summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:38:39 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:38:39 -0700
commitbd6101e88d57a42b02df4a7354a9fa95663799ff (patch)
tree9cfd97e91f207b7081b32117215a35310b3851ea
initial commit of ebook 12009HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--12009-0.txt9457
-rw-r--r--12009-h/12009-h.htm9580
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
-rw-r--r--old/12009-0.txt9832
-rw-r--r--old/12009-0.zipbin0 -> 232494 bytes
-rw-r--r--old/12009-h.zipbin0 -> 236287 bytes
-rw-r--r--old/12009-h/12009-h.htm10039
-rw-r--r--old/old/12009-8.txt9889
-rw-r--r--old/old/12009-8.zipbin0 -> 232842 bytes
-rw-r--r--old/old/12009.txt9889
-rw-r--r--old/old/12009.zipbin0 -> 232069 bytes
13 files changed, 58702 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/12009-0.txt b/12009-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..7c9ee7e
--- /dev/null
+++ b/12009-0.txt
@@ -0,0 +1,9457 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12009 ***
+
+JEAN JACQUES ROUSSEAU
+
+
+EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN
+
+MET EENIGE PORTRETTEN
+
+van
+
+HENRIËTTE ROLAND HOLST
+
+
+
+[Illustratie: JEAN JACQUES ROUSSEAU.]
+
+
+INHOUD
+
+EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd.
+
+ I. Genève aan den aanvang der XVIIIde eeuw
+ II. Kindsheid
+III. De zwerver
+ IV. Groei
+
+TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs.
+
+ I. Midden der XVIIIde eeuw
+ II. Het moeizame leven
+III. De eerste fanfaren
+
+DERDE HOOFDSTUK: De groote foren.
+
+ I. Naar de vereenzaming
+ II. De Katastrophe
+III. De werken der groote jaren
+
+VIERDE HOOFDSTUK: De laatste worsteling
+
+VIJFDE HOOFDSTUK: Waan en Vrede
+
+
+
+
+Lijst van illustraties
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK
+
+JEUGD.
+
+
+I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW
+
+In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme
+geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst
+en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het
+maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen
+bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had
+gestuwd.
+
+Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen
+bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève,
+terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar
+heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de
+XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van
+verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken.
+Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen
+weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en
+sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel
+overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie
+bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der
+manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden;
+--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij
+tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook
+het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe
+kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden
+verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen,
+de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen,
+puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en
+behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in
+Holland als in Engeland, met ééne in het spel der krachten te zijn die
+het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere
+klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers,
+visschers en boeren.
+
+Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten
+handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit,
+en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon
+het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot
+onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie.
+De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt
+van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en
+levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens
+was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn.
+Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren,
+en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare
+gelijkvormige massa.
+
+Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van
+bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het
+eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was
+de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den
+handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten
+der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en
+beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun
+beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.
+
+De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer.
+Zij verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm
+tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen
+die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte,
+ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele
+beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest
+bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen
+zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar
+gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en
+de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.
+
+De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het
+begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar
+kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk,
+die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven
+zouden zijn weggespoeld.
+
+Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad
+voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een
+onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger
+van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke
+feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine
+steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen
+van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed
+en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke
+vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn,
+werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.
+
+Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de
+meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van
+kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke
+theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de
+kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten
+voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen,
+evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot
+één gevoel waren samengegroeid.
+
+Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de
+kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij
+in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der
+demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw
+verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke
+organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch.
+Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was
+in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de
+Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de
+bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds
+uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld
+was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de
+"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden
+in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van
+belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en
+bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen,"
+en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de
+"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het
+vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
+
+In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der
+gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de
+oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie
+die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig
+uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer
+bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het
+"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere
+groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd
+deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad
+vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den
+kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in
+Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan
+het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.
+
+De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de
+bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook
+dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide
+raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het
+burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.
+
+Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de
+rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook
+der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste
+gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt,
+overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit
+Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans,
+met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot
+plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de
+kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts
+zelden voor.
+
+Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het
+gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij
+het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte
+zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen,
+door de regeerders streng onderdrukt.
+
+Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie,
+grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen
+was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De
+kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet
+geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk
+gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en
+vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden
+zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen
+tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met
+kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een
+danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte
+in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,
+--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd
+onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of
+zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote
+machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad
+bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige
+toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen.
+Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken
+mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone
+teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de
+zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig
+avondmaal.
+
+Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het
+leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door
+den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk
+katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van
+voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle
+spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en
+trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen
+door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename
+karaktertrekken van het puritanisme.
+
+Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een
+stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen,
+oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt,
+dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen
+verstijven doet.
+
+Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse
+zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden,
+haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en
+de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van
+gemelijke norschheid.
+
+De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening
+van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van
+den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de
+burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan
+de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het
+gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die
+voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit
+wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het
+kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner
+kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun
+nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de
+godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den
+hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren
+aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God
+te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het
+lot hen voerde.
+
+Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één
+vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden.
+Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere
+handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.
+
+Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van
+Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over
+Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche
+vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder
+ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen
+allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en
+verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er
+een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des
+levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische
+regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten
+en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele
+handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij
+door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren:
+de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen.
+Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie.
+Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken
+vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den
+oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten
+woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen,
+waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge
+wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende
+weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt
+niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk
+bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden
+daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers
+trokken.
+
+Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de
+hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken
+of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het
+protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van
+aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden
+ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken
+hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de
+gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht
+in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid
+verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen
+de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd
+het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze
+mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die
+voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen
+en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk
+de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de
+aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.
+
+ * * * * *
+
+Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen
+beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en
+de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze
+neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale
+zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden
+neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij
+elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed.
+Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke
+demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn
+eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk,
+toch hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking
+samenbracht--had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van
+vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou
+men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de
+burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en
+vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare
+mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke
+oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en
+wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten,
+uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk
+stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel
+militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden
+de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De
+handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in
+zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid,
+van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts,
+mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren,
+eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden.
+Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der
+naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En
+droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen
+toga was.
+
+Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone
+oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de
+mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het
+licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen
+bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten
+stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun
+huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de
+pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men
+zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een
+dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van
+zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het
+dagelijksch doen.
+
+Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog
+zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met
+beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de
+burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en
+eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde
+landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar
+nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien."
+
+Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de
+ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl
+bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.
+
+
+II. KINDSHEID.
+
+Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot
+ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet
+gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door
+hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die
+te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten
+Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot
+_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn
+stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging
+weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen
+niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken
+staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en
+ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman.
+Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke
+opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een
+dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn
+voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen
+wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon
+vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was
+nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle
+kunsten had onderdrukt.
+
+Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig
+terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de
+autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder
+gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en
+toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een
+burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard
+heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde,
+bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader
+was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden
+liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde,
+en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam
+bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig
+en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en
+zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende-
+eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig,
+daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht
+van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad
+gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het
+jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had
+bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal,
+dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het
+ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden gebracht.
+Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en
+onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte
+gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd.
+
+Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun
+prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun
+herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij
+weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste
+kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van
+den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk
+erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem,
+gelijk zoovelen, de zwerflust.
+
+Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had
+hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht,"
+gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter
+wereld.
+
+Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit
+vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon,"
+heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij
+gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving
+en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend."
+
+Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar
+zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang
+heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete
+geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid
+mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude
+wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het
+gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend.
+Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet
+deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te
+zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar
+toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond
+er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze
+omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip
+hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in
+dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen,
+die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de
+atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die
+doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze
+voelde: het geheugen van 't gemoed.
+
+Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij
+de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de
+oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel.
+Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met
+hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote
+teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei:
+"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we
+schreien, vader."
+
+Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van
+overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac.
+Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te
+herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die
+Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd
+gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld,
+vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw
+kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van
+romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan
+jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud.
+
+Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich
+veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten
+levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde
+uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes
+en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar
+Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel
+met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen
+dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid.
+
+Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een
+ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem
+het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't
+haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid
+zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de
+vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen
+ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch
+gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De
+gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk,
+want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der
+middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn
+wezen en werd een deel daarvan, voor goed.
+
+Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon
+vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw
+voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet,
+Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid
+open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van
+rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was
+een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te
+redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond
+van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn
+oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden
+langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid,
+groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de
+oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig
+blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij
+wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem.
+Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van
+zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde,
+die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor
+de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen,
+gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren,
+en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat
+tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden
+versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en
+de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers
+van Sparta en Rome en met hun roem.
+
+En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en
+kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn,
+toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de
+gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden.
+En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen
+opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten
+zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne
+tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij
+burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud
+en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een
+grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde
+en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden
+zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte:
+hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen
+schooner toe.
+
+ * * * * *
+
+Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een
+hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier,
+die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac,
+prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden
+ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn
+zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete,
+drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac
+achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich
+voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het
+stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn
+kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor
+hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean
+Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch
+gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den
+achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad
+uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde
+ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten,
+in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in
+zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart
+tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.
+
+Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en
+kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde
+als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het
+zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje
+Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk,
+kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.
+
+Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok
+waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje
+hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van
+onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet
+misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid
+van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't
+kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld
+als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen
+in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten
+herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als
+een ongebruikte veer.
+
+Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn
+door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen.
+Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet
+voorbij.
+
+Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de
+grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer
+als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende
+liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad
+hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen.
+Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de
+onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf
+wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de
+eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn
+verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks
+pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete
+verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.
+
+De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote
+proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en
+brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet
+ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was
+hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in
+herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang
+nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog,
+als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der
+herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg,
+het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.
+
+Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige
+depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de
+bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte
+uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit
+óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van
+af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van
+triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten
+balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen
+zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij
+zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene
+oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke
+ongelijkheid.
+
+De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte
+gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar
+Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden:
+horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de
+nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten.
+Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen
+liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond
+hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem
+een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn,
+dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn
+met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en
+traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare,
+warme verwarring van het onderbewuste.
+
+Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man
+nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het
+ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was
+dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.
+
+Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar,
+zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en
+moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij
+zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden
+en omgeving van hem maakten, dat was hij.
+
+Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in
+hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed.
+Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind,
+gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de
+ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van
+overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren
+onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun
+liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten,
+hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als
+een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in
+verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later
+dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten
+tijd was vervallen.
+
+Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in
+de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage,
+waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.
+
+Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer.
+Alles om hem werd kil en grauw.
+
+Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor
+goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean
+Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan
+en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en
+voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.
+
+In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk
+gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En
+omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van
+anderen.
+
+Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met
+razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van
+zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken
+te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien
+waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster
+hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de
+liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte
+hij uit schaamte.
+
+Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om
+het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar
+in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den
+handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij,
+voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der
+zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste
+innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer,
+leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld
+kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.
+
+Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman
+geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper
+eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam
+om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te
+leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn
+vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem
+vertrouwden levensstaat.
+
+Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang
+duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht
+op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde
+de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat
+afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten
+gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft
+en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet
+terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de
+brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich
+in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te
+keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen
+Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar
+zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.
+
+Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de
+wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen
+ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze
+eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in
+den strijd om het bestaan.
+
+Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.
+
+
+III. DE ZWERVER.
+
+Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan.
+Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de
+kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen,
+die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand
+slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de
+minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen
+zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich
+kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete
+bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging,
+rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde
+zich baden in vrijheid.
+
+Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn.
+Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den
+oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te
+zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen."
+Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van
+dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht
+ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en
+de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't
+grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in 't land der
+hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd
+de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen,
+telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de
+veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met
+andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen
+hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij lagen op
+de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele
+bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan
+zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist.
+
+De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling
+na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het
+bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap
+met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het
+hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te
+winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame,
+die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde.
+Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters:
+haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten
+uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de
+hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het
+katholicisme.
+
+Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij
+achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de
+kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude
+kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen,
+lieftallig schoon en jong.
+
+Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert
+zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar
+bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was.
+Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en
+weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur
+bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar
+teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk
+als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet
+alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van
+lieftalligheid.
+
+Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd
+geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart.
+Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als
+twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.
+
+Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar
+later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven
+beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen
+voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in
+pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare
+gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen
+zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hàre zachtheid ... dat was
+het geluk.
+
+Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en
+later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning
+die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al
+heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in
+haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem
+terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de
+geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk
+werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem
+te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde
+zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde
+hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem
+gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.
+
+Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming.
+Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn
+hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en
+toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en
+kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij
+in minne zijn moeder.
+
+Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid
+beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar
+geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en
+zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke
+jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht,
+maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden
+voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid,
+haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat
+een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens
+over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke
+plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de
+Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in
+groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over
+het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp.
+Spoedig volgde haar bekeering.
+
+Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau
+bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden
+haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles
+proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en
+daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van
+aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van
+Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te
+exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat
+al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien
+zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen,
+wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het
+einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al
+nijpender schulden en al dreigender gebrek.
+
+En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust,
+de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig
+die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien,
+zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden
+der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij
+stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar
+ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen.
+Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij
+verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.
+
+Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn
+leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring
+en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot
+fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid,
+in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel
+de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar
+vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en
+vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven
+effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van
+onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van
+harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij
+haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke
+tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door háár gelukkigen
+jongelingstijd.
+
+Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn,
+om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van
+zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn
+kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid?
+Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de
+burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk
+leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke
+gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete
+begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen
+zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan
+de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone
+vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar
+verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit,
+aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe
+schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend,
+juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.
+
+Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij
+wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren
+zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij
+is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het
+bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust
+van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt
+tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen
+met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het
+geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man
+van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na
+vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone
+droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de
+paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden.
+Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem
+gehouden kollekte, en zetten hem op straat.
+
+Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de
+weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij
+de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren,
+zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie
+hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de
+schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot
+een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles
+af.
+
+Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt
+zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet,
+maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië
+was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der
+italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem,
+muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang
+ontwaakt.
+
+Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij
+wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft
+zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat
+nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den
+jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt,
+geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een
+keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en
+die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem
+het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de
+"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn
+aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.
+
+Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op
+een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat
+zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten
+valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een
+geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris,
+zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij
+bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst,
+zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden
+raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der
+wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn
+gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding
+herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de
+groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke
+faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken.
+
+Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun
+diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling
+gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los.
+
+Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen
+avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan
+toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bâcle mee, hij
+moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch
+maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn
+nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't
+vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't
+schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.
+
+Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt
+hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen,
+neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de
+Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet
+de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij
+ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een
+bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde,
+maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd
+weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.
+
+Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later
+getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij
+gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting
+verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond
+was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde,
+altijd meegaf, een donzige wolk.
+
+Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de
+liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen,
+alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen
+gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke
+verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem
+levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens,
+verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de
+vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven
+schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij
+toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.
+
+In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan
+wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als
+passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte
+overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens
+was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders
+heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de
+hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft
+hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des
+levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar
+duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met
+liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is
+teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van
+hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en
+toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld."
+
+Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet
+doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een
+vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde
+van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.
+
+Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de
+tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende
+kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap,
+polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon
+goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan
+weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en
+literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche
+prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje
+van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en
+ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er
+te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar
+hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar
+het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen,
+de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en
+te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn
+weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van
+Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een
+donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit
+Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje
+een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed
+geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God
+verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel
+behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een
+verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die
+gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend
+geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de
+donkere gewelven van zijn gemoed.
+
+En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die
+hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de
+schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname
+stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn
+middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een
+provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de
+bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn
+kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de
+hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den
+bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de
+gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan
+Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder
+de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste
+rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op
+den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap
+was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië,
+een bad van vrede en harmonie.
+
+Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet
+langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen
+geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van
+altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls
+gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van
+liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.
+
+Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op
+te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de
+verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en
+de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer
+zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de
+ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in
+'t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de
+zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet
+leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf
+verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd
+weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem
+aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang
+opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek
+verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en
+studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet
+afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de
+koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren.
+Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare
+musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten.
+Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem
+behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou
+vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op
+straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw
+een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd
+heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den
+zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar
+Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke
+intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar
+Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder
+middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot
+een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering
+nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag,
+lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer
+lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in
+den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen
+over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee.
+Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij
+beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van
+zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk
+landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het
+kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag
+van morgen tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van
+glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de
+herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en
+rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen
+in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het
+vriendinnen-paar Claire en Julie.
+
+Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit
+door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de
+kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar
+Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich
+uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een
+muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig
+bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met
+een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den
+muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor
+orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen,
+schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt,
+dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij.
+Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor
+een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor
+het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant
+in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen
+officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt
+de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel
+oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij,
+zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een
+dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt
+de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de
+lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest
+te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye
+is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar
+en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is
+ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven
+gaat beginnen.
+
+Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu
+twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en
+iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den
+toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde
+levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de
+scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven;
+soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn
+vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren
+vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de
+volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij,
+geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar
+de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel
+gebleven.
+
+Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der
+blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een déclassé geworden."
+Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij
+stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn
+afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het
+bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de
+dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en
+eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar
+gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens
+van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter
+tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen,
+waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef
+zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen
+te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer
+kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met
+de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien
+omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk
+wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben.
+Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote
+prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke
+gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen
+er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor
+wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de
+mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig
+leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en
+lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had
+verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens
+duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit
+de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet
+burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling
+vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof.
+
+Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker,
+die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De
+misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als
+den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven
+dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij
+de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren
+had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers,
+voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem
+meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de
+volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden,
+onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als
+in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig,
+menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der
+groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog
+meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het
+volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door
+ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte,
+aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar,
+zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat
+knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was
+hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't
+allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder
+van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des
+konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet.
+Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn
+arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet
+ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den
+nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers
+van het volk."
+
+Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer
+van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke
+verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die
+ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn
+bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der
+massa's waren saamgegroeid tot één gevoel.
+
+Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke
+ervaring en persoonlijke waardeering.
+
+Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem
+ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed
+fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige
+wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn
+handelen.
+
+
+IV. GROEI
+
+Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij
+een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver
+werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de
+bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit,
+waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe
+natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis.
+Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn
+levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één
+kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der
+dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets
+of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn
+eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij
+te blokken op het "Traité de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en
+duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een
+zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der
+harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een
+schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle
+kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in
+zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten
+kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten
+was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit
+ontmoedigde hem niet.
+
+Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke
+administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in
+krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met
+verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar
+neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie:
+magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan
+sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had
+omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam
+Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich
+interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't
+opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven
+van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van
+Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland,"
+van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't
+denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën
+van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een
+nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles
+wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die
+liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het
+uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond
+hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het
+openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht
+naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging.
+
+Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een
+koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de
+aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig
+voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige
+oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde
+voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet
+verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij
+haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij
+niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was
+vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en
+Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding
+zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar
+met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In
+volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën
+vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde
+de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn.
+Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.
+
+Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam
+toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die
+de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en
+de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde
+hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme
+Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint,
+sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de
+ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken
+wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in
+'t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg
+voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens
+een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den
+kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte
+natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal
+men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.
+
+Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke
+muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol
+intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders
+te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn
+oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en
+overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in
+verzen uit het jaar '41, "l'Epitre à Parisot."
+
+Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang,
+'t scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar
+groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn
+krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder
+aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het
+aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de
+hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in
+een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.
+
+Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem
+goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille.
+Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar
+hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur
+buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol
+meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam,
+heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar
+dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't
+eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis,
+idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog
+over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten
+aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en
+het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij
+rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een
+dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende
+bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met
+geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en
+der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één
+werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als
+een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige
+engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel.
+
+Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle
+tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.
+
+Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom,
+worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid,
+de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les
+Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor
+zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur
+geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich
+voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de
+frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de
+honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der
+duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door
+den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven,
+kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een
+pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel
+gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig
+willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar
+buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij
+lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond
+weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar
+waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen
+steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen,
+ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten,
+daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den
+boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de
+duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de
+ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de
+sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en
+nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over
+alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde
+niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem
+de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder
+en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij,
+starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der
+jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen.
+En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere
+jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les
+Charmettes opsteeg, samen tot één droom.
+
+In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar
+strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde
+had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den
+groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten
+van zijn wezen waren er veel gerijpt.
+
+Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genève waar
+hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen,
+terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke,
+rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried
+verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk
+geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de
+ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en
+voor alles--in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel
+had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest
+deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de
+tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den
+medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel;
+de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet
+deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn
+jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn
+opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een
+verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te
+leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet
+elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar
+van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een
+hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte
+aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een
+Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde
+hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in
+zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet,
+en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen
+'t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier
+gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust
+en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor 't eerst in zijn leven
+voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.
+
+Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende
+twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's
+winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op
+de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de
+boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd
+geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was
+een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den
+haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude
+liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij
+hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat
+ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man
+en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der
+menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel
+aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij
+bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven,
+probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te
+bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist,
+had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot
+hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van
+werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes,
+Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke
+werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis,
+fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde;
+reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij
+een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen
+te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een
+toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de
+wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering
+uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om
+aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het
+studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal
+boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu
+niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel
+beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast
+door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme
+de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen
+helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar
+de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v.
+sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende
+hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur
+in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was
+het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat
+vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den
+geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid."
+Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de
+zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn
+gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig
+te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft
+gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot
+godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad
+dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden
+wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht
+vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de
+Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield
+daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige
+leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche
+leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had
+eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die
+godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering
+des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale
+verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig
+respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in
+één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig
+leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een
+persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het
+best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er
+verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen
+in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te
+vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in
+het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk
+gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.
+
+De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok
+niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe
+na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit
+ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te
+gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee
+kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn
+denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner
+leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies,
+met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde.
+Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen
+te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld
+genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook
+moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte
+aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd.
+Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels;
+hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele
+maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie
+der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw
+notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem
+voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking
+der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden,
+het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de
+"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen
+en offers kunnen vergoeden.
+
+Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen
+sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische
+ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend
+komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over
+opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder
+persoonlijk accent: dat is alles.
+
+Maar alle kiemen--op één na--van den man dien hij worden en van de
+werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn
+leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In
+zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie,
+de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner
+jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de
+verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk
+individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren
+van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem
+overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn
+met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te
+leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in
+Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar
+in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het
+vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed,
+de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en
+doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner
+jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en
+onsterfelijkheidsgeloof.
+
+Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en
+stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was
+getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets
+vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend
+van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK
+
+PARIJS.
+
+
+I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK
+ OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.
+
+In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de
+absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en
+de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling
+tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het
+ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en
+zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het
+tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door
+geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in
+hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen.
+De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de
+omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.
+
+Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk
+de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft
+tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den
+absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de
+intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.
+
+Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen
+van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht
+van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die
+aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze
+zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een
+rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten
+tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van
+monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het
+absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele
+bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.
+
+Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der
+nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het
+Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier
+Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de
+methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de
+been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank,
+een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op
+den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die
+de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van
+overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn
+eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende
+methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat,
+beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door
+'t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa
+voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs
+dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de
+poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele
+uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een
+millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk
+bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben
+dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot
+gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon
+sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te
+halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden
+morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden
+zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste
+maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale
+beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten,
+hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.
+
+Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het
+reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te
+bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en
+lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in
+hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen
+ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw
+besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken
+welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke
+gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden
+gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken
+staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de
+zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige
+betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den
+volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk
+waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen,
+waar elkeen van een droomt.[1]
+
+Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot
+velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789
+doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën,
+althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met
+den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal
+verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt
+opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder
+reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld
+kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en
+geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de
+staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van
+alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven.
+Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de
+bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot
+stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.
+
+Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en
+hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en
+uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang.
+Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse-
+verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude
+vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der
+eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering
+van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis
+ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk."
+
+ * * * * *
+
+Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit,
+dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties
+meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie
+het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze.
+Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der
+rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om
+een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De
+uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht,
+omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig,
+en ofschoon de uitgemergelde massa's àl zwaarder belast worden, het
+deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot
+alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid,
+haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte
+noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de
+bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen
+den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting
+en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot
+deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen
+een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten.
+
+De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30
+millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van
+pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de
+provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per
+jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde
+van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn
+politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster
+aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn
+maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij
+grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het
+platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale
+tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden,
+verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende
+burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te
+zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen
+staat.
+
+Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote
+maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de
+geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat
+de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft
+gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de
+zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is.
+Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf
+nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is
+verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige
+schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den
+bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van
+de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit
+immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele
+bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat
+zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van
+haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes
+toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in
+dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen.
+
+Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een
+revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende
+verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt,
+stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't
+hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en
+rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van
+den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der
+regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal
+geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat
+deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld
+zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een
+wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot
+besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het
+verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl.
+over de zoogenaamde "Charité" (de administratie van het armwezen, de
+hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.
+
+Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het
+burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de
+kerk keerde, dat het woord "écrasez l'infame," tot het parool van zijne
+propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het
+oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur.
+Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar
+ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde
+in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar
+bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst
+gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte
+het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers
+en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij
+zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was
+voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning.
+
+ * * * * *
+
+Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land
+en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de
+buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de
+adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit
+de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en
+pruikenmakers, hun maîtressen en koks bij duizenden medevoeren; uit
+alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie
+omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het
+romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle
+levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen,
+hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele
+gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst:
+schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het
+geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de
+"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard
+bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt
+uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de
+XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige
+behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een
+labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt.
+Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de
+weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij
+die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich
+nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale,
+koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met
+melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van
+wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen.
+De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest-
+volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar
+het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van
+hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts één
+inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in
+wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering,
+zonder verheffing.
+
+Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze
+liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die
+niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van
+Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de
+appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men
+ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij,
+en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke
+trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen
+den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man
+gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud,
+waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het
+menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft
+leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de
+behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het
+eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson).
+
+Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met
+hunne maîtressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde
+bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen,
+bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk
+van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de
+schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde
+intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde
+zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der
+schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de
+ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in
+ontaarding.
+
+Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.
+
+"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van
+Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren
+--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept
+Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit
+het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het
+koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers;
+alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan
+de zijde der oppositie.
+
+Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht
+en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden,
+te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van
+de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de
+hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te
+voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de
+dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de
+stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de
+zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en
+rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel
+leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en
+meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de
+mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld
+aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het
+grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht
+en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest
+getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van
+de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.
+
+Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en
+onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte
+van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine
+burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende
+handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd.
+De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog
+meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun
+scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in één maand
+tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6]
+
+En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk,
+vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het,
+de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt
+het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de
+approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine
+burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.
+
+De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle
+lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden
+vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige
+uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De
+heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug
+betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan
+laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot
+instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer,
+die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze
+overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt
+zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het
+finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het
+uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden
+zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die
+wolven, bevindt zich de koning.
+
+Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in
+elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan
+een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven
+langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt,
+in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde
+verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op;
+"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de
+ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk
+drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote
+wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of
+breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyreneën, in de Provence,
+in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van Rouaan enz.
+enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht
+de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de
+provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje
+blijft het dan weer stil.
+
+De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de
+epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de
+opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is
+alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in
+de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende
+toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke
+illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende,
+sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die
+deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van
+die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in
+genietingen, stikkend in geilheid.
+
+ * * * * *
+
+Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen,
+gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische
+vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei
+van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.
+
+Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt
+de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de
+bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der
+koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige
+misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute
+monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig
+bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de
+openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de
+andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de
+ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de
+monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar
+zit tevens vast aan het oude.
+
+In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de
+pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen
+van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke
+geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun
+zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door maîtressen en
+paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd,
+maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate:
+het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid
+van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en
+terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken
+van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van
+bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte
+haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van
+de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige
+is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe
+koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7]
+
+De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn
+vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het
+verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën.
+Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de
+koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet:
+weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als
+hùn levensleer.
+
+De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze
+vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten
+achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van
+het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De
+overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de
+buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen
+der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor
+een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te
+voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde
+voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de
+bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat
+zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine,
+de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in
+Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur,
+Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet
+langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon
+neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering
+van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan
+de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der
+belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving
+en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de
+Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle
+mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te
+stellen,--getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist,
+wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het
+machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de
+industrie.[10]
+
+Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der
+handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel
+verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20
+tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantiëele bourgeoisie
+in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een
+aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon,
+de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden
+worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van
+revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den
+zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de
+onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de
+desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie
+van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie.
+Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de
+Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de
+oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral
+toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de
+oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in
+1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde
+half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het
+bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine
+Antillen had geakkapareerd.[12]
+
+Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste
+draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke,
+staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een
+diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al
+liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele
+regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds
+over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het
+ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd
+van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de
+opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel:
+aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair
+gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme,
+dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen
+dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst
+wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de
+regeering en van alle officiëele instellingen en denkbeelden hun
+hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid
+al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet
+der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter.
+Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13]
+
+De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren,
+omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke
+groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele
+bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.
+
+De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun
+maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de
+intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de
+officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid
+van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen
+tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak
+van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig
+had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in
+de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de
+geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als
+Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire
+waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden
+den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn.
+Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den
+strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de
+machtsverheffing der bourgeoisie voor.
+
+Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de
+oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische
+ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de
+misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na
+het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een
+voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den
+eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in
+het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot
+'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol,"
+de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor
+de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de
+werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte
+zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten
+een einde maakte. Nog vóór de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721,
+waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje
+waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos-
+felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend.
+
+Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en
+philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische
+concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het "algemeen
+handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan
+zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van
+het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire
+bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche
+wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot
+één philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing
+opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust.
+Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit
+en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij
+de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot
+uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en
+geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden;
+om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst;
+om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de
+instelling van een konstitutioneele regeering;--met één woord, om de
+praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_,
+in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van
+den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar
+aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn
+moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot."
+Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der
+bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie
+der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is
+aangestoken;--vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid
+dorstende klasse.
+
+Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het
+revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land
+waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis
+met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen
+de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de
+beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als
+eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_
+ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische
+denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de
+wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en
+volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten
+streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten
+uit de deïsten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen
+openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire
+volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der
+mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen
+deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo
+worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats
+van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16]
+
+Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en
+haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken
+--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de
+engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de
+positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling
+--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken
+strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse-
+tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie
+groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds
+radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met
+de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich
+aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche
+philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het
+middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht
+der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische
+macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het
+ondergaand regiem.
+
+De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en
+evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname
+stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is
+Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van
+dien tijd--de finantiëele--belichaamt hij als geen ander, als geen
+ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge
+grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit
+geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de
+konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing,
+--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van
+den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten
+van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt
+aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt
+gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam,
+altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt
+hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig,
+ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn
+aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met
+onfeilbare intuïtie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die
+tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant
+zich tegen alle materialistische en atheïstische denk-excessen zijner
+dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk
+_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te
+worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen
+leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale
+figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend
+volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der
+tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt
+hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande
+tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in
+een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17]
+levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate
+is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen
+dwang, vóór de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der
+menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de
+willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met
+animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een
+ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het
+oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit
+ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in
+beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij
+gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie
+niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang
+te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud,
+blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als
+van de finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur
+d'affaires et grand remueur d'idées,"[18] gelijk Jaurès' gelukkige
+omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de
+dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen,
+als het egoïsme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage
+_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt.
+
+Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de
+wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten
+van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol
+stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de
+menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente
+theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een
+machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen
+zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur,
+de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar
+Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle
+aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het
+egoïsme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theoriën
+natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire
+philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der
+papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en
+naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en
+genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever
+liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten
+deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in
+hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis
+van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der
+groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische
+uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als
+even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt
+onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim
+van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle
+huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen,
+evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de
+eenige waardevormende kracht is.
+
+ * * * * *
+
+De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het
+derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den
+klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de
+parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de
+oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750,
+naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische
+doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen
+zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene
+revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute
+monarchie, begint eerst nà 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste
+plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet
+der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders
+en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.
+
+Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer
+massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse-
+aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote
+bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in
+andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking
+gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem
+stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden
+geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of
+burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe,
+waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen
+_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een
+bewonderenswaardig heroïsme--met _tragisch_ heroïsme, want zij moesten
+in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het
+wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen
+dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun
+vleesch en bloed van hun bloed was.
+
+De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven,
+hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele
+verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou
+opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij
+gingen stem krijgen in Rousseau.
+
+
+
+II. HET MOEIZAME LEVEN.
+
+In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op
+zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift
+in cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom
+verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties,
+en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele
+kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en
+chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd
+hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe
+methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te
+lezen.
+
+Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De
+"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan
+te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek
+wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en
+beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de
+inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was.
+Hij voelde zich diep verongelijkt.
+
+Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over
+hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een
+vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij
+verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken
+ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de
+moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever,
+maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn
+gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij,
+soezende knaap, door Milaan gedwaald had.
+
+Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in
+de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke
+inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel
+mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost
+te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden
+zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van
+buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon;
+af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij
+gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al
+zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen
+voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij
+hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle,
+Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd
+weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat
+hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.
+
+Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele
+anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren
+even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit
+een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de
+provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij
+bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm,
+gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij
+gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen
+uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn
+dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen:
+zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een
+neiging tot paradoxen.
+
+Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve),
+is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de
+aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was
+schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke
+eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang
+hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden
+en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid
+te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der
+regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch
+het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de
+nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk
+voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge
+kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn
+talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in
+het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die
+armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle
+mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.
+
+Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als
+de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht
+en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan
+verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem
+tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van
+zijn gezin en van zijn maîtresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst
+die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun
+temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief,
+droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig,
+opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst
+bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze
+tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was
+bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn
+vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet
+heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.
+
+Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de
+vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij,
+komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar
+dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin
+de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek
+verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven
+eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie
+bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem
+van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder,
+hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.
+
+Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van
+een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot
+Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld.
+Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel
+mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving
+Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij
+de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos
+fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon,
+Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij
+liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar
+eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen
+zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van
+Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd
+secretaris van den franschen gezant in Venetië.
+
+[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).]
+
+
+Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was,
+vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris,
+een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was
+een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke
+aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau
+vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij
+in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van
+scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij
+misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te
+Venetië geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken
+een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen
+en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken
+zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn
+vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een souvereine stad, bestuurd
+dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Genève een oude
+republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde,
+terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patriciërs berustte. Zijn
+werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn
+geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed
+der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië
+een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.
+
+Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man,
+wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte
+de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig
+ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en
+beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten
+slotte kwam 't tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris
+weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te
+trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij
+vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er
+eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde
+in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den
+smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed
+hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door
+zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te
+laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet
+hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden.
+Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den
+gezant zelf.
+
+Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar
+Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo
+verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat
+hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat;
+nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee
+en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn
+streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in
+alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte
+was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde
+vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de
+zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van
+levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder
+strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede
+drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij
+eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.
+
+Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het
+puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar
+zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij
+zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van
+Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft
+vooral.
+
+Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar
+Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger,
+eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven
+van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't
+vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude
+hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong
+linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was
+geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal
+verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht.
+Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door
+de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at
+aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het
+schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en
+onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor
+haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat
+menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste);
+tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was
+het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte
+aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg;
+hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.
+
+Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar
+ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije
+liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22]
+
+Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die
+vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den
+levensbond met het plebeïsch natuurkind--Thérèse was in buitengewone
+mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog
+onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten,
+in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud
+der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften
+volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik
+tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar
+overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van
+hart.
+
+Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk.
+Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen maîtressen--aristokratische dames of
+vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dàt sprak
+immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een
+glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote
+gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen
+neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het
+nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten
+over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of
+geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse!
+Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en
+alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar
+mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en
+niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer.
+Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de
+soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij
+niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een
+ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten
+verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig
+opzicht meest essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk
+een kiem van vervreemding.
+
+Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau.
+Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die
+afschuwelijke Thérèse," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en
+verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de
+zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem
+plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke
+wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn
+aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven
+natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten
+afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar
+beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was
+immers de bekoorlijke châtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar
+minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke
+"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij
+dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de
+"onbeschaafde wasch-vrouw" Thérèse le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders:
+hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen
+hoogmoed.
+
+Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar
+zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de
+meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid.
+Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie
+voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden
+van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat
+met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo
+ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst
+verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw
+al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk
+zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan
+moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook
+doen. Maar daaraan denkt niemand.
+
+Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat 't volgende;
+staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar
+vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn
+brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige
+werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn
+lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef
+hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,"
+hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls
+steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische
+aangelegenheden bleek altijd goed.
+
+En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.
+
+Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle,
+waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels,
+arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en
+die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige
+schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel
+een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien,
+tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het
+kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste,
+trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige
+huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het
+zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar
+goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe
+verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de
+aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem
+maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in
+trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van
+vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der
+regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche
+geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden.
+Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?
+
+Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn
+geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en
+inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden.
+Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn
+geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken--zijn
+denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben vóór begrijpen.
+En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen,
+hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen
+genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn
+gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn
+persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende
+dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding
+gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het
+dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten
+schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen
+bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware,
+moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den
+ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den
+in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot
+haar sprak.
+
+Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in
+'t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven
+lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden
+achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie
+behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man
+liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in
+Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van
+zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en
+Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme
+d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme
+d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot
+aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige
+burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij
+loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard."
+
+En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd
+en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar
+dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld
+compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart,"
+haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven:
+Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde,
+zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in
+het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen
+en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen.
+"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk
+te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik
+gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer
+te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij
+onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin."
+
+Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de
+Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en
+courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde
+ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog
+heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in
+hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast
+onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Thérèse.
+
+Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het
+sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor
+'t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht
+voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort
+verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen
+verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord
+verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't
+dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk,
+in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het
+onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug,
+en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en
+vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet
+ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.
+
+Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch
+proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn
+kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en
+aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk
+eten, door haar bereid.
+
+Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieëren:
+het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het
+kasteel Ermenonville. Dáár stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld,
+dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor
+hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was véél.
+
+De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling
+eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die
+haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar
+lang.
+
+Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen
+minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme,
+simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde
+Thérèse le Vasseur.
+
+ * * * * *
+
+Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.
+
+Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon
+Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend,
+en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan.
+Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen
+naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig,
+maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar
+zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat
+zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze
+ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen
+nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen
+werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór
+'t samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel
+verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de
+wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis
+bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.
+
+Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra "les Muses
+galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen
+belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer,
+den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste
+kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den
+koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu
+hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de
+"Fêtes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd.
+Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed
+Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat
+en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet
+genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses
+galantes" door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam
+niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit
+gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd
+en gaf elke poging om naam te maken op.
+
+Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele
+kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld
+vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn
+onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als
+al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige
+intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder
+innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in
+plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit
+diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan
+gloeiende stroomen omhoog.
+
+Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was
+een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin
+hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste
+ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van
+zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms
+toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was
+zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren
+logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan
+door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren
+de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt."
+
+De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den
+afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem
+worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?
+
+De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn
+afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder
+dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk
+hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing,
+levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste,
+groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden
+uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van
+pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer
+ademen kon.
+
+
+III. DE EERSTE FANFAREN.
+
+Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de
+velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er
+werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het
+land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren
+zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten
+de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder
+leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.
+
+De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een
+broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke
+voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld te bombardeeren
+met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois"
+verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons
+"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde
+en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch
+scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige
+geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste
+proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem
+voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt
+de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij
+zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie,
+nù onderdrukken, dàn weer de teugels vieren, zonder iets anders te
+bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te
+maken door het andere.
+
+In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men
+nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken.
+In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen
+niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers
+opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de
+intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering
+wilde een grooten slag slaan.
+
+Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken
+waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te
+hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het
+ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme.
+
+Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur
+les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch
+werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich
+beleedigd achtte.[26]
+
+Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel
+opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem
+toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt
+d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de
+hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.
+
+De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende
+maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel
+zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den
+vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste
+dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn
+geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de
+Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij
+dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap
+van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn
+smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij
+mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn
+kameraden werden tot hem toegelaten.
+
+Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken!
+Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen,
+haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet
+verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond
+neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog
+broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde
+strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de
+koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de
+Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen
+de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche
+glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg,
+groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van
+eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was
+in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.
+
+Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad,
+de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten,
+toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon
+uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten
+bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling,
+voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de
+bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij
+merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere
+zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste,
+met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't
+diepst-van-'t-woud.
+
+Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de
+opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht
+opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid
+van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen;
+gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de
+verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in
+eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het
+lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der
+grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een
+leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en
+zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat
+'t blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij.
+
+Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het
+nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het
+tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en
+klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook
+rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals
+zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige,
+hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt
+de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der
+Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.
+
+Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar
+het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken
+onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien
+uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de
+heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in
+wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de
+werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar
+wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde
+genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der
+groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal,
+naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn
+Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid, tegen den horizon,
+maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan
+hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de
+verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn
+jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken
+zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het
+patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de
+achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog
+voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre
+landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele
+kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid
+van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken
+saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische
+ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit
+veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener
+maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van
+kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme
+daarin ontbrak was natuurlijk.
+
+Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid,
+voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.
+
+Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun
+vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden
+ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder
+aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke
+verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want
+zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De
+strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde,
+voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers
+tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de
+heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde,
+wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder
+uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd
+genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op
+domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap,
+die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden
+enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen,
+voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in
+den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der
+verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot
+bewustheid.
+
+Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de
+slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.
+
+Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van
+tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme,
+opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der
+Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn
+leven zijn.
+
+Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over
+den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden
+en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27]
+
+Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven
+in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours."
+Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn
+opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde,
+verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn
+oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober
+onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen
+en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden
+wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw,
+wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en
+genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der
+groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij
+doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond
+zich tot ééne, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de
+beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen
+de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van
+verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van
+ontzenuwenden lediggang."
+
+Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde
+maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van
+plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van
+den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde
+hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en
+ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als
+vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch,
+uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch
+intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover
+de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God
+welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar
+van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger
+aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een
+vervallend régiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen,
+maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend
+tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving."
+Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier
+dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde:
+burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland;
+de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was
+de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets
+voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de
+toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door
+haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde:
+het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_,
+den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een
+gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting
+voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van
+dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een
+maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij,
+dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet
+als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse
+gedoemd gelijktijdig reaktionair èn revolutionair te zijn.
+
+Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen
+prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken;
+al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven
+Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge
+bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat,
+hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de
+artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek
+beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over
+de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de
+beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.
+
+Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van
+Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk
+en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van
+maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde
+bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen,"
+"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar
+begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge
+noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen
+weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij:
+"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend
+sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den
+mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet
+vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen
+bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer
+slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben
+zooveel armen geen brood."
+
+Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat
+tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan
+verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom
+vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.
+
+Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping
+tusschen beginsel en praktische konsekwenties.
+
+Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend;
+zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten
+en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch
+bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij
+noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden
+gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel
+van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote
+revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen
+genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te
+voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak
+tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te
+bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen
+en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch
+de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.
+
+Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de
+inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner
+andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is.
+Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was
+teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid
+die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der
+liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de
+stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde
+het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.
+
+Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours,"
+dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe
+prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der
+maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom:
+zachtheid had hij nog niet teruggevonden.
+
+Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van
+den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang
+zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur,
+uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den
+primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo
+meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden
+van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden
+vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de
+natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen
+was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de
+verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en
+voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de
+neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn
+voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid
+hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren
+hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest
+vermoedde hij niet.
+
+Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige
+trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij
+tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk
+Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt
+tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op
+de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op
+de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de
+ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende
+klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours."
+
+In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter
+bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der
+tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den
+primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en
+sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche
+stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na
+het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan
+Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel
+beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch
+Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle
+wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de
+verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van
+anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van
+nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij
+alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd
+goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij
+alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener
+maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener
+samenleving "waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet
+door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt;
+waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het
+schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin
+niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner
+naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en
+treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij
+sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en
+barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie
+kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk
+niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of
+kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van
+zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de
+natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de
+hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een
+grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk:
+hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke
+gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden
+ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en
+politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt,
+het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op
+wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde
+der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen."
+
+Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van
+uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten
+gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die
+volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de
+Carmagnole:
+
+ "Ça ira, ça ira, ça ira,
+ Celui qui s'élève, on l'abaissera,"
+
+en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de
+wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een
+onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons
+de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen
+met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau,
+wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet
+in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien
+slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden
+zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen,
+nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten
+maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn
+lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de
+menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten
+te voorkomen, te genezen of te verzachten?"
+
+De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop
+nog vleugellam in dat der daad.
+
+Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en
+herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste
+lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.
+
+ * * * * *
+
+In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede
+"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in
+zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen
+werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend
+schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de
+dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der
+hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde--nl. van algemeen
+ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden
+verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute
+finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden
+toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid
+van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten
+hem ziek.
+
+Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het
+was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong,
+nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de
+tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan
+anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij
+zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen,
+de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon.
+
+Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat
+is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog
+zeldzamer is, hij zette het door.
+
+Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap
+neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen;
+Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.
+
+Hoe zou hij nu leven?
+
+De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden
+chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel
+geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste
+parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was
+een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een
+der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach,
+geschonken.[28]
+
+Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en
+niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in
+'t verkondigen zijner beginselen.
+
+En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn
+het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede
+en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale
+idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn
+gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die,
+wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt,
+nederschrijft."
+
+Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef
+fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield
+van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd
+muziek-copiïst.
+
+Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het
+handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem
+genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het
+mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't
+platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn
+dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud.
+
+Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij
+had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de
+letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon
+voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet,
+die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de
+goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke
+stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven
+onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.
+
+Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven
+allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom
+moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te
+doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien
+in hun binnenste; naast 't samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe
+wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van
+vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.
+
+Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn
+uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie
+der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot
+in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij
+schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand
+zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de
+kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn
+kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen
+afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij
+gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Thérèse--hielp
+hem daar weldra van af.
+
+Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en
+knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde
+jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag
+voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet
+alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan
+de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en
+door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem
+'t hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te
+krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij
+aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was
+toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te
+overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen
+op zich tegen hun "begunstigers," die maar één doel kenden: de hen immer
+najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles
+dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne
+beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door
+hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun protégés moesten
+ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze
+gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te
+bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden
+alles koopen, waarom dan ook niet dit?
+
+Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken
+doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd
+is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de
+vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij
+verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich
+heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok
+dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en
+wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel
+vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En
+achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke
+moeder.
+
+Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en
+bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen
+was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt
+het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten
+van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over
+in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook
+de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke
+menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde
+gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in
+elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.
+
+En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk.
+Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke
+vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen
+drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk-
+gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een
+lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid
+der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan.
+Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam
+slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een
+anderen.
+
+Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het
+verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren
+lang zijn leven zijn.
+
+Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs,
+om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de
+zachtheid des levens zijn.
+
+In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van
+zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer
+een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen
+stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek
+viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te
+Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij,
+in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De
+Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde
+den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau
+weigerde op audiëntie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste
+begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun
+eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen
+de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was
+uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele
+uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel-
+artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij
+"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen
+te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de
+jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen.
+
+Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden
+was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig
+na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij
+beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige
+keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te
+geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht
+op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in
+beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te
+vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die
+de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap,
+arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja
+verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een
+burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had
+afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind
+naar 't vondelingen-huis brengen.
+
+Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos
+had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren
+van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de
+bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in
+zijn wezen.
+
+Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en
+begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te
+vestigen, waar hij in '54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed
+ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf
+nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem
+geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn
+geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij
+bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij
+werd opnieuw protestant en burger van Genève.
+
+Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en
+voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou
+'t er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk
+willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.
+
+
+Noten:
+
+[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV,
+boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot
+XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het
+felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn
+ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a.
+in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal
+geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel
+drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan
+de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideeën de
+drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale
+oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de
+ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.
+
+[2] Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn
+wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de
+Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel
+lager geweest zijn.
+
+[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere
+geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.
+
+[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.
+
+[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l'Industrie en
+France.
+
+[6] Mémoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII.
+
+[7] Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39—40.
+
+[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst
+van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats,
+terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is
+opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden
+uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische
+vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te
+herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.
+
+[9] Levasseur, bl. 536.
+
+[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI.
+
+[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den
+Franschen handel een geweldigen knak toebracht.
+
+[12] Levasseur, bl. 549.
+
+[13] F. Rocquain, L'Esprit révolutionaire avant la Révolution.
+
+[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.
+
+[15] Windelband, bl. 359.
+
+[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk
+der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte
+der neueren Philosophie.
+
+[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische
+gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald
+bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.
+
+[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.
+
+[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1
+allen" uit.
+
+[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles;
+brûlons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en
+graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die
+tegen Lodewijk de XVIde.
+
+[21] F. Rocquain, de l'Esprit révolutionaire, bl. 298.
+
+[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk
+noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige
+vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige
+vrouw te beschouwen.
+
+[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIième siècle," blz. 296.
+
+[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau
+heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse
+uitgelaten.
+
+[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley,
+wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid
+der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.
+
+[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest.
+Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire
+kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had
+burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en
+"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de
+overladen weelderigheid van het rococo.
+
+[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl.
+de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van
+zijn eerste "Discours" heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk
+te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk
+gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch-
+waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en
+bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben.
+
+[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo
+Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht"
+(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van
+den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de
+18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld
+worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan
+eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van
+ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de
+schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar
+habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet,
+Histoire de France, XVI, 84).
+
+[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor
+het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven
+was die hem de audiëntie deed weigeren.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK
+
+DE GROOTE JAREN.
+
+
+I. NAAR DE VEREENZAMING.
+
+Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en
+levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance
+in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar
+van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast
+ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen
+verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele
+werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij
+was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi
+maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan
+zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte
+te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel
+esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden
+om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van
+intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe
+Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te
+noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een
+warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar
+kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig
+en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de
+vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij
+behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die
+haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig
+en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te
+komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze
+veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste
+berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net
+gaf wat hèm paste en niets meer.
+
+Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij
+doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook
+was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk
+gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige
+sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel
+hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij
+luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden
+gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de
+wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen
+van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een
+beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en
+met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn
+hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen
+dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar:
+"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij
+is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch
+eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt."
+
+Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd
+vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind
+gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de
+man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich
+maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden
+van hem vervreemd heeft.
+
+Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg
+van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem
+leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt
+een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed
+musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde,
+want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den
+jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en
+deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig,
+een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching,
+plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte
+zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van
+Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon
+een "Correspondance littéraire," een soort bulletin voor buitenlandsche
+vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs
+verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had
+zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen
+vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd
+en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in
+'t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver:
+oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij
+langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar.
+Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en
+was daar zeer verheerlijkt mee.
+
+
+In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't
+vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij
+Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen
+Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en
+Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een
+keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen
+vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de
+moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan
+het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond
+daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het.
+"Hè," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet
+veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later
+bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw
+allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw
+kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die
+booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève." Dat was
+echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar
+bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij
+arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende
+brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.
+
+Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist
+de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van
+zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij
+voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen
+grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de
+lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid.
+Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot
+vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een
+voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over
+hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge
+uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd
+weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven
+en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke
+gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste
+onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn
+pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat
+mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar
+ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor
+mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid.
+De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen
+acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar
+had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij
+overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van
+innerlijke krisis gekweld."
+
+Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn
+verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de
+Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard
+maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut
+in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou
+wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij
+overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage
+woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees,
+voor zijn rekening zou nemen.
+
+Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling
+verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat
+hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij
+nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad
+of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen,
+heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles,"
+schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes,
+flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn
+hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur;
+of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein
+van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar
+een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren
+tot de natuur."
+
+Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij
+had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't
+gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was
+aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te
+brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren.
+Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij
+zelf nog niet geheel in 't reine was.
+
+Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een
+beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij
+was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en
+had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van
+uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om
+daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een
+soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan
+stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding.
+Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom
+gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had
+veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig
+wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van
+een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo
+onder de hand door.
+
+Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij
+willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte
+de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals
+uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet
+op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde
+richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het
+onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen
+in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de
+"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl
+Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den
+innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij
+nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn,
+begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar
+teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende
+te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der
+liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van
+zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op
+een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met
+onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het
+brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die
+jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij
+uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de
+"Nouvelle Héloïse."
+
+De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten
+om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die
+zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens
+alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.
+
+Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van
+Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar
+geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht,
+door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de
+velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en
+sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal
+zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn!
+Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij
+goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes,
+blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme
+d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie
+vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.
+
+En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den
+zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel
+zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij
+niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd
+had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de
+verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld
+door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede
+plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel
+genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals
+wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd,
+zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te
+murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de
+verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.
+
+Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat
+zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen
+verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één
+geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten
+en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt,
+die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit
+liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde
+teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen,
+zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de
+verbeelding in Rousseau.
+
+Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de
+rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen,
+wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen,
+die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem
+altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner
+fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die
+eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had
+hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden;
+wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen,
+verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was
+de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij,
+geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en
+roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de
+droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude
+stroom vloeide weer rijkelijk.
+
+Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want
+Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend.
+Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet
+zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben.
+Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te
+maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er
+in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij
+gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest
+altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot
+hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet
+naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren
+die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had,
+door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit
+was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken
+uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw
+hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in
+het woud.
+
+Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren;
+dáár was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie
+die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen
+onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer
+hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd
+voorbij is.
+
+Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch
+dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en
+bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden,
+heerlijke jeugd.
+
+Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der
+jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt.
+Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de
+bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond
+en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart
+samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd
+verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit
+eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven,
+voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat
+hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde;
+ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.
+
+Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn
+eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer
+terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene
+nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven
+zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit
+bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij
+te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij,
+zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam
+als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn
+fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij
+jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling;
+weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al
+de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had
+ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien
+onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't
+oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry,
+hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk,
+hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap-
+secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel
+dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden
+door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij
+Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong,
+bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al
+lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en
+dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.
+
+Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor
+de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te
+sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te
+grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de
+broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn
+liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een
+ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid,
+zocht hij in de fantazie.
+
+Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen
+omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde
+samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare
+eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle
+storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat
+hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde
+samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.
+
+Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen,
+twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de
+minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan
+den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de
+Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind
+had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en
+vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar-
+beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument
+oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde.
+
+Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en
+onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had
+voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij
+zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over
+het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der
+liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En
+wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd,
+voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich
+geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een
+deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke
+zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van
+zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte
+hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.
+
+In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de
+schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds
+lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets
+meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men
+zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen
+zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en
+armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en
+kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig,
+en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had
+een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de
+mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de
+natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen;
+een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch,
+op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde
+hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd
+spreekwoordelijk.
+
+Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder
+waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar
+zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote
+wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid
+en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar
+afwisseling.
+
+Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van
+1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder
+blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol
+uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren
+geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk.
+
+'t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal,
+in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar
+minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de
+buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te
+verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den
+eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen "citoyen" met zijn strenge
+begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de
+verlokkingen der Parijsche wereld.
+
+Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te
+worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.
+
+Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts
+schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor
+noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke
+vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor
+hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van
+den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en
+verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te
+voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de
+andere?[31]
+
+Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de
+daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat
+van mysterie is hij.
+
+Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend,
+vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat
+wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn,
+niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was
+de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen
+overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf
+èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo
+leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en
+smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideëele in
+hem, al zijn moreel gevoel opstond.
+
+Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd,
+--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst
+beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en
+weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te
+blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten
+weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht
+hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw,
+die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang,
+kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot
+extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat
+alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf
+en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam.
+
+Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn
+zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch
+van innering.
+
+Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare
+boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van
+de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Héloïse." In de vlammen
+van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn
+wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt
+duizenden blij van bevende zaligheid.
+
+Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie
+die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest.
+Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der
+lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs
+ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven,
+dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van
+Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige
+menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog
+erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal
+aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij
+zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij
+toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.
+
+Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed
+voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke
+neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker
+geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn
+heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te
+probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen
+hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch,
+en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't
+allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer
+geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren,
+schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de
+wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als
+vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.
+
+Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van
+komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen
+schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot
+onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had
+verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten
+doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende
+leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en
+gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in
+Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak
+had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden
+als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich
+met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht
+Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel
+verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen
+dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in
+langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die
+stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend."
+
+Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend
+als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm,
+stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen
+hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een
+kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme
+d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend
+had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare,
+hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het
+dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten
+worden?
+
+Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet
+ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor
+haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude
+vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes,
+waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph
+die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een
+verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te
+worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij
+koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij
+ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen
+dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem.
+Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te
+voorkomen.
+
+Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen
+kwam de vonk.
+
+St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau
+op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als
+een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan
+Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay
+gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin,
+die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar
+zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in
+Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere
+explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart
+der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale
+op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen
+hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed
+en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij
+wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een
+schijn-verzoening tot stand.
+
+Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te
+toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof
+hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en
+was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later
+in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie
+van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën.
+Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde;
+de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen
+de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot
+zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.
+
+Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen
+was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam
+juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.
+
+Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en
+vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo
+spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar
+bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te
+stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau
+haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en
+hoopte dat hij 't zou doen.
+
+Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève,
+niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse,
+die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te
+praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en
+naar Genève ging om in 't geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En
+toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van
+Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't
+bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme
+d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen
+hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay
+was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te
+gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.
+
+Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke
+positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst
+van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij
+dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert
+uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg
+van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij
+zijn stekels naar alle kanten uit.
+
+Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?
+
+Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm
+werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Genève sturen om,
+zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen?
+Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?
+
+Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij
+zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: "'t zou
+gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de
+menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan
+zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar?
+
+De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in
+twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid
+gebracht.
+
+Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende,
+gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien
+tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme
+d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in
+die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en
+goed-bedoelde zorg.
+
+Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te
+verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht
+tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te
+vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen
+Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het
+antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest
+onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te
+verlaten.
+
+Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien
+de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op
+denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs
+teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol
+betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog
+eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij
+begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen
+hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat
+hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn
+evenwicht geheel en al.
+
+Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid,
+zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in
+den tuin hooren, hij leek waanzinnig.
+
+Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de
+kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders
+altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't
+dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en
+erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme
+d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig
+en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge
+niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar.
+
+Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke
+breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als
+om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden
+zijner hoopvolle jaren verliest.
+
+
+
+II. DE KATASTROPHE.
+
+Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met
+Thérèse getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen
+in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar
+den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was
+oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de
+meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het
+terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den
+hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek.
+Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde
+naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.
+
+Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open
+koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot
+zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar
+elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van
+1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van
+vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon
+zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke
+ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van
+den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die
+dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te
+doordringen.
+
+Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den
+titel "Lettre à d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het
+werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Genève" in de Encyclopedie,
+waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en
+ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te
+laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van
+d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf
+regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van
+bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève,
+bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge
+heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun
+best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in
+Genève was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van
+Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden
+melden: "heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt
+een stad van genoegens en van verdraagzaamheid."
+
+De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden
+geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het
+klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen
+begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw
+onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de
+eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener
+klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische
+gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven
+der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar
+tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als
+zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van
+rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige
+landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker,
+maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich
+zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan
+wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem
+verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de
+onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn
+eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem
+gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions"
+getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde,
+zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde,
+al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er
+in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene
+inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en
+wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in
+'t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van
+dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam,
+een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Héloïse"
+wekken zou.
+
+De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met
+de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat
+men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet
+geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich
+gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire,
+diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den
+leider, en dat kon niet worden getolereerd.
+
+Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit
+de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende
+gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld,
+en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars
+wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven
+en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst
+zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend
+gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren
+in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van
+diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar
+zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks
+zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was
+zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering
+tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet
+weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste
+brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar
+gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten;
+daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die
+snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en
+even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en
+daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke
+paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te
+dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu
+moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en
+van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat
+Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar
+had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't
+gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in
+particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte
+deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn
+ergernis lucht.
+
+Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover
+de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde,
+in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de
+dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename
+bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze
+verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den
+tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon
+te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift.
+Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk
+was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij
+feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire
+eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om
+hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief
+van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was
+geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk
+kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon
+zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een
+toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van
+den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het
+die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen
+sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en
+zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch
+bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in
+één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die
+waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle
+gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de
+bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde
+voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760.
+
+Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er
+buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien
+tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ...
+verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Héloïse," die
+kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Héloïse" noemde hij "een vervelende
+en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond
+hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid
+boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder
+maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en
+dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren.
+Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor
+de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den
+vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans
+gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte,
+denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op
+zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te
+maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de
+god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn
+meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?"
+
+Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige
+waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos
+het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan
+ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd
+is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed
+benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke
+meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht
+en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de
+verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.
+
+In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk
+met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat
+wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau
+beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige
+prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te
+hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een
+verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau
+in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening.
+Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook
+eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik
+haar weer aan te blazen."
+
+Zij hebben elkaar nooit meer gezien.
+
+St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's
+handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei
+en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had,
+terug stuurde.
+
+ * * * * *
+
+In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem
+hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede
+kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij
+leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid;
+de "Nouvelle Héloïse" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde
+daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte
+in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast
+twintig jaren in hem was gerijpt.
+
+Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature
+indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren
+aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben,
+een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar
+geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de
+innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote
+punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de
+verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de
+verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had
+uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat
+hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een
+nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de
+sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het
+verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de
+eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen,
+gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich
+in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat
+de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken.
+Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij
+bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart
+altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon
+niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe
+in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de
+menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te
+geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst
+naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was zóó
+kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem
+alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die
+hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven
+--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood
+verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met
+Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was
+het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst
+beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren.
+En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het
+oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke
+instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en
+het overige te doen vervallen.
+
+Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al
+vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire,
+die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij
+zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.
+
+Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de
+meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem
+was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan,
+--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een
+open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en
+aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste,
+oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel
+overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het
+wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het
+ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts
+verdiepen in zich zelven.
+
+Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen.
+Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef
+hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren
+zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een
+overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in
+zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te
+verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan
+dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp
+afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer
+honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart
+verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid
+steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.
+
+En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte
+handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem
+van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der
+groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in
+aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling?
+De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig
+of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de
+Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen
+zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn
+betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?
+
+Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte,
+zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten
+eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die
+Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem
+over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht-
+gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast
+elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en
+intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het
+hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem
+altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke
+boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en
+beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der
+letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om
+alles glad te strijken.
+
+In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Héloïse,"
+begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een
+vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij
+schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den
+naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van
+een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen,
+het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette
+zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak,
+geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie
+van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde.
+Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter;
+uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte
+hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie
+maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd
+aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en
+zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn
+steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans
+onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken
+omgang tusschen hen.
+
+Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en
+hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde
+kennen.
+
+Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen,
+waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op
+het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar
+keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen
+soupeeren, als hij lust gevoelde.
+
+Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in
+den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de
+maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn
+bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer
+aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht
+en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met
+allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in
+bed lag, de "Nouvelle Héloïse" voor die zij verrukkelijk vond.
+
+De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde
+kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een
+vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder
+eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en
+eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van
+hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe
+vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd
+hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem
+was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar
+reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van
+'t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd,
+berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende
+geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij
+om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij
+had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau
+leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar
+konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in
+haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van
+zijn kant.
+
+In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn
+nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee
+om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij
+lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet
+voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken,
+hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon
+verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de
+kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde
+hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen.
+Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem
+niet met geschenken lastig te vallen.
+
+In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de
+groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst
+pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een
+eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in
+het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig
+van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke
+omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou
+houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje
+netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen
+verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet
+weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand,
+toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd,
+trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal
+niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een
+dergelijk experiment goed afliep.
+
+Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn
+huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen
+van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een
+paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen
+zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun
+herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo
+waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem.
+
+ * * * * *
+
+De "Nouvelle Héloïse" werd lang voor de verschijning reeds veel
+besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele
+zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot
+afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn
+liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen
+hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er
+een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en
+de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die
+afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren
+kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar
+uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes
+was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der
+letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij
+naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen
+lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur:
+de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen.
+Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de
+letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte
+onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was
+een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want
+in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige,
+verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van
+het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der
+persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Héloïse" beduidde de bevrijding
+der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw,
+van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend
+auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke
+in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de
+"Nouvelle Héloïse" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.
+
+Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven
+geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het
+zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij
+bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of
+geen heilige.
+
+Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van
+veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij
+had 't even lief als de "Nouvelle Héloïse," maar met een andere liefde,
+niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste
+werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige
+geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil.
+En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd,
+in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens
+en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter:
+het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke
+lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des
+harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging
+had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare;
+diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten
+het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn,
+zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had
+verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde
+zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het
+verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek
+in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn
+geheim....
+
+Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan
+Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en
+hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar
+medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop
+althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was
+geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij
+een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste
+toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem
+vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare
+hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit
+te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile."
+
+Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de
+eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de
+Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet
+plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te
+vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij
+gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij
+zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre à
+d'Alembert" en de "Nouvelle Héloïse" hadden hem een bescheiden sommetje
+opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte
+hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs:
+daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die
+schatten verdiende aan de "Nouvelle Héloïse," verzocht hem om
+toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te
+zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn.
+Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd
+dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor
+een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een
+warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van
+verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid
+knellend en rukte zich los.
+
+Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot
+het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geëischt
+en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam
+gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen
+onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut
+vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij
+woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee,
+ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde
+er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor
+zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den
+martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam
+verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem
+onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was
+typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen:
+behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch
+fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die
+gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven,
+had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste
+onaangenaamheden op den hals.
+
+Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan
+hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed
+waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip,
+waartegen zij te pletter moest slaan.
+
+Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de
+Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had;
+dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland
+gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar
+inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel
+merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de
+copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij
+begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur
+niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat
+het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen;
+hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem
+gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg
+hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen
+antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek
+dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde
+zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden
+gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij
+dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten
+hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn
+vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste
+discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen
+zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte
+zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem
+gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld
+proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij
+zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de
+Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven
+met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn
+van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag."
+
+Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de
+Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur
+toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en
+de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk
+ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen;
+een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk
+door het feit dat de "Nouvelle Héloïse," waarin evenals in den "Emile"
+de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet
+verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat
+Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.
+
+Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te
+duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te
+waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een
+toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde
+zoo sterk, in "Emile" vóór den godsdienst, tegen de materialistische
+philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk
+immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als
+het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn
+toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in
+Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun
+gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot
+verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te
+gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't
+plan uitgesteld.
+
+De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire
+vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de
+verschijning der "Nouvelle Héloïse;" d'Alembert schreef hem om hem geluk
+tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der
+weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem
+heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering
+te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme
+de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou
+hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in
+de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het
+parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles
+wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar
+vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou
+vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar
+hem dreigde.
+
+In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin
+hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden
+morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te
+bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen
+een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen
+linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de
+dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag
+in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die
+juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van
+hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich
+voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij
+naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de
+Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een
+edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees,
+gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen
+te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden
+vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.
+
+De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren,
+tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van
+het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte
+smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het
+achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee
+mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel
+van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging,
+waarmee de hertog naar die sleutel greep.
+
+Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te
+zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.
+
+ * * * * *
+
+Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een
+geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij
+een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij
+groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen,
+die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's
+morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat
+hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt
+hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een
+plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd,
+verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder
+een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in
+zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij
+soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den
+avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot
+een idylle in den trant van Gessner.
+
+Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat,
+nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire
+partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst
+schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de
+wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was
+vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen,
+die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als
+jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen
+rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.
+
+Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de
+hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn
+overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan
+hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en
+zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem
+laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig
+waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan
+hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge
+betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun
+houding te zeggen?
+
+Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van
+Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een
+verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit
+de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan,
+maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_.
+
+Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche
+menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem
+ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid
+hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem
+weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een
+stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen
+gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo
+bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende
+hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd,
+zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij
+kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en
+gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn
+schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze
+bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los,
+inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem
+wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem
+zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe
+rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.
+
+Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles
+onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk,
+van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn
+meerderen waren.
+
+Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten.
+Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.
+
+
+III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN.
+
+De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht,
+jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht,
+grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens
+voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie
+geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten;
+vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de
+Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en
+kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing
+en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van
+zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te
+midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de
+voorstelling troonde van het eigen ik.
+
+In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de
+wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het
+beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt
+zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle
+Héloïse," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften,
+met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze
+werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen
+gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog.
+Wat de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee
+rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre à Monseigneur de
+Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne."
+Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote
+jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen,
+versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en
+levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der
+tweede rubriek, de "Confessions" en de "Rêveries" zijn, zuiver als
+woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid,
+de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken,
+waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate
+waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te
+roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van
+Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de
+"Confessions" en de "Rêveries" boven de "Nouvelle Héloïse" en den
+"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en
+uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin
+de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en
+sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.
+
+In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener
+levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de
+natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling
+(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse-
+verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Héloïse" en de "Lettre à
+d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk,
+gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van
+godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal.
+Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het
+menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij
+worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en
+denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot levenswerk.
+
+Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht
+niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van
+den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote
+onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te
+leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht
+te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak
+niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom
+bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De
+geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde
+tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd
+somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De
+sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem,
+maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn
+conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle
+Héloïse") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn
+conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog
+is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene
+theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt
+tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch
+tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en
+jong-meisje tot elkaar behandelen.[34]
+
+De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo,
+dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot
+dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht
+bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten
+is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der
+fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél
+kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning,
+de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het
+lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende
+verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--dààr lag zijn
+vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied,
+met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame
+worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich
+eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het,
+om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en
+dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend,
+zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en
+aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde,
+maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de
+zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief
+is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner
+haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met
+hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen.
+
+Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave
+missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote
+verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk
+onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een
+vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe
+vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van
+zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en
+betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm
+van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Héloïse" toepaste,
+was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen
+romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten
+een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson
+was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige
+afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van
+Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot
+het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie.
+Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen
+opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel
+voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door
+de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken
+en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen
+gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of
+prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote
+burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot
+bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun
+romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den
+inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke
+inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze
+de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der
+feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35]
+
+In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar-
+overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle
+opzichten het meest origineele zijner werken.
+
+In de "Lettre à d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle
+Héloïse" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische
+beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de
+idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven
+der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een
+adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde
+herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene
+verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.
+
+Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde
+groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen
+vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft
+Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding
+vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug,
+bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen
+hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam
+brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen.
+Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere
+ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe
+eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid
+laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen;
+een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend
+in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging
+over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de
+dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen
+sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich
+tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun
+eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote
+revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!
+
+Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat
+beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De
+beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere
+smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn
+innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen
+zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn
+voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche
+gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel
+doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver
+maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De
+geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid,
+gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van
+Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de
+oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een
+hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een
+vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden
+geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie
+en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der
+eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had
+verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had
+verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle
+zoete en sterke bewegingen van het gemoed.
+
+Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met
+Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze,
+in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende
+moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu
+isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de
+samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der
+vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den
+burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn
+hoogmoedig hart.
+
+Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo
+liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij
+Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn
+ouderdom, de "Confessions" en de "Rêveries." Naast de eenvoudige rijke
+levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de
+betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne
+doorzichtigheid der "Rêveries" staan de werken der groote jaren als
+minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.
+
+Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë
+sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat
+tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat
+der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze
+parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Rêveries," ontbreekt.
+
+Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen
+en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken,
+vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk
+leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel,
+de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten?
+En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze
+doordringt, de edele verheffing? Vanwaar?
+
+Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij.
+Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van
+zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters,
+had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der
+klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel
+der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.
+
+De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere
+volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en
+juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der
+kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in
+den weg stonden.
+
+Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de
+ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering
+en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd
+tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de
+dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit
+wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel
+een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden
+hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te
+voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische
+tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te
+houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud
+der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld
+door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid
+gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe
+moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen,
+voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot
+deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der
+klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het
+patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme,
+die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich
+vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid
+hun ontzegde te zijn.[36]
+
+Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven
+den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de
+vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in
+de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het
+theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet
+anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het
+gevoel.
+
+Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van
+Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij
+Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de
+burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie
+tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij
+vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë
+laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der
+revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher
+harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren
+innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen
+bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij
+geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in
+den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht
+en heerschzucht en nijd.
+
+Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar
+voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn
+sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming
+der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen
+tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood
+aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch
+voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in
+aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn
+tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige,
+door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie
+den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige,
+onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie,
+kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der
+levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te
+volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken
+moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme,
+bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze
+gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en
+te versterken.
+
+Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig
+instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe
+maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun
+wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met
+alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig
+kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd.
+Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en
+de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de
+valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze
+gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan
+het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar
+waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld
+brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.
+
+Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in
+zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau révolutionaire," dat
+Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te
+veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft
+opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet!
+Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde
+welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou
+behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun
+taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van
+hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn
+werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.
+
+En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de
+schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal
+waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die
+geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het
+gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had
+Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan
+een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit
+Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden
+geput.
+
+ * * * * *
+
+Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau
+in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het
+menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het
+universum), en de verhoudingen der menschen onderling.
+
+Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk
+God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de
+menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor
+dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met
+de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in
+Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later
+verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd
+tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.
+
+Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote
+bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk
+gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook,
+maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk,
+dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks
+staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin
+overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn,
+maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme
+der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een
+deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der
+toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende
+beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er
+sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt
+stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij
+te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het
+zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische
+philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale
+neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen
+van den mensch.
+
+In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god,
+boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de
+verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn
+eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij,
+die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken
+arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen
+tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen
+tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De
+warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel,
+den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als
+zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander
+gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der
+menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch
+spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de
+eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de
+concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk
+middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten
+God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een
+groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd
+werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en
+samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den
+voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.
+
+Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen
+groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was
+zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch
+was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen
+over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken
+grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid
+was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren
+òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere
+afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en
+absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de
+grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de
+kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.
+
+In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de
+burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen
+(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen
+godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een
+of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar
+bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de
+abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke
+verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel
+der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist
+uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en
+onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk
+fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal,
+handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische
+theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo
+beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale
+gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid
+van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk
+handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de
+eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen
+staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen
+met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij
+hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning
+voor het onderdrukken daarvan.
+
+Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee
+polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide
+wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is
+daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als
+"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het
+punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende
+klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de
+strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was
+Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat
+rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de
+materialisten door de hunne "er bestaat geen god."
+
+Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van
+Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan
+een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme,
+in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die
+hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek
+moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven,
+verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn
+Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid,
+de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle
+samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste
+expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den
+grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god
+te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke
+kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het
+menschenhart geschreven had.
+
+Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos
+zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen.
+In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm,
+bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier
+stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk
+wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen
+God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en
+maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan
+koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad;
+zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet
+de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden.
+Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend!
+Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet
+onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk
+af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over-
+machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste
+smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en
+hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het
+heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste
+hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op
+aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef
+hij aan een kennis uit Genève, "ik geloof aan God, en God zou niet
+rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen
+ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den
+booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt
+de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen.
+Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven,
+alles wordt hersteld na den dood."
+
+Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het
+slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de
+laatste boeken van de "Nouvelle Héloïse" en in de belijdenis van den
+"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het
+geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.
+
+De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het
+eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij
+vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van
+gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of
+slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den
+mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het
+lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche
+stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede
+begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god
+gelijk maakt"....
+
+"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve
+ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit
+gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam
+waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil
+is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word
+overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven
+wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn
+hartstochten."
+
+Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en
+de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en
+geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid
+en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als
+middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit
+aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der
+maatschappelijke verplichtingen.
+
+Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische
+spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant
+heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk
+Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in
+innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons,
+die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken
+oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag
+de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle
+kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te
+onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door
+middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de
+grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat,
+zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven
+is, en wat wij met betrekking er toe zijn."
+
+Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle
+tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het
+werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen?
+
+Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en
+bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit
+tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun
+persoonlijken aanleg.
+
+Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij
+de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling
+der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen,
+en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging,
+vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de
+mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het
+dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht,
+dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de
+verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij
+een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van
+eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen
+wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang
+bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de
+levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar
+der _arbeidende_ kleine burgerij.
+
+Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische
+natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten,
+maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren
+troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde
+er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41]
+der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het
+kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde
+waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en
+een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en
+_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en
+de Jacobijnen aan een "Etre suprême," een opperste-abstraktie, samenvattend
+al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter
+welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reeële en materiëele
+klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, poëtisch-opgesmukte
+deïsme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred
+de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks
+af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard."
+
+Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar
+geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van
+den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot
+godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie
+tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de
+volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en
+den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft
+gekozen."
+
+De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij
+meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan
+de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn
+tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de
+autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen
+versterken.
+
+ * * * * *
+
+In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours,"
+de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over
+politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen")
+heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen
+op den menschelijken staat behandeld.
+
+Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze
+geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke
+hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme.
+Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk
+van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social."
+Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den
+strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming
+en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen
+schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het
+maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het
+"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken.
+In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den
+eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het
+maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen
+ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle
+ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij
+daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving
+en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen
+staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die
+hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn
+vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen
+verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe
+levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit
+hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen,
+dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen
+maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt
+wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede
+"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel
+als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen
+te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover
+de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n.
+"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de
+oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te
+demonstreeren van het absolutisme.
+
+Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire
+denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat
+te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste
+vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en
+vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de
+voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke,
+boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch
+onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van
+een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken
+over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de
+onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste
+uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde
+in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met
+aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de
+burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu
+schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van
+Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit.
+In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste
+aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische,
+terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat
+tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt.
+Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair,
+gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den
+inhoud van het bewustzijn dat ís.
+
+Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie
+verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening
+houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene
+revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden,
+voorzichtigen kleinburger.
+
+De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij
+geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het
+recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De
+noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar
+met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk
+kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke
+macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen
+enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder
+de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij
+zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot
+oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne
+leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in
+ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht
+van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne
+krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele
+en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal
+gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als
+_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet
+onderworpen.
+
+Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat
+zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden?
+Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil
+hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger
+heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene;
+maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke
+persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt
+met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil
+hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de
+wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om
+vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich
+onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet
+tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn
+eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar,
+de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen
+welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds
+het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.
+
+De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren
+en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de
+regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn
+dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk.
+Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd
+vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding
+van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk
+lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt.
+
+De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of
+demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de
+handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal
+zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie
+alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil
+des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar
+vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van
+een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen
+welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig
+vorst.
+
+Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de
+beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een
+aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige
+zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden,
+het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen
+is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is
+dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest
+verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust.
+Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de
+aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste
+waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz.
+van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in
+den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties
+verkiezen.
+
+Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest
+verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den
+staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling
+der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering
+'t meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de
+middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken
+van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een
+slechte haar vermindering.[42]
+
+Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van
+den souverein, dat is van den volkswil.
+
+Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering
+die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot
+onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend
+vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde
+tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit
+te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk
+kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een
+stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein
+behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of
+het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er
+thans mee zijn belast.
+
+Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het
+verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan
+noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept
+zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een
+talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te
+geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.
+
+Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische
+redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der
+demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den
+soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen
+souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als
+zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau
+revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts
+voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn.
+Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas
+door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor
+deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders
+van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en
+denkbeelden schepten.
+
+De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der
+burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het
+overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen
+die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem
+bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige
+abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine
+boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der
+teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden
+patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om
+den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de
+instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een
+tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was
+de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen
+bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den
+landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was;
+industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen
+gering.
+
+Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking
+tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het
+"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten
+over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld
+welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het
+eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de
+afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten
+voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner
+geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer
+sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de
+politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat
+geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de
+plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende
+ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre à d'Alembert"
+verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij
+de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel
+ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een
+groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk
+de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in
+praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het
+"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden
+behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk
+met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet
+de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie,
+uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere
+bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het
+proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting.
+Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren
+tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de
+industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering
+door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de
+kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der
+overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze,
+zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van
+hinderlijken dwang.
+
+Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur
+voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid
+der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit
+alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der
+oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer
+10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die
+hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten
+kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den
+handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die
+op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn
+verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts
+onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne
+persoonlijke.
+
+Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het
+volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den
+hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee
+van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de
+werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat
+herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid
+ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers:
+de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle
+burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
+
+Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot
+verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid
+van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren.
+Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter
+uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich
+somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte
+zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te
+schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze
+uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden,
+echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het
+verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en
+wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte
+de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch
+inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de
+gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn
+geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom
+als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over
+de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het
+heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog
+belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der
+ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen
+het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere
+plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn
+voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het
+verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau
+meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen
+was voorafgegaan.
+
+Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het
+kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op
+uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate
+onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in
+het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken
+van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk,
+op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der
+vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de
+gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en
+de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat
+geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit
+armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom,
+die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het
+patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit.
+
+ * * * * *
+
+De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en
+affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de
+rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak
+van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot
+zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms
+wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid,
+zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen
+_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de
+eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk,
+wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de moeurs verpersoonlijkt
+in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus
+tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken,
+zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de
+omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik,
+ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet
+zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets
+levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles
+is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije
+tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze
+goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om
+teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten,
+vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo
+hoort het."[45]
+
+Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den
+minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk
+als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche
+gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste
+levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met
+den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking
+niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de
+provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot
+een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich
+aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.
+
+Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie,
+hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge
+driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal
+bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde
+is àl scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin
+'t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar.
+In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen
+verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.
+
+De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste
+instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten
+met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar
+begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want
+dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar
+nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen.
+"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot
+van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen."
+
+Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel
+doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam.
+Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere
+elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar
+val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een
+theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het
+enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met
+de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma:
+"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke."
+
+Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo
+leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Héloïse." Het
+boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere
+sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden.
+Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd,
+lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in
+zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit
+één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de
+schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet
+omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle
+levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken!
+De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de
+staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de
+paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit
+gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan
+hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't
+hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene
+en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet
+meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de
+Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen,
+verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit
+elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen
+verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend
+haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van
+wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de
+menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden
+van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke
+ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van
+kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de
+geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij
+kunnen niet weerstaan.
+
+Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van
+elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte
+moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de
+onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al
+berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij
+ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende
+blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de
+liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt
+de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de
+deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de
+menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt
+hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander
+wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen
+persoonlijkheid.
+
+Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige
+vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie
+gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der
+gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen
+van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.
+
+"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar
+het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden
+is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één
+voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te
+maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor
+het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet
+langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij
+en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de
+zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een
+verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij
+verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis,
+zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam
+maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen
+haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten
+alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen."
+
+Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde
+met de schaamtelooze wellust van Marivaux!
+
+Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee
+Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze
+kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux
+beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere
+teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend
+gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het
+temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en
+schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig,
+door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.
+
+In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt
+van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte
+der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid
+prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de
+tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te
+verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of
+liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te
+los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding
+aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en
+valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne
+waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar
+grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke
+neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het
+teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en
+eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die
+natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed
+met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.
+
+De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt
+het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met
+elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar
+geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste
+in onze persoonlijkheid.
+
+Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de
+natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.
+
+De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te
+verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling,
+waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het
+recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander
+recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur,
+zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die
+Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Héloïse" in beeld heeft
+gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken,
+de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos
+volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te
+leven volgens hooge zedelijke beginselen.
+
+Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen,
+koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede
+gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden
+acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar
+voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht
+gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar
+hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan
+haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als
+vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser
+en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de
+heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een
+nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een
+uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar
+nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben,
+dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste
+plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat
+volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen
+der rede die uw gave in mij is."
+
+Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij
+zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de
+betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende
+verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling
+te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is
+tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid,
+bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter
+en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere
+affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en
+rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te
+zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen,
+zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te
+voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen
+haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed
+nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.
+
+In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de
+voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin
+(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve
+voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij
+heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij
+staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en
+van een talrijk personeel.
+
+Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is
+het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende,
+allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des
+levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om
+zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt
+geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij
+'t wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur
+hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef
+stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt
+Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt
+gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en
+liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar
+laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.
+
+Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" het recht der
+persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk;
+hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als
+jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde,
+ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan.
+Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een
+zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes
+bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een
+passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het
+tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of
+een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als
+een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige
+erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het
+denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche
+steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan
+vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe
+opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!
+
+"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een
+schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als
+de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo
+de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was
+zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar
+aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te
+weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar
+wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In
+waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te
+huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid,
+vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief,
+des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan
+zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van
+trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik
+zachte en sociale zeden."[48]
+
+Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere
+klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan
+verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie;
+òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te
+velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar
+minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield
+'t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en
+lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte
+platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die
+wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling:
+daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener
+clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht
+voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de
+provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op
+het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie
+voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener
+boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun
+mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging
+Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in.
+
+Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn
+huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte
+werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De
+jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten
+eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich
+zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling,
+in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in
+eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld
+door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet in alle
+vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan
+voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid.
+Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en
+moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging
+beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.
+
+Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven
+overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen,
+huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk,
+en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat.
+Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te
+stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de
+vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische
+kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo
+ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van
+kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in
+de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere
+verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en
+geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen,
+zoovelen tot zegen zijn.
+
+Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor
+Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk
+te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de
+school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de
+rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht
+om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit
+compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man
+dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij
+hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden
+rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd?
+Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken?
+En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan
+dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke
+veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet
+het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven
+voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen
+voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze?
+
+Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde
+en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen.
+Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet
+eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk
+gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en
+bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de
+gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs
+verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene
+genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit
+alleen erkennen wij als het ideaal.
+
+Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der
+"Nouvelle Héloïse." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast
+vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons
+zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.
+
+In de "Nouvelle Héloïse" zien wij de vrouw optreden als de genoote van
+den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige
+opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen
+wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.
+
+Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de
+bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale
+bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich
+die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen
+arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld
+ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en
+het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin
+door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het
+ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half
+patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap:
+in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar
+lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst
+van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.
+
+In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich
+aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in
+zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan
+het geestelijk leven van hun tijd.
+
+Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies,
+deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle
+waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing,
+vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit
+soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat
+"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en
+mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen
+een soort van monster.
+
+De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om
+de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze
+geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet
+veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar
+slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover
+dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar één ding moest
+haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te
+verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw
+is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te
+dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit
+onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te
+verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.
+
+Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als
+slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw,
+maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol
+is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn
+liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer
+van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de
+heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van
+waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te
+onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.
+
+Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de
+salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De
+natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest
+daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar
+geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te
+leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der
+oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der
+woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het
+openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch
+leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren,
+en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten
+door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen
+verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het
+elkander lichtzinnig naäpen, zooals de ijdele kwasten en de malle
+salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het
+mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in
+geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.
+
+Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming
+van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande
+ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij
+niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten
+moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke
+mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit
+weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin
+de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken
+en liefhebben zal.
+
+Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en
+onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn
+kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag
+mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide
+eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij.
+Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om
+haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en
+in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En
+hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden
+zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het
+karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw
+van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in
+den dienst der gemeenschap.
+
+ * * * * *
+
+Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk
+vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede
+patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden
+over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner
+voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri;
+maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het
+menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires,
+dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk
+verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal
+meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder
+nationaal-beperkt.
+
+Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone
+opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in.
+Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt
+om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven
+der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle
+doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche
+manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst
+verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen.
+Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en
+vrouwen, geen menschen.
+
+Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming,
+moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden.
+Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier-
+hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en
+volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt,
+des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de
+hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders
+nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden
+toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes.
+Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de
+jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare
+waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het
+morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen,
+want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet.
+
+Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke
+opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij
+zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met
+zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in
+dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen.
+Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen
+wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie
+vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des
+kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een
+moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die
+het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg;
+die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn
+bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn
+spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids-
+vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't
+niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door
+de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen
+vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind
+niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door
+lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou,
+honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot
+zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een
+jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk
+niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd
+wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen
+abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid
+van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse
+zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen
+spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later
+veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze
+ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de
+werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij
+te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond."
+
+Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen
+vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn
+denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties.
+Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de
+oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit
+noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving
+bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de
+menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar
+het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van
+het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch
+hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening
+van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en
+zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid
+van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot
+een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.
+
+Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch
+opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder
+mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de
+genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door
+een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der
+oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel
+in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers
+voort, maar slechts bourgeois.
+
+Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en
+het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt
+niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig
+als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem
+waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste
+trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn
+individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder
+den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der
+opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en
+plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken
+van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen
+van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel
+zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de
+individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar
+waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v.
+Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf
+"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke
+parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf buiten-
+maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de
+levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in
+het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed
+hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn
+revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse-
+opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed
+tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving,
+die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen
+kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal
+waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen
+verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen.
+In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de
+overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond
+zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.
+
+Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel
+voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen.
+Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken
+doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid,
+zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de
+eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men
+geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk,
+neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw
+middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht
+dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te
+leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en
+rechtvaardig leven hebben geleid."
+
+Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling
+gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem
+voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van
+kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen.
+En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk
+is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit
+te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld
+zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder
+grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.
+
+Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding,
+wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen
+gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend
+geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de
+grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen.
+Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als
+knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.
+
+Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de
+zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk
+brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij
+niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar
+en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer
+weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke
+nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij
+uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er
+was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in
+zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.
+
+Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve
+betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke
+noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche
+wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve
+heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen
+lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen,
+wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De
+levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging,
+het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur
+verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze
+krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet
+kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is
+verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht,
+zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en
+te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis
+voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de
+eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft
+waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat
+zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle
+wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en
+aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de
+wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De
+mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom
+moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er
+geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij
+verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en
+verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile,"
+in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke
+gemeenschap toch weer op.
+
+Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het
+leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels
+die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht,
+winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen,
+tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.
+
+Hoe wordt nu dit doel bereikt?
+
+Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de
+veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind.
+Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen
+leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende
+behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar
+behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het
+dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige
+leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is
+het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder
+teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol
+vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van
+elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het
+eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen
+te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen
+straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen
+daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.
+
+Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de
+utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan
+dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk
+eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat
+het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert
+Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen
+ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het
+tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der
+natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis
+der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om
+mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde:
+dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden.
+Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch
+mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal-
+mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de
+modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook
+een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken.
+
+Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw
+beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft
+het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de
+opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen
+altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken
+beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in
+den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de
+zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en
+sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die
+op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van
+liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren
+te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen
+van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle
+schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt
+Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel
+onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de
+zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de
+wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in
+de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig
+Schepper, dien hij zegent en aanbidt.
+
+De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt
+zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide
+kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een
+uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze
+vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der
+werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van
+zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de
+ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale
+leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk
+van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling
+van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire,
+aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich
+eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.
+
+Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten
+dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in
+en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd
+heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind
+gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der
+sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit
+zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog
+op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn
+redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der
+sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift
+voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering
+voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen
+gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken,
+de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk
+bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende
+jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op
+de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel
+mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel
+komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst
+der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot
+voorwerp heeft.
+
+Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor
+de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme.
+Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van
+zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat
+bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang.
+En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend
+willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en
+diens redelijk egoïsme.
+
+De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l.
+Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle
+denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder
+ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar
+hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het
+groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te
+vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe
+de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.
+
+ * * * * *
+
+Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind
+gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de
+zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele
+verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het
+gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was
+een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een
+weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger
+dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd,
+ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven
+--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek
+als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot
+zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen,
+zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht
+van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en
+teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven,
+zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze
+gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als
+hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen
+heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd
+meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor
+zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en
+woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en
+tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend
+innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het
+verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin
+keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare
+bewoners terug.
+
+In de "Nouvelle Héloïse," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten
+gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van
+zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde
+bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het
+affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld.
+Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte
+gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van
+vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen
+geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scène waarin
+Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift
+barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om
+vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie
+aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond
+van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet:
+tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de
+onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht
+hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke
+teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost;
+--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die
+vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige
+andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet
+van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle
+Héloïse" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke
+affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven;
+hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen
+flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die
+omschaduwde sfeer.
+
+De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het
+eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht
+is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het
+tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In
+dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen;
+de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met
+zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het
+mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn
+eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal,
+regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een
+verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid,
+soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en
+hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen
+plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd
+niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden,
+de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid
+te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten,
+over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het,
+die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar
+en principieel formuleerde.
+
+In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken,
+niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de
+aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren
+glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar
+hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd
+uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen.
+Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt
+zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart
+volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die
+te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en
+zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane
+gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle
+Héloïse."
+
+Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" ook verhoudingen uit het
+gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende
+menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het
+vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale
+verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel
+van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet
+aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de
+grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen
+zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen
+tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets
+van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor
+eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding
+tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen
+hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen
+en weer.
+
+Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde
+Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke
+waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel.
+Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den
+burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting
+deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en
+de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij
+afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst
+gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij
+verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de
+nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen
+lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de
+revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon
+der burgerlijke vrijheid.
+
+De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker
+van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om
+klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat
+in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil.
+Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van
+tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in
+dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke
+kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder
+zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot
+het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat
+dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is
+niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet
+geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos
+zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht,
+daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was
+nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In
+zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin
+de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en
+luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het
+tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner
+meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen,
+was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit
+den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk,
+omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen
+andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk
+bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste
+poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe
+vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens
+langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen
+toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning
+zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid
+waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling,
+omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou
+raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en
+proletariaat.
+
+Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner
+kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute
+vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk
+hij de tyrannen haatte.
+
+ * * * * *
+
+Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw
+wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen
+oproepen voor onzen geest.
+
+De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen;
+een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een
+kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont
+de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert
+zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch
+zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de
+ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop
+van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst-
+mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen,
+de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld
+die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke
+is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede.
+
+In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering.
+De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door
+alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden
+rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie,
+geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De
+burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen
+tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid
+in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen
+zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en
+proletariërs, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen
+nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der
+menschheid en het bestieren van het gemeenebest.
+
+De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of
+overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk
+leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer
+menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen
+arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den
+schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren
+zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen
+zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege
+ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en
+dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft
+gegrift.
+
+Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere
+plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen
+jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en
+zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven
+die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis
+glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den
+rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw.
+Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in
+wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.
+
+Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen
+arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood,
+door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt
+van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden,
+als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot
+geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot
+feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers
+in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen
+bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije
+mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid
+hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en
+vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk
+feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is
+der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te
+herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel
+van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen.
+
+Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.
+
+Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het
+kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu
+leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller
+menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische
+samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij-
+krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij
+zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in
+verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn
+hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die
+stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer
+die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze
+harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid
+waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons
+vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons
+nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede
+en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde,
+het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een
+glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land
+zijner verloren kindsheid.
+
+Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme,
+maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke
+ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing
+van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan
+die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid
+die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den
+stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven
+bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en
+de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche
+bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de
+encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend
+kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke
+verachtten en verwierpen.
+
+Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven.
+Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat
+voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het
+huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn
+organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister,
+vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den
+mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en
+breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in
+vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort
+roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van
+terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote
+droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven
+der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte,
+die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de
+groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één
+te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het
+aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn
+lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem
+van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de
+weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem
+zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een
+vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke
+ondoorgrondelijkheid.
+
+
+[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie
+Jenvernay 1801).]
+
+
+NOTEN:
+
+[30] Haar meest bekende werk zijn de "Mémoires de Madame d'Epinay," die
+langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van
+Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald
+(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat
+deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een
+lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot,
+dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven
+van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de
+Rousseau," blz. 188-189).
+
+[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de
+liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den
+"Tristan" maakte.
+
+[32] Mme d'Epinay beschuldigt Thérèse van 't schrijven van een anonymen
+brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk
+is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna
+voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de
+gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert
+behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St.
+Lambert _moesten_ bereiken.
+
+[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen:
+hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had
+gebracht.
+
+[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire
+Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst;
+en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is.
+
+[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan
+zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den
+"franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare.
+Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot,
+zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van
+diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote
+overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en
+der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale
+faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de
+traditie.
+
+[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.
+
+[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.
+
+[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis
+en de eeuw der omwentelingen."
+
+[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der
+Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire
+uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme."
+
+[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool,
+die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de
+_passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke
+en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in
+het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen.
+Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht
+in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk
+dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot
+revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.
+
+[41] Gorter.
+
+[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de
+plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.
+
+[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een
+poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.
+
+[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel
+ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die
+terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de
+grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn
+mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo
+ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem
+zelf aan niemand behoort"
+
+[45] "La Réunion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de
+Goncourt, "La femme au 18ième siècle."
+
+[46] "La femme au 18ième Siècle," blz. 173.
+
+[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.
+
+[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ième
+Siècle," blz. 239.
+
+[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers
+te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het
+regeerstelsel van Polen.
+
+[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de
+inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.
+
+[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de
+groot-kapitalistische maatschappij.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK
+
+DE LAATSTE WORSTELING.
+
+
+Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede
+aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar
+geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge
+doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want
+hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken
+nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder
+verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit
+land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee
+niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn
+afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo
+zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat
+ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge
+liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en
+ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te
+bezorgen."
+
+Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van
+Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af
+wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in
+Montmorency achter te blijven.
+
+Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de
+regeering van Genève den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar
+had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich
+binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen
+volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich
+bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den
+"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten
+tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de
+kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen
+voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat
+hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam
+liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De
+aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een
+herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus
+vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er
+uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde
+den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek
+had gedaan. Het "Contrat Social" werd alléén in Genève verboden: de
+akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo
+spoedig doorzag.
+
+Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou
+veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit
+genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme
+Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver
+van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom
+Neuchâtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en
+geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar
+aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit
+Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij
+hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.
+
+Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den
+Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten
+van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur
+gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de
+steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging
+van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel
+kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal,
+ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen.
+Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in
+Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom
+liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de
+gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware,
+massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder één dak--met
+weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een
+onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan
+ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.
+
+Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk
+zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen
+huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat
+opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt,
+de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer,
+voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen
+avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te
+moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit
+onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den
+lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend
+vergeefs naar een groet der zon.
+
+Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral
+leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar
+toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle
+oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap
+boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat
+en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag
+naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de
+bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in
+de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij
+dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen
+zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn
+handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn
+kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook
+zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten
+schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en
+ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die
+tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen
+waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij
+doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers
+vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten;
+het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden
+zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen,
+de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van
+uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend
+uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in
+de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal
+stroomde: de forellenrijke Reuss.
+
+Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest;
+heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren,
+geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename
+gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke
+natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te
+vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en
+dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn
+aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort
+leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf
+jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat
+gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had
+ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken
+gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling
+die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het
+heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon
+was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel
+de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn
+eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen
+en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en
+wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een
+te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en
+allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en
+te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste
+zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts
+door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er
+was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar
+hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn
+eenzaamheid mee te vullen.
+
+Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van
+planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen
+tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij
+als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap
+stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde,
+vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken
+zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een
+zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige,
+heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende
+zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de
+schuld der menschen èn door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot
+hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en
+buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen
+lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de
+eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in
+hem nog warme belangstelling wekte.
+
+Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen
+heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in
+zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der
+nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men
+interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of
+vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig
+voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die
+in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar
+om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij
+eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was
+hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede
+overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie
+was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus,
+die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd
+verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de
+plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te
+populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat
+natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen
+door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk
+hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde
+de leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen
+voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.
+
+Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen
+der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook
+een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door
+waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen,
+die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van
+specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker
+geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.
+
+ * * * * *
+
+Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof
+te vragen in het vorstendom Neuchâtel te wonen; ook wendde hij zich tot
+den gouverneur van Neuchâtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland
+doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens
+bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel
+mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden.
+Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen
+zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel
+begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling
+was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te
+leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie
+eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver
+te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet
+rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij
+vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en
+in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of
+planten-verzamelen was.
+
+Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in
+zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchâtel, te komen
+bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman
+en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot
+elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef
+Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar
+onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid,
+menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen
+als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet
+van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van
+Neuchâtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door
+de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor
+heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij
+hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme,
+teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest
+harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld;
+zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel.
+Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen;
+tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord
+Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei
+hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn
+genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door
+waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij
+zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de
+brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen
+vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau
+meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer
+schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden
+zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost
+nu ook ontnemen?"
+
+Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van
+Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche
+eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn
+zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers,
+met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend
+correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van
+Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean
+Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij
+is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer
+dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men
+van hem houdt en achting vóór hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den
+vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar
+de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers
+bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij
+plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine
+republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij
+tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd
+philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen
+vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar
+draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean
+Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven
+met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst
+met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St.
+Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar
+half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van
+luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in
+Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van
+onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord
+Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchâtel 't
+jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar
+Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem
+nooit teruggezien.
+
+In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't
+algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel,
+van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde.
+Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes
+en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als
+zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een
+schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens
+wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had
+veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos
+lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou
+bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep
+Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.
+
+Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij
+nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't
+geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de
+ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend
+in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen
+mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging
+gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de
+vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke
+boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur
+zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was
+zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan
+hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische
+dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't
+oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de
+algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met
+den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld
+de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten
+te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch
+onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren
+steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen
+strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder
+de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten
+verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats
+rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige
+fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken.
+
+Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau
+bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg
+weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen
+der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan,
+welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot
+lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis
+van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het
+protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig
+geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem
+had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen
+in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven,
+niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten,
+want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor
+nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te
+hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den
+predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het
+toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Maréchal had
+uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan
+zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting;
+als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom
+beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte,
+dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de
+"Lettre à monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne."
+(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen
+tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had
+gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het
+begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een
+en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der
+"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich
+zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen"
+de protestantsche wereld in rep en roer bracht.
+
+Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem
+aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar
+de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen
+tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag
+natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding
+gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den
+plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het
+leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de
+aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van
+onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om
+door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten
+getroffen te worden.
+
+Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol
+innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig-
+verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken
+van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek
+tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk,
+schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te
+vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen
+werd te erkennen "ik herken den burger van Genève niet meer," maar het
+werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door
+hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het
+geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij
+Voltaire volkomen ontbrak.
+
+Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont"
+weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn
+gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen
+der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In
+dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op
+bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te
+zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij
+in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan
+Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen
+godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding
+van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke
+godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de
+essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid
+der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den
+godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den
+mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering,
+komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke
+denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken
+hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie,
+boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de
+voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle
+verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van
+den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige
+denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag
+der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het
+bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder
+volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren.
+Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn
+droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.
+
+Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd
+gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering
+zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang
+wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit.
+Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de
+overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een
+jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund
+zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn,
+zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht
+en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog
+meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat
+hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door
+de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk
+naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den
+Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn
+burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.
+
+De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats
+gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop
+was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het
+requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de
+veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter
+verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven
+te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich
+te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste
+die in de "vrije republiek" Genève regeerde, bleek even beducht voor de
+vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse
+van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek
+zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te
+hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.
+
+De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer
+gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen
+uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte
+grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de
+machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de
+strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot
+een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke
+machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de
+lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te
+richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering
+behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad
+zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor
+kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit négatif,"
+dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie
+vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter
+zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst
+met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en
+naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der
+regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt
+voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder
+vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der
+burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van
+vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau
+zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn
+naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen
+schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden.
+Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede
+middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in
+de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren
+door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale
+protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het
+behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en
+grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de
+aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.
+
+Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten
+onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij
+zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den
+loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als
+martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de
+spits der burgers stellen zou.
+
+Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om
+zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen
+van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens
+zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid,
+maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten
+koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk
+samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde
+tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken.
+Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed
+gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem
+tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.
+
+Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen
+waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de
+procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in
+den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne"
+(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar
+uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de
+protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en
+trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de
+Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het
+geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één
+man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de
+kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren.
+Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij
+zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten
+Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe
+bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde
+van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de democratische leiders
+om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig
+voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds
+in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand
+onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen)
+op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard
+gebleven.
+
+De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau,
+en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen
+regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't
+algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een
+bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven
+zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de
+"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert
+daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de
+onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet
+voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève
+ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch
+onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een
+beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende
+politieke kwestie: het "droit négatif." Deze beschouwing gaf Rousseau
+gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze,
+waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te
+veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten
+ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.
+
+De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Genève in
+lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware
+protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van
+door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte
+beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel
+dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke
+vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk
+verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude
+geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne
+rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner
+erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije
+interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen,
+om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen
+twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen
+vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van
+het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de
+uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest
+natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de
+kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk
+leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke
+ketterij.
+
+Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke
+machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van
+despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige
+wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag.
+Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef
+hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur
+ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen,
+eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles
+komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het
+volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen
+handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel
+hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden
+tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen,
+vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen
+'t hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en
+zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede
+laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen
+voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van
+den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het
+gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin,
+in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen
+over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun
+groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de
+overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en
+vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek,
+het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is.
+Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid,
+de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die
+zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede
+laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en
+tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te
+strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen
+zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de
+beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate
+heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen,
+noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult
+satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak
+bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten
+voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering
+dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid
+en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft
+er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er
+mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige
+mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik
+geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen."
+
+Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots,
+de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en
+onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had
+hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van
+het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op
+bepaalde gemeenschappelijke daden....
+
+Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij
+hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van
+zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten
+Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten-
+bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te
+zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in
+den Haag en in Genève in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste
+aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou,
+de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik
+wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen"
+lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed
+zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult
+uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten
+zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de
+Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden
+in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische
+zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen,
+liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en
+beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per
+slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus,
+die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"),
+dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk
+van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo
+ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.
+
+Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn
+vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die
+algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende
+tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij
+in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet
+abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reëel en
+konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de
+grooten hem een gevaarlijk dier.
+
+Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd
+schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die
+kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem
+laaghartig, verraderlijk te bespringen.
+
+Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en
+officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen
+bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat
+natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau
+overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten
+hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht
+zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer
+aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn:
+Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te
+zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een
+grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van
+den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph
+van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch:
+Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd
+jegens zijn groote mededinger.
+
+Door de verschijning van de "Nouvelle Héloïse" en den "Emile" was
+Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke
+kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de
+onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk-
+revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar
+macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van
+absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van
+hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden.
+Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen
+zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke
+aangelegenheden.
+
+Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets
+anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en
+eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had
+raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle
+sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van
+den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende
+zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en
+bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van
+velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland
+bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze
+eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft.
+
+Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau
+omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver.
+Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van
+armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle
+anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en
+wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn
+leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in
+een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de
+vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't
+schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En
+sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg
+hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn
+vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den
+martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en
+jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden,
+maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar
+Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige.
+
+Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als
+hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen
+en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was
+een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der
+briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor
+zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder
+gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds
+met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de
+onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere
+wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in
+persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog
+ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en
+overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een
+jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed,
+om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht
+bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting
+van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw
+breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in
+zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel
+mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het
+opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden:
+hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de
+opvoeding zich moest bewegen, niet meer.
+
+Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van
+den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een
+bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets
+verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die
+onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie
+veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze
+houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme
+van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor
+het onherroepelijke van de daad.
+
+Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de
+zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij
+tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen
+en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de
+ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden,
+bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een
+enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling;
+--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar
+het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden
+zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten
+'s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.
+
+Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau
+Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op
+hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken,
+door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met
+alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met
+zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en
+wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de
+Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten
+die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is
+het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment
+des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in
+het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee
+uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver
+bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn
+uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis-
+reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige
+meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van
+een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een
+medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke
+gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt....
+Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in
+beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest....
+Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in
+Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie
+omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom
+wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen
+dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij
+gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken,
+kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te
+behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend
+schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den
+doodstraf_."
+
+Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden;
+Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener
+meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige
+vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en
+platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau,
+ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam,
+geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile
+verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij
+kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee
+hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te
+brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.
+
+Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of
+zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van
+Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig
+zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der
+oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in
+zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist
+geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't
+bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren
+natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke
+eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard
+voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige
+dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het
+wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid,
+zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster
+samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van
+vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van
+het jaar '65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk
+vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en
+nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den
+vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen,
+bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn
+botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te
+schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men
+schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers
+bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der
+bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan
+David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.
+
+Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de
+vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg
+hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen"
+kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf.
+De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van
+Neuchâtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun
+schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau
+voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten.
+Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn
+gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden,
+probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten
+einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal
+weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een
+uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen.
+Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in
+het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden:
+alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet
+wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of
+buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van
+Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige
+klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren,
+als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen
+het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap
+hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop
+hebben.
+
+Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren.
+Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar
+door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij
+voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven
+aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd
+was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de
+ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de
+zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van
+Neuchâtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der
+predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom
+verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de
+jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven
+uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen
+de dominé's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest
+aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst,
+om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten."
+
+Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het
+despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige
+demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde;
+het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén recht te
+zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat
+die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn
+onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere
+onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in
+konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing,
+zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl
+onvermijdelijk en niet zonder schuld.
+
+Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem
+hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn
+gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en
+al wankelheid.
+
+Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en
+benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan
+met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar
+vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen,
+"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in
+Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij
+dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars
+hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen.
+Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken;
+"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms
+gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk
+leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van
+mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij,
+en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die
+knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op,
+de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij
+zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met
+vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal
+ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit
+punt staat voor mij boven alle bedenking vast."
+
+Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel
+van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg
+klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten
+slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te
+blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich
+dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen
+kon hij niet.
+
+Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en
+beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het
+heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde
+in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du
+Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei
+persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en
+roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel,
+dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de
+gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke
+toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op
+'t kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis
+'s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der
+galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden
+posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.
+
+Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de dominé's
+hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede,
+dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke
+plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan.
+
+Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie
+jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich
+van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne,
+dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er
+eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige
+vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe
+van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders
+meer.
+
+Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild
+als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor
+de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de
+makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven
+als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer
+uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van
+de haat des volks.
+
+Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in
+alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen,
+nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid
+boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor
+een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad
+verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die
+van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als
+wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en
+die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad
+die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als
+voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de
+vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de
+teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan
+hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten
+aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit
+hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde?
+Hij voelde verder leven als doelloos.
+
+Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur
+en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen
+en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee
+meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Rêveries." Maar zijn
+moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën,
+die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't
+uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt,
+hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in
+droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede
+gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten,
+tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle
+windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop,
+zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang
+op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende
+melancholie.
+
+ * * * * *
+
+Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van
+waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het
+liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het
+water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken,
+kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken
+gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den
+oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde
+bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van
+witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het
+rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van
+de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol
+vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid,
+streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen
+en ziel.
+
+Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan
+den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-
+populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever.
+De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau
+er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden
+overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige
+vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvreê
+der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet
+hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch
+en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de
+bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al
+opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich
+urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt,
+gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide
+langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den
+rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in
+den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging
+hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot
+de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van
+het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het
+gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of
+hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem
+dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk
+genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de
+oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te
+bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij,
+God-gelijk, genoeg aan zich zelve.
+
+Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot
+gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.
+
+Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre
+stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo
+ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist.
+Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat
+vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar
+wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets
+gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in
+die bloemige, ruischende eenzaamheid!
+
+Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het
+grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een
+edel, doodelijk-gewond hert.
+
+Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar
+Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij
+voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn
+aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde
+beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en
+befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger"
+plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de
+Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou
+gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord
+Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij
+besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al
+herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou
+vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk
+door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef
+er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het
+stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl
+bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's
+morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen;
+hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij.
+Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de
+reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde
+reisgenoot, over Calais naar Londen.
+
+
+NOOT:
+
+[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand
+die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik
+wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer
+weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is
+beter dat ik zwijg."
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK
+
+WAAN EN VREDE.
+
+
+Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met
+Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke
+klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken
+op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor
+Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen
+vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun
+politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun
+strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar
+die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn
+zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook
+de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu
+en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de
+elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg
+om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun
+eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle
+manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in
+menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide
+kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te
+krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de
+gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen.
+Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande
+lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht
+zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de
+publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen
+andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd
+Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in
+Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben:
+na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen.
+Dit maakte dat hij zoo goed als geheel geïsoleerd was, machteloos tot
+eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de
+omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest
+hem een gevoel geven van groote verlatenheid.
+
+Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is
+onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen
+zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste
+wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich
+vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt
+voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan
+monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te
+kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel
+in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.
+
+Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van
+Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar
+feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de
+buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou
+waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en
+bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht
+van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van
+de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt,
+dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar
+genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren
+ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het
+phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den
+prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume
+van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in
+zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd
+de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen"
+die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde:
+toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige
+gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig
+antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt,
+herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje."
+De sceptische Schot vond zoo'n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.
+
+Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende
+omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen
+tegen Hume moesten opwekken.
+
+Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de
+rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De
+koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en
+besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er
+in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit
+aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te
+breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de
+vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht
+en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te
+vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te
+worden."
+
+Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke
+grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was
+voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent
+de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa
+vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den
+opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van
+spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en
+het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd
+zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen
+met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld.
+Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig
+mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd
+geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de
+nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij
+hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge
+mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de
+hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis:
+dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan
+de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op
+zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich
+voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn
+rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.
+
+Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als
+zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere
+vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay,
+natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het
+toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme
+d'Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den
+schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht
+moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij
+zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat
+Hume met zijn vijanden heulde.
+
+Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op
+grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt
+van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen
+letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem.
+Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten
+zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen;
+na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr.
+Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het
+oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking
+stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin
+kwam er maar enkele weken in het jaar.
+
+In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten
+lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis
+was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en
+maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en
+bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij
+genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg
+der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van tuin-aanleg
+niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur
+meer ongerept liet.
+
+Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag
+alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.
+
+Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde,
+hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van
+het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een
+enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de
+buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en
+beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude,
+wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin
+van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen;
+zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige
+streek.
+
+Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden
+daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het
+voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren,
+eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde:
+waanzin omnachtte zijn gemoed.
+
+De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de
+goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk
+paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze
+overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend
+geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van
+vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken,
+was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve
+lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook
+niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Thérèse en de
+dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar
+eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de
+toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is
+begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar
+één wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54]
+
+Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar
+strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch
+vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet,
+wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau
+was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de
+onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze
+bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in
+een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer
+geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke
+inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende
+behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden
+aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den
+tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn
+verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn
+evenwicht al meer te verstoren.
+
+En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en
+een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn
+eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke
+handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband
+met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een
+onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die
+zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers,
+na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe
+spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den
+beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een
+muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich
+zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume
+bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was
+een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in
+Engeland tegen hem op.
+
+Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te
+worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der
+Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en
+wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem
+ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau
+wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij
+niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands-
+verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug
+te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te
+onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de
+buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen.
+Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere
+explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn
+eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich
+voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat
+hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had
+hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of
+langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan
+Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Maréchal, aan Guy, zijn
+hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend
+met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar
+schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te
+snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak
+van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem
+verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen,
+aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een
+jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had
+laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber,
+terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn;
+hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had
+hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn
+macht); hoe Hume op hem en Thérèse "lange, doordringende blikken" placht
+te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven
+langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden
+dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd,
+dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend
+werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die
+slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde
+op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door
+A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had
+herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau
+weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een
+formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij
+onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet
+aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau
+was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn
+Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische
+coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om
+aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte
+den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den
+titel "Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt
+overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen:
+van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de
+meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak:
+"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster
+van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de
+Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien,
+dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf
+natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet
+meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te
+kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist
+met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig
+gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had,
+en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te
+verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires,
+gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar
+wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde
+hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in
+zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar
+aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het
+halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen
+had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn
+wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk
+zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers,
+die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de
+gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord:
+"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig
+dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een
+bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer
+genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne
+beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen
+anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de
+vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij
+evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar
+troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen
+vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend."
+
+In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht
+er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn
+vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen
+onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar
+uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de
+dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk
+ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr.
+Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de
+eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei
+verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en
+betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies.
+Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij
+vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding,
+in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos
+ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand
+hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar
+Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen
+zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust
+dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen
+wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij
+was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch
+bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek
+hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet
+verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield
+hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met
+Thérèse in naar Calais.
+
+Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende
+later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.
+
+In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk
+brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den
+beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een
+bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem
+den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van
+Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der
+talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel
+Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging
+in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den
+marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen,
+hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze
+kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van
+Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij
+Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige
+persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte
+hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat
+hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende
+bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote
+belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te
+hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van
+den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen
+Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht
+bij Parijs.
+
+De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren
+voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de
+prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch
+hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd
+door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die
+van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in
+Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden
+aan te nemen.
+
+Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven
+zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef
+hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de
+buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo
+onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de
+moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld,
+hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme
+de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had
+afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat
+hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de
+bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren
+en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen
+opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De
+eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij
+sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en
+een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht
+op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen
+maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn
+vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij
+gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de
+boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke
+schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam.
+Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht
+hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer
+men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken
+schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du
+Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken,
+schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig
+heeft, mijn lichaam of mijn geest."
+
+Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra
+het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen.
+Zijn geestverwanten uit Genève--waar de inwendige beroeringen
+voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te
+hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad
+in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de
+inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren
+gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat
+zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een
+schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate
+van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het
+standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering,
+als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad.
+
+Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo
+had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze
+had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te
+kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij
+hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht
+vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van
+dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te
+verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem
+gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek
+nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van
+Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem
+weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou
+terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen
+ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen
+was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de
+macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon
+bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had
+aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken
+hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan
+hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets
+anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich
+zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij
+botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in
+Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en
+als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der
+natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die
+een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze
+wetenschap bevatten.
+
+Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het
+graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble
+een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde
+hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude
+galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine
+geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau
+bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte
+complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek
+bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van
+dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet
+tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden
+aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een
+der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in
+zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo
+overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij
+aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na
+zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en
+weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje
+tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar
+zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de
+plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke
+verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak
+hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die
+hij in Trye had aangenomen.
+
+In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse
+ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen
+dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of
+Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug
+te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging
+natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn
+bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te
+ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering
+vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders.
+Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den
+omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis,
+hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende
+opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en
+haar beleedigden.
+
+Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem
+aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide
+gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was
+dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor
+hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over
+is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even
+moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel
+een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is.
+"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen
+zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal
+meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze
+harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten
+drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen
+te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts
+een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen."
+
+De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het
+vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol
+konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer
+worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor
+Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden
+die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit
+dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar
+ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen
+tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander
+werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel
+een deel van zichzelven.
+
+Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen
+zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een
+verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche
+voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn,
+zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk
+zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te
+behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer
+vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn
+verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben
+gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn?
+Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was
+voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die
+verlichting ten minste nooit ontbeerd.
+
+ * * * * *
+
+In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf
+jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen
+naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti.
+Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke
+drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij
+weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden
+blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in
+'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen;
+Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk
+plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen
+politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met
+rust.
+
+Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue
+Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude
+bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en
+werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn
+bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen
+rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St.
+Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren,
+beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:
+
+"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques
+Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue
+Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde
+verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom
+binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein
+voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes
+opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een
+calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht
+op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met
+ons pratend.
+
+"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets
+hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn
+gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn
+mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd
+was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken
+dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een
+groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten
+verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van
+het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn
+gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van
+iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en
+medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en
+toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't
+vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel,
+een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de
+wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij
+gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn
+vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't
+plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat
+aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't
+raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur
+ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid,
+vrede en eenvoud, die 't hart goed deed."
+
+Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan
+die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de
+oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft
+herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste
+werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van
+in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij
+geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen
+te zijn."
+
+Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren
+besteedde hij aan 't kopieëren van muziek en 't drogen, schikken en
+opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste
+zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan
+dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde
+in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij
+betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn
+bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de
+nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen
+in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een
+hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag
+twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd
+was 't gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu
+een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn.
+Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij,
+maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder
+de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog
+altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn
+mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een
+kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als
+zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in
+buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn
+vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem
+verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van
+zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de
+vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen
+rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten
+dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn
+medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns
+gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden
+of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen
+gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van
+ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden.
+Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken
+schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle
+bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers,
+bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een
+boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de
+schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet
+overzetten. Steeds meer kategorieën van personen hadden de machtige
+samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem
+komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen
+bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de
+vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed
+hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen,
+verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder
+beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij
+zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn
+geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en
+waarachtigheid, de "Dialogen."
+
+Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner
+vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de
+onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood
+verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets
+meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven
+en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen;
+zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn
+vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot
+te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing
+van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en
+letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in
+omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld
+zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een
+juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de
+uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een
+grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was:
+de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn
+snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In
+hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen,
+die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om
+verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder
+de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk.
+Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand
+doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij
+voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op
+andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde
+hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele.
+Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk
+de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat
+beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts
+enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als
+verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte
+geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het
+komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de
+verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en
+Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de
+hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de
+tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen"
+uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande
+zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de
+"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit
+gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen
+onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den
+mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden
+die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en
+verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche
+sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de
+gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan
+zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en
+meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn
+oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van
+list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered.
+Maar hoe zulk een mensch te vinden?
+
+Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan,
+want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en
+vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans
+maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te
+vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen,
+verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn
+handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de
+Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders,
+dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel
+hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem
+verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten,
+tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.
+
+Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden,
+die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven
+was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters:
+"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft."
+Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle
+voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen
+las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen,
+zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.
+
+Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden,
+die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en
+voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner
+nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige
+invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't
+jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, 't denkende, voelende,
+willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en
+ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd,
+maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.
+
+Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht
+op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe
+beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij
+bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge
+zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd
+en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die
+hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij
+bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij
+spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een
+vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social,"
+dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven
+glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers,
+niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij
+versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel
+na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden
+en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge
+mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als
+menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der
+maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.
+
+Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de
+kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij
+stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel,
+schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in
+zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch
+te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te
+heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon:
+als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in
+Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was
+hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd
+voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te
+maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor
+hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem
+geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare
+liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties,
+de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige
+klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had
+hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord
+gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried,
+deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.
+
+Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster,
+vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te
+geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden,
+smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht
+dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair
+bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een
+heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft
+hij immers, dit is zijn levensdoel.
+
+Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag
+enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij
+dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het
+nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam
+op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke
+vooroordeelen.
+
+O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid
+nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken
+als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die
+droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is
+helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke
+krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke
+demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote
+Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten
+niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne
+arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze
+droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere
+wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote
+voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten
+in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn
+van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke
+lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.
+
+Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen
+dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en
+zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien,
+had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is
+hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden
+harten, en hij niets zag als vertwijfeling.
+
+En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen
+verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld
+tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers
+van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten
+zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale
+gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand
+arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als één man
+opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen
+de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen
+wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun
+verzet verbitterd; zouden zij één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte
+zijn waan va nvervolging èn grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien
+woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den
+verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid,
+van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij
+nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen
+zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was
+het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke
+samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis,
+in hem roemen als in een Groote?
+
+Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is.
+Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan
+was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij
+door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels.
+Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid,
+maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der
+menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede
+gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig
+jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam,
+de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen
+te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart
+toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en
+lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.
+
+Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen
+weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en
+zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de
+lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de
+troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid
+gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der
+wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende,
+schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in
+den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog
+verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het
+leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde
+tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den
+dageraad.
+
+Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden
+waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een
+tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn
+afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die
+zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten
+weemoed van het leven scheiden kan!
+
+ * * * * *
+
+Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te
+slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het
+huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort
+smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou
+opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten
+bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen
+op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner
+beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe
+woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had
+tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.
+
+Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf
+Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te
+zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige
+wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was
+begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar
+opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen
+gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem
+van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een
+toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in
+Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug,
+dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers
+die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de
+stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke
+vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.
+
+[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).]
+
+Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel.
+Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond
+liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich
+bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat
+hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die
+zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed
+hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk
+hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat
+daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag
+hij daar.
+
+Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn
+overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van
+zijn grooten tegenstander Voltaire.
+
+ * * * * *
+
+Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den
+boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden,
+de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten,
+de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat
+zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en
+moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord,
+hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze
+andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine
+menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit
+de diepten der oneindigheid.
+
+De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke
+omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe
+onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken
+aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der
+aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen,
+overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden,
+tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten
+bevruchten door het leven.
+
+En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten,
+hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen,
+harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en
+bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche
+liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen
+en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de
+landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van
+Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters,
+stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn
+eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den
+man maken dien hij werd in die poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd-
+gespletene en toch naar één doel stroomende jaren der jongelingschap.
+
+De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de
+maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle
+omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie
+somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--èn de maatschappij-kracht: de
+begeerten, de aspiraties, de energieën en de gedachten die de maatschappij-
+beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in
+de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der
+levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide
+groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten
+met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten,
+zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die
+zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te
+tooveren tot schoonen droom.
+
+Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over
+hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het
+verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een
+nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis.
+Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een
+onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen
+wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende
+spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet
+waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef,
+hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen
+andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de
+maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de
+maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter
+volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van
+zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij
+wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was,
+dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die
+geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de
+roepstem en volgde haar.
+
+Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen
+zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn
+hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve
+neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij
+overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van
+onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens
+wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel
+en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn
+liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls
+zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk
+betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de
+gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de
+liefde tot de menschheid,--èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid
+van den kunstenaar.
+
+Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de
+wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij
+verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn
+afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van
+zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem
+als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den
+hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen,
+broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om
+zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af
+om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls
+ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit
+zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang,
+niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog
+de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde
+prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken
+waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen
+zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in
+wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn
+verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp
+nauwkeurig en volledig als hij kon.
+
+Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde:
+het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende
+beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in
+hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen
+zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en
+schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij
+vervallen in schaamteloos cynisme.
+
+Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een
+ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.
+
+Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de
+hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle
+enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.
+
+De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar
+hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was
+nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling
+tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de
+midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een
+gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap,
+den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij
+voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het
+ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op
+het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen
+der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren,
+vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid
+van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hùn
+vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren.
+Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat,
+ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit
+Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en
+heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had
+hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den
+stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden
+zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair
+schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid
+uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.
+
+De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de
+burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in
+den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende
+klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend
+bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige
+belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die
+tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door
+afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke,
+en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende
+richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit
+'t een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der
+speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet
+de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en
+verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was,
+bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan
+tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling
+tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.
+
+En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende
+en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in
+de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen
+hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de
+Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe,
+zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen
+en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den
+koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de
+republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon
+vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen.
+Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag
+idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld
+met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden
+zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere
+demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering
+als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft,
+de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote
+bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden,
+maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen,
+een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben
+uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de
+stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke
+voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan
+vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot
+regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in,
+naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer
+dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en
+vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden
+dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden
+die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen,
+gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden
+van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken
+maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn
+vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende
+verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke
+rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in
+normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt
+en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even
+verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken
+dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige
+behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het
+onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan
+van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze
+bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de
+hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch.
+Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en
+toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het
+wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk,
+--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie
+van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast
+letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun
+staatkundig evangelie was.
+
+In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen,
+dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat
+uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden,
+den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en
+op godsdienstig gebied.
+
+Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der
+revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de
+uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de
+staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het
+best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een
+groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de
+regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te
+keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen
+iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om
+de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het
+recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en
+dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de
+vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den
+Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het
+opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van
+den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof
+aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale
+Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd,
+dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan
+slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn
+goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.
+
+Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken,
+een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de
+basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische
+produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische
+afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der
+onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren
+ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der
+revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers
+en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het
+lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige
+inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den
+grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield.
+In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn.
+Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de
+Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte
+bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan
+voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den
+uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren
+van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de
+gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest
+bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij
+droegen niets van zijn wil meer in het hart.
+
+Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens
+gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In
+zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke
+vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den grondslag
+van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den
+bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf
+heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau
+evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het
+communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en
+vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles
+gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit
+de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende,
+waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest?
+Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische
+gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der
+individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet
+gekomen, maar wie ook slechts één stap verder ging, moest de zon van het
+socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf.
+
+ * * * * *
+
+In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau
+leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn
+pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging
+en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had,
+zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken,
+mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de
+revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche,
+over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening,
+zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en
+bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen
+van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden
+maakten de kunst zoo.
+
+Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over
+Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast
+Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met
+de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en
+denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste
+manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest
+algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle
+woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote
+wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was
+voorgegaan.
+
+Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in
+Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele
+richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken,
+een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het
+politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig
+natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de
+burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische
+zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige
+gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling
+bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en
+specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het
+heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige
+vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar
+de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde
+enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den
+schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij
+zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze
+heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in
+de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de
+romantiek.
+
+Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele
+banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en
+het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den
+geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte,
+zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke
+naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller,
+zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp
+bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring,
+zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die
+eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij
+beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de
+diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren
+de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording.
+En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau.
+
+Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was
+anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote
+wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke
+uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van
+het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was
+hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd
+behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door
+de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en
+politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij
+behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en
+elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers,
+tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken
+gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en
+geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer
+van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke
+liefde tot het leven, tot àl zijne verschijnselen. En al deze trekken,
+die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller
+geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke
+literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de
+psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle
+Héloïse," der "Confessions" en der "Rêveries."
+
+Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche
+schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest
+wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der
+anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid
+van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke
+gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog
+te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar
+doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder
+fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester
+Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in
+tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de
+sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed
+gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het
+communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat
+Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen
+lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen
+te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te
+scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne
+gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de
+eigenheid van zijn wezen.
+
+ * * * * *
+
+Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele
+levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen
+van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind
+en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten
+overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige
+idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel
+dat zijn.
+
+De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie
+maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door
+reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de
+inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den
+dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij
+bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de
+grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke
+ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen
+bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd
+zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig
+denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel
+belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en
+gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische
+dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende
+proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten.
+Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van
+Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de
+wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en
+daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_
+toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van
+doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis,
+blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben
+veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.
+
+Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis.
+Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd
+en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze
+en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting,
+liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo
+allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de
+vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en
+knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het
+burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam.
+Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten
+voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan
+in de socialistische maatschappij.
+
+Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de
+individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de
+bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het
+kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner
+krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te
+vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de
+liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken
+weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die
+verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met
+de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen
+aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het
+zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van
+ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van
+menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar
+de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale
+oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke
+volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de
+aarde.
+
+Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar
+maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen
+voorstelling had.
+
+Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude
+afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden
+zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige
+menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in
+vrijheid;--wanneer de onrust en de onvreê en de wanorde van onze dagen
+den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan
+zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere
+verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier
+menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat
+de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen
+hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en
+Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen
+vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen,
+opgaan van den enkeling in het geheel.
+
+Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der
+Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.
+
+
+NOTEN:
+
+[53] Ook Faguet neemt dit aan.
+
+[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse
+een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken
+man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet
+opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te
+komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen
+en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.
+
+[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen;
+sommige biographen spreken van 1800 francs.
+
+
+ * * * * *
+
+
+LIJST VAN ILLUSTRATIES
+
+Jean Jacques Rousseau
+Thérèse Levasseur
+Jean Jacques Rousseau
+Rousseau aan het botaniseeren
+Rousseau's Graf
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12009 ***
diff --git a/12009-h/12009-h.htm b/12009-h/12009-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..891cf26
--- /dev/null
+++ b/12009-h/12009-h.htm
@@ -0,0 +1,9580 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=UTF-8" />
+<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+<title>The Project Gutenberg eBook of Jean Jacques Rousseau, by Henriëtte Roland Holst</title>
+
+<style type="text/css">
+
+body { margin-left: 20%;
+ margin-right: 20%;
+ text-align: justify; }
+
+h1, h2, h3, h4, h5 {text-align: center; font-style: normal; font-weight:
+normal; line-height: 1.5; margin-top: .5em; margin-bottom: .5em;}
+
+h1 {font-size: 300%;
+ margin-top: 0.6em;
+ margin-bottom: 0.6em;
+ letter-spacing: 0.12em;
+ word-spacing: 0.2em;
+ text-indent: 0em;}
+h2 {font-size: 150%; margin-top: 2em; margin-bottom: 1em;}
+h3 {font-size: 130%; margin-top: 1em;}
+h4 {font-size: 120%;}
+h5 {font-size: 110%;}
+
+.no-break {page-break-before: avoid;} /* for epubs */
+
+div.chapter {page-break-before: always; margin-top: 4em;}
+
+hr {width: 80%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;}
+
+p {text-indent: 1em;
+ margin-top: 0.25em;
+ margin-bottom: 0.25em; }
+
+p.center {text-align: center;
+ text-indent: 0em;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em; }
+
+a:link {color:blue; text-decoration:none}
+a:visited {color:blue; text-decoration:none}
+a:hover {color:red}
+
+</style>
+</head>
+<body>
+<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12009 ***</div>
+
+<h1>JEAN JACQUES ROUSSEAU</h1>
+
+<h3>EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN</h3>
+
+<p class="center">
+<b>van</b></p>
+
+<h2 class="no-break">HENRIËTTE ROLAND HOLST</h2>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<div class="chapter">
+
+<h2>INHOUD</h2>
+
+<table summary="" style="">
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap01"><b>EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd</b></a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#I.Ge">I. Genève aan den aanvang der XVIIIde eeuw</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#II.Ki">II. Kindsheid</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#III.De">III. De zwerver</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#IV.Gr">IV. Groei</a><br /><br /></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap02"><b>TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs</b></a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#I.Mi">I. De maatschappelijke en geestelijke beweging in Frankrijk omstreeks het midden der xviiide eeuw.</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#II.He">II. Het moeizame leven</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#III.De2">III. De eerste fanfaren</a><br /><br /></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap03"><b>DERDE HOOFDSTUK: De groote jaren</b></a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#I.Na">I. Naar de vereenzaming</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#II.De">II. De Katastrophe</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#III.De3">III. De werken der groote jaren</a><br /><br /></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap04"><b>VIERDE HOOFDSTUK: De laatste worsteling</b></a><br /><br /></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap05"><b>VIJFDE HOOFDSTUK: Waan en Vrede</b></a></td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap01"></a>EERSTE HOOFDSTUK<br/>
+JEUGD</h2>
+
+<h3><a name="I.Ge"></a>I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW</h3>
+
+<p>In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme
+geboren was&mdash;de richting van het protestantisme die zich het scherpst
+en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld&mdash;bleef het
+maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen
+bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had
+gestuwd.</p>
+
+<p>Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen
+bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève,
+terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar
+heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de
+XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van
+verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken.
+Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen
+weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en
+sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel
+overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote
+expansie bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de
+bloei der manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten
+gevolg hadden;&mdash;waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een
+deel der burgerij tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke
+levensvormen tilde maar ook het proletariaat deed aanzwellen en de
+vroegere, betrekkelijk geringe kloven tusschen de stedelijke klassen
+zich haast plotseling tot afgronden verdiepten,&mdash;daar kon het kalvinisme
+den staat niet blijven beheerschen, de maatschappij niet blijven
+doortrekken met engen, onverdraagzamen, puriteinschen geest. Die geest
+was in tegenspraak met de eischen en behoeften van het grootburgerlijk
+leven. Het moest zich vergenoegen, in Holland als in Engeland, met ééne
+in het spel der krachten te zijn die het karakter eener maatschappij
+bepalen, en den godsdienst der lagere klassen te blijven, den godsdienst
+van kleinburgers, handwerkers, visschers en boeren.</p>
+
+<p>Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten
+handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit, en
+wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon het
+kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot
+onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie.
+De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt
+van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en
+levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens was
+zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn. Van
+kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren, en
+de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare
+gelijkvormige massa.</p>
+
+<p>Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van
+bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het
+eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was de
+horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den
+handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten
+der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en
+beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun
+beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.</p>
+
+<p>De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer. Zij
+verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm
+tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen die
+dit bedrijf&mdash;toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht&mdash;doormaakte,
+ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele
+beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest
+bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen
+zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar
+gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en
+de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.</p>
+
+<p>De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het
+begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar
+kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk,
+die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven
+zouden zijn weggespoeld.</p>
+
+<p>Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad
+voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een
+onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger
+van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke
+feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine
+steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen
+van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed
+en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke
+vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn,
+werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.</p>
+
+<p>Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de
+meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van
+kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke
+theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de
+kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten
+voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen,
+evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot
+één gevoel waren samengegroeid.</p>
+
+<p>Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de
+kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij
+in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der
+demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw
+verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke
+organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch.
+Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was
+in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de
+Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de
+bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog&mdash;gelijk reeds
+uit de namen, “inwoners, inboorlingen en onderdanen” blijkt,&mdash;verdeeld
+was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de
+“citoyens” en “bourgeois,” bezaten politieke rechten. Deze benoemden
+in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van
+belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en
+bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den “kleinen,” en
+den “grooten” raad. Het geringe aantal volmondige burgers&mdash;de “algemeene
+vergadering” telde niet meer dan 1600 personen&mdash;maakte het
+vertegenwoordigend stelsel onnoodig.</p>
+
+<p>In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der
+gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de
+oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie
+die den “grooten” raad van tweehonderd en den “kleinen” van vijftig
+uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer
+bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het
+“negatieve recht” aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere
+groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd
+deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad
+vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den
+kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in
+Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan
+het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.</p>
+
+<p>De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de
+bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook
+dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide
+raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het
+burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.</p>
+
+<p>Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de
+rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook
+der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste
+gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt,
+overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit
+Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans,
+met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot
+plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de
+kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts
+zelden voor.</p>
+
+<p>Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het
+gemeenebest op ’t oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij
+het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte
+zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen,
+door de regeerders streng onderdrukt.</p>
+
+<p>Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie,
+grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen
+was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De
+kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet
+geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk
+gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en
+vrouwen, zoo fier op hun “vrijheid,” als kinderen: hun leven lang werden
+zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen
+tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met
+kaarten in de hand, die duivelsblaren;&mdash;wie had meegedaan aan een
+danspartijtje;&mdash;wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte in
+het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,&mdash;hij
+kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd
+onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of
+zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote
+machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad
+bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige
+toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen.
+Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken
+mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone
+teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de
+zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig
+avondmaal.</p>
+
+<p>Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het
+leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door
+den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk
+katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van
+voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle
+spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en
+trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen
+door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename
+karaktertrekken van het puritanisme.</p>
+
+<p>Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een
+stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen,
+oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt, dat
+doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen
+verstijven doet.</p>
+
+<p>Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse
+zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden,
+haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en
+de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van
+gemelijke norschheid.</p>
+
+<p>De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening
+van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van
+den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de
+burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan
+de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het
+gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die
+voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit
+wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het
+kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner
+kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun
+nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de
+godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den
+hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner
+gemeentenaren aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren
+schare, geroepen God te bekennen onder de zedenlooze en losbandige
+volken te midden van wie het lot hen voerde.</p>
+
+<p>Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één
+vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden.
+Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere
+handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.</p>
+
+<p>Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van
+Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over
+Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche
+vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder
+ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen
+allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en
+verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er een
+element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des levens,
+van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische
+regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten en
+wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele
+handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij door
+grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren: de
+oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen.
+Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie.
+Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken
+vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den
+oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten
+woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen,
+waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge
+wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende
+weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt
+niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk
+bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden
+daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers
+trokken.</p>
+
+<p>Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de
+hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken
+of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het
+protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van
+aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden
+ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken
+hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de
+gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht
+in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid
+verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen
+de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd
+het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze
+mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die
+voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen
+en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat
+gemeenlijk de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al
+waren zij de aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen
+beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en de
+positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze
+neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale
+zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden
+neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij elk
+oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed. Want,
+terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke
+demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn
+eigen legervorm had voortgebracht&mdash;zoo niet overal in alles gelijk, toch
+hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking
+samenbracht&mdash;had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van
+vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen&mdash;hoe zou
+men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen&mdash;bezorgden de
+burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en
+vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare
+mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke
+oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en
+wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten,
+uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk
+stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel
+militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden
+de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De
+handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in
+zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid,
+van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts,
+mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren,
+eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden.
+Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der
+naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En
+droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen
+toga was.</p>
+
+<p>Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone
+oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de
+mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het
+licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen
+bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten
+stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun
+huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de
+pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men
+zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een
+dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van
+zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het
+dagelijksch doen.</p>
+
+<p>Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog
+zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met
+beving in zijn stem: “o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de
+burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en
+eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde
+landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar
+nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien.”</p>
+
+<p>Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de
+ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl
+bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.</p>
+
+<h3><a name="II.Ki"></a>II. KINDSHEID</h3>
+
+<p>Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot
+ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet
+gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door
+hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die
+te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den “grooten
+Raad.” De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot
+<i>dizenier</i>, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn
+stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging
+weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen
+niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken
+staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en
+ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman.
+Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke
+opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een
+dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn
+voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen
+wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon
+vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was
+nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle
+kunsten had onderdrukt.</p>
+
+<p>Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig
+terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de
+autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder
+gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en
+toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een
+burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard
+heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde,
+bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader was
+jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden
+liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde, en
+de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam bij
+haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig en
+blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en
+zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk
+zeventiende-eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en
+levenslustig, daarbij bijzonder bekoorlijk, viel ’t haar niet licht zich
+in de tucht van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den
+kerkeraad gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore,
+dat het jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad
+had bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander
+maal, dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een
+noch het ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden
+gebracht. Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en
+onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten
+slotte gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het
+altijd.</p>
+
+<p>Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun
+prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun
+herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij
+weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste
+kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van
+den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk
+erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem,
+gelijk zoovelen, de zwerflust.</p>
+
+<p>Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had
+hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de “droevige vrucht,”
+gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter
+wereld.</p>
+
+<p>Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit
+vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. “Geen koningszoon,”
+heeft hij zelf getuigd, “kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij
+gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving
+en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend.”</p>
+
+<p>Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar
+zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang
+heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete
+geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid
+mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude
+wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het
+gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend.
+Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet
+deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te
+zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar
+toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond
+er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze
+omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip
+hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in
+dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen,
+die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de
+atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die
+doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door ’t wezen dat ze
+voelde: het geheugen van ’t gemoed.</p>
+
+<p>Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij
+de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in ’t knaapje de
+oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel.
+Hij beheerschte zich weinig; als hij ’t kind aan zijn hart sloot en met
+hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote
+teerheid ’t verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei:
+“we zullen over moeder praten,” antwoordde het knaapje, “dan gaan we
+schreien, vader.”</p>
+
+<p>Zoo’n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van
+overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac.
+Zoodra Jean Jacques lezen kon&mdash;hoe hij ’t leerde wist hij zich niet te
+herinneren&mdash;toog zijn vader met hem aan ’t lezen van de romans die
+Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd
+gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld,
+vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw
+kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van
+romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: “ik ben nog grooter kind dan
+jij.” Jean Jacques was toen zeven jaar oud.</p>
+
+<p>Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind
+zich veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een
+eng-omsloten levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en
+wijde uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen
+vriendjes en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong
+naar Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde
+te veel met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen
+anderen dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe
+meid.</p>
+
+<p>Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een
+ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem
+het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen ’t
+haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid
+zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de
+vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen
+ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch
+gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De
+gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;&mdash;natuurlijk,
+want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der
+middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn
+wezen en werd een deel daarvan, voor goed.</p>
+
+<p>Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon
+vonden in de boeken van Suzanna’s voogd, den predikant, afkomstig, nieuw
+voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet,
+Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid
+open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van
+rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was
+een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te
+redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond
+van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn
+oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden
+langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid,
+groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de
+oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig
+blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij
+wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem.
+Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van
+zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde,
+die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor
+de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen,
+gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren,
+en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat
+tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden
+versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en
+de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers
+van Sparta en Rome en met hun roem.</p>
+
+<p>En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en
+kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn,
+toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de
+gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden.
+En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen
+opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten
+zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne
+tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij
+burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud
+en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een
+grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde
+en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden
+zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte:
+hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen
+schooner toe.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht&mdash;een
+hartstochtelijk jager was hij&mdash;twist met een zekeren kapitein Gautier,
+die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac,
+prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden
+ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn
+zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete,
+drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac
+achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich
+voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het
+stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn
+kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor
+hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean
+Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch
+gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den
+achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad
+uitvoeren en werd, voor ’t eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde
+ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten,
+in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in
+zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart
+tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.</p>
+
+<p>Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en
+kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde
+als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het
+zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje
+Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk,
+kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.</p>
+
+<p>Aan ’t eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok
+waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje
+hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van
+onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet
+misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid
+van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen ’t
+kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld
+als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen
+in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten
+herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als
+een ongebruikte veer.</p>
+
+<p>Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn
+door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen.
+Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet
+voorbij.</p>
+
+<p>Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de
+grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer
+als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende
+liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad
+hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen.
+Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de
+onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf
+wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de
+eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn
+verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks
+pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete
+verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.</p>
+
+<p>De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote
+proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en
+brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet
+ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In ’t verdragen was
+hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in
+herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang
+nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog,
+als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der
+herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg,
+het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.</p>
+
+<p>Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige
+depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de
+bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte
+uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit
+óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van
+af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van
+triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten
+balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen
+zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij
+zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene
+oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke
+ongelijkheid.</p>
+
+<p>De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte
+gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar
+Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden:
+horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de
+nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten.
+Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen
+liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond
+hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem
+een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn,
+dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn
+met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en
+traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare,
+warme verwarring van het onderbewuste.</p>
+
+<p>Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man
+nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het
+ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was
+dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.</p>
+
+<p>Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar,
+zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en
+moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij
+zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden
+en omgeving van hem maakten, dat was hij.</p>
+
+<p>Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in
+hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed.
+Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind,
+gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de
+ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van
+overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren
+onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun
+liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten,
+hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als
+een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in
+verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later
+dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten
+tijd was vervallen.</p>
+
+<p>Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in
+de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage,
+waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.</p>
+
+<p>Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer.
+Alles om hem werd kil en grauw.</p>
+
+<p>Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor
+goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean
+Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan
+en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en
+voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.</p>
+
+<p>In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk
+gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En
+omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van
+anderen.</p>
+
+<p>Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met
+razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van
+zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken
+te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien
+waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster
+hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de
+liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte
+hij uit schaamte.</p>
+
+<p>Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om
+het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar in
+’t bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den
+handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij,
+voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der
+zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste
+innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer,
+leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld
+kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.</p>
+
+<p>Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman
+geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper
+eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam
+om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te
+leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn
+vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem
+vertrouwden levensstaat.</p>
+
+<p>Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang
+duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht
+op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde
+de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat
+afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten
+gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft
+en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet
+terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de
+brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich
+in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te
+keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen
+Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar
+zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.</p>
+
+<p>Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de
+wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen
+ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze
+eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in
+den strijd om het bestaan.</p>
+
+<p>Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.</p>
+
+<h3><a name="III.De"></a>III. DE ZWERVER</h3>
+
+<p>Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan.
+Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de
+kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen,
+die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand
+slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de
+minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen
+zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich
+kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete
+bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging,
+rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde
+zich baden in vrijheid.</p>
+
+<p>Die droomen waren&mdash;droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn.
+Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den
+oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te
+zamen de lijnen vormend die wij noemen “maatschappelijke
+verschijnselen.” Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel,
+een werking van dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem
+na zijn vlucht ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen,
+die hem kende en de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen
+buiten ’t grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in ’t
+land der hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens
+gepoogd de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele
+malen, telkens weer. Maar ’t was hun nooit gelukt haar te vermeesteren
+en de veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd
+verder met andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte
+spinnen hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij
+lagen op de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er
+werden vele bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen
+van bestaan zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij ’t
+wist.</p>
+
+<p>De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling
+na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het
+bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap
+met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het
+hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te
+winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame,
+die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde.
+Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters:
+haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten
+uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de
+hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het
+katholicisme.</p>
+
+<p>Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij
+achterhaalde haar op ’t pad dat de beek langs, van haar huis naar de
+kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude
+kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen,
+lieftallig schoon en jong.</p>
+
+<p>Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert
+zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar
+bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was.
+Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en
+weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur
+bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar
+teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk
+als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet
+alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van
+lieftalligheid.</p>
+
+<p>Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd
+geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart.
+Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als
+twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.</p>
+
+<p>Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar
+later&mdash;het waren de laatste woorden die hij schreef&mdash;dat het zijn leven
+beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen
+voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in
+pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare
+gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen
+zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond h&agrave;re zachtheid ... dat was
+het geluk.</p>
+
+<p>Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en
+later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning
+die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al
+heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in
+haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem
+terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de
+geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk
+werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem
+te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde
+zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde
+hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem
+gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.</p>
+
+<p>Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming.
+Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn
+hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en
+toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en
+kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij
+in minne zijn moeder.</p>
+
+<p>Zij was wel een wonderlijke achttiend’eeuwsche heilige. Kuischheid
+beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar
+geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en
+zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke
+jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht,
+maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden
+voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid,
+haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat
+een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens
+over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke
+plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de
+Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in
+groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over
+het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp.
+Spoedig volgde haar bekeering.</p>
+
+<p>Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau
+bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden
+haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles
+proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en
+daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van
+aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van
+Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te
+exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat
+al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien
+zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen,
+wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het
+einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al
+nijpender schulden en al dreigender gebrek.</p>
+
+<p>En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust,
+de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig
+die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien,
+zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden
+der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij
+stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar
+ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen.
+Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij
+verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.</p>
+
+<p>Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn
+leertijd, had haar ’t eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring
+en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot
+fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid,
+in verheerlijking&mdash;dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel de
+oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar
+vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en
+vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven
+effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van
+onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van
+harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij
+haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke
+tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door h&aacute;&aacute;r gelukkigen
+jongelingstijd.</p>
+
+<p>Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn,
+om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van
+zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn
+kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid?
+Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de
+burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk
+leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke
+gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete
+begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen
+zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan
+de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone
+vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar
+verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit,
+aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe
+schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend,
+genietend, juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.</p>
+
+<p>Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij
+wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren
+zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij
+is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het
+bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust
+van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt
+tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in ’t nauw te brengen
+met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het
+geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man
+van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na
+vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone
+droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de
+paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden.
+Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem
+gehouden kollekte, en zetten hem op straat.</p>
+
+<p>Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de
+weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij
+de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren,
+zoo goed en kwaad als ’t gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie
+hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de
+schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer ’t tot
+een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles
+af.</p>
+
+<p>Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt
+zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet,
+maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië
+was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der
+italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem,
+muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang
+ontwaakt.</p>
+
+<p>Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij
+wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft
+zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat
+nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den
+jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt,
+geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een
+keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en
+die hij in ’t minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem
+het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de
+“Confessions”, schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn
+aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.</p>
+
+<p>Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op
+een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat
+zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te
+verwachten valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf,
+een geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als
+sekretaris, zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met
+wien hij bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten
+levensernst, zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem,
+geeft hem goeden raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor
+de ijdelheden der wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen
+dubbele vrucht: zijn gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn
+verheerlijkende verbeelding herschept de herinnering van den
+zacht-peinzende jongen priester tot de groote gestalte van den “Vicaire
+Savoyard,” figuur die een zeer belangrijke faze verpersoonlijkt in de
+ontwikkeling van het godsdienstig denken.</p>
+
+<p>Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon’s behoeft in
+hun diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen
+jongeling gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer
+los.</p>
+
+<p>Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen
+avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan
+toe te geven hem in ’t bloed zit. Hij wil, hij moet met B&acirc;cle mee, hij
+moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch
+maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn
+nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door ’t
+vertoonen van een “wonderfonteintje,” dat wijn uitspuit nadat ’t
+schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.</p>
+
+<p>Een paar weken geniet hij ’t vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt
+hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen,
+neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de
+Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet
+de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij
+ontvangt den “arme kleine” met een glimlach en een meedoogend woord; een
+bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde,
+maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd
+weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.</p>
+
+<p>Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later
+getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij
+gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting
+verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond
+was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem
+veerde, altijd meegaf, een donzige wolk.</p>
+
+<p>Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de
+liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen,
+alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen
+gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke
+verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem
+levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens,
+verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de
+vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven
+schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij
+toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.</p>
+
+<p>In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan
+wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als
+passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte
+overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens
+was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders
+heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de
+hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft
+hij getuigd in de “Bekentenissen”, kent niet de zachtste zachtheid des
+levens. “Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar
+duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met
+liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is
+teederder; ik kan mij niet denken, dat ’t zou bestaan voor een wezen van
+hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en
+toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld.”</p>
+
+<p>Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat ’t hart niet
+doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een
+vrucht in zomertijd, was ’t sterkste element, ’t wezenlijke in de liefde
+van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.</p>
+
+<p>Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de
+tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende
+kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap,
+polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon
+goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan
+weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en
+literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche
+prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje
+van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en
+ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er
+te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar
+hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar
+het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen,
+de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en
+te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn
+weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van
+Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een
+donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit
+Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje
+een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed
+geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God
+verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel
+behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een
+verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die
+gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend
+geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de
+donkere gewelven van zijn gemoed.</p>
+
+<p>En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die
+hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de
+schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname
+stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn
+middeleeuwsche torens en stille, in ’t meer mondende kanalen een
+provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de
+bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn
+kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de
+hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den
+bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de
+gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan
+Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder
+de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste
+rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op
+den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap
+was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië,
+een bad van vrede en harmonie.</p>
+
+<p>Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet
+langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen
+geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van
+altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls
+gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van
+liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.</p>
+
+<p>Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op
+te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de
+verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en
+de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer
+zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de
+ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in
+’t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de
+zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet
+leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf
+verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd
+weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem
+aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang
+opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek
+verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en
+studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet
+afgesneden van de liefste, zooals in ’t seminarie: de zangschool voor de
+koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar
+verkeeren. Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de
+prikkelbare musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te
+verlaten. Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden,
+was zij hem behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den
+huisvriend zou vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus
+in Lyon op straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen,
+krijgt opnieuw een van die plotselinge opwellingen, waartegen de
+jongeling niet geleerd heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg,
+zonder zich verder om den zieken meester te bekommeren. Als een duif
+naar zijn nest, vliegt hij naar Annecy terug, maar Mme de Warens is
+verdwenen; de eene of andere politieke intrigue waarnaar Rousseau haar
+nooit gevraagd heeft, riep haar naar Parijs. Hij verwijlt nog een poosje
+in Annecy, zonder bezigheid en zonder middelen. In dien tijd van
+doelloos onrustig leven valt hem in den schoot een dier schaarsche dagen
+van volkomen gouden geluk, wier herinnering nooit in den mensch verloren
+gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, lieflijke meisjesgestalten,
+de eene teeder en peinzend, de ander meer lachend-schalks, beide
+aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in den vroegsten morgen,
+eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen over de beek, zij
+lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. Achter de eene stijgt
+hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij beeft van verrukking.
+En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van zon en geur en vogels;
+en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk landelijk maal in
+de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het kersen-eten,
+die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag van morgen
+tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van glans.
+En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de herinnering
+in zijn gemoed, warm en zilv’rig; zij leeft voort en rankt en rankt in
+’t onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen in ’t
+licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het
+vriendinnen-paar Claire en Julie.</p>
+
+<p>Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit
+door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de
+kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar
+Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich uit
+voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een
+muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig
+bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met
+een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den
+muziek nog bijna geheel onkundige, een “kompositie” van zijn hand voor
+orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen,
+schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt,
+dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij.
+Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor
+een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor
+het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant in
+Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen
+officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt
+de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel
+oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij,
+zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een
+dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt de
+natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de
+lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest
+te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye
+is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar
+en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is
+ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven
+gaat beginnen.</p>
+
+<p>Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu
+twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en
+iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den
+toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde
+levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de
+scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; soms
+zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn
+vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren
+vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de
+volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij,
+geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar
+de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel
+gebleven.</p>
+
+<p>Een vrije vogel&mdash;zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der
+blijheid; in de schaduwtaal heet het “hij was een déclassé geworden.”
+Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij
+stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn
+afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het
+bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de
+dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en
+eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar
+gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens
+van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter
+tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen,
+waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef
+zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen
+te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer
+kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met
+de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien
+omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk
+wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben.
+Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote
+prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke
+gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen
+er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor
+wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de
+mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig
+leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en
+lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had
+verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens
+duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit
+de groote wereld als “knecht” behandeld te worden; die angst, niet
+burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem
+plotseling vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren,
+takteloos-grof.</p>
+
+<p>Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker,
+die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De
+misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als
+den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven
+dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij
+de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren
+had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers,
+voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem
+meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de
+volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden,
+onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als in
+Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig,
+menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der
+groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog
+meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het
+volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door
+ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte,
+aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar,
+zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat
+knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was
+hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar ’t
+allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder
+van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des
+konings, die ’t weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet.
+Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn
+arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet
+ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den
+nadenkenden gast ontkiemde “de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers
+van het volk.”</p>
+
+<p>Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer
+van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke
+verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die
+ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn
+bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der
+massa’s waren saamgegroeid tot één gevoel.</p>
+
+<p>Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke
+ervaring en persoonlijke waardeering.</p>
+
+<p>Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem
+ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed
+fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige
+wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn
+handelen.</p>
+
+<h3><a name="IV.Gr"></a>IV. GROEI</h3>
+
+<p>Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij
+een werkkring voor hem gevonden had op ’t kadaster. De vrije zwerver
+werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij ’t werk-zelf en de
+bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij ’t een poos uit,
+waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe
+natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis.
+Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn
+levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één
+kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der
+dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets
+of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn
+eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij
+te blokken op het “Traité de l’Harmonie” van Rameau, een dik boek en
+duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een
+zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der
+harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een
+schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle
+kombinaties en finesses van ’t nobele spel te bestudeeren en speelde in
+zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten
+kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten
+was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit
+ontmoedigde hem niet.</p>
+
+<p>Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke
+administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in
+krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met
+verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar
+neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie:
+magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan
+sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had
+omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam
+Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich
+interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan ’t
+opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven
+van Voltaire&mdash;wiens zon toen hoog aan den hemel klom&mdash;aan den koning van
+Pruissen, Frederik de IIde, en de “Philosofische brieven over Engeland,”
+van den gevierden schrijver; ’t eerste werk, dat de aandacht van ’t
+denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën
+van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een
+nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles
+wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die
+liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het
+uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond
+hem dat heftig op. Voor ’t eerst ontwaakte zijn belangstelling in het
+openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht
+naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe ’t zijn vrienden verging.</p>
+
+<p>Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een
+koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de
+aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig
+voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige
+oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde
+voelde ’t gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet
+verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij
+haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij
+niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was
+vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en
+Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding
+zacht en vloeiend te maken, die ons in ’t algemeen even onvereenigbaar
+met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In
+volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën
+vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde
+de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn.
+Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.</p>
+
+<p>Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam
+toch, want Anet stierf en de droomerige “kleine” stond voor de taak, die
+de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en
+de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde
+hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme
+Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint,
+sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de
+ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken
+wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in
+’t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg
+voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens
+een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den
+kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte
+natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist ’t, maar wat zal
+men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.</p>
+
+<p>Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke
+muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol
+intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders
+te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn
+oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en
+overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in
+verzen uit het jaar ’41, “l’Epitre &agrave; Parisot.”</p>
+
+<p>Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, ’t
+scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar
+groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn
+krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder
+aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het
+aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de
+hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in
+een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.</p>
+
+<p>Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem
+goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille.
+Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar
+hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur
+buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol
+meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra ’t voorjaar kwam,
+heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar
+dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij ’t
+eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis,
+idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog
+over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten
+aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en
+het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij
+rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een
+dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende
+bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met
+geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en
+der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één
+werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als
+een deel van ons voort in ’t universeele leven. Want hij was, met eenige
+engelsche dichters, de eerste die uitspraak ’t moderne natuurgevoel.</p>
+
+<p>Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle
+tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.</p>
+
+<p>Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom,
+worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid,
+de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les
+Charmettes was hij voor ’t eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor
+zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur
+geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich
+voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de
+frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de
+honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der
+duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door
+den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven,
+kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een
+pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel
+gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig
+willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar
+buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij
+lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond
+weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar
+waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen
+steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen,
+ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten,
+daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den
+boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de
+duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de
+ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de
+sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en
+nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over
+alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde
+niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem
+de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder
+en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij,
+starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der
+jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen.
+En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere
+jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les
+Charmettes opsteeg, samen tot één droom.</p>
+
+<p>In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar
+strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde
+had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den
+groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten
+van zijn wezen waren er veel gerijpt.</p>
+
+<p>Toen Rousseau in den zomer van ’37 van een kort verblijf in Genève waar
+hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen,
+terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke,
+rumoerige jongeman, een “kappersjongen,” zooals hij Wintzenried
+verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk
+geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de
+ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en
+voor alles&mdash;in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel
+had hem half verdrongen in ’t hart der geliefde; hij de oudere, moest
+deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de
+tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den
+medeminnaar “broeder,” verzoende zich met hem na ’t eerste heftig krakeel;
+de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet
+deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn
+jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn
+opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een
+verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te
+leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet
+elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In ’t najaar
+van ’37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een
+hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte
+aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een
+Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde
+hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in
+zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet,
+en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen
+’t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier
+gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust
+en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor ’t eerst in zijn leven
+voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.</p>
+
+<p>Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende
+twee jaar, van 1738 tot ’40, bracht hij daar bijna geheel door, ’s
+winters alleen, ’s zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op
+de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; ’s avonds versponnen de
+boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd
+geweven voor het lijf-goed van ’t gezin. De wijn-oogst in ’t najaar was
+een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den
+haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude
+liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij
+hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat
+ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man
+en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der
+menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel
+aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij
+bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven,
+probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te
+bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist,
+had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot
+hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van
+werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descarte,
+Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke
+werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis,
+fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde;
+reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij
+een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen
+te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een
+toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de
+wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering
+uitgezonden naar Centraal Amerika en naar ’t hooge noorden, om
+aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het
+studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal
+boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu
+niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel
+beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast
+door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme
+de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen
+helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar
+de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v.
+sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende
+hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur
+in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was
+het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat
+vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis “niet slechts den
+geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid.”
+Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de
+zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn
+gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig
+te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft
+gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot
+godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad
+dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden wat
+zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht
+vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de
+Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield
+daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in ’t eeuwige
+leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche
+leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had
+eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die
+godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering
+des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale
+verwaarloozing van dogma’s en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig
+respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in
+één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig
+leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een
+persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het
+best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er
+verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen in
+de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te
+vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in het
+land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk
+gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.</p>
+
+<p>De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok
+niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe
+na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit
+ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te
+gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee
+kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn
+denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner
+leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies,
+met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde.
+Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen
+te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld
+genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook
+moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte
+aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd.
+Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels;
+hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele
+maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie
+der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw
+notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem
+voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking
+der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, het
+onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de
+“teederste aller moeders”&mdash;want dat blijft zij voor hem&mdash;al haar zorgen
+en offers kunnen vergoeden.</p>
+
+<p>Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen
+sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische
+ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend
+komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over
+opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder
+persoonlijk accent: dat is alles.</p>
+
+<p>Maar alle kiemen&mdash;op één na&mdash;van den man dien hij worden en van de
+werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn
+leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In
+zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie,
+de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner
+jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de
+verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk
+individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren
+van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem
+overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn
+met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te
+leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in
+Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar
+in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het
+vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van ’t eigen gemoed, de
+eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en
+doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner
+jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en
+onsterfelijkheidsgeloof.</p>
+
+<p>Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en
+stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was
+getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets
+vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend
+van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.</p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap02"></a>TWEEDE HOOFDSTUK<br/>
+PARIJS</h2>
+
+<h3><a name="I.Mi"></a>I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK<br/>
+<span style="margin-left: 1.5em;">OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.</span><br/></h3>
+
+<p>In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de
+absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en de
+bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling
+tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het
+ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en
+zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het
+tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door
+geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in
+hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen.
+De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de
+omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.</p>
+
+<p>Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk
+de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft
+tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den
+absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de
+intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.</p>
+
+<p>Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door ’t vernietigen
+van de feudale maatschappij-vormen en ’t knotten van de politieke macht
+van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die
+aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze
+zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een
+rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten
+tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van
+monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het
+absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele
+bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.</p>
+
+<p>Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der
+nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het
+Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier
+Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de
+methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de
+been te helpen. Zijn scheppingen&mdash;het papiergeld, de koninklijke bank,
+een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal&mdash;liepen uit op
+den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die
+de 18de eeuw, die eeuw waarin ’t jonge kapitalisme, schuimend van
+overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn
+eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende
+methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat,
+beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door
+’t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa
+voortooverde, opgewekt&mdash;avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs
+dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de
+poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen&mdash;was de moreele
+uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een
+millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk
+bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben
+dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot
+gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon
+sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te
+halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden
+morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden
+zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste
+maal werden de massa’s betrokken in een algemeene politiek-sociale
+beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten,
+hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.</p>
+
+<p>Law’s koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het
+reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te
+bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en
+lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in
+hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen
+ze,&mdash;maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw
+besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken
+welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke
+gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden
+gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken
+staat, zacht en onschuldig lijkend als ’t paradijs vergeleken bij de
+zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige
+betoovering aan van de tropische streken; “de eilanden” gelijk ze in den
+volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk
+waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen,
+waar elkeen van een droomt.<a href="#fn1">[1]</a></p>
+
+<p>Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot
+velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789
+doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën,
+althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met
+den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal
+verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt
+opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder
+reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld
+kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en
+geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de
+staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van
+alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven.
+Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de
+bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot
+stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.</p>
+
+<p>Schijnbaar blijft, na Law’s val, van zijn hervormingen en
+hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en
+uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang.
+Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der
+klasse-verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude
+vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der
+eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: “Alle symptomen, de nadering
+van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis
+ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in
+Frankrijk.”</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit,
+dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties
+meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie
+het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze.
+Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der
+rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om
+een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De
+uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht,
+omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz.
+reusachtig, en ofschoon de uitgemergelde massa’s &agrave;l zwaarder belast
+worden, het deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft
+groeien tot alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen
+hulpeloosheid, haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de
+monarchie ten slotte noodzaakt tot den stap die haar eigen val
+tengevolge moet hebben: de bijeenroeping der Algemeene Staten.
+Revolutionaire bezems alleen kunnen den augiusstal der administratie,
+dat broeinest van geknoei, verkwisting en korruptie, schoonvegen. Onder
+Lodewijk de XVde slokt deze een groot deel van de staatsinkomsten in,
+zij biedt aan de bevoorrechte klassen een haast-onbegrensd gebied tot
+het botvieren hunner parasitaire lusten.</p>
+
+<p>De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30
+millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van
+pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de
+provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per
+jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)<a href="#fn2">[2]</a> Een vijfde
+van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn
+politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster
+aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn
+maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij
+grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het
+platteland, waar hij weleer ’t eenvoudige, stalende leven der feudale
+tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden,
+verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende
+burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te
+zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen
+staat.</p>
+
+<p>Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote
+maatschappelijke parasiet, de “eerste stand in het koninkrijk:” de
+geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat
+de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft
+gemaakt;<a href="#fn3">[3]</a> in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de
+zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is.
+Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf
+nog grooter dan zelfs in de hofkringen.<a href="#fn4">[4]</a> Haar ekonomische macht is
+verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige
+schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den
+bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van
+de voornaamste belasting, de “taille,” (grondbelasting), haar bezit
+immers dient “Gods glorie en der armen welzijn.” Haar dubbele
+bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat
+zoo goed als geheel aan ’t meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van
+haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes
+toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in
+dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te
+werpen.</p>
+
+<p>Wanneer in 1750 door ’t land een zoodanige beroering gaat, dat een
+revolutie op ’t punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende
+verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt,
+stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan ’t
+hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en
+rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van
+den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der
+regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal
+geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat
+deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld
+zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een
+wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot
+besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het
+verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. over
+de zoogenaamde “Charité” (de administratie van het armwezen, de
+hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.</p>
+
+<p>Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het
+burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de
+kerk keerde, dat het woord “écrasez l’infame,” tot het parool van zijne
+propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het
+oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur.
+Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar
+ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde
+in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar
+bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst
+gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte
+het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere
+verdrukkers en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen,
+dan konden zij zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke
+dienstbaarheid was voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de
+politieke overwinning.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land
+en de “petites maisons,” die gecapitonneerde nesten van ontucht in de
+buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de
+adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit de
+oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en
+pruikenmakers, hun ma&icirc;tressen en koks bij duizenden medevoeren; uit alle
+verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie
+omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het
+romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle
+levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen,
+hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele
+gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst:
+schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het
+geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de
+“mouches” bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard
+bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt
+uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de
+XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige
+behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een
+labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt.
+Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de
+weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij
+die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich
+nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale,
+koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met
+melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van
+wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen
+omdartelen. De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel
+meest-volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend:
+ziedaar het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het
+wezen van hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog
+slechts één inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt
+zich in wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder
+verteedering, zonder verheffing.</p>
+
+<p>Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze
+liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die
+niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van
+Lodewijk de XVde schrijft d’Argenson: “het hof lijkt een bordeel; de
+appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men
+ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij,
+en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen.” De echtelijke
+trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen
+den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man
+gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud,
+waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het
+menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft
+leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. “De liefde, de
+behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het
+eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag” (d’Argenson).</p>
+
+<p>Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met
+hunne ma&icirc;tressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde
+bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen,
+bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk
+van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de
+schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde
+intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde
+zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der
+schrikkelijke verveling, de “ennui,” de doodelijke levensleegte die de
+ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in
+ontaarding.</p>
+
+<p>Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.</p>
+
+<p>“Er zijn geen mannen meer,” roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van
+Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren&mdash;d’Argenson
+noemt hen “ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,”&mdash;sleept
+Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit
+het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het
+koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers;
+alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan
+de zijde der oppositie.</p>
+
+<p>Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht
+en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden,
+te vermaken en te verstrooien,&mdash;om hen her- en derwaarts te voeren van
+de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de
+hen steeds najagende verveling,&mdash;om hen te bedienen, hun wenschen te
+voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen&mdash;om de
+dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de
+stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de
+zoetelijke geuren eener veile kunst&mdash;daarvoor weeft en borduurt, holt en
+rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel
+leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en
+meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de
+mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld
+aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het
+grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht
+en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest
+getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van
+de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.</p>
+
+<p>Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en
+onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte
+van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine
+burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende
+handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd.
+De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog
+meer.<a href="#fn5">[5]</a> Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun
+scharen van honger; in 1753, meldt d’Argenson, stierven in één maand
+tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.<a href="#fn6">[6]</a></p>
+
+<p>En toch is het lot der volksmassa’s in de steden nog dragelijk,
+vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, de
+koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt het er;
+in jaren van misgewas zorgt de regeering ’t eerst voor de
+approvisioneering van Parijs; op ’t punt der belastingen is de kleine
+burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.</p>
+
+<p>De boeren&mdash;op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle
+lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden
+vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige
+uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De
+heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug
+betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan
+laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot
+instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer,
+die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze
+overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt
+zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het
+finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het
+uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden
+zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die
+wolven, bevindt zich de koning.</p>
+
+<p>Sinds de dagen van den “Zonnekoning” overmatig belast, moet de boer in
+elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan
+een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven
+langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt,
+in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde
+verminderd. “De boeren vreten gras,” teekent d’Argenson telkens op;
+“sedert een jaar vreten zij gras,” “de menschen sterven als vliegen, de
+ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles.” Vreeselijk
+drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote
+wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of
+breken uit, omstreeks ’t midden der eeuw, in de Pyreneën, in de
+Provence, in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van
+Rouaan enz. enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op
+en tracht de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze
+van de provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen.
+Een poosje blijft het dan weer stil.</p>
+
+<p>De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de
+epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de
+opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt&mdash;het is
+alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in
+de sfeer van de “mouches” en de gepoederde pruiken, van de goudstralende
+toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke
+illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende,
+sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die
+deze lustverblijven bewonen&mdash;het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van
+die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in
+genietingen, stikkend in geilheid.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Naast en dwars door ’t verval der absolutistisch-feudale klassen heen,
+gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische
+vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei
+van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.</p>
+
+<p>Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt de
+groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de
+bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der
+koninklijke bank (Caisse d’Escompte) enz. Deze groep moet sommige
+misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute
+monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig
+bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de
+openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de
+andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de
+ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de
+monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar zit
+tevens vast aan het oude.</p>
+
+<p>In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de
+pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen
+van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke
+geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun
+zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door ma&icirc;tressen en
+paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd,
+maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate:
+het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid
+van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en
+terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken
+van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van
+bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte
+haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van
+de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige
+is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe
+koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.<a href="#fn7">[7]</a></p>
+
+<p>De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn
+vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het
+verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën. Haar
+salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de koene
+ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: weldra
+omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als hùn
+levensleer.</p>
+
+<p>De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze
+vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten
+achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van
+het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De
+overgang van handwerk tot manufaktuur<a href="#fn8">[8]</a> wordt o.a. verlangzaamd door de
+buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen
+der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor
+een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te
+voltrekken.<a href="#fn9">[9]</a> Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde
+voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de
+bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat
+zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine,
+de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in
+Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur,
+Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet
+langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon
+neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering van
+den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan de
+verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der
+belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving en
+afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de
+Encyclopedie&mdash;Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle
+mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te
+stellen,&mdash;getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist,
+wiens “prophetisch instinkt” hem leidt tot de verheerlijking van het
+machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de
+industrie.<a href="#fn10">[10]</a></p>
+
+<p>Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der
+handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel
+verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20
+tot 616 millioen in de jaren 1749-55.<a href="#fn11">[11]</a> Is de finantiëele bourgeoisie
+in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een
+aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon,
+de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden
+worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van
+revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den
+zevenjarigen oorlog&mdash;veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de
+onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de
+desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie
+van het oude regiem&mdash;, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie.
+Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de
+Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de
+oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd&mdash;vooral
+toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de
+oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in
+1763&mdash;het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde
+half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie&mdash;had tot aanleiding het
+bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine
+Antillen had geakkapareerd.<a href="#fn12">[12]</a></p>
+
+<p>Maar niet deze “oude bourgeoisie” der magistratuur was de voornaamste
+draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de
+natuurwetenschappelijke, staats-rechtelijke en philosophische
+geschriften der Encyclopedisten een diepzinnige, meesleepende en
+schitterende uitdrukking zou vinden. Al liggen de parlementen van Parijs
+en van de provincie bijna de geheele regeering van Lodewijk XV door in
+strijd met de monarchie, meestentijds over belastingkwesties, al dragen
+zij hun redelijk deel bij tot het ondergraven der koninklijke macht, men
+moet zich hoeden hun strijd van den beginne af aan als een deel der
+algemeene worsteling van de opkomende tegen de ondergaande klassen te
+beschouwen. Integendeel: aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de
+oppositie van een reaktionair gezinde groep tegen de centraliseerende
+werkingen van het absolutisme, dus van het element van vooruitgang
+daarin, en beteekent de pogingen dezer groep, haar vroegere macht en
+invloed terug te winnen. Eerst wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het
+verval, de ontbinding van de regeering en van alle officiëele
+instellingen en denkbeelden hun hoogtegraad bereikt zullen hebben,
+wanneer de revolutionaire gezindheid al wat maar even levenskrachtig is
+heeft aangegrepen, krijgt het verzet der parlementen tegen de monarchie
+een beslist revolutionair karakter. Van hen gaat de eisch tot het
+bijeenroepen der generale staten uit.<a href="#fn13">[13]</a></p>
+
+<p>De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren,
+omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke
+groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele
+bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.</p>
+
+<p>De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun
+maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de
+intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de
+officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid
+van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen
+tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak
+van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig
+had uitgelaten, door een “lettre de cachet,” zonder vorm van proces, in
+de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de
+geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als
+Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire
+waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden
+den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn.
+Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den
+strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de
+machtsverheffing der bourgeoisie voor.</p>
+
+<p>Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de
+oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische
+ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de
+misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na
+het Regentschap door d’Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een
+voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den
+eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in
+het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot
+’31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de “Club de
+l’Entresol,” de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het
+land waarvoor de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter
+werd. Hoewel de werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter
+droeg, verontrustte zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte
+aan de bijeenkomsten een einde maakte. Nog vóór de stichting der “Club
+de l’Entresol,” in 1721, waren Montesquieu’s “Lettres Persanes”
+verschenen, een klein boekje waarin, onder een mom van luchtigheid en
+scherts, een onmeedoogendloos-felle kritiek op absolutisme en
+katholicisme werd uitgeoefend.</p>
+
+<p>Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en
+philosophische oppositie echter eerst in de jaren ’40. De agitatorische
+concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het “algemeen
+handboek van de verlichting,”<a href="#fn14">[14]</a> bereidt zich voor. Van nu af aan
+zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van
+het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire
+bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche
+wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs “tot
+één philosophisch individu vereenigd”<a href="#fn15">[15]</a> de nieuwe wereldbeschouwing
+opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust.
+Niet om de “zuivere wetenschap” is het hen te doen,&mdash;evenmin als ooit
+en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse&mdash;maar, hetzij zij
+de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot
+uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en
+geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; om
+de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; om
+de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de
+instelling van een konstitutioneele regeering;&mdash;met één woord, om de
+praktijk, dat is <i>om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen</i>,
+in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. “Het doel van
+den mensch is de daad,” schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar
+aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn
+moraaltheorie de leer opstelde “het doel van den mensch is het genot.”
+Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der
+bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie
+der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is
+aangestoken;&mdash;vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid
+dorstende klasse.</p>
+
+<p>Voltaire&mdash;hij ’t eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het
+revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land
+waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis
+met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche <i>praktijk</i> ontleenen
+de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de
+beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als
+eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche <i>wetenschap</i>
+ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische
+denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de
+wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en
+volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten
+streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten uit
+de deïsten het begrip van een “redelijken godsdienst” die geen
+openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire
+volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der
+mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen
+deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo
+worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats
+van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.<a href="#fn16">[16]</a></p>
+
+<p>Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en
+haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken
+&mdash;immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de
+engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de
+positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke
+ontwikkeling&mdash;ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen
+hartstochtelijken strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch.
+Naarmate de klassetegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn
+der bourgeoisie groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar
+leer steeds radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der
+ervaring zich met de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan,
+omdat de kerk zich aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat
+voor de fransche philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar
+praktijk, in het middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is
+de geweldige burcht der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische,
+sociale en ideologische macht, in werkelijkheid de sleutel tot de
+verdedigingslinies van het ondergaand regiem.</p>
+
+<p>De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en
+evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname
+stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is
+Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van
+dien tijd&mdash;de finantiëele&mdash;belichaamt hij als geen ander, als geen
+ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge
+grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit
+geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de
+konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige
+wereldbeschouwing,&mdash;Voltaire geldt bij vriend en vijand als de
+onbetwiste aanvoerder van den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof.
+Den strijd tegen de machten van het oude regiem voert hij onstuimig en
+toch behoedzaam, hij valt aan, dringt vooruit, retireert behendig
+wanneer hij in ’t nauw wordt gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift
+uit onder zijn eigen naam, altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen
+te verloochenen) zoo komt hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel
+overmoedig als gesmijdig, ontziet stelselmatig het koningschap, om de
+volle kracht van zijn aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd
+houdt hij zich, met onfeilbare intuïtie, in het “juiste midden” der
+gedachte-bataljons, die tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken;
+hij waarschuwt en kant zich tegen alle materialistische en atheïstische
+denk-excessen zijner dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort
+ze zoolang mogelijk <i>en famille</i>; verloochent ze zoo ’t moet, om niet
+gekompromitteerd te worden, in ’t openbaar. Hij is ’t zuivere type van
+den “integralen leider.” Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes,
+de centrale figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het
+strijdend volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der
+tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt
+hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande
+tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in
+een zekere luchthartige en aristokratische, althans
+anti-demokratische<a href="#fn17">[17]</a> levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en
+genotzucht in zekere mate is besmet. Hij is idealist, hij meent het
+ernstig met den strijd tegen dwang, vóór de bevrijding der
+persoonlijkheid, hij wil het geluk der menschheid, hij gloeit van
+medegevoel voor de slachtoffers van de willekeur der monarchie en het
+fanatisme der priesters, hij strijd met animo, met moed, met
+overtuiging;&mdash;maar hij strijdt immer met een ironischen glimlach om de
+lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het oude stelsel misschien nog
+meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit ontroerd met de diepe
+bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in beweging brengt. Hij is
+klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij gelijkt niet in het minst op
+een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie niet voortbrengen) hij
+verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang te dienen naast het
+algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, blijkt hij
+gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als van de
+finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; “grand brasseur d’affaires
+et grand remueur d’idées,”<a href="#fn18">[18]</a> gelijk Jaurès’ gelukkige omschrijving
+luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de dapperheid, het
+enthousiasme die het deel zijn van <i>opkomende</i> klassen, als het egoïsme
+en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage <i>uitbuitende</i>
+klassen hebben gekenmerkt.</p>
+
+<p>Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de
+wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten
+van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol
+stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de
+menschenwereld te zullen veranderen,&mdash;maar de meest konsekwente
+theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een
+machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen
+zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur,
+de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,&mdash;maar
+Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle
+aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het
+egoïsme de norm van alle handelen.<a href="#fn19">[19]</a> Ten deele zijn deze theoriën
+natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire
+philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der
+papen, die “water prediken en wijn drinken,” zelfverloochening en
+naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en
+genotzucht. “Liever turksch dan paapsch” zeiden de geuzen; “liever
+liederlijk dan vroom” zeggen de materialistische philosophen. Maar ten
+deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in
+hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis
+van burgerlijke denkers, <i>dat het maatschappelijk wezen der
+groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische
+uitbuiting is</i>,&mdash;dat zij de massa’s tot hare doeleinden te gebruiken als
+even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt
+onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim
+van ’t proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle
+huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen,
+evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de
+eenige waardevormende kracht is.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het
+derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den
+klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de
+parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de
+oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend&mdash;die van 1750,
+naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische
+doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789<a href="#fn20">[20]</a>&mdash;kunnen
+zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene
+revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute
+monarchie, begint eerst n&agrave; 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste
+plaats de philosophen, maar de z.g.n. “patriotten,” de voorvechters niet
+der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas&mdash;kleinburgers, arbeiders
+en boeren.<a href="#fn21">[21]</a> Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.</p>
+
+<p>Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer
+massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en
+klasse-aspiraties,&mdash;in sommige opzichten samengaande met die der groote
+bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in
+andere er lijnrecht tegenoverstaande&mdash;hadden nog geen uitdrukking
+gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen ’t oude regiem
+stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden
+geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of
+burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe,
+waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen <i>alle</i> bederf en tegen
+<i>iedere</i> uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een
+bewonderenswaardig heroïsme&mdash;met <i>tragisch</i> heroïsme, want zij moesten
+in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het
+wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen
+dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun
+vleesch en bloed van hun bloed was.</p>
+
+<p>De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk
+leven, hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun
+moreele verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld
+zou opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete
+bekoring,&mdash;zij gingen stem krijgen in Rousseau.</p>
+
+<h3><a name="II.He"></a>II. HET MOEIZAME LEVEN</h3>
+
+<p>In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op
+zak, zijn komedietje “Narcisse” en zijn uitvinding, het notenschrift in
+cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom
+verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, en
+maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele
+kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en
+chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd
+hij in den zomer van ’42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe
+methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te
+lezen.</p>
+
+<p>Hij dacht gewonnen te hebben, maar ’t gaf niets als teleurstelling. De
+“commissarissen,” die het officieele genootschap benoemde om zijn plan
+te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek
+wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en
+beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de
+inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was.
+Hij voelde zich diep verongelijkt.</p>
+
+<p>Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over
+hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een
+vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij
+verblijf had genomen, en werkte een paar maanden “met onbeschrijflijken
+ijver,” om zijn memorie om te smelten tot een “verhandeling over de
+moderne muziek.” Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever,
+maar ’t boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn
+gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij,
+soezende knaap, door Milaan gedwaald had.</p>
+
+<p>Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in de
+apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke
+inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel
+mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost
+te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden
+zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van
+buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon;
+af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij
+gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al
+zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen
+voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij
+hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle,
+Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd
+weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat
+hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.</p>
+
+<p>Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele
+anderen. Zoo is ’t het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren
+even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit
+een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de
+provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij
+bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm,
+gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij
+gouverneur geweest bij een adellijke familie en had ’t daar niet kunnen
+uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn
+dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen:
+zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een
+neiging tot paradoxen.</p>
+
+<p>Diderot “de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek” (St-Beuve),
+is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de
+aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was
+schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke
+eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang
+hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden
+en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid
+te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der
+regeering, noch de afval van vrienden (d’ Alembert en Rousseau), noch
+het verraad van den uitgever. En ’t was hem te doen om de zaak, om de
+nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk
+voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge
+kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn
+talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in
+het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die
+armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle
+mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.</p>
+
+<p>Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als
+de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht
+en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan
+verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem
+tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van
+zijn gezin en van zijn ma&icirc;tresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst
+die in Rousseau aan ’t groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun
+temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief,
+droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig,
+opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst
+bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,&mdash;en deze
+tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,&mdash;Diderot was
+bedil-achtig en heerschzuchtig, op ’t tyrannische af, hij wou zijn
+vrienden dwingen tot wat <i>hij</i> goed achtte; Rousseau, in het minst niet
+heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.</p>
+
+<p>Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de
+vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij,
+komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar
+dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin
+de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek
+verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven
+eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie
+bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem
+van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder,
+hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.</p>
+
+<p>Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van
+een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot
+Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld.
+Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht ’t was zooveel
+mogelijk “beaux esprits” in haar salon te verzamelen, zij ontving
+Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij
+de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos
+fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon,
+Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij
+liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar
+eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen
+zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van
+Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd
+secretaris van den franschen gezant in Venetië.</p>
+
+<p>Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was,
+vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een
+gezantschap-sekretaris, een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn
+meester, de Montaigu, was een ezel, een stomme oud-militair, zonder
+eenig begrip van diplomatieke aangelegenheden, en die alles aan zijn
+sekretaris overliet. Rousseau vervulde, verzekert hij ons, zijn taak
+ijverig en nauwgezet; dat hij in dezen nieuwen, voor hem ongewonen
+werkkring blijken gaf van scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij
+gerust gelooven, al heeft hij misschien in de “Confessions,” vijf en
+twintig jaar na zijn verblijf te Venetië geschreven, zijn positie en
+zijn invloed op den gang van zaken een beetje al te gewichtig
+voorgesteld. Veel in de politieke instellingen en zeden der oude
+dogenstad aan de Adriatische zee moest</p>
+
+<p>hem de indrukken zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het
+milieu van zijn vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een
+souvereine stad, bestuurd dooreen trotsche,&mdash;ervaren aristocratie; het
+bezat evenals Genève een oude republikeinsche konstitutie, die den
+volkswaan vleide en bevredigde, terwijl in werkelijkheid het gezag in
+handen der patriciërs berustte. Zijn werkkring riep politieke
+belangstelling in hem wakker, de aard van zijn geest leidde die naar
+nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed der politieke
+instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië een nieuwen
+schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.</p>
+
+<p>Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man,
+wiens zelfbewustzijn groeide met ’t besef van zijn onmisbaarheid, maakte
+de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig
+ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en
+beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten
+slotte kwam ’t tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris
+weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te
+trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij
+vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er
+eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde
+in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den
+smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed
+hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door
+zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te
+laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet
+hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden.
+Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den
+gezant zelf.</p>
+
+<p>Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar
+Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo
+verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat
+hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat;
+nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee
+en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn
+streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in
+alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte
+was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde
+vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de
+zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van
+levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder
+strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede
+drukte hem ’t ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij
+eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.</p>
+
+<p>Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het
+puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar
+zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij
+zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van
+Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft
+vooral.</p>
+
+<p>Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar
+Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger,
+eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan ’t schrijven
+van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in ’t
+vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude
+hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong
+linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was
+geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal
+verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht.
+Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door
+de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at
+aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het
+schuwe deerntje in ’t nauw brachten met schuinsche grappen en
+onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam ’t voor
+haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat
+menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste);
+tusschen hen kwam ’t al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was
+het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte
+aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg;
+hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.</p>
+
+<p>Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar
+ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije
+liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.<a href="#fn22">[22]</a></p>
+
+<p>Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die
+vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den
+levensbond met het plebeïsch natuurkind&mdash;Thérèse was in buitengewone
+mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog
+onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten,
+in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het
+voorbehoud der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere
+aandriften volgend&mdash;in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn
+diepste ik tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar
+moraal, haar overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit,
+haar dorheid van hart.</p>
+
+<p>Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus
+onbegrijpelijk. Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen
+ma&icirc;tressen&mdash;aristokratische dames of vrouwen uit de haute finance, of
+pleiziermeisjes, of actrices. D&agrave;t sprak immers van zelf. En al die
+vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een glimp van de hen omringende
+kultuur opgevangen. Van het groote gedachtenvuurwerk dat om hen brandde
+daalden enkele vonken op hun zielen neer. “Zij leefden in de atmosfeer
+van de opera van den dag, van het nieuwe tooneelstuk, van het boek van
+de week.”<a href="#fn23">[23]</a> Zij konden meepraten over de literatuur en de
+philosophie, met vertoon van geestigheid of geleerdheid herhalen wat
+anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse! Een meisje uit het volk,
+die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en alle moeilijke woorden
+verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar mans linnengoed (dat
+hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en niet anders begeerde,
+zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. Dat men met haar
+gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de soort vrouw was
+die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij niet begrijpen: zij
+achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een ramp voor hem,
+verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten verkeerd
+oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig opzicht meest
+essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk een kiem van
+vervreemding.</p>
+
+<p>Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. Met
+zeer enkele uitzonderingen<a href="#fn24">[24]</a> hebben zij alle afgegeven op “die
+afschuwelijke Thérèse,” haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en
+verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de
+zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem
+plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke
+wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn
+aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens&mdash;voor elke onbedorven
+natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten
+afstootend&mdash;vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar
+beschrijvend, hun pen in suikerwater.<a href="#fn25">[25]</a> Natuurlijk: Mme de Warens was
+immers de bekoorlijke ch&acirc;telaine, welgemanierd, elegant tot in haar
+minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke
+“idylle der Charmetten” (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij
+dan in donkere verven Rousseau’s “rampzalige liefdesverhouding” met de
+“onbeschaafde wasch-vrouw” Thérèse le Vasseur. Zij <i>kunnen</i> niet anders:
+hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen
+hoogmoed.</p>
+
+<p>Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar
+zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de
+meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid.
+Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie
+voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden
+van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat
+met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo
+ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst
+verwonderlijk. Dat zij kort voor ’t eind van zijn leven, als oude vrouw
+al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk
+zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan
+moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d’Houdetot ook
+doen. Maar daaraan denkt niemand.</p>
+
+<p>Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat ’t volgende;
+staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar
+vele malen heeft hij uitgesproken, in de “Confessions” en in zijn
+brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, “de eenige
+werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn
+lot dragelijk heeft gemaakt.” Niet enkel haar “engelachtig hart” bleef
+hem bekoren, haar “zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,”
+hem aantrekken&mdash;maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls
+steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische
+aangelegenheden bleek altijd goed.</p>
+
+<p>En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.</p>
+
+<p>Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle,
+waar zij van ’47 tot ’56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels,
+arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,&mdash;al werd dat geluk en
+die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige
+schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel
+een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien,
+tuk op buit, haar nazettend;&mdash;tot aan de laatste moeilijke weken in het
+kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste,
+trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige
+huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het
+zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar
+goed-toebereid maal, gelijk hij ’t liefst had. Zij was de trouwe
+verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de
+aanvallen van zijn kwaal, die ’s winters plagt te verergeren, hem
+maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in
+trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van
+vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der
+regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche
+geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. Was
+dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?</p>
+
+<p>Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn
+geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en
+inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden.
+Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn
+geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken&mdash;zijn
+denken stond immers geheel op gevoelsbasis&mdash;liefhebben vóór begrijpen.
+En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen,
+hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen
+genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn
+gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn
+persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende
+dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding
+gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het
+dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten
+schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen
+bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware,
+moeilijke: ’t samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den
+ontwrichte dien hij meer en meer werd; ’t verzorgen van den
+in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot
+haar sprak.</p>
+
+<p>Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt&mdash;veel van hem verdragen. Eerst in
+’t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven
+lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden
+achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie
+behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man
+liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in
+Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van
+zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en
+Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme
+d’Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme
+d’Epinay van haar door sluwe man&#339;uvres de brieven van Mme d’Houdetot
+aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige
+burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij
+loog, heldhaftig: “Die brieven zijn niet bewaard.”</p>
+
+<p>En daarna kwam de vuurproef: de “Emile” verscheen, Rousseau werd
+vervolgd en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat <i>hem</i>
+gevaar dreigde&mdash;maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de
+groote wereld compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar
+“engelachtig hart,” haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in
+Montmorency kunnen blijven: Rousseau stelde haar dat voor en zou voor
+haar zorgen, maar zij weigerde, zij wilde naar den man, dien zij
+liefhad, naar den eenzamen banneling in het zwitsersche dorp, om weer
+voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen en bij hem te zijn. Zij
+drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. “Ge weet wel,”
+schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk te begrijpen
+brabbelfransch, “dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik gezegd: moest
+ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer te vinden,
+had men ’t mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan.” En zij
+onderteekende zich: “uw nederige, goede vriendin.”</p>
+
+<p>Ja, dat was zij. In hun werk over “De vrouw in de XVIIIde eeuw” geven de
+Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en
+courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde
+ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog
+heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in
+hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast
+onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau’s Thérèse.</p>
+
+<p>Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het
+sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor
+’t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht
+voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort
+verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen
+verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord
+verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van ’t
+dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk,
+in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het
+onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug,
+en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en
+vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet
+ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.</p>
+
+<p>Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch
+proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn
+kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en
+aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk
+eten, door haar bereid.</p>
+
+<p>Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met
+muziek-kopieëren: het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een
+toevlucht vonden in het kasteel Ermenonville. D&aacute;&aacute;r stierf hij in haar
+armen, de deur gegrendeld, dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn.
+Tot het laatst had zij voor hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat
+was véél.</p>
+
+<p>De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling
+eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die
+haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar
+lang.</p>
+
+<p>Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen
+minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme,
+simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde
+Thérèse le Vasseur.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.</p>
+
+<p>Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon
+Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend,
+en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan.
+Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen
+naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig,
+maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder ’t ook wou, waar
+zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat
+zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze
+ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen
+nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen
+werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór ’t
+samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel
+verhalen daarvan gehoord, dat hij ’t als de natuurlijkste zaak van de
+wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar ’t vondelinghuis
+bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.</p>
+
+<p>Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra “les Muses
+galantes” werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen
+belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer,
+den “intendant der menus.” Het werk beviel den modeman der hoogste
+kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat ’t voor den
+koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu
+hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de
+“F&ecirc;tes de Ramire,” door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd.
+Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed
+Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat en
+maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma’s enz. niet
+genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de “Muses
+galantes” door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam
+niets van. Toen probeerde hij ’t nog met “Narcisse,” trachtte dit
+gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd
+en gaf elke poging om naam te maken op.</p>
+
+<p>Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele
+kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld
+vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn
+onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als al
+de gladde heertjes die hun ’t hof maakten, anders ook dan de overige
+intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder
+innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in
+plotseling vuur van welsprekendheid als ’t onderwerp hem ontroerde, uit
+diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan
+gloeiende stroomen omhoog.</p>
+
+<p>Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was
+een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin
+hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste
+ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van
+zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms
+toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was
+zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren
+logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan
+door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren
+de meest geliefde tijdpasseering der “wereld waarin men zich verveelt.”</p>
+
+<p>De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den
+afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem
+worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?</p>
+
+<p>De dagen stroomden&mdash;stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn
+afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder
+dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk
+hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing,
+levensreiniging. Diep in hem, in ’t warme nest van het onderbewuste,
+groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden
+uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van
+pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer
+ademen kon.</p>
+
+<h3><a name="III.De2"></a>III. DE EERSTE FANFAREN</h3>
+
+<p>Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de
+velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er
+werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het
+land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren
+zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten
+de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder
+leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.</p>
+
+<p>De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een
+broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote
+wetenschappelijke voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld
+te bombardeeren met dikke geleerde werken: in ’48 was Montesquieu’s
+“Esprit des Lois” verschenen; in ’49 kwamen de eerste drie deelen uit
+van Buffons “Histoire Naturelle,” een grootsch-opgezette geschiedenis
+van de aarde en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het
+bijbelsch scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze
+diepzinnige geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het
+geharnaste proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het
+oude regiem voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af
+aan volgt de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang
+zal zij zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en
+reaktie, nù onderdrukken, d&agrave;n weer de teugels vieren, zonder iets anders
+te bereiken als haar vijanden te prikkelen door ’t eene, stoutmoediger
+te maken door het andere.</p>
+
+<p>In dien zomer van ’49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men
+nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. In
+de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen niet
+naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers
+opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de
+intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering
+wilde een grooten slag slaan.</p>
+
+<p>Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken
+waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te
+hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het
+ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme.</p>
+
+<p>Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn “Lettre sur
+les Aveugles,” (Brief over de Blinden) een populair philosophisch
+werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich
+beleedigd achtte.<a href="#fn26">[26]</a></p>
+
+<p>Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel
+opgesloten. Een maand lang bleef hij “au secret;” niemand werd bij hem
+toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt
+d’Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de
+hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.</p>
+
+<p>De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende
+maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel
+zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den
+vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste
+dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn
+geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de
+Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij
+dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap
+van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn
+smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot’s gevangenschap verzacht, hij
+mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn
+kameraden werden tot hem toegelaten.</p>
+
+<p>Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken!
+Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen,
+haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet
+verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond
+neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog
+broeirigen avond, na ’t samenspreken met den vriend, die, onversaagde
+strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap ’t plan tot de
+koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de
+Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen
+de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche
+glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg,
+groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van
+eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was
+in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.</p>
+
+<p>Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad,
+de “Mercure de France,” om de verveling van den weg te bekorten,
+toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon
+uitgeschreven: “Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten
+bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven.” En plotseling,
+voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de
+bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij
+merkte ’t niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere
+zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot ’t bewuste,
+met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit ’t
+diepst-van-’t-woud.</p>
+
+<p>Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de
+opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht
+opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid
+van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen;
+gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de
+verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in
+eenen,&mdash;zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het
+lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der
+grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een
+leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en
+zij de armen uitstrekken daarheen en ’t heerlijk visioen aanroepen, dat
+’t blijve, sidderend van verlangen&mdash;zoo deed hij.</p>
+
+<p>Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, ’t Gezicht op het
+nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het
+tegenwoordige en ’t Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en
+klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook
+rijst ’t Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals
+zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige,
+hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt
+de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der
+Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.</p>
+
+<p>Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar
+het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was
+neergezonken onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en
+schoon opbloeien uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet
+opschemeren uit de heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag
+hij een wereld in wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw
+als voor de werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel
+dezelfde, haar wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale
+ongelijkheid, verfijnde genietingen voor de kleine minderheid ten koste
+van de ellende der groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien
+naar zijn Ideaal, naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En
+daarom stond zijn Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid,
+tegen den horizon, maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen
+opgebouwd. Aan hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare
+vormen; aan de verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen
+sedert zijn jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente
+indrukken zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van
+het patriarchale landleven onder de “Naturalwirthschaft,” dat in de
+achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog
+voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre
+landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele
+kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid
+van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken
+saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische
+ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit
+veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen
+eener maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een
+maatschappij van kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke
+trek van communisme daarin ontbrak was natuurlijk.</p>
+
+<p>Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid,
+voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.</p>
+
+<p>Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun
+vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden
+ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder
+aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke
+verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want
+zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De
+strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde,
+voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers
+tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de
+heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde,
+wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder
+uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd
+genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op
+domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap,
+die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden
+enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen,
+voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in
+den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der
+verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot
+bewustheid.</p>
+
+<p>Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de
+slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.</p>
+
+<p>Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van
+tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme,
+opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der
+Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn
+leven zijn.</p>
+
+<p>Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over
+den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden
+en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.<a href="#fn27">[27]</a></p>
+
+<p>Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven
+in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste
+“Discours.” Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan;
+zijn opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke,
+geraffineerde, verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had
+thuisgevoeld; zijn oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke
+zeden, voor het sober onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn
+meegevoel met de armen en verdrukten, met de eenvoudige harten die de
+groote oude waarheden wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld
+leeft: arbeid, trouw, wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een
+maatschappij, die kennis en genot voor enkelen slechts bereikte ten
+koste van de verdierlijking der groote massa en de zedelijke ontaarding
+van allen;&mdash;alles wat hij doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn
+veelbewogen bestaan verbond zich tot ééne, van gevoel doorklonkene,
+levensconceptie. Hij spuwde de beschaving uit die de massa veroordeelde
+te kruipen in ellende, die allen de slaven der zonden deed zijn. Hij
+spuwde de kunst uit, “het kind van verslappende weelde;” hij spuwde de
+wetenschap uit, “het kind van ontzenuwenden lediggang.”</p>
+
+<p>Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde
+maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van
+plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van
+den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde
+hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en
+ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als
+vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch,
+uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch
+intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover
+de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God
+welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar
+van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger
+aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een
+vervallend régiem “nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen,
+maar geen burgers meer.” Het was de stem van den individualist, opkomend
+tegen “de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving.”
+Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier
+dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde:
+burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland;
+de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was
+de stem van den handwerksman, den <i>reaktionairen</i> kleinburger, die niets
+voelde van Diderot’s verrukking voor de verbetering der techniek en de
+toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door
+haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde:
+het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den
+<i>revolutionair</i>, den voorvechter van massa’s die niets te verliezen
+hadden bij een gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden
+zijn door verachting voor het historisch-gewordene, die zouden
+overwinnen door de negatie van dien voozen glans en die onheilspellende
+schittering, opstijgend uit een maatschappij in ontbinding.&mdash;Ja, het was
+wel de stem der kleine burgerij, dier raadselachtige klasse,
+raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet als het gevolg van haar
+positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse gedoemd gelijktijdig
+reaktionair èn revolutionair te zijn.</p>
+
+<p>Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen
+prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken;
+al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven
+Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge
+bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat,
+hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de
+artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek
+beschouwde de “Discours sur les sciences et les arts” (Redevoering over
+de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de
+beschaving&mdash;een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.</p>
+
+<p>Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van
+Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk
+en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van
+maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. “De weelde
+bederft alles,” luidt het in zijn “Antwoord aan den koning van Polen,”
+“zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar
+begeert.” “De weelde” (in het “Antwoord aan den heer Bordes”) “moge
+noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen
+weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan.” En als noot hierbij:
+“De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend
+sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den
+mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet
+vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen
+bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer
+slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben
+zooveel armen geen brood.”</p>
+
+<p>Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat
+tegen de “beschaving.” Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan
+verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom
+vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.</p>
+
+<p>Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping
+tusschen beginsel en praktische konsekwenties.</p>
+
+<p>Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend;
+zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten
+en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch
+bedorven&mdash;maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij
+noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden
+gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel
+van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk “behalve door een groote
+revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen
+genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te
+voorzien.” Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak
+tusschen <i>droom</i> en <i>daden</i>, tusschen het Ideaal en den Weg het te
+bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen
+en de menschen het hoofd doen schudden over zijn “inkonsekwentie.” Noch
+de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.</p>
+
+<p>Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste “Discours” schreef, de
+inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner
+andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is.
+Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was
+teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid
+die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der
+liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de
+stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde
+het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.</p>
+
+<p>Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede “Discours,”
+dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe
+prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der
+maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom:
+zachtheid had hij nog niet teruggevonden.</p>
+
+<p>Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van
+den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang
+zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur,
+uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den
+primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo
+meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden
+van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden
+vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de
+natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen
+was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de
+verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en
+voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de
+neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn
+voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid
+hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren
+hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest
+vermoedde hij niet.</p>
+
+<p>Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige
+trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij
+tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk
+Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt
+tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op
+de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op
+de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de
+ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende
+klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede “Discours.”</p>
+
+<p>In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter
+bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der
+tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den
+primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en
+sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche
+stammen. De communist Morelli, wiens “Code de la Nature” korten tijd na
+het tweede “Discours” verscheen, onderscheidde veel scherper dan
+Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel
+beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch
+Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle
+wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de
+verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van
+anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van
+nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij
+alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd
+goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij
+alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener
+maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener
+samenleving “waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet
+door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt;
+waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het
+schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin
+niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner
+naburen.” Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en
+treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij sprak
+uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en
+barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat&mdash;en wie
+kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk
+niet luid “ellende, brood, brood, ellende,” telkenmale dat koning of
+kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van
+zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de
+natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de
+hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een
+grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk:
+hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke
+gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden
+ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en
+politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt,
+het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op
+wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, “en waarvan ’t in de orde
+der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen.”</p>
+
+<p>Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van
+uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten
+gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die
+volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de
+Carmagnole:</p>
+
+<p><span style="margin-left: 2em;">“Ça ira, ça ira, ça ira,</span><br/>
+<span style="margin-left: 2em;">Celui qui s’élève, on l’abaissera,”</span></p>
+
+<p>en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de
+wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was ’t in een
+onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na “na ons
+de zondvloed” en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen
+met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau,
+wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet
+in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien
+slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden
+zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen,
+nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten
+maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn
+lezers op ’t hart drukkend “om de goede en wijze vorsten te eeren die de
+menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten
+te voorkomen, te genezen of te verzachten?”</p>
+
+<p>De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop
+nog vleugellam in dat der daad.</p>
+
+<p>Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en
+herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste
+lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede
+“Discours,” was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in
+zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen
+werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend
+schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de
+dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der
+hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde&mdash;nl. van algemeen
+ontvanger der belastingen&mdash;had de in moeielijke omstandigheden
+verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute
+finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden
+toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid
+van een werkkring waarvoor hij in ’t minst niet geschikt was, maakten
+hem ziek.</p>
+
+<p>Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het
+was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem
+doordrong, nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij
+voelde de tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en
+onbaatzuchtigheid aan anderen en de richting van zijn eigen leven; hij
+voelde dat zoolang hij zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom
+en wereldsch goed najagen, de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen
+kon.</p>
+
+<p>Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat
+is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog
+zeldzamer is, hij zette het door.</p>
+
+<p>Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap
+neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen;
+Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.</p>
+
+<p>Hoe zou hij nu leven?</p>
+
+<p>De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden
+chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel
+geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in ’t ellendigste
+parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was
+een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een
+der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach,
+geschonken.<a href="#fn28">[28]</a></p>
+
+<p>Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en
+niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in
+’t verkondigen zijner beginselen.</p>
+
+<p>En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn
+het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer “liefde tot het groote goede
+en schoone” gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale
+idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn
+gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen “ik ben zulk een die,
+wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt,
+nederschrijft.”</p>
+
+<p>Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef
+fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield
+van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd
+muziek-copiïst.</p>
+
+<p>Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het
+handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem
+genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het
+mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op ’t
+platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn
+dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud.</p>
+
+<p>Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij
+had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de
+letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon
+voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet,
+die in zijn werk <i>niets</i> toe wil geven aan de heerschende meening en de
+goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke
+stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven
+onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.</p>
+
+<p>Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven
+allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom
+moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te
+doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien in
+hun binnenste; naast ’t samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe
+wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van
+vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.</p>
+
+<p>Intusschen zette hij zijn “innerlijke hervorming” ook door in wat zijn
+uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie
+der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot
+in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij
+schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand zich
+in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de
+kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn
+kleeding die van een eenvoudig burgerman. In ’t eerst kon hij nog geen
+afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij
+gehecht was, maar een dief&mdash;waarschijnlijk een broer van Thérèse&mdash;hielp
+hem daar weldra van af.</p>
+
+<p>Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en
+knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde jas
+en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag
+voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet
+alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan
+de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en
+door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem ’t
+hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te
+krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij
+aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was
+toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te
+overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen
+op zich tegen hun “begunstigers,” die maar één doel kenden: de hen immer
+najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles
+dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne
+beschermelingen. Zij hadden immers ’t recht daarop beslag te leggen door
+hunne gunsten&mdash;zoo voelden zij ’t, zoo was het ook. Hun protégés moesten
+ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze
+gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te
+bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden
+alles koopen, waarom dan ook niet dit?</p>
+
+<p>Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die ’t aannemen van geschenken
+doorgaans ten gevolge heeft, waar ’t vriendschaps-verkeer niet gebaseerd
+is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de
+vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij
+verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich
+heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok
+dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en
+wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel
+vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En
+achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke
+moeder.</p>
+
+<p>Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en
+bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen
+was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt
+het genieten van liefde omdat zij ’t hart streelt, en begint ’t genieten
+van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over
+in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook
+de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke
+menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde
+gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in
+elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.</p>
+
+<p>En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk.
+Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke
+vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen
+drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die
+onbeschrijfelijk-gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem
+welke een klasse met een lang verleden van heerschen en genieten
+voortbrengt. De lieftalligheid der eenen, de hoofschheid der anderen
+kon hij niet altoos weerstaan. Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer,
+worstelde opnieuw; hij ontkwam slechts aan den eenen beschermer, om
+zich gewonnen te geven aan een anderen.</p>
+
+<p>Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het
+verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen&mdash;dit zou nog jaren
+lang zijn leven zijn.</p>
+
+<p>Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs,
+om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de
+zachtheid des levens zijn.</p>
+
+<p>In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van
+zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer
+een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen
+stijl, “De Dorpswaarzegger,” en o wonder! de lieve melodieuse muziek
+viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te
+Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij,
+in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. “De
+Dorpswaarzegger” had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde
+den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau
+weigerde op audiëntie te gaan<a href="#fn29">[29]</a> en sloeg het jaargeld af. Het eerste
+begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun
+eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen
+de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was
+uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele
+uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in
+intellektueel-artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn
+geschriftje zegt hij “een revolutie verhoedde,” door de opwinding en
+spanning op andere banen te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de
+revolutionaire stemming in de jaren ’50 nog slechts een betrekkelijk
+kleinen kring had aangegrepen.</p>
+
+<p>Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden
+was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor ’t eerst ernstig na
+of hij ’t kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij
+beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige
+keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te
+geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht
+op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in
+beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te
+vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die
+de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap,
+arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja
+verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een
+burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had
+afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind
+naar ’t vondelingen-huis brengen.</p>
+
+<p>Spijt zou later komen, om ’t geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos
+had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren
+van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de
+bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in
+zijn wezen.</p>
+
+<p>Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en
+begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te
+vestigen, waar hij in ’54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed
+ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf
+nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem
+geworden waren was ’t natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn
+geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij
+bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij
+werd opnieuw protestant en burger van Genève.</p>
+
+<p>Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en
+voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou
+’t er toch toe gekomen zijn. Maar ’t zachte fleemen en hartstochtelijk
+willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.</p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap03"></a>DERDE HOOFDSTUK<br/>
+DE GROOTE JAREN</h2>
+
+<h3><a name="I.Na"></a>I. NAAR DE VEREENZAMING</h3>
+
+<p>Madame d’Epinay, geboren d’Esclavelles, behoort, door aanleg en
+levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance in
+de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar van
+’t begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast
+ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen
+verbraste&mdash;tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele
+werd gezet&mdash;kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij
+was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi
+maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan
+zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte
+te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel
+esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden om
+zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van
+intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf “beren,” (waartoe
+Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te
+noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een
+warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar
+kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig
+en pittig.<a href="#fn30">[30]</a> Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de
+vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij
+behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die
+haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig
+en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te
+komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze
+veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste
+berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net
+gaf wat hèm paste en niets meer.</p>
+
+<p>Rousseau had Mme d’Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij
+doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook
+was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor ’t vrolijk
+gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige
+sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel
+hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij
+luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d’amour wilden
+gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de
+wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen
+van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een
+beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en
+met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn
+hoorderessen. Mme d’Epinay voelde zich sterk tot den jongen
+dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar:
+“ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij
+is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch
+eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt.”</p>
+
+<p>Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d’Epinay en Rousseau altijd
+vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind
+gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de
+man die in Rousseau’s voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich
+maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden
+van hem vervreemd heeft.</p>
+
+<p>Grimm was een jonge Duitscher, op ’t eind der jaren veertig in ’t gevolg
+van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem
+leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot’s gevangenschap en direkt
+een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed
+musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde,
+want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den
+jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en
+deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig,
+een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching,
+plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte
+zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van
+Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon
+een “Correspondance littéraire,” een soort bulletin voor buitenlandsche
+vorsten van al wat op ’t gebied van kunst, letteren enz. te Parijs
+verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had
+zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen
+vijanden geworden waren, zich in zijn “Correspondance” steeds gematigd
+en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in
+’t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver:
+oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij
+langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar.
+Hij kreeg toen den titel van “baron van het heilige duitsche rijk,” en
+was daar zeer verheerlijkt mee.</p>
+
+<p>In het begin der jaren vijftig hield monsieur d’Epinay zich bezig met ’t
+vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij
+Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen
+Rousseau en Mme d’Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en
+Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een
+keer dat hij en Madame d’Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen
+vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de
+moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan
+het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond
+daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het.
+“Hè,” zei Rousseau, “hier te wonen.” Madame d’Epinay antwoordde niet
+veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later
+bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw
+allerliefst landhuisje was verrezen. “Hier, mijn beer,” zei ze, “is uw
+kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die
+booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève.” Dat was
+echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar
+bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.&mdash;O wij
+arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende
+brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.</p>
+
+<p>Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist
+de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van
+zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij
+voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen
+grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de
+lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid.
+Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot
+vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een
+voorgevoel van de verdrietelijkheden die ’t zwichten voor dien wil over
+hem brengen zou, schreef hij aan Mme d’Epinay: “Hoe slecht begrijpt ge
+uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken” ... (altijd
+weer die angst voor dienstbaarheid). “Ik ben niet bezorgd hoe te leven
+en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke
+gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste
+onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn
+pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat
+mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar
+ik haar ’t zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor
+mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid.
+De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen
+acht dagen zal mijn besluit genomen zijn”.... Maar ook nadat hij haar
+had geschreven: “mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij
+overwonnen hebt,” bleef hij naar eigen getuigenis “door een toestand van
+innerlijke krisis gekweld.”</p>
+
+<p>Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn
+verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de
+Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard
+maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut
+in te gaan op het voorstel van Mme d’Epinay dat hij voor niets zou
+wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij
+overeen dat hij ’t loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage
+woonde en misschien eenige kleine diensten aan ’t huishouden bewees,
+voor zijn rekening zou nemen.</p>
+
+<p>Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner
+invrijheidstelling verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan
+Rousseau den dag dat hij Parijs verliet. Hij was ’t leven in het
+wereldsch milieu waaraan hij nog altijd vastzat moe,&mdash;overal ’t zelfde,
+of ’t zich afspeelde in de stad of op de kasteelen der grooten. “Ik was
+zoo ziek van salon’s, fonteinen, heesterboschjes, bloemperken en de
+vervelende vertooners van dat alles,” schrijft hij in de “Confessions,”
+“van brochures, kaartspel, handwerkjes, flauwe woordspelingen, laffe
+maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn hart openging als ik een
+doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; of de lucht van een
+omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein van een boerenliedje
+hoorde.” Alle krachten van zijn wezen dorstten naar een eenvoudig,
+boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit “terugkeeren tot de
+natuur.”</p>
+
+<p>Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij
+had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch ’t
+gevoel dat hij ’t meeste nog te zeggen had en zoo was ’t ook. Hij was
+aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te
+brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren.
+Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij
+zelf nog niet geheel in ’t reine was.</p>
+
+<p>Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een
+beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij
+was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en
+had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met ’t maken van
+uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om
+daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een
+soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan
+stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding.
+Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom
+gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had
+veel over ’t onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig
+wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van
+een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo
+onder de hand door.</p>
+
+<p>Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij
+willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte
+de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals
+uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet
+op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde
+richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het
+onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen
+in gaan, in ’t eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de
+“censuur” van den wil niet tot ’t tweede wordt toegelaten. Terwijl
+Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den
+innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij
+nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn,
+begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid ’t oude smachten naar
+teederheid weer op te komen; terwijl hij nog “dronken van deugd” meende
+te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der
+liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van
+zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op
+een gelegenheid, om de “censuur” onderste boven te loopen, met
+onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het
+brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die
+jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij
+uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d’Houdetot, in zijn werk in de
+“Nouvelle Héloïse.”</p>
+
+<p>De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten
+om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die
+zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens
+alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.</p>
+
+<p>Het was vroege lente toen hij ’t landhuisje aan den zoom van ’t woud van
+Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar
+geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht,
+door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de
+velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en
+sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal
+zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn!
+Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij
+goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes,
+blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme
+d’Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van ’t verhuizen, de drie
+vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.</p>
+
+<p>En onverwachts begon, zooals de sneeuw op ’t veld wegsmolt voor den
+zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel
+zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij
+niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd
+had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de
+verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld
+door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op ’t tweede
+plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel
+genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals
+wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd,
+zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te
+murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de
+verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.</p>
+
+<p>Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat
+zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen
+verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één
+geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten
+en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt,
+die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit
+liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde
+teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen,
+zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de
+verbeelding in Rousseau.</p>
+
+<p>Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de
+rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen,
+wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen,
+die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem
+altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner
+fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die
+eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had
+hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden;
+wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-’t-bewuste-alleen,
+verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was
+de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij,
+geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en
+roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de
+droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude
+stroom vloeide weer rijkelijk.</p>
+
+<p>Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want
+Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend.
+Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet
+zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben.
+Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te
+maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er
+in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij
+gevreesd had, gebeurde: Mme d’Epinay liet hem niet met rust, hij moest
+altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot
+hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet
+naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren
+die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had,
+door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit
+was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken
+uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw
+hij na ’t middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in
+het woud.</p>
+
+<p>Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren;
+d&aacute;&aacute;r was ’t leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie
+die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen
+onbemerkt den weg in naar ’t verleden: verlangen zag niet langer
+hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd
+voorbij is.</p>
+
+<p>Hij was op dien grens der jaren gekomen&mdash;niet voor elk mensch
+dezelfde&mdash;dat het hart zich keert naar ’t verleden en met pijn en
+bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden,
+heerlijke jeugd.</p>
+
+<p>Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der
+jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt.
+Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de
+bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond
+en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart
+samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd
+verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus’ zilveren ster, uit
+eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven,
+voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat
+hij wat nu ’t allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde;
+ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.</p>
+
+<p>Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn
+eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer
+terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene
+nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven
+zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit
+bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij
+te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij,
+zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam
+als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn
+fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij
+jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling;
+weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al
+de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had
+ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien
+onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar ’t
+oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry,
+hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk,
+hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als
+gezantschap-secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij
+was heel dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen
+gescheiden door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar
+omtrilde, zag hij Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was
+verschenen: jong, bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende
+haren, een en al lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen,
+hij gloeide en dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.</p>
+
+<p>Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor
+de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te
+sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te
+grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de
+broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij “sublimeerde” zijn
+liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een
+ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid,
+zocht hij in de fantazie.</p>
+
+<p>Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen
+omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde
+samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare
+eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle
+storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat
+hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde
+samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.</p>
+
+<p>Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen,
+twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de
+minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan
+den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de
+Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind
+had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en
+vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en
+onweerstaanbaar-beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij
+wilde een monument oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap
+en liefde.</p>
+
+<p>Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en
+onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had
+voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij
+zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over
+het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der
+liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En
+wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd,
+voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich
+geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een
+deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke
+zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van
+zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte
+hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.</p>
+
+<p>In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de
+schoonzuster van Mme d’Epinay, Mme d’Houdetot. Hij kende haar sinds
+lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets
+meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men
+zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen
+zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en
+armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en
+kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig,
+en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had
+een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van ’t soort als toen in de
+mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de
+natuur en ’t landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen;
+een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, op
+en top gentleman. Mme d’Houdetot en St. Lambert bleven tot ’t einde
+hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd
+spreekwoordelijk.</p>
+
+<p>Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder
+waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar
+zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote
+wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid
+en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar
+afwisseling.</p>
+
+<p>Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in ’t late najaar van
+1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder
+blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij ’t huisje, vol
+uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren
+geven en zij bleef bij hen ’t avondbrood gebruiken, heel huiselijk.</p>
+
+<p>’t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal,
+in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar
+minnaar stonden beide in ’t veld. Zij had een landhuis gehuurd in de
+buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te
+verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den
+eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen “citoyen” met zijn strenge
+begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de
+verlokkingen der Parijsche wereld.</p>
+
+<p>Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te
+worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.</p>
+
+<p>Had ’t werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts
+schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor
+noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke
+vrouw, die ’t lot naar zijn kluis voerde? Of was ’t anders; leefde, voor
+hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van
+den kunstenaar, door ’t lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en
+verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te
+voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de
+andere?<a href="#fn31">[31]</a></p>
+
+<p>Wie durft ’t beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de
+daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat
+van mysterie is hij.</p>
+
+<p>Hoe ’t zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend,
+vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat
+wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn,
+niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was
+de minnares van een vriend, hem waard niet ’t minst om de volkomen
+overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf
+èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo
+leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en
+smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al ’t ideëele in
+hem, al zijn moreel gevoel opstond.</p>
+
+<p>Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half
+verteederd,&mdash;Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en
+uiterst beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets
+hoogs en weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat&mdash;trachtte zij den
+brand te blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den
+slechtsten weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen
+van hartstocht hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een
+man en vrouw, die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den
+sexueelen omgang, kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen
+opvoerend tot extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te
+slaan, dat alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden
+van zijn vijf en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid
+van hem nam.</p>
+
+<p>Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn
+zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch
+van innering.</p>
+
+<p>Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare
+boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als ’t zingen van
+de gaal is in milde lentenachten: de “Nouvelle Héloïse.” In de vlammen
+van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn
+wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter’s smart maakt
+duizenden blij van bevende zaligheid.</p>
+
+<p>Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie
+die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest.
+Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der
+lust-verblijven en kasteelen,&mdash;maar dat een intellectueel Parijs
+ontvlood, om zich in ’t wilde woud en ’t eenzame veld te begraven, dat
+wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden ’t in de bosschen van
+Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige
+menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog
+erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal
+aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij ’t uithield.... maar hij
+zou ’t niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij
+toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.</p>
+
+<p>Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed
+voor hem was, ’t buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke
+neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker
+geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn
+heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te
+probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen
+hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte ’t ten slotte toch, en
+al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker ’t
+allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer
+geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren,
+schreef hij in een klaagbrief aan Mme d’Houdetot, beide mannen van de
+wereld geworden, beide “geslaagd.” En hij was dezelfde gebleven als
+vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.</p>
+
+<p>Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van
+komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen
+schoolmeesteren. Een paar maal kwam ’t tusschen hen tot
+onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had
+verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten
+doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende
+leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en
+gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in
+Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak
+had gedaan “slechts de booswicht leeft alleen” en Rousseau die woorden
+als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d’Epinay bemoeide zich
+met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht
+Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel
+verteederd aan zijn oude vriendin: “ge hadt groot gelijk met te willen
+dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in
+langen tijd niet zoo’n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die
+stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend.”</p>
+
+<p>Maar ook met Mme d’Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend
+als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm,
+stond nu ook Mme d’Houdetot! Grimm’s arrogante wijze van optreden tegen
+hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een
+kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme
+d’Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend
+had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare,
+hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het
+dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten
+worden?</p>
+
+<p>Mme d’Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet
+ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor
+haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude
+vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes,
+waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph
+die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een
+verwende vrouw als Mme d’Epinay kon ’t noode verdragen, verwaarloosd te
+worden. Zij hield warm van Roussau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij
+koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij
+ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen
+dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d’Epinay tegen hem.
+Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te
+voorkomen.</p>
+
+<p>Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen
+kwam de vonk.</p>
+
+<p>St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau
+op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als
+een liefdes-verhouding. Mme d’Houdetot vertelde het onder tranen aan
+Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d’Epinay
+gedaan.<a href="#fn32">[32]</a> In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin,
+die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar
+zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in
+Westphalen was) kwam ’t tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere
+explicatie, maar ’t gedrag van Rousseau liet een angel achter in ’t hart
+der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale
+op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen
+hij in ’t najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed
+en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij
+wilde geheel met hem breken, Mme d’Epinay bracht met moeite nog een
+schijn-verzoening tot stand.</p>
+
+<p>Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te
+toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen ’t minste geloof
+hechtte, had hij met Mme d’Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en
+was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later
+in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau’s illusie
+van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën.
+Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde;
+de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen
+de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d’Houdetot
+zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.</p>
+
+<p>Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen
+was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam
+juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.</p>
+
+<p>Op een dag in Oktober liet Mme d’Epinay hem vragen bij haar te komen en
+vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo
+spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar
+bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te
+stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau
+haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en
+hoopte dat hij ’t zou doen.</p>
+
+<p>Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève,
+niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse,
+die meer dan verstandig was met de dienstboden van ’t kasteel placht te
+praten, hem hoe ’t praatje liep dat Mme d’Epinay een kind verwachtte en
+naar Genève ging om in ’t geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En
+toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van
+Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in ’t
+bijzonder beriep op de “overmaat van verplichting die hem aan Mme
+d’Epinay bond,” toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen
+hem, het moest den schijn krijgen of <i>hij</i> de minnaar van Mme d’Epinay
+was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te
+gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.</p>
+
+<p>Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke
+positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d’Epinay een knechtendienst
+van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij
+dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert
+uitdrukte: “zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg
+van de vrouw van een algemeen belastingpachter.” Als een egel stak hij
+zijn stekels naar alle kanten uit.</p>
+
+<p>Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?</p>
+
+<p>Bevatte het praatje van Mme d’Epinay’s zwangerschap waarheid?<a href="#fn33">[33]</a> Had Grimm
+werkelijk de hand in ’t spel en wou hij Rousseau naar Genève sturen om,
+zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen?
+Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?</p>
+
+<p>Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d’Epinay zooals zij
+zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: “’t zou
+gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de
+menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan
+zijn vaderland.” Was dit heel eenvoudige waar?</p>
+
+<p>De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in
+twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid
+gebracht.</p>
+
+<p>Brieven zonder tal&mdash;booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende,
+gemoedelijke brieven&mdash;mijn hemel! wat schreven de menschen in dien
+tijd&mdash;vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme
+d’Epinay, Mme d’Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in
+die najaarsdagen. En toen kwam ’t treurig einde van oude vriendschap en
+goed-bedoelde zorg.</p>
+
+<p>Rousseau’s eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te
+verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht
+tot ’t voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te
+vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen
+Mme d’Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het
+antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest
+onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te
+verlaten.</p>
+
+<p>Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien
+de ellendigste van zijn leven. Mme d’Houdetot was toevallig op
+denzelfden dag dat Mme d’Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs
+teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol
+betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog
+eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij
+begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen
+hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat
+hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn
+evenwicht geheel en al.</p>
+
+<p>Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid,
+zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in
+den tuin hooren, hij leek waanzinnig.</p>
+
+<p>Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de
+kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders
+altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij ’t
+dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en
+erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme
+d’Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, “niets is zoo eenvoudig
+en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge
+niet wenscht, dat ik er blijf.”&mdash;Toen zonk hij in elkaar.</p>
+
+<p>Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke
+breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als
+om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden
+zijner hoopvolle jaren verliest.</p>
+
+<h3><a name="II.De"></a>II. DE KATASTROPHE.</h3>
+
+<p>Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met
+Thérèse getrokken was&mdash;haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen
+in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar
+den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed&mdash;het huisje was
+oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de
+meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het
+terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den
+hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek.
+Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde
+naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.</p>
+
+<p>Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open
+koepel, van waar men ’t mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot
+zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar
+elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van
+1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van
+vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon
+zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke
+ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het&mdash;dit is het geheim van
+den dichter&mdash;met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die
+dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te
+doordringen.</p>
+
+<p>Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den
+titel “Lettre &agrave; d’Alembert sur les spectacles.” De aanleiding tot het
+werkje vormde een bladzijde uit het artikel “Genève” in de Encyclopedie,
+waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en
+ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te
+laten. Voor den schrijver van die bladzijde&mdash;het artikel zelf was van
+d’Alembert&mdash;hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf
+regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van
+bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève,
+bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge
+heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun
+best zulk een “onzedelijke onderneming” tegen te houden. Echter, ook in
+Genève was het tij aan ’t verloopen en kort na de verschijning van
+Rousseau’s geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden
+melden: “heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt
+een stad van genoegens en van verdraagzaamheid.”</p>
+
+<p>De “Brief aan d’Alembert” is uit twee verschillende gedachte-draden
+geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het
+klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen
+begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw
+onderwerp toegepast;&mdash;een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de
+eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener
+klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische
+gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over
+het leven der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde
+hij daar tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche
+samenleving als zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen
+naar een sfeer van rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele
+geneugten en eenvoudige landelijkheid&mdash;dat verlangen was, door al wat
+hij beleefd had, sterker, maar ook smachtender in hem geworden dan ooit
+te voren. Sedert hij zich zelf te kort gedaan en onrechtvaardig
+behandeld achtte door menschen aan wie hij zijn vertrouwen gegeven had,
+werd de oude bitterheid in hem verzacht door een teedere droefheid. Zoo
+vermengde zijn hart, waarin de onstuimige gemoedsbewegingen die het
+geschokt hadden nog natrilden, zijn eigen pijn met de gedachten die het
+nadenken over zijn onderwerp in hem gewekt had. Daarom was waarheid wat
+hij later in de “Confessions” getuigde, dat hij in dit werk onbewust
+zijn eigen toestand schilderde, zich zelven, Grimm, Mme d’Epinay, Mme
+d’Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, al loopt het schijnbaar over geheel
+andere dingen en wordt geen hunner er in genoemd; zijn werk werd een
+harmonische vermenging van algemeene inzichten en persoonlijke
+ontroering en dit maakte het vol bekoren en wonderlijk suggestief. Er
+was een warme teederheid in, die de menschen in ’t hart greep; een zoo
+heel andere geest als in haast alle geschriften van dien tijd. Vandaar
+’t verbazend succes dat ’t boekje had toen ’t uitkwam, een voorlooper
+van de koorts van enthousiasme, die de “Nouvelle Héloïse” wekken zou.</p>
+
+<p>De “Brief aan d’Alembert” beteekende de openlijke breuk van Rousseau met
+de materialistische philosophen. “Ik neem niet aan,” schreef hij, “dat
+men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst.” En ook al had hij dit niet
+geschreven, dan nog zou hij in ’t vervolg hun partij tegenover zich
+gevonden hebben, want hij waagde ’t immers, op te treden tegen Voltaire,
+diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den
+leider, en dat kon niet worden getolereerd.</p>
+
+<p>Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire&mdash;uit
+de verte altijd&mdash;kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij
+verschillende gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete
+brieven gewisseld, en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of
+onbewust, voor elkaars wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke
+waardeering van elkanders gaven en werken bedekt. Rousseau, de
+onevenwichtigste der beide, had het eerst zijn geprikkeldheid getoond.
+Naar aanleiding van Voltaire’s bekend gedicht over de aardbeving te
+Lissabon, las hij den vorst der letteren in een partikulier schrijven de
+les over het armoedig pessimisme van diens gelegenheidsvers, waartegen
+hij met nogal onuitstaanbaar zelf-behagen het zegevierend optimisme
+stelde dat in hem, ondanks zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de
+bovenhand hield. De brief was zwaar op de hand en schoolmeesterig,
+gelijk Rousseau na zijn bekeering tot de deugd wel meer kon zijn, en men
+begrijpt dat hij Voltaire niet weinig ergerde. Dit echter speelde zich
+nog binnenkamers af (de bewuste brief werd pas jaren later, buiten
+medeweten van Rousseau openbaar gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau
+dan ook nog niet losgelaten; daarvoor was hij voor de encyclopedisten te
+veel waard. Maar nu, nu die snoodaard ’t waagde hem, Voltaire, die even
+ijdel, even prikkelbaar, en even wantrouwend was als Rousseau,&mdash;ofschoon
+op heel andere wijze&mdash;en daarbij was wat Rousseau niet was en nooit
+werd: een verschrikkelijke paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn
+tooneelplannen te dwarsboomen, nu was ’t gedaan met ontzien en
+hoffelijke waardeering, nu moest “die schelm, die zot, die fanaticus,
+die bastaard van Diogenes en van den hond van Diogenes” behoorlijk
+afgestraft worden. Niet dat Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen
+Rousseau te schrijven: daar had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar
+een wenk te geven en ’t gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich
+voorloopig mee, hem in particuliere brieven, die hij wist dat onder de
+bondgenooten de rondte deden, met beleedigende schimpscheuten af te
+maken: zoo gaf hij zijn ergernis lucht.</p>
+
+<p>Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover
+de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde,
+in ’t algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de
+dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename
+bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze
+verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den
+tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon
+te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift.
+Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk
+was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij
+feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire
+eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om
+hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief
+van ’56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was
+geworden, aldus eindigde: “Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk
+kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon
+zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een
+toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van
+den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het
+die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen
+sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en
+zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch
+bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land,” ... “Ik haat u, in
+één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die
+waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle
+gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de
+bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde
+voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer.” Dit gebeurde in 1760.</p>
+
+<p>Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er
+buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien
+tijd bewijzen: “die driedubbele gek ... een infaam schrijven ...
+verachtelijke man&#339;uvres ... de schrijver der “Nouvelle Héloïse,” die
+kwaaddoende bengel ... (de “Nouvelle Héloïse” noemde hij “een vervelende
+en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;” de “Emile” vond
+hij: “laf en plat”). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid
+boven alles stelde,&mdash;hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder
+maar ondiep,&mdash;het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en
+dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren.
+Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor
+de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den
+vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans
+gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte,
+denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op
+zijn plaats met de woorden: “wie veroorlooft zich, er aanmerking op te
+maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de
+god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn
+meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?”</p>
+
+<p>Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+Voltaire’s hartstochtelijke verguizing en Rousseau’s grootmoedige
+waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos
+het onaangenaam gevoel had weg te dringen van “die man is grooter dan
+ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd
+is”&mdash;terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed
+benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke
+meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht
+en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de
+verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.</p>
+
+<p>In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau in bedekte termen zijn breuk
+met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat
+wijdde hij ’t publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau
+beschuldigde Diderot&mdash;en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige
+prater kon over niets zijn mond houden&mdash;van met anderen gekletst te
+hebben over zijn verhouding met Mme d’Houdetot en beschouwde dat als een
+verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau
+in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening.
+Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: “de rechten ook
+eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik
+haar weer aan te blazen.”</p>
+
+<p>Zij hebben elkaar nooit meer gezien.</p>
+
+<p>St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau’s
+handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei
+en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had,
+terug stuurde.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem
+hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede
+kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij
+leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van
+werkverzonkenheid; de “Nouvelle Héloïse” kwam klaar in ’59 en zoo weinig
+brak aan het einde daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich
+onmiddellijk verdiepte in het schrijven van het groote werk over
+opvoeding, dat sedert haast twintig jaren in hem was gerijpt.</p>
+
+<p>Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature
+indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren
+aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben,
+een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar
+geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de
+innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote
+punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de
+verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de
+verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had
+uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat
+hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een
+nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de
+sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het
+verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de
+eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen,
+gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich
+in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat
+de zwakste bij elke verbintenis aan ’t kortste eind pleegt te trekken.
+Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij
+bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart
+altijd aan ’t wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon
+niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe
+in zijn gemoed te dicht bijeen; ’t beste: de groote liefde tot de
+menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te
+geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst
+naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;&mdash;dat hart was zóó
+kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem
+alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die hem
+niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven&mdash;
+behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood
+verschijnen&mdash;zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met
+Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was
+het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst
+beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren.
+En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het
+oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke
+instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en
+het overige te doen vervallen.</p>
+
+<p>Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al
+vroeger opgegeven. Met al ’t andere, behalve de muziek-dictionnaire,
+die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij
+zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.</p>
+
+<p>Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig&mdash;gelijk de
+meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem
+was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken
+bestaan,&mdash;maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met
+een open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en
+aan bemind worden&mdash;die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste,
+oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel
+overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het
+wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het
+ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts
+verdiepen in zich zelven.</p>
+
+<p>Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen.
+Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef
+hij bij wijze van troost in die dagen: “men heeft niet alles verloren
+zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een
+overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in
+zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te
+verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft.” Aan
+dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp
+afwijzend: “ik heb slechts honger naar een vriend.” Ja, hij had weer
+honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart
+verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid
+steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.</p>
+
+<p>En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte
+handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem
+van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der
+groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in
+aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling?
+De mode van den tijd, die eischte dat “men” een of ander letterkundig of
+wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de
+Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen
+zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn
+betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?</p>
+
+<p>Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte,
+zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten
+eerste Mme de Verdelin&mdash;alweer een jonge vrouw met een minnaar, die Jean
+Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem over,
+droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en
+slecht-gehumeurdheden, verdedigde hem in ’t openbaar in de jaren dat
+haast elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en
+intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het
+hof kwam, en diens ma&icirc;tresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem
+altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke
+boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en
+beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der
+letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om
+alles glad te strijken.</p>
+
+<p>In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der “Nouvelle Héloïse,”
+begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een
+vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij
+schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den
+naam van Claire d’Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van
+een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen,
+het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette
+zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak,
+geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie
+van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in ’t geheel niet antwoordde.
+Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter;
+uit enkele zijner briefjes aan de “lieve Marianne” spreekt echte
+hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie
+maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau ’t hevigst werd
+aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en
+zelfs een brochure in ’t licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn
+steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans
+onder de “verdachten” te rekenen. In ’72 maakte hij een einde aan elken
+omgang tusschen hen.</p>
+
+<p>Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en
+hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde
+kennen.</p>
+
+<p>Van af dat de schrijver der “Discours” in hun buurt was komen wonen,
+waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij ’s zomers op
+het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar
+keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen
+soupeeren, als hij lust gevoelde.</p>
+
+<p>Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in
+den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de
+maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn
+bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer
+aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht
+en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met
+allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij ’s morgens nog in
+bed lag, de “Nouvelle Héloïse” voor die zij verrukkelijk vond.</p>
+
+<p>De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde
+kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een
+vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder
+eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en
+eenvoudig in zijn manieren, een mensch van ’t soort, waar Rousseau van
+hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe
+vrienden tot aan den dood van den hertog in ’64. Met de hertogin werd
+hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem
+was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar
+reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van
+’t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd,
+berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende
+geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij
+om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan ’t hof; zij
+had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau
+leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar
+konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in
+haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van
+zijn kant.</p>
+
+<p>In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn
+nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee
+om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij
+lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet
+voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken,
+hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon
+verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de
+kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde
+hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen.
+Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem
+niet met geschenken lastig te vallen.</p>
+
+<p>In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de
+groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst
+pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een
+eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in
+het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig
+van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke
+omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou
+houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje
+netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen
+verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet
+weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand,
+toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd,
+trok hij weer onder het dak van een groot heer. ’t Zou de laatste maal
+niet zijn, maar wel was ’t, helaas voor hem, de laatste maal dat een
+dergelijk experiment goed afliep.</p>
+
+<p>Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn
+huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen
+van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een
+paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen
+zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun
+herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo
+waren dit in ’t algemeen goede, rustige jaren voor hem.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De “Nouvelle Héloïse” werd lang voor de verschijning reeds veel
+besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele
+zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d’Houdetot
+afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn
+liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen
+hij ’t maakte, trilde onder ’t overschrijven nog in hem na; hij vond er
+een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en
+de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die
+afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen ’t boek leeren
+kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar
+uit. Eindelijk verscheen het werk, in ’t voorjaar van ’61: het succes
+was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der
+letterkunde. Dames van de groote wereld lieten ’t rijtuig, waarmee zij
+naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen
+lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur:
+de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle
+bestellingen. Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair
+succes:&mdash;de letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin
+merkte onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk
+op&mdash;het was een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen
+aangreep. Want in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van
+het akelige, verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke,
+louter-cerebrale leven van het ondergaand regiem. De diepten van het
+hart, de afgronden der persoonlijkheid sprongen open. De “Nouvelle
+Héloïse” beduidde de bevrijding der persoonlijkheid, in de eerste plaats
+van de persoonlijkheid der vrouw, van ondragelijke gekunsteldheid. Niet
+maar een aangenaam of schitterend auteur, neen, hun bevrijder, de
+bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke in hen was het, die de
+duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de “Nouvelle Héloïse”
+dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.</p>
+
+<p>Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven
+geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het
+zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij
+bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of
+geen heilige.</p>
+
+<p>Intusschen was ook de “Emile” voltooid geworden, dat andere kind van
+veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij
+had ’t even lief als de “Nouvelle Héloïse,” maar met een andere liefde,
+niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat ’t zijn rijpste en beste
+werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige
+geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. En
+dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, in al
+zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens en
+gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: het was
+de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke
+lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des
+harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging
+had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare;
+diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten
+het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn,
+zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had
+verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde
+zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het
+verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek in
+zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn
+geheim....</p>
+
+<p>Gelijk vroeger aan Mme d’Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan
+Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en
+hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar
+medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop
+althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was
+geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij
+een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste
+toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem
+vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare
+hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit
+te wisschen, had hij haar uitgewischt door den “Emile.”</p>
+
+<p>Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de
+eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de
+Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet
+plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den “Emile” toe te
+vertrouwen. Het “Contrat Social,” zoo noemde hij de hoofdstukken die hij
+gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij
+zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De “Lettre &agrave;
+d’Alembert” en de “Nouvelle Héloïse” hadden hem een bescheiden sommetje
+opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte
+hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs:
+daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die
+schatten verdiende aan de “Nouvelle Héloïse,” verzocht hem om
+toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te
+zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn.
+Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd
+dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor
+een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een
+warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van
+verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij
+dankbaarheid knellend en rukte zich los.</p>
+
+<p>Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot
+het bezorgen der uitgave van den “Emile,” van haar de belofte geëischt
+en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam
+gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen
+onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut
+vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij
+woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee,
+ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde
+er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor
+zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den
+martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam
+verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem
+onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was
+typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen:
+behoedzaam, bijna bangelijk&mdash;voorzichtig tegenover het gezag, en toch
+fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die
+gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, had
+niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste
+onaangenaamheden op den hals.</p>
+
+<p>Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan
+hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed
+waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip,
+waartegen zij te pletter moest slaan.</p>
+
+<p>Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de
+Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan ’t handschrift gezien had;
+dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland
+gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar
+inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel
+merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de
+copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij
+begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur
+niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat
+het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen;
+hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem
+gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg
+hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen
+antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek
+dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde
+zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden
+gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met ’t uit te geven tot hij
+dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij ’t dan ten
+hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn
+vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste
+discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen
+zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte
+zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem
+gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld
+proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij
+zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de
+Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven
+met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn
+van zelf-analyse, hij noemde die “de sleutel tot zijn gedrag.”</p>
+
+<p>Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de
+Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur
+toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en
+de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk
+ongecensureerd, dus <i>tegen</i> het wettelijk verbod te doen verschijnen;
+een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk
+door het feit dat de “Nouvelle Héloïse,” waarin evenals in den “Emile”
+de “natuurlijke godsdienst” verheerlijkt werd, in Frankrijk niet
+verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat
+Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.</p>
+
+<p>Nog voor de “Emile” verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te
+duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te
+waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een
+toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde
+zoo sterk, in “Emile” vóór den godsdienst, tegen de materialistische
+philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk
+immers met medeweten en onder goedkeuring van ’t hoofd der censuur, als
+het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn
+toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in
+Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun
+gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot
+verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om ’t te
+gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd ’t
+plan uitgesteld.</p>
+
+<p>De “Emile” verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire
+vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de
+verschijning der “Nouvelle Héloïse;” d’Alembert schreef hem om hem geluk
+tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der
+weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem
+heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering
+te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme
+de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou
+hebben, zich door middel van een “lettre de cachet,” een paar weken in
+de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het
+parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles
+wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar
+vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou
+vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar
+hem dreigde.</p>
+
+<p>In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin
+hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden
+morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te
+bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen
+een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen
+linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de
+dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag
+in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die
+juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van
+hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich
+voorloopig in ’t kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij
+naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de
+Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een
+edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees,
+gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen
+te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden
+vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.</p>
+
+<p>De ochtend ging heen met ’t inderhaast uitzoeken van zijn papieren,
+tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van
+het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte
+smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het
+achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee
+mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel
+van ’t hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging,
+waarmee de hertog naar die sleutel greep.</p>
+
+<p>Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te
+zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een
+geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij
+een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij
+groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen,
+die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die ’s
+morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat
+hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt
+hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een
+plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd,
+verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder
+een aangenomen naam te reizen, en ’t grootste deel van den weg is in
+zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij
+soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den
+avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot
+een idylle in den trant van Gessner.</p>
+
+<p>Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat,
+nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire
+partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst
+schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de
+wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was
+vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen,
+die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als
+jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen
+rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.</p>
+
+<p>Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de
+hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn
+overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan
+hij toen reeds leed, hun “lieve vriend” lieten trekken, al de ellende en
+zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem
+laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig
+waren? Zijn beschermers waagden, zoo ’t tot een proces kwam, meer dan
+hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge
+betrekkingen, hun positie aan ’t hof te verliezen. Wat valt er van hun
+houding te zeggen?</p>
+
+<p>Dit eene&mdash;en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van
+Rousseau het duidelijk en klaar gezegd&mdash;dat zij is geweest van een
+verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit
+de omstandigheden <i>verklaren</i> en in zekere mate <i>verontschuldigen</i> kan,
+maar die de waarheid verbiedt te <i>verbloemen</i>.</p>
+
+<p>Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche
+menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem
+ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid
+hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem
+weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een
+stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen
+gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo
+bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende
+hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd,
+zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij
+kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en
+gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn
+schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze
+bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los,
+inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem
+wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem
+zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe
+rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.</p>
+
+<p>Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles
+onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk,
+van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn
+meerderen waren.</p>
+
+<p>Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten.
+Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.</p>
+
+<h3><a name="III.De3"></a>III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN</h3>
+
+<p>De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht,
+jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht,
+grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens
+voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie
+geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten;
+vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de
+Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en
+kracht. Daarn&agrave; verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing
+en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van
+zijn bewustzijn kaatste het beeld eener &agrave;l wanstaltiger wereld, te
+midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de
+voorstelling troonde van het eigen ik.</p>
+
+<p>In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken&mdash;de
+wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug&mdash;die te zamen het
+beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt
+zijner kracht. Het zijn: de “Lettre a d’Alembert,” de “Nouvelle
+Héloïse,” het “Contrat Social” en de “Emile.” Zijn vroegere geschriften,
+met name de beide “Discours,” zijn nog slechts aanloopen tot deze
+werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen
+gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. Wat
+de werken n&agrave; Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee
+rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de “Lettre &agrave; Monseigneur de
+Beaumont,” de “Lettres de la Montagne” en de “Gouvernement de Pologne.”
+Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote
+jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen,
+versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en
+levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der
+tweede rubriek, de “Confessions” en de “R&ecirc;veries” zijn, zuiver als
+woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, de
+levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken,
+waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate
+waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te
+roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van
+Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de
+“Confessions” en de “R&ecirc;veries” boven de “Nouvelle Héloïse” en den
+“Emile,” omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en
+uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin
+de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en
+sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.</p>
+
+<p>In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener
+levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de
+natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling
+(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal,
+klasse-verhoudingen) uitgebeeld. In de “Nouvelle Héloïse” en de “Lettre
+&agrave; d’Alembert” vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk,
+gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den “Emile” die van
+godsdienst en opvoeding, in de “Contrat Social” zijn staatkundig ideaal.
+Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het
+menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij
+worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en
+denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot
+levenswerk.</p>
+
+<p>Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht
+niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van
+den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote
+onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te
+leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht
+te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak
+niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom
+bruischte ’t sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De
+geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde
+tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met ’t universum, werd
+somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De
+sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem,
+maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn
+conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten (“Nouvelle
+Héloïse”) tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn
+conceptie van den idealen staat (“Contrat Social”) verstandelijk betoog
+is gebleven. En vandaar ook dat in den “Emile,” die een algemeene
+theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt
+tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch
+tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en
+jong-meisje tot elkaar behandelen.<a href="#fn34">[34]</a></p>
+
+<p>De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo,
+dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot
+dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht
+bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten
+is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der
+fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél
+kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, de
+weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het
+lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende
+verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,&mdash;d&agrave;&agrave;r lag zijn
+vaderland, d&agrave;&agrave;r voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied,
+met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame
+worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich
+eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het,
+om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en
+dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend,
+zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en
+aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde,
+maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de
+zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als
+synthetisch-konstruktief is. Het werd bevrucht door zijn gevoel,
+doorgloeid van den gloed zijner haat en zijner liefde; in het
+doordrongen-zijn der redeneering met hartstochtelijke bewogenheid lag
+zijn vermogen anderen mee te sleepen.</p>
+
+<p>Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave
+missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote
+verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk
+onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een
+vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe
+vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van
+zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en
+betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm
+van den roman-in-brieven, die hij in de “Nouvelle Héloïse” toepaste, was
+niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen
+romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten
+een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson was
+de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige
+afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van
+Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot
+het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie.
+Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen
+opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel
+voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door
+de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken
+en te verstrooien,&mdash;hetzij door verhalen van lage en platte avonturen
+gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische &agrave; la Prevost, of
+prikkelend-zinnelijke &agrave; la Crebillon, werd in de handen der groote
+burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot
+bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun
+romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den
+inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke
+inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze
+de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der
+feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.<a href="#fn35">[35]</a></p>
+
+<p>In den “Emile” schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens
+in-elkaar-overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in
+alle opzichten het meest origineele zijner werken.</p>
+
+<p>In de “Lettre &agrave; d’Alembert,” dat de schakel vormt tusschen de “Nouvelle
+Héloïse” en den “Emile,” wordt het betoog, de kritisch-satirische
+beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de
+idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven
+der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een
+adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde
+herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene
+verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.</p>
+
+<p>Niets van beeld of lyriek in het “Contrat Social.” In de hier behandelde
+groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen
+vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft
+Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding
+vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug,
+bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen
+hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam
+brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen.
+Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere ooren
+en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe
+eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid
+laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen;
+een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid,
+beklijvend in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van
+verontwaardiging over het onrecht dat aan de massa’s geschiedt, van
+weerzin tegen de dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op,
+vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij
+slingeren zich tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en
+democraat, steun eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en
+opvoeder der groote revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!</p>
+
+<p>Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat
+beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De
+beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere
+smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn
+innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen
+zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn
+voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche
+gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel
+doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver
+maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De
+geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid,
+gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van
+Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de
+oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een
+hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een
+vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden
+geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie
+en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der
+eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had
+verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had
+verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle
+zoete en sterke bewegingen van het gemoed.</p>
+
+<p>Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met
+Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze,
+in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende
+moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu
+isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de
+samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der
+vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den
+burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn
+hoogmoedig hart.</p>
+
+<p>Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo
+liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij
+Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn
+ouderdom, de “Confessions” en de “R&ecirc;veries.” Naast de eenvoudige rijke
+levendigheid der “Confessions” en de onbeschrijfelijke harmonie, de
+betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne
+doorzichtigheid der “R&ecirc;veries” staan de werken der groote jaren als
+minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.</p>
+
+<p>Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë
+sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is&mdash;er staat
+tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat
+der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze
+parels van woordkunst: de “Confessions” en de “R&ecirc;veries,” ontbreekt.</p>
+
+<p>Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de
+tekortkomingen en de onzuiverheden in de werken der groote jaren?
+Vanwaar hun gebreken, vreemd aan de werken van Rousseau, welke
+uitsluitend zijn persoonlijk leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in
+de uitdrukking van het gevoel, de gezwollenheid, bij een dichter die het
+gevoel zoo zuiver wist te uiten? En vanwaar ook de hooge toon van deze
+werken, de heerlijke gloed die ze doordringt, de edele verheffing?
+Vanwaar?</p>
+
+<p>Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de
+maatschappij. Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn
+onderwerp, dat is van zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle
+revolutionnaire dichters, had hij ook den stijl der opkomende
+maatschappelijke krachten, die der klassen wier belangen en behoeften
+zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel der opkomende burgerlijke
+klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.</p>
+
+<p>De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere
+volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en
+juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der
+kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in
+den weg stonden.</p>
+
+<p>Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de
+ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering
+en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd
+tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de
+dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit
+wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel
+een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa’s om de banden
+hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te
+voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische
+tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te
+houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud
+der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld
+door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid
+gestelde taak te zien, schitterend in fantastische
+overdrijving,&mdash;daartoe moesten de revolutionnaire strijders in zich een
+wereld van stemmingen, voorstellingen, ideale gevoels- en
+gedachte-vormen oproepen. De stof tot deze ideale wereld vonden zij
+voornamelijk in de historische legenden der klassieke oudheid. Daaruit
+steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het patriotisch en
+republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme, die zij
+bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich
+vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de
+werkelijkheid hun ontzegde te zijn.<a href="#fn36">[36]</a></p>
+
+<p>Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven
+den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de
+vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de
+uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het
+theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet
+anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het
+gevoel.</p>
+
+<p>Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-’92, was ook het noodlot van
+Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij
+Byron en Schiller,<a href="#fn37">[37]</a> gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de
+burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie
+tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij
+vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë
+laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der
+revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher
+harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren
+innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen
+bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij
+geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in
+den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht
+en heerschzucht en nijd.</p>
+
+<p>Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar
+voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn
+sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming
+der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen
+tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood
+aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch
+voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in
+aantocht was<a href="#fn38">[38]</a> en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn
+tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige,
+door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie den
+stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige,
+onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie,
+kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der
+levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te
+volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken
+moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme,
+bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze
+gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en
+te versterken.</p>
+
+<p>Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig
+instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe
+maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun
+wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met
+alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig
+kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd.
+Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en
+de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de
+valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze
+gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan
+het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar
+waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld
+brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.</p>
+
+<p>Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in
+zijn onlangs verschenen werk “Jean Jacques Rousseau révolutionaire,” dat
+Rousseau “de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te
+veranderen” en dat hij “zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft
+opgedrongen aan de revolutie.” Zulk een toovenaar was hij niet!
+Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde
+welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou
+behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun
+taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van
+hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn
+werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.</p>
+
+<p>En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de
+schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal
+waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die
+geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het
+gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had
+Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan
+een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit
+Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden
+geput.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau
+in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het
+menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het
+universum), en de verhoudingen der menschen onderling.</p>
+
+<p>Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk
+God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de
+menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor
+dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met
+de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in
+Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later
+verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd
+tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.</p>
+
+<p>Het achtiend’eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote
+bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk
+gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook,
+maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk,
+dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks
+staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin
+overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn,
+maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme
+der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een
+deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der
+toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende
+beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er
+sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt
+stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij
+te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het
+zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische
+philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale
+neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen
+van den mensch.</p>
+
+<p>In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god,
+boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de
+verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn
+eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij,
+die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken
+arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen
+tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen
+tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.<a href="#fn39">[39]</a> De
+warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel,
+den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als
+zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander
+gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der
+menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch
+spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de
+eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de
+concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk
+middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten
+God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend’eeuwsche philosophie een
+groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd
+werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en
+samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den
+voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.</p>
+
+<p>Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen
+groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was
+zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch
+was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen
+over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken
+grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid
+was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren
+òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere
+afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en
+absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de
+grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de
+kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.</p>
+
+<p>In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de
+burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen
+(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen
+godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een of
+anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar
+bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de
+abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke
+verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als “de breidel
+der rijken en de troost der armen” gelijk Rousseau het zeer juist
+uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en
+onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk
+fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal,
+handelen. Zooals het achtiend’ eeuwsch materialisme tot de ethische
+theorie van “zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch” leidde, zoo
+beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale
+gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid
+van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk
+handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de
+eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen
+staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen
+met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij
+hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning
+voor het onderdrukken daarvan.</p>
+
+<p>Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee
+polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide
+wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is
+daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als
+“reaktionnair” in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het
+punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende
+klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de
+strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was
+Rousseau, door zijn individualistische uitspraak “elk mensch staat
+rechtstreeks tegenover god,” niets minder revolutionair dan de
+materialisten door de hunne “er bestaat geen god.”</p>
+
+<p>Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van
+Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan
+een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme,
+in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die
+hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek
+moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven,
+verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn
+Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, de
+verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle
+samenwerkende emotie’s van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste
+expansie der persoonlijkheid.<a href="#fn40">[40]</a> Zoo komt het dat hij wel vaak op den
+grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god te
+identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke
+kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het
+menschenhart geschreven had.</p>
+
+<p>Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos
+zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen.
+In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm,
+bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier
+stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk
+wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen
+God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en
+maatschappelijk op ’t punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan
+koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad;
+zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet
+de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden.
+Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver
+overtreffend! Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen
+onrecht, niet onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te
+staan en het juk af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook:
+beklemd door over-machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld
+sedert de eerste smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het
+goede gezocht, en hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning
+en verdriet! Het heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld
+ontzegd was, verplaatste hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid
+die voor hem uitbleef op aarde, zou hem in een ander leven alles
+vergoeden. “Mijn vriend,” schreef hij aan een kennis uit Genève, “ik
+geloof aan God, en God zou niet rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet
+onsterfelijk ware.” “Zoo ik geen ander bewijs had van de
+onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den booze en de
+onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld,” spreekt de “Vicaire
+Savoyard,” “zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. Ik zou
+tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven,
+alles wordt hersteld na den dood.”</p>
+
+<p>Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het
+slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de
+laatste boeken van de “Nouvelle Héloïse” en in de belijdenis van den
+“Vicaire Savoyard” heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het
+geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.</p>
+
+<p>De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het
+eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij
+vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van
+gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of
+slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den
+mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het
+lichaam; het is “het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche
+stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede
+begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god
+gelijk maakt”....</p>
+
+<p>“Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve
+ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit
+gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam
+waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil
+is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word
+overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven
+wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn
+hartstochten.”</p>
+
+<p>Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en
+de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en
+geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid
+en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma’s, openbaring, Christus als
+middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit
+aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der
+maatschappelijke verplichtingen.</p>
+
+<p>Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische
+spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant
+heft Rousseau ’t weten op, om plaats te maken voor ’t gelooven; gelijk
+Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in
+innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons,
+die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken
+oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag
+de dingen te kennen. “Wij zijn,” zegt de “Vicaire Savoyard,” “van alle
+kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te
+onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door
+middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de
+grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen
+overlaat, zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op
+zich zelven is, en wat wij met betrekking er toe zijn.”</p>
+
+<p>Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle
+tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het
+werkelijk bestaan, het <i>Ding an sich</i> niet vermogen te kennen?</p>
+
+<p>Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en
+bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit
+tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun
+persoonlijken aanleg.</p>
+
+<p>Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij
+de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling
+der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der
+Middeleeuwen, en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan
+zijn vernietiging, vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte
+denken, de mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze
+natuur, vult het dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het
+denkbeeld van de plicht, dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en
+het weerstand bieden aan de verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn
+leer voor de opkomende burgerij een groote sociaal-ethische beteekenis.
+Plicht, dat is het afstanddoen van eigen voordeel en winst, het
+weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen wanneer ’t geweten
+spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang bij het algemeene,
+het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de levensleer niet
+in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar der
+<i>arbeidende</i> kleine burgerij.</p>
+
+<p>Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische
+natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten,
+maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren
+troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij
+slaagde er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de “laffe
+schim”<a href="#fn41">[41]</a> der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te
+blazen, aan het kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma’s,
+zonder geopenbaarde waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen,
+een zachte warmte en een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg
+vooral <i>politieke</i> en <i>literaire</i> beteekenis: door het sentimenteele
+geloof van Robespierre en de Jacobijnen aan een “Etre supr&ecirc;me,” een
+opperste-abstraktie, samenvattend al die andere abstrakties van Vrede,
+Vrijheid, Recht, enz. enz., achter welke zich, voor hen zelven onbewust,
+zeer reeële en materiëele klassebelangen verborgen; en door het vage,
+onbestemde, poëtisch-opgesmukte deïsme en spiritualisme van
+Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred de Musset, George Sand,
+enz.&mdash;Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks af van de
+geloofsbelijdenis van den “Vicaire Savoyard.”</p>
+
+<p>Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig
+jaar geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de
+“Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard” behandelde, vierde hij de
+bekeering van Rousseau tot godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het
+begin der christelijke reaktie tegen het systematisch ongeloof en
+eindigde zijn beschouwing met de volgende woorden: “Mijne heeren, men
+moet kiezen tusschen den priester en den politieagent, en wij prijzen
+het in Rousseau, dat hij den eerste heeft gekozen.”</p>
+
+<p>De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij
+meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan
+de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn
+tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de
+autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen
+versterken.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede “Discours,”
+de voorrede van “Narcisse,” het artikel voor de Encyclopedie over
+politieke economie en het opstel over “het regeerstelsel van Polen”)
+heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen
+op den menschelijken staat behandeld.</p>
+
+<p>Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze
+geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke
+hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme.
+Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk van
+de grondslagen van den staat behandeld in het “Contrat Social.”
+Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den
+strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming en
+alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen
+schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het
+maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede “Discours” en het
+“Contrat Social” heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken.
+In dit “Discours” immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den
+eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het
+maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen
+ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle
+ondeugden, alle menschelijke ellende. In de “Contrat Social” prijst hij
+daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving
+en den burgerlijken staat verworven heeft. “Al doet de mensch (in dezen
+staat),” luidt het daarin, “afstand van verschillende voordeelen, die
+hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn
+vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen
+verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe
+levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit
+hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen,
+dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen
+maakte.” Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt
+wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede
+“Discours,” en wat met het “Contrat Social” beoogde. In het een zoowel
+als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen
+te lijf. In het bewuste “Discours” stelde hij tot dit doel tegenover de
+sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n.
+“natuurstaat” en verheerlijkte die; in het “Contrat” onderzocht hij de
+oorsprongen van den staat in ’t algemeen om daaruit de onwettigheid te
+demonstreeren van het absolutisme.</p>
+
+<p>Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire
+denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat
+te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste
+vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en
+vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de
+voortreffelijkheid van het “gemengde” (d.w.z. engelsche,
+half-burgerlijke,) boven het absolutistisch regeerstelsel te
+concludeeren. Het juridisch onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot
+uitgangspunt het bestaan van een onveranderlijk, onvervreemdbaar
+menschenrecht, het recht te beschikken over de eigen persoonlijkheid, en
+leidde uit het bestaan daarvan de onrechtmatigheid der heerschende
+politieke instellingen af. Het eerste uitgangspunt leidde tot onderzoek
+der konkreete werkelijkheid en voerde in de praktijk tot gematigde
+voorstellen; het stelde zich tevreden met aan te sturen op een kompromis
+tusschen de absolutistisch-feudale en de burgerlijke klassen, gelijk in
+Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu schreef als realist en
+hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van Rousseau voerde tot
+den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. In
+zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste
+aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische,
+terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat
+tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt.
+Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair,
+gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den
+inhoud van het bewustzijn dat &iacute;s.</p>
+
+<p>Daar waar Rousseau in het “Contrat” de onbegrensde ruimten der
+abstraktie verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete
+werkelijkheid, rekening houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar
+zwijgt de koene revolutionaire denker en hoort men de stem van den
+weifelenden, voorzichtigen kleinburger.</p>
+
+<p>De mensch&mdash;aldus de gedachtegang van het “Contrat Social,”&mdash;is vrij
+geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. “Het
+recht van den sterkste” is niets als een leugenachtige uitdrukking. De
+noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar
+met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk
+kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke
+macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen
+enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder
+de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij
+zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot
+oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne
+leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in
+ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht
+van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne
+krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele
+en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal
+gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als
+<i>burgers</i> deel aan het gezag, als <i>onderdanen</i> zijn zij aan de wet
+onderworpen.</p>
+
+<p>Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat
+zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden?
+Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil
+hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger
+heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene;
+maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke
+persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt
+met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil
+hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de
+wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om
+vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich
+onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet
+tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn
+eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar,
+de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen
+welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds
+het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.</p>
+
+<p>De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren
+en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de
+regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn
+dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk.
+Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd
+vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding
+van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk
+lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale
+kontrakt.</p>
+
+<p>De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of
+demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de
+handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal
+zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie
+alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil
+des volks maar ’t heil des konings, die onophoudelijk streeft naar
+vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van
+een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen
+welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig
+vorst.</p>
+
+<p>Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de
+beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een
+aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige
+zeden, gelijkheid der vermogens, enz. “Bestond er een volk van goden,
+het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen
+is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt.” In de praktijk is
+dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest
+verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust.
+Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de
+aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste
+waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz.
+van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in
+den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties
+verkiezen.</p>
+
+<p>Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest
+verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den
+staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling
+der produktiekrachten enz. In ’t algemeen is de eenhoofdige regeering ’t
+meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de
+middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken
+van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een
+slechte haar vermindering.<a href="#fn42">[42]</a></p>
+
+<p>Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van
+den souverein, dat is van den volkswil.</p>
+
+<p>Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering
+die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot
+onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend
+vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde
+tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit te
+oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk
+kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een
+stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein
+behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of
+het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er
+thans mee zijn belast.</p>
+
+<p>Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het
+verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan
+noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept
+zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een
+talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te
+geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.</p>
+
+<p>Men ziet hoe het “Contrat Social,” in den vorm eener abstrakt-juridische
+redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der
+demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den
+soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen
+souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als
+zaakgelastigden van het volk,&mdash;dit alles waren in de dagen van Rousseau
+revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts
+voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn.
+Vandaar dat het “Contrat” slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas
+door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor
+deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders
+van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en
+denkbeelden schepten.</p>
+
+<p>De rol die het “Contrat Social” heeft vervuld als het evangelie der
+burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het
+overheerschend <i>klein</i>burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen
+die Rousseau in het “Contrat Social” verkondigt. De ideale staat die hem
+bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige
+abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine
+boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der
+teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden
+patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om
+den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de
+instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een
+tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was de
+arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen
+bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den
+landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was;
+industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen
+gering.</p>
+
+<p>Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking
+tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het
+“Contrat Social.” Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten
+over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld
+welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het
+eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de
+afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten
+voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner
+geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer
+sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de
+politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat
+geregeld behoort te worden; in de “Contrat Social” noemt hij het de
+plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende
+ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de “Lettre &agrave; d’Alembert”
+verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij de
+belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel
+ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een
+groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,<a href="#fn43">[43]</a> gelijk
+de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in
+praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het
+“laissez-faire en laissez-allez” de opvatting dat de staat zich tevreden
+behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk
+met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet
+de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie,
+uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere
+bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het
+proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der
+uitbuiting. Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had
+geen bezwaren tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der
+massaas door de industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als
+tegen hun plundering door de feudale grondbezitters en den koninklijken
+fiscus. En de kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het
+ingrijpen der overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn
+arbeidswijze, zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin
+niets van hinderlijken dwang.</p>
+
+<p>Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur
+voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid
+der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit
+alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der
+oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer
+10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die
+hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten
+kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den
+handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die
+op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn
+verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts
+onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne
+persoonlijke.</p>
+
+<p>Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het
+volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den
+hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee van
+den “abstrakten staat” niet uit zijn hoofd haalde maar uit de
+werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat
+herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid
+ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: de
+kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle
+burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.</p>
+
+<p>Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot
+verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid
+van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren.
+Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter
+uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich
+somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte
+zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te
+schrijven, die hem volkomen vreemd waren.<a href="#fn44">[44]</a> Zeker kan men uit deze
+uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden,
+echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het
+verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en
+wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte
+de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch
+inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de
+gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn
+geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom
+als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over
+de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als “het
+heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog
+belangrijker dan de vrijheid.” In het “Discours” over den oorsprong der
+ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. “socialistische” uitval tegen
+het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere
+plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn
+voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het
+verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau
+meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen
+was voorafgegaan.</p>
+
+<p>Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het
+kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op
+uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate
+onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. “De arbeid,” luidt het in
+het “Contrat Social,” “de ontginning van den bodem is het eenig teeken
+van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden.” Dit
+kleinburgerlijk, op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de
+grondslag der vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der
+wetgeving, de gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te
+herstellen, en de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te
+beperken, dat geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en
+geen hunner uit armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen.</p>
+
+<p>De eenige vorm van eigendom, die naast het kleinburgerlijke genade vindt
+in zijn oogen, is het patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik
+produceerende grootgrondbezit.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en
+affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de
+rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak
+van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot
+zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms
+wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid,
+zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. “Voor de mannen
+<i>bezitten</i>, voor de vrouwen <i>ontrooven</i> ziedaar heel het spel, heel de
+eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk,
+wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de m&#339;urs verpersoonlijkt
+in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus
+tot den Amor der oude tijden: “uw minnaars waren niets als goedzakken,
+zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de
+omringende echo’s. Ik voor mij heb de echo’s afgeschaft. Komaan, zeg ik,
+ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet
+zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: “ik sterf;” er is niets
+levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles is
+geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije
+tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze
+goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om
+teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten,
+vallen zij aan; zij zeggen niet “doe mij de gunst,” zij nemen ze: en zoo
+hoort het.”<a href="#fn45">[45]</a></p>
+
+<p>Liefde&mdash;groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den
+minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk
+als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche
+gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste
+levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met
+den spotnaam: “eerbiedwaardige verhoudingen.” Suggereert de uitdrukking
+niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de
+provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot
+een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich
+aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.</p>
+
+<p>Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie,
+hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: “zoo ge
+driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal
+bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen.” De liefde
+is &agrave;l scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan ’t begin
+’t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar.
+In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen
+verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.</p>
+
+<p>De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste
+instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten
+met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar
+begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want
+dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar
+nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen.
+“Gij zijt,” zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul,
+“ontbloot van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen.”</p>
+
+<p>Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog “in gevoel
+doen,” en er nog “provinciale veroordeelen” op na houden zijn zeldzaam.
+Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een “zekere
+elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar
+val.”<a href="#fn46">[46]</a> En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een
+theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het
+enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met
+de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma:
+“het eenige goede in de liefde is het lichamelijke.”</p>
+
+<p>Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo
+leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de “Nouvelle Héloïse.” Het
+boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere
+sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden.
+Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd,
+lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in
+zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit
+één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de
+schoone verhouding der deelen tot ’t geheel. Wat had hij al niet
+omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle
+levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! De
+philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de
+staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de
+paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit
+gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan
+hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In ’t
+hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene
+en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet
+meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de
+Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen,
+verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit
+elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen
+verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend
+haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van
+wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de
+menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden van
+aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke
+ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van
+kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de
+geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij
+kunnen niet weerstaan.</p>
+
+<p>Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van
+elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte
+moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de
+onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al
+berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij
+ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende
+blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de
+liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt
+de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de
+deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de
+menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt
+hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander
+wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen
+persoonlijkheid.</p>
+
+<p>Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige
+vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie
+gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der
+gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen
+van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.</p>
+
+<p>“Ik weet niet of ik mij vergis,” schrijft Julie aan haar minnaar, “maar
+het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden
+is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één
+voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te
+maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor
+het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet
+langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij
+en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de
+zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een
+verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij
+verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis,
+zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam
+maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen
+haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten
+alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen.”</p>
+
+<p>Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde
+met de schaamtelooze wellust van Marivaux!</p>
+
+<p>Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee
+Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze
+kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux
+beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere
+teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend
+gelijk zij ’t grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het
+temperament van Sophie haar ’t wachten op een man moeilijk maakt en
+schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig,
+door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.</p>
+
+<p>In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt
+van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte
+der sexueele moraal.<a href="#fn47">[47]</a> De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid
+prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de
+tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te
+verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of
+liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te
+los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding
+aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en
+valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne
+waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar
+grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke
+neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het
+teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en
+eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die
+natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed
+met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.</p>
+
+<p>De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt
+het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met
+elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar
+geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste
+in onze persoonlijkheid.</p>
+
+<p>Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de
+natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.</p>
+
+<p>De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te
+verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling,
+waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het
+recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander
+recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur,
+zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die
+Rousseau in de laatste boeken der “Nouvelle Héloïse” in beeld heeft
+gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken,
+de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos
+volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te
+leven volgens hooge zedelijke beginselen.</p>
+
+<p>Op het oogenblik van Julie’s huwelijk met Wollmar&mdash;den veel ouderen,
+koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede
+gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden
+acht door de beschikking van haar vader&mdash;gebeurt er een wonder: in haar
+voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht
+gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar
+hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan
+haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als
+vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser
+en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de
+heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een
+nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een
+uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar
+nieuwe taak. “Ik wil,” spreekt zij tot hem, “den echtgenoot liefhebben,
+dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste
+plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat
+volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen
+der rede die uw gave in mij is.”</p>
+
+<p>Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij
+zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de
+betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende
+verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. “Het is een dwaling
+te meenen,” schrijft Julie aan haar minnaar, “dat de liefde noodig is
+tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid,
+bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter
+en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere
+affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en
+rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te
+zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te
+vervullen, zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en
+eere op te voeden.” Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken
+staat tegen haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op
+het landgoed nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.</p>
+
+<p>In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de
+voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin
+(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve
+voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij
+heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij
+staat feitelijk aan ’t hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en
+van een talrijk personeel.</p>
+
+<p>Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is
+het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende,
+allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des
+levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om
+zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt
+geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij ’t
+wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur
+hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef
+stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt
+Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt
+gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en
+liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar
+laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.</p>
+
+<p>Zoo verzoent Rousseau in de “Nouvelle Héloïse” het recht der
+persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk;
+hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als
+jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde,
+ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan.
+Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een
+zedelijke revolutie, een “Umwertung aller Werte.” De jonge meisjes
+bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een
+passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het
+tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of
+een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als
+een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige
+erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het
+denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche
+steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan
+vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe
+opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!</p>
+
+<p>“Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd,” aldus een
+schrijver uit die dagen. “Vroeger kwam ’t huis op stelten te staan als
+de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo
+de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was
+zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar
+aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te
+weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar
+wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In
+waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te
+huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen
+verdraagzaamheid, vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de
+echtgenooten elkaar lief, des te beter: zij leven samen en zijn
+gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan zeggen zij het elkaar als eerlijke
+lieden en geven elkaar hun belofte van trouw terug. Zij zijn niet langer
+minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik zachte en sociale zeden.”<a href="#fn48">[48]</a></p>
+
+<p>Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere
+klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan
+verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de
+provincie; òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of
+moest te velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van
+aanbidders, haar minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken;
+voor haar hield ’t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der
+landgoederen en lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op
+het half ontvolkte platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie,
+scheen aan die wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven,
+sterven van verveling: daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk
+werd de opneming eener clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de
+vrouw zich het recht voorbehield, haar man niet te volgen als hij op
+zijn landgoed in de provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin
+te verplaatsen op het platte land, ver van het groote stads-leven, door
+Wollmar en Julie voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en
+raadgevers eener boerenbevolking, “wier lot zij streefden te verzachten
+zonder het hun mogelijk te maken hun staat voor een anderen te
+verwisselen,” ging Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende
+klassen zijner dagen in.</p>
+
+<p>Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn
+huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte
+werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De
+jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten
+eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich
+zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, in
+de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in
+eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of
+verhanseld door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet
+in alle vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar
+anders dan voor de adellijke dametjes, was voor haar ’t huwelijk ’t graf
+der vrijheid. Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk
+van zorg en moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en
+gebondenheid ging beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.</p>
+
+<p>Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven
+overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen,
+huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk,
+en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat.
+Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te
+stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de
+vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,&mdash;propagandistische
+kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo
+ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van
+kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in
+de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere
+verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en
+geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen,
+zoovelen tot zegen zijn.</p>
+
+<p>Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor
+Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk
+te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de
+school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de
+rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht
+om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit
+compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man
+dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij
+hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich
+gebonden rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander
+had beloofd? Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn
+kind beschikken? En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der
+persoonlijkheid? Kan dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te
+breken, om vaderlijke veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd?
+Heeft het jonge geslacht niet het recht en de plicht, om de moreele
+banden waarin het vorige het leven voor goed wil breidelen, door te
+snijden, zoodra het die als vooroordeelen voelt? Kan de groei des levens
+gaan op andere wijze?</p>
+
+<p>Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde
+en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen.
+Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet
+eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk
+gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en
+bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de
+gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs
+verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene
+genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit
+alleen erkennen wij als het ideaal.</p>
+
+<p>Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de “oplossing” der
+“Nouvelle Héloïse.” En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast
+vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons
+zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.</p>
+
+<p>In de “Nouvelle Héloïse” zien wij de vrouw optreden als de genoote van
+den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige
+opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den “Emile” lezen
+wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.</p>
+
+<p>Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de
+bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale
+bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich
+die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen
+arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld
+ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en
+het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin
+door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het
+ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half
+patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap:
+in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar
+lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst
+van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.</p>
+
+<p>In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich
+aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in
+zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan
+het geestelijk leven van hun tijd.</p>
+
+<p>Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies,
+deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle
+waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing,
+vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit
+soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat
+“de geleerde vrouw haars mans roede is.” De geestige blauwkous en
+mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen
+een soort van monster.</p>
+
+<p>De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om de
+natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze
+geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet
+veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar
+slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest&mdash;in zoover
+dit oorbaar was voor een vrouw&mdash;binnen te leiden. Maar één ding moest
+haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te
+verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. “De vrouw
+is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te
+dulden.” En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit
+onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te
+verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.</p>
+
+<p>Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als
+slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, maar
+de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol is en
+gebruik maakt van de wapenen der zwakken. “Haar bevelen zijn
+liefkoozingen, haar bedreigingen tranen.” In de nauw-omsloten sfeer van
+het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de
+heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van
+waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te
+onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.</p>
+
+<p>Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de
+salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De
+natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest
+daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar
+geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te
+leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der
+oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der
+woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het
+openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch
+leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren,
+en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten
+door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen
+verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het
+elkander lichtzinnig na&auml;pen, zooals de ijdele kwasten en de malle
+salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het
+mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in
+geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.</p>
+
+<p>Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming
+van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande
+ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij
+niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten
+moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke
+mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit
+weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin
+de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken
+en liefhebben zal.</p>
+
+<p>Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en
+onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn
+kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag
+mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide
+eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij.
+Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om
+haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en
+in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En
+hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden
+zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het
+karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid <i>der vrouw
+van den man</i> vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in
+den dienst der gemeenschap.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk
+vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede
+patriotten zagen vol onrust dat “er geen mannen meer waren” en broeiden
+over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner
+voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri;
+maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het
+menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires,
+dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk
+verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal
+meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder
+nationaal-beperkt.</p>
+
+<p>Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone
+opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in.
+Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt
+om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven
+der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle
+doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche
+manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst
+verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen.
+Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en
+vrouwen, geen menschen.</p>
+
+<p>Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming,
+moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden.
+Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid,
+uitbundig-pleizier-hebben was uit den booze, springen en hollen
+verboden; hoe sneller en volkomener de arme wezentjes tot apen der
+volwassenen werden gemaakt, des te beter was de opvoeding gelukt. Het
+familie-leven bestond in de hoogere kringen feitelijk niet meer, de
+kinderen kenden hun ouders nauwelijks; zij werden van af hun geboorte
+aan de zorgen van vreemden toevertrouwd: eerst aan een min, later aan
+gouverneurs en gouvernantes. Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt,
+gepoederd, geparfumeerd, de jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de
+meisjes met de onmisbare waaier in de hand, een oogenblikje hun
+opwachting maken bij het morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk
+weer te verdwijnen, want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame
+toch niet.</p>
+
+<p>Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der “natuurlijke
+opvoeding” oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij
+zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met
+zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in
+dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen.
+Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen
+wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie
+vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des
+kindes is; geef het&mdash;en dat is het eerste wat hem toekomt&mdash;geef het een
+moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die
+het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg;
+die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn
+bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn
+spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde
+beleefdheids-vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen
+waarvan ’t niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles
+wordt door de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge
+wezen vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het
+kind niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het
+door lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en
+kou, honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende
+tot zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als
+een jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is;
+denk niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen
+leeftijd wel bereikt? Kwel het niet met de studie van ’t latijn, giet
+het geen abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode
+geleerdheid van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn
+leermeesteresse zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn
+zintuigen spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt
+om later veel te kunnen begrijpen. “Om goed te leeren denken, moeten wij
+onze ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de
+werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij te
+trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond.”</p>
+
+<p>Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen
+vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn
+denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties.
+Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de
+oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit
+noemde de kritiek zijn “overdrijving.” Zij begreep niet dat overdrijving
+bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de
+menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar
+het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van
+het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch
+hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening
+van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en
+zintuigen. Door deze en andere “overdrijvingen,” dat is door de koenheid
+van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot
+een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.</p>
+
+<p>Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den “Emile,” den mensch
+opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder
+mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de
+genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door
+een <i>openbare</i> opvoeding, gelijk regel was in de republieken der
+oudheid;<a href="#fn49">[49]</a> deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel
+in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers
+voort, maar slechts bourgeois.</p>
+
+<p>Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en
+het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt
+niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig
+als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem
+waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste
+trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn
+individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder
+den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der
+opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en
+plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken
+van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen
+van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel
+zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de
+individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar
+waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v.
+Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf
+“bourgeois” voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke
+parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf
+buiten-maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de
+levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in
+het “Contrat Social” den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed
+hij het in “Emile” den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn
+revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse-
+opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed
+tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving,
+die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen
+kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal
+waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen
+verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen.
+In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de
+overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond
+zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.</p>
+
+<p>Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel
+voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen.
+Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken
+doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid,
+zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. “Men gaat slechts de
+eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men
+geleerd heeft: “meester, ik verlang werk.” Gezel, zie: hier is werk,
+neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw
+middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht
+dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te
+leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en
+rechtvaardig leven hebben geleid.”</p>
+
+<p>Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling
+gereed te maken voor “alle wereldsche landen waarheen het lot hem
+voert,” maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van
+kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen.
+En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk
+is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit
+te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld
+zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder
+grootindustrie,&mdash;een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.</p>
+
+<p>Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding,
+wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen
+gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend
+geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de
+grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen.
+Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als
+knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.</p>
+
+<p>Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de
+zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk
+brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij
+niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar
+en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer
+weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke
+nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij
+uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er
+was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in
+zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.</p>
+
+<p>Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve
+betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke
+noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche
+wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve
+heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen
+lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen,
+wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen.” De
+levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging,
+het beheerschen zijner driften en aandoeningen. “Wat ons door de natuur
+verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze
+krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet
+kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is
+verzoeking niet te kunnen weerstaan.” Wie zijn hartstochten beheerscht,
+zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en
+te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis
+voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de
+eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft
+waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat
+zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle
+wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en
+aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de
+wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De
+mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom
+moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er
+geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij
+verplicht te gehoorzamen, ook al valt ’t hem zwaar zijn vrij en
+verborgen leven prijs te geven.&mdash;Zoo duikt op het einde van den “Emile,”
+in den “abstrakten mensch,” de burger, het lid eener politieke
+gemeenschap toch weer op.</p>
+
+<p>Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het
+leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels
+die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht,
+winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen,
+tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.</p>
+
+<p>Hoe wordt nu dit doel bereikt?</p>
+
+<p>Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de
+veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind.
+Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen
+leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende
+behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar
+behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het
+dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige
+leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is
+het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder
+teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol
+vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van
+elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het
+eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen
+te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen
+straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen
+daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.</p>
+
+<p>Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de
+utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan
+dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk
+eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat
+het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert
+Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen
+ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het
+tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der
+natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. “humanistische” studie, de kennis
+der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om
+mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde:
+dit is het, wat de jongen leeren moet om een “bruikbaar mensch” te
+worden. Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo
+burgerlijk-praktisch mogelijk, al zijn hare methoden een weinig
+ongewoon. De “abstrakte ideaal-mensch” ontpopt zich al meer als de
+goed-onderwezen kleinburger van de modernburgerlijke maatschappij. In deze
+levensperiode moet het kind ook een ambacht leeren en zich daarin door
+oefening volmaken.</p>
+
+<p>Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw
+beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft
+het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de
+opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen
+altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken
+beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in
+den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de
+zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en
+sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die
+op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van
+liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren
+te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen
+van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle
+schoonheid, goedheid en waarheid&mdash;tot God. Op zijn 18de jaar verneemt
+Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel
+onsterfelijk is. Zelf heeft hij&mdash;in zijn gevoel en zijn rede&mdash;de
+zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de
+wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in
+de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig
+Schepper, dien hij zegent en aanbidt.</p>
+
+<p>De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt
+zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide
+kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een
+uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze
+vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der
+werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van
+zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de
+ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale
+leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk
+van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling
+van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire,
+aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich
+eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.</p>
+
+<p>Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten
+dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in
+en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd
+heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind
+gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der
+sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit
+zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog op
+andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn
+redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der
+sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift
+voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering
+voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen
+gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, de
+richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk
+bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.<a href="#fn50">[50]</a> Niet eerst na het vijftiende
+jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op
+de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel
+mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in ’t spel
+komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst
+der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot
+voorwerp heeft.</p>
+
+<p>Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor
+de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme.
+Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van
+zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat
+bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. En
+evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend
+willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en
+diens redelijk egoïsme.</p>
+
+<p>De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l.
+Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle
+denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder
+ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar
+hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het
+groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te
+vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe de
+kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind
+gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de
+zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele
+verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het
+gevoel. “Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren”&mdash;dit was
+een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een
+weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger
+dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd,
+ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in
+zichzelven&mdash;maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit
+zelf-onderzoek als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem
+den weg tot zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging,
+zelfbehagen, zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was
+een vrucht van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van
+warmte en teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk
+te geven, zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van
+deze gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf “de beste der menschen.”
+Als hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot
+hen heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk
+werd meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke
+menschen voor zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun
+blikken en woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende
+kussen en tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend,
+nimmer-verstillend innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van
+geluk genoot hij het verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner
+fantasie, en met tegenzin keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde
+werkelijkheid en hare bewoners terug.</p>
+
+<p>In de “Nouvelle Héloïse,” het werk waarin hij zich het vrijst heeft
+laten gaan,&mdash;veel vrijer dan in de “Confessions,” waar de
+achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der
+herinnering in een bepaalde bedding stuurden,&mdash;heeft hij alle uitingen
+en verhoudingen van het affektieve leven met groote warmte en innigheid
+van ontroering afgebeeld. Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des
+levens. Hier is de zachte gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar
+man, als een warm dek van vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over
+de schamelheid der dagen geweven. Hier is de ouderliefde,&mdash;hoe ontroert
+ons nog de scène waarin Julie’s vader, een edelman van den ouden
+stempel, na zijn dochter in drift barsch en ruw behandeld te hebben,
+haar met zwijgende liefkoozingen om vergiffenis vraagt. Hier is de
+kinderliefde, de zachte overgave van Julie aan haar oude ouders, haar
+drang zichzelven te verzaken, opdat de avond van hun leven helder en
+vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: tusschen vrouwen:
+hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de onafscheidelijken;
+&mdash;tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht hebben gehad zich
+los te rukken van de geliefde, als de mannelijke teederheid van Edouard
+Bomston hem niet had geschraagd en getroost;&mdash;tusschen een man en een
+vrouw: Claire en St. Preux genieten die vriendschap, voller van bekoring
+maar ook voller van gevaren dan eenige andere, grensgevoel, uitstralend
+naar andere werelden; levensvrucht, zoet van verteedering, wrang van
+onvervulde begeerten.... In de “Nouvelle Héloïse” heeft Rousseau een
+monument opgericht voor de menschelijke affekties in de stil-besloten
+sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; hij heeft schatten van reine
+lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen flonkeren in het licht der
+schoonheid, tot dusver verborgen in die omschaduwde sfeer.</p>
+
+<p>De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het
+eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht
+is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het
+tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In
+dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen;
+de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met
+zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het
+mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn
+eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk
+zaken-moraal, regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij
+als een verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid,
+stiptheid, soberheid, zijn de voornaamste deugden;<a href="#fn51">[51]</a> de onmisbare
+eigenschappen en hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In
+die sfeer druischen plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan
+den weg tot de deugd niet zonder geleide vinden: het gevoel moet
+dikwijls onderdrukt worden, de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk,
+naar de stem der menschelijkheid te luisteren dwaas. Daar heerscht gij,
+koele rede, en gij, streng geweten, over de trillende diepten van het
+gevoel. Daar heerscht&mdash;Kant: hij was het, die de grondslagen der
+burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar en principieel
+formuleerde.</p>
+
+<p>In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken,
+niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de
+aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren
+glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar
+hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden
+verjaagd uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke
+verhoudingen. Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen
+zich, hij ontdekt zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en
+de stem van het hart volgen; daar bloeien bloemen van affektie,
+verteedering en innigheid, die te koesteren deugd en wijsheid, die te
+vertreden roekelooze dwaasheid en zonde is. In die sfeer heerschen
+liefde, weekheid des harten, spontane gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid;
+daar heerscht de moraal der “Nouvelle Héloïse.”</p>
+
+<p>Wel schildert Rousseau in de “Nouvelle Héloïse” ook verhoudingen uit het
+gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende
+menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het
+vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale
+verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel
+van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet
+aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de
+grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen
+zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen
+tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets
+van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor
+eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de
+verhouding tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale
+opvoeding; geen hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart
+ongehinderd heen en weer.</p>
+
+<p>Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde
+Rousseau als even “natuurlijk” en evenmin aantastend de menschelijke
+waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel.
+Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den
+burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting
+deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en de
+gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij
+afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst
+gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij
+verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de
+nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen lord
+Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de
+revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon
+der burgerlijke vrijheid.</p>
+
+<p>De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker
+van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om
+klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat in
+hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. Dit
+alles kan waar zijn: het <i>is</i> waar dat hij een vat was van
+tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in
+dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke
+kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder
+zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot
+het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat
+dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is
+niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet
+geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos
+zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht,
+daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was
+nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In
+zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin
+de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en
+luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het
+tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner
+meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen,
+was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit
+den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk,
+omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen
+andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk
+bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste
+poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe
+vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens
+langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen
+toekomst van titanische worstelingen&mdash;worstelingen, die de overwinning
+zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid
+waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling,
+omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou
+raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en
+proletariaat.</p>
+
+<p>Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner
+kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute
+vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk
+hij de tyrannen haatte.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw
+wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen
+oproepen voor onzen geest.</p>
+
+<p>De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen;
+een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een
+kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont
+de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert
+zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch
+zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de
+ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop
+van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst-
+mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en
+produktie-verhoudingen, de “natural-wirtschaft” en het kleinbedrijf.
+Zij weet dat handel en geld die bestendiging bedreigen. Niet de
+verandering, maar het onveranderlijke is de begeerte dezer menschen,
+want in hun harten is vrede.</p>
+
+<p>In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de
+volksregeering. De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke
+geslachten, door alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk
+van haar daden rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger,
+geen bureaukratie, geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van
+intellektueelen. De burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en
+vermogen, maar de verschillen tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen
+toe te nemen grijpt de overheid in en herstelt de bedreigde gelijkheid.
+De intellektueele tegenstellingen zijn niet grooter dan de sociale:
+evenmin als in kapitalisten en proletariërs, zijn de burgers verdeeld in
+hand- en hersen-arbeiders. Allen nemen deel aan de produktie, allen
+hebben deel aan de kultuurschatten der menschheid en het bestieren van
+het gemeenebest.</p>
+
+<p>De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of
+overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk
+leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer
+menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen
+arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den
+schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren
+zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen
+zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege
+ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en
+dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft
+gegrift.</p>
+
+<p>Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere
+plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen
+jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en
+zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven
+die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis
+glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den
+rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw.
+Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in
+wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.</p>
+
+<p>Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door
+dagelijkschen arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als
+knechten. Het brood, door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten.
+Als het jaar zich wendt van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei
+lacht over de beemden, als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de
+wijndruif geperst tot geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en
+verzamelt zich tot feesten. In de steden uit zich de levenskracht en
+levensvreugd der burgers in velerlei wedstrijden van de in schieten,
+worstelen, roeien en zwemmen bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen
+komen zij bijeen, als vrije mannen staande onder den vrijen hemel, om
+zich bewust te worden de volheid hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet
+winstbejag, noch dwang verlaagt en vergiftigt hun genoegens, wanneer zij
+zich scharen tot gemeenschappelijk feestelijk maal. De gedachten aan het
+gemeenebest dat de belichaming is der algemeene eenheid, waarin ieders
+persoonlijkheid ondergaat om te herrijzen, gelouterd van de engheid des
+levens, omgeschapen tot een deel van een wijder zijn, doet de borsten
+zwellen en de harten hoog kloppen.</p>
+
+<p>Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.</p>
+
+<p>Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het
+kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu
+leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller
+menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische
+samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der
+maatschappij-krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije
+menschheid. Wij zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen
+daarheen, in verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders
+gericht, dan zijn hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring
+na van die stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig
+vredige sfeer die hij den menschen toonde&mdash;wij voelen zijn verlangen
+natrillen in onze harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was
+van een werkelijkheid waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is
+ondergegaan in ons vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En
+ook daarom bekoort ons nog die droomwereld, al voelen wij haar enge
+beperking, omdat sedert vrede en vrijheid met het oorspronkelijk
+communisme zijn ondergegaan op aarde, het menschenhart elke samenleving
+en elk beeld eener samenleving dat een glimp, een zweem, een schijn
+daarvan bevat, voelt lokken als het land zijner verloren kindsheid.</p>
+
+<p>Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk
+individualisme, maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door
+kennis, lichamelijke ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit
+boven de omgrenzing van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der
+menschheid, al behoorde aan die phase zijn hart, al voelde hij tot haar
+die heel eigen vertrouwdheid die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg
+in zich het beeld van den stad-staat der oudheid die nog eenige
+overleveringen van het stamleven bewaarde; hij droeg in zich de
+herinnering aan de zorgelooze bekoring en de vroolijke gulheid der
+naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche bergen nog sporen over
+waren. Hij was ruimer van blik dan de encyclopedisten, die geheel
+opgingen in bewondering voor het beginnend kapitalisme, die elke vorm
+van samenleving behalve de burgerlijke verachtten en verwierpen.</p>
+
+<p>Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven.
+Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn&mdash;dat
+voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het
+huisgezin bepaalde,&mdash;rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn
+organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister,
+vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den
+mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en
+breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in
+vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort
+roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van
+terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote
+droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven
+der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte,
+die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de
+groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één te
+voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het
+aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn
+lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem
+van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de
+weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem
+zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een
+vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en
+buiten-maatschappelijke ondoorgrondelijkheid.</p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap04"></a>VIERDE HOOFDSTUK<br/>
+DE LAATSTE WORSTELING</h2>
+
+<p>
+Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede
+aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar
+geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. “Zie zelf wat ge
+doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want
+hoeveel ’t mij ook zou kosten om mijn leven van ’t uwe los te maken
+nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder
+verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit
+land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee
+niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn
+afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo
+zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat
+ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge
+liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en ik
+zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te
+bezorgen.”</p>
+
+<p>Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van
+Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af
+wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in
+Montmorency achter te blijven.</p>
+
+<p>Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de
+regeering van Genève den “Emile” en het “Contrat Social” in ’t openbaar
+had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich
+binnen ’t grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen
+volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich
+bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den
+“Emile” uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten
+tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de
+kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen
+voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in ’t veld. Het feit dat
+hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam
+liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De
+aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een
+herderlijk schrijven den “Emile” als een goddeloos boek; de paus
+vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er
+uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde
+den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek
+had gedaan. Het “Contrat Social” werd alléén in Genève verboden: de
+akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo
+spoedig doorzag.</p>
+
+<p>Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou
+veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit
+genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme
+Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver
+van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom
+Neuch&acirc;tel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en
+geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar
+aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit
+Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij
+hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.</p>
+
+<p>Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den
+Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten
+van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur
+gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de
+steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging
+van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel
+kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal,
+ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen.
+Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in
+Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom
+liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de
+gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware,
+massieve steenklompen&mdash;woning, stallen en schuren onder één dak&mdash;met
+weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een
+onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan
+ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.</p>
+
+<p>Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk
+zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen
+huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat
+opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt,
+de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer,
+voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen
+avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te
+moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit
+onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den
+lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter
+hunkerend vergeefs naar een groet der zon.</p>
+
+<p>Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral
+leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar
+toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle
+oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap
+boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat
+en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag
+naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de
+bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in
+de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij
+dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen
+zooals de vrouwen van ’t dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn
+handen te doen onder ’t praten. In den winter was hij meest door zijn
+kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook zoo
+geweest. ’s Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten
+schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en
+ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die
+tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen
+waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij
+doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers
+vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; het
+land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden
+zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende
+watervallen, de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden
+schenen van uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen,
+opschuimend uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche
+koelte woonde in de heetste zomerdagen, ontsprong ’t snelle riviertje
+dat door ’t hoofddal stroomde: de forellenrijke Reuss.</p>
+
+<p>Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest;
+heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren,
+geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename
+gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke
+natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te
+vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en
+dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn
+aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort
+leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf
+jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat
+gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had
+ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken
+gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling
+die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het
+heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon
+was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel
+de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn
+eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen en
+verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en
+wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een te
+zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en
+allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en te
+verdorren. Vandaar die leegte in hem. “In mij zijn de grootste
+zielsbewegingen dood” getuigde hij in een brief, “ik leef nog slechts
+door gewaarwordingen.” Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er
+was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar
+hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn
+eenzaamheid mee te vullen.</p>
+
+<p>Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van
+planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige
+onderbrekingen tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude
+enthousiasme, zooals hij als knaap zich in een nieuwe liefde of een
+nieuwe tak van wetenschap stortte, wierp hij zich nu op de kennis der
+planten. Als, hij botaniseerde, vergat hij zijn smart, zijn
+teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken zijner vijanden; zijn
+wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een zachte aanraking, hij
+genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, heldere stemmingen, aan
+levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende zijn lange, eenzame,
+duistere levensavond&mdash;eenzaam en duister door de schuld der menschen èn
+door zijn waan&mdash;is grootendeels door de botanie tot hem gekomen. Zij
+verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en buiten zich
+zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen lot, zij
+bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de eenige
+band tusschen zichzelf en ’t leven, omdat zij ’t eenige was wat in hem
+nog warme belangstelling wekte.</p>
+
+<p>Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende
+natuurkinderen heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De
+botanie verkeerde in zijn tijd in een toestand van verwarring door de
+groote onzekerheid der nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in
+Frankrijk. Men interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de
+kruidenleer, de ware of vermeende geneeskrachtige eigenschappen der
+plan? ten, en bitter weinig voor hun gedaante en bouw en hun leven.
+Rousseau was een der eersten die in planten belang stelden, niet om het
+produkt dat zij opleverden, maar om hun eigen leven. Dat wilde hij
+kennen, daartoe doordringen. Toen hij eenig idee begon te krijgen van de
+voortplantingsorganen der planten was hij een en al verrukking en
+enthousiasme. Hij begreep dat een goede overzichtelijke indeeling een
+even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie was, als optische
+instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, die toen in
+Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd verguisd.
+Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de plantkunde, toen
+nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te populariseeren. Hij
+drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat natuurlijk, dat zij
+in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen door fransche
+zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk hij zelf
+deed in zijn “Brieven over de elementen der botanie.” Hij spoorde de
+leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen
+voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.</p>
+
+<p>Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen
+der natuur, het genot van ’t buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook
+een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door
+waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen,
+die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van
+specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker
+geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof
+te vragen in het vorstendom Neuch&acirc;tel te wonen; ook wendde hij zich tot
+den gouverneur van Neuch&acirc;tel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland
+doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens
+bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel
+mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden.
+Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen
+zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel
+begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling
+was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te
+leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie
+eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver
+te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet
+rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten&mdash;hij
+vond ’t aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en in
+’t minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of
+planten-verzamelen was.</p>
+
+<p>Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in
+zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuch&acirc;tel, te komen
+bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman
+en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot
+elkaar getrokken. “Onze naturen raadden en bevielen elkaar,” schreef
+Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar
+onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid,
+menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen
+als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet
+van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard&mdash;men placht de inwoners van
+Neuch&acirc;tel de Gasconjers van Zwitserland te noemen&mdash;werd afgestooten door
+de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor
+heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij
+hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme,
+teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest
+harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld;
+zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel.
+Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen;
+tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord
+Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei
+hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn
+genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door
+waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij
+zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de
+brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen
+vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau
+meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer
+schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: “Uw goedheden
+zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost
+nu ook ontnemen?”</p>
+
+<p>Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van
+Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche
+eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn
+zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers,
+met wie hij over ’t welzijn van hun gemeenschappelijken vriend
+correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van
+Rousseau voor ’t jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: “Jean
+Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij
+is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer
+dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men
+van hem houdt en achting vóór hem gevoelt.” Gaarne had Lord Keith den
+vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar
+de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen ’s zomers
+bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij
+plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine
+republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij
+tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd
+philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen
+vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar
+draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean
+Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven
+met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst
+met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d’ Houdetot en St.
+Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar
+half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van
+luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in
+Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van
+onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord
+Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuch&acirc;tel ’t
+jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar
+Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem
+nooit teruggezien.</p>
+
+<p>In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in ’t
+algemeen niet van ’t slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel,
+van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde.
+Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes
+en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als
+zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een
+schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens
+wijze van optreden&mdash;hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had
+veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen&mdash;Rousseau een poos
+lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou
+bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep
+Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.</p>
+
+<p>Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij
+nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in ’t
+geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de
+ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend
+in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen
+mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging
+gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de
+vooroordeelen tegen den “philosoof,” den man wiens godslasterlijke
+boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur
+zat kant te knoopen, leek hij in ’t minst niet gevaarlijk; en hij was
+zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan
+hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische
+dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met ’t
+oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de
+algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met
+den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet
+geregeld de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal
+toegelaten te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan
+kon hij toch onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het
+bergdorp waren steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die
+in den hevigen strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan
+den gang onder de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe
+inzichten verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn
+woonplaats rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het
+godsdienstige fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op
+te wekken.</p>
+
+<p>Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau
+bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg
+weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen
+der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan,
+welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot
+lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de
+“Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard” had toch eigenlijk weinig
+gemeen met het protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het
+was een lastig geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat
+Rousseau hem had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere
+levensdagen in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke
+belofte gegeven, niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin
+hem toegelaten, want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer
+te bestaan voor nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde,
+zich nooit te hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had
+hij aan den predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar,
+zooals hij het toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan
+Milord Maréchal had uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een
+belofte aan zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen
+verplichting; als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij
+allerminst. Daarom beschouwde hij het ook volstrekt niet als de
+schending eener belofte, dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot
+zijne verdediging: de “Lettre &agrave; monseigneur de Beaumont” en de “Lettres
+de la Montagne.” (Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij,
+hadden hem gedwongen tweemaal een uitzondering te maken op den regel
+dien hij zichzelf had gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel
+begrijpelijk. Maar ook is het begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn
+collega’s toch al ’t een en ander had moeten hooren over ’t toelaten van
+den schrijver der “Geloofsbelijdenis” tot het avondmaal, er anders over
+dacht, en zich zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de “Brieven
+uit de Bergen” de protestantsche wereld in rep en roer bracht.</p>
+
+<p>Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem
+aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar
+de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen
+tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag
+natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding
+gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den
+plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het
+leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de
+aartsbisschop “den geest van ongeloof, die ook een geest van
+onafhankelijkheid en oproer is,” en noemde den “Emile” even waard om
+door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten
+getroffen te worden.</p>
+
+<p>Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol
+innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en
+waarachtig-verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische
+banvloeken van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone
+polemiek tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd:
+hatelijk, schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was
+vernuft te vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat
+Grimm gedwongen werd te erkennen “ik herken den burger van Genève niet
+meer,” maar het werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging,
+door hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men
+hierin het geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander,
+dat bij Voltaire volkomen ontbrak.</p>
+
+<p>Nieuwe gedachten bevat het “Antwoord aan Monseigneur de Beaumont”
+weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn
+gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen
+der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.<a href="#fn52">[52]</a> In
+dit werk en het volgende, de “Brieven uit de bergen,” kwam hij wel op
+bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te
+zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij
+in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den “Brief aan
+Monseigneur de Beaumont” is vooral zijn uitweiding over den universeelen
+godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding
+van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. “Want elke
+godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de
+essentieele religie bevat.” Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid
+der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den
+godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den
+mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering,
+komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke
+denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing’s Nathan spreken
+hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie,
+boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de
+voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle
+verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau’s droom van
+den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige
+denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag
+der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het
+bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder
+volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren.
+Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn
+droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.</p>
+
+<p>Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd
+gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering
+zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang
+wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit.
+Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de
+overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een
+jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund
+zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef “zonder toorn,
+zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht
+en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog
+meer dan van den verdrukte betaamt.” Diep gewond door het onrecht dat
+hem geschied was&mdash;hij kon het eerst nauwelijks gelooven&mdash;gegriefd door
+de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk
+naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den
+Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn
+burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.</p>
+
+<p>De veroordeeling van den “Emile” door den Kleinen Raad had plaats
+gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop was.
+Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het
+requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de
+veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter
+verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven
+te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich
+te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste
+die in de “vrije republiek” Genève regeerde, bleek even beducht voor de
+vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse
+van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek
+zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te
+hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.</p>
+
+<p>De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer
+gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen
+uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte
+grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de
+machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de
+strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot een
+onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke
+machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de
+lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te
+richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering
+behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad
+zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor
+kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het “droit négatif,”
+dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie
+vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter
+zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst
+met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en
+naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der
+regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt
+voelden de vraag te stellen: “Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder
+vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der
+burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van
+vertoog af te schaffen.” Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau
+zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn
+naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen
+schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden.
+Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede
+middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in
+de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren
+door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale
+protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het
+behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en
+grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de
+aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.</p>
+
+<p>Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten
+onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij
+zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den
+loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als
+martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de
+spits der burgers stellen zou.</p>
+
+<p>Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om
+zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen
+van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens
+zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid,
+maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten
+koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk
+samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde
+tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken.
+Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed
+gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem
+tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.</p>
+
+<p>Zoowel van de zijde der “vertoogers” als van die der gezags-menschen
+waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de
+procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in den
+strijd mengde. In een polemisch geschrift, “Lettres de la Campagne”
+(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar
+uiteen dat geschriften als de “Emile” en de “Contrat Social” voor de
+protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en
+trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de
+Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het
+geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één
+man in hun rijen in staat den schrijver der “Brieven van buiten” door de
+kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te
+verpletteren. Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al
+deden zij zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en
+verzochten Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde
+zich hiertoe bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon,
+aan de overzijde van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de
+democratische leiders om met hen den opzet van hun antwoord aan
+Tronchin, dat hem maar matig voldeed, te bespreken. Hij deelde hun
+echter niet mede dat hij zelf reeds in alle stilte een antwoord had
+gereedgemaakt. Voor vriend en vijand onverwacht verschenen de “Lettres
+de la Montagne” (Brieven uit de Bergen) op ’t einde van het jaar: het
+geheim was tot het laatst toe goed bewaard gebleven.</p>
+
+<p>De “Brieven uit de Bergen” zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau,
+en tevens het werk waarin hij ’t meest zijn slagen richt, niet tegen
+regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in ’t
+algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een
+bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven
+zijn gewijd aan ’t weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de
+“gevaarlijkheid” van den “Emile” en de “Contrat Social;” hij analyseert
+daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de
+onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet
+voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève
+ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch
+onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een
+beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende
+politieke kwestie: het “droit négatif.” Deze beschouwing gaf Rousseau
+gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze,
+waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te
+veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten
+ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.</p>
+
+<p>De “Brieven uit de Bergen” bevatten brandstof genoeg om Genève in
+lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware
+protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van
+door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte
+beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel
+dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke
+vrijheid van kritiek en onderzoek: “Toen de hervormden de roomsche kerk
+verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude
+geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne
+rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner
+erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije
+interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, om
+haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen
+twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen
+vinden, wat wij niet begrijpen.” Zoo verhief Rousseau de vrijheid van
+het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de
+uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest
+natuurlijk hetzij door een langen strijd <i>in</i> de kerk tegen de
+kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden <i>uit</i> de kerk
+leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke
+ketterij.</p>
+
+<p>Niet minder fel viel Rousseau in de “Brieven uit de Bergen” de politieke
+machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van
+despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op
+onwettige wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun
+gedrag. Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij.
+“Alles,” schreef hij, “wat door omkooperij en kuiperij geschiedt,
+geschiedt bij voorkeur ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet
+anders. List, vooroordeelen, eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een
+schijn van orde en tucht, alles komt bekwame lieden die ’t gezag in
+handen hebben en de kunst verstaan het volk te bedriegen, ten goede.
+Wanneer het er om gaat, handigheid tegen handigheid, en krediet tegen
+krediet uit te spelen, welk een voordeel hebben dan niet in een kleine
+stad de eerste geslachten, altijd verbonden tot heerschen, met hun
+vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, vereenigd met de macht van
+den raad, om de eenvoudige burgers die hen ’t hoofd bieden te
+verpletteren?” Tegenover deze heerschzuchtige en zelfzuchtige
+aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede laag der
+burgers, de middenstand, “die zich tegen de machtigen verheffen voor de
+handhaving der wet.” “Ten allen tijde is dit de taak geweest van den
+stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het
+gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin,
+in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen
+over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun
+groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de
+overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en
+vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek,
+het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is.
+Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid,
+de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die
+zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht.” Deze breede
+laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en
+tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te
+strijden. “Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen
+zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de
+beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate
+heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen,
+noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult
+satelliet of slachtoffer moeten zijn.” Tegenover hen, die van het vaak
+bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten
+voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering
+dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid
+en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. “Men heeft
+er somtijds gezworen voor ’t vaderland te sterven, maar ik tart u er mij
+een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige
+mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik
+geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen.”</p>
+
+<p>Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots,
+de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en
+onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had
+hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van
+het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op
+bepaalde gemeenschappelijke daden....</p>
+
+<p>Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij
+hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van
+zijn aanval. De “Brieven uit de Bergen” wekten een storm in en buiten
+Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de
+predikanten-bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te
+Parijs, (te zamen, o ironie, met de “Philosophische Dictionnaire” van
+Voltaire) in den Haag en in Genève in ’t openbaar verbrand. Zelfs de
+vurigste aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden.
+Moultou, de discipel die hem eenmaal geschreven had: “Mijn dierbare
+meester, ik wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de
+uwen” lamenteerde nu: “uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed
+zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult
+uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten
+zal.” Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de
+Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden
+in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische
+zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen,
+liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en
+beleedigend over den man, die deze “Brieven” geschreven had, uit, (“per
+slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus,
+die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?”),
+dat Rousseau hoofdschuddend zeide: “Zoo’n stomme brief kan onmogelijk
+van Mably zijn,” en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo
+ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.</p>
+
+<p>Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn
+vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die
+algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende
+tiraden van het tweede “Discours” prachtig gevonden hadden?&mdash;Omdat hij
+in de “Brieven uit de Bergen” <i>den klassenstrijd</i> gepredikt had, niet
+abstrakt en theoretisch, gelijk in de “Contrat Social,” maar reëel en
+konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de
+grooten hem een gevaarlijk dier.</p>
+
+<p>Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd
+schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die
+kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem
+laaghartig, verraderlijk te bespringen.</p>
+
+<p>Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en
+officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen
+bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat
+natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau
+overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten
+hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht
+zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor “de beschermer
+aller verdrukten,” en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn:
+Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te
+zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een
+grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van
+den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph
+van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch:
+Rousseau’s stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd
+jegens zijn groote mededinger.</p>
+
+<p>Door de verschijning van de “Nouvelle Héloïse” en den “Emile” was
+Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke
+kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de
+onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het
+burgerlijk-revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen
+haar macht en haar dogma’s, en ook tegen wat men de “misbruiken” van
+absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van
+hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden.
+Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen
+zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke
+aangelegenheden.</p>
+
+<p>Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets
+anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en
+eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had
+raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle
+sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van
+den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende
+zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en
+bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van
+velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland
+bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze
+eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft.</p>
+
+<p>Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau
+omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver.
+Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van
+armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle
+anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en
+wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn
+leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in
+een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de
+vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in ’t
+schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En
+sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg
+hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn
+vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den
+martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en
+jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel
+bewonderden, maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van
+Voltaire, maar Rousseau leefde in duizenden harten, een
+zacht-gekoesterde heilige.</p>
+
+<p>Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als
+hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen
+en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds ’t lezen was
+een plaag voor hem; ’t antwoorden een veel ergere. Vele der
+briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor
+zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder
+gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds
+met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de
+onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere
+wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in
+persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog
+ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den “Emile” en
+overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een
+jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed,
+om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht
+bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting
+van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw
+breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in
+zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel
+mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het
+opvoedingsplan van “Emile” niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden:
+hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de
+opvoeding zich moest bewegen, niet meer.</p>
+
+<p>Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van
+den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een
+bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets
+verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die
+onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie
+veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze
+houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme
+van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor
+het onherroepelijke van de daad.</p>
+
+<p>Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de
+zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. “Niet meer bij
+tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen
+en achten komen zij,” klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de
+ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden,
+bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een
+enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en
+ontwikkeling;&mdash;in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper
+kenden, maar het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch
+ook eens wilden zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te
+ontvluchten ’s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.</p>
+
+<p>Maar nu Voltaire. In een der “Brieven uit de Bergen,” had Rousseau
+Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op
+hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken,
+door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met
+alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met
+zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en
+wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der “Brieven uit de
+Bergen” uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten
+die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. “Is
+het een geleerde” heette het in dit pamphlet, dat de titel “Le Sentiment
+des Citoyens” (De meening der burgers) droeg, “die tegen geleerden in
+het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee
+uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver
+bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn
+uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een
+kermis-reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de
+rampzalige meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan
+de poort van een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod
+weigerend van een medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en
+alle natuurlijke gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en
+godsdienst verzaakt.... Komen wij tot wat ons in ’t bijzonder aangaat:
+onze stad, die hij in beroering wil brengen, omdat hij met de justitie
+in aanraking is geweest.... Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen
+omdat men in Parijs en in Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil
+hij onze constitutie omverwerpen door haar verminkt voor te stellen,
+zooals hij het Christendom wil omverwerpen dat hij waagt te belijden?
+Het zij voldoende te waarschuwen dat de stad die hij verontrusten wil
+hem met afkeer verloochent. Zoo hij gedacht heeft, dat wij voor den
+roman “Emile” het zwaard zouden trekken, kan hij die gedachte rekenen
+onder zijn dwaasheden en zotternijen te behooren. Maar men moet hem
+leeren dat, zoo men tegen een godlasterend schrijver genadig handelt,
+<i>men een gemeenen oproermaker straft met den doodstraf</i>.”</p>
+
+<p>Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden;
+Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener
+meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige
+vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en
+platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau,
+ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam,
+geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile
+verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij
+kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee
+hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te
+brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.</p>
+
+<p>Het smaadschrift van Voltaire&mdash;een brochuretje van een bladzijde of
+zeven-acht&mdash;werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van
+Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig
+zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der
+oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in
+zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist
+geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en ’t
+bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren
+natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke
+eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard
+voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige
+dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het
+wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid,
+zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster
+samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van
+vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van
+het jaar ’65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk
+vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en
+nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den
+vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen,
+bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn
+botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te
+schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men
+schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers
+bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der
+bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan
+David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.</p>
+
+<p>Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de
+vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg
+hier eveneens toe bij. Na de verschijning der “Brieven uit de Bergen”
+kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. De
+“eerwaardige klasse,” dat is de vereeniging der predikanten van
+Neuch&acirc;tel, verzocht den Raad van het vorstendom om de “Brieven” en hun
+schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau
+voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten.
+Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn
+gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden,
+probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten
+einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal
+weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een
+uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen.
+Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in
+het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het
+weerstand-bieden: alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen
+buigen als hij niet wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij
+wilde binnen of buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de
+ambachtsheer van Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die
+de “eerwaardige klasse” gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde
+niet anders verklaren, als dit: “hij zou voortgaan met in zijn gevoelens
+en door zijn handelingen het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van
+de kerkelijke gemeenschap hem verschafte.” Na deze verklaring moest de
+zaak natuurlijk haar loop hebben.</p>
+
+<p>Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren.
+Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar
+door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij
+voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven
+aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd
+was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de
+ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de
+zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van
+Neuch&acirc;tel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der
+predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom
+verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de
+jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der “Brieven
+uit de Bergen.” Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen
+de dominé’s in hun schulp: de “eerwaardige klasse” besloot, protest
+aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst,
+om Rousseau “aan zijn dwalingen over te laten.”</p>
+
+<p>Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel
+het despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de
+wettige demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig
+behoorde; het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén
+recht te zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had
+geschreven, dat die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn
+vrijheidsdrang, zijn onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende,
+de fierheid en stoere onverzettelijkheid die het beste waren van zijn
+wezen, hadden hem in konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat
+hij vurig aanhing, zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch
+zijn ondergang, wijl onvermijdelijk en niet zonder schuld.</p>
+
+<p>Sedert de verschijning der “Brieven uit de Bergen” den storm tegen hem
+hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn
+gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en
+al wankelheid.</p>
+
+<p>Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en
+benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan
+met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar
+vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen,
+“waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in
+Zwitserland” (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij
+dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars
+hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen.
+Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken;
+“’t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen,” schreef hij; soms
+gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. “Mijn zedelijk
+leven is ten einde,” schreef hij in Februari; “het beste deel van
+mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, en
+ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die
+knagen aan mijn lijk.” Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op,
+de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. “Gij
+zijt getuige, mijnheer,” schreef hij in Maart, “dat ik de wapens met
+vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal
+ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit
+punt staat voor mij boven alle bedenking vast.”</p>
+
+<p>Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel
+van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg
+klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten
+slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te
+blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich
+dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen
+kon hij niet.</p>
+
+<p>Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en
+beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het
+heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde
+in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du
+Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei
+persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en
+roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel,
+dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de
+gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke
+toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op
+’t kookpunt. Een week na die preek&mdash;het was net kermis&mdash;werd zijn huis
+’s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der
+galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden
+posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.</p>
+
+<p>Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de
+dominé’s hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook
+tegen de rede, dat de geest van ’t vrije denken, te midden van een
+achterlijke plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen
+weerstaan.</p>
+
+<p>Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie
+jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich
+van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne,
+dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er
+eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige
+vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe
+van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders
+meer.</p>
+
+<p>Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild
+als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor de
+idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de
+makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven
+als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer
+uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door ’t gezicht van
+de haat des volks.</p>
+
+<p>Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in
+alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen,
+nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid
+boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor
+een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad
+verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die
+van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als
+wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en
+die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad
+die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als
+voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de
+vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de
+teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan
+hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten
+aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit
+hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde?
+Hij voelde verder leven als doelloos.</p>
+
+<p>Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur
+en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen
+en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee
+meesterlijke werken: de “Confessions” en de “R&ecirc;veries.” Maar zijn
+moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën,
+die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot ’t
+uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt,
+hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in
+droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar ’t goede
+gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten,
+tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle
+windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop,
+zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang
+op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende
+melancholie.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van
+waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het
+liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het
+water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken,
+kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken
+gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den
+oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde
+bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van
+witte en gele sterren; in ’t najaar glinstert tusschen de takken het
+rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van de
+kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol
+vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid,
+streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen
+en ziel.</p>
+
+<p>Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan
+den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-populieren,
+dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever.
+De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau
+er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden
+overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige
+vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvre&ecirc;
+der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet
+hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch
+en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de
+bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al
+opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich
+urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt,
+gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide
+langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den
+rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in
+den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging
+hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot
+de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van
+het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het
+gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of
+hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem
+dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk
+genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de
+oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te
+bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij,
+God-gelijk, genoeg aan zich zelve.</p>
+
+<p>Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot
+gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.</p>
+
+<p>Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre
+stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo
+ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist.
+Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat
+vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar
+wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets
+gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in
+die bloemige, ruischende eenzaamheid!</p>
+
+<p>Toen kwam ’t bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het
+grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een
+edel, doodelijk-gewond hert.</p>
+
+<p>Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met ’t plan naar
+Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij
+voelde zich ziek en uitgeput, “ofschoon blij,” schreef hij nazijn
+aankomst in Straatsburg, “weer tusschen menschen te zijn, na de wilde
+beesten, die Zwitserland bewonen.” Hij werd er warm ontvangen en
+befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den “Dorpswaarzegger”
+plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de
+Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou
+gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord
+Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij
+besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al
+herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou
+vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk
+door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef er
+een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het
+stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl
+bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij’s
+morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen;
+hij vond dit verschrikkelijk: “nooit heb ik zoo geleden,” schreef hij.
+Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de
+reis: den 17den Januari ’66 vertrokken zij, met nog een derde
+reisgenoot, over Calais naar Londen.</p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap05"></a>VIJFDE HOOFDSTUK<br/>
+WAAN EN VREDE.</h2>
+
+<p>
+Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met
+Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke
+klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken
+op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor
+Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen
+vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun
+politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun
+strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar
+die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn
+zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook
+de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu en
+Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de
+elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg
+om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun
+eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle
+manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in
+menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide
+kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te
+krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de
+gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen
+opnemen. Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in
+de opgaande lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland
+een toevlucht zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn
+enthousiasme voor de publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed
+gebroken, in hem was geen andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger
+een paar maal gepoogd Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en
+gedurende zijn verblijf in Engeland schijnt hij er niet de minste moeite
+meer toe gedaan te hebben: na verscheiden maanden beweerde hij nog
+slechts enkele woorden te kennen. Dit maakte dat hij zoo goed als geheel
+geïsoleerd was, machteloos tot eenig geestelijk verkeer met de natie in
+wier midden hij leefde. En de omstandigheid dat dit isolement niet
+vrijwillig maar gedwongen was, moest hem een gevoel geven van groote
+verlatenheid.</p>
+
+<p>Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is
+onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen
+zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste
+wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich
+vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt
+voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan
+monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te
+kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel
+in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.</p>
+
+<p>Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van
+Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar
+feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de
+buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou
+waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en
+bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht
+van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van
+de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt,
+dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar
+genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren
+ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het
+phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den
+prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op ’t lijf vallen, en Hume
+van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in
+zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd
+de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der “bewijzen”
+die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens “verraad” aanhaalde:
+toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige
+gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig
+antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt,
+herhalend: “maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje.”
+De sceptische Schot vond zoo’n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.</p>
+
+<p>Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende
+omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen
+tegen Hume moesten opwekken.</p>
+
+<p>Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de
+rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De
+koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en
+besloot aldus.... “Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er
+in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit
+aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te
+breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de
+vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht
+en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te
+vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te
+worden.”</p>
+
+<p>Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke
+grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was
+voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent de
+voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa
+vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den
+opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van
+spijtachtigheid om Rousseau’s vermaardheid, en dien zijn grootheid en
+het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd
+zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen
+met andere letterkundigen, dezen “grappigen” brief had opgesteld.
+Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig
+mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd
+geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de
+nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij
+hield d’Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge
+mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de
+hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis:
+dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan
+de grap medeplichtig was.<a href="#fn53">[53]</a> Is dit werkelijk zoo, dan moet men ’t op
+zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich
+voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn
+rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.</p>
+
+<p>Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als
+zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere
+vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d’Epinay,
+natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het
+toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme
+d’Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den
+schrijver der “Lettres de la Campagne,” bij Rousseau bijzonder verdacht
+moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist&mdash;hij
+zelf was toen reeds niet meer te Londen&mdash;stond het voor hem vast, dat
+Hume met zijn vijanden heulde.</p>
+
+<p>Hume had hem aanvankelijk,&mdash;tegen zijn zin, hij zelf drong aan op
+grooter afzondering,&mdash;ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt
+van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen
+letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem.
+Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten
+zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende
+plaatsen; na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren
+Mr. Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in
+het oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner
+beschikking stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes
+met zijn gezin kwam er maar enkele weken in het jaar.</p>
+
+<p>In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten
+lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis
+was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en
+maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en
+bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij
+genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg
+der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van
+tuin-aanleg niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die
+de natuur meer ongerept liet.</p>
+
+<p>Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag
+alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.</p>
+
+<p>Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde,
+hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van
+het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een
+enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de
+buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en
+beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude,
+wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin
+van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen;
+zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige
+streek.</p>
+
+<p>Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden
+daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het
+voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen,
+donkeren, eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte
+en loerde: waanzin omnachtte zijn gemoed.</p>
+
+<p>De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de
+goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk
+paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze
+overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend
+geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van
+vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest
+maken, was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer
+behoeve lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar
+dat gaf ook niet veel. Al gauw kwam ’t tot twist en gekijf tusschen
+Thérèse en de dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel
+aanleiding toe, want haar eigen zenuwen werden in elk opzicht op een
+zware proef gesteld, nu de toestand van Rousseau zooveel erger was dan
+ooit te voren. Het is begrijpelijk dat de arme vrouw zich
+verschrikkelijk eenzaam voelde en maar één wensch had: “in godsnaam hier
+vandaan, terug naar Frankrijk.”<a href="#fn54">[54]</a></p>
+
+<p>Rousseau kwam in Wootton met ’t vaste voornemen om de wereld en haar
+strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch
+vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet,
+wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In ’t geval van Rousseau
+was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de
+onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze
+bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in
+een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer
+geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke
+inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende
+behandeling, hem door Mme d’Epinay en zijn andere oude vrienden
+aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de “Emile,” de spanning van den
+tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn
+verblijf daar een einde maakte,&mdash;alles had er toe bijgedragen zijn
+evenwicht al meer te verstoren.</p>
+
+<p>En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en
+een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn
+eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke
+handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband
+met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een
+onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die
+zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers,
+na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe
+spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den
+beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een
+muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich
+zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume
+bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was
+een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in
+Engeland tegen hem op.</p>
+
+<p>Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te
+worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der
+Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en
+wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem
+ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau
+wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij niet
+bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der
+verstands-verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn
+gemoedsrust terug te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der
+menschen te onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van
+de buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer
+lezen. Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder
+verdere explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille
+van zijn eigen rust. Maar ’t gevoel, verraden en bedrogen te worden door
+wie zich voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in
+hem, dan dat hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij
+zich voelde, had hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef
+hij kortere of langere epistels, aan du Peyrou, aan d’Ivernois, aan de
+Malesherbes, aan Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord
+Maréchal, aan Guy, zijn hollandschen uitgever, om zich te beklagen over
+Hume, die, samenzwerend met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland
+had gelokt om hem daar schandelijk te behandelen, van alle verkeer met
+de buitenwereld af te snijden en te doen omkomen van verdriet en
+ellende. Hoe Hume in die zaak van den brief van Walpole had gehandeld,
+hoe de jonge Tronchin bij hem verblijf hield, hoe hij tegen den wil van
+Rousseau, om dien te deemoedigen, aan anderen had verteld, dat de koning
+van Engeland den schrijver een jaargeld wilde schenken, hoe hij door
+Ramsay een portret van Rousseau had laten schilderen, dat hem afbeeldde
+als een cycloop zoo norsch en somber, terwijl Hume zelf op zijn
+konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; hoe Rousseau Hume in
+zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had hooren uitroepen “je
+tiens Jean Jacques Rousseau” (ik heb Rousseau in mijn macht); hoe Hume
+op hem en Thérèse “lange, doordringende blikken” placht te vestigen, die
+Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven langs allerlei
+omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden dek-adressen
+op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, dat al
+zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend
+werden; tusschen Londen en Wootton waren “de netten uitgezet,” die
+slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde
+op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door
+A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had
+herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau
+weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een
+formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij
+onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich&mdash;men kan bijna niet
+aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau
+was&mdash;op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn
+Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische
+coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om
+aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte
+den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den
+titel “Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau” (Beknopt
+overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen:
+van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de
+meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak:
+“zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster
+van ondankbaarheid was.” Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de
+Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, dat
+zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf
+natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet
+meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te
+kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist
+met Rousseau, zei men, had hij zich voor ’t eerst van zijn leven driftig
+gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, en
+begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te
+verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires,
+gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar
+wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; ’t vervulde
+hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in
+zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar
+aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het
+halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen
+had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn
+wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk
+zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers,
+die hem in ’t begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de
+gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord:
+“Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig
+dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een
+bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer
+genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne
+beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen
+anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de
+vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij
+evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar
+troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in ’t hart van onzen
+vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend.”</p>
+
+<p>In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht
+er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn
+vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen
+onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar
+uit ’t gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de
+dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk
+ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr.
+Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de
+eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei
+verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en
+betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies.
+Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij
+vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding,
+in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos
+ongelukkig en verlaten voelend na ’t ronddwalen in een land waar niemand
+hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar
+Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen
+zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust
+dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen
+wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij
+was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch
+bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek
+hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet
+verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield
+hij een toespraak tot ’t volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met
+Thérèse in naar Calais.</p>
+
+<p>Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende
+later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.</p>
+
+<p>In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk
+brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den
+beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een
+bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem
+den bijnaam bezorgd van den “vriend der menschheid.” Als bewonderaar van
+Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der
+talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel
+Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging
+in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den
+marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen,
+hij zeer verlangde den “vriend der menschheid” te leeren kennen. Deze
+kwam, en voerde den schrijver in alle stilte&mdash;het vonnis van ’t hof van
+Parijs was nog van kracht&mdash;naar zijn buitenverblijf te Fleury bij
+Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige
+persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte
+hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat
+hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende
+bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote
+belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te
+hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van
+den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen
+Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht
+bij Parijs.</p>
+
+<p>De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren
+voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de
+prins van Conti ’t ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch
+hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel,
+omringd door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak
+voelden, die van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten
+vinden en in Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen
+orders beliefden aan te nemen.</p>
+
+<p>Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven
+zijn nood. Reeds in Augustus&mdash;in Juni betrok hij ’t kasteel&mdash;schreef
+hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de
+buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo
+onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de
+moestuinen van ’t kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld,
+hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme
+de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had
+afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat
+hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de
+bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren
+en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen
+opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De
+eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid&mdash;hij
+sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en
+een weinig aan zijn “Bekentenissen” schrijven&mdash;werkte weer even slecht
+op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen
+maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn
+vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij
+gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de
+boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke
+schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam.
+Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht
+hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer men
+hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken
+schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du
+Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken,
+schreef hij: “het is niet duidelijk wat ’t ergst behandeling noodig
+heeft, mijn lichaam of mijn geest.”</p>
+
+<p>Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra
+het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen.
+Zijn geestverwanten uit Genève&mdash;waar de inwendige beroeringen
+voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te
+hoonen&mdash;wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad
+in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de
+inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren
+gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat
+zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een
+schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate
+van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het
+standpunt der “ongebreidelde demokratie” van de algemeene vergadering,
+als tegen dat der “hevige aristokraten” van den Kleinen Raad.</p>
+
+<p>Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo
+had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze
+had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te
+kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij
+hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht
+vertrok hij, in Juni ’68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van
+dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem ’t kasteel te
+verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem
+gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek
+nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van
+Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem
+weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou
+terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok&mdash;alleen
+ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen
+was niet erg goed in dien tijd&mdash;naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de
+macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon
+bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had
+aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken
+hem ’t klad te willen opsturen van ’t vervolg op den “Emile,” waaraan
+hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets
+anders als de “Bekentenissen” bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich
+zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij
+botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in
+Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en
+als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der
+natuur in te wijden, schreef hij haar eenige “Brieven over botanie” die
+een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze
+wetenschap bevatten.</p>
+
+<p>Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het
+graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble
+een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde
+hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude
+galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine
+geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau
+bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met ’t wijdvertakte
+complot, waarvan hij ’t slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek
+bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: ’t bleek dat de bewering van
+dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet
+tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden
+aangrijpen om ’t komplot op ’t spoor te komen, waarvan de oude boef een
+der duistere werktuigen was; dat zij ’t niet deden versterkte hem in
+zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo
+overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij
+aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na
+zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en
+weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje
+tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar
+zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de
+plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke
+verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak
+hij altijd over haar als “mijn vrouw” of “Mme Renou,” de schuilnaam, die
+hij in Trye had aangenomen.</p>
+
+<p>In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse
+ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen
+dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of
+Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug
+te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging
+natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn
+bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te
+ontkomen; zoodra ’t bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering
+vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. Na
+een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den
+omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis,
+hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende
+opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en
+haar beleedigden.</p>
+
+<p>Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem
+aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide
+gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was
+dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor
+hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over
+is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even
+moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel
+een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is.
+“Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen
+zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal
+meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze
+harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten
+drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen
+te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts
+een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen.”</p>
+
+<p>De geheele brief&mdash;een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het
+vertrouwelijke “tu” (jij) gebruikt&mdash;een brief vol zachte verwijten, vol
+konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer
+worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor
+Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden
+die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit
+dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar
+ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen
+tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander
+werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel
+een deel van zichzelven.</p>
+
+<p>Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen
+zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een
+verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche
+voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn,
+zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk
+zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te
+behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer
+vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn
+verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben
+gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn?
+Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was
+voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die
+verlichting ten minste nooit ontbeerd.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In Monquin voltooide Rousseau de “Bekentenissen,” waaraan hij nu vijf
+jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen
+naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti.
+Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke
+drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij
+weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden
+blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in
+’62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen;
+Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk
+plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen
+politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met
+rust.</p>
+
+<p>Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue
+Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude
+bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en
+werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat<a href="#fn55">[55]</a> en zijn
+bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen
+rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St.
+Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren,
+beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:</p>
+
+<p>“In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques
+Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue
+Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde
+verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: “kom
+binnen, heeren, mijn man is thuis.” Wij gingen door een klein
+voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes
+opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een
+calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht
+op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met
+ons pratend.</p>
+
+<p>“Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets
+hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn
+gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn
+mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd
+was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken
+dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een
+groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten
+verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van
+het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn
+gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van
+iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en
+medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en
+toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van ’t
+vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel,
+een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de
+wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij
+gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn
+vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan ’t
+plafond bevestigd, zong een kanarie; op ’t kozijn van ’t venster, dat
+aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor ’t
+raam van ’t andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur
+ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid,
+vrede en eenvoud, die ’t hart goed deed.”</p>
+
+<p>Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan
+die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de
+oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de “Bekentenissen” heeft
+herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste
+werk, de “Dialogen,” wenschte hij zich zelven geluk met het feit, “van
+in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij
+geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen
+te zijn.”</p>
+
+<p>Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren
+besteedde hij aan ’t kopieëren van muziek en ’t drogen, schikken en
+opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste
+zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan
+dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde
+in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij
+betitelde die verzameling “Vertroostingen in de ellende van mijn
+bestaan.” In den middag bezocht hij ’t een of andere koffiehuis, om de
+nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen
+in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een
+hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag
+twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd
+was ’t gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu
+een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn.
+Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij,
+maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder
+de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog
+altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn
+mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een
+kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als
+zijn ergdenkendheid door ’t een of ander was opgewekt, stiet hij, in
+buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn
+vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem
+verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van
+zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de
+vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen
+rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten
+dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn
+medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns
+gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden
+of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen
+gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van
+ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de
+levenden. Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een
+melaatsche, of weken schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend
+gemaakt bij alle bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers,
+spionnen, barbiers, bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs;
+verlangde hij een boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad
+niet te vinden; de schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de
+veerlieden wilden hem niet overzetten. Steeds meer kategorieën van
+personen hadden de machtige samenzweerders, die sedert de dagen van de
+Hermitage tegen hem komplotteerden, met minister Choiseul aan ’t hoofd,
+in hun duivelschen bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen,
+de geneesheeren, de vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten
+bekleedden en invloed hadden op de publieke opinie. Alleen ’s nachts,
+als zijn vijanden sliepen, verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon
+hij vrijuit spreken zonder beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde
+hij zich, zoo beschrijft hij zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek
+van zijn waan en zijn geestelijke omnachting, maar ook van zijn
+zachtmoedigheid en waarachtigheid, de “Dialogen.”</p>
+
+<p>Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner
+vijanden te verbreken. Uit de “Bekentenissen” meende hij, straalde de
+onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood
+verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets
+meer uit te geven; maar niets belette hem om ’t verhaal van zijn leven
+en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen;
+zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn
+vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot
+te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing
+van de “Bekentenissen” voor een besloten kring van aristokraten en
+letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in
+omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld
+zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een
+juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de
+uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een
+grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was:
+de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van ’t bewustzijn
+snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In
+hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen,
+die de aandacht trokken. Mme d’Epinay riep de hulp der politie in om
+verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder
+de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk.
+Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand
+doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij
+voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op
+andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde
+hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele.
+Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk
+de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat
+beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts
+enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als
+verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte
+geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het
+komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de
+verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en
+Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de
+hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de
+tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der “Dialogen”
+uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande
+zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de
+“Bekentenissen.” Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit
+gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen
+onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den
+mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden
+die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en
+verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche
+sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de
+gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan
+zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en
+meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn
+oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van
+list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered.
+Maar hoe zulk een mensch te vinden?</p>
+
+<p>Toen de “Dialogen” voltooid waren&mdash;hij werkte er verscheiden jaren aan,
+want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en
+vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans
+maar een kwartiertje daags aan schreef&mdash;besloot hij het werk toe te
+vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen,
+verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn
+handschrift en ging de straat op, om het op ’t groote altaar van de
+Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders,
+dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel
+hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem
+verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten,
+tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.</p>
+
+<p>Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden,
+die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven
+was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters:
+“Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft.”
+Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle
+voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen
+las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen,
+zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.</p>
+
+<p>Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden,
+die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en
+voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner
+nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige
+invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar ’t
+jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, ’t denkende, voelende,
+willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en
+ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd,
+maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.</p>
+
+<p>Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht
+op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe
+beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij
+bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge
+zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd
+en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die
+hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij
+bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij
+spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een
+vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het “Contrat Social,”
+dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven
+glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers,
+niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij
+versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel
+na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden
+en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge
+mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als
+menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der
+maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.</p>
+
+<p>Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de
+kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij
+stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel,
+schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in
+zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch
+te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te
+heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon:
+als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in
+Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was
+hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd
+voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te
+maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor
+hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het “Contrat Social” hem
+geleerd.&mdash;En alle deze spraken den naam “Jean Jacques” uit met dankbare
+liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, de
+zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige
+klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had
+hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord
+gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried,
+deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.</p>
+
+<p>Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster,
+vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te
+geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden,
+smart te lijden, te sterven&mdash;daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht
+dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair
+bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.&mdash;Welk een geluk, welk een
+heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft
+hij immers, dit is zijn levensdoel.</p>
+
+<p>Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag
+enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij
+dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het
+nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam
+op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke
+vooroordeelen.</p>
+
+<p>O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid
+nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken
+als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die
+droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is
+helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke
+krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke
+demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote
+Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten
+niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne
+arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze
+droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere
+wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote
+voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten
+in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn
+van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke
+lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.</p>
+
+<p>Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen
+dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en
+zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien,
+had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is
+hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden
+harten, en hij niets zag als vertwijfeling.</p>
+
+<p>En toch&mdash;was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen
+verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld
+tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der
+verdrukkers van alle soort, zij die leefden van den arbeid der
+ellendigen? Moesten zij niet tegen hem zijn om zijn droom van
+gelijkheid, van de ideale gemeenschap waarin allen zouden arbeiden,
+niemand rijk zijn en niemand arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden
+zij niet weldra als één man opstaan en zich samen-scharen met de
+heerschers van andere landen tegen de poging zulk eene gemeenschap te
+grondvesten? Zou hun vijandschap tegen wie haar wilden maken niet
+onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun verzet verbitterd; zouden zij
+één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte zijn waan va nvervolging èn
+grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien woesten, langen, boosaardigen
+haat samen van de heerschers tegen den verdrukte die opstaat, van de
+uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, van de meesters tegen der
+knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij nog hield, het
+vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen zou na zijn
+dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was het niet een
+verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke
+samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn
+gedachtenis, in hem roemen als in een Groote?</p>
+
+<p>Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is.
+Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan
+was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij
+door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels.
+Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid,
+maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der
+menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede
+gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig
+jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam,
+de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen
+te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart
+toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en
+lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.</p>
+
+<p>Zijn laatste boekje, de “Mijmeringen,” is doorzichtig van schoonen
+weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en
+zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de
+lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de
+troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid
+gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der
+wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende,
+schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in
+den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog
+verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het
+leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde
+tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den
+dageraad.</p>
+
+<p>Over de “Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar” ligt het teer-gouden
+waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een
+tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn
+afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die
+zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten
+weemoed van het leven scheiden kan!</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te
+slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het
+huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort
+smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou
+opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten
+bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen
+op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner
+beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe
+woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had
+tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.</p>
+
+<p>Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf
+Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te
+zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige
+wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was
+begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar
+opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen
+gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem
+van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een
+toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in
+Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug,
+dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers
+die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de
+stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener
+onbeschrijfelijke vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.</p>
+
+<p>Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel.
+Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond
+liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich
+bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot ’t gerucht dat
+hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die
+zonder te spreken; om elf uur ’s morgens stierf hij. De Girardin deed
+hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk
+hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat
+daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag
+hij daar.</p>
+
+<p>Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn
+overblijfselen overbrengen naar ’t Pantheon, om te rusten naast die van
+zijn grooten tegenstander Voltaire.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den
+boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden,
+de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele
+geslachten, de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en
+geestelijk voedsel dat zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden
+verricht, hun physieke en moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap
+waartoe zij hadden behoord, hun verhouding tot andere leden dier
+gemeenschap, deze en nog tallooze andere invloeden hielpen hem maken,
+hielpen den aanleg van het kleine menschwezen bepalen, opduikend, in de
+stad aan het donkerblauwe meer, uit de diepten der oneindigheid.</p>
+
+<p>De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de
+maatschappelijke omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring,
+maakten diepe onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn
+oorspronkelijken aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op
+’t materiaal der aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording
+van den teederen, overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken,
+vrijheidsminnenden, tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld
+introk, om zich te laten bevruchten door het leven.</p>
+
+<p>En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van
+grooten, hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en
+wijzen, harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren,
+zwerverslust en bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van
+vrouwen, de speelsche liefde en de opziende die niet droomen durft van
+bezit, pracht van bergen en dalen, bekoring van meren,
+heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de landouwen in den zomermorgen en
+de zachtvallende groene glooiingen van Savoye, ontroeringen van muziek,
+stemmen van wijsgeeren en dichters, stijgend uit de diepte der tijden of
+zwevend door den dampkring van zijn eigen tijd&mdash;al wat hij ervoer,
+dacht, deed en droomde, hielp hem tot den man maken dien hij werd in die
+poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd-gespletene en toch naar één doel
+stroomende jaren der jongelingschap.</p>
+
+<p>De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de
+maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle
+omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en
+konventie somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;&mdash;èn de
+maatschappij-kracht: de begeerten, de aspiraties, de energieën en de
+gedachten die de maatschappij-beweging omhoog stuwt, de wil tot
+vernieuwing der levenswaarden die zij in de harten wekt wanneer de tijd
+rijp is voor de vernieuwing der levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en
+gezinsverhoudingen) die beide groote krachten voedden de krachten van
+zijn wezen, doordrongen ze, smolten met ze samen, met zijn weeke
+zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, zijn innig gevoel en zijn
+scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die zijn eigen was van
+innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te tooveren tot
+schoonen droom.</p>
+
+<p>Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over
+hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het
+verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een
+nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis.
+Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een
+onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen
+wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende
+spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet
+waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef,
+hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen
+andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de
+maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de
+maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter
+volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van
+zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij
+wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was,
+dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die
+geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,&mdash;maar hij hoorde de
+roepstem en volgde haar.</p>
+
+<p>Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen
+zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn
+hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve
+neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij
+overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van
+onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens
+wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel
+en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn
+liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls
+zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk
+betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de
+gloed van geestdrift voor zijn idealen,&mdash;met een anderen naam: de
+liefde tot de menschheid,&mdash;èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid
+van den kunstenaar.</p>
+
+<p>Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de
+wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij
+verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn
+afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van
+zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem
+als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den
+hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen,
+broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om
+zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af om
+vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls
+ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit
+zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang,
+niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog de
+waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde
+prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken
+waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen
+zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in
+wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte&mdash;maar wel was het zijn
+verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp
+nauwkeurig en volledig als hij kon.</p>
+
+<p>Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde:
+het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende
+beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in
+hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen
+zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en
+schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij
+vervallen in schaamteloos cynisme.</p>
+
+<p>Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een
+ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.</p>
+
+<p>Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de
+hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle
+enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.</p>
+
+<p>De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar
+hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was
+nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling
+tegen het oude regiem voerden&mdash;de intellektueelen, de groote, de
+midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,&mdash;hadden een
+gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap,
+den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij
+voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het
+ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op
+het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen
+der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren,
+vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid
+van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland&mdash;dat hùn
+vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren.
+Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat,
+ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit
+Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en
+heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had
+hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den
+stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden
+zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair
+schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid
+uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.</p>
+
+<p>De tegenstellingen in den schoot van den “Tiers Etat,” d.w.z. van de
+burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in
+den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende
+klassen, onder den naam van “derden stand” saamgevat, al strijdend
+bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige
+belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die
+tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door
+afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke,
+en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende
+richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit
+’t een en ’t ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der
+speciale belangen van een bepaalde groep uit den “derden stand,” niet de
+verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en
+verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was,
+bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan
+tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling
+tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.</p>
+
+<p>En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende
+en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in de
+jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen
+hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de
+Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe,
+zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen
+en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den
+koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de
+republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon
+vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen.
+Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag
+idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld
+met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden
+zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere
+demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering als
+een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, de
+rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote
+bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden,
+maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen,
+een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben
+uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de
+stoutmoedige revolutionnairen van ’93, die tegen zijn uitdrukkelijke
+voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan
+vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot
+regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in,
+naar sterke centralisatie streefden,&mdash;en die toch terecht beseften meer
+dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en
+vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden
+dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden
+die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen,
+gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden van
+binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken
+maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn
+vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende
+verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke
+rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in
+normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt
+en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even
+verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken
+dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige
+behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het
+onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan
+van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze
+bijkomstigheden schenen&mdash;al had hij dit anders gevoeld&mdash;was ook de
+hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch.
+Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en
+toen zij de “Rechten van den Mensch,”&mdash;gelijk zij die meenden uit het
+wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en
+onveranderlijk,&mdash;afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw
+der constitutie van ’93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de
+uitdrukking haast letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten
+meester, dat hun staatkundig evangelie was.</p>
+
+<p>In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot ’t hoogst was
+gestegen, dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in
+den staat uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk
+regeerden, den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig,
+op sociaal en op godsdienstig gebied.</p>
+
+<p>Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der
+revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de
+uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de
+staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het
+best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een
+groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de
+regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te
+keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij&mdash;ofschoon zich kantend tegen
+iederen maatregel in communistische richting&mdash;de plicht van den staat om
+de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het
+recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en
+dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de
+vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den
+Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het
+opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van
+den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof
+aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale
+Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd,
+dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan
+slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn
+goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.</p>
+
+<p>Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken,
+een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de
+basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische
+produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische
+afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der
+onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren
+ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der
+revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois,
+avonturiers en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den
+heldenmoed, het lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de
+reusachtige inspanning van het geheele volk&mdash;toen taande ook de invloed
+van den grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd
+had bezield. In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar
+alleen in schijn. Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na
+de Gironde en de Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu
+op hem de zatte bourgeois van het Directoire; zij haalden met
+welgevallen zijn liefde aan voor orde en rust, om de hunne te
+rechtvaardigen; zij trachtten den uitdoovenden geestdrift van het volk
+op te wekken door het organiseeren van openbare feesten, zooals hij er
+toe had aangespoord, maar waarin de gloed van vaderlandsliefde en de
+geest van broederlijkheid die ze moest bezielen, geheel ontbraken. Zij
+droegen zijn naam op de lippen, zij droegen niets van zijn wil meer in
+het hart.</p>
+
+<p>Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens
+gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In
+zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke
+vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den
+grondslag van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan
+op den bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus
+Baboeuf heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich
+op Rousseau evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau
+nooit het communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de
+gelijkheid en vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en
+onderdrukking boven alles gehaat, en nu gebleken was in de school der
+revolutie, dat het privaatbezit de wortel was van uitbuiting en
+dienstbaarheid, van lediggang en ellende, waren nu wie dat bezit wilden
+opheffen niet de echte zonen van zijn geest? Zijn drang tot de waarheid,
+zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische gezindheid hadden hem
+gevoerd tot aan de uiterste grenzen der individualistisch-kleinburgerlijke
+sociale idealen. Verder was hij niet gekomen, maar wie ook slechts één
+stap verder ging, moest de zon van het socialisme zien opgaan. Dien stap
+deed Baboeuf.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau
+leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van
+zijn pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de
+verinniging en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en
+bereikt had, zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen,
+natuurlijken, mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in
+Frankrijk gedurende de revolutie het pseudo-klassicisme, het
+koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, over-regelmatige,
+oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, zonder innigheid
+en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en bestreden had. Het
+overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen van het uiterlijke
+leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden maakten de kunst zoo.</p>
+
+<p>Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk “Over
+Literatuur,” dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast
+Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met
+de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en
+denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste
+manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest
+algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle
+woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote
+wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was
+voorgegaan.</p>
+
+<p>Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in
+Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele
+richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken,
+een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het
+politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig
+natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de
+burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische
+zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige
+gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling
+bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en
+specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het
+heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige
+vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar
+de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde
+enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den
+schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij
+zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze
+heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in
+de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de
+romantiek.</p>
+
+<p>Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der
+conventioneele banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had
+uitgeraasd, en het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit
+uitbeelden van den geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden
+ook van het slechte, zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige,
+gruwelijke en monsterlijke naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger
+waren en stiller, zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral
+toe op het scherp bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en
+innerlijke ervaring, zij waren de diepe ploegers die de kunst
+verinnerlijkten, nadat die eersten hare grenzen vele mijlpalen verder
+hadden uitgezet. Zij beluisterden de verste en zwakste tonen en
+ondertonen, opstijgend uit de diepten van dien kosmos: den
+lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren de naturalisten en de
+impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. En ook van hunne
+kunst lag de kiem in Rousseau.</p>
+
+<p>Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was
+anders dan alle anderen&mdash;en dit moest immers zoo zijn, want het groote
+wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke
+uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van
+het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was
+hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd
+behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door
+de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en
+politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij
+behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en
+elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers,
+tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken
+gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en
+geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer
+van doode regelmaat en konventioneele schema’s, de hartstochtelijke
+liefde tot het leven, tot &agrave;l zijne verschijnselen. En al deze trekken,
+die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller
+geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke
+literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de
+psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der “Nouvelle
+Héloïse,” der “Confessions” en der “R&ecirc;veries.”</p>
+
+<p>Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche
+schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest
+wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der
+anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid
+van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke
+gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog
+te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar
+doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder
+fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester
+Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in
+tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de
+sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed
+gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het
+communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat
+Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen
+lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen
+te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te
+scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne
+gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de
+eigenheid van zijn wezen.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele
+levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen
+van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind
+en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten
+overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige
+idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel
+dat zijn.</p>
+
+<p>De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie
+maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door
+reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de
+inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den
+dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij
+bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de
+grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke
+ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen
+bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd
+zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig
+denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel
+belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en
+gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische
+dogma’s. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende
+proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten.
+Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van
+Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de
+wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en
+daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de <i>algemeene</i>
+toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van
+doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis,
+blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben
+veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.</p>
+
+<p>Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis.
+Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd
+en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke
+produktiewijze en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor
+onderdrukking en uitbuiting, liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo
+groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo allesbeheerschend in hem was op ’t
+hoogtepunt van zijn leven, dat hij de vrije wilden, machteloos tegenover
+de natuur, verkoos boven de heeren en knechten der beschaving,&mdash;daarom
+bereikte hij de verste grenzen van het burgerlijk willen en is de
+arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. Want die demokratie,
+zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten voor alle
+menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan in de
+socialistische maatschappij.</p>
+
+<p>Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de
+individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de
+bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het
+kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner
+krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te
+vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de
+liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken
+weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die
+verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met
+de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen
+aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het
+zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van
+ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van
+menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar
+de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en
+koloniale oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van
+ekonomisch-achterlijke volken. Het zal een oogst van broederschap en
+vrede doen opgaan over de aarde.</p>
+
+<p>Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar
+maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen
+voorstelling had.</p>
+
+<p>Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude
+afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden
+zullen zijn;&mdash;wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige
+menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in
+vrijheid;&mdash;wanneer de onrust en de onvre&ecirc; en de wanorde van onze dagen
+den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan
+zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere
+verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier
+menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat de
+diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen
+hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en
+Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen
+vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen,
+opgaan van den enkeling in het geheel.</p>
+
+<p>Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der
+Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.</p>
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2>NOTEN:</h2>
+
+<p><a name="fn1">[1]</a> Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV,
+boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot
+XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het
+felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn
+ideologische “verkeerdheid” komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. in
+de volgende opmerking: “Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal geen
+godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel
+drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan
+de zijde der ketterij.” De opvatting van Michelet dat de ideeën de
+drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale
+oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de
+ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.</p>
+
+<p><a name="fn2">[2]</a> Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn
+wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de
+Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel
+lager geweest zijn.</p>
+
+<p><a name="fn3">[3]</a> Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere
+geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.</p>
+
+<p><a name="fn4">[4]</a> Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.</p>
+
+<p><a name="fn5">[5]</a> Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l’Industrie en
+France.</p>
+
+<p><a name="fn6">[6]</a> Mémoires et Journal du Marquis d’Argenson, Deel VIII.</p>
+
+<p><a name="fn7">[7]</a> Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39&#8212;40.</p>
+
+<p><a name="fn8">[8]</a> De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst
+van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats,
+terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is
+opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden
+uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische
+vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te
+herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.</p>
+
+<p><a name="fn9">[9]</a> Levasseur, bl. 536.</p>
+
+<p><a name="fn10">[10]</a> Martin, Histoire de France, Deel XVI.</p>
+
+<p><a name="fn11">[11]</a> Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den
+Franschen handel een geweldigen knak toebracht.</p>
+
+<p><a name="fn12">[12]</a> Levasseur, bl. 549.</p>
+
+<p><a name="fn13">[13]</a> F. Rocquain, L’Esprit révolutionaire avant la Révolution.</p>
+
+<p><a name="fn14">[14]</a> Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.</p>
+
+<p><a name="fn15">[15]</a> Windelband, bl. 359.</p>
+
+<p><a name="fn16">[16]</a> Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk
+der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband’s Geschichte
+der neueren Philosophie.</p>
+
+<p><a name="fn17">[17]</a> Eenige krasse staaltjes van Voltaire’s anti-demokratische
+gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald
+bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.</p>
+
+<p><a name="fn18">[18]</a> Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.</p>
+
+<p><a name="fn19">[19]</a> Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts “het geheim van1
+allen” uit.</p>
+
+<p><a name="fn20">[20]</a> Bij dit oproer hoorde men voor ’t eerst de kreten “A Versailles;
+br&ucirc;lons Versailles”&mdash;de haat van het volk tegen den wellusteling en
+graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die
+tegen Lodewijk de XVIde.</p>
+
+<p><a name="fn21">[21]</a> F. Rocquain, de l’Esprit révolutionaire, bl. 298.</p>
+
+<p><a name="fn22">[22]</a> De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk
+noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige
+vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige
+vrouw te beschouwen.</p>
+
+<p><a name="fn23">[23]</a> E. et J. de Concourt, “La femme au XVIIIième siècle,” blz. 296.</p>
+
+<p><a name="fn24">[24]</a> O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau
+heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse
+uitgelaten.</p>
+
+<p><a name="fn25">[25]</a> Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley,
+wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid
+der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.</p>
+
+<p><a name="fn26">[26]</a> Aan ’t hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest.
+Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire
+kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had
+burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar “eenvoud” en
+“natuur;” de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de
+overladen weelderigheid van het rococo.</p>
+
+<p><a name="fn27">[27]</a> Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl.
+de vraag in hoeverre Diderot’s raad Rousseau bij de samenstelling van
+zijn eerste “Discours” heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk
+te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau’s verhaal van zijn innerlijk
+gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate
+psychologisch-waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van
+bemoediging en bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten
+betroffen hebben.</p>
+
+<p><a name="fn28">[28]</a> “De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo
+Colletet in de vorige eeuw “van keuken tot keuken zijn brood zocht”
+(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van
+den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de
+18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld
+worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan
+eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van
+ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de
+schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar
+habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken” (Michelet,
+Histoire de France, XVI, 84).</p>
+
+<p><a name="fn29">[29]</a> In de “Confessions” bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor
+het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven
+was die hem de audiëntie deed weigeren.</p>
+
+<p><a name="fn30">[30]</a> Haar meest bekende werk zijn de “Mémoires de Madame d’Epinay,” die
+langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van
+Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald
+(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan ’t licht gebracht, dat
+deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een
+lange letterkundige machinatie tusschen Mme d’Epinay, Grimm en Diderot,
+dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven
+van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie “Vie de
+Rousseau,” blz. 188-189).</p>
+
+<p><a name="fn31">[31]</a> Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de
+liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den
+“Tristan” maakte.</p>
+
+<p><a name="fn32">[32]</a> Mme d’Epinay beschuldigt Thérèse van ’t schrijven van een anonymen
+brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer
+onwaarschijnlijk is. ’t Ligt voor de hand, dat, waar Mme d’Houdetot en
+Rousseau bijna voortdurend samen waren, samen wandelden in den
+maneschijn, enz. en de gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring
+als St. Lambert behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten
+en praatjes St. Lambert <i>moesten</i> bereiken.</p>
+
+<p><a name="fn33">[33]</a> Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen:
+hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had
+gebracht.</p>
+
+<p><a name="fn34">[34]</a> Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire
+Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige
+verbeeldings-lijst; en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel
+beeldend is.</p>
+
+<p><a name="fn35">[35]</a> De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan
+zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den
+“franschen geest” te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare.
+Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot,
+zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van
+diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote
+overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en
+der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale
+faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de
+traditie.</p>
+
+<p><a name="fn36">[36]</a> Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.</p>
+
+<p><a name="fn37">[37]</a> Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.</p>
+
+<p><a name="fn38">[38]</a> In den “Emile” schreef hij: “Wij naderen tot den staat van krisis
+en de eeuw der omwentelingen.”</p>
+
+<p><a name="fn39">[39]</a> Zie K. Marx, “Das Kapital” Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der
+Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire
+uiteenzetting: H. Gorter “Het Historisch Materialisme.”</p>
+
+<p><a name="fn40">[40]</a> Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool,
+die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de
+<i>passiviteit</i> van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke
+en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in
+het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen.
+Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht
+in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk
+dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot
+revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.</p>
+
+<p><a name="fn41">[41]</a> Gorter.</p>
+
+<p><a name="fn42">[42]</a> Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de
+plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.</p>
+
+<p><a name="fn43">[43]</a> Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een
+poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.</p>
+
+<p><a name="fn44">[44]</a> Deze uitlating luidt: “Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel
+ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die
+terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de
+grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn
+mede-menschen toewierp: “Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo
+ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem
+zelf aan niemand behoort”</p>
+
+<p><a name="fn45">[45]</a> “La Réunion des Amours,” van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de
+Goncourt, “La femme au 18ième siècle.”</p>
+
+<p><a name="fn46">[46]</a> “La femme au 18ième Siècle,” blz. 173.</p>
+
+<p><a name="fn47">[47]</a> Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.</p>
+
+<p><a name="fn48">[48]</a> “Contes Moraux de Marmontel;” aangehaald in “La femme au 18iéme
+Siècle,” blz. 239.</p>
+
+<p><a name="fn49">[49]</a> Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers
+te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het
+regeerstelsel van Polen.</p>
+
+<p><a name="fn50">[50]</a> Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de
+inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.</p>
+
+<p><a name="fn51">[51]</a> Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de
+groot-kapitalistische maatschappij.</p>
+
+<p><a name="fn52">[52]</a> “Mijnheer,” luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand
+die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, “ik heb gezegd, wat ik
+wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer
+weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is
+beter dat ik zwijg.”</p>
+
+<p><a name="fn53">[53]</a> Ook Faguet neemt dit aan.</p>
+
+<p><a name="fn54">[54]</a> Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse
+een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+kasteelen&mdash;eerst in Engeland, later in Frankrijk&mdash;met een zenuwzieken
+man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet
+opgewassen voelde&mdash;alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te
+komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen
+en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.</p>
+
+<p><a name="fn55">[55]</a> Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen;
+sommige biographen spreken van 1800 francs.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12009 ***</div>
+</body>
+</html>
+
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..d123db3
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #12009 (https://www.gutenberg.org/ebooks/12009)
diff --git a/old/12009-0.txt b/old/12009-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..422805e
--- /dev/null
+++ b/old/12009-0.txt
@@ -0,0 +1,9832 @@
+The Project Gutenberg eBook of Jacques Rousseau, by Henriëtte Roland Holst
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Jean Jacques Rousseau
+ Een beeld van zijn leven en werken
+
+Author: Henriëtte Roland Holst
+
+Release Date: April 9, 2004 [eBook #12009]
+[Most recently updated: March 28, 2023]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: Marc D’Hooghe
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***
+
+
+
+
+JEAN JACQUES ROUSSEAU
+
+
+EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN
+
+MET EENIGE PORTRETTEN
+
+van
+
+HENRIËTTE ROLAND HOLST
+
+
+
+[Illustratie: JEAN JACQUES ROUSSEAU.]
+
+
+INHOUD
+
+EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd.
+
+ I. Genève aan den aanvang der XVIIIde eeuw
+ II. Kindsheid
+III. De zwerver
+ IV. Groei
+
+TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs.
+
+ I. Midden der XVIIIde eeuw
+ II. Het moeizame leven
+III. De eerste fanfaren
+
+DERDE HOOFDSTUK: De groote foren.
+
+ I. Naar de vereenzaming
+ II. De Katastrophe
+III. De werken der groote jaren
+
+VIERDE HOOFDSTUK: De laatste worsteling
+
+VIJFDE HOOFDSTUK: Waan en Vrede
+
+
+
+
+Lijst van illustraties
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK
+
+JEUGD.
+
+
+I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW
+
+In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme
+geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst
+en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het
+maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen
+bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had
+gestuwd.
+
+Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen
+bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève,
+terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar
+heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de
+XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van
+verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken.
+Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen
+weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en
+sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel
+overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie
+bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der
+manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden;
+--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij
+tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook
+het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe
+kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden
+verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen,
+de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen,
+puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en
+behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in
+Holland als in Engeland, met ééne in het spel der krachten te zijn die
+het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere
+klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers,
+visschers en boeren.
+
+Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten
+handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit,
+en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon
+het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot
+onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie.
+De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt
+van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en
+levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens
+was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn.
+Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren,
+en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare
+gelijkvormige massa.
+
+Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van
+bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het
+eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was
+de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den
+handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten
+der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en
+beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun
+beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.
+
+De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer.
+Zij verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm
+tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen
+die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte,
+ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele
+beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest
+bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen
+zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar
+gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en
+de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.
+
+De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het
+begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar
+kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk,
+die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven
+zouden zijn weggespoeld.
+
+Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad
+voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een
+onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger
+van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke
+feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine
+steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen
+van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed
+en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke
+vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn,
+werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.
+
+Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de
+meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van
+kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke
+theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de
+kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten
+voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen,
+evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot
+één gevoel waren samengegroeid.
+
+Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de
+kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij
+in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der
+demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw
+verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke
+organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch.
+Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was
+in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de
+Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de
+bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds
+uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld
+was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de
+"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden
+in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van
+belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en
+bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen,"
+en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de
+"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het
+vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
+
+In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der
+gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de
+oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie
+die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig
+uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer
+bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het
+"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere
+groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd
+deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad
+vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den
+kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in
+Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan
+het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.
+
+De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de
+bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook
+dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide
+raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het
+burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.
+
+Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de
+rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook
+der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste
+gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt,
+overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit
+Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans,
+met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot
+plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de
+kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts
+zelden voor.
+
+Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het
+gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij
+het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte
+zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen,
+door de regeerders streng onderdrukt.
+
+Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie,
+grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen
+was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De
+kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet
+geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk
+gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en
+vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden
+zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen
+tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met
+kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een
+danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte
+in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,
+--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd
+onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of
+zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote
+machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad
+bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige
+toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen.
+Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken
+mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone
+teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de
+zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig
+avondmaal.
+
+Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het
+leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door
+den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk
+katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van
+voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle
+spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en
+trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen
+door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename
+karaktertrekken van het puritanisme.
+
+Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een
+stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen,
+oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt,
+dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen
+verstijven doet.
+
+Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse
+zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden,
+haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en
+de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van
+gemelijke norschheid.
+
+De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening
+van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van
+den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de
+burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan
+de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het
+gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die
+voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit
+wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het
+kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner
+kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun
+nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de
+godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den
+hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren
+aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God
+te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het
+lot hen voerde.
+
+Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één
+vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden.
+Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere
+handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.
+
+Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van
+Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over
+Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche
+vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder
+ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen
+allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en
+verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er
+een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des
+levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische
+regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten
+en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele
+handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij
+door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren:
+de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen.
+Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie.
+Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken
+vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den
+oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten
+woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen,
+waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge
+wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende
+weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt
+niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk
+bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden
+daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers
+trokken.
+
+Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de
+hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken
+of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het
+protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van
+aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden
+ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken
+hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de
+gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht
+in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid
+verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen
+de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd
+het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze
+mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die
+voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen
+en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk
+de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de
+aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.
+
+ * * * * *
+
+Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen
+beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en
+de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze
+neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale
+zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden
+neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij
+elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed.
+Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke
+demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn
+eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk,
+toch hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking
+samenbracht--had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van
+vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou
+men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de
+burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en
+vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare
+mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke
+oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en
+wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten,
+uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk
+stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel
+militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden
+de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De
+handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in
+zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid,
+van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts,
+mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren,
+eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden.
+Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der
+naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En
+droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen
+toga was.
+
+Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone
+oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de
+mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het
+licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen
+bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten
+stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun
+huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de
+pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men
+zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een
+dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van
+zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het
+dagelijksch doen.
+
+Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog
+zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met
+beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de
+burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en
+eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde
+landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar
+nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien."
+
+Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de
+ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl
+bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.
+
+
+II. KINDSHEID.
+
+Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot
+ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet
+gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door
+hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die
+te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten
+Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot
+_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn
+stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging
+weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen
+niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken
+staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en
+ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman.
+Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke
+opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een
+dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn
+voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen
+wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon
+vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was
+nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle
+kunsten had onderdrukt.
+
+Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig
+terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de
+autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder
+gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en
+toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een
+burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard
+heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde,
+bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader
+was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden
+liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde,
+en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam
+bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig
+en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en
+zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende-
+eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig,
+daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht
+van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad
+gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het
+jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had
+bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal,
+dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het
+ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden gebracht.
+Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en
+onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte
+gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd.
+
+Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun
+prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun
+herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij
+weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste
+kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van
+den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk
+erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem,
+gelijk zoovelen, de zwerflust.
+
+Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had
+hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht,"
+gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter
+wereld.
+
+Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit
+vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon,"
+heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij
+gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving
+en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend."
+
+Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar
+zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang
+heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete
+geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid
+mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude
+wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het
+gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend.
+Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet
+deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te
+zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar
+toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond
+er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze
+omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip
+hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in
+dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen,
+die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de
+atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die
+doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze
+voelde: het geheugen van 't gemoed.
+
+Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij
+de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de
+oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel.
+Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met
+hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote
+teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei:
+"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we
+schreien, vader."
+
+Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van
+overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac.
+Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te
+herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die
+Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd
+gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld,
+vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw
+kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van
+romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan
+jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud.
+
+Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich
+veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten
+levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde
+uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes
+en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar
+Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel
+met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen
+dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid.
+
+Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een
+ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem
+het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't
+haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid
+zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de
+vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen
+ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch
+gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De
+gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk,
+want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der
+middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn
+wezen en werd een deel daarvan, voor goed.
+
+Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon
+vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw
+voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet,
+Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid
+open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van
+rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was
+een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te
+redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond
+van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn
+oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden
+langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid,
+groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de
+oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig
+blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij
+wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem.
+Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van
+zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde,
+die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor
+de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen,
+gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren,
+en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat
+tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden
+versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en
+de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers
+van Sparta en Rome en met hun roem.
+
+En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en
+kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn,
+toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de
+gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden.
+En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen
+opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten
+zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne
+tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij
+burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud
+en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een
+grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde
+en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden
+zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte:
+hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen
+schooner toe.
+
+ * * * * *
+
+Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een
+hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier,
+die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac,
+prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden
+ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn
+zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete,
+drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac
+achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich
+voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het
+stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn
+kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor
+hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean
+Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch
+gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den
+achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad
+uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde
+ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten,
+in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in
+zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart
+tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.
+
+Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en
+kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde
+als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het
+zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje
+Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk,
+kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.
+
+Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok
+waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje
+hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van
+onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet
+misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid
+van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't
+kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld
+als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen
+in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten
+herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als
+een ongebruikte veer.
+
+Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn
+door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen.
+Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet
+voorbij.
+
+Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de
+grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer
+als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende
+liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad
+hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen.
+Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de
+onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf
+wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de
+eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn
+verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks
+pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete
+verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.
+
+De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote
+proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en
+brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet
+ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was
+hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in
+herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang
+nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog,
+als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der
+herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg,
+het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.
+
+Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige
+depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de
+bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte
+uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit
+óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van
+af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van
+triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten
+balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen
+zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij
+zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene
+oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke
+ongelijkheid.
+
+De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte
+gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar
+Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden:
+horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de
+nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten.
+Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen
+liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond
+hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem
+een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn,
+dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn
+met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en
+traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare,
+warme verwarring van het onderbewuste.
+
+Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man
+nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het
+ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was
+dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.
+
+Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar,
+zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en
+moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij
+zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden
+en omgeving van hem maakten, dat was hij.
+
+Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in
+hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed.
+Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind,
+gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de
+ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van
+overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren
+onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun
+liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten,
+hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als
+een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in
+verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later
+dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten
+tijd was vervallen.
+
+Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in
+de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage,
+waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.
+
+Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer.
+Alles om hem werd kil en grauw.
+
+Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor
+goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean
+Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan
+en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en
+voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.
+
+In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk
+gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En
+omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van
+anderen.
+
+Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met
+razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van
+zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken
+te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien
+waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster
+hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de
+liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte
+hij uit schaamte.
+
+Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om
+het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar
+in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den
+handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij,
+voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der
+zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste
+innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer,
+leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld
+kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.
+
+Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman
+geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper
+eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam
+om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te
+leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn
+vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem
+vertrouwden levensstaat.
+
+Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang
+duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht
+op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde
+de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat
+afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten
+gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft
+en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet
+terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de
+brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich
+in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te
+keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen
+Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar
+zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.
+
+Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de
+wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen
+ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze
+eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in
+den strijd om het bestaan.
+
+Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.
+
+
+III. DE ZWERVER.
+
+Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan.
+Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de
+kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen,
+die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand
+slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de
+minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen
+zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich
+kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete
+bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging,
+rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde
+zich baden in vrijheid.
+
+Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn.
+Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den
+oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te
+zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen."
+Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van
+dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht
+ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en
+de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't
+grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in 't land der
+hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd
+de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen,
+telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de
+veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met
+andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen
+hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij lagen op
+de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele
+bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan
+zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist.
+
+De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling
+na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het
+bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap
+met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het
+hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te
+winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame,
+die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde.
+Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters:
+haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten
+uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de
+hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het
+katholicisme.
+
+Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij
+achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de
+kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude
+kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen,
+lieftallig schoon en jong.
+
+Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert
+zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar
+bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was.
+Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en
+weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur
+bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar
+teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk
+als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet
+alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van
+lieftalligheid.
+
+Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd
+geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart.
+Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als
+twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.
+
+Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar
+later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven
+beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen
+voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in
+pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare
+gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen
+zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hàre zachtheid ... dat was
+het geluk.
+
+Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en
+later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning
+die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al
+heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in
+haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem
+terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de
+geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk
+werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem
+te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde
+zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde
+hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem
+gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.
+
+Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming.
+Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn
+hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en
+toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en
+kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij
+in minne zijn moeder.
+
+Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid
+beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar
+geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en
+zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke
+jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht,
+maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden
+voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid,
+haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat
+een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens
+over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke
+plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de
+Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in
+groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over
+het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp.
+Spoedig volgde haar bekeering.
+
+Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau
+bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden
+haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles
+proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en
+daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van
+aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van
+Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te
+exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat
+al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien
+zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen,
+wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het
+einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al
+nijpender schulden en al dreigender gebrek.
+
+En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust,
+de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig
+die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien,
+zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden
+der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij
+stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar
+ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen.
+Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij
+verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.
+
+Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn
+leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring
+en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot
+fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid,
+in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel
+de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar
+vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en
+vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven
+effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van
+onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van
+harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij
+haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke
+tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door háár gelukkigen
+jongelingstijd.
+
+Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn,
+om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van
+zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn
+kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid?
+Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de
+burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk
+leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke
+gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete
+begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen
+zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan
+de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone
+vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar
+verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit,
+aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe
+schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend,
+juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.
+
+Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij
+wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren
+zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij
+is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het
+bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust
+van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt
+tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen
+met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het
+geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man
+van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na
+vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone
+droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de
+paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden.
+Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem
+gehouden kollekte, en zetten hem op straat.
+
+Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de
+weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij
+de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren,
+zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie
+hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de
+schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot
+een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles
+af.
+
+Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt
+zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet,
+maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië
+was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der
+italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem,
+muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang
+ontwaakt.
+
+Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij
+wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft
+zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat
+nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den
+jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt,
+geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een
+keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en
+die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem
+het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de
+"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn
+aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.
+
+Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op
+een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat
+zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten
+valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een
+geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris,
+zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij
+bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst,
+zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden
+raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der
+wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn
+gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding
+herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de
+groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke
+faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken.
+
+Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun
+diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling
+gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los.
+
+Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen
+avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan
+toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bâcle mee, hij
+moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch
+maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn
+nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't
+vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't
+schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.
+
+Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt
+hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen,
+neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de
+Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet
+de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij
+ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een
+bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde,
+maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd
+weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.
+
+Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later
+getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij
+gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting
+verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond
+was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde,
+altijd meegaf, een donzige wolk.
+
+Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de
+liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen,
+alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen
+gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke
+verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem
+levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens,
+verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de
+vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven
+schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij
+toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.
+
+In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan
+wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als
+passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte
+overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens
+was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders
+heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de
+hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft
+hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des
+levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar
+duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met
+liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is
+teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van
+hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en
+toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld."
+
+Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet
+doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een
+vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde
+van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.
+
+Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de
+tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende
+kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap,
+polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon
+goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan
+weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en
+literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche
+prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje
+van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en
+ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er
+te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar
+hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar
+het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen,
+de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en
+te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn
+weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van
+Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een
+donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit
+Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje
+een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed
+geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God
+verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel
+behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een
+verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die
+gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend
+geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de
+donkere gewelven van zijn gemoed.
+
+En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die
+hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de
+schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname
+stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn
+middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een
+provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de
+bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn
+kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de
+hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den
+bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de
+gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan
+Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder
+de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste
+rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op
+den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap
+was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië,
+een bad van vrede en harmonie.
+
+Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet
+langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen
+geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van
+altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls
+gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van
+liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.
+
+Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op
+te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de
+verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en
+de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer
+zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de
+ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in
+'t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de
+zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet
+leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf
+verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd
+weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem
+aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang
+opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek
+verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en
+studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet
+afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de
+koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren.
+Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare
+musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten.
+Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem
+behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou
+vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op
+straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw
+een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd
+heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den
+zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar
+Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke
+intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar
+Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder
+middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot
+een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering
+nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag,
+lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer
+lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in
+den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen
+over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee.
+Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij
+beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van
+zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk
+landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het
+kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag
+van morgen tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van
+glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de
+herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en
+rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen
+in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het
+vriendinnen-paar Claire en Julie.
+
+Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit
+door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de
+kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar
+Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich
+uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een
+muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig
+bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met
+een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den
+muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor
+orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen,
+schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt,
+dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij.
+Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor
+een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor
+het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant
+in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen
+officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt
+de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel
+oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij,
+zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een
+dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt
+de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de
+lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest
+te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye
+is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar
+en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is
+ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven
+gaat beginnen.
+
+Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu
+twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en
+iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den
+toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde
+levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de
+scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven;
+soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn
+vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren
+vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de
+volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij,
+geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar
+de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel
+gebleven.
+
+Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der
+blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een déclassé geworden."
+Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij
+stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn
+afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het
+bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de
+dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en
+eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar
+gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens
+van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter
+tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen,
+waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef
+zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen
+te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer
+kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met
+de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien
+omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk
+wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben.
+Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote
+prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke
+gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen
+er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor
+wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de
+mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig
+leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en
+lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had
+verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens
+duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit
+de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet
+burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling
+vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof.
+
+Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker,
+die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De
+misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als
+den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven
+dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij
+de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren
+had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers,
+voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem
+meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de
+volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden,
+onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als
+in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig,
+menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der
+groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog
+meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het
+volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door
+ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte,
+aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar,
+zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat
+knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was
+hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't
+allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder
+van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des
+konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet.
+Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn
+arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet
+ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den
+nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers
+van het volk."
+
+Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer
+van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke
+verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die
+ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn
+bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der
+massa's waren saamgegroeid tot één gevoel.
+
+Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke
+ervaring en persoonlijke waardeering.
+
+Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem
+ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed
+fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige
+wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn
+handelen.
+
+
+IV. GROEI
+
+Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij
+een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver
+werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de
+bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit,
+waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe
+natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis.
+Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn
+levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één
+kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der
+dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets
+of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn
+eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij
+te blokken op het "Traité de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en
+duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een
+zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der
+harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een
+schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle
+kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in
+zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten
+kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten
+was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit
+ontmoedigde hem niet.
+
+Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke
+administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in
+krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met
+verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar
+neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie:
+magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan
+sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had
+omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam
+Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich
+interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't
+opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven
+van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van
+Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland,"
+van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't
+denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën
+van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een
+nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles
+wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die
+liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het
+uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond
+hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het
+openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht
+naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging.
+
+Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een
+koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de
+aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig
+voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige
+oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde
+voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet
+verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij
+haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij
+niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was
+vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en
+Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding
+zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar
+met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In
+volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën
+vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde
+de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn.
+Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.
+
+Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam
+toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die
+de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en
+de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde
+hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme
+Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint,
+sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de
+ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken
+wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in
+'t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg
+voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens
+een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den
+kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte
+natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal
+men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.
+
+Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke
+muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol
+intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders
+te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn
+oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en
+overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in
+verzen uit het jaar '41, "l'Epitre à Parisot."
+
+Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang,
+'t scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar
+groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn
+krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder
+aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het
+aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de
+hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in
+een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.
+
+Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem
+goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille.
+Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar
+hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur
+buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol
+meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam,
+heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar
+dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't
+eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis,
+idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog
+over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten
+aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en
+het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij
+rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een
+dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende
+bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met
+geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en
+der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één
+werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als
+een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige
+engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel.
+
+Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle
+tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.
+
+Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom,
+worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid,
+de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les
+Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor
+zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur
+geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich
+voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de
+frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de
+honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der
+duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door
+den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven,
+kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een
+pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel
+gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig
+willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar
+buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij
+lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond
+weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar
+waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen
+steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen,
+ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten,
+daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den
+boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de
+duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de
+ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de
+sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en
+nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over
+alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde
+niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem
+de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder
+en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij,
+starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der
+jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen.
+En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere
+jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les
+Charmettes opsteeg, samen tot één droom.
+
+In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar
+strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde
+had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den
+groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten
+van zijn wezen waren er veel gerijpt.
+
+Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genève waar
+hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen,
+terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke,
+rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried
+verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk
+geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de
+ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en
+voor alles--in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel
+had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest
+deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de
+tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den
+medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel;
+de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet
+deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn
+jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn
+opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een
+verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te
+leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet
+elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar
+van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een
+hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte
+aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een
+Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde
+hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in
+zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet,
+en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen
+'t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier
+gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust
+en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor 't eerst in zijn leven
+voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.
+
+Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende
+twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's
+winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op
+de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de
+boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd
+geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was
+een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den
+haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude
+liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij
+hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat
+ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man
+en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der
+menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel
+aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij
+bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven,
+probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te
+bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist,
+had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot
+hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van
+werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes,
+Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke
+werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis,
+fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde;
+reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij
+een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen
+te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een
+toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de
+wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering
+uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om
+aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het
+studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal
+boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu
+niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel
+beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast
+door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme
+de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen
+helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar
+de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v.
+sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende
+hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur
+in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was
+het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat
+vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den
+geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid."
+Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de
+zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn
+gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig
+te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft
+gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot
+godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad
+dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden
+wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht
+vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de
+Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield
+daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige
+leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche
+leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had
+eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die
+godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering
+des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale
+verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig
+respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in
+één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig
+leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een
+persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het
+best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er
+verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen
+in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te
+vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in
+het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk
+gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.
+
+De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok
+niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe
+na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit
+ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te
+gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee
+kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn
+denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner
+leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies,
+met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde.
+Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen
+te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld
+genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook
+moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte
+aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd.
+Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels;
+hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele
+maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie
+der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw
+notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem
+voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking
+der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden,
+het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de
+"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen
+en offers kunnen vergoeden.
+
+Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen
+sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische
+ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend
+komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over
+opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder
+persoonlijk accent: dat is alles.
+
+Maar alle kiemen--op één na--van den man dien hij worden en van de
+werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn
+leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In
+zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie,
+de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner
+jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de
+verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk
+individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren
+van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem
+overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn
+met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te
+leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in
+Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar
+in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het
+vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed,
+de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en
+doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner
+jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en
+onsterfelijkheidsgeloof.
+
+Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en
+stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was
+getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets
+vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend
+van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK
+
+PARIJS.
+
+
+I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK
+ OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.
+
+In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de
+absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en
+de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling
+tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het
+ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en
+zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het
+tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door
+geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in
+hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen.
+De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de
+omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.
+
+Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk
+de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft
+tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den
+absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de
+intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.
+
+Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen
+van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht
+van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die
+aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze
+zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een
+rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten
+tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van
+monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het
+absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele
+bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.
+
+Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der
+nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het
+Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier
+Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de
+methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de
+been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank,
+een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op
+den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die
+de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van
+overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn
+eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende
+methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat,
+beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door
+'t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa
+voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs
+dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de
+poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele
+uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een
+millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk
+bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben
+dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot
+gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon
+sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te
+halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden
+morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden
+zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste
+maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale
+beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten,
+hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.
+
+Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het
+reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te
+bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en
+lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in
+hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen
+ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw
+besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken
+welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke
+gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden
+gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken
+staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de
+zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige
+betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den
+volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk
+waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen,
+waar elkeen van een droomt.[1]
+
+Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot
+velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789
+doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën,
+althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met
+den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal
+verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt
+opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder
+reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld
+kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en
+geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de
+staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van
+alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven.
+Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de
+bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot
+stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.
+
+Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en
+hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en
+uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang.
+Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse-
+verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude
+vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der
+eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering
+van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis
+ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk."
+
+ * * * * *
+
+Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit,
+dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties
+meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie
+het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze.
+Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der
+rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om
+een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De
+uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht,
+omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig,
+en ofschoon de uitgemergelde massa's àl zwaarder belast worden, het
+deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot
+alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid,
+haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte
+noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de
+bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen
+den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting
+en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot
+deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen
+een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten.
+
+De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30
+millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van
+pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de
+provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per
+jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde
+van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn
+politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster
+aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn
+maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij
+grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het
+platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale
+tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden,
+verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende
+burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te
+zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen
+staat.
+
+Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote
+maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de
+geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat
+de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft
+gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de
+zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is.
+Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf
+nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is
+verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige
+schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den
+bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van
+de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit
+immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele
+bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat
+zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van
+haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes
+toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in
+dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen.
+
+Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een
+revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende
+verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt,
+stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't
+hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en
+rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van
+den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der
+regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal
+geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat
+deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld
+zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een
+wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot
+besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het
+verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl.
+over de zoogenaamde "Charité" (de administratie van het armwezen, de
+hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.
+
+Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het
+burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de
+kerk keerde, dat het woord "écrasez l'infame," tot het parool van zijne
+propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het
+oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur.
+Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar
+ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde
+in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar
+bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst
+gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte
+het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers
+en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij
+zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was
+voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning.
+
+ * * * * *
+
+Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land
+en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de
+buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de
+adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit
+de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en
+pruikenmakers, hun maîtressen en koks bij duizenden medevoeren; uit
+alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie
+omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het
+romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle
+levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen,
+hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele
+gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst:
+schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het
+geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de
+"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard
+bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt
+uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de
+XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige
+behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een
+labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt.
+Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de
+weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij
+die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich
+nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale,
+koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met
+melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van
+wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen.
+De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest-
+volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar
+het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van
+hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts één
+inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in
+wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering,
+zonder verheffing.
+
+Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze
+liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die
+niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van
+Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de
+appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men
+ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij,
+en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke
+trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen
+den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man
+gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud,
+waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het
+menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft
+leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de
+behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het
+eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson).
+
+Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met
+hunne maîtressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde
+bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen,
+bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk
+van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de
+schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde
+intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde
+zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der
+schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de
+ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in
+ontaarding.
+
+Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.
+
+"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van
+Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren
+--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept
+Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit
+het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het
+koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers;
+alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan
+de zijde der oppositie.
+
+Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht
+en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden,
+te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van
+de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de
+hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te
+voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de
+dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de
+stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de
+zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en
+rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel
+leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en
+meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de
+mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld
+aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het
+grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht
+en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest
+getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van
+de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.
+
+Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en
+onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte
+van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine
+burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende
+handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd.
+De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog
+meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun
+scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in één maand
+tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6]
+
+En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk,
+vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het,
+de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt
+het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de
+approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine
+burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.
+
+De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle
+lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden
+vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige
+uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De
+heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug
+betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan
+laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot
+instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer,
+die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze
+overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt
+zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het
+finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het
+uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden
+zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die
+wolven, bevindt zich de koning.
+
+Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in
+elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan
+een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven
+langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt,
+in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde
+verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op;
+"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de
+ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk
+drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote
+wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of
+breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyreneën, in de Provence,
+in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van Rouaan enz.
+enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht
+de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de
+provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje
+blijft het dan weer stil.
+
+De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de
+epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de
+opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is
+alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in
+de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende
+toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke
+illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende,
+sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die
+deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van
+die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in
+genietingen, stikkend in geilheid.
+
+ * * * * *
+
+Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen,
+gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische
+vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei
+van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.
+
+Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt
+de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de
+bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der
+koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige
+misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute
+monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig
+bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de
+openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de
+andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de
+ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de
+monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar
+zit tevens vast aan het oude.
+
+In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de
+pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen
+van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke
+geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun
+zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door maîtressen en
+paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd,
+maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate:
+het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid
+van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en
+terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken
+van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van
+bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte
+haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van
+de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige
+is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe
+koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7]
+
+De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn
+vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het
+verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën.
+Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de
+koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet:
+weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als
+hùn levensleer.
+
+De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze
+vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten
+achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van
+het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De
+overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de
+buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen
+der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor
+een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te
+voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde
+voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de
+bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat
+zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine,
+de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in
+Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur,
+Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet
+langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon
+neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering
+van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan
+de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der
+belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving
+en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de
+Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle
+mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te
+stellen,--getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist,
+wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het
+machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de
+industrie.[10]
+
+Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der
+handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel
+verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20
+tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantiëele bourgeoisie
+in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een
+aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon,
+de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden
+worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van
+revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den
+zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de
+onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de
+desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie
+van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie.
+Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de
+Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de
+oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral
+toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de
+oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in
+1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde
+half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het
+bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine
+Antillen had geakkapareerd.[12]
+
+Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste
+draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke,
+staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een
+diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al
+liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele
+regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds
+over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het
+ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd
+van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de
+opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel:
+aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair
+gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme,
+dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen
+dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst
+wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de
+regeering en van alle officiëele instellingen en denkbeelden hun
+hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid
+al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet
+der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter.
+Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13]
+
+De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren,
+omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke
+groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele
+bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.
+
+De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun
+maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de
+intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de
+officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid
+van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen
+tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak
+van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig
+had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in
+de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de
+geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als
+Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire
+waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden
+den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn.
+Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den
+strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de
+machtsverheffing der bourgeoisie voor.
+
+Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de
+oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische
+ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de
+misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na
+het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een
+voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den
+eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in
+het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot
+'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol,"
+de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor
+de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de
+werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte
+zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten
+een einde maakte. Nog vóór de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721,
+waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje
+waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos-
+felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend.
+
+Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en
+philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische
+concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het "algemeen
+handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan
+zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van
+het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire
+bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche
+wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot
+één philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing
+opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust.
+Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit
+en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij
+de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot
+uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en
+geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden;
+om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst;
+om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de
+instelling van een konstitutioneele regeering;--met één woord, om de
+praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_,
+in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van
+den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar
+aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn
+moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot."
+Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der
+bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie
+der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is
+aangestoken;--vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid
+dorstende klasse.
+
+Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het
+revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land
+waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis
+met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen
+de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de
+beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als
+eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_
+ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische
+denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de
+wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en
+volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten
+streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten
+uit de deïsten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen
+openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire
+volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der
+mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen
+deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo
+worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats
+van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16]
+
+Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en
+haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken
+--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de
+engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de
+positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling
+--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken
+strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse-
+tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie
+groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds
+radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met
+de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich
+aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche
+philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het
+middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht
+der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische
+macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het
+ondergaand regiem.
+
+De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en
+evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname
+stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is
+Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van
+dien tijd--de finantiëele--belichaamt hij als geen ander, als geen
+ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge
+grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit
+geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de
+konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing,
+--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van
+den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten
+van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt
+aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt
+gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam,
+altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt
+hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig,
+ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn
+aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met
+onfeilbare intuïtie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die
+tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant
+zich tegen alle materialistische en atheïstische denk-excessen zijner
+dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk
+_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te
+worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen
+leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale
+figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend
+volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der
+tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt
+hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande
+tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in
+een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17]
+levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate
+is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen
+dwang, vóór de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der
+menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de
+willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met
+animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een
+ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het
+oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit
+ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in
+beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij
+gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie
+niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang
+te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud,
+blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als
+van de finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur
+d'affaires et grand remueur d'idées,"[18] gelijk Jaurès' gelukkige
+omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de
+dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen,
+als het egoïsme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage
+_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt.
+
+Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de
+wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten
+van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol
+stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de
+menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente
+theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een
+machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen
+zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur,
+de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar
+Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle
+aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het
+egoïsme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theoriën
+natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire
+philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der
+papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en
+naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en
+genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever
+liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten
+deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in
+hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis
+van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der
+groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische
+uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als
+even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt
+onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim
+van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle
+huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen,
+evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de
+eenige waardevormende kracht is.
+
+ * * * * *
+
+De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het
+derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den
+klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de
+parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de
+oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750,
+naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische
+doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen
+zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene
+revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute
+monarchie, begint eerst nà 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste
+plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet
+der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders
+en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.
+
+Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer
+massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse-
+aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote
+bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in
+andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking
+gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem
+stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden
+geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of
+burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe,
+waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen
+_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een
+bewonderenswaardig heroïsme--met _tragisch_ heroïsme, want zij moesten
+in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het
+wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen
+dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun
+vleesch en bloed van hun bloed was.
+
+De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven,
+hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele
+verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou
+opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij
+gingen stem krijgen in Rousseau.
+
+
+
+II. HET MOEIZAME LEVEN.
+
+In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op
+zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift
+in cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom
+verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties,
+en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele
+kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en
+chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd
+hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe
+methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te
+lezen.
+
+Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De
+"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan
+te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek
+wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en
+beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de
+inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was.
+Hij voelde zich diep verongelijkt.
+
+Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over
+hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een
+vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij
+verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken
+ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de
+moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever,
+maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn
+gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij,
+soezende knaap, door Milaan gedwaald had.
+
+Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in
+de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke
+inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel
+mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost
+te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden
+zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van
+buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon;
+af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij
+gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al
+zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen
+voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij
+hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle,
+Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd
+weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat
+hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.
+
+Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele
+anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren
+even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit
+een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de
+provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij
+bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm,
+gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij
+gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen
+uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn
+dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen:
+zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een
+neiging tot paradoxen.
+
+Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve),
+is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de
+aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was
+schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke
+eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang
+hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden
+en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid
+te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der
+regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch
+het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de
+nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk
+voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge
+kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn
+talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in
+het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die
+armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle
+mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.
+
+Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als
+de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht
+en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan
+verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem
+tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van
+zijn gezin en van zijn maîtresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst
+die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun
+temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief,
+droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig,
+opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst
+bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze
+tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was
+bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn
+vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet
+heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.
+
+Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de
+vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij,
+komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar
+dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin
+de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek
+verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven
+eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie
+bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem
+van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder,
+hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.
+
+Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van
+een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot
+Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld.
+Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel
+mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving
+Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij
+de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos
+fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon,
+Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij
+liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar
+eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen
+zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van
+Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd
+secretaris van den franschen gezant in Venetië.
+
+[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).]
+
+
+Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was,
+vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris,
+een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was
+een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke
+aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau
+vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij
+in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van
+scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij
+misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te
+Venetië geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken
+een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen
+en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken
+zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn
+vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een souvereine stad, bestuurd
+dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Genève een oude
+republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde,
+terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patriciërs berustte. Zijn
+werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn
+geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed
+der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië
+een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.
+
+Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man,
+wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte
+de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig
+ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en
+beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten
+slotte kwam 't tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris
+weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te
+trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij
+vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er
+eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde
+in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den
+smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed
+hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door
+zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te
+laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet
+hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden.
+Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den
+gezant zelf.
+
+Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar
+Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo
+verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat
+hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat;
+nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee
+en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn
+streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in
+alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte
+was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde
+vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de
+zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van
+levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder
+strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede
+drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij
+eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.
+
+Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het
+puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar
+zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij
+zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van
+Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft
+vooral.
+
+Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar
+Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger,
+eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven
+van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't
+vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude
+hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong
+linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was
+geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal
+verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht.
+Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door
+de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at
+aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het
+schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en
+onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor
+haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat
+menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste);
+tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was
+het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte
+aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg;
+hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.
+
+Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar
+ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije
+liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22]
+
+Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die
+vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den
+levensbond met het plebeïsch natuurkind--Thérèse was in buitengewone
+mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog
+onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten,
+in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud
+der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften
+volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik
+tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar
+overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van
+hart.
+
+Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk.
+Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen maîtressen--aristokratische dames of
+vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dàt sprak
+immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een
+glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote
+gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen
+neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het
+nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten
+over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of
+geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse!
+Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en
+alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar
+mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en
+niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer.
+Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de
+soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij
+niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een
+ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten
+verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig
+opzicht meest essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk
+een kiem van vervreemding.
+
+Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau.
+Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die
+afschuwelijke Thérèse," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en
+verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de
+zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem
+plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke
+wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn
+aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven
+natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten
+afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar
+beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was
+immers de bekoorlijke châtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar
+minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke
+"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij
+dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de
+"onbeschaafde wasch-vrouw" Thérèse le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders:
+hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen
+hoogmoed.
+
+Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar
+zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de
+meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid.
+Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie
+voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden
+van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat
+met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo
+ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst
+verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw
+al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk
+zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan
+moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook
+doen. Maar daaraan denkt niemand.
+
+Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat 't volgende;
+staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar
+vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn
+brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige
+werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn
+lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef
+hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,"
+hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls
+steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische
+aangelegenheden bleek altijd goed.
+
+En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.
+
+Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle,
+waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels,
+arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en
+die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige
+schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel
+een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien,
+tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het
+kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste,
+trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige
+huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het
+zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar
+goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe
+verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de
+aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem
+maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in
+trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van
+vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der
+regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche
+geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden.
+Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?
+
+Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn
+geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en
+inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden.
+Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn
+geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken--zijn
+denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben vóór begrijpen.
+En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen,
+hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen
+genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn
+gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn
+persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende
+dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding
+gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het
+dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten
+schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen
+bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware,
+moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den
+ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den
+in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot
+haar sprak.
+
+Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in
+'t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven
+lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden
+achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie
+behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man
+liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in
+Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van
+zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en
+Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme
+d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme
+d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot
+aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige
+burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij
+loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard."
+
+En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd
+en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar
+dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld
+compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart,"
+haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven:
+Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde,
+zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in
+het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen
+en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen.
+"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk
+te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik
+gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer
+te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij
+onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin."
+
+Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de
+Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en
+courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde
+ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog
+heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in
+hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast
+onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Thérèse.
+
+Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het
+sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor
+'t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht
+voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort
+verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen
+verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord
+verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't
+dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk,
+in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het
+onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug,
+en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en
+vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet
+ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.
+
+Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch
+proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn
+kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en
+aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk
+eten, door haar bereid.
+
+Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieëren:
+het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het
+kasteel Ermenonville. Dáár stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld,
+dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor
+hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was véél.
+
+De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling
+eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die
+haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar
+lang.
+
+Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen
+minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme,
+simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde
+Thérèse le Vasseur.
+
+ * * * * *
+
+Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.
+
+Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon
+Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend,
+en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan.
+Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen
+naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig,
+maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar
+zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat
+zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze
+ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen
+nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen
+werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór
+'t samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel
+verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de
+wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis
+bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.
+
+Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra "les Muses
+galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen
+belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer,
+den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste
+kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den
+koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu
+hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de
+"Fêtes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd.
+Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed
+Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat
+en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet
+genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses
+galantes" door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam
+niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit
+gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd
+en gaf elke poging om naam te maken op.
+
+Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele
+kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld
+vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn
+onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als
+al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige
+intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder
+innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in
+plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit
+diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan
+gloeiende stroomen omhoog.
+
+Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was
+een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin
+hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste
+ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van
+zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms
+toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was
+zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren
+logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan
+door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren
+de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt."
+
+De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den
+afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem
+worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?
+
+De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn
+afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder
+dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk
+hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing,
+levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste,
+groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden
+uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van
+pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer
+ademen kon.
+
+
+III. DE EERSTE FANFAREN.
+
+Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de
+velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er
+werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het
+land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren
+zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten
+de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder
+leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.
+
+De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een
+broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke
+voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld te bombardeeren
+met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois"
+verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons
+"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde
+en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch
+scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige
+geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste
+proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem
+voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt
+de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij
+zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie,
+nù onderdrukken, dàn weer de teugels vieren, zonder iets anders te
+bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te
+maken door het andere.
+
+In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men
+nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken.
+In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen
+niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers
+opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de
+intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering
+wilde een grooten slag slaan.
+
+Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken
+waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te
+hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het
+ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme.
+
+Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur
+les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch
+werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich
+beleedigd achtte.[26]
+
+Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel
+opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem
+toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt
+d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de
+hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.
+
+De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende
+maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel
+zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den
+vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste
+dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn
+geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de
+Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij
+dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap
+van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn
+smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij
+mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn
+kameraden werden tot hem toegelaten.
+
+Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken!
+Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen,
+haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet
+verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond
+neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog
+broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde
+strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de
+koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de
+Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen
+de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche
+glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg,
+groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van
+eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was
+in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.
+
+Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad,
+de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten,
+toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon
+uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten
+bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling,
+voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de
+bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij
+merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere
+zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste,
+met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't
+diepst-van-'t-woud.
+
+Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de
+opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht
+opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid
+van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen;
+gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de
+verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in
+eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het
+lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der
+grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een
+leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en
+zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat
+'t blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij.
+
+Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het
+nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het
+tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en
+klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook
+rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals
+zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige,
+hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt
+de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der
+Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.
+
+Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar
+het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken
+onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien
+uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de
+heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in
+wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de
+werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar
+wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde
+genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der
+groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal,
+naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn
+Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid, tegen den horizon,
+maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan
+hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de
+verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn
+jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken
+zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het
+patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de
+achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog
+voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre
+landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele
+kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid
+van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken
+saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische
+ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit
+veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener
+maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van
+kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme
+daarin ontbrak was natuurlijk.
+
+Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid,
+voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.
+
+Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun
+vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden
+ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder
+aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke
+verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want
+zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De
+strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde,
+voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers
+tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de
+heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde,
+wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder
+uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd
+genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op
+domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap,
+die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden
+enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen,
+voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in
+den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der
+verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot
+bewustheid.
+
+Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de
+slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.
+
+Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van
+tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme,
+opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der
+Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn
+leven zijn.
+
+Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over
+den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden
+en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27]
+
+Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven
+in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours."
+Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn
+opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde,
+verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn
+oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober
+onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen
+en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden
+wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw,
+wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en
+genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der
+groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij
+doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond
+zich tot ééne, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de
+beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen
+de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van
+verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van
+ontzenuwenden lediggang."
+
+Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde
+maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van
+plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van
+den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde
+hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en
+ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als
+vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch,
+uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch
+intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover
+de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God
+welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar
+van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger
+aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een
+vervallend régiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen,
+maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend
+tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving."
+Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier
+dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde:
+burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland;
+de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was
+de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets
+voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de
+toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door
+haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde:
+het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_,
+den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een
+gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting
+voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van
+dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een
+maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij,
+dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet
+als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse
+gedoemd gelijktijdig reaktionair èn revolutionair te zijn.
+
+Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen
+prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken;
+al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven
+Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge
+bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat,
+hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de
+artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek
+beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over
+de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de
+beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.
+
+Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van
+Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk
+en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van
+maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde
+bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen,"
+"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar
+begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge
+noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen
+weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij:
+"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend
+sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den
+mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet
+vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen
+bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer
+slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben
+zooveel armen geen brood."
+
+Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat
+tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan
+verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom
+vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.
+
+Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping
+tusschen beginsel en praktische konsekwenties.
+
+Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend;
+zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten
+en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch
+bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij
+noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden
+gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel
+van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote
+revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen
+genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te
+voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak
+tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te
+bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen
+en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch
+de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.
+
+Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de
+inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner
+andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is.
+Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was
+teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid
+die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der
+liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de
+stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde
+het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.
+
+Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours,"
+dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe
+prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der
+maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom:
+zachtheid had hij nog niet teruggevonden.
+
+Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van
+den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang
+zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur,
+uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den
+primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo
+meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden
+van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden
+vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de
+natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen
+was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de
+verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en
+voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de
+neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn
+voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid
+hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren
+hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest
+vermoedde hij niet.
+
+Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige
+trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij
+tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk
+Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt
+tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op
+de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op
+de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de
+ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende
+klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours."
+
+In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter
+bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der
+tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den
+primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en
+sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche
+stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na
+het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan
+Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel
+beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch
+Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle
+wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de
+verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van
+anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van
+nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij
+alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd
+goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij
+alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener
+maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener
+samenleving "waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet
+door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt;
+waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het
+schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin
+niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner
+naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en
+treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij
+sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en
+barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie
+kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk
+niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of
+kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van
+zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de
+natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de
+hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een
+grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk:
+hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke
+gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden
+ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en
+politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt,
+het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op
+wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde
+der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen."
+
+Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van
+uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten
+gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die
+volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de
+Carmagnole:
+
+ "Ça ira, ça ira, ça ira,
+ Celui qui s'élève, on l'abaissera,"
+
+en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de
+wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een
+onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons
+de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen
+met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau,
+wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet
+in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien
+slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden
+zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen,
+nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten
+maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn
+lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de
+menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten
+te voorkomen, te genezen of te verzachten?"
+
+De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop
+nog vleugellam in dat der daad.
+
+Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en
+herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste
+lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.
+
+ * * * * *
+
+In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede
+"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in
+zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen
+werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend
+schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de
+dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der
+hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde--nl. van algemeen
+ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden
+verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute
+finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden
+toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid
+van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten
+hem ziek.
+
+Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het
+was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong,
+nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de
+tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan
+anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij
+zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen,
+de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon.
+
+Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat
+is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog
+zeldzamer is, hij zette het door.
+
+Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap
+neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen;
+Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.
+
+Hoe zou hij nu leven?
+
+De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden
+chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel
+geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste
+parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was
+een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een
+der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach,
+geschonken.[28]
+
+Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en
+niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in
+'t verkondigen zijner beginselen.
+
+En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn
+het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede
+en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale
+idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn
+gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die,
+wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt,
+nederschrijft."
+
+Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef
+fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield
+van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd
+muziek-copiïst.
+
+Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het
+handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem
+genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het
+mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't
+platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn
+dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud.
+
+Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij
+had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de
+letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon
+voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet,
+die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de
+goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke
+stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven
+onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.
+
+Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven
+allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom
+moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te
+doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien
+in hun binnenste; naast 't samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe
+wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van
+vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.
+
+Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn
+uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie
+der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot
+in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij
+schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand
+zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de
+kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn
+kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen
+afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij
+gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Thérèse--hielp
+hem daar weldra van af.
+
+Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en
+knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde
+jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag
+voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet
+alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan
+de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en
+door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem
+'t hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te
+krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij
+aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was
+toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te
+overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen
+op zich tegen hun "begunstigers," die maar één doel kenden: de hen immer
+najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles
+dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne
+beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door
+hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun protégés moesten
+ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze
+gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te
+bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden
+alles koopen, waarom dan ook niet dit?
+
+Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken
+doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd
+is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de
+vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij
+verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich
+heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok
+dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en
+wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel
+vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En
+achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke
+moeder.
+
+Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en
+bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen
+was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt
+het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten
+van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over
+in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook
+de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke
+menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde
+gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in
+elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.
+
+En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk.
+Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke
+vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen
+drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk-
+gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een
+lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid
+der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan.
+Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam
+slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een
+anderen.
+
+Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het
+verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren
+lang zijn leven zijn.
+
+Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs,
+om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de
+zachtheid des levens zijn.
+
+In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van
+zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer
+een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen
+stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek
+viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te
+Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij,
+in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De
+Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde
+den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau
+weigerde op audiëntie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste
+begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun
+eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen
+de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was
+uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele
+uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel-
+artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij
+"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen
+te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de
+jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen.
+
+Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden
+was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig
+na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij
+beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige
+keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te
+geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht
+op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in
+beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te
+vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die
+de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap,
+arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja
+verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een
+burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had
+afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind
+naar 't vondelingen-huis brengen.
+
+Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos
+had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren
+van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de
+bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in
+zijn wezen.
+
+Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en
+begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te
+vestigen, waar hij in '54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed
+ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf
+nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem
+geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn
+geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij
+bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij
+werd opnieuw protestant en burger van Genève.
+
+Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en
+voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou
+'t er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk
+willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.
+
+
+Noten:
+
+[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV,
+boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot
+XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het
+felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn
+ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a.
+in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal
+geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel
+drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan
+de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideeën de
+drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale
+oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de
+ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.
+
+[2] Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn
+wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de
+Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel
+lager geweest zijn.
+
+[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere
+geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.
+
+[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.
+
+[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l'Industrie en
+France.
+
+[6] Mémoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII.
+
+[7] Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39—40.
+
+[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst
+van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats,
+terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is
+opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden
+uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische
+vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te
+herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.
+
+[9] Levasseur, bl. 536.
+
+[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI.
+
+[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den
+Franschen handel een geweldigen knak toebracht.
+
+[12] Levasseur, bl. 549.
+
+[13] F. Rocquain, L'Esprit révolutionaire avant la Révolution.
+
+[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.
+
+[15] Windelband, bl. 359.
+
+[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk
+der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte
+der neueren Philosophie.
+
+[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische
+gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald
+bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.
+
+[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.
+
+[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1
+allen" uit.
+
+[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles;
+brûlons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en
+graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die
+tegen Lodewijk de XVIde.
+
+[21] F. Rocquain, de l'Esprit révolutionaire, bl. 298.
+
+[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk
+noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige
+vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige
+vrouw te beschouwen.
+
+[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIième siècle," blz. 296.
+
+[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau
+heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse
+uitgelaten.
+
+[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley,
+wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid
+der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.
+
+[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest.
+Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire
+kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had
+burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en
+"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de
+overladen weelderigheid van het rococo.
+
+[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl.
+de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van
+zijn eerste "Discours" heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk
+te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk
+gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch-
+waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en
+bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben.
+
+[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo
+Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht"
+(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van
+den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de
+18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld
+worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan
+eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van
+ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de
+schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar
+habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet,
+Histoire de France, XVI, 84).
+
+[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor
+het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven
+was die hem de audiëntie deed weigeren.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK
+
+DE GROOTE JAREN.
+
+
+I. NAAR DE VEREENZAMING.
+
+Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en
+levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance
+in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar
+van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast
+ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen
+verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele
+werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij
+was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi
+maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan
+zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte
+te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel
+esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden
+om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van
+intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe
+Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te
+noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een
+warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar
+kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig
+en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de
+vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij
+behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die
+haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig
+en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te
+komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze
+veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste
+berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net
+gaf wat hèm paste en niets meer.
+
+Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij
+doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook
+was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk
+gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige
+sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel
+hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij
+luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden
+gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de
+wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen
+van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een
+beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en
+met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn
+hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen
+dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar:
+"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij
+is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch
+eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt."
+
+Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd
+vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind
+gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de
+man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich
+maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden
+van hem vervreemd heeft.
+
+Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg
+van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem
+leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt
+een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed
+musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde,
+want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den
+jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en
+deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig,
+een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching,
+plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte
+zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van
+Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon
+een "Correspondance littéraire," een soort bulletin voor buitenlandsche
+vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs
+verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had
+zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen
+vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd
+en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in
+'t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver:
+oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij
+langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar.
+Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en
+was daar zeer verheerlijkt mee.
+
+
+In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't
+vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij
+Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen
+Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en
+Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een
+keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen
+vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de
+moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan
+het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond
+daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het.
+"Hè," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet
+veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later
+bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw
+allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw
+kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die
+booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève." Dat was
+echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar
+bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij
+arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende
+brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.
+
+Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist
+de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van
+zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij
+voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen
+grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de
+lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid.
+Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot
+vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een
+voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over
+hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge
+uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd
+weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven
+en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke
+gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste
+onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn
+pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat
+mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar
+ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor
+mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid.
+De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen
+acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar
+had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij
+overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van
+innerlijke krisis gekweld."
+
+Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn
+verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de
+Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard
+maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut
+in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou
+wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij
+overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage
+woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees,
+voor zijn rekening zou nemen.
+
+Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling
+verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat
+hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij
+nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad
+of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen,
+heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles,"
+schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes,
+flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn
+hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur;
+of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein
+van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar
+een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren
+tot de natuur."
+
+Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij
+had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't
+gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was
+aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te
+brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren.
+Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij
+zelf nog niet geheel in 't reine was.
+
+Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een
+beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij
+was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en
+had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van
+uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om
+daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een
+soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan
+stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding.
+Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom
+gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had
+veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig
+wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van
+een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo
+onder de hand door.
+
+Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij
+willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte
+de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals
+uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet
+op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde
+richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het
+onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen
+in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de
+"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl
+Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den
+innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij
+nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn,
+begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar
+teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende
+te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der
+liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van
+zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op
+een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met
+onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het
+brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die
+jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij
+uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de
+"Nouvelle Héloïse."
+
+De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten
+om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die
+zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens
+alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.
+
+Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van
+Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar
+geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht,
+door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de
+velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en
+sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal
+zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn!
+Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij
+goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes,
+blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme
+d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie
+vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.
+
+En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den
+zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel
+zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij
+niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd
+had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de
+verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld
+door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede
+plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel
+genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals
+wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd,
+zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te
+murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de
+verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.
+
+Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat
+zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen
+verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één
+geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten
+en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt,
+die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit
+liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde
+teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen,
+zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de
+verbeelding in Rousseau.
+
+Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de
+rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen,
+wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen,
+die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem
+altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner
+fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die
+eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had
+hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden;
+wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen,
+verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was
+de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij,
+geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en
+roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de
+droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude
+stroom vloeide weer rijkelijk.
+
+Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want
+Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend.
+Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet
+zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben.
+Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te
+maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er
+in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij
+gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest
+altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot
+hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet
+naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren
+die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had,
+door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit
+was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken
+uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw
+hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in
+het woud.
+
+Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren;
+dáár was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie
+die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen
+onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer
+hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd
+voorbij is.
+
+Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch
+dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en
+bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden,
+heerlijke jeugd.
+
+Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der
+jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt.
+Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de
+bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond
+en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart
+samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd
+verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit
+eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven,
+voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat
+hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde;
+ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.
+
+Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn
+eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer
+terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene
+nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven
+zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit
+bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij
+te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij,
+zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam
+als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn
+fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij
+jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling;
+weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al
+de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had
+ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien
+onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't
+oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry,
+hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk,
+hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap-
+secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel
+dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden
+door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij
+Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong,
+bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al
+lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en
+dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.
+
+Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor
+de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te
+sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te
+grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de
+broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn
+liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een
+ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid,
+zocht hij in de fantazie.
+
+Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen
+omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde
+samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare
+eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle
+storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat
+hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde
+samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.
+
+Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen,
+twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de
+minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan
+den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de
+Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind
+had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en
+vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar-
+beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument
+oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde.
+
+Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en
+onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had
+voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij
+zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over
+het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der
+liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En
+wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd,
+voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich
+geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een
+deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke
+zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van
+zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte
+hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.
+
+In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de
+schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds
+lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets
+meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men
+zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen
+zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en
+armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en
+kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig,
+en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had
+een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de
+mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de
+natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen;
+een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch,
+op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde
+hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd
+spreekwoordelijk.
+
+Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder
+waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar
+zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote
+wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid
+en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar
+afwisseling.
+
+Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van
+1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder
+blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol
+uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren
+geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk.
+
+'t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal,
+in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar
+minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de
+buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te
+verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den
+eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen "citoyen" met zijn strenge
+begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de
+verlokkingen der Parijsche wereld.
+
+Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te
+worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.
+
+Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts
+schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor
+noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke
+vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor
+hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van
+den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en
+verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te
+voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de
+andere?[31]
+
+Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de
+daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat
+van mysterie is hij.
+
+Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend,
+vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat
+wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn,
+niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was
+de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen
+overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf
+èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo
+leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en
+smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideëele in
+hem, al zijn moreel gevoel opstond.
+
+Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd,
+--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst
+beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en
+weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te
+blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten
+weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht
+hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw,
+die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang,
+kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot
+extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat
+alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf
+en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam.
+
+Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn
+zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch
+van innering.
+
+Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare
+boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van
+de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Héloïse." In de vlammen
+van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn
+wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt
+duizenden blij van bevende zaligheid.
+
+Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie
+die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest.
+Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der
+lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs
+ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven,
+dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van
+Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige
+menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog
+erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal
+aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij
+zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij
+toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.
+
+Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed
+voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke
+neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker
+geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn
+heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te
+probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen
+hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch,
+en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't
+allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer
+geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren,
+schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de
+wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als
+vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.
+
+Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van
+komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen
+schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot
+onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had
+verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten
+doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende
+leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en
+gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in
+Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak
+had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden
+als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich
+met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht
+Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel
+verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen
+dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in
+langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die
+stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend."
+
+Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend
+als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm,
+stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen
+hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een
+kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme
+d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend
+had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare,
+hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het
+dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten
+worden?
+
+Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet
+ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor
+haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude
+vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes,
+waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph
+die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een
+verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te
+worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij
+koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij
+ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen
+dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem.
+Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te
+voorkomen.
+
+Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen
+kwam de vonk.
+
+St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau
+op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als
+een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan
+Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay
+gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin,
+die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar
+zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in
+Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere
+explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart
+der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale
+op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen
+hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed
+en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij
+wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een
+schijn-verzoening tot stand.
+
+Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te
+toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof
+hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en
+was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later
+in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie
+van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën.
+Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde;
+de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen
+de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot
+zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.
+
+Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen
+was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam
+juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.
+
+Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en
+vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo
+spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar
+bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te
+stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau
+haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en
+hoopte dat hij 't zou doen.
+
+Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève,
+niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse,
+die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te
+praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en
+naar Genève ging om in 't geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En
+toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van
+Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't
+bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme
+d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen
+hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay
+was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te
+gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.
+
+Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke
+positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst
+van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij
+dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert
+uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg
+van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij
+zijn stekels naar alle kanten uit.
+
+Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?
+
+Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm
+werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Genève sturen om,
+zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen?
+Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?
+
+Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij
+zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: "'t zou
+gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de
+menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan
+zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar?
+
+De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in
+twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid
+gebracht.
+
+Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende,
+gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien
+tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme
+d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in
+die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en
+goed-bedoelde zorg.
+
+Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te
+verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht
+tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te
+vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen
+Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het
+antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest
+onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te
+verlaten.
+
+Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien
+de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op
+denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs
+teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol
+betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog
+eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij
+begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen
+hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat
+hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn
+evenwicht geheel en al.
+
+Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid,
+zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in
+den tuin hooren, hij leek waanzinnig.
+
+Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de
+kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders
+altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't
+dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en
+erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme
+d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig
+en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge
+niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar.
+
+Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke
+breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als
+om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden
+zijner hoopvolle jaren verliest.
+
+
+
+II. DE KATASTROPHE.
+
+Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met
+Thérèse getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen
+in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar
+den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was
+oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de
+meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het
+terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den
+hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek.
+Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde
+naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.
+
+Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open
+koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot
+zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar
+elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van
+1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van
+vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon
+zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke
+ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van
+den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die
+dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te
+doordringen.
+
+Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den
+titel "Lettre à d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het
+werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Genève" in de Encyclopedie,
+waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en
+ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te
+laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van
+d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf
+regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van
+bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève,
+bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge
+heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun
+best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in
+Genève was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van
+Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden
+melden: "heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt
+een stad van genoegens en van verdraagzaamheid."
+
+De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden
+geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het
+klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen
+begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw
+onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de
+eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener
+klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische
+gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven
+der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar
+tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als
+zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van
+rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige
+landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker,
+maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich
+zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan
+wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem
+verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de
+onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn
+eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem
+gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions"
+getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde,
+zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde,
+al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er
+in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene
+inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en
+wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in
+'t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van
+dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam,
+een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Héloïse"
+wekken zou.
+
+De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met
+de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat
+men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet
+geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich
+gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire,
+diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den
+leider, en dat kon niet worden getolereerd.
+
+Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit
+de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende
+gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld,
+en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars
+wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven
+en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst
+zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend
+gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren
+in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van
+diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar
+zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks
+zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was
+zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering
+tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet
+weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste
+brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar
+gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten;
+daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die
+snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en
+even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en
+daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke
+paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te
+dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu
+moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en
+van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat
+Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar
+had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't
+gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in
+particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte
+deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn
+ergernis lucht.
+
+Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover
+de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde,
+in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de
+dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename
+bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze
+verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den
+tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon
+te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift.
+Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk
+was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij
+feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire
+eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om
+hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief
+van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was
+geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk
+kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon
+zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een
+toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van
+den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het
+die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen
+sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en
+zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch
+bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in
+één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die
+waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle
+gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de
+bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde
+voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760.
+
+Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er
+buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien
+tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ...
+verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Héloïse," die
+kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Héloïse" noemde hij "een vervelende
+en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond
+hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid
+boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder
+maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en
+dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren.
+Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor
+de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den
+vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans
+gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte,
+denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op
+zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te
+maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de
+god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn
+meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?"
+
+Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige
+waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos
+het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan
+ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd
+is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed
+benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke
+meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht
+en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de
+verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.
+
+In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk
+met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat
+wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau
+beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige
+prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te
+hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een
+verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau
+in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening.
+Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook
+eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik
+haar weer aan te blazen."
+
+Zij hebben elkaar nooit meer gezien.
+
+St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's
+handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei
+en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had,
+terug stuurde.
+
+ * * * * *
+
+In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem
+hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede
+kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij
+leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid;
+de "Nouvelle Héloïse" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde
+daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte
+in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast
+twintig jaren in hem was gerijpt.
+
+Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature
+indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren
+aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben,
+een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar
+geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de
+innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote
+punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de
+verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de
+verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had
+uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat
+hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een
+nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de
+sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het
+verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de
+eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen,
+gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich
+in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat
+de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken.
+Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij
+bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart
+altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon
+niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe
+in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de
+menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te
+geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst
+naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was zóó
+kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem
+alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die
+hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven
+--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood
+verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met
+Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was
+het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst
+beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren.
+En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het
+oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke
+instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en
+het overige te doen vervallen.
+
+Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al
+vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire,
+die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij
+zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.
+
+Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de
+meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem
+was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan,
+--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een
+open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en
+aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste,
+oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel
+overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het
+wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het
+ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts
+verdiepen in zich zelven.
+
+Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen.
+Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef
+hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren
+zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een
+overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in
+zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te
+verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan
+dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp
+afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer
+honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart
+verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid
+steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.
+
+En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte
+handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem
+van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der
+groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in
+aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling?
+De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig
+of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de
+Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen
+zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn
+betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?
+
+Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte,
+zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten
+eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die
+Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem
+over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht-
+gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast
+elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en
+intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het
+hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem
+altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke
+boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en
+beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der
+letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om
+alles glad te strijken.
+
+In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Héloïse,"
+begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een
+vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij
+schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den
+naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van
+een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen,
+het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette
+zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak,
+geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie
+van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde.
+Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter;
+uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte
+hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie
+maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd
+aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en
+zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn
+steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans
+onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken
+omgang tusschen hen.
+
+Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en
+hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde
+kennen.
+
+Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen,
+waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op
+het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar
+keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen
+soupeeren, als hij lust gevoelde.
+
+Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in
+den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de
+maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn
+bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer
+aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht
+en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met
+allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in
+bed lag, de "Nouvelle Héloïse" voor die zij verrukkelijk vond.
+
+De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde
+kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een
+vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder
+eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en
+eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van
+hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe
+vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd
+hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem
+was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar
+reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van
+'t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd,
+berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende
+geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij
+om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij
+had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau
+leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar
+konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in
+haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van
+zijn kant.
+
+In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn
+nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee
+om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij
+lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet
+voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken,
+hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon
+verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de
+kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde
+hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen.
+Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem
+niet met geschenken lastig te vallen.
+
+In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de
+groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst
+pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een
+eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in
+het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig
+van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke
+omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou
+houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje
+netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen
+verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet
+weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand,
+toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd,
+trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal
+niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een
+dergelijk experiment goed afliep.
+
+Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn
+huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen
+van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een
+paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen
+zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun
+herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo
+waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem.
+
+ * * * * *
+
+De "Nouvelle Héloïse" werd lang voor de verschijning reeds veel
+besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele
+zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot
+afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn
+liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen
+hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er
+een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en
+de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die
+afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren
+kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar
+uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes
+was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der
+letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij
+naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen
+lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur:
+de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen.
+Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de
+letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte
+onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was
+een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want
+in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige,
+verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van
+het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der
+persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Héloïse" beduidde de bevrijding
+der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw,
+van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend
+auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke
+in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de
+"Nouvelle Héloïse" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.
+
+Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven
+geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het
+zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij
+bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of
+geen heilige.
+
+Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van
+veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij
+had 't even lief als de "Nouvelle Héloïse," maar met een andere liefde,
+niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste
+werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige
+geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil.
+En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd,
+in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens
+en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter:
+het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke
+lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des
+harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging
+had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare;
+diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten
+het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn,
+zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had
+verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde
+zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het
+verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek
+in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn
+geheim....
+
+Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan
+Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en
+hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar
+medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop
+althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was
+geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij
+een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste
+toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem
+vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare
+hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit
+te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile."
+
+Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de
+eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de
+Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet
+plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te
+vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij
+gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij
+zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre à
+d'Alembert" en de "Nouvelle Héloïse" hadden hem een bescheiden sommetje
+opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte
+hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs:
+daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die
+schatten verdiende aan de "Nouvelle Héloïse," verzocht hem om
+toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te
+zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn.
+Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd
+dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor
+een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een
+warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van
+verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid
+knellend en rukte zich los.
+
+Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot
+het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geëischt
+en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam
+gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen
+onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut
+vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij
+woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee,
+ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde
+er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor
+zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den
+martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam
+verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem
+onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was
+typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen:
+behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch
+fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die
+gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven,
+had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste
+onaangenaamheden op den hals.
+
+Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan
+hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed
+waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip,
+waartegen zij te pletter moest slaan.
+
+Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de
+Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had;
+dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland
+gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar
+inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel
+merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de
+copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij
+begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur
+niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat
+het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen;
+hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem
+gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg
+hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen
+antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek
+dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde
+zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden
+gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij
+dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten
+hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn
+vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste
+discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen
+zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte
+zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem
+gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld
+proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij
+zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de
+Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven
+met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn
+van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag."
+
+Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de
+Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur
+toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en
+de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk
+ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen;
+een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk
+door het feit dat de "Nouvelle Héloïse," waarin evenals in den "Emile"
+de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet
+verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat
+Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.
+
+Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te
+duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te
+waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een
+toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde
+zoo sterk, in "Emile" vóór den godsdienst, tegen de materialistische
+philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk
+immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als
+het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn
+toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in
+Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun
+gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot
+verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te
+gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't
+plan uitgesteld.
+
+De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire
+vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de
+verschijning der "Nouvelle Héloïse;" d'Alembert schreef hem om hem geluk
+tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der
+weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem
+heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering
+te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme
+de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou
+hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in
+de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het
+parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles
+wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar
+vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou
+vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar
+hem dreigde.
+
+In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin
+hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden
+morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te
+bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen
+een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen
+linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de
+dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag
+in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die
+juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van
+hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich
+voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij
+naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de
+Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een
+edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees,
+gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen
+te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden
+vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.
+
+De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren,
+tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van
+het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte
+smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het
+achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee
+mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel
+van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging,
+waarmee de hertog naar die sleutel greep.
+
+Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te
+zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.
+
+ * * * * *
+
+Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een
+geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij
+een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij
+groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen,
+die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's
+morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat
+hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt
+hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een
+plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd,
+verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder
+een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in
+zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij
+soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den
+avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot
+een idylle in den trant van Gessner.
+
+Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat,
+nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire
+partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst
+schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de
+wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was
+vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen,
+die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als
+jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen
+rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.
+
+Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de
+hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn
+overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan
+hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en
+zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem
+laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig
+waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan
+hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge
+betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun
+houding te zeggen?
+
+Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van
+Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een
+verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit
+de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan,
+maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_.
+
+Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche
+menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem
+ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid
+hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem
+weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een
+stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen
+gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo
+bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende
+hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd,
+zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij
+kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en
+gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn
+schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze
+bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los,
+inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem
+wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem
+zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe
+rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.
+
+Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles
+onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk,
+van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn
+meerderen waren.
+
+Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten.
+Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.
+
+
+III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN.
+
+De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht,
+jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht,
+grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens
+voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie
+geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten;
+vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de
+Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en
+kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing
+en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van
+zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te
+midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de
+voorstelling troonde van het eigen ik.
+
+In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de
+wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het
+beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt
+zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle
+Héloïse," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften,
+met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze
+werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen
+gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog.
+Wat de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee
+rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre à Monseigneur de
+Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne."
+Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote
+jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen,
+versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en
+levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der
+tweede rubriek, de "Confessions" en de "Rêveries" zijn, zuiver als
+woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid,
+de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken,
+waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate
+waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te
+roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van
+Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de
+"Confessions" en de "Rêveries" boven de "Nouvelle Héloïse" en den
+"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en
+uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin
+de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en
+sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.
+
+In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener
+levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de
+natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling
+(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse-
+verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Héloïse" en de "Lettre à
+d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk,
+gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van
+godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal.
+Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het
+menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij
+worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en
+denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot levenswerk.
+
+Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht
+niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van
+den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote
+onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te
+leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht
+te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak
+niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom
+bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De
+geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde
+tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd
+somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De
+sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem,
+maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn
+conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle
+Héloïse") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn
+conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog
+is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene
+theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt
+tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch
+tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en
+jong-meisje tot elkaar behandelen.[34]
+
+De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo,
+dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot
+dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht
+bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten
+is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der
+fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél
+kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning,
+de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het
+lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende
+verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--dààr lag zijn
+vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied,
+met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame
+worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich
+eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het,
+om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en
+dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend,
+zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en
+aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde,
+maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de
+zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief
+is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner
+haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met
+hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen.
+
+Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave
+missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote
+verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk
+onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een
+vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe
+vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van
+zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en
+betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm
+van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Héloïse" toepaste,
+was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen
+romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten
+een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson
+was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige
+afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van
+Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot
+het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie.
+Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen
+opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel
+voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door
+de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken
+en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen
+gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of
+prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote
+burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot
+bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun
+romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den
+inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke
+inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze
+de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der
+feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35]
+
+In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar-
+overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle
+opzichten het meest origineele zijner werken.
+
+In de "Lettre à d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle
+Héloïse" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische
+beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de
+idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven
+der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een
+adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde
+herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene
+verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.
+
+Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde
+groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen
+vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft
+Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding
+vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug,
+bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen
+hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam
+brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen.
+Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere
+ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe
+eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid
+laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen;
+een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend
+in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging
+over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de
+dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen
+sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich
+tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun
+eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote
+revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!
+
+Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat
+beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De
+beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere
+smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn
+innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen
+zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn
+voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche
+gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel
+doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver
+maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De
+geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid,
+gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van
+Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de
+oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een
+hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een
+vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden
+geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie
+en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der
+eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had
+verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had
+verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle
+zoete en sterke bewegingen van het gemoed.
+
+Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met
+Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze,
+in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende
+moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu
+isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de
+samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der
+vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den
+burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn
+hoogmoedig hart.
+
+Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo
+liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij
+Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn
+ouderdom, de "Confessions" en de "Rêveries." Naast de eenvoudige rijke
+levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de
+betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne
+doorzichtigheid der "Rêveries" staan de werken der groote jaren als
+minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.
+
+Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë
+sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat
+tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat
+der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze
+parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Rêveries," ontbreekt.
+
+Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen
+en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken,
+vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk
+leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel,
+de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten?
+En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze
+doordringt, de edele verheffing? Vanwaar?
+
+Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij.
+Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van
+zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters,
+had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der
+klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel
+der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.
+
+De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere
+volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en
+juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der
+kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in
+den weg stonden.
+
+Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de
+ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering
+en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd
+tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de
+dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit
+wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel
+een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden
+hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te
+voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische
+tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te
+houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud
+der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld
+door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid
+gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe
+moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen,
+voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot
+deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der
+klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het
+patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme,
+die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich
+vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid
+hun ontzegde te zijn.[36]
+
+Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven
+den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de
+vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in
+de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het
+theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet
+anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het
+gevoel.
+
+Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van
+Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij
+Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de
+burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie
+tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij
+vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë
+laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der
+revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher
+harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren
+innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen
+bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij
+geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in
+den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht
+en heerschzucht en nijd.
+
+Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar
+voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn
+sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming
+der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen
+tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood
+aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch
+voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in
+aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn
+tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige,
+door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie
+den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige,
+onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie,
+kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der
+levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te
+volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken
+moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme,
+bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze
+gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en
+te versterken.
+
+Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig
+instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe
+maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun
+wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met
+alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig
+kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd.
+Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en
+de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de
+valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze
+gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan
+het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar
+waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld
+brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.
+
+Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in
+zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau révolutionaire," dat
+Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te
+veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft
+opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet!
+Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde
+welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou
+behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun
+taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van
+hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn
+werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.
+
+En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de
+schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal
+waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die
+geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het
+gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had
+Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan
+een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit
+Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden
+geput.
+
+ * * * * *
+
+Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau
+in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het
+menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het
+universum), en de verhoudingen der menschen onderling.
+
+Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk
+God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de
+menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor
+dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met
+de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in
+Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later
+verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd
+tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.
+
+Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote
+bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk
+gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook,
+maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk,
+dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks
+staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin
+overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn,
+maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme
+der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een
+deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der
+toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende
+beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er
+sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt
+stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij
+te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het
+zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische
+philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale
+neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen
+van den mensch.
+
+In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god,
+boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de
+verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn
+eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij,
+die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken
+arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen
+tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen
+tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De
+warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel,
+den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als
+zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander
+gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der
+menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch
+spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de
+eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de
+concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk
+middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten
+God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een
+groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd
+werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en
+samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den
+voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.
+
+Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen
+groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was
+zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch
+was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen
+over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken
+grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid
+was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren
+òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere
+afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en
+absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de
+grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de
+kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.
+
+In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de
+burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen
+(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen
+godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een
+of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar
+bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de
+abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke
+verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel
+der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist
+uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en
+onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk
+fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal,
+handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische
+theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo
+beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale
+gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid
+van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk
+handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de
+eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen
+staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen
+met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij
+hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning
+voor het onderdrukken daarvan.
+
+Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee
+polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide
+wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is
+daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als
+"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het
+punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende
+klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de
+strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was
+Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat
+rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de
+materialisten door de hunne "er bestaat geen god."
+
+Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van
+Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan
+een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme,
+in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die
+hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek
+moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven,
+verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn
+Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid,
+de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle
+samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste
+expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den
+grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god
+te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke
+kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het
+menschenhart geschreven had.
+
+Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos
+zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen.
+In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm,
+bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier
+stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk
+wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen
+God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en
+maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan
+koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad;
+zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet
+de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden.
+Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend!
+Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet
+onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk
+af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over-
+machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste
+smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en
+hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het
+heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste
+hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op
+aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef
+hij aan een kennis uit Genève, "ik geloof aan God, en God zou niet
+rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen
+ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den
+booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt
+de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen.
+Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven,
+alles wordt hersteld na den dood."
+
+Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het
+slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de
+laatste boeken van de "Nouvelle Héloïse" en in de belijdenis van den
+"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het
+geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.
+
+De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het
+eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij
+vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van
+gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of
+slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den
+mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het
+lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche
+stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede
+begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god
+gelijk maakt"....
+
+"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve
+ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit
+gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam
+waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil
+is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word
+overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven
+wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn
+hartstochten."
+
+Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en
+de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en
+geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid
+en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als
+middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit
+aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der
+maatschappelijke verplichtingen.
+
+Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische
+spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant
+heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk
+Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in
+innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons,
+die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken
+oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag
+de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle
+kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te
+onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door
+middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de
+grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat,
+zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven
+is, en wat wij met betrekking er toe zijn."
+
+Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle
+tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het
+werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen?
+
+Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en
+bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit
+tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun
+persoonlijken aanleg.
+
+Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij
+de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling
+der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen,
+en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging,
+vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de
+mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het
+dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht,
+dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de
+verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij
+een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van
+eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen
+wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang
+bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de
+levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar
+der _arbeidende_ kleine burgerij.
+
+Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische
+natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten,
+maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren
+troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde
+er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41]
+der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het
+kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde
+waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en
+een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en
+_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en
+de Jacobijnen aan een "Etre suprême," een opperste-abstraktie, samenvattend
+al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter
+welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reeële en materiëele
+klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, poëtisch-opgesmukte
+deïsme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred
+de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks
+af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard."
+
+Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar
+geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van
+den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot
+godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie
+tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de
+volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en
+den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft
+gekozen."
+
+De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij
+meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan
+de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn
+tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de
+autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen
+versterken.
+
+ * * * * *
+
+In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours,"
+de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over
+politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen")
+heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen
+op den menschelijken staat behandeld.
+
+Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze
+geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke
+hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme.
+Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk
+van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social."
+Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den
+strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming
+en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen
+schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het
+maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het
+"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken.
+In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den
+eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het
+maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen
+ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle
+ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij
+daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving
+en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen
+staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die
+hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn
+vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen
+verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe
+levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit
+hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen,
+dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen
+maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt
+wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede
+"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel
+als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen
+te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover
+de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n.
+"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de
+oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te
+demonstreeren van het absolutisme.
+
+Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire
+denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat
+te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste
+vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en
+vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de
+voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke,
+boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch
+onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van
+een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken
+over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de
+onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste
+uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde
+in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met
+aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de
+burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu
+schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van
+Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit.
+In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste
+aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische,
+terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat
+tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt.
+Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair,
+gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den
+inhoud van het bewustzijn dat ís.
+
+Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie
+verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening
+houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene
+revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden,
+voorzichtigen kleinburger.
+
+De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij
+geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het
+recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De
+noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar
+met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk
+kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke
+macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen
+enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder
+de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij
+zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot
+oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne
+leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in
+ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht
+van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne
+krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele
+en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal
+gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als
+_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet
+onderworpen.
+
+Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat
+zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden?
+Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil
+hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger
+heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene;
+maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke
+persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt
+met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil
+hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de
+wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om
+vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich
+onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet
+tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn
+eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar,
+de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen
+welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds
+het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.
+
+De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren
+en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de
+regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn
+dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk.
+Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd
+vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding
+van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk
+lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt.
+
+De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of
+demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de
+handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal
+zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie
+alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil
+des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar
+vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van
+een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen
+welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig
+vorst.
+
+Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de
+beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een
+aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige
+zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden,
+het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen
+is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is
+dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest
+verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust.
+Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de
+aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste
+waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz.
+van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in
+den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties
+verkiezen.
+
+Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest
+verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den
+staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling
+der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering
+'t meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de
+middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken
+van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een
+slechte haar vermindering.[42]
+
+Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van
+den souverein, dat is van den volkswil.
+
+Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering
+die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot
+onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend
+vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde
+tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit
+te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk
+kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een
+stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein
+behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of
+het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er
+thans mee zijn belast.
+
+Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het
+verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan
+noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept
+zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een
+talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te
+geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.
+
+Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische
+redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der
+demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den
+soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen
+souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als
+zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau
+revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts
+voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn.
+Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas
+door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor
+deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders
+van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en
+denkbeelden schepten.
+
+De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der
+burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het
+overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen
+die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem
+bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige
+abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine
+boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der
+teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden
+patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om
+den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de
+instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een
+tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was
+de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen
+bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den
+landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was;
+industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen
+gering.
+
+Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking
+tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het
+"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten
+over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld
+welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het
+eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de
+afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten
+voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner
+geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer
+sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de
+politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat
+geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de
+plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende
+ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre à d'Alembert"
+verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij
+de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel
+ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een
+groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk
+de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in
+praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het
+"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden
+behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk
+met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet
+de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie,
+uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere
+bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het
+proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting.
+Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren
+tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de
+industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering
+door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de
+kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der
+overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze,
+zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van
+hinderlijken dwang.
+
+Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur
+voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid
+der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit
+alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der
+oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer
+10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die
+hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten
+kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den
+handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die
+op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn
+verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts
+onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne
+persoonlijke.
+
+Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het
+volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den
+hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee
+van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de
+werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat
+herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid
+ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers:
+de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle
+burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
+
+Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot
+verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid
+van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren.
+Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter
+uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich
+somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte
+zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te
+schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze
+uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden,
+echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het
+verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en
+wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte
+de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch
+inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de
+gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn
+geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom
+als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over
+de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het
+heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog
+belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der
+ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen
+het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere
+plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn
+voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het
+verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau
+meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen
+was voorafgegaan.
+
+Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het
+kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op
+uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate
+onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in
+het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken
+van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk,
+op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der
+vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de
+gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en
+de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat
+geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit
+armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom,
+die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het
+patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit.
+
+ * * * * *
+
+De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en
+affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de
+rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak
+van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot
+zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms
+wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid,
+zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen
+_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de
+eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk,
+wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de moeurs verpersoonlijkt
+in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus
+tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken,
+zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de
+omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik,
+ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet
+zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets
+levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles
+is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije
+tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze
+goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om
+teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten,
+vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo
+hoort het."[45]
+
+Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den
+minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk
+als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche
+gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste
+levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met
+den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking
+niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de
+provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot
+een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich
+aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.
+
+Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie,
+hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge
+driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal
+bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde
+is àl scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin
+'t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar.
+In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen
+verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.
+
+De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste
+instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten
+met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar
+begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want
+dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar
+nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen.
+"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot
+van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen."
+
+Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel
+doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam.
+Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere
+elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar
+val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een
+theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het
+enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met
+de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma:
+"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke."
+
+Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo
+leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Héloïse." Het
+boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere
+sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden.
+Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd,
+lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in
+zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit
+één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de
+schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet
+omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle
+levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken!
+De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de
+staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de
+paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit
+gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan
+hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't
+hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene
+en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet
+meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de
+Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen,
+verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit
+elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen
+verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend
+haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van
+wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de
+menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden
+van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke
+ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van
+kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de
+geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij
+kunnen niet weerstaan.
+
+Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van
+elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte
+moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de
+onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al
+berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij
+ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende
+blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de
+liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt
+de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de
+deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de
+menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt
+hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander
+wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen
+persoonlijkheid.
+
+Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige
+vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie
+gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der
+gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen
+van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.
+
+"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar
+het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden
+is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één
+voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te
+maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor
+het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet
+langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij
+en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de
+zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een
+verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij
+verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis,
+zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam
+maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen
+haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten
+alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen."
+
+Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde
+met de schaamtelooze wellust van Marivaux!
+
+Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee
+Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze
+kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux
+beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere
+teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend
+gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het
+temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en
+schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig,
+door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.
+
+In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt
+van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte
+der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid
+prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de
+tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te
+verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of
+liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te
+los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding
+aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en
+valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne
+waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar
+grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke
+neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het
+teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en
+eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die
+natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed
+met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.
+
+De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt
+het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met
+elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar
+geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste
+in onze persoonlijkheid.
+
+Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de
+natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.
+
+De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te
+verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling,
+waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het
+recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander
+recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur,
+zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die
+Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Héloïse" in beeld heeft
+gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken,
+de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos
+volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te
+leven volgens hooge zedelijke beginselen.
+
+Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen,
+koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede
+gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden
+acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar
+voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht
+gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar
+hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan
+haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als
+vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser
+en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de
+heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een
+nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een
+uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar
+nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben,
+dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste
+plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat
+volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen
+der rede die uw gave in mij is."
+
+Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij
+zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de
+betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende
+verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling
+te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is
+tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid,
+bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter
+en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere
+affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en
+rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te
+zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen,
+zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te
+voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen
+haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed
+nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.
+
+In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de
+voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin
+(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve
+voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij
+heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij
+staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en
+van een talrijk personeel.
+
+Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is
+het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende,
+allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des
+levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om
+zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt
+geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij
+'t wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur
+hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef
+stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt
+Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt
+gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en
+liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar
+laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.
+
+Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" het recht der
+persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk;
+hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als
+jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde,
+ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan.
+Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een
+zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes
+bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een
+passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het
+tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of
+een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als
+een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige
+erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het
+denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche
+steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan
+vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe
+opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!
+
+"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een
+schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als
+de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo
+de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was
+zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar
+aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te
+weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar
+wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In
+waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te
+huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid,
+vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief,
+des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan
+zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van
+trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik
+zachte en sociale zeden."[48]
+
+Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere
+klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan
+verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie;
+òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te
+velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar
+minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield
+'t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en
+lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte
+platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die
+wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling:
+daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener
+clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht
+voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de
+provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op
+het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie
+voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener
+boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun
+mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging
+Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in.
+
+Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn
+huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte
+werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De
+jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten
+eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich
+zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling,
+in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in
+eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld
+door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet in alle
+vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan
+voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid.
+Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en
+moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging
+beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.
+
+Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven
+overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen,
+huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk,
+en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat.
+Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te
+stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de
+vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische
+kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo
+ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van
+kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in
+de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere
+verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en
+geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen,
+zoovelen tot zegen zijn.
+
+Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor
+Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk
+te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de
+school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de
+rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht
+om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit
+compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man
+dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij
+hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden
+rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd?
+Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken?
+En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan
+dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke
+veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet
+het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven
+voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen
+voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze?
+
+Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde
+en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen.
+Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet
+eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk
+gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en
+bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de
+gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs
+verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene
+genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit
+alleen erkennen wij als het ideaal.
+
+Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der
+"Nouvelle Héloïse." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast
+vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons
+zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.
+
+In de "Nouvelle Héloïse" zien wij de vrouw optreden als de genoote van
+den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige
+opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen
+wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.
+
+Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de
+bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale
+bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich
+die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen
+arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld
+ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en
+het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin
+door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het
+ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half
+patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap:
+in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar
+lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst
+van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.
+
+In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich
+aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in
+zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan
+het geestelijk leven van hun tijd.
+
+Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies,
+deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle
+waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing,
+vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit
+soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat
+"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en
+mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen
+een soort van monster.
+
+De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om
+de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze
+geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet
+veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar
+slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover
+dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar één ding moest
+haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te
+verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw
+is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te
+dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit
+onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te
+verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.
+
+Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als
+slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw,
+maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol
+is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn
+liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer
+van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de
+heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van
+waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te
+onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.
+
+Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de
+salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De
+natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest
+daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar
+geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te
+leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der
+oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der
+woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het
+openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch
+leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren,
+en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten
+door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen
+verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het
+elkander lichtzinnig naäpen, zooals de ijdele kwasten en de malle
+salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het
+mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in
+geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.
+
+Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming
+van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande
+ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij
+niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten
+moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke
+mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit
+weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin
+de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken
+en liefhebben zal.
+
+Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en
+onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn
+kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag
+mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide
+eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij.
+Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om
+haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en
+in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En
+hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden
+zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het
+karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw
+van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in
+den dienst der gemeenschap.
+
+ * * * * *
+
+Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk
+vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede
+patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden
+over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner
+voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri;
+maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het
+menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires,
+dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk
+verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal
+meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder
+nationaal-beperkt.
+
+Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone
+opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in.
+Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt
+om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven
+der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle
+doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche
+manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst
+verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen.
+Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en
+vrouwen, geen menschen.
+
+Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming,
+moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden.
+Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier-
+hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en
+volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt,
+des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de
+hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders
+nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden
+toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes.
+Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de
+jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare
+waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het
+morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen,
+want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet.
+
+Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke
+opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij
+zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met
+zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in
+dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen.
+Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen
+wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie
+vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des
+kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een
+moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die
+het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg;
+die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn
+bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn
+spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids-
+vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't
+niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door
+de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen
+vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind
+niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door
+lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou,
+honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot
+zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een
+jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk
+niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd
+wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen
+abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid
+van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse
+zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen
+spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later
+veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze
+ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de
+werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij
+te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond."
+
+Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen
+vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn
+denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties.
+Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de
+oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit
+noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving
+bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de
+menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar
+het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van
+het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch
+hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening
+van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en
+zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid
+van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot
+een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.
+
+Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch
+opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder
+mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de
+genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door
+een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der
+oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel
+in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers
+voort, maar slechts bourgeois.
+
+Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en
+het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt
+niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig
+als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem
+waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste
+trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn
+individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder
+den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der
+opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en
+plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken
+van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen
+van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel
+zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de
+individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar
+waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v.
+Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf
+"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke
+parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf buiten-
+maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de
+levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in
+het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed
+hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn
+revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse-
+opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed
+tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving,
+die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen
+kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal
+waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen
+verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen.
+In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de
+overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond
+zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.
+
+Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel
+voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen.
+Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken
+doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid,
+zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de
+eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men
+geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk,
+neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw
+middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht
+dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te
+leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en
+rechtvaardig leven hebben geleid."
+
+Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling
+gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem
+voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van
+kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen.
+En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk
+is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit
+te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld
+zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder
+grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.
+
+Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding,
+wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen
+gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend
+geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de
+grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen.
+Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als
+knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.
+
+Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de
+zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk
+brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij
+niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar
+en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer
+weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke
+nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij
+uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er
+was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in
+zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.
+
+Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve
+betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke
+noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche
+wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve
+heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen
+lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen,
+wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De
+levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging,
+het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur
+verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze
+krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet
+kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is
+verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht,
+zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en
+te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis
+voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de
+eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft
+waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat
+zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle
+wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en
+aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de
+wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De
+mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom
+moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er
+geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij
+verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en
+verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile,"
+in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke
+gemeenschap toch weer op.
+
+Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het
+leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels
+die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht,
+winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen,
+tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.
+
+Hoe wordt nu dit doel bereikt?
+
+Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de
+veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind.
+Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen
+leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende
+behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar
+behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het
+dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige
+leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is
+het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder
+teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol
+vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van
+elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het
+eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen
+te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen
+straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen
+daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.
+
+Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de
+utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan
+dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk
+eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat
+het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert
+Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen
+ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het
+tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der
+natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis
+der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om
+mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde:
+dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden.
+Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch
+mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal-
+mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de
+modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook
+een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken.
+
+Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw
+beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft
+het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de
+opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen
+altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken
+beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in
+den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de
+zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en
+sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die
+op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van
+liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren
+te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen
+van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle
+schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt
+Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel
+onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de
+zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de
+wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in
+de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig
+Schepper, dien hij zegent en aanbidt.
+
+De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt
+zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide
+kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een
+uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze
+vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der
+werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van
+zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de
+ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale
+leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk
+van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling
+van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire,
+aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich
+eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.
+
+Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten
+dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in
+en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd
+heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind
+gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der
+sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit
+zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog
+op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn
+redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der
+sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift
+voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering
+voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen
+gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken,
+de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk
+bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende
+jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op
+de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel
+mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel
+komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst
+der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot
+voorwerp heeft.
+
+Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor
+de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme.
+Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van
+zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat
+bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang.
+En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend
+willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en
+diens redelijk egoïsme.
+
+De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l.
+Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle
+denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder
+ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar
+hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het
+groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te
+vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe
+de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.
+
+ * * * * *
+
+Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind
+gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de
+zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele
+verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het
+gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was
+een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een
+weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger
+dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd,
+ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven
+--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek
+als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot
+zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen,
+zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht
+van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en
+teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven,
+zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze
+gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als
+hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen
+heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd
+meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor
+zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en
+woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en
+tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend
+innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het
+verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin
+keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare
+bewoners terug.
+
+In de "Nouvelle Héloïse," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten
+gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van
+zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde
+bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het
+affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld.
+Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte
+gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van
+vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen
+geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scène waarin
+Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift
+barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om
+vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie
+aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond
+van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet:
+tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de
+onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht
+hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke
+teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost;
+--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die
+vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige
+andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet
+van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle
+Héloïse" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke
+affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven;
+hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen
+flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die
+omschaduwde sfeer.
+
+De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het
+eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht
+is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het
+tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In
+dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen;
+de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met
+zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het
+mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn
+eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal,
+regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een
+verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid,
+soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en
+hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen
+plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd
+niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden,
+de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid
+te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten,
+over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het,
+die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar
+en principieel formuleerde.
+
+In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken,
+niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de
+aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren
+glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar
+hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd
+uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen.
+Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt
+zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart
+volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die
+te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en
+zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane
+gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle
+Héloïse."
+
+Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" ook verhoudingen uit het
+gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende
+menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het
+vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale
+verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel
+van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet
+aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de
+grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen
+zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen
+tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets
+van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor
+eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding
+tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen
+hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen
+en weer.
+
+Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde
+Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke
+waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel.
+Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den
+burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting
+deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en
+de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij
+afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst
+gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij
+verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de
+nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen
+lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de
+revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon
+der burgerlijke vrijheid.
+
+De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker
+van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om
+klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat
+in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil.
+Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van
+tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in
+dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke
+kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder
+zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot
+het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat
+dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is
+niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet
+geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos
+zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht,
+daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was
+nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In
+zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin
+de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en
+luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het
+tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner
+meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen,
+was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit
+den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk,
+omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen
+andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk
+bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste
+poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe
+vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens
+langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen
+toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning
+zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid
+waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling,
+omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou
+raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en
+proletariaat.
+
+Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner
+kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute
+vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk
+hij de tyrannen haatte.
+
+ * * * * *
+
+Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw
+wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen
+oproepen voor onzen geest.
+
+De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen;
+een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een
+kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont
+de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert
+zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch
+zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de
+ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop
+van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst-
+mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen,
+de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld
+die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke
+is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede.
+
+In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering.
+De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door
+alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden
+rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie,
+geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De
+burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen
+tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid
+in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen
+zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en
+proletariërs, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen
+nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der
+menschheid en het bestieren van het gemeenebest.
+
+De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of
+overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk
+leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer
+menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen
+arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den
+schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren
+zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen
+zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege
+ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en
+dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft
+gegrift.
+
+Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere
+plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen
+jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en
+zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven
+die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis
+glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den
+rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw.
+Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in
+wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.
+
+Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen
+arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood,
+door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt
+van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden,
+als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot
+geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot
+feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers
+in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen
+bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije
+mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid
+hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en
+vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk
+feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is
+der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te
+herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel
+van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen.
+
+Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.
+
+Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het
+kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu
+leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller
+menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische
+samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij-
+krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij
+zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in
+verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn
+hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die
+stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer
+die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze
+harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid
+waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons
+vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons
+nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede
+en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde,
+het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een
+glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land
+zijner verloren kindsheid.
+
+Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme,
+maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke
+ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing
+van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan
+die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid
+die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den
+stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven
+bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en
+de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche
+bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de
+encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend
+kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke
+verachtten en verwierpen.
+
+Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven.
+Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat
+voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het
+huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn
+organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister,
+vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den
+mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en
+breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in
+vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort
+roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van
+terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote
+droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven
+der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte,
+die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de
+groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één
+te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het
+aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn
+lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem
+van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de
+weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem
+zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een
+vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke
+ondoorgrondelijkheid.
+
+
+[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie
+Jenvernay 1801).]
+
+
+NOTEN:
+
+[30] Haar meest bekende werk zijn de "Mémoires de Madame d'Epinay," die
+langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van
+Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald
+(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat
+deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een
+lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot,
+dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven
+van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de
+Rousseau," blz. 188-189).
+
+[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de
+liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den
+"Tristan" maakte.
+
+[32] Mme d'Epinay beschuldigt Thérèse van 't schrijven van een anonymen
+brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk
+is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna
+voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de
+gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert
+behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St.
+Lambert _moesten_ bereiken.
+
+[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen:
+hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had
+gebracht.
+
+[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire
+Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst;
+en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is.
+
+[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan
+zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den
+"franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare.
+Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot,
+zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van
+diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote
+overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en
+der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale
+faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de
+traditie.
+
+[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.
+
+[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.
+
+[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis
+en de eeuw der omwentelingen."
+
+[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der
+Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire
+uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme."
+
+[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool,
+die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de
+_passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke
+en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in
+het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen.
+Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht
+in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk
+dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot
+revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.
+
+[41] Gorter.
+
+[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de
+plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.
+
+[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een
+poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.
+
+[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel
+ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die
+terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de
+grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn
+mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo
+ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem
+zelf aan niemand behoort"
+
+[45] "La Réunion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de
+Goncourt, "La femme au 18ième siècle."
+
+[46] "La femme au 18ième Siècle," blz. 173.
+
+[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.
+
+[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ième
+Siècle," blz. 239.
+
+[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers
+te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het
+regeerstelsel van Polen.
+
+[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de
+inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.
+
+[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de
+groot-kapitalistische maatschappij.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK
+
+DE LAATSTE WORSTELING.
+
+
+Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede
+aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar
+geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge
+doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want
+hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken
+nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder
+verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit
+land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee
+niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn
+afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo
+zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat
+ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge
+liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en
+ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te
+bezorgen."
+
+Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van
+Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af
+wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in
+Montmorency achter te blijven.
+
+Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de
+regeering van Genève den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar
+had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich
+binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen
+volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich
+bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den
+"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten
+tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de
+kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen
+voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat
+hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam
+liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De
+aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een
+herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus
+vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er
+uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde
+den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek
+had gedaan. Het "Contrat Social" werd alléén in Genève verboden: de
+akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo
+spoedig doorzag.
+
+Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou
+veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit
+genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme
+Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver
+van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom
+Neuchâtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en
+geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar
+aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit
+Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij
+hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.
+
+Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den
+Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten
+van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur
+gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de
+steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging
+van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel
+kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal,
+ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen.
+Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in
+Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom
+liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de
+gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware,
+massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder één dak--met
+weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een
+onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan
+ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.
+
+Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk
+zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen
+huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat
+opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt,
+de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer,
+voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen
+avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te
+moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit
+onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den
+lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend
+vergeefs naar een groet der zon.
+
+Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral
+leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar
+toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle
+oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap
+boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat
+en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag
+naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de
+bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in
+de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij
+dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen
+zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn
+handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn
+kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook
+zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten
+schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en
+ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die
+tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen
+waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij
+doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers
+vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten;
+het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden
+zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen,
+de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van
+uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend
+uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in
+de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal
+stroomde: de forellenrijke Reuss.
+
+Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest;
+heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren,
+geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename
+gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke
+natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te
+vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en
+dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn
+aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort
+leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf
+jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat
+gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had
+ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken
+gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling
+die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het
+heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon
+was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel
+de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn
+eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen
+en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en
+wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een
+te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en
+allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en
+te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste
+zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts
+door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er
+was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar
+hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn
+eenzaamheid mee te vullen.
+
+Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van
+planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen
+tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij
+als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap
+stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde,
+vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken
+zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een
+zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige,
+heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende
+zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de
+schuld der menschen èn door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot
+hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en
+buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen
+lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de
+eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in
+hem nog warme belangstelling wekte.
+
+Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen
+heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in
+zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der
+nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men
+interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of
+vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig
+voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die
+in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar
+om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij
+eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was
+hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede
+overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie
+was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus,
+die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd
+verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de
+plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te
+populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat
+natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen
+door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk
+hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde
+de leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen
+voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.
+
+Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen
+der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook
+een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door
+waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen,
+die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van
+specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker
+geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.
+
+ * * * * *
+
+Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof
+te vragen in het vorstendom Neuchâtel te wonen; ook wendde hij zich tot
+den gouverneur van Neuchâtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland
+doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens
+bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel
+mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden.
+Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen
+zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel
+begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling
+was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te
+leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie
+eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver
+te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet
+rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij
+vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en
+in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of
+planten-verzamelen was.
+
+Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in
+zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchâtel, te komen
+bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman
+en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot
+elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef
+Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar
+onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid,
+menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen
+als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet
+van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van
+Neuchâtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door
+de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor
+heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij
+hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme,
+teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest
+harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld;
+zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel.
+Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen;
+tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord
+Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei
+hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn
+genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door
+waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij
+zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de
+brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen
+vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau
+meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer
+schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden
+zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost
+nu ook ontnemen?"
+
+Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van
+Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche
+eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn
+zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers,
+met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend
+correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van
+Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean
+Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij
+is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer
+dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men
+van hem houdt en achting vóór hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den
+vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar
+de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers
+bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij
+plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine
+republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij
+tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd
+philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen
+vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar
+draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean
+Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven
+met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst
+met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St.
+Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar
+half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van
+luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in
+Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van
+onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord
+Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchâtel 't
+jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar
+Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem
+nooit teruggezien.
+
+In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't
+algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel,
+van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde.
+Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes
+en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als
+zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een
+schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens
+wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had
+veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos
+lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou
+bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep
+Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.
+
+Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij
+nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't
+geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de
+ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend
+in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen
+mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging
+gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de
+vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke
+boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur
+zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was
+zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan
+hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische
+dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't
+oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de
+algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met
+den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld
+de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten
+te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch
+onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren
+steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen
+strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder
+de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten
+verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats
+rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige
+fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken.
+
+Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau
+bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg
+weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen
+der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan,
+welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot
+lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis
+van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het
+protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig
+geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem
+had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen
+in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven,
+niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten,
+want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor
+nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te
+hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den
+predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het
+toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Maréchal had
+uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan
+zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting;
+als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom
+beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte,
+dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de
+"Lettre à monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne."
+(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen
+tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had
+gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het
+begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een
+en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der
+"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich
+zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen"
+de protestantsche wereld in rep en roer bracht.
+
+Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem
+aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar
+de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen
+tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag
+natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding
+gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den
+plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het
+leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de
+aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van
+onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om
+door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten
+getroffen te worden.
+
+Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol
+innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig-
+verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken
+van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek
+tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk,
+schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te
+vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen
+werd te erkennen "ik herken den burger van Genève niet meer," maar het
+werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door
+hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het
+geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij
+Voltaire volkomen ontbrak.
+
+Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont"
+weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn
+gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen
+der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In
+dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op
+bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te
+zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij
+in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan
+Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen
+godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding
+van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke
+godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de
+essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid
+der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den
+godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den
+mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering,
+komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke
+denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken
+hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie,
+boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de
+voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle
+verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van
+den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige
+denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag
+der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het
+bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder
+volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren.
+Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn
+droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.
+
+Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd
+gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering
+zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang
+wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit.
+Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de
+overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een
+jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund
+zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn,
+zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht
+en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog
+meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat
+hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door
+de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk
+naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den
+Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn
+burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.
+
+De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats
+gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop
+was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het
+requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de
+veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter
+verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven
+te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich
+te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste
+die in de "vrije republiek" Genève regeerde, bleek even beducht voor de
+vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse
+van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek
+zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te
+hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.
+
+De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer
+gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen
+uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte
+grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de
+machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de
+strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot
+een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke
+machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de
+lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te
+richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering
+behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad
+zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor
+kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit négatif,"
+dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie
+vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter
+zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst
+met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en
+naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der
+regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt
+voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder
+vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der
+burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van
+vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau
+zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn
+naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen
+schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden.
+Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede
+middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in
+de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren
+door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale
+protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het
+behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en
+grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de
+aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.
+
+Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten
+onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij
+zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den
+loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als
+martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de
+spits der burgers stellen zou.
+
+Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om
+zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen
+van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens
+zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid,
+maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten
+koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk
+samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde
+tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken.
+Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed
+gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem
+tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.
+
+Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen
+waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de
+procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in
+den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne"
+(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar
+uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de
+protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en
+trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de
+Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het
+geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één
+man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de
+kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren.
+Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij
+zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten
+Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe
+bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde
+van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de democratische leiders
+om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig
+voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds
+in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand
+onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen)
+op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard
+gebleven.
+
+De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau,
+en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen
+regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't
+algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een
+bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven
+zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de
+"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert
+daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de
+onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet
+voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève
+ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch
+onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een
+beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende
+politieke kwestie: het "droit négatif." Deze beschouwing gaf Rousseau
+gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze,
+waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te
+veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten
+ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.
+
+De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Genève in
+lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware
+protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van
+door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte
+beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel
+dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke
+vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk
+verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude
+geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne
+rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner
+erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije
+interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen,
+om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen
+twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen
+vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van
+het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de
+uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest
+natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de
+kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk
+leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke
+ketterij.
+
+Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke
+machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van
+despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige
+wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag.
+Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef
+hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur
+ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen,
+eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles
+komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het
+volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen
+handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel
+hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden
+tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen,
+vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen
+'t hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en
+zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede
+laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen
+voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van
+den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het
+gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin,
+in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen
+over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun
+groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de
+overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en
+vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek,
+het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is.
+Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid,
+de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die
+zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede
+laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en
+tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te
+strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen
+zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de
+beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate
+heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen,
+noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult
+satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak
+bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten
+voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering
+dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid
+en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft
+er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er
+mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige
+mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik
+geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen."
+
+Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots,
+de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en
+onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had
+hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van
+het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op
+bepaalde gemeenschappelijke daden....
+
+Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij
+hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van
+zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten
+Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten-
+bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te
+zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in
+den Haag en in Genève in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste
+aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou,
+de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik
+wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen"
+lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed
+zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult
+uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten
+zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de
+Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden
+in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische
+zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen,
+liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en
+beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per
+slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus,
+die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"),
+dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk
+van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo
+ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.
+
+Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn
+vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die
+algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende
+tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij
+in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet
+abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reëel en
+konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de
+grooten hem een gevaarlijk dier.
+
+Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd
+schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die
+kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem
+laaghartig, verraderlijk te bespringen.
+
+Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en
+officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen
+bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat
+natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau
+overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten
+hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht
+zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer
+aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn:
+Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te
+zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een
+grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van
+den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph
+van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch:
+Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd
+jegens zijn groote mededinger.
+
+Door de verschijning van de "Nouvelle Héloïse" en den "Emile" was
+Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke
+kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de
+onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk-
+revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar
+macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van
+absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van
+hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden.
+Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen
+zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke
+aangelegenheden.
+
+Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets
+anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en
+eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had
+raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle
+sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van
+den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende
+zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en
+bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van
+velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland
+bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze
+eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft.
+
+Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau
+omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver.
+Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van
+armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle
+anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en
+wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn
+leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in
+een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de
+vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't
+schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En
+sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg
+hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn
+vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den
+martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en
+jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden,
+maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar
+Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige.
+
+Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als
+hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen
+en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was
+een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der
+briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor
+zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder
+gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds
+met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de
+onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere
+wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in
+persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog
+ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en
+overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een
+jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed,
+om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht
+bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting
+van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw
+breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in
+zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel
+mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het
+opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden:
+hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de
+opvoeding zich moest bewegen, niet meer.
+
+Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van
+den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een
+bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets
+verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die
+onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie
+veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze
+houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme
+van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor
+het onherroepelijke van de daad.
+
+Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de
+zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij
+tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen
+en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de
+ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden,
+bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een
+enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling;
+--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar
+het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden
+zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten
+'s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.
+
+Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau
+Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op
+hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken,
+door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met
+alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met
+zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en
+wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de
+Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten
+die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is
+het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment
+des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in
+het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee
+uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver
+bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn
+uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis-
+reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige
+meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van
+een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een
+medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke
+gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt....
+Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in
+beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest....
+Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in
+Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie
+omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom
+wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen
+dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij
+gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken,
+kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te
+behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend
+schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den
+doodstraf_."
+
+Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden;
+Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener
+meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige
+vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en
+platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau,
+ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam,
+geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile
+verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij
+kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee
+hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te
+brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.
+
+Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of
+zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van
+Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig
+zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der
+oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in
+zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist
+geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't
+bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren
+natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke
+eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard
+voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige
+dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het
+wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid,
+zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster
+samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van
+vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van
+het jaar '65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk
+vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en
+nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den
+vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen,
+bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn
+botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te
+schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men
+schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers
+bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der
+bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan
+David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.
+
+Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de
+vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg
+hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen"
+kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf.
+De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van
+Neuchâtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun
+schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau
+voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten.
+Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn
+gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden,
+probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten
+einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal
+weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een
+uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen.
+Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in
+het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden:
+alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet
+wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of
+buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van
+Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige
+klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren,
+als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen
+het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap
+hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop
+hebben.
+
+Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren.
+Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar
+door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij
+voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven
+aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd
+was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de
+ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de
+zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van
+Neuchâtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der
+predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom
+verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de
+jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven
+uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen
+de dominé's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest
+aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst,
+om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten."
+
+Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het
+despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige
+demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde;
+het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén recht te
+zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat
+die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn
+onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere
+onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in
+konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing,
+zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl
+onvermijdelijk en niet zonder schuld.
+
+Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem
+hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn
+gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en
+al wankelheid.
+
+Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en
+benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan
+met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar
+vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen,
+"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in
+Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij
+dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars
+hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen.
+Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken;
+"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms
+gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk
+leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van
+mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij,
+en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die
+knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op,
+de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij
+zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met
+vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal
+ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit
+punt staat voor mij boven alle bedenking vast."
+
+Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel
+van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg
+klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten
+slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te
+blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich
+dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen
+kon hij niet.
+
+Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en
+beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het
+heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde
+in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du
+Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei
+persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en
+roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel,
+dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de
+gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke
+toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op
+'t kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis
+'s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der
+galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden
+posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.
+
+Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de dominé's
+hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede,
+dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke
+plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan.
+
+Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie
+jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich
+van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne,
+dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er
+eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige
+vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe
+van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders
+meer.
+
+Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild
+als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor
+de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de
+makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven
+als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer
+uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van
+de haat des volks.
+
+Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in
+alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen,
+nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid
+boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor
+een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad
+verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die
+van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als
+wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en
+die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad
+die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als
+voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de
+vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de
+teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan
+hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten
+aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit
+hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde?
+Hij voelde verder leven als doelloos.
+
+Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur
+en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen
+en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee
+meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Rêveries." Maar zijn
+moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën,
+die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't
+uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt,
+hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in
+droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede
+gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten,
+tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle
+windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop,
+zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang
+op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende
+melancholie.
+
+ * * * * *
+
+Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van
+waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het
+liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het
+water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken,
+kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken
+gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den
+oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde
+bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van
+witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het
+rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van
+de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol
+vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid,
+streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen
+en ziel.
+
+Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan
+den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-
+populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever.
+De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau
+er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden
+overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige
+vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvreê
+der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet
+hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch
+en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de
+bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al
+opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich
+urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt,
+gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide
+langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den
+rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in
+den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging
+hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot
+de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van
+het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het
+gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of
+hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem
+dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk
+genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de
+oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te
+bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij,
+God-gelijk, genoeg aan zich zelve.
+
+Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot
+gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.
+
+Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre
+stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo
+ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist.
+Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat
+vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar
+wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets
+gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in
+die bloemige, ruischende eenzaamheid!
+
+Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het
+grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een
+edel, doodelijk-gewond hert.
+
+Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar
+Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij
+voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn
+aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde
+beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en
+befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger"
+plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de
+Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou
+gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord
+Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij
+besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al
+herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou
+vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk
+door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef
+er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het
+stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl
+bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's
+morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen;
+hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij.
+Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de
+reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde
+reisgenoot, over Calais naar Londen.
+
+
+NOOT:
+
+[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand
+die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik
+wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer
+weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is
+beter dat ik zwijg."
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK
+
+WAAN EN VREDE.
+
+
+Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met
+Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke
+klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken
+op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor
+Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen
+vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun
+politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun
+strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar
+die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn
+zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook
+de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu
+en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de
+elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg
+om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun
+eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle
+manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in
+menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide
+kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te
+krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de
+gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen.
+Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande
+lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht
+zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de
+publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen
+andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd
+Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in
+Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben:
+na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen.
+Dit maakte dat hij zoo goed als geheel geïsoleerd was, machteloos tot
+eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de
+omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest
+hem een gevoel geven van groote verlatenheid.
+
+Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is
+onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen
+zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste
+wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich
+vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt
+voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan
+monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te
+kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel
+in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.
+
+Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van
+Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar
+feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de
+buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou
+waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en
+bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht
+van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van
+de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt,
+dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar
+genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren
+ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het
+phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den
+prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume
+van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in
+zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd
+de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen"
+die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde:
+toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige
+gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig
+antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt,
+herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje."
+De sceptische Schot vond zoo'n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.
+
+Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende
+omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen
+tegen Hume moesten opwekken.
+
+Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de
+rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De
+koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en
+besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er
+in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit
+aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te
+breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de
+vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht
+en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te
+vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te
+worden."
+
+Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke
+grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was
+voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent
+de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa
+vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den
+opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van
+spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en
+het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd
+zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen
+met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld.
+Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig
+mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd
+geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de
+nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij
+hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge
+mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de
+hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis:
+dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan
+de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op
+zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich
+voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn
+rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.
+
+Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als
+zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere
+vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay,
+natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het
+toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme
+d'Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den
+schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht
+moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij
+zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat
+Hume met zijn vijanden heulde.
+
+Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op
+grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt
+van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen
+letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem.
+Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten
+zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen;
+na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr.
+Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het
+oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking
+stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin
+kwam er maar enkele weken in het jaar.
+
+In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten
+lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis
+was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en
+maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en
+bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij
+genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg
+der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van tuin-aanleg
+niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur
+meer ongerept liet.
+
+Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag
+alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.
+
+Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde,
+hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van
+het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een
+enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de
+buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en
+beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude,
+wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin
+van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen;
+zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige
+streek.
+
+Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden
+daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het
+voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren,
+eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde:
+waanzin omnachtte zijn gemoed.
+
+De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de
+goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk
+paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze
+overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend
+geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van
+vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken,
+was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve
+lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook
+niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Thérèse en de
+dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar
+eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de
+toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is
+begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar
+één wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54]
+
+Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar
+strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch
+vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet,
+wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau
+was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de
+onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze
+bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in
+een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer
+geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke
+inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende
+behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden
+aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den
+tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn
+verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn
+evenwicht al meer te verstoren.
+
+En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en
+een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn
+eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke
+handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband
+met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een
+onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die
+zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers,
+na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe
+spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den
+beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een
+muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich
+zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume
+bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was
+een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in
+Engeland tegen hem op.
+
+Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te
+worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der
+Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en
+wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem
+ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau
+wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij
+niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands-
+verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug
+te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te
+onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de
+buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen.
+Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere
+explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn
+eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich
+voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat
+hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had
+hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of
+langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan
+Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Maréchal, aan Guy, zijn
+hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend
+met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar
+schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te
+snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak
+van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem
+verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen,
+aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een
+jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had
+laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber,
+terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn;
+hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had
+hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn
+macht); hoe Hume op hem en Thérèse "lange, doordringende blikken" placht
+te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven
+langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden
+dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd,
+dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend
+werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die
+slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde
+op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door
+A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had
+herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau
+weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een
+formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij
+onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet
+aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau
+was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn
+Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische
+coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om
+aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte
+den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den
+titel "Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt
+overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen:
+van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de
+meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak:
+"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster
+van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de
+Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien,
+dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf
+natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet
+meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te
+kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist
+met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig
+gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had,
+en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te
+verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires,
+gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar
+wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde
+hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in
+zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar
+aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het
+halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen
+had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn
+wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk
+zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers,
+die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de
+gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord:
+"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig
+dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een
+bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer
+genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne
+beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen
+anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de
+vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij
+evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar
+troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen
+vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend."
+
+In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht
+er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn
+vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen
+onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar
+uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de
+dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk
+ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr.
+Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de
+eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei
+verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en
+betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies.
+Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij
+vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding,
+in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos
+ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand
+hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar
+Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen
+zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust
+dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen
+wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij
+was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch
+bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek
+hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet
+verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield
+hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met
+Thérèse in naar Calais.
+
+Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende
+later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.
+
+In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk
+brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den
+beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een
+bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem
+den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van
+Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der
+talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel
+Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging
+in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den
+marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen,
+hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze
+kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van
+Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij
+Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige
+persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte
+hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat
+hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende
+bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote
+belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te
+hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van
+den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen
+Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht
+bij Parijs.
+
+De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren
+voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de
+prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch
+hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd
+door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die
+van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in
+Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden
+aan te nemen.
+
+Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven
+zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef
+hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de
+buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo
+onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de
+moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld,
+hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme
+de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had
+afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat
+hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de
+bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren
+en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen
+opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De
+eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij
+sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en
+een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht
+op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen
+maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn
+vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij
+gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de
+boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke
+schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam.
+Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht
+hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer
+men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken
+schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du
+Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken,
+schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig
+heeft, mijn lichaam of mijn geest."
+
+Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra
+het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen.
+Zijn geestverwanten uit Genève--waar de inwendige beroeringen
+voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te
+hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad
+in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de
+inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren
+gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat
+zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een
+schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate
+van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het
+standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering,
+als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad.
+
+Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo
+had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze
+had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te
+kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij
+hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht
+vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van
+dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te
+verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem
+gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek
+nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van
+Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem
+weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou
+terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen
+ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen
+was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de
+macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon
+bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had
+aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken
+hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan
+hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets
+anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich
+zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij
+botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in
+Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en
+als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der
+natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die
+een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze
+wetenschap bevatten.
+
+Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het
+graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble
+een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde
+hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude
+galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine
+geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau
+bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte
+complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek
+bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van
+dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet
+tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden
+aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een
+der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in
+zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo
+overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij
+aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na
+zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en
+weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje
+tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar
+zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de
+plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke
+verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak
+hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die
+hij in Trye had aangenomen.
+
+In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse
+ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen
+dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of
+Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug
+te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging
+natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn
+bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te
+ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering
+vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders.
+Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den
+omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis,
+hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende
+opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en
+haar beleedigden.
+
+Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem
+aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide
+gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was
+dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor
+hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over
+is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even
+moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel
+een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is.
+"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen
+zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal
+meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze
+harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten
+drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen
+te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts
+een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen."
+
+De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het
+vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol
+konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer
+worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor
+Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden
+die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit
+dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar
+ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen
+tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander
+werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel
+een deel van zichzelven.
+
+Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen
+zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een
+verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche
+voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn,
+zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk
+zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te
+behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer
+vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn
+verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben
+gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn?
+Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was
+voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die
+verlichting ten minste nooit ontbeerd.
+
+ * * * * *
+
+In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf
+jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen
+naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti.
+Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke
+drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij
+weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden
+blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in
+'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen;
+Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk
+plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen
+politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met
+rust.
+
+Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue
+Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude
+bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en
+werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn
+bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen
+rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St.
+Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren,
+beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:
+
+"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques
+Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue
+Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde
+verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom
+binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein
+voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes
+opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een
+calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht
+op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met
+ons pratend.
+
+"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets
+hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn
+gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn
+mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd
+was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken
+dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een
+groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten
+verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van
+het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn
+gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van
+iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en
+medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en
+toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't
+vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel,
+een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de
+wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij
+gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn
+vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't
+plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat
+aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't
+raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur
+ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid,
+vrede en eenvoud, die 't hart goed deed."
+
+Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan
+die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de
+oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft
+herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste
+werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van
+in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij
+geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen
+te zijn."
+
+Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren
+besteedde hij aan 't kopieëren van muziek en 't drogen, schikken en
+opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste
+zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan
+dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde
+in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij
+betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn
+bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de
+nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen
+in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een
+hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag
+twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd
+was 't gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu
+een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn.
+Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij,
+maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder
+de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog
+altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn
+mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een
+kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als
+zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in
+buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn
+vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem
+verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van
+zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de
+vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen
+rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten
+dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn
+medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns
+gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden
+of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen
+gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van
+ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden.
+Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken
+schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle
+bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers,
+bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een
+boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de
+schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet
+overzetten. Steeds meer kategorieën van personen hadden de machtige
+samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem
+komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen
+bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de
+vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed
+hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen,
+verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder
+beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij
+zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn
+geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en
+waarachtigheid, de "Dialogen."
+
+Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner
+vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de
+onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood
+verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets
+meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven
+en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen;
+zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn
+vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot
+te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing
+van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en
+letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in
+omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld
+zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een
+juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de
+uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een
+grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was:
+de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn
+snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In
+hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen,
+die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om
+verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder
+de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk.
+Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand
+doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij
+voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op
+andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde
+hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele.
+Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk
+de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat
+beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts
+enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als
+verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte
+geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het
+komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de
+verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en
+Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de
+hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de
+tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen"
+uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande
+zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de
+"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit
+gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen
+onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den
+mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden
+die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en
+verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche
+sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de
+gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan
+zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en
+meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn
+oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van
+list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered.
+Maar hoe zulk een mensch te vinden?
+
+Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan,
+want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en
+vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans
+maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te
+vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen,
+verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn
+handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de
+Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders,
+dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel
+hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem
+verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten,
+tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.
+
+Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden,
+die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven
+was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters:
+"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft."
+Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle
+voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen
+las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen,
+zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.
+
+Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden,
+die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en
+voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner
+nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige
+invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't
+jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, 't denkende, voelende,
+willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en
+ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd,
+maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.
+
+Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht
+op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe
+beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij
+bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge
+zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd
+en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die
+hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij
+bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij
+spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een
+vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social,"
+dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven
+glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers,
+niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij
+versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel
+na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden
+en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge
+mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als
+menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der
+maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.
+
+Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de
+kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij
+stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel,
+schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in
+zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch
+te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te
+heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon:
+als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in
+Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was
+hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd
+voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te
+maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor
+hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem
+geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare
+liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties,
+de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige
+klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had
+hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord
+gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried,
+deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.
+
+Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster,
+vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te
+geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden,
+smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht
+dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair
+bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een
+heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft
+hij immers, dit is zijn levensdoel.
+
+Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag
+enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij
+dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het
+nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam
+op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke
+vooroordeelen.
+
+O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid
+nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken
+als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die
+droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is
+helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke
+krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke
+demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote
+Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten
+niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne
+arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze
+droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere
+wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote
+voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten
+in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn
+van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke
+lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.
+
+Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen
+dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en
+zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien,
+had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is
+hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden
+harten, en hij niets zag als vertwijfeling.
+
+En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen
+verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld
+tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers
+van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten
+zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale
+gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand
+arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als één man
+opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen
+de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen
+wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun
+verzet verbitterd; zouden zij één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte
+zijn waan va nvervolging èn grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien
+woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den
+verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid,
+van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij
+nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen
+zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was
+het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke
+samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis,
+in hem roemen als in een Groote?
+
+Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is.
+Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan
+was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij
+door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels.
+Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid,
+maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der
+menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede
+gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig
+jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam,
+de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen
+te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart
+toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en
+lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.
+
+Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen
+weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en
+zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de
+lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de
+troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid
+gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der
+wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende,
+schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in
+den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog
+verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het
+leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde
+tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den
+dageraad.
+
+Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden
+waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een
+tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn
+afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die
+zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten
+weemoed van het leven scheiden kan!
+
+ * * * * *
+
+Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te
+slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het
+huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort
+smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou
+opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten
+bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen
+op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner
+beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe
+woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had
+tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.
+
+Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf
+Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te
+zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige
+wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was
+begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar
+opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen
+gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem
+van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een
+toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in
+Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug,
+dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers
+die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de
+stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke
+vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.
+
+[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).]
+
+Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel.
+Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond
+liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich
+bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat
+hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die
+zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed
+hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk
+hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat
+daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag
+hij daar.
+
+Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn
+overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van
+zijn grooten tegenstander Voltaire.
+
+ * * * * *
+
+Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den
+boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden,
+de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten,
+de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat
+zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en
+moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord,
+hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze
+andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine
+menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit
+de diepten der oneindigheid.
+
+De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke
+omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe
+onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken
+aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der
+aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen,
+overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden,
+tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten
+bevruchten door het leven.
+
+En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten,
+hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen,
+harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en
+bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche
+liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen
+en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de
+landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van
+Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters,
+stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn
+eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den
+man maken dien hij werd in die poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd-
+gespletene en toch naar één doel stroomende jaren der jongelingschap.
+
+De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de
+maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle
+omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie
+somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--èn de maatschappij-kracht: de
+begeerten, de aspiraties, de energieën en de gedachten die de maatschappij-
+beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in
+de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der
+levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide
+groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten
+met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten,
+zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die
+zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te
+tooveren tot schoonen droom.
+
+Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over
+hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het
+verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een
+nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis.
+Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een
+onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen
+wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende
+spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet
+waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef,
+hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen
+andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de
+maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de
+maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter
+volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van
+zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij
+wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was,
+dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die
+geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de
+roepstem en volgde haar.
+
+Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen
+zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn
+hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve
+neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij
+overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van
+onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens
+wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel
+en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn
+liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls
+zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk
+betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de
+gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de
+liefde tot de menschheid,--èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid
+van den kunstenaar.
+
+Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de
+wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij
+verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn
+afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van
+zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem
+als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den
+hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen,
+broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om
+zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af
+om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls
+ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit
+zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang,
+niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog
+de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde
+prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken
+waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen
+zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in
+wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn
+verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp
+nauwkeurig en volledig als hij kon.
+
+Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde:
+het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende
+beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in
+hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen
+zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en
+schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij
+vervallen in schaamteloos cynisme.
+
+Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een
+ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.
+
+Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de
+hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle
+enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.
+
+De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar
+hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was
+nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling
+tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de
+midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een
+gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap,
+den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij
+voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het
+ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op
+het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen
+der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren,
+vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid
+van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hùn
+vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren.
+Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat,
+ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit
+Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en
+heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had
+hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den
+stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden
+zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair
+schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid
+uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.
+
+De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de
+burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in
+den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende
+klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend
+bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige
+belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die
+tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door
+afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke,
+en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende
+richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit
+'t een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der
+speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet
+de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en
+verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was,
+bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan
+tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling
+tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.
+
+En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende
+en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in
+de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen
+hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de
+Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe,
+zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen
+en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den
+koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de
+republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon
+vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen.
+Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag
+idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld
+met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden
+zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere
+demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering
+als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft,
+de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote
+bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden,
+maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen,
+een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben
+uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de
+stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke
+voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan
+vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot
+regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in,
+naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer
+dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en
+vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden
+dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden
+die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen,
+gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden
+van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken
+maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn
+vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende
+verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke
+rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in
+normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt
+en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even
+verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken
+dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige
+behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het
+onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan
+van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze
+bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de
+hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch.
+Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en
+toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het
+wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk,
+--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie
+van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast
+letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun
+staatkundig evangelie was.
+
+In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen,
+dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat
+uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden,
+den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en
+op godsdienstig gebied.
+
+Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der
+revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de
+uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de
+staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het
+best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een
+groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de
+regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te
+keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen
+iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om
+de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het
+recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en
+dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de
+vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den
+Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het
+opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van
+den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof
+aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale
+Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd,
+dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan
+slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn
+goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.
+
+Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken,
+een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de
+basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische
+produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische
+afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der
+onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren
+ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der
+revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers
+en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het
+lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige
+inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den
+grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield.
+In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn.
+Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de
+Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte
+bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan
+voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den
+uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren
+van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de
+gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest
+bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij
+droegen niets van zijn wil meer in het hart.
+
+Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens
+gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In
+zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke
+vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den grondslag
+van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den
+bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf
+heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau
+evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het
+communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en
+vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles
+gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit
+de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende,
+waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest?
+Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische
+gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der
+individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet
+gekomen, maar wie ook slechts één stap verder ging, moest de zon van het
+socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf.
+
+ * * * * *
+
+In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau
+leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn
+pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging
+en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had,
+zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken,
+mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de
+revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche,
+over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening,
+zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en
+bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen
+van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden
+maakten de kunst zoo.
+
+Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over
+Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast
+Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met
+de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en
+denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste
+manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest
+algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle
+woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote
+wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was
+voorgegaan.
+
+Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in
+Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele
+richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken,
+een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het
+politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig
+natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de
+burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische
+zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige
+gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling
+bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en
+specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het
+heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige
+vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar
+de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde
+enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den
+schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij
+zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze
+heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in
+de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de
+romantiek.
+
+Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele
+banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en
+het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den
+geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte,
+zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke
+naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller,
+zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp
+bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring,
+zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die
+eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij
+beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de
+diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren
+de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording.
+En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau.
+
+Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was
+anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote
+wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke
+uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van
+het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was
+hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd
+behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door
+de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en
+politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij
+behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en
+elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers,
+tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken
+gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en
+geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer
+van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke
+liefde tot het leven, tot àl zijne verschijnselen. En al deze trekken,
+die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller
+geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke
+literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de
+psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle
+Héloïse," der "Confessions" en der "Rêveries."
+
+Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche
+schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest
+wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der
+anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid
+van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke
+gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog
+te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar
+doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder
+fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester
+Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in
+tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de
+sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed
+gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het
+communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat
+Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen
+lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen
+te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te
+scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne
+gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de
+eigenheid van zijn wezen.
+
+ * * * * *
+
+Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele
+levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen
+van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind
+en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten
+overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige
+idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel
+dat zijn.
+
+De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie
+maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door
+reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de
+inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den
+dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij
+bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de
+grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke
+ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen
+bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd
+zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig
+denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel
+belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en
+gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische
+dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende
+proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten.
+Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van
+Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de
+wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en
+daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_
+toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van
+doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis,
+blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben
+veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.
+
+Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis.
+Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd
+en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze
+en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting,
+liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo
+allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de
+vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en
+knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het
+burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam.
+Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten
+voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan
+in de socialistische maatschappij.
+
+Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de
+individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de
+bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het
+kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner
+krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te
+vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de
+liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken
+weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die
+verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met
+de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen
+aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het
+zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van
+ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van
+menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar
+de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale
+oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke
+volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de
+aarde.
+
+Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar
+maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen
+voorstelling had.
+
+Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude
+afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden
+zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige
+menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in
+vrijheid;--wanneer de onrust en de onvreê en de wanorde van onze dagen
+den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan
+zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere
+verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier
+menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat
+de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen
+hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en
+Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen
+vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen,
+opgaan van den enkeling in het geheel.
+
+Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der
+Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.
+
+
+NOTEN:
+
+[53] Ook Faguet neemt dit aan.
+
+[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse
+een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken
+man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet
+opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te
+komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen
+en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.
+
+[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen;
+sommige biographen spreken van 1800 francs.
+
+
+ * * * * *
+
+
+LIJST VAN ILLUSTRATIES
+
+Jean Jacques Rousseau
+Thérèse Levasseur
+Jean Jacques Rousseau
+Rousseau aan het botaniseeren
+Rousseau's Graf
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase “Project
+Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg™ License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg™ electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
+Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg™ License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work
+on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the
+phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase “Project
+Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg™.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg™ License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format
+other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg™ website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
+Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works
+provided that:
+
+• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation.”
+
+• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™
+ works.
+
+• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+• You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg™ works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right
+of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you “AS-IS”, WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg™
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™
+
+Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™'s
+goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg™ and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg™,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
diff --git a/old/12009-0.zip b/old/12009-0.zip
new file mode 100644
index 0000000..d412bfd
--- /dev/null
+++ b/old/12009-0.zip
Binary files differ
diff --git a/old/12009-h.zip b/old/12009-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..9d8f661
--- /dev/null
+++ b/old/12009-h.zip
Binary files differ
diff --git a/old/12009-h/12009-h.htm b/old/12009-h/12009-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..b4833f2
--- /dev/null
+++ b/old/12009-h/12009-h.htm
@@ -0,0 +1,10039 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" />
+<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" />
+<title>The Project Gutenberg eBook of Jean Jacques Rousseau, by Henriëtte Roland Holst</title>
+
+<style type="text/css">
+
+body { margin-left: 20%;
+ margin-right: 20%;
+ text-align: justify; }
+
+h1, h2, h3, h4, h5 {text-align: center; font-style: normal; font-weight:
+normal; line-height: 1.5; margin-top: .5em; margin-bottom: .5em;}
+
+h1 {font-size: 300%;
+ margin-top: 0.6em;
+ margin-bottom: 0.6em;
+ letter-spacing: 0.12em;
+ word-spacing: 0.2em;
+ text-indent: 0em;}
+h2 {font-size: 150%; margin-top: 2em; margin-bottom: 1em;}
+h3 {font-size: 130%; margin-top: 1em;}
+h4 {font-size: 120%;}
+h5 {font-size: 110%;}
+
+.no-break {page-break-before: avoid;} /* for epubs */
+
+div.chapter {page-break-before: always; margin-top: 4em;}
+
+hr {width: 80%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;}
+
+p {text-indent: 1em;
+ margin-top: 0.25em;
+ margin-bottom: 0.25em; }
+
+p.center {text-align: center;
+ text-indent: 0em;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em; }
+
+a:link {color:blue; text-decoration:none}
+a:visited {color:blue; text-decoration:none}
+a:hover {color:red}
+
+</style>
+</head>
+<body>
+
+<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Jacques Rousseau, by Henriëtte Roland Holst</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
+at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
+are not located in the United States, you will have to check the laws of the
+country where you are located before using this eBook.
+</div>
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Jean Jacques Rousseau<br />
+  Een beeld van zijn leven en werken</div>
+<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Henriëtte Roland Holst</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: April 9, 2004 [eBook #12009]<br />
+[Most recently updated: March 28, 2023]</div>
+<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div>
+<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Marc D’Hooghe</div>
+<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***</div>
+
+<h1>JEAN JACQUES ROUSSEAU</h1>
+
+<h3>EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN</h3>
+
+<p class="center">
+<b>van</b></p>
+
+<h2 class="no-break">HENRIËTTE ROLAND HOLST</h2>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<div class="chapter">
+
+<h2>INHOUD</h2>
+
+<table summary="" style="">
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap01"><b>EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd</b></a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#I.Ge">I. Genève aan den aanvang der XVIIIde eeuw</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#II.Ki">II. Kindsheid</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#III.De">III. De zwerver</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#IV.Gr">IV. Groei</a><br /><br /></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap02"><b>TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs</b></a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#I.Mi">I. De maatschappelijke en geestelijke beweging in Frankrijk omstreeks het midden der xviiide eeuw.</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#II.He">II. Het moeizame leven</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#III.De2">III. De eerste fanfaren</a><br /><br /></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap03"><b>DERDE HOOFDSTUK: De groote jaren</b></a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#I.Na">I. Naar de vereenzaming</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#II.De">II. De Katastrophe</a></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#III.De3">III. De werken der groote jaren</a><br /><br /></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap04"><b>VIERDE HOOFDSTUK: De laatste worsteling</b></a><br /><br /></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td> <a href="#chap05"><b>VIJFDE HOOFDSTUK: Waan en Vrede</b></a></td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap01"></a>EERSTE HOOFDSTUK<br/>
+JEUGD</h2>
+
+<h3><a name="I.Ge"></a>I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW</h3>
+
+<p>In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme
+geboren was&mdash;de richting van het protestantisme die zich het scherpst
+en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld&mdash;bleef het
+maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen
+bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had
+gestuwd.</p>
+
+<p>Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen
+bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève,
+terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar
+heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de
+XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van
+verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken.
+Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen
+weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en
+sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel
+overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote
+expansie bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de
+bloei der manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten
+gevolg hadden;&mdash;waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een
+deel der burgerij tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke
+levensvormen tilde maar ook het proletariaat deed aanzwellen en de
+vroegere, betrekkelijk geringe kloven tusschen de stedelijke klassen
+zich haast plotseling tot afgronden verdiepten,&mdash;daar kon het kalvinisme
+den staat niet blijven beheerschen, de maatschappij niet blijven
+doortrekken met engen, onverdraagzamen, puriteinschen geest. Die geest
+was in tegenspraak met de eischen en behoeften van het grootburgerlijk
+leven. Het moest zich vergenoegen, in Holland als in Engeland, met ééne
+in het spel der krachten te zijn die het karakter eener maatschappij
+bepalen, en den godsdienst der lagere klassen te blijven, den godsdienst
+van kleinburgers, handwerkers, visschers en boeren.</p>
+
+<p>Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten
+handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit, en
+wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon het
+kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot
+onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie.
+De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt
+van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en
+levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens was
+zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn. Van
+kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren, en
+de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare
+gelijkvormige massa.</p>
+
+<p>Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van
+bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het
+eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was de
+horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den
+handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten
+der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en
+beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun
+beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.</p>
+
+<p>De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer. Zij
+verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm
+tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen die
+dit bedrijf&mdash;toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht&mdash;doormaakte,
+ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele
+beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest
+bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen
+zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar
+gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en
+de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.</p>
+
+<p>De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het
+begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar
+kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk,
+die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven
+zouden zijn weggespoeld.</p>
+
+<p>Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad
+voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een
+onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger
+van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke
+feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine
+steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen
+van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed
+en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke
+vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn,
+werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.</p>
+
+<p>Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de
+meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van
+kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke
+theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de
+kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten
+voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen,
+evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot
+één gevoel waren samengegroeid.</p>
+
+<p>Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de
+kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij
+in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der
+demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw
+verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke
+organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch.
+Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was
+in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de
+Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de
+bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog&mdash;gelijk reeds
+uit de namen, “inwoners, inboorlingen en onderdanen” blijkt,&mdash;verdeeld
+was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de
+“citoyens” en “bourgeois,” bezaten politieke rechten. Deze benoemden
+in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van
+belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en
+bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den “kleinen,” en
+den “grooten” raad. Het geringe aantal volmondige burgers&mdash;de “algemeene
+vergadering” telde niet meer dan 1600 personen&mdash;maakte het
+vertegenwoordigend stelsel onnoodig.</p>
+
+<p>In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der
+gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de
+oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie
+die den “grooten” raad van tweehonderd en den “kleinen” van vijftig
+uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer
+bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het
+“negatieve recht” aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere
+groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd
+deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad
+vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den
+kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in
+Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan
+het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.</p>
+
+<p>De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de
+bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook
+dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide
+raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het
+burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.</p>
+
+<p>Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de
+rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook
+der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste
+gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt,
+overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit
+Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans,
+met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot
+plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de
+kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts
+zelden voor.</p>
+
+<p>Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het
+gemeenebest op ’t oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij
+het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte
+zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen,
+door de regeerders streng onderdrukt.</p>
+
+<p>Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie,
+grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen
+was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De
+kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet
+geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk
+gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en
+vrouwen, zoo fier op hun “vrijheid,” als kinderen: hun leven lang werden
+zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen
+tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met
+kaarten in de hand, die duivelsblaren;&mdash;wie had meegedaan aan een
+danspartijtje;&mdash;wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte in
+het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,&mdash;hij
+kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd
+onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of
+zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote
+machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad
+bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige
+toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen.
+Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken
+mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone
+teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de
+zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig
+avondmaal.</p>
+
+<p>Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het
+leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door
+den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk
+katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van
+voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle
+spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en
+trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen
+door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename
+karaktertrekken van het puritanisme.</p>
+
+<p>Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een
+stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen,
+oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt, dat
+doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen
+verstijven doet.</p>
+
+<p>Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse
+zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden,
+haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en
+de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van
+gemelijke norschheid.</p>
+
+<p>De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening
+van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van
+den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de
+burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan
+de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het
+gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die
+voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit
+wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het
+kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner
+kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun
+nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de
+godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den
+hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner
+gemeentenaren aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren
+schare, geroepen God te bekennen onder de zedenlooze en losbandige
+volken te midden van wie het lot hen voerde.</p>
+
+<p>Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één
+vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden.
+Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere
+handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.</p>
+
+<p>Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van
+Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over
+Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche
+vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder
+ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen
+allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en
+verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er een
+element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des levens,
+van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische
+regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten en
+wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele
+handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij door
+grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren: de
+oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen.
+Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie.
+Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken
+vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den
+oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten
+woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen,
+waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge
+wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende
+weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt
+niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk
+bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden
+daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers
+trokken.</p>
+
+<p>Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de
+hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken
+of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het
+protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van
+aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden
+ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken
+hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de
+gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht
+in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid
+verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen
+de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd
+het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze
+mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die
+voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen
+en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat
+gemeenlijk de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al
+waren zij de aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen
+beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en de
+positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze
+neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale
+zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden
+neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij elk
+oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed. Want,
+terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke
+demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn
+eigen legervorm had voortgebracht&mdash;zoo niet overal in alles gelijk, toch
+hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking
+samenbracht&mdash;had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van
+vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen&mdash;hoe zou
+men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen&mdash;bezorgden de
+burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en
+vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare
+mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke
+oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en
+wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten,
+uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk
+stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel
+militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden
+de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De
+handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in
+zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid,
+van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts,
+mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren,
+eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden.
+Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der
+naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En
+droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen
+toga was.</p>
+
+<p>Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone
+oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de
+mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het
+licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen
+bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten
+stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun
+huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de
+pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men
+zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een
+dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van
+zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het
+dagelijksch doen.</p>
+
+<p>Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog
+zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met
+beving in zijn stem: “o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de
+burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en
+eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde
+landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar
+nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien.”</p>
+
+<p>Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de
+ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl
+bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.</p>
+
+<h3><a name="II.Ki"></a>II. KINDSHEID</h3>
+
+<p>Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot
+ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet
+gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door
+hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die
+te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den “grooten
+Raad.” De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot
+<i>dizenier</i>, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn
+stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging
+weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen
+niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken
+staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en
+ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman.
+Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke
+opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een
+dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn
+voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen
+wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon
+vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was
+nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle
+kunsten had onderdrukt.</p>
+
+<p>Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig
+terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de
+autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder
+gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en
+toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een
+burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard
+heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde,
+bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader was
+jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden
+liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde, en
+de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam bij
+haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig en
+blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en
+zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk
+zeventiende-eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en
+levenslustig, daarbij bijzonder bekoorlijk, viel ’t haar niet licht zich
+in de tucht van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den
+kerkeraad gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore,
+dat het jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad
+had bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander
+maal, dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een
+noch het ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden
+gebracht. Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en
+onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten
+slotte gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het
+altijd.</p>
+
+<p>Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun
+prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun
+herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij
+weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste
+kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van
+den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk
+erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem,
+gelijk zoovelen, de zwerflust.</p>
+
+<p>Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had
+hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de “droevige vrucht,”
+gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter
+wereld.</p>
+
+<p>Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit
+vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. “Geen koningszoon,”
+heeft hij zelf getuigd, “kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij
+gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving
+en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend.”</p>
+
+<p>Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar
+zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang
+heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete
+geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid
+mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude
+wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het
+gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend.
+Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet
+deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te
+zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar
+toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond
+er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze
+omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip
+hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in
+dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen,
+die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de
+atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die
+doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door ’t wezen dat ze
+voelde: het geheugen van ’t gemoed.</p>
+
+<p>Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij
+de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in ’t knaapje de
+oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel.
+Hij beheerschte zich weinig; als hij ’t kind aan zijn hart sloot en met
+hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote
+teerheid ’t verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei:
+“we zullen over moeder praten,” antwoordde het knaapje, “dan gaan we
+schreien, vader.”</p>
+
+<p>Zoo’n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van
+overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac.
+Zoodra Jean Jacques lezen kon&mdash;hoe hij ’t leerde wist hij zich niet te
+herinneren&mdash;toog zijn vader met hem aan ’t lezen van de romans die
+Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd
+gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld,
+vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw
+kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van
+romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: “ik ben nog grooter kind dan
+jij.” Jean Jacques was toen zeven jaar oud.</p>
+
+<p>Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind
+zich veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een
+eng-omsloten levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en
+wijde uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen
+vriendjes en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong
+naar Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde
+te veel met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen
+anderen dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe
+meid.</p>
+
+<p>Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een
+ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem
+het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen ’t
+haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid
+zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de
+vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen
+ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch
+gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De
+gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;&mdash;natuurlijk,
+want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der
+middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn
+wezen en werd een deel daarvan, voor goed.</p>
+
+<p>Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon
+vonden in de boeken van Suzanna’s voogd, den predikant, afkomstig, nieuw
+voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet,
+Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid
+open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van
+rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was
+een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te
+redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond
+van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn
+oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden
+langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid,
+groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de
+oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig
+blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij
+wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem.
+Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van
+zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde,
+die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor
+de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen,
+gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren,
+en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat
+tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden
+versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en
+de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers
+van Sparta en Rome en met hun roem.</p>
+
+<p>En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en
+kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn,
+toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de
+gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden.
+En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen
+opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten
+zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne
+tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij
+burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud
+en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een
+grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde
+en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden
+zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte:
+hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen
+schooner toe.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht&mdash;een
+hartstochtelijk jager was hij&mdash;twist met een zekeren kapitein Gautier,
+die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac,
+prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden
+ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn
+zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete,
+drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac
+achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich
+voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het
+stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn
+kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor
+hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean
+Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch
+gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den
+achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad
+uitvoeren en werd, voor ’t eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde
+ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten,
+in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in
+zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart
+tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.</p>
+
+<p>Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en
+kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde
+als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het
+zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje
+Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk,
+kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.</p>
+
+<p>Aan ’t eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok
+waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje
+hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van
+onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet
+misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid
+van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen ’t
+kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld
+als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen
+in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten
+herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als
+een ongebruikte veer.</p>
+
+<p>Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn
+door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen.
+Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet
+voorbij.</p>
+
+<p>Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de
+grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer
+als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende
+liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad
+hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen.
+Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de
+onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf
+wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de
+eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn
+verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks
+pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete
+verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.</p>
+
+<p>De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote
+proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en
+brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet
+ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In ’t verdragen was
+hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in
+herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang
+nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog,
+als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der
+herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg,
+het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.</p>
+
+<p>Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige
+depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de
+bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte
+uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit
+óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van
+af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van
+triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten
+balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen
+zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij
+zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene
+oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke
+ongelijkheid.</p>
+
+<p>De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte
+gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar
+Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden:
+horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de
+nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten.
+Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen
+liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond
+hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem
+een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn,
+dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn
+met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en
+traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare,
+warme verwarring van het onderbewuste.</p>
+
+<p>Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man
+nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het
+ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was
+dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.</p>
+
+<p>Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar,
+zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en
+moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij
+zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden
+en omgeving van hem maakten, dat was hij.</p>
+
+<p>Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in
+hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed.
+Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind,
+gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de
+ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van
+overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren
+onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun
+liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten,
+hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als
+een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in
+verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later
+dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten
+tijd was vervallen.</p>
+
+<p>Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in
+de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage,
+waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.</p>
+
+<p>Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer.
+Alles om hem werd kil en grauw.</p>
+
+<p>Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor
+goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean
+Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan
+en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en
+voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.</p>
+
+<p>In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk
+gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En
+omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van
+anderen.</p>
+
+<p>Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met
+razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van
+zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken
+te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien
+waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster
+hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de
+liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte
+hij uit schaamte.</p>
+
+<p>Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om
+het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar in
+’t bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den
+handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij,
+voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der
+zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste
+innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer,
+leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld
+kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.</p>
+
+<p>Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman
+geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper
+eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam
+om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te
+leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn
+vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem
+vertrouwden levensstaat.</p>
+
+<p>Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang
+duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht
+op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde
+de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat
+afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten
+gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft
+en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet
+terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de
+brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich
+in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te
+keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen
+Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar
+zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.</p>
+
+<p>Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de
+wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen
+ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze
+eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in
+den strijd om het bestaan.</p>
+
+<p>Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.</p>
+
+<h3><a name="III.De"></a>III. DE ZWERVER</h3>
+
+<p>Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan.
+Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de
+kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen,
+die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand
+slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de
+minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen
+zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich
+kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete
+bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging,
+rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde
+zich baden in vrijheid.</p>
+
+<p>Die droomen waren&mdash;droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn.
+Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den
+oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te
+zamen de lijnen vormend die wij noemen “maatschappelijke
+verschijnselen.” Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel,
+een werking van dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem
+na zijn vlucht ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen,
+die hem kende en de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen
+buiten ’t grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in ’t
+land der hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens
+gepoogd de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele
+malen, telkens weer. Maar ’t was hun nooit gelukt haar te vermeesteren
+en de veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd
+verder met andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte
+spinnen hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij
+lagen op de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er
+werden vele bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen
+van bestaan zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij ’t
+wist.</p>
+
+<p>De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling
+na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het
+bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap
+met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het
+hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te
+winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame,
+die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde.
+Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters:
+haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten
+uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de
+hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het
+katholicisme.</p>
+
+<p>Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij
+achterhaalde haar op ’t pad dat de beek langs, van haar huis naar de
+kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude
+kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen,
+lieftallig schoon en jong.</p>
+
+<p>Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert
+zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar
+bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was.
+Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en
+weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur
+bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar
+teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk
+als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet
+alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van
+lieftalligheid.</p>
+
+<p>Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd
+geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart.
+Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als
+twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.</p>
+
+<p>Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar
+later&mdash;het waren de laatste woorden die hij schreef&mdash;dat het zijn leven
+beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen
+voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in
+pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare
+gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen
+zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond h&agrave;re zachtheid ... dat was
+het geluk.</p>
+
+<p>Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en
+later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning
+die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al
+heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in
+haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem
+terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de
+geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk
+werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem
+te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde
+zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde
+hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem
+gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.</p>
+
+<p>Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming.
+Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn
+hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en
+toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en
+kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij
+in minne zijn moeder.</p>
+
+<p>Zij was wel een wonderlijke achttiend’eeuwsche heilige. Kuischheid
+beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar
+geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en
+zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke
+jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht,
+maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden
+voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid,
+haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat
+een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens
+over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke
+plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de
+Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in
+groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over
+het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp.
+Spoedig volgde haar bekeering.</p>
+
+<p>Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau
+bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden
+haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles
+proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en
+daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van
+aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van
+Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te
+exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat
+al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien
+zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen,
+wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het
+einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al
+nijpender schulden en al dreigender gebrek.</p>
+
+<p>En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust,
+de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig
+die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien,
+zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden
+der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij
+stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar
+ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen.
+Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij
+verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.</p>
+
+<p>Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn
+leertijd, had haar ’t eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring
+en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot
+fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid,
+in verheerlijking&mdash;dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel de
+oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar
+vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en
+vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven
+effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van
+onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van
+harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij
+haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke
+tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door h&aacute;&aacute;r gelukkigen
+jongelingstijd.</p>
+
+<p>Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn,
+om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van
+zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn
+kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid?
+Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de
+burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk
+leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke
+gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete
+begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen
+zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan
+de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone
+vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar
+verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit,
+aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe
+schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend,
+genietend, juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.</p>
+
+<p>Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij
+wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren
+zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij
+is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het
+bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust
+van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt
+tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in ’t nauw te brengen
+met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het
+geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man
+van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na
+vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone
+droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de
+paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden.
+Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem
+gehouden kollekte, en zetten hem op straat.</p>
+
+<p>Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de
+weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij
+de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren,
+zoo goed en kwaad als ’t gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie
+hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de
+schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer ’t tot
+een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles
+af.</p>
+
+<p>Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt
+zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet,
+maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië
+was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der
+italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem,
+muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang
+ontwaakt.</p>
+
+<p>Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij
+wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft
+zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat
+nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den
+jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt,
+geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een
+keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en
+die hij in ’t minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem
+het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de
+“Confessions”, schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn
+aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.</p>
+
+<p>Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op
+een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat
+zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te
+verwachten valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf,
+een geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als
+sekretaris, zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met
+wien hij bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten
+levensernst, zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem,
+geeft hem goeden raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor
+de ijdelheden der wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen
+dubbele vrucht: zijn gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn
+verheerlijkende verbeelding herschept de herinnering van den
+zacht-peinzende jongen priester tot de groote gestalte van den “Vicaire
+Savoyard,” figuur die een zeer belangrijke faze verpersoonlijkt in de
+ontwikkeling van het godsdienstig denken.</p>
+
+<p>Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon’s behoeft in
+hun diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen
+jongeling gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer
+los.</p>
+
+<p>Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen
+avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan
+toe te geven hem in ’t bloed zit. Hij wil, hij moet met B&acirc;cle mee, hij
+moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch
+maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn
+nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door ’t
+vertoonen van een “wonderfonteintje,” dat wijn uitspuit nadat ’t
+schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.</p>
+
+<p>Een paar weken geniet hij ’t vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt
+hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen,
+neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de
+Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet
+de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij
+ontvangt den “arme kleine” met een glimlach en een meedoogend woord; een
+bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde,
+maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd
+weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.</p>
+
+<p>Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later
+getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij
+gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting
+verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond
+was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem
+veerde, altijd meegaf, een donzige wolk.</p>
+
+<p>Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de
+liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen,
+alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen
+gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke
+verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem
+levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens,
+verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de
+vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven
+schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij
+toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.</p>
+
+<p>In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan
+wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als
+passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte
+overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens
+was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders
+heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de
+hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft
+hij getuigd in de “Bekentenissen”, kent niet de zachtste zachtheid des
+levens. “Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar
+duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met
+liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is
+teederder; ik kan mij niet denken, dat ’t zou bestaan voor een wezen van
+hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en
+toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld.”</p>
+
+<p>Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat ’t hart niet
+doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een
+vrucht in zomertijd, was ’t sterkste element, ’t wezenlijke in de liefde
+van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.</p>
+
+<p>Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de
+tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende
+kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap,
+polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon
+goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan
+weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en
+literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche
+prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje
+van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en
+ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er
+te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar
+hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar
+het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen,
+de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en
+te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn
+weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van
+Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een
+donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit
+Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje
+een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed
+geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God
+verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel
+behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een
+verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die
+gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend
+geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de
+donkere gewelven van zijn gemoed.</p>
+
+<p>En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die
+hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de
+schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname
+stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn
+middeleeuwsche torens en stille, in ’t meer mondende kanalen een
+provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de
+bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn
+kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de
+hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den
+bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de
+gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan
+Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder
+de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste
+rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op
+den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap
+was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië,
+een bad van vrede en harmonie.</p>
+
+<p>Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet
+langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen
+geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van
+altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls
+gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van
+liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.</p>
+
+<p>Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op
+te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de
+verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en
+de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer
+zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de
+ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in
+’t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de
+zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet
+leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf
+verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd
+weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem
+aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang
+opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek
+verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en
+studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet
+afgesneden van de liefste, zooals in ’t seminarie: de zangschool voor de
+koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar
+verkeeren. Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de
+prikkelbare musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te
+verlaten. Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden,
+was zij hem behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den
+huisvriend zou vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus
+in Lyon op straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen,
+krijgt opnieuw een van die plotselinge opwellingen, waartegen de
+jongeling niet geleerd heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg,
+zonder zich verder om den zieken meester te bekommeren. Als een duif
+naar zijn nest, vliegt hij naar Annecy terug, maar Mme de Warens is
+verdwenen; de eene of andere politieke intrigue waarnaar Rousseau haar
+nooit gevraagd heeft, riep haar naar Parijs. Hij verwijlt nog een poosje
+in Annecy, zonder bezigheid en zonder middelen. In dien tijd van
+doelloos onrustig leven valt hem in den schoot een dier schaarsche dagen
+van volkomen gouden geluk, wier herinnering nooit in den mensch verloren
+gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, lieflijke meisjesgestalten,
+de eene teeder en peinzend, de ander meer lachend-schalks, beide
+aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in den vroegsten morgen,
+eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen over de beek, zij
+lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. Achter de eene stijgt
+hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij beeft van verrukking.
+En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van zon en geur en vogels;
+en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk landelijk maal in
+de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het kersen-eten,
+die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag van morgen
+tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van glans.
+En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de herinnering
+in zijn gemoed, warm en zilv’rig; zij leeft voort en rankt en rankt in
+’t onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen in ’t
+licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het
+vriendinnen-paar Claire en Julie.</p>
+
+<p>Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit
+door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de
+kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar
+Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich uit
+voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een
+muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig
+bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met
+een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den
+muziek nog bijna geheel onkundige, een “kompositie” van zijn hand voor
+orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen,
+schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt,
+dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij.
+Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor
+een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor
+het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant in
+Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen
+officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt
+de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel
+oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij,
+zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een
+dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt de
+natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de
+lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest
+te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye
+is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar
+en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is
+ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven
+gaat beginnen.</p>
+
+<p>Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu
+twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en
+iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den
+toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde
+levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de
+scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; soms
+zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn
+vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren
+vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de
+volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij,
+geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar
+de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel
+gebleven.</p>
+
+<p>Een vrije vogel&mdash;zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der
+blijheid; in de schaduwtaal heet het “hij was een déclassé geworden.”
+Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij
+stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn
+afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het
+bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de
+dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en
+eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar
+gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens
+van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter
+tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen,
+waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef
+zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen
+te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer
+kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met
+de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien
+omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk
+wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben.
+Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote
+prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke
+gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen
+er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor
+wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de
+mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig
+leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en
+lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had
+verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens
+duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit
+de groote wereld als “knecht” behandeld te worden; die angst, niet
+burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem
+plotseling vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren,
+takteloos-grof.</p>
+
+<p>Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker,
+die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De
+misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als
+den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven
+dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij
+de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren
+had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers,
+voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem
+meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de
+volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden,
+onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als in
+Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig,
+menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der
+groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog
+meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het
+volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door
+ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte,
+aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar,
+zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat
+knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was
+hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar ’t
+allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder
+van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des
+konings, die ’t weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet.
+Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn
+arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet
+ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den
+nadenkenden gast ontkiemde “de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers
+van het volk.”</p>
+
+<p>Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer
+van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke
+verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die
+ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn
+bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der
+massa’s waren saamgegroeid tot één gevoel.</p>
+
+<p>Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke
+ervaring en persoonlijke waardeering.</p>
+
+<p>Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem
+ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed
+fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige
+wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn
+handelen.</p>
+
+<h3><a name="IV.Gr"></a>IV. GROEI</h3>
+
+<p>Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij
+een werkkring voor hem gevonden had op ’t kadaster. De vrije zwerver
+werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij ’t werk-zelf en de
+bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij ’t een poos uit,
+waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe
+natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis.
+Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn
+levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één
+kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der
+dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets
+of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn
+eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij
+te blokken op het “Traité de l’Harmonie” van Rameau, een dik boek en
+duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een
+zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der
+harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een
+schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle
+kombinaties en finesses van ’t nobele spel te bestudeeren en speelde in
+zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten
+kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten
+was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit
+ontmoedigde hem niet.</p>
+
+<p>Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke
+administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in
+krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met
+verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar
+neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie:
+magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan
+sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had
+omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam
+Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich
+interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan ’t
+opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven
+van Voltaire&mdash;wiens zon toen hoog aan den hemel klom&mdash;aan den koning van
+Pruissen, Frederik de IIde, en de “Philosofische brieven over Engeland,”
+van den gevierden schrijver; ’t eerste werk, dat de aandacht van ’t
+denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën
+van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een
+nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles
+wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die
+liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het
+uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond
+hem dat heftig op. Voor ’t eerst ontwaakte zijn belangstelling in het
+openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht
+naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe ’t zijn vrienden verging.</p>
+
+<p>Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een
+koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de
+aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig
+voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige
+oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde
+voelde ’t gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet
+verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij
+haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij
+niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was
+vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en
+Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding
+zacht en vloeiend te maken, die ons in ’t algemeen even onvereenigbaar
+met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In
+volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën
+vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde
+de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn.
+Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.</p>
+
+<p>Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam
+toch, want Anet stierf en de droomerige “kleine” stond voor de taak, die
+de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en
+de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde
+hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme
+Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint,
+sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de
+ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken
+wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in
+’t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg
+voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens
+een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den
+kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte
+natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist ’t, maar wat zal
+men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.</p>
+
+<p>Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke
+muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol
+intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders
+te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn
+oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en
+overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in
+verzen uit het jaar ’41, “l’Epitre &agrave; Parisot.”</p>
+
+<p>Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, ’t
+scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar
+groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn
+krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder
+aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het
+aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de
+hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in
+een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.</p>
+
+<p>Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem
+goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille.
+Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar
+hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur
+buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol
+meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra ’t voorjaar kwam,
+heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar
+dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij ’t
+eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis,
+idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog
+over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten
+aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en
+het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij
+rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een
+dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende
+bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met
+geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en
+der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één
+werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als
+een deel van ons voort in ’t universeele leven. Want hij was, met eenige
+engelsche dichters, de eerste die uitspraak ’t moderne natuurgevoel.</p>
+
+<p>Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle
+tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.</p>
+
+<p>Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom,
+worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid,
+de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les
+Charmettes was hij voor ’t eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor
+zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur
+geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich
+voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de
+frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de
+honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der
+duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door
+den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven,
+kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een
+pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel
+gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig
+willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar
+buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij
+lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond
+weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar
+waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen
+steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen,
+ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten,
+daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den
+boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de
+duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de
+ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de
+sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en
+nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over
+alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde
+niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem
+de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder
+en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij,
+starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der
+jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen.
+En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere
+jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les
+Charmettes opsteeg, samen tot één droom.</p>
+
+<p>In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar
+strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde
+had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den
+groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten
+van zijn wezen waren er veel gerijpt.</p>
+
+<p>Toen Rousseau in den zomer van ’37 van een kort verblijf in Genève waar
+hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen,
+terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke,
+rumoerige jongeman, een “kappersjongen,” zooals hij Wintzenried
+verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk
+geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de
+ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en
+voor alles&mdash;in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel
+had hem half verdrongen in ’t hart der geliefde; hij de oudere, moest
+deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de
+tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den
+medeminnaar “broeder,” verzoende zich met hem na ’t eerste heftig krakeel;
+de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet
+deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn
+jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn
+opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een
+verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te
+leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet
+elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In ’t najaar
+van ’37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een
+hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte
+aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een
+Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde
+hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in
+zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet,
+en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen
+’t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier
+gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust
+en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor ’t eerst in zijn leven
+voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.</p>
+
+<p>Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende
+twee jaar, van 1738 tot ’40, bracht hij daar bijna geheel door, ’s
+winters alleen, ’s zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op
+de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; ’s avonds versponnen de
+boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd
+geweven voor het lijf-goed van ’t gezin. De wijn-oogst in ’t najaar was
+een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den
+haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude
+liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij
+hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat
+ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man
+en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der
+menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel
+aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij
+bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven,
+probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te
+bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist,
+had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot
+hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van
+werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descarte,
+Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke
+werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis,
+fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde;
+reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij
+een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen
+te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een
+toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de
+wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering
+uitgezonden naar Centraal Amerika en naar ’t hooge noorden, om
+aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het
+studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal
+boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu
+niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel
+beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast
+door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme
+de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen
+helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar
+de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v.
+sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende
+hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur
+in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was
+het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat
+vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis “niet slechts den
+geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid.”
+Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de
+zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn
+gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig
+te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft
+gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot
+godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad
+dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden wat
+zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht
+vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de
+Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield
+daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in ’t eeuwige
+leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche
+leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had
+eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die
+godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering
+des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale
+verwaarloozing van dogma’s en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig
+respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in
+één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig
+leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een
+persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het
+best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er
+verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen in
+de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te
+vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in het
+land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk
+gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.</p>
+
+<p>De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok
+niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe
+na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit
+ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te
+gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee
+kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn
+denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner
+leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies,
+met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde.
+Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen
+te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld
+genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook
+moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte
+aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd.
+Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels;
+hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele
+maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie
+der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw
+notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem
+voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking
+der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, het
+onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de
+“teederste aller moeders”&mdash;want dat blijft zij voor hem&mdash;al haar zorgen
+en offers kunnen vergoeden.</p>
+
+<p>Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen
+sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische
+ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend
+komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over
+opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder
+persoonlijk accent: dat is alles.</p>
+
+<p>Maar alle kiemen&mdash;op één na&mdash;van den man dien hij worden en van de
+werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn
+leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In
+zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie,
+de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner
+jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de
+verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk
+individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren
+van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem
+overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn
+met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te
+leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in
+Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar
+in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het
+vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van ’t eigen gemoed, de
+eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en
+doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner
+jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en
+onsterfelijkheidsgeloof.</p>
+
+<p>Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en
+stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was
+getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets
+vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend
+van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.</p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap02"></a>TWEEDE HOOFDSTUK<br/>
+PARIJS</h2>
+
+<h3><a name="I.Mi"></a>I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK<br/>
+<span style="margin-left: 1.5em;">OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.</span><br/></h3>
+
+<p>In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de
+absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en de
+bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling
+tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het
+ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en
+zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het
+tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door
+geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in
+hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen.
+De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de
+omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.</p>
+
+<p>Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk
+de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft
+tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den
+absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de
+intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.</p>
+
+<p>Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door ’t vernietigen
+van de feudale maatschappij-vormen en ’t knotten van de politieke macht
+van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die
+aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze
+zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een
+rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten
+tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van
+monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het
+absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele
+bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.</p>
+
+<p>Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der
+nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het
+Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier
+Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de
+methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de
+been te helpen. Zijn scheppingen&mdash;het papiergeld, de koninklijke bank,
+een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal&mdash;liepen uit op
+den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die
+de 18de eeuw, die eeuw waarin ’t jonge kapitalisme, schuimend van
+overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn
+eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende
+methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat,
+beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door
+’t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa
+voortooverde, opgewekt&mdash;avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs
+dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de
+poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen&mdash;was de moreele
+uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een
+millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk
+bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben
+dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot
+gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon
+sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te
+halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden
+morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden
+zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste
+maal werden de massa’s betrokken in een algemeene politiek-sociale
+beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten,
+hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.</p>
+
+<p>Law’s koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het
+reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te
+bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en
+lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in
+hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen
+ze,&mdash;maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw
+besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken
+welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke
+gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden
+gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken
+staat, zacht en onschuldig lijkend als ’t paradijs vergeleken bij de
+zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige
+betoovering aan van de tropische streken; “de eilanden” gelijk ze in den
+volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk
+waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen,
+waar elkeen van een droomt.<a href="#fn1">[1]</a></p>
+
+<p>Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot
+velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789
+doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën,
+althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met
+den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal
+verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt
+opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder
+reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld
+kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en
+geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de
+staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van
+alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven.
+Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de
+bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot
+stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.</p>
+
+<p>Schijnbaar blijft, na Law’s val, van zijn hervormingen en
+hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en
+uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang.
+Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der
+klasse-verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude
+vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der
+eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: “Alle symptomen, de nadering
+van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis
+ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in
+Frankrijk.”</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit,
+dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties
+meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie
+het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze.
+Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der
+rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om
+een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De
+uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht,
+omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz.
+reusachtig, en ofschoon de uitgemergelde massa’s &agrave;l zwaarder belast
+worden, het deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft
+groeien tot alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen
+hulpeloosheid, haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de
+monarchie ten slotte noodzaakt tot den stap die haar eigen val
+tengevolge moet hebben: de bijeenroeping der Algemeene Staten.
+Revolutionaire bezems alleen kunnen den augiusstal der administratie,
+dat broeinest van geknoei, verkwisting en korruptie, schoonvegen. Onder
+Lodewijk de XVde slokt deze een groot deel van de staatsinkomsten in,
+zij biedt aan de bevoorrechte klassen een haast-onbegrensd gebied tot
+het botvieren hunner parasitaire lusten.</p>
+
+<p>De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30
+millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van
+pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de
+provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per
+jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)<a href="#fn2">[2]</a> Een vijfde
+van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn
+politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster
+aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn
+maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij
+grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het
+platteland, waar hij weleer ’t eenvoudige, stalende leven der feudale
+tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden,
+verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende
+burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te
+zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen
+staat.</p>
+
+<p>Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote
+maatschappelijke parasiet, de “eerste stand in het koninkrijk:” de
+geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat
+de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft
+gemaakt;<a href="#fn3">[3]</a> in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de
+zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is.
+Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf
+nog grooter dan zelfs in de hofkringen.<a href="#fn4">[4]</a> Haar ekonomische macht is
+verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige
+schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den
+bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van
+de voornaamste belasting, de “taille,” (grondbelasting), haar bezit
+immers dient “Gods glorie en der armen welzijn.” Haar dubbele
+bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat
+zoo goed als geheel aan ’t meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van
+haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes
+toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in
+dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te
+werpen.</p>
+
+<p>Wanneer in 1750 door ’t land een zoodanige beroering gaat, dat een
+revolutie op ’t punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende
+verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt,
+stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan ’t
+hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en
+rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van
+den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der
+regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal
+geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat
+deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld
+zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een
+wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot
+besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het
+verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. over
+de zoogenaamde “Charité” (de administratie van het armwezen, de
+hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.</p>
+
+<p>Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het
+burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de
+kerk keerde, dat het woord “écrasez l’infame,” tot het parool van zijne
+propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het
+oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur.
+Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar
+ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde
+in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar
+bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst
+gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte
+het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere
+verdrukkers en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen,
+dan konden zij zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke
+dienstbaarheid was voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de
+politieke overwinning.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land
+en de “petites maisons,” die gecapitonneerde nesten van ontucht in de
+buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de
+adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit de
+oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en
+pruikenmakers, hun ma&icirc;tressen en koks bij duizenden medevoeren; uit alle
+verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie
+omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het
+romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle
+levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen,
+hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele
+gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst:
+schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het
+geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de
+“mouches” bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard
+bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt
+uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de
+XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige
+behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een
+labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt.
+Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de
+weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij
+die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich
+nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale,
+koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met
+melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van
+wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen
+omdartelen. De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel
+meest-volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend:
+ziedaar het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het
+wezen van hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog
+slechts één inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt
+zich in wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder
+verteedering, zonder verheffing.</p>
+
+<p>Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze
+liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die
+niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van
+Lodewijk de XVde schrijft d’Argenson: “het hof lijkt een bordeel; de
+appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men
+ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij,
+en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen.” De echtelijke
+trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen
+den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man
+gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud,
+waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het
+menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft
+leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. “De liefde, de
+behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het
+eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag” (d’Argenson).</p>
+
+<p>Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met
+hunne ma&icirc;tressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde
+bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen,
+bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk
+van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de
+schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde
+intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde
+zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der
+schrikkelijke verveling, de “ennui,” de doodelijke levensleegte die de
+ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in
+ontaarding.</p>
+
+<p>Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.</p>
+
+<p>“Er zijn geen mannen meer,” roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van
+Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren&mdash;d’Argenson
+noemt hen “ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,”&mdash;sleept
+Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit
+het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het
+koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers;
+alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan
+de zijde der oppositie.</p>
+
+<p>Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht
+en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden,
+te vermaken en te verstrooien,&mdash;om hen her- en derwaarts te voeren van
+de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de
+hen steeds najagende verveling,&mdash;om hen te bedienen, hun wenschen te
+voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen&mdash;om de
+dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de
+stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de
+zoetelijke geuren eener veile kunst&mdash;daarvoor weeft en borduurt, holt en
+rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel
+leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en
+meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de
+mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld
+aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het
+grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht
+en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest
+getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van
+de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.</p>
+
+<p>Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en
+onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte
+van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine
+burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende
+handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd.
+De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog
+meer.<a href="#fn5">[5]</a> Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun
+scharen van honger; in 1753, meldt d’Argenson, stierven in één maand
+tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.<a href="#fn6">[6]</a></p>
+
+<p>En toch is het lot der volksmassa’s in de steden nog dragelijk,
+vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, de
+koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt het er;
+in jaren van misgewas zorgt de regeering ’t eerst voor de
+approvisioneering van Parijs; op ’t punt der belastingen is de kleine
+burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.</p>
+
+<p>De boeren&mdash;op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle
+lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden
+vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige
+uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De
+heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug
+betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan
+laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot
+instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer,
+die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze
+overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt
+zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het
+finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het
+uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden
+zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die
+wolven, bevindt zich de koning.</p>
+
+<p>Sinds de dagen van den “Zonnekoning” overmatig belast, moet de boer in
+elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan
+een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven
+langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt,
+in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde
+verminderd. “De boeren vreten gras,” teekent d’Argenson telkens op;
+“sedert een jaar vreten zij gras,” “de menschen sterven als vliegen, de
+ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles.” Vreeselijk
+drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote
+wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of
+breken uit, omstreeks ’t midden der eeuw, in de Pyreneën, in de
+Provence, in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van
+Rouaan enz. enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op
+en tracht de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze
+van de provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen.
+Een poosje blijft het dan weer stil.</p>
+
+<p>De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de
+epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de
+opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt&mdash;het is
+alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in
+de sfeer van de “mouches” en de gepoederde pruiken, van de goudstralende
+toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke
+illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende,
+sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die
+deze lustverblijven bewonen&mdash;het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van
+die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in
+genietingen, stikkend in geilheid.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Naast en dwars door ’t verval der absolutistisch-feudale klassen heen,
+gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische
+vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei
+van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.</p>
+
+<p>Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt de
+groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de
+bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der
+koninklijke bank (Caisse d’Escompte) enz. Deze groep moet sommige
+misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute
+monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig
+bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de
+openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de
+andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de
+ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de
+monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar zit
+tevens vast aan het oude.</p>
+
+<p>In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de
+pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen
+van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke
+geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun
+zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door ma&icirc;tressen en
+paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd,
+maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate:
+het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid
+van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en
+terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken
+van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van
+bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte
+haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van
+de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige
+is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe
+koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.<a href="#fn7">[7]</a></p>
+
+<p>De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn
+vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het
+verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën. Haar
+salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de koene
+ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: weldra
+omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als hùn
+levensleer.</p>
+
+<p>De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze
+vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten
+achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van
+het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De
+overgang van handwerk tot manufaktuur<a href="#fn8">[8]</a> wordt o.a. verlangzaamd door de
+buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen
+der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor
+een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te
+voltrekken.<a href="#fn9">[9]</a> Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde
+voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de
+bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat
+zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine,
+de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in
+Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur,
+Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet
+langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon
+neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering van
+den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan de
+verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der
+belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving en
+afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de
+Encyclopedie&mdash;Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle
+mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te
+stellen,&mdash;getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist,
+wiens “prophetisch instinkt” hem leidt tot de verheerlijking van het
+machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de
+industrie.<a href="#fn10">[10]</a></p>
+
+<p>Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der
+handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel
+verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20
+tot 616 millioen in de jaren 1749-55.<a href="#fn11">[11]</a> Is de finantiëele bourgeoisie
+in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een
+aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon,
+de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden
+worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van
+revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den
+zevenjarigen oorlog&mdash;veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de
+onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de
+desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie
+van het oude regiem&mdash;, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie.
+Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de
+Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de
+oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd&mdash;vooral
+toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de
+oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in
+1763&mdash;het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde
+half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie&mdash;had tot aanleiding het
+bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine
+Antillen had geakkapareerd.<a href="#fn12">[12]</a></p>
+
+<p>Maar niet deze “oude bourgeoisie” der magistratuur was de voornaamste
+draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de
+natuurwetenschappelijke, staats-rechtelijke en philosophische
+geschriften der Encyclopedisten een diepzinnige, meesleepende en
+schitterende uitdrukking zou vinden. Al liggen de parlementen van Parijs
+en van de provincie bijna de geheele regeering van Lodewijk XV door in
+strijd met de monarchie, meestentijds over belastingkwesties, al dragen
+zij hun redelijk deel bij tot het ondergraven der koninklijke macht, men
+moet zich hoeden hun strijd van den beginne af aan als een deel der
+algemeene worsteling van de opkomende tegen de ondergaande klassen te
+beschouwen. Integendeel: aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de
+oppositie van een reaktionair gezinde groep tegen de centraliseerende
+werkingen van het absolutisme, dus van het element van vooruitgang
+daarin, en beteekent de pogingen dezer groep, haar vroegere macht en
+invloed terug te winnen. Eerst wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het
+verval, de ontbinding van de regeering en van alle officiëele
+instellingen en denkbeelden hun hoogtegraad bereikt zullen hebben,
+wanneer de revolutionaire gezindheid al wat maar even levenskrachtig is
+heeft aangegrepen, krijgt het verzet der parlementen tegen de monarchie
+een beslist revolutionair karakter. Van hen gaat de eisch tot het
+bijeenroepen der generale staten uit.<a href="#fn13">[13]</a></p>
+
+<p>De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren,
+omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke
+groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele
+bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.</p>
+
+<p>De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun
+maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de
+intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de
+officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid
+van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen
+tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak
+van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig
+had uitgelaten, door een “lettre de cachet,” zonder vorm van proces, in
+de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de
+geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als
+Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire
+waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden
+den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn.
+Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den
+strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de
+machtsverheffing der bourgeoisie voor.</p>
+
+<p>Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de
+oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische
+ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de
+misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na
+het Regentschap door d’Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een
+voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den
+eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in
+het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot
+’31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de “Club de
+l’Entresol,” de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het
+land waarvoor de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter
+werd. Hoewel de werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter
+droeg, verontrustte zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte
+aan de bijeenkomsten een einde maakte. Nog vóór de stichting der “Club
+de l’Entresol,” in 1721, waren Montesquieu’s “Lettres Persanes”
+verschenen, een klein boekje waarin, onder een mom van luchtigheid en
+scherts, een onmeedoogendloos-felle kritiek op absolutisme en
+katholicisme werd uitgeoefend.</p>
+
+<p>Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en
+philosophische oppositie echter eerst in de jaren ’40. De agitatorische
+concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het “algemeen
+handboek van de verlichting,”<a href="#fn14">[14]</a> bereidt zich voor. Van nu af aan
+zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van
+het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire
+bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche
+wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs “tot
+één philosophisch individu vereenigd”<a href="#fn15">[15]</a> de nieuwe wereldbeschouwing
+opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust.
+Niet om de “zuivere wetenschap” is het hen te doen,&mdash;evenmin als ooit
+en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse&mdash;maar, hetzij zij
+de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot
+uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en
+geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; om
+de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; om
+de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de
+instelling van een konstitutioneele regeering;&mdash;met één woord, om de
+praktijk, dat is <i>om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen</i>,
+in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. “Het doel van
+den mensch is de daad,” schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar
+aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn
+moraaltheorie de leer opstelde “het doel van den mensch is het genot.”
+Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der
+bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie
+der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is
+aangestoken;&mdash;vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid
+dorstende klasse.</p>
+
+<p>Voltaire&mdash;hij ’t eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het
+revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land
+waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis
+met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche <i>praktijk</i> ontleenen
+de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de
+beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als
+eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche <i>wetenschap</i>
+ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische
+denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de
+wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en
+volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten
+streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten uit
+de deïsten het begrip van een “redelijken godsdienst” die geen
+openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire
+volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der
+mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen
+deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo
+worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats
+van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.<a href="#fn16">[16]</a></p>
+
+<p>Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en
+haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken
+&mdash;immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de
+engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de
+positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke
+ontwikkeling&mdash;ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen
+hartstochtelijken strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch.
+Naarmate de klassetegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn
+der bourgeoisie groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar
+leer steeds radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der
+ervaring zich met de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan,
+omdat de kerk zich aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat
+voor de fransche philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar
+praktijk, in het middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is
+de geweldige burcht der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische,
+sociale en ideologische macht, in werkelijkheid de sleutel tot de
+verdedigingslinies van het ondergaand regiem.</p>
+
+<p>De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en
+evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname
+stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is
+Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van
+dien tijd&mdash;de finantiëele&mdash;belichaamt hij als geen ander, als geen
+ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge
+grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit
+geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de
+konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige
+wereldbeschouwing,&mdash;Voltaire geldt bij vriend en vijand als de
+onbetwiste aanvoerder van den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof.
+Den strijd tegen de machten van het oude regiem voert hij onstuimig en
+toch behoedzaam, hij valt aan, dringt vooruit, retireert behendig
+wanneer hij in ’t nauw wordt gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift
+uit onder zijn eigen naam, altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen
+te verloochenen) zoo komt hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel
+overmoedig als gesmijdig, ontziet stelselmatig het koningschap, om de
+volle kracht van zijn aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd
+houdt hij zich, met onfeilbare intuïtie, in het “juiste midden” der
+gedachte-bataljons, die tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken;
+hij waarschuwt en kant zich tegen alle materialistische en atheïstische
+denk-excessen zijner dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort
+ze zoolang mogelijk <i>en famille</i>; verloochent ze zoo ’t moet, om niet
+gekompromitteerd te worden, in ’t openbaar. Hij is ’t zuivere type van
+den “integralen leider.” Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes,
+de centrale figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het
+strijdend volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der
+tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt
+hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande
+tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in
+een zekere luchthartige en aristokratische, althans
+anti-demokratische<a href="#fn17">[17]</a> levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en
+genotzucht in zekere mate is besmet. Hij is idealist, hij meent het
+ernstig met den strijd tegen dwang, vóór de bevrijding der
+persoonlijkheid, hij wil het geluk der menschheid, hij gloeit van
+medegevoel voor de slachtoffers van de willekeur der monarchie en het
+fanatisme der priesters, hij strijd met animo, met moed, met
+overtuiging;&mdash;maar hij strijdt immer met een ironischen glimlach om de
+lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het oude stelsel misschien nog
+meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit ontroerd met de diepe
+bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in beweging brengt. Hij is
+klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij gelijkt niet in het minst op
+een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie niet voortbrengen) hij
+verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang te dienen naast het
+algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, blijkt hij
+gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als van de
+finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; “grand brasseur d’affaires
+et grand remueur d’idées,”<a href="#fn18">[18]</a> gelijk Jaurès’ gelukkige omschrijving
+luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de dapperheid, het
+enthousiasme die het deel zijn van <i>opkomende</i> klassen, als het egoïsme
+en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage <i>uitbuitende</i>
+klassen hebben gekenmerkt.</p>
+
+<p>Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de
+wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten
+van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol
+stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de
+menschenwereld te zullen veranderen,&mdash;maar de meest konsekwente
+theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een
+machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen
+zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur,
+de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,&mdash;maar
+Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle
+aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het
+egoïsme de norm van alle handelen.<a href="#fn19">[19]</a> Ten deele zijn deze theoriën
+natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire
+philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der
+papen, die “water prediken en wijn drinken,” zelfverloochening en
+naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en
+genotzucht. “Liever turksch dan paapsch” zeiden de geuzen; “liever
+liederlijk dan vroom” zeggen de materialistische philosophen. Maar ten
+deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in
+hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis
+van burgerlijke denkers, <i>dat het maatschappelijk wezen der
+groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische
+uitbuiting is</i>,&mdash;dat zij de massa’s tot hare doeleinden te gebruiken als
+even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt
+onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim
+van ’t proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle
+huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen,
+evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de
+eenige waardevormende kracht is.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het
+derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den
+klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de
+parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de
+oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend&mdash;die van 1750,
+naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische
+doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789<a href="#fn20">[20]</a>&mdash;kunnen
+zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene
+revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute
+monarchie, begint eerst n&agrave; 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste
+plaats de philosophen, maar de z.g.n. “patriotten,” de voorvechters niet
+der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas&mdash;kleinburgers, arbeiders
+en boeren.<a href="#fn21">[21]</a> Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.</p>
+
+<p>Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer
+massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en
+klasse-aspiraties,&mdash;in sommige opzichten samengaande met die der groote
+bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in
+andere er lijnrecht tegenoverstaande&mdash;hadden nog geen uitdrukking
+gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen ’t oude regiem
+stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden
+geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of
+burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe,
+waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen <i>alle</i> bederf en tegen
+<i>iedere</i> uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een
+bewonderenswaardig heroïsme&mdash;met <i>tragisch</i> heroïsme, want zij moesten
+in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het
+wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen
+dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun
+vleesch en bloed van hun bloed was.</p>
+
+<p>De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk
+leven, hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun
+moreele verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld
+zou opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete
+bekoring,&mdash;zij gingen stem krijgen in Rousseau.</p>
+
+<h3><a name="II.He"></a>II. HET MOEIZAME LEVEN</h3>
+
+<p>In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op
+zak, zijn komedietje “Narcisse” en zijn uitvinding, het notenschrift in
+cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom
+verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, en
+maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele
+kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en
+chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd
+hij in den zomer van ’42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe
+methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te
+lezen.</p>
+
+<p>Hij dacht gewonnen te hebben, maar ’t gaf niets als teleurstelling. De
+“commissarissen,” die het officieele genootschap benoemde om zijn plan
+te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek
+wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en
+beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de
+inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was.
+Hij voelde zich diep verongelijkt.</p>
+
+<p>Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over
+hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een
+vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij
+verblijf had genomen, en werkte een paar maanden “met onbeschrijflijken
+ijver,” om zijn memorie om te smelten tot een “verhandeling over de
+moderne muziek.” Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever,
+maar ’t boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn
+gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij,
+soezende knaap, door Milaan gedwaald had.</p>
+
+<p>Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in de
+apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke
+inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel
+mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost
+te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden
+zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van
+buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon;
+af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij
+gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al
+zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen
+voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij
+hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle,
+Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd
+weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat
+hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.</p>
+
+<p>Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele
+anderen. Zoo is ’t het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren
+even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit
+een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de
+provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij
+bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm,
+gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij
+gouverneur geweest bij een adellijke familie en had ’t daar niet kunnen
+uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn
+dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen:
+zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een
+neiging tot paradoxen.</p>
+
+<p>Diderot “de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek” (St-Beuve),
+is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de
+aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was
+schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke
+eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang
+hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden
+en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid
+te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der
+regeering, noch de afval van vrienden (d’ Alembert en Rousseau), noch
+het verraad van den uitgever. En ’t was hem te doen om de zaak, om de
+nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk
+voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge
+kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn
+talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in
+het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die
+armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle
+mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.</p>
+
+<p>Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als
+de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht
+en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan
+verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem
+tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van
+zijn gezin en van zijn ma&icirc;tresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst
+die in Rousseau aan ’t groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun
+temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief,
+droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig,
+opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst
+bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,&mdash;en deze
+tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,&mdash;Diderot was
+bedil-achtig en heerschzuchtig, op ’t tyrannische af, hij wou zijn
+vrienden dwingen tot wat <i>hij</i> goed achtte; Rousseau, in het minst niet
+heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.</p>
+
+<p>Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de
+vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij,
+komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar
+dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin
+de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek
+verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven
+eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie
+bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem
+van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder,
+hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.</p>
+
+<p>Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van
+een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot
+Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld.
+Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht ’t was zooveel
+mogelijk “beaux esprits” in haar salon te verzamelen, zij ontving
+Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij
+de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos
+fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon,
+Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij
+liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar
+eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen
+zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van
+Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd
+secretaris van den franschen gezant in Venetië.</p>
+
+<p>Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was,
+vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een
+gezantschap-sekretaris, een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn
+meester, de Montaigu, was een ezel, een stomme oud-militair, zonder
+eenig begrip van diplomatieke aangelegenheden, en die alles aan zijn
+sekretaris overliet. Rousseau vervulde, verzekert hij ons, zijn taak
+ijverig en nauwgezet; dat hij in dezen nieuwen, voor hem ongewonen
+werkkring blijken gaf van scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij
+gerust gelooven, al heeft hij misschien in de “Confessions,” vijf en
+twintig jaar na zijn verblijf te Venetië geschreven, zijn positie en
+zijn invloed op den gang van zaken een beetje al te gewichtig
+voorgesteld. Veel in de politieke instellingen en zeden der oude
+dogenstad aan de Adriatische zee moest</p>
+
+<p>hem de indrukken zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het
+milieu van zijn vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een
+souvereine stad, bestuurd dooreen trotsche,&mdash;ervaren aristocratie; het
+bezat evenals Genève een oude republikeinsche konstitutie, die den
+volkswaan vleide en bevredigde, terwijl in werkelijkheid het gezag in
+handen der patriciërs berustte. Zijn werkkring riep politieke
+belangstelling in hem wakker, de aard van zijn geest leidde die naar
+nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed der politieke
+instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië een nieuwen
+schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.</p>
+
+<p>Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man,
+wiens zelfbewustzijn groeide met ’t besef van zijn onmisbaarheid, maakte
+de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig
+ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en
+beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten
+slotte kwam ’t tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris
+weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te
+trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij
+vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er
+eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde
+in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den
+smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed
+hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door
+zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te
+laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet
+hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden.
+Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den
+gezant zelf.</p>
+
+<p>Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar
+Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo
+verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat
+hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat;
+nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee
+en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn
+streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in
+alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte
+was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde
+vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de
+zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van
+levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder
+strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede
+drukte hem ’t ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij
+eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.</p>
+
+<p>Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het
+puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar
+zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij
+zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van
+Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft
+vooral.</p>
+
+<p>Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar
+Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger,
+eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan ’t schrijven
+van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in ’t
+vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude
+hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong
+linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was
+geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal
+verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht.
+Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door
+de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at
+aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het
+schuwe deerntje in ’t nauw brachten met schuinsche grappen en
+onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam ’t voor
+haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat
+menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste);
+tusschen hen kwam ’t al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was
+het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte
+aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg;
+hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.</p>
+
+<p>Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar
+ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije
+liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.<a href="#fn22">[22]</a></p>
+
+<p>Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die
+vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den
+levensbond met het plebeïsch natuurkind&mdash;Thérèse was in buitengewone
+mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog
+onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten,
+in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het
+voorbehoud der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere
+aandriften volgend&mdash;in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn
+diepste ik tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar
+moraal, haar overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit,
+haar dorheid van hart.</p>
+
+<p>Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus
+onbegrijpelijk. Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen
+ma&icirc;tressen&mdash;aristokratische dames of vrouwen uit de haute finance, of
+pleiziermeisjes, of actrices. D&agrave;t sprak immers van zelf. En al die
+vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een glimp van de hen omringende
+kultuur opgevangen. Van het groote gedachtenvuurwerk dat om hen brandde
+daalden enkele vonken op hun zielen neer. “Zij leefden in de atmosfeer
+van de opera van den dag, van het nieuwe tooneelstuk, van het boek van
+de week.”<a href="#fn23">[23]</a> Zij konden meepraten over de literatuur en de
+philosophie, met vertoon van geestigheid of geleerdheid herhalen wat
+anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse! Een meisje uit het volk,
+die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en alle moeilijke woorden
+verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar mans linnengoed (dat
+hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en niet anders begeerde,
+zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. Dat men met haar
+gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de soort vrouw was
+die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij niet begrijpen: zij
+achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een ramp voor hem,
+verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten verkeerd
+oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig opzicht meest
+essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk een kiem van
+vervreemding.</p>
+
+<p>Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. Met
+zeer enkele uitzonderingen<a href="#fn24">[24]</a> hebben zij alle afgegeven op “die
+afschuwelijke Thérèse,” haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en
+verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de
+zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem
+plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke
+wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn
+aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens&mdash;voor elke onbedorven
+natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten
+afstootend&mdash;vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar
+beschrijvend, hun pen in suikerwater.<a href="#fn25">[25]</a> Natuurlijk: Mme de Warens was
+immers de bekoorlijke ch&acirc;telaine, welgemanierd, elegant tot in haar
+minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke
+“idylle der Charmetten” (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij
+dan in donkere verven Rousseau’s “rampzalige liefdesverhouding” met de
+“onbeschaafde wasch-vrouw” Thérèse le Vasseur. Zij <i>kunnen</i> niet anders:
+hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen
+hoogmoed.</p>
+
+<p>Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar
+zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de
+meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid.
+Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie
+voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden
+van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat
+met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo
+ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst
+verwonderlijk. Dat zij kort voor ’t eind van zijn leven, als oude vrouw
+al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk
+zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan
+moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d’Houdetot ook
+doen. Maar daaraan denkt niemand.</p>
+
+<p>Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat ’t volgende;
+staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar
+vele malen heeft hij uitgesproken, in de “Confessions” en in zijn
+brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, “de eenige
+werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn
+lot dragelijk heeft gemaakt.” Niet enkel haar “engelachtig hart” bleef
+hem bekoren, haar “zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,”
+hem aantrekken&mdash;maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls
+steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische
+aangelegenheden bleek altijd goed.</p>
+
+<p>En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.</p>
+
+<p>Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle,
+waar zij van ’47 tot ’56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels,
+arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,&mdash;al werd dat geluk en
+die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige
+schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel
+een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien,
+tuk op buit, haar nazettend;&mdash;tot aan de laatste moeilijke weken in het
+kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste,
+trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige
+huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het
+zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar
+goed-toebereid maal, gelijk hij ’t liefst had. Zij was de trouwe
+verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de
+aanvallen van zijn kwaal, die ’s winters plagt te verergeren, hem
+maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in
+trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van
+vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der
+regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche
+geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. Was
+dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?</p>
+
+<p>Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn
+geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en
+inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden.
+Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn
+geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken&mdash;zijn
+denken stond immers geheel op gevoelsbasis&mdash;liefhebben vóór begrijpen.
+En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen,
+hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen
+genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn
+gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn
+persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende
+dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding
+gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het
+dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten
+schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen
+bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware,
+moeilijke: ’t samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den
+ontwrichte dien hij meer en meer werd; ’t verzorgen van den
+in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot
+haar sprak.</p>
+
+<p>Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt&mdash;veel van hem verdragen. Eerst in
+’t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven
+lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden
+achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie
+behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man
+liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in
+Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van
+zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en
+Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme
+d’Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme
+d’Epinay van haar door sluwe man&#339;uvres de brieven van Mme d’Houdetot
+aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige
+burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij
+loog, heldhaftig: “Die brieven zijn niet bewaard.”</p>
+
+<p>En daarna kwam de vuurproef: de “Emile” verscheen, Rousseau werd
+vervolgd en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat <i>hem</i>
+gevaar dreigde&mdash;maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de
+groote wereld compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar
+“engelachtig hart,” haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in
+Montmorency kunnen blijven: Rousseau stelde haar dat voor en zou voor
+haar zorgen, maar zij weigerde, zij wilde naar den man, dien zij
+liefhad, naar den eenzamen banneling in het zwitsersche dorp, om weer
+voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen en bij hem te zijn. Zij
+drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. “Ge weet wel,”
+schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk te begrijpen
+brabbelfransch, “dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik gezegd: moest
+ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer te vinden,
+had men ’t mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan.” En zij
+onderteekende zich: “uw nederige, goede vriendin.”</p>
+
+<p>Ja, dat was zij. In hun werk over “De vrouw in de XVIIIde eeuw” geven de
+Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en
+courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde
+ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog
+heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in
+hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast
+onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau’s Thérèse.</p>
+
+<p>Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het
+sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor
+’t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht
+voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort
+verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen
+verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord
+verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van ’t
+dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk,
+in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het
+onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug,
+en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en
+vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet
+ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.</p>
+
+<p>Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch
+proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn
+kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en
+aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk
+eten, door haar bereid.</p>
+
+<p>Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met
+muziek-kopieëren: het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een
+toevlucht vonden in het kasteel Ermenonville. D&aacute;&aacute;r stierf hij in haar
+armen, de deur gegrendeld, dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn.
+Tot het laatst had zij voor hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat
+was véél.</p>
+
+<p>De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling
+eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die
+haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar
+lang.</p>
+
+<p>Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen
+minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme,
+simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde
+Thérèse le Vasseur.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.</p>
+
+<p>Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon
+Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend,
+en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan.
+Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen
+naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig,
+maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder ’t ook wou, waar
+zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat
+zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze
+ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen
+nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen
+werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór ’t
+samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel
+verhalen daarvan gehoord, dat hij ’t als de natuurlijkste zaak van de
+wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar ’t vondelinghuis
+bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.</p>
+
+<p>Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra “les Muses
+galantes” werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen
+belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer,
+den “intendant der menus.” Het werk beviel den modeman der hoogste
+kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat ’t voor den
+koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu
+hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de
+“F&ecirc;tes de Ramire,” door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd.
+Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed
+Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat en
+maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma’s enz. niet
+genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de “Muses
+galantes” door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam
+niets van. Toen probeerde hij ’t nog met “Narcisse,” trachtte dit
+gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd
+en gaf elke poging om naam te maken op.</p>
+
+<p>Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele
+kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld
+vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn
+onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als al
+de gladde heertjes die hun ’t hof maakten, anders ook dan de overige
+intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder
+innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in
+plotseling vuur van welsprekendheid als ’t onderwerp hem ontroerde, uit
+diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan
+gloeiende stroomen omhoog.</p>
+
+<p>Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was
+een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin
+hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste
+ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van
+zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms
+toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was
+zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren
+logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan
+door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren
+de meest geliefde tijdpasseering der “wereld waarin men zich verveelt.”</p>
+
+<p>De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den
+afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem
+worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?</p>
+
+<p>De dagen stroomden&mdash;stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn
+afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder
+dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk
+hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing,
+levensreiniging. Diep in hem, in ’t warme nest van het onderbewuste,
+groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden
+uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van
+pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer
+ademen kon.</p>
+
+<h3><a name="III.De2"></a>III. DE EERSTE FANFAREN</h3>
+
+<p>Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de
+velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er
+werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het
+land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren
+zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten
+de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder
+leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.</p>
+
+<p>De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een
+broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote
+wetenschappelijke voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld
+te bombardeeren met dikke geleerde werken: in ’48 was Montesquieu’s
+“Esprit des Lois” verschenen; in ’49 kwamen de eerste drie deelen uit
+van Buffons “Histoire Naturelle,” een grootsch-opgezette geschiedenis
+van de aarde en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het
+bijbelsch scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze
+diepzinnige geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het
+geharnaste proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het
+oude regiem voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af
+aan volgt de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang
+zal zij zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en
+reaktie, nù onderdrukken, d&agrave;n weer de teugels vieren, zonder iets anders
+te bereiken als haar vijanden te prikkelen door ’t eene, stoutmoediger
+te maken door het andere.</p>
+
+<p>In dien zomer van ’49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men
+nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. In
+de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen niet
+naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers
+opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de
+intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering
+wilde een grooten slag slaan.</p>
+
+<p>Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken
+waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te
+hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het
+ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme.</p>
+
+<p>Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn “Lettre sur
+les Aveugles,” (Brief over de Blinden) een populair philosophisch
+werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich
+beleedigd achtte.<a href="#fn26">[26]</a></p>
+
+<p>Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel
+opgesloten. Een maand lang bleef hij “au secret;” niemand werd bij hem
+toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt
+d’Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de
+hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.</p>
+
+<p>De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende
+maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel
+zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den
+vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste
+dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn
+geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de
+Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij
+dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap
+van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn
+smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot’s gevangenschap verzacht, hij
+mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn
+kameraden werden tot hem toegelaten.</p>
+
+<p>Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken!
+Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen,
+haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet
+verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond
+neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog
+broeirigen avond, na ’t samenspreken met den vriend, die, onversaagde
+strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap ’t plan tot de
+koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de
+Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen
+de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche
+glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg,
+groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van
+eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was
+in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.</p>
+
+<p>Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad,
+de “Mercure de France,” om de verveling van den weg te bekorten,
+toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon
+uitgeschreven: “Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten
+bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven.” En plotseling,
+voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de
+bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij
+merkte ’t niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere
+zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot ’t bewuste,
+met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit ’t
+diepst-van-’t-woud.</p>
+
+<p>Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de
+opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht
+opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid
+van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen;
+gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de
+verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in
+eenen,&mdash;zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het
+lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der
+grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een
+leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en
+zij de armen uitstrekken daarheen en ’t heerlijk visioen aanroepen, dat
+’t blijve, sidderend van verlangen&mdash;zoo deed hij.</p>
+
+<p>Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, ’t Gezicht op het
+nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het
+tegenwoordige en ’t Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en
+klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook
+rijst ’t Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals
+zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige,
+hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt
+de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der
+Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.</p>
+
+<p>Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar
+het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was
+neergezonken onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en
+schoon opbloeien uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet
+opschemeren uit de heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag
+hij een wereld in wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw
+als voor de werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel
+dezelfde, haar wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale
+ongelijkheid, verfijnde genietingen voor de kleine minderheid ten koste
+van de ellende der groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien
+naar zijn Ideaal, naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En
+daarom stond zijn Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid,
+tegen den horizon, maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen
+opgebouwd. Aan hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare
+vormen; aan de verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen
+sedert zijn jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente
+indrukken zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van
+het patriarchale landleven onder de “Naturalwirthschaft,” dat in de
+achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog
+voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre
+landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele
+kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid
+van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken
+saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische
+ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit
+veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen
+eener maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een
+maatschappij van kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke
+trek van communisme daarin ontbrak was natuurlijk.</p>
+
+<p>Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid,
+voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.</p>
+
+<p>Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun
+vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden
+ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder
+aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke
+verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want
+zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De
+strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde,
+voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers
+tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de
+heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde,
+wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder
+uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd
+genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op
+domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap,
+die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden
+enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen,
+voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in
+den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der
+verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot
+bewustheid.</p>
+
+<p>Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de
+slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.</p>
+
+<p>Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van
+tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme,
+opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der
+Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn
+leven zijn.</p>
+
+<p>Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over
+den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden
+en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.<a href="#fn27">[27]</a></p>
+
+<p>Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven
+in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste
+“Discours.” Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan;
+zijn opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke,
+geraffineerde, verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had
+thuisgevoeld; zijn oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke
+zeden, voor het sober onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn
+meegevoel met de armen en verdrukten, met de eenvoudige harten die de
+groote oude waarheden wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld
+leeft: arbeid, trouw, wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een
+maatschappij, die kennis en genot voor enkelen slechts bereikte ten
+koste van de verdierlijking der groote massa en de zedelijke ontaarding
+van allen;&mdash;alles wat hij doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn
+veelbewogen bestaan verbond zich tot ééne, van gevoel doorklonkene,
+levensconceptie. Hij spuwde de beschaving uit die de massa veroordeelde
+te kruipen in ellende, die allen de slaven der zonden deed zijn. Hij
+spuwde de kunst uit, “het kind van verslappende weelde;” hij spuwde de
+wetenschap uit, “het kind van ontzenuwenden lediggang.”</p>
+
+<p>Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde
+maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van
+plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van
+den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde
+hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en
+ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als
+vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch,
+uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch
+intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover
+de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God
+welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar
+van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger
+aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een
+vervallend régiem “nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen,
+maar geen burgers meer.” Het was de stem van den individualist, opkomend
+tegen “de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving.”
+Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier
+dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde:
+burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland;
+de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was
+de stem van den handwerksman, den <i>reaktionairen</i> kleinburger, die niets
+voelde van Diderot’s verrukking voor de verbetering der techniek en de
+toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door
+haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde:
+het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den
+<i>revolutionair</i>, den voorvechter van massa’s die niets te verliezen
+hadden bij een gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden
+zijn door verachting voor het historisch-gewordene, die zouden
+overwinnen door de negatie van dien voozen glans en die onheilspellende
+schittering, opstijgend uit een maatschappij in ontbinding.&mdash;Ja, het was
+wel de stem der kleine burgerij, dier raadselachtige klasse,
+raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet als het gevolg van haar
+positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse gedoemd gelijktijdig
+reaktionair èn revolutionair te zijn.</p>
+
+<p>Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen
+prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken;
+al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven
+Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge
+bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat,
+hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de
+artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek
+beschouwde de “Discours sur les sciences et les arts” (Redevoering over
+de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de
+beschaving&mdash;een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.</p>
+
+<p>Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van
+Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk
+en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van
+maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. “De weelde
+bederft alles,” luidt het in zijn “Antwoord aan den koning van Polen,”
+“zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar
+begeert.” “De weelde” (in het “Antwoord aan den heer Bordes”) “moge
+noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen
+weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan.” En als noot hierbij:
+“De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend
+sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den
+mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet
+vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen
+bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer
+slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben
+zooveel armen geen brood.”</p>
+
+<p>Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat
+tegen de “beschaving.” Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan
+verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom
+vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.</p>
+
+<p>Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping
+tusschen beginsel en praktische konsekwenties.</p>
+
+<p>Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend;
+zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten
+en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch
+bedorven&mdash;maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij
+noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden
+gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel
+van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk “behalve door een groote
+revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen
+genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te
+voorzien.” Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak
+tusschen <i>droom</i> en <i>daden</i>, tusschen het Ideaal en den Weg het te
+bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen
+en de menschen het hoofd doen schudden over zijn “inkonsekwentie.” Noch
+de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.</p>
+
+<p>Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste “Discours” schreef, de
+inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner
+andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is.
+Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was
+teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid
+die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der
+liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de
+stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde
+het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.</p>
+
+<p>Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede “Discours,”
+dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe
+prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der
+maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom:
+zachtheid had hij nog niet teruggevonden.</p>
+
+<p>Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van
+den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang
+zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur,
+uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den
+primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo
+meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden
+van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden
+vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de
+natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen
+was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de
+verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en
+voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de
+neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn
+voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid
+hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren
+hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest
+vermoedde hij niet.</p>
+
+<p>Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige
+trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij
+tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk
+Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt
+tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op
+de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op
+de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de
+ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende
+klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede “Discours.”</p>
+
+<p>In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter
+bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der
+tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den
+primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en
+sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche
+stammen. De communist Morelli, wiens “Code de la Nature” korten tijd na
+het tweede “Discours” verscheen, onderscheidde veel scherper dan
+Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel
+beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch
+Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle
+wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de
+verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van
+anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van
+nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij
+alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd
+goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij
+alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener
+maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener
+samenleving “waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet
+door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt;
+waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het
+schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin
+niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner
+naburen.” Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en
+treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij sprak
+uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en
+barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat&mdash;en wie
+kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk
+niet luid “ellende, brood, brood, ellende,” telkenmale dat koning of
+kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van
+zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de
+natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de
+hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een
+grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk:
+hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke
+gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden
+ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en
+politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt,
+het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op
+wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, “en waarvan ’t in de orde
+der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen.”</p>
+
+<p>Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van
+uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten
+gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die
+volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de
+Carmagnole:</p>
+
+<p><span style="margin-left: 2em;">“Ça ira, ça ira, ça ira,</span><br/>
+<span style="margin-left: 2em;">Celui qui s’élève, on l’abaissera,”</span></p>
+
+<p>en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de
+wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was ’t in een
+onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na “na ons
+de zondvloed” en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen
+met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau,
+wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet
+in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien
+slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden
+zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen,
+nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten
+maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn
+lezers op ’t hart drukkend “om de goede en wijze vorsten te eeren die de
+menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten
+te voorkomen, te genezen of te verzachten?”</p>
+
+<p>De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop
+nog vleugellam in dat der daad.</p>
+
+<p>Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en
+herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste
+lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede
+“Discours,” was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in
+zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen
+werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend
+schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de
+dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der
+hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde&mdash;nl. van algemeen
+ontvanger der belastingen&mdash;had de in moeielijke omstandigheden
+verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute
+finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden
+toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid
+van een werkkring waarvoor hij in ’t minst niet geschikt was, maakten
+hem ziek.</p>
+
+<p>Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het
+was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem
+doordrong, nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij
+voelde de tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en
+onbaatzuchtigheid aan anderen en de richting van zijn eigen leven; hij
+voelde dat zoolang hij zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom
+en wereldsch goed najagen, de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen
+kon.</p>
+
+<p>Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat
+is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog
+zeldzamer is, hij zette het door.</p>
+
+<p>Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap
+neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen;
+Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.</p>
+
+<p>Hoe zou hij nu leven?</p>
+
+<p>De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden
+chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel
+geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in ’t ellendigste
+parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was
+een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een
+der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach,
+geschonken.<a href="#fn28">[28]</a></p>
+
+<p>Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en
+niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in
+’t verkondigen zijner beginselen.</p>
+
+<p>En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn
+het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer “liefde tot het groote goede
+en schoone” gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale
+idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn
+gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen “ik ben zulk een die,
+wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt,
+nederschrijft.”</p>
+
+<p>Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef
+fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield
+van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd
+muziek-copiïst.</p>
+
+<p>Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het
+handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem
+genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het
+mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op ’t
+platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn
+dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud.</p>
+
+<p>Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij
+had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de
+letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon
+voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet,
+die in zijn werk <i>niets</i> toe wil geven aan de heerschende meening en de
+goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke
+stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven
+onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.</p>
+
+<p>Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven
+allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom
+moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te
+doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien in
+hun binnenste; naast ’t samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe
+wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van
+vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.</p>
+
+<p>Intusschen zette hij zijn “innerlijke hervorming” ook door in wat zijn
+uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie
+der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot
+in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij
+schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand zich
+in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de
+kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn
+kleeding die van een eenvoudig burgerman. In ’t eerst kon hij nog geen
+afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij
+gehecht was, maar een dief&mdash;waarschijnlijk een broer van Thérèse&mdash;hielp
+hem daar weldra van af.</p>
+
+<p>Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en
+knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde jas
+en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag
+voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet
+alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan
+de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en
+door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem ’t
+hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te
+krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij
+aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was
+toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te
+overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen
+op zich tegen hun “begunstigers,” die maar één doel kenden: de hen immer
+najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles
+dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne
+beschermelingen. Zij hadden immers ’t recht daarop beslag te leggen door
+hunne gunsten&mdash;zoo voelden zij ’t, zoo was het ook. Hun protégés moesten
+ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze
+gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te
+bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden
+alles koopen, waarom dan ook niet dit?</p>
+
+<p>Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die ’t aannemen van geschenken
+doorgaans ten gevolge heeft, waar ’t vriendschaps-verkeer niet gebaseerd
+is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de
+vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij
+verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich
+heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok
+dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en
+wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel
+vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En
+achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke
+moeder.</p>
+
+<p>Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en
+bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen
+was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt
+het genieten van liefde omdat zij ’t hart streelt, en begint ’t genieten
+van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over
+in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook
+de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke
+menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde
+gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in
+elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.</p>
+
+<p>En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk.
+Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke
+vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen
+drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die
+onbeschrijfelijk-gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem
+welke een klasse met een lang verleden van heerschen en genieten
+voortbrengt. De lieftalligheid der eenen, de hoofschheid der anderen
+kon hij niet altoos weerstaan. Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer,
+worstelde opnieuw; hij ontkwam slechts aan den eenen beschermer, om
+zich gewonnen te geven aan een anderen.</p>
+
+<p>Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het
+verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen&mdash;dit zou nog jaren
+lang zijn leven zijn.</p>
+
+<p>Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs,
+om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de
+zachtheid des levens zijn.</p>
+
+<p>In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van
+zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer
+een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen
+stijl, “De Dorpswaarzegger,” en o wonder! de lieve melodieuse muziek
+viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te
+Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij,
+in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. “De
+Dorpswaarzegger” had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde
+den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau
+weigerde op audiëntie te gaan<a href="#fn29">[29]</a> en sloeg het jaargeld af. Het eerste
+begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun
+eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen
+de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was
+uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele
+uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in
+intellektueel-artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn
+geschriftje zegt hij “een revolutie verhoedde,” door de opwinding en
+spanning op andere banen te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de
+revolutionaire stemming in de jaren ’50 nog slechts een betrekkelijk
+kleinen kring had aangegrepen.</p>
+
+<p>Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden
+was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor ’t eerst ernstig na
+of hij ’t kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij
+beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige
+keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te
+geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht
+op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in
+beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te
+vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die
+de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap,
+arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja
+verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een
+burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had
+afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind
+naar ’t vondelingen-huis brengen.</p>
+
+<p>Spijt zou later komen, om ’t geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos
+had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren
+van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de
+bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in
+zijn wezen.</p>
+
+<p>Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en
+begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te
+vestigen, waar hij in ’54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed
+ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf
+nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem
+geworden waren was ’t natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn
+geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij
+bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij
+werd opnieuw protestant en burger van Genève.</p>
+
+<p>Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en
+voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou
+’t er toch toe gekomen zijn. Maar ’t zachte fleemen en hartstochtelijk
+willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.</p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap03"></a>DERDE HOOFDSTUK<br/>
+DE GROOTE JAREN</h2>
+
+<h3><a name="I.Na"></a>I. NAAR DE VEREENZAMING</h3>
+
+<p>Madame d’Epinay, geboren d’Esclavelles, behoort, door aanleg en
+levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance in
+de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar van
+’t begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast
+ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen
+verbraste&mdash;tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele
+werd gezet&mdash;kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij
+was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi
+maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan
+zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte
+te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel
+esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden om
+zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van
+intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf “beren,” (waartoe
+Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te
+noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een
+warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar
+kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig
+en pittig.<a href="#fn30">[30]</a> Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de
+vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij
+behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die
+haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig
+en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te
+komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze
+veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste
+berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net
+gaf wat hèm paste en niets meer.</p>
+
+<p>Rousseau had Mme d’Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij
+doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook
+was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor ’t vrolijk
+gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige
+sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel
+hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij
+luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d’amour wilden
+gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de
+wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen
+van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een
+beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en
+met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn
+hoorderessen. Mme d’Epinay voelde zich sterk tot den jongen
+dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar:
+“ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij
+is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch
+eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt.”</p>
+
+<p>Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d’Epinay en Rousseau altijd
+vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind
+gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de
+man die in Rousseau’s voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich
+maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden
+van hem vervreemd heeft.</p>
+
+<p>Grimm was een jonge Duitscher, op ’t eind der jaren veertig in ’t gevolg
+van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem
+leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot’s gevangenschap en direkt
+een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed
+musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde,
+want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den
+jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en
+deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig,
+een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching,
+plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte
+zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van
+Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon
+een “Correspondance littéraire,” een soort bulletin voor buitenlandsche
+vorsten van al wat op ’t gebied van kunst, letteren enz. te Parijs
+verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had
+zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen
+vijanden geworden waren, zich in zijn “Correspondance” steeds gematigd
+en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in
+’t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver:
+oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij
+langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar.
+Hij kreeg toen den titel van “baron van het heilige duitsche rijk,” en
+was daar zeer verheerlijkt mee.</p>
+
+<p>In het begin der jaren vijftig hield monsieur d’Epinay zich bezig met ’t
+vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij
+Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen
+Rousseau en Mme d’Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en
+Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een
+keer dat hij en Madame d’Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen
+vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de
+moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan
+het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond
+daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het.
+“Hè,” zei Rousseau, “hier te wonen.” Madame d’Epinay antwoordde niet
+veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later
+bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw
+allerliefst landhuisje was verrezen. “Hier, mijn beer,” zei ze, “is uw
+kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die
+booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève.” Dat was
+echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar
+bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.&mdash;O wij
+arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende
+brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.</p>
+
+<p>Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist
+de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van
+zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij
+voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen
+grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de
+lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid.
+Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot
+vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een
+voorgevoel van de verdrietelijkheden die ’t zwichten voor dien wil over
+hem brengen zou, schreef hij aan Mme d’Epinay: “Hoe slecht begrijpt ge
+uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken” ... (altijd
+weer die angst voor dienstbaarheid). “Ik ben niet bezorgd hoe te leven
+en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke
+gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste
+onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn
+pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat
+mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar
+ik haar ’t zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor
+mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid.
+De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen
+acht dagen zal mijn besluit genomen zijn”.... Maar ook nadat hij haar
+had geschreven: “mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij
+overwonnen hebt,” bleef hij naar eigen getuigenis “door een toestand van
+innerlijke krisis gekweld.”</p>
+
+<p>Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn
+verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de
+Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard
+maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut
+in te gaan op het voorstel van Mme d’Epinay dat hij voor niets zou
+wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij
+overeen dat hij ’t loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage
+woonde en misschien eenige kleine diensten aan ’t huishouden bewees,
+voor zijn rekening zou nemen.</p>
+
+<p>Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner
+invrijheidstelling verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan
+Rousseau den dag dat hij Parijs verliet. Hij was ’t leven in het
+wereldsch milieu waaraan hij nog altijd vastzat moe,&mdash;overal ’t zelfde,
+of ’t zich afspeelde in de stad of op de kasteelen der grooten. “Ik was
+zoo ziek van salon’s, fonteinen, heesterboschjes, bloemperken en de
+vervelende vertooners van dat alles,” schrijft hij in de “Confessions,”
+“van brochures, kaartspel, handwerkjes, flauwe woordspelingen, laffe
+maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn hart openging als ik een
+doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; of de lucht van een
+omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein van een boerenliedje
+hoorde.” Alle krachten van zijn wezen dorstten naar een eenvoudig,
+boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit “terugkeeren tot de
+natuur.”</p>
+
+<p>Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij
+had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch ’t
+gevoel dat hij ’t meeste nog te zeggen had en zoo was ’t ook. Hij was
+aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te
+brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren.
+Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij
+zelf nog niet geheel in ’t reine was.</p>
+
+<p>Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een
+beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij
+was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en
+had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met ’t maken van
+uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om
+daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een
+soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan
+stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding.
+Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom
+gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had
+veel over ’t onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig
+wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van
+een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo
+onder de hand door.</p>
+
+<p>Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij
+willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte
+de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals
+uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet
+op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde
+richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het
+onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen
+in gaan, in ’t eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de
+“censuur” van den wil niet tot ’t tweede wordt toegelaten. Terwijl
+Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den
+innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij
+nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn,
+begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid ’t oude smachten naar
+teederheid weer op te komen; terwijl hij nog “dronken van deugd” meende
+te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der
+liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van
+zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op
+een gelegenheid, om de “censuur” onderste boven te loopen, met
+onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het
+brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die
+jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij
+uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d’Houdetot, in zijn werk in de
+“Nouvelle Héloïse.”</p>
+
+<p>De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten
+om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die
+zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens
+alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.</p>
+
+<p>Het was vroege lente toen hij ’t landhuisje aan den zoom van ’t woud van
+Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar
+geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht,
+door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de
+velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en
+sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal
+zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn!
+Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij
+goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes,
+blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme
+d’Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van ’t verhuizen, de drie
+vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.</p>
+
+<p>En onverwachts begon, zooals de sneeuw op ’t veld wegsmolt voor den
+zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel
+zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij
+niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd
+had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de
+verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld
+door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op ’t tweede
+plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel
+genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals
+wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd,
+zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te
+murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de
+verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.</p>
+
+<p>Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat
+zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen
+verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één
+geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten
+en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt,
+die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit
+liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde
+teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen,
+zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de
+verbeelding in Rousseau.</p>
+
+<p>Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de
+rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen,
+wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen,
+die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem
+altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner
+fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die
+eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had
+hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden;
+wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-’t-bewuste-alleen,
+verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was
+de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij,
+geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en
+roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de
+droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude
+stroom vloeide weer rijkelijk.</p>
+
+<p>Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want
+Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend.
+Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet
+zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben.
+Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te
+maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er
+in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij
+gevreesd had, gebeurde: Mme d’Epinay liet hem niet met rust, hij moest
+altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot
+hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet
+naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren
+die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had,
+door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit
+was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken
+uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw
+hij na ’t middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in
+het woud.</p>
+
+<p>Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren;
+d&aacute;&aacute;r was ’t leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie
+die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen
+onbemerkt den weg in naar ’t verleden: verlangen zag niet langer
+hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd
+voorbij is.</p>
+
+<p>Hij was op dien grens der jaren gekomen&mdash;niet voor elk mensch
+dezelfde&mdash;dat het hart zich keert naar ’t verleden en met pijn en
+bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden,
+heerlijke jeugd.</p>
+
+<p>Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der
+jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt.
+Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de
+bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond
+en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart
+samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd
+verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus’ zilveren ster, uit
+eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven,
+voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat
+hij wat nu ’t allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde;
+ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.</p>
+
+<p>Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn
+eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer
+terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene
+nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven
+zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit
+bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij
+te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij,
+zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam
+als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn
+fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij
+jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling;
+weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al
+de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had
+ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien
+onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar ’t
+oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry,
+hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk,
+hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als
+gezantschap-secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij
+was heel dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen
+gescheiden door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar
+omtrilde, zag hij Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was
+verschenen: jong, bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende
+haren, een en al lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen,
+hij gloeide en dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.</p>
+
+<p>Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor
+de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te
+sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te
+grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de
+broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij “sublimeerde” zijn
+liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een
+ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid,
+zocht hij in de fantazie.</p>
+
+<p>Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen
+omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde
+samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare
+eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle
+storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat
+hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde
+samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.</p>
+
+<p>Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen,
+twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de
+minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan
+den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de
+Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind
+had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en
+vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en
+onweerstaanbaar-beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij
+wilde een monument oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap
+en liefde.</p>
+
+<p>Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en
+onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had
+voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij
+zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over
+het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der
+liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En
+wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd,
+voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich
+geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een
+deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke
+zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van
+zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte
+hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.</p>
+
+<p>In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de
+schoonzuster van Mme d’Epinay, Mme d’Houdetot. Hij kende haar sinds
+lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets
+meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men
+zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen
+zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en
+armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en
+kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig,
+en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had
+een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van ’t soort als toen in de
+mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de
+natuur en ’t landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen;
+een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, op
+en top gentleman. Mme d’Houdetot en St. Lambert bleven tot ’t einde
+hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd
+spreekwoordelijk.</p>
+
+<p>Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder
+waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar
+zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote
+wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid
+en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar
+afwisseling.</p>
+
+<p>Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in ’t late najaar van
+1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder
+blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij ’t huisje, vol
+uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren
+geven en zij bleef bij hen ’t avondbrood gebruiken, heel huiselijk.</p>
+
+<p>’t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal,
+in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar
+minnaar stonden beide in ’t veld. Zij had een landhuis gehuurd in de
+buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te
+verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den
+eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen “citoyen” met zijn strenge
+begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de
+verlokkingen der Parijsche wereld.</p>
+
+<p>Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te
+worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.</p>
+
+<p>Had ’t werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts
+schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor
+noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke
+vrouw, die ’t lot naar zijn kluis voerde? Of was ’t anders; leefde, voor
+hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van
+den kunstenaar, door ’t lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en
+verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te
+voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de
+andere?<a href="#fn31">[31]</a></p>
+
+<p>Wie durft ’t beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de
+daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat
+van mysterie is hij.</p>
+
+<p>Hoe ’t zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend,
+vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat
+wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn,
+niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was
+de minnares van een vriend, hem waard niet ’t minst om de volkomen
+overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf
+èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo
+leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en
+smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al ’t ideëele in
+hem, al zijn moreel gevoel opstond.</p>
+
+<p>Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half
+verteederd,&mdash;Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en
+uiterst beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets
+hoogs en weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat&mdash;trachtte zij den
+brand te blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den
+slechtsten weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen
+van hartstocht hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een
+man en vrouw, die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den
+sexueelen omgang, kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen
+opvoerend tot extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te
+slaan, dat alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden
+van zijn vijf en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid
+van hem nam.</p>
+
+<p>Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn
+zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch
+van innering.</p>
+
+<p>Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare
+boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als ’t zingen van
+de gaal is in milde lentenachten: de “Nouvelle Héloïse.” In de vlammen
+van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn
+wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter’s smart maakt
+duizenden blij van bevende zaligheid.</p>
+
+<p>Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie
+die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest.
+Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der
+lust-verblijven en kasteelen,&mdash;maar dat een intellectueel Parijs
+ontvlood, om zich in ’t wilde woud en ’t eenzame veld te begraven, dat
+wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden ’t in de bosschen van
+Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige
+menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog
+erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal
+aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij ’t uithield.... maar hij
+zou ’t niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij
+toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.</p>
+
+<p>Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed
+voor hem was, ’t buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke
+neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker
+geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn
+heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te
+probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen
+hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte ’t ten slotte toch, en
+al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker ’t
+allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer
+geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren,
+schreef hij in een klaagbrief aan Mme d’Houdetot, beide mannen van de
+wereld geworden, beide “geslaagd.” En hij was dezelfde gebleven als
+vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.</p>
+
+<p>Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van
+komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen
+schoolmeesteren. Een paar maal kwam ’t tusschen hen tot
+onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had
+verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten
+doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende
+leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en
+gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in
+Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak
+had gedaan “slechts de booswicht leeft alleen” en Rousseau die woorden
+als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d’Epinay bemoeide zich
+met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht
+Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel
+verteederd aan zijn oude vriendin: “ge hadt groot gelijk met te willen
+dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in
+langen tijd niet zoo’n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die
+stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend.”</p>
+
+<p>Maar ook met Mme d’Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend
+als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm,
+stond nu ook Mme d’Houdetot! Grimm’s arrogante wijze van optreden tegen
+hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een
+kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme
+d’Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend
+had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare,
+hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het
+dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten
+worden?</p>
+
+<p>Mme d’Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet
+ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor
+haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude
+vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes,
+waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph
+die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een
+verwende vrouw als Mme d’Epinay kon ’t noode verdragen, verwaarloosd te
+worden. Zij hield warm van Roussau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij
+koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij
+ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen
+dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d’Epinay tegen hem.
+Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te
+voorkomen.</p>
+
+<p>Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen
+kwam de vonk.</p>
+
+<p>St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau
+op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als
+een liefdes-verhouding. Mme d’Houdetot vertelde het onder tranen aan
+Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d’Epinay
+gedaan.<a href="#fn32">[32]</a> In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin,
+die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar
+zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in
+Westphalen was) kwam ’t tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere
+explicatie, maar ’t gedrag van Rousseau liet een angel achter in ’t hart
+der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale
+op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen
+hij in ’t najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed
+en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij
+wilde geheel met hem breken, Mme d’Epinay bracht met moeite nog een
+schijn-verzoening tot stand.</p>
+
+<p>Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te
+toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen ’t minste geloof
+hechtte, had hij met Mme d’Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en
+was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later
+in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau’s illusie
+van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën.
+Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde;
+de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen
+de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d’Houdetot
+zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.</p>
+
+<p>Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen
+was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam
+juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.</p>
+
+<p>Op een dag in Oktober liet Mme d’Epinay hem vragen bij haar te komen en
+vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo
+spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar
+bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te
+stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau
+haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en
+hoopte dat hij ’t zou doen.</p>
+
+<p>Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève,
+niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse,
+die meer dan verstandig was met de dienstboden van ’t kasteel placht te
+praten, hem hoe ’t praatje liep dat Mme d’Epinay een kind verwachtte en
+naar Genève ging om in ’t geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En
+toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van
+Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in ’t
+bijzonder beriep op de “overmaat van verplichting die hem aan Mme
+d’Epinay bond,” toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen
+hem, het moest den schijn krijgen of <i>hij</i> de minnaar van Mme d’Epinay
+was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te
+gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.</p>
+
+<p>Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke
+positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d’Epinay een knechtendienst
+van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij
+dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert
+uitdrukte: “zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg
+van de vrouw van een algemeen belastingpachter.” Als een egel stak hij
+zijn stekels naar alle kanten uit.</p>
+
+<p>Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?</p>
+
+<p>Bevatte het praatje van Mme d’Epinay’s zwangerschap waarheid?<a href="#fn33">[33]</a> Had Grimm
+werkelijk de hand in ’t spel en wou hij Rousseau naar Genève sturen om,
+zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen?
+Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?</p>
+
+<p>Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d’Epinay zooals zij
+zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: “’t zou
+gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de
+menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan
+zijn vaderland.” Was dit heel eenvoudige waar?</p>
+
+<p>De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in
+twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid
+gebracht.</p>
+
+<p>Brieven zonder tal&mdash;booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende,
+gemoedelijke brieven&mdash;mijn hemel! wat schreven de menschen in dien
+tijd&mdash;vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme
+d’Epinay, Mme d’Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in
+die najaarsdagen. En toen kwam ’t treurig einde van oude vriendschap en
+goed-bedoelde zorg.</p>
+
+<p>Rousseau’s eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te
+verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht
+tot ’t voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te
+vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen
+Mme d’Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het
+antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest
+onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te
+verlaten.</p>
+
+<p>Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien
+de ellendigste van zijn leven. Mme d’Houdetot was toevallig op
+denzelfden dag dat Mme d’Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs
+teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol
+betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog
+eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij
+begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen
+hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat
+hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn
+evenwicht geheel en al.</p>
+
+<p>Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid,
+zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in
+den tuin hooren, hij leek waanzinnig.</p>
+
+<p>Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de
+kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders
+altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij ’t
+dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en
+erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme
+d’Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, “niets is zoo eenvoudig
+en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge
+niet wenscht, dat ik er blijf.”&mdash;Toen zonk hij in elkaar.</p>
+
+<p>Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke
+breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als
+om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden
+zijner hoopvolle jaren verliest.</p>
+
+<h3><a name="II.De"></a>II. DE KATASTROPHE.</h3>
+
+<p>Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met
+Thérèse getrokken was&mdash;haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen
+in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar
+den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed&mdash;het huisje was
+oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de
+meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het
+terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den
+hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek.
+Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde
+naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.</p>
+
+<p>Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open
+koepel, van waar men ’t mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot
+zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar
+elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van
+1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van
+vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon
+zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke
+ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het&mdash;dit is het geheim van
+den dichter&mdash;met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die
+dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te
+doordringen.</p>
+
+<p>Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den
+titel “Lettre &agrave; d’Alembert sur les spectacles.” De aanleiding tot het
+werkje vormde een bladzijde uit het artikel “Genève” in de Encyclopedie,
+waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en
+ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te
+laten. Voor den schrijver van die bladzijde&mdash;het artikel zelf was van
+d’Alembert&mdash;hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf
+regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van
+bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève,
+bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge
+heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun
+best zulk een “onzedelijke onderneming” tegen te houden. Echter, ook in
+Genève was het tij aan ’t verloopen en kort na de verschijning van
+Rousseau’s geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden
+melden: “heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt
+een stad van genoegens en van verdraagzaamheid.”</p>
+
+<p>De “Brief aan d’Alembert” is uit twee verschillende gedachte-draden
+geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het
+klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen
+begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw
+onderwerp toegepast;&mdash;een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de
+eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener
+klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische
+gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over
+het leven der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde
+hij daar tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche
+samenleving als zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen
+naar een sfeer van rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele
+geneugten en eenvoudige landelijkheid&mdash;dat verlangen was, door al wat
+hij beleefd had, sterker, maar ook smachtender in hem geworden dan ooit
+te voren. Sedert hij zich zelf te kort gedaan en onrechtvaardig
+behandeld achtte door menschen aan wie hij zijn vertrouwen gegeven had,
+werd de oude bitterheid in hem verzacht door een teedere droefheid. Zoo
+vermengde zijn hart, waarin de onstuimige gemoedsbewegingen die het
+geschokt hadden nog natrilden, zijn eigen pijn met de gedachten die het
+nadenken over zijn onderwerp in hem gewekt had. Daarom was waarheid wat
+hij later in de “Confessions” getuigde, dat hij in dit werk onbewust
+zijn eigen toestand schilderde, zich zelven, Grimm, Mme d’Epinay, Mme
+d’Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, al loopt het schijnbaar over geheel
+andere dingen en wordt geen hunner er in genoemd; zijn werk werd een
+harmonische vermenging van algemeene inzichten en persoonlijke
+ontroering en dit maakte het vol bekoren en wonderlijk suggestief. Er
+was een warme teederheid in, die de menschen in ’t hart greep; een zoo
+heel andere geest als in haast alle geschriften van dien tijd. Vandaar
+’t verbazend succes dat ’t boekje had toen ’t uitkwam, een voorlooper
+van de koorts van enthousiasme, die de “Nouvelle Héloïse” wekken zou.</p>
+
+<p>De “Brief aan d’Alembert” beteekende de openlijke breuk van Rousseau met
+de materialistische philosophen. “Ik neem niet aan,” schreef hij, “dat
+men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst.” En ook al had hij dit niet
+geschreven, dan nog zou hij in ’t vervolg hun partij tegenover zich
+gevonden hebben, want hij waagde ’t immers, op te treden tegen Voltaire,
+diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den
+leider, en dat kon niet worden getolereerd.</p>
+
+<p>Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire&mdash;uit
+de verte altijd&mdash;kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij
+verschillende gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete
+brieven gewisseld, en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of
+onbewust, voor elkaars wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke
+waardeering van elkanders gaven en werken bedekt. Rousseau, de
+onevenwichtigste der beide, had het eerst zijn geprikkeldheid getoond.
+Naar aanleiding van Voltaire’s bekend gedicht over de aardbeving te
+Lissabon, las hij den vorst der letteren in een partikulier schrijven de
+les over het armoedig pessimisme van diens gelegenheidsvers, waartegen
+hij met nogal onuitstaanbaar zelf-behagen het zegevierend optimisme
+stelde dat in hem, ondanks zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de
+bovenhand hield. De brief was zwaar op de hand en schoolmeesterig,
+gelijk Rousseau na zijn bekeering tot de deugd wel meer kon zijn, en men
+begrijpt dat hij Voltaire niet weinig ergerde. Dit echter speelde zich
+nog binnenkamers af (de bewuste brief werd pas jaren later, buiten
+medeweten van Rousseau openbaar gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau
+dan ook nog niet losgelaten; daarvoor was hij voor de encyclopedisten te
+veel waard. Maar nu, nu die snoodaard ’t waagde hem, Voltaire, die even
+ijdel, even prikkelbaar, en even wantrouwend was als Rousseau,&mdash;ofschoon
+op heel andere wijze&mdash;en daarbij was wat Rousseau niet was en nooit
+werd: een verschrikkelijke paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn
+tooneelplannen te dwarsboomen, nu was ’t gedaan met ontzien en
+hoffelijke waardeering, nu moest “die schelm, die zot, die fanaticus,
+die bastaard van Diogenes en van den hond van Diogenes” behoorlijk
+afgestraft worden. Niet dat Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen
+Rousseau te schrijven: daar had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar
+een wenk te geven en ’t gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich
+voorloopig mee, hem in particuliere brieven, die hij wist dat onder de
+bondgenooten de rondte deden, met beleedigende schimpscheuten af te
+maken: zoo gaf hij zijn ergernis lucht.</p>
+
+<p>Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover
+de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde,
+in ’t algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de
+dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename
+bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze
+verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den
+tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon
+te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift.
+Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk
+was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij
+feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire
+eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om
+hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief
+van ’56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was
+geworden, aldus eindigde: “Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk
+kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon
+zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een
+toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van
+den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het
+die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen
+sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en
+zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch
+bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land,” ... “Ik haat u, in
+één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die
+waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle
+gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de
+bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde
+voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer.” Dit gebeurde in 1760.</p>
+
+<p>Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er
+buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien
+tijd bewijzen: “die driedubbele gek ... een infaam schrijven ...
+verachtelijke man&#339;uvres ... de schrijver der “Nouvelle Héloïse,” die
+kwaaddoende bengel ... (de “Nouvelle Héloïse” noemde hij “een vervelende
+en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;” de “Emile” vond
+hij: “laf en plat”). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid
+boven alles stelde,&mdash;hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder
+maar ondiep,&mdash;het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en
+dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren.
+Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor
+de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den
+vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans
+gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte,
+denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op
+zijn plaats met de woorden: “wie veroorlooft zich, er aanmerking op te
+maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de
+god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn
+meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?”</p>
+
+<p>Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+Voltaire’s hartstochtelijke verguizing en Rousseau’s grootmoedige
+waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos
+het onaangenaam gevoel had weg te dringen van “die man is grooter dan
+ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd
+is”&mdash;terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed
+benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke
+meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht
+en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de
+verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.</p>
+
+<p>In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau in bedekte termen zijn breuk
+met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat
+wijdde hij ’t publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau
+beschuldigde Diderot&mdash;en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige
+prater kon over niets zijn mond houden&mdash;van met anderen gekletst te
+hebben over zijn verhouding met Mme d’Houdetot en beschouwde dat als een
+verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau
+in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening.
+Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: “de rechten ook
+eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik
+haar weer aan te blazen.”</p>
+
+<p>Zij hebben elkaar nooit meer gezien.</p>
+
+<p>St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau’s
+handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei
+en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had,
+terug stuurde.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem
+hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede
+kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij
+leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van
+werkverzonkenheid; de “Nouvelle Héloïse” kwam klaar in ’59 en zoo weinig
+brak aan het einde daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich
+onmiddellijk verdiepte in het schrijven van het groote werk over
+opvoeding, dat sedert haast twintig jaren in hem was gerijpt.</p>
+
+<p>Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature
+indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren
+aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben,
+een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar
+geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de
+innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote
+punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de
+verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de
+verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had
+uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat
+hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een
+nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de
+sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het
+verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de
+eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen,
+gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich
+in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat
+de zwakste bij elke verbintenis aan ’t kortste eind pleegt te trekken.
+Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij
+bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart
+altijd aan ’t wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon
+niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe
+in zijn gemoed te dicht bijeen; ’t beste: de groote liefde tot de
+menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te
+geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst
+naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;&mdash;dat hart was zóó
+kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem
+alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die hem
+niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven&mdash;
+behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood
+verschijnen&mdash;zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met
+Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was
+het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst
+beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren.
+En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het
+oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke
+instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en
+het overige te doen vervallen.</p>
+
+<p>Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al
+vroeger opgegeven. Met al ’t andere, behalve de muziek-dictionnaire,
+die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij
+zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.</p>
+
+<p>Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig&mdash;gelijk de
+meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem
+was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken
+bestaan,&mdash;maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met
+een open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en
+aan bemind worden&mdash;die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste,
+oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel
+overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het
+wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het
+ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts
+verdiepen in zich zelven.</p>
+
+<p>Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen.
+Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef
+hij bij wijze van troost in die dagen: “men heeft niet alles verloren
+zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een
+overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in
+zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te
+verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft.” Aan
+dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp
+afwijzend: “ik heb slechts honger naar een vriend.” Ja, hij had weer
+honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart
+verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid
+steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.</p>
+
+<p>En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte
+handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem
+van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der
+groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in
+aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling?
+De mode van den tijd, die eischte dat “men” een of ander letterkundig of
+wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de
+Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen
+zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn
+betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?</p>
+
+<p>Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte,
+zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten
+eerste Mme de Verdelin&mdash;alweer een jonge vrouw met een minnaar, die Jean
+Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem over,
+droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en
+slecht-gehumeurdheden, verdedigde hem in ’t openbaar in de jaren dat
+haast elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en
+intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het
+hof kwam, en diens ma&icirc;tresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem
+altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke
+boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en
+beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der
+letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om
+alles glad te strijken.</p>
+
+<p>In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der “Nouvelle Héloïse,”
+begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een
+vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij
+schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den
+naam van Claire d’Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van
+een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen,
+het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette
+zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak,
+geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie
+van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in ’t geheel niet antwoordde.
+Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter;
+uit enkele zijner briefjes aan de “lieve Marianne” spreekt echte
+hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie
+maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau ’t hevigst werd
+aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en
+zelfs een brochure in ’t licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn
+steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans
+onder de “verdachten” te rekenen. In ’72 maakte hij een einde aan elken
+omgang tusschen hen.</p>
+
+<p>Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en
+hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde
+kennen.</p>
+
+<p>Van af dat de schrijver der “Discours” in hun buurt was komen wonen,
+waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij ’s zomers op
+het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar
+keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen
+soupeeren, als hij lust gevoelde.</p>
+
+<p>Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in
+den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de
+maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn
+bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer
+aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht
+en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met
+allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij ’s morgens nog in
+bed lag, de “Nouvelle Héloïse” voor die zij verrukkelijk vond.</p>
+
+<p>De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde
+kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een
+vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder
+eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en
+eenvoudig in zijn manieren, een mensch van ’t soort, waar Rousseau van
+hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe
+vrienden tot aan den dood van den hertog in ’64. Met de hertogin werd
+hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem
+was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar
+reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van
+’t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd,
+berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende
+geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij
+om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan ’t hof; zij
+had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau
+leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar
+konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in
+haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van
+zijn kant.</p>
+
+<p>In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn
+nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee
+om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij
+lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet
+voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken,
+hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon
+verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de
+kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde
+hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen.
+Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem
+niet met geschenken lastig te vallen.</p>
+
+<p>In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de
+groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst
+pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een
+eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in
+het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig
+van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke
+omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou
+houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje
+netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen
+verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet
+weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand,
+toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd,
+trok hij weer onder het dak van een groot heer. ’t Zou de laatste maal
+niet zijn, maar wel was ’t, helaas voor hem, de laatste maal dat een
+dergelijk experiment goed afliep.</p>
+
+<p>Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn
+huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen
+van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een
+paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen
+zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun
+herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo
+waren dit in ’t algemeen goede, rustige jaren voor hem.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De “Nouvelle Héloïse” werd lang voor de verschijning reeds veel
+besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele
+zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d’Houdetot
+afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn
+liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen
+hij ’t maakte, trilde onder ’t overschrijven nog in hem na; hij vond er
+een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en
+de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die
+afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen ’t boek leeren
+kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar
+uit. Eindelijk verscheen het werk, in ’t voorjaar van ’61: het succes
+was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der
+letterkunde. Dames van de groote wereld lieten ’t rijtuig, waarmee zij
+naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen
+lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur:
+de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle
+bestellingen. Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair
+succes:&mdash;de letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin
+merkte onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk
+op&mdash;het was een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen
+aangreep. Want in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van
+het akelige, verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke,
+louter-cerebrale leven van het ondergaand regiem. De diepten van het
+hart, de afgronden der persoonlijkheid sprongen open. De “Nouvelle
+Héloïse” beduidde de bevrijding der persoonlijkheid, in de eerste plaats
+van de persoonlijkheid der vrouw, van ondragelijke gekunsteldheid. Niet
+maar een aangenaam of schitterend auteur, neen, hun bevrijder, de
+bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke in hen was het, die de
+duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de “Nouvelle Héloïse”
+dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.</p>
+
+<p>Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven
+geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het
+zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij
+bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of
+geen heilige.</p>
+
+<p>Intusschen was ook de “Emile” voltooid geworden, dat andere kind van
+veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij
+had ’t even lief als de “Nouvelle Héloïse,” maar met een andere liefde,
+niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat ’t zijn rijpste en beste
+werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige
+geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. En
+dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, in al
+zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens en
+gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: het was
+de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke
+lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des
+harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging
+had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare;
+diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten
+het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn,
+zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had
+verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde
+zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het
+verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek in
+zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn
+geheim....</p>
+
+<p>Gelijk vroeger aan Mme d’Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan
+Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en
+hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar
+medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop
+althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was
+geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij
+een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste
+toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem
+vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare
+hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit
+te wisschen, had hij haar uitgewischt door den “Emile.”</p>
+
+<p>Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de
+eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de
+Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet
+plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den “Emile” toe te
+vertrouwen. Het “Contrat Social,” zoo noemde hij de hoofdstukken die hij
+gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij
+zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De “Lettre &agrave;
+d’Alembert” en de “Nouvelle Héloïse” hadden hem een bescheiden sommetje
+opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte
+hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs:
+daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die
+schatten verdiende aan de “Nouvelle Héloïse,” verzocht hem om
+toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te
+zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn.
+Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd
+dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor
+een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een
+warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van
+verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij
+dankbaarheid knellend en rukte zich los.</p>
+
+<p>Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot
+het bezorgen der uitgave van den “Emile,” van haar de belofte geëischt
+en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam
+gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen
+onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut
+vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij
+woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee,
+ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde
+er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor
+zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den
+martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam
+verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem
+onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was
+typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen:
+behoedzaam, bijna bangelijk&mdash;voorzichtig tegenover het gezag, en toch
+fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die
+gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, had
+niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste
+onaangenaamheden op den hals.</p>
+
+<p>Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan
+hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed
+waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip,
+waartegen zij te pletter moest slaan.</p>
+
+<p>Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de
+Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan ’t handschrift gezien had;
+dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland
+gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar
+inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel
+merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de
+copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij
+begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur
+niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat
+het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen;
+hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem
+gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg
+hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen
+antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek
+dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde
+zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden
+gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met ’t uit te geven tot hij
+dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij ’t dan ten
+hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn
+vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste
+discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen
+zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte
+zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem
+gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld
+proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij
+zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de
+Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven
+met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn
+van zelf-analyse, hij noemde die “de sleutel tot zijn gedrag.”</p>
+
+<p>Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de
+Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur
+toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en
+de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk
+ongecensureerd, dus <i>tegen</i> het wettelijk verbod te doen verschijnen;
+een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk
+door het feit dat de “Nouvelle Héloïse,” waarin evenals in den “Emile”
+de “natuurlijke godsdienst” verheerlijkt werd, in Frankrijk niet
+verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat
+Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.</p>
+
+<p>Nog voor de “Emile” verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te
+duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te
+waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een
+toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde
+zoo sterk, in “Emile” vóór den godsdienst, tegen de materialistische
+philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk
+immers met medeweten en onder goedkeuring van ’t hoofd der censuur, als
+het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn
+toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in
+Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun
+gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot
+verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om ’t te
+gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd ’t
+plan uitgesteld.</p>
+
+<p>De “Emile” verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire
+vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de
+verschijning der “Nouvelle Héloïse;” d’Alembert schreef hem om hem geluk
+tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der
+weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem
+heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering
+te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme
+de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou
+hebben, zich door middel van een “lettre de cachet,” een paar weken in
+de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het
+parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles
+wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar
+vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou
+vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar
+hem dreigde.</p>
+
+<p>In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin
+hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden
+morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te
+bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen
+een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen
+linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de
+dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag
+in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die
+juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van
+hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich
+voorloopig in ’t kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij
+naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de
+Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een
+edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees,
+gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen
+te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden
+vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.</p>
+
+<p>De ochtend ging heen met ’t inderhaast uitzoeken van zijn papieren,
+tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van
+het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte
+smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het
+achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee
+mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel
+van ’t hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging,
+waarmee de hertog naar die sleutel greep.</p>
+
+<p>Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te
+zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een
+geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij
+een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij
+groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen,
+die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die ’s
+morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat
+hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt
+hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een
+plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd,
+verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder
+een aangenomen naam te reizen, en ’t grootste deel van den weg is in
+zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij
+soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den
+avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot
+een idylle in den trant van Gessner.</p>
+
+<p>Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat,
+nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire
+partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst
+schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de
+wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was
+vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen,
+die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als
+jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen
+rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.</p>
+
+<p>Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de
+hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn
+overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan
+hij toen reeds leed, hun “lieve vriend” lieten trekken, al de ellende en
+zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem
+laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig
+waren? Zijn beschermers waagden, zoo ’t tot een proces kwam, meer dan
+hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge
+betrekkingen, hun positie aan ’t hof te verliezen. Wat valt er van hun
+houding te zeggen?</p>
+
+<p>Dit eene&mdash;en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van
+Rousseau het duidelijk en klaar gezegd&mdash;dat zij is geweest van een
+verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit
+de omstandigheden <i>verklaren</i> en in zekere mate <i>verontschuldigen</i> kan,
+maar die de waarheid verbiedt te <i>verbloemen</i>.</p>
+
+<p>Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche
+menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem
+ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid
+hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem
+weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een
+stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen
+gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo
+bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende
+hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd,
+zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij
+kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en
+gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn
+schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze
+bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los,
+inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem
+wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem
+zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe
+rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.</p>
+
+<p>Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles
+onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk,
+van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn
+meerderen waren.</p>
+
+<p>Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten.
+Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.</p>
+
+<h3><a name="III.De3"></a>III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN</h3>
+
+<p>De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht,
+jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht,
+grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens
+voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie
+geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten;
+vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de
+Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en
+kracht. Daarn&agrave; verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing
+en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van
+zijn bewustzijn kaatste het beeld eener &agrave;l wanstaltiger wereld, te
+midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de
+voorstelling troonde van het eigen ik.</p>
+
+<p>In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken&mdash;de
+wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug&mdash;die te zamen het
+beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt
+zijner kracht. Het zijn: de “Lettre a d’Alembert,” de “Nouvelle
+Héloïse,” het “Contrat Social” en de “Emile.” Zijn vroegere geschriften,
+met name de beide “Discours,” zijn nog slechts aanloopen tot deze
+werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen
+gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. Wat
+de werken n&agrave; Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee
+rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de “Lettre &agrave; Monseigneur de
+Beaumont,” de “Lettres de la Montagne” en de “Gouvernement de Pologne.”
+Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote
+jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen,
+versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en
+levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der
+tweede rubriek, de “Confessions” en de “R&ecirc;veries” zijn, zuiver als
+woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, de
+levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken,
+waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate
+waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te
+roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van
+Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de
+“Confessions” en de “R&ecirc;veries” boven de “Nouvelle Héloïse” en den
+“Emile,” omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en
+uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin
+de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en
+sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.</p>
+
+<p>In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener
+levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de
+natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling
+(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal,
+klasse-verhoudingen) uitgebeeld. In de “Nouvelle Héloïse” en de “Lettre
+&agrave; d’Alembert” vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk,
+gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den “Emile” die van
+godsdienst en opvoeding, in de “Contrat Social” zijn staatkundig ideaal.
+Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het
+menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij
+worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en
+denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot
+levenswerk.</p>
+
+<p>Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht
+niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van
+den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote
+onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te
+leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht
+te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak
+niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom
+bruischte ’t sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De
+geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde
+tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met ’t universum, werd
+somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De
+sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem,
+maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn
+conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten (“Nouvelle
+Héloïse”) tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn
+conceptie van den idealen staat (“Contrat Social”) verstandelijk betoog
+is gebleven. En vandaar ook dat in den “Emile,” die een algemeene
+theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt
+tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch
+tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en
+jong-meisje tot elkaar behandelen.<a href="#fn34">[34]</a></p>
+
+<p>De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo,
+dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot
+dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht
+bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten
+is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der
+fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél
+kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, de
+weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het
+lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende
+verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,&mdash;d&agrave;&agrave;r lag zijn
+vaderland, d&agrave;&agrave;r voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied,
+met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame
+worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich
+eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het,
+om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en
+dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend,
+zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en
+aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde,
+maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de
+zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als
+synthetisch-konstruktief is. Het werd bevrucht door zijn gevoel,
+doorgloeid van den gloed zijner haat en zijner liefde; in het
+doordrongen-zijn der redeneering met hartstochtelijke bewogenheid lag
+zijn vermogen anderen mee te sleepen.</p>
+
+<p>Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave
+missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote
+verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk
+onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een
+vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe
+vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van
+zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en
+betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm
+van den roman-in-brieven, die hij in de “Nouvelle Héloïse” toepaste, was
+niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen
+romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten
+een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson was
+de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige
+afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van
+Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot
+het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie.
+Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen
+opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel
+voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door
+de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken
+en te verstrooien,&mdash;hetzij door verhalen van lage en platte avonturen
+gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische &agrave; la Prevost, of
+prikkelend-zinnelijke &agrave; la Crebillon, werd in de handen der groote
+burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot
+bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun
+romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den
+inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke
+inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze
+de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der
+feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.<a href="#fn35">[35]</a></p>
+
+<p>In den “Emile” schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens
+in-elkaar-overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in
+alle opzichten het meest origineele zijner werken.</p>
+
+<p>In de “Lettre &agrave; d’Alembert,” dat de schakel vormt tusschen de “Nouvelle
+Héloïse” en den “Emile,” wordt het betoog, de kritisch-satirische
+beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de
+idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven
+der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een
+adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde
+herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene
+verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.</p>
+
+<p>Niets van beeld of lyriek in het “Contrat Social.” In de hier behandelde
+groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen
+vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft
+Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding
+vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug,
+bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen
+hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam
+brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen.
+Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere ooren
+en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe
+eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid
+laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen;
+een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid,
+beklijvend in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van
+verontwaardiging over het onrecht dat aan de massa’s geschiedt, van
+weerzin tegen de dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op,
+vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij
+slingeren zich tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en
+democraat, steun eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en
+opvoeder der groote revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!</p>
+
+<p>Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat
+beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De
+beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere
+smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn
+innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen
+zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn
+voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche
+gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel
+doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver
+maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De
+geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid,
+gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van
+Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de
+oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een
+hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een
+vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden
+geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie
+en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der
+eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had
+verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had
+verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle
+zoete en sterke bewegingen van het gemoed.</p>
+
+<p>Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met
+Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze,
+in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende
+moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu
+isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de
+samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der
+vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den
+burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn
+hoogmoedig hart.</p>
+
+<p>Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo
+liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij
+Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn
+ouderdom, de “Confessions” en de “R&ecirc;veries.” Naast de eenvoudige rijke
+levendigheid der “Confessions” en de onbeschrijfelijke harmonie, de
+betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne
+doorzichtigheid der “R&ecirc;veries” staan de werken der groote jaren als
+minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.</p>
+
+<p>Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë
+sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is&mdash;er staat
+tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat
+der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze
+parels van woordkunst: de “Confessions” en de “R&ecirc;veries,” ontbreekt.</p>
+
+<p>Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de
+tekortkomingen en de onzuiverheden in de werken der groote jaren?
+Vanwaar hun gebreken, vreemd aan de werken van Rousseau, welke
+uitsluitend zijn persoonlijk leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in
+de uitdrukking van het gevoel, de gezwollenheid, bij een dichter die het
+gevoel zoo zuiver wist te uiten? En vanwaar ook de hooge toon van deze
+werken, de heerlijke gloed die ze doordringt, de edele verheffing?
+Vanwaar?</p>
+
+<p>Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de
+maatschappij. Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn
+onderwerp, dat is van zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle
+revolutionnaire dichters, had hij ook den stijl der opkomende
+maatschappelijke krachten, die der klassen wier belangen en behoeften
+zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel der opkomende burgerlijke
+klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.</p>
+
+<p>De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere
+volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en
+juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der
+kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in
+den weg stonden.</p>
+
+<p>Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de
+ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering
+en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd
+tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de
+dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit
+wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel
+een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa’s om de banden
+hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te
+voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische
+tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te
+houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud
+der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld
+door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid
+gestelde taak te zien, schitterend in fantastische
+overdrijving,&mdash;daartoe moesten de revolutionnaire strijders in zich een
+wereld van stemmingen, voorstellingen, ideale gevoels- en
+gedachte-vormen oproepen. De stof tot deze ideale wereld vonden zij
+voornamelijk in de historische legenden der klassieke oudheid. Daaruit
+steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het patriotisch en
+republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme, die zij
+bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich
+vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de
+werkelijkheid hun ontzegde te zijn.<a href="#fn36">[36]</a></p>
+
+<p>Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven
+den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de
+vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de
+uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het
+theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet
+anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het
+gevoel.</p>
+
+<p>Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-’92, was ook het noodlot van
+Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij
+Byron en Schiller,<a href="#fn37">[37]</a> gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de
+burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie
+tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij
+vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë
+laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der
+revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher
+harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren
+innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen
+bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij
+geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in
+den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht
+en heerschzucht en nijd.</p>
+
+<p>Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar
+voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn
+sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming
+der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen
+tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood
+aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch
+voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in
+aantocht was<a href="#fn38">[38]</a> en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn
+tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige,
+door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie den
+stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige,
+onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie,
+kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der
+levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te
+volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken
+moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme,
+bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze
+gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en
+te versterken.</p>
+
+<p>Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig
+instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe
+maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun
+wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met
+alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig
+kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd.
+Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en
+de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de
+valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze
+gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan
+het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar
+waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld
+brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.</p>
+
+<p>Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in
+zijn onlangs verschenen werk “Jean Jacques Rousseau révolutionaire,” dat
+Rousseau “de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te
+veranderen” en dat hij “zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft
+opgedrongen aan de revolutie.” Zulk een toovenaar was hij niet!
+Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde
+welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou
+behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun
+taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van
+hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn
+werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.</p>
+
+<p>En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de
+schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal
+waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die
+geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het
+gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had
+Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan
+een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit
+Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden
+geput.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau
+in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het
+menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het
+universum), en de verhoudingen der menschen onderling.</p>
+
+<p>Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk
+God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de
+menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor
+dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met
+de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in
+Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later
+verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd
+tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.</p>
+
+<p>Het achtiend’eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote
+bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk
+gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook,
+maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk,
+dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks
+staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin
+overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn,
+maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme
+der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een
+deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der
+toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende
+beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er
+sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt
+stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij
+te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het
+zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische
+philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale
+neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen
+van den mensch.</p>
+
+<p>In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god,
+boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de
+verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn
+eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij,
+die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken
+arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen
+tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen
+tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.<a href="#fn39">[39]</a> De
+warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel,
+den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als
+zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander
+gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der
+menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch
+spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de
+eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de
+concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk
+middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten
+God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend’eeuwsche philosophie een
+groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd
+werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en
+samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den
+voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.</p>
+
+<p>Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen
+groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was
+zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch
+was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen
+over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken
+grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid
+was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren
+òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere
+afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en
+absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de
+grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de
+kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.</p>
+
+<p>In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de
+burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen
+(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen
+godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een of
+anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar
+bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de
+abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke
+verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als “de breidel
+der rijken en de troost der armen” gelijk Rousseau het zeer juist
+uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en
+onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk
+fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal,
+handelen. Zooals het achtiend’ eeuwsch materialisme tot de ethische
+theorie van “zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch” leidde, zoo
+beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale
+gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid
+van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk
+handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de
+eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen
+staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen
+met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij
+hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning
+voor het onderdrukken daarvan.</p>
+
+<p>Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee
+polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide
+wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is
+daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als
+“reaktionnair” in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het
+punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende
+klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de
+strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was
+Rousseau, door zijn individualistische uitspraak “elk mensch staat
+rechtstreeks tegenover god,” niets minder revolutionair dan de
+materialisten door de hunne “er bestaat geen god.”</p>
+
+<p>Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van
+Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan
+een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme,
+in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die
+hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek
+moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven,
+verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn
+Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, de
+verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle
+samenwerkende emotie’s van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste
+expansie der persoonlijkheid.<a href="#fn40">[40]</a> Zoo komt het dat hij wel vaak op den
+grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god te
+identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke
+kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het
+menschenhart geschreven had.</p>
+
+<p>Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos
+zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen.
+In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm,
+bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier
+stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk
+wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen
+God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en
+maatschappelijk op ’t punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan
+koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad;
+zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet
+de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden.
+Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver
+overtreffend! Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen
+onrecht, niet onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te
+staan en het juk af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook:
+beklemd door over-machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld
+sedert de eerste smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het
+goede gezocht, en hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning
+en verdriet! Het heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld
+ontzegd was, verplaatste hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid
+die voor hem uitbleef op aarde, zou hem in een ander leven alles
+vergoeden. “Mijn vriend,” schreef hij aan een kennis uit Genève, “ik
+geloof aan God, en God zou niet rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet
+onsterfelijk ware.” “Zoo ik geen ander bewijs had van de
+onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den booze en de
+onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld,” spreekt de “Vicaire
+Savoyard,” “zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. Ik zou
+tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven,
+alles wordt hersteld na den dood.”</p>
+
+<p>Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het
+slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de
+laatste boeken van de “Nouvelle Héloïse” en in de belijdenis van den
+“Vicaire Savoyard” heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het
+geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.</p>
+
+<p>De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het
+eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij
+vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van
+gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of
+slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den
+mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het
+lichaam; het is “het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche
+stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede
+begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god
+gelijk maakt”....</p>
+
+<p>“Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve
+ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit
+gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam
+waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil
+is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word
+overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven
+wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn
+hartstochten.”</p>
+
+<p>Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en
+de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en
+geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid
+en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma’s, openbaring, Christus als
+middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit
+aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der
+maatschappelijke verplichtingen.</p>
+
+<p>Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische
+spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant
+heft Rousseau ’t weten op, om plaats te maken voor ’t gelooven; gelijk
+Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in
+innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons,
+die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken
+oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag
+de dingen te kennen. “Wij zijn,” zegt de “Vicaire Savoyard,” “van alle
+kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te
+onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door
+middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de
+grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen
+overlaat, zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op
+zich zelven is, en wat wij met betrekking er toe zijn.”</p>
+
+<p>Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle
+tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het
+werkelijk bestaan, het <i>Ding an sich</i> niet vermogen te kennen?</p>
+
+<p>Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en
+bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit
+tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun
+persoonlijken aanleg.</p>
+
+<p>Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij
+de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling
+der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der
+Middeleeuwen, en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan
+zijn vernietiging, vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte
+denken, de mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze
+natuur, vult het dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het
+denkbeeld van de plicht, dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en
+het weerstand bieden aan de verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn
+leer voor de opkomende burgerij een groote sociaal-ethische beteekenis.
+Plicht, dat is het afstanddoen van eigen voordeel en winst, het
+weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen wanneer ’t geweten
+spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang bij het algemeene,
+het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de levensleer niet
+in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar der
+<i>arbeidende</i> kleine burgerij.</p>
+
+<p>Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische
+natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten,
+maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren
+troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij
+slaagde er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de “laffe
+schim”<a href="#fn41">[41]</a> der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te
+blazen, aan het kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma’s,
+zonder geopenbaarde waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen,
+een zachte warmte en een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg
+vooral <i>politieke</i> en <i>literaire</i> beteekenis: door het sentimenteele
+geloof van Robespierre en de Jacobijnen aan een “Etre supr&ecirc;me,” een
+opperste-abstraktie, samenvattend al die andere abstrakties van Vrede,
+Vrijheid, Recht, enz. enz., achter welke zich, voor hen zelven onbewust,
+zeer reeële en materiëele klassebelangen verborgen; en door het vage,
+onbestemde, poëtisch-opgesmukte deïsme en spiritualisme van
+Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred de Musset, George Sand,
+enz.&mdash;Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks af van de
+geloofsbelijdenis van den “Vicaire Savoyard.”</p>
+
+<p>Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig
+jaar geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de
+“Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard” behandelde, vierde hij de
+bekeering van Rousseau tot godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het
+begin der christelijke reaktie tegen het systematisch ongeloof en
+eindigde zijn beschouwing met de volgende woorden: “Mijne heeren, men
+moet kiezen tusschen den priester en den politieagent, en wij prijzen
+het in Rousseau, dat hij den eerste heeft gekozen.”</p>
+
+<p>De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij
+meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan
+de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn
+tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de
+autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen
+versterken.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede “Discours,”
+de voorrede van “Narcisse,” het artikel voor de Encyclopedie over
+politieke economie en het opstel over “het regeerstelsel van Polen”)
+heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen
+op den menschelijken staat behandeld.</p>
+
+<p>Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze
+geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke
+hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme.
+Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk van
+de grondslagen van den staat behandeld in het “Contrat Social.”
+Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den
+strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming en
+alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen
+schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het
+maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede “Discours” en het
+“Contrat Social” heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken.
+In dit “Discours” immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den
+eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het
+maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen
+ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle
+ondeugden, alle menschelijke ellende. In de “Contrat Social” prijst hij
+daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving
+en den burgerlijken staat verworven heeft. “Al doet de mensch (in dezen
+staat),” luidt het daarin, “afstand van verschillende voordeelen, die
+hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn
+vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen
+verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe
+levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit
+hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen,
+dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen
+maakte.” Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt
+wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede
+“Discours,” en wat met het “Contrat Social” beoogde. In het een zoowel
+als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen
+te lijf. In het bewuste “Discours” stelde hij tot dit doel tegenover de
+sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n.
+“natuurstaat” en verheerlijkte die; in het “Contrat” onderzocht hij de
+oorsprongen van den staat in ’t algemeen om daaruit de onwettigheid te
+demonstreeren van het absolutisme.</p>
+
+<p>Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire
+denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat
+te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste
+vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en
+vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de
+voortreffelijkheid van het “gemengde” (d.w.z. engelsche,
+half-burgerlijke,) boven het absolutistisch regeerstelsel te
+concludeeren. Het juridisch onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot
+uitgangspunt het bestaan van een onveranderlijk, onvervreemdbaar
+menschenrecht, het recht te beschikken over de eigen persoonlijkheid, en
+leidde uit het bestaan daarvan de onrechtmatigheid der heerschende
+politieke instellingen af. Het eerste uitgangspunt leidde tot onderzoek
+der konkreete werkelijkheid en voerde in de praktijk tot gematigde
+voorstellen; het stelde zich tevreden met aan te sturen op een kompromis
+tusschen de absolutistisch-feudale en de burgerlijke klassen, gelijk in
+Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu schreef als realist en
+hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van Rousseau voerde tot
+den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. In
+zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste
+aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische,
+terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat
+tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt.
+Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair,
+gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den
+inhoud van het bewustzijn dat &iacute;s.</p>
+
+<p>Daar waar Rousseau in het “Contrat” de onbegrensde ruimten der
+abstraktie verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete
+werkelijkheid, rekening houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar
+zwijgt de koene revolutionaire denker en hoort men de stem van den
+weifelenden, voorzichtigen kleinburger.</p>
+
+<p>De mensch&mdash;aldus de gedachtegang van het “Contrat Social,”&mdash;is vrij
+geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. “Het
+recht van den sterkste” is niets als een leugenachtige uitdrukking. De
+noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar
+met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk
+kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke
+macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen
+enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder
+de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij
+zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot
+oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne
+leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in
+ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht
+van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne
+krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele
+en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal
+gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als
+<i>burgers</i> deel aan het gezag, als <i>onderdanen</i> zijn zij aan de wet
+onderworpen.</p>
+
+<p>Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat
+zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden?
+Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil
+hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger
+heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene;
+maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke
+persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt
+met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil
+hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de
+wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om
+vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich
+onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet
+tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn
+eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar,
+de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen
+welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds
+het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.</p>
+
+<p>De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren
+en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de
+regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn
+dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk.
+Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd
+vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding
+van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk
+lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale
+kontrakt.</p>
+
+<p>De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of
+demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de
+handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal
+zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie
+alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil
+des volks maar ’t heil des konings, die onophoudelijk streeft naar
+vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van
+een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen
+welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig
+vorst.</p>
+
+<p>Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de
+beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een
+aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige
+zeden, gelijkheid der vermogens, enz. “Bestond er een volk van goden,
+het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen
+is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt.” In de praktijk is
+dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest
+verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust.
+Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de
+aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste
+waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz.
+van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in
+den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties
+verkiezen.</p>
+
+<p>Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest
+verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den
+staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling
+der produktiekrachten enz. In ’t algemeen is de eenhoofdige regeering ’t
+meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de
+middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken
+van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een
+slechte haar vermindering.<a href="#fn42">[42]</a></p>
+
+<p>Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van
+den souverein, dat is van den volkswil.</p>
+
+<p>Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering
+die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot
+onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend
+vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde
+tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit te
+oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk
+kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een
+stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein
+behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of
+het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er
+thans mee zijn belast.</p>
+
+<p>Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het
+verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan
+noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept
+zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een
+talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te
+geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.</p>
+
+<p>Men ziet hoe het “Contrat Social,” in den vorm eener abstrakt-juridische
+redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der
+demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den
+soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen
+souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als
+zaakgelastigden van het volk,&mdash;dit alles waren in de dagen van Rousseau
+revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts
+voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn.
+Vandaar dat het “Contrat” slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas
+door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor
+deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders
+van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en
+denkbeelden schepten.</p>
+
+<p>De rol die het “Contrat Social” heeft vervuld als het evangelie der
+burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het
+overheerschend <i>klein</i>burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen
+die Rousseau in het “Contrat Social” verkondigt. De ideale staat die hem
+bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige
+abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine
+boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der
+teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden
+patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om
+den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de
+instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een
+tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was de
+arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen
+bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den
+landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was;
+industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen
+gering.</p>
+
+<p>Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking
+tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het
+“Contrat Social.” Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten
+over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld
+welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het
+eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de
+afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten
+voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner
+geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer
+sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de
+politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat
+geregeld behoort te worden; in de “Contrat Social” noemt hij het de
+plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende
+ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de “Lettre &agrave; d’Alembert”
+verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij de
+belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel
+ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een
+groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,<a href="#fn43">[43]</a> gelijk
+de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in
+praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het
+“laissez-faire en laissez-allez” de opvatting dat de staat zich tevreden
+behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk
+met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet
+de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie,
+uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere
+bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het
+proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der
+uitbuiting. Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had
+geen bezwaren tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der
+massaas door de industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als
+tegen hun plundering door de feudale grondbezitters en den koninklijken
+fiscus. En de kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het
+ingrijpen der overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn
+arbeidswijze, zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin
+niets van hinderlijken dwang.</p>
+
+<p>Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur
+voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid
+der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit
+alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der
+oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer
+10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die
+hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten
+kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den
+handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die
+op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn
+verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts
+onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne
+persoonlijke.</p>
+
+<p>Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het
+volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den
+hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee van
+den “abstrakten staat” niet uit zijn hoofd haalde maar uit de
+werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat
+herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid
+ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: de
+kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle
+burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.</p>
+
+<p>Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot
+verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid
+van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren.
+Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter
+uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich
+somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte
+zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te
+schrijven, die hem volkomen vreemd waren.<a href="#fn44">[44]</a> Zeker kan men uit deze
+uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden,
+echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het
+verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en
+wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte
+de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch
+inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de
+gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn
+geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom
+als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over
+de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als “het
+heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog
+belangrijker dan de vrijheid.” In het “Discours” over den oorsprong der
+ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. “socialistische” uitval tegen
+het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere
+plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn
+voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het
+verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau
+meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen
+was voorafgegaan.</p>
+
+<p>Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het
+kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op
+uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate
+onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. “De arbeid,” luidt het in
+het “Contrat Social,” “de ontginning van den bodem is het eenig teeken
+van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden.” Dit
+kleinburgerlijk, op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de
+grondslag der vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der
+wetgeving, de gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te
+herstellen, en de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te
+beperken, dat geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en
+geen hunner uit armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen.</p>
+
+<p>De eenige vorm van eigendom, die naast het kleinburgerlijke genade vindt
+in zijn oogen, is het patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik
+produceerende grootgrondbezit.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en
+affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de
+rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak
+van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot
+zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms
+wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid,
+zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. “Voor de mannen
+<i>bezitten</i>, voor de vrouwen <i>ontrooven</i> ziedaar heel het spel, heel de
+eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk,
+wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de m&#339;urs verpersoonlijkt
+in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus
+tot den Amor der oude tijden: “uw minnaars waren niets als goedzakken,
+zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de
+omringende echo’s. Ik voor mij heb de echo’s afgeschaft. Komaan, zeg ik,
+ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet
+zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: “ik sterf;” er is niets
+levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles is
+geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije
+tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze
+goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om
+teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten,
+vallen zij aan; zij zeggen niet “doe mij de gunst,” zij nemen ze: en zoo
+hoort het.”<a href="#fn45">[45]</a></p>
+
+<p>Liefde&mdash;groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den
+minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk
+als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche
+gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste
+levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met
+den spotnaam: “eerbiedwaardige verhoudingen.” Suggereert de uitdrukking
+niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de
+provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot
+een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich
+aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.</p>
+
+<p>Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie,
+hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: “zoo ge
+driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal
+bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen.” De liefde
+is &agrave;l scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan ’t begin
+’t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar.
+In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen
+verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.</p>
+
+<p>De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste
+instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten
+met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar
+begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want
+dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar
+nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen.
+“Gij zijt,” zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul,
+“ontbloot van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen.”</p>
+
+<p>Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog “in gevoel
+doen,” en er nog “provinciale veroordeelen” op na houden zijn zeldzaam.
+Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een “zekere
+elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar
+val.”<a href="#fn46">[46]</a> En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een
+theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het
+enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met
+de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma:
+“het eenige goede in de liefde is het lichamelijke.”</p>
+
+<p>Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo
+leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de “Nouvelle Héloïse.” Het
+boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere
+sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden.
+Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd,
+lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in
+zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit
+één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de
+schoone verhouding der deelen tot ’t geheel. Wat had hij al niet
+omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle
+levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! De
+philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de
+staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de
+paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit
+gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan
+hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In ’t
+hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene
+en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet
+meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de
+Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen,
+verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit
+elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen
+verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend
+haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van
+wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de
+menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden van
+aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke
+ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van
+kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de
+geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij
+kunnen niet weerstaan.</p>
+
+<p>Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van
+elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte
+moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de
+onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al
+berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij
+ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende
+blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de
+liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt
+de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de
+deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de
+menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt
+hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander
+wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen
+persoonlijkheid.</p>
+
+<p>Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige
+vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie
+gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der
+gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen
+van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.</p>
+
+<p>“Ik weet niet of ik mij vergis,” schrijft Julie aan haar minnaar, “maar
+het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden
+is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één
+voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te
+maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor
+het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet
+langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij
+en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de
+zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een
+verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij
+verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis,
+zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam
+maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen
+haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten
+alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen.”</p>
+
+<p>Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde
+met de schaamtelooze wellust van Marivaux!</p>
+
+<p>Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee
+Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze
+kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux
+beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere
+teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend
+gelijk zij ’t grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het
+temperament van Sophie haar ’t wachten op een man moeilijk maakt en
+schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig,
+door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.</p>
+
+<p>In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt
+van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte
+der sexueele moraal.<a href="#fn47">[47]</a> De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid
+prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de
+tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te
+verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of
+liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te
+los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding
+aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en
+valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne
+waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar
+grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke
+neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het
+teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en
+eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die
+natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed
+met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.</p>
+
+<p>De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt
+het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met
+elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar
+geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste
+in onze persoonlijkheid.</p>
+
+<p>Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de
+natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.</p>
+
+<p>De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te
+verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling,
+waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het
+recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander
+recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur,
+zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die
+Rousseau in de laatste boeken der “Nouvelle Héloïse” in beeld heeft
+gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken,
+de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos
+volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te
+leven volgens hooge zedelijke beginselen.</p>
+
+<p>Op het oogenblik van Julie’s huwelijk met Wollmar&mdash;den veel ouderen,
+koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede
+gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden
+acht door de beschikking van haar vader&mdash;gebeurt er een wonder: in haar
+voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht
+gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar
+hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan
+haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als
+vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser
+en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de
+heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een
+nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een
+uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar
+nieuwe taak. “Ik wil,” spreekt zij tot hem, “den echtgenoot liefhebben,
+dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste
+plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat
+volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen
+der rede die uw gave in mij is.”</p>
+
+<p>Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij
+zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de
+betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende
+verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. “Het is een dwaling
+te meenen,” schrijft Julie aan haar minnaar, “dat de liefde noodig is
+tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid,
+bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter
+en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere
+affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en
+rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te
+zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te
+vervullen, zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en
+eere op te voeden.” Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken
+staat tegen haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op
+het landgoed nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.</p>
+
+<p>In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de
+voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin
+(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve
+voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij
+heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij
+staat feitelijk aan ’t hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en
+van een talrijk personeel.</p>
+
+<p>Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is
+het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende,
+allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des
+levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om
+zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt
+geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij ’t
+wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur
+hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef
+stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt
+Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt
+gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en
+liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar
+laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.</p>
+
+<p>Zoo verzoent Rousseau in de “Nouvelle Héloïse” het recht der
+persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk;
+hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als
+jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde,
+ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan.
+Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een
+zedelijke revolutie, een “Umwertung aller Werte.” De jonge meisjes
+bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een
+passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het
+tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of
+een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als
+een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige
+erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het
+denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche
+steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan
+vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe
+opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!</p>
+
+<p>“Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd,” aldus een
+schrijver uit die dagen. “Vroeger kwam ’t huis op stelten te staan als
+de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo
+de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was
+zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar
+aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te
+weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar
+wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In
+waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te
+huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen
+verdraagzaamheid, vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de
+echtgenooten elkaar lief, des te beter: zij leven samen en zijn
+gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan zeggen zij het elkaar als eerlijke
+lieden en geven elkaar hun belofte van trouw terug. Zij zijn niet langer
+minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik zachte en sociale zeden.”<a href="#fn48">[48]</a></p>
+
+<p>Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere
+klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan
+verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de
+provincie; òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of
+moest te velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van
+aanbidders, haar minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken;
+voor haar hield ’t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der
+landgoederen en lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op
+het half ontvolkte platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie,
+scheen aan die wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven,
+sterven van verveling: daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk
+werd de opneming eener clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de
+vrouw zich het recht voorbehield, haar man niet te volgen als hij op
+zijn landgoed in de provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin
+te verplaatsen op het platte land, ver van het groote stads-leven, door
+Wollmar en Julie voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en
+raadgevers eener boerenbevolking, “wier lot zij streefden te verzachten
+zonder het hun mogelijk te maken hun staat voor een anderen te
+verwisselen,” ging Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende
+klassen zijner dagen in.</p>
+
+<p>Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn
+huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte
+werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De
+jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten
+eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich
+zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, in
+de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in
+eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of
+verhanseld door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet
+in alle vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar
+anders dan voor de adellijke dametjes, was voor haar ’t huwelijk ’t graf
+der vrijheid. Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk
+van zorg en moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en
+gebondenheid ging beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.</p>
+
+<p>Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven
+overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen,
+huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk,
+en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat.
+Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te
+stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de
+vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,&mdash;propagandistische
+kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo
+ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van
+kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in
+de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere
+verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en
+geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen,
+zoovelen tot zegen zijn.</p>
+
+<p>Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor
+Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk
+te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de
+school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de
+rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht
+om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit
+compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man
+dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij
+hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich
+gebonden rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander
+had beloofd? Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn
+kind beschikken? En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der
+persoonlijkheid? Kan dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te
+breken, om vaderlijke veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd?
+Heeft het jonge geslacht niet het recht en de plicht, om de moreele
+banden waarin het vorige het leven voor goed wil breidelen, door te
+snijden, zoodra het die als vooroordeelen voelt? Kan de groei des levens
+gaan op andere wijze?</p>
+
+<p>Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde
+en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen.
+Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet
+eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk
+gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en
+bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de
+gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs
+verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene
+genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit
+alleen erkennen wij als het ideaal.</p>
+
+<p>Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de “oplossing” der
+“Nouvelle Héloïse.” En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast
+vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons
+zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.</p>
+
+<p>In de “Nouvelle Héloïse” zien wij de vrouw optreden als de genoote van
+den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige
+opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den “Emile” lezen
+wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.</p>
+
+<p>Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de
+bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale
+bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich
+die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen
+arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld
+ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en
+het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin
+door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het
+ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half
+patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap:
+in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar
+lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst
+van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.</p>
+
+<p>In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich
+aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in
+zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan
+het geestelijk leven van hun tijd.</p>
+
+<p>Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies,
+deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle
+waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing,
+vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit
+soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat
+“de geleerde vrouw haars mans roede is.” De geestige blauwkous en
+mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen
+een soort van monster.</p>
+
+<p>De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om de
+natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze
+geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet
+veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar
+slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest&mdash;in zoover
+dit oorbaar was voor een vrouw&mdash;binnen te leiden. Maar één ding moest
+haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te
+verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. “De vrouw
+is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te
+dulden.” En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit
+onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te
+verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.</p>
+
+<p>Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als
+slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, maar
+de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol is en
+gebruik maakt van de wapenen der zwakken. “Haar bevelen zijn
+liefkoozingen, haar bedreigingen tranen.” In de nauw-omsloten sfeer van
+het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de
+heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van
+waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te
+onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.</p>
+
+<p>Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de
+salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De
+natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest
+daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar
+geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te
+leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der
+oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der
+woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het
+openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch
+leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren,
+en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten
+door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen
+verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het
+elkander lichtzinnig na&auml;pen, zooals de ijdele kwasten en de malle
+salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het
+mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in
+geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.</p>
+
+<p>Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming
+van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande
+ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij
+niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten
+moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke
+mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit
+weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin
+de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken
+en liefhebben zal.</p>
+
+<p>Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en
+onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn
+kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag
+mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide
+eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij.
+Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om
+haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en
+in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En
+hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden
+zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het
+karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid <i>der vrouw
+van den man</i> vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in
+den dienst der gemeenschap.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk
+vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede
+patriotten zagen vol onrust dat “er geen mannen meer waren” en broeiden
+over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner
+voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri;
+maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het
+menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires,
+dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk
+verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal
+meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder
+nationaal-beperkt.</p>
+
+<p>Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone
+opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in.
+Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt
+om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven
+der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle
+doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche
+manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst
+verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen.
+Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en
+vrouwen, geen menschen.</p>
+
+<p>Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming,
+moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden.
+Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid,
+uitbundig-pleizier-hebben was uit den booze, springen en hollen
+verboden; hoe sneller en volkomener de arme wezentjes tot apen der
+volwassenen werden gemaakt, des te beter was de opvoeding gelukt. Het
+familie-leven bestond in de hoogere kringen feitelijk niet meer, de
+kinderen kenden hun ouders nauwelijks; zij werden van af hun geboorte
+aan de zorgen van vreemden toevertrouwd: eerst aan een min, later aan
+gouverneurs en gouvernantes. Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt,
+gepoederd, geparfumeerd, de jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de
+meisjes met de onmisbare waaier in de hand, een oogenblikje hun
+opwachting maken bij het morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk
+weer te verdwijnen, want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame
+toch niet.</p>
+
+<p>Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der “natuurlijke
+opvoeding” oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij
+zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met
+zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in
+dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen.
+Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen
+wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie
+vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des
+kindes is; geef het&mdash;en dat is het eerste wat hem toekomt&mdash;geef het een
+moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die
+het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg;
+die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn
+bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn
+spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde
+beleefdheids-vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen
+waarvan ’t niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles
+wordt door de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge
+wezen vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het
+kind niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het
+door lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en
+kou, honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende
+tot zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als
+een jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is;
+denk niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen
+leeftijd wel bereikt? Kwel het niet met de studie van ’t latijn, giet
+het geen abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode
+geleerdheid van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn
+leermeesteresse zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn
+zintuigen spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt
+om later veel te kunnen begrijpen. “Om goed te leeren denken, moeten wij
+onze ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de
+werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij te
+trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond.”</p>
+
+<p>Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen
+vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn
+denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties.
+Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de
+oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit
+noemde de kritiek zijn “overdrijving.” Zij begreep niet dat overdrijving
+bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de
+menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar
+het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van
+het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch
+hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening
+van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en
+zintuigen. Door deze en andere “overdrijvingen,” dat is door de koenheid
+van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot
+een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.</p>
+
+<p>Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den “Emile,” den mensch
+opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder
+mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de
+genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door
+een <i>openbare</i> opvoeding, gelijk regel was in de republieken der
+oudheid;<a href="#fn49">[49]</a> deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel
+in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers
+voort, maar slechts bourgeois.</p>
+
+<p>Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en
+het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt
+niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig
+als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem
+waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste
+trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn
+individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder
+den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der
+opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en
+plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken
+van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen
+van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel
+zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de
+individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar
+waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v.
+Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf
+“bourgeois” voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke
+parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf
+buiten-maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de
+levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in
+het “Contrat Social” den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed
+hij het in “Emile” den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn
+revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse-
+opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed
+tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving,
+die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen
+kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal
+waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen
+verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen.
+In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de
+overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond
+zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.</p>
+
+<p>Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel
+voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen.
+Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken
+doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid,
+zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. “Men gaat slechts de
+eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men
+geleerd heeft: “meester, ik verlang werk.” Gezel, zie: hier is werk,
+neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw
+middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht
+dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te
+leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en
+rechtvaardig leven hebben geleid.”</p>
+
+<p>Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling
+gereed te maken voor “alle wereldsche landen waarheen het lot hem
+voert,” maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van
+kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen.
+En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk
+is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit
+te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld
+zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder
+grootindustrie,&mdash;een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.</p>
+
+<p>Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding,
+wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen
+gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend
+geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de
+grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen.
+Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als
+knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.</p>
+
+<p>Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de
+zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk
+brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij
+niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar
+en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer
+weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke
+nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij
+uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er
+was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in
+zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.</p>
+
+<p>Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve
+betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke
+noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche
+wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve
+heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen
+lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen,
+wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen.” De
+levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging,
+het beheerschen zijner driften en aandoeningen. “Wat ons door de natuur
+verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze
+krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet
+kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is
+verzoeking niet te kunnen weerstaan.” Wie zijn hartstochten beheerscht,
+zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en
+te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis
+voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de
+eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft
+waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat
+zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle
+wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en
+aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de
+wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De
+mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom
+moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er
+geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij
+verplicht te gehoorzamen, ook al valt ’t hem zwaar zijn vrij en
+verborgen leven prijs te geven.&mdash;Zoo duikt op het einde van den “Emile,”
+in den “abstrakten mensch,” de burger, het lid eener politieke
+gemeenschap toch weer op.</p>
+
+<p>Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het
+leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels
+die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht,
+winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen,
+tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.</p>
+
+<p>Hoe wordt nu dit doel bereikt?</p>
+
+<p>Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de
+veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind.
+Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen
+leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende
+behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar
+behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het
+dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige
+leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is
+het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder
+teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol
+vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van
+elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het
+eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen
+te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen
+straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen
+daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.</p>
+
+<p>Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de
+utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan
+dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk
+eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat
+het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert
+Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen
+ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het
+tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der
+natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. “humanistische” studie, de kennis
+der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om
+mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde:
+dit is het, wat de jongen leeren moet om een “bruikbaar mensch” te
+worden. Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo
+burgerlijk-praktisch mogelijk, al zijn hare methoden een weinig
+ongewoon. De “abstrakte ideaal-mensch” ontpopt zich al meer als de
+goed-onderwezen kleinburger van de modernburgerlijke maatschappij. In deze
+levensperiode moet het kind ook een ambacht leeren en zich daarin door
+oefening volmaken.</p>
+
+<p>Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw
+beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft
+het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de
+opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen
+altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken
+beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in
+den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de
+zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en
+sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die
+op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van
+liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren
+te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen
+van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle
+schoonheid, goedheid en waarheid&mdash;tot God. Op zijn 18de jaar verneemt
+Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel
+onsterfelijk is. Zelf heeft hij&mdash;in zijn gevoel en zijn rede&mdash;de
+zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de
+wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in
+de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig
+Schepper, dien hij zegent en aanbidt.</p>
+
+<p>De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt
+zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide
+kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een
+uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze
+vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der
+werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van
+zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de
+ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale
+leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk
+van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling
+van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire,
+aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich
+eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.</p>
+
+<p>Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten
+dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in
+en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd
+heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind
+gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der
+sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit
+zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog op
+andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn
+redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der
+sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift
+voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering
+voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen
+gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, de
+richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk
+bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.<a href="#fn50">[50]</a> Niet eerst na het vijftiende
+jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op
+de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel
+mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in ’t spel
+komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst
+der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot
+voorwerp heeft.</p>
+
+<p>Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor
+de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme.
+Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van
+zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat
+bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. En
+evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend
+willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en
+diens redelijk egoïsme.</p>
+
+<p>De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l.
+Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle
+denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder
+ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar
+hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het
+groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te
+vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe de
+kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind
+gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de
+zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele
+verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het
+gevoel. “Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren”&mdash;dit was
+een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een
+weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger
+dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd,
+ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in
+zichzelven&mdash;maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit
+zelf-onderzoek als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem
+den weg tot zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging,
+zelfbehagen, zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was
+een vrucht van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van
+warmte en teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk
+te geven, zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van
+deze gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf “de beste der menschen.”
+Als hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot
+hen heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk
+werd meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke
+menschen voor zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun
+blikken en woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende
+kussen en tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend,
+nimmer-verstillend innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van
+geluk genoot hij het verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner
+fantasie, en met tegenzin keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde
+werkelijkheid en hare bewoners terug.</p>
+
+<p>In de “Nouvelle Héloïse,” het werk waarin hij zich het vrijst heeft
+laten gaan,&mdash;veel vrijer dan in de “Confessions,” waar de
+achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der
+herinnering in een bepaalde bedding stuurden,&mdash;heeft hij alle uitingen
+en verhoudingen van het affektieve leven met groote warmte en innigheid
+van ontroering afgebeeld. Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des
+levens. Hier is de zachte gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar
+man, als een warm dek van vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over
+de schamelheid der dagen geweven. Hier is de ouderliefde,&mdash;hoe ontroert
+ons nog de scène waarin Julie’s vader, een edelman van den ouden
+stempel, na zijn dochter in drift barsch en ruw behandeld te hebben,
+haar met zwijgende liefkoozingen om vergiffenis vraagt. Hier is de
+kinderliefde, de zachte overgave van Julie aan haar oude ouders, haar
+drang zichzelven te verzaken, opdat de avond van hun leven helder en
+vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: tusschen vrouwen:
+hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de onafscheidelijken;
+&mdash;tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht hebben gehad zich
+los te rukken van de geliefde, als de mannelijke teederheid van Edouard
+Bomston hem niet had geschraagd en getroost;&mdash;tusschen een man en een
+vrouw: Claire en St. Preux genieten die vriendschap, voller van bekoring
+maar ook voller van gevaren dan eenige andere, grensgevoel, uitstralend
+naar andere werelden; levensvrucht, zoet van verteedering, wrang van
+onvervulde begeerten.... In de “Nouvelle Héloïse” heeft Rousseau een
+monument opgericht voor de menschelijke affekties in de stil-besloten
+sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; hij heeft schatten van reine
+lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen flonkeren in het licht der
+schoonheid, tot dusver verborgen in die omschaduwde sfeer.</p>
+
+<p>De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het
+eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht
+is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het
+tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In
+dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen;
+de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met
+zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het
+mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn
+eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk
+zaken-moraal, regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij
+als een verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid,
+stiptheid, soberheid, zijn de voornaamste deugden;<a href="#fn51">[51]</a> de onmisbare
+eigenschappen en hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In
+die sfeer druischen plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan
+den weg tot de deugd niet zonder geleide vinden: het gevoel moet
+dikwijls onderdrukt worden, de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk,
+naar de stem der menschelijkheid te luisteren dwaas. Daar heerscht gij,
+koele rede, en gij, streng geweten, over de trillende diepten van het
+gevoel. Daar heerscht&mdash;Kant: hij was het, die de grondslagen der
+burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar en principieel
+formuleerde.</p>
+
+<p>In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken,
+niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de
+aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren
+glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar
+hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden
+verjaagd uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke
+verhoudingen. Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen
+zich, hij ontdekt zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en
+de stem van het hart volgen; daar bloeien bloemen van affektie,
+verteedering en innigheid, die te koesteren deugd en wijsheid, die te
+vertreden roekelooze dwaasheid en zonde is. In die sfeer heerschen
+liefde, weekheid des harten, spontane gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid;
+daar heerscht de moraal der “Nouvelle Héloïse.”</p>
+
+<p>Wel schildert Rousseau in de “Nouvelle Héloïse” ook verhoudingen uit het
+gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende
+menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het
+vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale
+verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel
+van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet
+aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de
+grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen
+zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen
+tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets
+van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor
+eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de
+verhouding tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale
+opvoeding; geen hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart
+ongehinderd heen en weer.</p>
+
+<p>Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde
+Rousseau als even “natuurlijk” en evenmin aantastend de menschelijke
+waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel.
+Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den
+burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting
+deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en de
+gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij
+afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst
+gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij
+verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de
+nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen lord
+Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de
+revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon
+der burgerlijke vrijheid.</p>
+
+<p>De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker
+van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om
+klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat in
+hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. Dit
+alles kan waar zijn: het <i>is</i> waar dat hij een vat was van
+tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in
+dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke
+kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder
+zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot
+het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat
+dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is
+niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet
+geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos
+zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht,
+daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was
+nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In
+zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin
+de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en
+luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het
+tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner
+meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen,
+was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit
+den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk,
+omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen
+andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk
+bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste
+poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe
+vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens
+langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen
+toekomst van titanische worstelingen&mdash;worstelingen, die de overwinning
+zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid
+waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling,
+omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou
+raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en
+proletariaat.</p>
+
+<p>Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner
+kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute
+vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk
+hij de tyrannen haatte.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw
+wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen
+oproepen voor onzen geest.</p>
+
+<p>De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen;
+een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een
+kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont
+de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert
+zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch
+zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de
+ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop
+van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst-
+mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en
+produktie-verhoudingen, de “natural-wirtschaft” en het kleinbedrijf.
+Zij weet dat handel en geld die bestendiging bedreigen. Niet de
+verandering, maar het onveranderlijke is de begeerte dezer menschen,
+want in hun harten is vrede.</p>
+
+<p>In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de
+volksregeering. De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke
+geslachten, door alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk
+van haar daden rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger,
+geen bureaukratie, geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van
+intellektueelen. De burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en
+vermogen, maar de verschillen tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen
+toe te nemen grijpt de overheid in en herstelt de bedreigde gelijkheid.
+De intellektueele tegenstellingen zijn niet grooter dan de sociale:
+evenmin als in kapitalisten en proletariërs, zijn de burgers verdeeld in
+hand- en hersen-arbeiders. Allen nemen deel aan de produktie, allen
+hebben deel aan de kultuurschatten der menschheid en het bestieren van
+het gemeenebest.</p>
+
+<p>De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of
+overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk
+leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer
+menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen
+arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den
+schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren
+zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen
+zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege
+ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en
+dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft
+gegrift.</p>
+
+<p>Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere
+plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen
+jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en
+zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven
+die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis
+glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den
+rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw.
+Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in
+wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.</p>
+
+<p>Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door
+dagelijkschen arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als
+knechten. Het brood, door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten.
+Als het jaar zich wendt van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei
+lacht over de beemden, als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de
+wijndruif geperst tot geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en
+verzamelt zich tot feesten. In de steden uit zich de levenskracht en
+levensvreugd der burgers in velerlei wedstrijden van de in schieten,
+worstelen, roeien en zwemmen bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen
+komen zij bijeen, als vrije mannen staande onder den vrijen hemel, om
+zich bewust te worden de volheid hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet
+winstbejag, noch dwang verlaagt en vergiftigt hun genoegens, wanneer zij
+zich scharen tot gemeenschappelijk feestelijk maal. De gedachten aan het
+gemeenebest dat de belichaming is der algemeene eenheid, waarin ieders
+persoonlijkheid ondergaat om te herrijzen, gelouterd van de engheid des
+levens, omgeschapen tot een deel van een wijder zijn, doet de borsten
+zwellen en de harten hoog kloppen.</p>
+
+<p>Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.</p>
+
+<p>Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het
+kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu
+leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller
+menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische
+samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der
+maatschappij-krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije
+menschheid. Wij zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen
+daarheen, in verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders
+gericht, dan zijn hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring
+na van die stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig
+vredige sfeer die hij den menschen toonde&mdash;wij voelen zijn verlangen
+natrillen in onze harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was
+van een werkelijkheid waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is
+ondergegaan in ons vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En
+ook daarom bekoort ons nog die droomwereld, al voelen wij haar enge
+beperking, omdat sedert vrede en vrijheid met het oorspronkelijk
+communisme zijn ondergegaan op aarde, het menschenhart elke samenleving
+en elk beeld eener samenleving dat een glimp, een zweem, een schijn
+daarvan bevat, voelt lokken als het land zijner verloren kindsheid.</p>
+
+<p>Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk
+individualisme, maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door
+kennis, lichamelijke ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit
+boven de omgrenzing van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der
+menschheid, al behoorde aan die phase zijn hart, al voelde hij tot haar
+die heel eigen vertrouwdheid die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg
+in zich het beeld van den stad-staat der oudheid die nog eenige
+overleveringen van het stamleven bewaarde; hij droeg in zich de
+herinnering aan de zorgelooze bekoring en de vroolijke gulheid der
+naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche bergen nog sporen over
+waren. Hij was ruimer van blik dan de encyclopedisten, die geheel
+opgingen in bewondering voor het beginnend kapitalisme, die elke vorm
+van samenleving behalve de burgerlijke verachtten en verwierpen.</p>
+
+<p>Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven.
+Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn&mdash;dat
+voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het
+huisgezin bepaalde,&mdash;rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn
+organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister,
+vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den
+mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en
+breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in
+vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort
+roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van
+terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote
+droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven
+der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte,
+die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de
+groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één te
+voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het
+aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn
+lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem
+van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de
+weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem
+zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een
+vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en
+buiten-maatschappelijke ondoorgrondelijkheid.</p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap04"></a>VIERDE HOOFDSTUK<br/>
+DE LAATSTE WORSTELING</h2>
+
+<p>
+Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede
+aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar
+geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. “Zie zelf wat ge
+doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want
+hoeveel ’t mij ook zou kosten om mijn leven van ’t uwe los te maken
+nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder
+verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit
+land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee
+niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn
+afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo
+zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat
+ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge
+liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en ik
+zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te
+bezorgen.”</p>
+
+<p>Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van
+Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af
+wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in
+Montmorency achter te blijven.</p>
+
+<p>Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de
+regeering van Genève den “Emile” en het “Contrat Social” in ’t openbaar
+had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich
+binnen ’t grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen
+volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich
+bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den
+“Emile” uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten
+tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de
+kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen
+voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in ’t veld. Het feit dat
+hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam
+liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De
+aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een
+herderlijk schrijven den “Emile” als een goddeloos boek; de paus
+vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er
+uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde
+den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek
+had gedaan. Het “Contrat Social” werd alléén in Genève verboden: de
+akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo
+spoedig doorzag.</p>
+
+<p>Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou
+veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit
+genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme
+Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver
+van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom
+Neuch&acirc;tel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en
+geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar
+aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit
+Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij
+hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.</p>
+
+<p>Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den
+Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten
+van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur
+gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de
+steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging
+van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel
+kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal,
+ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen.
+Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in
+Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom
+liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de
+gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware,
+massieve steenklompen&mdash;woning, stallen en schuren onder één dak&mdash;met
+weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een
+onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan
+ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.</p>
+
+<p>Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk
+zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen
+huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat
+opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt,
+de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer,
+voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen
+avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te
+moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit
+onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den
+lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter
+hunkerend vergeefs naar een groet der zon.</p>
+
+<p>Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral
+leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar
+toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle
+oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap
+boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat
+en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag
+naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de
+bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in
+de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij
+dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen
+zooals de vrouwen van ’t dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn
+handen te doen onder ’t praten. In den winter was hij meest door zijn
+kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook zoo
+geweest. ’s Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten
+schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en
+ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die
+tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen
+waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij
+doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers
+vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; het
+land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden
+zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende
+watervallen, de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden
+schenen van uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen,
+opschuimend uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche
+koelte woonde in de heetste zomerdagen, ontsprong ’t snelle riviertje
+dat door ’t hoofddal stroomde: de forellenrijke Reuss.</p>
+
+<p>Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest;
+heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren,
+geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename
+gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke
+natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te
+vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en
+dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn
+aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort
+leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf
+jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat
+gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had
+ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken
+gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling
+die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het
+heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon
+was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel
+de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn
+eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen en
+verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en
+wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een te
+zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en
+allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en te
+verdorren. Vandaar die leegte in hem. “In mij zijn de grootste
+zielsbewegingen dood” getuigde hij in een brief, “ik leef nog slechts
+door gewaarwordingen.” Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er
+was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar
+hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn
+eenzaamheid mee te vullen.</p>
+
+<p>Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van
+planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige
+onderbrekingen tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude
+enthousiasme, zooals hij als knaap zich in een nieuwe liefde of een
+nieuwe tak van wetenschap stortte, wierp hij zich nu op de kennis der
+planten. Als, hij botaniseerde, vergat hij zijn smart, zijn
+teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken zijner vijanden; zijn
+wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een zachte aanraking, hij
+genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, heldere stemmingen, aan
+levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende zijn lange, eenzame,
+duistere levensavond&mdash;eenzaam en duister door de schuld der menschen èn
+door zijn waan&mdash;is grootendeels door de botanie tot hem gekomen. Zij
+verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en buiten zich
+zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen lot, zij
+bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de eenige
+band tusschen zichzelf en ’t leven, omdat zij ’t eenige was wat in hem
+nog warme belangstelling wekte.</p>
+
+<p>Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende
+natuurkinderen heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De
+botanie verkeerde in zijn tijd in een toestand van verwarring door de
+groote onzekerheid der nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in
+Frankrijk. Men interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de
+kruidenleer, de ware of vermeende geneeskrachtige eigenschappen der
+plan? ten, en bitter weinig voor hun gedaante en bouw en hun leven.
+Rousseau was een der eersten die in planten belang stelden, niet om het
+produkt dat zij opleverden, maar om hun eigen leven. Dat wilde hij
+kennen, daartoe doordringen. Toen hij eenig idee begon te krijgen van de
+voortplantingsorganen der planten was hij een en al verrukking en
+enthousiasme. Hij begreep dat een goede overzichtelijke indeeling een
+even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie was, als optische
+instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, die toen in
+Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd verguisd.
+Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de plantkunde, toen
+nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te populariseeren. Hij
+drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat natuurlijk, dat zij
+in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen door fransche
+zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk hij zelf
+deed in zijn “Brieven over de elementen der botanie.” Hij spoorde de
+leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen
+voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.</p>
+
+<p>Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen
+der natuur, het genot van ’t buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook
+een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door
+waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen,
+die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van
+specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker
+geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof
+te vragen in het vorstendom Neuch&acirc;tel te wonen; ook wendde hij zich tot
+den gouverneur van Neuch&acirc;tel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland
+doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens
+bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel
+mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden.
+Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen
+zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel
+begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling
+was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te
+leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie
+eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver
+te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet
+rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten&mdash;hij
+vond ’t aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en in
+’t minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of
+planten-verzamelen was.</p>
+
+<p>Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in
+zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuch&acirc;tel, te komen
+bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman
+en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot
+elkaar getrokken. “Onze naturen raadden en bevielen elkaar,” schreef
+Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar
+onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid,
+menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen
+als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet
+van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard&mdash;men placht de inwoners van
+Neuch&acirc;tel de Gasconjers van Zwitserland te noemen&mdash;werd afgestooten door
+de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor
+heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij
+hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme,
+teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest
+harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld;
+zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel.
+Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen;
+tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord
+Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei
+hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn
+genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door
+waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij
+zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de
+brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen
+vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau
+meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer
+schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: “Uw goedheden
+zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost
+nu ook ontnemen?”</p>
+
+<p>Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van
+Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche
+eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn
+zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers,
+met wie hij over ’t welzijn van hun gemeenschappelijken vriend
+correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van
+Rousseau voor ’t jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: “Jean
+Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij
+is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer
+dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men
+van hem houdt en achting vóór hem gevoelt.” Gaarne had Lord Keith den
+vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar
+de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen ’s zomers
+bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij
+plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine
+republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij
+tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd
+philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen
+vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar
+draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean
+Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven
+met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst
+met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d’ Houdetot en St.
+Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar
+half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van
+luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in
+Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van
+onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord
+Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuch&acirc;tel ’t
+jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar
+Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem
+nooit teruggezien.</p>
+
+<p>In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in ’t
+algemeen niet van ’t slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel,
+van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde.
+Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes
+en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als
+zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een
+schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens
+wijze van optreden&mdash;hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had
+veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen&mdash;Rousseau een poos
+lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou
+bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep
+Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.</p>
+
+<p>Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij
+nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in ’t
+geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de
+ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend
+in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen
+mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging
+gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de
+vooroordeelen tegen den “philosoof,” den man wiens godslasterlijke
+boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur
+zat kant te knoopen, leek hij in ’t minst niet gevaarlijk; en hij was
+zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan
+hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische
+dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met ’t
+oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de
+algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met
+den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet
+geregeld de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal
+toegelaten te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan
+kon hij toch onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het
+bergdorp waren steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die
+in den hevigen strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan
+den gang onder de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe
+inzichten verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn
+woonplaats rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het
+godsdienstige fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op
+te wekken.</p>
+
+<p>Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau
+bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg
+weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen
+der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan,
+welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot
+lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de
+“Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard” had toch eigenlijk weinig
+gemeen met het protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het
+was een lastig geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat
+Rousseau hem had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere
+levensdagen in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke
+belofte gegeven, niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin
+hem toegelaten, want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer
+te bestaan voor nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde,
+zich nooit te hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had
+hij aan den predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar,
+zooals hij het toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan
+Milord Maréchal had uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een
+belofte aan zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen
+verplichting; als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij
+allerminst. Daarom beschouwde hij het ook volstrekt niet als de
+schending eener belofte, dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot
+zijne verdediging: de “Lettre &agrave; monseigneur de Beaumont” en de “Lettres
+de la Montagne.” (Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij,
+hadden hem gedwongen tweemaal een uitzondering te maken op den regel
+dien hij zichzelf had gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel
+begrijpelijk. Maar ook is het begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn
+collega’s toch al ’t een en ander had moeten hooren over ’t toelaten van
+den schrijver der “Geloofsbelijdenis” tot het avondmaal, er anders over
+dacht, en zich zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de “Brieven
+uit de Bergen” de protestantsche wereld in rep en roer bracht.</p>
+
+<p>Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem
+aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar
+de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen
+tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag
+natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding
+gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den
+plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het
+leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de
+aartsbisschop “den geest van ongeloof, die ook een geest van
+onafhankelijkheid en oproer is,” en noemde den “Emile” even waard om
+door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten
+getroffen te worden.</p>
+
+<p>Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol
+innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en
+waarachtig-verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische
+banvloeken van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone
+polemiek tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd:
+hatelijk, schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was
+vernuft te vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat
+Grimm gedwongen werd te erkennen “ik herken den burger van Genève niet
+meer,” maar het werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging,
+door hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men
+hierin het geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander,
+dat bij Voltaire volkomen ontbrak.</p>
+
+<p>Nieuwe gedachten bevat het “Antwoord aan Monseigneur de Beaumont”
+weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn
+gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen
+der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.<a href="#fn52">[52]</a> In
+dit werk en het volgende, de “Brieven uit de bergen,” kwam hij wel op
+bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te
+zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij
+in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den “Brief aan
+Monseigneur de Beaumont” is vooral zijn uitweiding over den universeelen
+godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding
+van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. “Want elke
+godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de
+essentieele religie bevat.” Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid
+der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den
+godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den
+mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering,
+komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke
+denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing’s Nathan spreken
+hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie,
+boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de
+voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle
+verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau’s droom van
+den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige
+denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag
+der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het
+bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder
+volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren.
+Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn
+droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.</p>
+
+<p>Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd
+gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering
+zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang
+wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit.
+Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de
+overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een
+jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund
+zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef “zonder toorn,
+zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht
+en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog
+meer dan van den verdrukte betaamt.” Diep gewond door het onrecht dat
+hem geschied was&mdash;hij kon het eerst nauwelijks gelooven&mdash;gegriefd door
+de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk
+naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den
+Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn
+burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.</p>
+
+<p>De veroordeeling van den “Emile” door den Kleinen Raad had plaats
+gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop was.
+Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het
+requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de
+veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter
+verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven
+te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich
+te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste
+die in de “vrije republiek” Genève regeerde, bleek even beducht voor de
+vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse
+van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek
+zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te
+hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.</p>
+
+<p>De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer
+gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen
+uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte
+grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de
+machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de
+strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot een
+onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke
+machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de
+lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te
+richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering
+behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad
+zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor
+kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het “droit négatif,”
+dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie
+vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter
+zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst
+met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en
+naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der
+regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt
+voelden de vraag te stellen: “Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder
+vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der
+burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van
+vertoog af te schaffen.” Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau
+zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn
+naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen
+schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden.
+Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede
+middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in
+de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren
+door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale
+protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het
+behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en
+grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de
+aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.</p>
+
+<p>Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten
+onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij
+zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den
+loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als
+martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de
+spits der burgers stellen zou.</p>
+
+<p>Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om
+zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen
+van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens
+zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid,
+maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten
+koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk
+samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde
+tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken.
+Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed
+gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem
+tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.</p>
+
+<p>Zoowel van de zijde der “vertoogers” als van die der gezags-menschen
+waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de
+procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in den
+strijd mengde. In een polemisch geschrift, “Lettres de la Campagne”
+(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar
+uiteen dat geschriften als de “Emile” en de “Contrat Social” voor de
+protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en
+trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de
+Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het
+geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één
+man in hun rijen in staat den schrijver der “Brieven van buiten” door de
+kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te
+verpletteren. Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al
+deden zij zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en
+verzochten Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde
+zich hiertoe bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon,
+aan de overzijde van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de
+democratische leiders om met hen den opzet van hun antwoord aan
+Tronchin, dat hem maar matig voldeed, te bespreken. Hij deelde hun
+echter niet mede dat hij zelf reeds in alle stilte een antwoord had
+gereedgemaakt. Voor vriend en vijand onverwacht verschenen de “Lettres
+de la Montagne” (Brieven uit de Bergen) op ’t einde van het jaar: het
+geheim was tot het laatst toe goed bewaard gebleven.</p>
+
+<p>De “Brieven uit de Bergen” zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau,
+en tevens het werk waarin hij ’t meest zijn slagen richt, niet tegen
+regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in ’t
+algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een
+bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven
+zijn gewijd aan ’t weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de
+“gevaarlijkheid” van den “Emile” en de “Contrat Social;” hij analyseert
+daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de
+onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet
+voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève
+ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch
+onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een
+beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende
+politieke kwestie: het “droit négatif.” Deze beschouwing gaf Rousseau
+gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze,
+waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te
+veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten
+ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.</p>
+
+<p>De “Brieven uit de Bergen” bevatten brandstof genoeg om Genève in
+lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware
+protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van
+door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte
+beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel
+dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke
+vrijheid van kritiek en onderzoek: “Toen de hervormden de roomsche kerk
+verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude
+geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne
+rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner
+erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije
+interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, om
+haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen
+twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen
+vinden, wat wij niet begrijpen.” Zoo verhief Rousseau de vrijheid van
+het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de
+uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest
+natuurlijk hetzij door een langen strijd <i>in</i> de kerk tegen de
+kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden <i>uit</i> de kerk
+leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke
+ketterij.</p>
+
+<p>Niet minder fel viel Rousseau in de “Brieven uit de Bergen” de politieke
+machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van
+despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op
+onwettige wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun
+gedrag. Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij.
+“Alles,” schreef hij, “wat door omkooperij en kuiperij geschiedt,
+geschiedt bij voorkeur ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet
+anders. List, vooroordeelen, eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een
+schijn van orde en tucht, alles komt bekwame lieden die ’t gezag in
+handen hebben en de kunst verstaan het volk te bedriegen, ten goede.
+Wanneer het er om gaat, handigheid tegen handigheid, en krediet tegen
+krediet uit te spelen, welk een voordeel hebben dan niet in een kleine
+stad de eerste geslachten, altijd verbonden tot heerschen, met hun
+vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, vereenigd met de macht van
+den raad, om de eenvoudige burgers die hen ’t hoofd bieden te
+verpletteren?” Tegenover deze heerschzuchtige en zelfzuchtige
+aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede laag der
+burgers, de middenstand, “die zich tegen de machtigen verheffen voor de
+handhaving der wet.” “Ten allen tijde is dit de taak geweest van den
+stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het
+gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin,
+in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen
+over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun
+groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de
+overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en
+vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek,
+het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is.
+Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid,
+de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die
+zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht.” Deze breede
+laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en
+tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te
+strijden. “Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen
+zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de
+beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate
+heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen,
+noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult
+satelliet of slachtoffer moeten zijn.” Tegenover hen, die van het vaak
+bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten
+voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering
+dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid
+en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. “Men heeft
+er somtijds gezworen voor ’t vaderland te sterven, maar ik tart u er mij
+een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige
+mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik
+geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen.”</p>
+
+<p>Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots,
+de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en
+onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had
+hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van
+het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op
+bepaalde gemeenschappelijke daden....</p>
+
+<p>Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij
+hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van
+zijn aanval. De “Brieven uit de Bergen” wekten een storm in en buiten
+Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de
+predikanten-bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te
+Parijs, (te zamen, o ironie, met de “Philosophische Dictionnaire” van
+Voltaire) in den Haag en in Genève in ’t openbaar verbrand. Zelfs de
+vurigste aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden.
+Moultou, de discipel die hem eenmaal geschreven had: “Mijn dierbare
+meester, ik wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de
+uwen” lamenteerde nu: “uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed
+zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult
+uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten
+zal.” Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de
+Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden
+in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische
+zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen,
+liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en
+beleedigend over den man, die deze “Brieven” geschreven had, uit, (“per
+slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus,
+die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?”),
+dat Rousseau hoofdschuddend zeide: “Zoo’n stomme brief kan onmogelijk
+van Mably zijn,” en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo
+ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.</p>
+
+<p>Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn
+vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die
+algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende
+tiraden van het tweede “Discours” prachtig gevonden hadden?&mdash;Omdat hij
+in de “Brieven uit de Bergen” <i>den klassenstrijd</i> gepredikt had, niet
+abstrakt en theoretisch, gelijk in de “Contrat Social,” maar reëel en
+konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de
+grooten hem een gevaarlijk dier.</p>
+
+<p>Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd
+schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die
+kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem
+laaghartig, verraderlijk te bespringen.</p>
+
+<p>Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en
+officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen
+bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat
+natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau
+overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten
+hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht
+zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor “de beschermer
+aller verdrukten,” en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn:
+Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te
+zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een
+grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van
+den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph
+van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch:
+Rousseau’s stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd
+jegens zijn groote mededinger.</p>
+
+<p>Door de verschijning van de “Nouvelle Héloïse” en den “Emile” was
+Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke
+kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de
+onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het
+burgerlijk-revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen
+haar macht en haar dogma’s, en ook tegen wat men de “misbruiken” van
+absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van
+hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden.
+Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen
+zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke
+aangelegenheden.</p>
+
+<p>Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets
+anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en
+eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had
+raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle
+sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van
+den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende
+zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en
+bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van
+velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland
+bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze
+eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft.</p>
+
+<p>Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau
+omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver.
+Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van
+armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle
+anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en
+wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn
+leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in
+een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de
+vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in ’t
+schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En
+sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg
+hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn
+vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den
+martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en
+jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel
+bewonderden, maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van
+Voltaire, maar Rousseau leefde in duizenden harten, een
+zacht-gekoesterde heilige.</p>
+
+<p>Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als
+hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen
+en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds ’t lezen was
+een plaag voor hem; ’t antwoorden een veel ergere. Vele der
+briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor
+zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder
+gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds
+met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de
+onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere
+wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in
+persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog
+ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den “Emile” en
+overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een
+jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed,
+om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht
+bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting
+van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw
+breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in
+zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel
+mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het
+opvoedingsplan van “Emile” niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden:
+hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de
+opvoeding zich moest bewegen, niet meer.</p>
+
+<p>Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van
+den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een
+bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets
+verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die
+onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie
+veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze
+houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme
+van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor
+het onherroepelijke van de daad.</p>
+
+<p>Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de
+zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. “Niet meer bij
+tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen
+en achten komen zij,” klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de
+ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden,
+bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een
+enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en
+ontwikkeling;&mdash;in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper
+kenden, maar het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch
+ook eens wilden zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te
+ontvluchten ’s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.</p>
+
+<p>Maar nu Voltaire. In een der “Brieven uit de Bergen,” had Rousseau
+Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op
+hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken,
+door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met
+alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met
+zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en
+wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der “Brieven uit de
+Bergen” uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten
+die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. “Is
+het een geleerde” heette het in dit pamphlet, dat de titel “Le Sentiment
+des Citoyens” (De meening der burgers) droeg, “die tegen geleerden in
+het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee
+uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver
+bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn
+uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een
+kermis-reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de
+rampzalige meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan
+de poort van een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod
+weigerend van een medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en
+alle natuurlijke gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en
+godsdienst verzaakt.... Komen wij tot wat ons in ’t bijzonder aangaat:
+onze stad, die hij in beroering wil brengen, omdat hij met de justitie
+in aanraking is geweest.... Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen
+omdat men in Parijs en in Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil
+hij onze constitutie omverwerpen door haar verminkt voor te stellen,
+zooals hij het Christendom wil omverwerpen dat hij waagt te belijden?
+Het zij voldoende te waarschuwen dat de stad die hij verontrusten wil
+hem met afkeer verloochent. Zoo hij gedacht heeft, dat wij voor den
+roman “Emile” het zwaard zouden trekken, kan hij die gedachte rekenen
+onder zijn dwaasheden en zotternijen te behooren. Maar men moet hem
+leeren dat, zoo men tegen een godlasterend schrijver genadig handelt,
+<i>men een gemeenen oproermaker straft met den doodstraf</i>.”</p>
+
+<p>Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden;
+Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener
+meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige
+vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en
+platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau,
+ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam,
+geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile
+verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij
+kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee
+hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te
+brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.</p>
+
+<p>Het smaadschrift van Voltaire&mdash;een brochuretje van een bladzijde of
+zeven-acht&mdash;werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van
+Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig
+zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der
+oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in
+zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist
+geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en ’t
+bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren
+natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke
+eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard
+voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige
+dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het
+wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid,
+zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster
+samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van
+vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van
+het jaar ’65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk
+vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en
+nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den
+vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen,
+bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn
+botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te
+schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men
+schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers
+bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der
+bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan
+David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.</p>
+
+<p>Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de
+vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg
+hier eveneens toe bij. Na de verschijning der “Brieven uit de Bergen”
+kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. De
+“eerwaardige klasse,” dat is de vereeniging der predikanten van
+Neuch&acirc;tel, verzocht den Raad van het vorstendom om de “Brieven” en hun
+schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau
+voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten.
+Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn
+gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden,
+probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten
+einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal
+weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een
+uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen.
+Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in
+het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het
+weerstand-bieden: alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen
+buigen als hij niet wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij
+wilde binnen of buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de
+ambachtsheer van Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die
+de “eerwaardige klasse” gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde
+niet anders verklaren, als dit: “hij zou voortgaan met in zijn gevoelens
+en door zijn handelingen het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van
+de kerkelijke gemeenschap hem verschafte.” Na deze verklaring moest de
+zaak natuurlijk haar loop hebben.</p>
+
+<p>Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren.
+Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar
+door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij
+voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven
+aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd
+was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de
+ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de
+zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van
+Neuch&acirc;tel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der
+predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom
+verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de
+jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der “Brieven
+uit de Bergen.” Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen
+de dominé’s in hun schulp: de “eerwaardige klasse” besloot, protest
+aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst,
+om Rousseau “aan zijn dwalingen over te laten.”</p>
+
+<p>Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel
+het despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de
+wettige demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig
+behoorde; het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén
+recht te zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had
+geschreven, dat die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn
+vrijheidsdrang, zijn onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende,
+de fierheid en stoere onverzettelijkheid die het beste waren van zijn
+wezen, hadden hem in konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat
+hij vurig aanhing, zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch
+zijn ondergang, wijl onvermijdelijk en niet zonder schuld.</p>
+
+<p>Sedert de verschijning der “Brieven uit de Bergen” den storm tegen hem
+hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn
+gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en
+al wankelheid.</p>
+
+<p>Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en
+benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan
+met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar
+vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen,
+“waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in
+Zwitserland” (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij
+dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars
+hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen.
+Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken;
+“’t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen,” schreef hij; soms
+gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. “Mijn zedelijk
+leven is ten einde,” schreef hij in Februari; “het beste deel van
+mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, en
+ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die
+knagen aan mijn lijk.” Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op,
+de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. “Gij
+zijt getuige, mijnheer,” schreef hij in Maart, “dat ik de wapens met
+vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal
+ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit
+punt staat voor mij boven alle bedenking vast.”</p>
+
+<p>Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel
+van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg
+klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten
+slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te
+blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich
+dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen
+kon hij niet.</p>
+
+<p>Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en
+beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het
+heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde
+in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du
+Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei
+persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en
+roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel,
+dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de
+gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke
+toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op
+’t kookpunt. Een week na die preek&mdash;het was net kermis&mdash;werd zijn huis
+’s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der
+galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden
+posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.</p>
+
+<p>Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de
+dominé’s hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook
+tegen de rede, dat de geest van ’t vrije denken, te midden van een
+achterlijke plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen
+weerstaan.</p>
+
+<p>Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie
+jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich
+van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne,
+dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er
+eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige
+vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe
+van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders
+meer.</p>
+
+<p>Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild
+als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor de
+idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de
+makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven
+als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer
+uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door ’t gezicht van
+de haat des volks.</p>
+
+<p>Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in
+alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen,
+nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid
+boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor
+een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad
+verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die
+van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als
+wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en
+die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad
+die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als
+voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de
+vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de
+teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan
+hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten
+aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit
+hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde?
+Hij voelde verder leven als doelloos.</p>
+
+<p>Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur
+en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen
+en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee
+meesterlijke werken: de “Confessions” en de “R&ecirc;veries.” Maar zijn
+moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën,
+die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot ’t
+uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt,
+hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in
+droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar ’t goede
+gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten,
+tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle
+windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop,
+zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang
+op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende
+melancholie.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van
+waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het
+liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het
+water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken,
+kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken
+gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den
+oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde
+bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van
+witte en gele sterren; in ’t najaar glinstert tusschen de takken het
+rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van de
+kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol
+vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid,
+streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen
+en ziel.</p>
+
+<p>Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan
+den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-populieren,
+dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever.
+De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau
+er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden
+overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige
+vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvre&ecirc;
+der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet
+hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch
+en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de
+bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al
+opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich
+urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt,
+gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide
+langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den
+rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in
+den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging
+hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot
+de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van
+het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het
+gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of
+hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem
+dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk
+genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de
+oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te
+bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij,
+God-gelijk, genoeg aan zich zelve.</p>
+
+<p>Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot
+gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.</p>
+
+<p>Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre
+stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo
+ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist.
+Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat
+vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar
+wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets
+gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in
+die bloemige, ruischende eenzaamheid!</p>
+
+<p>Toen kwam ’t bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het
+grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een
+edel, doodelijk-gewond hert.</p>
+
+<p>Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met ’t plan naar
+Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij
+voelde zich ziek en uitgeput, “ofschoon blij,” schreef hij nazijn
+aankomst in Straatsburg, “weer tusschen menschen te zijn, na de wilde
+beesten, die Zwitserland bewonen.” Hij werd er warm ontvangen en
+befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den “Dorpswaarzegger”
+plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de
+Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou
+gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord
+Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij
+besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al
+herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou
+vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk
+door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef er
+een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het
+stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl
+bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij’s
+morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen;
+hij vond dit verschrikkelijk: “nooit heb ik zoo geleden,” schreef hij.
+Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de
+reis: den 17den Januari ’66 vertrokken zij, met nog een derde
+reisgenoot, over Calais naar Londen.</p>
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2><a name="chap05"></a>VIJFDE HOOFDSTUK<br/>
+WAAN EN VREDE.</h2>
+
+<p>
+Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met
+Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke
+klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken
+op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor
+Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen
+vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun
+politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun
+strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar
+die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn
+zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook
+de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu en
+Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de
+elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg
+om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun
+eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle
+manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in
+menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide
+kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te
+krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de
+gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen
+opnemen. Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in
+de opgaande lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland
+een toevlucht zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn
+enthousiasme voor de publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed
+gebroken, in hem was geen andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger
+een paar maal gepoogd Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en
+gedurende zijn verblijf in Engeland schijnt hij er niet de minste moeite
+meer toe gedaan te hebben: na verscheiden maanden beweerde hij nog
+slechts enkele woorden te kennen. Dit maakte dat hij zoo goed als geheel
+geïsoleerd was, machteloos tot eenig geestelijk verkeer met de natie in
+wier midden hij leefde. En de omstandigheid dat dit isolement niet
+vrijwillig maar gedwongen was, moest hem een gevoel geven van groote
+verlatenheid.</p>
+
+<p>Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is
+onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen
+zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste
+wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich
+vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt
+voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan
+monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te
+kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel
+in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.</p>
+
+<p>Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van
+Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar
+feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de
+buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou
+waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en
+bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht
+van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van
+de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt,
+dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar
+genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren
+ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het
+phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den
+prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op ’t lijf vallen, en Hume
+van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in
+zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd
+de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der “bewijzen”
+die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens “verraad” aanhaalde:
+toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige
+gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig
+antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt,
+herhalend: “maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje.”
+De sceptische Schot vond zoo’n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.</p>
+
+<p>Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende
+omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen
+tegen Hume moesten opwekken.</p>
+
+<p>Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de
+rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De
+koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en
+besloot aldus.... “Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er
+in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit
+aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te
+breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de
+vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht
+en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te
+vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te
+worden.”</p>
+
+<p>Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke
+grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was
+voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent de
+voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa
+vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den
+opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van
+spijtachtigheid om Rousseau’s vermaardheid, en dien zijn grootheid en
+het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd
+zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen
+met andere letterkundigen, dezen “grappigen” brief had opgesteld.
+Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig
+mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd
+geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de
+nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij
+hield d’Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge
+mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de
+hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis:
+dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan
+de grap medeplichtig was.<a href="#fn53">[53]</a> Is dit werkelijk zoo, dan moet men ’t op
+zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich
+voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn
+rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.</p>
+
+<p>Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als
+zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere
+vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d’Epinay,
+natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het
+toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme
+d’Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den
+schrijver der “Lettres de la Campagne,” bij Rousseau bijzonder verdacht
+moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist&mdash;hij
+zelf was toen reeds niet meer te Londen&mdash;stond het voor hem vast, dat
+Hume met zijn vijanden heulde.</p>
+
+<p>Hume had hem aanvankelijk,&mdash;tegen zijn zin, hij zelf drong aan op
+grooter afzondering,&mdash;ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt
+van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen
+letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem.
+Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten
+zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende
+plaatsen; na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren
+Mr. Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in
+het oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner
+beschikking stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes
+met zijn gezin kwam er maar enkele weken in het jaar.</p>
+
+<p>In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten
+lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis
+was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en
+maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en
+bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij
+genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg
+der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van
+tuin-aanleg niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die
+de natuur meer ongerept liet.</p>
+
+<p>Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag
+alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.</p>
+
+<p>Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde,
+hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van
+het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een
+enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de
+buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en
+beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude,
+wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin
+van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen;
+zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige
+streek.</p>
+
+<p>Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden
+daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het
+voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen,
+donkeren, eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte
+en loerde: waanzin omnachtte zijn gemoed.</p>
+
+<p>De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de
+goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk
+paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze
+overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend
+geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van
+vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest
+maken, was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer
+behoeve lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar
+dat gaf ook niet veel. Al gauw kwam ’t tot twist en gekijf tusschen
+Thérèse en de dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel
+aanleiding toe, want haar eigen zenuwen werden in elk opzicht op een
+zware proef gesteld, nu de toestand van Rousseau zooveel erger was dan
+ooit te voren. Het is begrijpelijk dat de arme vrouw zich
+verschrikkelijk eenzaam voelde en maar één wensch had: “in godsnaam hier
+vandaan, terug naar Frankrijk.”<a href="#fn54">[54]</a></p>
+
+<p>Rousseau kwam in Wootton met ’t vaste voornemen om de wereld en haar
+strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch
+vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet,
+wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In ’t geval van Rousseau
+was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de
+onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze
+bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in
+een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer
+geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke
+inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende
+behandeling, hem door Mme d’Epinay en zijn andere oude vrienden
+aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de “Emile,” de spanning van den
+tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn
+verblijf daar een einde maakte,&mdash;alles had er toe bijgedragen zijn
+evenwicht al meer te verstoren.</p>
+
+<p>En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en
+een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn
+eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke
+handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband
+met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een
+onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die
+zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers,
+na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe
+spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den
+beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een
+muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich
+zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume
+bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was
+een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in
+Engeland tegen hem op.</p>
+
+<p>Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te
+worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der
+Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en
+wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem
+ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau
+wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij niet
+bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der
+verstands-verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn
+gemoedsrust terug te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der
+menschen te onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van
+de buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer
+lezen. Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder
+verdere explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille
+van zijn eigen rust. Maar ’t gevoel, verraden en bedrogen te worden door
+wie zich voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in
+hem, dan dat hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij
+zich voelde, had hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef
+hij kortere of langere epistels, aan du Peyrou, aan d’Ivernois, aan de
+Malesherbes, aan Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord
+Maréchal, aan Guy, zijn hollandschen uitgever, om zich te beklagen over
+Hume, die, samenzwerend met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland
+had gelokt om hem daar schandelijk te behandelen, van alle verkeer met
+de buitenwereld af te snijden en te doen omkomen van verdriet en
+ellende. Hoe Hume in die zaak van den brief van Walpole had gehandeld,
+hoe de jonge Tronchin bij hem verblijf hield, hoe hij tegen den wil van
+Rousseau, om dien te deemoedigen, aan anderen had verteld, dat de koning
+van Engeland den schrijver een jaargeld wilde schenken, hoe hij door
+Ramsay een portret van Rousseau had laten schilderen, dat hem afbeeldde
+als een cycloop zoo norsch en somber, terwijl Hume zelf op zijn
+konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; hoe Rousseau Hume in
+zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had hooren uitroepen “je
+tiens Jean Jacques Rousseau” (ik heb Rousseau in mijn macht); hoe Hume
+op hem en Thérèse “lange, doordringende blikken” placht te vestigen, die
+Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven langs allerlei
+omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden dek-adressen
+op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, dat al
+zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend
+werden; tusschen Londen en Wootton waren “de netten uitgezet,” die
+slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde
+op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door
+A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had
+herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau
+weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een
+formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij
+onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich&mdash;men kan bijna niet
+aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau
+was&mdash;op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn
+Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische
+coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om
+aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte
+den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den
+titel “Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau” (Beknopt
+overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen:
+van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de
+meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak:
+“zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster
+van ondankbaarheid was.” Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de
+Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, dat
+zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf
+natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet
+meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te
+kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist
+met Rousseau, zei men, had hij zich voor ’t eerst van zijn leven driftig
+gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, en
+begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te
+verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires,
+gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar
+wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; ’t vervulde
+hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in
+zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar
+aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het
+halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen
+had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn
+wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk
+zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers,
+die hem in ’t begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de
+gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord:
+“Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig
+dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een
+bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer
+genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne
+beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen
+anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de
+vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij
+evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar
+troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in ’t hart van onzen
+vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend.”</p>
+
+<p>In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht
+er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn
+vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen
+onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar
+uit ’t gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de
+dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk
+ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr.
+Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de
+eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei
+verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en
+betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies.
+Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij
+vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding,
+in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos
+ongelukkig en verlaten voelend na ’t ronddwalen in een land waar niemand
+hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar
+Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen
+zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust
+dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen
+wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij
+was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch
+bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek
+hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet
+verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield
+hij een toespraak tot ’t volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met
+Thérèse in naar Calais.</p>
+
+<p>Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende
+later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.</p>
+
+<p>In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk
+brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den
+beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een
+bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem
+den bijnaam bezorgd van den “vriend der menschheid.” Als bewonderaar van
+Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der
+talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel
+Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging
+in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den
+marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen,
+hij zeer verlangde den “vriend der menschheid” te leeren kennen. Deze
+kwam, en voerde den schrijver in alle stilte&mdash;het vonnis van ’t hof van
+Parijs was nog van kracht&mdash;naar zijn buitenverblijf te Fleury bij
+Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige
+persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte
+hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat
+hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende
+bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote
+belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te
+hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van
+den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen
+Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht
+bij Parijs.</p>
+
+<p>De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren
+voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de
+prins van Conti ’t ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch
+hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel,
+omringd door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak
+voelden, die van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten
+vinden en in Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen
+orders beliefden aan te nemen.</p>
+
+<p>Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven
+zijn nood. Reeds in Augustus&mdash;in Juni betrok hij ’t kasteel&mdash;schreef
+hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de
+buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo
+onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de
+moestuinen van ’t kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld,
+hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme
+de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had
+afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat
+hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de
+bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren
+en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen
+opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De
+eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid&mdash;hij
+sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en
+een weinig aan zijn “Bekentenissen” schrijven&mdash;werkte weer even slecht
+op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen
+maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn
+vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij
+gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de
+boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke
+schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam.
+Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht
+hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer men
+hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken
+schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du
+Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken,
+schreef hij: “het is niet duidelijk wat ’t ergst behandeling noodig
+heeft, mijn lichaam of mijn geest.”</p>
+
+<p>Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra
+het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen.
+Zijn geestverwanten uit Genève&mdash;waar de inwendige beroeringen
+voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te
+hoonen&mdash;wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad
+in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de
+inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren
+gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat
+zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een
+schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate
+van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het
+standpunt der “ongebreidelde demokratie” van de algemeene vergadering,
+als tegen dat der “hevige aristokraten” van den Kleinen Raad.</p>
+
+<p>Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo
+had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze
+had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te
+kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij
+hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht
+vertrok hij, in Juni ’68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van
+dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem ’t kasteel te
+verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem
+gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek
+nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van
+Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem
+weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou
+terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok&mdash;alleen
+ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen
+was niet erg goed in dien tijd&mdash;naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de
+macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon
+bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had
+aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken
+hem ’t klad te willen opsturen van ’t vervolg op den “Emile,” waaraan
+hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets
+anders als de “Bekentenissen” bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich
+zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij
+botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in
+Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en
+als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der
+natuur in te wijden, schreef hij haar eenige “Brieven over botanie” die
+een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze
+wetenschap bevatten.</p>
+
+<p>Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het
+graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble
+een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde
+hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude
+galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine
+geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau
+bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met ’t wijdvertakte
+complot, waarvan hij ’t slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek
+bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: ’t bleek dat de bewering van
+dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet
+tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden
+aangrijpen om ’t komplot op ’t spoor te komen, waarvan de oude boef een
+der duistere werktuigen was; dat zij ’t niet deden versterkte hem in
+zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo
+overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij
+aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na
+zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en
+weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje
+tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar
+zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de
+plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke
+verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak
+hij altijd over haar als “mijn vrouw” of “Mme Renou,” de schuilnaam, die
+hij in Trye had aangenomen.</p>
+
+<p>In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse
+ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen
+dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of
+Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug
+te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging
+natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn
+bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te
+ontkomen; zoodra ’t bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering
+vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. Na
+een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den
+omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis,
+hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende
+opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en
+haar beleedigden.</p>
+
+<p>Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem
+aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide
+gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was
+dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor
+hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over
+is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even
+moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel
+een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is.
+“Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen
+zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal
+meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze
+harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten
+drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen
+te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts
+een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen.”</p>
+
+<p>De geheele brief&mdash;een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het
+vertrouwelijke “tu” (jij) gebruikt&mdash;een brief vol zachte verwijten, vol
+konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer
+worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor
+Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden
+die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit
+dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar
+ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen
+tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander
+werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel
+een deel van zichzelven.</p>
+
+<p>Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen
+zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een
+verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche
+voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn,
+zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk
+zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te
+behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer
+vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn
+verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben
+gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn?
+Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was
+voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die
+verlichting ten minste nooit ontbeerd.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In Monquin voltooide Rousseau de “Bekentenissen,” waaraan hij nu vijf
+jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen
+naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti.
+Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke
+drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij
+weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden
+blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in
+’62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen;
+Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk
+plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen
+politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met
+rust.</p>
+
+<p>Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue
+Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude
+bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en
+werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat<a href="#fn55">[55]</a> en zijn
+bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen
+rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St.
+Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren,
+beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:</p>
+
+<p>“In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques
+Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue
+Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde
+verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: “kom
+binnen, heeren, mijn man is thuis.” Wij gingen door een klein
+voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes
+opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een
+calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht
+op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met
+ons pratend.</p>
+
+<p>“Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets
+hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn
+gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn
+mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd
+was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken
+dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een
+groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten
+verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van
+het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn
+gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van
+iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en
+medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en
+toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van ’t
+vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel,
+een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de
+wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij
+gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn
+vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan ’t
+plafond bevestigd, zong een kanarie; op ’t kozijn van ’t venster, dat
+aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor ’t
+raam van ’t andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur
+ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid,
+vrede en eenvoud, die ’t hart goed deed.”</p>
+
+<p>Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan
+die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de
+oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de “Bekentenissen” heeft
+herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste
+werk, de “Dialogen,” wenschte hij zich zelven geluk met het feit, “van
+in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij
+geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen
+te zijn.”</p>
+
+<p>Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren
+besteedde hij aan ’t kopieëren van muziek en ’t drogen, schikken en
+opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste
+zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan
+dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde
+in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij
+betitelde die verzameling “Vertroostingen in de ellende van mijn
+bestaan.” In den middag bezocht hij ’t een of andere koffiehuis, om de
+nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen
+in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een
+hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag
+twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd
+was ’t gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu
+een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn.
+Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij,
+maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder
+de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog
+altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn
+mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een
+kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als
+zijn ergdenkendheid door ’t een of ander was opgewekt, stiet hij, in
+buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn
+vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem
+verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van
+zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de
+vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen
+rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten
+dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn
+medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns
+gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden
+of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen
+gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van
+ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de
+levenden. Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een
+melaatsche, of weken schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend
+gemaakt bij alle bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers,
+spionnen, barbiers, bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs;
+verlangde hij een boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad
+niet te vinden; de schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de
+veerlieden wilden hem niet overzetten. Steeds meer kategorieën van
+personen hadden de machtige samenzweerders, die sedert de dagen van de
+Hermitage tegen hem komplotteerden, met minister Choiseul aan ’t hoofd,
+in hun duivelschen bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen,
+de geneesheeren, de vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten
+bekleedden en invloed hadden op de publieke opinie. Alleen ’s nachts,
+als zijn vijanden sliepen, verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon
+hij vrijuit spreken zonder beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde
+hij zich, zoo beschrijft hij zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek
+van zijn waan en zijn geestelijke omnachting, maar ook van zijn
+zachtmoedigheid en waarachtigheid, de “Dialogen.”</p>
+
+<p>Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner
+vijanden te verbreken. Uit de “Bekentenissen” meende hij, straalde de
+onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood
+verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets
+meer uit te geven; maar niets belette hem om ’t verhaal van zijn leven
+en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen;
+zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn
+vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot
+te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing
+van de “Bekentenissen” voor een besloten kring van aristokraten en
+letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in
+omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld
+zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een
+juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de
+uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een
+grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was:
+de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van ’t bewustzijn
+snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In
+hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen,
+die de aandacht trokken. Mme d’Epinay riep de hulp der politie in om
+verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder
+de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk.
+Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand
+doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij
+voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op
+andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde
+hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele.
+Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk
+de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat
+beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts
+enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als
+verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte
+geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het
+komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de
+verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en
+Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de
+hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de
+tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der “Dialogen”
+uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande
+zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de
+“Bekentenissen.” Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit
+gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen
+onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den
+mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden
+die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en
+verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche
+sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de
+gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan
+zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en
+meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn
+oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van
+list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered.
+Maar hoe zulk een mensch te vinden?</p>
+
+<p>Toen de “Dialogen” voltooid waren&mdash;hij werkte er verscheiden jaren aan,
+want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en
+vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans
+maar een kwartiertje daags aan schreef&mdash;besloot hij het werk toe te
+vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen,
+verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn
+handschrift en ging de straat op, om het op ’t groote altaar van de
+Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders,
+dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel
+hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem
+verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten,
+tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.</p>
+
+<p>Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden,
+die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven
+was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters:
+“Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft.”
+Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle
+voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen
+las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen,
+zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.</p>
+
+<p>Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden,
+die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en
+voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner
+nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige
+invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar ’t
+jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, ’t denkende, voelende,
+willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en
+ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd,
+maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.</p>
+
+<p>Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht
+op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe
+beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij
+bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge
+zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd
+en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die
+hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij
+bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij
+spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een
+vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het “Contrat Social,”
+dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven
+glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers,
+niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij
+versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel
+na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden
+en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge
+mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als
+menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der
+maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.</p>
+
+<p>Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de
+kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij
+stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel,
+schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in
+zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch
+te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te
+heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon:
+als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in
+Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was
+hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd
+voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te
+maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor
+hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het “Contrat Social” hem
+geleerd.&mdash;En alle deze spraken den naam “Jean Jacques” uit met dankbare
+liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, de
+zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige
+klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had
+hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord
+gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried,
+deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.</p>
+
+<p>Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster,
+vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te
+geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden,
+smart te lijden, te sterven&mdash;daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht
+dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair
+bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.&mdash;Welk een geluk, welk een
+heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft
+hij immers, dit is zijn levensdoel.</p>
+
+<p>Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag
+enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij
+dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het
+nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam
+op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke
+vooroordeelen.</p>
+
+<p>O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid
+nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken
+als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die
+droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is
+helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke
+krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke
+demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote
+Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten
+niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne
+arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze
+droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere
+wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote
+voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten
+in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn
+van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke
+lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.</p>
+
+<p>Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen
+dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en
+zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien,
+had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is
+hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden
+harten, en hij niets zag als vertwijfeling.</p>
+
+<p>En toch&mdash;was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen
+verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld
+tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der
+verdrukkers van alle soort, zij die leefden van den arbeid der
+ellendigen? Moesten zij niet tegen hem zijn om zijn droom van
+gelijkheid, van de ideale gemeenschap waarin allen zouden arbeiden,
+niemand rijk zijn en niemand arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden
+zij niet weldra als één man opstaan en zich samen-scharen met de
+heerschers van andere landen tegen de poging zulk eene gemeenschap te
+grondvesten? Zou hun vijandschap tegen wie haar wilden maken niet
+onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun verzet verbitterd; zouden zij
+één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte zijn waan va nvervolging èn
+grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien woesten, langen, boosaardigen
+haat samen van de heerschers tegen den verdrukte die opstaat, van de
+uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, van de meesters tegen der
+knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij nog hield, het
+vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen zou na zijn
+dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was het niet een
+verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke
+samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn
+gedachtenis, in hem roemen als in een Groote?</p>
+
+<p>Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is.
+Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan
+was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij
+door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels.
+Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid,
+maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der
+menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede
+gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig
+jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam,
+de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen
+te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart
+toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en
+lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.</p>
+
+<p>Zijn laatste boekje, de “Mijmeringen,” is doorzichtig van schoonen
+weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en
+zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de
+lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de
+troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid
+gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der
+wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende,
+schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in
+den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog
+verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het
+leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde
+tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den
+dageraad.</p>
+
+<p>Over de “Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar” ligt het teer-gouden
+waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een
+tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn
+afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die
+zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten
+weemoed van het leven scheiden kan!</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te
+slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het
+huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort
+smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou
+opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten
+bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen
+op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner
+beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe
+woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had
+tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.</p>
+
+<p>Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf
+Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te
+zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige
+wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was
+begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar
+opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen
+gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem
+van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een
+toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in
+Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug,
+dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers
+die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de
+stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener
+onbeschrijfelijke vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.</p>
+
+<p>Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel.
+Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond
+liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich
+bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot ’t gerucht dat
+hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die
+zonder te spreken; om elf uur ’s morgens stierf hij. De Girardin deed
+hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk
+hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat
+daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag
+hij daar.</p>
+
+<p>Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn
+overblijfselen overbrengen naar ’t Pantheon, om te rusten naast die van
+zijn grooten tegenstander Voltaire.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den
+boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden,
+de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele
+geslachten, de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en
+geestelijk voedsel dat zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden
+verricht, hun physieke en moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap
+waartoe zij hadden behoord, hun verhouding tot andere leden dier
+gemeenschap, deze en nog tallooze andere invloeden hielpen hem maken,
+hielpen den aanleg van het kleine menschwezen bepalen, opduikend, in de
+stad aan het donkerblauwe meer, uit de diepten der oneindigheid.</p>
+
+<p>De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de
+maatschappelijke omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring,
+maakten diepe onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn
+oorspronkelijken aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op
+’t materiaal der aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording
+van den teederen, overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken,
+vrijheidsminnenden, tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld
+introk, om zich te laten bevruchten door het leven.</p>
+
+<p>En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van
+grooten, hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en
+wijzen, harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren,
+zwerverslust en bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van
+vrouwen, de speelsche liefde en de opziende die niet droomen durft van
+bezit, pracht van bergen en dalen, bekoring van meren,
+heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de landouwen in den zomermorgen en
+de zachtvallende groene glooiingen van Savoye, ontroeringen van muziek,
+stemmen van wijsgeeren en dichters, stijgend uit de diepte der tijden of
+zwevend door den dampkring van zijn eigen tijd&mdash;al wat hij ervoer,
+dacht, deed en droomde, hielp hem tot den man maken dien hij werd in die
+poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd-gespletene en toch naar één doel
+stroomende jaren der jongelingschap.</p>
+
+<p>De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de
+maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle
+omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en
+konventie somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;&mdash;èn de
+maatschappij-kracht: de begeerten, de aspiraties, de energieën en de
+gedachten die de maatschappij-beweging omhoog stuwt, de wil tot
+vernieuwing der levenswaarden die zij in de harten wekt wanneer de tijd
+rijp is voor de vernieuwing der levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en
+gezinsverhoudingen) die beide groote krachten voedden de krachten van
+zijn wezen, doordrongen ze, smolten met ze samen, met zijn weeke
+zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, zijn innig gevoel en zijn
+scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die zijn eigen was van
+innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te tooveren tot
+schoonen droom.</p>
+
+<p>Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over
+hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het
+verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een
+nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis.
+Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een
+onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen
+wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende
+spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet
+waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef,
+hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen
+andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de
+maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de
+maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter
+volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van
+zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij
+wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was,
+dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die
+geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,&mdash;maar hij hoorde de
+roepstem en volgde haar.</p>
+
+<p>Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen
+zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn
+hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve
+neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij
+overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van
+onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens
+wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel
+en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn
+liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls
+zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk
+betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de
+gloed van geestdrift voor zijn idealen,&mdash;met een anderen naam: de
+liefde tot de menschheid,&mdash;èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid
+van den kunstenaar.</p>
+
+<p>Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de
+wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij
+verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn
+afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van
+zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem
+als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den
+hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen,
+broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om
+zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af om
+vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls
+ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit
+zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang,
+niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog de
+waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde
+prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken
+waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen
+zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in
+wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte&mdash;maar wel was het zijn
+verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp
+nauwkeurig en volledig als hij kon.</p>
+
+<p>Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde:
+het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende
+beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in
+hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen
+zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en
+schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij
+vervallen in schaamteloos cynisme.</p>
+
+<p>Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een
+ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.</p>
+
+<p>Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de
+hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle
+enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.</p>
+
+<p>De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar
+hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was
+nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling
+tegen het oude regiem voerden&mdash;de intellektueelen, de groote, de
+midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,&mdash;hadden een
+gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap,
+den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij
+voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het
+ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op
+het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen
+der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren,
+vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid
+van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland&mdash;dat hùn
+vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren.
+Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat,
+ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit
+Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en
+heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had
+hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den
+stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden
+zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair
+schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid
+uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.</p>
+
+<p>De tegenstellingen in den schoot van den “Tiers Etat,” d.w.z. van de
+burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in
+den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende
+klassen, onder den naam van “derden stand” saamgevat, al strijdend
+bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige
+belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die
+tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door
+afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke,
+en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende
+richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit
+’t een en ’t ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der
+speciale belangen van een bepaalde groep uit den “derden stand,” niet de
+verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en
+verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was,
+bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan
+tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling
+tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.</p>
+
+<p>En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende
+en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in de
+jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen
+hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de
+Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe,
+zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen
+en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den
+koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de
+republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon
+vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen.
+Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag
+idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld
+met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden
+zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere
+demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering als
+een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, de
+rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote
+bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden,
+maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen,
+een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben
+uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de
+stoutmoedige revolutionnairen van ’93, die tegen zijn uitdrukkelijke
+voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan
+vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot
+regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in,
+naar sterke centralisatie streefden,&mdash;en die toch terecht beseften meer
+dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en
+vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden
+dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden
+die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen,
+gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden van
+binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken
+maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn
+vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende
+verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke
+rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in
+normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt
+en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even
+verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken
+dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige
+behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het
+onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan
+van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze
+bijkomstigheden schenen&mdash;al had hij dit anders gevoeld&mdash;was ook de
+hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch.
+Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en
+toen zij de “Rechten van den Mensch,”&mdash;gelijk zij die meenden uit het
+wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en
+onveranderlijk,&mdash;afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw
+der constitutie van ’93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de
+uitdrukking haast letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten
+meester, dat hun staatkundig evangelie was.</p>
+
+<p>In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot ’t hoogst was
+gestegen, dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in
+den staat uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk
+regeerden, den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig,
+op sociaal en op godsdienstig gebied.</p>
+
+<p>Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der
+revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de
+uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de
+staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het
+best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een
+groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de
+regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te
+keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij&mdash;ofschoon zich kantend tegen
+iederen maatregel in communistische richting&mdash;de plicht van den staat om
+de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het
+recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en
+dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de
+vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den
+Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het
+opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van
+den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof
+aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale
+Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd,
+dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan
+slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn
+goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.</p>
+
+<p>Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken,
+een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de
+basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische
+produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische
+afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der
+onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren
+ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der
+revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois,
+avonturiers en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den
+heldenmoed, het lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de
+reusachtige inspanning van het geheele volk&mdash;toen taande ook de invloed
+van den grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd
+had bezield. In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar
+alleen in schijn. Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na
+de Gironde en de Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu
+op hem de zatte bourgeois van het Directoire; zij haalden met
+welgevallen zijn liefde aan voor orde en rust, om de hunne te
+rechtvaardigen; zij trachtten den uitdoovenden geestdrift van het volk
+op te wekken door het organiseeren van openbare feesten, zooals hij er
+toe had aangespoord, maar waarin de gloed van vaderlandsliefde en de
+geest van broederlijkheid die ze moest bezielen, geheel ontbraken. Zij
+droegen zijn naam op de lippen, zij droegen niets van zijn wil meer in
+het hart.</p>
+
+<p>Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens
+gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In
+zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke
+vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den
+grondslag van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan
+op den bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus
+Baboeuf heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich
+op Rousseau evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau
+nooit het communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de
+gelijkheid en vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en
+onderdrukking boven alles gehaat, en nu gebleken was in de school der
+revolutie, dat het privaatbezit de wortel was van uitbuiting en
+dienstbaarheid, van lediggang en ellende, waren nu wie dat bezit wilden
+opheffen niet de echte zonen van zijn geest? Zijn drang tot de waarheid,
+zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische gezindheid hadden hem
+gevoerd tot aan de uiterste grenzen der individualistisch-kleinburgerlijke
+sociale idealen. Verder was hij niet gekomen, maar wie ook slechts één
+stap verder ging, moest de zon van het socialisme zien opgaan. Dien stap
+deed Baboeuf.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau
+leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van
+zijn pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de
+verinniging en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en
+bereikt had, zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen,
+natuurlijken, mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in
+Frankrijk gedurende de revolutie het pseudo-klassicisme, het
+koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, over-regelmatige,
+oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, zonder innigheid
+en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en bestreden had. Het
+overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen van het uiterlijke
+leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden maakten de kunst zoo.</p>
+
+<p>Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk “Over
+Literatuur,” dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast
+Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met
+de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en
+denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste
+manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest
+algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle
+woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote
+wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was
+voorgegaan.</p>
+
+<p>Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in
+Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele
+richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken,
+een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het
+politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig
+natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de
+burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische
+zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige
+gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling
+bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en
+specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het
+heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige
+vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar
+de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde
+enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den
+schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij
+zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze
+heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in
+de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de
+romantiek.</p>
+
+<p>Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der
+conventioneele banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had
+uitgeraasd, en het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit
+uitbeelden van den geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden
+ook van het slechte, zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige,
+gruwelijke en monsterlijke naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger
+waren en stiller, zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral
+toe op het scherp bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en
+innerlijke ervaring, zij waren de diepe ploegers die de kunst
+verinnerlijkten, nadat die eersten hare grenzen vele mijlpalen verder
+hadden uitgezet. Zij beluisterden de verste en zwakste tonen en
+ondertonen, opstijgend uit de diepten van dien kosmos: den
+lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren de naturalisten en de
+impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. En ook van hunne
+kunst lag de kiem in Rousseau.</p>
+
+<p>Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was
+anders dan alle anderen&mdash;en dit moest immers zoo zijn, want het groote
+wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke
+uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van
+het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was
+hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd
+behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door
+de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en
+politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij
+behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en
+elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers,
+tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken
+gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en
+geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer
+van doode regelmaat en konventioneele schema’s, de hartstochtelijke
+liefde tot het leven, tot &agrave;l zijne verschijnselen. En al deze trekken,
+die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller
+geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke
+literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de
+psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der “Nouvelle
+Héloïse,” der “Confessions” en der “R&ecirc;veries.”</p>
+
+<p>Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche
+schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest
+wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der
+anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid
+van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke
+gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog
+te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar
+doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder
+fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester
+Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in
+tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de
+sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed
+gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het
+communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat
+Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen
+lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen
+te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te
+scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne
+gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de
+eigenheid van zijn wezen.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele
+levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen
+van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind
+en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten
+overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige
+idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel
+dat zijn.</p>
+
+<p>De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie
+maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door
+reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de
+inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den
+dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij
+bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de
+grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke
+ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen
+bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd
+zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig
+denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel
+belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en
+gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische
+dogma’s. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende
+proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten.
+Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van
+Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de
+wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en
+daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de <i>algemeene</i>
+toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van
+doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis,
+blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben
+veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.</p>
+
+<p>Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis.
+Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd
+en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke
+produktiewijze en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor
+onderdrukking en uitbuiting, liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo
+groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo allesbeheerschend in hem was op ’t
+hoogtepunt van zijn leven, dat hij de vrije wilden, machteloos tegenover
+de natuur, verkoos boven de heeren en knechten der beschaving,&mdash;daarom
+bereikte hij de verste grenzen van het burgerlijk willen en is de
+arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. Want die demokratie,
+zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten voor alle
+menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan in de
+socialistische maatschappij.</p>
+
+<p>Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de
+individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de
+bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het
+kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner
+krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te
+vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de
+liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken
+weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die
+verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met
+de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen
+aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het
+zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van
+ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van
+menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar
+de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en
+koloniale oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van
+ekonomisch-achterlijke volken. Het zal een oogst van broederschap en
+vrede doen opgaan over de aarde.</p>
+
+<p>Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar
+maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen
+voorstelling had.</p>
+
+<p>Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude
+afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden
+zullen zijn;&mdash;wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige
+menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in
+vrijheid;&mdash;wanneer de onrust en de onvre&ecirc; en de wanorde van onze dagen
+den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan
+zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere
+verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier
+menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat de
+diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen
+hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en
+Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen
+vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen,
+opgaan van den enkeling in het geheel.</p>
+
+<p>Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der
+Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.</p>
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div class="chapter">
+
+<h2>NOTEN:</h2>
+
+<p><a name="fn1">[1]</a> Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV,
+boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot
+XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het
+felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn
+ideologische “verkeerdheid” komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. in
+de volgende opmerking: “Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal geen
+godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel
+drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan
+de zijde der ketterij.” De opvatting van Michelet dat de ideeën de
+drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale
+oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de
+ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.</p>
+
+<p><a name="fn2">[2]</a> Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn
+wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de
+Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel
+lager geweest zijn.</p>
+
+<p><a name="fn3">[3]</a> Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere
+geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.</p>
+
+<p><a name="fn4">[4]</a> Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.</p>
+
+<p><a name="fn5">[5]</a> Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l’Industrie en
+France.</p>
+
+<p><a name="fn6">[6]</a> Mémoires et Journal du Marquis d’Argenson, Deel VIII.</p>
+
+<p><a name="fn7">[7]</a> Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39&#8212;40.</p>
+
+<p><a name="fn8">[8]</a> De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst
+van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats,
+terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is
+opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden
+uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische
+vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te
+herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.</p>
+
+<p><a name="fn9">[9]</a> Levasseur, bl. 536.</p>
+
+<p><a name="fn10">[10]</a> Martin, Histoire de France, Deel XVI.</p>
+
+<p><a name="fn11">[11]</a> Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den
+Franschen handel een geweldigen knak toebracht.</p>
+
+<p><a name="fn12">[12]</a> Levasseur, bl. 549.</p>
+
+<p><a name="fn13">[13]</a> F. Rocquain, L’Esprit révolutionaire avant la Révolution.</p>
+
+<p><a name="fn14">[14]</a> Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.</p>
+
+<p><a name="fn15">[15]</a> Windelband, bl. 359.</p>
+
+<p><a name="fn16">[16]</a> Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk
+der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband’s Geschichte
+der neueren Philosophie.</p>
+
+<p><a name="fn17">[17]</a> Eenige krasse staaltjes van Voltaire’s anti-demokratische
+gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald
+bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.</p>
+
+<p><a name="fn18">[18]</a> Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.</p>
+
+<p><a name="fn19">[19]</a> Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts “het geheim van1
+allen” uit.</p>
+
+<p><a name="fn20">[20]</a> Bij dit oproer hoorde men voor ’t eerst de kreten “A Versailles;
+br&ucirc;lons Versailles”&mdash;de haat van het volk tegen den wellusteling en
+graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die
+tegen Lodewijk de XVIde.</p>
+
+<p><a name="fn21">[21]</a> F. Rocquain, de l’Esprit révolutionaire, bl. 298.</p>
+
+<p><a name="fn22">[22]</a> De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk
+noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige
+vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige
+vrouw te beschouwen.</p>
+
+<p><a name="fn23">[23]</a> E. et J. de Concourt, “La femme au XVIIIième siècle,” blz. 296.</p>
+
+<p><a name="fn24">[24]</a> O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau
+heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse
+uitgelaten.</p>
+
+<p><a name="fn25">[25]</a> Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley,
+wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid
+der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.</p>
+
+<p><a name="fn26">[26]</a> Aan ’t hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest.
+Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire
+kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had
+burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar “eenvoud” en
+“natuur;” de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de
+overladen weelderigheid van het rococo.</p>
+
+<p><a name="fn27">[27]</a> Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl.
+de vraag in hoeverre Diderot’s raad Rousseau bij de samenstelling van
+zijn eerste “Discours” heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk
+te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau’s verhaal van zijn innerlijk
+gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate
+psychologisch-waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van
+bemoediging en bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten
+betroffen hebben.</p>
+
+<p><a name="fn28">[28]</a> “De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo
+Colletet in de vorige eeuw “van keuken tot keuken zijn brood zocht”
+(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van
+den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de
+18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld
+worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan
+eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van
+ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de
+schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar
+habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken” (Michelet,
+Histoire de France, XVI, 84).</p>
+
+<p><a name="fn29">[29]</a> In de “Confessions” bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor
+het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven
+was die hem de audiëntie deed weigeren.</p>
+
+<p><a name="fn30">[30]</a> Haar meest bekende werk zijn de “Mémoires de Madame d’Epinay,” die
+langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van
+Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald
+(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan ’t licht gebracht, dat
+deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een
+lange letterkundige machinatie tusschen Mme d’Epinay, Grimm en Diderot,
+dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven
+van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie “Vie de
+Rousseau,” blz. 188-189).</p>
+
+<p><a name="fn31">[31]</a> Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de
+liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den
+“Tristan” maakte.</p>
+
+<p><a name="fn32">[32]</a> Mme d’Epinay beschuldigt Thérèse van ’t schrijven van een anonymen
+brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer
+onwaarschijnlijk is. ’t Ligt voor de hand, dat, waar Mme d’Houdetot en
+Rousseau bijna voortdurend samen waren, samen wandelden in den
+maneschijn, enz. en de gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring
+als St. Lambert behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten
+en praatjes St. Lambert <i>moesten</i> bereiken.</p>
+
+<p><a name="fn33">[33]</a> Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen:
+hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had
+gebracht.</p>
+
+<p><a name="fn34">[34]</a> Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire
+Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige
+verbeeldings-lijst; en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel
+beeldend is.</p>
+
+<p><a name="fn35">[35]</a> De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan
+zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den
+“franschen geest” te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare.
+Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot,
+zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van
+diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote
+overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en
+der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale
+faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de
+traditie.</p>
+
+<p><a name="fn36">[36]</a> Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.</p>
+
+<p><a name="fn37">[37]</a> Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.</p>
+
+<p><a name="fn38">[38]</a> In den “Emile” schreef hij: “Wij naderen tot den staat van krisis
+en de eeuw der omwentelingen.”</p>
+
+<p><a name="fn39">[39]</a> Zie K. Marx, “Das Kapital” Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der
+Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire
+uiteenzetting: H. Gorter “Het Historisch Materialisme.”</p>
+
+<p><a name="fn40">[40]</a> Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool,
+die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de
+<i>passiviteit</i> van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke
+en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in
+het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen.
+Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht
+in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk
+dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot
+revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.</p>
+
+<p><a name="fn41">[41]</a> Gorter.</p>
+
+<p><a name="fn42">[42]</a> Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de
+plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.</p>
+
+<p><a name="fn43">[43]</a> Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een
+poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.</p>
+
+<p><a name="fn44">[44]</a> Deze uitlating luidt: “Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel
+ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die
+terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de
+grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn
+mede-menschen toewierp: “Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo
+ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem
+zelf aan niemand behoort”</p>
+
+<p><a name="fn45">[45]</a> “La Réunion des Amours,” van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de
+Goncourt, “La femme au 18ième siècle.”</p>
+
+<p><a name="fn46">[46]</a> “La femme au 18ième Siècle,” blz. 173.</p>
+
+<p><a name="fn47">[47]</a> Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.</p>
+
+<p><a name="fn48">[48]</a> “Contes Moraux de Marmontel;” aangehaald in “La femme au 18iéme
+Siècle,” blz. 239.</p>
+
+<p><a name="fn49">[49]</a> Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers
+te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het
+regeerstelsel van Polen.</p>
+
+<p><a name="fn50">[50]</a> Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de
+inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.</p>
+
+<p><a name="fn51">[51]</a> Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de
+groot-kapitalistische maatschappij.</p>
+
+<p><a name="fn52">[52]</a> “Mijnheer,” luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand
+die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, “ik heb gezegd, wat ik
+wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer
+weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is
+beter dat ik zwijg.”</p>
+
+<p><a name="fn53">[53]</a> Ook Faguet neemt dit aan.</p>
+
+<p><a name="fn54">[54]</a> Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse
+een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+kasteelen&mdash;eerst in Engeland, later in Frankrijk&mdash;met een zenuwzieken
+man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet
+opgewassen voelde&mdash;alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te
+komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen
+en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.</p>
+
+<p><a name="fn55">[55]</a> Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen;
+sommige biographen spreken van 1800 francs.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+</div><!--end chapter-->
+
+<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***</div>
+<div style='text-align:left'>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Updated editions will replace the previous one&#8212;the old editions will
+be renamed.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
+States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg&#8482; electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG&#8482;
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away&#8212;you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+</div>
+
+<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div>
+<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div>
+<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+To protect the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase &#8220;Project
+Gutenberg&#8221;), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg&#8482; License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg&#8482;
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg&#8482; electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person
+or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.B. &#8220;Project Gutenberg&#8221; is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg&#8482; electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg&#8482; electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg&#8482;
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (&#8220;the
+Foundation&#8221; or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg&#8482; electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg&#8482; mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg&#8482;
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg&#8482; name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg&#8482; License when
+you share it without charge with others.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg&#8482; work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg&#8482; License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg&#8482; work (any work
+on which the phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; appears, or with which the
+phrase &#8220;Project Gutenberg&#8221; is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+</div>
+
+<blockquote>
+ <div style='display:block; margin:1em 0'>
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
+ other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+ whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+ of the Project Gutenberg License included with this eBook or online
+ at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you
+ are not located in the United States, you will have to check the laws
+ of the country where you are located before using this eBook.
+ </div>
+</blockquote>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase &#8220;Project
+Gutenberg&#8221; associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg&#8482;
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg&#8482; electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg&#8482; License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg&#8482;
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg&#8482;.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg&#8482; License.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg&#8482; work in a format
+other than &#8220;Plain Vanilla ASCII&#8221; or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg&#8482; website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original &#8220;Plain
+Vanilla ASCII&#8221; or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg&#8482; License as specified in paragraph 1.E.1.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg&#8482; works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg&#8482; electronic works
+provided that:
+</div>
+
+<div style='margin-left:0.7em;'>
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg&#8482; works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg&#8482; trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, &#8220;Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation.&#8221;
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg&#8482;
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg&#8482;
+ works.
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+ </div>
+
+ <div style='text-indent:-0.7em'>
+ &#8226; You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg&#8482; works.
+ </div>
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg&#8482; electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg&#8482; trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg&#8482; collection. Despite these efforts, Project Gutenberg&#8482;
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain &#8220;Defects,&#8221; such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the &#8220;Right
+of Replacement or Refund&#8221; described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg&#8482; trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg&#8482; electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you &#8216;AS-IS&#8217;, WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg&#8482; electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg&#8482;
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg&#8482; work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg&#8482; work, and (c) any
+Defect you cause.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg&#8482;
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg&#8482;&#8217;s
+goals and ensuring that the Project Gutenberg&#8482; collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg&#8482; and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org.
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation&#8217;s EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state&#8217;s laws.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Foundation&#8217;s business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation&#8217;s website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; depends upon and cannot survive without widespread
+public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state
+visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+</div>
+
+<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'>
+Section 5. General Information About Project Gutenberg&#8482; electronic works
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg&#8482; concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg&#8482; eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Project Gutenberg&#8482; eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>.
+</div>
+
+<div style='display:block; margin:1em 0'>
+This website includes information about Project Gutenberg&#8482;,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+</div>
+
+</div>
+
+</body>
+</html>
+
diff --git a/old/old/12009-8.txt b/old/old/12009-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..fb2a533
--- /dev/null
+++ b/old/old/12009-8.txt
@@ -0,0 +1,9889 @@
+Project Gutenberg's Jean Jacques Rousseau, by Henriette Roland Holst
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Jean Jacques Rousseau
+ Een beeld van zijn leven en werken
+
+Author: Henriette Roland Holst
+
+Release Date: April 9, 2004 [EBook #12009]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+JEAN JACQUES ROUSSEAU
+
+
+EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN
+
+MET EENIGE PORTRETTEN
+
+van
+
+HENRITTE ROLAND HOLST
+
+
+
+[Illustratie: JEAN JACQUES ROUSSEAU.]
+
+
+INHOUD
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd.
+
+ I. Genve aan den aanvang der XVIIIde eeuw
+ II. Kindsheid
+III. De zwerver
+ IV. Groei
+
+TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs.
+
+ I. Midden der XVIIIde eeuw
+ II. Het moeizame leven
+III. De eerste fanfaren
+
+DERDE HOOFDSTUK: De groote foren.
+
+ I. Naar de vereenzaming
+ II. De Katastrophe
+III. De werken der groote jaren
+
+VIERDE HOOFDSTUK:
+
+De laatste worsteling
+
+VIJFDE HOOFDSTUK:
+
+Waan en Vrede
+
+Lijst van illustraties
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK
+
+JEUGD.
+
+
+I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW
+
+In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme
+geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst
+en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het
+maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen
+bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had
+gestuwd.
+
+Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen
+bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genve,
+terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar
+heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de
+XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van
+verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken.
+Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen
+weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en
+sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel
+overschreed, dat is in di landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie
+bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der
+manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden;
+--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij
+tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook
+het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe
+kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden
+verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen,
+de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen,
+puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en
+behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in
+Holland als in Engeland, met ne in het spel der krachten te zijn die
+het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere
+klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers,
+visschers en boeren.
+
+Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten
+handwerkersstand, maakte in Genve de ruggegraat der bevolking uit,
+en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon
+het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot
+onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie.
+De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt
+van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en
+levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens
+was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn.
+Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren,
+en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare
+gelijkvormige massa.
+
+Onder de ambachten was er n, van oudsher inheemsch in Genve, van
+bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het
+eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was
+de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den
+handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten
+der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en
+beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun
+beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.
+
+De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer.
+Zij verbond de stad, zoo gesoleerd door godsdienst en regeeringsvorm
+tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen
+die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte,
+ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiele
+beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest
+bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen
+zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar
+gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en
+de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.
+
+De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het
+begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar
+kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk,
+die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven
+zouden zijn weggespoeld.
+
+Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad
+voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een
+onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger
+van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke
+feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine
+steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen
+van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed
+en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke
+vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn,
+werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.
+
+Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de
+meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genve de funkties van
+kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke
+theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de
+kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten
+voor het bewustzijn der burgers in n ongedeelden glans verschenen,
+evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot
+n gevoel waren samengegroeid.
+
+Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de
+kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij
+in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der
+demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw
+verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke
+organisatie terug. De staat Genve was, schijnbaar, demokratisch.
+Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was
+in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de
+Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de
+bevolking van Genve, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds
+uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld
+was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de
+"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden
+in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van
+belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en
+bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen,"
+en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de
+"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het
+vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
+
+In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der
+gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de
+oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie
+die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig
+uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer
+bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het
+"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere
+groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd
+deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad
+vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den
+kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in
+Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan
+het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.
+
+De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de
+bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook
+dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide
+raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het
+burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.
+
+Aan de burgerij bleef bij dit alles n troost: die van de
+rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook
+der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste
+gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt,
+overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genve schatten aan uit
+Oost- of West-Indi, geen vermogens werden, door goede of kwade kans,
+met n slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot
+plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de
+kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts
+zelden voor.
+
+Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het
+gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij
+het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte
+zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen,
+door de regeerders streng onderdrukt.
+
+Was de politieke vrijheid in Genve, ondanks het verval der demokratie,
+grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen
+was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De
+kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet
+geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk
+gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en
+vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden
+zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen
+tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met
+kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een
+danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte
+in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,
+--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd
+onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of
+zondares halsstarrig en weigerde vr te komen, dan werd de groote
+machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad
+bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige
+toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen.
+Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken
+mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone
+teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de
+zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig
+avondmaal.
+
+Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het
+leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door
+den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk
+katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van
+voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle
+spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en
+trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen
+door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename
+karaktertrekken van het puritanisme.
+
+Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een
+stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen,
+oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt,
+dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen
+verstijven doet.
+
+Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse
+zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden,
+haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en
+de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van
+gemelijke norschheid.
+
+De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening
+van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van
+den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de
+burgers van Genve, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan
+de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het
+gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die
+voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit
+wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het
+kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner
+kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun
+nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de
+godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den
+hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren
+aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God
+te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het
+lot hen voerde.
+
+Want van de burgers van Genve trokken vele, naar schatting wel n
+vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden.
+Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere
+handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.
+
+Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van
+Fransche migranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over
+Genve uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche
+vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder
+ontwikkeling dan de burgers van Genve bezaten, waar de oude denkvormen
+allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en
+verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er
+een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des
+levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische
+regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten
+en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele
+handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij
+door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren:
+de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen.
+Genve exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie.
+Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken
+vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den
+oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten
+woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen,
+waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge
+wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende
+weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt
+niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk
+bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden
+daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers
+trokken.
+
+Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de
+hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken
+of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het
+protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van
+aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden
+ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken
+hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de
+gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht
+in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid
+verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen
+de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd
+het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze
+mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die
+voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen
+en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk
+de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de
+aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.
+
+ * * * * *
+
+Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen
+beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en
+de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze
+neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale
+zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden
+neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij
+elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed.
+Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke
+demokratien de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn
+eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk,
+toch hierin wl dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking
+samenbracht--had zich in Genve de demokratische legerorganisatie van
+vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou
+men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de
+burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en
+vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare
+mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke
+oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een herosch verleden en
+wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten,
+uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk
+stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel
+militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremonin deden
+de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De
+handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in
+zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid,
+van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts,
+mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren,
+eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden.
+Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der
+naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En
+droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen
+toga was.
+
+Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone
+oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de
+mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het
+licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen
+bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten
+stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun
+huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de
+pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men
+zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een
+dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van
+zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het
+dagelijksch doen.
+
+Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog
+zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met
+beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de
+burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en
+eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde
+landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genver. Maar
+nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien."
+
+Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mt de
+ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wl
+bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.
+
+
+II. KINDSHEID.
+
+Zijn vader was uit een geslacht van fransche migrs, van ouder tot
+ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet
+gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door
+hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die
+te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten
+Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot
+_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn
+stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging
+weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen
+niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken
+staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en
+ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman.
+Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke
+opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een
+dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn
+voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen
+wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon
+vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was
+nog een zeldzaamheid in Genve, waar de trieste godsdienst lang alle
+kunsten had onderdrukt.
+
+Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig
+terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de
+autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder
+gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en
+toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een
+burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard
+heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genve stamde,
+bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader
+was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden
+liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde,
+en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam
+bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig
+en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en
+zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende-
+eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig,
+daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht
+van Genve te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad
+gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het
+jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had
+bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal,
+dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het
+ander was oorbaar in Genve: het meisje moest tot rede worden gebracht.
+Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en
+onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte
+gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd.
+
+Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun
+prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun
+herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij
+weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste
+kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van
+den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk
+erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem,
+gelijk zoovelen, de zwerflust.
+
+Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had
+hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht,"
+gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter
+wereld.
+
+Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit
+vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon,"
+heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij
+gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving
+en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend."
+
+Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar
+zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang
+heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete
+geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid
+mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude
+wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het
+gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend.
+Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet
+deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te
+zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar
+toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond
+er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze
+omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip
+hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in
+dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen,
+die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de
+atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die
+doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze
+voelde: het geheugen van 't gemoed.
+
+Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij
+de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de
+oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel.
+Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met
+hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote
+teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei:
+"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we
+schreien, vader."
+
+Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van
+overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac.
+Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te
+herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die
+Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd
+gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld,
+vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw
+kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van
+romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan
+jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud.
+
+Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich
+veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten
+levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde
+uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes
+en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar
+Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel
+met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen
+dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid.
+
+Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een
+ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem
+het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't
+haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid
+zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de
+vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen
+ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch
+gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De
+gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk,
+want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der
+middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn
+wezen en werd een deel daarvan, voor goed.
+
+Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon
+vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw
+voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet,
+Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid
+open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van
+rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was
+een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te
+redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond
+van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn
+oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden
+langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid,
+groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de
+oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig
+blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wrd Aristides, hij
+wrd Brutus, hij wrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem.
+Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van
+zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde,
+die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor
+de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen,
+gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren,
+en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat
+tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden
+versmolt in zijn hart tot n gevoel, met de liefde voor de vaderstad en
+de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers
+van Sparta en Rome en met hun roem.
+
+En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en
+kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn,
+toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de
+gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden.
+En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen
+opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten
+zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne
+tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij
+burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud
+en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een
+grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde
+en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden
+zij zich in het herosche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte:
+hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen
+schooner toe.
+
+ * * * * *
+
+Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een
+hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier,
+die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac,
+prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden
+ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn
+zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete,
+drie maanden gevangenis, en op de knien vergiffenis vragen. Maar Isaac
+achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich
+voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genve maar buiten het
+stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn
+kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor
+hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean
+Jacques in de kost bij een domin in Bossey, een dorpje op Geneefsch
+gebied aan den voet van de Salve. De Grieken en Romeinen raakten op den
+achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad
+uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde
+ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten,
+in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in
+zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart
+tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.
+
+Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en
+kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde
+als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het
+zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje
+Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk,
+kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.
+
+Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok
+waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje
+hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van
+onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet
+misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid
+van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't
+kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld
+als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen
+in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten
+herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als
+een ongebruikte veer.
+
+Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn
+door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen.
+Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet
+voorbij.
+
+Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de
+grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer
+als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende
+liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad
+hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen.
+Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de
+onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf
+wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de
+eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn
+verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks
+pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete
+verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.
+
+De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote
+proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en
+brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stocyns: zoo zij niet
+ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was
+hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in
+herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang
+nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog,
+als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der
+herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg,
+het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.
+
+Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige
+depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de
+bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte
+uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit
+k geleden hadden, verstrengelde zich met hn gevoel. Wanneer hij van
+af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van
+triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten
+balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen
+zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij
+zijn verontwaardiging msmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene
+oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke
+ongelijkheid.
+
+De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte
+gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar
+Genve terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden:
+horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de
+nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten.
+Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen
+liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond
+hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem
+een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn,
+dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn
+met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en
+traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare,
+warme verwarring van het onderbewuste.
+
+Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man
+nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het
+ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was
+dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.
+
+Zijn aard was niet uit n stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar,
+zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en
+moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij
+zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden
+en omgeving van hem maakten, dat was hij.
+
+Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in
+hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed.
+Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind,
+gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de
+ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van
+overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren
+onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun
+liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten,
+hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als
+een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in
+verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later
+dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten
+tijd was vervallen.
+
+Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in
+de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage,
+waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.
+
+Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer.
+Alles om hem werd kil en grauw.
+
+Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor
+goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean
+Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan
+en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en
+voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.
+
+In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk
+gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En
+omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van
+anderen.
+
+Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met
+razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van
+zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken
+te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien
+waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster
+hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de
+liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte
+hij uit schaamte.
+
+Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om
+het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar
+in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den
+handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij,
+voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der
+zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met n stukje dezer laatste
+innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer,
+leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld
+kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.
+
+Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman
+geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper
+eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam
+om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te
+leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn
+vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem
+vertrouwden levensstaat.
+
+Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang
+duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht
+op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde
+de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat
+afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten
+gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft
+en z fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet
+terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de
+brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich
+in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te
+keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen
+Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar
+zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.
+
+Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de
+wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen
+ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze
+eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in
+den strijd om het bestaan.
+
+Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.
+
+
+III. DE ZWERVER.
+
+Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan.
+Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de
+kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen,
+die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand
+slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de
+minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen
+zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich
+kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete
+bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging,
+rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde
+zich baden in vrijheid.
+
+Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn.
+Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den
+oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te
+zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen."
+Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van
+dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht
+ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en
+de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't
+grondgebied van Genve, of hij was bij den erfvijand, in 't land der
+hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd
+de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen,
+telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de
+veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met
+andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen
+hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genve, zij lagen op
+de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele
+bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan
+zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist.
+
+De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling
+na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het
+bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap
+met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het
+hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te
+winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame,
+die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardini leefde.
+Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters:
+haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten
+uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de
+hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het
+katholicisme.
+
+Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij
+achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de
+kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude
+kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen,
+lieftallig schoon en jong.
+
+Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert
+zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar
+bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was.
+Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en
+weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur
+bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar
+teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk
+als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet
+alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van
+lieftalligheid.
+
+Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd
+geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart.
+Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als
+twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.
+
+Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar
+later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven
+beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen
+voortgebracht. Zij bond hem met den nen band waartegen hij nooit in
+pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare
+gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen
+zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hre zachtheid ... dat was
+het geluk.
+
+Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en
+later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning
+die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al
+heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in
+haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem
+terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de
+geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk
+werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem
+te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde
+zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde
+hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem
+gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.
+
+Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming.
+Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn
+hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en
+toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en
+kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij
+in minne zijn moeder.
+
+Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid
+beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar
+geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en
+zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke
+jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht,
+maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden
+voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid,
+haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat
+een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens
+over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke
+plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de
+Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in
+groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over
+het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp.
+Spoedig volgde haar bekeering.
+
+Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau
+bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden
+haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles
+proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en
+daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van
+aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van
+Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te
+exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat
+al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien
+zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen,
+wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het
+einde de finantiele rune en de moreele ondergang, na jaren van al
+nijpender schulden en al dreigender gebrek.
+
+En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust,
+de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig
+die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien,
+zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden
+der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij
+stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar
+ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen.
+Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij
+verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.
+
+Hij, eenvoudige burgerknaap, z gesprongen uit het zwarte hol van zijn
+leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring
+en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot
+fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid,
+in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel
+de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar
+vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en
+vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven
+effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van
+onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van
+harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij
+haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke
+tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door hr gelukkigen
+jongelingstijd.
+
+Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn,
+om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van
+zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn
+kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid?
+Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de
+burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk
+leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke
+gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete
+begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen
+zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan
+de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone
+vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar
+verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit,
+aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe
+schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend,
+juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.
+
+Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij
+wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren
+zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij
+is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het
+bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust
+van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt
+tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen
+met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het
+geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man
+van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na
+vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone
+droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de
+paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden.
+Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem
+gehouden kollekte, en zetten hem op straat.
+
+Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de
+weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij
+de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren,
+zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie
+hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de
+schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot
+een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles
+af.
+
+Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt
+zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet,
+maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardini
+was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der
+italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem,
+muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang
+ontwaakt.
+
+Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij
+wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft
+zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat
+nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den
+jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt,
+geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een
+keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en
+die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem
+het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de
+"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn
+aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.
+
+Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op
+een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat
+zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten
+valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een
+geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris,
+zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij
+bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst,
+zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden
+raad, tracht zijn naeve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der
+wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn
+gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding
+herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de
+groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke
+faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken.
+
+Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun
+diplomatieke carrire een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling
+gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los.
+
+Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen
+avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan
+toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bcle mee, hij
+moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch
+maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn
+nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't
+vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't
+schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.
+
+Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt
+hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen,
+neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de
+Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet
+de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij
+ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een
+bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde,
+maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd
+weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.
+
+Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later
+getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij
+gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting
+verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond
+was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde,
+altijd meegaf, een donzige wolk.
+
+Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de
+liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen,
+alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen
+gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke
+verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem
+levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens,
+verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de
+vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven
+schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij
+toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.
+
+In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan
+wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als
+passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte
+overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens
+was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders
+heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de
+hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft
+hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des
+levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar
+duizendmaal heerlijker, dat somtijds wl, somtijds nit samengaat met
+liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is
+teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van
+hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en
+toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld."
+
+Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet
+doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een
+vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde
+van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.
+
+Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de
+tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende
+kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap,
+polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon
+goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan
+weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en
+literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche
+prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje
+van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en
+ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er
+te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar
+hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar
+het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen,
+de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en
+te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn
+weekheid paste: het zachtaardige, potisch milde, vage christendom van
+Fnlon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een
+donzen bed. Het pitisme was al voor het begin der eeuw van uit
+Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje
+een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem benvloed
+geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God
+verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel
+behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een
+verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die
+gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend
+geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de
+donkere gewelven van zijn gemoed.
+
+En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die
+hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de
+schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname
+stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn
+middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een
+provinciaalsch-verkleind Veneti scheen, en de natuur waarin de
+bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn
+kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de
+hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den
+bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de
+gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan
+Genve, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder
+de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste
+rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op
+den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap
+was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Itali,
+een bad van vrede en harmonie.
+
+Dit land werd n met zijn ziel en n met zijn liefde. Had hij niet
+langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen
+geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van
+altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls
+gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van
+liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.
+
+Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op
+te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de
+verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en
+de uitspraak luidde, gelijk zij in Genve geluid had: de knaap is zeer
+zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de
+ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in
+'t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de
+zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet
+leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf
+verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd
+weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem
+aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang
+opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek
+verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en
+studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet
+afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de
+koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren.
+Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare
+musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten.
+Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem
+behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou
+vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op
+straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw
+een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd
+heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den
+zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar
+Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke
+intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar
+Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder
+middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot
+een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering
+nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag,
+lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer
+lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in
+den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen
+over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee.
+Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij
+beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van
+zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk
+landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het
+kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag
+van morgen tot avond n bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van
+glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de
+herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en
+rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen
+in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het
+vriendinnen-paar Claire en Julie.
+
+Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit
+door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de
+kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar
+Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich
+uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een
+muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig
+bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met
+een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den
+muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor
+orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen,
+schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt,
+dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij.
+Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor
+een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor
+het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant
+in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen
+officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt
+de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel
+oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij,
+zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een
+dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt
+de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de
+lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest
+te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye
+is teruggekeerd en zich te Chambry heeft gevestigd; daar vindt hij haar
+en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is
+ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven
+gaat beginnen.
+
+Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genve vluchtte; hij was nu
+twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en
+iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den
+toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde
+levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de
+scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven;
+soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn
+vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren
+vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de
+volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij,
+geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar
+de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel
+gebleven.
+
+Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der
+blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een dclass geworden."
+Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij
+stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn
+afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het
+bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de
+dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en
+eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar
+gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens
+van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter
+tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen,
+waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef
+zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen
+te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer
+kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met
+de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien
+omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk
+wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideen niet benvloed hebben.
+Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote
+prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke
+gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen
+er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor
+wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de
+mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig
+leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en
+lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had
+verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens
+duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit
+de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet
+burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling
+vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof.
+
+Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker,
+die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletarir. De
+misre had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als
+den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven
+dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij
+de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren
+had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers,
+voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem
+meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de
+volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden,
+onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als
+in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig,
+menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der
+groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog
+meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het
+volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door
+ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte,
+aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar,
+zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat
+knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was
+hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't
+allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder
+van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des
+konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet.
+Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn
+arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet
+ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den
+nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers
+van het volk."
+
+Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer
+van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke
+verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die
+ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn
+bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der
+massa's waren saamgegroeid tot n gevoel.
+
+Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke
+ervaring en persoonlijke waardeering.
+
+Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambry neerstreek. Wat hem
+ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed
+fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige
+wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn
+handelen.
+
+
+IV. GROEI
+
+Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij
+een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver
+werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de
+bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit,
+waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe
+natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis.
+Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn
+levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was n
+kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der
+dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets
+of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn
+eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij
+te blokken op het "Trait de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en
+duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een
+zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der
+harmonien den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een
+schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle
+kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in
+zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten
+kwam en naar een caf holde om zijn kracht met andere schakers te meten
+was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit
+ontmoedigde hem niet.
+
+Chambry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke
+administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in
+krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met
+verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar
+neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie:
+magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan
+sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had
+omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam
+Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich
+interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't
+opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven
+van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van
+Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland,"
+van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't
+denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorien
+van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een
+nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles
+wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die
+liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het
+uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambry trokken, wond
+hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het
+openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht
+naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging.
+
+Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een
+koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de
+aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig
+voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige
+oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde
+voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet
+verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij
+haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij
+niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was
+vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en
+Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding
+zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar
+met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In
+volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drien
+vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde
+de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn.
+Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.
+
+Maar het inniger samenleven, getween, van minnaar en liefste, kwam
+toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die
+de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en
+de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde
+hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme
+Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint,
+sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de
+ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken
+wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiele ondergang in
+'t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg
+voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens
+een poosje van huis; naar Besanon b.v., muziekles nemen bij den
+kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte
+natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal
+men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambry.
+
+Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke
+muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol
+intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders
+te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn
+oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en
+overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in
+verzen uit het jaar '41, "l'Epitre Parisot."
+
+Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang,
+'t scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar
+groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn
+krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambry was veel minder
+aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het
+aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de
+hoofdstad van heel Sardini geweest. Het huis van Mme de Warens lag in
+een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.
+
+Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem
+goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille.
+Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar
+hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur
+buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol
+meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam,
+heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar
+dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't
+eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis,
+idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog
+over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten
+aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en
+het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij
+rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een
+dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende
+bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met
+geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en
+der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die n
+werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als
+een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige
+engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel.
+
+Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle
+tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.
+
+Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom,
+worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid,
+de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les
+Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor
+zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur
+geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich
+voelen worden n met haar. Het was hem als snoof hij weer in de
+frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de
+honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der
+duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door
+den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven,
+kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een
+pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel
+gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig
+willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar
+buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij
+lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond
+weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar
+waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen
+steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen,
+ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten,
+daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den
+boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de
+duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de
+ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de
+sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en
+nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over
+alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde
+niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem
+de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder
+en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij,
+starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der
+jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen.
+En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere
+jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les
+Charmettes opsteeg, samen tot n droom.
+
+In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar
+strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde
+had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den
+groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten
+van zijn wezen waren er veel gerijpt.
+
+Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genve waar
+hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen,
+terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke,
+rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried
+verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk
+geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de
+ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en
+voor alles--in n woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel
+had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest
+deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de
+tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den
+medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel;
+de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kn de geliefde niet
+deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn
+jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn
+opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een
+verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te
+leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet
+elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar
+van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een
+hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte
+aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een
+Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde
+hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in
+zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet,
+en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen
+'t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier
+gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust
+en ging rechtstreeks naar Chambry terug: voor 't eerst in zijn leven
+voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.
+
+Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende
+twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's
+winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op
+de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de
+boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd
+geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was
+een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den
+haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude
+liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij
+hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzi, wat
+ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man
+en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der
+menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel
+aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij
+bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven,
+probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te
+bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist,
+had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot
+hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van
+werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes,
+Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke
+werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis,
+fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde;
+reeds in Chambry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij
+een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen
+te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een
+toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de
+wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering
+uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om
+aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het
+studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal
+boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu
+niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel
+beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast
+door alle verduistering; hij zag de finantiele moeilijkheden voor Mme
+de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen
+helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar
+de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v.
+sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende
+hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur
+in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was
+het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat
+vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den
+geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid."
+Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de
+zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn
+gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig
+te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft
+gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot
+godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad
+dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden
+wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht
+vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de
+Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield
+daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige
+leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche
+leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had
+eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die
+godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering
+des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale
+verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig
+respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in
+n woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig
+leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een
+persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het
+best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er
+verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen
+in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te
+vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in
+het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk
+gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.
+
+De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok
+niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe
+na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit
+ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te
+gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee
+kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn
+denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner
+leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies,
+met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde.
+Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen
+te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld
+genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook
+moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte
+aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd.
+Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels;
+hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele
+maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie
+der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw
+notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem
+voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking
+der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden,
+het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de
+"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen
+en offers kunnen vergoeden.
+
+Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen
+sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische
+ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend
+komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over
+opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder
+persoonlijk accent: dat is alles.
+
+Maar alle kiemen--op n na--van den man dien hij worden en van de
+werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn
+leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In
+zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie,
+de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner
+jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de
+verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk
+individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren
+van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem
+overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn
+met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te
+leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in
+Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar
+in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het
+vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed,
+de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en
+doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner
+jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en
+onsterfelijkheidsgeloof.
+
+Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en
+stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was
+getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets
+vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend
+van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK
+
+PARIJS.
+
+
+I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK
+ OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.
+
+In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de
+absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en
+de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling
+tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het
+ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en
+zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het
+tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door
+geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in
+hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen.
+De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideen die als de
+omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.
+
+Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk
+de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft
+tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den
+absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de
+intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.
+
+Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen
+van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht
+van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die
+aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze
+zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een
+rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten
+tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van
+monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het
+absolutisme de moderne industriele, commerciele en finantiele
+bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.
+
+Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der
+nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het
+Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier
+Law om de hopeloos ontredderde finantin der absolute monarchie door de
+methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de
+been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank,
+een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op
+den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiele katastrophe die
+de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van
+overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn
+eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende
+methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat,
+beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door
+'t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa
+voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs
+dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de
+poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele
+uitwerking der finantiele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een
+millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruneerd. Gelijk
+bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben
+dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot
+gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon
+sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te
+halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden
+morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden
+zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste
+maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale
+beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten,
+hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.
+
+Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het
+reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te
+bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en
+lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in
+hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen
+ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw
+besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken
+welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke
+gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden
+gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken
+staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de
+zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige
+betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den
+volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk
+waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen,
+waar elkeen van een droomt.[1]
+
+Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot
+velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789
+doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provincin,
+althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met
+den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal
+verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt
+opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder
+reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld
+kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en
+geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de
+staatsfinancien hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van
+alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven.
+Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat z maken dat de
+bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot
+stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.
+
+Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en
+hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en
+uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang.
+Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse-
+verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude
+vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vr het midden der
+eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering
+van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis
+ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk."
+
+ * * * * *
+
+Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit,
+dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties
+meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie
+het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze.
+Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der
+rijks-finantin, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om
+een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De
+uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht,
+omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig,
+en ofschoon de uitgemergelde massa's l zwaarder belast worden, het
+deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot
+alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid,
+haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte
+noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de
+bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen
+den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting
+en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot
+deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen
+een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten.
+
+De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30
+millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van
+pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de
+provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per
+jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde
+van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn
+politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster
+aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn
+maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij
+grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het
+platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale
+tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden,
+verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende
+burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te
+zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen
+staat.
+
+Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote
+maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de
+geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat
+de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft
+gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de
+zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is.
+Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf
+nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is
+verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige
+schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw n derde van den
+bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van
+de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit
+immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele
+bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat
+zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van
+haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes
+toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in
+dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen.
+
+Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een
+revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende
+verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt,
+stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't
+hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en
+rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van
+den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der
+regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal
+geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat
+deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld
+zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een
+wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot
+besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het
+verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl.
+over de zoogenaamde "Charit" (de administratie van het armwezen, de
+hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.
+
+Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het
+burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de
+kerk keerde, dat het woord "crasez l'infame," tot het parool van zijne
+propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het
+oude rgiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur.
+Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar
+ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde
+in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar
+bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst
+gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte
+het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers
+en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij
+zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was
+voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning.
+
+ * * * * *
+
+Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land
+en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de
+buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de
+adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit
+de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en
+pruikenmakers, hun matressen en koks bij duizenden medevoeren; uit
+alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie
+omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het
+romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle
+levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen,
+hetzij de natuurlijke lichaamsvormen mscheppend tot artificieele
+gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst:
+schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het
+geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de
+"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard
+bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt
+uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de
+XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige
+behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een
+labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt.
+Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen f de
+weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, f zich bij
+die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich
+nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale,
+koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crbillon, uit de met
+melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van
+wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen.
+De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest-
+volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar
+het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van
+hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts n
+inhoud; jaagt n doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in
+wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering,
+zonder verheffing.
+
+Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze
+liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die
+niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van
+Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de
+appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men
+ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij,
+en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke
+trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen
+den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man
+gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud,
+waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het
+menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft
+leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de
+behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het
+eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson).
+
+Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met
+hunne matressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde
+bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen,
+bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk
+van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de
+schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde
+intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde
+zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der
+schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de
+ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in
+ontaarding.
+
+Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.
+
+"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van
+Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren
+--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept
+Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit
+het gehavend te voorschijn komt; de kolonin gaan verloren, het
+koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers;
+alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan
+de zijde der oppositie.
+
+Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht
+en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden,
+te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van
+de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de
+hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te
+voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de
+dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de
+stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de
+zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en
+rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel
+leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en
+meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de
+mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld
+aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het
+grootste deel der 32.000 Parijsche prostitues, leven en sterven veracht
+en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest
+getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van
+de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.
+
+Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en
+onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte
+van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine
+burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende
+handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd.
+De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog
+meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun
+scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in n maand
+tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6]
+
+En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk,
+vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het,
+de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt
+het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de
+approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine
+burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.
+
+De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle
+lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden
+vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige
+uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De
+heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug
+betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan
+laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot
+instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer,
+die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze
+overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt
+zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het
+finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het
+uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden
+zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die
+wolven, bevindt zich de koning.
+
+Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in
+elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan
+een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven
+langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt,
+in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde
+verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op;
+"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de
+ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk
+drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote
+wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of
+breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyrenen, in de Provence,
+in Languedoc, in Bretagne, in Gruyre, in de omstreken van Rouaan enz.
+enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht
+de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de
+provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje
+blijft het dan weer stil.
+
+De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de
+epidemin en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de
+opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is
+alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in
+de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende
+toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de ferieke
+illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende,
+sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die
+deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van
+die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in
+genietingen, stikkend in geilheid.
+
+ * * * * *
+
+Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen,
+gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische
+vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei
+van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.
+
+Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt
+de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de
+bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der
+koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige
+misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute
+monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig
+bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de
+openbaarheid en goede administratie der rijks-finantin; maar aan de
+andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de
+ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de
+monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar
+zit tevens vast aan het oude.
+
+In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de
+pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen
+van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke
+geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun
+zonen runeeren zich als de zonen der edellieden door matressen en
+paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd,
+maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate:
+het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid
+van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en
+terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken
+van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van
+bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte
+haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van
+de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige
+is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe
+koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7]
+
+De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn
+vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het
+verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideen.
+Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de
+koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet:
+weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als
+hn levensleer.
+
+De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze
+vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten
+achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van
+het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vr de revolutie. De
+overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de
+buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen
+der Rgence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor
+een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te
+voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde
+voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de
+bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat
+zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine,
+de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in
+Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Raumur,
+Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet
+langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon
+neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering
+van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan
+de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der
+belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving
+en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de
+Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle
+mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te
+stellen,--getuigt van de geniale intutie van den veelzijdigen publicist,
+wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het
+machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de
+industrie.[10]
+
+Grooter dan die der industriele, is in dit tijdperk de vooruitgang der
+handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel
+verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20
+tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantiele bourgeoisie
+in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een
+aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon,
+de Normandie, het Beneden-Rhnegebied enz. De voornaamste havensteden
+worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van
+revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den
+zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de
+onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de
+desorganisatie van het leger, in n woord: door de algemeene dekadentie
+van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie.
+Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indi, Senegal en Canada; ook de
+Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de
+oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral
+toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de
+oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezueten in
+1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde
+half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het
+bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine
+Antillen had geakkapareerd.[12]
+
+Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste
+draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke,
+staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een
+diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al
+liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele
+regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds
+over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het
+ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd
+van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de
+opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel:
+aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair
+gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme,
+dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen
+dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst
+wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de
+regeering en van alle officiele instellingen en denkbeelden hun
+hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid
+al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet
+der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter.
+Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13]
+
+De dragers der nieuwe ideen, der revolutionaire aspiraties waren,
+omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke
+groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiele
+bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.
+
+De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun
+maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de
+intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de
+officiele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid
+van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen
+tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak
+van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig
+had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in
+de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de
+geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als
+Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire
+waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden
+den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn.
+Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den
+strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de
+machtsverheffing der bourgeoisie voor.
+
+Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de
+oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische
+ideologen, als Fnlon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de
+misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na
+het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een
+voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den
+eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in
+het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot
+'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol,"
+de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor
+de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de
+werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte
+zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten
+een einde maakte. Nog vr de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721,
+waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje
+waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos-
+felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend.
+
+Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en
+philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische
+concentratie der nieuwe ideen in de Encyclopedie, het "algemeen
+handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan
+zullen deze ideen zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van
+het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire
+bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche
+wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot
+n philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing
+opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust.
+Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit
+en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij
+de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot
+uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegin van adel en
+geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden;
+om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst;
+om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de
+instelling van een konstitutioneele regeering;--met n woord, om de
+praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_,
+in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van
+den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar
+aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn
+moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot."
+Vr alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der
+bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie
+der machten van het ancien rgime, maar ook door haar decadentie is
+aangestoken;--vr alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid
+dorstende klasse.
+
+Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het
+revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land
+waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis
+met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen
+de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de
+beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als
+eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_
+ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische
+denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de
+wijsgeerige ideen van het tijdperk der verlichting het helderst en
+volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten
+streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten
+uit de desten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen
+openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire
+volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der
+mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen
+deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo
+worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats
+van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16]
+
+Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en
+haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken
+--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de
+engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de
+positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling
+--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken
+strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse-
+tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie
+groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds
+radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met
+de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich
+aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche
+philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het
+middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht
+der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische
+macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het
+ondergaand regiem.
+
+De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en
+evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname
+stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is
+Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van
+dien tijd--de finantiele--belichaamt hij als geen ander, als geen
+ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge
+grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit
+geladen, La Mettrie, Helvtius en Holbach onverschrokkener de
+konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing,
+--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van
+den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten
+van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt
+aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt
+gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam,
+altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt
+hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig,
+ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn
+aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met
+onfeilbare intutie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die
+tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant
+zich tegen alle materialistische en athestische denk-excessen zijner
+dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk
+_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te
+worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen
+leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale
+figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend
+volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der
+tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt
+hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande
+tegenover het oude rgiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in
+een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17]
+levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate
+is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen
+dwang, vr de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der
+menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de
+willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met
+animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een
+ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het
+oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit
+ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in
+beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij
+gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kn de groote bourgeoisie
+niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang
+te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud,
+blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als
+van de finantiele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur
+d'affaires et grand remueur d'ides,"[18] gelijk Jaurs' gelukkige
+omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de
+dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen,
+als het egosme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage
+_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt.
+
+Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de
+wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten
+van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol
+stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideen de
+menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente
+theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een
+machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen
+zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur,
+de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar
+Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle
+aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvtius noemt het
+egosme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theorin
+natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire
+philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der
+papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en
+naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en
+genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever
+liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten
+deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in
+hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis
+van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der
+groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische
+uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als
+even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt
+onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim
+van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle
+huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen,
+evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de
+eenige waardevormende kracht is.
+
+ * * * * *
+
+De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het
+derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den
+klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de
+parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de
+oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750,
+naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische
+doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen
+zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene
+revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute
+monarchie, begint eerst n 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste
+plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet
+der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders
+en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.
+
+Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer
+massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse-
+aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote
+bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in
+andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking
+gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem
+stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden
+geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of
+burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe,
+waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen
+_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een
+bewonderenswaardig herosme--met _tragisch_ herosme, want zij moesten
+in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het
+wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen
+dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun
+vleesch en bloed van hun bloed was.
+
+De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven,
+hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele
+verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou
+opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij
+gingen stem krijgen in Rousseau.
+
+
+
+II. HET MOEIZAME LEVEN.
+
+In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op
+zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift
+in cijfers dat, meende hij, hem met n slag vermaardheid en rijkdom
+verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties,
+en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele
+kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoloog en
+chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd
+hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe
+methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te
+lezen.
+
+Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De
+"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan
+te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek
+wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en
+beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de
+inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was.
+Hij voelde zich diep verongelijkt.
+
+Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over
+hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een
+vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij
+verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken
+ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de
+moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever,
+maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn
+gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij,
+soezende knaap, door Milaan gedwaald had.
+
+Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in
+de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke
+inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel
+mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost
+te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden
+zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van
+buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon;
+af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij
+gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al
+zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen
+voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij
+hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle,
+Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd
+weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat
+hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.
+
+Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele
+anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren
+even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit
+een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de
+provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij
+bij de Jezueten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm,
+gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij
+gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen
+uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn
+dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen:
+zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een
+neiging tot paradoxen.
+
+Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve),
+is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de
+aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was
+schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke
+eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang
+hield hij de leiding der Encyclopdie vast door tallooze moeilijkheden
+en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid
+te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der
+regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch
+het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de
+nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk
+voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge
+kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn
+talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in
+het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die
+armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle
+mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.
+
+Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als
+de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht
+en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan
+verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideen was echt, maar wat hem
+tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van
+zijn gezin en van zijn matresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst
+die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun
+temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief,
+droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig,
+opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst
+bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze
+tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was
+bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn
+vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet
+heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.
+
+Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de
+vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij,
+komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar
+dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin
+de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek
+verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven
+eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie
+bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem
+van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder,
+hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.
+
+Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van
+een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot
+Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiele wereld.
+Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel
+mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving
+Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij
+de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos
+fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon,
+Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij
+liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar
+eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen
+zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van
+Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd
+secretaris van den franschen gezant in Veneti.
+
+[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).]
+
+
+Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was,
+vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris,
+een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was
+een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke
+aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau
+vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij
+in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van
+scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij
+misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te
+Veneti geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken
+een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen
+en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken
+zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn
+vaderstad herinneren: Veneti was als Genve een souvereine stad, bestuurd
+dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Genve een oude
+republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde,
+terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patricirs berustte. Zijn
+werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn
+geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed
+der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Veneti
+een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.
+
+Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man,
+wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte
+de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig
+ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en
+beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten
+slotte kwam 't tot een hevige scne, en de Montaigu joeg zijn sekretaris
+weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te
+trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Veneti, waar, naar hij
+vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er
+eerst over zich terug te trekken in Genve, maar verongelijking brandde
+in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den
+smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed
+hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door
+zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te
+laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet
+hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden.
+Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den
+gezant zelf.
+
+Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar
+Veneti waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo
+verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat
+hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat;
+nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee
+en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn
+streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in
+alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte
+was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde
+vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de
+zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van
+levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder
+strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede
+drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij
+eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.
+
+Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het
+puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar
+zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij
+zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van
+Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft
+vooral.
+
+Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar
+Veneti ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger,
+eerst in Chambry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven
+van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't
+vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude
+hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong
+linnenmeisje uit Orlans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was
+geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal
+verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht.
+Zij heette Thrse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door
+de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at
+aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het
+schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en
+onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor
+haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat
+menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste);
+tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was
+het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte
+aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg;
+hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.
+
+Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar
+ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije
+liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22]
+
+Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die
+vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den
+levensbond met het plebesch natuurkind--Thrse was in buitengewone
+mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog
+onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten,
+in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud
+der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften
+volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik
+tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar
+overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van
+hart.
+
+Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk.
+Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen matressen--aristokratische dames of
+vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dt sprak
+immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een
+glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote
+gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen
+neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het
+nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten
+over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of
+geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thrse!
+Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en
+alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar
+mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en
+niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer.
+Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de
+soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij
+niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een
+ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten
+verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig
+opzicht meest essentiele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk
+een kiem van vervreemding.
+
+Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau.
+Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die
+afschuwelijke Thrse," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en
+verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de
+zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem
+plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke
+wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn
+aan Thrse. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven
+natuur ondanks haar potische bekoring toch in sommige opzichten
+afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar
+beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was
+immers de bekoorlijke chtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar
+minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke
+"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij
+dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de
+"onbeschaafde wasch-vrouw" Thrse le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders:
+hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen
+hoogmoed.
+
+Men behoeft geen apologie te schrijven van Thrse. Het zal wel waar
+zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de
+meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid.
+Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie
+voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden
+van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat
+met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo
+ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst
+verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw
+al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk
+zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan
+moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook
+doen. Maar daaraan denkt niemand.
+
+Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thrse staat 't volgende;
+staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar
+vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn
+brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige
+werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn
+lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef
+hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,"
+hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls
+steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische
+aangelegenheden bleek altijd goed.
+
+En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.
+
+Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle,
+waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels,
+arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en
+die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige
+schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thrse, heel
+een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien,
+tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het
+kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste,
+trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige
+huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het
+zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar
+goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe
+verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de
+aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem
+maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in
+trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van
+vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der
+regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche
+geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden.
+Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?
+
+En deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn
+geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en
+inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden.
+Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn
+geluk niet de meest essentiele. Voelen ging hem vr denken--zijn
+denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben vr begrijpen.
+En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen,
+hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen
+genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn
+gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar n Thrse, die zijn
+persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende
+dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding
+gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het
+dagelijksch leven; zij luchtten in gexalteerde brieven aan den grooten
+schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen
+bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thrse bleef dit zware,
+moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den
+ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den
+in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot
+haar sprak.
+
+Veel heeft Thrse met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in
+'t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven
+lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden
+achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie
+behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man
+liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in
+Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van
+zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en
+Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme
+d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thrse, maar toen Mme
+d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot
+aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige
+burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij
+loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard."
+
+En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd
+en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar
+dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld
+compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart,"
+haar vrouwentrouw, Thrse. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven:
+Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde,
+zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in
+het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen
+en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen.
+"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk
+te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik
+gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer
+te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij
+onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin."
+
+Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de
+Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en
+courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde
+ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog
+heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in
+hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast
+onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Thrse.
+
+Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het
+sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor
+'t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht
+voor de steenen der door de domins opgeruide boeren; en zijn kort
+verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen
+verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord
+verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't
+dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk,
+in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het
+onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug,
+en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en
+vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacire, niet
+ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.
+
+Zij werd toen ouder en zwakker, Thrse, maar zij hield de woning toch
+proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn
+kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en
+aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk
+eten, door haar bereid.
+
+Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieren:
+het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het
+kasteel Ermenonville. Dr stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld,
+dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor
+hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was vl.
+
+De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling
+eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materielen basis, die
+haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar
+lang.
+
+Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen
+minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme,
+simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde
+Thrse le Vasseur.
+
+ * * * * *
+
+Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.
+
+Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon
+Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend,
+en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan.
+Een paar keer werd Thrse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen
+naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig,
+maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar
+zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat
+zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze
+ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen
+nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen
+werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vr
+'t samenleven met Thrse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel
+verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de
+wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis
+bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.
+
+Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opra "les Muses
+galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen
+belastingpachter, La Popelinire, en toen nog eens bij een groot heer,
+den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste
+kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den
+koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu
+hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de
+"Ftes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd.
+Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed
+Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat
+en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet
+genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses
+galantes" door de Parijsche opra werden aangenomen, maar ook daar kwam
+niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit
+gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd
+en gaf elke poging om naam te maken op.
+
+Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele
+kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld
+vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn
+onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als
+al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige
+intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder
+innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in
+plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit
+diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan
+gloeiende stroomen omhoog.
+
+Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was
+een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin
+hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste
+ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van
+zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms
+toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was
+zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren
+logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan
+door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren
+de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt."
+
+De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den
+afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem
+worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?
+
+De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn
+afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder
+dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk
+hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing,
+levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste,
+groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden
+uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van
+pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer
+ademen kon.
+
+
+III. DE EERSTE FANFAREN.
+
+Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de
+velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er
+werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het
+land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren
+zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten
+de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder
+leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.
+
+De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een
+broeing van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke
+voorvechters der nieuwe ideen begonnen de oude wereld te bombardeeren
+met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois"
+verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons
+"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde
+en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch
+scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige
+geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste
+proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem
+voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt
+de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij
+zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie,
+n onderdrukken, dn weer de teugels vieren, zonder iets anders te
+bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te
+maken door het andere.
+
+In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men
+nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken.
+In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen
+niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers
+opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de
+intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering
+wilde een grooten slag slaan.
+
+Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken
+waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te
+hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het
+ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vr het desme.
+
+Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur
+les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch
+werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich
+beleedigd achtte.[26]
+
+Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel
+opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem
+toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt
+d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de
+hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.
+
+De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende
+maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel
+zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den
+vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste
+dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn
+geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de
+Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij
+dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap
+van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn
+smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij
+mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn
+kameraden werden tot hem toegelaten.
+
+Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken!
+Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen,
+haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet
+verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond
+neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog
+broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde
+strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de
+koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de
+Encyclopdie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen
+de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche
+glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg,
+groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van
+eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was
+in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.
+
+Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad,
+de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten,
+toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon
+uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten
+bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling,
+voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de
+bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij
+merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere
+zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste,
+met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't
+diepst-van-'t-woud.
+
+Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de
+opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht
+opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid
+van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen;
+gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de
+verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in
+eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het
+lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der
+grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een
+leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en
+zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat
+'t blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij.
+
+Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het
+nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het
+tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en
+klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook
+rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals
+zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige,
+hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt
+de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der
+Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.
+
+Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar
+het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken
+onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien
+uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de
+heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in
+wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de
+werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar
+wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde
+genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der
+groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal,
+naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn
+Ideaal-wereld niet helder, uit n stuk gegroeid, tegen den horizon,
+maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan
+hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de
+verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn
+jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken
+zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het
+patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de
+achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog
+voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre
+landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele
+kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid
+van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken
+saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische
+ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit
+veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener
+maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van
+kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme
+daarin ontbrak was natuurlijk.
+
+Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid,
+voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.
+
+Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun
+vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden
+ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder
+aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke
+verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want
+zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiele. De
+strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideen spiegelde,
+voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers
+tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de
+heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde,
+wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder
+uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd
+genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op
+domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap,
+die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden
+enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen,
+voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in
+den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der
+verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot
+bewustheid.
+
+Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de
+slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.
+
+Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van
+tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme,
+opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der
+Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn
+leven zijn.
+
+Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over
+den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden
+en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27]
+
+Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven
+in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours."
+Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn
+opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde,
+verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn
+oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober
+onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen
+en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden
+wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw,
+wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en
+genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der
+groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij
+doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond
+zich tot ne, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de
+beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen
+de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van
+verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van
+ontzenuwenden lediggang."
+
+Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde
+maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van
+plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van
+den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde
+hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en
+ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als
+vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch,
+uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch
+intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover
+de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God
+welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar
+van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger
+aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een
+vervallend rgiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen,
+maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend
+tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving."
+Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier
+dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde:
+burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland;
+de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was
+de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets
+voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de
+toepassing der wetenschap op de produktie; intutief begrijpend dat door
+haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde:
+het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_,
+den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een
+gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting
+voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van
+dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een
+maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij,
+dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet
+als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse
+gedoemd gelijktijdig reaktionair n revolutionair te zijn.
+
+Het boekje maakte zijn schrijver met n slag beroemd. De letterkundigen
+prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken;
+al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven
+Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge
+bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat,
+hij had beloofd aan de Encyclopdie mee te werken en schreef daarin de
+artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek
+beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over
+de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de
+beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.
+
+Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder n met den koning van
+Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk
+en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van
+maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde
+bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen,"
+"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar
+begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge
+noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen
+weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij:
+"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend
+sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den
+mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet
+vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen
+bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer
+slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben
+zooveel armen geen brood."
+
+Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat
+tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan
+verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom
+vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.
+
+Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping
+tusschen beginsel en praktische konsekwenties.
+
+Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend;
+zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten
+en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch
+bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij
+noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden
+gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel
+van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote
+revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen
+genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te
+voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak
+tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te
+bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen
+en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch
+de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.
+
+Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de
+inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner
+andere geschriften, de uiting van slechts n zijde van zijn wezen is.
+Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was
+teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid
+die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der
+liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de
+stocijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde
+het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.
+
+Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours,"
+dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe
+prijsvraag der acadmie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der
+maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom:
+zachtheid had hij nog niet teruggevonden.
+
+Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van
+den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang
+zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur,
+uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den
+primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo
+meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden
+van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden
+vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de
+natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen
+was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de
+verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en
+voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de
+neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn
+voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid
+hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren
+hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest
+vermoedde hij niet.
+
+Zijn gedealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige
+trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij
+tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk
+Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt
+tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op
+de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op
+de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de
+ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende
+klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours."
+
+In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter
+bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der
+tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den
+primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intutief zeer juist en
+sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche
+stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na
+het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan
+Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel
+beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch
+Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle
+wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de
+verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van
+anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van
+nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij
+alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd
+goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij
+alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener
+maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener
+samenleving "waarin misschien niet n gegoed man leeft wiens dood niet
+door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt;
+waarin niet n schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het
+schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin
+niet n volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner
+naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en
+treffendste in Frankrijk geschreven vr de dagen van Fourier. Hij
+sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en
+barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie
+kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk
+niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of
+kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van
+zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de
+natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de
+hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een
+grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk:
+hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke
+gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden
+ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en
+politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt,
+het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op
+wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde
+der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen."
+
+Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van
+uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten
+gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die
+volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de
+Carmagnole:
+
+ "a ira, a ira, a ira,
+ Celui qui s'lve, on l'abaissera,"
+
+en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de
+wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een
+onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons
+de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen
+met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau,
+wiens vreemde ideen heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet
+in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien
+slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden
+zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen,
+nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten
+maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn
+lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de
+menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten
+te voorkomen, te genezen of te verzachten?"
+
+De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop
+nog vleugellam in dat der daad.
+
+Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genve, en
+herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste
+lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.
+
+ * * * * *
+
+In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede
+"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in
+zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen
+werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend
+schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de
+dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der
+hoogst-bezoldigde finantiele betrekkingen vervulde--nl. van algemeen
+ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden
+verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute
+finance in dienst getreden als kassier. Materiel blonk hem een gouden
+toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid
+van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten
+hem ziek.
+
+Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het
+was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong,
+nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de
+tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan
+anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij
+zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen,
+de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon.
+
+Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat
+is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog
+zeldzamer is, hij zette het door.
+
+Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap
+neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen;
+Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.
+
+Hoe zou hij nu leven?
+
+De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden
+chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel
+geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste
+parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was
+een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een
+der rijke letter-lievende financiers als Helvtius of Holbach,
+geschonken.[28]
+
+Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en
+niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in
+'t verkondigen zijner beginselen.
+
+En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kn
+het niet, hij kn enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede
+en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale
+idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn
+gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die,
+wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt,
+nederschrijft."
+
+Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef
+fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield
+van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd
+muziek-copist.
+
+Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het
+handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem
+genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het
+mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't
+platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn
+dood, met muziek-copieren zijn levensonderhoud.
+
+Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij
+had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de
+letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon
+voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet,
+die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de
+goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke
+stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven
+onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.
+
+Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven
+allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom
+moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te
+doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien
+in hun binnenste; naast 't samenleven met Thrse kwam door de nieuwe
+wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van
+vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.
+
+Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn
+uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie
+der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot
+in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij
+schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand
+zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de
+kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn
+kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen
+afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij
+gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Thrse--hielp
+hem daar weldra van af.
+
+Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en
+knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde
+jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag
+voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet
+alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan
+de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en
+door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem
+'t hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te
+krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij
+aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was
+toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te
+overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen
+op zich tegen hun "begunstigers," die maar n doel kenden: de hen immer
+najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles
+dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne
+beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door
+hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun protgs moesten
+ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze
+gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te
+bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden
+alles koopen, waarom dan ook niet dit?
+
+Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken
+doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd
+is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de
+vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij
+verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich
+heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok
+dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en
+wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel
+vrij. Thrse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En
+achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke
+moeder.
+
+Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en
+bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen
+was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt
+het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten
+van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over
+in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook
+de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke
+menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde
+gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in
+elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.
+
+En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk.
+Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke
+vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen
+drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk-
+gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een
+lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid
+der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan.
+Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam
+slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een
+anderen.
+
+Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het
+verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren
+lang zijn leven zijn.
+
+Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs,
+om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de
+zachtheid des levens zijn.
+
+In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van
+zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer
+een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen
+stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek
+viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te
+Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij,
+in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De
+Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde
+den componist audintie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau
+weigerde op audintie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste
+begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun
+eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen
+de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was
+uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele
+uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel-
+artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij
+"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen
+te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de
+jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen.
+
+Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden
+was, Thrse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig
+na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij
+beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige
+keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te
+geven. Thrse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht
+op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in
+beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te
+vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die
+de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap,
+arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja
+verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een
+burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had
+afgeschud, baarde Thrse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind
+naar 't vondelingen-huis brengen.
+
+Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos
+had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren
+van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de
+bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in
+zijn wezen.
+
+Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en
+begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genve te
+vestigen, waar hij in '54 met Thrse eenige maanden vertoefde en goed
+ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf
+nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem
+geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn
+geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij
+bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij
+werd opnieuw protestant en burger van Genve.
+
+Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en
+voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou
+'t er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk
+willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.
+
+
+Noten:
+
+[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV,
+boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot
+XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het
+felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn
+ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a.
+in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal
+geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel
+drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan
+de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideen de
+drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale
+oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de
+ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.
+
+[2] Jaurs, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurs zijn
+wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vr de
+Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel
+lager geweest zijn.
+
+[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere
+geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.
+
+[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.
+
+[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrires et de l'Industrie en
+France.
+
+[6] Mmoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII.
+
+[7] Jaurs, Histoire socialiste, bl. 3940.
+
+[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst
+van den kapitalist, geconcentreerd zijn in n gebouw of werkplaats,
+terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is
+opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden
+uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische
+vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te
+herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.
+
+[9] Levasseur, bl. 536.
+
+[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI.
+
+[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den
+Franschen handel een geweldigen knak toebracht.
+
+[12] Levasseur, bl. 549.
+
+[13] F. Rocquain, L'Esprit rvolutionaire avant la Rvolution.
+
+[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.
+
+[15] Windelband, bl. 359.
+
+[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk
+der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte
+der neueren Philosophie.
+
+[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische
+gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald
+bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.
+
+[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.
+
+[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1
+allen" uit.
+
+[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles;
+brlons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en
+graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die
+tegen Lodewijk de XVIde.
+
+[21] F. Rocquain, de l'Esprit rvolutionaire, bl. 298.
+
+[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk
+noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige
+vrienden afgelegd, Thrse van dat oogenblik af aan als zijn wettige
+vrouw te beschouwen.
+
+[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIime sicle," blz. 296.
+
+[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau
+heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thrse
+uitgelaten.
+
+[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley,
+wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid
+der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.
+
+[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest.
+Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire
+kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezueten). Zij had
+burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en
+"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de
+overladen weelderigheid van het rococo.
+
+[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl.
+de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van
+zijn eerste "Discours" heeft benvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk
+te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk
+gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch-
+waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en
+bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben.
+
+[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo
+Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht"
+(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van
+den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de
+18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld
+worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan
+eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van
+ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de
+schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar
+habitus als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet,
+Histoire de France, XVI, 84).
+
+[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor
+het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven
+was die hem de audintie deed weigeren.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK
+
+DE GROOTE JAREN.
+
+
+I. NAAR DE VEREENZAMING.
+
+Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en
+levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance
+in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar
+van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast
+ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen
+verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele
+werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij
+was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi
+maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan
+zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte
+te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel
+esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden
+om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van
+intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe
+Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te
+noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een
+warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar
+kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig
+en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de
+vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij
+behoefte aan interessante, suprieure persoonlijkheden om zich heen die
+haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig
+en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te
+komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze
+veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoste
+berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net
+gaf wat hm paste en niets meer.
+
+Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij
+doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook
+was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk
+gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige
+sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel
+hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij
+luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden
+gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de
+wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen
+van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een
+beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en
+met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn
+hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen
+dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar:
+"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij
+is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch
+eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt."
+
+Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd
+vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind
+gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de
+man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich
+maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden
+van hem vervreemd heeft.
+
+Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg
+van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem
+leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt
+een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed
+musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde,
+want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den
+jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en
+deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig,
+een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching,
+plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrire en ontpopte
+zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van
+Orlans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon
+een "Correspondance littraire," een soort bulletin voor buitenlandsche
+vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs
+verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had
+zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen
+vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd
+en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in
+'t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver:
+oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij
+langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar.
+Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en
+was daar zeer verheerlijkt mee.
+
+
+In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't
+vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij
+Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen
+Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en
+Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een
+keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen
+vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de
+moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan
+het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond
+daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het.
+"H," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet
+veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later
+bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw
+allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw
+kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die
+booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genve." Dat was
+echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar
+bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij
+arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende
+brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.
+
+Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist
+de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genve; hij hield van
+zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij
+voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen
+grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de
+lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid.
+Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot
+vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een
+voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over
+hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge
+uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd
+weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven
+en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke
+gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste
+onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn
+pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat
+mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar
+ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor
+mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid.
+De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen
+acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar
+had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij
+overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van
+innerlijke krisis gekweld."
+
+Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn
+verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de
+Hermitage. Behalve Thrse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard
+maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut
+in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou
+wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij
+overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage
+woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees,
+voor zijn rekening zou nemen.
+
+Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling
+verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat
+hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij
+nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad
+of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen,
+heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles,"
+schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes,
+flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn
+hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur;
+of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein
+van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar
+een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren
+tot de natuur."
+
+Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij
+had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't
+gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was
+aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te
+brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren.
+Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij
+zelf nog niet geheel in 't reine was.
+
+Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een
+beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij
+was hieraan al begonnen in Veneti, dertien of veertien jaar geleden, en
+had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van
+uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om
+daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een
+soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan
+stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding.
+Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom
+gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had
+veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig
+wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van
+een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo
+onder de hand door.
+
+Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij
+willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte
+de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals
+uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet
+op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde
+richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het
+onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen
+in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de
+"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl
+Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den
+innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij
+nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn,
+begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar
+teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende
+te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der
+liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van
+zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op
+een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met
+onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het
+brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die
+jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij
+uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de
+"Nouvelle Hlose."
+
+De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten
+om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die
+zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens
+alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.
+
+Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van
+Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar
+geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht,
+door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de
+velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en
+sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal
+zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn!
+Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij
+goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes,
+blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme
+d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie
+vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.
+
+En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den
+zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel
+zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij
+niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd
+had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de
+verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld
+door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede
+plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel
+genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals
+wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd,
+zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te
+murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de
+verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.
+
+Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat
+zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen
+verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in n
+geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten
+en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt,
+die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit
+liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde
+teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen,
+zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de
+verbeelding in Rousseau.
+
+Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbenvloed door de
+rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen,
+wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen,
+die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem
+altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner
+fantazien had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die
+eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had
+hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden;
+wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen,
+verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was
+de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij,
+geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en herosme en
+roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de
+droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude
+stroom vloeide weer rijkelijk.
+
+Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want
+Thrse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend.
+Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet
+zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben.
+Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te
+maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er
+in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij
+gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest
+altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot
+hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet
+naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren
+die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had,
+door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit
+was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken
+uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw
+hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in
+het woud.
+
+Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren;
+dr was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie
+die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen
+onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer
+hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd
+voorbij is.
+
+Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch
+dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en
+bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden,
+heerlijke jeugd.
+
+Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der
+jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt.
+Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de
+bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond
+en spijt om alles wat hij dit ne ter wille verzuimde, doet zijn hart
+samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd
+verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit
+eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven,
+voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat
+hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde;
+ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.
+
+Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn
+eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer
+terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene
+nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven
+zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit
+bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij
+te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij,
+zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam
+als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn
+fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij
+jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling;
+weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al
+de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had
+ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien
+onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't
+oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambry,
+hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk,
+hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap-
+secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel
+dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden
+door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij
+Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong,
+bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al
+lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en
+dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.
+
+Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor
+de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te
+sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te
+grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de
+broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn
+liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een
+ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid,
+zocht hij in de fantazie.
+
+Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen
+omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde
+samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare
+eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle
+storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat
+hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde
+samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.
+
+Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen,
+twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de
+minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan
+den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de
+Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind
+had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en
+vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar-
+beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument
+oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde.
+
+Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en
+onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had
+voor aan Thrse en haar moeder. Thrse snikte van verteedering, hij
+zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over
+het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der
+liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En
+wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd,
+voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich
+geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een
+deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke
+zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van
+zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte
+hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.
+
+In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de
+schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds
+lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets
+meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men
+zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen
+zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en
+armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en
+kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig,
+en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had
+een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de
+mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de
+natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen;
+een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch,
+op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde
+hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd
+spreekwoordelijk.
+
+Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder
+waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar
+zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote
+wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid
+en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar
+afwisseling.
+
+Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van
+1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder
+blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol
+uitbundige pret over haar avontuur; Thrse moest haar schoone kleeren
+geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk.
+
+'t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal,
+in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar
+minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de
+buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te
+verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den
+eenzamen wijsgeer, den stocijnschen "citoyen" met zijn strenge
+begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wlbehoed tegen de
+verlokkingen der Parijsche wereld.
+
+Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te
+worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.
+
+Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts
+schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor
+noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke
+vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor
+hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van
+den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en
+verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te
+voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de
+andere?[31]
+
+Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de
+daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat
+van mysterie is hij.
+
+Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend,
+vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat
+wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kn,
+niet mcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was
+de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen
+overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf
+n haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo
+leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en
+smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideele in
+hem, al zijn moreel gevoel opstond.
+
+Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd,
+--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst
+beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en
+weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te
+blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten
+weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht
+hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw,
+die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang,
+kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot
+extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat
+alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf
+en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam.
+
+Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn
+zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch
+van innering.
+
+Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare
+boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van
+de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Hlose." In de vlammen
+van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn
+wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt
+duizenden blij van bevende zaligheid.
+
+Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cterie
+die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest.
+Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der
+lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs
+ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven,
+dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van
+Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige
+menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog
+erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal
+aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij
+zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij
+toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.
+
+Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed
+voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke
+neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker
+geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn
+heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te
+probeeren achter zijn rug om met Thrse en haar moeder te bedisselen
+hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch,
+en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't
+allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer
+gerriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren,
+schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de
+wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als
+vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.
+
+Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van
+komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen
+schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot
+onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had
+verweten de moeder van Thrse den winter in de Hermitage te laten
+doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende
+leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en
+gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in
+Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak
+had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden
+als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich
+met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht
+Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel
+verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen
+dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in
+langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die
+stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend."
+
+Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend
+als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm,
+stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen
+hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een
+kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme
+d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend
+had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare,
+hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het
+dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten
+worden?
+
+Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet
+ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor
+haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude
+vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes,
+waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph
+die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een
+verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te
+worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij
+koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij
+ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen
+dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem.
+Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te
+voorkomen.
+
+Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen
+kwam de vonk.
+
+St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau
+op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als
+een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan
+Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay
+gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin,
+die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar
+zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in
+Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere
+explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart
+der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale
+op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen
+hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed
+en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij
+wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een
+schijn-verzoening tot stand.
+
+Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te
+toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof
+hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en
+was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later
+in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie
+van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drien.
+Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde;
+de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen
+de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot
+zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.
+
+Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen
+was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam
+juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.
+
+Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en
+vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo
+spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar
+bedienden, naar Genve dacht te gaan om zich onder behandeling te
+stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau
+haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en
+hoopte dat hij 't zou doen.
+
+Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genve,
+niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thrse,
+die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te
+praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en
+naar Genve ging om in 't geheim te bevallen. N begreep hij het. En
+toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van
+Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't
+bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme
+d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen
+hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay
+was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te
+gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.
+
+Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke
+positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst
+van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij
+dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert
+uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg
+van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij
+zijn stekels naar alle kanten uit.
+
+Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?
+
+Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm
+werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Genve sturen om,
+zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen?
+Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?
+
+Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij
+zeide voor haar gezondheid naar Genve en had zij gedacht: "'t zou
+gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de
+menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan
+zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar?
+
+De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in
+twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid
+gebracht.
+
+Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende,
+gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien
+tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme
+d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in
+die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en
+goed-bedoelde zorg.
+
+Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te
+verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht
+tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te
+vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen
+Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het
+antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest
+onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te
+verlaten.
+
+Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien
+de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op
+denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Genve vertrok, naar Parijs
+teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol
+betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog
+eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij
+begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen
+hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat
+hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn
+evenwicht geheel en al.
+
+Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid,
+zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in
+den tuin hooren, hij leek waanzinnig.
+
+Toen kwam dat briefje uit Genve: het werkte als een zweepslag. Met de
+kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders
+altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't
+dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en
+erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme
+d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig
+en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge
+niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar.
+
+Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke
+breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als
+om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden
+zijner hoopvolle jaren verliest.
+
+
+
+II. DE KATASTROPHE.
+
+Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met
+Thrse getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen
+in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar
+den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was
+oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de
+meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het
+terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den
+hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek.
+Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde
+naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.
+
+Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open
+koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot
+zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar
+elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van
+1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van
+vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon
+zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke
+ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van
+den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die
+dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te
+doordringen.
+
+Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den
+titel "Lettre d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het
+werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Genve" in de Encyclopedie,
+waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en
+ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te
+laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van
+d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf
+regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van
+bij het landhuis, dat hij in Les Dlices, een voorstad van Genve,
+bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge
+heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun
+best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in
+Genve was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van
+Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden
+melden: "heel Genve bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt
+een stad van genoegens en van verdraagzaamheid."
+
+De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden
+geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het
+klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen
+begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw
+onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de
+eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener
+klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische
+gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven
+der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar
+tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als
+zijn gedealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van
+rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige
+landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker,
+maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich
+zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan
+wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem
+verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de
+onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn
+eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem
+gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions"
+getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde,
+zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde,
+al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er
+in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene
+inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en
+wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in
+'t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van
+dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam,
+een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Hlose"
+wekken zou.
+
+De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met
+de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat
+men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet
+geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich
+gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire,
+diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den
+leider, en dat kon niet worden getolereerd.
+
+Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit
+de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende
+gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld,
+en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars
+wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven
+en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst
+zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend
+gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren
+in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van
+diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar
+zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks
+zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was
+zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering
+tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet
+weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste
+brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar
+gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten;
+daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die
+snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en
+even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en
+daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke
+paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te
+dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu
+moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en
+van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat
+Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar
+had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't
+gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in
+particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte
+deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn
+ergernis lucht.
+
+Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover
+de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde,
+in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de
+dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename
+bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze
+verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den
+tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon
+te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift.
+Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk
+was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij
+feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire
+eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om
+hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief
+van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was
+geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk
+kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon
+zijn om te verdragen. Gij hebt Genve als belooning dat ge er een
+toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van
+den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het
+die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen
+sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en
+zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch
+bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in
+n woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die
+waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle
+gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de
+bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde
+voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760.
+
+Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er
+buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien
+tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ...
+verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Hlose," die
+kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Hlose" noemde hij "een vervelende
+en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond
+hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid
+boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder
+maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en
+dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren.
+Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor
+de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den
+vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans
+gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte,
+denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op
+zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te
+maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de
+god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn
+meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?"
+
+Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige
+waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos
+het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan
+ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd
+is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wl zijn roem en invloed
+benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke
+meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht
+en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de
+verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.
+
+In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk
+met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat
+wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau
+beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige
+prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te
+hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een
+verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau
+in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening.
+Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook
+eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik
+haar weer aan te blazen."
+
+Zij hebben elkaar nooit meer gezien.
+
+St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's
+handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei
+en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had,
+terug stuurde.
+
+ * * * * *
+
+In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem
+hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede
+kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij
+leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid;
+de "Nouvelle Hlose" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde
+daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte
+in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast
+twintig jaren in hem was gerijpt.
+
+Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature
+indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren
+aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben,
+een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar
+geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de
+innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote
+punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de
+verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de
+verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had
+uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat
+hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een
+nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de
+sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het
+verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de
+eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen,
+gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich
+in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat
+de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken.
+Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij
+bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart
+altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon
+niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe
+in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de
+menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te
+geven was in zijn hart z onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst
+naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was z
+kwetsbaar, kromp z gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem
+alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die
+hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven
+--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood
+verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met
+Thrse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was
+het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst
+beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren.
+En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het
+oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke
+instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en
+het overige te doen vervallen.
+
+Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al
+vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire,
+die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij
+zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.
+
+Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de
+meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem
+was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan,
+--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een
+open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en
+aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste,
+oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel
+overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het
+wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het
+ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts
+verdiepen in zich zelven.
+
+Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen.
+Aan een goeden kennis in Genve, die zijn vrouw verloren had, schreef
+hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren
+zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een
+overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in
+zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te
+verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan
+dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiele hulp
+afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer
+honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart
+verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid
+steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.
+
+En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte
+handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem
+van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der
+groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in
+aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling?
+De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig
+of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de
+Romeinen der dcadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen
+zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn
+betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?
+
+Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte,
+zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten
+eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die
+Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem
+over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht-
+gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast
+elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en
+intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het
+hof kwam, en diens matresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem
+altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke
+boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en
+beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der
+letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om
+alles glad te strijken.
+
+In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Hlose,"
+begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een
+vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij
+schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den
+naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van
+een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen,
+het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette
+zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak,
+geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie
+van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde.
+Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter;
+uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte
+hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie
+maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd
+aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en
+zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn
+steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans
+onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken
+omgang tusschen hen.
+
+Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en
+hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde
+kennen.
+
+Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen,
+waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op
+het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar
+keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen
+soupeeren, als hij lust gevoelde.
+
+Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in
+den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de
+maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn
+bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer
+aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht
+en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met
+allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in
+bed lag, de "Nouvelle Hlose" voor die zij verrukkelijk vond.
+
+De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde
+kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een
+vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder
+eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en
+eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van
+hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe
+vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd
+hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem
+was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar
+reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van
+'t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd,
+berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende
+geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij
+om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij
+had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau
+leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar
+konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in
+haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van
+zijn kant.
+
+In n opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn
+nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee
+om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij
+lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet
+voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken,
+hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon
+verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de
+kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde
+hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thrse bewezen.
+Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem
+niet met geschenken lastig te vallen.
+
+In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de
+groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst
+pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een
+eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in
+het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig
+van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke
+omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou
+houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje
+netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen
+verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet
+weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand,
+toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd,
+trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal
+niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een
+dergelijk experiment goed afliep.
+
+Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn
+huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen
+van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thrse een
+paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen
+zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun
+herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo
+waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem.
+
+ * * * * *
+
+De "Nouvelle Hlose" werd lang voor de verschijning reeds veel
+besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele
+zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot
+afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn
+liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen
+hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er
+een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en
+de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die
+afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren
+kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar
+uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes
+was verbijsterend, misschien ongevenaard in de geschiedenis der
+letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij
+naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen
+lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur:
+de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen.
+Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de
+letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte
+onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was
+een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want
+in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige,
+verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van
+het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der
+persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Hlose" beduidde de bevrijding
+der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw,
+van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend
+auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke
+in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de
+"Nouvelle Hlose" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.
+
+Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven
+geen geluk; hun gexalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het
+zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij
+bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of
+geen heilige.
+
+Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van
+veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij
+had 't even lief als de "Nouvelle Hlose," maar met een andere liefde,
+niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste
+werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige
+geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil.
+En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd,
+in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens
+en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter:
+het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke
+lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des
+harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging
+had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare;
+diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten
+het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn,
+zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had
+verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde
+zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het
+verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek
+in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn
+geheim....
+
+Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan
+Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thrse en
+hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar
+medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop
+althans n der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was
+geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij
+een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste
+toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem
+vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare
+hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit
+te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile."
+
+Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de
+eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de
+Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet
+plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te
+vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij
+gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij
+zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre
+d'Alembert" en de "Nouvelle Hlose" hadden hem een bescheiden sommetje
+opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte
+hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs:
+daarvoor wou hij voor Thrse en zich een lijfrente koopen. Rey, die
+schatten verdiende aan de "Nouvelle Hlose," verzocht hem om
+toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thrse vast te
+zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn.
+Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd
+dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor
+een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een
+warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van
+verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid
+knellend en rukte zich los.
+
+Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot
+het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geischt
+en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam
+gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen
+onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut
+vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij
+woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee,
+ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde
+er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor
+zijn ideen vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den
+martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam
+verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem
+onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was
+typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen:
+behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch
+fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die
+gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven,
+had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste
+onaangenaamheden op den hals.
+
+Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan
+hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed
+waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip,
+waartegen zij te pletter moest slaan.
+
+Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de
+Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had;
+dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland
+gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar
+inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel
+merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de
+copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij
+begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur
+niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat
+het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen;
+hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem
+gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg
+hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen
+antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek
+dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde
+zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezueten de hand hadden
+gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij
+dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten
+hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn
+vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste
+discipelen in Genve zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen
+zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte
+zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem
+gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld
+proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij
+zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de
+Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven
+met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn
+van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag."
+
+Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de
+Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur
+toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en
+de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk
+ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen;
+een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk
+door het feit dat de "Nouvelle Hlose," waarin evenals in den "Emile"
+de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet
+verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat
+Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.
+
+Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te
+duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te
+waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een
+toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde
+zoo sterk, in "Emile" vr den godsdienst, tegen de materialistische
+philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk
+immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als
+het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn
+toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in
+Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun
+gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot
+verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te
+gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't
+plan uitgesteld.
+
+De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire
+vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de
+verschijning der "Nouvelle Hlose;" d'Alembert schreef hem om hem geluk
+tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der
+weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem
+heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering
+te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme
+de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou
+hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in
+de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het
+parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles
+wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar
+vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou
+vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar
+hem dreigde.
+
+In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin
+hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden
+morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te
+bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen
+een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen
+linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de
+dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag
+in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die
+juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van
+hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich
+voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij
+naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de
+Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een
+edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees,
+gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen
+te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden
+vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.
+
+De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren,
+tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van
+het kasteel omhelsden hem, Thrse snikte en gilde haar onbeheerschte
+smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het
+achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee
+mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel
+van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging,
+waarmee de hertog naar die sleutel greep.
+
+Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te
+zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.
+
+ * * * * *
+
+Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een
+geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij
+een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij
+groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen,
+die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's
+morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat
+hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt
+hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een
+plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd,
+verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder
+een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in
+zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij
+soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den
+avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot
+een idylle in den trant van Gessner.
+
+Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat,
+nu het op het punt stond de Jezueten uit te wijzen, de reaktionaire
+partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst
+schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de
+wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was
+vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen,
+die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als
+jansnist, protestant, athest of vrijdenker, was een rebel. Er is geen
+rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.
+
+Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de
+hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn
+overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan
+hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en
+zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem
+laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig
+waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan
+hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge
+betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun
+houding te zeggen?
+
+Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van
+Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een
+verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit
+de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan,
+maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_.
+
+Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche
+menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem
+ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid
+hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem
+weggestooten, zooals men het gn vriend mag doen. Hij was toch maar een
+stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen
+gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo
+bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende
+hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had ng eens vertrouwd,
+zich ng eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij
+kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en
+gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn
+schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze
+bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los,
+inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem
+wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem
+zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe
+rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.
+
+Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vr alles
+onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk,
+van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn
+meerderen waren.
+
+Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten.
+Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.
+
+
+III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN.
+
+De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht,
+jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht,
+grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens
+voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie
+geweest. Daarvr kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten;
+vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de
+Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot n stroom van schoonheid en
+kracht. Daarn verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing
+en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van
+zijn bewustzijn kaatste het beeld eener l wanstaltiger wereld, te
+midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de
+voorstelling troonde van het eigen ik.
+
+In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de
+wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het
+beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt
+zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle
+Hlose," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften,
+met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze
+werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen
+gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog.
+Wat de werken n Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee
+rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre Monseigneur de
+Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne."
+Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote
+jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen,
+versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en
+levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der
+tweede rubriek, de "Confessions" en de "Rveries" zijn, zuiver als
+woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid,
+de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken,
+waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate
+waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te
+roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van
+Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de
+"Confessions" en de "Rveries" boven de "Nouvelle Hlose" en den
+"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en
+uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin
+de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en
+sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de pozie reiken kan.
+
+In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener
+levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de
+natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling
+(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse-
+verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Hlose" en de "Lettre
+d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk,
+gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van
+godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal.
+Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het
+menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van n geest, zij
+worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en
+denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van n groot levenswerk.
+
+Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht
+niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van
+den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zr groote
+onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te
+leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht
+te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak
+niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom
+bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De
+geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde
+tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd
+somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De
+sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem,
+maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn
+conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle
+Hlose") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn
+conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog
+is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene
+theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt
+tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch
+tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en
+jong-meisje tot elkaar behandelen.[34]
+
+De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo,
+dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot
+dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht
+bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten
+is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der
+fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wl
+kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning,
+de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het
+lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende
+verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--dr lag zijn
+vaderland, dr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied,
+met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame
+worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich
+eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het,
+om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en
+dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend,
+zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en
+aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde,
+maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de
+zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief
+is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner
+haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met
+hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen.
+
+Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave
+missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in n groote
+verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk
+onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een
+vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe
+vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van
+zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en
+betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm
+van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Hlose" toepaste,
+was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen
+romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten
+een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson
+was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige
+afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van
+Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot
+het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie.
+Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen
+opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel
+voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door
+de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken
+en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen
+gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische la Prevost, of
+prikkelend-zinnelijke la Crebillon, werd in de handen der groote
+burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot
+bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun
+romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den
+inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke
+inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze
+de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der
+feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35]
+
+In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar-
+overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle
+opzichten het meest origineele zijner werken.
+
+In de "Lettre d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle
+Hlose" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische
+beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de
+idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven
+der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een
+adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de gedealiseerde
+herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene
+verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.
+
+Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde
+groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen
+vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft
+Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding
+vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug,
+bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen
+hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam
+brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen.
+Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere
+ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe
+eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid
+laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen;
+een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend
+in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging
+over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de
+dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen
+sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich
+tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun
+eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote
+revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!
+
+Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat
+beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De
+beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere
+smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn
+innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen
+zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn
+voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche
+gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel
+doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver
+maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De
+geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid,
+gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van
+Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de
+oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een
+hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een
+vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden
+geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie
+en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der
+eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had
+verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had
+verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle
+zoete en sterke bewegingen van het gemoed.
+
+Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met
+Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze,
+in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende
+moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu
+isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de
+samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der
+vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den
+burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn
+hoogmoedig hart.
+
+Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo
+liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij
+Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn
+ouderdom, de "Confessions" en de "Rveries." Naast de eenvoudige rijke
+levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de
+betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne
+doorzichtigheid der "Rveries" staan de werken der groote jaren als
+minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.
+
+Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds wee
+sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat
+tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat
+der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze
+parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Rveries," ontbreekt.
+
+Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen
+en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken,
+vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk
+leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel,
+de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten?
+En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze
+doordringt, de edele verheffing? Vanwaar?
+
+Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij.
+Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van
+zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters,
+had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der
+klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel
+der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.
+
+De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere
+volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en
+juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der
+kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in
+den weg stonden.
+
+Onherosch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de
+ontwikkeling van herosche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering
+en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd
+tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de
+dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit
+wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel
+een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden
+hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te
+voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische
+tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te
+houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud
+der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld
+door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid
+gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe
+moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen,
+voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot
+deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der
+klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stocijnsche gezindheid, het
+patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het herosme,
+die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich
+vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid
+hun ontzegde te zijn.[36]
+
+Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven
+den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de
+vorm, heroscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in
+de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het
+theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet
+anders is dan de keerzij der geforceerd-herosche spanning van het
+gevoel.
+
+Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van
+Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij
+Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de
+burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie
+tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij
+vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in wee
+laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der
+revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher
+harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren
+innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen
+bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij
+geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in
+den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht
+en heerschzucht en nijd.
+
+Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar
+voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn
+sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming
+der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen
+tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood
+aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch
+voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in
+aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn
+tijdgenooten, hoe niet de schitterende, athestische, genotzuchtige,
+door de korruptie van het ancien rgime aangestoken grootbourgeoisie
+den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige,
+onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie,
+kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der
+levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, m het te
+volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken
+moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme,
+bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze
+gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en
+te versterken.
+
+Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig
+instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe
+maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun
+wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met
+alle porin van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig
+kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd.
+Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en
+de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de
+valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze
+gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan
+het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar
+waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld
+brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.
+
+Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in
+zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau rvolutionaire," dat
+Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te
+veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft
+opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet!
+Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intutie voorvoelde
+welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou
+behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun
+taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van
+hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn
+werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.
+
+En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de
+schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal
+waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die
+geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het
+gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had
+Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan
+een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit
+Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hn ideologie hadden
+geput.
+
+ * * * * *
+
+Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau
+in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het
+menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het
+universum), en de verhoudingen der menschen onderling.
+
+Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk
+God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de
+menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor
+dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met
+de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in
+Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later
+verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd
+tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.
+
+Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote
+bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk
+gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook,
+maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk,
+dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks
+staat tegenover God. Hun materialisme en zijn thesme kwamen hierin
+overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn,
+maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme
+der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een
+deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der
+toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende
+beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er
+sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt
+stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij
+te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het
+zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische
+philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale
+neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen
+van den mensch.
+
+In het thesme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god,
+boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de
+verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn
+eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij,
+die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken
+arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen
+tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen
+tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De
+warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel,
+den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als
+zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander
+gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der
+menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch
+spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de
+eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de
+concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk
+middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten
+God. Het thesme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een
+groote rol speelde, en door Rousseau gepotiseerd en gepopulariseerd
+werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en
+samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den
+voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.
+
+Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen
+groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was
+zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch
+was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen
+over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken
+grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid
+was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren
+f op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, f in zwaardere
+afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en
+absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de
+grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de
+kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.
+
+In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de
+burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen
+(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen
+godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een
+of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar
+bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de
+abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke
+verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel
+der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist
+uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en
+onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk
+fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal,
+handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische
+theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo
+beriep het thesme zich op God, om steun te geven aan de sociale
+gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid
+van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk
+handelen zag het thesme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de
+eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de athesten uit zijn idealen
+staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen
+met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij
+hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning
+voor het onderdrukken daarvan.
+
+Het mechanisch materialisme en het thesme vertegenwoordigen dus twee
+polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide
+wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is
+daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn thesme voor te stellen als
+"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het
+punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende
+klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de
+strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was
+Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat
+rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de
+materialisten door de hunne "er bestaat geen god."
+
+Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van
+Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan
+een bijzonder karakter. De eerste was zijn gexalteerd individualisme,
+in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die
+hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek
+moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven,
+verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn
+Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid,
+de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle
+samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste
+expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den
+grens schijnt van het panthesme, maar er toch nooit toe overgaat god
+te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke
+kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het
+menschenhart geschreven had.
+
+Maar het gexalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos
+zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen.
+In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm,
+bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier
+stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk
+wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen
+God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en
+maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan
+koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad;
+zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet
+de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden.
+Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend!
+Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet
+onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk
+af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over-
+machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste
+smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en
+hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het
+heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste
+hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op
+aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef
+hij aan een kennis uit Genve, "ik geloof aan God, en God zou niet
+rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen
+ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den
+booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt
+de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen.
+Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven,
+alles wordt hersteld na den dood."
+
+Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het
+slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de
+laatste boeken van de "Nouvelle Hlose" en in de belijdenis van den
+"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het
+geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.
+
+De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het
+eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij
+vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van
+gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of
+slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den
+mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het
+lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche
+stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede
+begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god
+gelijk maakt"....
+
+"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve
+ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit
+gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam
+waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil
+is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word
+overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven
+wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn
+hartstochten."
+
+Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het potisch bijwerk en
+de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en
+geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid
+en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als
+middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit
+aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der
+maatschappelijke verplichtingen.
+
+Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische
+spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant
+heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk
+Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in
+innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons,
+die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken
+oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag
+de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle
+kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te
+onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door
+middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de
+grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat,
+zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven
+is, en wat wij met betrekking er toe zijn."
+
+Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle
+tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het
+werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen?
+
+Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en
+bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit
+tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun
+persoonlijken aanleg.
+
+Hun beider thesme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij
+de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling
+der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen,
+en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging,
+vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de
+mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het
+dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht,
+dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de
+verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij
+een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van
+eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen
+wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang
+bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de
+levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar
+der _arbeidende_ kleine burgerij.
+
+Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, potische
+natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten,
+maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren
+troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde
+er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41]
+der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het
+kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde
+waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en
+een potischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en
+_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en
+de Jacobijnen aan een "Etre suprme," een opperste-abstraktie, samenvattend
+al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter
+welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reele en materiele
+klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, potisch-opgesmukte
+desme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred
+de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks
+af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard."
+
+Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar
+geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van
+den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot
+godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie
+tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de
+volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en
+den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft
+gekozen."
+
+De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij
+meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan
+de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn
+tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de
+autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen
+versterken.
+
+ * * * * *
+
+In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours,"
+de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over
+politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen")
+heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen
+op den menschelijken staat behandeld.
+
+Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze
+geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke
+hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme.
+Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk
+van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social."
+Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den
+strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming
+en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen
+schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het
+maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het
+"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken.
+In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den
+eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het
+maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen
+ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle
+ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij
+daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving
+en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen
+staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die
+hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn
+vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen
+verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe
+levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit
+hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen,
+dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen
+maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt
+wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede
+"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel
+als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen
+te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover
+de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n.
+"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de
+oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te
+demonstreeren van het absolutisme.
+
+Van tweerlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire
+denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat
+te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste
+vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en
+vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de
+voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke,
+boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch
+onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van
+een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken
+over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de
+onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste
+uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde
+in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met
+aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de
+burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu
+schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van
+Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit.
+In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste
+aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische,
+terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat
+tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt.
+Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair,
+gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den
+inhoud van het bewustzijn dat s.
+
+Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie
+verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening
+houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene
+revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden,
+voorzichtigen kleinburger.
+
+De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij
+geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het
+recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De
+noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar
+met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk
+kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke
+macht, noch de inwilliging van allen, om aan n te gehoorzamen. Geen
+enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder
+de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij
+zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot
+oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne
+leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in
+ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht
+van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne
+krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele
+en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal
+gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als
+_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet
+onderworpen.
+
+Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat
+zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden?
+Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil
+hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger
+heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene;
+maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke
+persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt
+met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil
+hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de
+wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om
+vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich
+onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet
+tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn
+eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar,
+de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen
+welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds
+het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.
+
+De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren
+en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de
+regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn
+dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk.
+Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd
+vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding
+van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk
+lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt.
+
+De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of
+demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de
+handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal
+zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie
+alle raderen in n hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil
+des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar
+vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van
+een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen
+welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig
+vorst.
+
+Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de
+beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een
+aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige
+zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden,
+het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen
+is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is
+dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest
+verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust.
+Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de
+aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste
+waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz.
+van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in
+den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties
+verkiezen.
+
+Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest
+verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den
+staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling
+der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering
+'t meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de
+middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken
+van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een
+slechte haar vermindering.[42]
+
+Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van
+den souverein, dat is van den volkswil.
+
+Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering
+die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot
+onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend
+vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde
+tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit
+te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk
+kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een
+stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein
+behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of
+het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er
+thans mee zijn belast.
+
+Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het
+verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan
+noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept
+zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een
+talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te
+geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.
+
+Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische
+redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der
+demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den
+soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen
+souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als
+zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau
+revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts
+voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn.
+Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas
+door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor
+deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders
+van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en
+denkbeelden schepten.
+
+De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der
+burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het
+overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen
+die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem
+bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige
+abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine
+boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der
+teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden
+patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om
+den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de
+instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een
+tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was
+de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen
+bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den
+landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was;
+industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen
+gering.
+
+Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking
+tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het
+"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten
+over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld
+welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het
+eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de
+afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten
+voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner
+geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer
+sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de
+politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat
+geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de
+plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende
+ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre d'Alembert"
+verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij
+de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel
+ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een
+groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk
+de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in
+praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het
+"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden
+behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk
+met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet
+de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie,
+uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere
+bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het
+proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting.
+Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren
+tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de
+industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering
+door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de
+kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der
+overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze,
+zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van
+hinderlijken dwang.
+
+Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur
+voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid
+der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit
+alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der
+oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer
+10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die
+hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten
+kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den
+handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die
+op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn
+verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts
+onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne
+persoonlijke.
+
+Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het
+volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den
+hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee
+van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de
+werkelijkheid der republiek Genve, in dat hoofd tot een idealen staat
+herschapen. Immers in Genve bestond nog, hoe ook tot machteloosheid
+ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers:
+de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle
+burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
+
+Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot
+verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid
+van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren.
+Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter
+uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich
+somtijds op n enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte
+zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te
+schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze
+uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden,
+echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het
+verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en
+wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte
+de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch
+inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de
+gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn
+geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom
+als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over
+de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het
+heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog
+belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der
+ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen
+het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere
+plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn
+voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het
+verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau
+meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen
+was voorafgegaan.
+
+Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het
+kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op
+uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate
+onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in
+het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken
+van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk,
+op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der
+vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de
+gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en
+de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat
+geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit
+armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom,
+die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het
+patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit.
+
+ * * * * *
+
+De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en
+affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de
+rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak
+van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot
+zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms
+wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid,
+zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen
+_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de
+eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk,
+wispelturig, nooit verzadigd; door de comdie de moeurs verpersoonlijkt
+in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus
+tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken,
+zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de
+omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik,
+ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet
+zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets
+levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles
+is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, wee kost der voorbije
+tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze
+goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om
+teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten,
+vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo
+hoort het."[45]
+
+Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den
+minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk
+als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche
+gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste
+levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met
+den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking
+niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de
+provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot
+een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich
+aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.
+
+Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie,
+hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge
+driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal
+bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde
+is l scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin
+'t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar.
+In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen
+verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.
+
+De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste
+instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten
+met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar
+begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want
+dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar
+nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen.
+"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot
+van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen."
+
+Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel
+doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam.
+Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere
+elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar
+val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een
+theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het
+enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met
+de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma:
+"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke."
+
+Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo
+leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Hlose." Het
+boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere
+sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden.
+Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd,
+lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in
+zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit
+n stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de
+schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet
+omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle
+levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken!
+De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de
+staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de
+paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit
+gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan
+hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't
+hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene
+en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet
+meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de
+Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen,
+verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit
+elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen
+verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend
+haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van
+wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de
+menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden
+van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke
+ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van
+kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de
+geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij
+kunnen niet weerstaan.
+
+Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vr het zoete genot van
+elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte
+moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de
+onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al
+berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij
+ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende
+blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de
+liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt
+de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de
+deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de
+menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt
+hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander
+wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen
+persoonlijkheid.
+
+Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige
+vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie
+gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der
+gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen
+van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.
+
+"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar
+het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden
+is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op n
+voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te
+maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor
+het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet
+langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij
+en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de
+zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een
+verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij
+verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis,
+zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam
+maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen
+haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten
+alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen."
+
+Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde
+met de schaamtelooze wellust van Marivaux!
+
+Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid gergerd, waarmee
+Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze
+kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux
+beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere
+teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend
+gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het
+temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en
+schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig,
+door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.
+
+In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt
+van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte
+der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid
+prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de
+tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te
+verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of
+liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te
+los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding
+aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en
+valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne
+waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar
+grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke
+neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het
+teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en
+eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die
+natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed
+met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.
+
+De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt
+het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met
+elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar
+geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste
+in onze persoonlijkheid.
+
+Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alln is heilig. Zoo de
+natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.
+
+De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te
+verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling,
+waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het
+recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander
+recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur,
+zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die
+Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Hlose" in beeld heeft
+gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken,
+de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos
+volgen zijner impulsies en aandriften, n den wil die te overwinnen, te
+leven volgens hooge zedelijke beginselen.
+
+Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen,
+koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede
+gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden
+acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar
+voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht
+gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar
+hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan
+haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als
+vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser
+en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de
+heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een
+nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een
+uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar
+nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben,
+dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste
+plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat
+volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen
+der rede die uw gave in mij is."
+
+Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij
+zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de
+betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende
+verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling
+te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is
+tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid,
+bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter
+en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere
+affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en
+rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te
+zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen,
+zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te
+voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen
+haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed
+nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.
+
+In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de
+voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin
+(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve
+voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij
+heeft niet slechts een ideele roeping als echtgenoote en moeder; zij
+staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en
+van een talrijk personeel.
+
+Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is
+het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende,
+allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des
+levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om
+zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt
+geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij
+'t wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur
+hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef
+stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt
+Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt
+gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en
+liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar
+laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.
+
+Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Hlose" het recht der
+persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk;
+hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als
+jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde,
+ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan.
+Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een
+zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes
+bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een
+passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het
+tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of
+een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als
+een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige
+erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het
+denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche
+steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan
+vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe
+opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!
+
+"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een
+schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als
+de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo
+de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was
+zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar
+aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te
+weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar
+wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In
+waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te
+huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid,
+vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief,
+des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan
+zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van
+trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik
+zachte en sociale zeden."[48]
+
+Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere
+klassen geen sprake. De man had f een betrekking aan het hof, dan
+verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie;
+f hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te
+velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar
+minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield
+'t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en
+lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte
+platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die
+wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling:
+daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener
+clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht
+voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de
+provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op
+het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie
+voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener
+boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun
+mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging
+Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in.
+
+Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn
+huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte
+werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De
+jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten
+eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich
+zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling,
+in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in
+eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld
+door eerzuchtige of halfgeruneerde ouders, en zoo zij niet in alle
+vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan
+voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid.
+Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en
+moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging
+beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.
+
+Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven
+overgoot Rousseau met den toover der pozie. Hij maakte het ingetogen,
+huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk,
+en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat.
+Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te
+stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de
+vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische
+kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo
+ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van
+kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in
+de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In gn andere
+verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en
+geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen,
+zoovelen tot zegen zijn.
+
+Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor
+Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk
+te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de
+school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de
+rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht
+om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit
+compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man
+dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij
+hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden
+rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd?
+Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken?
+En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan
+dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke
+veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet
+het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven
+voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen
+voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze?
+
+Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde
+en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen.
+Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet
+eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk
+gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en
+bezonnenheid. Neen, maar liefde n plicht in een eenheid vereenigd, de
+gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs
+verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene
+genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit
+alleen erkennen wij als het ideaal.
+
+Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der
+"Nouvelle Hlose." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast
+vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons
+zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.
+
+In de "Nouvelle Hlose" zien wij de vrouw optreden als de genoote van
+den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige
+opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen
+wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.
+
+Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de
+bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale
+bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich
+die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen
+arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld
+ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en
+het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin
+door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het
+ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half
+patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap:
+in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar
+lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst
+van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.
+
+In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich
+aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in
+zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan
+het geestelijk leven van hun tijd.
+
+Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mmoires en tragedies,
+deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle
+waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing,
+vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit
+soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat
+"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en
+mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen
+een soort van monster.
+
+De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om
+de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze
+gemancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet
+veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar
+slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover
+dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar n ding moest
+haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te
+verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw
+is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te
+dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit
+onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te
+verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.
+
+Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als
+slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw,
+maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol
+is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn
+liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer
+van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de
+heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van
+waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te
+onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.
+
+Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de
+salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De
+natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest
+daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar
+geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te
+leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der
+oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der
+woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het
+openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch
+leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren,
+en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten
+door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen
+verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het
+elkander lichtzinnig napen, zooals de ijdele kwasten en de malle
+salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het
+mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in
+geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.
+
+Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming
+van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande
+ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij
+niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten
+moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke
+mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit
+weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin
+de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken
+en liefhebben zal.
+
+Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en
+onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn
+kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag
+mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide
+eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij.
+Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om
+haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en
+in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En
+hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden
+zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het
+karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw
+van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in
+den dienst der gemeenschap.
+
+ * * * * *
+
+Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk
+vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede
+patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden
+over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner
+voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fnlon, van Rollin en Fleuri;
+maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het
+menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires,
+dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk
+verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal
+meer potisch en meer philosophisch en algemeener, minder
+nationaal-beperkt.
+
+Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone
+opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in.
+Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt
+om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven
+der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle
+doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche
+manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst
+verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen.
+Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en
+vrouwen, geen menschen.
+
+Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming,
+moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden.
+Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier-
+hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en
+volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt,
+des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de
+hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders
+nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden
+toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes.
+Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de
+jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare
+waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het
+morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen,
+want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet.
+
+Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke
+opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij
+zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met
+zijn diepe, vrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in
+dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen.
+Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen
+wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie
+vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des
+kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een
+moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die
+het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg;
+die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn
+bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn
+spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids-
+vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't
+niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door
+de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen
+vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind
+niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door
+lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou,
+honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot
+zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een
+jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk
+niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd
+wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen
+abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid
+van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse
+zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen
+spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later
+veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze
+ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de
+werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij
+te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond."
+
+Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen
+vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn
+denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties.
+Z alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de
+oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit
+noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving
+bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de
+menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar
+het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van
+het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch
+hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening
+van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en
+zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid
+van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot
+een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.
+
+Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch
+opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder
+mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de
+genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door
+een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der
+oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel
+in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers
+voort, maar slechts bourgeois.
+
+Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en
+het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt
+niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig
+als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem
+waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste
+trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn
+individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder
+den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der
+opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en
+plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken
+van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen
+van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel
+zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de
+individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar
+waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v.
+Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan f
+"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke
+parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) f buiten-
+maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de
+levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in
+het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed
+hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn
+revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse-
+opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed
+tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving,
+die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen
+kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal
+waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen
+verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen.
+In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de
+overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond
+zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.
+
+Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel
+voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen.
+Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken
+doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid,
+zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de
+eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men
+geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk,
+neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw
+middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht
+dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te
+leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en
+rechtvaardig leven hebben geleid."
+
+Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling
+gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem
+voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van
+kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen.
+En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel z sterk
+is, dat hij den meester dwingen kan hem voor n arbeidsdag een loon uit
+te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld
+zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder
+grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.
+
+Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding,
+wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen
+gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend
+geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de
+grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen.
+Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als
+knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.
+
+Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de
+zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk
+brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij
+niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar
+en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer
+weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke
+nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij
+uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er
+was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in
+zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.
+
+Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve
+betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke
+noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche
+wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve
+heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen
+lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen,
+wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De
+levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging,
+het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur
+verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze
+krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet
+kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is
+verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht,
+zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en
+te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis
+voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de
+eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft
+waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat
+z in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich z los van alle
+wereldsche banden, z onverschillig voor stand, fortuin, eer en
+aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de
+wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De
+mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom
+moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er
+geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij
+verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en
+verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile,"
+in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke
+gemeenschap toch weer op.
+
+Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het
+leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels
+die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht,
+winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen,
+tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.
+
+Hoe wordt nu dit doel bereikt?
+
+Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de
+veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind.
+Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen
+leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende
+behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar
+behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het
+dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige
+leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is
+het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder
+teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol
+vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van
+elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het
+eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen
+te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen
+straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen
+daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.
+
+Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de
+utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan
+dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk
+eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat
+het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert
+Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen
+ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het
+tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der
+natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis
+der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om
+mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde:
+dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden.
+Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch
+mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal-
+mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de
+modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook
+een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken.
+
+Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw
+beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft
+het kind in zijn nave zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de
+opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen
+altrustische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken
+beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in
+den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de
+zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altrustische en
+sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die
+op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van
+liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren
+te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen
+van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle
+schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt
+Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel
+onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de
+zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de
+wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in
+de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig
+Schepper, dien hij zegent en aanbidt.
+
+De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt
+zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide
+kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een
+uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze
+vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der
+werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van
+zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de
+ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale
+leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk
+van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling
+van het individu, de egoste en egocentrische aandriften de primaire,
+aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich
+eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.
+
+Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten
+dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in
+en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd
+heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind
+gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der
+sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit
+zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog
+op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn
+redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der
+sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift
+voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering
+voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen
+gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken,
+de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk
+bewustzijn in hooge mate benvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende
+jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op
+de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel
+mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel
+komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst
+der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot
+voorwerp heeft.
+
+Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor
+de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme.
+Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van
+zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat
+bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang.
+En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend
+willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en
+diens redelijk egosme.
+
+De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l.
+Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle
+denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder
+ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar
+hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het
+groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te
+vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe
+de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.
+
+ * * * * *
+
+Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind
+gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de
+zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele
+verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het
+gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was
+een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een
+weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger
+dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd,
+ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven
+--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek
+als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot
+zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen,
+zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht
+van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en
+teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven,
+zich n van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze
+gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als
+hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen
+heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd
+meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor
+zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en
+woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en
+tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend
+innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het
+verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin
+keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare
+bewoners terug.
+
+In de "Nouvelle Hlose," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten
+gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van
+zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde
+bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het
+affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld.
+Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte
+gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van
+vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen
+geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scne waarin
+Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift
+barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om
+vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie
+aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond
+van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet:
+tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de
+onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht
+hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke
+teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost;
+--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die
+vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige
+andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet
+van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle
+Hlose" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke
+affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven;
+hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen
+flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die
+omschaduwde sfeer.
+
+De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het
+eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht
+is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het
+tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In
+dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen;
+de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met
+zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het
+mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn
+eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal,
+regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een
+verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid,
+soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en
+hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen
+plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd
+niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden,
+de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid
+te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten,
+over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het,
+die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar
+en principieel formuleerde.
+
+In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken,
+niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de
+aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren
+glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar
+hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd
+uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen.
+Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt
+zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart
+volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die
+te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en
+zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane
+gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle
+Hlose."
+
+Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Hlose" ook verhoudingen uit het
+gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende
+menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het
+vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale
+verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel
+van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet
+aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de
+grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen
+zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen
+tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets
+van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor
+eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding
+tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen
+hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen
+en weer.
+
+Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde
+Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke
+waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel.
+Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den
+burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting
+deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en
+de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij
+afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebesche afkomst
+gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij
+verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideen over de
+nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen
+lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de
+revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon
+der burgerlijke vrijheid.
+
+De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker
+van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om
+klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat
+in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil.
+Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van
+tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in
+dit ne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke
+kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder
+zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot
+het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat
+dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is
+niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet
+geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos
+zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht,
+daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was
+nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In
+zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin
+de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en
+luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het
+tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner
+meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen,
+was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit
+den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk,
+omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen
+andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk
+bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste
+poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe
+vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens
+langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen
+toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning
+zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid
+waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling,
+omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou
+raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en
+proletariaat.
+
+Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner
+kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute
+vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk
+hij de tyrannen haatte.
+
+ * * * * *
+
+Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw
+wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen
+oproepen voor onzen geest.
+
+De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen;
+een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een
+kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont
+de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert
+zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch
+zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de
+ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop
+van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst-
+mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen,
+de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld
+die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke
+is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede.
+
+In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering.
+De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door
+alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden
+rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie,
+geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De
+burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen
+tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid
+in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen
+zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en
+proletarirs, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen
+nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der
+menschheid en het bestieren van het gemeenebest.
+
+De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of
+overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk
+leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer
+menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen
+arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den
+schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren
+zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen
+zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege
+ceremonin; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en
+dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft
+gegrift.
+
+Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere
+plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen
+jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en
+zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven
+die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis
+glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den
+rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw.
+Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in
+wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.
+
+Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen
+arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood,
+door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt
+van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden,
+als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot
+geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot
+feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers
+in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen
+bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije
+mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid
+hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en
+vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk
+feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is
+der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te
+herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel
+van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen.
+
+Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.
+
+Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het
+kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu
+leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller
+menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische
+samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij-
+krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij
+zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in
+verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn
+hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die
+stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer
+die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze
+harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid
+waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons
+vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons
+nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede
+en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde,
+het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een
+glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land
+zijner verloren kindsheid.
+
+Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme,
+maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke
+ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing
+van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan
+die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid
+die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den
+stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven
+bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en
+de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche
+bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de
+encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend
+kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke
+verachtten en verwierpen.
+
+Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven.
+Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat
+voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het
+huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn
+organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister,
+vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den
+mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en
+breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in
+vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort
+roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van
+terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote
+droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven
+der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte,
+die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de
+groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich n
+te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het
+aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn
+lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem
+van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de
+weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem
+zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een
+vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke
+ondoorgrondelijkheid.
+
+
+[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie
+Jenvernay 1801).]
+
+
+NOTEN:
+
+[30] Haar meest bekende werk zijn de "Mmoires de Madame d'Epinay," die
+langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van
+Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald
+(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat
+deze z.g. mmoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een
+lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot,
+dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven
+van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de
+Rousseau," blz. 188-189).
+
+[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de
+liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den
+"Tristan" maakte.
+
+[32] Mme d'Epinay beschuldigt Thrse van 't schrijven van een anonymen
+brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk
+is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna
+voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de
+gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert
+behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St.
+Lambert _moesten_ bereiken.
+
+[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen:
+hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had
+gebracht.
+
+[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire
+Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst;
+en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is.
+
+[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan
+zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den
+"franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare.
+Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot,
+zzeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van
+diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote
+overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en
+der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale
+faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de
+traditie.
+
+[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.
+
+[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.
+
+[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis
+en de eeuw der omwentelingen."
+
+[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der
+Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire
+uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme."
+
+[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool,
+die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de
+_passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke
+en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in
+het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen.
+Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht
+in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk
+dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot
+revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.
+
+[41] Gorter.
+
+[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de
+plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.
+
+[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een
+poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.
+
+[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel
+ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die
+terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de
+grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn
+mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo
+ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem
+zelf aan niemand behoort"
+
+[45] "La Runion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de
+Goncourt, "La femme au 18ime sicle."
+
+[46] "La femme au 18ime Sicle," blz. 173.
+
+[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.
+
+[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ime
+Sicle," blz. 239.
+
+[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers
+te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het
+regeerstelsel van Polen.
+
+[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de
+inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.
+
+[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de
+groot-kapitalistische maatschappij.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK
+
+DE LAATSTE WORSTELING.
+
+
+Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede
+aankomst te melden; ook aan Conti en Thrse schreef hij. Hij liet haar
+geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge
+doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want
+hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken
+nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder
+verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit
+land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee
+niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn
+afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo
+zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat
+ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge
+liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en
+ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te
+bezorgen."
+
+Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van
+Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thrse af
+wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in
+Montmorency achter te blijven.
+
+Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de
+regeering van Genve den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar
+had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich
+binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen
+volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich
+bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den
+"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten
+tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de
+kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen
+voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat
+hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam
+liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De
+aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een
+herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus
+vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er
+uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde
+den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek
+had gedaan. Het "Contrat Social" werd alln in Genve verboden: de
+akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo
+spoedig doorzag.
+
+Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou
+veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit
+genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme
+Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver
+van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom
+Neuchtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en
+geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar
+aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit
+Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thrse zich bij
+hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.
+
+Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den
+Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten
+van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur
+gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de
+steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging
+van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel
+kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal,
+ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen.
+Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in
+Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom
+liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de
+gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware,
+massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder n dak--met
+weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een
+onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan
+ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.
+
+Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk
+zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen
+huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat
+opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt,
+de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer,
+voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen
+avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te
+moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit
+onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den
+lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend
+vergeefs naar een groet der zon.
+
+Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral
+leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar
+toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle
+oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap
+boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat
+en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag
+naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de
+bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in
+de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij
+dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen
+zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn
+handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn
+kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook
+zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten
+schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en
+ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die
+tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen
+waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij
+doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers
+vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten;
+het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden
+zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen,
+de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van
+uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend
+uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in
+de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal
+stroomde: de forellenrijke Reuss.
+
+Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest;
+heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren,
+geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename
+gewaarwording alln hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke
+natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te
+vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en
+dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn
+aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort
+leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf
+jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat
+gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had
+ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken
+gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling
+die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het
+heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon
+was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel
+de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn
+eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen
+en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en
+wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een
+te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en
+allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en
+te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste
+zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts
+door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er
+was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar
+hij had mr noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn
+eenzaamheid mee te vullen.
+
+Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van
+planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen
+tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij
+als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap
+stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde,
+vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken
+zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een
+zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige,
+heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende
+zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de
+schuld der menschen n door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot
+hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en
+buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen
+lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de
+eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in
+hem nog warme belangstelling wekte.
+
+Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen
+heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in
+zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der
+nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men
+interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of
+vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig
+voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die
+in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar
+om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij
+eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was
+hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede
+overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie
+was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus,
+die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd
+verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de
+plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te
+populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat
+natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen
+door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk
+hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde
+de leeken aan tot het aanleggen van herbarin, van gekleurde teekeningen
+voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.
+
+Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen
+der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de pozie der bergen, was ook
+een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door
+waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen,
+die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van
+specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker
+geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.
+
+ * * * * *
+
+Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof
+te vragen in het vorstendom Neuchtel te wonen; ook wendde hij zich tot
+den gouverneur van Neuchtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland
+doorgaans bij zijn titel Milord Marchal genoemd, en riep diens
+bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel
+mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden.
+Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen
+zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel
+begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling
+was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te
+leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie
+eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver
+te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet
+rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij
+vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en
+in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copieren of
+planten-verzamelen was.
+
+Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in
+zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchtel, te komen
+bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman
+en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot
+elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef
+Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar
+onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid,
+menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen
+als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet
+van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van
+Neuchtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door
+de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor
+heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij
+hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme,
+teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest
+harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld;
+zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel.
+Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen;
+tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord
+Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thrse aanbood, zei
+hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn
+genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door
+waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij
+zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de
+brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen
+vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau
+meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer
+schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden
+zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost
+nu ook ontnemen?"
+
+Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van
+Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en herosche
+eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn
+zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers,
+met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend
+correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van
+Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean
+Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij
+is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer
+dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men
+van hem houdt en achting vr hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den
+vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar
+de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers
+bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij
+plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine
+republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij
+tween en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd
+philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen
+vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar
+draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean
+Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven
+met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst
+met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St.
+Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar
+half meer aan en Milord Marchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van
+luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in
+Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van
+onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord
+Marchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchtel 't
+jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar
+Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem
+nooit teruggezien.
+
+In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't
+algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel,
+van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde.
+Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes
+en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als
+zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een
+schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens
+wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had
+veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos
+lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou
+bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep
+Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.
+
+Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij
+nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't
+geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de
+ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend
+in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen
+mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging
+gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de
+vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke
+boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur
+zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was
+zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan
+hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische
+dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't
+oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de
+algemeen-geerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met
+den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld
+de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten
+te worden, en had domin dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch
+onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren
+steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen
+strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder
+de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten
+verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats
+rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige
+fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken.
+
+Met de toelating tot het avondmaal zat het z. Het verzoek van Rousseau
+bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg
+weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen
+der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan,
+welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot
+lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis
+van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het
+protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig
+geval voor domin Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem
+had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen
+in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven,
+niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten,
+want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor
+nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te
+hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den
+predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het
+toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Marchal had
+uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan
+zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting;
+als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom
+beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte,
+dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de
+"Lettre monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne."
+(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen
+tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had
+gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het
+begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een
+en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der
+"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich
+zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen"
+de protestantsche wereld in rep en roer bracht.
+
+Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem
+aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar
+de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen
+tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag
+natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding
+gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind nit vroegtijdig den
+plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het
+leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de
+aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van
+onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om
+door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten
+getroffen te worden.
+
+Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol
+innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig-
+verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken
+van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek
+tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk,
+schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te
+vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen
+werd te erkennen "ik herken den burger van Genve niet meer," maar het
+werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door
+hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het
+geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij
+Voltaire volkomen ontbrak.
+
+Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont"
+weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn
+gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen
+der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In
+dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op
+bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te
+zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij
+in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan
+Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen
+godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding
+van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke
+godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de
+essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid
+der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den
+godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den
+mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering,
+komen geheel overeen met de ideen van andere revolutionair-burgerlijke
+denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken
+hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie,
+boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de
+voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle
+verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van
+den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige
+denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag
+der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het
+bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder
+volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren.
+Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn
+droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.
+
+Op zijn veroordeeling door den Raad van Genve had Rousseau langen tijd
+gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering
+zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang
+wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit.
+Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de
+overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een
+jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund
+zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn,
+zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht
+en wijsheid, in n woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog
+meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat
+hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door
+de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk
+naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den
+Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genve, van zijn
+burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.
+
+De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats
+gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop
+was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het
+requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de
+veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter
+verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven
+te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich
+te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patricirs-kaste
+die in de "vrije republiek" Genve regeerde, bleek even beducht voor de
+vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse
+van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek
+zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te
+hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.
+
+De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer
+gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen
+uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte
+grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de
+machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de
+strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot
+een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke
+machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de
+lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te
+richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering
+behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad
+zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor
+kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit ngatif,"
+dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie
+vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter
+zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst
+met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en
+naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der
+regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt
+voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder
+vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der
+burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van
+vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau
+zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn
+naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen
+schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden.
+Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede
+middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in
+de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer benvloed waren
+door de nieuwe ideen van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale
+protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het
+behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en
+grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de
+aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.
+
+Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten
+onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij
+zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genve komen en den
+loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als
+martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de
+spits der burgers stellen zou.
+
+Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om
+zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen
+van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens
+zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid,
+maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten
+koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk
+samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde
+tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken.
+Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed
+gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem
+tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.
+
+Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen
+waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de
+procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in
+den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne"
+(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar
+uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de
+protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genve opleverden; en
+trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de
+Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het
+geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar n
+man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de
+kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren.
+Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij
+zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten
+Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe
+bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde
+van het meer van Genve, in den zomer van 1764 de democratische leiders
+om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig
+voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds
+in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand
+onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen)
+op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard
+gebleven.
+
+De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau,
+en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen
+regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't
+algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een
+bepaalde regeering: de aristokratische van Genve. Twee van deze brieven
+zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de
+"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert
+daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de
+onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet
+voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genve
+ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch
+onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een
+beschouwing over den toestand der republiek Genve en der brandende
+politieke kwestie: het "droit ngatif." Deze beschouwing gaf Rousseau
+gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze,
+waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te
+veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten
+ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.
+
+De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Genve in
+lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware
+protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van
+door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte
+beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel
+dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke
+vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk
+verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude
+geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne
+rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner
+erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije
+interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen,
+om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen
+twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen
+vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van
+het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de
+uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest
+natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de
+kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk
+leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke
+ketterij.
+
+Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke
+machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van
+despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige
+wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag.
+Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef
+hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur
+ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen,
+eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles
+komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het
+volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen
+handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel
+hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden
+tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen,
+vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen
+'t hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en
+zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede
+laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen
+voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van
+den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het
+gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin,
+in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen
+over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun
+groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de
+overheid geerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en
+vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek,
+het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is.
+Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid,
+de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die
+zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede
+laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en
+tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te
+strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen
+zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de
+beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate
+heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen,
+noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult
+satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak
+bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten
+voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering
+dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid
+en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft
+er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er
+mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige
+mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik
+geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen."
+
+Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots,
+de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en
+onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had
+hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van
+het reele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op
+bepaalde gemeenschappelijke daden....
+
+Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij
+hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van
+zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten
+Genve: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten-
+bent keerden zich als n man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te
+zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in
+den Haag en in Genve in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste
+aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou,
+de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik
+wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen"
+lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed
+zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult
+uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten
+zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abb de
+Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden
+in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische
+zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen,
+liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en
+beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per
+slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus,
+die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"),
+dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk
+van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo
+ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.
+
+Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn
+vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die
+algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende
+tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij
+in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet
+abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reel en
+konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de
+grooten hem een gevaarlijk dier.
+
+Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd
+schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die
+kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem
+laaghartig, verraderlijk te bespringen.
+
+Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en
+officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen
+bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat
+natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau
+overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten
+hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht
+zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer
+aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn:
+Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te
+zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een
+grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van
+den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph
+van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch:
+Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd
+jegens zijn groote mededinger.
+
+Door de verschijning van de "Nouvelle Hlose" en den "Emile" was
+Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke
+kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de
+onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk-
+revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar
+macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van
+absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van
+hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden.
+Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen
+zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke
+aangelegenheden.
+
+Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets
+anders en mr dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en
+eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had
+raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle
+sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van
+den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende
+zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en
+bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van
+velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland
+bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze
+eigen dagen Tolsto internationaal ingenomen heeft.
+
+Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau
+omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver.
+Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van
+armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle
+anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en
+wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn
+leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in
+een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de
+vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't
+schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En
+sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg
+hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn
+vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den
+martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en
+jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden,
+maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar
+Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige.
+
+Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als
+hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen
+en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was
+een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der
+briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor
+zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder
+gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds
+met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de
+onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere
+wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in
+persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog
+ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en
+overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een
+jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed,
+om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht
+bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting
+van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw
+breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in
+zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel
+mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het
+opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden:
+hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de
+opvoeding zich moest bewegen, niet meer.
+
+Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van
+den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een
+bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets
+verschrikte hem zoo zeer als de gexalteerde geestdriftigheid die
+onbekookt zijn ideen in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie
+veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze
+houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme
+van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor
+het onherroepelijke van de daad.
+
+Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de
+zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij
+tween en drien, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen
+en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de
+ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden,
+bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een
+enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling;
+--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar
+het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden
+zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten
+'s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.
+
+Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau
+Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op
+hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken,
+door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met
+alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met
+zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en
+wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de
+Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten
+die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is
+het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment
+des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in
+het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee
+uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver
+bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn
+uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis-
+reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige
+meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van
+een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een
+medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke
+gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt....
+Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in
+beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest....
+Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in
+Genve een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie
+omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom
+wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen
+dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij
+gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken,
+kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te
+behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend
+schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den
+doodstraf_."
+
+Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden;
+Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener
+meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige
+vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en
+platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau,
+ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam,
+geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile
+verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaing en laffe ophitserij
+kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee
+hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te
+brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.
+
+Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of
+zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van
+Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig
+zou zijn aan den dood van de moeder van Thrse (een verre uitlooper der
+oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in
+zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist
+geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't
+bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thrse, waren
+natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke
+eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard
+voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige
+dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het
+wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid,
+zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster
+samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van
+vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van
+het jaar '65 al erger; Thrse, die door de vrouwen aanvankelijk
+vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en
+nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den
+vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen,
+bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn
+botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te
+schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men
+schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers
+bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der
+bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan
+David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.
+
+Natuurlijk was niet alln het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de
+vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg
+hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen"
+kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf.
+De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van
+Neuchtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun
+schrijver te vervolgen en gelastte den domin van Motiers, om Rousseau
+voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten.
+Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn
+gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te benvloeden,
+probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten
+einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal
+weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een
+uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen.
+Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in
+het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden:
+alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet
+wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of
+buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van
+Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige
+klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren,
+als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen
+het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap
+hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop
+hebben.
+
+Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren.
+Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar
+door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij
+voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven
+aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd
+was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de
+ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de
+zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van
+Neuchtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der
+predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom
+verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de
+jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven
+uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen
+de domin's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest
+aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst,
+om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten."
+
+Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het
+despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige
+demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde;
+het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard gn recht te
+zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat
+die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn
+onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere
+onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in
+konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing,
+zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl
+onvermijdelijk en niet zonder schuld.
+
+Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem
+hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn
+gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en
+al wankelheid.
+
+Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genve verontrustte en
+benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan
+met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar
+vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Veneti de wijk te nemen,
+"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in
+Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij
+dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars
+hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen.
+Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken;
+"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms
+gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk
+leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van
+mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij,
+en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die
+knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op,
+de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij
+zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met
+vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal
+ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit
+punt staat voor mij boven alle bedenking vast."
+
+Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel
+van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet nen weg
+klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten
+slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te
+blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich
+dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen
+kon hij niet.
+
+Montmollin, van uit Genve opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en
+beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het
+heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde
+in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du
+Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei
+persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en
+roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel,
+dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de
+gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke
+toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op
+'t kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis
+'s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der
+galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden
+posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.
+
+Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de domin's
+hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede,
+dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke
+plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan.
+
+Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie
+jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich
+van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne,
+dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er
+eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige
+vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe
+van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders
+meer.
+
+Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild
+als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor
+de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de
+makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven
+als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer
+uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van
+de haat des volks.
+
+Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in
+alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alln onder de ongeloovigen,
+nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid
+boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor
+een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad
+verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die
+van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als
+wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en
+die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad
+die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als
+voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de
+vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de
+teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan
+hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten
+aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit
+hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde?
+Hij voelde verder leven als doelloos.
+
+Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur
+en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen
+en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee
+meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Rveries." Maar zijn
+moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideen,
+die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't
+uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt,
+hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in
+droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede
+gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten,
+tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle
+windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop,
+zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang
+op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende
+melancholie.
+
+ * * * * *
+
+Maar eerst nog die zachte straal vr de jaren van duisternis, van
+waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het
+liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het
+water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken,
+kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken
+gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den
+oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde
+bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van
+witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het
+rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van
+de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol
+vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid,
+streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen
+en ziel.
+
+Er staat n huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan
+den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-
+populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever.
+De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau
+er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden
+overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige
+vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvre
+der wereld; zijn boeken en papieren, die Thrse had meegebracht, liet
+hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch
+en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de
+bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al
+opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich
+urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt,
+gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide
+langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den
+rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in
+den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging
+hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot
+de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van
+het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het
+gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of
+hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem
+dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk
+genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de
+oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te
+bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij,
+God-gelijk, genoeg aan zich zelve.
+
+Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot
+gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.
+
+Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre
+stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo
+ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist.
+Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat
+vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar
+wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets
+gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in
+die bloemige, ruischende eenzaamheid!
+
+Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het
+grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een
+edel, doodelijk-gewond hert.
+
+Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar
+Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij
+voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn
+aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde
+beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en
+befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger"
+plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de
+Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou
+gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord
+Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij
+besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al
+herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou
+vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk
+door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef
+er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het
+stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl
+bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's
+morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen;
+hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij.
+Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de
+reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde
+reisgenoot, over Calais naar Londen.
+
+
+NOOT:
+
+[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand
+die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik
+wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer
+weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is
+beter dat ik zwijg."
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK
+
+WAAN EN VREDE.
+
+
+Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met
+Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke
+klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken
+op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor
+Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen
+vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun
+politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun
+strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar
+die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn
+zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook
+de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu
+en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de
+elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg
+om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun
+eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle
+manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in
+menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide
+kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te
+krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de
+gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen.
+Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande
+lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht
+zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de
+publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen
+andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd
+Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in
+Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben:
+na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen.
+Dit maakte dat hij zoo goed als geheel gesoleerd was, machteloos tot
+eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de
+omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest
+hem een gevoel geven van groote verlatenheid.
+
+Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is
+onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen
+zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste
+wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich
+vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt
+voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan
+monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te
+kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel
+in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.
+
+Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van
+Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar
+feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de
+buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou
+waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en
+bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht
+van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van
+de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt,
+dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar
+genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren
+ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het
+phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den
+prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume
+van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in
+zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd
+de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen"
+die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde:
+toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige
+gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig
+antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt,
+herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje."
+De sceptische Schot vond zoo'n scne waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.
+
+Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende
+omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen
+tegen Hume moesten opwekken.
+
+Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de
+rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De
+koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en
+besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er
+in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit
+aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te
+breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de
+vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht
+en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te
+vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te
+worden."
+
+Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke
+grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was
+voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent
+de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa
+vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den
+opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van
+spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en
+het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd
+zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen
+met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld.
+Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig
+mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd
+geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de
+nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij
+hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge
+mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de
+hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis:
+dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan
+de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op
+zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich
+voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn
+rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.
+
+Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als
+zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere
+vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay,
+natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het
+toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die n als geneesheer van Mme
+d'Epinay en Voltaire n als broer van den procureur-generaal, den
+schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht
+moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij
+zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat
+Hume met zijn vijanden heulde.
+
+Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op
+grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt
+van Londen; daar voegde Thrse, die onder de hoede van den engelschen
+letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem.
+Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten
+zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen;
+na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr.
+Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het
+oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking
+stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin
+kwam er maar enkele weken in het jaar.
+
+In Maart betrokken Rousseau en Thrse hun nieuw verblijf. Het buiten
+lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis
+was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en
+maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en
+bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij
+genoot van het engelsche landschap: n groot park, en van den aanleg
+der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Ntre-stijl van tuin-aanleg
+niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur
+meer ongerept liet.
+
+Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag
+alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.
+
+Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde,
+hadden Rousseau en Thrse met niemand verkeer als met den domin van
+het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een
+enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de
+buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en
+beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude,
+wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin
+van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen;
+zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige
+streek.
+
+Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden
+daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het
+voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren,
+eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde:
+waanzin omnachtte zijn gemoed.
+
+De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de
+goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thrse een onmogelijk
+paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thrse slecht met ze
+overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend
+geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van
+vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken,
+was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve
+lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook
+niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Thrse en de
+dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar
+eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de
+toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is
+begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar
+n wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54]
+
+Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar
+strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch
+vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet,
+wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau
+was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de
+onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze
+bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in
+een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer
+geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke
+inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende
+behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden
+aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den
+tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn
+verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn
+evenwicht al meer te verstoren.
+
+En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en
+een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn
+eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke
+handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband
+met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een
+onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die
+zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers,
+na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe
+spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den
+beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een
+muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich
+zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume
+bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was
+een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in
+Engeland tegen hem op.
+
+Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te
+worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der
+Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en
+wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem
+ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau
+wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij
+niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands-
+verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug
+te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te
+onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de
+buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen.
+Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere
+explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn
+eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich
+voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat
+hij er over kn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had
+hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of
+langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan
+Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Marchal, aan Guy, zijn
+hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend
+met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar
+schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te
+snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak
+van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem
+verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen,
+aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een
+jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had
+laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber,
+terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn;
+hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had
+hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn
+macht); hoe Hume op hem en Thrse "lange, doordringende blikken" placht
+te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven
+langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden
+dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd,
+dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend
+werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die
+slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde
+op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door
+A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had
+herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau
+weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een
+formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij
+onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet
+aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau
+was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn
+Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische
+coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om
+aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte
+den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den
+titel "Expos succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt
+overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen:
+van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vr, de
+meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak:
+"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster
+van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de
+Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien,
+dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf
+natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet
+meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te
+kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist
+met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig
+gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had,
+en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te
+verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mmoires,
+gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar
+wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde
+hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in
+zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar
+aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het
+halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen
+had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn
+wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk
+zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers,
+die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de
+gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord:
+"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig
+dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een
+bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer
+genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne
+beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen
+anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de
+vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij
+evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar
+troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen
+vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend."
+
+In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht
+er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn
+vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen
+onderscheppen, misschien dreef Thrse hem tot dit besluit, om toch maar
+uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de
+dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk
+ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr.
+Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de
+eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei
+verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en
+betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies.
+Thrse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij
+vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding,
+in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos
+ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand
+hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar
+Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen
+zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust
+dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen
+wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij
+was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch
+bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek
+hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet
+verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield
+hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met
+Thrse in naar Calais.
+
+Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende
+later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.
+
+In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk
+brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den
+beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een
+bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem
+den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van
+Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der
+talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel
+Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging
+in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den
+marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Veneti te vestigen,
+hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze
+kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van
+Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij
+Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige
+persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte
+hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat
+hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende
+bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote
+belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te
+hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van
+den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen
+Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht
+bij Parijs.
+
+De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren
+voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de
+prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch
+hij zelf, noch Thrse waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd
+door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die
+van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in
+Thrse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden
+aan te nemen.
+
+Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven
+zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef
+hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de
+buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo
+onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de
+moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld,
+hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme
+de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had
+afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat
+hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de
+bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren
+en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen
+opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De
+eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij
+sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en
+een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht
+op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen
+maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn
+vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij
+gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de
+boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke
+schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam.
+Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht
+hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer
+men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken
+schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du
+Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken,
+schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig
+heeft, mijn lichaam of mijn geest."
+
+Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra
+het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen.
+Zijn geestverwanten uit Genve--waar de inwendige beroeringen
+voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te
+hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad
+in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de
+inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren
+gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat
+zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een
+schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate
+van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het
+standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering,
+als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad.
+
+Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo
+had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze
+had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te
+kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij
+hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht
+vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van
+dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te
+verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem
+gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek
+nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van
+Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem
+weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou
+terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen
+ditmaal, Thrse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen
+was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de
+macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambry. In Lyon
+bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had
+aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken
+hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan
+hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets
+anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich
+zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij
+botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in
+Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en
+als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der
+natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die
+een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze
+wetenschap bevatten.
+
+Hij zag te Chambry zijn ouden vriend Conzi terug en bezocht er het
+graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble
+een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde
+hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude
+galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine
+geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau
+bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte
+complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek
+bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van
+dien Thvenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet
+tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden
+aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een
+der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in
+zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo
+overtuigd op weg naar Chambry opgelicht en vermoord te worden, dat hij
+aan Thrse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na
+zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en
+weer te hebben getrokken in de Dauphin, nam hij in Bourgoin, een stadje
+tusschen Lyon en Chambry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar
+zoowat een jaar. Kort nadat Thrse er zich bij hem had gevoegd vond de
+plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke
+verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak
+hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die
+hij in Trye had aangenomen.
+
+In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thrse
+ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen
+dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of
+Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug
+te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging
+natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn
+bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te
+ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering
+vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders.
+Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den
+omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis,
+hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende
+opnieuw: Thrse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en
+haar beleedigden.
+
+Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem
+aan Thrse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide
+gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was
+dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thrse voor
+hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over
+is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even
+moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel
+een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is.
+"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen
+zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal
+meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze
+harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten
+drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen
+te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts
+een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen."
+
+De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het
+vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol
+konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer
+worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor
+Thrse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden
+die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit
+dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar
+ook maar n oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen
+tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander
+werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel n met hem, te veel
+een deel van zichzelven.
+
+Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thrse niet inging tegen
+zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een
+verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche
+voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn,
+zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk
+zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te
+behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer
+vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn
+verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben
+gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn?
+Neen, Thrse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was
+voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die
+verlichting ten minste nooit ontbeerd.
+
+ * * * * *
+
+In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf
+jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen
+naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti.
+Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke
+drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij
+weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden
+blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in
+'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen;
+Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk
+plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen
+politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met
+rust.
+
+Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue
+Platrire, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude
+bezigheid van muziek-kopieren weer op, hij vond behagen in dit werk en
+werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn
+bijverdienste als kopiist konden hij en Thrse zonder hulp van anderen
+rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St.
+Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren,
+beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:
+
+"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques
+Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue
+Platrire, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde
+verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom
+binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein
+voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes
+opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een
+calotje op muziek zat te kopieren. Hij stond met een lachend gezicht
+op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met
+ons pratend.
+
+"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets
+hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn
+gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn
+mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd
+was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken
+dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een
+groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten
+verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van
+het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn
+gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van
+iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en
+medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en
+toe melodien op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't
+vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel,
+een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de
+wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij
+gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn
+vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't
+plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat
+aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't
+raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur
+ze voortbrengt. Over het kleine intrieur lag een waas van reinheid,
+vrede en eenvoud, die 't hart goed deed."
+
+Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan
+die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de
+oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft
+herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste
+werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van
+in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij
+geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen
+te zijn."
+
+Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren
+besteedde hij aan 't kopieren van muziek en 't drogen, schikken en
+opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste
+zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan
+dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde
+in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij
+betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn
+bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de
+nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen
+in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een
+hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag
+twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd
+was 't gezicht op den Mont-Valrien bij zonsondergang. Hij genoot nu
+een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn.
+Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij,
+maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder
+de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog
+altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn
+mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een
+kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als
+zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in
+buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn
+vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem
+verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van
+zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de
+vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen
+rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten
+dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn
+medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns
+gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden
+of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen
+gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van
+ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden.
+Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken
+schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle
+bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers,
+bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een
+boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de
+schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet
+overzetten. Steeds meer kategorien van personen hadden de machtige
+samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem
+komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen
+bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de
+vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed
+hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen,
+verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder
+beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij
+zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn
+geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en
+waarachtigheid, de "Dialogen."
+
+Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner
+vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de
+onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood
+verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets
+meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven
+en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen;
+zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn
+vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot
+te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing
+van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en
+letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in
+omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld
+zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een
+juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de
+uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een
+grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was:
+de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn
+snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In
+hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen,
+die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om
+verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder
+de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk.
+Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand
+doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij
+voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op
+andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde
+hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele.
+Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk
+de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat
+beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts
+enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als
+verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte
+geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het
+komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de
+verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en
+Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de
+hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de
+tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen"
+uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande
+zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de
+"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit
+gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen
+onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den
+mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden
+die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en
+verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche
+sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de
+gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan
+zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en
+meegevoel zegevieren. Kon hij slechts nen mensch vinden die met zijn
+oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van
+list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered.
+Maar hoe zulk een mensch te vinden?
+
+Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan,
+want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en
+vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans
+maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te
+vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen,
+verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn
+handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de
+Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders,
+dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel
+hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem
+verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten,
+tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.
+
+Maar ng gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden,
+die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven
+was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters:
+"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft."
+Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle
+voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen
+las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen,
+zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.
+
+Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden,
+die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en
+voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner
+nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige
+invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't
+jonge, opgroeiende Frankrijk was vr hem, 't denkende, voelende,
+willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en
+ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd,
+maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.
+
+Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht
+op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe
+beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij
+bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge
+zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd
+en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die
+hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij
+bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij
+spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een
+vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social,"
+dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven
+glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers,
+niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij
+versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel
+na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden
+en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge
+mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als
+menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der
+maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.
+
+Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de
+kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij
+stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel,
+schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in
+zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch
+te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te
+heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon:
+als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in
+Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was
+hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd
+voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te
+maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor
+hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem
+geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare
+liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties,
+de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige
+klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had
+hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord
+gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried,
+deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.
+
+Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster,
+vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te
+geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden,
+smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht
+dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair
+bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een
+heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft
+hij immers, dit is zijn levensdoel.
+
+Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag
+enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij
+dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het
+nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam
+op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke
+vooroordeelen.
+
+O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid
+nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist z zich verwezenlijken
+als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die
+droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is
+helderziende intutie van de werking van maatschappelijke en geestelijke
+krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke
+demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote
+Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten
+niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne
+arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze
+droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere
+wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote
+voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten
+in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn
+van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke
+lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.
+
+Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen
+dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en
+zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien,
+had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is
+hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden
+harten, en hij niets zag als vertwijfeling.
+
+En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen
+verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld
+tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers
+van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten
+zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale
+gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand
+arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als n man
+opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen
+de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen
+wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun
+verzet verbitterd; zouden zij n middel schuwen deze te verdelgen? Vatte
+zijn waan va nvervolging n grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien
+woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den
+verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid,
+van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij
+nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen
+zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was
+het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke
+samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis,
+in hem roemen als in een Groote?
+
+Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is.
+Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan
+was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij
+door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels.
+Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid,
+maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der
+menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede
+gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig
+jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam,
+de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen
+te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart
+toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en
+lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.
+
+Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen
+weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en
+zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de
+lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de
+troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid
+gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der
+wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende,
+schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in
+den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog
+verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het
+leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde
+tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den
+dageraad.
+
+Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden
+waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een
+tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn
+afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die
+z, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten
+weemoed van het leven scheiden kan!
+
+ * * * * *
+
+Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thrse. Zijn gezicht werd te
+slecht om muziek te kopieren, en zij was niet langer in staat voor het
+huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort
+smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou
+opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten
+bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen
+op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner
+beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thrse hun nieuwe
+woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had
+tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.
+
+Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf
+Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te
+zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige
+wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was
+begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar
+opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen
+gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem
+van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een
+toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in
+Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug,
+dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers
+die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de
+stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke
+vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.
+
+[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).]
+
+Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel.
+Thrse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond
+liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich
+bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat
+hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die
+zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed
+hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk
+hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat
+daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag
+hij daar.
+
+Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn
+overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van
+zijn grooten tegenstander Voltaire.
+
+ * * * * *
+
+Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den
+boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden,
+de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten,
+de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat
+zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en
+moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord,
+hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze
+andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine
+menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit
+de diepten der oneindigheid.
+
+De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke
+omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe
+onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken
+aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der
+aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen,
+overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden,
+tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten
+bevruchten door het leven.
+
+En het leven strooide vl kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten,
+hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen,
+harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en
+bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche
+liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen
+en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de
+landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van
+Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters,
+stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn
+eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den
+man maken dien hij werd in die pozie-rijke, avontuurlijke, vreemd-
+gespletene en toch naar n doel stroomende jaren der jongelingschap.
+
+De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de
+maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle
+omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie
+somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--n de maatschappij-kracht: de
+begeerten, de aspiraties, de energien en de gedachten die de maatschappij-
+beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in
+de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der
+levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide
+groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten
+met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten,
+zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die
+zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te
+tooveren tot schoonen droom.
+
+Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over
+hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het
+verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een
+nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis.
+Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een
+onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen
+wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende
+spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet
+waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef,
+hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen
+andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de
+maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de
+maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter
+volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van
+zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij
+wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was,
+dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die
+geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de
+roepstem en volgde haar.
+
+Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen
+zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn
+hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve
+neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij
+overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van
+onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens
+wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel
+en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn
+liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls
+zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk
+betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de
+gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de
+liefde tot de menschheid,--n het artistiek geweten, de nauwgezetheid
+van den kunstenaar.
+
+Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de
+wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij
+verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn
+afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van
+zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem
+als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den
+hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen,
+broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om
+zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af
+om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls
+ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit
+zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang,
+niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog
+de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde
+prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken
+waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen
+zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in
+wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn
+verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp
+nauwkeurig en volledig als hij kon.
+
+Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die n bron voedde:
+het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende
+beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in
+hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen
+zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en
+schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij
+vervallen in schaamteloos cynisme.
+
+Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een
+ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.
+
+Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de
+hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle
+enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.
+
+De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar
+hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was
+nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling
+tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de
+midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een
+gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap,
+den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij
+voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het
+ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op
+het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen
+der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren,
+vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid
+van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hn
+vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren.
+Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat,
+ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit
+Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en
+heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had
+hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den
+stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden
+zij hem lief en vereerden zij hem boven n ander revolutionnair
+schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid
+uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.
+
+De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de
+burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in
+den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende
+klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend
+bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige
+belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die
+tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door
+afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke,
+en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende
+richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit
+'t een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der
+speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet
+de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en
+verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was,
+bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan
+tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling
+tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.
+
+En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende
+en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in
+de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen
+hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de
+Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe,
+zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen
+en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den
+koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de
+republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon
+vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen.
+Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag
+idealisme, hun herosch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld
+met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden
+zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere
+demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering
+als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft,
+de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote
+bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden,
+maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen,
+een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben
+uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de
+stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke
+voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan
+vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot
+regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in,
+naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer
+dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en
+vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden
+dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden
+die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen,
+gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden
+van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken
+maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn
+vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende
+verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke
+rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in
+normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt
+en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even
+verschrikkend als onreel. Nu dat onreele de werkelijkheid van elken
+dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige
+behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het
+onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan
+van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze
+bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de
+hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch.
+Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en
+toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het
+wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk,
+--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie
+van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast
+letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun
+staatkundig evangelie was.
+
+In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen,
+dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat
+uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden,
+den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en
+op godsdienstig gebied.
+
+Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der
+revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de
+uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de
+staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het
+best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een
+groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de
+regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te
+keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen
+iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om
+de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het
+recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en
+dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de
+vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den
+Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het
+opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van
+den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof
+aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale
+Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd,
+dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan
+slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn
+goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.
+
+Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken,
+een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de
+basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische
+produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische
+afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der
+onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren
+ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der
+revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers
+en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het
+lijden, de ongevenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige
+inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den
+grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield.
+In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn.
+Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de
+Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte
+bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan
+voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den
+uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren
+van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de
+gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest
+bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij
+droegen niets van zijn wil meer in het hart.
+
+En man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens
+gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In
+zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke
+vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kn worden dan op den grondslag
+van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den
+bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf
+heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau
+evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het
+communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en
+vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles
+gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit
+de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende,
+waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest?
+Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische
+gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der
+individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet
+gekomen, maar wie ook slechts n stap verder ging, moest de zon van het
+socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf.
+
+ * * * * *
+
+In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau
+leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn
+pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging
+en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had,
+zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken,
+mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de
+revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche,
+over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening,
+zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en
+bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen
+van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden
+maakten de kunst zoo.
+
+Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over
+Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Stal, naast
+Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met
+de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en
+denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste
+manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest
+algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle
+woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote
+wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was
+voorgegaan.
+
+Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in
+Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele
+richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken,
+een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het
+politieke. De potische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig
+natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de
+burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische
+zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige
+gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling
+bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en
+specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het
+herosche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige
+vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar
+de uitbeelding van dien potischen weemoed, door welke de vereenzaamde
+enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den
+schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij
+zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze
+heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in
+de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de
+romantiek.
+
+Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele
+banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en
+het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den
+geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte,
+zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke
+naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller,
+zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp
+bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring,
+zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die
+eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij
+beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de
+diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren
+de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording.
+En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau.
+
+Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was
+anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote
+wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke
+uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van
+het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was
+hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd
+behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door
+de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en
+politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij
+behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en
+elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers,
+tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken
+gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en
+geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer
+van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke
+liefde tot het leven, tot l zijne verschijnselen. En al deze trekken,
+die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller
+geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke
+literatuur, van de lyrische pozie en den naturalistischen roman, van de
+psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle
+Hlose," der "Confessions" en der "Rveries."
+
+Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche
+schrijvers en dichters, is er n in wien verscheiden der meest
+wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der
+anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid
+van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke
+gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog
+te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar
+doordat de discipel Tolsto een gezonder, forscher en klaarder
+fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester
+Rousseau, n doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in
+tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de
+sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk benvloed
+gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het
+communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolsto wat
+Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen
+lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen
+te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te
+scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne
+gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de
+eigenheid van zijn wezen.
+
+ * * * * *
+
+Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele
+levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen
+van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind
+en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten
+overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige
+idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel
+dat zijn.
+
+De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie
+maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door
+reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de
+inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den
+dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij
+bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de
+grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke
+ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen
+bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd
+zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig
+denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel
+belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en
+gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische
+dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende
+proletarirs gebruiken, zij had behoefte aan gedwee, buigzame knechten.
+Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van
+Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de
+wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en
+daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_
+toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van
+doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis,
+blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben
+veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.
+
+Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis.
+Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd
+en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze
+en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting,
+liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo
+allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de
+vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en
+knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het
+burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam.
+Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten
+voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan
+in de socialistische maatschappij.
+
+Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de
+individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de
+bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het
+kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner
+krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te
+vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de
+liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken
+weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die
+verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met
+de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen
+aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het
+zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van
+ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van
+menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar
+de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale
+oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke
+volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de
+aarde.
+
+Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar
+maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen
+voorstelling had.
+
+Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude
+afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden
+zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige
+menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in
+vrijheid;--wanneer de onrust en de onvre en de wanorde van onze dagen
+den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan
+zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere
+verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier
+menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat
+de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen
+hebben: de weder-vereeniging van de vr-uiteen geraakten, Natuur en
+Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen
+vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen,
+opgaan van den enkeling in het geheel.
+
+Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der
+Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.
+
+
+NOTEN:
+
+[53] Ook Faguet neemt dit aan.
+
+[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thrse
+een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken
+man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet
+opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te
+komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen
+en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.
+
+[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen;
+sommige biographen spreken van 1800 francs.
+
+
+ * * * * *
+
+
+LIJST VAN ILLUSTRATIES
+
+Jean Jacques Rousseau
+Thrse Levasseur
+Jean Jacques Rousseau
+Rousseau aan het botaniseeren
+Rousseau's Graf
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Jean Jacques Rousseau, by Henriette Roland Holst
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***
+
+***** This file should be named 12009-8.txt or 12009-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/0/0/12009/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/old/12009-8.zip b/old/old/12009-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..25485ee
--- /dev/null
+++ b/old/old/12009-8.zip
Binary files differ
diff --git a/old/old/12009.txt b/old/old/12009.txt
new file mode 100644
index 0000000..35357b0
--- /dev/null
+++ b/old/old/12009.txt
@@ -0,0 +1,9889 @@
+Project Gutenberg's Jean Jacques Rousseau, by Henriette Roland Holst
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Jean Jacques Rousseau
+ Een beeld van zijn leven en werken
+
+Author: Henriette Roland Holst
+
+Release Date: April 9, 2004 [EBook #12009]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO Latin-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+JEAN JACQUES ROUSSEAU
+
+
+EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN
+
+MET EENIGE PORTRETTEN
+
+van
+
+HENRIETTE ROLAND HOLST
+
+
+
+[Illustratie: JEAN JACQUES ROUSSEAU.]
+
+
+INHOUD
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd.
+
+ I. Geneve aan den aanvang der XVIIIde eeuw
+ II. Kindsheid
+III. De zwerver
+ IV. Groei
+
+TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs.
+
+ I. Midden der XVIIIde eeuw
+ II. Het moeizame leven
+III. De eerste fanfaren
+
+DERDE HOOFDSTUK: De groote foren.
+
+ I. Naar de vereenzaming
+ II. De Katastrophe
+III. De werken der groote jaren
+
+VIERDE HOOFDSTUK:
+
+De laatste worsteling
+
+VIJFDE HOOFDSTUK:
+
+Waan en Vrede
+
+Lijst van illustraties
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK
+
+JEUGD.
+
+
+I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW
+
+In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme
+geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst
+en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het
+maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen
+bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had
+gestuwd.
+
+Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen
+bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Geneve,
+terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar
+heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de
+XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van
+verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken.
+Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen
+weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en
+sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel
+overschreed, dat is in die landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie
+bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der
+manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden;
+--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij
+tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook
+het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe
+kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden
+verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen,
+de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen,
+puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en
+behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in
+Holland als in Engeland, met eene in het spel der krachten te zijn die
+het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere
+klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers,
+visschers en boeren.
+
+Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten
+handwerkersstand, maakte in Geneve de ruggegraat der bevolking uit,
+en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon
+het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot
+onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie.
+De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt
+van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en
+levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens
+was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn.
+Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren,
+en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare
+gelijkvormige massa.
+
+Onder de ambachten was er een, van oudsher inheemsch in Geneve, van
+bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het
+eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was
+de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den
+handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten
+der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en
+beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun
+beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.
+
+De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer.
+Zij verbond de stad, zoo geisoleerd door godsdienst en regeeringsvorm
+tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen
+die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte,
+ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantieele
+beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest
+bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen
+zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar
+gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en
+de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.
+
+De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het
+begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar
+kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk,
+die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven
+zouden zijn weggespoeld.
+
+Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad
+voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een
+onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger
+van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke
+feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine
+steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen
+van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed
+en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke
+vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn,
+werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.
+
+Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de
+meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Geneve de funkties van
+kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke
+theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de
+kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten
+voor het bewustzijn der burgers in een ongedeelden glans verschenen,
+evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot
+een gevoel waren samengegroeid.
+
+Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de
+kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij
+in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der
+demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw
+verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke
+organisatie terug. De staat Geneve was, schijnbaar, demokratisch.
+Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was
+in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de
+Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de
+bevolking van Geneve, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds
+uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld
+was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de
+"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden
+in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van
+belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en
+bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen,"
+en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de
+"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het
+vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
+
+In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der
+gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de
+oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie
+die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig
+uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer
+bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het
+"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere
+groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd
+deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad
+vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den
+kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in
+Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan
+het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.
+
+De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de
+bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook
+dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide
+raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het
+burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.
+
+Aan de burgerij bleef bij dit alles een troost: die van de
+rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook
+der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste
+gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt,
+overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Geneve schatten aan uit
+Oost- of West-Indie, geen vermogens werden, door goede of kwade kans,
+met een slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot
+plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de
+kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts
+zelden voor.
+
+Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het
+gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij
+het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte
+zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen,
+door de regeerders streng onderdrukt.
+
+Was de politieke vrijheid in Geneve, ondanks het verval der demokratie,
+grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen
+was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De
+kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet
+geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk
+gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en
+vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden
+zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen
+tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met
+kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een
+danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte
+in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,
+--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd
+onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of
+zondares halsstarrig en weigerde voor te komen, dan werd de groote
+machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad
+bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige
+toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen.
+Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken
+mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone
+teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de
+zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig
+avondmaal.
+
+Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het
+leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door
+den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk
+katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van
+voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle
+spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en
+trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen
+door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename
+karaktertrekken van het puritanisme.
+
+Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een
+stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen,
+oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt,
+dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen
+verstijven doet.
+
+Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse
+zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden,
+haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en
+de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van
+gemelijke norschheid.
+
+De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening
+van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van
+den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de
+burgers van Geneve, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan
+de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het
+gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die
+voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit
+wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het
+kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner
+kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun
+nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de
+godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den
+hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren
+aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God
+te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het
+lot hen voerde.
+
+Want van de burgers van Geneve trokken vele, naar schatting wel een
+vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden.
+Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere
+handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.
+
+Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van
+Fransche emigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over
+Geneve uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche
+vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder
+ontwikkeling dan de burgers van Geneve bezaten, waar de oude denkvormen
+allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en
+verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er
+een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des
+levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische
+regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten
+en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele
+handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij
+door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren:
+de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen.
+Geneve exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie.
+Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken
+vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den
+oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten
+woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen,
+waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge
+wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende
+weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt
+niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk
+bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden
+daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers
+trokken.
+
+Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de
+hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken
+of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het
+protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van
+aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden
+ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken
+hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de
+gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht
+in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid
+verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen
+de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd
+het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze
+mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die
+voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen
+en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk
+de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de
+aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.
+
+ * * * * *
+
+Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen
+beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en
+de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze
+neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale
+zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden
+neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij
+elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed.
+Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke
+demokratieen de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn
+eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk,
+toch hierin wel dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking
+samenbracht--had zich in Geneve de demokratische legerorganisatie van
+vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou
+men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de
+burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en
+vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare
+mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke
+oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroisch verleden en
+wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten,
+uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk
+stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel
+militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremonien deden
+de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De
+handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in
+zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid,
+van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts,
+mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren,
+eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden.
+Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der
+naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En
+droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen
+toga was.
+
+Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone
+oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de
+mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het
+licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen
+bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten
+stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun
+huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de
+pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men
+zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een
+dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van
+zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het
+dagelijksch doen.
+
+Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog
+zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met
+beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de
+burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en
+eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde
+landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genever. Maar
+nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien."
+
+Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog met de
+ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wel
+bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.
+
+
+II. KINDSHEID.
+
+Zijn vader was uit een geslacht van fransche emigres, van ouder tot
+ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet
+gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door
+hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die
+te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten
+Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot
+_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn
+stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging
+weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen
+niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken
+staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en
+ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman.
+Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke
+opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een
+dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn
+voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen
+wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon
+vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was
+nog een zeldzaamheid in Geneve, waar de trieste godsdienst lang alle
+kunsten had onderdrukt.
+
+Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig
+terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de
+autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder
+gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en
+toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een
+burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard
+heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Geneve stamde,
+bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader
+was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden
+liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde,
+en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam
+bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig
+en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en
+zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende-
+eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig,
+daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht
+van Geneve te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad
+gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het
+jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had
+bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal,
+dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het
+ander was oorbaar in Geneve: het meisje moest tot rede worden gebracht.
+Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en
+onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte
+gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd.
+
+Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun
+prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun
+herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij
+weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste
+kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van
+den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk
+erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem,
+gelijk zoovelen, de zwerflust.
+
+Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had
+hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht,"
+gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter
+wereld.
+
+Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit
+vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon,"
+heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij
+gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving
+en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend."
+
+Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar
+zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang
+heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete
+geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid
+mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude
+wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het
+gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend.
+Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet
+deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te
+zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar
+toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond
+er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze
+omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip
+hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in
+dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen,
+die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de
+atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die
+doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze
+voelde: het geheugen van 't gemoed.
+
+Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij
+de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de
+oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel.
+Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met
+hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote
+teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei:
+"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we
+schreien, vader."
+
+Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van
+overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac.
+Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te
+herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die
+Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd
+gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld,
+vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw
+kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van
+romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan
+jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud.
+
+Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich
+veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten
+levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde
+uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes
+en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar
+Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel
+met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen
+dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid.
+
+Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een
+ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem
+het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't
+haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid
+zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de
+vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen
+ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch
+gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De
+gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk,
+want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der
+middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn
+wezen en werd een deel daarvan, voor goed.
+
+Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon
+vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw
+voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet,
+Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid
+open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van
+rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was
+een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te
+redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond
+van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn
+oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden
+langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid,
+groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de
+oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig
+blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij werd Aristides, hij
+werd Brutus, hij werd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem.
+Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van
+zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde,
+die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor
+de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen,
+gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren,
+en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat
+tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden
+versmolt in zijn hart tot een gevoel, met de liefde voor de vaderstad en
+de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers
+van Sparta en Rome en met hun roem.
+
+En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en
+kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn,
+toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de
+gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden.
+En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen
+opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten
+zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne
+tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij
+burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud
+en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een
+grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde
+en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden
+zij zich in het heroische gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte:
+hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen
+schooner toe.
+
+ * * * * *
+
+Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een
+hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier,
+die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac,
+prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden
+ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn
+zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete,
+drie maanden gevangenis, en op de knieen vergiffenis vragen. Maar Isaac
+achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich
+voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Geneve maar buiten het
+stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn
+kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor
+hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean
+Jacques in de kost bij een domine in Bossey, een dorpje op Geneefsch
+gebied aan den voet van de Saleve. De Grieken en Romeinen raakten op den
+achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad
+uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde
+ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten,
+in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in
+zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart
+tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.
+
+Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en
+kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde
+als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het
+zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje
+Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk,
+kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.
+
+Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok
+waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje
+hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van
+onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet
+misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid
+van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't
+kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld
+als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen
+in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten
+herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als
+een ongebruikte veer.
+
+Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn
+door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen.
+Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet
+voorbij.
+
+Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de
+grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer
+als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende
+liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad
+hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen.
+Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de
+onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf
+wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de
+eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn
+verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks
+pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete
+verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.
+
+De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote
+proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en
+brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoicyns: zoo zij niet
+ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was
+hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in
+herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang
+nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog,
+als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der
+herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg,
+het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.
+
+Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige
+depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de
+bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte
+uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit
+ook geleden hadden, verstrengelde zich met hun gevoel. Wanneer hij van
+af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van
+triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten
+balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen
+zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij
+zijn verontwaardiging omsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene
+oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke
+ongelijkheid.
+
+De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte
+gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar
+Geneve terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden:
+horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de
+nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten.
+Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen
+liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond
+hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem
+een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn,
+dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn
+met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en
+traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare,
+warme verwarring van het onderbewuste.
+
+Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man
+nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het
+ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was
+dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.
+
+Zijn aard was niet uit een stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch
+zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar,
+zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en
+meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en
+moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij
+zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden
+en omgeving van hem maakten, dat was hij.
+
+Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in
+hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed.
+Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind,
+gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de
+ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van
+overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren
+onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun
+liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten,
+hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als
+een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden
+van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig,
+verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in
+verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later
+dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten
+tijd was vervallen.
+
+Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in
+de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage,
+waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.
+
+Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer.
+Alles om hem werd kil en grauw.
+
+Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor
+goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean
+Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan
+en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en
+voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.
+
+In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk
+gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En
+omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van
+anderen.
+
+Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met
+razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van
+zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken
+te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien
+waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster
+hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de
+liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte
+hij uit schaamte.
+
+Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om
+het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar
+in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den
+handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij,
+voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der
+zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met een stukje dezer laatste
+innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer,
+leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld
+kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.
+
+Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman
+geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper
+eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam
+om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te
+leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn
+vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem
+vertrouwden levensstaat.
+
+Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang
+duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht
+op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde
+de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat
+afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten
+gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft
+en zoo fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet
+terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de
+brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich
+in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te
+keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen
+Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar
+zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.
+
+Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de
+wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen
+ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze
+eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in
+den strijd om het bestaan.
+
+Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.
+
+
+III. DE ZWERVER.
+
+Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan.
+Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de
+kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen,
+die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand
+slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de
+minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen
+zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich
+kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete
+bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging,
+rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde
+zich baden in vrijheid.
+
+Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn.
+Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den
+oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te
+zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen."
+Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van
+dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht
+ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en
+de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't
+grondgebied van Geneve, of hij was bij den erfvijand, in 't land der
+hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd
+de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen,
+telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de
+veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met
+andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen
+hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Geneve, zij lagen op
+de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele
+bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan
+zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist.
+
+De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling
+na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het
+bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap
+met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het
+hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te
+winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame,
+die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinie leefde.
+Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters:
+haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten
+uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de
+hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het
+katholicisme.
+
+Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij
+achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de
+kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude
+kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen,
+lieftallig schoon en jong.
+
+Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert
+zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar
+bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was.
+Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en
+weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur
+bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar
+teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk
+als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet
+alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van
+lieftalligheid.
+
+Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd
+geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart.
+Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als
+twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.
+
+Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar
+later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven
+beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen
+voortgebracht. Zij bond hem met den eenen band waartegen hij nooit in
+pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare
+gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen
+zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hare zachtheid ... dat was
+het geluk.
+
+Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en
+later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning
+die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al
+heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in
+haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem
+terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de
+geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk
+werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem
+te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde
+zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde
+hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem
+gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.
+
+Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming.
+Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn
+hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en
+toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en
+kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij
+in minne zijn moeder.
+
+Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid
+beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar
+geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en
+zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke
+jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht,
+maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden
+voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid,
+haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat
+een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens
+over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke
+plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de
+Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in
+groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over
+het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp.
+Spoedig volgde haar bekeering.
+
+Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau
+bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden
+haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles
+proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en
+daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van
+aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van
+Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te
+exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat
+al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien
+zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen,
+wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het
+einde de finantieele ruine en de moreele ondergang, na jaren van al
+nijpender schulden en al dreigender gebrek.
+
+En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust,
+de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig
+die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien,
+zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden
+der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij
+stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar
+ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen.
+Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij
+verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.
+
+Hij, eenvoudige burgerknaap, zoo gesprongen uit het zwarte hol van zijn
+leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring
+en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot
+fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid,
+in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel
+de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar
+vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en
+vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven
+effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van
+onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van
+harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij
+haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke
+tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door haar gelukkigen
+jongelingstijd.
+
+Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn,
+om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van
+zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn
+kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid?
+Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de
+burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk
+leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke
+gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete
+begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen
+zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan
+de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone
+vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar
+verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit,
+aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe
+schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend,
+juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.
+
+Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij
+wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren
+zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij
+is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het
+bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust
+van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt
+tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen
+met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het
+geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man
+van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na
+vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone
+droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de
+paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden.
+Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem
+gehouden kollekte, en zetten hem op straat.
+
+Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de
+weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij
+de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren,
+zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie
+hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de
+schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot
+een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles
+af.
+
+Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt
+zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet,
+maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinie
+was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der
+italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem,
+muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang
+ontwaakt.
+
+Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij
+wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft
+zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat
+nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den
+jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt,
+geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een
+keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en
+die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem
+het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de
+"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn
+aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.
+
+Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op
+een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat
+zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten
+valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een
+geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris,
+zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij
+bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst,
+zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden
+raad, tracht zijn naieve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der
+wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn
+gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding
+herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de
+groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke
+faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken.
+
+Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun
+diplomatieke carriere een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling
+gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los.
+
+Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen
+avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan
+toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bacle mee, hij
+moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch
+maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn
+nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't
+vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't
+schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.
+
+Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt
+hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen,
+neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de
+Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet
+de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij
+ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een
+bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde,
+maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd
+weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.
+
+Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later
+getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij
+gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting
+verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond
+was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde,
+altijd meegaf, een donzige wolk.
+
+Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de
+liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen,
+alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen
+gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke
+verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem
+levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens,
+verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de
+vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven
+schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het
+moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij
+toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.
+
+In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan
+wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als
+passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte
+overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens
+was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders
+heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de
+hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft
+hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des
+levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar
+duizendmaal heerlijker, dat somtijds wel, somtijds niet samengaat met
+liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is
+teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van
+hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en
+toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld."
+
+Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet
+doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een
+vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde
+van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.
+
+Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de
+tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende
+kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap,
+polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon
+goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan
+weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en
+literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche
+prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje
+van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en
+ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er
+te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar
+hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar
+het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen,
+de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en
+te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn
+weekheid paste: het zachtaardige, poetisch milde, vage christendom van
+Fenelon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een
+donzen bed. Het pietisme was al voor het begin der eeuw van uit
+Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje
+een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beinvloed
+geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God
+verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel
+behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een
+verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die
+gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend
+geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de
+donkere gewelven van zijn gemoed.
+
+En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die
+hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de
+schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname
+stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn
+middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een
+provinciaalsch-verkleind Venetie scheen, en de natuur waarin de
+bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn
+kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de
+hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den
+bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de
+gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan
+Geneve, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder
+de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste
+rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op
+den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap
+was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italie,
+een bad van vrede en harmonie.
+
+Dit land werd een met zijn ziel en een met zijn liefde. Had hij niet
+langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen
+geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van
+altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls
+gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van
+liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.
+
+Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op
+te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de
+verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en
+de uitspraak luidde, gelijk zij in Geneve geluid had: de knaap is zeer
+zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de
+ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in
+'t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de
+zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet
+leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf
+verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd
+weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem
+aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang
+opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek
+verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en
+studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet
+afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de
+koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren.
+Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare
+musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten.
+Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem
+behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou
+vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op
+straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw
+een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd
+heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den
+zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar
+Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke
+intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar
+Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder
+middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot
+een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering
+nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag,
+lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer
+lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in
+den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen
+over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee.
+Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij
+beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van
+zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk
+landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het
+kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag
+van morgen tot avond een bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van
+glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de
+herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en
+rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen
+in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het
+vriendinnen-paar Claire en Julie.
+
+Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit
+door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de
+kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar
+Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich
+uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een
+muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig
+bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met
+een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den
+muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor
+orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen,
+schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt,
+dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij.
+Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor
+een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor
+het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant
+in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen
+officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt
+de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel
+oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij,
+zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een
+dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt
+de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de
+lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest
+te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye
+is teruggekeerd en zich te Chambery heeft gevestigd; daar vindt hij haar
+en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is
+ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven
+gaat beginnen.
+
+Vier jaar was het geleden, dat hij uit Geneve vluchtte; hij was nu
+twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en
+iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den
+toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde
+levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de
+scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven;
+soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn
+vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren
+vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de
+volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij,
+geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar
+de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel
+gebleven.
+
+Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der
+blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een declasse geworden."
+Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij
+stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn
+afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het
+bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de
+dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en
+eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar
+gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens
+van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter
+tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen,
+waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef
+zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen
+te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer
+kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met
+de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien
+omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk
+wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeen niet beinvloed hebben.
+Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote
+prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke
+gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen
+er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor
+wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de
+mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig
+leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en
+lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had
+verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens
+duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit
+de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet
+burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling
+vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof.
+
+Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker,
+die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletarier. De
+misere had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als
+den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven
+dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij
+de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren
+had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers,
+voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem
+meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de
+volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden,
+onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als
+in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig,
+menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der
+groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog
+meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het
+volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door
+ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte,
+aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar,
+zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat
+knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was
+hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't
+allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder
+van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des
+konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet.
+Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn
+arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet
+ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den
+nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers
+van het volk."
+
+Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer
+van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke
+verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die
+ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn
+bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der
+massa's waren saamgegroeid tot een gevoel.
+
+Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke
+ervaring en persoonlijke waardeering.
+
+Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambery neerstreek. Wat hem
+ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed
+fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige
+wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn
+handelen.
+
+
+IV. GROEI
+
+Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij
+een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver
+werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de
+bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit,
+waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe
+natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis.
+Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn
+levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was een
+kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der
+dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets
+of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn
+eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij
+te blokken op het "Traite de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en
+duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een
+zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der
+harmonieen den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een
+schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle
+kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in
+zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten
+kwam en naar een cafe holde om zijn kracht met andere schakers te meten
+was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit
+ontmoedigde hem niet.
+
+Chambery was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke
+administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in
+krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met
+verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar
+neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie:
+magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan
+sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had
+omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam
+Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich
+interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't
+opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven
+van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van
+Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland,"
+van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't
+denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieen
+van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een
+nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles
+wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die
+liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het
+uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambery trokken, wond
+hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het
+openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht
+naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging.
+
+Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een
+koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de
+aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig
+voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige
+oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde
+voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet
+verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij
+haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij
+niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was
+vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en
+Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding
+zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar
+met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In
+volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieen
+vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde
+de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn.
+Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.
+
+Maar het inniger samenleven, getweeen, van minnaar en liefste, kwam
+toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die
+de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en
+de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde
+hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme
+Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint,
+sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de
+ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken
+wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantieele ondergang in
+'t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg
+voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens
+een poosje van huis; naar Besancon b.v., muziekles nemen bij den
+kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte
+natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal
+men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambery.
+
+Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke
+muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol
+intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders
+te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn
+oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en
+overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in
+verzen uit het jaar '41, "l'Epitre a Parisot."
+
+Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang,
+'t scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar
+groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn
+krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambery was veel minder
+aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het
+aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de
+hoofdstad van heel Sardinie geweest. Het huis van Mme de Warens lag in
+een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.
+
+Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem
+goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille.
+Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar
+hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur
+buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol
+meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam,
+heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar
+dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't
+eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis,
+idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog
+over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten
+aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en
+het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij
+rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een
+dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende
+bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met
+geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en
+der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die een
+werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als
+een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige
+engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel.
+
+Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle
+tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.
+
+Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom,
+worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid,
+de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les
+Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor
+zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur
+geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich
+voelen worden een met haar. Het was hem als snoof hij weer in de
+frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de
+honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der
+duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door
+den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven,
+kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een
+pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel
+gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig
+willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar
+buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij
+lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond
+weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar
+waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen
+steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen,
+ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten,
+daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den
+boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de
+duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de
+ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de
+sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en
+nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over
+alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde
+niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem
+de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder
+en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij,
+starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der
+jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen.
+En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere
+jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les
+Charmettes opsteeg, samen tot een droom.
+
+In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar
+strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde
+had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den
+groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten
+van zijn wezen waren er veel gerijpt.
+
+Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Geneve waar
+hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen,
+terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke,
+rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried
+verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk
+geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de
+ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en
+voor alles--in een woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel
+had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest
+deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de
+tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den
+medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel;
+de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kon de geliefde niet
+deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn
+jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn
+opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een
+verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te
+leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet
+elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar
+van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een
+hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte
+aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een
+Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde
+hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in
+zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet,
+en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen
+'t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier
+gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust
+en ging rechtstreeks naar Chambery terug: voor 't eerst in zijn leven
+voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.
+
+Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende
+twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's
+winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op
+de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de
+boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd
+geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was
+een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den
+haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude
+liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij
+hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzie, wat
+ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man
+en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der
+menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel
+aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij
+bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven,
+probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te
+bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist,
+had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot
+hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van
+werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes,
+Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke
+werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis,
+fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde;
+reeds in Chambery had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij
+een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen
+te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een
+toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de
+wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering
+uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om
+aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het
+studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal
+boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu
+niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel
+beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast
+door alle verduistering; hij zag de finantieele moeilijkheden voor Mme
+de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen
+helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar
+de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v.
+sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende
+hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur
+in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was
+het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat
+vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den
+geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid."
+Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de
+zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn
+gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig
+te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft
+gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot
+godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad
+dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden
+wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht
+vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de
+Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield
+daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige
+leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche
+leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had
+eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die
+godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering
+des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale
+verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig
+respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in
+een woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig
+leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een
+persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het
+best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er
+verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen
+in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te
+vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in
+het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk
+gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.
+
+De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok
+niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe
+na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit
+ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te
+gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee
+kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn
+denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner
+leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies,
+met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde.
+Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen
+te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld
+genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook
+moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte
+aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd.
+Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels;
+hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele
+maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie
+der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw
+notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem
+voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking
+der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden,
+het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de
+"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen
+en offers kunnen vergoeden.
+
+Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen
+sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische
+ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend
+komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over
+opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder
+persoonlijk accent: dat is alles.
+
+Maar alle kiemen--op een na--van den man dien hij worden en van de
+werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn
+leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In
+zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie,
+de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner
+jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de
+verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk
+individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren
+van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem
+overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn
+met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te
+leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in
+Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar
+in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het
+vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed,
+de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en
+doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner
+jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en
+onsterfelijkheidsgeloof.
+
+Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en
+stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was
+getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets
+vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend
+van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK
+
+PARIJS.
+
+
+I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK
+ OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.
+
+In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de
+absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en
+de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling
+tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het
+ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en
+zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het
+tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door
+geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in
+hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen.
+De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeen die als de
+omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.
+
+Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk
+de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft
+tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den
+absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de
+intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.
+
+Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen
+van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht
+van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die
+aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze
+zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een
+rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten
+tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van
+monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het
+absolutisme de moderne industrieele, commercieele en finantieele
+bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.
+
+Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der
+nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het
+Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier
+Law om de hopeloos ontredderde finantien der absolute monarchie door de
+methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de
+been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank,
+een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op
+den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantieele katastrophe die
+de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van
+overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn
+eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende
+methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat,
+beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door
+'t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa
+voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs
+dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de
+poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele
+uitwerking der finantieele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een
+millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruineerd. Gelijk
+bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben
+dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot
+gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon
+sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te
+halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden
+morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden
+zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste
+maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale
+beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten,
+hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.
+
+Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het
+reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te
+bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en
+lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in
+hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen
+ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw
+besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken
+welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke
+gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden
+gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken
+staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de
+zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige
+betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den
+volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk
+waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen,
+waar elkeen van een droomt.[1]
+
+Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot
+velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789
+doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provincien,
+althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met
+den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal
+verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt
+opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder
+reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld
+kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en
+geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de
+staatsfinancieen hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van
+alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven.
+Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zoo maken dat de
+bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot
+stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.
+
+Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en
+hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en
+uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang.
+Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse-
+verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude
+vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds voor het midden der
+eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering
+van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis
+ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk."
+
+ * * * * *
+
+Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit,
+dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties
+meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie
+het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze.
+Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der
+rijks-finantien, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om
+een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De
+uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht,
+omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig,
+en ofschoon de uitgemergelde massa's al zwaarder belast worden, het
+deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot
+alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid,
+haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte
+noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de
+bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen
+den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting
+en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot
+deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen
+een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten.
+
+De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30
+millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van
+pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de
+provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per
+jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde
+van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn
+politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster
+aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn
+maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij
+grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het
+platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale
+tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden,
+verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende
+burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te
+zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen
+staat.
+
+Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote
+maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de
+geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat
+de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft
+gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de
+zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is.
+Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf
+nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is
+verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige
+schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw een derde van den
+bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van
+de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit
+immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele
+bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat
+zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van
+haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes
+toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in
+dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen.
+
+Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een
+revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende
+verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt,
+stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't
+hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en
+rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van
+den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der
+regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal
+geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat
+deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld
+zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een
+wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot
+besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het
+verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl.
+over de zoogenaamde "Charite" (de administratie van het armwezen, de
+hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.
+
+Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het
+burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de
+kerk keerde, dat het woord "ecrasez l'infame," tot het parool van zijne
+propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het
+oude regiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur.
+Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar
+ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde
+in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar
+bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst
+gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte
+het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers
+en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij
+zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was
+voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning.
+
+ * * * * *
+
+Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land
+en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de
+buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de
+adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit
+de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en
+pruikenmakers, hun maitressen en koks bij duizenden medevoeren; uit
+alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie
+omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het
+romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle
+levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen,
+hetzij de natuurlijke lichaamsvormen omscheppend tot artificieele
+gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst:
+schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het
+geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de
+"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard
+bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt
+uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de
+XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige
+behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een
+labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt.
+Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen of de
+weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, of zich bij
+die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich
+nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale,
+koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crebillon, uit de met
+melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van
+wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen.
+De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest-
+volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar
+het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van
+hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts een
+inhoud; jaagt een doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in
+wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering,
+zonder verheffing.
+
+Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze
+liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die
+niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van
+Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de
+appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men
+ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij,
+en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke
+trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen
+den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man
+gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud,
+waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het
+menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft
+leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de
+behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het
+eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson).
+
+Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met
+hunne maitressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde
+bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen,
+bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk
+van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de
+schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde
+intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde
+zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der
+schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de
+ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in
+ontaarding.
+
+Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.
+
+"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van
+Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren
+--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept
+Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit
+het gehavend te voorschijn komt; de kolonien gaan verloren, het
+koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers;
+alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan
+de zijde der oppositie.
+
+Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht
+en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden,
+te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van
+de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de
+hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te
+voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de
+dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de
+stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de
+zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en
+rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel
+leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en
+meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de
+mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld
+aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het
+grootste deel der 32.000 Parijsche prostituees, leven en sterven veracht
+en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest
+getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van
+de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.
+
+Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en
+onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte
+van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine
+burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende
+handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd.
+De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog
+meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun
+scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in een maand
+tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6]
+
+En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk,
+vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het,
+de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt
+het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de
+approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine
+burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.
+
+De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle
+lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden
+vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige
+uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De
+heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug
+betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan
+laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot
+instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer,
+die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze
+overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt
+zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het
+finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het
+uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden
+zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die
+wolven, bevindt zich de koning.
+
+Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in
+elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan
+een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven
+langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt,
+in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde
+verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op;
+"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de
+ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk
+drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote
+wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of
+breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyreneen, in de Provence,
+in Languedoc, in Bretagne, in Gruyere, in de omstreken van Rouaan enz.
+enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht
+de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de
+provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje
+blijft het dan weer stil.
+
+De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de
+epidemien en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de
+opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is
+alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in
+de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende
+toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feerieke
+illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende,
+sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die
+deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van
+die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in
+genietingen, stikkend in geilheid.
+
+ * * * * *
+
+Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen,
+gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische
+vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei
+van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.
+
+Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt
+de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de
+bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der
+koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige
+misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute
+monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig
+bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de
+openbaarheid en goede administratie der rijks-finantien; maar aan de
+andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de
+ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de
+monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar
+zit tevens vast aan het oude.
+
+In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de
+pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen
+van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke
+geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun
+zonen ruineeren zich als de zonen der edellieden door maitressen en
+paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd,
+maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate:
+het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid
+van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en
+terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken
+van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van
+bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte
+haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van
+de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige
+is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe
+koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7]
+
+De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn
+vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het
+verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeen.
+Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de
+koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet:
+weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als
+hun levensleer.
+
+De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze
+vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten
+achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van
+het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van voor de revolutie. De
+overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de
+buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen
+der Regence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor
+een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te
+voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde
+voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de
+bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat
+zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine,
+de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in
+Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Reaumur,
+Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet
+langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon
+neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering
+van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan
+de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der
+belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving
+en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de
+Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle
+mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te
+stellen,--getuigt van de geniale intuitie van den veelzijdigen publicist,
+wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het
+machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de
+industrie.[10]
+
+Grooter dan die der industrieele, is in dit tijdperk de vooruitgang der
+handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel
+verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20
+tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantieele bourgeoisie
+in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een
+aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon,
+de Normandie, het Beneden-Rhonegebied enz. De voornaamste havensteden
+worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van
+revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den
+zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de
+onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de
+desorganisatie van het leger, in een woord: door de algemeene dekadentie
+van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie.
+Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indie, Senegal en Canada; ook de
+Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de
+oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral
+toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de
+oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuieten in
+1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde
+half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het
+bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine
+Antillen had geakkapareerd.[12]
+
+Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste
+draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke,
+staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een
+diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al
+liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele
+regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds
+over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het
+ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd
+van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de
+opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel:
+aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair
+gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme,
+dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen
+dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst
+wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de
+regeering en van alle officieele instellingen en denkbeelden hun
+hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid
+al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet
+der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter.
+Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13]
+
+De dragers der nieuwe ideeen, der revolutionaire aspiraties waren,
+omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke
+groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantieele
+bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.
+
+De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun
+maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de
+intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de
+officieele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid
+van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen
+tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak
+van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig
+had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in
+de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de
+geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als
+Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire
+waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden
+den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn.
+Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den
+strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de
+machtsverheffing der bourgeoisie voor.
+
+Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de
+oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische
+ideologen, als Fenelon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de
+misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na
+het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een
+voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den
+eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in
+het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot
+'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol,"
+de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor
+de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de
+werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte
+zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten
+een einde maakte. Nog voor de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721,
+waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje
+waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos-
+felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend.
+
+Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en
+philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische
+concentratie der nieuwe ideeen in de Encyclopedie, het "algemeen
+handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan
+zullen deze ideeen zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van
+het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire
+bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche
+wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot
+een philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing
+opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust.
+Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit
+en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij
+de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot
+uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegien van adel en
+geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden;
+om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst;
+om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de
+instelling van een konstitutioneele regeering;--met een woord, om de
+praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_,
+in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van
+den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar
+aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn
+moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot."
+Voor alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der
+bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie
+der machten van het ancien regime, maar ook door haar decadentie is
+aangestoken;--voor alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid
+dorstende klasse.
+
+Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het
+revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land
+waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis
+met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen
+de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de
+beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als
+eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_
+ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische
+denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de
+wijsgeerige ideeen van het tijdperk der verlichting het helderst en
+volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten
+streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten
+uit de deisten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen
+openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire
+volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der
+mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen
+deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo
+worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats
+van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16]
+
+Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en
+haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken
+--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de
+engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de
+positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling
+--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken
+strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse-
+tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie
+groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds
+radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met
+de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich
+aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche
+philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het
+middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht
+der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische
+macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het
+ondergaand regiem.
+
+De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en
+evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname
+stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is
+Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van
+dien tijd--de finantieele--belichaamt hij als geen ander, als geen
+ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge
+grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit
+geladen, La Mettrie, Helvetius en Holbach onverschrokkener de
+konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing,
+--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van
+den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten
+van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt
+aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt
+gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam,
+altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt
+hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig,
+ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn
+aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met
+onfeilbare intuitie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die
+tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant
+zich tegen alle materialistische en atheistische denk-excessen zijner
+dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk
+_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te
+worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen
+leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale
+figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend
+volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der
+tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt
+hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande
+tegenover het oude regiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in
+een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17]
+levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate
+is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen
+dwang, voor de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der
+menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de
+willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met
+animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een
+ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het
+oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit
+ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in
+beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij
+gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kon de groote bourgeoisie
+niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang
+te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud,
+blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als
+van de finantieele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur
+d'affaires et grand remueur d'idees,"[18] gelijk Jaures' gelukkige
+omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de
+dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen,
+als het egoisme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage
+_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt.
+
+Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de
+wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten
+van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol
+stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeen de
+menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente
+theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een
+machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen
+zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur,
+de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar
+Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle
+aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvetius noemt het
+egoisme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theorien
+natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire
+philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der
+papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en
+naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en
+genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever
+liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten
+deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in
+hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis
+van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der
+groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische
+uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als
+even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt
+onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim
+van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle
+huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen,
+evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de
+eenige waardevormende kracht is.
+
+ * * * * *
+
+De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het
+derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den
+klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de
+parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de
+oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750,
+naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische
+doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen
+zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene
+revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute
+monarchie, begint eerst na 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste
+plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet
+der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders
+en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.
+
+Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer
+massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse-
+aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote
+bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in
+andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking
+gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem
+stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden
+geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of
+burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe,
+waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen
+_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een
+bewonderenswaardig heroisme--met _tragisch_ heroisme, want zij moesten
+in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het
+wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen
+dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun
+vleesch en bloed van hun bloed was.
+
+De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven,
+hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele
+verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou
+opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij
+gingen stem krijgen in Rousseau.
+
+
+
+II. HET MOEIZAME LEVEN.
+
+In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op
+zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift
+in cijfers dat, meende hij, hem met een slag vermaardheid en rijkdom
+verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties,
+en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele
+kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zooeloog en
+chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd
+hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe
+methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te
+lezen.
+
+Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De
+"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan
+te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek
+wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en
+beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de
+inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was.
+Hij voelde zich diep verongelijkt.
+
+Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over
+hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een
+vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij
+verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken
+ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de
+moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever,
+maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn
+gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij,
+soezende knaap, door Milaan gedwaald had.
+
+Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in
+de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke
+inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel
+mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost
+te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden
+zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van
+buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon;
+af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij
+gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al
+zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen
+voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij
+hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle,
+Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd
+weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat
+hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.
+
+Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele
+anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren
+even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit
+een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de
+provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij
+bij de Jezuieten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm,
+gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij
+gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen
+uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn
+dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen:
+zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een
+neiging tot paradoxen.
+
+Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve),
+is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de
+aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was
+schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke
+eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang
+hield hij de leiding der Encyclopedie vast door tallooze moeilijkheden
+en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid
+te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der
+regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch
+het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de
+nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk
+voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge
+kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn
+talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in
+het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die
+armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle
+mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.
+
+Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als
+de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht
+en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan
+verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeen was echt, maar wat hem
+tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van
+zijn gezin en van zijn maitresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst
+die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun
+temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief,
+droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig,
+opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst
+bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze
+tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was
+bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn
+vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet
+heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.
+
+Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de
+vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij,
+komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar
+dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin
+de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek
+verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven
+eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie
+bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem
+van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder,
+hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.
+
+Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van
+een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot
+Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantieele wereld.
+Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel
+mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving
+Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij
+de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos
+fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon,
+Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij
+liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar
+eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen
+zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van
+Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd
+secretaris van den franschen gezant in Venetie.
+
+[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).]
+
+
+Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was,
+vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris,
+een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was
+een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke
+aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau
+vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij
+in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van
+scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij
+misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te
+Venetie geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken
+een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen
+en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken
+zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn
+vaderstad herinneren: Venetie was als Geneve een souvereine stad, bestuurd
+dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Geneve een oude
+republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde,
+terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patriciers berustte. Zijn
+werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn
+geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed
+der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetie
+een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.
+
+Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man,
+wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte
+de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig
+ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en
+beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten
+slotte kwam 't tot een hevige scene, en de Montaigu joeg zijn sekretaris
+weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te
+trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetie, waar, naar hij
+vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er
+eerst over zich terug te trekken in Geneve, maar verongelijking brandde
+in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den
+smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed
+hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door
+zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te
+laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet
+hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden.
+Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den
+gezant zelf.
+
+Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar
+Venetie waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo
+verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat
+hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat;
+nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee
+en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn
+streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in
+alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte
+was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde
+vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de
+zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van
+levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder
+strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede
+drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij
+eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.
+
+Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het
+puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar
+zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij
+zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van
+Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft
+vooral.
+
+Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar
+Venetie ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger,
+eerst in Chambery, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven
+van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't
+vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude
+hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong
+linnenmeisje uit Orleans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was
+geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal
+verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht.
+Zij heette Therese le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door
+de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at
+aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het
+schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en
+onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor
+haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat
+menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste);
+tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was
+het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte
+aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg;
+hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.
+
+Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar
+ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije
+liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22]
+
+Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die
+vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den
+levensbond met het plebeisch natuurkind--Therese was in buitengewone
+mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog
+onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten,
+in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud
+der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften
+volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik
+tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar
+overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van
+hart.
+
+Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk.
+Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen maitressen--aristokratische dames of
+vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dat sprak
+immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een
+glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote
+gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen
+neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het
+nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten
+over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of
+geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Therese!
+Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en
+alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar
+mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en
+niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer.
+Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de
+soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij
+niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een
+ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten
+verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig
+opzicht meest essentieele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk
+een kiem van vervreemding.
+
+Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau.
+Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die
+afschuwelijke Therese," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en
+verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de
+zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem
+plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke
+wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn
+aan Therese. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven
+natuur ondanks haar poetische bekoring toch in sommige opzichten
+afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar
+beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was
+immers de bekoorlijke chatelaine, welgemanierd, elegant tot in haar
+minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke
+"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij
+dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de
+"onbeschaafde wasch-vrouw" Therese le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders:
+hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen
+hoogmoed.
+
+Men behoeft geen apologie te schrijven van Therese. Het zal wel waar
+zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de
+meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid.
+Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie
+voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden
+van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat
+met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo
+ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst
+verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw
+al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk
+zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan
+moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook
+doen. Maar daaraan denkt niemand.
+
+Tegenover de fouten en tekortkomingen van Therese staat 't volgende;
+staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar
+vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn
+brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige
+werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn
+lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef
+hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,"
+hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls
+steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische
+aangelegenheden bleek altijd goed.
+
+En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.
+
+Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle,
+waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels,
+arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en
+die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige
+schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Therese, heel
+een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien,
+tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het
+kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste,
+trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige
+huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het
+zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar
+goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe
+verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de
+aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem
+maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in
+trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van
+vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der
+regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche
+geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden.
+Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?
+
+Een deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn
+geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en
+inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden.
+Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn
+geluk niet de meest essentieele. Voelen ging hem voor denken--zijn
+denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben voor begrijpen.
+En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen,
+hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen
+genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn
+gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar een Therese, die zijn
+persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende
+dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding
+gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het
+dagelijksch leven; zij luchtten in geexalteerde brieven aan den grooten
+schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen
+bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Therese bleef dit zware,
+moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den
+ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den
+in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot
+haar sprak.
+
+Veel heeft Therese met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in
+'t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven
+lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden
+achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie
+behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man
+liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in
+Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van
+zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en
+Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme
+d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Therese, maar toen Mme
+d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot
+aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige
+burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij
+loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard."
+
+En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd
+en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar
+dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld
+compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart,"
+haar vrouwentrouw, Therese. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven:
+Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde,
+zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in
+het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen
+en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen.
+"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk
+te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik
+gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer
+te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij
+onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin."
+
+Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de
+Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en
+courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde
+ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog
+heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in
+hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast
+onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Therese.
+
+Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het
+sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor
+'t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht
+voor de steenen der door de domines opgeruide boeren; en zijn kort
+verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen
+verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord
+verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't
+dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk,
+in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het
+onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug,
+en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en
+vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glaciere, niet
+ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.
+
+Zij werd toen ouder en zwakker, Therese, maar zij hield de woning toch
+proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn
+kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en
+aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk
+eten, door haar bereid.
+
+Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieeren:
+het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het
+kasteel Ermenonville. Daar stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld,
+dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor
+hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was veel.
+
+De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling
+eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste
+geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieelen basis, die
+haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar
+lang.
+
+Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen
+minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme,
+simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde
+Therese le Vasseur.
+
+ * * * * *
+
+Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.
+
+Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon
+Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend,
+en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan.
+Een paar keer werd Therese zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen
+naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig,
+maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar
+zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat
+zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze
+ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen
+nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen
+werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij voor
+'t samenleven met Therese zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel
+verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de
+wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis
+bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.
+
+Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opera "les Muses
+galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen
+belastingpachter, La Popeliniere, en toen nog eens bij een groot heer,
+den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste
+kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den
+koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu
+hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de
+"Fetes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd.
+Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed
+Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat
+en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet
+genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses
+galantes" door de Parijsche opera werden aangenomen, maar ook daar kwam
+niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit
+gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd
+en gaf elke poging om naam te maken op.
+
+Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele
+kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld
+vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn
+onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als
+al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige
+intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder
+innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in
+plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit
+diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan
+gloeiende stroomen omhoog.
+
+Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was
+een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin
+hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste
+ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van
+zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms
+toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was
+zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren
+logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan
+door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren
+de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt."
+
+De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den
+afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem
+worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?
+
+De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn
+afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder
+dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk
+hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing,
+levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste,
+groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden
+uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van
+pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer
+ademen kon.
+
+
+III. DE EERSTE FANFAREN.
+
+Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de
+velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er
+werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het
+land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren
+zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten
+de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder
+leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.
+
+De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een
+broeiing van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke
+voorvechters der nieuwe ideeen begonnen de oude wereld te bombardeeren
+met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois"
+verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons
+"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde
+en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch
+scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige
+geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste
+proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem
+voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt
+de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij
+zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie,
+nu onderdrukken, dan weer de teugels vieren, zonder iets anders te
+bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te
+maken door het andere.
+
+In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men
+nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken.
+In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen
+niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers
+opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de
+intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering
+wilde een grooten slag slaan.
+
+Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken
+waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te
+hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het
+ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en voor het deisme.
+
+Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur
+les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch
+werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich
+beleedigd achtte.[26]
+
+Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel
+opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem
+toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt
+d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de
+hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.
+
+De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende
+maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel
+zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den
+vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste
+dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn
+geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de
+Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij
+dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap
+van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn
+smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij
+mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn
+kameraden werden tot hem toegelaten.
+
+Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken!
+Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen,
+haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet
+verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond
+neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog
+broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde
+strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de
+koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de
+Encyclopedie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen
+de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche
+glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg,
+groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van
+eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was
+in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.
+
+Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad,
+de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten,
+toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon
+uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten
+bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling,
+voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de
+bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij
+merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere
+zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste,
+met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't
+diepst-van-'t-woud.
+
+Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de
+opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht
+opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid
+van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen;
+gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de
+verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in
+eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het
+lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der
+grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een
+leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en
+zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat
+'t blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij.
+
+Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het
+nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het
+tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en
+klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook
+rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals
+zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige,
+hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt
+de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der
+Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.
+
+Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar
+het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken
+onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien
+uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de
+heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in
+wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de
+werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar
+wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde
+genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der
+groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal,
+naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn
+Ideaal-wereld niet helder, uit een stuk gegroeid, tegen den horizon,
+maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan
+hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de
+verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn
+jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken
+zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het
+patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de
+achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog
+voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre
+landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele
+kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid
+van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken
+saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische
+ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit
+veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener
+maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van
+kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme
+daarin ontbrak was natuurlijk.
+
+Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid,
+voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.
+
+Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun
+vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden
+ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder
+aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke
+verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want
+zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantieele. De
+strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeen spiegelde,
+voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers
+tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de
+heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde,
+wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder
+uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd
+genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op
+domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap,
+die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden
+enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen,
+voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in
+den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der
+verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot
+bewustheid.
+
+Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de
+slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.
+
+Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van
+tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme,
+opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der
+Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn
+leven zijn.
+
+Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over
+den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden
+en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27]
+
+Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven
+in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours."
+Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn
+opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde,
+verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn
+oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober
+onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen
+en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden
+wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw,
+wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en
+genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der
+groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij
+doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond
+zich tot eene, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de
+beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen
+de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van
+verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van
+ontzenuwenden lediggang."
+
+Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde
+maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van
+plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van
+den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde
+hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en
+ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als
+vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch,
+uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch
+intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover
+de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God
+welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar
+van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger
+aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een
+vervallend regiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen,
+maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend
+tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving."
+Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier
+dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde:
+burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland;
+de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was
+de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets
+voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de
+toepassing der wetenschap op de produktie; intuitief begrijpend dat door
+haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde:
+het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_,
+den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een
+gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting
+voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van
+dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een
+maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij,
+dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet
+als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse
+gedoemd gelijktijdig reaktionair en revolutionair te zijn.
+
+Het boekje maakte zijn schrijver met een slag beroemd. De letterkundigen
+prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken;
+al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven
+Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge
+bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat,
+hij had beloofd aan de Encyclopedie mee te werken en schreef daarin de
+artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek
+beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over
+de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de
+beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.
+
+Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder een met den koning van
+Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk
+en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van
+maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde
+bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen,"
+"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar
+begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge
+noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen
+weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij:
+"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend
+sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den
+mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet
+vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen
+bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer
+slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben
+zooveel armen geen brood."
+
+Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat
+tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan
+verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom
+vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.
+
+Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping
+tusschen beginsel en praktische konsekwenties.
+
+Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend;
+zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten
+en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch
+bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij
+noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden
+gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel
+van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote
+revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen
+genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te
+voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak
+tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te
+bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen
+en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch
+de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.
+
+Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de
+inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner
+andere geschriften, de uiting van slechts een zijde van zijn wezen is.
+Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was
+teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid
+die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der
+liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de
+stoicijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde
+het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.
+
+Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours,"
+dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe
+prijsvraag der academie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der
+maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom:
+zachtheid had hij nog niet teruggevonden.
+
+Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van
+den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang
+zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur,
+uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den
+primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo
+meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden
+van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden
+vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de
+natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen
+was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de
+verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en
+voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de
+neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn
+voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid
+hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren
+hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest
+vermoedde hij niet.
+
+Zijn geidealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige
+trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij
+tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk
+Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt
+tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op
+de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op
+de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de
+ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende
+klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours."
+
+In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter
+bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der
+tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den
+primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuitief zeer juist en
+sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche
+stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na
+het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan
+Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel
+beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch
+Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle
+wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de
+verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van
+anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van
+nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij
+alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd
+goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij
+alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener
+maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener
+samenleving "waarin misschien niet een gegoed man leeft wiens dood niet
+door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt;
+waarin niet een schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het
+schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin
+niet een volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner
+naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en
+treffendste in Frankrijk geschreven voor de dagen van Fourier. Hij
+sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en
+barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie
+kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk
+niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of
+kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van
+zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de
+natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de
+hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een
+grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk:
+hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke
+gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden
+ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en
+politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt,
+het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op
+wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde
+der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen."
+
+Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van
+uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten
+gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die
+volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de
+Carmagnole:
+
+ "Ca ira, ca ira, ca ira,
+ Celui qui s'eleve, on l'abaissera,"
+
+en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de
+wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een
+onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons
+de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen
+met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau,
+wiens vreemde ideeen heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet
+in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien
+slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden
+zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen,
+nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten
+maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn
+lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de
+menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten
+te voorkomen, te genezen of te verzachten?"
+
+De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop
+nog vleugellam in dat der daad.
+
+Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Geneve, en
+herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste
+lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.
+
+ * * * * *
+
+In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede
+"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in
+zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen
+werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend
+schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de
+dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der
+hoogst-bezoldigde finantieele betrekkingen vervulde--nl. van algemeen
+ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden
+verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute
+finance in dienst getreden als kassier. Materieel blonk hem een gouden
+toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid
+van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten
+hem ziek.
+
+Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het
+was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong,
+nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de
+tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan
+anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij
+zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen,
+de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon.
+
+Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat
+is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog
+zeldzamer is, hij zette het door.
+
+Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap
+neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen;
+Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.
+
+Hoe zou hij nu leven?
+
+De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden
+chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel
+geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste
+parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was
+een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een
+der rijke letter-lievende financiers als Helvetius of Holbach,
+geschonken.[28]
+
+Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en
+niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in
+'t verkondigen zijner beginselen.
+
+En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kon
+het niet, hij kon enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede
+en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale
+idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn
+gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die,
+wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt,
+nederschrijft."
+
+Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef
+fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield
+van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd
+muziek-copiist.
+
+Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het
+handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem
+genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het
+mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't
+platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn
+dood, met muziek-copieeren zijn levensonderhoud.
+
+Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij
+had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de
+letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon
+voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet,
+die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de
+goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke
+stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven
+onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.
+
+Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven
+allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom
+moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te
+doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien
+in hun binnenste; naast 't samenleven met Therese kwam door de nieuwe
+wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van
+vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.
+
+Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn
+uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie
+der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot
+in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij
+schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand
+zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de
+kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn
+kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen
+afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij
+gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Therese--hielp
+hem daar weldra van af.
+
+Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en
+knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde
+jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag
+voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet
+alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan
+de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en
+door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem
+'t hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te
+krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij
+aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was
+toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te
+overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen
+op zich tegen hun "begunstigers," die maar een doel kenden: de hen immer
+najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles
+dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne
+beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door
+hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun proteges moesten
+ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze
+gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te
+bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden
+alles koopen, waarom dan ook niet dit?
+
+Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken
+doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd
+is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de
+vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij
+verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich
+heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok
+dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en
+wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel
+vrij. Therese was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En
+achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke
+moeder.
+
+Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en
+bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen
+was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt
+het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten
+van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over
+in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook
+de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke
+menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde
+gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in
+elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.
+
+En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk.
+Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke
+vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen
+drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk-
+gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een
+lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid
+der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan.
+Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam
+slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een
+anderen.
+
+Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het
+verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren
+lang zijn leven zijn.
+
+Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs,
+om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de
+zachtheid des levens zijn.
+
+In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van
+zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer
+een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen
+stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek
+viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te
+Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij,
+in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De
+Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde
+den componist audientie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau
+weigerde op audientie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste
+begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun
+eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen
+de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was
+uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele
+uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel-
+artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij
+"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen
+te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de
+jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen.
+
+Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden
+was, Therese opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig
+na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij
+beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige
+keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te
+geven. Therese zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht
+op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in
+beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te
+vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die
+de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap,
+arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja
+verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een
+burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had
+afgeschud, baarde Therese; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind
+naar 't vondelingen-huis brengen.
+
+Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos
+had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren
+van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de
+bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in
+zijn wezen.
+
+Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en
+begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Geneve te
+vestigen, waar hij in '54 met Therese eenige maanden vertoefde en goed
+ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf
+nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem
+geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn
+geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij
+bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij
+werd opnieuw protestant en burger van Geneve.
+
+Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en
+voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou
+'t er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk
+willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.
+
+
+Noten:
+
+[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV,
+boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot
+XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het
+felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn
+ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a.
+in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal
+geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel
+drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan
+de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideeen de
+drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale
+oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de
+ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.
+
+[2] Jaures, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaures zijn
+wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren voor de
+Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel
+lager geweest zijn.
+
+[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere
+geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.
+
+[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.
+
+[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrieres et de l'Industrie en
+France.
+
+[6] Memoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII.
+
+[7] Jaures, Histoire socialiste, bl. 39--40.
+
+[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst
+van den kapitalist, geconcentreerd zijn in een gebouw of werkplaats,
+terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is
+opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden
+uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische
+vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te
+herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.
+
+[9] Levasseur, bl. 536.
+
+[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI.
+
+[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den
+Franschen handel een geweldigen knak toebracht.
+
+[12] Levasseur, bl. 549.
+
+[13] F. Rocquain, L'Esprit revolutionaire avant la Revolution.
+
+[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.
+
+[15] Windelband, bl. 359.
+
+[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk
+der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte
+der neueren Philosophie.
+
+[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische
+gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald
+bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.
+
+[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.
+
+[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1
+allen" uit.
+
+[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles;
+brulons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en
+graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die
+tegen Lodewijk de XVIde.
+
+[21] F. Rocquain, de l'Esprit revolutionaire, bl. 298.
+
+[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk
+noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige
+vrienden afgelegd, Therese van dat oogenblik af aan als zijn wettige
+vrouw te beschouwen.
+
+[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIieme siecle," blz. 296.
+
+[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau
+heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Therese
+uitgelaten.
+
+[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley,
+wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid
+der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.
+
+[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest.
+Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire
+kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuieten). Zij had
+burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en
+"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de
+overladen weelderigheid van het rococo.
+
+[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl.
+de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van
+zijn eerste "Discours" heeft beinvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk
+te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk
+gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch-
+waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en
+bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben.
+
+[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo
+Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht"
+(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van
+den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de
+18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld
+worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan
+eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van
+ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de
+schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar
+habitues als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet,
+Histoire de France, XVI, 84).
+
+[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor
+het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven
+was die hem de audientie deed weigeren.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK
+
+DE GROOTE JAREN.
+
+
+I. NAAR DE VEREENZAMING.
+
+Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en
+levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance
+in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar
+van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast
+ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen
+verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele
+werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij
+was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi
+maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan
+zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte
+te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel
+esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden
+om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van
+intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe
+Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te
+noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een
+warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar
+kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig
+en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de
+vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij
+behoefte aan interessante, superieure persoonlijkheden om zich heen die
+haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig
+en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te
+komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze
+veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoiste
+berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net
+gaf wat hem paste en niets meer.
+
+Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij
+doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook
+was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk
+gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige
+sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel
+hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij
+luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden
+gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de
+wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen
+van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een
+beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en
+met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn
+hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen
+dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar:
+"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij
+is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch
+eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt."
+
+Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd
+vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind
+gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de
+man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich
+maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden
+van hem vervreemd heeft.
+
+Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg
+van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem
+leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt
+een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed
+musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde,
+want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den
+jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en
+deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig,
+een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching,
+plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carriere en ontpopte
+zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van
+Orleans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon
+een "Correspondance litteraire," een soort bulletin voor buitenlandsche
+vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs
+verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had
+zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen
+vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd
+en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in
+'t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver:
+oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij
+langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar.
+Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en
+was daar zeer verheerlijkt mee.
+
+
+In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't
+vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij
+Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen
+Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en
+Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een
+keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen
+vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de
+moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan
+het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond
+daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het.
+"He," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet
+veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later
+bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw
+allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw
+kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die
+booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Geneve." Dat was
+echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar
+bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij
+arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende
+brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.
+
+Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist
+de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Geneve; hij hield van
+zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij
+voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen
+grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de
+lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid.
+Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot
+vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een
+voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over
+hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge
+uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd
+weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven
+en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke
+gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste
+onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn
+pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat
+mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar
+ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor
+mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid.
+De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen
+acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar
+had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij
+overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van
+innerlijke krisis gekweld."
+
+Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn
+verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de
+Hermitage. Behalve Therese verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard
+maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut
+in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou
+wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij
+overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage
+woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees,
+voor zijn rekening zou nemen.
+
+Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling
+verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat
+hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij
+nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad
+of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen,
+heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles,"
+schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes,
+flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn
+hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur;
+of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein
+van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar
+een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren
+tot de natuur."
+
+Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij
+had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't
+gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was
+aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te
+brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren.
+Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij
+zelf nog niet geheel in 't reine was.
+
+Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een
+beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij
+was hieraan al begonnen in Venetie, dertien of veertien jaar geleden, en
+had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van
+uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om
+daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een
+soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan
+stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding.
+Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom
+gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had
+veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig
+wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van
+een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo
+onder de hand door.
+
+Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij
+willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte
+de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals
+uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet
+op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde
+richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het
+onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen
+in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de
+"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl
+Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den
+innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij
+nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn,
+begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar
+teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende
+te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der
+liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van
+zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op
+een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met
+onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het
+brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die
+jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij
+uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de
+"Nouvelle Heloise."
+
+De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten
+om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die
+zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens
+alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.
+
+Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van
+Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar
+geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht,
+door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de
+velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en
+sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal
+zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn!
+Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij
+goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes,
+blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme
+d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie
+vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.
+
+En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den
+zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel
+zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij
+niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd
+had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de
+verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld
+door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede
+plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel
+genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals
+wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd,
+zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te
+murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de
+verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.
+
+Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat
+zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen
+verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in een
+geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten
+en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt,
+die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit
+liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde
+teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen,
+zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de
+verbeelding in Rousseau.
+
+Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeinvloed door de
+rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen,
+wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen,
+die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem
+altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner
+fantazieen had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die
+eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had
+hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden;
+wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen,
+verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was
+de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij,
+geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroisme en
+roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de
+droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude
+stroom vloeide weer rijkelijk.
+
+Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want
+Therese vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend.
+Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet
+zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben.
+Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te
+maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er
+in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij
+gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest
+altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot
+hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet
+naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren
+die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had,
+door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit
+was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken
+uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw
+hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in
+het woud.
+
+Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren;
+daar was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie
+die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen
+onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer
+hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd
+voorbij is.
+
+Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch
+dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en
+bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden,
+heerlijke jeugd.
+
+Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der
+jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt.
+Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de
+bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond
+en spijt om alles wat hij dit eene ter wille verzuimde, doet zijn hart
+samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd
+verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit
+eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven,
+voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat
+hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde;
+ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.
+
+Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn
+eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer
+terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene
+nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven
+zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit
+bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij
+te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij,
+zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam
+als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn
+fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij
+jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling;
+weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al
+de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had
+ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien
+onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't
+oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambery,
+hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk,
+hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap-
+secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel
+dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden
+door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij
+Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong,
+bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al
+lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en
+dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.
+
+Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor
+de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te
+sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te
+grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de
+broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn
+liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een
+ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid,
+zocht hij in de fantazie.
+
+Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen
+omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde
+samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare
+eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle
+storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat
+hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde
+samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.
+
+Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen,
+twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de
+minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan
+den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de
+Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind
+had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en
+vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar-
+beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument
+oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde.
+
+Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en
+onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had
+voor aan Therese en haar moeder. Therese snikte van verteedering, hij
+zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over
+het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der
+liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En
+wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd,
+voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich
+geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een
+deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke
+zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van
+zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte
+hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.
+
+In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de
+schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds
+lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets
+meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men
+zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen
+zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en
+armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en
+kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig,
+en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had
+een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de
+mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de
+natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen;
+een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch,
+op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde
+hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd
+spreekwoordelijk.
+
+Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder
+waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar
+zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote
+wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid
+en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar
+afwisseling.
+
+Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van
+1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder
+blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol
+uitbundige pret over haar avontuur; Therese moest haar schoone kleeren
+geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk.
+
+'t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal,
+in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar
+minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de
+buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te
+verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den
+eenzamen wijsgeer, den stoicijnschen "citoyen" met zijn strenge
+begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar welbehoed tegen de
+verlokkingen der Parijsche wereld.
+
+Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te
+worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.
+
+Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts
+schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor
+noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke
+vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor
+hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van
+den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en
+verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te
+voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de
+andere?[31]
+
+Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de
+daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat
+van mysterie is hij.
+
+Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend,
+vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat
+wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kon,
+niet mocht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was
+de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen
+overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf
+en haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo
+leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en
+smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideeele in
+hem, al zijn moreel gevoel opstond.
+
+Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd,
+--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst
+beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en
+weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te
+blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten
+weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht
+hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw,
+die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang,
+kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot
+extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat
+alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf
+en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam.
+
+Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn
+zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch
+van innering.
+
+Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare
+boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van
+de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Heloise." In de vlammen
+van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn
+wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt
+duizenden blij van bevende zaligheid.
+
+Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele coterie
+die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest.
+Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der
+lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs
+ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven,
+dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van
+Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige
+menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog
+erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal
+aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij
+zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij
+toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.
+
+Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed
+voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke
+neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker
+geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn
+heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te
+probeeren achter zijn rug om met Therese en haar moeder te bedisselen
+hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch,
+en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't
+allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer
+geirriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren,
+schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de
+wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als
+vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.
+
+Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van
+komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen
+schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot
+onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had
+verweten de moeder van Therese den winter in de Hermitage te laten
+doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende
+leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en
+gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in
+Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak
+had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden
+als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich
+met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht
+Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel
+verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen
+dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in
+langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die
+stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend."
+
+Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend
+als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm,
+stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen
+hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een
+kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme
+d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend
+had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare,
+hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het
+dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten
+worden?
+
+Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet
+ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor
+haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude
+vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes,
+waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph
+die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een
+verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te
+worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij
+koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij
+ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen
+dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem.
+Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te
+voorkomen.
+
+Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen
+kwam de vonk.
+
+St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau
+op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als
+een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan
+Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay
+gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin,
+die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar
+zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in
+Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere
+explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart
+der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale
+op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen
+hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed
+en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij
+wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een
+schijn-verzoening tot stand.
+
+Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te
+toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof
+hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en
+was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later
+in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie
+van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieen.
+Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde;
+de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen
+de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot
+zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.
+
+Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen
+was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam
+juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.
+
+Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en
+vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo
+spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar
+bedienden, naar Geneve dacht te gaan om zich onder behandeling te
+stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau
+haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en
+hoopte dat hij 't zou doen.
+
+Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Geneve,
+niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Therese,
+die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te
+praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en
+naar Geneve ging om in 't geheim te bevallen. Nu begreep hij het. En
+toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van
+Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't
+bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme
+d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen
+hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay
+was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te
+gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.
+
+Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke
+positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst
+van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij
+dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert
+uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg
+van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij
+zijn stekels naar alle kanten uit.
+
+Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?
+
+Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm
+werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Geneve sturen om,
+zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen?
+Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?
+
+Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij
+zeide voor haar gezondheid naar Geneve en had zij gedacht: "'t zou
+gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de
+menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan
+zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar?
+
+De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in
+twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid
+gebracht.
+
+Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende,
+gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien
+tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme
+d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in
+die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en
+goed-bedoelde zorg.
+
+Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te
+verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht
+tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te
+vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen
+Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het
+antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest
+onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te
+verlaten.
+
+Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien
+de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op
+denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Geneve vertrok, naar Parijs
+teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol
+betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog
+eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij
+begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen
+hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat
+hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn
+evenwicht geheel en al.
+
+Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid,
+zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in
+den tuin hooren, hij leek waanzinnig.
+
+Toen kwam dat briefje uit Geneve: het werkte als een zweepslag. Met de
+kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders
+altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't
+dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en
+erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme
+d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig
+en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge
+niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar.
+
+Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke
+breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als
+om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden
+zijner hoopvolle jaren verliest.
+
+
+
+II. DE KATASTROPHE.
+
+Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met
+Therese getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen
+in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar
+den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was
+oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de
+meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het
+terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den
+hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek.
+Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde
+naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.
+
+Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open
+koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot
+zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar
+elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van
+1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van
+vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon
+zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke
+ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van
+den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die
+dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te
+doordringen.
+
+Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den
+titel "Lettre a d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het
+werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Geneve" in de Encyclopedie,
+waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en
+ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te
+laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van
+d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf
+regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van
+bij het landhuis, dat hij in Les Delices, een voorstad van Geneve,
+bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge
+heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun
+best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in
+Geneve was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van
+Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden
+melden: "heel Geneve bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt
+een stad van genoegens en van verdraagzaamheid."
+
+De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden
+geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het
+klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen
+begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw
+onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de
+eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener
+klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische
+gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven
+der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar
+tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als
+zijn geidealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van
+rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige
+landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker,
+maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich
+zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan
+wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem
+verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de
+onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn
+eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem
+gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions"
+getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde,
+zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde,
+al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er
+in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene
+inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en
+wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in
+'t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van
+dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam,
+een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Heloise"
+wekken zou.
+
+De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met
+de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat
+men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet
+geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich
+gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire,
+diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den
+leider, en dat kon niet worden getolereerd.
+
+Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit
+de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende
+gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld,
+en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars
+wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven
+en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst
+zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend
+gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren
+in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van
+diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar
+zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks
+zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was
+zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering
+tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet
+weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste
+brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar
+gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten;
+daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die
+snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en
+even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en
+daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke
+paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te
+dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu
+moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en
+van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat
+Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar
+had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't
+gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in
+particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte
+deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn
+ergernis lucht.
+
+Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover
+de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde,
+in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de
+dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename
+bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze
+verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den
+tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon
+te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift.
+Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk
+was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij
+feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire
+eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om
+hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief
+van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was
+geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk
+kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon
+zijn om te verdragen. Gij hebt Geneve als belooning dat ge er een
+toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van
+den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het
+die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen
+sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en
+zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch
+bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in
+een woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die
+waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle
+gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de
+bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde
+voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760.
+
+Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er
+buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien
+tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ...
+verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Heloise," die
+kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Heloise" noemde hij "een vervelende
+en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond
+hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid
+boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder
+maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en
+dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren.
+Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor
+de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den
+vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans
+gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte,
+denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op
+zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te
+maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de
+god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn
+meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?"
+
+Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van
+Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige
+waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos
+het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan
+ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd
+is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wel zijn roem en invloed
+benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke
+meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht
+en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de
+verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.
+
+In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk
+met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat
+wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau
+beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige
+prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te
+hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een
+verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau
+in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening.
+Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook
+eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik
+haar weer aan te blazen."
+
+Zij hebben elkaar nooit meer gezien.
+
+St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's
+handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei
+en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had,
+terug stuurde.
+
+ * * * * *
+
+In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem
+hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede
+kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij
+leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid;
+de "Nouvelle Heloise" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde
+daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte
+in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast
+twintig jaren in hem was gerijpt.
+
+Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature
+indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren
+aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben,
+een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar
+geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de
+innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote
+punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de
+verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de
+verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had
+uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat
+hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een
+nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de
+sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het
+verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de
+eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen,
+gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich
+in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat
+de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken.
+Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij
+bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart
+altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon
+niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe
+in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de
+menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te
+geven was in zijn hart zoo onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst
+naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was zoo
+kwetsbaar, kromp zoo gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem
+alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die
+hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven
+--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood
+verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met
+Therese in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was
+het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst
+beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren.
+En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het
+oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke
+instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en
+het overige te doen vervallen.
+
+Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al
+vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire,
+die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij
+zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.
+
+Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de
+meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem
+was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan,
+--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een
+open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en
+aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste,
+oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel
+overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het
+wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het
+ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts
+verdiepen in zich zelven.
+
+Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen.
+Aan een goeden kennis in Geneve, die zijn vrouw verloren had, schreef
+hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren
+zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een
+overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in
+zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te
+verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan
+dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantieele hulp
+afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer
+honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart
+verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid
+steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.
+
+En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte
+handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem
+van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der
+groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in
+aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling?
+De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig
+of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de
+Romeinen der decadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen
+zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn
+betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?
+
+Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte,
+zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten
+eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die
+Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem
+over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht-
+gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast
+elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en
+intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het
+hof kwam, en diens maitresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem
+altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke
+boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en
+beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der
+letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om
+alles glad te strijken.
+
+In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Heloise,"
+begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een
+vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij
+schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den
+naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van
+een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen,
+het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette
+zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak,
+geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie
+van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde.
+Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter;
+uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte
+hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie
+maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd
+aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en
+zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn
+steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans
+onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken
+omgang tusschen hen.
+
+Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en
+hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde
+kennen.
+
+Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen,
+waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op
+het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar
+keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen
+soupeeren, als hij lust gevoelde.
+
+Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in
+den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de
+maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn
+bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer
+aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht
+en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met
+allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in
+bed lag, de "Nouvelle Heloise" voor die zij verrukkelijk vond.
+
+De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde
+kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een
+vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder
+eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en
+eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van
+hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe
+vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd
+hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem
+was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar
+reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van
+'t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd,
+berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende
+geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij
+om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij
+had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau
+leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar
+konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in
+haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van
+zijn kant.
+
+In een opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn
+nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee
+om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij
+lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet
+voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken,
+hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon
+verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de
+kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde
+hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Therese bewezen.
+Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem
+niet met geschenken lastig te vallen.
+
+In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de
+groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst
+pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een
+eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in
+het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig
+van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke
+omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou
+houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje
+netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen
+verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet
+weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand,
+toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd,
+trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal
+niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een
+dergelijk experiment goed afliep.
+
+Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn
+huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen
+van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Therese een
+paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen
+zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun
+herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo
+waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem.
+
+ * * * * *
+
+De "Nouvelle Heloise" werd lang voor de verschijning reeds veel
+besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele
+zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot
+afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn
+liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen
+hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er
+een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en
+de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die
+afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren
+kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar
+uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes
+was verbijsterend, misschien ongeevenaard in de geschiedenis der
+letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij
+naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen
+lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur:
+de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen.
+Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de
+letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte
+onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was
+een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want
+in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige,
+verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van
+het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der
+persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Heloise" beduidde de bevrijding
+der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw,
+van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend
+auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke
+in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de
+"Nouvelle Heloise" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.
+
+Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven
+geen geluk; hun geexalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het
+zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij
+bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of
+geen heilige.
+
+Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van
+veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij
+had 't even lief als de "Nouvelle Heloise," maar met een andere liefde,
+niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste
+werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige
+geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil.
+En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd,
+in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens
+en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter:
+het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke
+lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des
+harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging
+had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare;
+diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten
+het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn,
+zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had
+verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde
+zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het
+verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek
+in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn
+geheim....
+
+Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan
+Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Therese en
+hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar
+medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop
+althans een der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was
+geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij
+een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste
+toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem
+vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare
+hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit
+te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile."
+
+Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de
+eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de
+Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet
+plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te
+vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij
+gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij
+zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre a
+d'Alembert" en de "Nouvelle Heloise" hadden hem een bescheiden sommetje
+opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte
+hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs:
+daarvoor wou hij voor Therese en zich een lijfrente koopen. Rey, die
+schatten verdiende aan de "Nouvelle Heloise," verzocht hem om
+toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Therese vast te
+zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn.
+Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd
+dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor
+een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een
+warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van
+verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid
+knellend en rukte zich los.
+
+Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot
+het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geeischt
+en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam
+gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen
+onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut
+vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij
+woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee,
+ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde
+er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor
+zijn ideeen vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den
+martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam
+verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem
+onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was
+typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen:
+behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch
+fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die
+gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven,
+had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste
+onaangenaamheden op den hals.
+
+Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan
+hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed
+waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip,
+waartegen zij te pletter moest slaan.
+
+Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de
+Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had;
+dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland
+gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar
+inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel
+merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de
+copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij
+begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur
+niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat
+het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen;
+hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem
+gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg
+hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen
+antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek
+dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde
+zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuieten de hand hadden
+gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij
+dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten
+hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn
+vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste
+discipelen in Geneve zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen
+zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte
+zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem
+gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld
+proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij
+zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de
+Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven
+met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn
+van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag."
+
+Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de
+Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur
+toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en
+de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk
+ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen;
+een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk
+door het feit dat de "Nouvelle Heloise," waarin evenals in den "Emile"
+de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet
+verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat
+Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.
+
+Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te
+duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te
+waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een
+toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde
+zoo sterk, in "Emile" voor den godsdienst, tegen de materialistische
+philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk
+immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als
+het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn
+toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in
+Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun
+gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot
+verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te
+gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't
+plan uitgesteld.
+
+De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire
+vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de
+verschijning der "Nouvelle Heloise;" d'Alembert schreef hem om hem geluk
+tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der
+weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem
+heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering
+te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme
+de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou
+hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in
+de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het
+parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles
+wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar
+vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou
+vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar
+hem dreigde.
+
+In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin
+hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden
+morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te
+bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen
+een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen
+linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de
+dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag
+in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die
+juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van
+hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich
+voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij
+naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de
+Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een
+edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees,
+gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen
+te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden
+vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.
+
+De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren,
+tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van
+het kasteel omhelsden hem, Therese snikte en gilde haar onbeheerschte
+smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het
+achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee
+mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel
+van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging,
+waarmee de hertog naar die sleutel greep.
+
+Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te
+zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.
+
+ * * * * *
+
+Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een
+geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij
+een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij
+groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen,
+die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's
+morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat
+hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt
+hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een
+plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd,
+verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder
+een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in
+zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij
+soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den
+avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot
+een idylle in den trant van Gessner.
+
+Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat,
+nu het op het punt stond de Jezuieten uit te wijzen, de reaktionaire
+partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst
+schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de
+wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was
+vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen,
+die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als
+jansenist, protestant, atheist of vrijdenker, was een rebel. Er is geen
+rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.
+
+Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de
+hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn
+overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan
+hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en
+zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem
+laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig
+waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan
+hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge
+betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun
+houding te zeggen?
+
+Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van
+Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een
+verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit
+de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan,
+maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_.
+
+Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche
+menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem
+ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid
+hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem
+weggestooten, zooals men het geen vriend mag doen. Hij was toch maar een
+stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen
+gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo
+bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende
+hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nog eens vertrouwd,
+zich nog eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij
+kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en
+gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn
+schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze
+bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los,
+inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem
+wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem
+zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe
+rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.
+
+Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met voor alles
+onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk,
+van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn
+meerderen waren.
+
+Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten.
+Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.
+
+
+III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN.
+
+De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht,
+jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht,
+grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens
+voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie
+geweest. Daarvoor kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten;
+vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de
+Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot een stroom van schoonheid en
+kracht. Daarna verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing
+en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van
+zijn bewustzijn kaatste het beeld eener al wanstaltiger wereld, te
+midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de
+voorstelling troonde van het eigen ik.
+
+In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de
+wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het
+beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt
+zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle
+Heloise," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften,
+met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze
+werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen
+gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog.
+Wat de werken na Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee
+rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre a Monseigneur de
+Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne."
+Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote
+jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen,
+versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en
+levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der
+tweede rubriek, de "Confessions" en de "Reveries" zijn, zuiver als
+woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid,
+de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken,
+waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate
+waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te
+roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van
+Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de
+"Confessions" en de "Reveries" boven de "Nouvelle Heloise" en den
+"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en
+uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin
+de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en
+sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poezie reiken kan.
+
+In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener
+levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de
+natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling
+(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse-
+verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Heloise" en de "Lettre a
+d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk,
+gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van
+godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal.
+Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het
+menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van een geest, zij
+worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en
+denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van een groot levenswerk.
+
+Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht
+niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van
+den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zeer groote
+onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te
+leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht
+te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak
+niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom
+bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De
+geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde
+tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd
+somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De
+sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem,
+maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn
+conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle
+Heloise") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn
+conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog
+is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene
+theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt
+tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch
+tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en
+jong-meisje tot elkaar behandelen.[34]
+
+De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo,
+dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot
+dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht
+bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten
+is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der
+fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wel
+kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning,
+de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het
+lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende
+verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--daar lag zijn
+vaderland, daar voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied,
+met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame
+worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich
+eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het,
+om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en
+dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend,
+zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en
+aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde,
+maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de
+zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief
+is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner
+haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met
+hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen.
+
+Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave
+missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in een groote
+verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk
+onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een
+vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe
+vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van
+zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en
+betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm
+van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Heloise" toepaste,
+was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen
+romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten
+een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson
+was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige
+afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van
+Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot
+het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie.
+Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen
+opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel
+voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door
+de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken
+en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen
+gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische a la Prevost, of
+prikkelend-zinnelijke a la Crebillon, werd in de handen der groote
+burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot
+bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun
+romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den
+inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke
+inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze
+de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der
+feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35]
+
+In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar-
+overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle
+opzichten het meest origineele zijner werken.
+
+In de "Lettre a d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle
+Heloise" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische
+beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de
+idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven
+der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een
+adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geidealiseerde
+herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene
+verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.
+
+Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde
+groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen
+vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft
+Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding
+vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug,
+bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen
+hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam
+brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen.
+Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere
+ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe
+eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid
+laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen;
+een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend
+in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging
+over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de
+dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen
+sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich
+tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun
+eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote
+revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!
+
+Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat
+beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De
+beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere
+smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn
+innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen
+zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn
+voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche
+gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel
+doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver
+maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De
+geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid,
+gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van
+Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de
+oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een
+hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een
+vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden
+geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie
+en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der
+eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had
+verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had
+verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle
+zoete en sterke bewegingen van het gemoed.
+
+Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met
+Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze,
+in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende
+moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu
+isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de
+samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der
+vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den
+burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn
+hoogmoedig hart.
+
+Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo
+liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij
+Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn
+ouderdom, de "Confessions" en de "Reveries." Naast de eenvoudige rijke
+levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de
+betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne
+doorzichtigheid der "Reveries" staan de werken der groote jaren als
+minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.
+
+Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weee
+sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat
+tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat
+der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze
+parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Reveries," ontbreekt.
+
+Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen
+en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken,
+vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk
+leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel,
+de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten?
+En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze
+doordringt, de edele verheffing? Vanwaar?
+
+Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij.
+Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van
+zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters,
+had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der
+klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel
+der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.
+
+De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere
+volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en
+juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der
+kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in
+den weg stonden.
+
+Onheroisch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de
+ontwikkeling van heroische krachten noodig, waren noodig zelfopoffering
+en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd
+tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de
+dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit
+wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel
+een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden
+hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te
+voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische
+tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te
+houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud
+der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld
+door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid
+gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe
+moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen,
+voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot
+deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der
+klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoicijnsche gezindheid, het
+patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroisme,
+die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich
+vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid
+hun ontzegde te zijn.[36]
+
+Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven
+den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de
+vorm, heroischer was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in
+de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar
+somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het
+theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet
+anders is dan de keerzij der geforceerd-heroische spanning van het
+gevoel.
+
+Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van
+Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij
+Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de
+burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie
+tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij
+vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weee
+laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der
+revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher
+harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren
+innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen
+bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij
+geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in
+den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht
+en heerschzucht en nijd.
+
+Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar
+voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn
+sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming
+der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen
+tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood
+aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch
+voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in
+aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn
+tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheistische, genotzuchtige,
+door de korruptie van het ancien regime aangestoken grootbourgeoisie
+den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige,
+onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie,
+kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der
+levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, om het te
+volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken
+moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme,
+bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze
+gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en
+te versterken.
+
+Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig
+instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe
+maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun
+wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met
+alle porien van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig
+kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd.
+Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en
+de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de
+valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze
+gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan
+het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar
+waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld
+brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.
+
+Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in
+zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau revolutionaire," dat
+Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te
+veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft
+opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet!
+Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuitie voorvoelde
+welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou
+behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun
+taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van
+hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn
+werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.
+
+En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de
+schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal
+waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die
+geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het
+gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had
+Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan
+een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit
+Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hun ideologie hadden
+geput.
+
+ * * * * *
+
+Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau
+in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het
+menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het
+universum), en de verhoudingen der menschen onderling.
+
+Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk
+God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de
+menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor
+dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met
+de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in
+Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later
+verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd
+tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.
+
+Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote
+bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk
+gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook,
+maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk,
+dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks
+staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theisme kwamen hierin
+overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn,
+maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme
+der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een
+deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der
+toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende
+beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er
+sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt
+stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij
+te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het
+zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische
+philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale
+neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen
+van den mensch.
+
+In het theisme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god,
+boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de
+verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn
+eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij,
+die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken
+arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen
+tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen
+tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De
+warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel,
+den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als
+zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander
+gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der
+menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch
+spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de
+eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de
+concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk
+middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten
+God. Het theisme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een
+groote rol speelde, en door Rousseau gepoetiseerd en gepopulariseerd
+werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en
+samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den
+voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.
+
+Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen
+groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was
+zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch
+was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen
+over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken
+grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid
+was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren
+of op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, of in zwaardere
+afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en
+absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de
+grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de
+kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.
+
+In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de
+burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen
+(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen
+godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een
+of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar
+bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de
+abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke
+verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel
+der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist
+uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en
+onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk
+fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal,
+handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische
+theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo
+beriep het theisme zich op God, om steun te geven aan de sociale
+gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid
+van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk
+handelen zag het theisme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de
+eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheisten uit zijn idealen
+staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen
+met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij
+hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning
+voor het onderdrukken daarvan.
+
+Het mechanisch materialisme en het theisme vertegenwoordigen dus twee
+polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide
+wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is
+daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theisme voor te stellen als
+"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het
+punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende
+klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de
+strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was
+Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat
+rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de
+materialisten door de hunne "er bestaat geen god."
+
+Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van
+Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan
+een bijzonder karakter. De eerste was zijn geexalteerd individualisme,
+in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die
+hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek
+moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven,
+verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn
+Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid,
+de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle
+samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste
+expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den
+grens schijnt van het pantheisme, maar er toch nooit toe overgaat god
+te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke
+kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het
+menschenhart geschreven had.
+
+Maar het geexalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos
+zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen.
+In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm,
+bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier
+stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk
+wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen
+God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en
+maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan
+koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad;
+zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet
+de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden.
+Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend!
+Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet
+onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk
+af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over-
+machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste
+smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en
+hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het
+heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste
+hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op
+aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef
+hij aan een kennis uit Geneve, "ik geloof aan God, en God zou niet
+rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen
+ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den
+booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt
+de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen.
+Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven,
+alles wordt hersteld na den dood."
+
+Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het
+slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de
+laatste boeken van de "Nouvelle Heloise" en in de belijdenis van den
+"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het
+geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.
+
+De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het
+eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij
+vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van
+gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of
+slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den
+mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het
+lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche
+stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede
+begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god
+gelijk maakt"....
+
+"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve
+ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit
+gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam
+waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil
+is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word
+overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven
+wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn
+hartstochten."
+
+Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poetisch bijwerk en
+de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en
+geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid
+en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als
+middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit
+aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der
+maatschappelijke verplichtingen.
+
+Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische
+spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant
+heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk
+Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in
+innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons,
+die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken
+oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag
+de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle
+kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te
+onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door
+middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de
+grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat,
+zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven
+is, en wat wij met betrekking er toe zijn."
+
+Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle
+tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het
+werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen?
+
+Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en
+bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit
+tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun
+persoonlijken aanleg.
+
+Hun beider theisme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij
+de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling
+der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen,
+en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging,
+vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de
+mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het
+dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht,
+dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de
+verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij
+een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van
+eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen
+wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang
+bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de
+levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar
+der _arbeidende_ kleine burgerij.
+
+Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poetische
+natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten,
+maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren
+troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde
+er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41]
+der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het
+kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde
+waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en
+een poetischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en
+_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en
+de Jacobijnen aan een "Etre supreme," een opperste-abstraktie, samenvattend
+al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter
+welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reeele en materieele
+klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, poetisch-opgesmukte
+deisme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred
+de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks
+af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard."
+
+Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar
+geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van
+den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot
+godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie
+tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de
+volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en
+den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft
+gekozen."
+
+De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij
+meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan
+de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn
+tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de
+autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen
+versterken.
+
+ * * * * *
+
+In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours,"
+de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over
+politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen")
+heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen
+op den menschelijken staat behandeld.
+
+Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze
+geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke
+hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme.
+Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk
+van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social."
+Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den
+strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming
+en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen
+schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het
+maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het
+"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken.
+In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den
+eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het
+maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen
+ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle
+ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij
+daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving
+en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen
+staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die
+hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn
+vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen
+verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe
+levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit
+hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen,
+dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen
+maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt
+wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede
+"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel
+als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen
+te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover
+de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n.
+"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de
+oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te
+demonstreeren van het absolutisme.
+
+Van tweeerlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire
+denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat
+te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste
+vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en
+vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de
+voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke,
+boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch
+onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van
+een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken
+over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de
+onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste
+uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde
+in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met
+aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de
+burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu
+schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van
+Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit.
+In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste
+aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische,
+terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat
+tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt.
+Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair,
+gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den
+inhoud van het bewustzijn dat is.
+
+Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie
+verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening
+houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene
+revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden,
+voorzichtigen kleinburger.
+
+De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij
+geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het
+recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De
+noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar
+met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk
+kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke
+macht, noch de inwilliging van allen, om aan een te gehoorzamen. Geen
+enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder
+de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij
+zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot
+oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne
+leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in
+ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht
+van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne
+krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele
+en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal
+gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als
+_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet
+onderworpen.
+
+Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat
+zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden?
+Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil
+hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger
+heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene;
+maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke
+persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt
+met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil
+hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de
+wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om
+vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich
+onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet
+tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn
+eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar,
+de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen
+welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds
+het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.
+
+De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren
+en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de
+regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn
+dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk.
+Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd
+vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding
+van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk
+lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt.
+
+De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of
+demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de
+handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal
+zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie
+alle raderen in een hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil
+des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar
+vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van
+een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen
+welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig
+vorst.
+
+Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de
+beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een
+aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige
+zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden,
+het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen
+is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is
+dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest
+verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust.
+Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de
+aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste
+waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz.
+van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in
+den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties
+verkiezen.
+
+Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest
+verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den
+staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling
+der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering
+'t meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de
+middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken
+van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een
+slechte haar vermindering.[42]
+
+Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van
+den souverein, dat is van den volkswil.
+
+Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering
+die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot
+onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend
+vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde
+tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit
+te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk
+kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een
+stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein
+behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of
+het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er
+thans mee zijn belast.
+
+Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het
+verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan
+noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept
+zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een
+talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te
+geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.
+
+Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische
+redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der
+demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den
+soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen
+souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als
+zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau
+revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts
+voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn.
+Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas
+door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor
+deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders
+van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en
+denkbeelden schepten.
+
+De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der
+burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het
+overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen
+die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem
+bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige
+abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine
+boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der
+teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden
+patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om
+den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de
+instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een
+tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was
+de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen
+bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den
+landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was;
+industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen
+gering.
+
+Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking
+tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het
+"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten
+over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld
+welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het
+eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de
+afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten
+voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner
+geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer
+sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de
+politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat
+geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de
+plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende
+ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre a d'Alembert"
+verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij
+de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel
+ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een
+groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk
+de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in
+praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het
+"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden
+behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk
+met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet
+de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie,
+uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere
+bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het
+proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting.
+Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren
+tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de
+industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering
+door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de
+kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der
+overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze,
+zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van
+hinderlijken dwang.
+
+Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur
+voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid
+der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit
+alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der
+oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer
+10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die
+hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten
+kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den
+handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die
+op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn
+verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts
+onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne
+persoonlijke.
+
+Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het
+volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den
+hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee
+van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de
+werkelijkheid der republiek Geneve, in dat hoofd tot een idealen staat
+herschapen. Immers in Geneve bestond nog, hoe ook tot machteloosheid
+ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers:
+de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle
+burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.
+
+Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot
+verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid
+van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren.
+Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter
+uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich
+somtijds op een enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte
+zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te
+schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze
+uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden,
+echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het
+verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en
+wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte
+de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch
+inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de
+gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn
+geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom
+als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over
+de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het
+heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog
+belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der
+ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen
+het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere
+plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn
+voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het
+verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau
+meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen
+was voorafgegaan.
+
+Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het
+kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op
+uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate
+onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in
+het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken
+van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk,
+op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der
+vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de
+gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en
+de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat
+geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit
+armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom,
+die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het
+patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit.
+
+ * * * * *
+
+De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en
+affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de
+rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak
+van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot
+zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms
+wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid,
+zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen
+_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de
+eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk,
+wispelturig, nooit verzadigd; door de comedie de moeurs verpersoonlijkt
+in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus
+tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken,
+zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de
+omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik,
+ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet
+zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets
+levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles
+is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weee kost der voorbije
+tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze
+goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om
+teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten,
+vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo
+hoort het."[45]
+
+Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den
+minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk
+als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche
+gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste
+levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met
+den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking
+niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de
+provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot
+een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich
+aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.
+
+Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie,
+hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge
+driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal
+bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde
+is al scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin
+'t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar.
+In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen
+verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.
+
+De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste
+instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten
+met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar
+begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want
+dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar
+nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen.
+"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot
+van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen."
+
+Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel
+doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam.
+Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere
+elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar
+val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een
+theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het
+enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met
+de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma:
+"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke."
+
+Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo
+leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Heloise." Het
+boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere
+sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden.
+Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd,
+lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in
+zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit
+een stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de
+schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet
+omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle
+levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken!
+De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de
+staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de
+paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit
+gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan
+hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't
+hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene
+en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet
+meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de
+Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen,
+verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit
+elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen
+verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend
+haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van
+wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de
+menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden
+van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke
+ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van
+kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de
+geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij
+kunnen niet weerstaan.
+
+Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling voor het zoete genot van
+elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte
+moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de
+onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al
+berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij
+ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende
+blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de
+liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt
+de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de
+deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de
+menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt
+hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander
+wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen
+persoonlijkheid.
+
+Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige
+vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie
+gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der
+gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen
+van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.
+
+"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar
+het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden
+is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op een
+voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te
+maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor
+het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet
+langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij
+en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de
+zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een
+verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij
+verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis,
+zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam
+maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen
+haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten
+alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen."
+
+Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde
+met de schaamtelooze wellust van Marivaux!
+
+Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geergerd, waarmee
+Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze
+kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux
+beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere
+teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend
+gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het
+temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en
+schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig,
+door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.
+
+In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt
+van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte
+der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid
+prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de
+tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te
+verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of
+liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te
+los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding
+aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en
+valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne
+waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar
+grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke
+neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het
+teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en
+eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die
+natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed
+met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.
+
+De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt
+het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met
+elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar
+geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste
+in onze persoonlijkheid.
+
+Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alleen is heilig. Zoo de
+natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.
+
+De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te
+verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling,
+waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het
+recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander
+recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur,
+zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die
+Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Heloise" in beeld heeft
+gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken,
+de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos
+volgen zijner impulsies en aandriften, en den wil die te overwinnen, te
+leven volgens hooge zedelijke beginselen.
+
+Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen,
+koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede
+gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden
+acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar
+voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht
+gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar
+hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan
+haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als
+vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser
+en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de
+heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een
+nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een
+uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar
+nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben,
+dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste
+plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat
+volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen
+der rede die uw gave in mij is."
+
+Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij
+zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de
+betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende
+verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling
+te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is
+tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid,
+bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter
+en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere
+affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en
+rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te
+zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen,
+zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te
+voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen
+haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed
+nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.
+
+In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de
+voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin
+(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve
+voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij
+heeft niet slechts een ideeele roeping als echtgenoote en moeder; zij
+staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en
+van een talrijk personeel.
+
+Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is
+het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende,
+allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des
+levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om
+zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt
+geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij
+'t wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur
+hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef
+stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt
+Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt
+gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en
+liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar
+laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.
+
+Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Heloise" het recht der
+persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk;
+hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als
+jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde,
+ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan.
+Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een
+zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes
+bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een
+passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het
+tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of
+een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als
+een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige
+erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het
+denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche
+steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan
+vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe
+opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!
+
+"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een
+schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als
+de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo
+de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was
+zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar
+aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te
+weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar
+wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In
+waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te
+huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid,
+vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief,
+des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan
+zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van
+trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik
+zachte en sociale zeden."[48]
+
+Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere
+klassen geen sprake. De man had of een betrekking aan het hof, dan
+verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie;
+of hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te
+velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar
+minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield
+'t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en
+lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte
+platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die
+wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling:
+daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener
+clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht
+voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de
+provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op
+het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie
+voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener
+boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun
+mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging
+Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in.
+
+Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn
+huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte
+werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De
+jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten
+eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich
+zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling,
+in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in
+eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld
+door eerzuchtige of halfgeruineerde ouders, en zoo zij niet in alle
+vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan
+voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid.
+Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en
+moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging
+beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.
+
+Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven
+overgoot Rousseau met den toover der poezie. Hij maakte het ingetogen,
+huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk,
+en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat.
+Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te
+stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de
+vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische
+kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo
+ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van
+kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in
+de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In geen andere
+verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en
+geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen,
+zoovelen tot zegen zijn.
+
+Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor
+Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk
+te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de
+school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de
+rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht
+om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit
+compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man
+dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij
+hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden
+rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd?
+Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken?
+En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan
+dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke
+veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet
+het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven
+voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen
+voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze?
+
+Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde
+en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen.
+Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet
+eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk
+gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en
+bezonnenheid. Neen, maar liefde en plicht in een eenheid vereenigd, de
+gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs
+verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene
+genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit
+alleen erkennen wij als het ideaal.
+
+Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der
+"Nouvelle Heloise." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast
+vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons
+zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.
+
+In de "Nouvelle Heloise" zien wij de vrouw optreden als de genoote van
+den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige
+opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen
+wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.
+
+Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de
+bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale
+bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich
+die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen
+arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld
+ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en
+het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin
+door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het
+ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half
+patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap:
+in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar
+lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst
+van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.
+
+In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich
+aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in
+zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan
+het geestelijk leven van hun tijd.
+
+Zij liepen college, schilderden, schreven romans, memoires en tragedies,
+deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle
+waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing,
+vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit
+soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat
+"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en
+mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen
+een soort van monster.
+
+De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om
+de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze
+geemancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet
+veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar
+slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover
+dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar een ding moest
+haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te
+verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw
+is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te
+dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit
+onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te
+verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.
+
+Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als
+slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw,
+maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol
+is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn
+liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer
+van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de
+heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van
+waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te
+onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.
+
+Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de
+salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De
+natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest
+daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar
+geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te
+leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der
+oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der
+woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het
+openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch
+leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren,
+en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten
+door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen
+verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het
+elkander lichtzinnig naaepen, zooals de ijdele kwasten en de malle
+salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het
+mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in
+geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.
+
+Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming
+van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande
+ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij
+niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten
+moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke
+mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit
+weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin
+de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken
+en liefhebben zal.
+
+Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en
+onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn
+kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag
+mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide
+eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij.
+Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om
+haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en
+in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En
+hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden
+zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het
+karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw
+van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in
+den dienst der gemeenschap.
+
+ * * * * *
+
+Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk
+vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede
+patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden
+over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner
+voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fenelon, van Rollin en Fleuri;
+maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het
+menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires,
+dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk
+verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal
+meer poetisch en meer philosophisch en algemeener, minder
+nationaal-beperkt.
+
+Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone
+opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in.
+Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt
+om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven
+der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle
+doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche
+manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst
+verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen.
+Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en
+vrouwen, geen menschen.
+
+Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming,
+moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden.
+Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier-
+hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en
+volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt,
+des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de
+hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders
+nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden
+toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes.
+Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de
+jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare
+waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het
+morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen,
+want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet.
+
+Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke
+opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij
+zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met
+zijn diepe, verdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in
+dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen.
+Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen
+wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie
+vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des
+kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een
+moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die
+het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg;
+die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn
+bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn
+spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids-
+vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't
+niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door
+de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen
+vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind
+niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door
+lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou,
+honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot
+zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een
+jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk
+niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd
+wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen
+abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid
+van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse
+zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen
+spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later
+veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze
+ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de
+werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij
+te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond."
+
+Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen
+vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn
+denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties.
+Zoo alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de
+oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit
+noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving
+bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de
+menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar
+het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van
+het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch
+hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening
+van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en
+zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid
+van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot
+een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.
+
+Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch
+opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder
+mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de
+genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door
+een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der
+oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel
+in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers
+voort, maar slechts bourgeois.
+
+Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en
+het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt
+niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig
+als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem
+waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste
+trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn
+individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder
+den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der
+opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en
+plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken
+van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen
+van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel
+zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de
+individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar
+waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v.
+Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan of
+"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke
+parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) of buiten-
+maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de
+levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in
+het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed
+hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn
+revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse-
+opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed
+tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving,
+die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen
+kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal
+waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen
+verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen.
+In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de
+overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond
+zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.
+
+Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel
+voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen.
+Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken
+doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid,
+zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de
+eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men
+geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk,
+neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw
+middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht
+dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te
+leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en
+rechtvaardig leven hebben geleid."
+
+Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling
+gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem
+voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van
+kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen.
+En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zoo sterk
+is, dat hij den meester dwingen kan hem voor een arbeidsdag een loon uit
+te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld
+zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder
+grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.
+
+Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding,
+wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen
+gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend
+geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de
+grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen.
+Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als
+knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.
+
+Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de
+zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk
+brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij
+niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar
+en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer
+weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke
+nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij
+uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er
+was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in
+zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.
+
+Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve
+betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke
+noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche
+wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve
+heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen
+lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen,
+wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De
+levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging,
+het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur
+verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze
+krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet
+kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is
+verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht,
+zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en
+te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis
+voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de
+eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft
+waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat
+zoo in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zoo los van alle
+wereldsche banden, zoo onverschillig voor stand, fortuin, eer en
+aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de
+wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De
+mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom
+moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er
+geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij
+verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en
+verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile,"
+in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke
+gemeenschap toch weer op.
+
+Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het
+leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels
+die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht,
+winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen,
+tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.
+
+Hoe wordt nu dit doel bereikt?
+
+Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de
+veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind.
+Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen
+leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende
+behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar
+behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het
+dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige
+leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is
+het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder
+teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol
+vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van
+elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het
+eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen
+te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen
+straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen
+daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.
+
+Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de
+utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan
+dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk
+eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat
+het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert
+Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen
+ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het
+tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der
+natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis
+der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om
+mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde:
+dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden.
+Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch
+mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal-
+mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de
+modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook
+een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken.
+
+Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw
+beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft
+het kind in zijn naive zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de
+opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen
+altruistische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken
+beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in
+den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de
+zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruistische en
+sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die
+op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van
+liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren
+te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen
+van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle
+schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt
+Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel
+onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de
+zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de
+wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in
+de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig
+Schepper, dien hij zegent en aanbidt.
+
+De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt
+zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide
+kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een
+uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze
+vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der
+werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van
+zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de
+ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale
+leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk
+van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling
+van het individu, de egoiste en egocentrische aandriften de primaire,
+aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich
+eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.
+
+Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten
+dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in
+en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd
+heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind
+gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der
+sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit
+zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog
+op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn
+redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der
+sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift
+voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering
+voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen
+gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken,
+de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk
+bewustzijn in hooge mate beinvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende
+jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op
+de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel
+mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel
+komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst
+der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot
+voorwerp heeft.
+
+Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor
+de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme.
+Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van
+zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat
+bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang.
+En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend
+willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en
+diens redelijk egoisme.
+
+De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l.
+Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle
+denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder
+ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar
+hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het
+groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te
+vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe
+de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.
+
+ * * * * *
+
+Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind
+gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de
+zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele
+verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het
+gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was
+een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een
+weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger
+dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd,
+ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven
+--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek
+als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot
+zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen,
+zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht
+van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en
+teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven,
+zich een van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze
+gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als
+hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen
+heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd
+meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor
+zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en
+woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en
+tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend
+innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het
+verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin
+keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare
+bewoners terug.
+
+In de "Nouvelle Heloise," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten
+gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van
+zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde
+bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het
+affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld.
+Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte
+gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van
+vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen
+geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scene waarin
+Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift
+barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om
+vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie
+aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond
+van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet:
+tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de
+onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht
+hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke
+teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost;
+--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die
+vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige
+andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet
+van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle
+Heloise" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke
+affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven;
+hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen
+flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die
+omschaduwde sfeer.
+
+De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het
+eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht
+is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het
+tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In
+dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen;
+de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met
+zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het
+mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn
+eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal,
+regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een
+verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid,
+soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en
+hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen
+plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd
+niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden,
+de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid
+te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten,
+over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het,
+die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar
+en principieel formuleerde.
+
+In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken,
+niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de
+aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren
+glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar
+hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd
+uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen.
+Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt
+zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart
+volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die
+te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en
+zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane
+gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle
+Heloise."
+
+Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Heloise" ook verhoudingen uit het
+gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende
+menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het
+vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale
+verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel
+van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet
+aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de
+grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen
+zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen
+tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets
+van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor
+eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding
+tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen
+hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen
+en weer.
+
+Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde
+Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke
+waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel.
+Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den
+burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting
+deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en
+de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij
+afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeische afkomst
+gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij
+verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeen over de
+nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen
+lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de
+revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon
+der burgerlijke vrijheid.
+
+De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker
+van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om
+klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat
+in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil.
+Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van
+tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in
+dit eene: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke
+kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder
+zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot
+het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat
+dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is
+niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet
+geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos
+zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht,
+daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was
+nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In
+zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin
+de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en
+luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het
+tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner
+meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen,
+was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit
+den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk,
+omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen
+andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk
+bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste
+poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe
+vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens
+langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen
+toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning
+zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid
+waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling,
+omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou
+raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en
+proletariaat.
+
+Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner
+kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute
+vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk
+hij de tyrannen haatte.
+
+ * * * * *
+
+Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw
+wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen
+oproepen voor onzen geest.
+
+De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen;
+een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een
+kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont
+de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert
+zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch
+zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de
+ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop
+van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst-
+mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen,
+de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld
+die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke
+is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede.
+
+In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering.
+De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door
+alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden
+rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie,
+geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De
+burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen
+tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid
+in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen
+zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en
+proletariers, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen
+nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der
+menschheid en het bestieren van het gemeenebest.
+
+De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of
+overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk
+leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer
+menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen
+arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den
+schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren
+zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen
+zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege
+ceremonien; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en
+dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft
+gegrift.
+
+Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere
+plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen
+jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en
+zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven
+die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis
+glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den
+rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw.
+Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in
+wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.
+
+Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen
+arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood,
+door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt
+van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden,
+als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot
+geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot
+feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers
+in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen
+bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije
+mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid
+hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en
+vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk
+feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is
+der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te
+herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel
+van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen.
+
+Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.
+
+Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het
+kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu
+leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller
+menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische
+samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij-
+krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij
+zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in
+verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn
+hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die
+stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer
+die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze
+harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid
+waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons
+vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons
+nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede
+en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde,
+het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een
+glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land
+zijner verloren kindsheid.
+
+Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme,
+maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke
+ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing
+van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan
+die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid
+die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den
+stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven
+bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en
+de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche
+bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de
+encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend
+kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke
+verachtten en verwierpen.
+
+Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven.
+Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat
+voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het
+huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn
+organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister,
+vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den
+mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en
+breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in
+vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort
+roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van
+terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote
+droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven
+der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte,
+die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de
+groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich een
+te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het
+aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn
+lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem
+van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de
+weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem
+zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een
+vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke
+ondoorgrondelijkheid.
+
+
+[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie
+Jenvernay 1801).]
+
+
+NOTEN:
+
+[30] Haar meest bekende werk zijn de "Memoires de Madame d'Epinay," die
+langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van
+Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald
+(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat
+deze z.g. memoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een
+lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot,
+dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven
+van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de
+Rousseau," blz. 188-189).
+
+[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de
+liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den
+"Tristan" maakte.
+
+[32] Mme d'Epinay beschuldigt Therese van 't schrijven van een anonymen
+brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk
+is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna
+voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de
+gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert
+behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St.
+Lambert _moesten_ bereiken.
+
+[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen:
+hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had
+gebracht.
+
+[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire
+Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst;
+en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is.
+
+[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan
+zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den
+"franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare.
+Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot,
+zoozeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van
+diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote
+overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en
+der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale
+faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de
+traditie.
+
+[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.
+
+[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de
+vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.
+
+[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis
+en de eeuw der omwentelingen."
+
+[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der
+Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire
+uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme."
+
+[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool,
+die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de
+_passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke
+en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in
+het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen.
+Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht
+in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk
+dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot
+revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.
+
+[41] Gorter.
+
+[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de
+plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.
+
+[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een
+poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.
+
+[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel
+ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die
+terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de
+grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn
+mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo
+ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem
+zelf aan niemand behoort"
+
+[45] "La Reunion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de
+Goncourt, "La femme au 18ieme siecle."
+
+[46] "La femme au 18ieme Siecle," blz. 173.
+
+[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.
+
+[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ieme
+Siecle," blz. 239.
+
+[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers
+te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het
+regeerstelsel van Polen.
+
+[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de
+inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.
+
+[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de
+groot-kapitalistische maatschappij.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK
+
+DE LAATSTE WORSTELING.
+
+
+Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede
+aankomst te melden; ook aan Conti en Therese schreef hij. Hij liet haar
+geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge
+doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want
+hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken
+nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder
+verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit
+land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee
+niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn
+afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo
+zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat
+ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge
+liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en
+ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te
+bezorgen."
+
+Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van
+Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Therese af
+wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in
+Montmorency achter te blijven.
+
+Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de
+regeering van Geneve den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar
+had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich
+binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen
+volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich
+bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den
+"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten
+tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de
+kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen
+voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat
+hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam
+liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De
+aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een
+herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus
+vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er
+uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde
+den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek
+had gedaan. Het "Contrat Social" werd alleen in Geneve verboden: de
+akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo
+spoedig doorzag.
+
+Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou
+veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit
+genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme
+Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver
+van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom
+Neuchatel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en
+geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar
+aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit
+Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Therese zich bij
+hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.
+
+Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den
+Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten
+van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur
+gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de
+steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging
+van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel
+kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal,
+ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen.
+Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in
+Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom
+liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de
+gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware,
+massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder een dak--met
+weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een
+onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan
+ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.
+
+Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk
+zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen
+huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat
+opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt,
+de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer,
+voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen
+avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te
+moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit
+onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den
+lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend
+vergeefs naar een groet der zon.
+
+Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral
+leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar
+toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle
+oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap
+boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat
+en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag
+naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de
+bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in
+de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij
+dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen
+zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn
+handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn
+kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook
+zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten
+schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en
+ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die
+tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen
+waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij
+doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers
+vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten;
+het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden
+zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen,
+de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van
+uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend
+uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in
+de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal
+stroomde: de forellenrijke Reuss.
+
+Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest;
+heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren,
+geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename
+gewaarwording alleen hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke
+natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te
+vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en
+dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn
+aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort
+leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf
+jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat
+gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had
+ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken
+gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling
+die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het
+heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon
+was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel
+de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn
+eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen
+en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en
+wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een
+te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en
+allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en
+te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste
+zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts
+door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er
+was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar
+hij had meer noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn
+eenzaamheid mee te vullen.
+
+Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van
+planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen
+tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij
+als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap
+stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde,
+vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken
+zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een
+zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige,
+heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende
+zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de
+schuld der menschen en door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot
+hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en
+buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen
+lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de
+eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in
+hem nog warme belangstelling wekte.
+
+Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen
+heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in
+zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der
+nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men
+interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of
+vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig
+voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die
+in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar
+om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij
+eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was
+hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede
+overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie
+was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus,
+die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd
+verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de
+plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te
+populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat
+natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen
+door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk
+hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde
+de leeken aan tot het aanleggen van herbarien, van gekleurde teekeningen
+voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.
+
+Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen
+der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de poezie der bergen, was ook
+een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door
+waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen,
+die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van
+specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker
+geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.
+
+ * * * * *
+
+Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof
+te vragen in het vorstendom Neuchatel te wonen; ook wendde hij zich tot
+den gouverneur van Neuchatel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland
+doorgaans bij zijn titel Milord Marechal genoemd, en riep diens
+bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel
+mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden.
+Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen
+zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel
+begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling
+was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te
+leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie
+eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver
+te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet
+rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij
+vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en
+in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copieeren of
+planten-verzamelen was.
+
+Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in
+zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchatel, te komen
+bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman
+en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot
+elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef
+Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar
+onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid,
+menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen
+als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet
+van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van
+Neuchatel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door
+de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor
+heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij
+hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme,
+teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest
+harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld;
+zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel.
+Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen;
+tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord
+Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Therese aanbood, zei
+hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn
+genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door
+waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij
+zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de
+brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen
+vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau
+meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer
+schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden
+zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost
+nu ook ontnemen?"
+
+Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van
+Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroische
+eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn
+zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers,
+met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend
+correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van
+Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean
+Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij
+is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer
+dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men
+van hem houdt en achting voor hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den
+vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar
+de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers
+bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij
+plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine
+republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij
+tweeen en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd
+philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen
+vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar
+draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean
+Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven
+met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst
+met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St.
+Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar
+half meer aan en Milord Marechal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van
+luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in
+Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van
+onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord
+Marechal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchatel 't
+jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar
+Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem
+nooit teruggezien.
+
+In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't
+algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel,
+van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde.
+Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes
+en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als
+zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een
+schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens
+wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had
+veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos
+lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou
+bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep
+Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.
+
+Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij
+nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't
+geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de
+ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend
+in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen
+mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging
+gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de
+vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke
+boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur
+zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was
+zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan
+hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische
+dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't
+oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de
+algemeen-geeerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met
+den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld
+de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten
+te worden, en had domine dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch
+onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren
+steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen
+strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder
+de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten
+verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats
+rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige
+fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken.
+
+Met de toelating tot het avondmaal zat het zoo. Het verzoek van Rousseau
+bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg
+weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen
+der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan,
+welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot
+lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis
+van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het
+protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig
+geval voor domine Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem
+had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen
+in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven,
+niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten,
+want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor
+nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te
+hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den
+predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het
+toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Marechal had
+uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan
+zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting;
+als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom
+beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte,
+dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de
+"Lettre a monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne."
+(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen
+tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had
+gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het
+begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een
+en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der
+"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich
+zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen"
+de protestantsche wereld in rep en roer bracht.
+
+Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem
+aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar
+de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen
+tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag
+natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding
+gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niet vroegtijdig den
+plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het
+leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de
+aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van
+onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om
+door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten
+getroffen te worden.
+
+Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol
+innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig-
+verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken
+van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek
+tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk,
+schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te
+vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen
+werd te erkennen "ik herken den burger van Geneve niet meer," maar het
+werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door
+hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het
+geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij
+Voltaire volkomen ontbrak.
+
+Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont"
+weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn
+gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen
+der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In
+dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op
+bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te
+zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij
+in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan
+Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen
+godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding
+van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke
+godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de
+essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid
+der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den
+godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den
+mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering,
+komen geheel overeen met de ideeen van andere revolutionair-burgerlijke
+denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken
+hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie,
+boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de
+voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle
+verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van
+den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige
+denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag
+der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het
+bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder
+volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren.
+Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn
+droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.
+
+Op zijn veroordeeling door den Raad van Geneve had Rousseau langen tijd
+gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering
+zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang
+wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit.
+Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de
+overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een
+jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund
+zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn,
+zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht
+en wijsheid, in een woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog
+meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat
+hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door
+de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk
+naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den
+Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Geneve, van zijn
+burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.
+
+De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats
+gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop
+was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het
+requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de
+veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter
+verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven
+te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich
+te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciers-kaste
+die in de "vrije republiek" Geneve regeerde, bleek even beducht voor de
+vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse
+van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek
+zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te
+hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.
+
+De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer
+gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen
+uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte
+grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de
+machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de
+strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot
+een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke
+machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de
+lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te
+richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering
+behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad
+zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor
+kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit negatif,"
+dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie
+vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter
+zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst
+met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en
+naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der
+regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt
+voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder
+vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der
+burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van
+vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau
+zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn
+naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen
+schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden.
+Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede
+middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in
+de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beinvloed waren
+door de nieuwe ideeen van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale
+protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het
+behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en
+grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de
+aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.
+
+Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten
+onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij
+zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Geneve komen en den
+loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als
+martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de
+spits der burgers stellen zou.
+
+Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om
+zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen
+van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens
+zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid,
+maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten
+koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk
+samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde
+tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken.
+Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed
+gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem
+tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.
+
+Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen
+waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de
+procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in
+den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne"
+(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar
+uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de
+protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Geneve opleverden; en
+trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de
+Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het
+geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar een
+man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de
+kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren.
+Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij
+zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten
+Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe
+bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde
+van het meer van Geneve, in den zomer van 1764 de democratische leiders
+om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig
+voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds
+in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand
+onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen)
+op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard
+gebleven.
+
+De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau,
+en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen
+regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't
+algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een
+bepaalde regeering: de aristokratische van Geneve. Twee van deze brieven
+zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de
+"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert
+daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de
+onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet
+voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Geneve
+ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch
+onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een
+beschouwing over den toestand der republiek Geneve en der brandende
+politieke kwestie: het "droit negatif." Deze beschouwing gaf Rousseau
+gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze,
+waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te
+veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten
+ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.
+
+De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Geneve in
+lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware
+protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van
+door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte
+beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel
+dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke
+vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk
+verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude
+geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne
+rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner
+erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije
+interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen,
+om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen
+twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen
+vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van
+het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de
+uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest
+natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de
+kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk
+leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke
+ketterij.
+
+Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke
+machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van
+despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige
+wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag.
+Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef
+hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur
+ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen,
+eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles
+komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het
+volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen
+handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel
+hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden
+tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen,
+vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen
+'t hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en
+zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede
+laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen
+voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van
+den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het
+gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin,
+in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen
+over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun
+groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de
+overheid geeerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en
+vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek,
+het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is.
+Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid,
+de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die
+zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede
+laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en
+tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te
+strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen
+zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de
+beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate
+heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen,
+noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult
+satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak
+bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten
+voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering
+dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid
+en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft
+er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er
+mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige
+mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik
+geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen."
+
+Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots,
+de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en
+onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had
+hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van
+het reeele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op
+bepaalde gemeenschappelijke daden....
+
+Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij
+hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van
+zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten
+Geneve: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten-
+bent keerden zich als een man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te
+zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in
+den Haag en in Geneve in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste
+aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou,
+de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik
+wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen"
+lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed
+zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult
+uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten
+zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbe de
+Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden
+in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische
+zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen,
+liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en
+beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per
+slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus,
+die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"),
+dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk
+van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo
+ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.
+
+Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn
+vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die
+algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende
+tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij
+in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet
+abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reeel en
+konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de
+grooten hem een gevaarlijk dier.
+
+Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd
+schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die
+kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem
+laaghartig, verraderlijk te bespringen.
+
+Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en
+officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen
+bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat
+natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau
+overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten
+hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht
+zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer
+aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn:
+Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te
+zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een
+grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van
+den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph
+van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch:
+Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd
+jegens zijn groote mededinger.
+
+Door de verschijning van de "Nouvelle Heloise" en den "Emile" was
+Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke
+kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de
+onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk-
+revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar
+macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van
+absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van
+hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden.
+Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen
+zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke
+aangelegenheden.
+
+Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets
+anders en meer dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en
+eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had
+raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle
+sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van
+den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende
+zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en
+bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van
+velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland
+bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze
+eigen dagen Tolstoi internationaal ingenomen heeft.
+
+Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau
+omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver.
+Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van
+armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle
+anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en
+wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn
+leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in
+een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de
+vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't
+schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En
+sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg
+hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn
+vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den
+martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en
+jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden,
+maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar
+Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige.
+
+Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als
+hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen
+en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was
+een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der
+briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor
+zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder
+gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds
+met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de
+onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere
+wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in
+persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog
+ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en
+overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een
+jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed,
+om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht
+bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting
+van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw
+breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in
+zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel
+mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het
+opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden:
+hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de
+opvoeding zich moest bewegen, niet meer.
+
+Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van
+den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een
+bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets
+verschrikte hem zoo zeer als de geexalteerde geestdriftigheid die
+onbekookt zijn ideeen in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie
+veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze
+houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme
+van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor
+het onherroepelijke van de daad.
+
+Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de
+zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij
+tweeen en drieen, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen
+en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de
+ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden,
+bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een
+enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling;
+--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar
+het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden
+zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten
+'s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.
+
+Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau
+Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op
+hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken,
+door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met
+alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met
+zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en
+wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de
+Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten
+die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is
+het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment
+des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in
+het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee
+uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver
+bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn
+uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis-
+reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige
+meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van
+een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een
+medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke
+gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt....
+Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in
+beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest....
+Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in
+Geneve een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie
+omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom
+wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen
+dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij
+gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken,
+kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te
+behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend
+schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den
+doodstraf_."
+
+Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden;
+Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener
+meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige
+vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en
+platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau,
+ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam,
+geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile
+verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiing en laffe ophitserij
+kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee
+hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te
+brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.
+
+Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of
+zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van
+Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig
+zou zijn aan den dood van de moeder van Therese (een verre uitlooper der
+oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in
+zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist
+geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't
+bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Therese, waren
+natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke
+eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard
+voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige
+dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het
+wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid,
+zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster
+samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van
+vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van
+het jaar '65 al erger; Therese, die door de vrouwen aanvankelijk
+vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en
+nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den
+vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen,
+bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn
+botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te
+schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men
+schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers
+bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der
+bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan
+David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.
+
+Natuurlijk was niet alleen het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de
+vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg
+hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen"
+kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf.
+De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van
+Neuchatel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun
+schrijver te vervolgen en gelastte den domine van Motiers, om Rousseau
+voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten.
+Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn
+gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beinvloeden,
+probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten
+einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal
+weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een
+uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen.
+Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in
+het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden:
+alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet
+wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of
+buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van
+Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige
+klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren,
+als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen
+het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap
+hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop
+hebben.
+
+Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren.
+Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar
+door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij
+voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven
+aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd
+was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de
+ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de
+zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van
+Neuchatel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der
+predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom
+verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de
+jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven
+uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen
+de domine's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest
+aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst,
+om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten."
+
+Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het
+despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige
+demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde;
+het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard geen recht te
+zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat
+die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn
+onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere
+onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in
+konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing,
+zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl
+onvermijdelijk en niet zonder schuld.
+
+Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem
+hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn
+gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en
+al wankelheid.
+
+Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Geneve verontrustte en
+benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan
+met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar
+vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetie de wijk te nemen,
+"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in
+Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij
+dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars
+hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen.
+Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken;
+"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms
+gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk
+leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van
+mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij,
+en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die
+knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op,
+de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij
+zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met
+vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal
+ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit
+punt staat voor mij boven alle bedenking vast."
+
+Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel
+van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet eenen weg
+klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten
+slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te
+blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich
+dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen
+kon hij niet.
+
+Montmollin, van uit Geneve opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en
+beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het
+heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde
+in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du
+Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei
+persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en
+roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel,
+dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de
+gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke
+toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op
+'t kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis
+'s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der
+galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden
+posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.
+
+Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de domine's
+hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede,
+dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke
+plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan.
+
+Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie
+jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich
+van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne,
+dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er
+eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige
+vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe
+van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders
+meer.
+
+Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild
+als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor
+de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de
+makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven
+als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer
+uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van
+de haat des volks.
+
+Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in
+alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alleen onder de ongeloovigen,
+nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid
+boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor
+een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad
+verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die
+van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als
+wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en
+die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad
+die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als
+voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de
+vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de
+teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan
+hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten
+aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit
+hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde?
+Hij voelde verder leven als doelloos.
+
+Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur
+en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen
+en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee
+meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Reveries." Maar zijn
+moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeen,
+die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't
+uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt,
+hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in
+droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede
+gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten,
+tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle
+windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop,
+zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang
+op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende
+melancholie.
+
+ * * * * *
+
+Maar eerst nog die zachte straal voor de jaren van duisternis, van
+waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het
+liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het
+water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken,
+kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken
+gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den
+oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde
+bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van
+witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het
+rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van
+de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol
+vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid,
+streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen
+en ziel.
+
+Er staat een huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan
+den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-
+populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever.
+De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau
+er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden
+overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige
+vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvree
+der wereld; zijn boeken en papieren, die Therese had meegebracht, liet
+hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch
+en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de
+bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al
+opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich
+urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt,
+gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide
+langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den
+rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in
+den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging
+hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot
+de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van
+het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het
+gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of
+hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem
+dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk
+genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de
+oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te
+bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij,
+God-gelijk, genoeg aan zich zelve.
+
+Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot
+gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.
+
+Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre
+stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo
+ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist.
+Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat
+vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar
+wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets
+gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in
+die bloemige, ruischende eenzaamheid!
+
+Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het
+grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een
+edel, doodelijk-gewond hert.
+
+Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar
+Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij
+voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn
+aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde
+beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en
+befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger"
+plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de
+Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou
+gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord
+Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij
+besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al
+herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou
+vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk
+door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef
+er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het
+stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl
+bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's
+morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen;
+hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij.
+Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de
+reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde
+reisgenoot, over Calais naar Londen.
+
+
+NOOT:
+
+[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand
+die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik
+wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer
+weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is
+beter dat ik zwijg."
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK
+
+WAAN EN VREDE.
+
+
+Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met
+Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke
+klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken
+op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor
+Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen
+vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun
+politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun
+strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar
+die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn
+zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook
+de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu
+en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de
+elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg
+om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun
+eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle
+manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in
+menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide
+kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te
+krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de
+gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen.
+Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande
+lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht
+zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de
+publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen
+andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd
+Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in
+Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben:
+na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen.
+Dit maakte dat hij zoo goed als geheel geisoleerd was, machteloos tot
+eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de
+omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest
+hem een gevoel geven van groote verlatenheid.
+
+Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is
+onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen
+zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste
+wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich
+vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt
+voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan
+monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te
+kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel
+in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.
+
+Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van
+Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar
+feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de
+buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou
+waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en
+bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht
+van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van
+de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt,
+dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar
+genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren
+ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het
+phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den
+prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume
+van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in
+zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd
+de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen"
+die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde:
+toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige
+gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig
+antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt,
+herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje."
+De sceptische Schot vond zoo'n scene waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.
+
+Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende
+omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen
+tegen Hume moesten opwekken.
+
+Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de
+rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De
+koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en
+besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er
+in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit
+aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te
+breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de
+vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht
+en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te
+vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te
+worden."
+
+Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke
+grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was
+voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent
+de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa
+vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den
+opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van
+spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en
+het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd
+zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen
+met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld.
+Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig
+mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd
+geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de
+nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij
+hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge
+mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de
+hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis:
+dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan
+de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op
+zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich
+voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn
+rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.
+
+Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als
+zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere
+vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay,
+natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het
+toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die en als geneesheer van Mme
+d'Epinay en Voltaire en als broer van den procureur-generaal, den
+schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht
+moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij
+zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat
+Hume met zijn vijanden heulde.
+
+Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op
+grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt
+van Londen; daar voegde Therese, die onder de hoede van den engelschen
+letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem.
+Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten
+zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen;
+na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr.
+Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het
+oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking
+stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin
+kwam er maar enkele weken in het jaar.
+
+In Maart betrokken Rousseau en Therese hun nieuw verblijf. Het buiten
+lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis
+was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en
+maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en
+bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij
+genoot van het engelsche landschap: een groot park, en van den aanleg
+der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Notre-stijl van tuin-aanleg
+niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur
+meer ongerept liet.
+
+Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag
+alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.
+
+Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde,
+hadden Rousseau en Therese met niemand verkeer als met den domine van
+het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een
+enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de
+buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en
+beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude,
+wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin
+van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen;
+zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige
+streek.
+
+Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden
+daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het
+voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren,
+eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde:
+waanzin omnachtte zijn gemoed.
+
+De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de
+goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Therese een onmogelijk
+paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Therese slecht met ze
+overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend
+geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van
+vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken,
+was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve
+lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook
+niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Therese en de
+dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar
+eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de
+toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is
+begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar
+een wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54]
+
+Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar
+strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch
+vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet,
+wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau
+was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de
+onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze
+bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in
+een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer
+geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke
+inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende
+behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden
+aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den
+tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn
+verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn
+evenwicht al meer te verstoren.
+
+En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en
+een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn
+eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke
+handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband
+met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een
+onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die
+zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers,
+na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe
+spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den
+beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een
+muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich
+zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume
+bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was
+een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in
+Engeland tegen hem op.
+
+Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te
+worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der
+Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en
+wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem
+ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau
+wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij
+niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands-
+verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug
+te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te
+onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de
+buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen.
+Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere
+explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn
+eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich
+voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat
+hij er over kon zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had
+hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of
+langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan
+Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Marechal, aan Guy, zijn
+hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend
+met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar
+schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te
+snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak
+van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem
+verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen,
+aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een
+jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had
+laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber,
+terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn;
+hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had
+hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn
+macht); hoe Hume op hem en Therese "lange, doordringende blikken" placht
+te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven
+langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden
+dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd,
+dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend
+werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die
+slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde
+op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door
+A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had
+herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau
+weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een
+formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij
+onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet
+aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau
+was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn
+Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische
+coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om
+aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte
+den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den
+titel "Expose succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt
+overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen:
+van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren voor, de
+meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak:
+"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster
+van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de
+Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien,
+dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf
+natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet
+meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te
+kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist
+met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig
+gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had,
+en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te
+verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Memoires,
+gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar
+wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde
+hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in
+zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar
+aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het
+halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen
+had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn
+wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk
+zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers,
+die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de
+gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord:
+"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig
+dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een
+bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer
+genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne
+beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen
+anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de
+vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij
+evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar
+troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen
+vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend."
+
+In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht
+er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn
+vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen
+onderscheppen, misschien dreef Therese hem tot dit besluit, om toch maar
+uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de
+dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk
+ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr.
+Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de
+eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei
+verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en
+betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies.
+Therese vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij
+vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding,
+in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos
+ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand
+hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar
+Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen
+zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust
+dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen
+wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij
+was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch
+bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek
+hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet
+verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield
+hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met
+Therese in naar Calais.
+
+Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende
+later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.
+
+In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk
+brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den
+beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een
+bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem
+den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van
+Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der
+talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel
+Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging
+in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den
+marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetie te vestigen,
+hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze
+kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van
+Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij
+Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige
+persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte
+hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat
+hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende
+bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote
+belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te
+hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van
+den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen
+Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht
+bij Parijs.
+
+De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren
+voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de
+prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch
+hij zelf, noch Therese waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd
+door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die
+van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in
+Therese iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden
+aan te nemen.
+
+Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven
+zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef
+hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de
+buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo
+onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de
+moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld,
+hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme
+de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had
+afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat
+hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de
+bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren
+en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen
+opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De
+eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij
+sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en
+een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht
+op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen
+maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn
+vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij
+gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de
+boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke
+schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam.
+Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht
+hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer
+men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken
+schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du
+Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken,
+schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig
+heeft, mijn lichaam of mijn geest."
+
+Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra
+het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen.
+Zijn geestverwanten uit Geneve--waar de inwendige beroeringen
+voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te
+hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad
+in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de
+inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren
+gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat
+zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een
+schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate
+van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het
+standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering,
+als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad.
+
+Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo
+had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze
+had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te
+kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij
+hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht
+vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van
+dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te
+verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem
+gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek
+nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van
+Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem
+weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou
+terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen
+ditmaal, Therese bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen
+was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de
+macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambery. In Lyon
+bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had
+aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken
+hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan
+hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets
+anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich
+zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij
+botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in
+Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en
+als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der
+natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die
+een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze
+wetenschap bevatten.
+
+Hij zag te Chambery zijn ouden vriend Conzie terug en bezocht er het
+graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble
+een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde
+hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude
+galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine
+geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau
+bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte
+complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek
+bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van
+dien Thevenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet
+tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden
+aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een
+der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in
+zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo
+overtuigd op weg naar Chambery opgelicht en vermoord te worden, dat hij
+aan Therese een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na
+zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en
+weer te hebben getrokken in de Dauphine, nam hij in Bourgoin, een stadje
+tusschen Lyon en Chambery, zijn intrek ineen herberg en bleef daar
+zoowat een jaar. Kort nadat Therese er zich bij hem had gevoegd vond de
+plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke
+verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak
+hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die
+hij in Trye had aangenomen.
+
+In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Therese
+ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen
+dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of
+Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug
+te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging
+natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn
+bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te
+ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering
+vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders.
+Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den
+omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis,
+hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende
+opnieuw: Therese klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en
+haar beleedigden.
+
+Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem
+aan Therese, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide
+gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was
+dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Therese voor
+hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over
+is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even
+moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel
+een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is.
+"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen
+zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal
+meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze
+harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten
+drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen
+te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts
+een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen."
+
+De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het
+vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol
+konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer
+worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor
+Therese en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden
+die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit
+dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar
+ook maar een oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen
+tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander
+werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel een met hem, te veel
+een deel van zichzelven.
+
+Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Therese niet inging tegen
+zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een
+verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche
+voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn,
+zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk
+zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te
+behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer
+vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn
+verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben
+gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn?
+Neen, Therese deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was
+voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die
+verlichting ten minste nooit ontbeerd.
+
+ * * * * *
+
+In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf
+jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen
+naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti.
+Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke
+drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij
+weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden
+blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in
+'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen;
+Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk
+plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen
+politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met
+rust.
+
+Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue
+Platriere, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude
+bezigheid van muziek-kopieeren weer op, hij vond behagen in dit werk en
+werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn
+bijverdienste als kopiist konden hij en Therese zonder hulp van anderen
+rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St.
+Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren,
+beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:
+
+"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques
+Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue
+Platriere, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde
+verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom
+binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein
+voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes
+opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een
+calotje op muziek zat te kopieeren. Hij stond met een lachend gezicht
+op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met
+ons pratend.
+
+"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets
+hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn
+gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn
+mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd
+was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken
+dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een
+groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten
+verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van
+het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn
+gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van
+iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en
+medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en
+toe melodieen op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't
+vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel,
+een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de
+wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij
+gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn
+vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't
+plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat
+aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't
+raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur
+ze voortbrengt. Over het kleine interieur lag een waas van reinheid,
+vrede en eenvoud, die 't hart goed deed."
+
+Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan
+die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de
+oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft
+herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste
+werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van
+in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij
+geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen
+te zijn."
+
+Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren
+besteedde hij aan 't kopieeren van muziek en 't drogen, schikken en
+opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste
+zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan
+dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde
+in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij
+betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn
+bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de
+nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen
+in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een
+hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag
+twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd
+was 't gezicht op den Mont-Valerien bij zonsondergang. Hij genoot nu
+een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn.
+Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij,
+maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder
+de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog
+altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn
+mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een
+kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als
+zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in
+buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn
+vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem
+verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van
+zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de
+vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen
+rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten
+dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn
+medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns
+gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden
+of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen
+gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van
+ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden.
+Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken
+schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle
+bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers,
+bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een
+boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de
+schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet
+overzetten. Steeds meer kategorieen van personen hadden de machtige
+samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem
+komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen
+bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de
+vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed
+hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen,
+verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder
+beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij
+zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn
+geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en
+waarachtigheid, de "Dialogen."
+
+Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner
+vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de
+onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood
+verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets
+meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven
+en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen;
+zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn
+vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot
+te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing
+van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en
+letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in
+omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld
+zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een
+juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de
+uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een
+grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was:
+de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn
+snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In
+hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen,
+die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om
+verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder
+de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk.
+Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand
+doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij
+voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op
+andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde
+hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele.
+Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk
+de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat
+beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts
+enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als
+verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte
+geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het
+komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de
+verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en
+Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de
+hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de
+tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen"
+uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande
+zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de
+"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit
+gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen
+onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den
+mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden
+die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en
+verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche
+sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de
+gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan
+zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en
+meegevoel zegevieren. Kon hij slechts eenen mensch vinden die met zijn
+oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van
+list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered.
+Maar hoe zulk een mensch te vinden?
+
+Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan,
+want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en
+vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans
+maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te
+vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen,
+verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn
+handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de
+Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders,
+dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel
+hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem
+verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten,
+tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.
+
+Maar nog gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden,
+die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven
+was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters:
+"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft."
+Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle
+voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen
+las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen,
+zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.
+
+Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden,
+die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en
+voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner
+nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige
+invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't
+jonge, opgroeiende Frankrijk was voor hem, 't denkende, voelende,
+willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en
+ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd,
+maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.
+
+Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht
+op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe
+beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij
+bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge
+zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd
+en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die
+hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij
+bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij
+spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een
+vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social,"
+dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven
+glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers,
+niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij
+versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel
+na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden
+en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge
+mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als
+menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der
+maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.
+
+Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de
+kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij
+stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel,
+schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in
+zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch
+te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te
+heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon:
+als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in
+Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was
+hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd
+voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te
+maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor
+hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem
+geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare
+liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties,
+de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige
+klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had
+hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord
+gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried,
+deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.
+
+Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster,
+vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te
+geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden,
+smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht
+dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair
+bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een
+heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft
+hij immers, dit is zijn levensdoel.
+
+Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag
+enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij
+dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het
+nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam
+op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke
+vooroordeelen.
+
+O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid
+nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zoo zich verwezenlijken
+als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die
+droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is
+helderziende intuitie van de werking van maatschappelijke en geestelijke
+krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke
+demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote
+Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten
+niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne
+arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze
+droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere
+wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote
+voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten
+in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn
+van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke
+lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.
+
+Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen
+dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en
+zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien,
+had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is
+hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden
+harten, en hij niets zag als vertwijfeling.
+
+En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen
+verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld
+tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers
+van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten
+zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale
+gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand
+arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als een man
+opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen
+de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen
+wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun
+verzet verbitterd; zouden zij een middel schuwen deze te verdelgen? Vatte
+zijn waan va nvervolging en grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien
+woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den
+verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid,
+van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij
+nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen
+zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was
+het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke
+samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis,
+in hem roemen als in een Groote?
+
+Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is.
+Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan
+was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij
+door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels.
+Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid,
+maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der
+menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede
+gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig
+jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam,
+de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen
+te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart
+toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en
+lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.
+
+Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen
+weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en
+zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de
+lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de
+troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid
+gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der
+wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende,
+schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in
+den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog
+verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het
+leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde
+tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den
+dageraad.
+
+Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden
+waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een
+tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn
+afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die
+zoo, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten
+weemoed van het leven scheiden kan!
+
+ * * * * *
+
+Hij was ouder en zwakker geworden, ook Therese. Zijn gezicht werd te
+slecht om muziek te kopieeren, en zij was niet langer in staat voor het
+huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort
+smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou
+opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten
+bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen
+op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner
+beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Therese hun nieuwe
+woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had
+tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.
+
+Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf
+Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te
+zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige
+wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was
+begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar
+opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen
+gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem
+van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een
+toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in
+Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug,
+dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers
+die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de
+stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke
+vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.
+
+[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).]
+
+Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel.
+Therese, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond
+liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich
+bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat
+hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die
+zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed
+hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk
+hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat
+daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag
+hij daar.
+
+Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn
+overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van
+zijn grooten tegenstander Voltaire.
+
+ * * * * *
+
+Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den
+boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden,
+de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten,
+de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat
+zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en
+moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord,
+hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze
+andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine
+menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit
+de diepten der oneindigheid.
+
+De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke
+omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe
+onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken
+aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der
+aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen,
+overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden,
+tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten
+bevruchten door het leven.
+
+En het leven strooide veel kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten,
+hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen,
+harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en
+bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche
+liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen
+en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de
+landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van
+Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters,
+stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn
+eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den
+man maken dien hij werd in die poezie-rijke, avontuurlijke, vreemd-
+gespletene en toch naar een doel stroomende jaren der jongelingschap.
+
+De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de
+maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle
+omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie
+somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--en de maatschappij-kracht: de
+begeerten, de aspiraties, de energieen en de gedachten die de maatschappij-
+beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in
+de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der
+levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide
+groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten
+met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten,
+zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die
+zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te
+tooveren tot schoonen droom.
+
+Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over
+hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het
+verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een
+nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis.
+Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een
+onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen
+wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende
+spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet
+waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef,
+hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen
+andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de
+maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de
+maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter
+volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van
+zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij
+wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was,
+dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die
+geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de
+roepstem en volgde haar.
+
+Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen
+zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn
+hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn
+liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve
+neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij
+overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van
+onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens
+wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel
+en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn
+liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls
+zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk
+betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de
+gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de
+liefde tot de menschheid,--en het artistiek geweten, de nauwgezetheid
+van den kunstenaar.
+
+Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de
+wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij
+verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn
+afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van
+zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem
+als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den
+hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen,
+broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om
+zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af
+om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls
+ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit
+zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang,
+niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog
+de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde
+prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken
+waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen
+zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in
+wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn
+verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp
+nauwkeurig en volledig als hij kon.
+
+Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die een bron voedde:
+het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende
+beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in
+hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen
+zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en
+schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij
+vervallen in schaamteloos cynisme.
+
+Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een
+ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.
+
+Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de
+hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle
+enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.
+
+De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar
+hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was
+nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling
+tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de
+midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een
+gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap,
+den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij
+voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het
+ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op
+het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen
+der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren,
+vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid
+van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hun
+vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren.
+Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat,
+ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit
+Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en
+heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had
+hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den
+stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden
+zij hem lief en vereerden zij hem boven een ander revolutionnair
+schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid
+uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.
+
+De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de
+burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in
+den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende
+klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend
+bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige
+belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die
+tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door
+afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke,
+en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende
+richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit
+'t een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der
+speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet
+de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en
+verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was,
+bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan
+tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling
+tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.
+
+En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende
+en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in
+de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen
+hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de
+Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe,
+zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen
+en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den
+koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de
+republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon
+vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen.
+Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag
+idealisme, hun heroisch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld
+met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden
+zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere
+demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering
+als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft,
+de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote
+bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden,
+maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen,
+een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben
+uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de
+stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke
+voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan
+vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot
+regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in,
+naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer
+dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en
+vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden
+dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden
+die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen,
+gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden
+van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken
+maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn
+vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende
+verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke
+rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in
+normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt
+en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even
+verschrikkend als onreeel. Nu dat onreeele de werkelijkheid van elken
+dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige
+behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het
+onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan
+van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze
+bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de
+hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch.
+Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en
+toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het
+wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk,
+--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie
+van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast
+letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun
+staatkundig evangelie was.
+
+In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen,
+dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat
+uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden,
+den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en
+op godsdienstig gebied.
+
+Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der
+revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de
+uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de
+staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het
+best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een
+groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de
+regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te
+keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen
+iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om
+de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het
+recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en
+dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de
+vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den
+Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het
+opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van
+den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof
+aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale
+Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd,
+dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan
+slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn
+goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.
+
+Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken,
+een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de
+basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische
+produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische
+afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der
+onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren
+ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der
+revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers
+en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het
+lijden, de ongeevenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige
+inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den
+grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield.
+In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn.
+Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de
+Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte
+bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan
+voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den
+uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren
+van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de
+gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest
+bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij
+droegen niets van zijn wil meer in het hart.
+
+Een man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens
+gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In
+zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke
+vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kon worden dan op den grondslag
+van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den
+bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf
+heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau
+evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het
+communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en
+vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles
+gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit
+de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende,
+waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest?
+Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische
+gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der
+individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet
+gekomen, maar wie ook slechts een stap verder ging, moest de zon van het
+socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf.
+
+ * * * * *
+
+In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau
+leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn
+pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging
+en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had,
+zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken,
+mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de
+revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche,
+over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening,
+zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en
+bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen
+van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden
+maakten de kunst zoo.
+
+Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over
+Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Stael, naast
+Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met
+de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en
+denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste
+manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest
+algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle
+woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote
+wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was
+voorgegaan.
+
+Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in
+Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele
+richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken,
+een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het
+politieke. De poetische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig
+natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de
+burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische
+zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige
+gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling
+bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en
+specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het
+heroische pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige
+vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar
+de uitbeelding van dien poetischen weemoed, door welke de vereenzaamde
+enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den
+schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij
+zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze
+heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in
+de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de
+romantiek.
+
+Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele
+banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en
+het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den
+geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte,
+zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke
+naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller,
+zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp
+bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring,
+zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die
+eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij
+beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de
+diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren
+de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording.
+En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau.
+
+Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was
+anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote
+wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke
+uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van
+het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was
+hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd
+behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door
+de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en
+politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij
+behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en
+elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers,
+tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken
+gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en
+geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer
+van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke
+liefde tot het leven, tot al zijne verschijnselen. En al deze trekken,
+die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller
+geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke
+literatuur, van de lyrische poezie en den naturalistischen roman, van de
+psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle
+Heloise," der "Confessions" en der "Reveries."
+
+Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche
+schrijvers en dichters, is er een in wien verscheiden der meest
+wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der
+anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid
+van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke
+gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog
+te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar
+doordat de discipel Tolstoi een gezonder, forscher en klaarder
+fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester
+Rousseau, en doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in
+tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de
+sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beinvloed
+gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het
+communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoi wat
+Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen
+lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen
+te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te
+scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne
+gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de
+eigenheid van zijn wezen.
+
+ * * * * *
+
+Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele
+levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen
+van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind
+en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten
+overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige
+idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel
+dat zijn.
+
+De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie
+maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door
+reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de
+inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den
+dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij
+bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de
+grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke
+ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen
+bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd
+zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig
+denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel
+belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en
+gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische
+dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende
+proletariers gebruiken, zij had behoefte aan gedweee, buigzame knechten.
+Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van
+Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de
+wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en
+daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_
+toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van
+doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis,
+blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben
+veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.
+
+Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis.
+Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd
+en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze
+en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting,
+liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo
+allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de
+vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en
+knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het
+burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam.
+Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten
+voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan
+in de socialistische maatschappij.
+
+Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de
+individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de
+bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het
+kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner
+krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te
+vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de
+liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken
+weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die
+verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met
+de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen
+aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het
+zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van
+ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van
+menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar
+de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale
+oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke
+volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de
+aarde.
+
+Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar
+maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen
+voorstelling had.
+
+Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude
+afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden
+zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige
+menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in
+vrijheid;--wanneer de onrust en de onvree en de wanorde van onze dagen
+den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan
+zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere
+verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier
+menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat
+de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen
+hebben: de weder-vereeniging van de ver-uiteen geraakten, Natuur en
+Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen
+vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen,
+opgaan van den enkeling in het geheel.
+
+Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der
+Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.
+
+
+NOTEN:
+
+[53] Ook Faguet neemt dit aan.
+
+[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Therese
+een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame
+kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken
+man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet
+opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te
+komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen
+en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.
+
+[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen;
+sommige biographen spreken van 1800 francs.
+
+
+ * * * * *
+
+
+LIJST VAN ILLUSTRATIES
+
+Jean Jacques Rousseau
+Therese Levasseur
+Jean Jacques Rousseau
+Rousseau aan het botaniseeren
+Rousseau's Graf
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Jean Jacques Rousseau, by Henriette Roland Holst
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***
+
+***** This file should be named 12009.txt or 12009.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/2/0/0/12009/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+
diff --git a/old/old/12009.zip b/old/old/12009.zip
new file mode 100644
index 0000000..59893d4
--- /dev/null
+++ b/old/old/12009.zip
Binary files differ