met den invoed der tolteeksche +beschaving in de noordelijke steden van Guatemala, Coban, Copan, Quiriga. + +</p> +<p id="d0e1063">Tikal ligt ongeveer vijf-en-veertig kilometers ten noordoosten van Flores, aan de zuidelijke grens van het schiereiland Yucatan. +Deze stad werd laatstelijk bezocht door twee wetenschappelijke onderzoekers: door Bernouilli en door Alfred Maudsley. Bernouilli +werd ontijdig door den dood aan zijn werkkring ontrukt en het verhaal zijner reis is verloren gegaan, maar gelukkig heeft +hij belangrijke en zeer merkwaardige dokumenten omtrent Tikal nagelaten. Deze dokumenten, waardoor wij in staat worden gesteld, +der stad hare plaats in de geschiedenis aan te wijzen, bestaan in een twaalftal stukken gesneden hout, die de reiziger door +Indianen van Flores uit de tempels liet wegnemen. De andere reiziger Alfred Maudsley schijnt van Guatemala zijne bijzondere +studie te hebben gemaakt en heeft zich door zijne werken bereids een welverdienden naam verworven. De aanteekeningen en photografieën, +die hij van Tikal heeft medegebracht, zijn ons bij de beschrijving der stad van zeer groote dienst geweest. + +</p> +<p id="d0e1065">De belangrijkste gebouwen zijn de tempels, op hooge pyramiden gebouwd, die terrasvormig zijn aangelegd. Aan de voorzijde bevindt +zich de groote trap, die naar de poort van den tempel voert; de tempel zelf staat eenigszins achterwaarts op het plat, en +de achterzijde der pyramide loopt veel steiler af dan de voorzijde en de beide kanten. Datzelfde merkten wij ook te Lorillard +zoowel als te Palenque op. + +</p> +<p id="d0e1067">De basis van de pyramide heeft een breedte van honderd-vier-en-tachtig engelsche voeten en eene diepte van honderd-acht-en-zestig; +de trap is acht-en-dertig engelsche voeten breed. Deze trap heeft eene lengte van honderd-twaalf voet; de gemiddelde hoogte +van de pyramide zou dus negentig voet bedragen; de tempel is een-en-veertig voet breed en acht-en-twintig voet lang; de hoogte +bedraagt ongeveer veertig voet, met inbegrip van den zoogenaamden dekoratieven muur, die geheel begroeid is. + +</p> +<p id="d0e1069">Al deze tempels gelijken op elkander; hunne meest kenmerkende eigenaardigheid is de geweldige dikte der muren, voorts de nissen +ter wederzijde van het voornaamste vertrek en de regelmatige versmalling van het gebouw naar de achterzijde. Het inwendige +van zulk een tempel bestaat uit twee of drie smalle, evenwijdig loopende gangen, die door middel van breede openingen gemeenschap +hebben met een zaal of dwarsgang aan de voorzijde. De houten posten dier poorten of openingen zijn rijk gebeeldhouwd. In de +tempels zijn de muren hooger dan in de paleizen, en vormt het zoogenoemde gewelf, dat eveneens hooger is, een scherper hoek. +Blijkbaar was deze constructie noodig ter wille van den geweldigen dekoratieven muur, die het gebouw in figuurlijken zin verplettert, +en het ook in letterlijken zin zou gedaan hebben, als de bouwmeester daartegen niet de noodige voorzorgen had genomen door +de dikte der muren, de verlenging van het gewelf en de weinige breedte der gangen of kamers. + +</p> +<p id="d0e1071">Maudsley zegt, dat hij in die tempels geen enkel afgodsbeeld noch eenig ander voorwerp van vereering vond; maar hierin vergist +hij zich. Indien hij toen reeds Lorillard had bezocht en Palenque gekend, zou hij begrepen hebben dat al het snijwerk in hout +eene godsdienstige beteekenis had, dat deze voorstellingen de plaats der afgodsbeelden bekleedden en rechtstreeks in verband +stonden met de eeredienst. + +</p> +<p id="d0e1073">Laat ons een blik werpen op die beeldwerken. Eene eerste plaats bekleedt daaronder een groot bas-relief in hout, dat ongetwijfeld +deel uitmaakte van een altaar en eene treffende gelijkenis heeft met de steenen bas-reliefs, die wij te Palenque hebben gevonden. +Dit paneel heeft ongeveer dezelfde afmetingen: het is een el vijf-en-negentig duim hoog en twee el acht-en-twintig duim breed. +Evenals op de gebeeldhouwde zerken van Palenque, zien wij hier twee figuren in hoog relief, omgeven van die wonderlijke, barbaarsche +en vaak onverklaarbare ornamenten en attributen, die een kenmerk zijn van de amerikaansche beeldwerken. + +</p> +<p id="d0e1075">De letters van de opschriften ter rechter en ter linker zijde zijn verwonderlijk goed bewaard gebleven en kunnen onmogelijk +tot een verwijderd tijdperk behooren; die letters of teekens zijn overigens geheel dezelfden, die wij te Lorillard en te Palenque +hebben gevonden, en die wij straks te Copan zullen wedervinden. De hoofdfiguur neemt hier het midden van het paneel in, in +plaats van aan de rechter of linker zijde te staan, zoo als op de zerken van Palenque, waar het beeld der godheid het midden +inneemt. + +</p> +<p id="d0e1077">Deze hoofdfiguur is een man, in staande houding, het hoofd gedekt met een allerwonderlijkst kapsel, overladen met allerlei +grillige gedrochtelijke ornamenten en uitloopende in reusachtige vederbossen of pluimen: in een woord, een monsterachtig hoofddeksel, +waarvan de onzinnige wanstaltigheid ten volle voor het barbaarsche dezer kunst getuigt. In de rechterhand houdt dit personage +een soort van schepter, gekroond met vederen of den staart van een vogel: zijn linkerarm is halverwege bedekt door een soort +van schild. Zijne kleeding is zeer rijk; behalve een met paarlen versierde halskraag of schoudermantel draagt hij eene lange +en rijk geborduurde tuniek, die bijna tot aan de voeten afhangt. Onnoodig te zeggen, dat de teekening van het menschenbeeld +zoo gebrekkig en onbeholpen mogelijk is. + +</p> +<p id="d0e1079">Onder het opschrift ter rechterzijde ziet men symbolische ornamenten, waarvan de beteekenis niet te raden is; onder het opschrift +ter linkerzijde bespeurt men—althans met eenigen goeden <span class="pageno"><a id="d0e1081"></a>Bladzijde 304</span>wil—eene tweede monsterachtige figuur, die geacht kan worden een mensch te verbeelden, op een soort van trapje gezeten. Maar +de voornaamste figuur, hoewel zij de minste plaats inneemt, is onzes inziens het menschenhoofd boven de hoofdfiguur aangebracht, +en dat ongetwijfeld de zon moet voorstellen. De zoogenoemde vlammen, die te midden van allerlei andere, onbegrijpelijke, barbaarsche +ornamenten, aan beide zijden van dezen monsterachtigen kop zijn aangebracht, laten daaromtrent geen twijfel over; wij mogen +dus als zeker aannemen, dat dit bas-relief eenmaal in een aan de zon gewijden tempel was geplaatst. + +</p> +<p id="d0e1083"></p> +<div id="d0e1084" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-304.jpg" alt="Afgodsbeeld te Copan."></p> +<p class="figureHead">Afgodsbeeld te Copan.</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e1088">Wij allen weten dat de zonnedienst algemeen heerschte bij alle amerikaansche natiën; het is dus niet vreemd, dat wij dienzelfden +cultus ook te Tikal vinden. De tempels, de pyramiden, de opschriften, de zinnebeelden en figuren dragen echter een bijzonder +lokaal karakter, dat herinnert aan de godsdienstige monumenten der hooge bergplateaux en ons het recht geeft, ook hier van +den invloed der tolteeksche beschaving te spreken. + +</p> +<p id="d0e1090">Uit alles wat wij gezien en gezegd hebben, volgt dat ook Tikal eene stad was, behoorende tot die tolteeksche beschaving, waarvan +wij den gang en de ontwikkeling hebben gevolgd van Comalcalco tot Palenque en Ocosingo, die den loop der rivieren opwaarts +volgende, de stad Lorillard heeft gesticht en vervolgens Tikal bereikt, om zich later eenerzijds in Yucatan uit te breiden, +waar zij eene vroegere tolteeksche nederzetting ontmoet, en anderzijds in het noorden van Guatemala door te dringen, waar +zij Coban, Copan en Quiriga zal stichten. + +</p> +<p id="d0e1092">Tikal, verder van het punt van uitgang verwijderd, is natuurlijk jonger dan de steden die wij reeds beschreven hebben, maar +zij vertegenwoordigt ons een der belangrijkste tijdperken van deze zoo zeer eigenaardige beschaving, die toch altijd halverwege +in de barbaarschheid bleef steken. Van daar drong de meer beschaafde stam in het noorden van het schiereiland door: wij vinden +daarvoor niet slechts de materieele bewijzen in de steden langs den gevolgden weg, zooals bij voorbeeld de stad Nohbecan, +die Martin Usua op zijn marsch naar Tayasal ontdekte, maar wij mogen ons ook beroepen op de getuigenis der historie. + +</p> +<p id="d0e1094">Herrera verhaalt, dat in den tijd toen de opperhoofden van de eerste tolteeksche immigratie, die der Cocomes, regeerden, het +land werd overweldigd door lieden uit het land der Lacandons, Chiapas enz.; deze indringers zwierven gedurende veertig jaren +door de woestijnen van Yucatan en kwamen tot op tien mijlen afstands van Mayapan, te midden der heuvelen van Uxmal, waar zij +prachtige gebouwen oprichtten. + +</p> +<p id="d0e1096">Deze indringers werden aangevoerd door opperhoofden, Tutulxius genoemd; zij waren zoo vreedzaam van natuur dat zij geen wapenen +hadden en de dieren op de jacht met lasso's vingen of vallen uitzetten. + +</p> +<p id="d0e1098">Volgens Landa verhaalden de Indianen dat van den kant van het zuiden talrijke stammen met hunne opperhoofden in Yucatan waren +gedrongen; naar het schijnt waren die immigranten uit Chiapa afkomstig, hoewel de Indianen dat niet met zekerheid konden zeggen, +maar Landa vermoedt het ook op taalkundige gronden; deze stammen zwierven gedurende veertig jaren in de woestijn en kwamen +in de sierra op tien mijlen afstand van Mayapan. + +</p> +<p id="d0e1100">Reeds bij ons bezoek te Palenque werden wij getroffen door het bij uitstek vreedzaam en godsdienstig karakter der beeldwerken, +waarop wij nooit iets hebben gevonden dat aan den oorlog of aan wapenfeiten herinnert. Na de bijna geheele uitroeiing van +hun ras, hebben de naar elders verhuizende Tolteken de rol van veroveraars, die zij niet langer konden volhouden, laten varen, +en er zich meer op toegelegd om de barbaarsche stammen, die zij op hun weg ontmoetten, te bekeeren en te beschaven. Zij traden +meer op als zendelingen en predikers en wonnen op die wijze de inlanders voor zich, even als de Boeddhisten op Java deden, +waar zij de taal hunner bekeerlingen overnamen en prachtige tempels ter eere van Boeddha stichtten. Zoo namen ook de Tolteken +de taal over van de landen, die zij beschaafden, en bouwden ook tempels en paleizen, die echter de vergelijking met de javaansche +monumenten niet kunnen doorstaan. + +</p> +<p id="d0e1102">Uit dit alles blijkt dus overtuigend dat de tolteeksche stammen uit het zuiden in Yucatan zijn <span class="pageno"><a id="d0e1104"></a>Bladzijde 305</span>gekomen. Wij hadden dus recht te beweren, dat de gewone verklaring van het verlaten van Chichen-Itza door hare inwoners, omstreeks +het jaar 1440, niet aannemelijk was; wat ook verder tot dien uittocht aanleiding moge gegeven hebben, zeker moet de hoofdreden +gezocht worden in de nog levende herinnering aan de door hunne voorvaderen gestichte koloniën in het zuiden van het schiereiland. +Tikal moet het middelpunt van die nederzettingen zijn geweest; Tikal bestond misschien toen nog; de caciquen van Chichen hadden +ongetwijfeld betrekkingen met die stad onderhouden, en toen zij den weg insloegen naar deze stad, de bakermat van hunne familie, +handelden zij geheel in den geest der traditie. + + +</p><a id="d0e1106"></a><h1>XII</h1> +<p id="d0e1109">Als wij geloof mogen hechten aan het verhaal, dat de pastoor van Santa-Cruz del Quiché aan Stephens deed, dan bestond er te +Coban eens groote stad, die hij bezocht had en waarvan hij met groote verbazing gewaagde. Nooit heeft iemand ons over deze +stad gesproken, die tot dusver aan de nasporingen der reizigers is ontsnapt; maar het is zeer waarschijnlijk dat Coban eene +nederzetting was van dien tak der Tolteken, die Tikal stichtte en die zich van daar naar het oosten richtte, waar hij achtervolgens +Copan en Quiriga, in de provincie Chiquimula, grondvestte. + +</p> +<p id="d0e1111">Copan was ten tijde van de verovering nog eene bloeiende stad, evenals Utatlan, Itatlan, Xelahu, Patinamit en andere steden +in Guatemala, door Alvaredo verwoest. Hernandez de Chaves, een zijner onderbevelhebbers, kreeg in last zich van Copan meester +te maken. Dit geschiedde in 1530. Volgens Juarros, wiens zegsman Francisco de Fuentes de stad bezocht, was de groote circus +van Copan in 1700 nog ongeschonden in wezen. + +</p> +<p id="d0e1113">De zonderlingste en merkwaardigste monumenten van Copan zijn de uit één steenblok gehouwen afgodsbeelden, die wij ook reeds, +zij het ook minder afgewerkt, te Tikal hebben aangetroffen. Wij vinden te Copan dezelfde inscripties, dezelfde bas-reliefs +en dezelfde godheden, als in de steden die wij reeds vroeger bezochten; Copan is echter de jongste van deze steden, daar zij +het verst van het uitgangspunt der immigranten verwijderd was. Ondanks zijn niet licht te misleiden gezond verstand en zijne +buitengewone helderheid van inzicht, heeft Stephens toch de monumenten van Copan niet begrepen. Trouwens, Copan was de eerste +stad die hij bezocht; hij dacht hier de werken voor zich te hebben eener geheel oorspronkelijke beschaving, die hij met geene +andere in verband wist te brengen. Zonder het te weten, begon hij bij het einde en vermoedde niet dat hij de laatste monumenten +eener oude beschaving voor zich had. Later, beter ingelicht, oordeelde hij anders en bracht zijn helder inzicht hem van zelf +op het spoor der waarheid. + +</p> +<p id="d0e1115"></p> +<div id="d0e1116" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-305.jpg" alt="Afgodsbeeld te Copan"></p> +<p class="figureHead">Afgodsbeeld te Copan</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e1120">Stephens geeft ons in de eerste plaats de afbeelding van een te Copan gevonden menschenhoofd, waarin hij een koning meent +te herkennen. Bij nadere beschouwing van dien gebaarden kop, die in eene reusachtige draken- of slangenmuil is gevat, herkennen +wij daarin het beeld van den god Quetzalcoatl; de type is een weinig veranderd, maar de kenmerkende attributen ontbreken ook +hier niet. Hij draagt een hoofddeksel van dooreengevlochten slangen, of misschien een soort van tulband, dien wij op andere +monumenten in Guatemala zullen wedervinden. Wij bezitten geene nauwkeurige beschrijving van de monumenten van Copan, en te +oordeelen naar hetgeen Stephens zegt, schijnt het dat zij verschillen van die, welke wij bestudeerd hebben. De inrichting +der stad zou ons doen denken aan die der mexikaansche steden, evenals bij de andere hoofdsteden in Guatemala, omdat die steden, +evenals in Mexico, op bergplateaux gebouwd, een ander voorkomen hadden dan de steden in de heete vlakte, Comalcalco, Palenque, +Chichen. Uxmal en anderen. <span class="pageno"><a id="d0e1122"></a>Bladzijde 306</span>De tak van den tolteekschen stam, die zich langs den Stillen-Oceaan gevestigd had, had de traditiën van het gemeenschappelijke +vaderland, van Anahuac, behouden en volgde zoowel in levenswijze, als bij den bouw van tempels, paleizen en huizen, de oude +gewoonten: een natuurlijk gevolg van de overeenkomst tusschen de vroegere en latere omgeving. De andere hoofdtak, die in een +andere natuur en andere omgeving was gekomen, moest zich, ook wat de bouworde aangaat, daarnaar voegen en alzoo in meerdere +of mindere mate van den voorvaderlijken type afwijken. Te Copan ontmoetten de beide takken elkander weder, en de bouwstijl +onderging eene verandering door het opnemen van verschillende elementen. + +</p> +<p id="d0e1124">Wij hebben reeds vroeger, bij ons bezoek te Kabah, gesproken van de overdrijving en overlading in de ornamentiek, die het +kenmerk is der perioden van kunstverval: een verschijnsel, dat zich bijna bij alle volken heeft voorgedaan. Bijna overal zien +wij de in den aanvang zoo strenge en sobere monumenten, zeer schaars met ornamenten versierd, langzamerhand al rijker en weelderiger +worden; de architektonische lijnen treden op den achtergrond voor het ornament, dat al meer en meer voortwoekert en eindelijk +tot overlading, gemaaktheid en wansmaak voert. De gothiek levert ons daarvan een sprekend voorbeeld, en de arabische kunst +in Spanje niet minder. + +</p> +<p id="d0e1126">De Tolteken van Copan getuigen ook op hunne beurt van de waarheid dezer opmerking; en men behoeft inderdaad geen archeoloog +te zijn, om bij het aanschouwen van deze monumenten te verklaren dat zij niet tot de eerste, maar veelmeer tot de laatste +periode eener kunstontwikkeling behooren. De bewerkers van de monolithen, waarvan wij boven reeds spraken, hebben hier alle +ornamenten en alle architektonische motieven bijeengebracht, die hunne voorgangers bij hunne paleizen, hunne tempels hunne +bas-reliefs en hunne godenbeelden hadden aangewend. + +</p> +<p id="d0e1128">En niet alleen vermenigvuldigen zij de motieven en ornamenten, zij stellen zelfs in één beeld verschillende goden voor: getuige +het beeld, waarvan wij de afbeelding en face geven en waarin men gemakkelijk vier onderscheidene goden herkent. De groote +middenfiguur, die uit een drakenmuil te voorschijn komt, herinnert ons aanstonds aan Quetzalcoatl, maar het is het hoofd eener +vrouw, wier kostuum ons de attributen te aanschouwen geeft van een Tlaloc van Palenque, met zijne menschenhoofden als gordel +versiersels; deze koppen zijn hier geplaatst boven een krans of slinger van maïshalmen, die een der attributen is zoowel van +Chalciutlicue, de echtgenoote van Tlaloc, als van Centeotl, de mexikaansche Ceres, de godin van den oogst. Dit beeld zou dus +tegelijkertijd Quetzalcoatl, Tlalco, Chalciutlicue en Centeotl moeten voorstellen. Wij weten reeds, dat men te Mexico de drie eersten meermalen vereenigd afbeeldde +en dat hun feest op denzelfden dag werd gevierd. + +</p> +<p id="d0e1133">Laat ons nu een blik werpen op het zoo merkwaardige altaar, waarmede wij door Stephens bekend zijn geworden. Dat altaar, waarvan +wij op bladz. 308 de afbeelding geven, is zes voet lang en vier voet hoog; het bovenste gedeelte is verdeeld in zes-en-dertig +vakken met hiëroglyfen. + +</p> +<p id="d0e1135">Aan elke zijde van het altaar zien wij vier personen, die met gevouwen beenen, naar oosterschen trant, op kussens zitten; +het profiel is minder schuin dan bij andere beeldwerken, waarschijnlijk uit vroegeren tijd; het hoofddeksel is een soort van +tulband, zoo als in Guatemala gebruikelijk was. Deze typen zijn nieuw voor ons, maar wij vinden ze nevens ons reeds bekende +typen: een verschijnsel, dat zijne verklaring vindt in het feit, dat de twee takken van het tolteeksche ras, na eene lange +scheiding van misschien twee eeuwen, elkander hier weder voor het eerst ontmoetten en in zekere mate samensmolten. Dit zonderlinge +monument is als het ware de uitdrukking van die vermenging: het is guatemalto-tolteeksch door de figuren en zuiver tolteeksch +door de symbolische teekens, die hetzij op iedere figuur, hetzij op de kleeding, hetzij op het kussen aangebracht, ons den +naam en de hoedanigheid van iederen persoon mededeelen. Dat herinnert aan de bas-reliefs van Chichen; maar het altaar is vooral +tolteeksch door zijne opschriften, waarvan de letterteekens bijna geheel dezelfden zijn als die der inscripties van Lorillard. +De kunst van Copan draagt zoo geheel een tolteeksch karakter, dat Diego Grarcia Palacio, in een brief aan den koning van Spanje, +Filips II, in 1574 geschreven, verhaalt dat hij de monumenten van Copan als bouwvallen aantrof, maar dat zij hem toeschenen +ver verheven te zijn boven gebouwen van gelijksoortigen aard, die door de inwoners dezer streken waren gesticht. + +</p> +<p id="d0e1137">“De onder de Indianen aangenomen overlevering, zoo zegt hij, schrijft de stichting dezer monumenten toe aan emigranten uit +Yucatan”; en Palacio is mede van die meening, daartoe gebracht door de overeenkomst in stijl tusschen deze monumenten en die +welke men in Yucatan en Tabasco aantreft. + +</p> +<p id="d0e1139">Wij zien dus te Copan de laatste voortbrengselen van eene oude kunst en hare vermenging met eene andere, niet minder oude +kunst. Misschien zou deze samenvloeiing tot hooger ontwikkeling hebben geleid en zou de amerikaansche beschaving en de amerikaansche +kunst, aan haar eigen historische ontvouwing overgelaten, zich gaandeweg aan de windselen der barbaarschheid, waarin zij nog +gevangen lag, hebben ontworteld. Maar de ontdekkingstocht van Columbus en de verschijning der Spanjaarden maakten aan die +ontwikkeling een einde en vernietigden de oorspronkelijke beschaving van het indiaansche ras, om er iets voor in de plaats +te stellen dat nooit meer was en is dan eene karikatuur der europeesche beschaving. + + +</p><a id="d0e1141"></a><h1>XIII</h1> +<p id="d0e1144">Van Copan naar Oaxaca is een lange reis, waarvoor wij twee maanden noodig hebben. De beschikbare ruimte ontbreekt ons, om +dezen langen <span class="pageno"><a id="d0e1146"></a>Bladzijde 307</span>en vermoeienden tocht, dwars over de groote keten der Cordillera, in bijzonderheden te beschrijven. De weg voerde ons meermalen +door wonderschoone indrukwekkende wouden, door prachtige landschappen, maar hij was vermoeiend in de hoogste mate: nu eens +gingen wij, zwoegend en hijgend, te voet, dan reden wij te paard, somwijlen zelfs moesten wij door menschen gedragen worden; +zonder de vriendelijke hulp van de pastoors in het gebergte, zou het ons moeite genoeg gekost hebben, de plaats onzer bestemming +te bereiken. Eindelijk, eindelijk bereikten wij de vallei van Oaxaca en kwamen in de stad van denzelfden naam: menschen en +beesten waren ter dood vermoeid en uitgeput. + +</p> +<p id="d0e1148">Om naar Mitla te gaan, keeren wij op onze schreden terug en begeven ons naar Santa-Lucia, beroemd om zijne hanengevechten. +Twee mijlen verder ligt, verscholen onder het dichte lommer van goyaven, cherimoias en granaatboomen, het aardige, bevallige +dorp Santa-Maria del Tule. De reusachtige boom, Sabino genaamd, die het pleintje van eene kleine kapel overschaduwt, is door +de gansche republiek bekend; van verre gezien, gelijkt de omvangrijke kruin een klein bosch; van nabij wekt de oude boom onwederstaanbaar +onze bewondering door zijn geweldigen omvang en zijne onuitputtelijke levenskracht. + +</p> +<p id="d0e1150">Op het dikste punt heeft de stam een omtrek van veertien schreden of ongeveer dertien el; tot op twintig voeten boven den +grond behoudt hij bijna dezelfde afmeting. Daar splitst zich de reusachtige stam, en zijne machtige takken, in omvang gelijk +aan honderdjarige eiken, verspreiden tot op honderd voeten afstands hunne verkwikkende schaduw. Hij is niet zoo hoog, als +zijn geweldige omvang eigenlijk zou vorderen: ik reken dat hij niet hooger is dan negentig voet. + +</p> +<p id="d0e1152">De Indianen bewaken den eerwaardigen boom met angstvallige zorg, opdat geen profane hand hem schende. Zij koesteren jegens +den Sabino eene bijgeloovige vereering; niemand mag hem bezoeken dan onder hun geleide; elken dag reinigen zij den grond rondom +den voet des booms; en zij zouden nooit toelaten, dat iemand een takje of twijgje afbrak. Sommige reizigers verklaren dit +wonder van het plantenrijk door de vereeniging van drie verschillende stammen, die saamgegroeid zouden zijn. Wij hebben den +boom nauwkeurig onderzocht, en niets dan een enkelen stam kunnen ontdekken, die, naar het zich laat aanzien, nog eeuwen kan +leven. + +</p> +<p id="d0e1154">Naar het oosten versmalt zich de vallei: de weg loopt door Tlacolula, en voert langs de heuvelen, aan wier voet ge in de steengroeven +nog blokken ziet, door de oude bouwmeesters van Mitla ten deele bewerkt. Rechts afslaande, zouden wij te San-Dionysio komen, +het laatste dorp der vlakte; maar wij slaan links af, waar in eene bijna onbebouwde vallei, door naakte bergen omgeven, de +ruïnen der paleizen van Mitla onze aandacht vragen. Er waait hier onophoudelijk een sterke wind, die alles doet uitdrogen; +er groeit hier bijna niets dan de zoogenaamde <i>pitayoles</i>, die dichte hagen vormen en waarvan de vrucht zeer lekker smaakt, ongeveer als de aardbei. + +</p> +<p id="d0e1159">De ruïnen van Mitla, die ten tijde van de verovering eene aanzienlijke ruimte besloegen, bestaan nu slechts uit overblijfselen +van zes paleizen en drie pyramiden. De pastorie is het eerste gebouw ten noorden, op de helling van den heuvel. Het is eene +ordelooze samenvoeging van binnenplaatsen en gebouwen, waarvan sommige wanden met mozaïeken in relief zijn versierd. Onder +de uitspringende lijsten vindt men sporen van zeer onbeholpen schilderwerk, waarbij zelfs de eenvoudige rechte lijn niet in +acht is genomen: het zijn zeer ruwe, barbaarsche figuren van goden, benevens lijnen die elkander kruisen, maar waarvan de +beteekenis ons ten eenemale ontgaat. Men vindt diezelfde uiterst onbeholpen muurschilderingen in elk paleis, waar zij op eene +of andere wijze tegen den invloed van de lucht en het weder beschut waren. + +</p> +<p id="d0e1161">De kerk van het dorp, die aan dit gebouw grenst, is geheel opgetrokken met de bouwstoffen van de oude paleizen. + +</p> +<p id="d0e1163">Lager, ter linkerzijde, ziet men eene geknotte pyramide, van indiaanschen oorsprong, waarop eene moderne kapel is gebouwd. +De pyramide is voorzien van een steenen trap. De Spanjaarden zorgden er voor, dat er geen spoor meer te vinden is van den +tempel, die weleer op het plat moet hebben gestaan. Het groote paleis, dat nog in zijn geheel is en waaraan alleen het dak +ontbreekt, bestaat uit een groot laag gebouw, waarvan de voornaamste, naar het zuiden gekeerde gevel het schoonste en belangrijkste, +en tevens het best geconserveerde der monumenten van Mitla is. Deze gevel heeft eene breedte van veertig meters; daarachter +bevindt zich eene zaal van gelijke breedte, waarvan de zoldering gedragen werd door zes monolithpijlers van ongeveer veertien +voet hoogte. Drie breede en lage deuren geven toegang tot deze zaal, waarvan de vloer bedekt was met eene dikke laag cement. +Rechts voert eene donkere smalle gang naar eene eveneens bepleisterde binnenplaats, waarvan de muren, evenals de voorgevel +van het paleis, met mozaïekpaneelen en figuren in steenen lijsten zijn versierd. Deze binnenplaats is vierkant; op haar komen +vier lange en smalle kamers uit, die van onder tot boven met mozaïeken en relief zijn bedekt. De posten der deuren zijn geweldige +steenblokken, die een omvang hebben van vijf of zes meter. + +</p> +<p id="d0e1165">Het tweede en het derde paleis hebben zeer sterk geleden. Van het tweede is alleen de poort met haar gebeeldhouwde post staande +gebleven, benevens twee pijlers in de hal. Van het vierde paleis is vooral de zuidelijke gevel zeer goed bewaard gebleven. +Maar zuidwestwaarts bevinden zich nog vier andere paleizen, die half gesloopt en onder den grond begraven zijn, waarboven +de muren nog slechts ter hoogte van drie of vier voet uitsteken. De Indianen hebben tusschen deze ruïnen en op de binnenplaatsen +hunne woningen gevestigd. + +</p> +<p id="d0e1167">De bouwmaterialen van deze monumenten zijn zeer eenvoudig: zij zijn opgetrokken uit aarde, met groote keien vermengd en met +eene soort van steenen <span class="pageno"><a id="d0e1169"></a>Bladzijde 308</span>tegels bekleed. Onder de ruïnen strekken zich kelders uit; zij werden reeds eenmaal geopend, maar de vijandige houding der +Indianen noodzaakte den toegang weder te sluiten, eer men de kelders had kunnen onderzoeken en zien wat zij bevatten. + +</p> +<p id="d0e1171">Wij weten niet met juistheid uit welken tijd de monumenten van Mitla dagteekenen, maar zij kunnen kwalijk ouder zijn dan die, +waarvan wij reeds gesproken hebben. Hun ondergang dagteekent echter reeds van vroeger tijd: Orozco y Berra verzekert dat zij +verwoest werden door Ahuizotl, dat is dus tusschen de jaren 1490 en 1500; overigens valt de verwantschap tusschen deze gebouwen +en de tolteeksche of mexikaansche monumenten niet te miskennen. Mitla was eene beroemde heilige plaats en de begraafplaats +der koningen van Teotzapotlan. Toen de gebouwen nog ongeschonden waren, bevatten zij vier gebeeldhouwde kompartimenten boven +den grond, waarmede vier andere lokalen onder den grond overeen kwamen. + +</p> +<p id="d0e1173">Een der eerstgenoemde vertrekken was bestemd voor de woning van den opperpriester; een ander voor de huisvesting der priesters; +het derde vertrek was voor den koning, als hij te Mitla kwam; het vierde eindelijk voor de heeren, die het heiligdom bezochten. +De woning van den opperpriester was rijker versierd dan de andere vertrekken, want zij bevatte een troonzetel met een kussen +en een rugleuning, beiden met tijgervel bekleed. De dekoratie der andere kamers bestond uit fijne beschilderde matten, gelooide +huiden en stoffen om zich gedurende den slaap te dekken. + +</p> +<p id="d0e1175">Van de onderaardsche kamers diende het middelste als heiligdom; de afgodsbeelden waren op eene groote zerk geplaatst, die +het altaar verving; het tweede was de begraafplaats der opperpriesters; in het derde werden de koningen begraven. Het vierde, +dat naar men zegt zeer groot was, werd gedragen door rijen pijlers, even als de groote zaal boven den grond; de toegang tot +dit vertrek werd met eene groote zerk gesloten. Daar, in dezen ruimen kelder, wierp men de lijken der slachtoffers en der +in den oorlog gevallen krijgsbevelhebbers. Sommige vrome boetelingen vroegen, als eene gunst, vergunning om op deze heilige +plaats te mogen sterven; was dit verzoek toegestaan, dan geleidden de priesters deze vrijwillige slachtoffers naar den ingang +van den kelder, wentelden de zerk af, zeiden den martelaars vaarwel en sloten den ingang weder, zoodat de ongelukkigen levend +begraven werden. + +</p> +<p id="d0e1177"></p> +<div id="d0e1178" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-308-1.jpg" alt="Altaar te Copan (voorzijde) (Blz. 306.)"></p> +<p class="figureHead">Altaar te Copan (voorzijde) (<a id="d0e1181" href="#d0e1122">Blz. 306</a>.) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e1185">De opperpriester, die den titel voerde van Huiyatoo (de groote schildwacht, hij die alles ziet), was met onbeperkte macht +bekleed en stond boven den koning, die hem vreesde en eerbiedigde; de lieden uit het volk konden zijn aangezicht niet aanschouwen, +zonder hunne vermetelheid met den dood te bekoopen. Als eenige middelaar tusschen de goden en de menschen, was hij ook de +eenige uitdeeler van gaven en voorrechten: iets als de groote lama in onzen tijd. + +</p> +<p id="d0e1187">Burgoa, aan wien wij deze bijzonderheden ontleenen, schijnt de ruïnen van Mitla niet bezocht te hebben: althans hij spreekt +in zijne beschrijving slechts van een paleis, terwijl er in zijn tijd nog acht bestonden. Maar zeker is het te verwonderen, +dat de mexikaansche regeering, in het bezit van zoo uitvoerige en nauwkeurige gegevens, geene opgravingen heeft laten doen +in de paleizen van Mitla. Men zou daar eene onuitputtelijke mijn kunnen vinden van de belangrijkste zaken: afgodsbeelden, +sieraden, aardewerk en wat niet meer. Men bedenke slechts dat daar de koningen begraven werden, bekleed met hunne prachtigste +kleederen, het lichaam versierd met vederen, halskettingen van goud en edelgesteenten en andere sieraden; in de linkerhand +hielden zij hun schild, in de rechter hun staf. Misschien zelfs zou men er handschriften vinden, die tegenwoordig zoo uiterst +zeldzaam zijn. + +</p> +<p id="d0e1189"></p> +<div id="d0e1190" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-308-2.jpg" alt="Altaar te Copan (achterzijde). (Blz. 306.)"></p> +<p class="figureHead">Altaar te Copan (achterzijde). (<a id="d0e1193" href="#d0e1122">Blz. 306</a>.) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e1197"> + +</p> +<p id="d0e1199">Tot dusver de heer Charnay, wiens reisverhaal, onderdeel van een uitgebreid werk, hier afbreekt. Naar wij vertrouwen, zal +het onzen lezers, tot recht verstand en toelichting van het voorafgaande, niet onwelkom zijn, een beknopt samenvattend overzicht +van de overblijfselen en monumenten eener vroegere beschaving, bepaaldelijk in Centraal-Amerika, te ontvangen. Het betreft +hier een veld van studie, dat bij ons nog weinig bekend en bearbeid is, en waarvan toch het hooge belang voor de algemeene +kultuurgeschiedenis niet te miskennen valt. + +</p> +<p id="d0e1201">De amerikaansche antiquiteiten, de monumenten <span class="pageno"><a id="d0e1203"></a>Bladzijde 310</span>van de eigenaardige beschaving der oorspronkelijk amerikaansche volken, behooren deels tot een voorhistorischen tijd, deels +tot den tijd der Tolteken en hunner opvolgers de Azteken, aanvangende omstreeks de zevende eeuw onzer jaartelling; of wel +tot het rijk der Inka's in Peru, uit de dertiende eeuw. Zij worden in drie hoofdgroepen verdeeld, die zoowel geografisch als +historisch gescheiden zijn: namelijk, in noord-amerikaansche, centraal-amerikaansche en zuid-amerikaansche antiquiteiten. +Van de eersten en de laatsten kunnen wij nu niet spreken: slechts zij hier opgemerkt, dat de noord-amerikaansche antiquiteiten, +die weder in drie groepen worden gesplitst en bijna het geheele gebied der Vereenigde-Staten omvatten, een veel lageren trap +van beschaving aanduiden, dan die van Zuid- en vooral van Centraal-Amerika. Dit neemt echter niet weg, dat ook de in Noord-Amerika, +met name in het stroomgebied van den Mississippi gevonden overblijfselen van gebouwen en voorwerpen van kunstnijverheid de +onwedersprekelijke bewijzen zijn voor eene vrij wat hoogere beschaving, dan waarop later, bij de aanraking met de Europeanen, +de indiaansche stammen van Noord-Amerika stonden. + +</p> +<p id="d0e1205"></p> +<div id="d0e1206" class="divFigure"> +<p class="legend"><img src="img/p1886-309.jpg" alt="Boom te Santa-Maria del Tule. (Blz. 307.)"></p> +<p class="figureHead">Boom te Santa-Maria del Tule. (<a id="d0e1209" href="#d0e1146">Blz. 307</a>.) +</p> +</div><p> + +</p> +<p id="d0e1213">De belangrijkste overblijfselen van de oud-amerikaansche beschaving bezitten, buiten kijf, de hooglanden van Centraal-Amerika, +Mexiko, Guatemala en Yucatan. Met name zijn het de gewrochten van bouw- en beeldhouwkunst, die hier deels als op zich zelven +staande monumenten in de nabijheid van nog bewoonde plaatsen, deels tot groepen vereenigd als overblijfselen en ruïnen van +voormalige steden, de aandacht tot zich trekken. Hoewel zij in het algemeen en in hoofdzaak hetzelfde karakter eener zeer +eenvoudige kunst vertoonen, kunnen zij toch in twee afdeelingen worden onderscheiden, die elk tot eene andere kunstperiode +behooren. Tot de oudere en tevens hooger ontwikkelde periode behooren de monumenten in Oaxaca, Guatemala en Yucatan, die van +tolteekschen oorsprong zijn; tot de jongere azteeksche periode behooren de monumenten, die men in Mexiko en in het algemeen +binnen de grenzen van het oude rijk der Azteken vindt. Eene meer nauwkeurige splitsing naar nationaliteit en tijdvakken is +nog aan vele twijfelingen en bezwaren onderhevig. + +</p> +<p id="d0e1215">Sedert Antonio del Rio in 1787, op last van den gouverneur van Guatemala, de ruïnen van Palenque bezocht, maar vooral sedert +zijn verslag, in 1822, in eene engelsche en eene fransche vertaling het licht zag, hebben vele andere reizigers en geleerden +de monumenten dezer landstreek onderzocht en in beeld en schrift meer algemeen bekend gemaakt. In Mexiko zijn de voornaamste +overblijfselen ruïnen van tempels en van vestingwerken: welke groepen van bouwwerken echter meermalen samenvallen, in zoo +verre de tempels ook zelven vestingen waren. Zij onderscheiden zich vooral door hun massieven bouw, maar getuigen tevens van +smaak en van eene vrij hoog ontwikkelde kunst. De voornaamste tempel van Mexiko lag in het midden der stad en was zoo groot, +dat hij, volgens Cortez, ruimte aanbood voor vijfhonderd paarden. Hij vormde eene pyramide van vijf verdiepingen, acht-en-dertig +meter hoog, met een basis van vijf-en-negentig meter, en twee torens. Pyramiden van meer of minder merkwaardigen bouw vindt +men op een aantal andere plaatsen; ruïnen van oude steden vindt men bij Tula, de oude Toltekenstad, bij Papantla in Vera-Cruz, +bij Mopilca in dezelfde provincie, bij Palenque, bij Ocosingo en elders. + +</p> +<p id="d0e1217">Grondvorm van de geheele architektuur in Centraal-Amerika is de pyramide, die voornamelijk in godsdienstige monumenten, minder +duidelijk in eigenlijke tempels en nog minder in paleizen, aan het licht treedt. De teokalli's (godshuizen), die men onder +zeker opzicht reusachtige altaren zou kunnen noemen, zijn altijd vierzijdige, nauwkeurig naar de windstreken georiënteerde, +van boven afgeknotte pyramiden, waarop zeer dikwijls nog kapellen of andere gebouwen verrezen. Hare wanden stijgen soms in +onafgebroken helling naar boven; maar meestal verheffen zij zich in verschillende, hoogstens acht, verdiepingen, die of wel +afzonderlijke terrassen vormen, of alleen door omloopende, meestal versierde galerijen aangewezen worden. Naar het plat voeren +breede en steile trappen, die meest aan eene, soms ook aan twee of meer zijden zijn aangebracht; enkele malen zijn ook de +verschillende terrassen of verdiepingen door trappen onderling verbonden. Rondom de teokalli's lagen de woningen der priesters, +benevens andere lokalen voor de dienst der goden bestemd. Doch ook bij andere gebouwen dan de teokalli's vinden wij den pyramiden +vorm terug, en wel door het regelmatig afnemen der grootte van de verschillende verdiepingen. + +</p> +<p id="d0e1219">De architektuur der Mexikanen getuigt niet van eene hooge kunstontwikkeling, maar kenmerkt zich door strenge consequentie +in den stijl; alle details en onderverdeelingen zijn naar de eenvoudigste beginselen en regelen ontworpen. Voor de versiering +der wandoppervlakten gebruikte men rechtlijnige, maar vaak zeer samengestelde vakken of kassetten, voorts golvende lijnen, +zigzags en dergelijke figuren. In hun geheel genomen, vertoonen de op den vlakken grond, of op gewone terrassen, of ook wel +op het plat der teokalli's geplaatste gebouwen, de gedaante van eenvoudige, vierkante steenklompen, met rechtlijnig overdekte +portalen, en eenvoudige pijlers, waarboven zich dikwijls een rijk versierde, dikwijls overladen, geweldig groote fries—door +Charnay dekoratiemuur genoemd—verheft. Het dak is horizontaal of bestaat ook wel uit een soort van gewelf, dat door trapsgewijze +over elkander liggende zerken wordt gevormd. Deze wijze van bedekking en het gemis van eigenlijke zuilen maken het aanleggen +van groote zalen of hallen onmogelijk. + +</p> +<p id="d0e1221">De meeste gebouwen zijn met beeldwerken versierd, hetzij reliëfs, hetzij standbeelden in eigenlijken zin. Deze beeldwerken, +die blijkbaar van verschillende volken en uit verschillende tijden afkomstig zijn, getuigen zoowel van onbeholpenheid als +van barbaarschen wansmaak in de zonderlinge <span class="pageno"><a id="d0e1223"></a>Bladzijde 311</span>overlading. Bij vergelijking met egyptische, assyrische, indische of oud-grieksche beeldwerken, staan de monumenten der amerikaansche +skulptuur op een zeer lagen trap. Niet alleen dat alle individualiteit en uitdrukking aan de beelden ontbreekt, maar de navolging +der natuur is zoo gebrekkig, dat de meeste figuren iets monsterachtigs hebben. Somwijlen doen zij ons denken aan de wanstaltige +afgodsbeelden van de bewoners der Zuidzee-eilanden. In hoeverre deze hoogst gebrekkige, onbeholpen kunst de kiem van hoogere +ontwikkeling in zich bevatte, kunnen wij in het midden laten. Eene geschiedenis der amerikaansche kunst is zeker nog niet +te schrijven. + +</p> +<p id="d0e1225">In Centraal-Amerika zijn vooral Honduras en Yucatan rijk aan antiquiteiten en ruïnen. In den eerstgenoemden staat zijn de +beroemdste ruïnen die van Copan; in Yucatan kent men reeds meer dan vijftig ruïnen, die door haar omvang en deels ook door +haar pracht de bewondering wekken. De paleizen bestaan dikwijls uit verschillende gebouwen boven elkander; kolossale trappen +voeren van het eene terras naar het andere; ter wederzijde zijn die trappen met slangen versierd, wier kop den grond aanraakt, +terwijl het reuzenlijf zich naar boven kronkelt. Terwijl de monumenten uit lateren tijd met versieringen overladen zijn, kenmerken +zich de oudste gedenkteekenen door eenvoud, ernst en soliditeit; zoo als, bij voorbeeld, de pyramidale tempel van Palenque +in Guatemala, waarvan de voorgevel met figuren en opschriften is versierd, terwijl van binnen mythologische beeldwerken en +bas-reliefs de wanden bedekken. + +</p> +<p id="d0e1227">Ook elders in Centraal-Amerika heeft men merkwaardige overblijfselen eener vroegere beschaving gevonden; zoo in Costa-Rica, +waar massieve sieradiën van goud, kleine godenbeelden van brons, goud en koper, en bevallig vaatwerk nog getuigen van de aanwezigheid +eener hooger beschaafde bevolking dan de Indianen; voorts aan de Mosquitokust en vooral in Nicaragua, waar de eilanden in +de meren nog belangrijke ruïnen bevatten, die nog maar voor een deel onderzocht zijn. + +</p> +<p id="d0e1229">De Tolteken, van wie in het reisverhaal van Charnay bij herhaling gesproken wordt, zijn een amerikaansche volksstam, die vermoedelijk +in de vijfde of zesde eeuw onzer jaartelling, van een meer noordelijk gelegen land, Huehuetlapallan genoemd, naar Anahuac +verhuisden en daar omstreeks het midden der zevende eeuw de stad Tollan (Tula) stichtten. Door verovering en vreedzame overeenkomsten +breidden de Tolteken allengs hun gebied uit en bereikten een betrekkelijk vrij hoogen trap van beschaving. Omstreeks de elfde +of twaalfde eeuw onzer jaartelling stond het rijk der Tolteken op het toppunt van bloei en macht; door ongelukkige oorlogen +en andere rampen geraakte het allengs in verval. Tegen het midden der twaalfde eeuw werden de Tolteken uit een deel hunner +woonplaatsen verdrongen door de Chichimeken, die anderhalve eeuw later gevolgd werden door het krijgshaftige volk der Azteken, +die in 1325 de stad Tenochtitlan (Mexiko) stichtten en allengs meester werden van het geheele land. De nieuwe veroveraars +namen ook hier de beschaving en kunst hunner hooger ontwikkelde voorgangers, de Tolteken, over; deze laatsten weken allengs +naar zuidelijker streken, met name naar Yucatan, waar zij gaandeweg met de inheemsche stammen samensmolten of uitstierven. + + +</p> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Reis naar Yucatan, by Desire Charnay + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIS NAAR YUCATAN *** + +***** This file should be named 13346-h.htm or 13346-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/3/3/4/13346/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> |
