diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:38:39 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:38:39 -0700 |
| commit | bd6101e88d57a42b02df4a7354a9fa95663799ff (patch) | |
| tree | 9cfd97e91f207b7081b32117215a35310b3851ea | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 12009-0.txt | 9457 | ||||
| -rw-r--r-- | 12009-h/12009-h.htm | 9580 | ||||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 | ||||
| -rw-r--r-- | old/12009-0.txt | 9832 | ||||
| -rw-r--r-- | old/12009-0.zip | bin | 0 -> 232494 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/12009-h.zip | bin | 0 -> 236287 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/12009-h/12009-h.htm | 10039 | ||||
| -rw-r--r-- | old/old/12009-8.txt | 9889 | ||||
| -rw-r--r-- | old/old/12009-8.zip | bin | 0 -> 232842 bytes | |||
| -rw-r--r-- | old/old/12009.txt | 9889 | ||||
| -rw-r--r-- | old/old/12009.zip | bin | 0 -> 232069 bytes |
13 files changed, 58702 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/12009-0.txt b/12009-0.txt new file mode 100644 index 0000000..7c9ee7e --- /dev/null +++ b/12009-0.txt @@ -0,0 +1,9457 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12009 *** + +JEAN JACQUES ROUSSEAU + + +EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN + +MET EENIGE PORTRETTEN + +van + +HENRIËTTE ROLAND HOLST + + + +[Illustratie: JEAN JACQUES ROUSSEAU.] + + +INHOUD + +EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd. + + I. Genève aan den aanvang der XVIIIde eeuw + II. Kindsheid +III. De zwerver + IV. Groei + +TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs. + + I. Midden der XVIIIde eeuw + II. Het moeizame leven +III. De eerste fanfaren + +DERDE HOOFDSTUK: De groote foren. + + I. Naar de vereenzaming + II. De Katastrophe +III. De werken der groote jaren + +VIERDE HOOFDSTUK: De laatste worsteling + +VIJFDE HOOFDSTUK: Waan en Vrede + + + + +Lijst van illustraties + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK + +JEUGD. + + +I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW + +In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme +geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst +en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het +maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen +bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had +gestuwd. + +Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen +bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève, +terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar +heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de +XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van +verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken. +Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen +weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en +sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel +overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie +bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der +manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden; +--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij +tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook +het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe +kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden +verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen, +de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen, +puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en +behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in +Holland als in Engeland, met ééne in het spel der krachten te zijn die +het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere +klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers, +visschers en boeren. + +Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten +handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit, +en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon +het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot +onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie. +De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt +van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en +levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens +was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn. +Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren, +en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare +gelijkvormige massa. + +Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van +bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het +eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was +de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den +handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten +der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en +beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun +beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen. + +De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer. +Zij verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm +tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen +die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte, +ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele +beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest +bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen +zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar +gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en +de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen. + +De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het +begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar +kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk, +die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven +zouden zijn weggespoeld. + +Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad +voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een +onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger +van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke +feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine +steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen +van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed +en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke +vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn, +werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield. + +Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de +meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van +kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke +theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de +kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten +voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen, +evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot +één gevoel waren samengegroeid. + +Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de +kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij +in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der +demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw +verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke +organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch. +Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was +in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de +Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de +bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds +uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld +was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de +"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden +in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van +belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en +bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen," +en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de +"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het +vertegenwoordigend stelsel onnoodig. + +In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der +gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de +oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie +die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig +uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer +bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het +"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere +groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd +deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad +vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den +kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in +Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan +het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd. + +De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de +bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook +dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide +raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het +burgemeesters-ambt leek haast erfelijk. + +Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de +rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook +der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste +gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt, +overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit +Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans, +met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot +plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de +kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts +zelden voor. + +Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het +gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij +het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte +zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen, +door de regeerders streng onderdrukt. + +Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie, +grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen +was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De +kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet +geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk +gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en +vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden +zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen +tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met +kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een +danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte +in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht, +--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd +onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of +zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote +machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad +bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige +toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen. +Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken +mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone +teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de +zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig +avondmaal. + +Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het +leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door +den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk +katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van +voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle +spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en +trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen +door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename +karaktertrekken van het puritanisme. + +Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een +stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen, +oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt, +dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen +verstijven doet. + +Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse +zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden, +haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en +de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van +gemelijke norschheid. + +De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening +van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van +den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de +burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan +de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het +gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die +voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit +wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het +kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner +kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun +nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de +godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den +hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren +aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God +te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het +lot hen voerde. + +Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één +vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden. +Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere +handen in verhouding tot het afzetgebied der stad. + +Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van +Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over +Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche +vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder +ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen +allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en +verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er +een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des +levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische +regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten +en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele +handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij +door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren: +de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen. +Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie. +Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken +vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den +oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten +woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen, +waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge +wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende +weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt +niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk +bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden +daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers +trokken. + +Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de +hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken +of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het +protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van +aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden +ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken +hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de +gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht +in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid +verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen +de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd +het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze +mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die +voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen +en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk +de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de +aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit. + + * * * * * + +Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen +beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en +de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze +neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale +zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden +neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij +elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed. +Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke +demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn +eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk, +toch hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking +samenbracht--had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van +vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou +men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de +burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en +vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare +mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke +oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en +wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten, +uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk +stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel +militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden +de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De +handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in +zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid, +van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts, +mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren, +eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden. +Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der +naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En +droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen +toga was. + +Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone +oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de +mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het +licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen +bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten +stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun +huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de +pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men +zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een +dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van +zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het +dagelijksch doen. + +Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog +zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met +beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de +burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en +eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde +landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar +nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien." + +Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de +ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl +bewaarde, was Jean Jacques Rousseau. + + +II. KINDSHEID. + +Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot +ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet +gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door +hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die +te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten +Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot +_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn +stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging +weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen +niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken +staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en +ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman. +Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke +opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een +dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn +voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen +wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon +vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was +nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle +kunsten had onderdrukt. + +Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig +terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de +autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder +gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en +toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een +burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard +heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde, +bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader +was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden +liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde, +en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam +bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig +en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en +zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende- +eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig, +daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht +van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad +gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het +jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had +bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal, +dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het +ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden gebracht. +Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en +onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte +gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd. + +Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun +prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun +herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij +weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste +kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van +den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk +erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem, +gelijk zoovelen, de zwerflust. + +Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had +hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht," +gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter +wereld. + +Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit +vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon," +heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij +gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving +en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend." + +Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar +zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang +heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete +geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid +mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude +wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het +gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend. +Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet +deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te +zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar +toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond +er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze +omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip +hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in +dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen, +die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de +atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die +doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze +voelde: het geheugen van 't gemoed. + +Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij +de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de +oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel. +Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met +hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote +teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei: +"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we +schreien, vader." + +Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van +overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac. +Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te +herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die +Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd +gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld, +vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw +kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van +romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan +jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud. + +Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich +veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten +levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde +uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes +en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar +Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel +met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen +dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid. + +Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een +ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem +het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't +haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid +zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de +vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen +ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch +gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De +gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk, +want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der +middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn +wezen en werd een deel daarvan, voor goed. + +Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon +vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw +voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet, +Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid +open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van +rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was +een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te +redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond +van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn +oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden +langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid, +groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de +oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig +blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij +wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem. +Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van +zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde, +die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor +de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen, +gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren, +en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat +tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden +versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en +de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers +van Sparta en Rome en met hun roem. + +En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en +kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn, +toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de +gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden. +En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen +opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten +zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne +tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij +burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud +en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een +grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde +en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden +zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte: +hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen +schooner toe. + + * * * * * + +Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een +hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier, +die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac, +prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden +ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn +zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete, +drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac +achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich +voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het +stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn +kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor +hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean +Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch +gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den +achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad +uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde +ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten, +in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in +zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart +tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn. + +Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en +kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde +als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het +zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje +Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk, +kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar. + +Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok +waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje +hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van +onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet +misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid +van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't +kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld +als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen +in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten +herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als +een ongebruikte veer. + +Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn +door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen. +Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet +voorbij. + +Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de +grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer +als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende +liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad +hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen. +Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de +onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf +wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de +eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn +verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks +pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete +verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel. + +De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote +proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en +brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet +ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was +hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in +herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang +nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog, +als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der +herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg, +het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd. + +Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige +depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de +bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte +uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit +óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van +af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van +triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten +balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen +zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij +zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene +oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke +ongelijkheid. + +De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte +gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar +Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden: +horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de +nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten. +Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen +liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond +hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem +een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn, +dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn +met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en +traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare, +warme verwarring van het onderbewuste. + +Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man +nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het +ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was +dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon. + +Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch +zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar, +zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en +meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en +moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij +zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden +en omgeving van hem maakten, dat was hij. + +Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in +hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. +Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, +gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de +ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van +overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren +onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun +liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, +hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als +een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden +van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, +verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in +verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later +dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten +tijd was vervallen. + +Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in +de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage, +waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk. + +Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer. +Alles om hem werd kil en grauw. + +Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor +goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean +Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan +en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en +voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding. + +In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk +gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En +omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van +anderen. + +Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met +razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van +zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken +te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien +waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster +hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de +liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte +hij uit schaamte. + +Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om +het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar +in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den +handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij, +voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der +zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste +innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer, +leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld +kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat. + +Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman +geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper +eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam +om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te +leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn +vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem +vertrouwden levensstaat. + +Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang +duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht +op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde +de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat +afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten +gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft +en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet +terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de +brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich +in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te +keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen +Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar +zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden. + +Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de +wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen +ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze +eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in +den strijd om het bestaan. + +Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid. + + +III. DE ZWERVER. + +Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan. +Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de +kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen, +die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand +slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de +minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen +zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich +kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete +bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging, +rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde +zich baden in vrijheid. + +Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn. +Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den +oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te +zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen." +Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van +dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht +ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en +de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't +grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in 't land der +hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd +de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen, +telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de +veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met +andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen +hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij lagen op +de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele +bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan +zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist. + +De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling +na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het +bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap +met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het +hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te +winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame, +die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde. +Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters: +haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten +uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de +hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het +katholicisme. + +Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij +achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de +kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude +kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen, +lieftallig schoon en jong. + +Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert +zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar +bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was. +Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en +weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur +bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar +teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk +als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet +alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van +lieftalligheid. + +Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd +geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart. +Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als +twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden. + +Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar +later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven +beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen +voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in +pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare +gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen +zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hàre zachtheid ... dat was +het geluk. + +Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en +later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning +die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al +heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in +haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem +terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de +geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk +werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem +te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde +zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde +hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem +gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk. + +Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming. +Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn +hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en +toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en +kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij +in minne zijn moeder. + +Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid +beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar +geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en +zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke +jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht, +maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden +voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid, +haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat +een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens +over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke +plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de +Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in +groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over +het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp. +Spoedig volgde haar bekeering. + +Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau +bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden +haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles +proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en +daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van +aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van +Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te +exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat +al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien +zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen, +wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het +einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al +nijpender schulden en al dreigender gebrek. + +En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust, +de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig +die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien, +zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden +der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij +stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar +ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen. +Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij +verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest. + +Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn +leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring +en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot +fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid, +in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel +de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar +vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en +vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven +effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van +onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van +harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij +haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke +tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door háár gelukkigen +jongelingstijd. + +Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn, +om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van +zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn +kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid? +Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de +burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk +leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke +gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete +begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen +zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan +de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone +vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar +verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit, +aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe +schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend, +juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn. + +Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij +wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren +zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij +is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het +bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust +van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt +tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen +met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het +geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man +van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na +vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone +droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de +paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden. +Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem +gehouden kollekte, en zetten hem op straat. + +Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de +weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij +de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren, +zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie +hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de +schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot +een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles +af. + +Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt +zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet, +maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië +was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der +italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem, +muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang +ontwaakt. + +Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij +wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft +zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat +nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den +jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt, +geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een +keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en +die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem +het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de +"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn +aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit. + +Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op +een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat +zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten +valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een +geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris, +zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij +bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst, +zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden +raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der +wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn +gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding +herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de +groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke +faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken. + +Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun +diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling +gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los. + +Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen +avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan +toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bâcle mee, hij +moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch +maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn +nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't +vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't +schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen. + +Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt +hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen, +neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de +Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet +de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij +ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een +bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde, +maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd +weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer. + +Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later +getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij +gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting +verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond +was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde, +altijd meegaf, een donzige wolk. + +Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de +liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, +alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen +gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke +verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem +levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens, +verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de +vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven +schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het +moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij +toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde. + +In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan +wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als +passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte +overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens +was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders +heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de +hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft +hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des +levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar +duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met +liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is +teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van +hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en +toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld." + +Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet +doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een +vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde +van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien. + +Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de +tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende +kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap, +polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon +goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan +weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en +literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche +prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje +van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en +ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er +te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar +hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar +het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen, +de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en +te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn +weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van +Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een +donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit +Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje +een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed +geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God +verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel +behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een +verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die +gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend +geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de +donkere gewelven van zijn gemoed. + +En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die +hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de +schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname +stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn +middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een +provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de +bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn +kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de +hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den +bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de +gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan +Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder +de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste +rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op +den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap +was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië, +een bad van vrede en harmonie. + +Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet +langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen +geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van +altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls +gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van +liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer. + +Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op +te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de +verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en +de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer +zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de +ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in +'t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de +zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet +leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf +verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd +weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem +aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang +opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek +verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en +studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet +afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de +koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren. +Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare +musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten. +Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem +behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou +vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op +straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw +een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd +heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den +zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar +Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke +intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar +Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder +middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot +een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering +nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, +lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer +lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in +den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen +over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. +Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij +beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van +zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk +landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het +kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag +van morgen tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van +glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de +herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en +rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen +in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het +vriendinnen-paar Claire en Julie. + +Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit +door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de +kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar +Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich +uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een +muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig +bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met +een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den +muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor +orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen, +schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt, +dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij. +Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor +een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor +het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant +in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen +officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt +de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel +oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij, +zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een +dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt +de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de +lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest +te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye +is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar +en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is +ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven +gaat beginnen. + +Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu +twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en +iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den +toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde +levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de +scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; +soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn +vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren +vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de +volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij, +geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar +de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel +gebleven. + +Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der +blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een déclassé geworden." +Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij +stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn +afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het +bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de +dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en +eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar +gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens +van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter +tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen, +waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef +zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen +te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer +kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met +de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien +omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk +wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben. +Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote +prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke +gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen +er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor +wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de +mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig +leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en +lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had +verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens +duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit +de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet +burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling +vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof. + +Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker, +die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De +misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als +den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven +dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij +de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren +had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers, +voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem +meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de +volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden, +onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als +in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig, +menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der +groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog +meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het +volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door +ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte, +aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar, +zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat +knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was +hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't +allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder +van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des +konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet. +Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn +arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet +ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den +nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers +van het volk." + +Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer +van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke +verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die +ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn +bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der +massa's waren saamgegroeid tot één gevoel. + +Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke +ervaring en persoonlijke waardeering. + +Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem +ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed +fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige +wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn +handelen. + + +IV. GROEI + +Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij +een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver +werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de +bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit, +waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe +natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis. +Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn +levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één +kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der +dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets +of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn +eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij +te blokken op het "Traité de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en +duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een +zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der +harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een +schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle +kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in +zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten +kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten +was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit +ontmoedigde hem niet. + +Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke +administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in +krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met +verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar +neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie: +magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan +sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had +omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam +Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich +interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't +opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven +van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van +Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland," +van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't +denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën +van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een +nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles +wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die +liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het +uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond +hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het +openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht +naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging. + +Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een +koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de +aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig +voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige +oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde +voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet +verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij +haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij +niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was +vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en +Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding +zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar +met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In +volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën +vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde +de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn. +Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering. + +Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam +toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die +de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en +de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde +hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme +Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint, +sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de +ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken +wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in +'t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg +voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens +een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den +kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte +natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal +men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry. + +Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke +muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol +intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders +te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn +oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en +overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in +verzen uit het jaar '41, "l'Epitre à Parisot." + +Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, +'t scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar +groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn +krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder +aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het +aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de +hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in +een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest. + +Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem +goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille. +Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar +hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur +buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol +meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam, +heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar +dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't +eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis, +idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog +over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten +aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en +het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij +rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een +dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende +bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met +geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en +der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één +werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als +een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige +engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel. + +Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle +tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld. + +Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom, +worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid, +de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les +Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor +zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur +geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich +voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de +frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de +honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der +duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door +den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven, +kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een +pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel +gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig +willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar +buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij +lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond +weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar +waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen +steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen, +ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten, +daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den +boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de +duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de +ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de +sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en +nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over +alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde +niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem +de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder +en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij, +starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der +jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen. +En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere +jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les +Charmettes opsteeg, samen tot één droom. + +In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar +strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde +had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den +groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten +van zijn wezen waren er veel gerijpt. + +Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genève waar +hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen, +terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke, +rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried +verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk +geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de +ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en +voor alles--in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel +had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest +deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de +tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den +medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel; +de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet +deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn +jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn +opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een +verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te +leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet +elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar +van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een +hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte +aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een +Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde +hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in +zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet, +en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen +'t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier +gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust +en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor 't eerst in zijn leven +voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening. + +Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende +twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's +winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op +de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de +boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd +geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was +een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den +haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude +liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij +hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat +ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man +en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der +menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel +aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij +bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven, +probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te +bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist, +had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot +hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van +werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes, +Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke +werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis, +fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde; +reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij +een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen +te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een +toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de +wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering +uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om +aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het +studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal +boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu +niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel +beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast +door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme +de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen +helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar +de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v. +sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende +hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur +in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was +het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat +vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den +geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid." +Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de +zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn +gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig +te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft +gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot +godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad +dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden +wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht +vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de +Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield +daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige +leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche +leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had +eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die +godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering +des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale +verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig +respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in +één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig +leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een +persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het +best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er +verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen +in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te +vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in +het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk +gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid. + +De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok +niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe +na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit +ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te +gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee +kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn +denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner +leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies, +met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde. +Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen +te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld +genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook +moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte +aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd. +Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels; +hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele +maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie +der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw +notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem +voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking +der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, +het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de +"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen +en offers kunnen vergoeden. + +Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen +sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische +ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend +komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over +opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder +persoonlijk accent: dat is alles. + +Maar alle kiemen--op één na--van den man dien hij worden en van de +werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn +leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In +zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie, +de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner +jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de +verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk +individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren +van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem +overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn +met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te +leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in +Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar +in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het +vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed, +de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en +doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner +jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en +onsterfelijkheidsgeloof. + +Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en +stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was +getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets +vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend +van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK + +PARIJS. + + +I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK + OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW. + +In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de +absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en +de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling +tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het +ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en +zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het +tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door +geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in +hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen. +De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de +omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden. + +Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk +de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft +tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den +absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de +intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie. + +Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen +van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht +van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die +aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze +zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een +rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten +tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van +monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het +absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele +bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn. + +Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der +nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het +Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier +Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de +methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de +been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank, +een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op +den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die +de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van +overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn +eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende +methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat, +beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door +'t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa +voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs +dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de +poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele +uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een +millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk +bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben +dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot +gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon +sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te +halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden +morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden +zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste +maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale +beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten, +hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen. + +Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het +reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te +bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en +lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in +hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen +ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw +besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken +welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke +gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden +gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken +staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de +zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige +betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den +volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk +waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen, +waar elkeen van een droomt.[1] + +Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot +velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789 +doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën, +althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met +den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal +verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt +opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder +reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld +kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en +geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de +staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van +alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven. +Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de +bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot +stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen. + +Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en +hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en +uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang. +Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse- +verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude +vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der +eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering +van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis +ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk." + + * * * * * + +Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit, +dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties +meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie +het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze. +Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der +rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om +een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De +uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht, +omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig, +en ofschoon de uitgemergelde massa's àl zwaarder belast worden, het +deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot +alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid, +haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte +noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de +bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen +den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting +en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot +deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen +een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten. + +De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30 +millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van +pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de +provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per +jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde +van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn +politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster +aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn +maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij +grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het +platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale +tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden, +verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende +burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te +zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen +staat. + +Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote +maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de +geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat +de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft +gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de +zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is. +Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf +nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is +verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige +schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den +bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van +de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit +immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele +bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat +zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van +haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes +toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in +dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen. + +Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een +revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende +verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt, +stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't +hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en +rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van +den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der +regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal +geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat +deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld +zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een +wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot +besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het +verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. +over de zoogenaamde "Charité" (de administratie van het armwezen, de +hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs. + +Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het +burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de +kerk keerde, dat het woord "écrasez l'infame," tot het parool van zijne +propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het +oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur. +Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar +ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde +in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar +bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst +gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte +het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers +en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij +zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was +voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning. + + * * * * * + +Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land +en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de +buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de +adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit +de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en +pruikenmakers, hun maîtressen en koks bij duizenden medevoeren; uit +alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie +omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het +romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle +levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen, +hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele +gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst: +schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het +geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de +"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard +bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt +uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de +XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige +behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een +labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt. +Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de +weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij +die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich +nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale, +koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met +melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van +wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen. +De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest- +volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar +het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van +hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts één +inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in +wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering, +zonder verheffing. + +Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze +liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die +niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van +Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de +appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men +ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij, +en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke +trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen +den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man +gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud, +waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het +menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft +leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de +behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het +eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson). + +Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met +hunne maîtressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde +bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen, +bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk +van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de +schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde +intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde +zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der +schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de +ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in +ontaarding. + +Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele. + +"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van +Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren +--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept +Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit +het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het +koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers; +alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan +de zijde der oppositie. + +Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht +en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden, +te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van +de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de +hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te +voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de +dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de +stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de +zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en +rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel +leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en +meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de +mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld +aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het +grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht +en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest +getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van +de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest. + +Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en +onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte +van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine +burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende +handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd. +De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog +meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun +scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in één maand +tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6] + +En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk, +vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, +de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt +het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de +approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine +burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse. + +De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle +lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden +vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige +uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De +heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug +betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan +laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot +instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer, +die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze +overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt +zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het +finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het +uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden +zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die +wolven, bevindt zich de koning. + +Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in +elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan +een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven +langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt, +in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde +verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op; +"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de +ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk +drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote +wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of +breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyreneën, in de Provence, +in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van Rouaan enz. +enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht +de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de +provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje +blijft het dan weer stil. + +De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de +epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de +opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is +alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in +de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende +toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke +illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende, +sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die +deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van +die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in +genietingen, stikkend in geilheid. + + * * * * * + +Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen, +gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische +vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei +van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn. + +Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt +de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de +bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der +koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige +misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute +monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig +bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de +openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de +andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de +ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de +monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar +zit tevens vast aan het oude. + +In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de +pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen +van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke +geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun +zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door maîtressen en +paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd, +maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate: +het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid +van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en +terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken +van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van +bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte +haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van +de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige +is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe +koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7] + +De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn +vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het +verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën. +Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de +koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: +weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als +hùn levensleer. + +De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze +vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten +achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van +het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De +overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de +buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen +der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor +een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te +voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde +voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de +bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat +zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine, +de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in +Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur, +Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet +langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon +neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering +van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan +de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der +belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving +en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de +Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle +mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te +stellen,--getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist, +wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het +machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de +industrie.[10] + +Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der +handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel +verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20 +tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantiëele bourgeoisie +in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een +aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon, +de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden +worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van +revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den +zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de +onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de +desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie +van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie. +Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de +Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de +oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral +toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de +oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in +1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde +half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het +bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine +Antillen had geakkapareerd.[12] + +Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste +draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke, +staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een +diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al +liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele +regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds +over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het +ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd +van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de +opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel: +aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair +gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme, +dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen +dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst +wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de +regeering en van alle officiëele instellingen en denkbeelden hun +hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid +al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet +der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter. +Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13] + +De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren, +omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke +groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele +bourgeoisie en het burgerlijk intellekt. + +De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun +maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de +intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de +officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid +van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen +tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak +van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig +had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in +de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de +geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als +Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire +waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden +den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn. +Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den +strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de +machtsverheffing der bourgeoisie voor. + +Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de +oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische +ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de +misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na +het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een +voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den +eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in +het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot +'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol," +de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor +de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de +werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte +zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten +een einde maakte. Nog vóór de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721, +waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje +waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos- +felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend. + +Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en +philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische +concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het "algemeen +handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan +zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van +het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire +bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche +wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot +één philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing +opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust. +Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit +en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij +de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot +uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en +geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; +om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; +om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de +instelling van een konstitutioneele regeering;--met één woord, om de +praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_, +in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van +den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar +aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn +moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot." +Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der +bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie +der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is +aangestoken;--vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid +dorstende klasse. + +Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het +revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land +waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis +met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen +de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de +beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als +eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_ +ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische +denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de +wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en +volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten +streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten +uit de deïsten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen +openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire +volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der +mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen +deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo +worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats +van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16] + +Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en +haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken +--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de +engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de +positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling +--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken +strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse- +tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie +groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds +radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met +de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich +aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche +philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het +middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht +der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische +macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het +ondergaand regiem. + +De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en +evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname +stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is +Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van +dien tijd--de finantiëele--belichaamt hij als geen ander, als geen +ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge +grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit +geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de +konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing, +--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van +den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten +van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt +aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt +gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam, +altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt +hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig, +ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn +aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met +onfeilbare intuïtie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die +tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant +zich tegen alle materialistische en atheïstische denk-excessen zijner +dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk +_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te +worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen +leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale +figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend +volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der +tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt +hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande +tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in +een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17] +levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate +is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen +dwang, vóór de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der +menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de +willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met +animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een +ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het +oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit +ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in +beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij +gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie +niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang +te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, +blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als +van de finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur +d'affaires et grand remueur d'idées,"[18] gelijk Jaurès' gelukkige +omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de +dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen, +als het egoïsme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage +_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt. + +Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de +wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten +van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol +stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de +menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente +theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een +machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen +zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur, +de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar +Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle +aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het +egoïsme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theoriën +natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire +philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der +papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en +naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en +genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever +liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten +deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in +hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis +van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der +groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische +uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als +even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt +onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim +van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle +huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen, +evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de +eenige waardevormende kracht is. + + * * * * * + +De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het +derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den +klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de +parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de +oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750, +naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische +doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen +zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene +revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute +monarchie, begint eerst nà 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste +plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet +der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders +en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau. + +Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer +massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse- +aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote +bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in +andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking +gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem +stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden +geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of +burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe, +waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen +_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een +bewonderenswaardig heroïsme--met _tragisch_ heroïsme, want zij moesten +in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het +wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen +dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun +vleesch en bloed van hun bloed was. + +De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven, +hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele +verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou +opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij +gingen stem krijgen in Rousseau. + + + +II. HET MOEIZAME LEVEN. + +In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op +zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift +in cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom +verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, +en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele +kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en +chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd +hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe +methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te +lezen. + +Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De +"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan +te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek +wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en +beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de +inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was. +Hij voelde zich diep verongelijkt. + +Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over +hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een +vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij +verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken +ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de +moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever, +maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn +gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij, +soezende knaap, door Milaan gedwaald had. + +Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in +de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke +inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel +mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost +te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden +zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van +buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon; +af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij +gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al +zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen +voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij +hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle, +Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd +weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat +hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend. + +Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele +anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren +even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit +een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de +provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij +bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm, +gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij +gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen +uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn +dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen: +zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een +neiging tot paradoxen. + +Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve), +is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de +aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was +schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke +eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang +hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden +en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid +te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der +regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch +het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de +nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk +voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge +kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn +talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in +het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die +armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle +mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk. + +Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als +de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht +en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan +verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem +tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van +zijn gezin en van zijn maîtresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst +die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun +temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief, +droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig, +opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst +bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze +tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was +bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn +vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet +heerschzuchtig, verdroeg geen dwang. + +Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de +vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij, +komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar +dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin +de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek +verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven +eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie +bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem +van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder, +hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten. + +Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van +een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot +Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld. +Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel +mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving +Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij +de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos +fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon, +Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij +liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar +eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen +zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van +Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd +secretaris van den franschen gezant in Venetië. + +[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).] + + +Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was, +vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris, +een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was +een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke +aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau +vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij +in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van +scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij +misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te +Venetië geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken +een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen +en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken +zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn +vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een souvereine stad, bestuurd +dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Genève een oude +republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde, +terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patriciërs berustte. Zijn +werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn +geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed +der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië +een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing. + +Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man, +wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte +de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig +ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en +beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten +slotte kwam 't tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris +weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te +trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij +vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er +eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde +in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den +smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed +hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door +zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te +laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet +hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden. +Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den +gezant zelf. + +Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar +Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo +verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat +hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat; +nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee +en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn +streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in +alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte +was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde +vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de +zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van +levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder +strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede +drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij +eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid. + +Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het +puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar +zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij +zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van +Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft +vooral. + +Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar +Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger, +eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven +van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't +vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude +hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong +linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was +geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal +verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht. +Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door +de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at +aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het +schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en +onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor +haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat +menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste); +tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was +het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte +aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg; +hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde. + +Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar +ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije +liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22] + +Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die +vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den +levensbond met het plebeïsch natuurkind--Thérèse was in buitengewone +mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog +onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten, +in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud +der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften +volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik +tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar +overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van +hart. + +Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk. +Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen maîtressen--aristokratische dames of +vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dàt sprak +immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een +glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote +gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen +neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het +nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten +over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of +geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse! +Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en +alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar +mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en +niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. +Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de +soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij +niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een +ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten +verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig +opzicht meest essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk +een kiem van vervreemding. + +Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. +Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die +afschuwelijke Thérèse," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en +verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de +zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem +plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke +wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn +aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven +natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten +afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar +beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was +immers de bekoorlijke châtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar +minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke +"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij +dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de +"onbeschaafde wasch-vrouw" Thérèse le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders: +hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen +hoogmoed. + +Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar +zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de +meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid. +Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie +voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden +van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat +met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo +ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst +verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw +al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk +zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan +moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook +doen. Maar daaraan denkt niemand. + +Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat 't volgende; +staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar +vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn +brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige +werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn +lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef +hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende," +hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls +steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische +aangelegenheden bleek altijd goed. + +En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten. + +Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle, +waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels, +arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en +die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige +schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel +een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien, +tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het +kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste, +trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige +huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het +zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar +goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe +verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de +aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem +maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in +trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van +vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der +regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche +geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. +Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet? + +Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn +geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en +inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden. +Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn +geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken--zijn +denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben vóór begrijpen. +En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen, +hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen +genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn +gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn +persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende +dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding +gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het +dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten +schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen +bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware, +moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den +ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den +in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot +haar sprak. + +Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in +'t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven +lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden +achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie +behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man +liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in +Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van +zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en +Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme +d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme +d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot +aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige +burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij +loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard." + +En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd +en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar +dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld +compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart," +haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven: +Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde, +zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in +het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen +en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. +"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk +te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik +gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer +te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij +onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin." + +Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de +Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en +courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde +ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog +heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in +hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast +onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Thérèse. + +Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het +sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor +'t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht +voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort +verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen +verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord +verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't +dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk, +in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het +onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug, +en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en +vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet +ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd. + +Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch +proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn +kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en +aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk +eten, door haar bereid. + +Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieëren: +het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het +kasteel Ermenonville. Dáár stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld, +dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor +hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was véél. + +De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling +eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste +geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die +haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar +lang. + +Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen +minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme, +simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde +Thérèse le Vasseur. + + * * * * * + +Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde. + +Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon +Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend, +en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan. +Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen +naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig, +maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar +zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat +zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze +ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen +nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen +werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór +'t samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel +verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de +wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis +bracht. Hij dacht er verder niet veel over na. + +Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra "les Muses +galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen +belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer, +den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste +kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den +koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu +hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de +"Fêtes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd. +Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed +Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat +en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet +genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses +galantes" door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam +niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit +gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd +en gaf elke poging om naam te maken op. + +Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele +kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld +vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn +onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als +al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige +intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder +innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in +plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit +diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan +gloeiende stroomen omhoog. + +Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was +een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin +hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste +ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van +zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms +toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was +zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren +logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan +door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren +de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt." + +De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den +afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem +worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf? + +De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn +afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder +dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk +hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing, +levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste, +groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden +uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van +pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer +ademen kon. + + +III. DE EERSTE FANFAREN. + +Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de +velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er +werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het +land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren +zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten +de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder +leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs. + +De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een +broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke +voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld te bombardeeren +met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois" +verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons +"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde +en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch +scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige +geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste +proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem +voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt +de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij +zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie, +nù onderdrukken, dàn weer de teugels vieren, zonder iets anders te +bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te +maken door het andere. + +In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men +nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. +In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen +niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers +opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de +intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering +wilde een grooten slag slaan. + +Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken +waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te +hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het +ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme. + +Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur +les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch +werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich +beleedigd achtte.[26] + +Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel +opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem +toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt +d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de +hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt. + +De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende +maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel +zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den +vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste +dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn +geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de +Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij +dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap +van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn +smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij +mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn +kameraden werden tot hem toegelaten. + +Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken! +Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen, +haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet +verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond +neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog +broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde +strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de +koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de +Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen +de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche +glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg, +groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van +eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was +in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was. + +Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad, +de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten, +toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon +uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten +bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling, +voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de +bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij +merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere +zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste, +met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't +diepst-van-'t-woud. + +Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de +opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht +opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid +van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; +gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de +verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in +eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het +lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der +grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een +leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en +zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat +'t blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij. + +Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het +nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het +tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en +klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook +rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals +zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige, +hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt +de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der +Toekomststrijders, het sidderend dichterhart. + +Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar +het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken +onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien +uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de +heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in +wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de +werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar +wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde +genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der +groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal, +naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn +Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid, tegen den horizon, +maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan +hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de +verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn +jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken +zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het +patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de +achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog +voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre +landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele +kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid +van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken +saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische +ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit +veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener +maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van +kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme +daarin ontbrak was natuurlijk. + +Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid, +voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap. + +Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun +vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden +ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder +aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke +verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want +zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De +strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde, +voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers +tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de +heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde, +wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder +uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd +genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op +domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap, +die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden +enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen, +voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in +den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der +verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot +bewustheid. + +Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de +slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos. + +Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van +tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme, +opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der +Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn +leven zijn. + +Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over +den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden +en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27] + +Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven +in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours." +Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn +opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde, +verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn +oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober +onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen +en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden +wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw, +wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en +genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der +groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij +doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond +zich tot ééne, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de +beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen +de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van +verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van +ontzenuwenden lediggang." + +Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde +maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van +plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van +den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde +hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en +ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als +vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch, +uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch +intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover +de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God +welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar +van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger +aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een +vervallend régiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen, +maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend +tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving." +Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier +dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde: +burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland; +de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was +de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets +voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de +toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door +haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde: +het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_, +den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een +gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting +voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van +dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een +maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij, +dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet +als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse +gedoemd gelijktijdig reaktionair èn revolutionair te zijn. + +Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen +prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken; +al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven +Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge +bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat, +hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de +artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek +beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over +de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de +beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur. + +Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van +Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk +en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van +maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde +bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen," +"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar +begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge +noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen +weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij: +"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend +sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den +mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet +vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen +bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer +slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben +zooveel armen geen brood." + +Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat +tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan +verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom +vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur. + +Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping +tusschen beginsel en praktische konsekwenties. + +Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend; +zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten +en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch +bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij +noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden +gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel +van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote +revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen +genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te +voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak +tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te +bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen +en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch +de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan. + +Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de +inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner +andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is. +Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was +teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid +die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der +liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de +stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde +het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie. + +Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours," +dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe +prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der +maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom: +zachtheid had hij nog niet teruggevonden. + +Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van +den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang +zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur, +uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den +primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo +meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden +van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden +vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de +natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen +was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de +verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en +voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de +neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn +voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid +hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren +hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest +vermoedde hij niet. + +Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige +trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij +tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk +Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt +tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op +de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op +de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de +ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende +klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours." + +In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter +bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der +tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den +primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en +sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche +stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na +het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan +Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel +beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch +Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle +wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de +verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van +anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van +nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij +alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd +goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij +alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener +maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener +samenleving "waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet +door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt; +waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het +schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin +niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner +naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en +treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij +sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en +barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie +kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk +niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of +kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van +zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de +natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de +hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een +grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk: +hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke +gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden +ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en +politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt, +het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op +wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde +der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen." + +Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van +uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten +gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die +volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de +Carmagnole: + + "Ça ira, ça ira, ça ira, + Celui qui s'élève, on l'abaissera," + +en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de +wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een +onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons +de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen +met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau, +wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet +in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien +slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden +zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen, +nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten +maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn +lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de +menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten +te voorkomen, te genezen of te verzachten?" + +De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop +nog vleugellam in dat der daad. + +Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en +herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste +lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader. + + * * * * * + +In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede +"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in +zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen +werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend +schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de +dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der +hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde--nl. van algemeen +ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden +verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute +finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden +toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid +van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten +hem ziek. + +Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het +was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong, +nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de +tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan +anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij +zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen, +de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon. + +Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat +is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog +zeldzamer is, hij zette het door. + +Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap +neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen; +Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was. + +Hoe zou hij nu leven? + +De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden +chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel +geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste +parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was +een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een +der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach, +geschonken.[28] + +Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en +niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in +'t verkondigen zijner beginselen. + +En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn +het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede +en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale +idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn +gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die, +wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt, +nederschrijft." + +Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef +fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield +van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd +muziek-copiïst. + +Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het +handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem +genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het +mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't +platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn +dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud. + +Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij +had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de +letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon +voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet, +die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de +goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke +stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven +onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie. + +Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven +allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom +moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te +doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien +in hun binnenste; naast 't samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe +wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van +vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn. + +Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn +uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie +der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot +in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij +schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand +zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de +kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn +kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen +afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij +gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Thérèse--hielp +hem daar weldra van af. + +Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en +knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde +jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag +voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet +alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan +de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en +door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem +'t hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te +krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij +aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was +toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te +overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen +op zich tegen hun "begunstigers," die maar één doel kenden: de hen immer +najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles +dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne +beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door +hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun protégés moesten +ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze +gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te +bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden +alles koopen, waarom dan ook niet dit? + +Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken +doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd +is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de +vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij +verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich +heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok +dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en +wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel +vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En +achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke +moeder. + +Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en +bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen +was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt +het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten +van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over +in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook +de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke +menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde +gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in +elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt. + +En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk. +Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke +vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen +drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk- +gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een +lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid +der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan. +Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam +slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een +anderen. + +Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het +verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren +lang zijn leven zijn. + +Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs, +om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de +zachtheid des levens zijn. + +In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van +zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer +een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen +stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek +viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te +Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij, +in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De +Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde +den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau +weigerde op audiëntie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste +begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun +eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen +de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was +uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele +uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel- +artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij +"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen +te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de +jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen. + +Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden +was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig +na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij +beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige +keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te +geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht +op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in +beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te +vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die +de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap, +arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja +verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een +burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had +afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind +naar 't vondelingen-huis brengen. + +Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos +had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren +van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de +bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in +zijn wezen. + +Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en +begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te +vestigen, waar hij in '54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed +ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf +nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem +geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn +geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij +bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij +werd opnieuw protestant en burger van Genève. + +Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en +voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou +'t er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk +willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting. + + +Noten: + +[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV, +boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot +XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het +felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn +ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. +in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal +geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel +drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan +de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideeën de +drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale +oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de +ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging. + +[2] Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn +wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de +Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel +lager geweest zijn. + +[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere +geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk. + +[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278. + +[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l'Industrie en +France. + +[6] Mémoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII. + +[7] Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39—40. + +[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst +van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats, +terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is +opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden +uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische +vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te +herhalen, neemt natuurlijk sterk toe. + +[9] Levasseur, bl. 536. + +[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI. + +[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den +Franschen handel een geweldigen knak toebracht. + +[12] Levasseur, bl. 549. + +[13] F. Rocquain, L'Esprit révolutionaire avant la Révolution. + +[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12. + +[15] Windelband, bl. 359. + +[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk +der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte +der neueren Philosophie. + +[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische +gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald +bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26. + +[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten. + +[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1 +allen" uit. + +[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles; +brûlons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en +graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die +tegen Lodewijk de XVIde. + +[21] F. Rocquain, de l'Esprit révolutionaire, bl. 298. + +[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk +noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige +vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige +vrouw te beschouwen. + +[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIième siècle," blz. 296. + +[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau +heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse +uitgelaten. + +[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley, +wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid +der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt. + +[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest. +Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire +kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had +burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en +"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de +overladen weelderigheid van het rococo. + +[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl. +de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van +zijn eerste "Discours" heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk +te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk +gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch- +waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en +bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben. + +[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo +Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht" +(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van +den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de +18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld +worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan +eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van +ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de +schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar +habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet, +Histoire de France, XVI, 84). + +[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor +het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven +was die hem de audiëntie deed weigeren. + + + + +DERDE HOOFDSTUK + +DE GROOTE JAREN. + + +I. NAAR DE VEREENZAMING. + +Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en +levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance +in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar +van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast +ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen +verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele +werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij +was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi +maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan +zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte +te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel +esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden +om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van +intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe +Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te +noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een +warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar +kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig +en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de +vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij +behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die +haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig +en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te +komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze +veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste +berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net +gaf wat hèm paste en niets meer. + +Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij +doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook +was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk +gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige +sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel +hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij +luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden +gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de +wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen +van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een +beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en +met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn +hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen +dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar: +"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij +is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch +eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt." + +Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd +vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind +gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de +man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich +maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden +van hem vervreemd heeft. + +Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg +van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem +leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt +een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed +musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde, +want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den +jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en +deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig, +een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching, +plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte +zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van +Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon +een "Correspondance littéraire," een soort bulletin voor buitenlandsche +vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs +verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had +zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen +vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd +en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in +'t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver: +oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij +langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar. +Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en +was daar zeer verheerlijkt mee. + + +In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't +vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij +Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen +Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en +Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een +keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen +vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de +moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan +het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond +daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het. +"Hè," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet +veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later +bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw +allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw +kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die +booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève." Dat was +echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar +bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij +arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende +brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf. + +Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist +de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van +zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij +voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen +grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de +lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid. +Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot +vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een +voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over +hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge +uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd +weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven +en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke +gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste +onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn +pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat +mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar +ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor +mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid. +De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen +acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar +had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij +overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van +innerlijke krisis gekweld." + +Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn +verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de +Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard +maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut +in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou +wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij +overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage +woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees, +voor zijn rekening zou nemen. + +Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling +verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat +hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij +nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad +of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen, +heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles," +schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes, +flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn +hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; +of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein +van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar +een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren +tot de natuur." + +Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij +had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't +gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was +aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te +brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren. +Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij +zelf nog niet geheel in 't reine was. + +Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een +beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij +was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en +had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van +uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om +daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een +soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan +stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding. +Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom +gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had +veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig +wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van +een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo +onder de hand door. + +Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij +willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte +de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals +uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet +op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde +richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het +onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen +in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de +"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl +Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den +innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij +nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn, +begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar +teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende +te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der +liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van +zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op +een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met +onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het +brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die +jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij +uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de +"Nouvelle Héloïse." + +De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten +om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die +zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens +alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen. + +Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van +Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar +geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht, +door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de +velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en +sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal +zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn! +Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij +goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes, +blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme +d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie +vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht. + +En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den +zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel +zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij +niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd +had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de +verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld +door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede +plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel +genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals +wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd, +zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te +murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de +verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem. + +Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat +zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen +verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één +geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten +en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt, +die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit +liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde +teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen, +zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de +verbeelding in Rousseau. + +Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de +rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen, +wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen, +die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem +altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner +fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die +eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had +hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden; +wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen, +verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was +de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij, +geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en +roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de +droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude +stroom vloeide weer rijkelijk. + +Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want +Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend. +Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet +zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben. +Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te +maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er +in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij +gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest +altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot +hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet +naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren +die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had, +door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit +was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken +uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw +hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in +het woud. + +Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren; +dáár was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie +die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen +onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer +hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd +voorbij is. + +Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch +dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en +bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden, +heerlijke jeugd. + +Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der +jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. +Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de +bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond +en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart +samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd +verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit +eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, +voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat +hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; +ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist. + +Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn +eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer +terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene +nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven +zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit +bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij +te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij, +zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam +als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn +fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij +jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling; +weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al +de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had +ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien +onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't +oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry, +hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk, +hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap- +secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel +dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden +door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij +Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong, +bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al +lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en +dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet. + +Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor +de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te +sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te +grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de +broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn +liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een +ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid, +zocht hij in de fantazie. + +Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen +omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde +samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare +eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle +storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat +hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde +samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur. + +Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen, +twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de +minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan +den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de +Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind +had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en +vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar- +beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument +oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde. + +Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en +onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had +voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij +zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over +het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der +liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En +wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd, +voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich +geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een +deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke +zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van +zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte +hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig. + +In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de +schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds +lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets +meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men +zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen +zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en +armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en +kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig, +en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had +een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de +mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de +natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen; +een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, +op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde +hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd +spreekwoordelijk. + +Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder +waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar +zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote +wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid +en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar +afwisseling. + +Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van +1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder +blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol +uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren +geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk. + +'t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal, +in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar +minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de +buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te +verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den +eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen "citoyen" met zijn strenge +begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de +verlokkingen der Parijsche wereld. + +Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te +worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest. + +Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts +schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor +noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke +vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor +hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van +den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en +verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te +voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de +andere?[31] + +Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de +daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat +van mysterie is hij. + +Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend, +vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat +wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn, +niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was +de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen +overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf +èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo +leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en +smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideëele in +hem, al zijn moreel gevoel opstond. + +Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd, +--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst +beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en +weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te +blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten +weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht +hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw, +die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang, +kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot +extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat +alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf +en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam. + +Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn +zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch +van innering. + +Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare +boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van +de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Héloïse." In de vlammen +van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn +wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt +duizenden blij van bevende zaligheid. + +Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie +die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest. +Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der +lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs +ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven, +dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van +Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige +menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog +erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal +aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij +zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij +toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan. + +Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed +voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke +neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker +geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn +heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te +probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen +hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch, +en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't +allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer +geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren, +schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de +wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als +vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar. + +Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van +komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen +schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot +onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had +verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten +doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende +leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en +gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in +Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak +had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden +als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich +met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht +Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel +verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen +dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in +langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die +stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend." + +Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend +als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm, +stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen +hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een +kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme +d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend +had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare, +hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het +dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten +worden? + +Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet +ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor +haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude +vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes, +waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph +die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een +verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te +worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij +koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij +ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen +dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem. +Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te +voorkomen. + +Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen +kwam de vonk. + +St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau +op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als +een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan +Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay +gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin, +die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar +zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in +Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere +explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart +der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale +op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen +hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed +en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij +wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een +schijn-verzoening tot stand. + +Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te +toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof +hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en +was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later +in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie +van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën. +Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde; +de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen +de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot +zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken. + +Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen +was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam +juist de stoot, die hem ondersteboven wierp. + +Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en +vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo +spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar +bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te +stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau +haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en +hoopte dat hij 't zou doen. + +Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève, +niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse, +die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te +praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en +naar Genève ging om in 't geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En +toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van +Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't +bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme +d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen +hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay +was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te +gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling. + +Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke +positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst +van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij +dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert +uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg +van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij +zijn stekels naar alle kanten uit. + +Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering? + +Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm +werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Genève sturen om, +zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen? +Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem? + +Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij +zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: "'t zou +gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de +menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan +zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar? + +De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in +twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid +gebracht. + +Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende, +gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien +tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme +d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in +die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en +goed-bedoelde zorg. + +Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te +verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht +tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te +vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen +Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het +antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest +onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te +verlaten. + +Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien +de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op +denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs +teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol +betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog +eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij +begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen +hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat +hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn +evenwicht geheel en al. + +Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid, +zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in +den tuin hooren, hij leek waanzinnig. + +Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de +kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders +altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't +dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en +erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme +d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig +en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge +niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar. + +Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke +breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als +om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden +zijner hoopvolle jaren verliest. + + + +II. DE KATASTROPHE. + +Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met +Thérèse getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen +in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar +den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was +oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de +meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het +terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den +hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek. +Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde +naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency. + +Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open +koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot +zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar +elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van +1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van +vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon +zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke +ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van +den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die +dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te +doordringen. + +Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den +titel "Lettre à d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het +werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Genève" in de Encyclopedie, +waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en +ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te +laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van +d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf +regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van +bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève, +bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge +heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun +best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in +Genève was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van +Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden +melden: "heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt +een stad van genoegens en van verdraagzaamheid." + +De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden +geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het +klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen +begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw +onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de +eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener +klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische +gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven +der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar +tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als +zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van +rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige +landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker, +maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich +zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan +wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem +verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de +onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn +eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem +gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions" +getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde, +zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, +al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er +in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene +inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en +wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in +'t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van +dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam, +een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Héloïse" +wekken zou. + +De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met +de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat +men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet +geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich +gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire, +diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den +leider, en dat kon niet worden getolereerd. + +Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit +de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende +gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld, +en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars +wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven +en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst +zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend +gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren +in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van +diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar +zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks +zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was +zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering +tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet +weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste +brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar +gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten; +daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die +snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en +even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en +daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke +paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te +dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu +moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en +van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat +Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar +had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't +gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in +particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte +deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn +ergernis lucht. + +Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover +de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde, +in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de +dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename +bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze +verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den +tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon +te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift. +Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk +was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij +feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire +eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om +hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief +van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was +geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk +kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon +zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een +toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van +den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het +die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen +sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en +zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch +bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in +één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die +waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle +gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de +bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde +voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760. + +Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er +buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien +tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ... +verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Héloïse," die +kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Héloïse" noemde hij "een vervelende +en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond +hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid +boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder +maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en +dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren. +Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor +de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den +vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans +gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte, +denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op +zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te +maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de +god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn +meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?" + +Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van +Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige +waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos +het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan +ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd +is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed +benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke +meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht +en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de +verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht. + +In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk +met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat +wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau +beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige +prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te +hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een +verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau +in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening. +Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook +eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik +haar weer aan te blazen." + +Zij hebben elkaar nooit meer gezien. + +St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's +handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei +en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had, +terug stuurde. + + * * * * * + +In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem +hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede +kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij +leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid; +de "Nouvelle Héloïse" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde +daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte +in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast +twintig jaren in hem was gerijpt. + +Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature +indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren +aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben, +een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar +geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de +innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote +punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de +verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de +verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had +uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat +hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een +nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de +sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het +verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de +eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen, +gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich +in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat +de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken. +Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij +bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart +altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon +niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe +in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de +menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te +geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst +naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was zóó +kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem +alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die +hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven +--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood +verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met +Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was +het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst +beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren. +En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het +oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke +instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en +het overige te doen vervallen. + +Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al +vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire, +die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij +zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch. + +Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de +meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem +was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan, +--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een +open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en +aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste, +oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel +overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het +wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het +ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts +verdiepen in zich zelven. + +Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen. +Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef +hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren +zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een +overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in +zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te +verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan +dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp +afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer +honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart +verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid +steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken. + +En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte +handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem +van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der +groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in +aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling? +De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig +of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de +Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen +zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn +betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere? + +Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte, +zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten +eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die +Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem +over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht- +gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast +elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en +intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het +hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem +altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke +boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en +beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der +letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om +alles glad te strijken. + +In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Héloïse," +begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een +vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij +schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den +naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van +een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen, +het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette +zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak, +geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie +van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde. +Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter; +uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte +hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie +maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd +aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en +zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn +steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans +onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken +omgang tusschen hen. + +Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en +hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde +kennen. + +Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen, +waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op +het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar +keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen +soupeeren, als hij lust gevoelde. + +Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in +den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de +maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn +bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer +aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht +en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met +allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in +bed lag, de "Nouvelle Héloïse" voor die zij verrukkelijk vond. + +De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde +kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een +vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder +eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en +eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van +hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe +vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd +hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem +was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar +reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van +'t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd, +berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende +geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij +om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij +had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau +leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar +konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in +haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van +zijn kant. + +In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn +nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee +om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij +lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet +voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken, +hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon +verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de +kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde +hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen. +Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem +niet met geschenken lastig te vallen. + +In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de +groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst +pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een +eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in +het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig +van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke +omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou +houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje +netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen +verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet +weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand, +toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd, +trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal +niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een +dergelijk experiment goed afliep. + +Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn +huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen +van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een +paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen +zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun +herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo +waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem. + + * * * * * + +De "Nouvelle Héloïse" werd lang voor de verschijning reeds veel +besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele +zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot +afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn +liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen +hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er +een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en +de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die +afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren +kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar +uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes +was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der +letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij +naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen +lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur: +de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen. +Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de +letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte +onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was +een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want +in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige, +verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van +het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der +persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Héloïse" beduidde de bevrijding +der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw, +van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend +auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke +in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de +"Nouvelle Héloïse" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden. + +Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven +geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het +zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij +bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of +geen heilige. + +Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van +veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij +had 't even lief als de "Nouvelle Héloïse," maar met een andere liefde, +niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste +werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige +geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. +En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, +in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens +en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: +het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke +lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des +harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging +had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare; +diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten +het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn, +zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had +verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde +zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het +verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek +in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn +geheim.... + +Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan +Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en +hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar +medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop +althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was +geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij +een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste +toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem +vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare +hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit +te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile." + +Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de +eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de +Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet +plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te +vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij +gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij +zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre à +d'Alembert" en de "Nouvelle Héloïse" hadden hem een bescheiden sommetje +opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte +hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs: +daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die +schatten verdiende aan de "Nouvelle Héloïse," verzocht hem om +toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te +zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn. +Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd +dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor +een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een +warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van +verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid +knellend en rukte zich los. + +Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot +het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geëischt +en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam +gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen +onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut +vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij +woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee, +ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde +er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor +zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den +martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam +verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem +onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was +typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen: +behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch +fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die +gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, +had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste +onaangenaamheden op den hals. + +Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan +hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed +waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip, +waartegen zij te pletter moest slaan. + +Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de +Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had; +dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland +gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar +inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel +merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de +copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij +begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur +niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat +het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen; +hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem +gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg +hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen +antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek +dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde +zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden +gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij +dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten +hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn +vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste +discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen +zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte +zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem +gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld +proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij +zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de +Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven +met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn +van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag." + +Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de +Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur +toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en +de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk +ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen; +een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk +door het feit dat de "Nouvelle Héloïse," waarin evenals in den "Emile" +de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet +verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat +Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen. + +Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te +duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te +waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een +toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde +zoo sterk, in "Emile" vóór den godsdienst, tegen de materialistische +philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk +immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als +het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn +toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in +Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun +gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot +verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te +gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't +plan uitgesteld. + +De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire +vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de +verschijning der "Nouvelle Héloïse;" d'Alembert schreef hem om hem geluk +tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der +weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem +heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering +te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme +de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou +hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in +de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het +parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles +wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar +vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou +vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar +hem dreigde. + +In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin +hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden +morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te +bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen +een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen +linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de +dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag +in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die +juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van +hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich +voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij +naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de +Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een +edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees, +gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen +te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden +vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland. + +De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren, +tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van +het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte +smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het +achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee +mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel +van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging, +waarmee de hertog naar die sleutel greep. + +Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te +zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven. + + * * * * * + +Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een +geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij +een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij +groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen, +die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's +morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat +hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt +hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een +plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd, +verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder +een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in +zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij +soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den +avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot +een idylle in den trant van Gessner. + +Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat, +nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire +partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst +schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de +wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was +vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen, +die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als +jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen +rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien. + +Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de +hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn +overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan +hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en +zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem +laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig +waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan +hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge +betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun +houding te zeggen? + +Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van +Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een +verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit +de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan, +maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_. + +Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche +menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem +ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid +hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem +weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een +stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen +gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo +bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende +hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd, +zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij +kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en +gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn +schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze +bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los, +inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem +wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem +zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe +rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op. + +Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles +onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk, +van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn +meerderen waren. + +Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten. +Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil. + + +III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN. + +De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht, +jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht, +grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens +voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie +geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten; +vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de +Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en +kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing +en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van +zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te +midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de +voorstelling troonde van het eigen ik. + +In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de +wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het +beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt +zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle +Héloïse," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften, +met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze +werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen +gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. +Wat de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee +rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre à Monseigneur de +Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne." +Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote +jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen, +versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en +levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der +tweede rubriek, de "Confessions" en de "Rêveries" zijn, zuiver als +woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, +de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken, +waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate +waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te +roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van +Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de +"Confessions" en de "Rêveries" boven de "Nouvelle Héloïse" en den +"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en +uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin +de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en +sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan. + +In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener +levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de +natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling +(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse- +verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Héloïse" en de "Lettre à +d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk, +gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van +godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal. +Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het +menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij +worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en +denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot levenswerk. + +Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht +niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van +den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote +onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te +leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht +te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak +niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom +bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De +geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde +tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd +somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De +sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem, +maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn +conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle +Héloïse") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn +conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog +is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene +theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt +tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch +tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en +jong-meisje tot elkaar behandelen.[34] + +De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo, +dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot +dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht +bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten +is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der +fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél +kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, +de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het +lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende +verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--dààr lag zijn +vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied, +met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame +worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich +eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het, +om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en +dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend, +zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en +aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde, +maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de +zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief +is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner +haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met +hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen. + +Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave +missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote +verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk +onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een +vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe +vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van +zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en +betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm +van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Héloïse" toepaste, +was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen +romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten +een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson +was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige +afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van +Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot +het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie. +Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen +opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel +voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door +de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken +en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen +gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of +prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote +burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot +bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun +romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den +inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke +inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze +de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der +feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35] + +In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar- +overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle +opzichten het meest origineele zijner werken. + +In de "Lettre à d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle +Héloïse" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische +beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de +idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven +der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een +adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde +herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene +verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid. + +Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde +groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen +vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft +Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding +vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug, +bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen +hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam +brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen. +Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere +ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe +eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid +laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen; +een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend +in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging +over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de +dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen +sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich +tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun +eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote +revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie! + +Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat +beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De +beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere +smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn +innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen +zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn +voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche +gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel +doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver +maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De +geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid, +gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van +Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de +oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een +hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een +vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden +geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie +en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der +eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had +verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had +verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle +zoete en sterke bewegingen van het gemoed. + +Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met +Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze, +in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende +moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu +isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de +samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der +vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den +burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn +hoogmoedig hart. + +Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo +liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij +Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn +ouderdom, de "Confessions" en de "Rêveries." Naast de eenvoudige rijke +levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de +betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne +doorzichtigheid der "Rêveries" staan de werken der groote jaren als +minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen. + +Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë +sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat +tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat +der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze +parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Rêveries," ontbreekt. + +Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen +en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken, +vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk +leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel, +de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten? +En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze +doordringt, de edele verheffing? Vanwaar? + +Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij. +Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van +zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters, +had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der +klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel +der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel. + +De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere +volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en +juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der +kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in +den weg stonden. + +Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de +ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering +en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd +tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de +dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit +wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel +een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden +hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te +voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische +tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te +houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud +der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld +door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid +gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe +moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen, +voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot +deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der +klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het +patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme, +die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich +vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid +hun ontzegde te zijn.[36] + +Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven +den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de +vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in +de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar +somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het +theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet +anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het +gevoel. + +Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van +Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij +Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de +burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie +tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij +vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë +laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der +revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher +harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren +innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen +bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij +geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in +den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht +en heerschzucht en nijd. + +Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar +voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn +sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming +der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen +tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood +aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch +voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in +aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn +tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige, +door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie +den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige, +onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie, +kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der +levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te +volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken +moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme, +bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze +gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en +te versterken. + +Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig +instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe +maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun +wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met +alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig +kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. +Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en +de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de +valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze +gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan +het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar +waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld +brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet. + +Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in +zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau révolutionaire," dat +Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te +veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft +opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet! +Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde +welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou +behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun +taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van +hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn +werken tot het evangelie van den revolutie-tijd. + +En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de +schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal +waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die +geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het +gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had +Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan +een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit +Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden +geput. + + * * * * * + +Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau +in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het +menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het +universum), en de verhoudingen der menschen onderling. + +Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk +God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de +menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor +dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met +de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in +Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later +verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd +tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde. + +Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote +bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk +gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook, +maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk, +dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks +staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin +overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn, +maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme +der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een +deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der +toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende +beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er +sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt +stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij +te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het +zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische +philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale +neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen +van den mensch. + +In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god, +boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de +verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn +eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij, +die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken +arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen +tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen +tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De +warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel, +den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als +zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander +gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der +menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch +spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de +eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de +concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk +middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten +God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een +groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd +werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en +samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den +voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming. + +Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen +groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was +zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch +was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen +over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken +grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid +was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren +òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere +afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en +absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de +grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de +kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen. + +In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de +burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen +(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen +godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een +of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar +bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de +abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke +verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel +der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist +uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en +onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk +fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal, +handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische +theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo +beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale +gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid +van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk +handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de +eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen +staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen +met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij +hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning +voor het onderdrukken daarvan. + +Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee +polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide +wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is +daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als +"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het +punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende +klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de +strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was +Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat +rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de +materialisten door de hunne "er bestaat geen god." + +Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van +Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan +een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme, +in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die +hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek +moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven, +verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn +Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, +de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle +samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste +expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den +grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god +te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke +kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het +menschenhart geschreven had. + +Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos +zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen. +In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm, +bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier +stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk +wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen +God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en +maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan +koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad; +zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet +de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden. +Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend! +Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet +onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk +af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over- +machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste +smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en +hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het +heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste +hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op +aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef +hij aan een kennis uit Genève, "ik geloof aan God, en God zou niet +rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen +ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den +booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt +de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. +Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven, +alles wordt hersteld na den dood." + +Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het +slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de +laatste boeken van de "Nouvelle Héloïse" en in de belijdenis van den +"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het +geweten zijn de beide pijlers van dit geloof. + +De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het +eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij +vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van +gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of +slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den +mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het +lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche +stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede +begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god +gelijk maakt".... + +"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve +ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit +gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam +waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil +is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word +overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven +wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn +hartstochten." + +Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en +de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en +geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid +en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als +middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit +aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der +maatschappelijke verplichtingen. + +Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische +spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant +heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk +Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in +innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons, +die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken +oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag +de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle +kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te +onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door +middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de +grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat, +zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven +is, en wat wij met betrekking er toe zijn." + +Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle +tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het +werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen? + +Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en +bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit +tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun +persoonlijken aanleg. + +Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij +de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling +der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen, +en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging, +vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de +mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het +dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht, +dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de +verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij +een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van +eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen +wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang +bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de +levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar +der _arbeidende_ kleine burgerij. + +Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische +natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten, +maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren +troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde +er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41] +der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het +kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde +waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en +een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en +_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en +de Jacobijnen aan een "Etre suprême," een opperste-abstraktie, samenvattend +al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter +welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reeële en materiëele +klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, poëtisch-opgesmukte +deïsme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred +de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks +af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard." + +Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar +geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van +den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot +godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie +tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de +volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en +den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft +gekozen." + +De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij +meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan +de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn +tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de +autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen +versterken. + + * * * * * + +In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours," +de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over +politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen") +heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen +op den menschelijken staat behandeld. + +Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze +geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke +hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme. +Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk +van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social." +Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den +strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming +en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen +schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het +maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het +"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken. +In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den +eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het +maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen +ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle +ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij +daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving +en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen +staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die +hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn +vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen +verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe +levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit +hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen, +dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen +maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt +wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede +"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel +als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen +te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover +de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n. +"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de +oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te +demonstreeren van het absolutisme. + +Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire +denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat +te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste +vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en +vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de +voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke, +boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch +onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van +een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken +over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de +onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste +uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde +in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met +aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de +burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu +schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van +Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. +In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste +aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische, +terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat +tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt. +Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair, +gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den +inhoud van het bewustzijn dat ís. + +Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie +verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening +houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene +revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden, +voorzichtigen kleinburger. + +De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij +geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het +recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De +noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar +met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk +kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke +macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen +enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder +de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij +zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot +oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne +leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in +ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht +van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne +krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele +en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal +gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als +_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet +onderworpen. + +Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat +zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden? +Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil +hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger +heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene; +maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke +persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt +met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil +hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de +wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om +vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich +onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet +tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn +eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar, +de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen +welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds +het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer. + +De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren +en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de +regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn +dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk. +Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd +vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding +van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk +lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt. + +De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of +demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de +handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal +zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie +alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil +des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar +vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van +een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen +welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig +vorst. + +Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de +beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een +aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige +zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden, +het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen +is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is +dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest +verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust. +Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de +aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste +waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz. +van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in +den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties +verkiezen. + +Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest +verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den +staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling +der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering +'t meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de +middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken +van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een +slechte haar vermindering.[42] + +Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van +den souverein, dat is van den volkswil. + +Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering +die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot +onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend +vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde +tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit +te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk +kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een +stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein +behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of +het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er +thans mee zijn belast. + +Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het +verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan +noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept +zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een +talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te +geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan. + +Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische +redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der +demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den +soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen +souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als +zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau +revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts +voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn. +Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas +door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor +deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders +van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en +denkbeelden schepten. + +De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der +burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het +overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen +die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem +bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige +abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine +boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der +teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden +patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om +den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de +instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een +tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was +de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen +bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den +landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was; +industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen +gering. + +Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking +tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het +"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten +over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld +welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het +eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de +afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten +voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner +geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer +sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de +politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat +geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de +plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende +ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre à d'Alembert" +verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij +de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel +ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een +groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk +de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in +praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het +"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden +behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk +met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet +de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie, +uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere +bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het +proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting. +Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren +tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de +industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering +door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de +kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der +overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze, +zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van +hinderlijken dwang. + +Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur +voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid +der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit +alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der +oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer +10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die +hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten +kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den +handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die +op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn +verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts +onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne +persoonlijke. + +Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het +volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den +hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee +van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de +werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat +herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid +ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: +de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle +burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig. + +Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot +verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid +van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren. +Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter +uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich +somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte +zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te +schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze +uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden, +echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het +verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en +wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte +de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch +inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de +gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn +geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom +als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over +de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het +heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog +belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der +ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen +het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere +plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn +voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het +verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau +meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen +was voorafgegaan. + +Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het +kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op +uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate +onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in +het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken +van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk, +op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der +vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de +gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en +de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat +geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit +armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom, +die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het +patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit. + + * * * * * + +De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en +affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de +rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak +van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot +zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms +wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid, +zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen +_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de +eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk, +wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de moeurs verpersoonlijkt +in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus +tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken, +zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de +omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik, +ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet +zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets +levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles +is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije +tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze +goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om +teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten, +vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo +hoort het."[45] + +Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den +minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk +als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche +gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste +levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met +den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking +niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de +provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot +een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich +aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt. + +Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie, +hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge +driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal +bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde +is àl scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin +'t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar. +In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen +verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot. + +De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste +instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten +met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar +begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want +dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar +nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen. +"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot +van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen." + +Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel +doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam. +Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere +elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar +val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een +theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het +enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met +de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma: +"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke." + +Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo +leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Héloïse." Het +boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere +sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden. +Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd, +lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in +zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit +één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de +schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet +omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle +levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! +De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de +staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de +paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit +gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan +hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't +hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene +en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet +meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de +Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen, +verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit +elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen +verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend +haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van +wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de +menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden +van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke +ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van +kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de +geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij +kunnen niet weerstaan. + +Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van +elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte +moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de +onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al +berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij +ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende +blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de +liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt +de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de +deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de +menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt +hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander +wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen +persoonlijkheid. + +Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige +vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie +gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der +gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen +van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven. + +"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar +het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden +is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één +voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te +maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor +het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet +langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij +en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de +zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een +verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij +verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis, +zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam +maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen +haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten +alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen." + +Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde +met de schaamtelooze wellust van Marivaux! + +Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee +Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze +kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux +beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere +teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend +gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het +temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en +schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig, +door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt. + +In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt +van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte +der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid +prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de +tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te +verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of +liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te +los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding +aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en +valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne +waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar +grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke +neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het +teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en +eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die +natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed +met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding. + +De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt +het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met +elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar +geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste +in onze persoonlijkheid. + +Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de +natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het. + +De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te +verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling, +waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het +recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander +recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur, +zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die +Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Héloïse" in beeld heeft +gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken, +de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos +volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te +leven volgens hooge zedelijke beginselen. + +Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen, +koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede +gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden +acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar +voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht +gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar +hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan +haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als +vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser +en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de +heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een +nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een +uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar +nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben, +dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste +plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat +volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen +der rede die uw gave in mij is." + +Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij +zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de +betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende +verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling +te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is +tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid, +bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter +en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere +affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en +rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te +zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen, +zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te +voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen +haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed +nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk. + +In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de +voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin +(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve +voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij +heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij +staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en +van een talrijk personeel. + +Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is +het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende, +allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des +levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om +zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt +geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij +'t wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur +hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef +stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt +Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt +gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en +liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar +laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn. + +Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" het recht der +persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk; +hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als +jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde, +ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan. +Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een +zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes +bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een +passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het +tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of +een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als +een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige +erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het +denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche +steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan +vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe +opvatting van elkaar alle vrijheid te laten! + +"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een +schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als +de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo +de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was +zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar +aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te +weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar +wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In +waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te +huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid, +vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief, +des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan +zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van +trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik +zachte en sociale zeden."[48] + +Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere +klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan +verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie; +òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te +velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar +minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield +'t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en +lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte +platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die +wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling: +daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener +clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht +voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de +provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op +het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie +voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener +boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun +mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging +Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in. + +Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn +huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte +werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De +jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten +eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich +zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, +in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in +eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld +door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet in alle +vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan +voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid. +Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en +moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging +beginnen, om niet te eindigen dan met den dood. + +Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven +overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen, +huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk, +en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat. +Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te +stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de +vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische +kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo +ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van +kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in +de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere +verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en +geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen, +zoovelen tot zegen zijn. + +Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor +Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk +te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de +school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de +rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht +om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit +compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man +dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij +hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden +rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd? +Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken? +En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan +dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke +veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet +het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven +voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen +voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze? + +Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde +en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen. +Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet +eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk +gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en +bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de +gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs +verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene +genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit +alleen erkennen wij als het ideaal. + +Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der +"Nouvelle Héloïse." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast +vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons +zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau. + +In de "Nouvelle Héloïse" zien wij de vrouw optreden als de genoote van +den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige +opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen +wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden. + +Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de +bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale +bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich +die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen +arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld +ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en +het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin +door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het +ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half +patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap: +in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar +lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst +van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken. + +In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich +aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in +zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan +het geestelijk leven van hun tijd. + +Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies, +deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle +waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing, +vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit +soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat +"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en +mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen +een soort van monster. + +De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om +de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze +geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet +veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar +slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover +dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar één ding moest +haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te +verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw +is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te +dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit +onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te +verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok. + +Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als +slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, +maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol +is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn +liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer +van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de +heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van +waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te +onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij. + +Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de +salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De +natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest +daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar +geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te +leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der +oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der +woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het +openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch +leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren, +en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten +door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen +verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het +elkander lichtzinnig naäpen, zooals de ijdele kwasten en de malle +salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het +mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in +geometrie en ontleedkunde te liefhebberen. + +Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming +van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande +ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij +niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten +moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke +mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit +weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin +de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken +en liefhebben zal. + +Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en +onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn +kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag +mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide +eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij. +Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om +haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en +in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En +hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden +zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het +karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw +van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in +den dienst der gemeenschap. + + * * * * * + +Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk +vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede +patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden +over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner +voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri; +maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het +menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires, +dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk +verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal +meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder +nationaal-beperkt. + +Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone +opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in. +Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt +om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven +der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle +doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche +manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst +verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen. +Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en +vrouwen, geen menschen. + +Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming, +moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden. +Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier- +hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en +volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt, +des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de +hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders +nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden +toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes. +Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de +jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare +waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het +morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen, +want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet. + +Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke +opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij +zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met +zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in +dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen. +Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen +wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie +vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des +kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een +moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die +het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg; +die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn +bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn +spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids- +vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't +niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door +de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen +vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind +niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door +lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou, +honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot +zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een +jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk +niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd +wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen +abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid +van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse +zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen +spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later +veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze +ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de +werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij +te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond." + +Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen +vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn +denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties. +Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de +oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit +noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving +bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de +menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar +het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van +het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch +hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening +van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en +zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid +van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot +een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden. + +Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch +opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder +mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de +genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door +een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der +oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel +in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers +voort, maar slechts bourgeois. + +Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en +het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt +niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig +als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem +waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste +trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn +individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder +den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der +opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en +plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken +van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen +van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel +zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de +individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar +waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v. +Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf +"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke +parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf buiten- +maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de +levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in +het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed +hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn +revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse- +opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed +tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving, +die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen +kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal +waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen +verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen. +In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de +overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond +zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden. + +Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel +voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen. +Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken +doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid, +zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de +eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men +geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk, +neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw +middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht +dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te +leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en +rechtvaardig leven hebben geleid." + +Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling +gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem +voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van +kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen. +En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk +is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit +te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld +zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder +grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef. + +Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding, +wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen +gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend +geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de +grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen. +Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als +knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende. + +Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de +zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk +brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij +niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar +en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer +weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke +nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij +uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er +was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in +zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch. + +Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve +betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke +noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche +wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve +heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen +lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen, +wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De +levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging, +het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur +verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze +krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet +kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is +verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht, +zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en +te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis +voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de +eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft +waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat +zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle +wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en +aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de +wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De +mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom +moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er +geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij +verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en +verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile," +in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke +gemeenschap toch weer op. + +Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het +leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels +die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht, +winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen, +tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen. + +Hoe wordt nu dit doel bereikt? + +Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de +veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind. +Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen +leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende +behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar +behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het +dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige +leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is +het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder +teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol +vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van +elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het +eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen +te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen +straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen +daden van het kind, en die het als zoodanig voelt. + +Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de +utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan +dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk +eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat +het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert +Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen +ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het +tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der +natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis +der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om +mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde: +dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden. +Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch +mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal- +mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de +modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook +een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken. + +Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw +beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft +het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de +opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen +altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken +beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in +den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de +zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en +sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die +op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van +liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren +te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen +van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle +schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt +Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel +onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de +zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de +wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in +de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig +Schepper, dien hij zegent en aanbidt. + +De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt +zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide +kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een +uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze +vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der +werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van +zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de +ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale +leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk +van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling +van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire, +aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich +eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens. + +Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten +dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in +en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd +heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind +gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der +sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit +zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog +op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn +redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der +sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift +voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering +voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen +gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, +de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk +bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende +jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op +de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel +mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel +komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst +der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot +voorwerp heeft. + +Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor +de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme. +Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van +zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat +bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. +En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend +willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en +diens redelijk egoïsme. + +De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l. +Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle +denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder +ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar +hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het +groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te +vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe +de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel. + + * * * * * + +Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind +gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de +zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele +verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het +gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was +een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een +weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger +dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd, +ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven +--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek +als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot +zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen, +zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht +van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en +teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven, +zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze +gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als +hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen +heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd +meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor +zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en +woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en +tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend +innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het +verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin +keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare +bewoners terug. + +In de "Nouvelle Héloïse," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten +gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van +zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde +bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het +affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld. +Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte +gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van +vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen +geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scène waarin +Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift +barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om +vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie +aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond +van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: +tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de +onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht +hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke +teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost; +--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die +vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige +andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet +van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle +Héloïse" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke +affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; +hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen +flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die +omschaduwde sfeer. + +De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het +eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht +is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het +tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In +dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen; +de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met +zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het +mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn +eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal, +regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een +verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid, +soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en +hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen +plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd +niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden, +de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid +te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten, +over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het, +die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar +en principieel formuleerde. + +In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken, +niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de +aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren +glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar +hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd +uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen. +Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt +zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart +volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die +te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en +zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane +gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle +Héloïse." + +Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" ook verhoudingen uit het +gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende +menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het +vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale +verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel +van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet +aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de +grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen +zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen +tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets +van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor +eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding +tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen +hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen +en weer. + +Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde +Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke +waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel. +Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den +burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting +deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en +de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij +afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst +gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij +verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de +nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen +lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de +revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon +der burgerlijke vrijheid. + +De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker +van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om +klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat +in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. +Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van +tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in +dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke +kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder +zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot +het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat +dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is +niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet +geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos +zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht, +daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was +nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In +zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin +de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en +luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het +tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner +meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen, +was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit +den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk, +omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen +andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk +bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste +poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe +vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens +langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen +toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning +zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid +waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling, +omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou +raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en +proletariaat. + +Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner +kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute +vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk +hij de tyrannen haatte. + + * * * * * + +Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw +wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen +oproepen voor onzen geest. + +De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen; +een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een +kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont +de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert +zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch +zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de +ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop +van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst- +mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen, +de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld +die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke +is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede. + +In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering. +De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door +alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden +rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie, +geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De +burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen +tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid +in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen +zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en +proletariërs, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen +nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der +menschheid en het bestieren van het gemeenebest. + +De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of +overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk +leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer +menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen +arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den +schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren +zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen +zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege +ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en +dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft +gegrift. + +Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere +plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen +jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en +zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven +die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis +glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den +rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw. +Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in +wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd. + +Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen +arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood, +door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt +van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden, +als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot +geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot +feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers +in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen +bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije +mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid +hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en +vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk +feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is +der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te +herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel +van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen. + +Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven. + +Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het +kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu +leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller +menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische +samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij- +krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij +zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in +verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn +hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die +stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer +die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze +harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid +waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons +vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons +nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede +en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde, +het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een +glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land +zijner verloren kindsheid. + +Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme, +maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke +ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing +van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan +die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid +die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den +stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven +bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en +de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche +bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de +encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend +kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke +verachtten en verwierpen. + +Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven. +Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat +voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het +huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn +organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister, +vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den +mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en +breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in +vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort +roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van +terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote +droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven +der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte, +die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de +groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één +te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het +aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn +lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem +van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de +weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem +zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een +vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke +ondoorgrondelijkheid. + + +[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie +Jenvernay 1801).] + + +NOTEN: + +[30] Haar meest bekende werk zijn de "Mémoires de Madame d'Epinay," die +langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van +Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald +(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat +deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een +lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot, +dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven +van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de +Rousseau," blz. 188-189). + +[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de +liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den +"Tristan" maakte. + +[32] Mme d'Epinay beschuldigt Thérèse van 't schrijven van een anonymen +brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk +is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna +voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de +gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert +behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St. +Lambert _moesten_ bereiken. + +[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen: +hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had +gebracht. + +[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire +Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst; +en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is. + +[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan +zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den +"franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare. +Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot, +zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van +diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote +overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en +der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale +faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de +traditie. + +[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte. + +[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de +vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel. + +[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis +en de eeuw der omwentelingen." + +[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der +Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire +uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme." + +[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool, +die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de +_passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke +en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in +het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen. +Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht +in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk +dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot +revolutionair handelen als het mechanisch materialisme. + +[41] Gorter. + +[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de +plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging. + +[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een +poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen. + +[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel +ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die +terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de +grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn +mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo +ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem +zelf aan niemand behoort" + +[45] "La Réunion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de +Goncourt, "La femme au 18ième siècle." + +[46] "La femme au 18ième Siècle," blz. 173. + +[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide. + +[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ième +Siècle," blz. 239. + +[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers +te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het +regeerstelsel van Polen. + +[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de +inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen. + +[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de +groot-kapitalistische maatschappij. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK + +DE LAATSTE WORSTELING. + + +Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede +aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar +geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge +doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want +hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken +nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder +verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit +land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee +niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn +afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo +zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat +ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge +liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en +ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te +bezorgen." + +Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van +Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af +wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in +Montmorency achter te blijven. + +Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de +regeering van Genève den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar +had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich +binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen +volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich +bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den +"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten +tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de +kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen +voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat +hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam +liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De +aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een +herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus +vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er +uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde +den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek +had gedaan. Het "Contrat Social" werd alléén in Genève verboden: de +akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo +spoedig doorzag. + +Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou +veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit +genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme +Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver +van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom +Neuchâtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en +geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar +aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit +Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij +hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen. + +Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den +Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten +van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur +gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de +steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging +van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel +kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal, +ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen. +Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in +Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom +liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de +gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware, +massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder één dak--met +weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een +onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan +ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid. + +Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk +zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen +huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat +opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt, +de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer, +voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen +avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te +moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit +onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den +lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend +vergeefs naar een groet der zon. + +Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral +leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar +toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle +oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap +boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat +en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag +naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de +bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in +de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij +dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen +zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn +handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn +kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook +zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten +schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en +ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die +tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen +waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij +doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers +vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; +het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden +zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen, +de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van +uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend +uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in +de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal +stroomde: de forellenrijke Reuss. + +Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest; +heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren, +geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename +gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke +natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te +vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en +dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn +aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort +leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf +jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat +gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had +ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken +gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling +die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het +heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon +was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel +de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn +eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen +en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en +wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een +te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en +allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en +te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste +zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts +door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er +was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar +hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn +eenzaamheid mee te vullen. + +Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van +planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen +tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij +als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap +stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde, +vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken +zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een +zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, +heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende +zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de +schuld der menschen èn door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot +hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en +buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen +lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de +eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in +hem nog warme belangstelling wekte. + +Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen +heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in +zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der +nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men +interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of +vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig +voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die +in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar +om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij +eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was +hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede +overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie +was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, +die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd +verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de +plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te +populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat +natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen +door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk +hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde +de leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen +voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde. + +Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen +der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook +een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door +waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen, +die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van +specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker +geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing. + + * * * * * + +Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof +te vragen in het vorstendom Neuchâtel te wonen; ook wendde hij zich tot +den gouverneur van Neuchâtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland +doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens +bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel +mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden. +Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen +zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel +begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling +was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te +leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie +eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver +te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet +rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij +vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en +in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of +planten-verzamelen was. + +Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in +zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchâtel, te komen +bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman +en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot +elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef +Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar +onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid, +menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen +als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet +van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van +Neuchâtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door +de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor +heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij +hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme, +teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest +harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld; +zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel. +Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen; +tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord +Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei +hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn +genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door +waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij +zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de +brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen +vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau +meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer +schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden +zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost +nu ook ontnemen?" + +Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van +Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche +eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn +zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers, +met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend +correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van +Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean +Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij +is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer +dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men +van hem houdt en achting vóór hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den +vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar +de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers +bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij +plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine +republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij +tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd +philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen +vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar +draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean +Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven +met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst +met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St. +Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar +half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van +luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in +Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van +onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord +Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchâtel 't +jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar +Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem +nooit teruggezien. + +In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't +algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel, +van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde. +Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes +en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als +zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een +schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens +wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had +veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos +lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou +bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep +Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien. + +Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij +nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't +geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de +ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend +in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen +mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging +gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de +vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke +boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur +zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was +zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan +hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische +dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't +oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de +algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met +den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld +de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten +te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch +onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren +steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen +strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder +de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten +verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats +rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige +fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken. + +Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau +bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg +weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen +der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan, +welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot +lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis +van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het +protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig +geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem +had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen +in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven, +niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten, +want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor +nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te +hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den +predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het +toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Maréchal had +uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan +zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting; +als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom +beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte, +dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de +"Lettre à monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne." +(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen +tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had +gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het +begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een +en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der +"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich +zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen" +de protestantsche wereld in rep en roer bracht. + +Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem +aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar +de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen +tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag +natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding +gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den +plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het +leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de +aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van +onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om +door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten +getroffen te worden. + +Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol +innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig- +verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken +van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek +tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk, +schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te +vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen +werd te erkennen "ik herken den burger van Genève niet meer," maar het +werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door +hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het +geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij +Voltaire volkomen ontbrak. + +Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont" +weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn +gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen +der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In +dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op +bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te +zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij +in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan +Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen +godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding +van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke +godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de +essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid +der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den +godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den +mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering, +komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke +denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken +hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie, +boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de +voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle +verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van +den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige +denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag +der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het +bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder +volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren. +Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn +droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst. + +Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd +gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering +zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang +wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit. +Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de +overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een +jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund +zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn, +zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht +en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog +meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat +hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door +de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk +naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den +Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn +burgerschap der stad voor altijd afstand te doen. + +De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats +gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop +was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het +requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de +veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter +verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven +te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich +te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste +die in de "vrije republiek" Genève regeerde, bleek even beducht voor de +vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse +van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek +zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te +hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd. + +De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer +gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen +uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte +grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de +machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de +strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot +een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke +machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de +lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te +richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering +behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad +zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor +kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit négatif," +dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie +vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter +zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst +met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en +naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der +regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt +voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder +vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der +burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van +vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau +zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn +naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen +schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden. +Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede +middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in +de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren +door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale +protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het +behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en +grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de +aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten. + +Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten +onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij +zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den +loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als +martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de +spits der burgers stellen zou. + +Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om +zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen +van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens +zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid, +maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten +koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk +samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde +tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken. +Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed +gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem +tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd. + +Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen +waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de +procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in +den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne" +(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar +uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de +protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en +trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de +Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het +geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één +man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de +kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren. +Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij +zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten +Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe +bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde +van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de democratische leiders +om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig +voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds +in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand +onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen) +op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard +gebleven. + +De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau, +en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen +regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't +algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een +bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven +zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de +"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert +daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de +onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet +voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève +ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch +onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een +beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende +politieke kwestie: het "droit négatif." Deze beschouwing gaf Rousseau +gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze, +waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te +veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten +ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had. + +De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Genève in +lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware +protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van +door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte +beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel +dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke +vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk +verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude +geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne +rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner +erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije +interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, +om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen +twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen +vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van +het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de +uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest +natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de +kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk +leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke +ketterij. + +Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke +machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van +despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige +wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag. +Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef +hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur +ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen, +eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles +komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het +volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen +handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel +hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden +tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, +vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen +'t hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en +zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede +laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen +voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van +den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het +gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin, +in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen +over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun +groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de +overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en +vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek, +het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is. +Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid, +de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die +zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede +laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en +tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te +strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen +zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de +beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate +heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen, +noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult +satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak +bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten +voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering +dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid +en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft +er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er +mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige +mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik +geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen." + +Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots, +de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en +onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had +hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van +het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op +bepaalde gemeenschappelijke daden.... + +Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij +hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van +zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten +Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten- +bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te +zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in +den Haag en in Genève in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste +aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou, +de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik +wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen" +lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed +zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult +uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten +zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de +Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden +in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische +zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen, +liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en +beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per +slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus, +die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"), +dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk +van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo +ging het in eenen door: de wereld was tegen hem. + +Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn +vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die +algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende +tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij +in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet +abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reëel en +konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de +grooten hem een gevaarlijk dier. + +Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd +schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die +kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem +laaghartig, verraderlijk te bespringen. + +Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en +officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen +bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat +natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau +overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten +hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht +zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer +aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn: +Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te +zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een +grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van +den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph +van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch: +Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd +jegens zijn groote mededinger. + +Door de verschijning van de "Nouvelle Héloïse" en den "Emile" was +Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke +kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de +onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk- +revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar +macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van +absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van +hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden. +Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen +zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke +aangelegenheden. + +Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets +anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en +eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had +raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle +sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van +den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende +zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en +bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van +velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland +bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze +eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft. + +Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau +omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver. +Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van +armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle +anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en +wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn +leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in +een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de +vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't +schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En +sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg +hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn +vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den +martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en +jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden, +maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar +Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige. + +Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als +hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen +en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was +een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der +briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor +zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder +gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds +met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de +onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere +wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in +persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog +ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en +overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een +jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed, +om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht +bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting +van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw +breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in +zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel +mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het +opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden: +hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de +opvoeding zich moest bewegen, niet meer. + +Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van +den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een +bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets +verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die +onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie +veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze +houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme +van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor +het onherroepelijke van de daad. + +Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de +zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij +tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen +en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de +ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden, +bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een +enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling; +--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar +het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden +zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten +'s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in. + +Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau +Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op +hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken, +door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met +alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met +zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en +wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de +Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten +die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is +het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment +des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in +het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee +uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver +bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn +uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis- +reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige +meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van +een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een +medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke +gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt.... +Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in +beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest.... +Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in +Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie +omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom +wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen +dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij +gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken, +kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te +behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend +schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den +doodstraf_." + +Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden; +Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener +meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige +vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en +platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau, +ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam, +geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile +verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij +kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee +hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te +brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer. + +Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of +zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van +Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig +zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der +oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in +zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist +geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't +bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren +natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke +eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard +voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige +dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het +wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid, +zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster +samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van +vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van +het jaar '65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk +vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en +nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den +vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen, +bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn +botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te +schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men +schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers +bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der +bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan +David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden. + +Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de +vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg +hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen" +kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. +De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van +Neuchâtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun +schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau +voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten. +Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn +gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden, +probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten +einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal +weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een +uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen. +Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in +het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden: +alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet +wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of +buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van +Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige +klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren, +als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen +het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap +hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop +hebben. + +Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren. +Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar +door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij +voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven +aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd +was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de +ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de +zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van +Neuchâtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der +predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom +verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de +jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven +uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen +de dominé's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest +aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst, +om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten." + +Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het +despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige +demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde; +het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén recht te +zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat +die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn +onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere +onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in +konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing, +zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl +onvermijdelijk en niet zonder schuld. + +Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem +hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn +gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en +al wankelheid. + +Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en +benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan +met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar +vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen, +"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in +Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij +dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars +hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen. +Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken; +"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms +gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk +leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van +mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, +en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die +knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op, +de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij +zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met +vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal +ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit +punt staat voor mij boven alle bedenking vast." + +Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel +van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg +klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten +slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te +blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich +dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen +kon hij niet. + +Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en +beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het +heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde +in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du +Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei +persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en +roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel, +dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de +gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke +toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op +'t kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis +'s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der +galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden +posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken. + +Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de dominé's +hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede, +dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke +plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan. + +Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie +jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich +van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne, +dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er +eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige +vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe +van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders +meer. + +Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild +als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor +de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de +makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven +als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer +uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van +de haat des volks. + +Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in +alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen, +nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid +boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor +een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad +verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die +van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als +wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en +die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad +die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als +voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de +vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de +teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan +hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten +aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit +hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde? +Hij voelde verder leven als doelloos. + +Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur +en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen +en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee +meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Rêveries." Maar zijn +moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën, +die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't +uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt, +hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in +droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede +gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten, +tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle +windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop, +zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang +op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende +melancholie. + + * * * * * + +Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van +waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het +liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het +water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken, +kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken +gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den +oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde +bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van +witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het +rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van +de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol +vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid, +streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen +en ziel. + +Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan +den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen- +populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever. +De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau +er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden +overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige +vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvreê +der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet +hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch +en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de +bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al +opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich +urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt, +gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide +langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den +rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in +den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging +hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot +de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van +het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het +gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of +hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem +dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk +genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de +oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te +bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij, +God-gelijk, genoeg aan zich zelve. + +Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot +gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht. + +Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre +stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo +ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist. +Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat +vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar +wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets +gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in +die bloemige, ruischende eenzaamheid! + +Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het +grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een +edel, doodelijk-gewond hert. + +Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar +Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij +voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn +aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde +beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en +befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger" +plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de +Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou +gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord +Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij +besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al +herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou +vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk +door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef +er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het +stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl +bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's +morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen; +hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij. +Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de +reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde +reisgenoot, over Calais naar Londen. + + +NOOT: + +[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand +die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik +wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer +weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is +beter dat ik zwijg." + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK + +WAAN EN VREDE. + + +Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met +Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke +klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken +op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor +Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen +vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun +politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun +strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar +die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn +zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook +de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu +en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de +elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg +om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun +eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle +manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in +menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide +kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te +krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de +gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen. +Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande +lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht +zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de +publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen +andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd +Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in +Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben: +na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen. +Dit maakte dat hij zoo goed als geheel geïsoleerd was, machteloos tot +eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de +omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest +hem een gevoel geven van groote verlatenheid. + +Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is +onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen +zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste +wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich +vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt +voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan +monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te +kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel +in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde. + +Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van +Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar +feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de +buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou +waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en +bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht +van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van +de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt, +dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar +genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren +ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het +phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den +prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume +van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in +zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd +de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen" +die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde: +toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige +gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig +antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt, +herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje." +De sceptische Schot vond zoo'n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk. + +Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende +omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen +tegen Hume moesten opwekken. + +Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de +rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De +koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en +besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er +in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit +aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te +breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de +vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht +en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te +vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te +worden." + +Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke +grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was +voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent +de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa +vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den +opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van +spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en +het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd +zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen +met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld. +Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig +mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd +geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de +nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij +hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge +mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de +hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis: +dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan +de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op +zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich +voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn +rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden. + +Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als +zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere +vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay, +natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het +toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme +d'Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den +schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht +moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij +zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat +Hume met zijn vijanden heulde. + +Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op +grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt +van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen +letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem. +Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten +zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen; +na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr. +Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het +oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking +stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin +kwam er maar enkele weken in het jaar. + +In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten +lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis +was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en +maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en +bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij +genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg +der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van tuin-aanleg +niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur +meer ongerept liet. + +Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag +alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver. + +Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde, +hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van +het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een +enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de +buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en +beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude, +wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin +van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen; +zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige +streek. + +Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden +daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het +voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren, +eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde: +waanzin omnachtte zijn gemoed. + +De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de +goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk +paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze +overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend +geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van +vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken, +was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve +lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook +niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Thérèse en de +dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar +eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de +toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is +begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar +één wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54] + +Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar +strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch +vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet, +wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau +was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de +onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze +bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in +een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer +geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke +inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende +behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden +aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den +tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn +verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn +evenwicht al meer te verstoren. + +En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en +een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn +eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke +handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband +met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een +onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die +zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers, +na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe +spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den +beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een +muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich +zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume +bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was +een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in +Engeland tegen hem op. + +Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te +worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der +Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en +wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem +ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau +wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij +niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands- +verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug +te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te +onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de +buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen. +Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere +explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn +eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich +voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat +hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had +hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of +langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan +Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Maréchal, aan Guy, zijn +hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend +met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar +schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te +snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak +van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem +verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen, +aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een +jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had +laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber, +terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; +hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had +hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn +macht); hoe Hume op hem en Thérèse "lange, doordringende blikken" placht +te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven +langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden +dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, +dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend +werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die +slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde +op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door +A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had +herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau +weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een +formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij +onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet +aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau +was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn +Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische +coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om +aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte +den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den +titel "Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt +overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen: +van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de +meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak: +"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster +van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de +Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, +dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf +natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet +meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te +kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist +met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig +gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, +en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te +verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires, +gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar +wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde +hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in +zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar +aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het +halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen +had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn +wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk +zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers, +die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de +gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord: +"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig +dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een +bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer +genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne +beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen +anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de +vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij +evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar +troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen +vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend." + +In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht +er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn +vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen +onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar +uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de +dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk +ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr. +Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de +eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei +verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en +betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies. +Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij +vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding, +in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos +ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand +hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar +Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen +zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust +dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen +wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij +was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch +bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek +hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet +verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield +hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met +Thérèse in naar Calais. + +Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende +later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest. + +In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk +brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den +beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een +bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem +den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van +Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der +talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel +Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging +in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den +marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen, +hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze +kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van +Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij +Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige +persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte +hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat +hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende +bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote +belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te +hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van +den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen +Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht +bij Parijs. + +De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren +voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de +prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch +hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd +door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die +van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in +Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden +aan te nemen. + +Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven +zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef +hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de +buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo +onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de +moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld, +hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme +de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had +afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat +hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de +bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren +en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen +opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De +eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij +sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en +een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht +op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen +maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn +vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij +gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de +boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke +schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam. +Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht +hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer +men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken +schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du +Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken, +schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig +heeft, mijn lichaam of mijn geest." + +Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra +het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen. +Zijn geestverwanten uit Genève--waar de inwendige beroeringen +voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te +hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad +in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de +inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren +gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat +zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een +schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate +van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het +standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering, +als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad. + +Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo +had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze +had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te +kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij +hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht +vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van +dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te +verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem +gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek +nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van +Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem +weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou +terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen +ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen +was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de +macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon +bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had +aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken +hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan +hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets +anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich +zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij +botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in +Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en +als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der +natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die +een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze +wetenschap bevatten. + +Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het +graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble +een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde +hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude +galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine +geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau +bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte +complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek +bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van +dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet +tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden +aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een +der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in +zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo +overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij +aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na +zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en +weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje +tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar +zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de +plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke +verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak +hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die +hij in Trye had aangenomen. + +In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse +ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen +dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of +Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug +te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging +natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn +bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te +ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering +vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. +Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den +omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis, +hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende +opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en +haar beleedigden. + +Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem +aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide +gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was +dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor +hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over +is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even +moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel +een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is. +"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen +zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal +meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze +harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten +drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen +te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts +een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen." + +De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het +vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol +konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer +worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor +Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden +die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit +dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar +ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen +tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander +werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel +een deel van zichzelven. + +Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen +zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een +verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche +voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, +zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk +zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te +behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer +vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn +verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben +gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn? +Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was +voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die +verlichting ten minste nooit ontbeerd. + + * * * * * + +In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf +jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen +naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti. +Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke +drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij +weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden +blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in +'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen; +Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk +plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen +politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met +rust. + +Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue +Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude +bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en +werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn +bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen +rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St. +Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren, +beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden: + +"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques +Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue +Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde +verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom +binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein +voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes +opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een +calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht +op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met +ons pratend. + +"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets +hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn +gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn +mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd +was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken +dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een +groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten +verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van +het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn +gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van +iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en +medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en +toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't +vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel, +een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de +wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij +gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn +vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't +plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat +aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't +raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur +ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid, +vrede en eenvoud, die 't hart goed deed." + +Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan +die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de +oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft +herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste +werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van +in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij +geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen +te zijn." + +Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren +besteedde hij aan 't kopieëren van muziek en 't drogen, schikken en +opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste +zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan +dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde +in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij +betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn +bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de +nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen +in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een +hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag +twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd +was 't gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu +een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn. +Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij, +maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder +de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog +altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn +mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een +kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als +zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in +buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn +vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem +verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van +zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de +vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen +rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten +dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn +medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns +gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden +of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen +gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van +ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden. +Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken +schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle +bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers, +bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een +boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de +schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet +overzetten. Steeds meer kategorieën van personen hadden de machtige +samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem +komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen +bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de +vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed +hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen, +verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder +beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij +zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn +geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en +waarachtigheid, de "Dialogen." + +Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner +vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de +onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood +verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets +meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven +en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen; +zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn +vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot +te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing +van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en +letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in +omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld +zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een +juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de +uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een +grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was: +de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn +snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In +hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen, +die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om +verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder +de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk. +Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand +doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij +voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op +andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde +hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele. +Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk +de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat +beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts +enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als +verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte +geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het +komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de +verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en +Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de +hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de +tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen" +uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande +zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de +"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit +gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen +onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den +mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden +die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en +verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche +sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de +gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan +zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en +meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn +oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van +list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered. +Maar hoe zulk een mensch te vinden? + +Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan, +want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en +vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans +maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te +vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen, +verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn +handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de +Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders, +dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel +hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem +verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten, +tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis. + +Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden, +die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven +was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters: +"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft." +Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle +voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen +las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen, +zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet. + +Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden, +die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en +voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner +nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige +invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't +jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, 't denkende, voelende, +willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en +ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd, +maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog. + +Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht +op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe +beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij +bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge +zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd +en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die +hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij +bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij +spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een +vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social," +dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven +glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers, +niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij +versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel +na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden +en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge +mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als +menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der +maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam. + +Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de +kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij +stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel, +schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in +zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch +te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te +heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon: +als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in +Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was +hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd +voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te +maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor +hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem +geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare +liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, +de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige +klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had +hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord +gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried, +deed herrijzen als maatschappelijk ideaal. + +Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster, +vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te +geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden, +smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht +dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair +bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een +heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft +hij immers, dit is zijn levensdoel. + +Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag +enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij +dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het +nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam +op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke +vooroordeelen. + +O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid +nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken +als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die +droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is +helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke +krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke +demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote +Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten +niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne +arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze +droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere +wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote +voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten +in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn +van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke +lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht. + +Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen +dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en +zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien, +had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is +hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden +harten, en hij niets zag als vertwijfeling. + +En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen +verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld +tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers +van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten +zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale +gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand +arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als één man +opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen +de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen +wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun +verzet verbitterd; zouden zij één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte +zijn waan va nvervolging èn grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien +woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den +verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, +van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij +nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen +zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was +het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke +samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis, +in hem roemen als in een Groote? + +Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is. +Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan +was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij +door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels. +Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid, +maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der +menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede +gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig +jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam, +de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen +te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart +toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en +lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug. + +Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen +weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en +zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de +lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de +troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid +gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der +wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende, +schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in +den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog +verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het +leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde +tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den +dageraad. + +Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden +waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een +tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn +afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die +zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten +weemoed van het leven scheiden kan! + + * * * * * + +Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te +slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het +huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort +smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou +opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten +bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen +op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner +beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe +woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had +tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak. + +Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf +Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te +zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige +wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was +begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar +opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen +gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem +van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een +toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in +Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug, +dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers +die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de +stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke +vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre. + +[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).] + +Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel. +Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond +liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich +bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat +hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die +zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed +hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk +hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat +daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag +hij daar. + +Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn +overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van +zijn grooten tegenstander Voltaire. + + * * * * * + +Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den +boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden, +de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten, +de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat +zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en +moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord, +hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze +andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine +menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit +de diepten der oneindigheid. + +De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke +omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe +onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken +aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der +aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen, +overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden, +tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten +bevruchten door het leven. + +En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten, +hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen, +harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en +bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche +liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen +en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de +landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van +Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters, +stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn +eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den +man maken dien hij werd in die poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd- +gespletene en toch naar één doel stroomende jaren der jongelingschap. + +De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de +maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle +omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie +somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--èn de maatschappij-kracht: de +begeerten, de aspiraties, de energieën en de gedachten die de maatschappij- +beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in +de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der +levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide +groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten +met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, +zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die +zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te +tooveren tot schoonen droom. + +Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over +hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het +verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een +nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis. +Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een +onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen +wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende +spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet +waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef, +hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen +andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de +maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de +maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter +volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van +zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij +wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was, +dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die +geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de +roepstem en volgde haar. + +Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen +zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn +hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn +liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve +neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij +overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van +onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens +wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel +en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn +liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls +zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk +betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de +gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de +liefde tot de menschheid,--èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid +van den kunstenaar. + +Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de +wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij +verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn +afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van +zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem +als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den +hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen, +broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om +zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af +om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls +ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit +zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang, +niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog +de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde +prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken +waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen +zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in +wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn +verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp +nauwkeurig en volledig als hij kon. + +Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde: +het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende +beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in +hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen +zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en +schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij +vervallen in schaamteloos cynisme. + +Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een +ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest. + +Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de +hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle +enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen. + +De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar +hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was +nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling +tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de +midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een +gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap, +den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij +voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het +ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op +het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen +der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren, +vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid +van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hùn +vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren. +Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat, +ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit +Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en +heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had +hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den +stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden +zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair +schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid +uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed. + +De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de +burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in +den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende +klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend +bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige +belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die +tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door +afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke, +en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende +richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit +'t een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der +speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet +de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en +verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was, +bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan +tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling +tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen. + +En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende +en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in +de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen +hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de +Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe, +zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen +en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den +koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de +republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon +vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen. +Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag +idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld +met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden +zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere +demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering +als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, +de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote +bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden, +maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen, +een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben +uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de +stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke +voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan +vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot +regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in, +naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer +dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en +vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden +dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden +die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen, +gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden +van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken +maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn +vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende +verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke +rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in +normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt +en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even +verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken +dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige +behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het +onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan +van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze +bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de +hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch. +Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en +toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het +wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk, +--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie +van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast +letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun +staatkundig evangelie was. + +In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen, +dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat +uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden, +den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en +op godsdienstig gebied. + +Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der +revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de +uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de +staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het +best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een +groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de +regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te +keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen +iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om +de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het +recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en +dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de +vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den +Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het +opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van +den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof +aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale +Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd, +dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan +slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn +goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen. + +Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken, +een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de +basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische +produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische +afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der +onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren +ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der +revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers +en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het +lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige +inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den +grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield. +In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn. +Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de +Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte +bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan +voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den +uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren +van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de +gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest +bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij +droegen niets van zijn wil meer in het hart. + +Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens +gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In +zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke +vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den grondslag +van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den +bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf +heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau +evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het +communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en +vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles +gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit +de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende, +waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest? +Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische +gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der +individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet +gekomen, maar wie ook slechts één stap verder ging, moest de zon van het +socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf. + + * * * * * + +In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau +leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn +pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging +en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had, +zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken, +mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de +revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, +over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, +zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en +bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen +van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden +maakten de kunst zoo. + +Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over +Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast +Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met +de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en +denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste +manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest +algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle +woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote +wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was +voorgegaan. + +Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in +Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele +richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken, +een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het +politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig +natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de +burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische +zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige +gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling +bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en +specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het +heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige +vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar +de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde +enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den +schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij +zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze +heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in +de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de +romantiek. + +Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele +banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en +het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den +geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte, +zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke +naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller, +zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp +bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring, +zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die +eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij +beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de +diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren +de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. +En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau. + +Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was +anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote +wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke +uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van +het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was +hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd +behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door +de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en +politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij +behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en +elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers, +tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken +gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en +geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer +van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke +liefde tot het leven, tot àl zijne verschijnselen. En al deze trekken, +die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller +geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke +literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de +psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle +Héloïse," der "Confessions" en der "Rêveries." + +Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche +schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest +wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der +anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid +van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke +gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog +te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar +doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder +fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester +Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in +tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de +sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed +gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het +communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat +Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen +lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen +te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te +scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne +gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de +eigenheid van zijn wezen. + + * * * * * + +Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele +levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen +van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind +en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten +overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige +idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel +dat zijn. + +De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie +maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door +reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de +inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den +dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij +bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de +grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke +ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen +bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd +zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig +denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel +belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en +gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische +dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende +proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten. +Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van +Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de +wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en +daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_ +toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van +doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis, +blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben +veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht. + +Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis. +Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd +en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze +en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting, +liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo +allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de +vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en +knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het +burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. +Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten +voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan +in de socialistische maatschappij. + +Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de +individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de +bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het +kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner +krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te +vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de +liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken +weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die +verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met +de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen +aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het +zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van +ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van +menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar +de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale +oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke +volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de +aarde. + +Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar +maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen +voorstelling had. + +Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude +afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden +zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige +menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in +vrijheid;--wanneer de onrust en de onvreê en de wanorde van onze dagen +den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan +zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere +verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier +menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat +de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen +hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en +Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen +vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen, +opgaan van den enkeling in het geheel. + +Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der +Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan. + + +NOTEN: + +[53] Ook Faguet neemt dit aan. + +[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse +een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame +kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken +man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet +opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te +komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen +en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in. + +[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen; +sommige biographen spreken van 1800 francs. + + + * * * * * + + +LIJST VAN ILLUSTRATIES + +Jean Jacques Rousseau +Thérèse Levasseur +Jean Jacques Rousseau +Rousseau aan het botaniseeren +Rousseau's Graf + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12009 *** diff --git a/12009-h/12009-h.htm b/12009-h/12009-h.htm new file mode 100644 index 0000000..891cf26 --- /dev/null +++ b/12009-h/12009-h.htm @@ -0,0 +1,9580 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" +"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=UTF-8" /> +<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> +<title>The Project Gutenberg eBook of Jean Jacques Rousseau, by Henriëtte Roland Holst</title> + +<style type="text/css"> + +body { margin-left: 20%; + margin-right: 20%; + text-align: justify; } + +h1, h2, h3, h4, h5 {text-align: center; font-style: normal; font-weight: +normal; line-height: 1.5; margin-top: .5em; margin-bottom: .5em;} + +h1 {font-size: 300%; + margin-top: 0.6em; + margin-bottom: 0.6em; + letter-spacing: 0.12em; + word-spacing: 0.2em; + text-indent: 0em;} +h2 {font-size: 150%; margin-top: 2em; margin-bottom: 1em;} +h3 {font-size: 130%; margin-top: 1em;} +h4 {font-size: 120%;} +h5 {font-size: 110%;} + +.no-break {page-break-before: avoid;} /* for epubs */ + +div.chapter {page-break-before: always; margin-top: 4em;} + +hr {width: 80%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} + +p {text-indent: 1em; + margin-top: 0.25em; + margin-bottom: 0.25em; } + +p.center {text-align: center; + text-indent: 0em; + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em; } + +a:link {color:blue; text-decoration:none} +a:visited {color:blue; text-decoration:none} +a:hover {color:red} + +</style> +</head> +<body> +<div>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12009 ***</div> + +<h1>JEAN JACQUES ROUSSEAU</h1> + +<h3>EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN</h3> + +<p class="center"> +<b>van</b></p> + +<h2 class="no-break">HENRIËTTE ROLAND HOLST</h2> + +<hr style="width: 65%;" /> + +<div class="chapter"> + +<h2>INHOUD</h2> + +<table summary="" style=""> + +<tr> +<td> <a href="#chap01"><b>EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd</b></a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#I.Ge">I. Genève aan den aanvang der XVIIIde eeuw</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#II.Ki">II. Kindsheid</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#III.De">III. De zwerver</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#IV.Gr">IV. Groei</a><br /><br /></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#chap02"><b>TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs</b></a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#I.Mi">I. De maatschappelijke en geestelijke beweging in Frankrijk omstreeks het midden der xviiide eeuw.</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#II.He">II. Het moeizame leven</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#III.De2">III. De eerste fanfaren</a><br /><br /></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#chap03"><b>DERDE HOOFDSTUK: De groote jaren</b></a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#I.Na">I. Naar de vereenzaming</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#II.De">II. De Katastrophe</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#III.De3">III. De werken der groote jaren</a><br /><br /></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#chap04"><b>VIERDE HOOFDSTUK: De laatste worsteling</b></a><br /><br /></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#chap05"><b>VIJFDE HOOFDSTUK: Waan en Vrede</b></a></td> +</tr> + +</table> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap01"></a>EERSTE HOOFDSTUK<br/> +JEUGD</h2> + +<h3><a name="I.Ge"></a>I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW</h3> + +<p>In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme +geboren was—de richting van het protestantisme die zich het scherpst +en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld—bleef het +maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen +bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had +gestuwd.</p> + +<p>Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen +bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève, +terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar +heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de +XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van +verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken. +Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen +weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en +sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel +overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote +expansie bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de +bloei der manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten +gevolg hadden;—waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een +deel der burgerij tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke +levensvormen tilde maar ook het proletariaat deed aanzwellen en de +vroegere, betrekkelijk geringe kloven tusschen de stedelijke klassen +zich haast plotseling tot afgronden verdiepten,—daar kon het kalvinisme +den staat niet blijven beheerschen, de maatschappij niet blijven +doortrekken met engen, onverdraagzamen, puriteinschen geest. Die geest +was in tegenspraak met de eischen en behoeften van het grootburgerlijk +leven. Het moest zich vergenoegen, in Holland als in Engeland, met ééne +in het spel der krachten te zijn die het karakter eener maatschappij +bepalen, en den godsdienst der lagere klassen te blijven, den godsdienst +van kleinburgers, handwerkers, visschers en boeren.</p> + +<p>Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten +handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit, en +wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon het +kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot +onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie. +De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt +van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en +levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens was +zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn. Van +kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren, en +de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare +gelijkvormige massa.</p> + +<p>Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van +bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het +eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was de +horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den +handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten +der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en +beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun +beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.</p> + +<p>De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer. Zij +verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm +tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen die +dit bedrijf—toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht—doormaakte, +ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele +beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest +bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen +zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar +gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en +de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.</p> + +<p>De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het +begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar +kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk, +die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven +zouden zijn weggespoeld.</p> + +<p>Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad +voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een +onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger +van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke +feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine +steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen +van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed +en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke +vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn, +werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.</p> + +<p>Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de +meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van +kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke +theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de +kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten +voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen, +evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot +één gevoel waren samengegroeid.</p> + +<p>Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de +kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij +in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der +demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw +verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke +organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch. +Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was +in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de +Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de +bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog—gelijk reeds +uit de namen, “inwoners, inboorlingen en onderdanen” blijkt,—verdeeld +was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de +“citoyens” en “bourgeois,” bezaten politieke rechten. Deze benoemden +in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van +belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en +bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den “kleinen,” en +den “grooten” raad. Het geringe aantal volmondige burgers—de “algemeene +vergadering” telde niet meer dan 1600 personen—maakte het +vertegenwoordigend stelsel onnoodig.</p> + +<p>In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der +gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de +oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie +die den “grooten” raad van tweehonderd en den “kleinen” van vijftig +uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer +bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het +“negatieve recht” aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere +groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd +deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad +vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den +kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in +Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan +het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.</p> + +<p>De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de +bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook +dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide +raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het +burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.</p> + +<p>Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de +rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook +der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste +gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt, +overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit +Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans, +met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot +plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de +kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts +zelden voor.</p> + +<p>Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het +gemeenebest op ’t oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij +het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte +zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen, +door de regeerders streng onderdrukt.</p> + +<p>Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie, +grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen +was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De +kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet +geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk +gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en +vrouwen, zoo fier op hun “vrijheid,” als kinderen: hun leven lang werden +zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen +tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met +kaarten in de hand, die duivelsblaren;—wie had meegedaan aan een +danspartijtje;—wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte in +het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,—hij +kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd +onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of +zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote +machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad +bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige +toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen. +Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken +mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone +teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de +zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig +avondmaal.</p> + +<p>Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het +leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door +den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk +katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van +voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle +spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en +trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen +door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename +karaktertrekken van het puritanisme.</p> + +<p>Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een +stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen, +oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt, dat +doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen +verstijven doet.</p> + +<p>Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse +zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden, +haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en +de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van +gemelijke norschheid.</p> + +<p>De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening +van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van +den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de +burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan +de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het +gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die +voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit +wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het +kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner +kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun +nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de +godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den +hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner +gemeentenaren aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren +schare, geroepen God te bekennen onder de zedenlooze en losbandige +volken te midden van wie het lot hen voerde.</p> + +<p>Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één +vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden. +Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere +handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.</p> + +<p>Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van +Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over +Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche +vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder +ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen +allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en +verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er een +element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des levens, +van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische +regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten en +wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele +handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij door +grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren: de +oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen. +Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie. +Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken +vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den +oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten +woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen, +waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge +wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende +weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt +niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk +bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden +daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers +trokken.</p> + +<p>Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de +hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken +of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het +protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van +aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden +ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken +hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de +gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht +in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid +verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen +de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd +het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze +mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die +voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen +en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat +gemeenlijk de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al +waren zij de aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen +beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en de +positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze +neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale +zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden +neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij elk +oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed. Want, +terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke +demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn +eigen legervorm had voortgebracht—zoo niet overal in alles gelijk, toch +hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking +samenbracht—had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van +vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen—hoe zou +men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen—bezorgden de +burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en +vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare +mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke +oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en +wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten, +uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk +stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel +militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden +de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De +handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in +zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid, +van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts, +mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren, +eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden. +Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der +naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En +droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen +toga was.</p> + +<p>Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone +oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de +mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het +licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen +bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten +stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun +huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de +pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men +zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een +dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van +zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het +dagelijksch doen.</p> + +<p>Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog +zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met +beving in zijn stem: “o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de +burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en +eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde +landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar +nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien.”</p> + +<p>Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de +ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl +bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.</p> + +<h3><a name="II.Ki"></a>II. KINDSHEID</h3> + +<p>Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot +ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet +gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door +hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die +te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den “grooten +Raad.” De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot +<i>dizenier</i>, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn +stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging +weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen +niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken +staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en +ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman. +Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke +opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een +dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn +voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen +wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon +vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was +nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle +kunsten had onderdrukt.</p> + +<p>Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig +terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de +autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder +gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en +toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een +burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard +heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde, +bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader was +jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden +liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde, en +de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam bij +haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig en +blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en +zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk +zeventiende-eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en +levenslustig, daarbij bijzonder bekoorlijk, viel ’t haar niet licht zich +in de tucht van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den +kerkeraad gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, +dat het jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad +had bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander +maal, dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een +noch het ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden +gebracht. Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en +onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten +slotte gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het +altijd.</p> + +<p>Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun +prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun +herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij +weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste +kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van +den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk +erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem, +gelijk zoovelen, de zwerflust.</p> + +<p>Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had +hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de “droevige vrucht,” +gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter +wereld.</p> + +<p>Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit +vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. “Geen koningszoon,” +heeft hij zelf getuigd, “kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij +gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving +en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend.”</p> + +<p>Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar +zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang +heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete +geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid +mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude +wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het +gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend. +Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet +deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te +zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar +toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond +er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze +omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip +hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in +dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen, +die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de +atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die +doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door ’t wezen dat ze +voelde: het geheugen van ’t gemoed.</p> + +<p>Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij +de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in ’t knaapje de +oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel. +Hij beheerschte zich weinig; als hij ’t kind aan zijn hart sloot en met +hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote +teerheid ’t verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei: +“we zullen over moeder praten,” antwoordde het knaapje, “dan gaan we +schreien, vader.”</p> + +<p>Zoo’n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van +overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac. +Zoodra Jean Jacques lezen kon—hoe hij ’t leerde wist hij zich niet te +herinneren—toog zijn vader met hem aan ’t lezen van de romans die +Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd +gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld, +vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw +kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van +romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: “ik ben nog grooter kind dan +jij.” Jean Jacques was toen zeven jaar oud.</p> + +<p>Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind +zich veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een +eng-omsloten levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en +wijde uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen +vriendjes en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong +naar Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde +te veel met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen +anderen dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe +meid.</p> + +<p>Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een +ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem +het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen ’t +haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid +zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de +vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen +ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch +gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De +gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;—natuurlijk, +want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der +middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn +wezen en werd een deel daarvan, voor goed.</p> + +<p>Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon +vonden in de boeken van Suzanna’s voogd, den predikant, afkomstig, nieuw +voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet, +Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid +open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van +rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was +een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te +redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond +van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn +oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden +langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid, +groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de +oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig +blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij +wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem. +Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van +zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde, +die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor +de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen, +gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren, +en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat +tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden +versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en +de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers +van Sparta en Rome en met hun roem.</p> + +<p>En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en +kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn, +toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de +gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden. +En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen +opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten +zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne +tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij +burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud +en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een +grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde +en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden +zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte: +hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen +schooner toe.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht—een +hartstochtelijk jager was hij—twist met een zekeren kapitein Gautier, +die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac, +prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden +ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn +zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete, +drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac +achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich +voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het +stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn +kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor +hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean +Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch +gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den +achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad +uitvoeren en werd, voor ’t eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde +ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten, +in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in +zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart +tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.</p> + +<p>Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en +kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde +als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het +zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje +Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk, +kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.</p> + +<p>Aan ’t eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok +waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje +hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van +onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet +misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid +van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen ’t +kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld +als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen +in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten +herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als +een ongebruikte veer.</p> + +<p>Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn +door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen. +Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet +voorbij.</p> + +<p>Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de +grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer +als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende +liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad +hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen. +Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de +onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf +wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de +eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn +verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks +pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete +verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.</p> + +<p>De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote +proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en +brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet +ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In ’t verdragen was +hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in +herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang +nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog, +als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der +herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg, +het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.</p> + +<p>Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige +depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de +bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte +uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit +óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van +af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van +triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten +balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen +zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij +zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene +oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke +ongelijkheid.</p> + +<p>De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte +gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar +Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden: +horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de +nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten. +Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen +liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond +hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem +een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn, +dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn +met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en +traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare, +warme verwarring van het onderbewuste.</p> + +<p>Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man +nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het +ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was +dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.</p> + +<p>Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch +zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar, +zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en +meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en +moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij +zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden +en omgeving van hem maakten, dat was hij.</p> + +<p>Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in +hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. +Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, +gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de +ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van +overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren +onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun +liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, +hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als +een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden +van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, +verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in +verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later +dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten +tijd was vervallen.</p> + +<p>Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in +de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage, +waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.</p> + +<p>Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer. +Alles om hem werd kil en grauw.</p> + +<p>Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor +goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean +Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan +en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en +voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.</p> + +<p>In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk +gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En +omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van +anderen.</p> + +<p>Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met +razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van +zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken +te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien +waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster +hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de +liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte +hij uit schaamte.</p> + +<p>Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om +het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar in +’t bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den +handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij, +voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der +zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste +innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer, +leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld +kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.</p> + +<p>Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman +geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper +eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam +om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te +leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn +vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem +vertrouwden levensstaat.</p> + +<p>Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang +duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht +op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde +de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat +afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten +gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft +en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet +terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de +brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich +in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te +keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen +Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar +zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.</p> + +<p>Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de +wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen +ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze +eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in +den strijd om het bestaan.</p> + +<p>Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.</p> + +<h3><a name="III.De"></a>III. DE ZWERVER</h3> + +<p>Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan. +Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de +kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen, +die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand +slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de +minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen +zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich +kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete +bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging, +rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde +zich baden in vrijheid.</p> + +<p>Die droomen waren—droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn. +Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den +oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te +zamen de lijnen vormend die wij noemen “maatschappelijke +verschijnselen.” Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, +een werking van dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem +na zijn vlucht ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, +die hem kende en de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen +buiten ’t grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in ’t +land der hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens +gepoogd de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele +malen, telkens weer. Maar ’t was hun nooit gelukt haar te vermeesteren +en de veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd +verder met andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte +spinnen hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij +lagen op de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er +werden vele bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen +van bestaan zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij ’t +wist.</p> + +<p>De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling +na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het +bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap +met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het +hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te +winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame, +die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde. +Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters: +haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten +uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de +hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het +katholicisme.</p> + +<p>Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij +achterhaalde haar op ’t pad dat de beek langs, van haar huis naar de +kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude +kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen, +lieftallig schoon en jong.</p> + +<p>Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert +zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar +bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was. +Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en +weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur +bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar +teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk +als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet +alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van +lieftalligheid.</p> + +<p>Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd +geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart. +Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als +twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.</p> + +<p>Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar +later—het waren de laatste woorden die hij schreef—dat het zijn leven +beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen +voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in +pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare +gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen +zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hàre zachtheid ... dat was +het geluk.</p> + +<p>Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en +later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning +die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al +heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in +haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem +terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de +geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk +werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem +te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde +zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde +hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem +gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.</p> + +<p>Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming. +Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn +hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en +toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en +kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij +in minne zijn moeder.</p> + +<p>Zij was wel een wonderlijke achttiend’eeuwsche heilige. Kuischheid +beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar +geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en +zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke +jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht, +maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden +voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid, +haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat +een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens +over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke +plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de +Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in +groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over +het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp. +Spoedig volgde haar bekeering.</p> + +<p>Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau +bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden +haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles +proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en +daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van +aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van +Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te +exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat +al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien +zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen, +wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het +einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al +nijpender schulden en al dreigender gebrek.</p> + +<p>En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust, +de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig +die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien, +zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden +der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij +stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar +ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen. +Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij +verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.</p> + +<p>Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn +leertijd, had haar ’t eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring +en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot +fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid, +in verheerlijking—dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel de +oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar +vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en +vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven +effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van +onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van +harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij +haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke +tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door háár gelukkigen +jongelingstijd.</p> + +<p>Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn, +om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van +zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn +kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid? +Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de +burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk +leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke +gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete +begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen +zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan +de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone +vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar +verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit, +aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe +schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, +genietend, juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.</p> + +<p>Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij +wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren +zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij +is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het +bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust +van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt +tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in ’t nauw te brengen +met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het +geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man +van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na +vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone +droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de +paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden. +Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem +gehouden kollekte, en zetten hem op straat.</p> + +<p>Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de +weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij +de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren, +zoo goed en kwaad als ’t gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie +hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de +schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer ’t tot +een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles +af.</p> + +<p>Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt +zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet, +maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië +was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der +italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem, +muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang +ontwaakt.</p> + +<p>Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij +wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft +zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat +nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den +jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt, +geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een +keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en +die hij in ’t minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem +het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de +“Confessions”, schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn +aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.</p> + +<p>Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op +een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat +zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te +verwachten valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, +een geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als +sekretaris, zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met +wien hij bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten +levensernst, zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, +geeft hem goeden raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor +de ijdelheden der wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen +dubbele vrucht: zijn gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn +verheerlijkende verbeelding herschept de herinnering van den +zacht-peinzende jongen priester tot de groote gestalte van den “Vicaire +Savoyard,” figuur die een zeer belangrijke faze verpersoonlijkt in de +ontwikkeling van het godsdienstig denken.</p> + +<p>Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon’s behoeft in +hun diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen +jongeling gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer +los.</p> + +<p>Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen +avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan +toe te geven hem in ’t bloed zit. Hij wil, hij moet met Bâcle mee, hij +moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch +maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn +nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door ’t +vertoonen van een “wonderfonteintje,” dat wijn uitspuit nadat ’t +schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.</p> + +<p>Een paar weken geniet hij ’t vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt +hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen, +neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de +Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet +de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij +ontvangt den “arme kleine” met een glimlach en een meedoogend woord; een +bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde, +maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd +weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.</p> + +<p>Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later +getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij +gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting +verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond +was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem +veerde, altijd meegaf, een donzige wolk.</p> + +<p>Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de +liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, +alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen +gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke +verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem +levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens, +verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de +vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven +schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het +moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij +toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.</p> + +<p>In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan +wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als +passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte +overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens +was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders +heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de +hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft +hij getuigd in de “Bekentenissen”, kent niet de zachtste zachtheid des +levens. “Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar +duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met +liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is +teederder; ik kan mij niet denken, dat ’t zou bestaan voor een wezen van +hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en +toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld.”</p> + +<p>Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat ’t hart niet +doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een +vrucht in zomertijd, was ’t sterkste element, ’t wezenlijke in de liefde +van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.</p> + +<p>Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de +tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende +kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap, +polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon +goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan +weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en +literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche +prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje +van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en +ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er +te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar +hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar +het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen, +de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en +te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn +weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van +Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een +donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit +Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje +een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed +geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God +verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel +behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een +verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die +gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend +geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de +donkere gewelven van zijn gemoed.</p> + +<p>En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die +hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de +schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname +stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn +middeleeuwsche torens en stille, in ’t meer mondende kanalen een +provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de +bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn +kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de +hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den +bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de +gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan +Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder +de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste +rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op +den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap +was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië, +een bad van vrede en harmonie.</p> + +<p>Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet +langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen +geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van +altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls +gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van +liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.</p> + +<p>Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op +te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de +verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en +de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer +zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de +ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in +’t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de +zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet +leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf +verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd +weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem +aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang +opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek +verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en +studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet +afgesneden van de liefste, zooals in ’t seminarie: de zangschool voor de +koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar +verkeeren. Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de +prikkelbare musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te +verlaten. Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, +was zij hem behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den +huisvriend zou vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus +in Lyon op straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, +krijgt opnieuw een van die plotselinge opwellingen, waartegen de +jongeling niet geleerd heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, +zonder zich verder om den zieken meester te bekommeren. Als een duif +naar zijn nest, vliegt hij naar Annecy terug, maar Mme de Warens is +verdwenen; de eene of andere politieke intrigue waarnaar Rousseau haar +nooit gevraagd heeft, riep haar naar Parijs. Hij verwijlt nog een poosje +in Annecy, zonder bezigheid en zonder middelen. In dien tijd van +doelloos onrustig leven valt hem in den schoot een dier schaarsche dagen +van volkomen gouden geluk, wier herinnering nooit in den mensch verloren +gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, lieflijke meisjesgestalten, +de eene teeder en peinzend, de ander meer lachend-schalks, beide +aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in den vroegsten morgen, +eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen over de beek, zij +lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. Achter de eene stijgt +hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij beeft van verrukking. +En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van zon en geur en vogels; +en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk landelijk maal in +de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het kersen-eten, +die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag van morgen +tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van glans. +En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de herinnering +in zijn gemoed, warm en zilv’rig; zij leeft voort en rankt en rankt in +’t onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen in ’t +licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het +vriendinnen-paar Claire en Julie.</p> + +<p>Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit +door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de +kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar +Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich uit +voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een +muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig +bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met +een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den +muziek nog bijna geheel onkundige, een “kompositie” van zijn hand voor +orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen, +schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt, +dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij. +Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor +een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor +het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant in +Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen +officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt +de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel +oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij, +zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een +dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt de +natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de +lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest +te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye +is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar +en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is +ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven +gaat beginnen.</p> + +<p>Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu +twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en +iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den +toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde +levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de +scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; soms +zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn +vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren +vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de +volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij, +geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar +de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel +gebleven.</p> + +<p>Een vrije vogel—zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der +blijheid; in de schaduwtaal heet het “hij was een déclassé geworden.” +Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij +stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn +afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het +bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de +dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en +eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar +gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens +van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter +tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen, +waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef +zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen +te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer +kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met +de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien +omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk +wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben. +Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote +prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke +gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen +er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor +wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de +mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig +leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en +lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had +verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens +duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit +de groote wereld als “knecht” behandeld te worden; die angst, niet +burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem +plotseling vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, +takteloos-grof.</p> + +<p>Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker, +die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De +misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als +den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven +dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij +de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren +had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers, +voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem +meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de +volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden, +onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als in +Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig, +menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der +groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog +meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het +volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door +ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte, +aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar, +zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat +knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was +hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar ’t +allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder +van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des +konings, die ’t weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet. +Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn +arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet +ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den +nadenkenden gast ontkiemde “de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers +van het volk.”</p> + +<p>Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer +van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke +verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die +ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn +bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der +massa’s waren saamgegroeid tot één gevoel.</p> + +<p>Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke +ervaring en persoonlijke waardeering.</p> + +<p>Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem +ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed +fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige +wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn +handelen.</p> + +<h3><a name="IV.Gr"></a>IV. GROEI</h3> + +<p>Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij +een werkkring voor hem gevonden had op ’t kadaster. De vrije zwerver +werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij ’t werk-zelf en de +bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij ’t een poos uit, +waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe +natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis. +Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn +levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één +kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der +dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets +of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn +eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij +te blokken op het “Traité de l’Harmonie” van Rameau, een dik boek en +duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een +zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der +harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een +schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle +kombinaties en finesses van ’t nobele spel te bestudeeren en speelde in +zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten +kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten +was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit +ontmoedigde hem niet.</p> + +<p>Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke +administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in +krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met +verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar +neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie: +magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan +sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had +omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam +Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich +interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan ’t +opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven +van Voltaire—wiens zon toen hoog aan den hemel klom—aan den koning van +Pruissen, Frederik de IIde, en de “Philosofische brieven over Engeland,” +van den gevierden schrijver; ’t eerste werk, dat de aandacht van ’t +denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën +van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een +nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles +wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die +liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het +uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond +hem dat heftig op. Voor ’t eerst ontwaakte zijn belangstelling in het +openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht +naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe ’t zijn vrienden verging.</p> + +<p>Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een +koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de +aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig +voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige +oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde +voelde ’t gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet +verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij +haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij +niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was +vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en +Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding +zacht en vloeiend te maken, die ons in ’t algemeen even onvereenigbaar +met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In +volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën +vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde +de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn. +Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.</p> + +<p>Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam +toch, want Anet stierf en de droomerige “kleine” stond voor de taak, die +de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en +de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde +hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme +Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint, +sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de +ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken +wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in +’t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg +voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens +een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den +kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte +natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist ’t, maar wat zal +men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.</p> + +<p>Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke +muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol +intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders +te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn +oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en +overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in +verzen uit het jaar ’41, “l’Epitre à Parisot.”</p> + +<p>Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, ’t +scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar +groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn +krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder +aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het +aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de +hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in +een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.</p> + +<p>Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem +goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille. +Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar +hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur +buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol +meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra ’t voorjaar kwam, +heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar +dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij ’t +eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis, +idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog +over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten +aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en +het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij +rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een +dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende +bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met +geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en +der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één +werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als +een deel van ons voort in ’t universeele leven. Want hij was, met eenige +engelsche dichters, de eerste die uitspraak ’t moderne natuurgevoel.</p> + +<p>Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle +tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.</p> + +<p>Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom, +worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid, +de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les +Charmettes was hij voor ’t eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor +zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur +geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich +voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de +frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de +honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der +duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door +den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven, +kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een +pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel +gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig +willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar +buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij +lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond +weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar +waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen +steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen, +ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten, +daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den +boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de +duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de +ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de +sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en +nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over +alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde +niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem +de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder +en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij, +starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der +jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen. +En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere +jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les +Charmettes opsteeg, samen tot één droom.</p> + +<p>In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar +strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde +had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den +groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten +van zijn wezen waren er veel gerijpt.</p> + +<p>Toen Rousseau in den zomer van ’37 van een kort verblijf in Genève waar +hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen, +terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke, +rumoerige jongeman, een “kappersjongen,” zooals hij Wintzenried +verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk +geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de +ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en +voor alles—in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel +had hem half verdrongen in ’t hart der geliefde; hij de oudere, moest +deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de +tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den +medeminnaar “broeder,” verzoende zich met hem na ’t eerste heftig krakeel; +de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet +deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn +jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn +opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een +verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te +leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet +elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In ’t najaar +van ’37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een +hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte +aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een +Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde +hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in +zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet, +en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen +’t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier +gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust +en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor ’t eerst in zijn leven +voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.</p> + +<p>Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende +twee jaar, van 1738 tot ’40, bracht hij daar bijna geheel door, ’s +winters alleen, ’s zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op +de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; ’s avonds versponnen de +boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd +geweven voor het lijf-goed van ’t gezin. De wijn-oogst in ’t najaar was +een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den +haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude +liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij +hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat +ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man +en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der +menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel +aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij +bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven, +probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te +bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist, +had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot +hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van +werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descarte, +Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke +werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis, +fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde; +reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij +een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen +te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een +toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de +wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering +uitgezonden naar Centraal Amerika en naar ’t hooge noorden, om +aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het +studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal +boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu +niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel +beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast +door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme +de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen +helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar +de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v. +sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende +hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur +in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was +het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat +vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis “niet slechts den +geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid.” +Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de +zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn +gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig +te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft +gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot +godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad +dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden wat +zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht +vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de +Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield +daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in ’t eeuwige +leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche +leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had +eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die +godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering +des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale +verwaarloozing van dogma’s en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig +respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in +één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig +leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een +persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het +best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er +verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen in +de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te +vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in het +land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk +gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.</p> + +<p>De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok +niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe +na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit +ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te +gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee +kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn +denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner +leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies, +met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde. +Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen +te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld +genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook +moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte +aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd. +Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels; +hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele +maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie +der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw +notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem +voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking +der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, het +onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de +“teederste aller moeders”—want dat blijft zij voor hem—al haar zorgen +en offers kunnen vergoeden.</p> + +<p>Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen +sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische +ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend +komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over +opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder +persoonlijk accent: dat is alles.</p> + +<p>Maar alle kiemen—op één na—van den man dien hij worden en van de +werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn +leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In +zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie, +de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner +jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de +verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk +individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren +van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem +overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn +met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te +leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in +Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar +in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het +vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van ’t eigen gemoed, de +eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en +doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner +jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en +onsterfelijkheidsgeloof.</p> + +<p>Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en +stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was +getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets +vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend +van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.</p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap02"></a>TWEEDE HOOFDSTUK<br/> +PARIJS</h2> + +<h3><a name="I.Mi"></a>I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK<br/> +<span style="margin-left: 1.5em;">OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.</span><br/></h3> + +<p>In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de +absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en de +bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling +tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het +ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en +zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het +tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door +geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in +hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen. +De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de +omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.</p> + +<p>Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk +de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft +tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den +absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de +intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.</p> + +<p>Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door ’t vernietigen +van de feudale maatschappij-vormen en ’t knotten van de politieke macht +van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die +aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze +zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een +rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten +tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van +monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het +absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele +bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.</p> + +<p>Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der +nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het +Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier +Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de +methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de +been te helpen. Zijn scheppingen—het papiergeld, de koninklijke bank, +een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal—liepen uit op +den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die +de 18de eeuw, die eeuw waarin ’t jonge kapitalisme, schuimend van +overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn +eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende +methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat, +beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door +’t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa +voortooverde, opgewekt—avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs +dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de +poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen—was de moreele +uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een +millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk +bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben +dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot +gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon +sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te +halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden +morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden +zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste +maal werden de massa’s betrokken in een algemeene politiek-sociale +beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten, +hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.</p> + +<p>Law’s koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het +reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te +bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en +lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in +hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen +ze,—maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw +besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken +welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke +gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden +gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken +staat, zacht en onschuldig lijkend als ’t paradijs vergeleken bij de +zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige +betoovering aan van de tropische streken; “de eilanden” gelijk ze in den +volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk +waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen, +waar elkeen van een droomt.<a href="#fn1">[1]</a></p> + +<p>Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot +velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789 +doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën, +althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met +den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal +verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt +opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder +reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld +kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en +geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de +staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van +alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven. +Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de +bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot +stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.</p> + +<p>Schijnbaar blijft, na Law’s val, van zijn hervormingen en +hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en +uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang. +Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der +klasse-verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude +vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der +eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: “Alle symptomen, de nadering +van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis +ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in +Frankrijk.”</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit, +dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties +meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie +het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze. +Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der +rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om +een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De +uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht, +omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. +reusachtig, en ofschoon de uitgemergelde massa’s àl zwaarder belast +worden, het deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft +groeien tot alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen +hulpeloosheid, haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de +monarchie ten slotte noodzaakt tot den stap die haar eigen val +tengevolge moet hebben: de bijeenroeping der Algemeene Staten. +Revolutionaire bezems alleen kunnen den augiusstal der administratie, +dat broeinest van geknoei, verkwisting en korruptie, schoonvegen. Onder +Lodewijk de XVde slokt deze een groot deel van de staatsinkomsten in, +zij biedt aan de bevoorrechte klassen een haast-onbegrensd gebied tot +het botvieren hunner parasitaire lusten.</p> + +<p>De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30 +millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van +pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de +provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per +jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)<a href="#fn2">[2]</a> Een vijfde +van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn +politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster +aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn +maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij +grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het +platteland, waar hij weleer ’t eenvoudige, stalende leven der feudale +tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden, +verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende +burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te +zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen +staat.</p> + +<p>Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote +maatschappelijke parasiet, de “eerste stand in het koninkrijk:” de +geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat +de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft +gemaakt;<a href="#fn3">[3]</a> in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de +zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is. +Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf +nog grooter dan zelfs in de hofkringen.<a href="#fn4">[4]</a> Haar ekonomische macht is +verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige +schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den +bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van +de voornaamste belasting, de “taille,” (grondbelasting), haar bezit +immers dient “Gods glorie en der armen welzijn.” Haar dubbele +bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat +zoo goed als geheel aan ’t meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van +haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes +toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in +dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te +werpen.</p> + +<p>Wanneer in 1750 door ’t land een zoodanige beroering gaat, dat een +revolutie op ’t punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende +verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt, +stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan ’t +hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en +rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van +den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der +regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal +geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat +deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld +zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een +wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot +besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het +verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. over +de zoogenaamde “Charité” (de administratie van het armwezen, de +hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.</p> + +<p>Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het +burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de +kerk keerde, dat het woord “écrasez l’infame,” tot het parool van zijne +propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het +oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur. +Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar +ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde +in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar +bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst +gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte +het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere +verdrukkers en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, +dan konden zij zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke +dienstbaarheid was voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de +politieke overwinning.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land +en de “petites maisons,” die gecapitonneerde nesten van ontucht in de +buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de +adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit de +oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en +pruikenmakers, hun maîtressen en koks bij duizenden medevoeren; uit alle +verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie +omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het +romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle +levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen, +hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele +gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst: +schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het +geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de +“mouches” bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard +bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt +uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de +XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige +behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een +labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt. +Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de +weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij +die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich +nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale, +koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met +melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van +wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen +omdartelen. De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel +meest-volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: +ziedaar het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het +wezen van hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog +slechts één inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt +zich in wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder +verteedering, zonder verheffing.</p> + +<p>Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze +liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die +niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van +Lodewijk de XVde schrijft d’Argenson: “het hof lijkt een bordeel; de +appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men +ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij, +en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen.” De echtelijke +trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen +den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man +gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud, +waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het +menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft +leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. “De liefde, de +behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het +eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag” (d’Argenson).</p> + +<p>Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met +hunne maîtressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde +bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen, +bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk +van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de +schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde +intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde +zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der +schrikkelijke verveling, de “ennui,” de doodelijke levensleegte die de +ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in +ontaarding.</p> + +<p>Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.</p> + +<p>“Er zijn geen mannen meer,” roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van +Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren—d’Argenson +noemt hen “ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,”—sleept +Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit +het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het +koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers; +alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan +de zijde der oppositie.</p> + +<p>Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht +en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden, +te vermaken en te verstrooien,—om hen her- en derwaarts te voeren van +de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de +hen steeds najagende verveling,—om hen te bedienen, hun wenschen te +voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen—om de +dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de +stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de +zoetelijke geuren eener veile kunst—daarvoor weeft en borduurt, holt en +rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel +leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en +meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de +mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld +aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het +grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht +en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest +getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van +de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.</p> + +<p>Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en +onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte +van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine +burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende +handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd. +De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog +meer.<a href="#fn5">[5]</a> Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun +scharen van honger; in 1753, meldt d’Argenson, stierven in één maand +tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.<a href="#fn6">[6]</a></p> + +<p>En toch is het lot der volksmassa’s in de steden nog dragelijk, +vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, de +koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt het er; +in jaren van misgewas zorgt de regeering ’t eerst voor de +approvisioneering van Parijs; op ’t punt der belastingen is de kleine +burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.</p> + +<p>De boeren—op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle +lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden +vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige +uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De +heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug +betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan +laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot +instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer, +die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze +overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt +zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het +finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het +uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden +zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die +wolven, bevindt zich de koning.</p> + +<p>Sinds de dagen van den “Zonnekoning” overmatig belast, moet de boer in +elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan +een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven +langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt, +in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde +verminderd. “De boeren vreten gras,” teekent d’Argenson telkens op; +“sedert een jaar vreten zij gras,” “de menschen sterven als vliegen, de +ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles.” Vreeselijk +drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote +wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of +breken uit, omstreeks ’t midden der eeuw, in de Pyreneën, in de +Provence, in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van +Rouaan enz. enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op +en tracht de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze +van de provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. +Een poosje blijft het dan weer stil.</p> + +<p>De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de +epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de +opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt—het is +alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in +de sfeer van de “mouches” en de gepoederde pruiken, van de goudstralende +toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke +illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende, +sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die +deze lustverblijven bewonen—het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van +die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in +genietingen, stikkend in geilheid.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Naast en dwars door ’t verval der absolutistisch-feudale klassen heen, +gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische +vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei +van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.</p> + +<p>Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt de +groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de +bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der +koninklijke bank (Caisse d’Escompte) enz. Deze groep moet sommige +misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute +monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig +bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de +openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de +andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de +ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de +monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar zit +tevens vast aan het oude.</p> + +<p>In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de +pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen +van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke +geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun +zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door maîtressen en +paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd, +maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate: +het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid +van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en +terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken +van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van +bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte +haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van +de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige +is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe +koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.<a href="#fn7">[7]</a></p> + +<p>De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn +vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het +verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën. Haar +salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de koene +ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: weldra +omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als hùn +levensleer.</p> + +<p>De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze +vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten +achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van +het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De +overgang van handwerk tot manufaktuur<a href="#fn8">[8]</a> wordt o.a. verlangzaamd door de +buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen +der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor +een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te +voltrekken.<a href="#fn9">[9]</a> Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde +voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de +bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat +zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine, +de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in +Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur, +Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet +langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon +neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering van +den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan de +verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der +belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving en +afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de +Encyclopedie—Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle +mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te +stellen,—getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist, +wiens “prophetisch instinkt” hem leidt tot de verheerlijking van het +machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de +industrie.<a href="#fn10">[10]</a></p> + +<p>Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der +handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel +verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20 +tot 616 millioen in de jaren 1749-55.<a href="#fn11">[11]</a> Is de finantiëele bourgeoisie +in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een +aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon, +de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden +worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van +revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den +zevenjarigen oorlog—veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de +onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de +desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie +van het oude regiem—, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie. +Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de +Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de +oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd—vooral +toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de +oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in +1763—het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde +half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie—had tot aanleiding het +bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine +Antillen had geakkapareerd.<a href="#fn12">[12]</a></p> + +<p>Maar niet deze “oude bourgeoisie” der magistratuur was de voornaamste +draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de +natuurwetenschappelijke, staats-rechtelijke en philosophische +geschriften der Encyclopedisten een diepzinnige, meesleepende en +schitterende uitdrukking zou vinden. Al liggen de parlementen van Parijs +en van de provincie bijna de geheele regeering van Lodewijk XV door in +strijd met de monarchie, meestentijds over belastingkwesties, al dragen +zij hun redelijk deel bij tot het ondergraven der koninklijke macht, men +moet zich hoeden hun strijd van den beginne af aan als een deel der +algemeene worsteling van de opkomende tegen de ondergaande klassen te +beschouwen. Integendeel: aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de +oppositie van een reaktionair gezinde groep tegen de centraliseerende +werkingen van het absolutisme, dus van het element van vooruitgang +daarin, en beteekent de pogingen dezer groep, haar vroegere macht en +invloed terug te winnen. Eerst wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het +verval, de ontbinding van de regeering en van alle officiëele +instellingen en denkbeelden hun hoogtegraad bereikt zullen hebben, +wanneer de revolutionaire gezindheid al wat maar even levenskrachtig is +heeft aangegrepen, krijgt het verzet der parlementen tegen de monarchie +een beslist revolutionair karakter. Van hen gaat de eisch tot het +bijeenroepen der generale staten uit.<a href="#fn13">[13]</a></p> + +<p>De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren, +omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke +groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele +bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.</p> + +<p>De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun +maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de +intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de +officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid +van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen +tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak +van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig +had uitgelaten, door een “lettre de cachet,” zonder vorm van proces, in +de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de +geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als +Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire +waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden +den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn. +Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den +strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de +machtsverheffing der bourgeoisie voor.</p> + +<p>Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de +oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische +ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de +misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na +het Regentschap door d’Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een +voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den +eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in +het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot +’31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de “Club de +l’Entresol,” de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het +land waarvoor de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter +werd. Hoewel de werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter +droeg, verontrustte zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte +aan de bijeenkomsten een einde maakte. Nog vóór de stichting der “Club +de l’Entresol,” in 1721, waren Montesquieu’s “Lettres Persanes” +verschenen, een klein boekje waarin, onder een mom van luchtigheid en +scherts, een onmeedoogendloos-felle kritiek op absolutisme en +katholicisme werd uitgeoefend.</p> + +<p>Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en +philosophische oppositie echter eerst in de jaren ’40. De agitatorische +concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het “algemeen +handboek van de verlichting,”<a href="#fn14">[14]</a> bereidt zich voor. Van nu af aan +zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van +het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire +bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche +wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs “tot +één philosophisch individu vereenigd”<a href="#fn15">[15]</a> de nieuwe wereldbeschouwing +opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust. +Niet om de “zuivere wetenschap” is het hen te doen,—evenmin als ooit +en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse—maar, hetzij zij +de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot +uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en +geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; om +de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; om +de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de +instelling van een konstitutioneele regeering;—met één woord, om de +praktijk, dat is <i>om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen</i>, +in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. “Het doel van +den mensch is de daad,” schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar +aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn +moraaltheorie de leer opstelde “het doel van den mensch is het genot.” +Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der +bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie +der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is +aangestoken;—vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid +dorstende klasse.</p> + +<p>Voltaire—hij ’t eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het +revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land +waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis +met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche <i>praktijk</i> ontleenen +de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de +beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als +eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche <i>wetenschap</i> +ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische +denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de +wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en +volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten +streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten uit +de deïsten het begrip van een “redelijken godsdienst” die geen +openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire +volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der +mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen +deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo +worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats +van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.<a href="#fn16">[16]</a></p> + +<p>Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en +haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken +—immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de +engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de +positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke +ontwikkeling—ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen +hartstochtelijken strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. +Naarmate de klassetegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn +der bourgeoisie groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar +leer steeds radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der +ervaring zich met de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, +omdat de kerk zich aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat +voor de fransche philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar +praktijk, in het middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is +de geweldige burcht der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, +sociale en ideologische macht, in werkelijkheid de sleutel tot de +verdedigingslinies van het ondergaand regiem.</p> + +<p>De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en +evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname +stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is +Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van +dien tijd—de finantiëele—belichaamt hij als geen ander, als geen +ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge +grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit +geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de +konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige +wereldbeschouwing,—Voltaire geldt bij vriend en vijand als de +onbetwiste aanvoerder van den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. +Den strijd tegen de machten van het oude regiem voert hij onstuimig en +toch behoedzaam, hij valt aan, dringt vooruit, retireert behendig +wanneer hij in ’t nauw wordt gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift +uit onder zijn eigen naam, altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen +te verloochenen) zoo komt hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel +overmoedig als gesmijdig, ontziet stelselmatig het koningschap, om de +volle kracht van zijn aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd +houdt hij zich, met onfeilbare intuïtie, in het “juiste midden” der +gedachte-bataljons, die tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; +hij waarschuwt en kant zich tegen alle materialistische en atheïstische +denk-excessen zijner dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort +ze zoolang mogelijk <i>en famille</i>; verloochent ze zoo ’t moet, om niet +gekompromitteerd te worden, in ’t openbaar. Hij is ’t zuivere type van +den “integralen leider.” Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, +de centrale figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het +strijdend volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der +tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt +hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande +tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in +een zekere luchthartige en aristokratische, althans +anti-demokratische<a href="#fn17">[17]</a> levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en +genotzucht in zekere mate is besmet. Hij is idealist, hij meent het +ernstig met den strijd tegen dwang, vóór de bevrijding der +persoonlijkheid, hij wil het geluk der menschheid, hij gloeit van +medegevoel voor de slachtoffers van de willekeur der monarchie en het +fanatisme der priesters, hij strijd met animo, met moed, met +overtuiging;—maar hij strijdt immer met een ironischen glimlach om de +lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het oude stelsel misschien nog +meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit ontroerd met de diepe +bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in beweging brengt. Hij is +klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij gelijkt niet in het minst op +een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie niet voortbrengen) hij +verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang te dienen naast het +algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, blijkt hij +gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als van de +finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; “grand brasseur d’affaires +et grand remueur d’idées,”<a href="#fn18">[18]</a> gelijk Jaurès’ gelukkige omschrijving +luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de dapperheid, het +enthousiasme die het deel zijn van <i>opkomende</i> klassen, als het egoïsme +en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage <i>uitbuitende</i> +klassen hebben gekenmerkt.</p> + +<p>Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de +wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten +van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol +stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de +menschenwereld te zullen veranderen,—maar de meest konsekwente +theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een +machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen +zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur, +de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,—maar +Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle +aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het +egoïsme de norm van alle handelen.<a href="#fn19">[19]</a> Ten deele zijn deze theoriën +natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire +philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der +papen, die “water prediken en wijn drinken,” zelfverloochening en +naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en +genotzucht. “Liever turksch dan paapsch” zeiden de geuzen; “liever +liederlijk dan vroom” zeggen de materialistische philosophen. Maar ten +deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in +hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis +van burgerlijke denkers, <i>dat het maatschappelijk wezen der +groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische +uitbuiting is</i>,—dat zij de massa’s tot hare doeleinden te gebruiken als +even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt +onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim +van ’t proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle +huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen, +evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de +eenige waardevormende kracht is.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het +derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den +klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de +parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de +oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend—die van 1750, +naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische +doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789<a href="#fn20">[20]</a>—kunnen +zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene +revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute +monarchie, begint eerst nà 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste +plaats de philosophen, maar de z.g.n. “patriotten,” de voorvechters niet +der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas—kleinburgers, arbeiders +en boeren.<a href="#fn21">[21]</a> Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.</p> + +<p>Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer +massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en +klasse-aspiraties,—in sommige opzichten samengaande met die der groote +bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in +andere er lijnrecht tegenoverstaande—hadden nog geen uitdrukking +gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen ’t oude regiem +stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden +geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of +burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe, +waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen <i>alle</i> bederf en tegen +<i>iedere</i> uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een +bewonderenswaardig heroïsme—met <i>tragisch</i> heroïsme, want zij moesten +in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het +wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen +dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun +vleesch en bloed van hun bloed was.</p> + +<p>De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk +leven, hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun +moreele verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld +zou opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete +bekoring,—zij gingen stem krijgen in Rousseau.</p> + +<h3><a name="II.He"></a>II. HET MOEIZAME LEVEN</h3> + +<p>In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op +zak, zijn komedietje “Narcisse” en zijn uitvinding, het notenschrift in +cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom +verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, en +maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele +kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en +chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd +hij in den zomer van ’42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe +methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te +lezen.</p> + +<p>Hij dacht gewonnen te hebben, maar ’t gaf niets als teleurstelling. De +“commissarissen,” die het officieele genootschap benoemde om zijn plan +te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek +wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en +beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de +inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was. +Hij voelde zich diep verongelijkt.</p> + +<p>Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over +hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een +vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij +verblijf had genomen, en werkte een paar maanden “met onbeschrijflijken +ijver,” om zijn memorie om te smelten tot een “verhandeling over de +moderne muziek.” Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever, +maar ’t boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn +gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij, +soezende knaap, door Milaan gedwaald had.</p> + +<p>Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in de +apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke +inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel +mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost +te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden +zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van +buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon; +af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij +gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al +zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen +voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij +hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle, +Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd +weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat +hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.</p> + +<p>Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele +anderen. Zoo is ’t het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren +even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit +een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de +provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij +bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm, +gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij +gouverneur geweest bij een adellijke familie en had ’t daar niet kunnen +uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn +dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen: +zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een +neiging tot paradoxen.</p> + +<p>Diderot “de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek” (St-Beuve), +is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de +aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was +schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke +eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang +hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden +en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid +te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der +regeering, noch de afval van vrienden (d’ Alembert en Rousseau), noch +het verraad van den uitgever. En ’t was hem te doen om de zaak, om de +nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk +voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge +kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn +talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in +het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die +armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle +mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.</p> + +<p>Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als +de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht +en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan +verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem +tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van +zijn gezin en van zijn maîtresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst +die in Rousseau aan ’t groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun +temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief, +droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig, +opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst +bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,—en deze +tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,—Diderot was +bedil-achtig en heerschzuchtig, op ’t tyrannische af, hij wou zijn +vrienden dwingen tot wat <i>hij</i> goed achtte; Rousseau, in het minst niet +heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.</p> + +<p>Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de +vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij, +komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar +dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin +de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek +verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven +eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie +bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem +van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder, +hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.</p> + +<p>Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van +een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot +Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld. +Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht ’t was zooveel +mogelijk “beaux esprits” in haar salon te verzamelen, zij ontving +Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij +de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos +fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon, +Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij +liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar +eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen +zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van +Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd +secretaris van den franschen gezant in Venetië.</p> + +<p>Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was, +vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een +gezantschap-sekretaris, een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn +meester, de Montaigu, was een ezel, een stomme oud-militair, zonder +eenig begrip van diplomatieke aangelegenheden, en die alles aan zijn +sekretaris overliet. Rousseau vervulde, verzekert hij ons, zijn taak +ijverig en nauwgezet; dat hij in dezen nieuwen, voor hem ongewonen +werkkring blijken gaf van scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij +gerust gelooven, al heeft hij misschien in de “Confessions,” vijf en +twintig jaar na zijn verblijf te Venetië geschreven, zijn positie en +zijn invloed op den gang van zaken een beetje al te gewichtig +voorgesteld. Veel in de politieke instellingen en zeden der oude +dogenstad aan de Adriatische zee moest</p> + +<p>hem de indrukken zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het +milieu van zijn vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een +souvereine stad, bestuurd dooreen trotsche,—ervaren aristocratie; het +bezat evenals Genève een oude republikeinsche konstitutie, die den +volkswaan vleide en bevredigde, terwijl in werkelijkheid het gezag in +handen der patriciërs berustte. Zijn werkkring riep politieke +belangstelling in hem wakker, de aard van zijn geest leidde die naar +nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed der politieke +instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië een nieuwen +schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.</p> + +<p>Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man, +wiens zelfbewustzijn groeide met ’t besef van zijn onmisbaarheid, maakte +de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig +ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en +beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten +slotte kwam ’t tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris +weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te +trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij +vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er +eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde +in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den +smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed +hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door +zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te +laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet +hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden. +Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den +gezant zelf.</p> + +<p>Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar +Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo +verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat +hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat; +nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee +en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn +streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in +alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte +was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde +vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de +zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van +levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder +strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede +drukte hem ’t ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij +eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.</p> + +<p>Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het +puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar +zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij +zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van +Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft +vooral.</p> + +<p>Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar +Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger, +eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan ’t schrijven +van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in ’t +vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude +hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong +linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was +geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal +verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht. +Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door +de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at +aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het +schuwe deerntje in ’t nauw brachten met schuinsche grappen en +onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam ’t voor +haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat +menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste); +tusschen hen kwam ’t al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was +het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte +aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg; +hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.</p> + +<p>Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar +ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije +liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.<a href="#fn22">[22]</a></p> + +<p>Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die +vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den +levensbond met het plebeïsch natuurkind—Thérèse was in buitengewone +mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog +onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten, +in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het +voorbehoud der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere +aandriften volgend—in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn +diepste ik tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar +moraal, haar overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, +haar dorheid van hart.</p> + +<p>Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus +onbegrijpelijk. Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen +maîtressen—aristokratische dames of vrouwen uit de haute finance, of +pleiziermeisjes, of actrices. Dàt sprak immers van zelf. En al die +vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een glimp van de hen omringende +kultuur opgevangen. Van het groote gedachtenvuurwerk dat om hen brandde +daalden enkele vonken op hun zielen neer. “Zij leefden in de atmosfeer +van de opera van den dag, van het nieuwe tooneelstuk, van het boek van +de week.”<a href="#fn23">[23]</a> Zij konden meepraten over de literatuur en de +philosophie, met vertoon van geestigheid of geleerdheid herhalen wat +anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse! Een meisje uit het volk, +die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en alle moeilijke woorden +verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar mans linnengoed (dat +hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en niet anders begeerde, +zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. Dat men met haar +gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de soort vrouw was +die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij niet begrijpen: zij +achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een ramp voor hem, +verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten verkeerd +oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig opzicht meest +essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk een kiem van +vervreemding.</p> + +<p>Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. Met +zeer enkele uitzonderingen<a href="#fn24">[24]</a> hebben zij alle afgegeven op “die +afschuwelijke Thérèse,” haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en +verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de +zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem +plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke +wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn +aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens—voor elke onbedorven +natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten +afstootend—vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar +beschrijvend, hun pen in suikerwater.<a href="#fn25">[25]</a> Natuurlijk: Mme de Warens was +immers de bekoorlijke châtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar +minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke +“idylle der Charmetten” (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij +dan in donkere verven Rousseau’s “rampzalige liefdesverhouding” met de +“onbeschaafde wasch-vrouw” Thérèse le Vasseur. Zij <i>kunnen</i> niet anders: +hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen +hoogmoed.</p> + +<p>Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar +zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de +meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid. +Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie +voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden +van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat +met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo +ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst +verwonderlijk. Dat zij kort voor ’t eind van zijn leven, als oude vrouw +al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk +zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan +moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d’Houdetot ook +doen. Maar daaraan denkt niemand.</p> + +<p>Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat ’t volgende; +staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar +vele malen heeft hij uitgesproken, in de “Confessions” en in zijn +brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, “de eenige +werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn +lot dragelijk heeft gemaakt.” Niet enkel haar “engelachtig hart” bleef +hem bekoren, haar “zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,” +hem aantrekken—maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls +steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische +aangelegenheden bleek altijd goed.</p> + +<p>En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.</p> + +<p>Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle, +waar zij van ’47 tot ’56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels, +arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,—al werd dat geluk en +die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige +schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel +een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien, +tuk op buit, haar nazettend;—tot aan de laatste moeilijke weken in het +kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste, +trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige +huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het +zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar +goed-toebereid maal, gelijk hij ’t liefst had. Zij was de trouwe +verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de +aanvallen van zijn kwaal, die ’s winters plagt te verergeren, hem +maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in +trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van +vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der +regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche +geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. Was +dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?</p> + +<p>Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn +geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en +inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden. +Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn +geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken—zijn +denken stond immers geheel op gevoelsbasis—liefhebben vóór begrijpen. +En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen, +hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen +genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn +gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn +persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende +dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding +gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het +dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten +schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen +bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware, +moeilijke: ’t samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den +ontwrichte dien hij meer en meer werd; ’t verzorgen van den +in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot +haar sprak.</p> + +<p>Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt—veel van hem verdragen. Eerst in +’t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven +lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden +achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie +behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man +liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in +Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van +zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en +Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme +d’Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme +d’Epinay van haar door sluwe manœuvres de brieven van Mme d’Houdetot +aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige +burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij +loog, heldhaftig: “Die brieven zijn niet bewaard.”</p> + +<p>En daarna kwam de vuurproef: de “Emile” verscheen, Rousseau werd +vervolgd en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat <i>hem</i> +gevaar dreigde—maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de +groote wereld compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar +“engelachtig hart,” haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in +Montmorency kunnen blijven: Rousseau stelde haar dat voor en zou voor +haar zorgen, maar zij weigerde, zij wilde naar den man, dien zij +liefhad, naar den eenzamen banneling in het zwitsersche dorp, om weer +voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen en bij hem te zijn. Zij +drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. “Ge weet wel,” +schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk te begrijpen +brabbelfransch, “dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik gezegd: moest +ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer te vinden, +had men ’t mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan.” En zij +onderteekende zich: “uw nederige, goede vriendin.”</p> + +<p>Ja, dat was zij. In hun werk over “De vrouw in de XVIIIde eeuw” geven de +Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en +courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde +ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog +heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in +hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast +onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau’s Thérèse.</p> + +<p>Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het +sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor +’t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht +voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort +verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen +verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord +verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van ’t +dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk, +in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het +onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug, +en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en +vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet +ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.</p> + +<p>Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch +proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn +kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en +aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk +eten, door haar bereid.</p> + +<p>Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met +muziek-kopieëren: het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een +toevlucht vonden in het kasteel Ermenonville. Dáár stierf hij in haar +armen, de deur gegrendeld, dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. +Tot het laatst had zij voor hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat +was véél.</p> + +<p>De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling +eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste +geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die +haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar +lang.</p> + +<p>Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen +minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme, +simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde +Thérèse le Vasseur.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.</p> + +<p>Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon +Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend, +en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan. +Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen +naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig, +maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder ’t ook wou, waar +zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat +zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze +ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen +nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen +werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór ’t +samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel +verhalen daarvan gehoord, dat hij ’t als de natuurlijkste zaak van de +wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar ’t vondelinghuis +bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.</p> + +<p>Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra “les Muses +galantes” werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen +belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer, +den “intendant der menus.” Het werk beviel den modeman der hoogste +kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat ’t voor den +koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu +hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de +“Fêtes de Ramire,” door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd. +Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed +Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat en +maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma’s enz. niet +genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de “Muses +galantes” door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam +niets van. Toen probeerde hij ’t nog met “Narcisse,” trachtte dit +gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd +en gaf elke poging om naam te maken op.</p> + +<p>Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele +kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld +vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn +onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als al +de gladde heertjes die hun ’t hof maakten, anders ook dan de overige +intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder +innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in +plotseling vuur van welsprekendheid als ’t onderwerp hem ontroerde, uit +diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan +gloeiende stroomen omhoog.</p> + +<p>Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was +een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin +hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste +ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van +zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms +toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was +zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren +logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan +door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren +de meest geliefde tijdpasseering der “wereld waarin men zich verveelt.”</p> + +<p>De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den +afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem +worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?</p> + +<p>De dagen stroomden—stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn +afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder +dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk +hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing, +levensreiniging. Diep in hem, in ’t warme nest van het onderbewuste, +groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden +uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van +pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer +ademen kon.</p> + +<h3><a name="III.De2"></a>III. DE EERSTE FANFAREN</h3> + +<p>Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de +velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er +werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het +land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren +zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten +de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder +leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.</p> + +<p>De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een +broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote +wetenschappelijke voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld +te bombardeeren met dikke geleerde werken: in ’48 was Montesquieu’s +“Esprit des Lois” verschenen; in ’49 kwamen de eerste drie deelen uit +van Buffons “Histoire Naturelle,” een grootsch-opgezette geschiedenis +van de aarde en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het +bijbelsch scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze +diepzinnige geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het +geharnaste proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het +oude regiem voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af +aan volgt de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang +zal zij zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en +reaktie, nù onderdrukken, dàn weer de teugels vieren, zonder iets anders +te bereiken als haar vijanden te prikkelen door ’t eene, stoutmoediger +te maken door het andere.</p> + +<p>In dien zomer van ’49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men +nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. In +de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen niet +naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers +opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de +intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering +wilde een grooten slag slaan.</p> + +<p>Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken +waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te +hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het +ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme.</p> + +<p>Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn “Lettre sur +les Aveugles,” (Brief over de Blinden) een populair philosophisch +werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich +beleedigd achtte.<a href="#fn26">[26]</a></p> + +<p>Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel +opgesloten. Een maand lang bleef hij “au secret;” niemand werd bij hem +toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt +d’Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de +hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.</p> + +<p>De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende +maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel +zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den +vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste +dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn +geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de +Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij +dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap +van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn +smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot’s gevangenschap verzacht, hij +mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn +kameraden werden tot hem toegelaten.</p> + +<p>Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken! +Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen, +haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet +verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond +neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog +broeirigen avond, na ’t samenspreken met den vriend, die, onversaagde +strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap ’t plan tot de +koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de +Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen +de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche +glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg, +groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van +eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was +in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.</p> + +<p>Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad, +de “Mercure de France,” om de verveling van den weg te bekorten, +toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon +uitgeschreven: “Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten +bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven.” En plotseling, +voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de +bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij +merkte ’t niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere +zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot ’t bewuste, +met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit ’t +diepst-van-’t-woud.</p> + +<p>Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de +opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht +opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid +van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; +gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de +verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in +eenen,—zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het +lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der +grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een +leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en +zij de armen uitstrekken daarheen en ’t heerlijk visioen aanroepen, dat +’t blijve, sidderend van verlangen—zoo deed hij.</p> + +<p>Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, ’t Gezicht op het +nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het +tegenwoordige en ’t Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en +klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook +rijst ’t Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals +zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige, +hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt +de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der +Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.</p> + +<p>Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar +het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was +neergezonken onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en +schoon opbloeien uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet +opschemeren uit de heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag +hij een wereld in wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw +als voor de werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel +dezelfde, haar wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale +ongelijkheid, verfijnde genietingen voor de kleine minderheid ten koste +van de ellende der groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien +naar zijn Ideaal, naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En +daarom stond zijn Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid, +tegen den horizon, maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen +opgebouwd. Aan hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare +vormen; aan de verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen +sedert zijn jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente +indrukken zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van +het patriarchale landleven onder de “Naturalwirthschaft,” dat in de +achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog +voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre +landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele +kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid +van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken +saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische +ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit +veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen +eener maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een +maatschappij van kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke +trek van communisme daarin ontbrak was natuurlijk.</p> + +<p>Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid, +voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.</p> + +<p>Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun +vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden +ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder +aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke +verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want +zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De +strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde, +voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers +tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de +heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde, +wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder +uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd +genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op +domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap, +die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden +enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen, +voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in +den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der +verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot +bewustheid.</p> + +<p>Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de +slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.</p> + +<p>Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van +tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme, +opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der +Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn +leven zijn.</p> + +<p>Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over +den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden +en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.<a href="#fn27">[27]</a></p> + +<p>Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven +in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste +“Discours.” Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; +zijn opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, +geraffineerde, verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had +thuisgevoeld; zijn oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke +zeden, voor het sober onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn +meegevoel met de armen en verdrukten, met de eenvoudige harten die de +groote oude waarheden wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld +leeft: arbeid, trouw, wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een +maatschappij, die kennis en genot voor enkelen slechts bereikte ten +koste van de verdierlijking der groote massa en de zedelijke ontaarding +van allen;—alles wat hij doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn +veelbewogen bestaan verbond zich tot ééne, van gevoel doorklonkene, +levensconceptie. Hij spuwde de beschaving uit die de massa veroordeelde +te kruipen in ellende, die allen de slaven der zonden deed zijn. Hij +spuwde de kunst uit, “het kind van verslappende weelde;” hij spuwde de +wetenschap uit, “het kind van ontzenuwenden lediggang.”</p> + +<p>Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde +maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van +plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van +den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde +hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en +ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als +vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch, +uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch +intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover +de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God +welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar +van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger +aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een +vervallend régiem “nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen, +maar geen burgers meer.” Het was de stem van den individualist, opkomend +tegen “de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving.” +Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier +dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde: +burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland; +de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was +de stem van den handwerksman, den <i>reaktionairen</i> kleinburger, die niets +voelde van Diderot’s verrukking voor de verbetering der techniek en de +toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door +haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde: +het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den +<i>revolutionair</i>, den voorvechter van massa’s die niets te verliezen +hadden bij een gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden +zijn door verachting voor het historisch-gewordene, die zouden +overwinnen door de negatie van dien voozen glans en die onheilspellende +schittering, opstijgend uit een maatschappij in ontbinding.—Ja, het was +wel de stem der kleine burgerij, dier raadselachtige klasse, +raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet als het gevolg van haar +positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse gedoemd gelijktijdig +reaktionair èn revolutionair te zijn.</p> + +<p>Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen +prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken; +al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven +Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge +bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat, +hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de +artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek +beschouwde de “Discours sur les sciences et les arts” (Redevoering over +de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de +beschaving—een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.</p> + +<p>Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van +Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk +en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van +maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. “De weelde +bederft alles,” luidt het in zijn “Antwoord aan den koning van Polen,” +“zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar +begeert.” “De weelde” (in het “Antwoord aan den heer Bordes”) “moge +noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen +weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan.” En als noot hierbij: +“De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend +sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den +mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet +vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen +bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer +slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben +zooveel armen geen brood.”</p> + +<p>Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat +tegen de “beschaving.” Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan +verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom +vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.</p> + +<p>Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping +tusschen beginsel en praktische konsekwenties.</p> + +<p>Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend; +zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten +en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch +bedorven—maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij +noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden +gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel +van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk “behalve door een groote +revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen +genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te +voorzien.” Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak +tusschen <i>droom</i> en <i>daden</i>, tusschen het Ideaal en den Weg het te +bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen +en de menschen het hoofd doen schudden over zijn “inkonsekwentie.” Noch +de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.</p> + +<p>Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste “Discours” schreef, de +inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner +andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is. +Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was +teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid +die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der +liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de +stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde +het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.</p> + +<p>Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede “Discours,” +dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe +prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der +maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom: +zachtheid had hij nog niet teruggevonden.</p> + +<p>Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van +den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang +zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur, +uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den +primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo +meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden +van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden +vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de +natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen +was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de +verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en +voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de +neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn +voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid +hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren +hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest +vermoedde hij niet.</p> + +<p>Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige +trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij +tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk +Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt +tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op +de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op +de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de +ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende +klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede “Discours.”</p> + +<p>In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter +bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der +tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den +primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en +sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche +stammen. De communist Morelli, wiens “Code de la Nature” korten tijd na +het tweede “Discours” verscheen, onderscheidde veel scherper dan +Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel +beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch +Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle +wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de +verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van +anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van +nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij +alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd +goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij +alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener +maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener +samenleving “waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet +door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt; +waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het +schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin +niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner +naburen.” Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en +treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij sprak +uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en +barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat—en wie +kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk +niet luid “ellende, brood, brood, ellende,” telkenmale dat koning of +kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van +zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de +natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de +hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een +grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk: +hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke +gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden +ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en +politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt, +het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op +wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, “en waarvan ’t in de orde +der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen.”</p> + +<p>Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van +uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten +gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die +volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de +Carmagnole:</p> + +<p><span style="margin-left: 2em;">“Ça ira, ça ira, ça ira,</span><br/> +<span style="margin-left: 2em;">Celui qui s’élève, on l’abaissera,”</span></p> + +<p>en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de +wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was ’t in een +onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na “na ons +de zondvloed” en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen +met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau, +wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet +in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien +slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden +zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen, +nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten +maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn +lezers op ’t hart drukkend “om de goede en wijze vorsten te eeren die de +menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten +te voorkomen, te genezen of te verzachten?”</p> + +<p>De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop +nog vleugellam in dat der daad.</p> + +<p>Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en +herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste +lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede +“Discours,” was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in +zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen +werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend +schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de +dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der +hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde—nl. van algemeen +ontvanger der belastingen—had de in moeielijke omstandigheden +verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute +finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden +toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid +van een werkkring waarvoor hij in ’t minst niet geschikt was, maakten +hem ziek.</p> + +<p>Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het +was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem +doordrong, nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij +voelde de tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en +onbaatzuchtigheid aan anderen en de richting van zijn eigen leven; hij +voelde dat zoolang hij zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom +en wereldsch goed najagen, de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen +kon.</p> + +<p>Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat +is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog +zeldzamer is, hij zette het door.</p> + +<p>Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap +neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen; +Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.</p> + +<p>Hoe zou hij nu leven?</p> + +<p>De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden +chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel +geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in ’t ellendigste +parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was +een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een +der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach, +geschonken.<a href="#fn28">[28]</a></p> + +<p>Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en +niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in +’t verkondigen zijner beginselen.</p> + +<p>En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn +het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer “liefde tot het groote goede +en schoone” gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale +idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn +gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen “ik ben zulk een die, +wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt, +nederschrijft.”</p> + +<p>Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef +fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield +van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd +muziek-copiïst.</p> + +<p>Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het +handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem +genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het +mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op ’t +platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn +dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud.</p> + +<p>Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij +had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de +letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon +voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet, +die in zijn werk <i>niets</i> toe wil geven aan de heerschende meening en de +goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke +stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven +onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.</p> + +<p>Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven +allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom +moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te +doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien in +hun binnenste; naast ’t samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe +wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van +vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.</p> + +<p>Intusschen zette hij zijn “innerlijke hervorming” ook door in wat zijn +uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie +der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot +in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij +schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand zich +in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de +kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn +kleeding die van een eenvoudig burgerman. In ’t eerst kon hij nog geen +afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij +gehecht was, maar een dief—waarschijnlijk een broer van Thérèse—hielp +hem daar weldra van af.</p> + +<p>Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en +knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde jas +en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag +voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet +alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan +de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en +door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem ’t +hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te +krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij +aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was +toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te +overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen +op zich tegen hun “begunstigers,” die maar één doel kenden: de hen immer +najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles +dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne +beschermelingen. Zij hadden immers ’t recht daarop beslag te leggen door +hunne gunsten—zoo voelden zij ’t, zoo was het ook. Hun protégés moesten +ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze +gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te +bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden +alles koopen, waarom dan ook niet dit?</p> + +<p>Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die ’t aannemen van geschenken +doorgaans ten gevolge heeft, waar ’t vriendschaps-verkeer niet gebaseerd +is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de +vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij +verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich +heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok +dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en +wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel +vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En +achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke +moeder.</p> + +<p>Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en +bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen +was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt +het genieten van liefde omdat zij ’t hart streelt, en begint ’t genieten +van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over +in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook +de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke +menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde +gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in +elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.</p> + +<p>En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk. +Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke +vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen +drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die +onbeschrijfelijk-gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem +welke een klasse met een lang verleden van heerschen en genieten +voortbrengt. De lieftalligheid der eenen, de hoofschheid der anderen +kon hij niet altoos weerstaan. Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, +worstelde opnieuw; hij ontkwam slechts aan den eenen beschermer, om +zich gewonnen te geven aan een anderen.</p> + +<p>Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het +verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen—dit zou nog jaren +lang zijn leven zijn.</p> + +<p>Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs, +om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de +zachtheid des levens zijn.</p> + +<p>In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van +zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer +een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen +stijl, “De Dorpswaarzegger,” en o wonder! de lieve melodieuse muziek +viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te +Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij, +in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. “De +Dorpswaarzegger” had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde +den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau +weigerde op audiëntie te gaan<a href="#fn29">[29]</a> en sloeg het jaargeld af. Het eerste +begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun +eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen +de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was +uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele +uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in +intellektueel-artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn +geschriftje zegt hij “een revolutie verhoedde,” door de opwinding en +spanning op andere banen te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de +revolutionaire stemming in de jaren ’50 nog slechts een betrekkelijk +kleinen kring had aangegrepen.</p> + +<p>Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden +was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor ’t eerst ernstig na +of hij ’t kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij +beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige +keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te +geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht +op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in +beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te +vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die +de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap, +arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja +verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een +burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had +afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind +naar ’t vondelingen-huis brengen.</p> + +<p>Spijt zou later komen, om ’t geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos +had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren +van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de +bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in +zijn wezen.</p> + +<p>Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en +begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te +vestigen, waar hij in ’54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed +ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf +nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem +geworden waren was ’t natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn +geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij +bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij +werd opnieuw protestant en burger van Genève.</p> + +<p>Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en +voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou +’t er toch toe gekomen zijn. Maar ’t zachte fleemen en hartstochtelijk +willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.</p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap03"></a>DERDE HOOFDSTUK<br/> +DE GROOTE JAREN</h2> + +<h3><a name="I.Na"></a>I. NAAR DE VEREENZAMING</h3> + +<p>Madame d’Epinay, geboren d’Esclavelles, behoort, door aanleg en +levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance in +de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar van +’t begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast +ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen +verbraste—tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele +werd gezet—kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij +was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi +maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan +zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte +te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel +esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden om +zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van +intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf “beren,” (waartoe +Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te +noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een +warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar +kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig +en pittig.<a href="#fn30">[30]</a> Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de +vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij +behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die +haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig +en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te +komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze +veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste +berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net +gaf wat hèm paste en niets meer.</p> + +<p>Rousseau had Mme d’Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij +doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook +was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor ’t vrolijk +gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige +sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel +hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij +luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d’amour wilden +gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de +wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen +van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een +beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en +met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn +hoorderessen. Mme d’Epinay voelde zich sterk tot den jongen +dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar: +“ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij +is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch +eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt.”</p> + +<p>Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d’Epinay en Rousseau altijd +vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind +gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de +man die in Rousseau’s voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich +maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden +van hem vervreemd heeft.</p> + +<p>Grimm was een jonge Duitscher, op ’t eind der jaren veertig in ’t gevolg +van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem +leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot’s gevangenschap en direkt +een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed +musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde, +want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den +jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en +deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig, +een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching, +plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte +zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van +Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon +een “Correspondance littéraire,” een soort bulletin voor buitenlandsche +vorsten van al wat op ’t gebied van kunst, letteren enz. te Parijs +verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had +zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen +vijanden geworden waren, zich in zijn “Correspondance” steeds gematigd +en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in +’t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver: +oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij +langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar. +Hij kreeg toen den titel van “baron van het heilige duitsche rijk,” en +was daar zeer verheerlijkt mee.</p> + +<p>In het begin der jaren vijftig hield monsieur d’Epinay zich bezig met ’t +vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij +Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen +Rousseau en Mme d’Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en +Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een +keer dat hij en Madame d’Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen +vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de +moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan +het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond +daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het. +“Hè,” zei Rousseau, “hier te wonen.” Madame d’Epinay antwoordde niet +veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later +bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw +allerliefst landhuisje was verrezen. “Hier, mijn beer,” zei ze, “is uw +kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die +booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève.” Dat was +echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar +bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.—O wij +arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende +brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.</p> + +<p>Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist +de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van +zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij +voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen +grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de +lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid. +Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot +vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een +voorgevoel van de verdrietelijkheden die ’t zwichten voor dien wil over +hem brengen zou, schreef hij aan Mme d’Epinay: “Hoe slecht begrijpt ge +uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken” ... (altijd +weer die angst voor dienstbaarheid). “Ik ben niet bezorgd hoe te leven +en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke +gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste +onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn +pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat +mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar +ik haar ’t zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor +mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid. +De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen +acht dagen zal mijn besluit genomen zijn”.... Maar ook nadat hij haar +had geschreven: “mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij +overwonnen hebt,” bleef hij naar eigen getuigenis “door een toestand van +innerlijke krisis gekweld.”</p> + +<p>Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn +verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de +Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard +maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut +in te gaan op het voorstel van Mme d’Epinay dat hij voor niets zou +wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij +overeen dat hij ’t loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage +woonde en misschien eenige kleine diensten aan ’t huishouden bewees, +voor zijn rekening zou nemen.</p> + +<p>Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner +invrijheidstelling verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan +Rousseau den dag dat hij Parijs verliet. Hij was ’t leven in het +wereldsch milieu waaraan hij nog altijd vastzat moe,—overal ’t zelfde, +of ’t zich afspeelde in de stad of op de kasteelen der grooten. “Ik was +zoo ziek van salon’s, fonteinen, heesterboschjes, bloemperken en de +vervelende vertooners van dat alles,” schrijft hij in de “Confessions,” +“van brochures, kaartspel, handwerkjes, flauwe woordspelingen, laffe +maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn hart openging als ik een +doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; of de lucht van een +omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein van een boerenliedje +hoorde.” Alle krachten van zijn wezen dorstten naar een eenvoudig, +boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit “terugkeeren tot de +natuur.”</p> + +<p>Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij +had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch ’t +gevoel dat hij ’t meeste nog te zeggen had en zoo was ’t ook. Hij was +aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te +brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren. +Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij +zelf nog niet geheel in ’t reine was.</p> + +<p>Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een +beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij +was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en +had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met ’t maken van +uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om +daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een +soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan +stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding. +Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom +gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had +veel over ’t onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig +wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van +een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo +onder de hand door.</p> + +<p>Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij +willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte +de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals +uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet +op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde +richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het +onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen +in gaan, in ’t eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de +“censuur” van den wil niet tot ’t tweede wordt toegelaten. Terwijl +Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den +innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij +nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn, +begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid ’t oude smachten naar +teederheid weer op te komen; terwijl hij nog “dronken van deugd” meende +te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der +liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van +zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op +een gelegenheid, om de “censuur” onderste boven te loopen, met +onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het +brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die +jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij +uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d’Houdetot, in zijn werk in de +“Nouvelle Héloïse.”</p> + +<p>De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten +om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die +zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens +alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.</p> + +<p>Het was vroege lente toen hij ’t landhuisje aan den zoom van ’t woud van +Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar +geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht, +door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de +velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en +sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal +zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn! +Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij +goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes, +blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme +d’Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van ’t verhuizen, de drie +vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.</p> + +<p>En onverwachts begon, zooals de sneeuw op ’t veld wegsmolt voor den +zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel +zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij +niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd +had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de +verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld +door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op ’t tweede +plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel +genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals +wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd, +zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te +murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de +verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.</p> + +<p>Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat +zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen +verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één +geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten +en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt, +die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit +liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde +teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen, +zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de +verbeelding in Rousseau.</p> + +<p>Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de +rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen, +wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen, +die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem +altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner +fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die +eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had +hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden; +wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-’t-bewuste-alleen, +verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was +de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij, +geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en +roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de +droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude +stroom vloeide weer rijkelijk.</p> + +<p>Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want +Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend. +Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet +zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben. +Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te +maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er +in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij +gevreesd had, gebeurde: Mme d’Epinay liet hem niet met rust, hij moest +altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot +hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet +naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren +die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had, +door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit +was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken +uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw +hij na ’t middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in +het woud.</p> + +<p>Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren; +dáár was ’t leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie +die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen +onbemerkt den weg in naar ’t verleden: verlangen zag niet langer +hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd +voorbij is.</p> + +<p>Hij was op dien grens der jaren gekomen—niet voor elk mensch +dezelfde—dat het hart zich keert naar ’t verleden en met pijn en +bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden, +heerlijke jeugd.</p> + +<p>Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der +jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. +Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de +bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond +en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart +samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd +verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus’ zilveren ster, uit +eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, +voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat +hij wat nu ’t allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; +ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.</p> + +<p>Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn +eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer +terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene +nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven +zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit +bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij +te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij, +zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam +als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn +fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij +jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling; +weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al +de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had +ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien +onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar ’t +oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry, +hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk, +hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als +gezantschap-secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij +was heel dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen +gescheiden door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar +omtrilde, zag hij Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was +verschenen: jong, bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende +haren, een en al lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, +hij gloeide en dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.</p> + +<p>Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor +de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te +sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te +grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de +broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij “sublimeerde” zijn +liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een +ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid, +zocht hij in de fantazie.</p> + +<p>Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen +omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde +samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare +eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle +storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat +hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde +samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.</p> + +<p>Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen, +twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de +minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan +den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de +Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind +had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en +vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en +onweerstaanbaar-beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij +wilde een monument oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap +en liefde.</p> + +<p>Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en +onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had +voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij +zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over +het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der +liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En +wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd, +voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich +geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een +deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke +zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van +zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte +hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.</p> + +<p>In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de +schoonzuster van Mme d’Epinay, Mme d’Houdetot. Hij kende haar sinds +lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets +meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men +zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen +zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en +armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en +kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig, +en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had +een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van ’t soort als toen in de +mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de +natuur en ’t landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen; +een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, op +en top gentleman. Mme d’Houdetot en St. Lambert bleven tot ’t einde +hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd +spreekwoordelijk.</p> + +<p>Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder +waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar +zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote +wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid +en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar +afwisseling.</p> + +<p>Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in ’t late najaar van +1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder +blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij ’t huisje, vol +uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren +geven en zij bleef bij hen ’t avondbrood gebruiken, heel huiselijk.</p> + +<p>’t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal, +in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar +minnaar stonden beide in ’t veld. Zij had een landhuis gehuurd in de +buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te +verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den +eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen “citoyen” met zijn strenge +begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de +verlokkingen der Parijsche wereld.</p> + +<p>Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te +worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.</p> + +<p>Had ’t werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts +schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor +noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke +vrouw, die ’t lot naar zijn kluis voerde? Of was ’t anders; leefde, voor +hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van +den kunstenaar, door ’t lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en +verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te +voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de +andere?<a href="#fn31">[31]</a></p> + +<p>Wie durft ’t beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de +daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat +van mysterie is hij.</p> + +<p>Hoe ’t zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend, +vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat +wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn, +niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was +de minnares van een vriend, hem waard niet ’t minst om de volkomen +overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf +èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo +leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en +smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al ’t ideëele in +hem, al zijn moreel gevoel opstond.</p> + +<p>Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half +verteederd,—Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en +uiterst beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets +hoogs en weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat—trachtte zij den +brand te blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den +slechtsten weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen +van hartstocht hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een +man en vrouw, die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den +sexueelen omgang, kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen +opvoerend tot extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te +slaan, dat alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden +van zijn vijf en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid +van hem nam.</p> + +<p>Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn +zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch +van innering.</p> + +<p>Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare +boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als ’t zingen van +de gaal is in milde lentenachten: de “Nouvelle Héloïse.” In de vlammen +van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn +wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter’s smart maakt +duizenden blij van bevende zaligheid.</p> + +<p>Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie +die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest. +Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der +lust-verblijven en kasteelen,—maar dat een intellectueel Parijs +ontvlood, om zich in ’t wilde woud en ’t eenzame veld te begraven, dat +wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden ’t in de bosschen van +Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige +menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog +erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal +aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij ’t uithield.... maar hij +zou ’t niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij +toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.</p> + +<p>Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed +voor hem was, ’t buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke +neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker +geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn +heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te +probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen +hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte ’t ten slotte toch, en +al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker ’t +allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer +geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren, +schreef hij in een klaagbrief aan Mme d’Houdetot, beide mannen van de +wereld geworden, beide “geslaagd.” En hij was dezelfde gebleven als +vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.</p> + +<p>Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van +komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen +schoolmeesteren. Een paar maal kwam ’t tusschen hen tot +onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had +verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten +doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende +leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en +gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in +Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak +had gedaan “slechts de booswicht leeft alleen” en Rousseau die woorden +als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d’Epinay bemoeide zich +met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht +Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel +verteederd aan zijn oude vriendin: “ge hadt groot gelijk met te willen +dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in +langen tijd niet zoo’n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die +stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend.”</p> + +<p>Maar ook met Mme d’Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend +als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm, +stond nu ook Mme d’Houdetot! Grimm’s arrogante wijze van optreden tegen +hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een +kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme +d’Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend +had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare, +hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het +dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten +worden?</p> + +<p>Mme d’Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet +ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor +haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude +vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes, +waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph +die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een +verwende vrouw als Mme d’Epinay kon ’t noode verdragen, verwaarloosd te +worden. Zij hield warm van Roussau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij +koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij +ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen +dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d’Epinay tegen hem. +Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te +voorkomen.</p> + +<p>Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen +kwam de vonk.</p> + +<p>St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau +op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als +een liefdes-verhouding. Mme d’Houdetot vertelde het onder tranen aan +Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d’Epinay +gedaan.<a href="#fn32">[32]</a> In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin, +die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar +zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in +Westphalen was) kwam ’t tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere +explicatie, maar ’t gedrag van Rousseau liet een angel achter in ’t hart +der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale +op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen +hij in ’t najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed +en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij +wilde geheel met hem breken, Mme d’Epinay bracht met moeite nog een +schijn-verzoening tot stand.</p> + +<p>Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te +toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen ’t minste geloof +hechtte, had hij met Mme d’Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en +was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later +in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau’s illusie +van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën. +Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde; +de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen +de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d’Houdetot +zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.</p> + +<p>Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen +was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam +juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.</p> + +<p>Op een dag in Oktober liet Mme d’Epinay hem vragen bij haar te komen en +vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo +spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar +bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te +stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau +haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en +hoopte dat hij ’t zou doen.</p> + +<p>Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève, +niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse, +die meer dan verstandig was met de dienstboden van ’t kasteel placht te +praten, hem hoe ’t praatje liep dat Mme d’Epinay een kind verwachtte en +naar Genève ging om in ’t geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En +toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van +Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in ’t +bijzonder beriep op de “overmaat van verplichting die hem aan Mme +d’Epinay bond,” toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen +hem, het moest den schijn krijgen of <i>hij</i> de minnaar van Mme d’Epinay +was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te +gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.</p> + +<p>Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke +positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d’Epinay een knechtendienst +van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij +dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert +uitdrukte: “zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg +van de vrouw van een algemeen belastingpachter.” Als een egel stak hij +zijn stekels naar alle kanten uit.</p> + +<p>Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?</p> + +<p>Bevatte het praatje van Mme d’Epinay’s zwangerschap waarheid?<a href="#fn33">[33]</a> Had Grimm +werkelijk de hand in ’t spel en wou hij Rousseau naar Genève sturen om, +zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen? +Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?</p> + +<p>Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d’Epinay zooals zij +zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: “’t zou +gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de +menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan +zijn vaderland.” Was dit heel eenvoudige waar?</p> + +<p>De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in +twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid +gebracht.</p> + +<p>Brieven zonder tal—booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende, +gemoedelijke brieven—mijn hemel! wat schreven de menschen in dien +tijd—vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme +d’Epinay, Mme d’Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in +die najaarsdagen. En toen kwam ’t treurig einde van oude vriendschap en +goed-bedoelde zorg.</p> + +<p>Rousseau’s eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te +verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht +tot ’t voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te +vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen +Mme d’Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het +antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest +onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te +verlaten.</p> + +<p>Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien +de ellendigste van zijn leven. Mme d’Houdetot was toevallig op +denzelfden dag dat Mme d’Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs +teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol +betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog +eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij +begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen +hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat +hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn +evenwicht geheel en al.</p> + +<p>Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid, +zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in +den tuin hooren, hij leek waanzinnig.</p> + +<p>Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de +kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders +altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij ’t +dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en +erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme +d’Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, “niets is zoo eenvoudig +en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge +niet wenscht, dat ik er blijf.”—Toen zonk hij in elkaar.</p> + +<p>Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke +breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als +om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden +zijner hoopvolle jaren verliest.</p> + +<h3><a name="II.De"></a>II. DE KATASTROPHE.</h3> + +<p>Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met +Thérèse getrokken was—haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen +in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar +den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed—het huisje was +oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de +meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het +terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den +hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek. +Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde +naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.</p> + +<p>Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open +koepel, van waar men ’t mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot +zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar +elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van +1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van +vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon +zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke +ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het—dit is het geheim van +den dichter—met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die +dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te +doordringen.</p> + +<p>Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den +titel “Lettre à d’Alembert sur les spectacles.” De aanleiding tot het +werkje vormde een bladzijde uit het artikel “Genève” in de Encyclopedie, +waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en +ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te +laten. Voor den schrijver van die bladzijde—het artikel zelf was van +d’Alembert—hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf +regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van +bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève, +bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge +heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun +best zulk een “onzedelijke onderneming” tegen te houden. Echter, ook in +Genève was het tij aan ’t verloopen en kort na de verschijning van +Rousseau’s geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden +melden: “heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt +een stad van genoegens en van verdraagzaamheid.”</p> + +<p>De “Brief aan d’Alembert” is uit twee verschillende gedachte-draden +geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het +klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen +begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw +onderwerp toegepast;—een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de +eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener +klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische +gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over +het leven der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde +hij daar tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche +samenleving als zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen +naar een sfeer van rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele +geneugten en eenvoudige landelijkheid—dat verlangen was, door al wat +hij beleefd had, sterker, maar ook smachtender in hem geworden dan ooit +te voren. Sedert hij zich zelf te kort gedaan en onrechtvaardig +behandeld achtte door menschen aan wie hij zijn vertrouwen gegeven had, +werd de oude bitterheid in hem verzacht door een teedere droefheid. Zoo +vermengde zijn hart, waarin de onstuimige gemoedsbewegingen die het +geschokt hadden nog natrilden, zijn eigen pijn met de gedachten die het +nadenken over zijn onderwerp in hem gewekt had. Daarom was waarheid wat +hij later in de “Confessions” getuigde, dat hij in dit werk onbewust +zijn eigen toestand schilderde, zich zelven, Grimm, Mme d’Epinay, Mme +d’Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, al loopt het schijnbaar over geheel +andere dingen en wordt geen hunner er in genoemd; zijn werk werd een +harmonische vermenging van algemeene inzichten en persoonlijke +ontroering en dit maakte het vol bekoren en wonderlijk suggestief. Er +was een warme teederheid in, die de menschen in ’t hart greep; een zoo +heel andere geest als in haast alle geschriften van dien tijd. Vandaar +’t verbazend succes dat ’t boekje had toen ’t uitkwam, een voorlooper +van de koorts van enthousiasme, die de “Nouvelle Héloïse” wekken zou.</p> + +<p>De “Brief aan d’Alembert” beteekende de openlijke breuk van Rousseau met +de materialistische philosophen. “Ik neem niet aan,” schreef hij, “dat +men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst.” En ook al had hij dit niet +geschreven, dan nog zou hij in ’t vervolg hun partij tegenover zich +gevonden hebben, want hij waagde ’t immers, op te treden tegen Voltaire, +diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den +leider, en dat kon niet worden getolereerd.</p> + +<p>Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire—uit +de verte altijd—kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij +verschillende gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete +brieven gewisseld, en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of +onbewust, voor elkaars wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke +waardeering van elkanders gaven en werken bedekt. Rousseau, de +onevenwichtigste der beide, had het eerst zijn geprikkeldheid getoond. +Naar aanleiding van Voltaire’s bekend gedicht over de aardbeving te +Lissabon, las hij den vorst der letteren in een partikulier schrijven de +les over het armoedig pessimisme van diens gelegenheidsvers, waartegen +hij met nogal onuitstaanbaar zelf-behagen het zegevierend optimisme +stelde dat in hem, ondanks zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de +bovenhand hield. De brief was zwaar op de hand en schoolmeesterig, +gelijk Rousseau na zijn bekeering tot de deugd wel meer kon zijn, en men +begrijpt dat hij Voltaire niet weinig ergerde. Dit echter speelde zich +nog binnenkamers af (de bewuste brief werd pas jaren later, buiten +medeweten van Rousseau openbaar gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau +dan ook nog niet losgelaten; daarvoor was hij voor de encyclopedisten te +veel waard. Maar nu, nu die snoodaard ’t waagde hem, Voltaire, die even +ijdel, even prikkelbaar, en even wantrouwend was als Rousseau,—ofschoon +op heel andere wijze—en daarbij was wat Rousseau niet was en nooit +werd: een verschrikkelijke paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn +tooneelplannen te dwarsboomen, nu was ’t gedaan met ontzien en +hoffelijke waardeering, nu moest “die schelm, die zot, die fanaticus, +die bastaard van Diogenes en van den hond van Diogenes” behoorlijk +afgestraft worden. Niet dat Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen +Rousseau te schrijven: daar had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar +een wenk te geven en ’t gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich +voorloopig mee, hem in particuliere brieven, die hij wist dat onder de +bondgenooten de rondte deden, met beleedigende schimpscheuten af te +maken: zoo gaf hij zijn ergernis lucht.</p> + +<p>Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover +de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde, +in ’t algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de +dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename +bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze +verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den +tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon +te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift. +Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk +was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij +feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire +eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om +hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief +van ’56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was +geworden, aldus eindigde: “Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk +kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon +zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een +toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van +den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het +die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen +sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en +zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch +bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land,” ... “Ik haat u, in +één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die +waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle +gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de +bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde +voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer.” Dit gebeurde in 1760.</p> + +<p>Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er +buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien +tijd bewijzen: “die driedubbele gek ... een infaam schrijven ... +verachtelijke manœuvres ... de schrijver der “Nouvelle Héloïse,” die +kwaaddoende bengel ... (de “Nouvelle Héloïse” noemde hij “een vervelende +en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;” de “Emile” vond +hij: “laf en plat”). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid +boven alles stelde,—hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder +maar ondiep,—het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en +dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren. +Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor +de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den +vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans +gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte, +denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op +zijn plaats met de woorden: “wie veroorlooft zich, er aanmerking op te +maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de +god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn +meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?”</p> + +<p>Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van +Voltaire’s hartstochtelijke verguizing en Rousseau’s grootmoedige +waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos +het onaangenaam gevoel had weg te dringen van “die man is grooter dan +ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd +is”—terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed +benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke +meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht +en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de +verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.</p> + +<p>In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau in bedekte termen zijn breuk +met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat +wijdde hij ’t publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau +beschuldigde Diderot—en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige +prater kon over niets zijn mond houden—van met anderen gekletst te +hebben over zijn verhouding met Mme d’Houdetot en beschouwde dat als een +verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau +in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening. +Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: “de rechten ook +eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik +haar weer aan te blazen.”</p> + +<p>Zij hebben elkaar nooit meer gezien.</p> + +<p>St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau’s +handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei +en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had, +terug stuurde.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem +hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede +kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij +leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van +werkverzonkenheid; de “Nouvelle Héloïse” kwam klaar in ’59 en zoo weinig +brak aan het einde daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich +onmiddellijk verdiepte in het schrijven van het groote werk over +opvoeding, dat sedert haast twintig jaren in hem was gerijpt.</p> + +<p>Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature +indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren +aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben, +een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar +geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de +innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote +punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de +verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de +verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had +uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat +hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een +nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de +sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het +verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de +eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen, +gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich +in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat +de zwakste bij elke verbintenis aan ’t kortste eind pleegt te trekken. +Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij +bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart +altijd aan ’t wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon +niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe +in zijn gemoed te dicht bijeen; ’t beste: de groote liefde tot de +menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te +geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst +naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;—dat hart was zóó +kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem +alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die hem +niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven— +behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood +verschijnen—zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met +Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was +het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst +beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren. +En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het +oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke +instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en +het overige te doen vervallen.</p> + +<p>Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al +vroeger opgegeven. Met al ’t andere, behalve de muziek-dictionnaire, +die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij +zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.</p> + +<p>Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig—gelijk de +meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem +was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken +bestaan,—maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met +een open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en +aan bemind worden—die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste, +oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel +overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het +wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het +ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts +verdiepen in zich zelven.</p> + +<p>Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen. +Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef +hij bij wijze van troost in die dagen: “men heeft niet alles verloren +zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een +overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in +zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te +verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft.” Aan +dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp +afwijzend: “ik heb slechts honger naar een vriend.” Ja, hij had weer +honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart +verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid +steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.</p> + +<p>En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte +handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem +van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der +groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in +aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling? +De mode van den tijd, die eischte dat “men” een of ander letterkundig of +wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de +Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen +zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn +betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?</p> + +<p>Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte, +zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten +eerste Mme de Verdelin—alweer een jonge vrouw met een minnaar, die Jean +Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem over, +droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en +slecht-gehumeurdheden, verdedigde hem in ’t openbaar in de jaren dat +haast elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en +intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het +hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem +altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke +boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en +beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der +letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om +alles glad te strijken.</p> + +<p>In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der “Nouvelle Héloïse,” +begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een +vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij +schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den +naam van Claire d’Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van +een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen, +het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette +zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak, +geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie +van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in ’t geheel niet antwoordde. +Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter; +uit enkele zijner briefjes aan de “lieve Marianne” spreekt echte +hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie +maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau ’t hevigst werd +aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en +zelfs een brochure in ’t licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn +steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans +onder de “verdachten” te rekenen. In ’72 maakte hij een einde aan elken +omgang tusschen hen.</p> + +<p>Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en +hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde +kennen.</p> + +<p>Van af dat de schrijver der “Discours” in hun buurt was komen wonen, +waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij ’s zomers op +het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar +keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen +soupeeren, als hij lust gevoelde.</p> + +<p>Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in +den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de +maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn +bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer +aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht +en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met +allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij ’s morgens nog in +bed lag, de “Nouvelle Héloïse” voor die zij verrukkelijk vond.</p> + +<p>De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde +kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een +vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder +eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en +eenvoudig in zijn manieren, een mensch van ’t soort, waar Rousseau van +hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe +vrienden tot aan den dood van den hertog in ’64. Met de hertogin werd +hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem +was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar +reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van +’t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd, +berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende +geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij +om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan ’t hof; zij +had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau +leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar +konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in +haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van +zijn kant.</p> + +<p>In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn +nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee +om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij +lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet +voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken, +hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon +verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de +kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde +hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen. +Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem +niet met geschenken lastig te vallen.</p> + +<p>In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de +groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst +pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een +eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in +het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig +van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke +omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou +houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje +netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen +verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet +weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand, +toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd, +trok hij weer onder het dak van een groot heer. ’t Zou de laatste maal +niet zijn, maar wel was ’t, helaas voor hem, de laatste maal dat een +dergelijk experiment goed afliep.</p> + +<p>Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn +huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen +van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een +paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen +zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun +herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo +waren dit in ’t algemeen goede, rustige jaren voor hem.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De “Nouvelle Héloïse” werd lang voor de verschijning reeds veel +besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele +zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d’Houdetot +afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn +liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen +hij ’t maakte, trilde onder ’t overschrijven nog in hem na; hij vond er +een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en +de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die +afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen ’t boek leeren +kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar +uit. Eindelijk verscheen het werk, in ’t voorjaar van ’61: het succes +was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der +letterkunde. Dames van de groote wereld lieten ’t rijtuig, waarmee zij +naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen +lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur: +de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle +bestellingen. Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair +succes:—de letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin +merkte onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk +op—het was een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen +aangreep. Want in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van +het akelige, verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, +louter-cerebrale leven van het ondergaand regiem. De diepten van het +hart, de afgronden der persoonlijkheid sprongen open. De “Nouvelle +Héloïse” beduidde de bevrijding der persoonlijkheid, in de eerste plaats +van de persoonlijkheid der vrouw, van ondragelijke gekunsteldheid. Niet +maar een aangenaam of schitterend auteur, neen, hun bevrijder, de +bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke in hen was het, die de +duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de “Nouvelle Héloïse” +dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.</p> + +<p>Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven +geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het +zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij +bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of +geen heilige.</p> + +<p>Intusschen was ook de “Emile” voltooid geworden, dat andere kind van +veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij +had ’t even lief als de “Nouvelle Héloïse,” maar met een andere liefde, +niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat ’t zijn rijpste en beste +werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige +geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. En +dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, in al +zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens en +gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: het was +de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke +lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des +harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging +had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare; +diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten +het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn, +zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had +verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde +zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het +verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek in +zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn +geheim....</p> + +<p>Gelijk vroeger aan Mme d’Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan +Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en +hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar +medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop +althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was +geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij +een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste +toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem +vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare +hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit +te wisschen, had hij haar uitgewischt door den “Emile.”</p> + +<p>Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de +eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de +Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet +plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den “Emile” toe te +vertrouwen. Het “Contrat Social,” zoo noemde hij de hoofdstukken die hij +gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij +zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De “Lettre à +d’Alembert” en de “Nouvelle Héloïse” hadden hem een bescheiden sommetje +opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte +hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs: +daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die +schatten verdiende aan de “Nouvelle Héloïse,” verzocht hem om +toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te +zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn. +Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd +dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor +een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een +warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van +verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij +dankbaarheid knellend en rukte zich los.</p> + +<p>Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot +het bezorgen der uitgave van den “Emile,” van haar de belofte geëischt +en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam +gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen +onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut +vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij +woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee, +ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde +er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor +zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den +martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam +verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem +onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was +typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen: +behoedzaam, bijna bangelijk—voorzichtig tegenover het gezag, en toch +fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die +gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, had +niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste +onaangenaamheden op den hals.</p> + +<p>Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan +hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed +waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip, +waartegen zij te pletter moest slaan.</p> + +<p>Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de +Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan ’t handschrift gezien had; +dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland +gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar +inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel +merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de +copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij +begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur +niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat +het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen; +hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem +gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg +hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen +antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek +dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde +zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden +gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met ’t uit te geven tot hij +dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij ’t dan ten +hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn +vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste +discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen +zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte +zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem +gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld +proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij +zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de +Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven +met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn +van zelf-analyse, hij noemde die “de sleutel tot zijn gedrag.”</p> + +<p>Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de +Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur +toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en +de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk +ongecensureerd, dus <i>tegen</i> het wettelijk verbod te doen verschijnen; +een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk +door het feit dat de “Nouvelle Héloïse,” waarin evenals in den “Emile” +de “natuurlijke godsdienst” verheerlijkt werd, in Frankrijk niet +verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat +Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.</p> + +<p>Nog voor de “Emile” verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te +duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te +waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een +toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde +zoo sterk, in “Emile” vóór den godsdienst, tegen de materialistische +philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk +immers met medeweten en onder goedkeuring van ’t hoofd der censuur, als +het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn +toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in +Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun +gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot +verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om ’t te +gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd ’t +plan uitgesteld.</p> + +<p>De “Emile” verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire +vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de +verschijning der “Nouvelle Héloïse;” d’Alembert schreef hem om hem geluk +tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der +weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem +heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering +te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme +de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou +hebben, zich door middel van een “lettre de cachet,” een paar weken in +de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het +parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles +wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar +vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou +vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar +hem dreigde.</p> + +<p>In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin +hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden +morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te +bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen +een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen +linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de +dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag +in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die +juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van +hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich +voorloopig in ’t kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij +naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de +Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een +edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees, +gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen +te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden +vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.</p> + +<p>De ochtend ging heen met ’t inderhaast uitzoeken van zijn papieren, +tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van +het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte +smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het +achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee +mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel +van ’t hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging, +waarmee de hertog naar die sleutel greep.</p> + +<p>Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te +zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een +geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij +een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij +groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen, +die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die ’s +morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat +hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt +hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een +plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd, +verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder +een aangenomen naam te reizen, en ’t grootste deel van den weg is in +zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij +soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den +avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot +een idylle in den trant van Gessner.</p> + +<p>Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat, +nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire +partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst +schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de +wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was +vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen, +die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als +jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen +rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.</p> + +<p>Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de +hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn +overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan +hij toen reeds leed, hun “lieve vriend” lieten trekken, al de ellende en +zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem +laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig +waren? Zijn beschermers waagden, zoo ’t tot een proces kwam, meer dan +hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge +betrekkingen, hun positie aan ’t hof te verliezen. Wat valt er van hun +houding te zeggen?</p> + +<p>Dit eene—en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van +Rousseau het duidelijk en klaar gezegd—dat zij is geweest van een +verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit +de omstandigheden <i>verklaren</i> en in zekere mate <i>verontschuldigen</i> kan, +maar die de waarheid verbiedt te <i>verbloemen</i>.</p> + +<p>Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche +menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem +ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid +hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem +weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een +stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen +gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo +bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende +hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd, +zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij +kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en +gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn +schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze +bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los, +inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem +wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem +zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe +rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.</p> + +<p>Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles +onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk, +van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn +meerderen waren.</p> + +<p>Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten. +Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.</p> + +<h3><a name="III.De3"></a>III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN</h3> + +<p>De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht, +jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht, +grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens +voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie +geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten; +vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de +Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en +kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing +en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van +zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te +midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de +voorstelling troonde van het eigen ik.</p> + +<p>In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken—de +wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug—die te zamen het +beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt +zijner kracht. Het zijn: de “Lettre a d’Alembert,” de “Nouvelle +Héloïse,” het “Contrat Social” en de “Emile.” Zijn vroegere geschriften, +met name de beide “Discours,” zijn nog slechts aanloopen tot deze +werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen +gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. Wat +de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee +rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de “Lettre à Monseigneur de +Beaumont,” de “Lettres de la Montagne” en de “Gouvernement de Pologne.” +Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote +jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen, +versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en +levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der +tweede rubriek, de “Confessions” en de “Rêveries” zijn, zuiver als +woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, de +levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken, +waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate +waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te +roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van +Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de +“Confessions” en de “Rêveries” boven de “Nouvelle Héloïse” en den +“Emile,” omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en +uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin +de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en +sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.</p> + +<p>In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener +levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de +natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling +(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, +klasse-verhoudingen) uitgebeeld. In de “Nouvelle Héloïse” en de “Lettre +à d’Alembert” vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk, +gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den “Emile” die van +godsdienst en opvoeding, in de “Contrat Social” zijn staatkundig ideaal. +Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het +menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij +worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en +denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot +levenswerk.</p> + +<p>Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht +niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van +den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote +onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te +leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht +te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak +niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom +bruischte ’t sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De +geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde +tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met ’t universum, werd +somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De +sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem, +maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn +conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten (“Nouvelle +Héloïse”) tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn +conceptie van den idealen staat (“Contrat Social”) verstandelijk betoog +is gebleven. En vandaar ook dat in den “Emile,” die een algemeene +theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt +tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch +tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en +jong-meisje tot elkaar behandelen.<a href="#fn34">[34]</a></p> + +<p>De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo, +dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot +dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht +bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten +is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der +fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél +kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, de +weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het +lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende +verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,—dààr lag zijn +vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied, +met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame +worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich +eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het, +om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en +dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend, +zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en +aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde, +maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de +zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als +synthetisch-konstruktief is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, +doorgloeid van den gloed zijner haat en zijner liefde; in het +doordrongen-zijn der redeneering met hartstochtelijke bewogenheid lag +zijn vermogen anderen mee te sleepen.</p> + +<p>Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave +missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote +verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk +onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een +vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe +vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van +zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en +betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm +van den roman-in-brieven, die hij in de “Nouvelle Héloïse” toepaste, was +niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen +romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten +een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson was +de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige +afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van +Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot +het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie. +Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen +opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel +voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door +de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken +en te verstrooien,—hetzij door verhalen van lage en platte avonturen +gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of +prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote +burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot +bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun +romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den +inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke +inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze +de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der +feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.<a href="#fn35">[35]</a></p> + +<p>In den “Emile” schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens +in-elkaar-overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in +alle opzichten het meest origineele zijner werken.</p> + +<p>In de “Lettre à d’Alembert,” dat de schakel vormt tusschen de “Nouvelle +Héloïse” en den “Emile,” wordt het betoog, de kritisch-satirische +beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de +idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven +der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een +adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde +herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene +verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.</p> + +<p>Niets van beeld of lyriek in het “Contrat Social.” In de hier behandelde +groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen +vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft +Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding +vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug, +bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen +hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam +brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen. +Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere ooren +en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe +eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid +laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen; +een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, +beklijvend in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van +verontwaardiging over het onrecht dat aan de massa’s geschiedt, van +weerzin tegen de dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, +vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij +slingeren zich tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en +democraat, steun eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en +opvoeder der groote revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!</p> + +<p>Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat +beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De +beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere +smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn +innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen +zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn +voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche +gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel +doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver +maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De +geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid, +gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van +Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de +oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een +hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een +vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden +geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie +en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der +eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had +verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had +verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle +zoete en sterke bewegingen van het gemoed.</p> + +<p>Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met +Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze, +in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende +moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu +isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de +samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der +vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den +burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn +hoogmoedig hart.</p> + +<p>Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo +liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij +Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn +ouderdom, de “Confessions” en de “Rêveries.” Naast de eenvoudige rijke +levendigheid der “Confessions” en de onbeschrijfelijke harmonie, de +betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne +doorzichtigheid der “Rêveries” staan de werken der groote jaren als +minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.</p> + +<p>Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë +sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is—er staat +tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat +der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze +parels van woordkunst: de “Confessions” en de “Rêveries,” ontbreekt.</p> + +<p>Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de +tekortkomingen en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? +Vanwaar hun gebreken, vreemd aan de werken van Rousseau, welke +uitsluitend zijn persoonlijk leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in +de uitdrukking van het gevoel, de gezwollenheid, bij een dichter die het +gevoel zoo zuiver wist te uiten? En vanwaar ook de hooge toon van deze +werken, de heerlijke gloed die ze doordringt, de edele verheffing? +Vanwaar?</p> + +<p>Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de +maatschappij. Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn +onderwerp, dat is van zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle +revolutionnaire dichters, had hij ook den stijl der opkomende +maatschappelijke krachten, die der klassen wier belangen en behoeften +zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel der opkomende burgerlijke +klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.</p> + +<p>De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere +volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en +juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der +kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in +den weg stonden.</p> + +<p>Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de +ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering +en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd +tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de +dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit +wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel +een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa’s om de banden +hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te +voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische +tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te +houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud +der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld +door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid +gestelde taak te zien, schitterend in fantastische +overdrijving,—daartoe moesten de revolutionnaire strijders in zich een +wereld van stemmingen, voorstellingen, ideale gevoels- en +gedachte-vormen oproepen. De stof tot deze ideale wereld vonden zij +voornamelijk in de historische legenden der klassieke oudheid. Daaruit +steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het patriotisch en +republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme, die zij +bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich +vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de +werkelijkheid hun ontzegde te zijn.<a href="#fn36">[36]</a></p> + +<p>Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven +den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de +vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de +uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar +somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het +theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet +anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het +gevoel.</p> + +<p>Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-’92, was ook het noodlot van +Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij +Byron en Schiller,<a href="#fn37">[37]</a> gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de +burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie +tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij +vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë +laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der +revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher +harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren +innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen +bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij +geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in +den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht +en heerschzucht en nijd.</p> + +<p>Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar +voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn +sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming +der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen +tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood +aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch +voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in +aantocht was<a href="#fn38">[38]</a> en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn +tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige, +door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie den +stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige, +onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie, +kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der +levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te +volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken +moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme, +bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze +gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en +te versterken.</p> + +<p>Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig +instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe +maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun +wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met +alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig +kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. +Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en +de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de +valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze +gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan +het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar +waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld +brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.</p> + +<p>Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in +zijn onlangs verschenen werk “Jean Jacques Rousseau révolutionaire,” dat +Rousseau “de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te +veranderen” en dat hij “zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft +opgedrongen aan de revolutie.” Zulk een toovenaar was hij niet! +Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde +welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou +behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun +taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van +hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn +werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.</p> + +<p>En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de +schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal +waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die +geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het +gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had +Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan +een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit +Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden +geput.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau +in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het +menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het +universum), en de verhoudingen der menschen onderling.</p> + +<p>Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk +God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de +menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor +dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met +de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in +Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later +verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd +tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.</p> + +<p>Het achtiend’eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote +bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk +gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook, +maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk, +dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks +staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin +overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn, +maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme +der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een +deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der +toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende +beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er +sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt +stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij +te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het +zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische +philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale +neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen +van den mensch.</p> + +<p>In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god, +boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de +verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn +eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij, +die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken +arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen +tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen +tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.<a href="#fn39">[39]</a> De +warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel, +den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als +zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander +gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der +menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch +spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de +eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de +concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk +middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten +God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend’eeuwsche philosophie een +groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd +werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en +samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den +voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.</p> + +<p>Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen +groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was +zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch +was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen +over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken +grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid +was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren +òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere +afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en +absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de +grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de +kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.</p> + +<p>In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de +burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen +(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen +godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een of +anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar +bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de +abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke +verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als “de breidel +der rijken en de troost der armen” gelijk Rousseau het zeer juist +uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en +onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk +fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal, +handelen. Zooals het achtiend’ eeuwsch materialisme tot de ethische +theorie van “zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch” leidde, zoo +beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale +gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid +van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk +handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de +eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen +staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen +met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij +hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning +voor het onderdrukken daarvan.</p> + +<p>Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee +polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide +wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is +daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als +“reaktionnair” in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het +punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende +klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de +strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was +Rousseau, door zijn individualistische uitspraak “elk mensch staat +rechtstreeks tegenover god,” niets minder revolutionair dan de +materialisten door de hunne “er bestaat geen god.”</p> + +<p>Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van +Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan +een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme, +in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die +hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek +moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven, +verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn +Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, de +verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle +samenwerkende emotie’s van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste +expansie der persoonlijkheid.<a href="#fn40">[40]</a> Zoo komt het dat hij wel vaak op den +grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god te +identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke +kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het +menschenhart geschreven had.</p> + +<p>Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos +zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen. +In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm, +bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier +stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk +wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen +God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en +maatschappelijk op ’t punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan +koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad; +zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet +de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden. +Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver +overtreffend! Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen +onrecht, niet onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te +staan en het juk af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: +beklemd door over-machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld +sedert de eerste smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het +goede gezocht, en hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning +en verdriet! Het heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld +ontzegd was, verplaatste hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid +die voor hem uitbleef op aarde, zou hem in een ander leven alles +vergoeden. “Mijn vriend,” schreef hij aan een kennis uit Genève, “ik +geloof aan God, en God zou niet rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet +onsterfelijk ware.” “Zoo ik geen ander bewijs had van de +onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den booze en de +onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld,” spreekt de “Vicaire +Savoyard,” “zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. Ik zou +tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven, +alles wordt hersteld na den dood.”</p> + +<p>Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het +slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de +laatste boeken van de “Nouvelle Héloïse” en in de belijdenis van den +“Vicaire Savoyard” heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het +geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.</p> + +<p>De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het +eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij +vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van +gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of +slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den +mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het +lichaam; het is “het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche +stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede +begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god +gelijk maakt”....</p> + +<p>“Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve +ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit +gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam +waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil +is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word +overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven +wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn +hartstochten.”</p> + +<p>Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en +de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en +geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid +en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma’s, openbaring, Christus als +middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit +aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der +maatschappelijke verplichtingen.</p> + +<p>Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische +spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant +heft Rousseau ’t weten op, om plaats te maken voor ’t gelooven; gelijk +Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in +innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons, +die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken +oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag +de dingen te kennen. “Wij zijn,” zegt de “Vicaire Savoyard,” “van alle +kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te +onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door +middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de +grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen +overlaat, zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op +zich zelven is, en wat wij met betrekking er toe zijn.”</p> + +<p>Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle +tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het +werkelijk bestaan, het <i>Ding an sich</i> niet vermogen te kennen?</p> + +<p>Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en +bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit +tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun +persoonlijken aanleg.</p> + +<p>Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij +de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling +der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der +Middeleeuwen, en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan +zijn vernietiging, vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte +denken, de mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze +natuur, vult het dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het +denkbeeld van de plicht, dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en +het weerstand bieden aan de verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn +leer voor de opkomende burgerij een groote sociaal-ethische beteekenis. +Plicht, dat is het afstanddoen van eigen voordeel en winst, het +weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen wanneer ’t geweten +spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang bij het algemeene, +het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de levensleer niet +in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar der +<i>arbeidende</i> kleine burgerij.</p> + +<p>Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische +natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten, +maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren +troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij +slaagde er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de “laffe +schim”<a href="#fn41">[41]</a> der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te +blazen, aan het kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma’s, +zonder geopenbaarde waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, +een zachte warmte en een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg +vooral <i>politieke</i> en <i>literaire</i> beteekenis: door het sentimenteele +geloof van Robespierre en de Jacobijnen aan een “Etre suprême,” een +opperste-abstraktie, samenvattend al die andere abstrakties van Vrede, +Vrijheid, Recht, enz. enz., achter welke zich, voor hen zelven onbewust, +zeer reeële en materiëele klassebelangen verborgen; en door het vage, +onbestemde, poëtisch-opgesmukte deïsme en spiritualisme van +Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred de Musset, George Sand, +enz.—Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks af van de +geloofsbelijdenis van den “Vicaire Savoyard.”</p> + +<p>Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig +jaar geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de +“Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard” behandelde, vierde hij de +bekeering van Rousseau tot godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het +begin der christelijke reaktie tegen het systematisch ongeloof en +eindigde zijn beschouwing met de volgende woorden: “Mijne heeren, men +moet kiezen tusschen den priester en den politieagent, en wij prijzen +het in Rousseau, dat hij den eerste heeft gekozen.”</p> + +<p>De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij +meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan +de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn +tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de +autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen +versterken.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede “Discours,” +de voorrede van “Narcisse,” het artikel voor de Encyclopedie over +politieke economie en het opstel over “het regeerstelsel van Polen”) +heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen +op den menschelijken staat behandeld.</p> + +<p>Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze +geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke +hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme. +Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk van +de grondslagen van den staat behandeld in het “Contrat Social.” +Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den +strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming en +alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen +schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het +maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede “Discours” en het +“Contrat Social” heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken. +In dit “Discours” immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den +eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het +maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen +ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle +ondeugden, alle menschelijke ellende. In de “Contrat Social” prijst hij +daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving +en den burgerlijken staat verworven heeft. “Al doet de mensch (in dezen +staat),” luidt het daarin, “afstand van verschillende voordeelen, die +hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn +vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen +verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe +levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit +hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen, +dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen +maakte.” Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt +wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede +“Discours,” en wat met het “Contrat Social” beoogde. In het een zoowel +als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen +te lijf. In het bewuste “Discours” stelde hij tot dit doel tegenover de +sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n. +“natuurstaat” en verheerlijkte die; in het “Contrat” onderzocht hij de +oorsprongen van den staat in ’t algemeen om daaruit de onwettigheid te +demonstreeren van het absolutisme.</p> + +<p>Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire +denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat +te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste +vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en +vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de +voortreffelijkheid van het “gemengde” (d.w.z. engelsche, +half-burgerlijke,) boven het absolutistisch regeerstelsel te +concludeeren. Het juridisch onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot +uitgangspunt het bestaan van een onveranderlijk, onvervreemdbaar +menschenrecht, het recht te beschikken over de eigen persoonlijkheid, en +leidde uit het bestaan daarvan de onrechtmatigheid der heerschende +politieke instellingen af. Het eerste uitgangspunt leidde tot onderzoek +der konkreete werkelijkheid en voerde in de praktijk tot gematigde +voorstellen; het stelde zich tevreden met aan te sturen op een kompromis +tusschen de absolutistisch-feudale en de burgerlijke klassen, gelijk in +Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu schreef als realist en +hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van Rousseau voerde tot +den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. In +zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste +aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische, +terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat +tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt. +Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair, +gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den +inhoud van het bewustzijn dat ís.</p> + +<p>Daar waar Rousseau in het “Contrat” de onbegrensde ruimten der +abstraktie verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete +werkelijkheid, rekening houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar +zwijgt de koene revolutionaire denker en hoort men de stem van den +weifelenden, voorzichtigen kleinburger.</p> + +<p>De mensch—aldus de gedachtegang van het “Contrat Social,”—is vrij +geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. “Het +recht van den sterkste” is niets als een leugenachtige uitdrukking. De +noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar +met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk +kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke +macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen +enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder +de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij +zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot +oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne +leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in +ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht +van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne +krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele +en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal +gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als +<i>burgers</i> deel aan het gezag, als <i>onderdanen</i> zijn zij aan de wet +onderworpen.</p> + +<p>Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat +zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden? +Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil +hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger +heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene; +maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke +persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt +met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil +hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de +wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om +vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich +onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet +tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn +eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar, +de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen +welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds +het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.</p> + +<p>De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren +en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de +regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn +dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk. +Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd +vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding +van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk +lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale +kontrakt.</p> + +<p>De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of +demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de +handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal +zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie +alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil +des volks maar ’t heil des konings, die onophoudelijk streeft naar +vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van +een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen +welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig +vorst.</p> + +<p>Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de +beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een +aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige +zeden, gelijkheid der vermogens, enz. “Bestond er een volk van goden, +het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen +is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt.” In de praktijk is +dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest +verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust. +Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de +aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste +waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz. +van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in +den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties +verkiezen.</p> + +<p>Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest +verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den +staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling +der produktiekrachten enz. In ’t algemeen is de eenhoofdige regeering ’t +meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de +middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken +van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een +slechte haar vermindering.<a href="#fn42">[42]</a></p> + +<p>Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van +den souverein, dat is van den volkswil.</p> + +<p>Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering +die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot +onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend +vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde +tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit te +oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk +kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een +stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein +behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of +het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er +thans mee zijn belast.</p> + +<p>Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het +verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan +noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept +zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een +talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te +geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.</p> + +<p>Men ziet hoe het “Contrat Social,” in den vorm eener abstrakt-juridische +redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der +demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den +soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen +souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als +zaakgelastigden van het volk,—dit alles waren in de dagen van Rousseau +revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts +voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn. +Vandaar dat het “Contrat” slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas +door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor +deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders +van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en +denkbeelden schepten.</p> + +<p>De rol die het “Contrat Social” heeft vervuld als het evangelie der +burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het +overheerschend <i>klein</i>burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen +die Rousseau in het “Contrat Social” verkondigt. De ideale staat die hem +bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige +abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine +boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der +teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden +patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om +den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de +instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een +tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was de +arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen +bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den +landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was; +industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen +gering.</p> + +<p>Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking +tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het +“Contrat Social.” Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten +over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld +welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het +eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de +afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten +voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner +geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer +sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de +politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat +geregeld behoort te worden; in de “Contrat Social” noemt hij het de +plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende +ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de “Lettre à d’Alembert” +verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij de +belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel +ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een +groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,<a href="#fn43">[43]</a> gelijk +de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in +praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het +“laissez-faire en laissez-allez” de opvatting dat de staat zich tevreden +behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk +met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet +de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie, +uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere +bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het +proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der +uitbuiting. Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had +geen bezwaren tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der +massaas door de industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als +tegen hun plundering door de feudale grondbezitters en den koninklijken +fiscus. En de kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het +ingrijpen der overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn +arbeidswijze, zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin +niets van hinderlijken dwang.</p> + +<p>Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur +voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid +der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit +alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der +oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer +10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die +hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten +kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den +handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die +op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn +verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts +onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne +persoonlijke.</p> + +<p>Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het +volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den +hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee van +den “abstrakten staat” niet uit zijn hoofd haalde maar uit de +werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat +herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid +ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: de +kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle +burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.</p> + +<p>Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot +verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid +van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren. +Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter +uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich +somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte +zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te +schrijven, die hem volkomen vreemd waren.<a href="#fn44">[44]</a> Zeker kan men uit deze +uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden, +echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het +verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en +wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte +de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch +inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de +gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn +geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom +als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over +de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als “het +heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog +belangrijker dan de vrijheid.” In het “Discours” over den oorsprong der +ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. “socialistische” uitval tegen +het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere +plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn +voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het +verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau +meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen +was voorafgegaan.</p> + +<p>Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het +kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op +uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate +onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. “De arbeid,” luidt het in +het “Contrat Social,” “de ontginning van den bodem is het eenig teeken +van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden.” Dit +kleinburgerlijk, op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de +grondslag der vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der +wetgeving, de gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te +herstellen, en de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te +beperken, dat geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en +geen hunner uit armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen.</p> + +<p>De eenige vorm van eigendom, die naast het kleinburgerlijke genade vindt +in zijn oogen, is het patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik +produceerende grootgrondbezit.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en +affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de +rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak +van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot +zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms +wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid, +zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. “Voor de mannen +<i>bezitten</i>, voor de vrouwen <i>ontrooven</i> ziedaar heel het spel, heel de +eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk, +wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de mœurs verpersoonlijkt +in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus +tot den Amor der oude tijden: “uw minnaars waren niets als goedzakken, +zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de +omringende echo’s. Ik voor mij heb de echo’s afgeschaft. Komaan, zeg ik, +ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet +zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: “ik sterf;” er is niets +levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles is +geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije +tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze +goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om +teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten, +vallen zij aan; zij zeggen niet “doe mij de gunst,” zij nemen ze: en zoo +hoort het.”<a href="#fn45">[45]</a></p> + +<p>Liefde—groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den +minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk +als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche +gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste +levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met +den spotnaam: “eerbiedwaardige verhoudingen.” Suggereert de uitdrukking +niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de +provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot +een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich +aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.</p> + +<p>Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie, +hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: “zoo ge +driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal +bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen.” De liefde +is àl scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan ’t begin +’t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar. +In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen +verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.</p> + +<p>De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste +instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten +met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar +begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want +dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar +nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen. +“Gij zijt,” zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, +“ontbloot van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen.”</p> + +<p>Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog “in gevoel +doen,” en er nog “provinciale veroordeelen” op na houden zijn zeldzaam. +Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een “zekere +elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar +val.”<a href="#fn46">[46]</a> En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een +theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het +enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met +de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma: +“het eenige goede in de liefde is het lichamelijke.”</p> + +<p>Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo +leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de “Nouvelle Héloïse.” Het +boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere +sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden. +Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd, +lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in +zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit +één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de +schoone verhouding der deelen tot ’t geheel. Wat had hij al niet +omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle +levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! De +philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de +staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de +paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit +gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan +hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In ’t +hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene +en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet +meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de +Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen, +verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit +elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen +verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend +haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van +wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de +menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden van +aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke +ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van +kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de +geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij +kunnen niet weerstaan.</p> + +<p>Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van +elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte +moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de +onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al +berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij +ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende +blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de +liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt +de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de +deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de +menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt +hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander +wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen +persoonlijkheid.</p> + +<p>Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige +vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie +gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der +gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen +van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.</p> + +<p>“Ik weet niet of ik mij vergis,” schrijft Julie aan haar minnaar, “maar +het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden +is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één +voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te +maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor +het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet +langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij +en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de +zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een +verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij +verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis, +zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam +maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen +haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten +alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen.”</p> + +<p>Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde +met de schaamtelooze wellust van Marivaux!</p> + +<p>Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee +Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze +kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux +beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere +teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend +gelijk zij ’t grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het +temperament van Sophie haar ’t wachten op een man moeilijk maakt en +schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig, +door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.</p> + +<p>In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt +van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte +der sexueele moraal.<a href="#fn47">[47]</a> De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid +prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de +tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te +verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of +liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te +los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding +aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en +valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne +waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar +grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke +neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het +teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en +eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die +natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed +met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.</p> + +<p>De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt +het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met +elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar +geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste +in onze persoonlijkheid.</p> + +<p>Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de +natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.</p> + +<p>De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te +verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling, +waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het +recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander +recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur, +zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die +Rousseau in de laatste boeken der “Nouvelle Héloïse” in beeld heeft +gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken, +de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos +volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te +leven volgens hooge zedelijke beginselen.</p> + +<p>Op het oogenblik van Julie’s huwelijk met Wollmar—den veel ouderen, +koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede +gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden +acht door de beschikking van haar vader—gebeurt er een wonder: in haar +voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht +gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar +hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan +haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als +vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser +en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de +heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een +nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een +uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar +nieuwe taak. “Ik wil,” spreekt zij tot hem, “den echtgenoot liefhebben, +dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste +plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat +volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen +der rede die uw gave in mij is.”</p> + +<p>Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij +zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de +betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende +verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. “Het is een dwaling +te meenen,” schrijft Julie aan haar minnaar, “dat de liefde noodig is +tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid, +bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter +en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere +affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en +rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te +zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te +vervullen, zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en +eere op te voeden.” Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken +staat tegen haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op +het landgoed nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.</p> + +<p>In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de +voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin +(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve +voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij +heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij +staat feitelijk aan ’t hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en +van een talrijk personeel.</p> + +<p>Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is +het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende, +allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des +levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om +zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt +geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij ’t +wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur +hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef +stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt +Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt +gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en +liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar +laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.</p> + +<p>Zoo verzoent Rousseau in de “Nouvelle Héloïse” het recht der +persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk; +hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als +jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde, +ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan. +Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een +zedelijke revolutie, een “Umwertung aller Werte.” De jonge meisjes +bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een +passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het +tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of +een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als +een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige +erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het +denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche +steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan +vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe +opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!</p> + +<p>“Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd,” aldus een +schrijver uit die dagen. “Vroeger kwam ’t huis op stelten te staan als +de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo +de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was +zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar +aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te +weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar +wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In +waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te +huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen +verdraagzaamheid, vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de +echtgenooten elkaar lief, des te beter: zij leven samen en zijn +gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan zeggen zij het elkaar als eerlijke +lieden en geven elkaar hun belofte van trouw terug. Zij zijn niet langer +minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik zachte en sociale zeden.”<a href="#fn48">[48]</a></p> + +<p>Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere +klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan +verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de +provincie; òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of +moest te velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van +aanbidders, haar minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; +voor haar hield ’t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der +landgoederen en lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op +het half ontvolkte platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, +scheen aan die wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, +sterven van verveling: daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk +werd de opneming eener clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de +vrouw zich het recht voorbehield, haar man niet te volgen als hij op +zijn landgoed in de provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin +te verplaatsen op het platte land, ver van het groote stads-leven, door +Wollmar en Julie voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en +raadgevers eener boerenbevolking, “wier lot zij streefden te verzachten +zonder het hun mogelijk te maken hun staat voor een anderen te +verwisselen,” ging Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende +klassen zijner dagen in.</p> + +<p>Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn +huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte +werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De +jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten +eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich +zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, in +de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in +eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of +verhanseld door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet +in alle vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar +anders dan voor de adellijke dametjes, was voor haar ’t huwelijk ’t graf +der vrijheid. Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk +van zorg en moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en +gebondenheid ging beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.</p> + +<p>Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven +overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen, +huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk, +en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat. +Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te +stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de +vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,—propagandistische +kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo +ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van +kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in +de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere +verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en +geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen, +zoovelen tot zegen zijn.</p> + +<p>Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor +Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk +te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de +school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de +rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht +om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit +compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man +dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij +hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich +gebonden rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander +had beloofd? Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn +kind beschikken? En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der +persoonlijkheid? Kan dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te +breken, om vaderlijke veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? +Heeft het jonge geslacht niet het recht en de plicht, om de moreele +banden waarin het vorige het leven voor goed wil breidelen, door te +snijden, zoodra het die als vooroordeelen voelt? Kan de groei des levens +gaan op andere wijze?</p> + +<p>Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde +en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen. +Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet +eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk +gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en +bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de +gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs +verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene +genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit +alleen erkennen wij als het ideaal.</p> + +<p>Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de “oplossing” der +“Nouvelle Héloïse.” En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast +vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons +zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.</p> + +<p>In de “Nouvelle Héloïse” zien wij de vrouw optreden als de genoote van +den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige +opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den “Emile” lezen +wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.</p> + +<p>Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de +bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale +bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich +die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen +arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld +ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en +het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin +door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het +ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half +patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap: +in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar +lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst +van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.</p> + +<p>In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich +aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in +zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan +het geestelijk leven van hun tijd.</p> + +<p>Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies, +deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle +waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing, +vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit +soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat +“de geleerde vrouw haars mans roede is.” De geestige blauwkous en +mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen +een soort van monster.</p> + +<p>De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om de +natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze +geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet +veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar +slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest—in zoover +dit oorbaar was voor een vrouw—binnen te leiden. Maar één ding moest +haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te +verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. “De vrouw +is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te +dulden.” En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit +onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te +verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.</p> + +<p>Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als +slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, maar +de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol is en +gebruik maakt van de wapenen der zwakken. “Haar bevelen zijn +liefkoozingen, haar bedreigingen tranen.” In de nauw-omsloten sfeer van +het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de +heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van +waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te +onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.</p> + +<p>Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de +salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De +natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest +daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar +geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te +leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der +oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der +woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het +openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch +leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren, +en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten +door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen +verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het +elkander lichtzinnig naäpen, zooals de ijdele kwasten en de malle +salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het +mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in +geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.</p> + +<p>Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming +van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande +ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij +niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten +moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke +mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit +weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin +de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken +en liefhebben zal.</p> + +<p>Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en +onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn +kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag +mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide +eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij. +Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om +haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en +in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En +hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden +zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het +karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid <i>der vrouw +van den man</i> vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in +den dienst der gemeenschap.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk +vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede +patriotten zagen vol onrust dat “er geen mannen meer waren” en broeiden +over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner +voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri; +maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het +menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires, +dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk +verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal +meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder +nationaal-beperkt.</p> + +<p>Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone +opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in. +Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt +om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven +der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle +doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche +manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst +verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen. +Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en +vrouwen, geen menschen.</p> + +<p>Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming, +moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden. +Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, +uitbundig-pleizier-hebben was uit den booze, springen en hollen +verboden; hoe sneller en volkomener de arme wezentjes tot apen der +volwassenen werden gemaakt, des te beter was de opvoeding gelukt. Het +familie-leven bestond in de hoogere kringen feitelijk niet meer, de +kinderen kenden hun ouders nauwelijks; zij werden van af hun geboorte +aan de zorgen van vreemden toevertrouwd: eerst aan een min, later aan +gouverneurs en gouvernantes. Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, +gepoederd, geparfumeerd, de jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de +meisjes met de onmisbare waaier in de hand, een oogenblikje hun +opwachting maken bij het morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk +weer te verdwijnen, want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame +toch niet.</p> + +<p>Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der “natuurlijke +opvoeding” oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij +zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met +zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in +dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen. +Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen +wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie +vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des +kindes is; geef het—en dat is het eerste wat hem toekomt—geef het een +moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die +het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg; +die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn +bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn +spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde +beleefdheids-vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen +waarvan ’t niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles +wordt door de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge +wezen vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het +kind niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het +door lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en +kou, honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende +tot zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als +een jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; +denk niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen +leeftijd wel bereikt? Kwel het niet met de studie van ’t latijn, giet +het geen abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode +geleerdheid van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn +leermeesteresse zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn +zintuigen spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt +om later veel te kunnen begrijpen. “Om goed te leeren denken, moeten wij +onze ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de +werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij te +trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond.”</p> + +<p>Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen +vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn +denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties. +Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de +oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit +noemde de kritiek zijn “overdrijving.” Zij begreep niet dat overdrijving +bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de +menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar +het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van +het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch +hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening +van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en +zintuigen. Door deze en andere “overdrijvingen,” dat is door de koenheid +van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot +een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.</p> + +<p>Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den “Emile,” den mensch +opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder +mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de +genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door +een <i>openbare</i> opvoeding, gelijk regel was in de republieken der +oudheid;<a href="#fn49">[49]</a> deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel +in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers +voort, maar slechts bourgeois.</p> + +<p>Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en +het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt +niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig +als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem +waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste +trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn +individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder +den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der +opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en +plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken +van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen +van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel +zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de +individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar +waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v. +Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf +“bourgeois” voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke +parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf +buiten-maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de +levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in +het “Contrat Social” den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed +hij het in “Emile” den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn +revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse- +opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed +tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving, +die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen +kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal +waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen +verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen. +In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de +overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond +zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.</p> + +<p>Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel +voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen. +Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken +doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid, +zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. “Men gaat slechts de +eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men +geleerd heeft: “meester, ik verlang werk.” Gezel, zie: hier is werk, +neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw +middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht +dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te +leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en +rechtvaardig leven hebben geleid.”</p> + +<p>Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling +gereed te maken voor “alle wereldsche landen waarheen het lot hem +voert,” maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van +kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen. +En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk +is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit +te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld +zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder +grootindustrie,—een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.</p> + +<p>Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding, +wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen +gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend +geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de +grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen. +Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als +knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.</p> + +<p>Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de +zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk +brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij +niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar +en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer +weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke +nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij +uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er +was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in +zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.</p> + +<p>Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve +betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke +noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche +wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve +heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen +lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen, +wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen.” De +levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging, +het beheerschen zijner driften en aandoeningen. “Wat ons door de natuur +verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze +krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet +kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is +verzoeking niet te kunnen weerstaan.” Wie zijn hartstochten beheerscht, +zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en +te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis +voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de +eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft +waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat +zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle +wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en +aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de +wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De +mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom +moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er +geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij +verplicht te gehoorzamen, ook al valt ’t hem zwaar zijn vrij en +verborgen leven prijs te geven.—Zoo duikt op het einde van den “Emile,” +in den “abstrakten mensch,” de burger, het lid eener politieke +gemeenschap toch weer op.</p> + +<p>Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het +leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels +die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht, +winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen, +tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.</p> + +<p>Hoe wordt nu dit doel bereikt?</p> + +<p>Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de +veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind. +Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen +leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende +behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar +behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het +dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige +leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is +het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder +teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol +vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van +elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het +eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen +te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen +straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen +daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.</p> + +<p>Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de +utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan +dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk +eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat +het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert +Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen +ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het +tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der +natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. “humanistische” studie, de kennis +der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om +mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde: +dit is het, wat de jongen leeren moet om een “bruikbaar mensch” te +worden. Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo +burgerlijk-praktisch mogelijk, al zijn hare methoden een weinig +ongewoon. De “abstrakte ideaal-mensch” ontpopt zich al meer als de +goed-onderwezen kleinburger van de modernburgerlijke maatschappij. In deze +levensperiode moet het kind ook een ambacht leeren en zich daarin door +oefening volmaken.</p> + +<p>Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw +beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft +het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de +opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen +altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken +beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in +den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de +zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en +sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die +op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van +liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren +te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen +van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle +schoonheid, goedheid en waarheid—tot God. Op zijn 18de jaar verneemt +Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel +onsterfelijk is. Zelf heeft hij—in zijn gevoel en zijn rede—de +zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de +wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in +de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig +Schepper, dien hij zegent en aanbidt.</p> + +<p>De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt +zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide +kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een +uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze +vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der +werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van +zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de +ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale +leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk +van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling +van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire, +aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich +eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.</p> + +<p>Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten +dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in +en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd +heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind +gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der +sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit +zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog op +andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn +redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der +sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift +voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering +voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen +gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, de +richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk +bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.<a href="#fn50">[50]</a> Niet eerst na het vijftiende +jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op +de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel +mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in ’t spel +komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst +der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot +voorwerp heeft.</p> + +<p>Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor +de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme. +Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van +zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat +bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. En +evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend +willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en +diens redelijk egoïsme.</p> + +<p>De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l. +Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle +denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder +ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar +hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het +groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te +vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe de +kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind +gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de +zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele +verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het +gevoel. “Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren”—dit was +een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een +weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger +dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd, +ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in +zichzelven—maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit +zelf-onderzoek als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem +den weg tot zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, +zelfbehagen, zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was +een vrucht van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van +warmte en teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk +te geven, zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van +deze gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf “de beste der menschen.” +Als hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot +hen heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk +werd meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke +menschen voor zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun +blikken en woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende +kussen en tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, +nimmer-verstillend innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van +geluk genoot hij het verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner +fantasie, en met tegenzin keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde +werkelijkheid en hare bewoners terug.</p> + +<p>In de “Nouvelle Héloïse,” het werk waarin hij zich het vrijst heeft +laten gaan,—veel vrijer dan in de “Confessions,” waar de +achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der +herinnering in een bepaalde bedding stuurden,—heeft hij alle uitingen +en verhoudingen van het affektieve leven met groote warmte en innigheid +van ontroering afgebeeld. Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des +levens. Hier is de zachte gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar +man, als een warm dek van vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over +de schamelheid der dagen geweven. Hier is de ouderliefde,—hoe ontroert +ons nog de scène waarin Julie’s vader, een edelman van den ouden +stempel, na zijn dochter in drift barsch en ruw behandeld te hebben, +haar met zwijgende liefkoozingen om vergiffenis vraagt. Hier is de +kinderliefde, de zachte overgave van Julie aan haar oude ouders, haar +drang zichzelven te verzaken, opdat de avond van hun leven helder en +vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: tusschen vrouwen: +hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de onafscheidelijken; +—tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht hebben gehad zich +los te rukken van de geliefde, als de mannelijke teederheid van Edouard +Bomston hem niet had geschraagd en getroost;—tusschen een man en een +vrouw: Claire en St. Preux genieten die vriendschap, voller van bekoring +maar ook voller van gevaren dan eenige andere, grensgevoel, uitstralend +naar andere werelden; levensvrucht, zoet van verteedering, wrang van +onvervulde begeerten.... In de “Nouvelle Héloïse” heeft Rousseau een +monument opgericht voor de menschelijke affekties in de stil-besloten +sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; hij heeft schatten van reine +lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen flonkeren in het licht der +schoonheid, tot dusver verborgen in die omschaduwde sfeer.</p> + +<p>De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het +eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht +is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het +tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In +dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen; +de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met +zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het +mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn +eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk +zaken-moraal, regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij +als een verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, +stiptheid, soberheid, zijn de voornaamste deugden;<a href="#fn51">[51]</a> de onmisbare +eigenschappen en hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In +die sfeer druischen plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan +den weg tot de deugd niet zonder geleide vinden: het gevoel moet +dikwijls onderdrukt worden, de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, +naar de stem der menschelijkheid te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, +koele rede, en gij, streng geweten, over de trillende diepten van het +gevoel. Daar heerscht—Kant: hij was het, die de grondslagen der +burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar en principieel +formuleerde.</p> + +<p>In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken, +niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de +aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren +glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar +hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden +verjaagd uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke +verhoudingen. Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen +zich, hij ontdekt zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en +de stem van het hart volgen; daar bloeien bloemen van affektie, +verteedering en innigheid, die te koesteren deugd en wijsheid, die te +vertreden roekelooze dwaasheid en zonde is. In die sfeer heerschen +liefde, weekheid des harten, spontane gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; +daar heerscht de moraal der “Nouvelle Héloïse.”</p> + +<p>Wel schildert Rousseau in de “Nouvelle Héloïse” ook verhoudingen uit het +gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende +menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het +vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale +verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel +van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet +aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de +grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen +zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen +tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets +van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor +eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de +verhouding tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale +opvoeding; geen hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart +ongehinderd heen en weer.</p> + +<p>Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde +Rousseau als even “natuurlijk” en evenmin aantastend de menschelijke +waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel. +Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den +burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting +deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en de +gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij +afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst +gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij +verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de +nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen lord +Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de +revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon +der burgerlijke vrijheid.</p> + +<p>De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker +van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om +klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat in +hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. Dit +alles kan waar zijn: het <i>is</i> waar dat hij een vat was van +tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in +dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke +kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder +zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot +het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat +dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is +niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet +geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos +zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht, +daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was +nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In +zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin +de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en +luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het +tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner +meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen, +was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit +den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk, +omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen +andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk +bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste +poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe +vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens +langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen +toekomst van titanische worstelingen—worstelingen, die de overwinning +zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid +waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling, +omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou +raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en +proletariaat.</p> + +<p>Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner +kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute +vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk +hij de tyrannen haatte.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw +wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen +oproepen voor onzen geest.</p> + +<p>De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen; +een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een +kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont +de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert +zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch +zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de +ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop +van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst- +mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en +produktie-verhoudingen, de “natural-wirtschaft” en het kleinbedrijf. +Zij weet dat handel en geld die bestendiging bedreigen. Niet de +verandering, maar het onveranderlijke is de begeerte dezer menschen, +want in hun harten is vrede.</p> + +<p>In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de +volksregeering. De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke +geslachten, door alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk +van haar daden rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, +geen bureaukratie, geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van +intellektueelen. De burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en +vermogen, maar de verschillen tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen +toe te nemen grijpt de overheid in en herstelt de bedreigde gelijkheid. +De intellektueele tegenstellingen zijn niet grooter dan de sociale: +evenmin als in kapitalisten en proletariërs, zijn de burgers verdeeld in +hand- en hersen-arbeiders. Allen nemen deel aan de produktie, allen +hebben deel aan de kultuurschatten der menschheid en het bestieren van +het gemeenebest.</p> + +<p>De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of +overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk +leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer +menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen +arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den +schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren +zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen +zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege +ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en +dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft +gegrift.</p> + +<p>Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere +plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen +jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en +zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven +die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis +glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den +rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw. +Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in +wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.</p> + +<p>Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door +dagelijkschen arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als +knechten. Het brood, door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. +Als het jaar zich wendt van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei +lacht over de beemden, als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de +wijndruif geperst tot geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en +verzamelt zich tot feesten. In de steden uit zich de levenskracht en +levensvreugd der burgers in velerlei wedstrijden van de in schieten, +worstelen, roeien en zwemmen bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen +komen zij bijeen, als vrije mannen staande onder den vrijen hemel, om +zich bewust te worden de volheid hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet +winstbejag, noch dwang verlaagt en vergiftigt hun genoegens, wanneer zij +zich scharen tot gemeenschappelijk feestelijk maal. De gedachten aan het +gemeenebest dat de belichaming is der algemeene eenheid, waarin ieders +persoonlijkheid ondergaat om te herrijzen, gelouterd van de engheid des +levens, omgeschapen tot een deel van een wijder zijn, doet de borsten +zwellen en de harten hoog kloppen.</p> + +<p>Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.</p> + +<p>Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het +kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu +leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller +menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische +samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der +maatschappij-krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije +menschheid. Wij zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen +daarheen, in verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders +gericht, dan zijn hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring +na van die stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig +vredige sfeer die hij den menschen toonde—wij voelen zijn verlangen +natrillen in onze harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was +van een werkelijkheid waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is +ondergegaan in ons vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En +ook daarom bekoort ons nog die droomwereld, al voelen wij haar enge +beperking, omdat sedert vrede en vrijheid met het oorspronkelijk +communisme zijn ondergegaan op aarde, het menschenhart elke samenleving +en elk beeld eener samenleving dat een glimp, een zweem, een schijn +daarvan bevat, voelt lokken als het land zijner verloren kindsheid.</p> + +<p>Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk +individualisme, maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door +kennis, lichamelijke ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit +boven de omgrenzing van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der +menschheid, al behoorde aan die phase zijn hart, al voelde hij tot haar +die heel eigen vertrouwdheid die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg +in zich het beeld van den stad-staat der oudheid die nog eenige +overleveringen van het stamleven bewaarde; hij droeg in zich de +herinnering aan de zorgelooze bekoring en de vroolijke gulheid der +naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche bergen nog sporen over +waren. Hij was ruimer van blik dan de encyclopedisten, die geheel +opgingen in bewondering voor het beginnend kapitalisme, die elke vorm +van samenleving behalve de burgerlijke verachtten en verwierpen.</p> + +<p>Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven. +Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn—dat +voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het +huisgezin bepaalde,—rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn +organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister, +vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den +mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en +breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in +vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort +roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van +terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote +droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven +der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte, +die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de +groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één te +voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het +aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn +lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem +van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de +weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem +zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een +vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en +buiten-maatschappelijke ondoorgrondelijkheid.</p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap04"></a>VIERDE HOOFDSTUK<br/> +DE LAATSTE WORSTELING</h2> + +<p> +Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede +aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar +geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. “Zie zelf wat ge +doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want +hoeveel ’t mij ook zou kosten om mijn leven van ’t uwe los te maken +nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder +verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit +land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee +niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn +afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo +zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat +ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge +liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en ik +zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te +bezorgen.”</p> + +<p>Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van +Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af +wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in +Montmorency achter te blijven.</p> + +<p>Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de +regeering van Genève den “Emile” en het “Contrat Social” in ’t openbaar +had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich +binnen ’t grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen +volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich +bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den +“Emile” uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten +tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de +kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen +voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in ’t veld. Het feit dat +hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam +liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De +aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een +herderlijk schrijven den “Emile” als een goddeloos boek; de paus +vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er +uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde +den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek +had gedaan. Het “Contrat Social” werd alléén in Genève verboden: de +akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo +spoedig doorzag.</p> + +<p>Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou +veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit +genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme +Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver +van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom +Neuchâtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en +geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar +aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit +Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij +hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.</p> + +<p>Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den +Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten +van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur +gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de +steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging +van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel +kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal, +ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen. +Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in +Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom +liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de +gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware, +massieve steenklompen—woning, stallen en schuren onder één dak—met +weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een +onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan +ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.</p> + +<p>Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk +zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen +huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat +opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt, +de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer, +voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen +avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te +moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit +onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den +lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter +hunkerend vergeefs naar een groet der zon.</p> + +<p>Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral +leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar +toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle +oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap +boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat +en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag +naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de +bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in +de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij +dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen +zooals de vrouwen van ’t dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn +handen te doen onder ’t praten. In den winter was hij meest door zijn +kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook zoo +geweest. ’s Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten +schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en +ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die +tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen +waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij +doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers +vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; het +land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden +zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende +watervallen, de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden +schenen van uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, +opschuimend uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche +koelte woonde in de heetste zomerdagen, ontsprong ’t snelle riviertje +dat door ’t hoofddal stroomde: de forellenrijke Reuss.</p> + +<p>Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest; +heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren, +geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename +gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke +natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te +vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en +dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn +aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort +leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf +jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat +gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had +ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken +gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling +die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het +heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon +was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel +de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn +eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen en +verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en +wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een te +zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en +allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en te +verdorren. Vandaar die leegte in hem. “In mij zijn de grootste +zielsbewegingen dood” getuigde hij in een brief, “ik leef nog slechts +door gewaarwordingen.” Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er +was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar +hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn +eenzaamheid mee te vullen.</p> + +<p>Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van +planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige +onderbrekingen tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude +enthousiasme, zooals hij als knaap zich in een nieuwe liefde of een +nieuwe tak van wetenschap stortte, wierp hij zich nu op de kennis der +planten. Als, hij botaniseerde, vergat hij zijn smart, zijn +teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken zijner vijanden; zijn +wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een zachte aanraking, hij +genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, heldere stemmingen, aan +levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende zijn lange, eenzame, +duistere levensavond—eenzaam en duister door de schuld der menschen èn +door zijn waan—is grootendeels door de botanie tot hem gekomen. Zij +verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en buiten zich +zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen lot, zij +bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de eenige +band tusschen zichzelf en ’t leven, omdat zij ’t eenige was wat in hem +nog warme belangstelling wekte.</p> + +<p>Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende +natuurkinderen heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De +botanie verkeerde in zijn tijd in een toestand van verwarring door de +groote onzekerheid der nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in +Frankrijk. Men interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de +kruidenleer, de ware of vermeende geneeskrachtige eigenschappen der +plan? ten, en bitter weinig voor hun gedaante en bouw en hun leven. +Rousseau was een der eersten die in planten belang stelden, niet om het +produkt dat zij opleverden, maar om hun eigen leven. Dat wilde hij +kennen, daartoe doordringen. Toen hij eenig idee begon te krijgen van de +voortplantingsorganen der planten was hij een en al verrukking en +enthousiasme. Hij begreep dat een goede overzichtelijke indeeling een +even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie was, als optische +instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, die toen in +Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd verguisd. +Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de plantkunde, toen +nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te populariseeren. Hij +drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat natuurlijk, dat zij +in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen door fransche +zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk hij zelf +deed in zijn “Brieven over de elementen der botanie.” Hij spoorde de +leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen +voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.</p> + +<p>Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen +der natuur, het genot van ’t buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook +een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door +waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen, +die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van +specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker +geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof +te vragen in het vorstendom Neuchâtel te wonen; ook wendde hij zich tot +den gouverneur van Neuchâtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland +doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens +bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel +mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden. +Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen +zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel +begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling +was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te +leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie +eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver +te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet +rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten—hij +vond ’t aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en in +’t minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of +planten-verzamelen was.</p> + +<p>Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in +zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchâtel, te komen +bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman +en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot +elkaar getrokken. “Onze naturen raadden en bevielen elkaar,” schreef +Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar +onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid, +menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen +als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet +van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard—men placht de inwoners van +Neuchâtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen—werd afgestooten door +de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor +heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij +hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme, +teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest +harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld; +zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel. +Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen; +tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord +Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei +hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn +genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door +waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij +zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de +brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen +vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau +meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer +schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: “Uw goedheden +zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost +nu ook ontnemen?”</p> + +<p>Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van +Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche +eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn +zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers, +met wie hij over ’t welzijn van hun gemeenschappelijken vriend +correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van +Rousseau voor ’t jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: “Jean +Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij +is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer +dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men +van hem houdt en achting vóór hem gevoelt.” Gaarne had Lord Keith den +vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar +de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen ’s zomers +bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij +plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine +republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij +tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd +philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen +vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar +draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean +Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven +met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst +met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d’ Houdetot en St. +Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar +half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van +luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in +Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van +onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord +Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchâtel ’t +jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar +Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem +nooit teruggezien.</p> + +<p>In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in ’t +algemeen niet van ’t slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel, +van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde. +Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes +en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als +zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een +schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens +wijze van optreden—hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had +veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen—Rousseau een poos +lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou +bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep +Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.</p> + +<p>Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij +nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in ’t +geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de +ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend +in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen +mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging +gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de +vooroordeelen tegen den “philosoof,” den man wiens godslasterlijke +boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur +zat kant te knoopen, leek hij in ’t minst niet gevaarlijk; en hij was +zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan +hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische +dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met ’t +oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de +algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met +den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet +geregeld de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal +toegelaten te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan +kon hij toch onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het +bergdorp waren steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die +in den hevigen strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan +den gang onder de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe +inzichten verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn +woonplaats rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het +godsdienstige fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op +te wekken.</p> + +<p>Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau +bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg +weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen +der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan, +welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot +lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de +“Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard” had toch eigenlijk weinig +gemeen met het protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het +was een lastig geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat +Rousseau hem had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere +levensdagen in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke +belofte gegeven, niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin +hem toegelaten, want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer +te bestaan voor nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, +zich nooit te hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had +hij aan den predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, +zooals hij het toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan +Milord Maréchal had uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een +belofte aan zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen +verplichting; als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij +allerminst. Daarom beschouwde hij het ook volstrekt niet als de +schending eener belofte, dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot +zijne verdediging: de “Lettre à monseigneur de Beaumont” en de “Lettres +de la Montagne.” (Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, +hadden hem gedwongen tweemaal een uitzondering te maken op den regel +dien hij zichzelf had gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel +begrijpelijk. Maar ook is het begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn +collega’s toch al ’t een en ander had moeten hooren over ’t toelaten van +den schrijver der “Geloofsbelijdenis” tot het avondmaal, er anders over +dacht, en zich zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de “Brieven +uit de Bergen” de protestantsche wereld in rep en roer bracht.</p> + +<p>Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem +aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar +de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen +tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag +natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding +gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den +plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het +leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de +aartsbisschop “den geest van ongeloof, die ook een geest van +onafhankelijkheid en oproer is,” en noemde den “Emile” even waard om +door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten +getroffen te worden.</p> + +<p>Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol +innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en +waarachtig-verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische +banvloeken van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone +polemiek tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: +hatelijk, schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was +vernuft te vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat +Grimm gedwongen werd te erkennen “ik herken den burger van Genève niet +meer,” maar het werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, +door hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men +hierin het geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, +dat bij Voltaire volkomen ontbrak.</p> + +<p>Nieuwe gedachten bevat het “Antwoord aan Monseigneur de Beaumont” +weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn +gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen +der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.<a href="#fn52">[52]</a> In +dit werk en het volgende, de “Brieven uit de bergen,” kwam hij wel op +bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te +zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij +in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den “Brief aan +Monseigneur de Beaumont” is vooral zijn uitweiding over den universeelen +godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding +van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. “Want elke +godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de +essentieele religie bevat.” Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid +der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den +godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den +mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering, +komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke +denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing’s Nathan spreken +hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie, +boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de +voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle +verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau’s droom van +den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige +denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag +der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het +bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder +volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren. +Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn +droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.</p> + +<p>Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd +gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering +zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang +wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit. +Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de +overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een +jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund +zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef “zonder toorn, +zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht +en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog +meer dan van den verdrukte betaamt.” Diep gewond door het onrecht dat +hem geschied was—hij kon het eerst nauwelijks gelooven—gegriefd door +de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk +naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den +Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn +burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.</p> + +<p>De veroordeeling van den “Emile” door den Kleinen Raad had plaats +gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop was. +Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het +requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de +veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter +verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven +te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich +te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste +die in de “vrije republiek” Genève regeerde, bleek even beducht voor de +vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse +van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek +zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te +hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.</p> + +<p>De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer +gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen +uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte +grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de +machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de +strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot een +onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke +machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de +lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te +richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering +behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad +zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor +kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het “droit négatif,” +dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie +vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter +zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst +met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en +naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der +regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt +voelden de vraag te stellen: “Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder +vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der +burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van +vertoog af te schaffen.” Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau +zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn +naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen +schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden. +Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede +middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in +de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren +door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale +protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het +behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en +grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de +aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.</p> + +<p>Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten +onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij +zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den +loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als +martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de +spits der burgers stellen zou.</p> + +<p>Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om +zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen +van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens +zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid, +maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten +koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk +samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde +tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken. +Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed +gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem +tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.</p> + +<p>Zoowel van de zijde der “vertoogers” als van die der gezags-menschen +waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de +procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in den +strijd mengde. In een polemisch geschrift, “Lettres de la Campagne” +(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar +uiteen dat geschriften als de “Emile” en de “Contrat Social” voor de +protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en +trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de +Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het +geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één +man in hun rijen in staat den schrijver der “Brieven van buiten” door de +kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te +verpletteren. Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al +deden zij zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en +verzochten Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde +zich hiertoe bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, +aan de overzijde van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de +democratische leiders om met hen den opzet van hun antwoord aan +Tronchin, dat hem maar matig voldeed, te bespreken. Hij deelde hun +echter niet mede dat hij zelf reeds in alle stilte een antwoord had +gereedgemaakt. Voor vriend en vijand onverwacht verschenen de “Lettres +de la Montagne” (Brieven uit de Bergen) op ’t einde van het jaar: het +geheim was tot het laatst toe goed bewaard gebleven.</p> + +<p>De “Brieven uit de Bergen” zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau, +en tevens het werk waarin hij ’t meest zijn slagen richt, niet tegen +regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in ’t +algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een +bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven +zijn gewijd aan ’t weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de +“gevaarlijkheid” van den “Emile” en de “Contrat Social;” hij analyseert +daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de +onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet +voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève +ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch +onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een +beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende +politieke kwestie: het “droit négatif.” Deze beschouwing gaf Rousseau +gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze, +waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te +veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten +ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.</p> + +<p>De “Brieven uit de Bergen” bevatten brandstof genoeg om Genève in +lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware +protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van +door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte +beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel +dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke +vrijheid van kritiek en onderzoek: “Toen de hervormden de roomsche kerk +verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude +geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne +rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner +erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije +interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, om +haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen +twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen +vinden, wat wij niet begrijpen.” Zoo verhief Rousseau de vrijheid van +het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de +uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest +natuurlijk hetzij door een langen strijd <i>in</i> de kerk tegen de +kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden <i>uit</i> de kerk +leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke +ketterij.</p> + +<p>Niet minder fel viel Rousseau in de “Brieven uit de Bergen” de politieke +machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van +despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op +onwettige wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun +gedrag. Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. +“Alles,” schreef hij, “wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, +geschiedt bij voorkeur ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet +anders. List, vooroordeelen, eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een +schijn van orde en tucht, alles komt bekwame lieden die ’t gezag in +handen hebben en de kunst verstaan het volk te bedriegen, ten goede. +Wanneer het er om gaat, handigheid tegen handigheid, en krediet tegen +krediet uit te spelen, welk een voordeel hebben dan niet in een kleine +stad de eerste geslachten, altijd verbonden tot heerschen, met hun +vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, vereenigd met de macht van +den raad, om de eenvoudige burgers die hen ’t hoofd bieden te +verpletteren?” Tegenover deze heerschzuchtige en zelfzuchtige +aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede laag der +burgers, de middenstand, “die zich tegen de machtigen verheffen voor de +handhaving der wet.” “Ten allen tijde is dit de taak geweest van den +stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het +gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin, +in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen +over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun +groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de +overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en +vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek, +het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is. +Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid, +de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die +zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht.” Deze breede +laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en +tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te +strijden. “Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen +zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de +beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate +heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen, +noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult +satelliet of slachtoffer moeten zijn.” Tegenover hen, die van het vaak +bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten +voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering +dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid +en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. “Men heeft +er somtijds gezworen voor ’t vaderland te sterven, maar ik tart u er mij +een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige +mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik +geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen.”</p> + +<p>Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots, +de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en +onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had +hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van +het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op +bepaalde gemeenschappelijke daden....</p> + +<p>Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij +hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van +zijn aanval. De “Brieven uit de Bergen” wekten een storm in en buiten +Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de +predikanten-bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te +Parijs, (te zamen, o ironie, met de “Philosophische Dictionnaire” van +Voltaire) in den Haag en in Genève in ’t openbaar verbrand. Zelfs de +vurigste aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. +Moultou, de discipel die hem eenmaal geschreven had: “Mijn dierbare +meester, ik wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de +uwen” lamenteerde nu: “uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed +zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult +uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten +zal.” Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de +Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden +in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische +zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen, +liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en +beleedigend over den man, die deze “Brieven” geschreven had, uit, (“per +slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus, +die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?”), +dat Rousseau hoofdschuddend zeide: “Zoo’n stomme brief kan onmogelijk +van Mably zijn,” en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo +ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.</p> + +<p>Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn +vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die +algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende +tiraden van het tweede “Discours” prachtig gevonden hadden?—Omdat hij +in de “Brieven uit de Bergen” <i>den klassenstrijd</i> gepredikt had, niet +abstrakt en theoretisch, gelijk in de “Contrat Social,” maar reëel en +konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de +grooten hem een gevaarlijk dier.</p> + +<p>Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd +schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die +kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem +laaghartig, verraderlijk te bespringen.</p> + +<p>Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en +officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen +bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat +natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau +overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten +hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht +zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor “de beschermer +aller verdrukten,” en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn: +Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te +zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een +grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van +den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph +van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch: +Rousseau’s stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd +jegens zijn groote mededinger.</p> + +<p>Door de verschijning van de “Nouvelle Héloïse” en den “Emile” was +Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke +kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de +onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het +burgerlijk-revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen +haar macht en haar dogma’s, en ook tegen wat men de “misbruiken” van +absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van +hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden. +Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen +zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke +aangelegenheden.</p> + +<p>Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets +anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en +eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had +raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle +sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van +den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende +zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en +bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van +velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland +bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze +eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft.</p> + +<p>Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau +omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver. +Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van +armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle +anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en +wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn +leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in +een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de +vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in ’t +schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En +sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg +hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn +vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den +martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en +jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel +bewonderden, maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van +Voltaire, maar Rousseau leefde in duizenden harten, een +zacht-gekoesterde heilige.</p> + +<p>Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als +hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen +en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds ’t lezen was +een plaag voor hem; ’t antwoorden een veel ergere. Vele der +briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor +zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder +gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds +met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de +onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere +wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in +persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog +ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den “Emile” en +overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een +jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed, +om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht +bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting +van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw +breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in +zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel +mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het +opvoedingsplan van “Emile” niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden: +hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de +opvoeding zich moest bewegen, niet meer.</p> + +<p>Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van +den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een +bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets +verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die +onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie +veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze +houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme +van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor +het onherroepelijke van de daad.</p> + +<p>Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de +zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. “Niet meer bij +tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen +en achten komen zij,” klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de +ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden, +bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een +enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en +ontwikkeling;—in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper +kenden, maar het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch +ook eens wilden zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te +ontvluchten ’s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.</p> + +<p>Maar nu Voltaire. In een der “Brieven uit de Bergen,” had Rousseau +Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op +hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken, +door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met +alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met +zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en +wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der “Brieven uit de +Bergen” uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten +die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. “Is +het een geleerde” heette het in dit pamphlet, dat de titel “Le Sentiment +des Citoyens” (De meening der burgers) droeg, “die tegen geleerden in +het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee +uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver +bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn +uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een +kermis-reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de +rampzalige meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan +de poort van een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod +weigerend van een medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en +alle natuurlijke gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en +godsdienst verzaakt.... Komen wij tot wat ons in ’t bijzonder aangaat: +onze stad, die hij in beroering wil brengen, omdat hij met de justitie +in aanraking is geweest.... Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen +omdat men in Parijs en in Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil +hij onze constitutie omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, +zooals hij het Christendom wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? +Het zij voldoende te waarschuwen dat de stad die hij verontrusten wil +hem met afkeer verloochent. Zoo hij gedacht heeft, dat wij voor den +roman “Emile” het zwaard zouden trekken, kan hij die gedachte rekenen +onder zijn dwaasheden en zotternijen te behooren. Maar men moet hem +leeren dat, zoo men tegen een godlasterend schrijver genadig handelt, +<i>men een gemeenen oproermaker straft met den doodstraf</i>.”</p> + +<p>Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden; +Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener +meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige +vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en +platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau, +ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam, +geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile +verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij +kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee +hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te +brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.</p> + +<p>Het smaadschrift van Voltaire—een brochuretje van een bladzijde of +zeven-acht—werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van +Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig +zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der +oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in +zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist +geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en ’t +bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren +natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke +eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard +voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige +dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het +wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid, +zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster +samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van +vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van +het jaar ’65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk +vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en +nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den +vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen, +bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn +botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te +schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men +schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers +bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der +bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan +David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.</p> + +<p>Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de +vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg +hier eveneens toe bij. Na de verschijning der “Brieven uit de Bergen” +kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. De +“eerwaardige klasse,” dat is de vereeniging der predikanten van +Neuchâtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de “Brieven” en hun +schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau +voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten. +Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn +gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden, +probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten +einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal +weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een +uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen. +Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in +het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het +weerstand-bieden: alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen +buigen als hij niet wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij +wilde binnen of buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de +ambachtsheer van Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die +de “eerwaardige klasse” gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde +niet anders verklaren, als dit: “hij zou voortgaan met in zijn gevoelens +en door zijn handelingen het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van +de kerkelijke gemeenschap hem verschafte.” Na deze verklaring moest de +zaak natuurlijk haar loop hebben.</p> + +<p>Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren. +Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar +door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij +voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven +aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd +was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de +ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de +zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van +Neuchâtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der +predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom +verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de +jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der “Brieven +uit de Bergen.” Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen +de dominé’s in hun schulp: de “eerwaardige klasse” besloot, protest +aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst, +om Rousseau “aan zijn dwalingen over te laten.”</p> + +<p>Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel +het despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de +wettige demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig +behoorde; het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén +recht te zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had +geschreven, dat die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn +vrijheidsdrang, zijn onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, +de fierheid en stoere onverzettelijkheid die het beste waren van zijn +wezen, hadden hem in konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat +hij vurig aanhing, zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch +zijn ondergang, wijl onvermijdelijk en niet zonder schuld.</p> + +<p>Sedert de verschijning der “Brieven uit de Bergen” den storm tegen hem +hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn +gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en +al wankelheid.</p> + +<p>Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en +benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan +met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar +vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen, +“waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in +Zwitserland” (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij +dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars +hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen. +Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken; +“’t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen,” schreef hij; soms +gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. “Mijn zedelijk +leven is ten einde,” schreef hij in Februari; “het beste deel van +mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, en +ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die +knagen aan mijn lijk.” Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op, +de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. “Gij +zijt getuige, mijnheer,” schreef hij in Maart, “dat ik de wapens met +vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal +ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit +punt staat voor mij boven alle bedenking vast.”</p> + +<p>Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel +van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg +klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten +slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te +blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich +dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen +kon hij niet.</p> + +<p>Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en +beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het +heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde +in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du +Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei +persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en +roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel, +dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de +gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke +toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op +’t kookpunt. Een week na die preek—het was net kermis—werd zijn huis +’s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der +galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden +posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.</p> + +<p>Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de +dominé’s hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook +tegen de rede, dat de geest van ’t vrije denken, te midden van een +achterlijke plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen +weerstaan.</p> + +<p>Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie +jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich +van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne, +dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er +eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige +vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe +van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders +meer.</p> + +<p>Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild +als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor de +idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de +makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven +als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer +uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door ’t gezicht van +de haat des volks.</p> + +<p>Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in +alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen, +nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid +boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor +een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad +verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die +van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als +wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en +die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad +die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als +voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de +vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de +teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan +hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten +aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit +hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde? +Hij voelde verder leven als doelloos.</p> + +<p>Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur +en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen +en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee +meesterlijke werken: de “Confessions” en de “Rêveries.” Maar zijn +moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën, +die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot ’t +uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt, +hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in +droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar ’t goede +gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten, +tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle +windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop, +zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang +op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende +melancholie.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van +waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het +liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het +water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken, +kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken +gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den +oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde +bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van +witte en gele sterren; in ’t najaar glinstert tusschen de takken het +rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van de +kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol +vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid, +streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen +en ziel.</p> + +<p>Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan +den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-populieren, +dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever. +De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau +er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden +overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige +vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvreê +der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet +hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch +en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de +bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al +opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich +urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt, +gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide +langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den +rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in +den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging +hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot +de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van +het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het +gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of +hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem +dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk +genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de +oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te +bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij, +God-gelijk, genoeg aan zich zelve.</p> + +<p>Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot +gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.</p> + +<p>Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre +stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo +ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist. +Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat +vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar +wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets +gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in +die bloemige, ruischende eenzaamheid!</p> + +<p>Toen kwam ’t bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het +grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een +edel, doodelijk-gewond hert.</p> + +<p>Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met ’t plan naar +Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij +voelde zich ziek en uitgeput, “ofschoon blij,” schreef hij nazijn +aankomst in Straatsburg, “weer tusschen menschen te zijn, na de wilde +beesten, die Zwitserland bewonen.” Hij werd er warm ontvangen en +befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den “Dorpswaarzegger” +plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de +Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou +gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord +Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij +besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al +herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou +vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk +door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef er +een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het +stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl +bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij’s +morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen; +hij vond dit verschrikkelijk: “nooit heb ik zoo geleden,” schreef hij. +Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de +reis: den 17den Januari ’66 vertrokken zij, met nog een derde +reisgenoot, over Calais naar Londen.</p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap05"></a>VIJFDE HOOFDSTUK<br/> +WAAN EN VREDE.</h2> + +<p> +Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met +Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke +klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken +op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor +Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen +vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun +politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun +strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar +die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn +zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook +de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu en +Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de +elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg +om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun +eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle +manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in +menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide +kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te +krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de +gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen +opnemen. Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in +de opgaande lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland +een toevlucht zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn +enthousiasme voor de publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed +gebroken, in hem was geen andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger +een paar maal gepoogd Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en +gedurende zijn verblijf in Engeland schijnt hij er niet de minste moeite +meer toe gedaan te hebben: na verscheiden maanden beweerde hij nog +slechts enkele woorden te kennen. Dit maakte dat hij zoo goed als geheel +geïsoleerd was, machteloos tot eenig geestelijk verkeer met de natie in +wier midden hij leefde. En de omstandigheid dat dit isolement niet +vrijwillig maar gedwongen was, moest hem een gevoel geven van groote +verlatenheid.</p> + +<p>Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is +onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen +zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste +wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich +vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt +voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan +monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te +kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel +in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.</p> + +<p>Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van +Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar +feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de +buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou +waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en +bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht +van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van +de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt, +dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar +genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren +ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het +phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den +prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op ’t lijf vallen, en Hume +van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in +zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd +de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der “bewijzen” +die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens “verraad” aanhaalde: +toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige +gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig +antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt, +herhalend: “maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje.” +De sceptische Schot vond zoo’n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.</p> + +<p>Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende +omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen +tegen Hume moesten opwekken.</p> + +<p>Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de +rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De +koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en +besloot aldus.... “Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er +in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit +aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te +breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de +vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht +en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te +vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te +worden.”</p> + +<p>Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke +grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was +voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent de +voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa +vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den +opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van +spijtachtigheid om Rousseau’s vermaardheid, en dien zijn grootheid en +het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd +zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen +met andere letterkundigen, dezen “grappigen” brief had opgesteld. +Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig +mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd +geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de +nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij +hield d’Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge +mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de +hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis: +dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan +de grap medeplichtig was.<a href="#fn53">[53]</a> Is dit werkelijk zoo, dan moet men ’t op +zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich +voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn +rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.</p> + +<p>Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als +zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere +vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d’Epinay, +natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het +toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme +d’Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den +schrijver der “Lettres de la Campagne,” bij Rousseau bijzonder verdacht +moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist—hij +zelf was toen reeds niet meer te Londen—stond het voor hem vast, dat +Hume met zijn vijanden heulde.</p> + +<p>Hume had hem aanvankelijk,—tegen zijn zin, hij zelf drong aan op +grooter afzondering,—ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt +van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen +letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem. +Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten +zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende +plaatsen; na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren +Mr. Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in +het oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner +beschikking stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes +met zijn gezin kwam er maar enkele weken in het jaar.</p> + +<p>In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten +lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis +was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en +maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en +bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij +genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg +der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van +tuin-aanleg niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die +de natuur meer ongerept liet.</p> + +<p>Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag +alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.</p> + +<p>Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde, +hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van +het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een +enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de +buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en +beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude, +wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin +van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen; +zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige +streek.</p> + +<p>Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden +daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het +voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, +donkeren, eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte +en loerde: waanzin omnachtte zijn gemoed.</p> + +<p>De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de +goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk +paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze +overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend +geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van +vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest +maken, was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer +behoeve lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar +dat gaf ook niet veel. Al gauw kwam ’t tot twist en gekijf tusschen +Thérèse en de dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel +aanleiding toe, want haar eigen zenuwen werden in elk opzicht op een +zware proef gesteld, nu de toestand van Rousseau zooveel erger was dan +ooit te voren. Het is begrijpelijk dat de arme vrouw zich +verschrikkelijk eenzaam voelde en maar één wensch had: “in godsnaam hier +vandaan, terug naar Frankrijk.”<a href="#fn54">[54]</a></p> + +<p>Rousseau kwam in Wootton met ’t vaste voornemen om de wereld en haar +strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch +vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet, +wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In ’t geval van Rousseau +was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de +onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze +bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in +een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer +geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke +inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende +behandeling, hem door Mme d’Epinay en zijn andere oude vrienden +aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de “Emile,” de spanning van den +tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn +verblijf daar een einde maakte,—alles had er toe bijgedragen zijn +evenwicht al meer te verstoren.</p> + +<p>En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en +een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn +eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke +handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband +met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een +onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die +zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers, +na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe +spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den +beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een +muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich +zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume +bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was +een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in +Engeland tegen hem op.</p> + +<p>Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te +worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der +Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en +wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem +ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau +wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij niet +bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der +verstands-verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn +gemoedsrust terug te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der +menschen te onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van +de buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer +lezen. Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder +verdere explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille +van zijn eigen rust. Maar ’t gevoel, verraden en bedrogen te worden door +wie zich voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in +hem, dan dat hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij +zich voelde, had hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef +hij kortere of langere epistels, aan du Peyrou, aan d’Ivernois, aan de +Malesherbes, aan Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord +Maréchal, aan Guy, zijn hollandschen uitgever, om zich te beklagen over +Hume, die, samenzwerend met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland +had gelokt om hem daar schandelijk te behandelen, van alle verkeer met +de buitenwereld af te snijden en te doen omkomen van verdriet en +ellende. Hoe Hume in die zaak van den brief van Walpole had gehandeld, +hoe de jonge Tronchin bij hem verblijf hield, hoe hij tegen den wil van +Rousseau, om dien te deemoedigen, aan anderen had verteld, dat de koning +van Engeland den schrijver een jaargeld wilde schenken, hoe hij door +Ramsay een portret van Rousseau had laten schilderen, dat hem afbeeldde +als een cycloop zoo norsch en somber, terwijl Hume zelf op zijn +konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; hoe Rousseau Hume in +zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had hooren uitroepen “je +tiens Jean Jacques Rousseau” (ik heb Rousseau in mijn macht); hoe Hume +op hem en Thérèse “lange, doordringende blikken” placht te vestigen, die +Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven langs allerlei +omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden dek-adressen +op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, dat al +zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend +werden; tusschen Londen en Wootton waren “de netten uitgezet,” die +slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde +op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door +A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had +herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau +weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een +formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij +onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich—men kan bijna niet +aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau +was—op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn +Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische +coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om +aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte +den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den +titel “Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau” (Beknopt +overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen: +van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de +meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak: +“zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster +van ondankbaarheid was.” Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de +Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, dat +zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf +natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet +meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te +kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist +met Rousseau, zei men, had hij zich voor ’t eerst van zijn leven driftig +gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, en +begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te +verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires, +gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar +wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; ’t vervulde +hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in +zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar +aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het +halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen +had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn +wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk +zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers, +die hem in ’t begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de +gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord: +“Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig +dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een +bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer +genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne +beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen +anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de +vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij +evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar +troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in ’t hart van onzen +vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend.”</p> + +<p>In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht +er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn +vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen +onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar +uit ’t gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de +dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk +ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr. +Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de +eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei +verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en +betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies. +Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij +vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding, +in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos +ongelukkig en verlaten voelend na ’t ronddwalen in een land waar niemand +hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar +Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen +zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust +dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen +wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij +was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch +bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek +hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet +verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield +hij een toespraak tot ’t volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met +Thérèse in naar Calais.</p> + +<p>Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende +later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.</p> + +<p>In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk +brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den +beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een +bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem +den bijnaam bezorgd van den “vriend der menschheid.” Als bewonderaar van +Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der +talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel +Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging +in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den +marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen, +hij zeer verlangde den “vriend der menschheid” te leeren kennen. Deze +kwam, en voerde den schrijver in alle stilte—het vonnis van ’t hof van +Parijs was nog van kracht—naar zijn buitenverblijf te Fleury bij +Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige +persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte +hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat +hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende +bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote +belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te +hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van +den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen +Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht +bij Parijs.</p> + +<p>De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren +voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de +prins van Conti ’t ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch +hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel, +omringd door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak +voelden, die van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten +vinden en in Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen +orders beliefden aan te nemen.</p> + +<p>Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven +zijn nood. Reeds in Augustus—in Juni betrok hij ’t kasteel—schreef +hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de +buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo +onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de +moestuinen van ’t kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld, +hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme +de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had +afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat +hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de +bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren +en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen +opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De +eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid—hij +sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en +een weinig aan zijn “Bekentenissen” schrijven—werkte weer even slecht +op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen +maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn +vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij +gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de +boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke +schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam. +Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht +hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer men +hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken +schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du +Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken, +schreef hij: “het is niet duidelijk wat ’t ergst behandeling noodig +heeft, mijn lichaam of mijn geest.”</p> + +<p>Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra +het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen. +Zijn geestverwanten uit Genève—waar de inwendige beroeringen +voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te +hoonen—wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad +in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de +inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren +gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat +zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een +schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate +van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het +standpunt der “ongebreidelde demokratie” van de algemeene vergadering, +als tegen dat der “hevige aristokraten” van den Kleinen Raad.</p> + +<p>Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo +had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze +had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te +kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij +hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht +vertrok hij, in Juni ’68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van +dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem ’t kasteel te +verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem +gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek +nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van +Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem +weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou +terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok—alleen +ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen +was niet erg goed in dien tijd—naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de +macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon +bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had +aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken +hem ’t klad te willen opsturen van ’t vervolg op den “Emile,” waaraan +hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets +anders als de “Bekentenissen” bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich +zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij +botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in +Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en +als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der +natuur in te wijden, schreef hij haar eenige “Brieven over botanie” die +een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze +wetenschap bevatten.</p> + +<p>Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het +graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble +een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde +hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude +galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine +geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau +bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met ’t wijdvertakte +complot, waarvan hij ’t slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek +bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: ’t bleek dat de bewering van +dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet +tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden +aangrijpen om ’t komplot op ’t spoor te komen, waarvan de oude boef een +der duistere werktuigen was; dat zij ’t niet deden versterkte hem in +zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo +overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij +aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na +zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en +weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje +tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar +zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de +plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke +verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak +hij altijd over haar als “mijn vrouw” of “Mme Renou,” de schuilnaam, die +hij in Trye had aangenomen.</p> + +<p>In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse +ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen +dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of +Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug +te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging +natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn +bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te +ontkomen; zoodra ’t bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering +vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. Na +een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den +omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis, +hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende +opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en +haar beleedigden.</p> + +<p>Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem +aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide +gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was +dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor +hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over +is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even +moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel +een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is. +“Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen +zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal +meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze +harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten +drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen +te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts +een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen.”</p> + +<p>De geheele brief—een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het +vertrouwelijke “tu” (jij) gebruikt—een brief vol zachte verwijten, vol +konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer +worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor +Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden +die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit +dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar +ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen +tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander +werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel +een deel van zichzelven.</p> + +<p>Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen +zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een +verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche +voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, +zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk +zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te +behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer +vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn +verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben +gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn? +Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was +voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die +verlichting ten minste nooit ontbeerd.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In Monquin voltooide Rousseau de “Bekentenissen,” waaraan hij nu vijf +jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen +naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti. +Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke +drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij +weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden +blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in +’62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen; +Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk +plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen +politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met +rust.</p> + +<p>Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue +Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude +bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en +werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat<a href="#fn55">[55]</a> en zijn +bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen +rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St. +Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren, +beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:</p> + +<p>“In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques +Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue +Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde +verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: “kom +binnen, heeren, mijn man is thuis.” Wij gingen door een klein +voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes +opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een +calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht +op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met +ons pratend.</p> + +<p>“Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets +hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn +gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn +mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd +was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken +dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een +groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten +verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van +het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn +gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van +iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en +medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en +toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van ’t +vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel, +een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de +wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij +gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn +vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan ’t +plafond bevestigd, zong een kanarie; op ’t kozijn van ’t venster, dat +aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor ’t +raam van ’t andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur +ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid, +vrede en eenvoud, die ’t hart goed deed.”</p> + +<p>Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan +die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de +oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de “Bekentenissen” heeft +herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste +werk, de “Dialogen,” wenschte hij zich zelven geluk met het feit, “van +in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij +geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen +te zijn.”</p> + +<p>Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren +besteedde hij aan ’t kopieëren van muziek en ’t drogen, schikken en +opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste +zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan +dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde +in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij +betitelde die verzameling “Vertroostingen in de ellende van mijn +bestaan.” In den middag bezocht hij ’t een of andere koffiehuis, om de +nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen +in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een +hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag +twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd +was ’t gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu +een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn. +Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij, +maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder +de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog +altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn +mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een +kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als +zijn ergdenkendheid door ’t een of ander was opgewekt, stiet hij, in +buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn +vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem +verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van +zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de +vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen +rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten +dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn +medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns +gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden +of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen +gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van +ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de +levenden. Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een +melaatsche, of weken schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend +gemaakt bij alle bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, +spionnen, barbiers, bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; +verlangde hij een boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad +niet te vinden; de schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de +veerlieden wilden hem niet overzetten. Steeds meer kategorieën van +personen hadden de machtige samenzweerders, die sedert de dagen van de +Hermitage tegen hem komplotteerden, met minister Choiseul aan ’t hoofd, +in hun duivelschen bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, +de geneesheeren, de vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten +bekleedden en invloed hadden op de publieke opinie. Alleen ’s nachts, +als zijn vijanden sliepen, verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon +hij vrijuit spreken zonder beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde +hij zich, zoo beschrijft hij zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek +van zijn waan en zijn geestelijke omnachting, maar ook van zijn +zachtmoedigheid en waarachtigheid, de “Dialogen.”</p> + +<p>Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner +vijanden te verbreken. Uit de “Bekentenissen” meende hij, straalde de +onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood +verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets +meer uit te geven; maar niets belette hem om ’t verhaal van zijn leven +en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen; +zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn +vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot +te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing +van de “Bekentenissen” voor een besloten kring van aristokraten en +letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in +omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld +zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een +juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de +uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een +grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was: +de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van ’t bewustzijn +snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In +hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen, +die de aandacht trokken. Mme d’Epinay riep de hulp der politie in om +verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder +de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk. +Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand +doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij +voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op +andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde +hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele. +Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk +de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat +beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts +enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als +verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte +geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het +komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de +verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en +Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de +hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de +tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der “Dialogen” +uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande +zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de +“Bekentenissen.” Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit +gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen +onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den +mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden +die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en +verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche +sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de +gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan +zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en +meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn +oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van +list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered. +Maar hoe zulk een mensch te vinden?</p> + +<p>Toen de “Dialogen” voltooid waren—hij werkte er verscheiden jaren aan, +want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en +vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans +maar een kwartiertje daags aan schreef—besloot hij het werk toe te +vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen, +verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn +handschrift en ging de straat op, om het op ’t groote altaar van de +Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders, +dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel +hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem +verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten, +tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.</p> + +<p>Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden, +die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven +was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters: +“Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft.” +Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle +voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen +las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen, +zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.</p> + +<p>Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden, +die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en +voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner +nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige +invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar ’t +jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, ’t denkende, voelende, +willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en +ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd, +maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.</p> + +<p>Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht +op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe +beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij +bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge +zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd +en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die +hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij +bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij +spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een +vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het “Contrat Social,” +dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven +glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers, +niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij +versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel +na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden +en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge +mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als +menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der +maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.</p> + +<p>Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de +kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij +stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel, +schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in +zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch +te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te +heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon: +als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in +Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was +hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd +voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te +maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor +hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het “Contrat Social” hem +geleerd.—En alle deze spraken den naam “Jean Jacques” uit met dankbare +liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, de +zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige +klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had +hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord +gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried, +deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.</p> + +<p>Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster, +vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te +geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden, +smart te lijden, te sterven—daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht +dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair +bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.—Welk een geluk, welk een +heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft +hij immers, dit is zijn levensdoel.</p> + +<p>Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag +enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij +dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het +nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam +op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke +vooroordeelen.</p> + +<p>O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid +nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken +als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die +droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is +helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke +krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke +demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote +Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten +niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne +arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze +droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere +wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote +voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten +in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn +van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke +lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.</p> + +<p>Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen +dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en +zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien, +had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is +hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden +harten, en hij niets zag als vertwijfeling.</p> + +<p>En toch—was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen +verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld +tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der +verdrukkers van alle soort, zij die leefden van den arbeid der +ellendigen? Moesten zij niet tegen hem zijn om zijn droom van +gelijkheid, van de ideale gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, +niemand rijk zijn en niemand arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden +zij niet weldra als één man opstaan en zich samen-scharen met de +heerschers van andere landen tegen de poging zulk eene gemeenschap te +grondvesten? Zou hun vijandschap tegen wie haar wilden maken niet +onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun verzet verbitterd; zouden zij +één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte zijn waan va nvervolging èn +grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien woesten, langen, boosaardigen +haat samen van de heerschers tegen den verdrukte die opstaat, van de +uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, van de meesters tegen der +knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij nog hield, het +vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen zou na zijn +dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was het niet een +verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke +samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn +gedachtenis, in hem roemen als in een Groote?</p> + +<p>Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is. +Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan +was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij +door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels. +Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid, +maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der +menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede +gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig +jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam, +de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen +te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart +toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en +lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.</p> + +<p>Zijn laatste boekje, de “Mijmeringen,” is doorzichtig van schoonen +weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en +zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de +lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de +troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid +gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der +wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende, +schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in +den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog +verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het +leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde +tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den +dageraad.</p> + +<p>Over de “Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar” ligt het teer-gouden +waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een +tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn +afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die +zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten +weemoed van het leven scheiden kan!</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te +slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het +huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort +smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou +opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten +bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen +op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner +beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe +woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had +tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.</p> + +<p>Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf +Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te +zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige +wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was +begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar +opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen +gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem +van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een +toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in +Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug, +dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers +die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de +stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener +onbeschrijfelijke vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.</p> + +<p>Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel. +Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond +liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich +bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot ’t gerucht dat +hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die +zonder te spreken; om elf uur ’s morgens stierf hij. De Girardin deed +hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk +hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat +daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag +hij daar.</p> + +<p>Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn +overblijfselen overbrengen naar ’t Pantheon, om te rusten naast die van +zijn grooten tegenstander Voltaire.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den +boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden, +de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele +geslachten, de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en +geestelijk voedsel dat zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden +verricht, hun physieke en moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap +waartoe zij hadden behoord, hun verhouding tot andere leden dier +gemeenschap, deze en nog tallooze andere invloeden hielpen hem maken, +hielpen den aanleg van het kleine menschwezen bepalen, opduikend, in de +stad aan het donkerblauwe meer, uit de diepten der oneindigheid.</p> + +<p>De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de +maatschappelijke omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, +maakten diepe onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn +oorspronkelijken aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op +’t materiaal der aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording +van den teederen, overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, +vrijheidsminnenden, tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld +introk, om zich te laten bevruchten door het leven.</p> + +<p>En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van +grooten, hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en +wijzen, harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, +zwerverslust en bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van +vrouwen, de speelsche liefde en de opziende die niet droomen durft van +bezit, pracht van bergen en dalen, bekoring van meren, +heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de landouwen in den zomermorgen en +de zachtvallende groene glooiingen van Savoye, ontroeringen van muziek, +stemmen van wijsgeeren en dichters, stijgend uit de diepte der tijden of +zwevend door den dampkring van zijn eigen tijd—al wat hij ervoer, +dacht, deed en droomde, hielp hem tot den man maken dien hij werd in die +poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd-gespletene en toch naar één doel +stroomende jaren der jongelingschap.</p> + +<p>De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de +maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle +omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en +konventie somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;—èn de +maatschappij-kracht: de begeerten, de aspiraties, de energieën en de +gedachten die de maatschappij-beweging omhoog stuwt, de wil tot +vernieuwing der levenswaarden die zij in de harten wekt wanneer de tijd +rijp is voor de vernieuwing der levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en +gezinsverhoudingen) die beide groote krachten voedden de krachten van +zijn wezen, doordrongen ze, smolten met ze samen, met zijn weeke +zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, zijn innig gevoel en zijn +scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die zijn eigen was van +innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te tooveren tot +schoonen droom.</p> + +<p>Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over +hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het +verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een +nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis. +Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een +onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen +wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende +spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet +waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef, +hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen +andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de +maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de +maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter +volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van +zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij +wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was, +dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die +geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,—maar hij hoorde de +roepstem en volgde haar.</p> + +<p>Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen +zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn +hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn +liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve +neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij +overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van +onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens +wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel +en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn +liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls +zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk +betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de +gloed van geestdrift voor zijn idealen,—met een anderen naam: de +liefde tot de menschheid,—èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid +van den kunstenaar.</p> + +<p>Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de +wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij +verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn +afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van +zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem +als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den +hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen, +broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om +zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af om +vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls +ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit +zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang, +niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog de +waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde +prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken +waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen +zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in +wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte—maar wel was het zijn +verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp +nauwkeurig en volledig als hij kon.</p> + +<p>Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde: +het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende +beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in +hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen +zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en +schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij +vervallen in schaamteloos cynisme.</p> + +<p>Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een +ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.</p> + +<p>Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de +hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle +enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.</p> + +<p>De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar +hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was +nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling +tegen het oude regiem voerden—de intellektueelen, de groote, de +midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,—hadden een +gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap, +den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij +voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het +ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op +het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen +der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren, +vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid +van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland—dat hùn +vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren. +Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat, +ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit +Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en +heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had +hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den +stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden +zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair +schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid +uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.</p> + +<p>De tegenstellingen in den schoot van den “Tiers Etat,” d.w.z. van de +burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in +den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende +klassen, onder den naam van “derden stand” saamgevat, al strijdend +bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige +belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die +tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door +afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke, +en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende +richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit +’t een en ’t ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der +speciale belangen van een bepaalde groep uit den “derden stand,” niet de +verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en +verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was, +bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan +tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling +tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.</p> + +<p>En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende +en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in de +jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen +hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de +Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe, +zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen +en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den +koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de +republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon +vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen. +Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag +idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld +met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden +zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere +demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering als +een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, de +rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote +bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden, +maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen, +een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben +uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de +stoutmoedige revolutionnairen van ’93, die tegen zijn uitdrukkelijke +voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan +vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot +regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in, +naar sterke centralisatie streefden,—en die toch terecht beseften meer +dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en +vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden +dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden +die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen, +gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden van +binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken +maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn +vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende +verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke +rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in +normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt +en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even +verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken +dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige +behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het +onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan +van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze +bijkomstigheden schenen—al had hij dit anders gevoeld—was ook de +hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch. +Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en +toen zij de “Rechten van den Mensch,”—gelijk zij die meenden uit het +wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en +onveranderlijk,—afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw +der constitutie van ’93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de +uitdrukking haast letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten +meester, dat hun staatkundig evangelie was.</p> + +<p>In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot ’t hoogst was +gestegen, dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in +den staat uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk +regeerden, den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, +op sociaal en op godsdienstig gebied.</p> + +<p>Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der +revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de +uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de +staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het +best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een +groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de +regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te +keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij—ofschoon zich kantend tegen +iederen maatregel in communistische richting—de plicht van den staat om +de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het +recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en +dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de +vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den +Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het +opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van +den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof +aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale +Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd, +dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan +slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn +goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.</p> + +<p>Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken, +een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de +basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische +produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische +afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der +onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren +ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der +revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, +avonturiers en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den +heldenmoed, het lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de +reusachtige inspanning van het geheele volk—toen taande ook de invloed +van den grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd +had bezield. In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar +alleen in schijn. Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na +de Gironde en de Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu +op hem de zatte bourgeois van het Directoire; zij haalden met +welgevallen zijn liefde aan voor orde en rust, om de hunne te +rechtvaardigen; zij trachtten den uitdoovenden geestdrift van het volk +op te wekken door het organiseeren van openbare feesten, zooals hij er +toe had aangespoord, maar waarin de gloed van vaderlandsliefde en de +geest van broederlijkheid die ze moest bezielen, geheel ontbraken. Zij +droegen zijn naam op de lippen, zij droegen niets van zijn wil meer in +het hart.</p> + +<p>Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens +gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In +zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke +vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den +grondslag van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan +op den bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus +Baboeuf heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich +op Rousseau evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau +nooit het communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de +gelijkheid en vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en +onderdrukking boven alles gehaat, en nu gebleken was in de school der +revolutie, dat het privaatbezit de wortel was van uitbuiting en +dienstbaarheid, van lediggang en ellende, waren nu wie dat bezit wilden +opheffen niet de echte zonen van zijn geest? Zijn drang tot de waarheid, +zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische gezindheid hadden hem +gevoerd tot aan de uiterste grenzen der individualistisch-kleinburgerlijke +sociale idealen. Verder was hij niet gekomen, maar wie ook slechts één +stap verder ging, moest de zon van het socialisme zien opgaan. Dien stap +deed Baboeuf.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau +leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van +zijn pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de +verinniging en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en +bereikt had, zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, +natuurlijken, mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in +Frankrijk gedurende de revolutie het pseudo-klassicisme, het +koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, over-regelmatige, +oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, zonder innigheid +en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en bestreden had. Het +overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen van het uiterlijke +leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden maakten de kunst zoo.</p> + +<p>Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk “Over +Literatuur,” dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast +Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met +de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en +denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste +manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest +algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle +woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote +wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was +voorgegaan.</p> + +<p>Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in +Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele +richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken, +een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het +politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig +natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de +burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische +zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige +gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling +bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en +specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het +heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige +vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar +de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde +enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den +schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij +zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze +heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in +de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de +romantiek.</p> + +<p>Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der +conventioneele banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had +uitgeraasd, en het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit +uitbeelden van den geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden +ook van het slechte, zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, +gruwelijke en monsterlijke naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger +waren en stiller, zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral +toe op het scherp bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en +innerlijke ervaring, zij waren de diepe ploegers die de kunst +verinnerlijkten, nadat die eersten hare grenzen vele mijlpalen verder +hadden uitgezet. Zij beluisterden de verste en zwakste tonen en +ondertonen, opstijgend uit de diepten van dien kosmos: den +lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren de naturalisten en de +impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. En ook van hunne +kunst lag de kiem in Rousseau.</p> + +<p>Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was +anders dan alle anderen—en dit moest immers zoo zijn, want het groote +wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke +uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van +het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was +hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd +behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door +de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en +politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij +behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en +elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers, +tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken +gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en +geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer +van doode regelmaat en konventioneele schema’s, de hartstochtelijke +liefde tot het leven, tot àl zijne verschijnselen. En al deze trekken, +die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller +geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke +literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de +psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der “Nouvelle +Héloïse,” der “Confessions” en der “Rêveries.”</p> + +<p>Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche +schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest +wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der +anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid +van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke +gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog +te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar +doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder +fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester +Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in +tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de +sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed +gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het +communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat +Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen +lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen +te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te +scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne +gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de +eigenheid van zijn wezen.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele +levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen +van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind +en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten +overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige +idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel +dat zijn.</p> + +<p>De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie +maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door +reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de +inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den +dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij +bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de +grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke +ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen +bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd +zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig +denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel +belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en +gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische +dogma’s. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende +proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten. +Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van +Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de +wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en +daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de <i>algemeene</i> +toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van +doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis, +blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben +veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.</p> + +<p>Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis. +Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd +en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke +produktiewijze en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor +onderdrukking en uitbuiting, liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo +groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo allesbeheerschend in hem was op ’t +hoogtepunt van zijn leven, dat hij de vrije wilden, machteloos tegenover +de natuur, verkoos boven de heeren en knechten der beschaving,—daarom +bereikte hij de verste grenzen van het burgerlijk willen en is de +arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. Want die demokratie, +zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten voor alle +menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan in de +socialistische maatschappij.</p> + +<p>Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de +individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de +bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het +kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner +krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te +vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de +liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken +weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die +verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met +de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen +aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het +zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van +ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van +menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar +de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en +koloniale oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van +ekonomisch-achterlijke volken. Het zal een oogst van broederschap en +vrede doen opgaan over de aarde.</p> + +<p>Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar +maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen +voorstelling had.</p> + +<p>Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude +afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden +zullen zijn;—wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige +menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in +vrijheid;—wanneer de onrust en de onvreê en de wanorde van onze dagen +den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan +zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere +verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier +menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat de +diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen +hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en +Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen +vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen, +opgaan van den enkeling in het geheel.</p> + +<p>Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der +Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.</p> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2>NOTEN:</h2> + +<p><a name="fn1">[1]</a> Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV, +boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot +XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het +felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn +ideologische “verkeerdheid” komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. in +de volgende opmerking: “Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal geen +godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel +drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan +de zijde der ketterij.” De opvatting van Michelet dat de ideeën de +drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale +oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de +ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.</p> + +<p><a name="fn2">[2]</a> Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn +wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de +Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel +lager geweest zijn.</p> + +<p><a name="fn3">[3]</a> Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere +geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.</p> + +<p><a name="fn4">[4]</a> Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.</p> + +<p><a name="fn5">[5]</a> Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l’Industrie en +France.</p> + +<p><a name="fn6">[6]</a> Mémoires et Journal du Marquis d’Argenson, Deel VIII.</p> + +<p><a name="fn7">[7]</a> Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39—40.</p> + +<p><a name="fn8">[8]</a> De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst +van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats, +terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is +opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden +uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische +vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te +herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.</p> + +<p><a name="fn9">[9]</a> Levasseur, bl. 536.</p> + +<p><a name="fn10">[10]</a> Martin, Histoire de France, Deel XVI.</p> + +<p><a name="fn11">[11]</a> Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den +Franschen handel een geweldigen knak toebracht.</p> + +<p><a name="fn12">[12]</a> Levasseur, bl. 549.</p> + +<p><a name="fn13">[13]</a> F. Rocquain, L’Esprit révolutionaire avant la Révolution.</p> + +<p><a name="fn14">[14]</a> Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.</p> + +<p><a name="fn15">[15]</a> Windelband, bl. 359.</p> + +<p><a name="fn16">[16]</a> Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk +der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband’s Geschichte +der neueren Philosophie.</p> + +<p><a name="fn17">[17]</a> Eenige krasse staaltjes van Voltaire’s anti-demokratische +gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald +bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.</p> + +<p><a name="fn18">[18]</a> Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.</p> + +<p><a name="fn19">[19]</a> Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts “het geheim van1 +allen” uit.</p> + +<p><a name="fn20">[20]</a> Bij dit oproer hoorde men voor ’t eerst de kreten “A Versailles; +brûlons Versailles”—de haat van het volk tegen den wellusteling en +graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die +tegen Lodewijk de XVIde.</p> + +<p><a name="fn21">[21]</a> F. Rocquain, de l’Esprit révolutionaire, bl. 298.</p> + +<p><a name="fn22">[22]</a> De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk +noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige +vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige +vrouw te beschouwen.</p> + +<p><a name="fn23">[23]</a> E. et J. de Concourt, “La femme au XVIIIième siècle,” blz. 296.</p> + +<p><a name="fn24">[24]</a> O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau +heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse +uitgelaten.</p> + +<p><a name="fn25">[25]</a> Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley, +wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid +der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.</p> + +<p><a name="fn26">[26]</a> Aan ’t hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest. +Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire +kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had +burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar “eenvoud” en +“natuur;” de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de +overladen weelderigheid van het rococo.</p> + +<p><a name="fn27">[27]</a> Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl. +de vraag in hoeverre Diderot’s raad Rousseau bij de samenstelling van +zijn eerste “Discours” heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk +te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau’s verhaal van zijn innerlijk +gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate +psychologisch-waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van +bemoediging en bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten +betroffen hebben.</p> + +<p><a name="fn28">[28]</a> “De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo +Colletet in de vorige eeuw “van keuken tot keuken zijn brood zocht” +(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van +den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de +18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld +worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan +eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van +ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de +schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar +habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken” (Michelet, +Histoire de France, XVI, 84).</p> + +<p><a name="fn29">[29]</a> In de “Confessions” bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor +het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven +was die hem de audiëntie deed weigeren.</p> + +<p><a name="fn30">[30]</a> Haar meest bekende werk zijn de “Mémoires de Madame d’Epinay,” die +langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van +Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald +(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan ’t licht gebracht, dat +deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een +lange letterkundige machinatie tusschen Mme d’Epinay, Grimm en Diderot, +dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven +van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie “Vie de +Rousseau,” blz. 188-189).</p> + +<p><a name="fn31">[31]</a> Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de +liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den +“Tristan” maakte.</p> + +<p><a name="fn32">[32]</a> Mme d’Epinay beschuldigt Thérèse van ’t schrijven van een anonymen +brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer +onwaarschijnlijk is. ’t Ligt voor de hand, dat, waar Mme d’Houdetot en +Rousseau bijna voortdurend samen waren, samen wandelden in den +maneschijn, enz. en de gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring +als St. Lambert behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten +en praatjes St. Lambert <i>moesten</i> bereiken.</p> + +<p><a name="fn33">[33]</a> Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen: +hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had +gebracht.</p> + +<p><a name="fn34">[34]</a> Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire +Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige +verbeeldings-lijst; en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel +beeldend is.</p> + +<p><a name="fn35">[35]</a> De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan +zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den +“franschen geest” te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare. +Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot, +zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van +diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote +overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en +der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale +faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de +traditie.</p> + +<p><a name="fn36">[36]</a> Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.</p> + +<p><a name="fn37">[37]</a> Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de +vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.</p> + +<p><a name="fn38">[38]</a> In den “Emile” schreef hij: “Wij naderen tot den staat van krisis +en de eeuw der omwentelingen.”</p> + +<p><a name="fn39">[39]</a> Zie K. Marx, “Das Kapital” Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der +Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire +uiteenzetting: H. Gorter “Het Historisch Materialisme.”</p> + +<p><a name="fn40">[40]</a> Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool, +die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de +<i>passiviteit</i> van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke +en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in +het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen. +Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht +in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk +dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot +revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.</p> + +<p><a name="fn41">[41]</a> Gorter.</p> + +<p><a name="fn42">[42]</a> Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de +plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.</p> + +<p><a name="fn43">[43]</a> Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een +poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.</p> + +<p><a name="fn44">[44]</a> Deze uitlating luidt: “Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel +ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die +terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de +grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn +mede-menschen toewierp: “Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo +ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem +zelf aan niemand behoort”</p> + +<p><a name="fn45">[45]</a> “La Réunion des Amours,” van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de +Goncourt, “La femme au 18ième siècle.”</p> + +<p><a name="fn46">[46]</a> “La femme au 18ième Siècle,” blz. 173.</p> + +<p><a name="fn47">[47]</a> Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.</p> + +<p><a name="fn48">[48]</a> “Contes Moraux de Marmontel;” aangehaald in “La femme au 18iéme +Siècle,” blz. 239.</p> + +<p><a name="fn49">[49]</a> Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers +te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het +regeerstelsel van Polen.</p> + +<p><a name="fn50">[50]</a> Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de +inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.</p> + +<p><a name="fn51">[51]</a> Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de +groot-kapitalistische maatschappij.</p> + +<p><a name="fn52">[52]</a> “Mijnheer,” luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand +die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, “ik heb gezegd, wat ik +wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer +weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is +beter dat ik zwijg.”</p> + +<p><a name="fn53">[53]</a> Ook Faguet neemt dit aan.</p> + +<p><a name="fn54">[54]</a> Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse +een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame +kasteelen—eerst in Engeland, later in Frankrijk—met een zenuwzieken +man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet +opgewassen voelde—alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te +komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen +en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.</p> + +<p><a name="fn55">[55]</a> Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen; +sommige biographen spreken van 1800 francs.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 12009 ***</div> +</body> +</html> + diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..d123db3 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #12009 (https://www.gutenberg.org/ebooks/12009) diff --git a/old/12009-0.txt b/old/12009-0.txt new file mode 100644 index 0000000..422805e --- /dev/null +++ b/old/12009-0.txt @@ -0,0 +1,9832 @@ +The Project Gutenberg eBook of Jacques Rousseau, by Henriëtte Roland Holst + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Jean Jacques Rousseau + Een beeld van zijn leven en werken + +Author: Henriëtte Roland Holst + +Release Date: April 9, 2004 [eBook #12009] +[Most recently updated: March 28, 2023] + +Language: Dutch + +Produced by: Marc D’Hooghe + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU *** + + + + +JEAN JACQUES ROUSSEAU + + +EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN + +MET EENIGE PORTRETTEN + +van + +HENRIËTTE ROLAND HOLST + + + +[Illustratie: JEAN JACQUES ROUSSEAU.] + + +INHOUD + +EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd. + + I. Genève aan den aanvang der XVIIIde eeuw + II. Kindsheid +III. De zwerver + IV. Groei + +TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs. + + I. Midden der XVIIIde eeuw + II. Het moeizame leven +III. De eerste fanfaren + +DERDE HOOFDSTUK: De groote foren. + + I. Naar de vereenzaming + II. De Katastrophe +III. De werken der groote jaren + +VIERDE HOOFDSTUK: De laatste worsteling + +VIJFDE HOOFDSTUK: Waan en Vrede + + + + +Lijst van illustraties + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK + +JEUGD. + + +I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW + +In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme +geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst +en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het +maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen +bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had +gestuwd. + +Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen +bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève, +terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar +heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de +XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van +verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken. +Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen +weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en +sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel +overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie +bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der +manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden; +--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij +tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook +het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe +kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden +verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen, +de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen, +puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en +behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in +Holland als in Engeland, met ééne in het spel der krachten te zijn die +het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere +klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers, +visschers en boeren. + +Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten +handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit, +en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon +het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot +onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie. +De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt +van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en +levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens +was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn. +Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren, +en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare +gelijkvormige massa. + +Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van +bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het +eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was +de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den +handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten +der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en +beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun +beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen. + +De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer. +Zij verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm +tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen +die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte, +ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele +beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest +bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen +zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar +gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en +de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen. + +De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het +begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar +kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk, +die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven +zouden zijn weggespoeld. + +Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad +voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een +onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger +van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke +feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine +steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen +van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed +en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke +vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn, +werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield. + +Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de +meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van +kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke +theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de +kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten +voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen, +evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot +één gevoel waren samengegroeid. + +Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de +kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij +in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der +demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw +verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke +organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch. +Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was +in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de +Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de +bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds +uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld +was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de +"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden +in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van +belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en +bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen," +en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de +"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het +vertegenwoordigend stelsel onnoodig. + +In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der +gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de +oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie +die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig +uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer +bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het +"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere +groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd +deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad +vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den +kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in +Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan +het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd. + +De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de +bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook +dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide +raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het +burgemeesters-ambt leek haast erfelijk. + +Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de +rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook +der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste +gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt, +overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit +Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans, +met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot +plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de +kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts +zelden voor. + +Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het +gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij +het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte +zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen, +door de regeerders streng onderdrukt. + +Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie, +grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen +was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De +kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet +geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk +gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en +vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden +zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen +tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met +kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een +danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte +in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht, +--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd +onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of +zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote +machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad +bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige +toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen. +Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken +mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone +teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de +zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig +avondmaal. + +Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het +leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door +den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk +katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van +voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle +spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en +trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen +door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename +karaktertrekken van het puritanisme. + +Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een +stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen, +oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt, +dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen +verstijven doet. + +Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse +zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden, +haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en +de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van +gemelijke norschheid. + +De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening +van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van +den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de +burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan +de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het +gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die +voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit +wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het +kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner +kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun +nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de +godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den +hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren +aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God +te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het +lot hen voerde. + +Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één +vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden. +Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere +handen in verhouding tot het afzetgebied der stad. + +Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van +Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over +Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche +vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder +ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen +allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en +verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er +een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des +levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische +regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten +en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele +handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij +door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren: +de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen. +Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie. +Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken +vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den +oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten +woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen, +waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge +wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende +weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt +niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk +bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden +daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers +trokken. + +Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de +hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken +of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het +protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van +aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden +ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken +hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de +gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht +in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid +verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen +de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd +het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze +mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die +voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen +en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk +de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de +aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit. + + * * * * * + +Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen +beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en +de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze +neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale +zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden +neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij +elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed. +Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke +demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn +eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk, +toch hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking +samenbracht--had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van +vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou +men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de +burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en +vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare +mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke +oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en +wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten, +uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk +stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel +militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden +de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De +handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in +zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid, +van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts, +mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren, +eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden. +Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der +naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En +droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen +toga was. + +Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone +oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de +mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het +licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen +bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten +stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun +huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de +pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men +zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een +dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van +zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het +dagelijksch doen. + +Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog +zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met +beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de +burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en +eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde +landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar +nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien." + +Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de +ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl +bewaarde, was Jean Jacques Rousseau. + + +II. KINDSHEID. + +Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot +ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet +gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door +hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die +te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten +Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot +_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn +stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging +weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen +niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken +staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en +ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman. +Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke +opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een +dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn +voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen +wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon +vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was +nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle +kunsten had onderdrukt. + +Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig +terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de +autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder +gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en +toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een +burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard +heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde, +bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader +was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden +liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde, +en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam +bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig +en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en +zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende- +eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig, +daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht +van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad +gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het +jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had +bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal, +dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het +ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden gebracht. +Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en +onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte +gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd. + +Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun +prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun +herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij +weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste +kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van +den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk +erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem, +gelijk zoovelen, de zwerflust. + +Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had +hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht," +gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter +wereld. + +Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit +vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon," +heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij +gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving +en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend." + +Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar +zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang +heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete +geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid +mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude +wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het +gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend. +Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet +deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te +zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar +toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond +er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze +omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip +hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in +dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen, +die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de +atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die +doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze +voelde: het geheugen van 't gemoed. + +Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij +de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de +oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel. +Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met +hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote +teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei: +"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we +schreien, vader." + +Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van +overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac. +Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te +herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die +Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd +gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld, +vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw +kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van +romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan +jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud. + +Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich +veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten +levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde +uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes +en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar +Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel +met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen +dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid. + +Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een +ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem +het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't +haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid +zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de +vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen +ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch +gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De +gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk, +want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der +middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn +wezen en werd een deel daarvan, voor goed. + +Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon +vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw +voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet, +Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid +open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van +rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was +een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te +redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond +van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn +oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden +langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid, +groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de +oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig +blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij +wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem. +Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van +zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde, +die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor +de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen, +gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren, +en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat +tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden +versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en +de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers +van Sparta en Rome en met hun roem. + +En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en +kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn, +toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de +gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden. +En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen +opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten +zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne +tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij +burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud +en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een +grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde +en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden +zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte: +hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen +schooner toe. + + * * * * * + +Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een +hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier, +die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac, +prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden +ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn +zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete, +drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac +achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich +voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het +stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn +kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor +hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean +Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch +gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den +achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad +uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde +ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten, +in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in +zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart +tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn. + +Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en +kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde +als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het +zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje +Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk, +kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar. + +Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok +waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje +hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van +onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet +misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid +van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't +kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld +als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen +in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten +herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als +een ongebruikte veer. + +Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn +door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen. +Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet +voorbij. + +Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de +grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer +als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende +liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad +hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen. +Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de +onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf +wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de +eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn +verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks +pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete +verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel. + +De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote +proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en +brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet +ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was +hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in +herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang +nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog, +als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der +herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg, +het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd. + +Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige +depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de +bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte +uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit +óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van +af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van +triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten +balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen +zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij +zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene +oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke +ongelijkheid. + +De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte +gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar +Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden: +horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de +nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten. +Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen +liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond +hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem +een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn, +dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn +met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en +traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare, +warme verwarring van het onderbewuste. + +Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man +nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het +ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was +dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon. + +Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch +zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar, +zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en +meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en +moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij +zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden +en omgeving van hem maakten, dat was hij. + +Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in +hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. +Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, +gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de +ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van +overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren +onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun +liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, +hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als +een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden +van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, +verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in +verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later +dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten +tijd was vervallen. + +Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in +de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage, +waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk. + +Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer. +Alles om hem werd kil en grauw. + +Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor +goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean +Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan +en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en +voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding. + +In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk +gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En +omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van +anderen. + +Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met +razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van +zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken +te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien +waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster +hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de +liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte +hij uit schaamte. + +Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om +het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar +in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den +handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij, +voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der +zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste +innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer, +leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld +kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat. + +Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman +geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper +eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam +om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te +leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn +vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem +vertrouwden levensstaat. + +Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang +duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht +op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde +de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat +afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten +gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft +en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet +terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de +brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich +in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te +keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen +Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar +zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden. + +Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de +wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen +ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze +eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in +den strijd om het bestaan. + +Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid. + + +III. DE ZWERVER. + +Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan. +Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de +kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen, +die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand +slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de +minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen +zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich +kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete +bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging, +rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde +zich baden in vrijheid. + +Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn. +Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den +oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te +zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen." +Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van +dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht +ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en +de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't +grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in 't land der +hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd +de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen, +telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de +veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met +andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen +hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij lagen op +de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele +bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan +zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist. + +De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling +na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het +bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap +met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het +hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te +winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame, +die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde. +Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters: +haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten +uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de +hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het +katholicisme. + +Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij +achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de +kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude +kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen, +lieftallig schoon en jong. + +Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert +zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar +bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was. +Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en +weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur +bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar +teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk +als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet +alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van +lieftalligheid. + +Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd +geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart. +Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als +twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden. + +Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar +later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven +beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen +voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in +pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare +gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen +zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hàre zachtheid ... dat was +het geluk. + +Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en +later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning +die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al +heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in +haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem +terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de +geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk +werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem +te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde +zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde +hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem +gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk. + +Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming. +Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn +hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en +toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en +kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij +in minne zijn moeder. + +Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid +beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar +geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en +zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke +jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht, +maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden +voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid, +haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat +een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens +over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke +plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de +Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in +groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over +het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp. +Spoedig volgde haar bekeering. + +Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau +bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden +haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles +proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en +daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van +aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van +Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te +exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat +al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien +zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen, +wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het +einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al +nijpender schulden en al dreigender gebrek. + +En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust, +de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig +die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien, +zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden +der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij +stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar +ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen. +Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij +verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest. + +Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn +leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring +en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot +fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid, +in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel +de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar +vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en +vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven +effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van +onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van +harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij +haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke +tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door háár gelukkigen +jongelingstijd. + +Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn, +om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van +zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn +kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid? +Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de +burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk +leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke +gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete +begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen +zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan +de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone +vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar +verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit, +aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe +schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend, +juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn. + +Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij +wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren +zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij +is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het +bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust +van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt +tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen +met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het +geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man +van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na +vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone +droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de +paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden. +Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem +gehouden kollekte, en zetten hem op straat. + +Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de +weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij +de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren, +zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie +hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de +schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot +een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles +af. + +Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt +zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet, +maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië +was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der +italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem, +muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang +ontwaakt. + +Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij +wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft +zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat +nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den +jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt, +geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een +keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en +die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem +het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de +"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn +aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit. + +Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op +een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat +zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten +valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een +geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris, +zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij +bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst, +zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden +raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der +wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn +gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding +herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de +groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke +faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken. + +Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun +diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling +gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los. + +Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen +avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan +toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bâcle mee, hij +moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch +maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn +nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't +vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't +schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen. + +Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt +hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen, +neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de +Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet +de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij +ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een +bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde, +maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd +weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer. + +Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later +getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij +gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting +verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond +was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde, +altijd meegaf, een donzige wolk. + +Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de +liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, +alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen +gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke +verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem +levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens, +verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de +vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven +schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het +moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij +toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde. + +In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan +wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als +passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte +overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens +was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders +heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de +hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft +hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des +levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar +duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met +liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is +teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van +hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en +toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld." + +Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet +doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een +vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde +van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien. + +Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de +tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende +kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap, +polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon +goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan +weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en +literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche +prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje +van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en +ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er +te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar +hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar +het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen, +de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en +te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn +weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van +Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een +donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit +Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje +een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed +geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God +verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel +behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een +verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die +gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend +geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de +donkere gewelven van zijn gemoed. + +En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die +hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de +schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname +stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn +middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een +provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de +bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn +kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de +hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den +bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de +gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan +Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder +de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste +rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op +den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap +was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië, +een bad van vrede en harmonie. + +Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet +langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen +geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van +altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls +gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van +liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer. + +Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op +te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de +verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en +de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer +zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de +ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in +'t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de +zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet +leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf +verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd +weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem +aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang +opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek +verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en +studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet +afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de +koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren. +Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare +musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten. +Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem +behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou +vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op +straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw +een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd +heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den +zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar +Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke +intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar +Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder +middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot +een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering +nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, +lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer +lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in +den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen +over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. +Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij +beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van +zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk +landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het +kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag +van morgen tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van +glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de +herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en +rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen +in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het +vriendinnen-paar Claire en Julie. + +Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit +door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de +kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar +Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich +uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een +muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig +bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met +een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den +muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor +orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen, +schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt, +dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij. +Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor +een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor +het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant +in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen +officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt +de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel +oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij, +zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een +dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt +de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de +lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest +te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye +is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar +en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is +ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven +gaat beginnen. + +Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu +twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en +iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den +toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde +levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de +scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; +soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn +vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren +vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de +volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij, +geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar +de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel +gebleven. + +Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der +blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een déclassé geworden." +Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij +stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn +afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het +bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de +dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en +eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar +gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens +van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter +tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen, +waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef +zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen +te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer +kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met +de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien +omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk +wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben. +Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote +prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke +gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen +er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor +wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de +mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig +leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en +lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had +verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens +duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit +de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet +burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling +vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof. + +Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker, +die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De +misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als +den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven +dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij +de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren +had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers, +voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem +meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de +volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden, +onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als +in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig, +menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der +groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog +meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het +volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door +ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte, +aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar, +zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat +knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was +hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't +allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder +van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des +konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet. +Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn +arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet +ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den +nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers +van het volk." + +Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer +van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke +verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die +ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn +bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der +massa's waren saamgegroeid tot één gevoel. + +Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke +ervaring en persoonlijke waardeering. + +Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem +ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed +fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige +wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn +handelen. + + +IV. GROEI + +Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij +een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver +werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de +bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit, +waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe +natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis. +Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn +levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één +kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der +dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets +of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn +eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij +te blokken op het "Traité de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en +duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een +zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der +harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een +schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle +kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in +zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten +kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten +was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit +ontmoedigde hem niet. + +Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke +administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in +krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met +verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar +neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie: +magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan +sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had +omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam +Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich +interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't +opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven +van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van +Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland," +van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't +denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën +van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een +nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles +wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die +liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het +uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond +hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het +openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht +naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging. + +Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een +koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de +aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig +voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige +oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde +voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet +verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij +haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij +niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was +vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en +Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding +zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar +met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In +volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën +vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde +de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn. +Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering. + +Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam +toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die +de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en +de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde +hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme +Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint, +sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de +ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken +wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in +'t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg +voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens +een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den +kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte +natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal +men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry. + +Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke +muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol +intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders +te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn +oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en +overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in +verzen uit het jaar '41, "l'Epitre à Parisot." + +Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, +'t scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar +groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn +krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder +aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het +aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de +hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in +een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest. + +Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem +goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille. +Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar +hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur +buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol +meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam, +heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar +dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't +eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis, +idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog +over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten +aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en +het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij +rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een +dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende +bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met +geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en +der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één +werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als +een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige +engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel. + +Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle +tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld. + +Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom, +worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid, +de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les +Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor +zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur +geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich +voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de +frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de +honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der +duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door +den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven, +kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een +pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel +gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig +willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar +buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij +lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond +weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar +waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen +steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen, +ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten, +daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den +boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de +duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de +ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de +sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en +nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over +alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde +niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem +de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder +en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij, +starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der +jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen. +En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere +jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les +Charmettes opsteeg, samen tot één droom. + +In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar +strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde +had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den +groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten +van zijn wezen waren er veel gerijpt. + +Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genève waar +hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen, +terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke, +rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried +verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk +geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de +ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en +voor alles--in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel +had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest +deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de +tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den +medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel; +de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet +deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn +jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn +opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een +verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te +leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet +elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar +van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een +hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte +aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een +Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde +hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in +zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet, +en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen +'t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier +gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust +en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor 't eerst in zijn leven +voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening. + +Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende +twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's +winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op +de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de +boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd +geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was +een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den +haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude +liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij +hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat +ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man +en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der +menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel +aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij +bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven, +probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te +bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist, +had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot +hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van +werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes, +Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke +werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis, +fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde; +reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij +een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen +te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een +toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de +wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering +uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om +aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het +studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal +boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu +niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel +beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast +door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme +de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen +helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar +de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v. +sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende +hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur +in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was +het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat +vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den +geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid." +Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de +zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn +gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig +te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft +gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot +godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad +dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden +wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht +vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de +Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield +daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige +leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche +leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had +eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die +godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering +des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale +verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig +respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in +één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig +leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een +persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het +best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er +verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen +in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te +vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in +het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk +gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid. + +De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok +niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe +na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit +ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te +gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee +kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn +denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner +leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies, +met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde. +Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen +te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld +genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook +moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte +aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd. +Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels; +hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele +maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie +der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw +notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem +voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking +der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, +het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de +"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen +en offers kunnen vergoeden. + +Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen +sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische +ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend +komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over +opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder +persoonlijk accent: dat is alles. + +Maar alle kiemen--op één na--van den man dien hij worden en van de +werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn +leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In +zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie, +de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner +jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de +verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk +individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren +van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem +overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn +met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te +leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in +Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar +in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het +vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed, +de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en +doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner +jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en +onsterfelijkheidsgeloof. + +Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en +stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was +getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets +vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend +van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK + +PARIJS. + + +I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK + OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW. + +In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de +absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en +de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling +tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het +ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en +zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het +tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door +geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in +hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen. +De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de +omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden. + +Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk +de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft +tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den +absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de +intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie. + +Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen +van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht +van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die +aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze +zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een +rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten +tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van +monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het +absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele +bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn. + +Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der +nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het +Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier +Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de +methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de +been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank, +een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op +den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die +de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van +overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn +eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende +methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat, +beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door +'t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa +voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs +dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de +poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele +uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een +millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk +bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben +dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot +gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon +sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te +halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden +morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden +zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste +maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale +beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten, +hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen. + +Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het +reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te +bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en +lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in +hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen +ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw +besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken +welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke +gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden +gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken +staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de +zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige +betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den +volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk +waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen, +waar elkeen van een droomt.[1] + +Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot +velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789 +doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën, +althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met +den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal +verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt +opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder +reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld +kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en +geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de +staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van +alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven. +Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de +bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot +stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen. + +Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en +hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en +uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang. +Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse- +verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude +vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der +eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering +van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis +ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk." + + * * * * * + +Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit, +dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties +meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie +het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze. +Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der +rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om +een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De +uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht, +omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig, +en ofschoon de uitgemergelde massa's àl zwaarder belast worden, het +deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot +alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid, +haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte +noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de +bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen +den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting +en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot +deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen +een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten. + +De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30 +millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van +pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de +provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per +jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde +van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn +politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster +aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn +maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij +grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het +platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale +tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden, +verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende +burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te +zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen +staat. + +Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote +maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de +geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat +de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft +gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de +zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is. +Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf +nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is +verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige +schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den +bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van +de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit +immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele +bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat +zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van +haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes +toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in +dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen. + +Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een +revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende +verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt, +stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't +hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en +rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van +den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der +regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal +geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat +deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld +zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een +wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot +besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het +verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. +over de zoogenaamde "Charité" (de administratie van het armwezen, de +hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs. + +Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het +burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de +kerk keerde, dat het woord "écrasez l'infame," tot het parool van zijne +propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het +oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur. +Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar +ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde +in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar +bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst +gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte +het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers +en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij +zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was +voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning. + + * * * * * + +Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land +en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de +buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de +adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit +de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en +pruikenmakers, hun maîtressen en koks bij duizenden medevoeren; uit +alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie +omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het +romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle +levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen, +hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele +gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst: +schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het +geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de +"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard +bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt +uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de +XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige +behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een +labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt. +Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de +weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij +die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich +nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale, +koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met +melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van +wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen. +De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest- +volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar +het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van +hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts één +inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in +wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering, +zonder verheffing. + +Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze +liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die +niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van +Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de +appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men +ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij, +en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke +trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen +den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man +gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud, +waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het +menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft +leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de +behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het +eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson). + +Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met +hunne maîtressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde +bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen, +bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk +van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de +schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde +intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde +zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der +schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de +ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in +ontaarding. + +Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele. + +"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van +Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren +--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept +Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit +het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het +koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers; +alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan +de zijde der oppositie. + +Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht +en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden, +te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van +de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de +hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te +voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de +dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de +stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de +zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en +rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel +leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en +meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de +mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld +aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het +grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht +en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest +getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van +de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest. + +Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en +onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte +van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine +burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende +handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd. +De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog +meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun +scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in één maand +tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6] + +En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk, +vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, +de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt +het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de +approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine +burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse. + +De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle +lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden +vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige +uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De +heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug +betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan +laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot +instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer, +die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze +overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt +zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het +finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het +uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden +zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die +wolven, bevindt zich de koning. + +Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in +elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan +een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven +langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt, +in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde +verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op; +"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de +ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk +drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote +wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of +breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyreneën, in de Provence, +in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van Rouaan enz. +enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht +de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de +provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje +blijft het dan weer stil. + +De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de +epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de +opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is +alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in +de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende +toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke +illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende, +sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die +deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van +die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in +genietingen, stikkend in geilheid. + + * * * * * + +Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen, +gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische +vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei +van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn. + +Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt +de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de +bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der +koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige +misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute +monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig +bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de +openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de +andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de +ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de +monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar +zit tevens vast aan het oude. + +In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de +pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen +van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke +geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun +zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door maîtressen en +paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd, +maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate: +het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid +van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en +terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken +van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van +bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte +haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van +de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige +is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe +koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7] + +De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn +vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het +verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën. +Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de +koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: +weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als +hùn levensleer. + +De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze +vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten +achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van +het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De +overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de +buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen +der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor +een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te +voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde +voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de +bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat +zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine, +de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in +Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur, +Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet +langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon +neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering +van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan +de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der +belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving +en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de +Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle +mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te +stellen,--getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist, +wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het +machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de +industrie.[10] + +Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der +handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel +verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20 +tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantiëele bourgeoisie +in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een +aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon, +de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden +worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van +revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den +zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de +onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de +desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie +van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie. +Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de +Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de +oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral +toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de +oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in +1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde +half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het +bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine +Antillen had geakkapareerd.[12] + +Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste +draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke, +staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een +diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al +liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele +regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds +over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het +ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd +van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de +opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel: +aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair +gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme, +dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen +dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst +wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de +regeering en van alle officiëele instellingen en denkbeelden hun +hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid +al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet +der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter. +Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13] + +De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren, +omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke +groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele +bourgeoisie en het burgerlijk intellekt. + +De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun +maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de +intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de +officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid +van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen +tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak +van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig +had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in +de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de +geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als +Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire +waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden +den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn. +Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den +strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de +machtsverheffing der bourgeoisie voor. + +Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de +oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische +ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de +misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na +het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een +voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den +eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in +het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot +'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol," +de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor +de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de +werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte +zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten +een einde maakte. Nog vóór de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721, +waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje +waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos- +felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend. + +Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en +philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische +concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het "algemeen +handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan +zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van +het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire +bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche +wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot +één philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing +opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust. +Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit +en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij +de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot +uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en +geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; +om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; +om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de +instelling van een konstitutioneele regeering;--met één woord, om de +praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_, +in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van +den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar +aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn +moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot." +Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der +bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie +der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is +aangestoken;--vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid +dorstende klasse. + +Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het +revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land +waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis +met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen +de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de +beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als +eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_ +ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische +denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de +wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en +volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten +streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten +uit de deïsten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen +openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire +volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der +mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen +deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo +worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats +van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16] + +Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en +haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken +--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de +engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de +positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling +--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken +strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse- +tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie +groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds +radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met +de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich +aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche +philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het +middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht +der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische +macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het +ondergaand regiem. + +De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en +evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname +stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is +Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van +dien tijd--de finantiëele--belichaamt hij als geen ander, als geen +ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge +grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit +geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de +konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing, +--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van +den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten +van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt +aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt +gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam, +altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt +hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig, +ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn +aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met +onfeilbare intuïtie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die +tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant +zich tegen alle materialistische en atheïstische denk-excessen zijner +dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk +_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te +worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen +leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale +figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend +volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der +tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt +hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande +tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in +een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17] +levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate +is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen +dwang, vóór de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der +menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de +willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met +animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een +ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het +oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit +ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in +beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij +gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie +niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang +te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, +blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als +van de finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur +d'affaires et grand remueur d'idées,"[18] gelijk Jaurès' gelukkige +omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de +dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen, +als het egoïsme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage +_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt. + +Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de +wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten +van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol +stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de +menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente +theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een +machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen +zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur, +de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar +Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle +aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het +egoïsme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theoriën +natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire +philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der +papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en +naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en +genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever +liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten +deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in +hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis +van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der +groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische +uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als +even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt +onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim +van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle +huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen, +evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de +eenige waardevormende kracht is. + + * * * * * + +De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het +derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den +klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de +parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de +oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750, +naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische +doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen +zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene +revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute +monarchie, begint eerst nà 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste +plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet +der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders +en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau. + +Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer +massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse- +aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote +bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in +andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking +gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem +stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden +geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of +burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe, +waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen +_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een +bewonderenswaardig heroïsme--met _tragisch_ heroïsme, want zij moesten +in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het +wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen +dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun +vleesch en bloed van hun bloed was. + +De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven, +hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele +verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou +opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij +gingen stem krijgen in Rousseau. + + + +II. HET MOEIZAME LEVEN. + +In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op +zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift +in cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom +verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, +en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele +kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en +chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd +hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe +methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te +lezen. + +Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De +"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan +te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek +wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en +beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de +inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was. +Hij voelde zich diep verongelijkt. + +Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over +hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een +vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij +verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken +ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de +moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever, +maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn +gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij, +soezende knaap, door Milaan gedwaald had. + +Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in +de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke +inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel +mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost +te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden +zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van +buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon; +af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij +gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al +zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen +voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij +hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle, +Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd +weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat +hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend. + +Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele +anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren +even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit +een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de +provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij +bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm, +gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij +gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen +uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn +dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen: +zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een +neiging tot paradoxen. + +Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve), +is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de +aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was +schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke +eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang +hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden +en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid +te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der +regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch +het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de +nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk +voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge +kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn +talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in +het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die +armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle +mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk. + +Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als +de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht +en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan +verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem +tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van +zijn gezin en van zijn maîtresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst +die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun +temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief, +droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig, +opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst +bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze +tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was +bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn +vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet +heerschzuchtig, verdroeg geen dwang. + +Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de +vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij, +komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar +dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin +de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek +verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven +eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie +bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem +van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder, +hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten. + +Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van +een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot +Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld. +Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel +mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving +Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij +de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos +fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon, +Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij +liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar +eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen +zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van +Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd +secretaris van den franschen gezant in Venetië. + +[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).] + + +Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was, +vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris, +een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was +een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke +aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau +vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij +in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van +scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij +misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te +Venetië geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken +een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen +en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken +zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn +vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een souvereine stad, bestuurd +dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Genève een oude +republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde, +terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patriciërs berustte. Zijn +werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn +geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed +der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië +een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing. + +Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man, +wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte +de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig +ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en +beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten +slotte kwam 't tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris +weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te +trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij +vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er +eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde +in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den +smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed +hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door +zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te +laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet +hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden. +Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den +gezant zelf. + +Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar +Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo +verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat +hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat; +nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee +en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn +streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in +alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte +was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde +vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de +zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van +levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder +strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede +drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij +eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid. + +Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het +puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar +zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij +zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van +Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft +vooral. + +Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar +Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger, +eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven +van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't +vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude +hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong +linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was +geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal +verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht. +Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door +de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at +aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het +schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en +onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor +haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat +menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste); +tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was +het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte +aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg; +hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde. + +Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar +ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije +liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22] + +Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die +vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den +levensbond met het plebeïsch natuurkind--Thérèse was in buitengewone +mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog +onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten, +in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud +der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften +volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik +tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar +overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van +hart. + +Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk. +Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen maîtressen--aristokratische dames of +vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dàt sprak +immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een +glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote +gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen +neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het +nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten +over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of +geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse! +Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en +alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar +mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en +niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. +Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de +soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij +niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een +ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten +verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig +opzicht meest essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk +een kiem van vervreemding. + +Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. +Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die +afschuwelijke Thérèse," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en +verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de +zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem +plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke +wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn +aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven +natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten +afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar +beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was +immers de bekoorlijke châtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar +minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke +"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij +dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de +"onbeschaafde wasch-vrouw" Thérèse le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders: +hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen +hoogmoed. + +Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar +zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de +meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid. +Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie +voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden +van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat +met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo +ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst +verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw +al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk +zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan +moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook +doen. Maar daaraan denkt niemand. + +Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat 't volgende; +staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar +vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn +brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige +werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn +lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef +hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende," +hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls +steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische +aangelegenheden bleek altijd goed. + +En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten. + +Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle, +waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels, +arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en +die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige +schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel +een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien, +tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het +kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste, +trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige +huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het +zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar +goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe +verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de +aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem +maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in +trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van +vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der +regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche +geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. +Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet? + +Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn +geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en +inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden. +Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn +geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken--zijn +denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben vóór begrijpen. +En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen, +hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen +genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn +gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn +persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende +dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding +gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het +dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten +schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen +bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware, +moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den +ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den +in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot +haar sprak. + +Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in +'t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven +lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden +achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie +behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man +liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in +Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van +zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en +Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme +d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme +d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot +aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige +burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij +loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard." + +En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd +en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar +dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld +compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart," +haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven: +Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde, +zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in +het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen +en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. +"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk +te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik +gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer +te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij +onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin." + +Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de +Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en +courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde +ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog +heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in +hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast +onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Thérèse. + +Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het +sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor +'t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht +voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort +verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen +verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord +verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't +dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk, +in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het +onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug, +en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en +vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet +ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd. + +Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch +proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn +kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en +aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk +eten, door haar bereid. + +Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieëren: +het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het +kasteel Ermenonville. Dáár stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld, +dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor +hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was véél. + +De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling +eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste +geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die +haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar +lang. + +Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen +minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme, +simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde +Thérèse le Vasseur. + + * * * * * + +Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde. + +Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon +Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend, +en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan. +Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen +naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig, +maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar +zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat +zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze +ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen +nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen +werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór +'t samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel +verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de +wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis +bracht. Hij dacht er verder niet veel over na. + +Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra "les Muses +galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen +belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer, +den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste +kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den +koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu +hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de +"Fêtes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd. +Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed +Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat +en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet +genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses +galantes" door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam +niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit +gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd +en gaf elke poging om naam te maken op. + +Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele +kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld +vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn +onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als +al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige +intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder +innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in +plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit +diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan +gloeiende stroomen omhoog. + +Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was +een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin +hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste +ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van +zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms +toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was +zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren +logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan +door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren +de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt." + +De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den +afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem +worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf? + +De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn +afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder +dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk +hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing, +levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste, +groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden +uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van +pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer +ademen kon. + + +III. DE EERSTE FANFAREN. + +Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de +velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er +werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het +land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren +zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten +de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder +leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs. + +De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een +broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke +voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld te bombardeeren +met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois" +verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons +"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde +en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch +scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige +geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste +proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem +voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt +de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij +zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie, +nù onderdrukken, dàn weer de teugels vieren, zonder iets anders te +bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te +maken door het andere. + +In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men +nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. +In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen +niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers +opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de +intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering +wilde een grooten slag slaan. + +Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken +waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te +hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het +ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme. + +Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur +les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch +werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich +beleedigd achtte.[26] + +Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel +opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem +toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt +d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de +hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt. + +De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende +maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel +zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den +vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste +dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn +geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de +Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij +dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap +van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn +smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij +mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn +kameraden werden tot hem toegelaten. + +Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken! +Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen, +haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet +verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond +neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog +broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde +strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de +koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de +Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen +de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche +glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg, +groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van +eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was +in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was. + +Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad, +de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten, +toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon +uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten +bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling, +voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de +bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij +merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere +zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste, +met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't +diepst-van-'t-woud. + +Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de +opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht +opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid +van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; +gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de +verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in +eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het +lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der +grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een +leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en +zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat +'t blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij. + +Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het +nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het +tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en +klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook +rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals +zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige, +hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt +de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der +Toekomststrijders, het sidderend dichterhart. + +Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar +het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken +onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien +uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de +heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in +wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de +werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar +wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde +genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der +groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal, +naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn +Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid, tegen den horizon, +maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan +hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de +verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn +jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken +zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het +patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de +achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog +voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre +landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele +kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid +van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken +saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische +ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit +veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener +maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van +kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme +daarin ontbrak was natuurlijk. + +Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid, +voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap. + +Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun +vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden +ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder +aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke +verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want +zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De +strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde, +voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers +tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de +heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde, +wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder +uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd +genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op +domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap, +die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden +enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen, +voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in +den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der +verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot +bewustheid. + +Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de +slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos. + +Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van +tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme, +opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der +Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn +leven zijn. + +Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over +den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden +en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27] + +Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven +in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours." +Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn +opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde, +verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn +oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober +onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen +en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden +wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw, +wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en +genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der +groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij +doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond +zich tot ééne, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de +beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen +de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van +verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van +ontzenuwenden lediggang." + +Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde +maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van +plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van +den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde +hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en +ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als +vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch, +uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch +intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover +de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God +welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar +van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger +aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een +vervallend régiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen, +maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend +tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving." +Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier +dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde: +burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland; +de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was +de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets +voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de +toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door +haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde: +het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_, +den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een +gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting +voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van +dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een +maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij, +dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet +als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse +gedoemd gelijktijdig reaktionair èn revolutionair te zijn. + +Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen +prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken; +al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven +Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge +bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat, +hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de +artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek +beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over +de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de +beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur. + +Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van +Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk +en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van +maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde +bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen," +"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar +begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge +noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen +weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij: +"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend +sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den +mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet +vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen +bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer +slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben +zooveel armen geen brood." + +Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat +tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan +verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom +vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur. + +Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping +tusschen beginsel en praktische konsekwenties. + +Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend; +zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten +en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch +bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij +noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden +gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel +van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote +revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen +genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te +voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak +tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te +bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen +en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch +de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan. + +Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de +inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner +andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is. +Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was +teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid +die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der +liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de +stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde +het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie. + +Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours," +dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe +prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der +maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom: +zachtheid had hij nog niet teruggevonden. + +Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van +den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang +zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur, +uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den +primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo +meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden +van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden +vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de +natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen +was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de +verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en +voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de +neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn +voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid +hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren +hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest +vermoedde hij niet. + +Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige +trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij +tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk +Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt +tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op +de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op +de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de +ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende +klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours." + +In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter +bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der +tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den +primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en +sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche +stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na +het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan +Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel +beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch +Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle +wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de +verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van +anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van +nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij +alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd +goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij +alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener +maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener +samenleving "waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet +door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt; +waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het +schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin +niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner +naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en +treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij +sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en +barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie +kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk +niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of +kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van +zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de +natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de +hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een +grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk: +hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke +gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden +ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en +politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt, +het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op +wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde +der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen." + +Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van +uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten +gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die +volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de +Carmagnole: + + "Ça ira, ça ira, ça ira, + Celui qui s'élève, on l'abaissera," + +en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de +wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een +onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons +de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen +met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau, +wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet +in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien +slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden +zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen, +nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten +maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn +lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de +menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten +te voorkomen, te genezen of te verzachten?" + +De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop +nog vleugellam in dat der daad. + +Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en +herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste +lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader. + + * * * * * + +In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede +"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in +zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen +werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend +schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de +dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der +hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde--nl. van algemeen +ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden +verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute +finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden +toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid +van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten +hem ziek. + +Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het +was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong, +nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de +tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan +anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij +zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen, +de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon. + +Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat +is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog +zeldzamer is, hij zette het door. + +Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap +neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen; +Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was. + +Hoe zou hij nu leven? + +De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden +chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel +geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste +parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was +een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een +der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach, +geschonken.[28] + +Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en +niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in +'t verkondigen zijner beginselen. + +En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn +het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede +en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale +idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn +gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die, +wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt, +nederschrijft." + +Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef +fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield +van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd +muziek-copiïst. + +Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het +handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem +genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het +mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't +platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn +dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud. + +Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij +had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de +letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon +voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet, +die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de +goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke +stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven +onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie. + +Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven +allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom +moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te +doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien +in hun binnenste; naast 't samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe +wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van +vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn. + +Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn +uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie +der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot +in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij +schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand +zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de +kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn +kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen +afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij +gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Thérèse--hielp +hem daar weldra van af. + +Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en +knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde +jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag +voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet +alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan +de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en +door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem +'t hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te +krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij +aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was +toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te +overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen +op zich tegen hun "begunstigers," die maar één doel kenden: de hen immer +najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles +dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne +beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door +hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun protégés moesten +ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze +gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te +bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden +alles koopen, waarom dan ook niet dit? + +Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken +doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd +is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de +vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij +verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich +heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok +dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en +wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel +vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En +achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke +moeder. + +Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en +bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen +was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt +het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten +van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over +in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook +de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke +menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde +gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in +elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt. + +En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk. +Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke +vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen +drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk- +gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een +lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid +der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan. +Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam +slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een +anderen. + +Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het +verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren +lang zijn leven zijn. + +Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs, +om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de +zachtheid des levens zijn. + +In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van +zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer +een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen +stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek +viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te +Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij, +in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De +Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde +den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau +weigerde op audiëntie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste +begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun +eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen +de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was +uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele +uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel- +artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij +"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen +te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de +jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen. + +Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden +was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig +na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij +beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige +keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te +geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht +op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in +beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te +vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die +de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap, +arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja +verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een +burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had +afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind +naar 't vondelingen-huis brengen. + +Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos +had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren +van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de +bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in +zijn wezen. + +Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en +begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te +vestigen, waar hij in '54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed +ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf +nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem +geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn +geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij +bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij +werd opnieuw protestant en burger van Genève. + +Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en +voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou +'t er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk +willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting. + + +Noten: + +[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV, +boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot +XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het +felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn +ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. +in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal +geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel +drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan +de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideeën de +drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale +oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de +ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging. + +[2] Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn +wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de +Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel +lager geweest zijn. + +[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere +geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk. + +[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278. + +[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l'Industrie en +France. + +[6] Mémoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII. + +[7] Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39—40. + +[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst +van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats, +terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is +opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden +uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische +vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te +herhalen, neemt natuurlijk sterk toe. + +[9] Levasseur, bl. 536. + +[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI. + +[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den +Franschen handel een geweldigen knak toebracht. + +[12] Levasseur, bl. 549. + +[13] F. Rocquain, L'Esprit révolutionaire avant la Révolution. + +[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12. + +[15] Windelband, bl. 359. + +[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk +der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte +der neueren Philosophie. + +[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische +gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald +bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26. + +[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten. + +[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1 +allen" uit. + +[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles; +brûlons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en +graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die +tegen Lodewijk de XVIde. + +[21] F. Rocquain, de l'Esprit révolutionaire, bl. 298. + +[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk +noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige +vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige +vrouw te beschouwen. + +[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIième siècle," blz. 296. + +[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau +heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse +uitgelaten. + +[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley, +wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid +der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt. + +[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest. +Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire +kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had +burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en +"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de +overladen weelderigheid van het rococo. + +[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl. +de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van +zijn eerste "Discours" heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk +te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk +gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch- +waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en +bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben. + +[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo +Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht" +(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van +den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de +18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld +worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan +eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van +ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de +schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar +habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet, +Histoire de France, XVI, 84). + +[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor +het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven +was die hem de audiëntie deed weigeren. + + + + +DERDE HOOFDSTUK + +DE GROOTE JAREN. + + +I. NAAR DE VEREENZAMING. + +Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en +levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance +in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar +van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast +ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen +verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele +werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij +was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi +maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan +zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte +te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel +esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden +om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van +intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe +Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te +noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een +warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar +kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig +en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de +vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij +behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die +haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig +en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te +komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze +veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste +berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net +gaf wat hèm paste en niets meer. + +Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij +doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook +was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk +gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige +sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel +hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij +luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden +gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de +wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen +van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een +beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en +met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn +hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen +dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar: +"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij +is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch +eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt." + +Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd +vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind +gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de +man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich +maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden +van hem vervreemd heeft. + +Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg +van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem +leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt +een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed +musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde, +want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den +jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en +deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig, +een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching, +plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte +zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van +Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon +een "Correspondance littéraire," een soort bulletin voor buitenlandsche +vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs +verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had +zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen +vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd +en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in +'t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver: +oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij +langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar. +Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en +was daar zeer verheerlijkt mee. + + +In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't +vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij +Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen +Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en +Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een +keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen +vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de +moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan +het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond +daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het. +"Hè," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet +veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later +bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw +allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw +kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die +booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève." Dat was +echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar +bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij +arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende +brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf. + +Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist +de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van +zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij +voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen +grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de +lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid. +Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot +vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een +voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over +hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge +uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd +weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven +en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke +gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste +onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn +pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat +mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar +ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor +mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid. +De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen +acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar +had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij +overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van +innerlijke krisis gekweld." + +Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn +verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de +Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard +maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut +in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou +wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij +overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage +woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees, +voor zijn rekening zou nemen. + +Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling +verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat +hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij +nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad +of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen, +heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles," +schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes, +flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn +hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; +of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein +van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar +een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren +tot de natuur." + +Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij +had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't +gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was +aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te +brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren. +Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij +zelf nog niet geheel in 't reine was. + +Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een +beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij +was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en +had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van +uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om +daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een +soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan +stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding. +Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom +gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had +veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig +wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van +een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo +onder de hand door. + +Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij +willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte +de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals +uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet +op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde +richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het +onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen +in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de +"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl +Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den +innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij +nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn, +begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar +teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende +te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der +liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van +zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op +een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met +onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het +brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die +jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij +uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de +"Nouvelle Héloïse." + +De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten +om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die +zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens +alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen. + +Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van +Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar +geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht, +door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de +velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en +sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal +zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn! +Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij +goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes, +blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme +d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie +vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht. + +En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den +zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel +zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij +niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd +had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de +verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld +door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede +plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel +genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals +wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd, +zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te +murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de +verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem. + +Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat +zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen +verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één +geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten +en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt, +die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit +liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde +teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen, +zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de +verbeelding in Rousseau. + +Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de +rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen, +wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen, +die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem +altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner +fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die +eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had +hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden; +wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen, +verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was +de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij, +geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en +roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de +droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude +stroom vloeide weer rijkelijk. + +Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want +Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend. +Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet +zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben. +Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te +maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er +in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij +gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest +altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot +hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet +naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren +die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had, +door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit +was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken +uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw +hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in +het woud. + +Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren; +dáár was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie +die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen +onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer +hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd +voorbij is. + +Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch +dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en +bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden, +heerlijke jeugd. + +Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der +jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. +Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de +bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond +en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart +samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd +verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit +eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, +voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat +hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; +ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist. + +Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn +eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer +terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene +nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven +zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit +bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij +te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij, +zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam +als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn +fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij +jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling; +weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al +de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had +ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien +onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't +oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry, +hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk, +hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap- +secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel +dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden +door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij +Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong, +bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al +lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en +dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet. + +Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor +de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te +sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te +grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de +broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn +liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een +ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid, +zocht hij in de fantazie. + +Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen +omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde +samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare +eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle +storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat +hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde +samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur. + +Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen, +twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de +minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan +den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de +Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind +had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en +vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar- +beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument +oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde. + +Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en +onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had +voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij +zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over +het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der +liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En +wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd, +voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich +geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een +deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke +zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van +zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte +hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig. + +In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de +schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds +lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets +meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men +zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen +zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en +armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en +kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig, +en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had +een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de +mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de +natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen; +een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, +op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde +hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd +spreekwoordelijk. + +Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder +waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar +zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote +wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid +en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar +afwisseling. + +Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van +1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder +blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol +uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren +geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk. + +'t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal, +in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar +minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de +buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te +verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den +eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen "citoyen" met zijn strenge +begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de +verlokkingen der Parijsche wereld. + +Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te +worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest. + +Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts +schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor +noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke +vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor +hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van +den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en +verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te +voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de +andere?[31] + +Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de +daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat +van mysterie is hij. + +Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend, +vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat +wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn, +niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was +de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen +overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf +èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo +leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en +smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideëele in +hem, al zijn moreel gevoel opstond. + +Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd, +--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst +beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en +weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te +blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten +weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht +hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw, +die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang, +kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot +extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat +alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf +en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam. + +Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn +zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch +van innering. + +Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare +boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van +de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Héloïse." In de vlammen +van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn +wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt +duizenden blij van bevende zaligheid. + +Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie +die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest. +Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der +lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs +ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven, +dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van +Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige +menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog +erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal +aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij +zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij +toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan. + +Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed +voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke +neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker +geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn +heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te +probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen +hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch, +en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't +allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer +geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren, +schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de +wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als +vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar. + +Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van +komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen +schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot +onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had +verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten +doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende +leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en +gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in +Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak +had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden +als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich +met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht +Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel +verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen +dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in +langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die +stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend." + +Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend +als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm, +stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen +hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een +kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme +d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend +had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare, +hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het +dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten +worden? + +Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet +ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor +haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude +vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes, +waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph +die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een +verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te +worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij +koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij +ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen +dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem. +Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te +voorkomen. + +Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen +kwam de vonk. + +St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau +op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als +een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan +Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay +gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin, +die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar +zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in +Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere +explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart +der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale +op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen +hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed +en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij +wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een +schijn-verzoening tot stand. + +Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te +toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof +hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en +was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later +in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie +van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën. +Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde; +de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen +de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot +zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken. + +Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen +was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam +juist de stoot, die hem ondersteboven wierp. + +Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en +vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo +spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar +bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te +stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau +haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en +hoopte dat hij 't zou doen. + +Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève, +niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse, +die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te +praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en +naar Genève ging om in 't geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En +toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van +Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't +bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme +d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen +hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay +was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te +gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling. + +Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke +positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst +van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij +dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert +uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg +van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij +zijn stekels naar alle kanten uit. + +Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering? + +Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm +werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Genève sturen om, +zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen? +Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem? + +Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij +zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: "'t zou +gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de +menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan +zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar? + +De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in +twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid +gebracht. + +Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende, +gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien +tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme +d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in +die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en +goed-bedoelde zorg. + +Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te +verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht +tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te +vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen +Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het +antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest +onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te +verlaten. + +Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien +de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op +denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs +teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol +betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog +eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij +begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen +hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat +hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn +evenwicht geheel en al. + +Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid, +zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in +den tuin hooren, hij leek waanzinnig. + +Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de +kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders +altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't +dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en +erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme +d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig +en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge +niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar. + +Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke +breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als +om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden +zijner hoopvolle jaren verliest. + + + +II. DE KATASTROPHE. + +Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met +Thérèse getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen +in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar +den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was +oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de +meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het +terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den +hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek. +Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde +naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency. + +Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open +koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot +zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar +elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van +1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van +vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon +zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke +ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van +den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die +dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te +doordringen. + +Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den +titel "Lettre à d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het +werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Genève" in de Encyclopedie, +waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en +ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te +laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van +d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf +regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van +bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève, +bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge +heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun +best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in +Genève was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van +Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden +melden: "heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt +een stad van genoegens en van verdraagzaamheid." + +De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden +geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het +klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen +begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw +onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de +eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener +klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische +gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven +der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar +tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als +zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van +rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige +landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker, +maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich +zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan +wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem +verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de +onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn +eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem +gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions" +getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde, +zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, +al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er +in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene +inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en +wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in +'t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van +dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam, +een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Héloïse" +wekken zou. + +De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met +de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat +men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet +geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich +gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire, +diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den +leider, en dat kon niet worden getolereerd. + +Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit +de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende +gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld, +en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars +wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven +en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst +zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend +gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren +in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van +diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar +zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks +zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was +zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering +tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet +weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste +brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar +gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten; +daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die +snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en +even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en +daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke +paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te +dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu +moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en +van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat +Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar +had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't +gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in +particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte +deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn +ergernis lucht. + +Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover +de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde, +in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de +dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename +bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze +verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den +tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon +te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift. +Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk +was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij +feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire +eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om +hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief +van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was +geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk +kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon +zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een +toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van +den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het +die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen +sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en +zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch +bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in +één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die +waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle +gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de +bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde +voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760. + +Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er +buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien +tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ... +verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Héloïse," die +kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Héloïse" noemde hij "een vervelende +en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond +hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid +boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder +maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en +dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren. +Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor +de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den +vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans +gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte, +denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op +zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te +maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de +god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn +meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?" + +Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van +Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige +waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos +het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan +ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd +is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed +benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke +meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht +en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de +verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht. + +In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk +met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat +wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau +beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige +prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te +hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een +verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau +in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening. +Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook +eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik +haar weer aan te blazen." + +Zij hebben elkaar nooit meer gezien. + +St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's +handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei +en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had, +terug stuurde. + + * * * * * + +In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem +hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede +kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij +leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid; +de "Nouvelle Héloïse" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde +daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte +in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast +twintig jaren in hem was gerijpt. + +Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature +indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren +aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben, +een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar +geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de +innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote +punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de +verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de +verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had +uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat +hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een +nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de +sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het +verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de +eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen, +gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich +in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat +de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken. +Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij +bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart +altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon +niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe +in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de +menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te +geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst +naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was zóó +kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem +alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die +hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven +--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood +verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met +Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was +het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst +beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren. +En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het +oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke +instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en +het overige te doen vervallen. + +Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al +vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire, +die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij +zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch. + +Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de +meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem +was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan, +--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een +open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en +aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste, +oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel +overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het +wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het +ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts +verdiepen in zich zelven. + +Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen. +Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef +hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren +zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een +overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in +zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te +verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan +dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp +afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer +honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart +verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid +steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken. + +En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte +handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem +van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der +groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in +aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling? +De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig +of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de +Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen +zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn +betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere? + +Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte, +zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten +eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die +Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem +over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht- +gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast +elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en +intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het +hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem +altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke +boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en +beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der +letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om +alles glad te strijken. + +In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Héloïse," +begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een +vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij +schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den +naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van +een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen, +het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette +zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak, +geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie +van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde. +Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter; +uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte +hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie +maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd +aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en +zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn +steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans +onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken +omgang tusschen hen. + +Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en +hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde +kennen. + +Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen, +waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op +het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar +keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen +soupeeren, als hij lust gevoelde. + +Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in +den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de +maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn +bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer +aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht +en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met +allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in +bed lag, de "Nouvelle Héloïse" voor die zij verrukkelijk vond. + +De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde +kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een +vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder +eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en +eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van +hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe +vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd +hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem +was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar +reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van +'t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd, +berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende +geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij +om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij +had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau +leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar +konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in +haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van +zijn kant. + +In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn +nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee +om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij +lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet +voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken, +hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon +verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de +kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde +hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen. +Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem +niet met geschenken lastig te vallen. + +In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de +groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst +pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een +eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in +het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig +van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke +omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou +houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje +netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen +verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet +weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand, +toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd, +trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal +niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een +dergelijk experiment goed afliep. + +Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn +huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen +van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een +paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen +zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun +herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo +waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem. + + * * * * * + +De "Nouvelle Héloïse" werd lang voor de verschijning reeds veel +besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele +zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot +afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn +liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen +hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er +een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en +de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die +afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren +kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar +uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes +was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der +letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij +naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen +lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur: +de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen. +Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de +letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte +onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was +een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want +in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige, +verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van +het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der +persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Héloïse" beduidde de bevrijding +der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw, +van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend +auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke +in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de +"Nouvelle Héloïse" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden. + +Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven +geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het +zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij +bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of +geen heilige. + +Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van +veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij +had 't even lief als de "Nouvelle Héloïse," maar met een andere liefde, +niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste +werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige +geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. +En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, +in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens +en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: +het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke +lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des +harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging +had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare; +diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten +het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn, +zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had +verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde +zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het +verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek +in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn +geheim.... + +Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan +Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en +hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar +medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop +althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was +geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij +een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste +toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem +vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare +hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit +te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile." + +Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de +eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de +Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet +plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te +vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij +gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij +zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre à +d'Alembert" en de "Nouvelle Héloïse" hadden hem een bescheiden sommetje +opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte +hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs: +daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die +schatten verdiende aan de "Nouvelle Héloïse," verzocht hem om +toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te +zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn. +Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd +dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor +een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een +warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van +verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid +knellend en rukte zich los. + +Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot +het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geëischt +en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam +gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen +onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut +vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij +woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee, +ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde +er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor +zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den +martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam +verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem +onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was +typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen: +behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch +fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die +gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, +had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste +onaangenaamheden op den hals. + +Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan +hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed +waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip, +waartegen zij te pletter moest slaan. + +Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de +Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had; +dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland +gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar +inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel +merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de +copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij +begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur +niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat +het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen; +hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem +gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg +hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen +antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek +dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde +zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden +gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij +dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten +hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn +vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste +discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen +zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte +zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem +gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld +proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij +zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de +Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven +met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn +van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag." + +Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de +Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur +toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en +de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk +ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen; +een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk +door het feit dat de "Nouvelle Héloïse," waarin evenals in den "Emile" +de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet +verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat +Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen. + +Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te +duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te +waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een +toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde +zoo sterk, in "Emile" vóór den godsdienst, tegen de materialistische +philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk +immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als +het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn +toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in +Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun +gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot +verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te +gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't +plan uitgesteld. + +De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire +vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de +verschijning der "Nouvelle Héloïse;" d'Alembert schreef hem om hem geluk +tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der +weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem +heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering +te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme +de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou +hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in +de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het +parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles +wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar +vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou +vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar +hem dreigde. + +In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin +hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden +morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te +bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen +een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen +linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de +dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag +in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die +juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van +hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich +voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij +naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de +Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een +edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees, +gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen +te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden +vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland. + +De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren, +tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van +het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte +smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het +achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee +mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel +van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging, +waarmee de hertog naar die sleutel greep. + +Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te +zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven. + + * * * * * + +Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een +geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij +een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij +groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen, +die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's +morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat +hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt +hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een +plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd, +verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder +een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in +zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij +soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den +avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot +een idylle in den trant van Gessner. + +Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat, +nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire +partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst +schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de +wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was +vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen, +die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als +jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen +rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien. + +Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de +hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn +overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan +hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en +zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem +laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig +waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan +hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge +betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun +houding te zeggen? + +Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van +Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een +verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit +de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan, +maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_. + +Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche +menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem +ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid +hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem +weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een +stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen +gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo +bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende +hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd, +zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij +kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en +gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn +schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze +bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los, +inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem +wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem +zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe +rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op. + +Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles +onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk, +van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn +meerderen waren. + +Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten. +Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil. + + +III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN. + +De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht, +jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht, +grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens +voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie +geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten; +vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de +Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en +kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing +en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van +zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te +midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de +voorstelling troonde van het eigen ik. + +In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de +wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het +beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt +zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle +Héloïse," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften, +met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze +werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen +gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. +Wat de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee +rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre à Monseigneur de +Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne." +Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote +jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen, +versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en +levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der +tweede rubriek, de "Confessions" en de "Rêveries" zijn, zuiver als +woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, +de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken, +waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate +waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te +roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van +Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de +"Confessions" en de "Rêveries" boven de "Nouvelle Héloïse" en den +"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en +uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin +de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en +sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan. + +In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener +levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de +natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling +(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse- +verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Héloïse" en de "Lettre à +d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk, +gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van +godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal. +Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het +menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij +worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en +denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot levenswerk. + +Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht +niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van +den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote +onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te +leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht +te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak +niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom +bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De +geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde +tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd +somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De +sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem, +maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn +conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle +Héloïse") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn +conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog +is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene +theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt +tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch +tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en +jong-meisje tot elkaar behandelen.[34] + +De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo, +dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot +dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht +bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten +is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der +fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél +kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, +de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het +lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende +verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--dààr lag zijn +vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied, +met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame +worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich +eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het, +om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en +dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend, +zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en +aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde, +maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de +zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief +is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner +haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met +hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen. + +Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave +missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote +verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk +onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een +vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe +vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van +zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en +betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm +van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Héloïse" toepaste, +was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen +romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten +een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson +was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige +afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van +Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot +het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie. +Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen +opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel +voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door +de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken +en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen +gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of +prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote +burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot +bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun +romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den +inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke +inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze +de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der +feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35] + +In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar- +overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle +opzichten het meest origineele zijner werken. + +In de "Lettre à d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle +Héloïse" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische +beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de +idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven +der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een +adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde +herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene +verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid. + +Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde +groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen +vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft +Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding +vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug, +bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen +hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam +brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen. +Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere +ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe +eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid +laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen; +een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend +in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging +over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de +dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen +sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich +tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun +eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote +revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie! + +Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat +beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De +beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere +smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn +innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen +zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn +voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche +gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel +doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver +maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De +geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid, +gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van +Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de +oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een +hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een +vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden +geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie +en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der +eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had +verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had +verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle +zoete en sterke bewegingen van het gemoed. + +Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met +Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze, +in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende +moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu +isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de +samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der +vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den +burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn +hoogmoedig hart. + +Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo +liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij +Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn +ouderdom, de "Confessions" en de "Rêveries." Naast de eenvoudige rijke +levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de +betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne +doorzichtigheid der "Rêveries" staan de werken der groote jaren als +minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen. + +Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë +sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat +tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat +der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze +parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Rêveries," ontbreekt. + +Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen +en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken, +vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk +leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel, +de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten? +En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze +doordringt, de edele verheffing? Vanwaar? + +Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij. +Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van +zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters, +had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der +klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel +der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel. + +De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere +volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en +juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der +kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in +den weg stonden. + +Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de +ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering +en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd +tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de +dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit +wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel +een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden +hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te +voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische +tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te +houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud +der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld +door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid +gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe +moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen, +voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot +deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der +klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het +patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme, +die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich +vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid +hun ontzegde te zijn.[36] + +Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven +den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de +vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in +de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar +somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het +theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet +anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het +gevoel. + +Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van +Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij +Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de +burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie +tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij +vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë +laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der +revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher +harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren +innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen +bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij +geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in +den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht +en heerschzucht en nijd. + +Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar +voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn +sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming +der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen +tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood +aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch +voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in +aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn +tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige, +door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie +den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige, +onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie, +kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der +levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te +volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken +moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme, +bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze +gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en +te versterken. + +Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig +instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe +maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun +wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met +alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig +kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. +Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en +de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de +valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze +gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan +het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar +waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld +brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet. + +Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in +zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau révolutionaire," dat +Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te +veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft +opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet! +Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde +welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou +behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun +taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van +hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn +werken tot het evangelie van den revolutie-tijd. + +En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de +schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal +waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die +geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het +gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had +Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan +een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit +Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden +geput. + + * * * * * + +Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau +in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het +menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het +universum), en de verhoudingen der menschen onderling. + +Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk +God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de +menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor +dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met +de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in +Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later +verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd +tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde. + +Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote +bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk +gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook, +maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk, +dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks +staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin +overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn, +maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme +der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een +deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der +toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende +beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er +sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt +stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij +te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het +zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische +philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale +neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen +van den mensch. + +In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god, +boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de +verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn +eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij, +die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken +arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen +tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen +tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De +warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel, +den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als +zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander +gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der +menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch +spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de +eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de +concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk +middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten +God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een +groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd +werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en +samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den +voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming. + +Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen +groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was +zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch +was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen +over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken +grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid +was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren +òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere +afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en +absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de +grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de +kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen. + +In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de +burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen +(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen +godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een +of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar +bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de +abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke +verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel +der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist +uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en +onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk +fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal, +handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische +theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo +beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale +gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid +van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk +handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de +eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen +staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen +met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij +hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning +voor het onderdrukken daarvan. + +Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee +polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide +wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is +daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als +"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het +punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende +klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de +strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was +Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat +rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de +materialisten door de hunne "er bestaat geen god." + +Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van +Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan +een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme, +in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die +hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek +moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven, +verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn +Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, +de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle +samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste +expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den +grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god +te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke +kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het +menschenhart geschreven had. + +Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos +zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen. +In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm, +bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier +stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk +wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen +God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en +maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan +koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad; +zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet +de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden. +Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend! +Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet +onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk +af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over- +machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste +smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en +hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het +heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste +hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op +aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef +hij aan een kennis uit Genève, "ik geloof aan God, en God zou niet +rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen +ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den +booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt +de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. +Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven, +alles wordt hersteld na den dood." + +Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het +slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de +laatste boeken van de "Nouvelle Héloïse" en in de belijdenis van den +"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het +geweten zijn de beide pijlers van dit geloof. + +De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het +eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij +vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van +gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of +slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den +mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het +lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche +stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede +begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god +gelijk maakt".... + +"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve +ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit +gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam +waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil +is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word +overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven +wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn +hartstochten." + +Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en +de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en +geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid +en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als +middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit +aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der +maatschappelijke verplichtingen. + +Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische +spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant +heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk +Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in +innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons, +die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken +oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag +de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle +kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te +onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door +middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de +grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat, +zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven +is, en wat wij met betrekking er toe zijn." + +Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle +tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het +werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen? + +Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en +bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit +tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun +persoonlijken aanleg. + +Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij +de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling +der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen, +en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging, +vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de +mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het +dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht, +dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de +verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij +een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van +eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen +wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang +bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de +levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar +der _arbeidende_ kleine burgerij. + +Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische +natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten, +maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren +troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde +er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41] +der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het +kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde +waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en +een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en +_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en +de Jacobijnen aan een "Etre suprême," een opperste-abstraktie, samenvattend +al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter +welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reeële en materiëele +klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, poëtisch-opgesmukte +deïsme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred +de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks +af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard." + +Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar +geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van +den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot +godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie +tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de +volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en +den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft +gekozen." + +De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij +meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan +de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn +tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de +autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen +versterken. + + * * * * * + +In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours," +de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over +politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen") +heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen +op den menschelijken staat behandeld. + +Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze +geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke +hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme. +Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk +van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social." +Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den +strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming +en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen +schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het +maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het +"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken. +In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den +eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het +maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen +ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle +ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij +daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving +en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen +staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die +hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn +vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen +verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe +levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit +hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen, +dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen +maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt +wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede +"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel +als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen +te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover +de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n. +"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de +oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te +demonstreeren van het absolutisme. + +Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire +denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat +te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste +vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en +vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de +voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke, +boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch +onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van +een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken +over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de +onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste +uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde +in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met +aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de +burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu +schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van +Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. +In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste +aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische, +terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat +tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt. +Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair, +gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den +inhoud van het bewustzijn dat ís. + +Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie +verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening +houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene +revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden, +voorzichtigen kleinburger. + +De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij +geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het +recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De +noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar +met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk +kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke +macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen +enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder +de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij +zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot +oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne +leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in +ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht +van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne +krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele +en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal +gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als +_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet +onderworpen. + +Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat +zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden? +Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil +hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger +heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene; +maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke +persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt +met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil +hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de +wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om +vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich +onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet +tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn +eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar, +de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen +welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds +het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer. + +De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren +en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de +regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn +dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk. +Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd +vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding +van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk +lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt. + +De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of +demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de +handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal +zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie +alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil +des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar +vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van +een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen +welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig +vorst. + +Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de +beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een +aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige +zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden, +het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen +is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is +dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest +verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust. +Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de +aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste +waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz. +van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in +den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties +verkiezen. + +Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest +verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den +staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling +der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering +'t meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de +middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken +van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een +slechte haar vermindering.[42] + +Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van +den souverein, dat is van den volkswil. + +Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering +die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot +onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend +vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde +tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit +te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk +kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een +stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein +behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of +het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er +thans mee zijn belast. + +Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het +verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan +noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept +zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een +talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te +geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan. + +Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische +redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der +demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den +soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen +souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als +zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau +revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts +voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn. +Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas +door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor +deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders +van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en +denkbeelden schepten. + +De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der +burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het +overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen +die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem +bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige +abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine +boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der +teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden +patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om +den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de +instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een +tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was +de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen +bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den +landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was; +industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen +gering. + +Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking +tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het +"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten +over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld +welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het +eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de +afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten +voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner +geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer +sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de +politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat +geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de +plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende +ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre à d'Alembert" +verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij +de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel +ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een +groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk +de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in +praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het +"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden +behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk +met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet +de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie, +uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere +bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het +proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting. +Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren +tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de +industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering +door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de +kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der +overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze, +zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van +hinderlijken dwang. + +Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur +voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid +der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit +alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der +oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer +10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die +hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten +kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den +handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die +op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn +verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts +onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne +persoonlijke. + +Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het +volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den +hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee +van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de +werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat +herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid +ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: +de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle +burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig. + +Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot +verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid +van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren. +Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter +uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich +somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte +zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te +schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze +uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden, +echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het +verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en +wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte +de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch +inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de +gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn +geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom +als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over +de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het +heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog +belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der +ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen +het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere +plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn +voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het +verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau +meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen +was voorafgegaan. + +Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het +kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op +uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate +onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in +het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken +van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk, +op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der +vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de +gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en +de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat +geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit +armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom, +die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het +patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit. + + * * * * * + +De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en +affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de +rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak +van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot +zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms +wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid, +zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen +_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de +eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk, +wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de moeurs verpersoonlijkt +in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus +tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken, +zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de +omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik, +ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet +zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets +levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles +is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije +tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze +goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om +teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten, +vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo +hoort het."[45] + +Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den +minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk +als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche +gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste +levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met +den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking +niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de +provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot +een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich +aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt. + +Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie, +hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge +driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal +bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde +is àl scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin +'t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar. +In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen +verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot. + +De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste +instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten +met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar +begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want +dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar +nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen. +"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot +van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen." + +Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel +doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam. +Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere +elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar +val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een +theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het +enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met +de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma: +"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke." + +Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo +leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Héloïse." Het +boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere +sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden. +Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd, +lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in +zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit +één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de +schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet +omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle +levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! +De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de +staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de +paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit +gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan +hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't +hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene +en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet +meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de +Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen, +verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit +elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen +verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend +haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van +wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de +menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden +van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke +ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van +kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de +geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij +kunnen niet weerstaan. + +Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van +elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte +moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de +onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al +berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij +ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende +blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de +liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt +de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de +deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de +menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt +hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander +wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen +persoonlijkheid. + +Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige +vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie +gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der +gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen +van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven. + +"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar +het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden +is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één +voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te +maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor +het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet +langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij +en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de +zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een +verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij +verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis, +zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam +maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen +haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten +alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen." + +Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde +met de schaamtelooze wellust van Marivaux! + +Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee +Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze +kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux +beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere +teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend +gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het +temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en +schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig, +door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt. + +In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt +van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte +der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid +prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de +tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te +verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of +liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te +los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding +aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en +valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne +waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar +grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke +neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het +teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en +eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die +natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed +met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding. + +De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt +het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met +elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar +geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste +in onze persoonlijkheid. + +Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de +natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het. + +De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te +verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling, +waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het +recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander +recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur, +zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die +Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Héloïse" in beeld heeft +gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken, +de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos +volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te +leven volgens hooge zedelijke beginselen. + +Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen, +koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede +gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden +acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar +voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht +gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar +hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan +haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als +vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser +en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de +heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een +nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een +uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar +nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben, +dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste +plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat +volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen +der rede die uw gave in mij is." + +Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij +zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de +betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende +verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling +te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is +tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid, +bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter +en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere +affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en +rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te +zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen, +zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te +voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen +haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed +nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk. + +In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de +voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin +(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve +voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij +heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij +staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en +van een talrijk personeel. + +Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is +het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende, +allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des +levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om +zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt +geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij +'t wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur +hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef +stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt +Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt +gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en +liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar +laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn. + +Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" het recht der +persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk; +hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als +jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde, +ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan. +Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een +zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes +bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een +passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het +tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of +een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als +een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige +erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het +denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche +steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan +vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe +opvatting van elkaar alle vrijheid te laten! + +"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een +schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als +de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo +de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was +zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar +aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te +weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar +wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In +waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te +huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid, +vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief, +des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan +zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van +trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik +zachte en sociale zeden."[48] + +Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere +klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan +verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie; +òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te +velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar +minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield +'t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en +lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte +platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die +wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling: +daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener +clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht +voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de +provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op +het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie +voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener +boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun +mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging +Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in. + +Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn +huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte +werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De +jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten +eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich +zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, +in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in +eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld +door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet in alle +vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan +voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid. +Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en +moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging +beginnen, om niet te eindigen dan met den dood. + +Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven +overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen, +huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk, +en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat. +Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te +stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de +vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische +kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo +ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van +kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in +de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere +verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en +geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen, +zoovelen tot zegen zijn. + +Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor +Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk +te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de +school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de +rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht +om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit +compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man +dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij +hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden +rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd? +Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken? +En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan +dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke +veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet +het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven +voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen +voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze? + +Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde +en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen. +Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet +eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk +gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en +bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de +gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs +verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene +genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit +alleen erkennen wij als het ideaal. + +Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der +"Nouvelle Héloïse." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast +vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons +zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau. + +In de "Nouvelle Héloïse" zien wij de vrouw optreden als de genoote van +den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige +opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen +wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden. + +Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de +bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale +bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich +die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen +arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld +ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en +het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin +door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het +ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half +patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap: +in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar +lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst +van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken. + +In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich +aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in +zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan +het geestelijk leven van hun tijd. + +Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies, +deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle +waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing, +vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit +soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat +"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en +mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen +een soort van monster. + +De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om +de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze +geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet +veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar +slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover +dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar één ding moest +haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te +verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw +is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te +dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit +onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te +verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok. + +Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als +slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, +maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol +is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn +liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer +van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de +heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van +waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te +onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij. + +Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de +salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De +natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest +daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar +geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te +leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der +oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der +woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het +openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch +leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren, +en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten +door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen +verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het +elkander lichtzinnig naäpen, zooals de ijdele kwasten en de malle +salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het +mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in +geometrie en ontleedkunde te liefhebberen. + +Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming +van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande +ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij +niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten +moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke +mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit +weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin +de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken +en liefhebben zal. + +Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en +onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn +kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag +mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide +eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij. +Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om +haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en +in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En +hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden +zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het +karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw +van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in +den dienst der gemeenschap. + + * * * * * + +Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk +vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede +patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden +over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner +voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri; +maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het +menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires, +dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk +verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal +meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder +nationaal-beperkt. + +Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone +opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in. +Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt +om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven +der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle +doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche +manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst +verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen. +Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en +vrouwen, geen menschen. + +Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming, +moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden. +Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier- +hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en +volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt, +des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de +hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders +nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden +toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes. +Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de +jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare +waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het +morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen, +want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet. + +Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke +opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij +zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met +zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in +dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen. +Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen +wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie +vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des +kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een +moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die +het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg; +die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn +bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn +spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids- +vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't +niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door +de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen +vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind +niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door +lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou, +honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot +zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een +jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk +niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd +wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen +abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid +van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse +zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen +spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later +veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze +ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de +werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij +te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond." + +Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen +vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn +denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties. +Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de +oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit +noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving +bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de +menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar +het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van +het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch +hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening +van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en +zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid +van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot +een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden. + +Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch +opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder +mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de +genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door +een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der +oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel +in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers +voort, maar slechts bourgeois. + +Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en +het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt +niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig +als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem +waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste +trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn +individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder +den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der +opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en +plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken +van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen +van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel +zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de +individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar +waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v. +Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf +"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke +parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf buiten- +maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de +levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in +het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed +hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn +revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse- +opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed +tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving, +die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen +kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal +waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen +verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen. +In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de +overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond +zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden. + +Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel +voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen. +Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken +doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid, +zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de +eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men +geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk, +neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw +middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht +dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te +leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en +rechtvaardig leven hebben geleid." + +Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling +gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem +voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van +kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen. +En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk +is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit +te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld +zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder +grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef. + +Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding, +wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen +gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend +geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de +grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen. +Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als +knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende. + +Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de +zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk +brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij +niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar +en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer +weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke +nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij +uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er +was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in +zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch. + +Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve +betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke +noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche +wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve +heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen +lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen, +wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De +levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging, +het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur +verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze +krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet +kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is +verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht, +zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en +te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis +voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de +eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft +waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat +zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle +wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en +aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de +wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De +mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom +moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er +geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij +verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en +verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile," +in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke +gemeenschap toch weer op. + +Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het +leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels +die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht, +winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen, +tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen. + +Hoe wordt nu dit doel bereikt? + +Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de +veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind. +Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen +leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende +behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar +behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het +dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige +leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is +het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder +teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol +vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van +elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het +eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen +te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen +straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen +daden van het kind, en die het als zoodanig voelt. + +Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de +utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan +dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk +eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat +het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert +Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen +ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het +tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der +natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis +der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om +mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde: +dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden. +Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch +mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal- +mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de +modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook +een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken. + +Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw +beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft +het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de +opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen +altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken +beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in +den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de +zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en +sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die +op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van +liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren +te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen +van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle +schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt +Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel +onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de +zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de +wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in +de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig +Schepper, dien hij zegent en aanbidt. + +De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt +zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide +kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een +uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze +vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der +werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van +zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de +ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale +leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk +van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling +van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire, +aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich +eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens. + +Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten +dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in +en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd +heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind +gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der +sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit +zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog +op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn +redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der +sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift +voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering +voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen +gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, +de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk +bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende +jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op +de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel +mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel +komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst +der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot +voorwerp heeft. + +Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor +de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme. +Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van +zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat +bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. +En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend +willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en +diens redelijk egoïsme. + +De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l. +Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle +denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder +ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar +hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het +groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te +vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe +de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel. + + * * * * * + +Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind +gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de +zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele +verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het +gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was +een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een +weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger +dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd, +ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven +--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek +als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot +zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen, +zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht +van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en +teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven, +zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze +gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als +hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen +heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd +meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor +zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en +woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en +tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend +innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het +verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin +keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare +bewoners terug. + +In de "Nouvelle Héloïse," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten +gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van +zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde +bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het +affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld. +Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte +gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van +vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen +geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scène waarin +Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift +barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om +vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie +aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond +van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: +tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de +onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht +hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke +teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost; +--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die +vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige +andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet +van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle +Héloïse" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke +affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; +hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen +flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die +omschaduwde sfeer. + +De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het +eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht +is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het +tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In +dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen; +de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met +zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het +mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn +eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal, +regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een +verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid, +soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en +hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen +plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd +niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden, +de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid +te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten, +over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het, +die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar +en principieel formuleerde. + +In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken, +niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de +aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren +glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar +hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd +uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen. +Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt +zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart +volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die +te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en +zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane +gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle +Héloïse." + +Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Héloïse" ook verhoudingen uit het +gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende +menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het +vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale +verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel +van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet +aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de +grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen +zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen +tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets +van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor +eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding +tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen +hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen +en weer. + +Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde +Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke +waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel. +Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den +burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting +deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en +de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij +afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst +gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij +verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de +nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen +lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de +revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon +der burgerlijke vrijheid. + +De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker +van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om +klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat +in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. +Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van +tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in +dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke +kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder +zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot +het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat +dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is +niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet +geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos +zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht, +daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was +nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In +zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin +de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en +luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het +tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner +meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen, +was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit +den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk, +omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen +andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk +bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste +poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe +vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens +langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen +toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning +zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid +waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling, +omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou +raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en +proletariaat. + +Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner +kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute +vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk +hij de tyrannen haatte. + + * * * * * + +Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw +wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen +oproepen voor onzen geest. + +De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen; +een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een +kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont +de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert +zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch +zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de +ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop +van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst- +mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen, +de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld +die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke +is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede. + +In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering. +De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door +alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden +rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie, +geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De +burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen +tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid +in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen +zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en +proletariërs, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen +nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der +menschheid en het bestieren van het gemeenebest. + +De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of +overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk +leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer +menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen +arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den +schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren +zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen +zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege +ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en +dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft +gegrift. + +Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere +plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen +jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en +zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven +die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis +glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den +rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw. +Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in +wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd. + +Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen +arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood, +door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt +van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden, +als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot +geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot +feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers +in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen +bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije +mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid +hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en +vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk +feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is +der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te +herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel +van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen. + +Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven. + +Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het +kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu +leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller +menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische +samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij- +krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij +zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in +verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn +hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die +stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer +die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze +harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid +waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons +vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons +nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede +en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde, +het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een +glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land +zijner verloren kindsheid. + +Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme, +maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke +ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing +van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan +die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid +die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den +stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven +bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en +de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche +bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de +encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend +kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke +verachtten en verwierpen. + +Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven. +Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat +voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het +huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn +organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister, +vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den +mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en +breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in +vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort +roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van +terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote +droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven +der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte, +die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de +groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één +te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het +aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn +lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem +van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de +weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem +zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een +vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke +ondoorgrondelijkheid. + + +[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie +Jenvernay 1801).] + + +NOTEN: + +[30] Haar meest bekende werk zijn de "Mémoires de Madame d'Epinay," die +langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van +Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald +(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat +deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een +lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot, +dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven +van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de +Rousseau," blz. 188-189). + +[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de +liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den +"Tristan" maakte. + +[32] Mme d'Epinay beschuldigt Thérèse van 't schrijven van een anonymen +brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk +is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna +voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de +gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert +behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St. +Lambert _moesten_ bereiken. + +[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen: +hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had +gebracht. + +[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire +Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst; +en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is. + +[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan +zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den +"franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare. +Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot, +zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van +diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote +overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en +der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale +faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de +traditie. + +[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte. + +[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de +vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel. + +[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis +en de eeuw der omwentelingen." + +[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der +Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire +uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme." + +[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool, +die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de +_passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke +en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in +het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen. +Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht +in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk +dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot +revolutionair handelen als het mechanisch materialisme. + +[41] Gorter. + +[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de +plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging. + +[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een +poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen. + +[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel +ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die +terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de +grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn +mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo +ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem +zelf aan niemand behoort" + +[45] "La Réunion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de +Goncourt, "La femme au 18ième siècle." + +[46] "La femme au 18ième Siècle," blz. 173. + +[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide. + +[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ième +Siècle," blz. 239. + +[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers +te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het +regeerstelsel van Polen. + +[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de +inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen. + +[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de +groot-kapitalistische maatschappij. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK + +DE LAATSTE WORSTELING. + + +Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede +aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar +geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge +doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want +hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken +nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder +verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit +land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee +niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn +afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo +zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat +ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge +liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en +ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te +bezorgen." + +Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van +Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af +wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in +Montmorency achter te blijven. + +Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de +regeering van Genève den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar +had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich +binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen +volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich +bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den +"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten +tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de +kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen +voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat +hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam +liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De +aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een +herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus +vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er +uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde +den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek +had gedaan. Het "Contrat Social" werd alléén in Genève verboden: de +akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo +spoedig doorzag. + +Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou +veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit +genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme +Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver +van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom +Neuchâtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en +geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar +aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit +Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij +hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen. + +Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den +Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten +van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur +gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de +steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging +van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel +kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal, +ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen. +Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in +Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom +liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de +gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware, +massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder één dak--met +weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een +onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan +ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid. + +Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk +zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen +huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat +opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt, +de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer, +voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen +avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te +moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit +onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den +lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend +vergeefs naar een groet der zon. + +Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral +leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar +toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle +oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap +boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat +en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag +naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de +bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in +de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij +dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen +zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn +handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn +kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook +zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten +schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en +ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die +tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen +waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij +doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers +vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; +het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden +zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen, +de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van +uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend +uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in +de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal +stroomde: de forellenrijke Reuss. + +Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest; +heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren, +geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename +gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke +natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te +vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en +dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn +aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort +leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf +jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat +gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had +ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken +gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling +die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het +heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon +was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel +de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn +eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen +en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en +wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een +te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en +allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en +te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste +zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts +door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er +was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar +hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn +eenzaamheid mee te vullen. + +Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van +planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen +tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij +als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap +stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde, +vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken +zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een +zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, +heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende +zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de +schuld der menschen èn door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot +hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en +buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen +lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de +eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in +hem nog warme belangstelling wekte. + +Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen +heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in +zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der +nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men +interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of +vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig +voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die +in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar +om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij +eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was +hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede +overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie +was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, +die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd +verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de +plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te +populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat +natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen +door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk +hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde +de leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen +voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde. + +Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen +der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook +een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door +waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen, +die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van +specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker +geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing. + + * * * * * + +Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof +te vragen in het vorstendom Neuchâtel te wonen; ook wendde hij zich tot +den gouverneur van Neuchâtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland +doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens +bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel +mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden. +Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen +zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel +begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling +was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te +leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie +eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver +te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet +rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij +vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en +in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of +planten-verzamelen was. + +Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in +zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchâtel, te komen +bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman +en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot +elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef +Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar +onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid, +menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen +als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet +van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van +Neuchâtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door +de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor +heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij +hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme, +teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest +harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld; +zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel. +Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen; +tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord +Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei +hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn +genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door +waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij +zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de +brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen +vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau +meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer +schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden +zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost +nu ook ontnemen?" + +Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van +Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche +eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn +zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers, +met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend +correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van +Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean +Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij +is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer +dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men +van hem houdt en achting vóór hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den +vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar +de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers +bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij +plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine +republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij +tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd +philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen +vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar +draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean +Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven +met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst +met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St. +Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar +half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van +luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in +Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van +onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord +Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchâtel 't +jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar +Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem +nooit teruggezien. + +In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't +algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel, +van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde. +Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes +en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als +zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een +schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens +wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had +veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos +lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou +bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep +Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien. + +Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij +nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't +geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de +ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend +in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen +mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging +gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de +vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke +boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur +zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was +zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan +hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische +dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't +oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de +algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met +den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld +de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten +te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch +onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren +steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen +strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder +de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten +verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats +rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige +fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken. + +Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau +bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg +weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen +der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan, +welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot +lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis +van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het +protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig +geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem +had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen +in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven, +niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten, +want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor +nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te +hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den +predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het +toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Maréchal had +uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan +zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting; +als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom +beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte, +dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de +"Lettre à monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne." +(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen +tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had +gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het +begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een +en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der +"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich +zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen" +de protestantsche wereld in rep en roer bracht. + +Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem +aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar +de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen +tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag +natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding +gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den +plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het +leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de +aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van +onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om +door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten +getroffen te worden. + +Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol +innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig- +verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken +van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek +tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk, +schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te +vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen +werd te erkennen "ik herken den burger van Genève niet meer," maar het +werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door +hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het +geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij +Voltaire volkomen ontbrak. + +Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont" +weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn +gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen +der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In +dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op +bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te +zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij +in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan +Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen +godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding +van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke +godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de +essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid +der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den +godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den +mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering, +komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke +denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken +hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie, +boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de +voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle +verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van +den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige +denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag +der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het +bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder +volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren. +Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn +droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst. + +Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd +gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering +zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang +wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit. +Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de +overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een +jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund +zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn, +zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht +en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog +meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat +hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door +de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk +naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den +Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn +burgerschap der stad voor altijd afstand te doen. + +De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats +gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop +was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het +requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de +veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter +verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven +te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich +te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste +die in de "vrije republiek" Genève regeerde, bleek even beducht voor de +vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse +van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek +zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te +hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd. + +De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer +gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen +uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte +grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de +machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de +strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot +een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke +machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de +lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te +richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering +behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad +zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor +kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit négatif," +dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie +vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter +zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst +met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en +naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der +regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt +voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder +vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der +burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van +vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau +zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn +naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen +schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden. +Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede +middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in +de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren +door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale +protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het +behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en +grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de +aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten. + +Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten +onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij +zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den +loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als +martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de +spits der burgers stellen zou. + +Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om +zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen +van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens +zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid, +maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten +koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk +samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde +tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken. +Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed +gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem +tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd. + +Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen +waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de +procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in +den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne" +(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar +uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de +protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en +trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de +Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het +geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één +man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de +kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren. +Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij +zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten +Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe +bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde +van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de democratische leiders +om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig +voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds +in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand +onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen) +op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard +gebleven. + +De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau, +en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen +regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't +algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een +bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven +zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de +"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert +daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de +onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet +voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève +ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch +onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een +beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende +politieke kwestie: het "droit négatif." Deze beschouwing gaf Rousseau +gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze, +waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te +veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten +ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had. + +De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Genève in +lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware +protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van +door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte +beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel +dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke +vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk +verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude +geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne +rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner +erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije +interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, +om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen +twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen +vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van +het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de +uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest +natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de +kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk +leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke +ketterij. + +Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke +machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van +despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige +wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag. +Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef +hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur +ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen, +eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles +komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het +volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen +handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel +hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden +tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, +vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen +'t hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en +zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede +laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen +voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van +den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het +gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin, +in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen +over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun +groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de +overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en +vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek, +het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is. +Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid, +de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die +zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede +laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en +tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te +strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen +zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de +beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate +heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen, +noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult +satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak +bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten +voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering +dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid +en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft +er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er +mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige +mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik +geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen." + +Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots, +de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en +onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had +hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van +het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op +bepaalde gemeenschappelijke daden.... + +Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij +hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van +zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten +Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten- +bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te +zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in +den Haag en in Genève in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste +aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou, +de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik +wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen" +lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed +zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult +uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten +zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de +Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden +in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische +zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen, +liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en +beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per +slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus, +die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"), +dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk +van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo +ging het in eenen door: de wereld was tegen hem. + +Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn +vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die +algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende +tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij +in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet +abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reëel en +konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de +grooten hem een gevaarlijk dier. + +Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd +schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die +kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem +laaghartig, verraderlijk te bespringen. + +Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en +officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen +bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat +natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau +overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten +hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht +zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer +aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn: +Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te +zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een +grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van +den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph +van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch: +Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd +jegens zijn groote mededinger. + +Door de verschijning van de "Nouvelle Héloïse" en den "Emile" was +Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke +kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de +onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk- +revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar +macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van +absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van +hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden. +Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen +zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke +aangelegenheden. + +Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets +anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en +eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had +raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle +sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van +den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende +zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en +bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van +velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland +bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze +eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft. + +Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau +omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver. +Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van +armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle +anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en +wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn +leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in +een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de +vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't +schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En +sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg +hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn +vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den +martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en +jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden, +maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar +Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige. + +Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als +hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen +en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was +een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der +briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor +zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder +gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds +met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de +onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere +wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in +persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog +ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en +overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een +jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed, +om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht +bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting +van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw +breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in +zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel +mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het +opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden: +hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de +opvoeding zich moest bewegen, niet meer. + +Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van +den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een +bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets +verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die +onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie +veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze +houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme +van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor +het onherroepelijke van de daad. + +Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de +zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij +tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen +en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de +ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden, +bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een +enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling; +--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar +het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden +zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten +'s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in. + +Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau +Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op +hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken, +door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met +alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met +zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en +wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de +Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten +die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is +het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment +des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in +het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee +uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver +bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn +uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis- +reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige +meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van +een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een +medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke +gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt.... +Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in +beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest.... +Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in +Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie +omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom +wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen +dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij +gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken, +kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te +behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend +schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den +doodstraf_." + +Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden; +Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener +meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige +vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en +platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau, +ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam, +geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile +verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij +kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee +hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te +brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer. + +Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of +zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van +Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig +zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der +oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in +zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist +geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't +bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren +natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke +eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard +voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige +dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het +wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid, +zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster +samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van +vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van +het jaar '65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk +vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en +nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den +vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen, +bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn +botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te +schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men +schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers +bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der +bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan +David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden. + +Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de +vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg +hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen" +kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. +De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van +Neuchâtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun +schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau +voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten. +Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn +gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden, +probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten +einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal +weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een +uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen. +Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in +het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden: +alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet +wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of +buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van +Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige +klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren, +als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen +het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap +hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop +hebben. + +Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren. +Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar +door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij +voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven +aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd +was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de +ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de +zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van +Neuchâtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der +predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom +verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de +jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven +uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen +de dominé's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest +aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst, +om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten." + +Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het +despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige +demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde; +het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén recht te +zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat +die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn +onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere +onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in +konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing, +zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl +onvermijdelijk en niet zonder schuld. + +Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem +hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn +gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en +al wankelheid. + +Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en +benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan +met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar +vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen, +"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in +Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij +dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars +hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen. +Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken; +"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms +gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk +leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van +mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, +en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die +knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op, +de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij +zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met +vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal +ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit +punt staat voor mij boven alle bedenking vast." + +Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel +van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg +klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten +slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te +blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich +dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen +kon hij niet. + +Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en +beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het +heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde +in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du +Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei +persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en +roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel, +dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de +gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke +toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op +'t kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis +'s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der +galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden +posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken. + +Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de dominé's +hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede, +dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke +plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan. + +Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie +jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich +van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne, +dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er +eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige +vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe +van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders +meer. + +Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild +als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor +de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de +makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven +als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer +uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van +de haat des volks. + +Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in +alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen, +nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid +boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor +een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad +verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die +van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als +wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en +die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad +die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als +voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de +vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de +teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan +hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten +aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit +hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde? +Hij voelde verder leven als doelloos. + +Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur +en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen +en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee +meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Rêveries." Maar zijn +moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën, +die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't +uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt, +hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in +droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede +gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten, +tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle +windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop, +zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang +op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende +melancholie. + + * * * * * + +Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van +waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het +liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het +water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken, +kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken +gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den +oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde +bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van +witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het +rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van +de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol +vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid, +streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen +en ziel. + +Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan +den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen- +populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever. +De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau +er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden +overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige +vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvreê +der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet +hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch +en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de +bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al +opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich +urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt, +gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide +langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den +rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in +den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging +hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot +de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van +het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het +gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of +hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem +dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk +genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de +oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te +bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij, +God-gelijk, genoeg aan zich zelve. + +Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot +gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht. + +Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre +stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo +ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist. +Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat +vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar +wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets +gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in +die bloemige, ruischende eenzaamheid! + +Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het +grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een +edel, doodelijk-gewond hert. + +Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar +Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij +voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn +aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde +beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en +befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger" +plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de +Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou +gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord +Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij +besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al +herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou +vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk +door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef +er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het +stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl +bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's +morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen; +hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij. +Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de +reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde +reisgenoot, over Calais naar Londen. + + +NOOT: + +[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand +die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik +wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer +weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is +beter dat ik zwijg." + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK + +WAAN EN VREDE. + + +Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met +Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke +klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken +op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor +Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen +vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun +politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun +strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar +die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn +zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook +de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu +en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de +elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg +om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun +eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle +manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in +menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide +kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te +krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de +gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen. +Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande +lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht +zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de +publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen +andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd +Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in +Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben: +na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen. +Dit maakte dat hij zoo goed als geheel geïsoleerd was, machteloos tot +eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de +omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest +hem een gevoel geven van groote verlatenheid. + +Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is +onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen +zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste +wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich +vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt +voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan +monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te +kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel +in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde. + +Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van +Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar +feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de +buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou +waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en +bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht +van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van +de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt, +dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar +genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren +ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het +phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den +prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume +van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in +zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd +de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen" +die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde: +toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige +gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig +antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt, +herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje." +De sceptische Schot vond zoo'n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk. + +Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende +omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen +tegen Hume moesten opwekken. + +Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de +rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De +koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en +besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er +in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit +aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te +breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de +vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht +en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te +vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te +worden." + +Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke +grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was +voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent +de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa +vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den +opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van +spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en +het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd +zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen +met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld. +Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig +mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd +geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de +nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij +hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge +mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de +hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis: +dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan +de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op +zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich +voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn +rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden. + +Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als +zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere +vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay, +natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het +toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme +d'Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den +schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht +moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij +zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat +Hume met zijn vijanden heulde. + +Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op +grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt +van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen +letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem. +Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten +zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen; +na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr. +Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het +oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking +stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin +kwam er maar enkele weken in het jaar. + +In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten +lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis +was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en +maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en +bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij +genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg +der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van tuin-aanleg +niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur +meer ongerept liet. + +Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag +alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver. + +Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde, +hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van +het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een +enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de +buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en +beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude, +wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin +van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen; +zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige +streek. + +Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden +daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het +voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren, +eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde: +waanzin omnachtte zijn gemoed. + +De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de +goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk +paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze +overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend +geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van +vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken, +was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve +lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook +niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Thérèse en de +dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar +eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de +toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is +begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar +één wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54] + +Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar +strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch +vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet, +wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau +was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de +onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze +bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in +een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer +geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke +inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende +behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden +aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den +tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn +verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn +evenwicht al meer te verstoren. + +En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en +een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn +eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke +handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband +met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een +onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die +zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers, +na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe +spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den +beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een +muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich +zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume +bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was +een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in +Engeland tegen hem op. + +Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te +worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der +Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en +wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem +ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau +wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij +niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands- +verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug +te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te +onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de +buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen. +Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere +explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn +eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich +voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat +hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had +hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of +langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan +Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Maréchal, aan Guy, zijn +hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend +met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar +schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te +snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak +van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem +verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen, +aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een +jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had +laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber, +terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; +hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had +hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn +macht); hoe Hume op hem en Thérèse "lange, doordringende blikken" placht +te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven +langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden +dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, +dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend +werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die +slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde +op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door +A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had +herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau +weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een +formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij +onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet +aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau +was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn +Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische +coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om +aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte +den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den +titel "Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt +overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen: +van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de +meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak: +"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster +van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de +Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, +dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf +natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet +meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te +kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist +met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig +gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, +en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te +verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires, +gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar +wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde +hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in +zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar +aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het +halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen +had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn +wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk +zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers, +die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de +gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord: +"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig +dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een +bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer +genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne +beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen +anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de +vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij +evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar +troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen +vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend." + +In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht +er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn +vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen +onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar +uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de +dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk +ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr. +Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de +eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei +verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en +betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies. +Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij +vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding, +in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos +ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand +hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar +Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen +zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust +dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen +wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij +was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch +bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek +hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet +verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield +hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met +Thérèse in naar Calais. + +Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende +later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest. + +In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk +brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den +beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een +bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem +den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van +Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der +talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel +Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging +in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den +marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen, +hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze +kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van +Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij +Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige +persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte +hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat +hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende +bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote +belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te +hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van +den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen +Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht +bij Parijs. + +De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren +voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de +prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch +hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd +door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die +van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in +Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden +aan te nemen. + +Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven +zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef +hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de +buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo +onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de +moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld, +hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme +de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had +afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat +hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de +bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren +en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen +opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De +eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij +sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en +een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht +op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen +maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn +vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij +gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de +boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke +schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam. +Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht +hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer +men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken +schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du +Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken, +schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig +heeft, mijn lichaam of mijn geest." + +Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra +het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen. +Zijn geestverwanten uit Genève--waar de inwendige beroeringen +voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te +hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad +in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de +inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren +gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat +zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een +schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate +van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het +standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering, +als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad. + +Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo +had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze +had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te +kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij +hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht +vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van +dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te +verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem +gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek +nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van +Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem +weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou +terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen +ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen +was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de +macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon +bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had +aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken +hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan +hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets +anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich +zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij +botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in +Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en +als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der +natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die +een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze +wetenschap bevatten. + +Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het +graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble +een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde +hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude +galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine +geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau +bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte +complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek +bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van +dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet +tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden +aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een +der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in +zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo +overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij +aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na +zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en +weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje +tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar +zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de +plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke +verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak +hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die +hij in Trye had aangenomen. + +In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse +ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen +dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of +Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug +te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging +natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn +bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te +ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering +vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. +Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den +omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis, +hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende +opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en +haar beleedigden. + +Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem +aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide +gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was +dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor +hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over +is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even +moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel +een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is. +"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen +zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal +meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze +harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten +drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen +te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts +een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen." + +De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het +vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol +konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer +worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor +Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden +die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit +dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar +ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen +tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander +werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel +een deel van zichzelven. + +Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen +zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een +verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche +voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, +zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk +zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te +behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer +vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn +verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben +gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn? +Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was +voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die +verlichting ten minste nooit ontbeerd. + + * * * * * + +In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf +jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen +naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti. +Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke +drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij +weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden +blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in +'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen; +Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk +plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen +politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met +rust. + +Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue +Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude +bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en +werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn +bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen +rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St. +Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren, +beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden: + +"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques +Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue +Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde +verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom +binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein +voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes +opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een +calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht +op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met +ons pratend. + +"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets +hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn +gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn +mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd +was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken +dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een +groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten +verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van +het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn +gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van +iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en +medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en +toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't +vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel, +een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de +wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij +gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn +vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't +plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat +aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't +raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur +ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid, +vrede en eenvoud, die 't hart goed deed." + +Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan +die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de +oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft +herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste +werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van +in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij +geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen +te zijn." + +Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren +besteedde hij aan 't kopieëren van muziek en 't drogen, schikken en +opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste +zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan +dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde +in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij +betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn +bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de +nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen +in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een +hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag +twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd +was 't gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu +een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn. +Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij, +maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder +de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog +altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn +mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een +kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als +zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in +buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn +vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem +verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van +zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de +vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen +rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten +dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn +medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns +gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden +of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen +gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van +ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden. +Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken +schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle +bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers, +bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een +boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de +schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet +overzetten. Steeds meer kategorieën van personen hadden de machtige +samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem +komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen +bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de +vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed +hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen, +verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder +beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij +zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn +geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en +waarachtigheid, de "Dialogen." + +Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner +vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de +onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood +verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets +meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven +en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen; +zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn +vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot +te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing +van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en +letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in +omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld +zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een +juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de +uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een +grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was: +de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn +snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In +hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen, +die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om +verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder +de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk. +Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand +doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij +voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op +andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde +hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele. +Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk +de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat +beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts +enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als +verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte +geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het +komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de +verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en +Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de +hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de +tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen" +uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande +zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de +"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit +gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen +onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den +mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden +die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en +verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche +sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de +gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan +zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en +meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn +oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van +list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered. +Maar hoe zulk een mensch te vinden? + +Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan, +want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en +vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans +maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te +vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen, +verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn +handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de +Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders, +dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel +hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem +verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten, +tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis. + +Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden, +die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven +was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters: +"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft." +Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle +voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen +las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen, +zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet. + +Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden, +die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en +voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner +nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige +invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't +jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, 't denkende, voelende, +willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en +ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd, +maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog. + +Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht +op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe +beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij +bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge +zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd +en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die +hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij +bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij +spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een +vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social," +dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven +glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers, +niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij +versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel +na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden +en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge +mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als +menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der +maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam. + +Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de +kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij +stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel, +schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in +zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch +te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te +heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon: +als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in +Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was +hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd +voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te +maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor +hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem +geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare +liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, +de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige +klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had +hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord +gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried, +deed herrijzen als maatschappelijk ideaal. + +Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster, +vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te +geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden, +smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht +dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair +bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een +heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft +hij immers, dit is zijn levensdoel. + +Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag +enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij +dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het +nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam +op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke +vooroordeelen. + +O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid +nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken +als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die +droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is +helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke +krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke +demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote +Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten +niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne +arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze +droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere +wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote +voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten +in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn +van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke +lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht. + +Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen +dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en +zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien, +had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is +hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden +harten, en hij niets zag als vertwijfeling. + +En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen +verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld +tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers +van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten +zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale +gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand +arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als één man +opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen +de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen +wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun +verzet verbitterd; zouden zij één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte +zijn waan va nvervolging èn grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien +woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den +verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, +van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij +nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen +zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was +het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke +samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis, +in hem roemen als in een Groote? + +Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is. +Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan +was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij +door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels. +Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid, +maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der +menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede +gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig +jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam, +de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen +te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart +toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en +lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug. + +Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen +weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en +zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de +lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de +troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid +gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der +wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende, +schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in +den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog +verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het +leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde +tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den +dageraad. + +Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden +waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een +tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn +afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die +zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten +weemoed van het leven scheiden kan! + + * * * * * + +Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te +slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het +huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort +smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou +opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten +bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen +op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner +beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe +woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had +tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak. + +Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf +Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te +zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige +wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was +begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar +opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen +gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem +van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een +toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in +Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug, +dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers +die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de +stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke +vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre. + +[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).] + +Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel. +Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond +liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich +bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat +hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die +zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed +hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk +hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat +daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag +hij daar. + +Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn +overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van +zijn grooten tegenstander Voltaire. + + * * * * * + +Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den +boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden, +de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten, +de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat +zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en +moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord, +hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze +andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine +menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit +de diepten der oneindigheid. + +De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke +omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe +onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken +aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der +aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen, +overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden, +tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten +bevruchten door het leven. + +En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten, +hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen, +harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en +bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche +liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen +en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de +landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van +Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters, +stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn +eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den +man maken dien hij werd in die poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd- +gespletene en toch naar één doel stroomende jaren der jongelingschap. + +De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de +maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle +omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie +somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--èn de maatschappij-kracht: de +begeerten, de aspiraties, de energieën en de gedachten die de maatschappij- +beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in +de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der +levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide +groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten +met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, +zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die +zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te +tooveren tot schoonen droom. + +Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over +hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het +verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een +nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis. +Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een +onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen +wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende +spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet +waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef, +hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen +andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de +maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de +maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter +volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van +zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij +wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was, +dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die +geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de +roepstem en volgde haar. + +Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen +zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn +hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn +liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve +neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij +overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van +onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens +wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel +en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn +liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls +zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk +betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de +gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de +liefde tot de menschheid,--èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid +van den kunstenaar. + +Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de +wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij +verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn +afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van +zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem +als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den +hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen, +broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om +zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af +om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls +ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit +zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang, +niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog +de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde +prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken +waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen +zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in +wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn +verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp +nauwkeurig en volledig als hij kon. + +Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde: +het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende +beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in +hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen +zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en +schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij +vervallen in schaamteloos cynisme. + +Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een +ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest. + +Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de +hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle +enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen. + +De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar +hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was +nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling +tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de +midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een +gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap, +den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij +voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het +ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op +het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen +der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren, +vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid +van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hùn +vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren. +Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat, +ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit +Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en +heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had +hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den +stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden +zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair +schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid +uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed. + +De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de +burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in +den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende +klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend +bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige +belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die +tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door +afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke, +en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende +richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit +'t een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der +speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet +de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en +verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was, +bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan +tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling +tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen. + +En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende +en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in +de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen +hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de +Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe, +zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen +en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den +koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de +republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon +vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen. +Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag +idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld +met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden +zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere +demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering +als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, +de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote +bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden, +maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen, +een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben +uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de +stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke +voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan +vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot +regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in, +naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer +dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en +vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden +dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden +die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen, +gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden +van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken +maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn +vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende +verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke +rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in +normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt +en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even +verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken +dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige +behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het +onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan +van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze +bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de +hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch. +Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en +toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het +wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk, +--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie +van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast +letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun +staatkundig evangelie was. + +In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen, +dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat +uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden, +den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en +op godsdienstig gebied. + +Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der +revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de +uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de +staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het +best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een +groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de +regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te +keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen +iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om +de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het +recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en +dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de +vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den +Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het +opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van +den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof +aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale +Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd, +dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan +slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn +goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen. + +Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken, +een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de +basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische +produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische +afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der +onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren +ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der +revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers +en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het +lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige +inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den +grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield. +In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn. +Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de +Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte +bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan +voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den +uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren +van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de +gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest +bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij +droegen niets van zijn wil meer in het hart. + +Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens +gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In +zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke +vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den grondslag +van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den +bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf +heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau +evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het +communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en +vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles +gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit +de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende, +waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest? +Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische +gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der +individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet +gekomen, maar wie ook slechts één stap verder ging, moest de zon van het +socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf. + + * * * * * + +In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau +leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn +pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging +en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had, +zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken, +mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de +revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, +over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, +zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en +bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen +van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden +maakten de kunst zoo. + +Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over +Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast +Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met +de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en +denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste +manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest +algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle +woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote +wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was +voorgegaan. + +Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in +Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele +richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken, +een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het +politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig +natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de +burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische +zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige +gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling +bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en +specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het +heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige +vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar +de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde +enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den +schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij +zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze +heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in +de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de +romantiek. + +Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele +banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en +het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den +geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte, +zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke +naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller, +zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp +bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring, +zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die +eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij +beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de +diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren +de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. +En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau. + +Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was +anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote +wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke +uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van +het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was +hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd +behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door +de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en +politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij +behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en +elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers, +tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken +gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en +geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer +van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke +liefde tot het leven, tot àl zijne verschijnselen. En al deze trekken, +die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller +geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke +literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de +psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle +Héloïse," der "Confessions" en der "Rêveries." + +Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche +schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest +wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der +anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid +van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke +gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog +te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar +doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder +fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester +Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in +tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de +sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed +gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het +communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat +Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen +lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen +te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te +scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne +gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de +eigenheid van zijn wezen. + + * * * * * + +Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele +levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen +van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind +en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten +overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige +idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel +dat zijn. + +De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie +maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door +reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de +inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den +dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij +bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de +grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke +ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen +bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd +zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig +denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel +belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en +gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische +dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende +proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten. +Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van +Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de +wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en +daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_ +toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van +doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis, +blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben +veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht. + +Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis. +Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd +en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze +en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting, +liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo +allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de +vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en +knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het +burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. +Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten +voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan +in de socialistische maatschappij. + +Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de +individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de +bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het +kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner +krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te +vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de +liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken +weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die +verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met +de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen +aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het +zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van +ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van +menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar +de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale +oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke +volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de +aarde. + +Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar +maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen +voorstelling had. + +Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude +afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden +zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige +menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in +vrijheid;--wanneer de onrust en de onvreê en de wanorde van onze dagen +den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan +zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere +verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier +menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat +de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen +hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en +Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen +vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen, +opgaan van den enkeling in het geheel. + +Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der +Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan. + + +NOTEN: + +[53] Ook Faguet neemt dit aan. + +[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse +een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame +kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken +man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet +opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te +komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen +en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in. + +[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen; +sommige biographen spreken van 1800 francs. + + + * * * * * + + +LIJST VAN ILLUSTRATIES + +Jean Jacques Rousseau +Thérèse Levasseur +Jean Jacques Rousseau +Rousseau aan het botaniseeren +Rousseau's Graf + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase “Project +Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg™ License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg™ electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the +Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg™ License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work +on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the +phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase “Project +Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg™. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg™ License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format +other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg™ website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain +Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works +provided that: + +• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation.” + +• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ + works. + +• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +• You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg™ works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right +of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you “AS-IS”, WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ + +Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™'s +goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg™ and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg™, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + diff --git a/old/12009-0.zip b/old/12009-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d412bfd --- /dev/null +++ b/old/12009-0.zip diff --git a/old/12009-h.zip b/old/12009-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9d8f661 --- /dev/null +++ b/old/12009-h.zip diff --git a/old/12009-h/12009-h.htm b/old/12009-h/12009-h.htm new file mode 100644 index 0000000..b4833f2 --- /dev/null +++ b/old/12009-h/12009-h.htm @@ -0,0 +1,10039 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" +"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl" lang="nl"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" /> +<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> +<title>The Project Gutenberg eBook of Jean Jacques Rousseau, by Henriëtte Roland Holst</title> + +<style type="text/css"> + +body { margin-left: 20%; + margin-right: 20%; + text-align: justify; } + +h1, h2, h3, h4, h5 {text-align: center; font-style: normal; font-weight: +normal; line-height: 1.5; margin-top: .5em; margin-bottom: .5em;} + +h1 {font-size: 300%; + margin-top: 0.6em; + margin-bottom: 0.6em; + letter-spacing: 0.12em; + word-spacing: 0.2em; + text-indent: 0em;} +h2 {font-size: 150%; margin-top: 2em; margin-bottom: 1em;} +h3 {font-size: 130%; margin-top: 1em;} +h4 {font-size: 120%;} +h5 {font-size: 110%;} + +.no-break {page-break-before: avoid;} /* for epubs */ + +div.chapter {page-break-before: always; margin-top: 4em;} + +hr {width: 80%; margin-top: 2em; margin-bottom: 2em;} + +p {text-indent: 1em; + margin-top: 0.25em; + margin-bottom: 0.25em; } + +p.center {text-align: center; + text-indent: 0em; + margin-top: 1em; + margin-bottom: 1em; } + +a:link {color:blue; text-decoration:none} +a:visited {color:blue; text-decoration:none} +a:hover {color:red} + +</style> +</head> +<body> + +<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of Jacques Rousseau, by Henriëtte Roland Holst</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online +at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you +are not located in the United States, you will have to check the laws of the +country where you are located before using this eBook. +</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: Jean Jacques Rousseau<br /> + Een beeld van zijn leven en werken</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Henriëtte Roland Holst</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: April 9, 2004 [eBook #12009]<br /> +[Most recently updated: March 28, 2023]</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> +<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Marc D’Hooghe</div> +<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***</div> + +<h1>JEAN JACQUES ROUSSEAU</h1> + +<h3>EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN</h3> + +<p class="center"> +<b>van</b></p> + +<h2 class="no-break">HENRIËTTE ROLAND HOLST</h2> + +<hr style="width: 65%;" /> + +<div class="chapter"> + +<h2>INHOUD</h2> + +<table summary="" style=""> + +<tr> +<td> <a href="#chap01"><b>EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd</b></a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#I.Ge">I. Genève aan den aanvang der XVIIIde eeuw</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#II.Ki">II. Kindsheid</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#III.De">III. De zwerver</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#IV.Gr">IV. Groei</a><br /><br /></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#chap02"><b>TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs</b></a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#I.Mi">I. De maatschappelijke en geestelijke beweging in Frankrijk omstreeks het midden der xviiide eeuw.</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#II.He">II. Het moeizame leven</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#III.De2">III. De eerste fanfaren</a><br /><br /></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#chap03"><b>DERDE HOOFDSTUK: De groote jaren</b></a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#I.Na">I. Naar de vereenzaming</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#II.De">II. De Katastrophe</a></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#III.De3">III. De werken der groote jaren</a><br /><br /></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#chap04"><b>VIERDE HOOFDSTUK: De laatste worsteling</b></a><br /><br /></td> +</tr> + +<tr> +<td> <a href="#chap05"><b>VIJFDE HOOFDSTUK: Waan en Vrede</b></a></td> +</tr> + +</table> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap01"></a>EERSTE HOOFDSTUK<br/> +JEUGD</h2> + +<h3><a name="I.Ge"></a>I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW</h3> + +<p>In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme +geboren was—de richting van het protestantisme die zich het scherpst +en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld—bleef het +maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen +bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had +gestuwd.</p> + +<p>Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen +bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genève, +terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar +heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de +XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van +verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken. +Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen +weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en +sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel +overschreed, dat is in diè landen waar de XVIIde eeuw een groote +expansie bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de +bloei der manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten +gevolg hadden;—waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een +deel der burgerij tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke +levensvormen tilde maar ook het proletariaat deed aanzwellen en de +vroegere, betrekkelijk geringe kloven tusschen de stedelijke klassen +zich haast plotseling tot afgronden verdiepten,—daar kon het kalvinisme +den staat niet blijven beheerschen, de maatschappij niet blijven +doortrekken met engen, onverdraagzamen, puriteinschen geest. Die geest +was in tegenspraak met de eischen en behoeften van het grootburgerlijk +leven. Het moest zich vergenoegen, in Holland als in Engeland, met ééne +in het spel der krachten te zijn die het karakter eener maatschappij +bepalen, en den godsdienst der lagere klassen te blijven, den godsdienst +van kleinburgers, handwerkers, visschers en boeren.</p> + +<p>Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten +handwerkersstand, maakte in Genève de ruggegraat der bevolking uit, en +wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon het +kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot +onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie. +De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt +van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en +levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens was +zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn. Van +kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren, en +de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare +gelijkvormige massa.</p> + +<p>Onder de ambachten was er één, van oudsher inheemsch in Genève, van +bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het +eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was de +horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den +handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten +der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en +beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun +beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen.</p> + +<p>De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer. Zij +verbond de stad, zoo geïsoleerd door godsdienst en regeeringsvorm +tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen die +dit bedrijf—toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht—doormaakte, +ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiëele +beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest +bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen +zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar +gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en +de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen.</p> + +<p>De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het +begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar +kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk, +die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven +zouden zijn weggespoeld.</p> + +<p>Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad +voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een +onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger +van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke +feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine +steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen +van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed +en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke +vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn, +werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield.</p> + +<p>Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de +meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genève de funkties van +kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke +theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de +kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten +voor het bewustzijn der burgers in één ongedeelden glans verschenen, +evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot +één gevoel waren samengegroeid.</p> + +<p>Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de +kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij +in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der +demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw +verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke +organisatie terug. De staat Genève was, schijnbaar, demokratisch. +Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was +in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de +Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de +bevolking van Genève, naar half middeneeuwschen trant nog—gelijk reeds +uit de namen, “inwoners, inboorlingen en onderdanen” blijkt,—verdeeld +was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de +“citoyens” en “bourgeois,” bezaten politieke rechten. Deze benoemden +in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van +belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en +bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den “kleinen,” en +den “grooten” raad. Het geringe aantal volmondige burgers—de “algemeene +vergadering” telde niet meer dan 1600 personen—maakte het +vertegenwoordigend stelsel onnoodig.</p> + +<p>In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der +gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de +oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie +die den “grooten” raad van tweehonderd en den “kleinen” van vijftig +uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer +bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het +“negatieve recht” aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere +groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd +deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad +vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den +kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in +Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan +het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd.</p> + +<p>De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de +bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook +dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide +raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het +burgemeesters-ambt leek haast erfelijk.</p> + +<p>Aan de burgerij bleef bij dit alles één troost: die van de +rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook +der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste +gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt, +overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genève schatten aan uit +Oost- of West-Indië, geen vermogens werden, door goede of kwade kans, +met één slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot +plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de +kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts +zelden voor.</p> + +<p>Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het +gemeenebest op ’t oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij +het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte +zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen, +door de regeerders streng onderdrukt.</p> + +<p>Was de politieke vrijheid in Genève, ondanks het verval der demokratie, +grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen +was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De +kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet +geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk +gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en +vrouwen, zoo fier op hun “vrijheid,” als kinderen: hun leven lang werden +zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen +tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met +kaarten in de hand, die duivelsblaren;—wie had meegedaan aan een +danspartijtje;—wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte in +het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht,—hij +kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd +onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of +zondares halsstarrig en weigerde vóór te komen, dan werd de groote +machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad +bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige +toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen. +Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken +mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone +teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de +zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig +avondmaal.</p> + +<p>Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het +leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door +den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk +katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van +voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle +spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en +trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen +door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename +karaktertrekken van het puritanisme.</p> + +<p>Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een +stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen, +oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt, dat +doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen +verstijven doet.</p> + +<p>Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse +zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden, +haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en +de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van +gemelijke norschheid.</p> + +<p>De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening +van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van +den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de +burgers van Genève, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan +de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het +gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die +voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit +wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het +kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner +kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun +nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de +godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den +hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner +gemeentenaren aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren +schare, geroepen God te bekennen onder de zedenlooze en losbandige +volken te midden van wie het lot hen voerde.</p> + +<p>Want van de burgers van Genève trokken vele, naar schatting wel één +vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden. +Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere +handen in verhouding tot het afzetgebied der stad.</p> + +<p>Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van +Fransche émigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over +Genève uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche +vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder +ontwikkeling dan de burgers van Genève bezaten, waar de oude denkvormen +allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en +verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er een +element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des levens, +van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische +regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten en +wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele +handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij door +grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren: de +oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen. +Genève exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie. +Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken +vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den +oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten +woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen, +waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge +wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende +weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt +niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk +bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden +daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers +trokken.</p> + +<p>Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de +hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken +of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het +protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van +aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden +ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken +hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de +gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht +in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid +verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen +de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd +het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze +mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die +voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen +en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat +gemeenlijk de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al +waren zij de aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen +beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en de +positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze +neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale +zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden +neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij elk +oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed. Want, +terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke +demokratieën de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn +eigen legervorm had voortgebracht—zoo niet overal in alles gelijk, toch +hierin wél dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking +samenbracht—had zich in Genève de demokratische legerorganisatie van +vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen—hoe zou +men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen—bezorgden de +burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en +vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare +mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke +oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroïsch verleden en +wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten, +uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk +stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel +militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremoniën deden +de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De +handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in +zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid, +van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts, +mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren, +eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden. +Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der +naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En +droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen +toga was.</p> + +<p>Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone +oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de +mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het +licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen +bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten +stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun +huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de +pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men +zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een +dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van +zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het +dagelijksch doen.</p> + +<p>Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog +zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met +beving in zijn stem: “o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de +burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en +eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde +landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genèver. Maar +nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien.”</p> + +<p>Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mèt de +ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wèl +bewaarde, was Jean Jacques Rousseau.</p> + +<h3><a name="II.Ki"></a>II. KINDSHEID</h3> + +<p>Zijn vader was uit een geslacht van fransche émigrés, van ouder tot +ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet +gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door +hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die +te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den “grooten +Raad.” De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot +<i>dizenier</i>, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn +stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging +weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen +niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken +staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en +ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman. +Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke +opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een +dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn +voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen +wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon +vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was +nog een zeldzaamheid in Genève, waar de trieste godsdienst lang alle +kunsten had onderdrukt.</p> + +<p>Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig +terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de +autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder +gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en +toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een +burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard +heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genève stamde, +bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader was +jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden +liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde, en +de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam bij +haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig en +blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en +zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk +zeventiende-eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en +levenslustig, daarbij bijzonder bekoorlijk, viel ’t haar niet licht zich +in de tucht van Genève te schikken, en de strenge zederechters in den +kerkeraad gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, +dat het jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad +had bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander +maal, dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een +noch het ander was oorbaar in Genève: het meisje moest tot rede worden +gebracht. Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en +onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten +slotte gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het +altijd.</p> + +<p>Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun +prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun +herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij +weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste +kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van +den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk +erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem, +gelijk zoovelen, de zwerflust.</p> + +<p>Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had +hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de “droevige vrucht,” +gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter +wereld.</p> + +<p>Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit +vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. “Geen koningszoon,” +heeft hij zelf getuigd, “kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij +gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving +en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend.”</p> + +<p>Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar +zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang +heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete +geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid +mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude +wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het +gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend. +Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet +deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te +zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar +toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond +er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze +omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip +hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in +dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen, +die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de +atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die +doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door ’t wezen dat ze +voelde: het geheugen van ’t gemoed.</p> + +<p>Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij +de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in ’t knaapje de +oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel. +Hij beheerschte zich weinig; als hij ’t kind aan zijn hart sloot en met +hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote +teerheid ’t verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei: +“we zullen over moeder praten,” antwoordde het knaapje, “dan gaan we +schreien, vader.”</p> + +<p>Zoo’n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van +overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac. +Zoodra Jean Jacques lezen kon—hoe hij ’t leerde wist hij zich niet te +herinneren—toog zijn vader met hem aan ’t lezen van de romans die +Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd +gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld, +vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw +kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van +romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: “ik ben nog grooter kind dan +jij.” Jean Jacques was toen zeven jaar oud.</p> + +<p>Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind +zich veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een +eng-omsloten levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en +wijde uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen +vriendjes en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong +naar Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde +te veel met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen +anderen dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe +meid.</p> + +<p>Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een +ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem +het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen ’t +haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid +zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de +vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen +ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch +gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De +gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;—natuurlijk, +want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der +middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn +wezen en werd een deel daarvan, voor goed.</p> + +<p>Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon +vonden in de boeken van Suzanna’s voogd, den predikant, afkomstig, nieuw +voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet, +Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid +open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van +rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was +een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te +redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond +van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn +oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden +langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid, +groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de +oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig +blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wèrd Aristides, hij +wèrd Brutus, hij wèrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem. +Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van +zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde, +die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor +de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen, +gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren, +en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat +tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden +versmolt in zijn hart tot één gevoel, met de liefde voor de vaderstad en +de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers +van Sparta en Rome en met hun roem.</p> + +<p>En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en +kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn, +toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de +gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden. +En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen +opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten +zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne +tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij +burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud +en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een +grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde +en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden +zij zich in het heroïsche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte: +hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen +schooner toe.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht—een +hartstochtelijk jager was hij—twist met een zekeren kapitein Gautier, +die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac, +prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden +ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn +zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete, +drie maanden gevangenis, en op de knieën vergiffenis vragen. Maar Isaac +achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich +voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genève maar buiten het +stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn +kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor +hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean +Jacques in de kost bij een dominé in Bossey, een dorpje op Geneefsch +gebied aan den voet van de Salève. De Grieken en Romeinen raakten op den +achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad +uitvoeren en werd, voor ’t eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde +ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten, +in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in +zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart +tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn.</p> + +<p>Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en +kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde +als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het +zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje +Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk, +kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar.</p> + +<p>Aan ’t eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok +waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje +hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van +onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet +misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid +van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen ’t +kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld +als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen +in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten +herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als +een ongebruikte veer.</p> + +<p>Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn +door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen. +Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet +voorbij.</p> + +<p>Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de +grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer +als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende +liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad +hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen. +Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de +onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf +wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de +eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn +verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks +pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete +verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel.</p> + +<p>De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote +proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en +brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoïcyns: zoo zij niet +ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In ’t verdragen was +hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in +herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang +nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog, +als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der +herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg, +het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd.</p> + +<p>Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige +depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de +bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte +uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit +óók geleden hadden, verstrengelde zich met hùn gevoel. Wanneer hij van +af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van +triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten +balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen +zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij +zijn verontwaardiging òmsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene +oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke +ongelijkheid.</p> + +<p>De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte +gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar +Genève terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden: +horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de +nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten. +Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen +liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond +hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem +een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn, +dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn +met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en +traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare, +warme verwarring van het onderbewuste.</p> + +<p>Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man +nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het +ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was +dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon.</p> + +<p>Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch +zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar, +zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en +meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en +moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij +zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden +en omgeving van hem maakten, dat was hij.</p> + +<p>Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in +hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. +Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, +gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de +ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van +overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren +onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun +liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, +hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als +een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden +van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, +verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in +verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later +dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten +tijd was vervallen.</p> + +<p>Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in +de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage, +waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk.</p> + +<p>Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer. +Alles om hem werd kil en grauw.</p> + +<p>Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor +goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean +Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan +en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en +voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding.</p> + +<p>In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk +gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En +omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van +anderen.</p> + +<p>Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met +razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van +zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken +te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien +waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster +hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de +liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte +hij uit schaamte.</p> + +<p>Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om +het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar in +’t bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den +handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij, +voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der +zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met één stukje dezer laatste +innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer, +leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld +kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat.</p> + +<p>Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman +geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper +eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam +om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te +leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn +vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem +vertrouwden levensstaat.</p> + +<p>Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang +duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht +op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde +de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat +afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten +gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft +en zóó fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet +terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de +brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich +in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te +keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen +Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar +zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden.</p> + +<p>Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de +wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen +ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze +eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in +den strijd om het bestaan.</p> + +<p>Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid.</p> + +<h3><a name="III.De"></a>III. DE ZWERVER</h3> + +<p>Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan. +Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de +kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen, +die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand +slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de +minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen +zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich +kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete +bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging, +rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde +zich baden in vrijheid.</p> + +<p>Die droomen waren—droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn. +Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den +oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te +zamen de lijnen vormend die wij noemen “maatschappelijke +verschijnselen.” Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, +een werking van dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem +na zijn vlucht ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, +die hem kende en de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen +buiten ’t grondgebied van Genève, of hij was bij den erfvijand, in ’t +land der hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens +gepoogd de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele +malen, telkens weer. Maar ’t was hun nooit gelukt haar te vermeesteren +en de veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd +verder met andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte +spinnen hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genève, zij +lagen op de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er +werden vele bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen +van bestaan zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij ’t +wist.</p> + +<p>De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling +na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het +bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap +met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het +hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te +winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame, +die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinië leefde. +Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters: +haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten +uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de +hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het +katholicisme.</p> + +<p>Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij +achterhaalde haar op ’t pad dat de beek langs, van haar huis naar de +kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude +kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen, +lieftallig schoon en jong.</p> + +<p>Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert +zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar +bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was. +Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en +weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur +bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar +teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk +als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet +alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van +lieftalligheid.</p> + +<p>Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd +geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart. +Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als +twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden.</p> + +<p>Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar +later—het waren de laatste woorden die hij schreef—dat het zijn leven +beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen +voortgebracht. Zij bond hem met den éénen band waartegen hij nooit in +pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare +gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen +zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hàre zachtheid ... dat was +het geluk.</p> + +<p>Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en +later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning +die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al +heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in +haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem +terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de +geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk +werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem +te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde +zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde +hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem +gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk.</p> + +<p>Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming. +Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn +hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en +toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en +kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij +in minne zijn moeder.</p> + +<p>Zij was wel een wonderlijke achttiend’eeuwsche heilige. Kuischheid +beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar +geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en +zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke +jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht, +maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden +voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid, +haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat +een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens +over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke +plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de +Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in +groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over +het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp. +Spoedig volgde haar bekeering.</p> + +<p>Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau +bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden +haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles +proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en +daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van +aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van +Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te +exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat +al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien +zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen, +wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het +einde de finantiëele ruïne en de moreele ondergang, na jaren van al +nijpender schulden en al dreigender gebrek.</p> + +<p>En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust, +de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig +die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien, +zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden +der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij +stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar +ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen. +Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij +verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest.</p> + +<p>Hij, eenvoudige burgerknaap, zóó gesprongen uit het zwarte hol van zijn +leertijd, had haar ’t eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring +en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot +fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid, +in verheerlijking—dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel de +oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar +vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en +vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven +effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van +onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van +harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij +haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke +tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door háár gelukkigen +jongelingstijd.</p> + +<p>Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn, +om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van +zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn +kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid? +Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de +burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk +leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke +gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete +begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen +zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan +de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone +vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar +verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit, +aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe +schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, +genietend, juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn.</p> + +<p>Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij +wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren +zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij +is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het +bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust +van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt +tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in ’t nauw te brengen +met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het +geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man +van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na +vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone +droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de +paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden. +Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem +gehouden kollekte, en zetten hem op straat.</p> + +<p>Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de +weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij +de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren, +zoo goed en kwaad als ’t gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie +hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de +schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer ’t tot +een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles +af.</p> + +<p>Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt +zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet, +maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinië +was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der +italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem, +muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang +ontwaakt.</p> + +<p>Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij +wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft +zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat +nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den +jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt, +geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een +keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en +die hij in ’t minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem +het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de +“Confessions”, schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn +aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit.</p> + +<p>Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op +een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat +zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te +verwachten valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, +een geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als +sekretaris, zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met +wien hij bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten +levensernst, zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, +geeft hem goeden raad, tracht zijn naïeve, onstuimige bewondering voor +de ijdelheden der wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen +dubbele vrucht: zijn gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn +verheerlijkende verbeelding herschept de herinnering van den +zacht-peinzende jongen priester tot de groote gestalte van den “Vicaire +Savoyard,” figuur die een zeer belangrijke faze verpersoonlijkt in de +ontwikkeling van het godsdienstig denken.</p> + +<p>Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon’s behoeft in +hun diplomatieke carrière een begaafden, schranderen, eerzuchtigen +jongeling gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer +los.</p> + +<p>Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen +avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan +toe te geven hem in ’t bloed zit. Hij wil, hij moet met Bâcle mee, hij +moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch +maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn +nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door ’t +vertoonen van een “wonderfonteintje,” dat wijn uitspuit nadat ’t +schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen.</p> + +<p>Een paar weken geniet hij ’t vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt +hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen, +neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de +Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet +de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij +ontvangt den “arme kleine” met een glimlach en een meedoogend woord; een +bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde, +maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd +weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer.</p> + +<p>Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later +getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij +gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting +verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond +was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem +veerde, altijd meegaf, een donzige wolk.</p> + +<p>Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de +liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, +alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen +gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke +verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem +levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens, +verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de +vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven +schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het +moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij +toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde.</p> + +<p>In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan +wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als +passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte +overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens +was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders +heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de +hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft +hij getuigd in de “Bekentenissen”, kent niet de zachtste zachtheid des +levens. “Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar +duizendmaal heerlijker, dat somtijds wèl, somtijds nièt samengaat met +liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is +teederder; ik kan mij niet denken, dat ’t zou bestaan voor een wezen van +hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en +toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld.”</p> + +<p>Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat ’t hart niet +doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een +vrucht in zomertijd, was ’t sterkste element, ’t wezenlijke in de liefde +van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien.</p> + +<p>Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de +tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende +kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap, +polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon +goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan +weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en +literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche +prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje +van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en +ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er +te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar +hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar +het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen, +de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en +te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn +weekheid paste: het zachtaardige, poëtisch milde, vage christendom van +Fénélon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een +donzen bed. Het piëtisme was al voor het begin der eeuw van uit +Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje +een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beïnvloed +geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God +verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel +behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een +verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die +gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend +geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de +donkere gewelven van zijn gemoed.</p> + +<p>En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die +hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de +schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname +stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn +middeleeuwsche torens en stille, in ’t meer mondende kanalen een +provinciaalsch-verkleind Venetië scheen, en de natuur waarin de +bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn +kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de +hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den +bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de +gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan +Genève, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder +de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste +rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op +den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap +was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italië, +een bad van vrede en harmonie.</p> + +<p>Dit land werd één met zijn ziel en één met zijn liefde. Had hij niet +langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen +geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van +altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls +gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van +liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer.</p> + +<p>Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op +te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de +verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en +de uitspraak luidde, gelijk zij in Genève geluid had: de knaap is zeer +zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de +ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in +’t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de +zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet +leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf +verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd +weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem +aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang +opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek +verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en +studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet +afgesneden van de liefste, zooals in ’t seminarie: de zangschool voor de +koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar +verkeeren. Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de +prikkelbare musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te +verlaten. Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, +was zij hem behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den +huisvriend zou vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus +in Lyon op straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, +krijgt opnieuw een van die plotselinge opwellingen, waartegen de +jongeling niet geleerd heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, +zonder zich verder om den zieken meester te bekommeren. Als een duif +naar zijn nest, vliegt hij naar Annecy terug, maar Mme de Warens is +verdwenen; de eene of andere politieke intrigue waarnaar Rousseau haar +nooit gevraagd heeft, riep haar naar Parijs. Hij verwijlt nog een poosje +in Annecy, zonder bezigheid en zonder middelen. In dien tijd van +doelloos onrustig leven valt hem in den schoot een dier schaarsche dagen +van volkomen gouden geluk, wier herinnering nooit in den mensch verloren +gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, lieflijke meisjesgestalten, +de eene teeder en peinzend, de ander meer lachend-schalks, beide +aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in den vroegsten morgen, +eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen over de beek, zij +lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. Achter de eene stijgt +hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij beeft van verrukking. +En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van zon en geur en vogels; +en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk landelijk maal in +de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het kersen-eten, +die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag van morgen +tot avond één bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van glans. +En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de herinnering +in zijn gemoed, warm en zilv’rig; zij leeft voort en rankt en rankt in +’t onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen in ’t +licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het +vriendinnen-paar Claire en Julie.</p> + +<p>Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit +door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de +kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar +Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich uit +voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een +muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig +bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met +een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den +muziek nog bijna geheel onkundige, een “kompositie” van zijn hand voor +orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen, +schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt, +dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij. +Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor +een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor +het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant in +Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen +officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt +de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel +oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij, +zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een +dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt de +natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de +lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest +te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye +is teruggekeerd en zich te Chambéry heeft gevestigd; daar vindt hij haar +en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is +ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven +gaat beginnen.</p> + +<p>Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genève vluchtte; hij was nu +twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en +iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den +toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde +levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de +scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; soms +zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn +vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren +vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de +volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij, +geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar +de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel +gebleven.</p> + +<p>Een vrije vogel—zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der +blijheid; in de schaduwtaal heet het “hij was een déclassé geworden.” +Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij +stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn +afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het +bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de +dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en +eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar +gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens +van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter +tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen, +waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef +zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen +te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer +kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met +de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien +omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk +wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeën niet beïnvloed hebben. +Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote +prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke +gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen +er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor +wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de +mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig +leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en +lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had +verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens +duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit +de groote wereld als “knecht” behandeld te worden; die angst, niet +burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem +plotseling vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, +takteloos-grof.</p> + +<p>Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker, +die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletariër. De +misère had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als +den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven +dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij +de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren +had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers, +voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem +meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de +volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden, +onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als in +Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig, +menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der +groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog +meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het +volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door +ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte, +aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar, +zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat +knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was +hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar ’t +allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder +van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des +konings, die ’t weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet. +Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn +arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet +ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den +nadenkenden gast ontkiemde “de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers +van het volk.”</p> + +<p>Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer +van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke +verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die +ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn +bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der +massa’s waren saamgegroeid tot één gevoel.</p> + +<p>Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke +ervaring en persoonlijke waardeering.</p> + +<p>Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambéry neerstreek. Wat hem +ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed +fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige +wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn +handelen.</p> + +<h3><a name="IV.Gr"></a>IV. GROEI</h3> + +<p>Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij +een werkkring voor hem gevonden had op ’t kadaster. De vrije zwerver +werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij ’t werk-zelf en de +bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij ’t een poos uit, +waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe +natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis. +Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn +levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was één +kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der +dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets +of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn +eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij +te blokken op het “Traité de l’Harmonie” van Rameau, een dik boek en +duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een +zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der +harmonieën den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een +schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle +kombinaties en finesses van ’t nobele spel te bestudeeren en speelde in +zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten +kwam en naar een café holde om zijn kracht met andere schakers te meten +was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit +ontmoedigde hem niet.</p> + +<p>Chambéry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke +administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in +krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met +verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar +neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie: +magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan +sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had +omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam +Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich +interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan ’t +opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven +van Voltaire—wiens zon toen hoog aan den hemel klom—aan den koning van +Pruissen, Frederik de IIde, en de “Philosofische brieven over Engeland,” +van den gevierden schrijver; ’t eerste werk, dat de aandacht van ’t +denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieën +van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een +nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles +wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die +liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het +uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambéry trokken, wond +hem dat heftig op. Voor ’t eerst ontwaakte zijn belangstelling in het +openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht +naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe ’t zijn vrienden verging.</p> + +<p>Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een +koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de +aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig +voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige +oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde +voelde ’t gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet +verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij +haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij +niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was +vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en +Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding +zacht en vloeiend te maken, die ons in ’t algemeen even onvereenigbaar +met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In +volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieën +vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde +de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn. +Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering.</p> + +<p>Maar het inniger samenleven, getweeën, van minnaar en liefste, kwam +toch, want Anet stierf en de droomerige “kleine” stond voor de taak, die +de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en +de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde +hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme +Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint, +sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de +ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken +wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiëele ondergang in +’t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg +voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens +een poosje van huis; naar Besançon b.v., muziekles nemen bij den +kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte +natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist ’t, maar wat zal +men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambéry.</p> + +<p>Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke +muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol +intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders +te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn +oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en +overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in +verzen uit het jaar ’41, “l’Epitre à Parisot.”</p> + +<p>Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, ’t +scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar +groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn +krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambéry was veel minder +aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het +aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de +hoofdstad van heel Sardinië geweest. Het huis van Mme de Warens lag in +een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest.</p> + +<p>Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem +goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille. +Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar +hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur +buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol +meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra ’t voorjaar kwam, +heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar +dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij ’t +eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis, +idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog +over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten +aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en +het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij +rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een +dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende +bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met +geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en +der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die één +werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als +een deel van ons voort in ’t universeele leven. Want hij was, met eenige +engelsche dichters, de eerste die uitspraak ’t moderne natuurgevoel.</p> + +<p>Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle +tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld.</p> + +<p>Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom, +worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid, +de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les +Charmettes was hij voor ’t eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor +zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur +geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich +voelen worden één met haar. Het was hem als snoof hij weer in de +frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de +honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der +duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door +den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven, +kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een +pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel +gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig +willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar +buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij +lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond +weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar +waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen +steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen, +ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten, +daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den +boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de +duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de +ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de +sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en +nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over +alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde +niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem +de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder +en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij, +starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der +jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen. +En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere +jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les +Charmettes opsteeg, samen tot één droom.</p> + +<p>In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar +strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde +had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den +groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten +van zijn wezen waren er veel gerijpt.</p> + +<p>Toen Rousseau in den zomer van ’37 van een kort verblijf in Genève waar +hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen, +terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke, +rumoerige jongeman, een “kappersjongen,” zooals hij Wintzenried +verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk +geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de +ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en +voor alles—in één woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel +had hem half verdrongen in ’t hart der geliefde; hij de oudere, moest +deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de +tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den +medeminnaar “broeder,” verzoende zich met hem na ’t eerste heftig krakeel; +de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kòn de geliefde niet +deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn +jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn +opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een +verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te +leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet +elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In ’t najaar +van ’37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een +hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte +aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een +Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde +hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in +zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet, +en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen +’t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier +gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust +en ging rechtstreeks naar Chambéry terug: voor ’t eerst in zijn leven +voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening.</p> + +<p>Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende +twee jaar, van 1738 tot ’40, bracht hij daar bijna geheel door, ’s +winters alleen, ’s zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op +de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; ’s avonds versponnen de +boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd +geweven voor het lijf-goed van ’t gezin. De wijn-oogst in ’t najaar was +een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den +haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude +liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij +hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzié, wat +ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man +en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der +menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel +aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij +bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven, +probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te +bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist, +had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot +hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van +werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descarte, +Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke +werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis, +fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde; +reeds in Chambéry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij +een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen +te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een +toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de +wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering +uitgezonden naar Centraal Amerika en naar ’t hooge noorden, om +aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het +studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal +boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu +niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel +beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast +door alle verduistering; hij zag de finantiëele moeilijkheden voor Mme +de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen +helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar +de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v. +sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende +hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur +in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was +het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat +vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis “niet slechts den +geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid.” +Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de +zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn +gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig +te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft +gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot +godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad +dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden wat +zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht +vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de +Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield +daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in ’t eeuwige +leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche +leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had +eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die +godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering +des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale +verwaarloozing van dogma’s en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig +respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in +één woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig +leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een +persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het +best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er +verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen in +de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te +vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in het +land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk +gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid.</p> + +<p>De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok +niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe +na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit +ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te +gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee +kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn +denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner +leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies, +met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde. +Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen +te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld +genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook +moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte +aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd. +Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels; +hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele +maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie +der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw +notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem +voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking +der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, het +onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de +“teederste aller moeders”—want dat blijft zij voor hem—al haar zorgen +en offers kunnen vergoeden.</p> + +<p>Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen +sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische +ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend +komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over +opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder +persoonlijk accent: dat is alles.</p> + +<p>Maar alle kiemen—op één na—van den man dien hij worden en van de +werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn +leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In +zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie, +de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner +jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de +verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk +individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren +van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem +overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn +met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te +leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in +Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar +in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het +vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van ’t eigen gemoed, de +eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en +doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner +jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en +onsterfelijkheidsgeloof.</p> + +<p>Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en +stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was +getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets +vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend +van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart.</p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap02"></a>TWEEDE HOOFDSTUK<br/> +PARIJS</h2> + +<h3><a name="I.Mi"></a>I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK<br/> +<span style="margin-left: 1.5em;">OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW.</span><br/></h3> + +<p>In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de +absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en de +bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling +tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het +ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en +zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het +tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door +geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in +hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen. +De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeën die als de +omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden.</p> + +<p>Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk +de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft +tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den +absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de +intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie.</p> + +<p>Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door ’t vernietigen +van de feudale maatschappij-vormen en ’t knotten van de politieke macht +van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die +aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze +zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een +rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten +tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van +monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het +absolutisme de moderne industriëele, commerciëele en finantiëele +bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn.</p> + +<p>Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der +nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het +Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier +Law om de hopeloos ontredderde finantiën der absolute monarchie door de +methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de +been te helpen. Zijn scheppingen—het papiergeld, de koninklijke bank, +een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal—liepen uit op +den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiëele katastrophe die +de 18de eeuw, die eeuw waarin ’t jonge kapitalisme, schuimend van +overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn +eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende +methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat, +beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door +’t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa +voortooverde, opgewekt—avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs +dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de +poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen—was de moreele +uitwerking der finantiëele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een +millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruïneerd. Gelijk +bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben +dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot +gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon +sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te +halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden +morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden +zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste +maal werden de massa’s betrokken in een algemeene politiek-sociale +beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten, +hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen.</p> + +<p>Law’s koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het +reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te +bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en +lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in +hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen +ze,—maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw +besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken +welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke +gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden +gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken +staat, zacht en onschuldig lijkend als ’t paradijs vergeleken bij de +zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige +betoovering aan van de tropische streken; “de eilanden” gelijk ze in den +volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk +waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen, +waar elkeen van een droomt.<a href="#fn1">[1]</a></p> + +<p>Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot +velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789 +doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provinciën, +althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met +den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal +verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt +opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder +reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld +kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en +geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de +staatsfinancieën hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van +alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven. +Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zóó maken dat de +bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot +stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen.</p> + +<p>Schijnbaar blijft, na Law’s val, van zijn hervormingen en +hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en +uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang. +Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der +klasse-verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude +vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vóór het midden der +eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: “Alle symptomen, de nadering +van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis +ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in +Frankrijk.”</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit, +dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties +meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie +het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze. +Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der +rijks-finantiën, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om +een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De +uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht, +omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. +reusachtig, en ofschoon de uitgemergelde massa’s àl zwaarder belast +worden, het deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft +groeien tot alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen +hulpeloosheid, haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de +monarchie ten slotte noodzaakt tot den stap die haar eigen val +tengevolge moet hebben: de bijeenroeping der Algemeene Staten. +Revolutionaire bezems alleen kunnen den augiusstal der administratie, +dat broeinest van geknoei, verkwisting en korruptie, schoonvegen. Onder +Lodewijk de XVde slokt deze een groot deel van de staatsinkomsten in, +zij biedt aan de bevoorrechte klassen een haast-onbegrensd gebied tot +het botvieren hunner parasitaire lusten.</p> + +<p>De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30 +millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van +pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de +provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per +jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)<a href="#fn2">[2]</a> Een vijfde +van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn +politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster +aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn +maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij +grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het +platteland, waar hij weleer ’t eenvoudige, stalende leven der feudale +tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden, +verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende +burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te +zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen +staat.</p> + +<p>Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote +maatschappelijke parasiet, de “eerste stand in het koninkrijk:” de +geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat +de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft +gemaakt;<a href="#fn3">[3]</a> in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de +zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is. +Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf +nog grooter dan zelfs in de hofkringen.<a href="#fn4">[4]</a> Haar ekonomische macht is +verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige +schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw één derde van den +bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van +de voornaamste belasting, de “taille,” (grondbelasting), haar bezit +immers dient “Gods glorie en der armen welzijn.” Haar dubbele +bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat +zoo goed als geheel aan ’t meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van +haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes +toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in +dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te +werpen.</p> + +<p>Wanneer in 1750 door ’t land een zoodanige beroering gaat, dat een +revolutie op ’t punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende +verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt, +stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan ’t +hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en +rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van +den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der +regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal +geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat +deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld +zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een +wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot +besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het +verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. over +de zoogenaamde “Charité” (de administratie van het armwezen, de +hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs.</p> + +<p>Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het +burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de +kerk keerde, dat het woord “écrasez l’infame,” tot het parool van zijne +propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het +oude régiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur. +Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar +ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde +in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar +bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst +gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte +het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere +verdrukkers en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, +dan konden zij zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke +dienstbaarheid was voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de +politieke overwinning.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land +en de “petites maisons,” die gecapitonneerde nesten van ontucht in de +buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de +adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit de +oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en +pruikenmakers, hun maîtressen en koks bij duizenden medevoeren; uit alle +verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie +omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het +romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle +levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen, +hetzij de natuurlijke lichaamsvormen òmscheppend tot artificieele +gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst: +schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het +geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de +“mouches” bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard +bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt +uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de +XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige +behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een +labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt. +Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen òf de +weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, òf zich bij +die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich +nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale, +koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crébillon, uit de met +melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van +wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen +omdartelen. De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel +meest-volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: +ziedaar het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het +wezen van hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog +slechts één inhoud; jaagt één doel na: geile genotzucht. Het ontbindt +zich in wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder +verteedering, zonder verheffing.</p> + +<p>Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze +liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die +niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van +Lodewijk de XVde schrijft d’Argenson: “het hof lijkt een bordeel; de +appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men +ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij, +en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen.” De echtelijke +trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen +den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man +gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud, +waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het +menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft +leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. “De liefde, de +behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het +eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag” (d’Argenson).</p> + +<p>Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met +hunne maîtressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde +bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen, +bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk +van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de +schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde +intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde +zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der +schrikkelijke verveling, de “ennui,” de doodelijke levensleegte die de +ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in +ontaarding.</p> + +<p>Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele.</p> + +<p>“Er zijn geen mannen meer,” roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van +Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren—d’Argenson +noemt hen “ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,”—sleept +Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit +het gehavend te voorschijn komt; de koloniën gaan verloren, het +koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers; +alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan +de zijde der oppositie.</p> + +<p>Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht +en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden, +te vermaken en te verstrooien,—om hen her- en derwaarts te voeren van +de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de +hen steeds najagende verveling,—om hen te bedienen, hun wenschen te +voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen—om de +dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de +stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de +zoetelijke geuren eener veile kunst—daarvoor weeft en borduurt, holt en +rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel +leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en +meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de +mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld +aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het +grootste deel der 32.000 Parijsche prostituées, leven en sterven veracht +en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest +getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van +de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest.</p> + +<p>Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en +onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte +van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine +burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende +handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd. +De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog +meer.<a href="#fn5">[5]</a> Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun +scharen van honger; in 1753, meldt d’Argenson, stierven in één maand +tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.<a href="#fn6">[6]</a></p> + +<p>En toch is het lot der volksmassa’s in de steden nog dragelijk, +vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, de +koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt het er; +in jaren van misgewas zorgt de regeering ’t eerst voor de +approvisioneering van Parijs; op ’t punt der belastingen is de kleine +burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse.</p> + +<p>De boeren—op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle +lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden +vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige +uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De +heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug +betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan +laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot +instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer, +die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze +overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt +zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het +finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het +uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden +zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die +wolven, bevindt zich de koning.</p> + +<p>Sinds de dagen van den “Zonnekoning” overmatig belast, moet de boer in +elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan +een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven +langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt, +in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde +verminderd. “De boeren vreten gras,” teekent d’Argenson telkens op; +“sedert een jaar vreten zij gras,” “de menschen sterven als vliegen, de +ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles.” Vreeselijk +drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote +wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of +breken uit, omstreeks ’t midden der eeuw, in de Pyreneën, in de +Provence, in Languedoc, in Bretagne, in Gruyère, in de omstreken van +Rouaan enz. enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op +en tracht de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze +van de provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. +Een poosje blijft het dan weer stil.</p> + +<p>De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de +epidemiën en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de +opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt—het is +alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in +de sfeer van de “mouches” en de gepoederde pruiken, van de goudstralende +toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feërieke +illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende, +sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die +deze lustverblijven bewonen—het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van +die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in +genietingen, stikkend in geilheid.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Naast en dwars door ’t verval der absolutistisch-feudale klassen heen, +gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische +vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei +van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn.</p> + +<p>Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt de +groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de +bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der +koninklijke bank (Caisse d’Escompte) enz. Deze groep moet sommige +misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute +monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig +bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de +openbaarheid en goede administratie der rijks-finantiën; maar aan de +andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de +ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de +monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar zit +tevens vast aan het oude.</p> + +<p>In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de +pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen +van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke +geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun +zonen ruïneeren zich als de zonen der edellieden door maîtressen en +paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd, +maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate: +het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid +van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en +terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken +van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van +bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte +haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van +de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige +is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe +koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.<a href="#fn7">[7]</a></p> + +<p>De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn +vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het +verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeën. Haar +salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de koene +ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: weldra +omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als hùn +levensleer.</p> + +<p>De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze +vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten +achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van +het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vóór de revolutie. De +overgang van handwerk tot manufaktuur<a href="#fn8">[8]</a> wordt o.a. verlangzaamd door de +buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen +der Régence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor +een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te +voltrekken.<a href="#fn9">[9]</a> Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde +voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de +bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat +zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine, +de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in +Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Réaumur, +Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet +langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon +neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering van +den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan de +verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der +belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving en +afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de +Encyclopedie—Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle +mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te +stellen,—getuigt van de geniale intuïtie van den veelzijdigen publicist, +wiens “prophetisch instinkt” hem leidt tot de verheerlijking van het +machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de +industrie.<a href="#fn10">[10]</a></p> + +<p>Grooter dan die der industriëele, is in dit tijdperk de vooruitgang der +handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel +verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20 +tot 616 millioen in de jaren 1749-55.<a href="#fn11">[11]</a> Is de finantiëele bourgeoisie +in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een +aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon, +de Normandie, het Beneden-Rhônegebied enz. De voornaamste havensteden +worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van +revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den +zevenjarigen oorlog—veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de +onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de +desorganisatie van het leger, in één woord: door de algemeene dekadentie +van het oude regiem—, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie. +Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indië, Senegal en Canada; ook de +Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de +oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd—vooral +toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de +oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuïeten in +1763—het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde +half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie—had tot aanleiding het +bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine +Antillen had geakkapareerd.<a href="#fn12">[12]</a></p> + +<p>Maar niet deze “oude bourgeoisie” der magistratuur was de voornaamste +draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de +natuurwetenschappelijke, staats-rechtelijke en philosophische +geschriften der Encyclopedisten een diepzinnige, meesleepende en +schitterende uitdrukking zou vinden. Al liggen de parlementen van Parijs +en van de provincie bijna de geheele regeering van Lodewijk XV door in +strijd met de monarchie, meestentijds over belastingkwesties, al dragen +zij hun redelijk deel bij tot het ondergraven der koninklijke macht, men +moet zich hoeden hun strijd van den beginne af aan als een deel der +algemeene worsteling van de opkomende tegen de ondergaande klassen te +beschouwen. Integendeel: aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de +oppositie van een reaktionair gezinde groep tegen de centraliseerende +werkingen van het absolutisme, dus van het element van vooruitgang +daarin, en beteekent de pogingen dezer groep, haar vroegere macht en +invloed terug te winnen. Eerst wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het +verval, de ontbinding van de regeering en van alle officiëele +instellingen en denkbeelden hun hoogtegraad bereikt zullen hebben, +wanneer de revolutionaire gezindheid al wat maar even levenskrachtig is +heeft aangegrepen, krijgt het verzet der parlementen tegen de monarchie +een beslist revolutionair karakter. Van hen gaat de eisch tot het +bijeenroepen der generale staten uit.<a href="#fn13">[13]</a></p> + +<p>De dragers der nieuwe ideeën, der revolutionaire aspiraties waren, +omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke +groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiëele +bourgeoisie en het burgerlijk intellekt.</p> + +<p>De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun +maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de +intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de +officiëele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid +van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen +tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak +van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig +had uitgelaten, door een “lettre de cachet,” zonder vorm van proces, in +de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de +geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als +Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire +waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden +den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn. +Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den +strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de +machtsverheffing der bourgeoisie voor.</p> + +<p>Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de +oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische +ideologen, als Fénélon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de +misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na +het Regentschap door d’Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een +voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den +eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in +het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot +’31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de “Club de +l’Entresol,” de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het +land waarvoor de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter +werd. Hoewel de werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter +droeg, verontrustte zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte +aan de bijeenkomsten een einde maakte. Nog vóór de stichting der “Club +de l’Entresol,” in 1721, waren Montesquieu’s “Lettres Persanes” +verschenen, een klein boekje waarin, onder een mom van luchtigheid en +scherts, een onmeedoogendloos-felle kritiek op absolutisme en +katholicisme werd uitgeoefend.</p> + +<p>Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en +philosophische oppositie echter eerst in de jaren ’40. De agitatorische +concentratie der nieuwe ideeën in de Encyclopedie, het “algemeen +handboek van de verlichting,”<a href="#fn14">[14]</a> bereidt zich voor. Van nu af aan +zullen deze ideeën zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van +het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire +bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche +wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs “tot +één philosophisch individu vereenigd”<a href="#fn15">[15]</a> de nieuwe wereldbeschouwing +opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust. +Niet om de “zuivere wetenschap” is het hen te doen,—evenmin als ooit +en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse—maar, hetzij zij +de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot +uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegiën van adel en +geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; om +de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; om +de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de +instelling van een konstitutioneele regeering;—met één woord, om de +praktijk, dat is <i>om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen</i>, +in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. “Het doel van +den mensch is de daad,” schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar +aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn +moraaltheorie de leer opstelde “het doel van den mensch is het genot.” +Vóór alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der +bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie +der machten van het ancien régime, maar ook door haar decadentie is +aangestoken;—vóór alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid +dorstende klasse.</p> + +<p>Voltaire—hij ’t eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het +revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land +waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis +met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche <i>praktijk</i> ontleenen +de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de +beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als +eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche <i>wetenschap</i> +ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische +denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de +wijsgeerige ideeën van het tijdperk der verlichting het helderst en +volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten +streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten uit +de deïsten het begrip van een “redelijken godsdienst” die geen +openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire +volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der +mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen +deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo +worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats +van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.<a href="#fn16">[16]</a></p> + +<p>Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en +haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken +—immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de +engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de +positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke +ontwikkeling—ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen +hartstochtelijken strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. +Naarmate de klassetegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn +der bourgeoisie groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar +leer steeds radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der +ervaring zich met de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, +omdat de kerk zich aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat +voor de fransche philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar +praktijk, in het middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is +de geweldige burcht der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, +sociale en ideologische macht, in werkelijkheid de sleutel tot de +verdedigingslinies van het ondergaand regiem.</p> + +<p>De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en +evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname +stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is +Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van +dien tijd—de finantiëele—belichaamt hij als geen ander, als geen +ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge +grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit +geladen, La Mettrie, Helvétius en Holbach onverschrokkener de +konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige +wereldbeschouwing,—Voltaire geldt bij vriend en vijand als de +onbetwiste aanvoerder van den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. +Den strijd tegen de machten van het oude regiem voert hij onstuimig en +toch behoedzaam, hij valt aan, dringt vooruit, retireert behendig +wanneer hij in ’t nauw wordt gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift +uit onder zijn eigen naam, altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen +te verloochenen) zoo komt hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel +overmoedig als gesmijdig, ontziet stelselmatig het koningschap, om de +volle kracht van zijn aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd +houdt hij zich, met onfeilbare intuïtie, in het “juiste midden” der +gedachte-bataljons, die tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; +hij waarschuwt en kant zich tegen alle materialistische en atheïstische +denk-excessen zijner dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort +ze zoolang mogelijk <i>en famille</i>; verloochent ze zoo ’t moet, om niet +gekompromitteerd te worden, in ’t openbaar. Hij is ’t zuivere type van +den “integralen leider.” Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, +de centrale figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het +strijdend volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der +tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt +hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande +tegenover het oude régiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in +een zekere luchthartige en aristokratische, althans +anti-demokratische<a href="#fn17">[17]</a> levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en +genotzucht in zekere mate is besmet. Hij is idealist, hij meent het +ernstig met den strijd tegen dwang, vóór de bevrijding der +persoonlijkheid, hij wil het geluk der menschheid, hij gloeit van +medegevoel voor de slachtoffers van de willekeur der monarchie en het +fanatisme der priesters, hij strijd met animo, met moed, met +overtuiging;—maar hij strijdt immer met een ironischen glimlach om de +lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het oude stelsel misschien nog +meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit ontroerd met de diepe +bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in beweging brengt. Hij is +klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij gelijkt niet in het minst op +een apostel, (die kòn de groote bourgeoisie niet voortbrengen) hij +verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang te dienen naast het +algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, blijkt hij +gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als van de +finantiëele zaken die hij op touw zetten wil; “grand brasseur d’affaires +et grand remueur d’idées,”<a href="#fn18">[18]</a> gelijk Jaurès’ gelukkige omschrijving +luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de dapperheid, het +enthousiasme die het deel zijn van <i>opkomende</i> klassen, als het egoïsme +en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage <i>uitbuitende</i> +klassen hebben gekenmerkt.</p> + +<p>Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de +wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten +van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol +stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeën de +menschenwereld te zullen veranderen,—maar de meest konsekwente +theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een +machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen +zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur, +de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,—maar +Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle +aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvétius noemt het +egoïsme de norm van alle handelen.<a href="#fn19">[19]</a> Ten deele zijn deze theoriën +natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire +philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der +papen, die “water prediken en wijn drinken,” zelfverloochening en +naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en +genotzucht. “Liever turksch dan paapsch” zeiden de geuzen; “liever +liederlijk dan vroom” zeggen de materialistische philosophen. Maar ten +deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in +hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis +van burgerlijke denkers, <i>dat het maatschappelijk wezen der +groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische +uitbuiting is</i>,—dat zij de massa’s tot hare doeleinden te gebruiken als +even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt +onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim +van ’t proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle +huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen, +evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de +eenige waardevormende kracht is.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het +derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den +klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de +parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de +oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend—die van 1750, +naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische +doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789<a href="#fn20">[20]</a>—kunnen +zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene +revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute +monarchie, begint eerst nà 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste +plaats de philosophen, maar de z.g.n. “patriotten,” de voorvechters niet +der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas—kleinburgers, arbeiders +en boeren.<a href="#fn21">[21]</a> Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau.</p> + +<p>Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer +massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en +klasse-aspiraties,—in sommige opzichten samengaande met die der groote +bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in +andere er lijnrecht tegenoverstaande—hadden nog geen uitdrukking +gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen ’t oude regiem +stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden +geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of +burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe, +waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen <i>alle</i> bederf en tegen +<i>iedere</i> uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een +bewonderenswaardig heroïsme—met <i>tragisch</i> heroïsme, want zij moesten +in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het +wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen +dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun +vleesch en bloed van hun bloed was.</p> + +<p>De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk +leven, hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun +moreele verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld +zou opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete +bekoring,—zij gingen stem krijgen in Rousseau.</p> + +<h3><a name="II.He"></a>II. HET MOEIZAME LEVEN</h3> + +<p>In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op +zak, zijn komedietje “Narcisse” en zijn uitvinding, het notenschrift in +cijfers dat, meende hij, hem met één slag vermaardheid en rijkdom +verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, en +maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele +kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoöloog en +chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd +hij in den zomer van ’42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe +methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te +lezen.</p> + +<p>Hij dacht gewonnen te hebben, maar ’t gaf niets als teleurstelling. De +“commissarissen,” die het officieele genootschap benoemde om zijn plan +te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek +wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en +beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de +inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was. +Hij voelde zich diep verongelijkt.</p> + +<p>Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over +hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een +vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij +verblijf had genomen, en werkte een paar maanden “met onbeschrijflijken +ijver,” om zijn memorie om te smelten tot een “verhandeling over de +moderne muziek.” Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever, +maar ’t boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn +gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij, +soezende knaap, door Milaan gedwaald had.</p> + +<p>Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in de +apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke +inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel +mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost +te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden +zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van +buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon; +af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij +gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al +zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen +voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij +hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle, +Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd +weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat +hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend.</p> + +<p>Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele +anderen. Zoo is ’t het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren +even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit +een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de +provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij +bij de Jezuïeten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm, +gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij +gouverneur geweest bij een adellijke familie en had ’t daar niet kunnen +uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn +dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen: +zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een +neiging tot paradoxen.</p> + +<p>Diderot “de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek” (St-Beuve), +is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de +aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was +schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke +eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang +hield hij de leiding der Encyclopédie vast door tallooze moeilijkheden +en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid +te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der +regeering, noch de afval van vrienden (d’ Alembert en Rousseau), noch +het verraad van den uitgever. En ’t was hem te doen om de zaak, om de +nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk +voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge +kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn +talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in +het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die +armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle +mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk.</p> + +<p>Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als +de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht +en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan +verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeën was echt, maar wat hem +tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van +zijn gezin en van zijn maîtresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst +die in Rousseau aan ’t groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun +temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief, +droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig, +opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst +bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,—en deze +tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,—Diderot was +bedil-achtig en heerschzuchtig, op ’t tyrannische af, hij wou zijn +vrienden dwingen tot wat <i>hij</i> goed achtte; Rousseau, in het minst niet +heerschzuchtig, verdroeg geen dwang.</p> + +<p>Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de +vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij, +komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar +dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin +de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek +verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven +eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie +bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem +van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder, +hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten.</p> + +<p>Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van +een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot +Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiëele wereld. +Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht ’t was zooveel +mogelijk “beaux esprits” in haar salon te verzamelen, zij ontving +Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij +de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos +fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon, +Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij +liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar +eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen +zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van +Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd +secretaris van den franschen gezant in Venetië.</p> + +<p>Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was, +vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een +gezantschap-sekretaris, een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn +meester, de Montaigu, was een ezel, een stomme oud-militair, zonder +eenig begrip van diplomatieke aangelegenheden, en die alles aan zijn +sekretaris overliet. Rousseau vervulde, verzekert hij ons, zijn taak +ijverig en nauwgezet; dat hij in dezen nieuwen, voor hem ongewonen +werkkring blijken gaf van scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij +gerust gelooven, al heeft hij misschien in de “Confessions,” vijf en +twintig jaar na zijn verblijf te Venetië geschreven, zijn positie en +zijn invloed op den gang van zaken een beetje al te gewichtig +voorgesteld. Veel in de politieke instellingen en zeden der oude +dogenstad aan de Adriatische zee moest</p> + +<p>hem de indrukken zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het +milieu van zijn vaderstad herinneren: Venetië was als Genève een +souvereine stad, bestuurd dooreen trotsche,—ervaren aristocratie; het +bezat evenals Genève een oude republikeinsche konstitutie, die den +volkswaan vleide en bevredigde, terwijl in werkelijkheid het gezag in +handen der patriciërs berustte. Zijn werkkring riep politieke +belangstelling in hem wakker, de aard van zijn geest leidde die naar +nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed der politieke +instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetië een nieuwen +schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing.</p> + +<p>Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man, +wiens zelfbewustzijn groeide met ’t besef van zijn onmisbaarheid, maakte +de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig +ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en +beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten +slotte kwam ’t tot een hevige scène, en de Montaigu joeg zijn sekretaris +weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te +trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetië, waar, naar hij +vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er +eerst over zich terug te trekken in Genève, maar verongelijking brandde +in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den +smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed +hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door +zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te +laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet +hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden. +Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den +gezant zelf.</p> + +<p>Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar +Venetië waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo +verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat +hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat; +nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee +en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn +streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in +alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte +was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde +vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de +zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van +levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder +strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede +drukte hem ’t ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij +eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid.</p> + +<p>Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het +puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar +zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij +zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van +Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft +vooral.</p> + +<p>Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar +Venetië ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger, +eerst in Chambéry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan ’t schrijven +van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in ’t +vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude +hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong +linnenmeisje uit Orléans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was +geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal +verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht. +Zij heette Thérèse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door +de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at +aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het +schuwe deerntje in ’t nauw brachten met schuinsche grappen en +onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam ’t voor +haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat +menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste); +tusschen hen kwam ’t al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was +het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte +aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg; +hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde.</p> + +<p>Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar +ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije +liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.<a href="#fn22">[22]</a></p> + +<p>Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die +vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den +levensbond met het plebeïsch natuurkind—Thérèse was in buitengewone +mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog +onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten, +in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het +voorbehoud der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere +aandriften volgend—in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn +diepste ik tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar +moraal, haar overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, +haar dorheid van hart.</p> + +<p>Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus +onbegrijpelijk. Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen +maîtressen—aristokratische dames of vrouwen uit de haute finance, of +pleiziermeisjes, of actrices. Dàt sprak immers van zelf. En al die +vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een glimp van de hen omringende +kultuur opgevangen. Van het groote gedachtenvuurwerk dat om hen brandde +daalden enkele vonken op hun zielen neer. “Zij leefden in de atmosfeer +van de opera van den dag, van het nieuwe tooneelstuk, van het boek van +de week.”<a href="#fn23">[23]</a> Zij konden meepraten over de literatuur en de +philosophie, met vertoon van geestigheid of geleerdheid herhalen wat +anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thérèse! Een meisje uit het volk, +die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en alle moeilijke woorden +verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar mans linnengoed (dat +hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en niet anders begeerde, +zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. Dat men met haar +gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de soort vrouw was +die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij niet begrijpen: zij +achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een ramp voor hem, +verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten verkeerd +oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig opzicht meest +essentiëele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk een kiem van +vervreemding.</p> + +<p>Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. Met +zeer enkele uitzonderingen<a href="#fn24">[24]</a> hebben zij alle afgegeven op “die +afschuwelijke Thérèse,” haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en +verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de +zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem +plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke +wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn +aan Thérèse. De verhouding met Mme de Warens—voor elke onbedorven +natuur ondanks haar poëtische bekoring toch in sommige opzichten +afstootend—vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar +beschrijvend, hun pen in suikerwater.<a href="#fn25">[25]</a> Natuurlijk: Mme de Warens was +immers de bekoorlijke châtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar +minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke +“idylle der Charmetten” (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij +dan in donkere verven Rousseau’s “rampzalige liefdesverhouding” met de +“onbeschaafde wasch-vrouw” Thérèse le Vasseur. Zij <i>kunnen</i> niet anders: +hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen +hoogmoed.</p> + +<p>Men behoeft geen apologie te schrijven van Thérèse. Het zal wel waar +zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de +meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid. +Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie +voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden +van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat +met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo +ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst +verwonderlijk. Dat zij kort voor ’t eind van zijn leven, als oude vrouw +al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk +zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan +moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d’Houdetot ook +doen. Maar daaraan denkt niemand.</p> + +<p>Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thérèse staat ’t volgende; +staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar +vele malen heeft hij uitgesproken, in de “Confessions” en in zijn +brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, “de eenige +werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn +lot dragelijk heeft gemaakt.” Niet enkel haar “engelachtig hart” bleef +hem bekoren, haar “zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende,” +hem aantrekken—maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls +steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische +aangelegenheden bleek altijd goed.</p> + +<p>En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten.</p> + +<p>Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle, +waar zij van ’47 tot ’56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels, +arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,—al werd dat geluk en +die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige +schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thérèse, heel +een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien, +tuk op buit, haar nazettend;—tot aan de laatste moeilijke weken in het +kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste, +trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige +huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het +zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar +goed-toebereid maal, gelijk hij ’t liefst had. Zij was de trouwe +verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de +aanvallen van zijn kwaal, die ’s winters plagt te verergeren, hem +maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in +trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van +vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der +regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche +geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. Was +dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet?</p> + +<p>Eén deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn +geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en +inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden. +Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn +geluk niet de meest essentieële. Voelen ging hem vóór denken—zijn +denken stond immers geheel op gevoelsbasis—liefhebben vóór begrijpen. +En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen, +hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen +genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn +gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar één Thérèse, die zijn +persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende +dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding +gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het +dagelijksch leven; zij luchtten in geëxalteerde brieven aan den grooten +schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen +bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thérèse bleef dit zware, +moeilijke: ’t samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den +ontwrichte dien hij meer en meer werd; ’t verzorgen van den +in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot +haar sprak.</p> + +<p>Veel heeft Thérèse met hem doorgemaakt—veel van hem verdragen. Eerst in +’t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven +lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden +achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie +behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man +liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in +Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van +zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en +Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme +d’Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thérèse, maar toen Mme +d’Epinay van haar door sluwe manœuvres de brieven van Mme d’Houdetot +aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige +burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij +loog, heldhaftig: “Die brieven zijn niet bewaard.”</p> + +<p>En daarna kwam de vuurproef: de “Emile” verscheen, Rousseau werd +vervolgd en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat <i>hem</i> +gevaar dreigde—maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de +groote wereld compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar +“engelachtig hart,” haar vrouwentrouw, Thérèse. Zij had rustig in +Montmorency kunnen blijven: Rousseau stelde haar dat voor en zou voor +haar zorgen, maar zij weigerde, zij wilde naar den man, dien zij +liefhad, naar den eenzamen banneling in het zwitsersche dorp, om weer +voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen en bij hem te zijn. Zij +drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. “Ge weet wel,” +schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk te begrijpen +brabbelfransch, “dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik gezegd: moest +ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer te vinden, +had men ’t mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan.” En zij +onderteekende zich: “uw nederige, goede vriendin.”</p> + +<p>Ja, dat was zij. In hun werk over “De vrouw in de XVIIIde eeuw” geven de +Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en +courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde +ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog +heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in +hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast +onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau’s Thérèse.</p> + +<p>Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het +sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor +’t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht +voor de steenen der door de dominés opgeruide boeren; en zijn kort +verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen +verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord +verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van ’t +dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk, +in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het +onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug, +en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en +vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacière, niet +ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd.</p> + +<p>Zij werd toen ouder en zwakker, Thérèse, maar zij hield de woning toch +proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn +kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en +aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk +eten, door haar bereid.</p> + +<p>Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met +muziek-kopieëren: het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een +toevlucht vonden in het kasteel Ermenonville. Dáár stierf hij in haar +armen, de deur gegrendeld, dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. +Tot het laatst had zij voor hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat +was véél.</p> + +<p>De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling +eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste +geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieëlen basis, die +haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar +lang.</p> + +<p>Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen +minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme, +simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde +Thérèse le Vasseur.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde.</p> + +<p>Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon +Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend, +en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan. +Een paar keer werd Thérèse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen +naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig, +maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder ’t ook wou, waar +zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat +zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze +ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen +nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen +werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vóór ’t +samenleven met Thérèse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel +verhalen daarvan gehoord, dat hij ’t als de natuurlijkste zaak van de +wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar ’t vondelinghuis +bracht. Hij dacht er verder niet veel over na.</p> + +<p>Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opéra “les Muses +galantes” werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen +belastingpachter, La Popelinière, en toen nog eens bij een groot heer, +den “intendant der menus.” Het werk beviel den modeman der hoogste +kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat ’t voor den +koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu +hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de +“Fêtes de Ramire,” door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd. +Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed +Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat en +maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma’s enz. niet +genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de “Muses +galantes” door de Parijsche opéra werden aangenomen, maar ook daar kwam +niets van. Toen probeerde hij ’t nog met “Narcisse,” trachtte dit +gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd +en gaf elke poging om naam te maken op.</p> + +<p>Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele +kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld +vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn +onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als al +de gladde heertjes die hun ’t hof maakten, anders ook dan de overige +intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder +innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in +plotseling vuur van welsprekendheid als ’t onderwerp hem ontroerde, uit +diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan +gloeiende stroomen omhoog.</p> + +<p>Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was +een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin +hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste +ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van +zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms +toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was +zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren +logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan +door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren +de meest geliefde tijdpasseering der “wereld waarin men zich verveelt.”</p> + +<p>De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den +afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem +worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf?</p> + +<p>De dagen stroomden—stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn +afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder +dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk +hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing, +levensreiniging. Diep in hem, in ’t warme nest van het onderbewuste, +groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden +uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van +pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer +ademen kon.</p> + +<h3><a name="III.De2"></a>III. DE EERSTE FANFAREN</h3> + +<p>Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de +velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er +werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het +land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren +zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten +de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder +leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs.</p> + +<p>De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een +broeiïng van revolutionair verzet. Eerst waren de groote +wetenschappelijke voorvechters der nieuwe ideeën begonnen de oude wereld +te bombardeeren met dikke geleerde werken: in ’48 was Montesquieu’s +“Esprit des Lois” verschenen; in ’49 kwamen de eerste drie deelen uit +van Buffons “Histoire Naturelle,” een grootsch-opgezette geschiedenis +van de aarde en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het +bijbelsch scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze +diepzinnige geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het +geharnaste proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het +oude regiem voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af +aan volgt de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang +zal zij zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en +reaktie, nù onderdrukken, dàn weer de teugels vieren, zonder iets anders +te bereiken als haar vijanden te prikkelen door ’t eene, stoutmoediger +te maken door het andere.</p> + +<p>In dien zomer van ’49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men +nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. In +de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen niet +naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers +opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de +intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering +wilde een grooten slag slaan.</p> + +<p>Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken +waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te +hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het +ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vóór het deïsme.</p> + +<p>Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn “Lettre sur +les Aveugles,” (Brief over de Blinden) een populair philosophisch +werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich +beleedigd achtte.<a href="#fn26">[26]</a></p> + +<p>Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel +opgesloten. Een maand lang bleef hij “au secret;” niemand werd bij hem +toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt +d’Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de +hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt.</p> + +<p>De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende +maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel +zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den +vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste +dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn +geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de +Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij +dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap +van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn +smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot’s gevangenschap verzacht, hij +mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn +kameraden werden tot hem toegelaten.</p> + +<p>Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken! +Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen, +haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet +verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond +neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog +broeirigen avond, na ’t samenspreken met den vriend, die, onversaagde +strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap ’t plan tot de +koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de +Encyclopédie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen +de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche +glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg, +groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van +eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was +in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was.</p> + +<p>Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad, +de “Mercure de France,” om de verveling van den weg te bekorten, +toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon +uitgeschreven: “Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten +bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven.” En plotseling, +voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de +bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij +merkte ’t niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere +zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot ’t bewuste, +met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit ’t +diepst-van-’t-woud.</p> + +<p>Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de +opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht +opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid +van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; +gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de +verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in +eenen,—zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het +lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der +grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een +leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en +zij de armen uitstrekken daarheen en ’t heerlijk visioen aanroepen, dat +’t blijve, sidderend van verlangen—zoo deed hij.</p> + +<p>Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, ’t Gezicht op het +nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het +tegenwoordige en ’t Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en +klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook +rijst ’t Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals +zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige, +hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt +de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der +Toekomststrijders, het sidderend dichterhart.</p> + +<p>Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar +het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was +neergezonken onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en +schoon opbloeien uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet +opschemeren uit de heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag +hij een wereld in wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw +als voor de werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel +dezelfde, haar wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale +ongelijkheid, verfijnde genietingen voor de kleine minderheid ten koste +van de ellende der groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien +naar zijn Ideaal, naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En +daarom stond zijn Ideaal-wereld niet helder, uit één stuk gegroeid, +tegen den horizon, maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen +opgebouwd. Aan hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare +vormen; aan de verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen +sedert zijn jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente +indrukken zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van +het patriarchale landleven onder de “Naturalwirthschaft,” dat in de +achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog +voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre +landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele +kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid +van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken +saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische +ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit +veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen +eener maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een +maatschappij van kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke +trek van communisme daarin ontbrak was natuurlijk.</p> + +<p>Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid, +voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap.</p> + +<p>Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun +vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden +ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder +aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke +verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want +zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiëele. De +strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeën spiegelde, +voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers +tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de +heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde, +wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder +uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd +genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op +domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap, +die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden +enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen, +voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in +den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der +verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot +bewustheid.</p> + +<p>Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de +slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos.</p> + +<p>Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van +tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme, +opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der +Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn +leven zijn.</p> + +<p>Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over +den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden +en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.<a href="#fn27">[27]</a></p> + +<p>Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven +in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste +“Discours.” Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; +zijn opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, +geraffineerde, verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had +thuisgevoeld; zijn oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke +zeden, voor het sober onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn +meegevoel met de armen en verdrukten, met de eenvoudige harten die de +groote oude waarheden wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld +leeft: arbeid, trouw, wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een +maatschappij, die kennis en genot voor enkelen slechts bereikte ten +koste van de verdierlijking der groote massa en de zedelijke ontaarding +van allen;—alles wat hij doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn +veelbewogen bestaan verbond zich tot ééne, van gevoel doorklonkene, +levensconceptie. Hij spuwde de beschaving uit die de massa veroordeelde +te kruipen in ellende, die allen de slaven der zonden deed zijn. Hij +spuwde de kunst uit, “het kind van verslappende weelde;” hij spuwde de +wetenschap uit, “het kind van ontzenuwenden lediggang.”</p> + +<p>Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde +maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van +plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van +den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde +hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en +ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als +vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch, +uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch +intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover +de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God +welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar +van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger +aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een +vervallend régiem “nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen, +maar geen burgers meer.” Het was de stem van den individualist, opkomend +tegen “de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving.” +Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier +dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde: +burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland; +de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was +de stem van den handwerksman, den <i>reaktionairen</i> kleinburger, die niets +voelde van Diderot’s verrukking voor de verbetering der techniek en de +toepassing der wetenschap op de produktie; intuïtief begrijpend dat door +haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde: +het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den +<i>revolutionair</i>, den voorvechter van massa’s die niets te verliezen +hadden bij een gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden +zijn door verachting voor het historisch-gewordene, die zouden +overwinnen door de negatie van dien voozen glans en die onheilspellende +schittering, opstijgend uit een maatschappij in ontbinding.—Ja, het was +wel de stem der kleine burgerij, dier raadselachtige klasse, +raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet als het gevolg van haar +positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse gedoemd gelijktijdig +reaktionair èn revolutionair te zijn.</p> + +<p>Het boekje maakte zijn schrijver met één slag beroemd. De letterkundigen +prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken; +al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven +Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge +bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat, +hij had beloofd aan de Encyclopédie mee te werken en schreef daarin de +artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek +beschouwde de “Discours sur les sciences et les arts” (Redevoering over +de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de +beschaving—een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur.</p> + +<p>Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder één met den koning van +Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk +en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van +maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. “De weelde +bederft alles,” luidt het in zijn “Antwoord aan den koning van Polen,” +“zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar +begeert.” “De weelde” (in het “Antwoord aan den heer Bordes”) “moge +noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen +weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan.” En als noot hierbij: +“De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend +sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den +mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet +vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen +bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer +slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben +zooveel armen geen brood.”</p> + +<p>Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat +tegen de “beschaving.” Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan +verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom +vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur.</p> + +<p>Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping +tusschen beginsel en praktische konsekwenties.</p> + +<p>Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend; +zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten +en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch +bedorven—maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij +noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden +gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel +van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk “behalve door een groote +revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen +genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te +voorzien.” Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak +tusschen <i>droom</i> en <i>daden</i>, tusschen het Ideaal en den Weg het te +bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen +en de menschen het hoofd doen schudden over zijn “inkonsekwentie.” Noch +de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan.</p> + +<p>Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste “Discours” schreef, de +inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner +andere geschriften, de uiting van slechts één zijde van zijn wezen is. +Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was +teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid +die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der +liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de +stoïcijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde +het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie.</p> + +<p>Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede “Discours,” +dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe +prijsvraag der académie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der +maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom: +zachtheid had hij nog niet teruggevonden.</p> + +<p>Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van +den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang +zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur, +uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den +primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo +meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden +van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden +vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de +natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen +was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de +verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en +voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de +neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn +voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid +hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren +hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest +vermoedde hij niet.</p> + +<p>Zijn geïdealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige +trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij +tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk +Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt +tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op +de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op +de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de +ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende +klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede “Discours.”</p> + +<p>In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter +bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der +tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den +primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuïtief zeer juist en +sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche +stammen. De communist Morelli, wiens “Code de la Nature” korten tijd na +het tweede “Discours” verscheen, onderscheidde veel scherper dan +Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel +beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch +Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle +wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de +verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van +anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van +nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij +alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd +goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij +alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener +maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener +samenleving “waarin misschien niet één gegoed man leeft wiens dood niet +door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt; +waarin niet één schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het +schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin +niet één volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner +naburen.” Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en +treffendste in Frankrijk geschreven vóór de dagen van Fourier. Hij sprak +uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en +barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat—en wie +kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk +niet luid “ellende, brood, brood, ellende,” telkenmale dat koning of +kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van +zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de +natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de +hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een +grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk: +hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke +gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden +ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en +politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt, +het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op +wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, “en waarvan ’t in de orde +der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen.”</p> + +<p>Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van +uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten +gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die +volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de +Carmagnole:</p> + +<p><span style="margin-left: 2em;">“Ça ira, ça ira, ça ira,</span><br/> +<span style="margin-left: 2em;">Celui qui s’élève, on l’abaissera,”</span></p> + +<p>en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de +wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was ’t in een +onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na “na ons +de zondvloed” en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen +met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau, +wiens vreemde ideeën heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet +in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien +slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden +zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen, +nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten +maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn +lezers op ’t hart drukkend “om de goede en wijze vorsten te eeren die de +menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten +te voorkomen, te genezen of te verzachten?”</p> + +<p>De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop +nog vleugellam in dat der daad.</p> + +<p>Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genève, en +herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste +lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede +“Discours,” was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in +zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen +werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend +schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de +dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der +hoogst-bezoldigde finantieële betrekkingen vervulde—nl. van algemeen +ontvanger der belastingen—had de in moeielijke omstandigheden +verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute +finance in dienst getreden als kassier. Materieël blonk hem een gouden +toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid +van een werkkring waarvoor hij in ’t minst niet geschikt was, maakten +hem ziek.</p> + +<p>Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het +was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem +doordrong, nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij +voelde de tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en +onbaatzuchtigheid aan anderen en de richting van zijn eigen leven; hij +voelde dat zoolang hij zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom +en wereldsch goed najagen, de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen +kon.</p> + +<p>Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat +is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog +zeldzamer is, hij zette het door.</p> + +<p>Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap +neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen; +Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was.</p> + +<p>Hoe zou hij nu leven?</p> + +<p>De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden +chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel +geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in ’t ellendigste +parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was +een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een +der rijke letter-lievende financiers als Helvétius of Holbach, +geschonken.<a href="#fn28">[28]</a></p> + +<p>Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en +niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in +’t verkondigen zijner beginselen.</p> + +<p>En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kòn +het niet, hij kòn enkel produceeren wanneer “liefde tot het groote goede +en schoone” gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale +idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn +gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen “ik ben zulk een die, +wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt, +nederschrijft.”</p> + +<p>Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef +fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield +van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd +muziek-copiïst.</p> + +<p>Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het +handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem +genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het +mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op ’t +platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn +dood, met muziek-copieëren zijn levensonderhoud.</p> + +<p>Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij +had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de +letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon +voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet, +die in zijn werk <i>niets</i> toe wil geven aan de heerschende meening en de +goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke +stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven +onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie.</p> + +<p>Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven +allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom +moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te +doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien in +hun binnenste; naast ’t samenleven met Thérèse kwam door de nieuwe +wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van +vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn.</p> + +<p>Intusschen zette hij zijn “innerlijke hervorming” ook door in wat zijn +uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie +der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot +in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij +schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand zich +in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de +kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn +kleeding die van een eenvoudig burgerman. In ’t eerst kon hij nog geen +afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij +gehecht was, maar een dief—waarschijnlijk een broer van Thérèse—hielp +hem daar weldra van af.</p> + +<p>Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en +knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde jas +en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag +voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet +alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan +de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en +door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem ’t +hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te +krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij +aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was +toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te +overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen +op zich tegen hun “begunstigers,” die maar één doel kenden: de hen immer +najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles +dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne +beschermelingen. Zij hadden immers ’t recht daarop beslag te leggen door +hunne gunsten—zoo voelden zij ’t, zoo was het ook. Hun protégés moesten +ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze +gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te +bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden +alles koopen, waarom dan ook niet dit?</p> + +<p>Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die ’t aannemen van geschenken +doorgaans ten gevolge heeft, waar ’t vriendschaps-verkeer niet gebaseerd +is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de +vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij +verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich +heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok +dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en +wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel +vrij. Thérèse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En +achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke +moeder.</p> + +<p>Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en +bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen +was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt +het genieten van liefde omdat zij ’t hart streelt, en begint ’t genieten +van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over +in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook +de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke +menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde +gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in +elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt.</p> + +<p>En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk. +Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke +vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen +drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die +onbeschrijfelijk-gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem +welke een klasse met een lang verleden van heerschen en genieten +voortbrengt. De lieftalligheid der eenen, de hoofschheid der anderen +kon hij niet altoos weerstaan. Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, +worstelde opnieuw; hij ontkwam slechts aan den eenen beschermer, om +zich gewonnen te geven aan een anderen.</p> + +<p>Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het +verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen—dit zou nog jaren +lang zijn leven zijn.</p> + +<p>Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs, +om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de +zachtheid des levens zijn.</p> + +<p>In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van +zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer +een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen +stijl, “De Dorpswaarzegger,” en o wonder! de lieve melodieuse muziek +viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te +Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij, +in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. “De +Dorpswaarzegger” had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde +den componist audiëntie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau +weigerde op audiëntie te gaan<a href="#fn29">[29]</a> en sloeg het jaargeld af. Het eerste +begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun +eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen +de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was +uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele +uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in +intellektueel-artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn +geschriftje zegt hij “een revolutie verhoedde,” door de opwinding en +spanning op andere banen te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de +revolutionaire stemming in de jaren ’50 nog slechts een betrekkelijk +kleinen kring had aangegrepen.</p> + +<p>Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden +was, Thérèse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor ’t eerst ernstig na +of hij ’t kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij +beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige +keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te +geven. Thérèse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht +op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in +beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te +vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die +de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap, +arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja +verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een +burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had +afgeschud, baarde Thérèse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind +naar ’t vondelingen-huis brengen.</p> + +<p>Spijt zou later komen, om ’t geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos +had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren +van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de +bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in +zijn wezen.</p> + +<p>Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en +begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genève te +vestigen, waar hij in ’54 met Thérèse eenige maanden vertoefde en goed +ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf +nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem +geworden waren was ’t natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn +geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij +bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij +werd opnieuw protestant en burger van Genève.</p> + +<p>Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en +voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou +’t er toch toe gekomen zijn. Maar ’t zachte fleemen en hartstochtelijk +willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting.</p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap03"></a>DERDE HOOFDSTUK<br/> +DE GROOTE JAREN</h2> + +<h3><a name="I.Na"></a>I. NAAR DE VEREENZAMING</h3> + +<p>Madame d’Epinay, geboren d’Esclavelles, behoort, door aanleg en +levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance in +de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar van +’t begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast +ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen +verbraste—tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele +werd gezet—kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij +was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi +maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan +zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte +te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel +esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden om +zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van +intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf “beren,” (waartoe +Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te +noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een +warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar +kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig +en pittig.<a href="#fn30">[30]</a> Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de +vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij +behoefte aan interessante, supérieure persoonlijkheden om zich heen die +haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig +en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te +komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze +veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoïste +berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net +gaf wat hèm paste en niets meer.</p> + +<p>Rousseau had Mme d’Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij +doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook +was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor ’t vrolijk +gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige +sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel +hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij +luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d’amour wilden +gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de +wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen +van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een +beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en +met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn +hoorderessen. Mme d’Epinay voelde zich sterk tot den jongen +dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar: +“ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij +is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch +eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt.”</p> + +<p>Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d’Epinay en Rousseau altijd +vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind +gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de +man die in Rousseau’s voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich +maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden +van hem vervreemd heeft.</p> + +<p>Grimm was een jonge Duitscher, op ’t eind der jaren veertig in ’t gevolg +van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem +leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot’s gevangenschap en direkt +een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed +musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde, +want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den +jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en +deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig, +een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching, +plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrière en ontpopte +zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van +Orléans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon +een “Correspondance littéraire,” een soort bulletin voor buitenlandsche +vorsten van al wat op ’t gebied van kunst, letteren enz. te Parijs +verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had +zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen +vijanden geworden waren, zich in zijn “Correspondance” steeds gematigd +en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in +’t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver: +oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij +langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar. +Hij kreeg toen den titel van “baron van het heilige duitsche rijk,” en +was daar zeer verheerlijkt mee.</p> + +<p>In het begin der jaren vijftig hield monsieur d’Epinay zich bezig met ’t +vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij +Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen +Rousseau en Mme d’Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en +Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een +keer dat hij en Madame d’Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen +vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de +moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan +het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond +daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het. +“Hè,” zei Rousseau, “hier te wonen.” Madame d’Epinay antwoordde niet +veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later +bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw +allerliefst landhuisje was verrezen. “Hier, mijn beer,” zei ze, “is uw +kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die +booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genève.” Dat was +echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar +bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.—O wij +arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende +brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf.</p> + +<p>Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist +de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genève; hij hield van +zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij +voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen +grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de +lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid. +Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot +vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een +voorgevoel van de verdrietelijkheden die ’t zwichten voor dien wil over +hem brengen zou, schreef hij aan Mme d’Epinay: “Hoe slecht begrijpt ge +uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken” ... (altijd +weer die angst voor dienstbaarheid). “Ik ben niet bezorgd hoe te leven +en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke +gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste +onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn +pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat +mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar +ik haar ’t zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor +mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid. +De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen +acht dagen zal mijn besluit genomen zijn”.... Maar ook nadat hij haar +had geschreven: “mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij +overwonnen hebt,” bleef hij naar eigen getuigenis “door een toestand van +innerlijke krisis gekweld.”</p> + +<p>Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn +verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de +Hermitage. Behalve Thérèse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard +maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut +in te gaan op het voorstel van Mme d’Epinay dat hij voor niets zou +wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij +overeen dat hij ’t loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage +woonde en misschien eenige kleine diensten aan ’t huishouden bewees, +voor zijn rekening zou nemen.</p> + +<p>Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner +invrijheidstelling verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan +Rousseau den dag dat hij Parijs verliet. Hij was ’t leven in het +wereldsch milieu waaraan hij nog altijd vastzat moe,—overal ’t zelfde, +of ’t zich afspeelde in de stad of op de kasteelen der grooten. “Ik was +zoo ziek van salon’s, fonteinen, heesterboschjes, bloemperken en de +vervelende vertooners van dat alles,” schrijft hij in de “Confessions,” +“van brochures, kaartspel, handwerkjes, flauwe woordspelingen, laffe +maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn hart openging als ik een +doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; of de lucht van een +omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein van een boerenliedje +hoorde.” Alle krachten van zijn wezen dorstten naar een eenvoudig, +boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit “terugkeeren tot de +natuur.”</p> + +<p>Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij +had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch ’t +gevoel dat hij ’t meeste nog te zeggen had en zoo was ’t ook. Hij was +aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te +brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren. +Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij +zelf nog niet geheel in ’t reine was.</p> + +<p>Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een +beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij +was hieraan al begonnen in Venetië, dertien of veertien jaar geleden, en +had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met ’t maken van +uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om +daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een +soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan +stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding. +Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom +gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had +veel over ’t onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig +wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van +een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo +onder de hand door.</p> + +<p>Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij +willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte +de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals +uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet +op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde +richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het +onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen +in gaan, in ’t eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de +“censuur” van den wil niet tot ’t tweede wordt toegelaten. Terwijl +Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den +innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij +nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn, +begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid ’t oude smachten naar +teederheid weer op te komen; terwijl hij nog “dronken van deugd” meende +te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der +liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van +zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op +een gelegenheid, om de “censuur” onderste boven te loopen, met +onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het +brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die +jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij +uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d’Houdetot, in zijn werk in de +“Nouvelle Héloïse.”</p> + +<p>De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten +om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die +zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens +alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen.</p> + +<p>Het was vroege lente toen hij ’t landhuisje aan den zoom van ’t woud van +Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar +geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht, +door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de +velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en +sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal +zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn! +Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij +goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes, +blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme +d’Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van ’t verhuizen, de drie +vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht.</p> + +<p>En onverwachts begon, zooals de sneeuw op ’t veld wegsmolt voor den +zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel +zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij +niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd +had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de +verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld +door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op ’t tweede +plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel +genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals +wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd, +zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te +murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de +verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem.</p> + +<p>Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat +zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen +verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in één +geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten +en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt, +die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit +liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde +teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen, +zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de +verbeelding in Rousseau.</p> + +<p>Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeïnvloed door de +rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen, +wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen, +die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem +altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner +fantazieën had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die +eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had +hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden; +wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-’t-bewuste-alleen, +verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was +de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij, +geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroïsme en +roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de +droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude +stroom vloeide weer rijkelijk.</p> + +<p>Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want +Thérèse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend. +Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet +zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben. +Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te +maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er +in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij +gevreesd had, gebeurde: Mme d’Epinay liet hem niet met rust, hij moest +altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot +hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet +naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren +die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had, +door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit +was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken +uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw +hij na ’t middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in +het woud.</p> + +<p>Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren; +dáár was ’t leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie +die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen +onbemerkt den weg in naar ’t verleden: verlangen zag niet langer +hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd +voorbij is.</p> + +<p>Hij was op dien grens der jaren gekomen—niet voor elk mensch +dezelfde—dat het hart zich keert naar ’t verleden en met pijn en +bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden, +heerlijke jeugd.</p> + +<p>Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der +jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. +Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de +bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond +en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart +samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd +verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus’ zilveren ster, uit +eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, +voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat +hij wat nu ’t allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; +ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.</p> + +<p>Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn +eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer +terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene +nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven +zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit +bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij +te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij, +zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam +als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn +fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij +jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling; +weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al +de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had +ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien +onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar ’t +oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambéry, +hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk, +hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als +gezantschap-secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij +was heel dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen +gescheiden door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar +omtrilde, zag hij Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was +verschenen: jong, bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende +haren, een en al lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, +hij gloeide en dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet.</p> + +<p>Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor +de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te +sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te +grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de +broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij “sublimeerde” zijn +liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een +ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid, +zocht hij in de fantazie.</p> + +<p>Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen +omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde +samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare +eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle +storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat +hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde +samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur.</p> + +<p>Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen, +twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de +minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan +den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de +Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind +had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en +vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en +onweerstaanbaar-beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij +wilde een monument oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap +en liefde.</p> + +<p>Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en +onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had +voor aan Thérèse en haar moeder. Thérèse snikte van verteedering, hij +zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over +het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der +liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En +wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd, +voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich +geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een +deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke +zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van +zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte +hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig.</p> + +<p>In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de +schoonzuster van Mme d’Epinay, Mme d’Houdetot. Hij kende haar sinds +lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets +meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men +zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen +zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en +armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en +kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig, +en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had +een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van ’t soort als toen in de +mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de +natuur en ’t landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen; +een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, op +en top gentleman. Mme d’Houdetot en St. Lambert bleven tot ’t einde +hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd +spreekwoordelijk.</p> + +<p>Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder +waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar +zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote +wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid +en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar +afwisseling.</p> + +<p>Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in ’t late najaar van +1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder +blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij ’t huisje, vol +uitbundige pret over haar avontuur; Thérèse moest haar schoone kleeren +geven en zij bleef bij hen ’t avondbrood gebruiken, heel huiselijk.</p> + +<p>’t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal, +in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar +minnaar stonden beide in ’t veld. Zij had een landhuis gehuurd in de +buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te +verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den +eenzamen wijsgeer, den stoïcijnschen “citoyen” met zijn strenge +begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wèlbehoed tegen de +verlokkingen der Parijsche wereld.</p> + +<p>Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te +worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest.</p> + +<p>Had ’t werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts +schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor +noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke +vrouw, die ’t lot naar zijn kluis voerde? Of was ’t anders; leefde, voor +hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van +den kunstenaar, door ’t lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en +verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te +voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de +andere?<a href="#fn31">[31]</a></p> + +<p>Wie durft ’t beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de +daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat +van mysterie is hij.</p> + +<p>Hoe ’t zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend, +vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat +wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kòn, +niet mòcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was +de minnares van een vriend, hem waard niet ’t minst om de volkomen +overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf +èn haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo +leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en +smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al ’t ideëele in +hem, al zijn moreel gevoel opstond.</p> + +<p>Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half +verteederd,—Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en +uiterst beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets +hoogs en weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat—trachtte zij den +brand te blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den +slechtsten weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen +van hartstocht hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een +man en vrouw, die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den +sexueelen omgang, kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen +opvoerend tot extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te +slaan, dat alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden +van zijn vijf en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid +van hem nam.</p> + +<p>Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn +zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch +van innering.</p> + +<p>Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare +boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als ’t zingen van +de gaal is in milde lentenachten: de “Nouvelle Héloïse.” In de vlammen +van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn +wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter’s smart maakt +duizenden blij van bevende zaligheid.</p> + +<p>Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cóterie +die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest. +Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der +lust-verblijven en kasteelen,—maar dat een intellectueel Parijs +ontvlood, om zich in ’t wilde woud en ’t eenzame veld te begraven, dat +wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden ’t in de bosschen van +Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige +menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog +erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal +aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij ’t uithield.... maar hij +zou ’t niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij +toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan.</p> + +<p>Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed +voor hem was, ’t buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke +neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker +geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn +heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te +probeeren achter zijn rug om met Thérèse en haar moeder te bedisselen +hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte ’t ten slotte toch, en +al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker ’t +allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer +geïrriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren, +schreef hij in een klaagbrief aan Mme d’Houdetot, beide mannen van de +wereld geworden, beide “geslaagd.” En hij was dezelfde gebleven als +vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar.</p> + +<p>Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van +komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen +schoolmeesteren. Een paar maal kwam ’t tusschen hen tot +onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had +verweten de moeder van Thérèse den winter in de Hermitage te laten +doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende +leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en +gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in +Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak +had gedaan “slechts de booswicht leeft alleen” en Rousseau die woorden +als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d’Epinay bemoeide zich +met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht +Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel +verteederd aan zijn oude vriendin: “ge hadt groot gelijk met te willen +dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in +langen tijd niet zoo’n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die +stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend.”</p> + +<p>Maar ook met Mme d’Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend +als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm, +stond nu ook Mme d’Houdetot! Grimm’s arrogante wijze van optreden tegen +hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een +kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme +d’Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend +had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare, +hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het +dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten +worden?</p> + +<p>Mme d’Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet +ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor +haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude +vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes, +waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph +die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een +verwende vrouw als Mme d’Epinay kon ’t noode verdragen, verwaarloosd te +worden. Zij hield warm van Roussau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij +koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij +ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen +dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d’Epinay tegen hem. +Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te +voorkomen.</p> + +<p>Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen +kwam de vonk.</p> + +<p>St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau +op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als +een liefdes-verhouding. Mme d’Houdetot vertelde het onder tranen aan +Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d’Epinay +gedaan.<a href="#fn32">[32]</a> In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin, +die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar +zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in +Westphalen was) kwam ’t tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere +explicatie, maar ’t gedrag van Rousseau liet een angel achter in ’t hart +der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale +op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen +hij in ’t najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed +en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij +wilde geheel met hem breken, Mme d’Epinay bracht met moeite nog een +schijn-verzoening tot stand.</p> + +<p>Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te +toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen ’t minste geloof +hechtte, had hij met Mme d’Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en +was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later +in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau’s illusie +van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieën. +Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde; +de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen +de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d’Houdetot +zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken.</p> + +<p>Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen +was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam +juist de stoot, die hem ondersteboven wierp.</p> + +<p>Op een dag in Oktober liet Mme d’Epinay hem vragen bij haar te komen en +vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo +spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar +bedienden, naar Genève dacht te gaan om zich onder behandeling te +stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau +haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en +hoopte dat hij ’t zou doen.</p> + +<p>Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genève, +niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thérèse, +die meer dan verstandig was met de dienstboden van ’t kasteel placht te +praten, hem hoe ’t praatje liep dat Mme d’Epinay een kind verwachtte en +naar Genève ging om in ’t geheim te bevallen. Nù begreep hij het. En +toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van +Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in ’t +bijzonder beriep op de “overmaat van verplichting die hem aan Mme +d’Epinay bond,” toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen +hem, het moest den schijn krijgen of <i>hij</i> de minnaar van Mme d’Epinay +was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te +gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling.</p> + +<p>Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke +positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d’Epinay een knechtendienst +van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij +dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert +uitdrukte: “zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg +van de vrouw van een algemeen belastingpachter.” Als een egel stak hij +zijn stekels naar alle kanten uit.</p> + +<p>Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering?</p> + +<p>Bevatte het praatje van Mme d’Epinay’s zwangerschap waarheid?<a href="#fn33">[33]</a> Had Grimm +werkelijk de hand in ’t spel en wou hij Rousseau naar Genève sturen om, +zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen? +Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem?</p> + +<p>Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d’Epinay zooals zij +zeide voor haar gezondheid naar Genève en had zij gedacht: “’t zou +gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de +menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan +zijn vaderland.” Was dit heel eenvoudige waar?</p> + +<p>De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in +twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid +gebracht.</p> + +<p>Brieven zonder tal—booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende, +gemoedelijke brieven—mijn hemel! wat schreven de menschen in dien +tijd—vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme +d’Epinay, Mme d’Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in +die najaarsdagen. En toen kwam ’t treurig einde van oude vriendschap en +goed-bedoelde zorg.</p> + +<p>Rousseau’s eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te +verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht +tot ’t voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te +vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen +Mme d’Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het +antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest +onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te +verlaten.</p> + +<p>Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien +de ellendigste van zijn leven. Mme d’Houdetot was toevallig op +denzelfden dag dat Mme d’Epinay naar Genève vertrok, naar Parijs +teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol +betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog +eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij +begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen +hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat +hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn +evenwicht geheel en al.</p> + +<p>Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid, +zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in +den tuin hooren, hij leek waanzinnig.</p> + +<p>Toen kwam dat briefje uit Genève: het werkte als een zweepslag. Met de +kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders +altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij ’t +dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en +erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme +d’Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, “niets is zoo eenvoudig +en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge +niet wenscht, dat ik er blijf.”—Toen zonk hij in elkaar.</p> + +<p>Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke +breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als +om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden +zijner hoopvolle jaren verliest.</p> + +<h3><a name="II.De"></a>II. DE KATASTROPHE.</h3> + +<p>Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met +Thérèse getrokken was—haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen +in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar +den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed—het huisje was +oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de +meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het +terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den +hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek. +Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde +naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency.</p> + +<p>Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open +koepel, van waar men ’t mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot +zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar +elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van +1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van +vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon +zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke +ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het—dit is het geheim van +den dichter—met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die +dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te +doordringen.</p> + +<p>Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den +titel “Lettre à d’Alembert sur les spectacles.” De aanleiding tot het +werkje vormde een bladzijde uit het artikel “Genève” in de Encyclopedie, +waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en +ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te +laten. Voor den schrijver van die bladzijde—het artikel zelf was van +d’Alembert—hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf +regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van +bij het landhuis, dat hij in Les Délices, een voorstad van Genève, +bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge +heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun +best zulk een “onzedelijke onderneming” tegen te houden. Echter, ook in +Genève was het tij aan ’t verloopen en kort na de verschijning van +Rousseau’s geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden +melden: “heel Genève bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt +een stad van genoegens en van verdraagzaamheid.”</p> + +<p>De “Brief aan d’Alembert” is uit twee verschillende gedachte-draden +geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het +klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen +begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw +onderwerp toegepast;—een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de +eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener +klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische +gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over +het leven der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde +hij daar tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche +samenleving als zijn geïdealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen +naar een sfeer van rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele +geneugten en eenvoudige landelijkheid—dat verlangen was, door al wat +hij beleefd had, sterker, maar ook smachtender in hem geworden dan ooit +te voren. Sedert hij zich zelf te kort gedaan en onrechtvaardig +behandeld achtte door menschen aan wie hij zijn vertrouwen gegeven had, +werd de oude bitterheid in hem verzacht door een teedere droefheid. Zoo +vermengde zijn hart, waarin de onstuimige gemoedsbewegingen die het +geschokt hadden nog natrilden, zijn eigen pijn met de gedachten die het +nadenken over zijn onderwerp in hem gewekt had. Daarom was waarheid wat +hij later in de “Confessions” getuigde, dat hij in dit werk onbewust +zijn eigen toestand schilderde, zich zelven, Grimm, Mme d’Epinay, Mme +d’Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, al loopt het schijnbaar over geheel +andere dingen en wordt geen hunner er in genoemd; zijn werk werd een +harmonische vermenging van algemeene inzichten en persoonlijke +ontroering en dit maakte het vol bekoren en wonderlijk suggestief. Er +was een warme teederheid in, die de menschen in ’t hart greep; een zoo +heel andere geest als in haast alle geschriften van dien tijd. Vandaar +’t verbazend succes dat ’t boekje had toen ’t uitkwam, een voorlooper +van de koorts van enthousiasme, die de “Nouvelle Héloïse” wekken zou.</p> + +<p>De “Brief aan d’Alembert” beteekende de openlijke breuk van Rousseau met +de materialistische philosophen. “Ik neem niet aan,” schreef hij, “dat +men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst.” En ook al had hij dit niet +geschreven, dan nog zou hij in ’t vervolg hun partij tegenover zich +gevonden hebben, want hij waagde ’t immers, op te treden tegen Voltaire, +diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den +leider, en dat kon niet worden getolereerd.</p> + +<p>Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire—uit +de verte altijd—kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij +verschillende gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete +brieven gewisseld, en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of +onbewust, voor elkaars wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke +waardeering van elkanders gaven en werken bedekt. Rousseau, de +onevenwichtigste der beide, had het eerst zijn geprikkeldheid getoond. +Naar aanleiding van Voltaire’s bekend gedicht over de aardbeving te +Lissabon, las hij den vorst der letteren in een partikulier schrijven de +les over het armoedig pessimisme van diens gelegenheidsvers, waartegen +hij met nogal onuitstaanbaar zelf-behagen het zegevierend optimisme +stelde dat in hem, ondanks zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de +bovenhand hield. De brief was zwaar op de hand en schoolmeesterig, +gelijk Rousseau na zijn bekeering tot de deugd wel meer kon zijn, en men +begrijpt dat hij Voltaire niet weinig ergerde. Dit echter speelde zich +nog binnenkamers af (de bewuste brief werd pas jaren later, buiten +medeweten van Rousseau openbaar gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau +dan ook nog niet losgelaten; daarvoor was hij voor de encyclopedisten te +veel waard. Maar nu, nu die snoodaard ’t waagde hem, Voltaire, die even +ijdel, even prikkelbaar, en even wantrouwend was als Rousseau,—ofschoon +op heel andere wijze—en daarbij was wat Rousseau niet was en nooit +werd: een verschrikkelijke paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn +tooneelplannen te dwarsboomen, nu was ’t gedaan met ontzien en +hoffelijke waardeering, nu moest “die schelm, die zot, die fanaticus, +die bastaard van Diogenes en van den hond van Diogenes” behoorlijk +afgestraft worden. Niet dat Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen +Rousseau te schrijven: daar had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar +een wenk te geven en ’t gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich +voorloopig mee, hem in particuliere brieven, die hij wist dat onder de +bondgenooten de rondte deden, met beleedigende schimpscheuten af te +maken: zoo gaf hij zijn ergernis lucht.</p> + +<p>Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover +de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde, +in ’t algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de +dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename +bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze +verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den +tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon +te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift. +Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk +was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij +feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire +eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om +hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief +van ’56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was +geworden, aldus eindigde: “Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk +kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon +zijn om te verdragen. Gij hebt Genève als belooning dat ge er een +toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van +den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het +die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen +sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en +zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch +bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land,” ... “Ik haat u, in +één woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die +waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle +gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de +bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde +voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer.” Dit gebeurde in 1760.</p> + +<p>Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er +buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien +tijd bewijzen: “die driedubbele gek ... een infaam schrijven ... +verachtelijke manœuvres ... de schrijver der “Nouvelle Héloïse,” die +kwaaddoende bengel ... (de “Nouvelle Héloïse” noemde hij “een vervelende +en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;” de “Emile” vond +hij: “laf en plat”). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid +boven alles stelde,—hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder +maar ondiep,—het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en +dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren. +Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor +de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den +vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans +gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte, +denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op +zijn plaats met de woorden: “wie veroorlooft zich, er aanmerking op te +maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de +god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn +meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?”</p> + +<p>Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van +Voltaire’s hartstochtelijke verguizing en Rousseau’s grootmoedige +waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos +het onaangenaam gevoel had weg te dringen van “die man is grooter dan +ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd +is”—terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed +benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke +meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht +en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de +verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.</p> + +<p>In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau in bedekte termen zijn breuk +met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat +wijdde hij ’t publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau +beschuldigde Diderot—en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige +prater kon over niets zijn mond houden—van met anderen gekletst te +hebben over zijn verhouding met Mme d’Houdetot en beschouwde dat als een +verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau +in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening. +Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: “de rechten ook +eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik +haar weer aan te blazen.”</p> + +<p>Zij hebben elkaar nooit meer gezien.</p> + +<p>St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau’s +handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei +en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had, +terug stuurde.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In den “Brief aan d’Alembert” had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem +hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede +kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij +leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van +werkverzonkenheid; de “Nouvelle Héloïse” kwam klaar in ’59 en zoo weinig +brak aan het einde daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich +onmiddellijk verdiepte in het schrijven van het groote werk over +opvoeding, dat sedert haast twintig jaren in hem was gerijpt.</p> + +<p>Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature +indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren +aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben, +een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar +geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de +innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote +punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de +verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de +verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had +uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat +hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een +nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de +sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het +verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de +eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen, +gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich +in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat +de zwakste bij elke verbintenis aan ’t kortste eind pleegt te trekken. +Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij +bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart +altijd aan ’t wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon +niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe +in zijn gemoed te dicht bijeen; ’t beste: de groote liefde tot de +menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te +geven was in zijn hart zóó onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst +naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;—dat hart was zóó +kwetsbaar, kromp zóó gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem +alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die hem +niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven— +behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood +verschijnen—zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met +Thérèse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was +het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst +beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren. +En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het +oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke +instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en +het overige te doen vervallen.</p> + +<p>Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al +vroeger opgegeven. Met al ’t andere, behalve de muziek-dictionnaire, +die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij +zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch.</p> + +<p>Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig—gelijk de +meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem +was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken +bestaan,—maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met +een open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en +aan bemind worden—die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste, +oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel +overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het +wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het +ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts +verdiepen in zich zelven.</p> + +<p>Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen. +Aan een goeden kennis in Genève, die zijn vrouw verloren had, schreef +hij bij wijze van troost in die dagen: “men heeft niet alles verloren +zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een +overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in +zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te +verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft.” Aan +dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiëele hulp +afwijzend: “ik heb slechts honger naar een vriend.” Ja, hij had weer +honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart +verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid +steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken.</p> + +<p>En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte +handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem +van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der +groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in +aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling? +De mode van den tijd, die eischte dat “men” een of ander letterkundig of +wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de +Romeinen der décadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen +zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn +betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere?</p> + +<p>Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte, +zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten +eerste Mme de Verdelin—alweer een jonge vrouw met een minnaar, die Jean +Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem over, +droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en +slecht-gehumeurdheden, verdedigde hem in ’t openbaar in de jaren dat +haast elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en +intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het +hof kwam, en diens maîtresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem +altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke +boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en +beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der +letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om +alles glad te strijken.</p> + +<p>In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der “Nouvelle Héloïse,” +begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een +vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij +schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den +naam van Claire d’Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van +een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen, +het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette +zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak, +geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie +van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in ’t geheel niet antwoordde. +Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter; +uit enkele zijner briefjes aan de “lieve Marianne” spreekt echte +hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie +maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau ’t hevigst werd +aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en +zelfs een brochure in ’t licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn +steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans +onder de “verdachten” te rekenen. In ’72 maakte hij een einde aan elken +omgang tusschen hen.</p> + +<p>Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en +hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde +kennen.</p> + +<p>Van af dat de schrijver der “Discours” in hun buurt was komen wonen, +waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij ’s zomers op +het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar +keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen +soupeeren, als hij lust gevoelde.</p> + +<p>Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in +den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de +maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn +bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer +aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht +en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met +allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij ’s morgens nog in +bed lag, de “Nouvelle Héloïse” voor die zij verrukkelijk vond.</p> + +<p>De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde +kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een +vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder +eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en +eenvoudig in zijn manieren, een mensch van ’t soort, waar Rousseau van +hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe +vrienden tot aan den dood van den hertog in ’64. Met de hertogin werd +hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem +was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar +reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van +’t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd, +berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende +geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij +om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan ’t hof; zij +had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau +leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar +konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in +haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van +zijn kant.</p> + +<p>In één opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn +nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee +om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij +lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet +voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken, +hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon +verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de +kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde +hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thérèse bewezen. +Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem +niet met geschenken lastig te vallen.</p> + +<p>In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de +groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst +pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een +eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in +het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig +van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke +omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou +houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje +netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen +verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet +weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand, +toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd, +trok hij weer onder het dak van een groot heer. ’t Zou de laatste maal +niet zijn, maar wel was ’t, helaas voor hem, de laatste maal dat een +dergelijk experiment goed afliep.</p> + +<p>Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn +huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen +van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thérèse een +paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen +zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun +herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo +waren dit in ’t algemeen goede, rustige jaren voor hem.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De “Nouvelle Héloïse” werd lang voor de verschijning reeds veel +besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele +zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d’Houdetot +afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn +liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen +hij ’t maakte, trilde onder ’t overschrijven nog in hem na; hij vond er +een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en +de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die +afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen ’t boek leeren +kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar +uit. Eindelijk verscheen het werk, in ’t voorjaar van ’61: het succes +was verbijsterend, misschien ongeëvenaard in de geschiedenis der +letterkunde. Dames van de groote wereld lieten ’t rijtuig, waarmee zij +naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen +lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur: +de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle +bestellingen. Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair +succes:—de letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin +merkte onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk +op—het was een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen +aangreep. Want in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van +het akelige, verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, +louter-cerebrale leven van het ondergaand regiem. De diepten van het +hart, de afgronden der persoonlijkheid sprongen open. De “Nouvelle +Héloïse” beduidde de bevrijding der persoonlijkheid, in de eerste plaats +van de persoonlijkheid der vrouw, van ondragelijke gekunsteldheid. Niet +maar een aangenaam of schitterend auteur, neen, hun bevrijder, de +bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke in hen was het, die de +duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de “Nouvelle Héloïse” +dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden.</p> + +<p>Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven +geen geluk; hun geëxalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het +zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij +bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of +geen heilige.</p> + +<p>Intusschen was ook de “Emile” voltooid geworden, dat andere kind van +veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij +had ’t even lief als de “Nouvelle Héloïse,” maar met een andere liefde, +niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat ’t zijn rijpste en beste +werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige +geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. En +dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, in al +zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens en +gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: het was +de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke +lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des +harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging +had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare; +diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten +het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn, +zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had +verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde +zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het +verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek in +zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn +geheim....</p> + +<p>Gelijk vroeger aan Mme d’Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan +Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thérèse en +hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar +medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop +althans één der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was +geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij +een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste +toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem +vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare +hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit +te wisschen, had hij haar uitgewischt door den “Emile.”</p> + +<p>Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de +eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de +Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet +plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den “Emile” toe te +vertrouwen. Het “Contrat Social,” zoo noemde hij de hoofdstukken die hij +gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij +zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De “Lettre à +d’Alembert” en de “Nouvelle Héloïse” hadden hem een bescheiden sommetje +opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte +hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs: +daarvoor wou hij voor Thérèse en zich een lijfrente koopen. Rey, die +schatten verdiende aan de “Nouvelle Héloïse,” verzocht hem om +toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thérèse vast te +zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn. +Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd +dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor +een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een +warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van +verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij +dankbaarheid knellend en rukte zich los.</p> + +<p>Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot +het bezorgen der uitgave van den “Emile,” van haar de belofte geëischt +en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam +gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen +onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut +vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij +woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee, +ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde +er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor +zijn ideeën vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den +martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam +verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem +onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was +typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen: +behoedzaam, bijna bangelijk—voorzichtig tegenover het gezag, en toch +fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die +gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, had +niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste +onaangenaamheden op den hals.</p> + +<p>Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan +hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed +waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip, +waartegen zij te pletter moest slaan.</p> + +<p>Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de +Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan ’t handschrift gezien had; +dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland +gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar +inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel +merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de +copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij +begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur +niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat +het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen; +hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem +gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg +hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen +antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek +dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde +zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuïeten de hand hadden +gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met ’t uit te geven tot hij +dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij ’t dan ten +hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn +vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste +discipelen in Genève zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen +zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte +zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem +gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld +proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij +zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de +Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven +met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn +van zelf-analyse, hij noemde die “de sleutel tot zijn gedrag.”</p> + +<p>Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de +Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur +toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en +de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk +ongecensureerd, dus <i>tegen</i> het wettelijk verbod te doen verschijnen; +een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk +door het feit dat de “Nouvelle Héloïse,” waarin evenals in den “Emile” +de “natuurlijke godsdienst” verheerlijkt werd, in Frankrijk niet +verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat +Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen.</p> + +<p>Nog voor de “Emile” verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te +duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te +waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een +toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde +zoo sterk, in “Emile” vóór den godsdienst, tegen de materialistische +philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk +immers met medeweten en onder goedkeuring van ’t hoofd der censuur, als +het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn +toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in +Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun +gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot +verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om ’t te +gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd ’t +plan uitgesteld.</p> + +<p>De “Emile” verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire +vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de +verschijning der “Nouvelle Héloïse;” d’Alembert schreef hem om hem geluk +tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der +weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem +heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering +te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme +de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou +hebben, zich door middel van een “lettre de cachet,” een paar weken in +de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het +parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles +wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar +vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou +vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar +hem dreigde.</p> + +<p>In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin +hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden +morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te +bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen +een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen +linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de +dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag +in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die +juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van +hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich +voorloopig in ’t kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij +naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de +Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een +edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees, +gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen +te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden +vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland.</p> + +<p>De ochtend ging heen met ’t inderhaast uitzoeken van zijn papieren, +tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van +het kasteel omhelsden hem, Thérèse snikte en gilde haar onbeheerschte +smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het +achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee +mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel +van ’t hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging, +waarmee de hertog naar die sleutel greep.</p> + +<p>Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te +zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een +geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij +een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij +groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen, +die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die ’s +morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat +hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt +hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een +plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd, +verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder +een aangenomen naam te reizen, en ’t grootste deel van den weg is in +zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij +soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den +avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot +een idylle in den trant van Gessner.</p> + +<p>Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat, +nu het op het punt stond de Jezuïeten uit te wijzen, de reaktionaire +partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst +schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de +wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was +vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen, +die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als +jansénist, protestant, atheïst of vrijdenker, was een rebel. Er is geen +rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien.</p> + +<p>Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de +hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn +overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan +hij toen reeds leed, hun “lieve vriend” lieten trekken, al de ellende en +zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem +laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig +waren? Zijn beschermers waagden, zoo ’t tot een proces kwam, meer dan +hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge +betrekkingen, hun positie aan ’t hof te verliezen. Wat valt er van hun +houding te zeggen?</p> + +<p>Dit eene—en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van +Rousseau het duidelijk en klaar gezegd—dat zij is geweest van een +verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit +de omstandigheden <i>verklaren</i> en in zekere mate <i>verontschuldigen</i> kan, +maar die de waarheid verbiedt te <i>verbloemen</i>.</p> + +<p>Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche +menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem +ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid +hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem +weggestooten, zooals men het géén vriend mag doen. Hij was toch maar een +stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen +gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo +bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende +hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nòg eens vertrouwd, +zich nòg eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij +kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en +gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn +schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze +bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los, +inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem +wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem +zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe +rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op.</p> + +<p>Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vóór alles +onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk, +van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn +meerderen waren.</p> + +<p>Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten. +Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil.</p> + +<h3><a name="III.De3"></a>III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN</h3> + +<p>De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht, +jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht, +grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens +voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie +geweest. Daarvóór kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten; +vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de +Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot één stroom van schoonheid en +kracht. Daarnà verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing +en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van +zijn bewustzijn kaatste het beeld eener àl wanstaltiger wereld, te +midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de +voorstelling troonde van het eigen ik.</p> + +<p>In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken—de +wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug—die te zamen het +beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt +zijner kracht. Het zijn: de “Lettre a d’Alembert,” de “Nouvelle +Héloïse,” het “Contrat Social” en de “Emile.” Zijn vroegere geschriften, +met name de beide “Discours,” zijn nog slechts aanloopen tot deze +werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen +gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. Wat +de werken nà Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee +rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de “Lettre à Monseigneur de +Beaumont,” de “Lettres de la Montagne” en de “Gouvernement de Pologne.” +Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote +jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen, +versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en +levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der +tweede rubriek, de “Confessions” en de “Rêveries” zijn, zuiver als +woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, de +levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken, +waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate +waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te +roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van +Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de +“Confessions” en de “Rêveries” boven de “Nouvelle Héloïse” en den +“Emile,” omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en +uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin +de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en +sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poëzie reiken kan.</p> + +<p>In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener +levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de +natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling +(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, +klasse-verhoudingen) uitgebeeld. In de “Nouvelle Héloïse” en de “Lettre +à d’Alembert” vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk, +gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den “Emile” die van +godsdienst en opvoeding, in de “Contrat Social” zijn staatkundig ideaal. +Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het +menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van één geest, zij +worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en +denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van één groot +levenswerk.</p> + +<p>Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht +niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van +den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zéér groote +onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te +leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht +te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak +niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom +bruischte ’t sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De +geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde +tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met ’t universum, werd +somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De +sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem, +maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn +conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten (“Nouvelle +Héloïse”) tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn +conceptie van den idealen staat (“Contrat Social”) verstandelijk betoog +is gebleven. En vandaar ook dat in den “Emile,” die een algemeene +theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt +tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch +tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en +jong-meisje tot elkaar behandelen.<a href="#fn34">[34]</a></p> + +<p>De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo, +dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot +dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht +bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten +is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der +fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wél +kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, de +weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het +lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende +verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,—dààr lag zijn +vaderland, dààr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied, +met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame +worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich +eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het, +om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en +dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend, +zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en +aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde, +maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de +zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als +synthetisch-konstruktief is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, +doorgloeid van den gloed zijner haat en zijner liefde; in het +doordrongen-zijn der redeneering met hartstochtelijke bewogenheid lag +zijn vermogen anderen mee te sleepen.</p> + +<p>Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave +missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in één groote +verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk +onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een +vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe +vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van +zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en +betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm +van den roman-in-brieven, die hij in de “Nouvelle Héloïse” toepaste, was +niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen +romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten +een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson was +de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige +afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van +Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot +het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie. +Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen +opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel +voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door +de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken +en te verstrooien,—hetzij door verhalen van lage en platte avonturen +gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische à la Prevost, of +prikkelend-zinnelijke à la Crebillon, werd in de handen der groote +burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot +bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun +romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den +inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke +inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze +de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der +feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.<a href="#fn35">[35]</a></p> + +<p>In den “Emile” schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens +in-elkaar-overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in +alle opzichten het meest origineele zijner werken.</p> + +<p>In de “Lettre à d’Alembert,” dat de schakel vormt tusschen de “Nouvelle +Héloïse” en den “Emile,” wordt het betoog, de kritisch-satirische +beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de +idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven +der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een +adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geïdealiseerde +herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene +verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid.</p> + +<p>Niets van beeld of lyriek in het “Contrat Social.” In de hier behandelde +groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen +vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft +Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding +vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug, +bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen +hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam +brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen. +Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere ooren +en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe +eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid +laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen; +een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, +beklijvend in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van +verontwaardiging over het onrecht dat aan de massa’s geschiedt, van +weerzin tegen de dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, +vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij +slingeren zich tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en +democraat, steun eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en +opvoeder der groote revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie!</p> + +<p>Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat +beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De +beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere +smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn +innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen +zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn +voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche +gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel +doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver +maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De +geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid, +gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van +Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de +oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een +hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een +vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden +geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie +en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der +eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had +verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had +verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle +zoete en sterke bewegingen van het gemoed.</p> + +<p>Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met +Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze, +in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende +moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu +isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de +samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der +vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den +burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn +hoogmoedig hart.</p> + +<p>Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo +liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij +Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn +ouderdom, de “Confessions” en de “Rêveries.” Naast de eenvoudige rijke +levendigheid der “Confessions” en de onbeschrijfelijke harmonie, de +betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne +doorzichtigheid der “Rêveries” staan de werken der groote jaren als +minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen.</p> + +<p>Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weeë +sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is—er staat +tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat +der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze +parels van woordkunst: de “Confessions” en de “Rêveries,” ontbreekt.</p> + +<p>Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de +tekortkomingen en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? +Vanwaar hun gebreken, vreemd aan de werken van Rousseau, welke +uitsluitend zijn persoonlijk leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in +de uitdrukking van het gevoel, de gezwollenheid, bij een dichter die het +gevoel zoo zuiver wist te uiten? En vanwaar ook de hooge toon van deze +werken, de heerlijke gloed die ze doordringt, de edele verheffing? +Vanwaar?</p> + +<p>Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de +maatschappij. Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn +onderwerp, dat is van zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle +revolutionnaire dichters, had hij ook den stijl der opkomende +maatschappelijke krachten, die der klassen wier belangen en behoeften +zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel der opkomende burgerlijke +klassen weerkaatste zich in zijn gevoel.</p> + +<p>De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere +volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en +juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der +kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in +den weg stonden.</p> + +<p>Onheroïsch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de +ontwikkeling van heroïsche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering +en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd +tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de +dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit +wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel +een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa’s om de banden +hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te +voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische +tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te +houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud +der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld +door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid +gestelde taak te zien, schitterend in fantastische +overdrijving,—daartoe moesten de revolutionnaire strijders in zich een +wereld van stemmingen, voorstellingen, ideale gevoels- en +gedachte-vormen oproepen. De stof tot deze ideale wereld vonden zij +voornamelijk in de historische legenden der klassieke oudheid. Daaruit +steeg tot hen de stoïcijnsche gezindheid, het patriotisch en +republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroïsme, die zij +bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich +vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de +werkelijkheid hun ontzegde te zijn.<a href="#fn36">[36]</a></p> + +<p>Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven +den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de +vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de +uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar +somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het +theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet +anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het +gevoel.</p> + +<p>Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-’92, was ook het noodlot van +Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij +Byron en Schiller,<a href="#fn37">[37]</a> gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de +burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie +tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij +vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë +laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der +revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher +harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren +innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen +bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij +geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in +den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht +en heerschzucht en nijd.</p> + +<p>Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar +voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn +sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming +der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen +tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood +aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch +voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in +aantocht was<a href="#fn38">[38]</a> en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn +tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheïstische, genotzuchtige, +door de korruptie van het ancien régime aangestoken grootbourgeoisie den +stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige, +onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie, +kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der +levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, òm het te +volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken +moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme, +bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze +gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en +te versterken.</p> + +<p>Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig +instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe +maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun +wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met +alle poriën van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig +kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. +Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en +de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de +valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze +gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan +het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar +waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld +brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.</p> + +<p>Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in +zijn onlangs verschenen werk “Jean Jacques Rousseau révolutionaire,” dat +Rousseau “de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te +veranderen” en dat hij “zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft +opgedrongen aan de revolutie.” Zulk een toovenaar was hij niet! +Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuïtie voorvoelde +welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou +behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun +taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van +hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn +werken tot het evangelie van den revolutie-tijd.</p> + +<p>En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de +schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal +waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die +geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het +gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had +Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan +een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit +Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hùn ideologie hadden +geput.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau +in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het +menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het +universum), en de verhoudingen der menschen onderling.</p> + +<p>Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk +God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de +menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor +dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met +de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in +Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later +verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd +tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde.</p> + +<p>Het achtiend’eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote +bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk +gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook, +maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk, +dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks +staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theïsme kwamen hierin +overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn, +maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme +der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een +deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der +toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende +beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er +sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt +stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij +te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het +zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische +philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale +neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen +van den mensch.</p> + +<p>In het theïsme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god, +boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de +verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn +eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij, +die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken +arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen +tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen +tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.<a href="#fn39">[39]</a> De +warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel, +den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als +zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander +gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der +menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch +spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de +eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de +concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk +middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten +God. Het theïsme, dat in de engelsche achtiend’eeuwsche philosophie een +groote rol speelde, en door Rousseau gepoëtiseerd en gepopulariseerd +werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en +samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den +voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming.</p> + +<p>Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen +groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was +zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch +was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen +over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken +grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid +was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren +òf op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, òf in zwaardere +afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en +absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de +grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de +kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen.</p> + +<p>In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de +burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen +(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen +godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een of +anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar +bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de +abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke +verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als “de breidel +der rijken en de troost der armen” gelijk Rousseau het zeer juist +uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en +onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk +fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal, +handelen. Zooals het achtiend’ eeuwsch materialisme tot de ethische +theorie van “zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch” leidde, zoo +beriep het theïsme zich op God, om steun te geven aan de sociale +gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid +van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk +handelen zag het theïsme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de +eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheïsten uit zijn idealen +staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen +met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij +hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning +voor het onderdrukken daarvan.</p> + +<p>Het mechanisch materialisme en het theïsme vertegenwoordigen dus twee +polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide +wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is +daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theïsme voor te stellen als +“reaktionnair” in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het +punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende +klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de +strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was +Rousseau, door zijn individualistische uitspraak “elk mensch staat +rechtstreeks tegenover god,” niets minder revolutionair dan de +materialisten door de hunne “er bestaat geen god.”</p> + +<p>Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van +Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan +een bijzonder karakter. De eerste was zijn geëxalteerd individualisme, +in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die +hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek +moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven, +verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn +Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, de +verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle +samenwerkende emotie’s van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste +expansie der persoonlijkheid.<a href="#fn40">[40]</a> Zoo komt het dat hij wel vaak op den +grens schijnt van het pantheïsme, maar er toch nooit toe overgaat god te +identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke +kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het +menschenhart geschreven had.</p> + +<p>Maar het geëxalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos +zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen. +In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm, +bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier +stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk +wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen +God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en +maatschappelijk op ’t punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan +koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad; +zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet +de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden. +Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver +overtreffend! Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen +onrecht, niet onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te +staan en het juk af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: +beklemd door over-machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld +sedert de eerste smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het +goede gezocht, en hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning +en verdriet! Het heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld +ontzegd was, verplaatste hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid +die voor hem uitbleef op aarde, zou hem in een ander leven alles +vergoeden. “Mijn vriend,” schreef hij aan een kennis uit Genève, “ik +geloof aan God, en God zou niet rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet +onsterfelijk ware.” “Zoo ik geen ander bewijs had van de +onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den booze en de +onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld,” spreekt de “Vicaire +Savoyard,” “zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. Ik zou +tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven, +alles wordt hersteld na den dood.”</p> + +<p>Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het +slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de +laatste boeken van de “Nouvelle Héloïse” en in de belijdenis van den +“Vicaire Savoyard” heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het +geweten zijn de beide pijlers van dit geloof.</p> + +<p>De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het +eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij +vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van +gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of +slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den +mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het +lichaam; het is “het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche +stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede +begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god +gelijk maakt”....</p> + +<p>“Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve +ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit +gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam +waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil +is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word +overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven +wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn +hartstochten.”</p> + +<p>Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poëtisch bijwerk en +de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en +geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid +en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma’s, openbaring, Christus als +middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit +aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der +maatschappelijke verplichtingen.</p> + +<p>Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische +spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant +heft Rousseau ’t weten op, om plaats te maken voor ’t gelooven; gelijk +Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in +innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons, +die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken +oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag +de dingen te kennen. “Wij zijn,” zegt de “Vicaire Savoyard,” “van alle +kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te +onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door +middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de +grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen +overlaat, zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op +zich zelven is, en wat wij met betrekking er toe zijn.”</p> + +<p>Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle +tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het +werkelijk bestaan, het <i>Ding an sich</i> niet vermogen te kennen?</p> + +<p>Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en +bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit +tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun +persoonlijken aanleg.</p> + +<p>Hun beider theïsme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij +de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling +der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der +Middeleeuwen, en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan +zijn vernietiging, vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte +denken, de mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze +natuur, vult het dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het +denkbeeld van de plicht, dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en +het weerstand bieden aan de verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn +leer voor de opkomende burgerij een groote sociaal-ethische beteekenis. +Plicht, dat is het afstanddoen van eigen voordeel en winst, het +weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen wanneer ’t geweten +spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang bij het algemeene, +het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de levensleer niet +in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar der +<i>arbeidende</i> kleine burgerij.</p> + +<p>Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poëtische +natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten, +maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren +troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij +slaagde er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de “laffe +schim”<a href="#fn41">[41]</a> der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te +blazen, aan het kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma’s, +zonder geopenbaarde waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, +een zachte warmte en een poëtischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg +vooral <i>politieke</i> en <i>literaire</i> beteekenis: door het sentimenteele +geloof van Robespierre en de Jacobijnen aan een “Etre suprême,” een +opperste-abstraktie, samenvattend al die andere abstrakties van Vrede, +Vrijheid, Recht, enz. enz., achter welke zich, voor hen zelven onbewust, +zeer reeële en materiëele klassebelangen verborgen; en door het vage, +onbestemde, poëtisch-opgesmukte deïsme en spiritualisme van +Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred de Musset, George Sand, +enz.—Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks af van de +geloofsbelijdenis van den “Vicaire Savoyard.”</p> + +<p>Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig +jaar geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de +“Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard” behandelde, vierde hij de +bekeering van Rousseau tot godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het +begin der christelijke reaktie tegen het systematisch ongeloof en +eindigde zijn beschouwing met de volgende woorden: “Mijne heeren, men +moet kiezen tusschen den priester en den politieagent, en wij prijzen +het in Rousseau, dat hij den eerste heeft gekozen.”</p> + +<p>De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij +meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan +de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn +tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de +autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen +versterken.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede “Discours,” +de voorrede van “Narcisse,” het artikel voor de Encyclopedie over +politieke economie en het opstel over “het regeerstelsel van Polen”) +heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen +op den menschelijken staat behandeld.</p> + +<p>Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze +geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke +hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme. +Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk van +de grondslagen van den staat behandeld in het “Contrat Social.” +Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den +strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming en +alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen +schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het +maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede “Discours” en het +“Contrat Social” heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken. +In dit “Discours” immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den +eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het +maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen +ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle +ondeugden, alle menschelijke ellende. In de “Contrat Social” prijst hij +daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving +en den burgerlijken staat verworven heeft. “Al doet de mensch (in dezen +staat),” luidt het daarin, “afstand van verschillende voordeelen, die +hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn +vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen +verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe +levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit +hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen, +dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen +maakte.” Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt +wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede +“Discours,” en wat met het “Contrat Social” beoogde. In het een zoowel +als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen +te lijf. In het bewuste “Discours” stelde hij tot dit doel tegenover de +sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n. +“natuurstaat” en verheerlijkte die; in het “Contrat” onderzocht hij de +oorsprongen van den staat in ’t algemeen om daaruit de onwettigheid te +demonstreeren van het absolutisme.</p> + +<p>Van tweeërlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire +denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat +te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste +vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en +vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de +voortreffelijkheid van het “gemengde” (d.w.z. engelsche, +half-burgerlijke,) boven het absolutistisch regeerstelsel te +concludeeren. Het juridisch onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot +uitgangspunt het bestaan van een onveranderlijk, onvervreemdbaar +menschenrecht, het recht te beschikken over de eigen persoonlijkheid, en +leidde uit het bestaan daarvan de onrechtmatigheid der heerschende +politieke instellingen af. Het eerste uitgangspunt leidde tot onderzoek +der konkreete werkelijkheid en voerde in de praktijk tot gematigde +voorstellen; het stelde zich tevreden met aan te sturen op een kompromis +tusschen de absolutistisch-feudale en de burgerlijke klassen, gelijk in +Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu schreef als realist en +hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van Rousseau voerde tot +den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. In +zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste +aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische, +terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat +tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt. +Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair, +gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den +inhoud van het bewustzijn dat ís.</p> + +<p>Daar waar Rousseau in het “Contrat” de onbegrensde ruimten der +abstraktie verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete +werkelijkheid, rekening houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar +zwijgt de koene revolutionaire denker en hoort men de stem van den +weifelenden, voorzichtigen kleinburger.</p> + +<p>De mensch—aldus de gedachtegang van het “Contrat Social,”—is vrij +geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. “Het +recht van den sterkste” is niets als een leugenachtige uitdrukking. De +noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar +met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk +kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke +macht, noch de inwilliging van allen, om aan één te gehoorzamen. Geen +enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder +de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij +zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot +oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne +leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in +ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht +van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne +krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele +en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal +gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als +<i>burgers</i> deel aan het gezag, als <i>onderdanen</i> zijn zij aan de wet +onderworpen.</p> + +<p>Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat +zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden? +Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil +hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger +heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene; +maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke +persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt +met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil +hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de +wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om +vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich +onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet +tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn +eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar, +de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen +welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds +het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer.</p> + +<p>De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren +en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de +regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn +dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk. +Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd +vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding +van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk +lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale +kontrakt.</p> + +<p>De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of +demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de +handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal +zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie +alle raderen in één hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil +des volks maar ’t heil des konings, die onophoudelijk streeft naar +vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van +een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen +welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig +vorst.</p> + +<p>Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de +beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een +aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige +zeden, gelijkheid der vermogens, enz. “Bestond er een volk van goden, +het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen +is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt.” In de praktijk is +dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest +verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust. +Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de +aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste +waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz. +van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in +den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties +verkiezen.</p> + +<p>Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest +verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den +staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling +der produktiekrachten enz. In ’t algemeen is de eenhoofdige regeering ’t +meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de +middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken +van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een +slechte haar vermindering.<a href="#fn42">[42]</a></p> + +<p>Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van +den souverein, dat is van den volkswil.</p> + +<p>Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering +die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot +onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend +vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde +tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit te +oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk +kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een +stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein +behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of +het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er +thans mee zijn belast.</p> + +<p>Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het +verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan +noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept +zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een +talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te +geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan.</p> + +<p>Men ziet hoe het “Contrat Social,” in den vorm eener abstrakt-juridische +redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der +demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den +soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen +souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als +zaakgelastigden van het volk,—dit alles waren in de dagen van Rousseau +revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts +voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn. +Vandaar dat het “Contrat” slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas +door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor +deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders +van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en +denkbeelden schepten.</p> + +<p>De rol die het “Contrat Social” heeft vervuld als het evangelie der +burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het +overheerschend <i>klein</i>burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen +die Rousseau in het “Contrat Social” verkondigt. De ideale staat die hem +bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige +abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine +boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der +teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden +patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om +den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de +instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een +tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was de +arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen +bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den +landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was; +industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen +gering.</p> + +<p>Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking +tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het +“Contrat Social.” Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten +over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld +welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het +eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de +afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten +voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner +geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer +sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de +politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat +geregeld behoort te worden; in de “Contrat Social” noemt hij het de +plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende +ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de “Lettre à d’Alembert” +verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij de +belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel +ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een +groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,<a href="#fn43">[43]</a> gelijk +de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in +praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het +“laissez-faire en laissez-allez” de opvatting dat de staat zich tevreden +behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk +met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet +de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie, +uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere +bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het +proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der +uitbuiting. Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had +geen bezwaren tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der +massaas door de industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als +tegen hun plundering door de feudale grondbezitters en den koninklijken +fiscus. En de kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het +ingrijpen der overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn +arbeidswijze, zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin +niets van hinderlijken dwang.</p> + +<p>Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur +voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid +der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit +alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der +oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer +10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die +hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten +kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den +handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die +op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn +verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts +onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne +persoonlijke.</p> + +<p>Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het +volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den +hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee van +den “abstrakten staat” niet uit zijn hoofd haalde maar uit de +werkelijkheid der republiek Genève, in dat hoofd tot een idealen staat +herschapen. Immers in Genève bestond nog, hoe ook tot machteloosheid +ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: de +kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle +burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig.</p> + +<p>Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot +verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid +van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren. +Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter +uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich +somtijds op één enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte +zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te +schrijven, die hem volkomen vreemd waren.<a href="#fn44">[44]</a> Zeker kan men uit deze +uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden, +echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het +verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en +wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte +de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch +inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de +gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn +geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom +als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over +de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als “het +heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog +belangrijker dan de vrijheid.” In het “Discours” over den oorsprong der +ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. “socialistische” uitval tegen +het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere +plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn +voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het +verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau +meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen +was voorafgegaan.</p> + +<p>Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het +kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op +uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate +onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. “De arbeid,” luidt het in +het “Contrat Social,” “de ontginning van den bodem is het eenig teeken +van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden.” Dit +kleinburgerlijk, op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de +grondslag der vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der +wetgeving, de gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te +herstellen, en de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te +beperken, dat geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en +geen hunner uit armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen.</p> + +<p>De eenige vorm van eigendom, die naast het kleinburgerlijke genade vindt +in zijn oogen, is het patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik +produceerende grootgrondbezit.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en +affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de +rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak +van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot +zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms +wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid, +zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. “Voor de mannen +<i>bezitten</i>, voor de vrouwen <i>ontrooven</i> ziedaar heel het spel, heel de +eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk, +wispelturig, nooit verzadigd; door de comédie de mœurs verpersoonlijkt +in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus +tot den Amor der oude tijden: “uw minnaars waren niets als goedzakken, +zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de +omringende echo’s. Ik voor mij heb de echo’s afgeschaft. Komaan, zeg ik, +ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet +zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: “ik sterf;” er is niets +levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles is +geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weeë kost der voorbije +tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze +goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om +teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten, +vallen zij aan; zij zeggen niet “doe mij de gunst,” zij nemen ze: en zoo +hoort het.”<a href="#fn45">[45]</a></p> + +<p>Liefde—groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den +minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk +als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche +gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste +levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met +den spotnaam: “eerbiedwaardige verhoudingen.” Suggereert de uitdrukking +niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de +provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot +een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich +aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt.</p> + +<p>Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie, +hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: “zoo ge +driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal +bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen.” De liefde +is àl scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan ’t begin +’t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar. +In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen +verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot.</p> + +<p>De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste +instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten +met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar +begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want +dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar +nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen. +“Gij zijt,” zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, +“ontbloot van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen.”</p> + +<p>Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog “in gevoel +doen,” en er nog “provinciale veroordeelen” op na houden zijn zeldzaam. +Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een “zekere +elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar +val.”<a href="#fn46">[46]</a> En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een +theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het +enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met +de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma: +“het eenige goede in de liefde is het lichamelijke.”</p> + +<p>Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo +leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de “Nouvelle Héloïse.” Het +boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere +sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden. +Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd, +lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in +zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit +één stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de +schoone verhouding der deelen tot ’t geheel. Wat had hij al niet +omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle +levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! De +philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de +staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de +paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit +gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan +hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In ’t +hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene +en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet +meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de +Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen, +verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit +elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen +verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend +haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van +wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de +menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden van +aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke +ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van +kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de +geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij +kunnen niet weerstaan.</p> + +<p>Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vóór het zoete genot van +elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte +moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de +onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al +berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij +ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende +blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de +liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt +de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de +deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de +menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt +hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander +wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen +persoonlijkheid.</p> + +<p>Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige +vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie +gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der +gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen +van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven.</p> + +<p>“Ik weet niet of ik mij vergis,” schrijft Julie aan haar minnaar, “maar +het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden +is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op één +voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te +maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor +het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet +langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij +en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de +zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een +verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij +verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis, +zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam +maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen +haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten +alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen.”</p> + +<p>Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde +met de schaamtelooze wellust van Marivaux!</p> + +<p>Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geërgerd, waarmee +Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze +kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux +beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere +teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend +gelijk zij ’t grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het +temperament van Sophie haar ’t wachten op een man moeilijk maakt en +schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig, +door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt.</p> + +<p>In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt +van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte +der sexueele moraal.<a href="#fn47">[47]</a> De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid +prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de +tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te +verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of +liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te +los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding +aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en +valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne +waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar +grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke +neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het +teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en +eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die +natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed +met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding.</p> + +<p>De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt +het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met +elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar +geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste +in onze persoonlijkheid.</p> + +<p>Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alléén is heilig. Zoo de +natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het.</p> + +<p>De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te +verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling, +waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het +recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander +recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur, +zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die +Rousseau in de laatste boeken der “Nouvelle Héloïse” in beeld heeft +gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken, +de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos +volgen zijner impulsies en aandriften, èn den wil die te overwinnen, te +leven volgens hooge zedelijke beginselen.</p> + +<p>Op het oogenblik van Julie’s huwelijk met Wollmar—den veel ouderen, +koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede +gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden +acht door de beschikking van haar vader—gebeurt er een wonder: in haar +voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht +gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar +hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan +haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als +vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser +en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de +heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een +nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een +uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar +nieuwe taak. “Ik wil,” spreekt zij tot hem, “den echtgenoot liefhebben, +dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste +plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat +volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen +der rede die uw gave in mij is.”</p> + +<p>Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij +zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de +betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende +verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. “Het is een dwaling +te meenen,” schrijft Julie aan haar minnaar, “dat de liefde noodig is +tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid, +bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter +en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere +affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en +rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te +zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te +vervullen, zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en +eere op te voeden.” Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken +staat tegen haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op +het landgoed nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk.</p> + +<p>In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de +voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin +(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve +voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij +heeft niet slechts een ideeële roeping als echtgenoote en moeder; zij +staat feitelijk aan ’t hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en +van een talrijk personeel.</p> + +<p>Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is +het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende, +allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des +levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om +zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt +geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij ’t +wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur +hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef +stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt +Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt +gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en +liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar +laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn.</p> + +<p>Zoo verzoent Rousseau in de “Nouvelle Héloïse” het recht der +persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk; +hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als +jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde, +ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan. +Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een +zedelijke revolutie, een “Umwertung aller Werte.” De jonge meisjes +bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een +passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het +tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of +een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als +een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige +erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het +denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche +steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan +vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe +opvatting van elkaar alle vrijheid te laten!</p> + +<p>“Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd,” aldus een +schrijver uit die dagen. “Vroeger kwam ’t huis op stelten te staan als +de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo +de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was +zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar +aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te +weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar +wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In +waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te +huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen +verdraagzaamheid, vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de +echtgenooten elkaar lief, des te beter: zij leven samen en zijn +gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan zeggen zij het elkaar als eerlijke +lieden en geven elkaar hun belofte van trouw terug. Zij zijn niet langer +minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik zachte en sociale zeden.”<a href="#fn48">[48]</a></p> + +<p>Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere +klassen geen sprake. De man had òf een betrekking aan het hof, dan +verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de +provincie; òf hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of +moest te velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van +aanbidders, haar minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; +voor haar hield ’t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der +landgoederen en lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op +het half ontvolkte platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, +scheen aan die wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, +sterven van verveling: daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk +werd de opneming eener clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de +vrouw zich het recht voorbehield, haar man niet te volgen als hij op +zijn landgoed in de provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin +te verplaatsen op het platte land, ver van het groote stads-leven, door +Wollmar en Julie voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en +raadgevers eener boerenbevolking, “wier lot zij streefden te verzachten +zonder het hun mogelijk te maken hun staat voor een anderen te +verwisselen,” ging Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende +klassen zijner dagen in.</p> + +<p>Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn +huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte +werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De +jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten +eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich +zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, in +de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in +eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of +verhanseld door eerzuchtige of halfgeruïneerde ouders, en zoo zij niet +in alle vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar +anders dan voor de adellijke dametjes, was voor haar ’t huwelijk ’t graf +der vrijheid. Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk +van zorg en moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en +gebondenheid ging beginnen, om niet te eindigen dan met den dood.</p> + +<p>Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven +overgoot Rousseau met den toover der poëzie. Hij maakte het ingetogen, +huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk, +en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat. +Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te +stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de +vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,—propagandistische +kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo +ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van +kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in +de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In géén andere +verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en +geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen, +zoovelen tot zegen zijn.</p> + +<p>Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor +Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk +te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de +school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de +rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht +om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit +compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man +dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij +hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich +gebonden rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander +had beloofd? Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn +kind beschikken? En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der +persoonlijkheid? Kan dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te +breken, om vaderlijke veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? +Heeft het jonge geslacht niet het recht en de plicht, om de moreele +banden waarin het vorige het leven voor goed wil breidelen, door te +snijden, zoodra het die als vooroordeelen voelt? Kan de groei des levens +gaan op andere wijze?</p> + +<p>Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde +en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen. +Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet +eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk +gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en +bezonnenheid. Neen, maar liefde èn plicht in een eenheid vereenigd, de +gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs +verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene +genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit +alleen erkennen wij als het ideaal.</p> + +<p>Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de “oplossing” der +“Nouvelle Héloïse.” En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast +vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons +zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau.</p> + +<p>In de “Nouvelle Héloïse” zien wij de vrouw optreden als de genoote van +den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige +opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den “Emile” lezen +wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden.</p> + +<p>Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de +bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale +bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich +die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen +arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld +ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en +het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin +door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het +ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half +patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap: +in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar +lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst +van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken.</p> + +<p>In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich +aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in +zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan +het geestelijk leven van hun tijd.</p> + +<p>Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mémoires en tragedies, +deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle +waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing, +vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit +soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat +“de geleerde vrouw haars mans roede is.” De geestige blauwkous en +mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen +een soort van monster.</p> + +<p>De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om de +natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze +geëmancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet +veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar +slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest—in zoover +dit oorbaar was voor een vrouw—binnen te leiden. Maar één ding moest +haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te +verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. “De vrouw +is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te +dulden.” En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit +onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te +verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok.</p> + +<p>Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als +slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, maar +de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol is en +gebruik maakt van de wapenen der zwakken. “Haar bevelen zijn +liefkoozingen, haar bedreigingen tranen.” In de nauw-omsloten sfeer van +het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de +heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van +waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te +onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij.</p> + +<p>Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de +salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De +natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest +daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar +geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te +leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der +oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der +woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het +openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch +leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren, +en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten +door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen +verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het +elkander lichtzinnig naäpen, zooals de ijdele kwasten en de malle +salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het +mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in +geometrie en ontleedkunde te liefhebberen.</p> + +<p>Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming +van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande +ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij +niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten +moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke +mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit +weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin +de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken +en liefhebben zal.</p> + +<p>Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en +onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn +kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag +mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide +eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij. +Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om +haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en +in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En +hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden +zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het +karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid <i>der vrouw +van den man</i> vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in +den dienst der gemeenschap.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk +vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede +patriotten zagen vol onrust dat “er geen mannen meer waren” en broeiden +over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner +voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fénélon, van Rollin en Fleuri; +maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het +menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires, +dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk +verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal +meer poëtisch en meer philosophisch en algemeener, minder +nationaal-beperkt.</p> + +<p>Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone +opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in. +Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt +om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven +der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle +doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche +manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst +verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen. +Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en +vrouwen, geen menschen.</p> + +<p>Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming, +moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden. +Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, +uitbundig-pleizier-hebben was uit den booze, springen en hollen +verboden; hoe sneller en volkomener de arme wezentjes tot apen der +volwassenen werden gemaakt, des te beter was de opvoeding gelukt. Het +familie-leven bestond in de hoogere kringen feitelijk niet meer, de +kinderen kenden hun ouders nauwelijks; zij werden van af hun geboorte +aan de zorgen van vreemden toevertrouwd: eerst aan een min, later aan +gouverneurs en gouvernantes. Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, +gepoederd, geparfumeerd, de jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de +meisjes met de onmisbare waaier in de hand, een oogenblikje hun +opwachting maken bij het morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk +weer te verdwijnen, want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame +toch niet.</p> + +<p>Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der “natuurlijke +opvoeding” oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij +zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met +zijn diepe, vèrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in +dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen. +Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen +wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie +vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des +kindes is; geef het—en dat is het eerste wat hem toekomt—geef het een +moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die +het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg; +die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn +bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn +spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde +beleefdheids-vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen +waarvan ’t niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles +wordt door de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge +wezen vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het +kind niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het +door lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en +kou, honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende +tot zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als +een jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; +denk niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen +leeftijd wel bereikt? Kwel het niet met de studie van ’t latijn, giet +het geen abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode +geleerdheid van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn +leermeesteresse zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn +zintuigen spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt +om later veel te kunnen begrijpen. “Om goed te leeren denken, moeten wij +onze ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de +werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij te +trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond.”</p> + +<p>Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen +vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn +denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties. +Zóó alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de +oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit +noemde de kritiek zijn “overdrijving.” Zij begreep niet dat overdrijving +bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de +menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar +het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van +het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch +hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening +van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en +zintuigen. Door deze en andere “overdrijvingen,” dat is door de koenheid +van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot +een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden.</p> + +<p>Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den “Emile,” den mensch +opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder +mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de +genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door +een <i>openbare</i> opvoeding, gelijk regel was in de republieken der +oudheid;<a href="#fn49">[49]</a> deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel +in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers +voort, maar slechts bourgeois.</p> + +<p>Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en +het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt +niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig +als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem +waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste +trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn +individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder +den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der +opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en +plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken +van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen +van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel +zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de +individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar +waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v. +Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan òf +“bourgeois” voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke +parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) òf +buiten-maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de +levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in +het “Contrat Social” den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed +hij het in “Emile” den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn +revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse- +opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed +tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving, +die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen +kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal +waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen +verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen. +In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de +overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond +zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden.</p> + +<p>Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel +voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen. +Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken +doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid, +zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. “Men gaat slechts de +eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men +geleerd heeft: “meester, ik verlang werk.” Gezel, zie: hier is werk, +neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw +middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht +dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te +leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en +rechtvaardig leven hebben geleid.”</p> + +<p>Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling +gereed te maken voor “alle wereldsche landen waarheen het lot hem +voert,” maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van +kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen. +En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zóó sterk +is, dat hij den meester dwingen kan hem voor één arbeidsdag een loon uit +te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld +zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder +grootindustrie,—een wereld die reeds onderging, toen hij schreef.</p> + +<p>Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding, +wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen +gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend +geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de +grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen. +Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als +knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende.</p> + +<p>Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de +zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk +brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij +niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar +en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer +weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke +nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij +uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er +was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in +zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch.</p> + +<p>Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve +betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke +noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche +wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve +heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen +lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen, +wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen.” De +levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging, +het beheerschen zijner driften en aandoeningen. “Wat ons door de natuur +verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze +krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet +kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is +verzoeking niet te kunnen weerstaan.” Wie zijn hartstochten beheerscht, +zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en +te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis +voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de +eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft +waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat +zóó in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zóó los van alle +wereldsche banden, zóó onverschillig voor stand, fortuin, eer en +aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de +wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De +mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom +moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er +geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij +verplicht te gehoorzamen, ook al valt ’t hem zwaar zijn vrij en +verborgen leven prijs te geven.—Zoo duikt op het einde van den “Emile,” +in den “abstrakten mensch,” de burger, het lid eener politieke +gemeenschap toch weer op.</p> + +<p>Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het +leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels +die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht, +winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen, +tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen.</p> + +<p>Hoe wordt nu dit doel bereikt?</p> + +<p>Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de +veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind. +Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen +leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende +behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar +behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het +dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige +leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is +het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder +teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol +vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van +elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het +eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen +te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen +straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen +daden van het kind, en die het als zoodanig voelt.</p> + +<p>Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de +utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan +dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk +eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat +het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert +Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen +ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het +tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der +natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. “humanistische” studie, de kennis +der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om +mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde: +dit is het, wat de jongen leeren moet om een “bruikbaar mensch” te +worden. Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo +burgerlijk-praktisch mogelijk, al zijn hare methoden een weinig +ongewoon. De “abstrakte ideaal-mensch” ontpopt zich al meer als de +goed-onderwezen kleinburger van de modernburgerlijke maatschappij. In deze +levensperiode moet het kind ook een ambacht leeren en zich daarin door +oefening volmaken.</p> + +<p>Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw +beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft +het kind in zijn naïve zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de +opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen +altruïstische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken +beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in +den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de +zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruïstische en +sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die +op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van +liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren +te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen +van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle +schoonheid, goedheid en waarheid—tot God. Op zijn 18de jaar verneemt +Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel +onsterfelijk is. Zelf heeft hij—in zijn gevoel en zijn rede—de +zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de +wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in +de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig +Schepper, dien hij zegent en aanbidt.</p> + +<p>De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt +zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide +kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een +uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze +vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der +werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van +zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de +ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale +leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk +van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling +van het individu, de egoïste en egocentrische aandriften de primaire, +aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich +eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens.</p> + +<p>Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten +dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in +en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd +heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind +gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der +sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit +zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog op +andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn +redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der +sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift +voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering +voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen +gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, de +richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk +bewustzijn in hooge mate beïnvloeden.<a href="#fn50">[50]</a> Niet eerst na het vijftiende +jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op +de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel +mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in ’t spel +komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst +der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot +voorwerp heeft.</p> + +<p>Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor +de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme. +Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van +zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat +bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. En +evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend +willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en +diens redelijk egoïsme.</p> + +<p>De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l. +Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle +denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder +ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar +hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het +groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te +vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe de +kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind +gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de +zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele +verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het +gevoel. “Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren”—dit was +een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een +weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger +dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd, +ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in +zichzelven—maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit +zelf-onderzoek als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem +den weg tot zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, +zelfbehagen, zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was +een vrucht van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van +warmte en teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk +te geven, zich één van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van +deze gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf “de beste der menschen.” +Als hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot +hen heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk +werd meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke +menschen voor zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun +blikken en woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende +kussen en tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, +nimmer-verstillend innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van +geluk genoot hij het verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner +fantasie, en met tegenzin keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde +werkelijkheid en hare bewoners terug.</p> + +<p>In de “Nouvelle Héloïse,” het werk waarin hij zich het vrijst heeft +laten gaan,—veel vrijer dan in de “Confessions,” waar de +achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der +herinnering in een bepaalde bedding stuurden,—heeft hij alle uitingen +en verhoudingen van het affektieve leven met groote warmte en innigheid +van ontroering afgebeeld. Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des +levens. Hier is de zachte gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar +man, als een warm dek van vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over +de schamelheid der dagen geweven. Hier is de ouderliefde,—hoe ontroert +ons nog de scène waarin Julie’s vader, een edelman van den ouden +stempel, na zijn dochter in drift barsch en ruw behandeld te hebben, +haar met zwijgende liefkoozingen om vergiffenis vraagt. Hier is de +kinderliefde, de zachte overgave van Julie aan haar oude ouders, haar +drang zichzelven te verzaken, opdat de avond van hun leven helder en +vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: tusschen vrouwen: +hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de onafscheidelijken; +—tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht hebben gehad zich +los te rukken van de geliefde, als de mannelijke teederheid van Edouard +Bomston hem niet had geschraagd en getroost;—tusschen een man en een +vrouw: Claire en St. Preux genieten die vriendschap, voller van bekoring +maar ook voller van gevaren dan eenige andere, grensgevoel, uitstralend +naar andere werelden; levensvrucht, zoet van verteedering, wrang van +onvervulde begeerten.... In de “Nouvelle Héloïse” heeft Rousseau een +monument opgericht voor de menschelijke affekties in de stil-besloten +sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; hij heeft schatten van reine +lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen flonkeren in het licht der +schoonheid, tot dusver verborgen in die omschaduwde sfeer.</p> + +<p>De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het +eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht +is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het +tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In +dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen; +de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met +zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het +mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn +eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk +zaken-moraal, regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij +als een verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, +stiptheid, soberheid, zijn de voornaamste deugden;<a href="#fn51">[51]</a> de onmisbare +eigenschappen en hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In +die sfeer druischen plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan +den weg tot de deugd niet zonder geleide vinden: het gevoel moet +dikwijls onderdrukt worden, de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, +naar de stem der menschelijkheid te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, +koele rede, en gij, streng geweten, over de trillende diepten van het +gevoel. Daar heerscht—Kant: hij was het, die de grondslagen der +burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar en principieel +formuleerde.</p> + +<p>In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken, +niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de +aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren +glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar +hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden +verjaagd uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke +verhoudingen. Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen +zich, hij ontdekt zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en +de stem van het hart volgen; daar bloeien bloemen van affektie, +verteedering en innigheid, die te koesteren deugd en wijsheid, die te +vertreden roekelooze dwaasheid en zonde is. In die sfeer heerschen +liefde, weekheid des harten, spontane gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; +daar heerscht de moraal der “Nouvelle Héloïse.”</p> + +<p>Wel schildert Rousseau in de “Nouvelle Héloïse” ook verhoudingen uit het +gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende +menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het +vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale +verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel +van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet +aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de +grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen +zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen +tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets +van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor +eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de +verhouding tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale +opvoeding; geen hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart +ongehinderd heen en weer.</p> + +<p>Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde +Rousseau als even “natuurlijk” en evenmin aantastend de menschelijke +waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel. +Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den +burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting +deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en de +gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij +afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeïsche afkomst +gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij +verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeën over de +nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen lord +Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de +revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon +der burgerlijke vrijheid.</p> + +<p>De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker +van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om +klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat in +hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. Dit +alles kan waar zijn: het <i>is</i> waar dat hij een vat was van +tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in +dit ééne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke +kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder +zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot +het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat +dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is +niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet +geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos +zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht, +daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was +nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In +zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin +de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en +luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het +tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner +meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen, +was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit +den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk, +omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen +andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk +bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste +poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe +vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens +langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen +toekomst van titanische worstelingen—worstelingen, die de overwinning +zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid +waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling, +omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou +raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en +proletariaat.</p> + +<p>Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner +kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute +vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk +hij de tyrannen haatte.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw +wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen +oproepen voor onzen geest.</p> + +<p>De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen; +een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een +kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont +de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert +zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch +zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de +ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop +van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst- +mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en +produktie-verhoudingen, de “natural-wirtschaft” en het kleinbedrijf. +Zij weet dat handel en geld die bestendiging bedreigen. Niet de +verandering, maar het onveranderlijke is de begeerte dezer menschen, +want in hun harten is vrede.</p> + +<p>In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de +volksregeering. De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke +geslachten, door alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk +van haar daden rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, +geen bureaukratie, geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van +intellektueelen. De burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en +vermogen, maar de verschillen tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen +toe te nemen grijpt de overheid in en herstelt de bedreigde gelijkheid. +De intellektueele tegenstellingen zijn niet grooter dan de sociale: +evenmin als in kapitalisten en proletariërs, zijn de burgers verdeeld in +hand- en hersen-arbeiders. Allen nemen deel aan de produktie, allen +hebben deel aan de kultuurschatten der menschheid en het bestieren van +het gemeenebest.</p> + +<p>De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of +overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk +leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer +menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen +arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den +schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren +zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen +zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege +ceremoniën; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en +dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft +gegrift.</p> + +<p>Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere +plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen +jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en +zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven +die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis +glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den +rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw. +Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in +wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd.</p> + +<p>Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door +dagelijkschen arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als +knechten. Het brood, door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. +Als het jaar zich wendt van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei +lacht over de beemden, als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de +wijndruif geperst tot geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en +verzamelt zich tot feesten. In de steden uit zich de levenskracht en +levensvreugd der burgers in velerlei wedstrijden van de in schieten, +worstelen, roeien en zwemmen bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen +komen zij bijeen, als vrije mannen staande onder den vrijen hemel, om +zich bewust te worden de volheid hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet +winstbejag, noch dwang verlaagt en vergiftigt hun genoegens, wanneer zij +zich scharen tot gemeenschappelijk feestelijk maal. De gedachten aan het +gemeenebest dat de belichaming is der algemeene eenheid, waarin ieders +persoonlijkheid ondergaat om te herrijzen, gelouterd van de engheid des +levens, omgeschapen tot een deel van een wijder zijn, doet de borsten +zwellen en de harten hoog kloppen.</p> + +<p>Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven.</p> + +<p>Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het +kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu +leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller +menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische +samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der +maatschappij-krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije +menschheid. Wij zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen +daarheen, in verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders +gericht, dan zijn hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring +na van die stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig +vredige sfeer die hij den menschen toonde—wij voelen zijn verlangen +natrillen in onze harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was +van een werkelijkheid waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is +ondergegaan in ons vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En +ook daarom bekoort ons nog die droomwereld, al voelen wij haar enge +beperking, omdat sedert vrede en vrijheid met het oorspronkelijk +communisme zijn ondergegaan op aarde, het menschenhart elke samenleving +en elk beeld eener samenleving dat een glimp, een zweem, een schijn +daarvan bevat, voelt lokken als het land zijner verloren kindsheid.</p> + +<p>Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk +individualisme, maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door +kennis, lichamelijke ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit +boven de omgrenzing van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der +menschheid, al behoorde aan die phase zijn hart, al voelde hij tot haar +die heel eigen vertrouwdheid die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg +in zich het beeld van den stad-staat der oudheid die nog eenige +overleveringen van het stamleven bewaarde; hij droeg in zich de +herinnering aan de zorgelooze bekoring en de vroolijke gulheid der +naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche bergen nog sporen over +waren. Hij was ruimer van blik dan de encyclopedisten, die geheel +opgingen in bewondering voor het beginnend kapitalisme, die elke vorm +van samenleving behalve de burgerlijke verachtten en verwierpen.</p> + +<p>Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven. +Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn—dat +voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het +huisgezin bepaalde,—rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn +organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister, +vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den +mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en +breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in +vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort +roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van +terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote +droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven +der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte, +die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de +groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich één te +voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het +aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn +lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem +van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de +weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem +zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een +vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en +buiten-maatschappelijke ondoorgrondelijkheid.</p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap04"></a>VIERDE HOOFDSTUK<br/> +DE LAATSTE WORSTELING</h2> + +<p> +Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede +aankomst te melden; ook aan Conti en Thérèse schreef hij. Hij liet haar +geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. “Zie zelf wat ge +doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want +hoeveel ’t mij ook zou kosten om mijn leven van ’t uwe los te maken +nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder +verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit +land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee +niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn +afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo +zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat +ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge +liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en ik +zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te +bezorgen.”</p> + +<p>Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van +Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thérèse af +wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in +Montmorency achter te blijven.</p> + +<p>Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de +regeering van Genève den “Emile” en het “Contrat Social” in ’t openbaar +had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich +binnen ’t grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen +volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich +bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den +“Emile” uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten +tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de +kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen +voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in ’t veld. Het feit dat +hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam +liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De +aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een +herderlijk schrijven den “Emile” als een goddeloos boek; de paus +vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er +uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde +den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek +had gedaan. Het “Contrat Social” werd alléén in Genève verboden: de +akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo +spoedig doorzag.</p> + +<p>Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou +veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit +genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme +Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver +van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom +Neuchâtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en +geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar +aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit +Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thérèse zich bij +hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen.</p> + +<p>Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den +Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten +van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur +gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de +steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging +van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel +kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal, +ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen. +Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in +Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom +liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de +gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware, +massieve steenklompen—woning, stallen en schuren onder één dak—met +weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een +onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan +ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid.</p> + +<p>Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk +zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen +huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat +opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt, +de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer, +voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen +avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te +moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit +onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den +lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter +hunkerend vergeefs naar een groet der zon.</p> + +<p>Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral +leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar +toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle +oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap +boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat +en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag +naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de +bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in +de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij +dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen +zooals de vrouwen van ’t dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn +handen te doen onder ’t praten. In den winter was hij meest door zijn +kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook zoo +geweest. ’s Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten +schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en +ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die +tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen +waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij +doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers +vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; het +land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden +zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende +watervallen, de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden +schenen van uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, +opschuimend uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche +koelte woonde in de heetste zomerdagen, ontsprong ’t snelle riviertje +dat door ’t hoofddal stroomde: de forellenrijke Reuss.</p> + +<p>Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest; +heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren, +geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename +gewaarwording alléén hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke +natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te +vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en +dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn +aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort +leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf +jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat +gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had +ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken +gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling +die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het +heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon +was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel +de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn +eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen en +verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en +wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een te +zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en +allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en te +verdorren. Vandaar die leegte in hem. “In mij zijn de grootste +zielsbewegingen dood” getuigde hij in een brief, “ik leef nog slechts +door gewaarwordingen.” Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er +was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar +hij had méér noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn +eenzaamheid mee te vullen.</p> + +<p>Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van +planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige +onderbrekingen tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude +enthousiasme, zooals hij als knaap zich in een nieuwe liefde of een +nieuwe tak van wetenschap stortte, wierp hij zich nu op de kennis der +planten. Als, hij botaniseerde, vergat hij zijn smart, zijn +teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken zijner vijanden; zijn +wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een zachte aanraking, hij +genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, heldere stemmingen, aan +levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende zijn lange, eenzame, +duistere levensavond—eenzaam en duister door de schuld der menschen èn +door zijn waan—is grootendeels door de botanie tot hem gekomen. Zij +verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en buiten zich +zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen lot, zij +bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de eenige +band tusschen zichzelf en ’t leven, omdat zij ’t eenige was wat in hem +nog warme belangstelling wekte.</p> + +<p>Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende +natuurkinderen heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De +botanie verkeerde in zijn tijd in een toestand van verwarring door de +groote onzekerheid der nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in +Frankrijk. Men interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de +kruidenleer, de ware of vermeende geneeskrachtige eigenschappen der +plan? ten, en bitter weinig voor hun gedaante en bouw en hun leven. +Rousseau was een der eersten die in planten belang stelden, niet om het +produkt dat zij opleverden, maar om hun eigen leven. Dat wilde hij +kennen, daartoe doordringen. Toen hij eenig idee begon te krijgen van de +voortplantingsorganen der planten was hij een en al verrukking en +enthousiasme. Hij begreep dat een goede overzichtelijke indeeling een +even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie was, als optische +instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, die toen in +Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd verguisd. +Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de plantkunde, toen +nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te populariseeren. Hij +drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat natuurlijk, dat zij +in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen door fransche +zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk hij zelf +deed in zijn “Brieven over de elementen der botanie.” Hij spoorde de +leeken aan tot het aanleggen van herbariën, van gekleurde teekeningen +voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde.</p> + +<p>Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen +der natuur, het genot van ’t buiten-wonen, de poëzie der bergen, was ook +een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door +waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen, +die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van +specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker +geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof +te vragen in het vorstendom Neuchâtel te wonen; ook wendde hij zich tot +den gouverneur van Neuchâtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland +doorgaans bij zijn titel Milord Maréchal genoemd, en riep diens +bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel +mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden. +Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen +zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel +begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling +was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te +leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie +eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver +te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet +rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten—hij +vond ’t aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en in +’t minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copiëeren of +planten-verzamelen was.</p> + +<p>Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in +zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchâtel, te komen +bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman +en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot +elkaar getrokken. “Onze naturen raadden en bevielen elkaar,” schreef +Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar +onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid, +menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen +als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet +van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard—men placht de inwoners van +Neuchâtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen—werd afgestooten door +de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor +heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij +hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme, +teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest +harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld; +zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel. +Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen; +tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord +Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thérèse aanbood, zei +hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn +genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door +waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij +zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de +brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen +vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau +meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer +schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: “Uw goedheden +zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost +nu ook ontnemen?”</p> + +<p>Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van +Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroïsche +eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn +zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers, +met wie hij over ’t welzijn van hun gemeenschappelijken vriend +correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van +Rousseau voor ’t jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: “Jean +Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij +is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer +dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men +van hem houdt en achting vóór hem gevoelt.” Gaarne had Lord Keith den +vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar +de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen ’s zomers +bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij +plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine +republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij +tweeën en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd +philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen +vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar +draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean +Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven +met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst +met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d’ Houdetot en St. +Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar +half meer aan en Milord Maréchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van +luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in +Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van +onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord +Maréchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchâtel ’t +jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar +Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem +nooit teruggezien.</p> + +<p>In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in ’t +algemeen niet van ’t slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel, +van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde. +Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes +en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als +zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een +schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens +wijze van optreden—hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had +veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen—Rousseau een poos +lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou +bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep +Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien.</p> + +<p>Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij +nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in ’t +geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de +ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend +in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen +mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging +gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de +vooroordeelen tegen den “philosoof,” den man wiens godslasterlijke +boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur +zat kant te knoopen, leek hij in ’t minst niet gevaarlijk; en hij was +zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan +hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische +dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met ’t +oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de +algemeen-geëerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met +den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet +geregeld de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal +toegelaten te worden, en had dominé dat verzoek niet ingewilligd? Dan +kon hij toch onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het +bergdorp waren steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die +in den hevigen strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan +den gang onder de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe +inzichten verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn +woonplaats rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het +godsdienstige fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op +te wekken.</p> + +<p>Met de toelating tot het avondmaal zat het zóó. Het verzoek van Rousseau +bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg +weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen +der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan, +welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot +lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de +“Geloofsbelijdenis van den Vicaire Savoyard” had toch eigenlijk weinig +gemeen met het protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het +was een lastig geval voor dominé Montmollin.... Later beweerde hij, dat +Rousseau hem had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere +levensdagen in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke +belofte gegeven, niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin +hem toegelaten, want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer +te bestaan voor nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, +zich nooit te hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had +hij aan den predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, +zooals hij het toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan +Milord Maréchal had uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een +belofte aan zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen +verplichting; als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij +allerminst. Daarom beschouwde hij het ook volstrekt niet als de +schending eener belofte, dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot +zijne verdediging: de “Lettre à monseigneur de Beaumont” en de “Lettres +de la Montagne.” (Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, +hadden hem gedwongen tweemaal een uitzondering te maken op den regel +dien hij zichzelf had gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel +begrijpelijk. Maar ook is het begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn +collega’s toch al ’t een en ander had moeten hooren over ’t toelaten van +den schrijver der “Geloofsbelijdenis” tot het avondmaal, er anders over +dacht, en zich zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de “Brieven +uit de Bergen” de protestantsche wereld in rep en roer bracht.</p> + +<p>Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem +aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar +de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen +tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag +natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding +gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niét vroegtijdig den +plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het +leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de +aartsbisschop “den geest van ongeloof, die ook een geest van +onafhankelijkheid en oproer is,” en noemde den “Emile” even waard om +door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten +getroffen te worden.</p> + +<p>Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol +innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en +waarachtig-verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische +banvloeken van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone +polemiek tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: +hatelijk, schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was +vernuft te vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat +Grimm gedwongen werd te erkennen “ik herken den burger van Genève niet +meer,” maar het werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, +door hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men +hierin het geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, +dat bij Voltaire volkomen ontbrak.</p> + +<p>Nieuwe gedachten bevat het “Antwoord aan Monseigneur de Beaumont” +weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn +gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen +der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.<a href="#fn52">[52]</a> In +dit werk en het volgende, de “Brieven uit de bergen,” kwam hij wel op +bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te +zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij +in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den “Brief aan +Monseigneur de Beaumont” is vooral zijn uitweiding over den universeelen +godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding +van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. “Want elke +godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de +essentieele religie bevat.” Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid +der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den +godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den +mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering, +komen geheel overeen met de ideeën van andere revolutionair-burgerlijke +denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing’s Nathan spreken +hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie, +boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de +voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle +verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau’s droom van +den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige +denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag +der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het +bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder +volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren. +Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn +droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst.</p> + +<p>Op zijn veroordeeling door den Raad van Genève had Rousseau langen tijd +gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering +zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang +wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit. +Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de +overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een +jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund +zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef “zonder toorn, +zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht +en wijsheid, in één woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog +meer dan van den verdrukte betaamt.” Diep gewond door het onrecht dat +hem geschied was—hij kon het eerst nauwelijks gelooven—gegriefd door +de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk +naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den +Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genève, van zijn +burgerschap der stad voor altijd afstand te doen.</p> + +<p>De veroordeeling van den “Emile” door den Kleinen Raad had plaats +gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop was. +Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het +requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de +veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter +verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven +te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich +te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciërs-kaste +die in de “vrije republiek” Genève regeerde, bleek even beducht voor de +vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse +van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek +zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te +hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd.</p> + +<p>De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer +gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen +uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte +grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de +machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de +strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot een +onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke +machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de +lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te +richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering +behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad +zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor +kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het “droit négatif,” +dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie +vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter +zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst +met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en +naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der +regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt +voelden de vraag te stellen: “Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder +vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der +burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van +vertoog af te schaffen.” Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau +zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn +naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen +schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden. +Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede +middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in +de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beïnvloed waren +door de nieuwe ideeën van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale +protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het +behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en +grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de +aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten.</p> + +<p>Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten +onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij +zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genève komen en den +loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als +martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de +spits der burgers stellen zou.</p> + +<p>Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om +zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen +van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens +zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid, +maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten +koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk +samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde +tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken. +Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed +gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem +tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd.</p> + +<p>Zoowel van de zijde der “vertoogers” als van die der gezags-menschen +waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de +procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in den +strijd mengde. In een polemisch geschrift, “Lettres de la Campagne” +(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar +uiteen dat geschriften als de “Emile” en de “Contrat Social” voor de +protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genève opleverden; en +trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de +Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het +geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar één +man in hun rijen in staat den schrijver der “Brieven van buiten” door de +kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te +verpletteren. Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al +deden zij zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en +verzochten Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde +zich hiertoe bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, +aan de overzijde van het meer van Genève, in den zomer van 1764 de +democratische leiders om met hen den opzet van hun antwoord aan +Tronchin, dat hem maar matig voldeed, te bespreken. Hij deelde hun +echter niet mede dat hij zelf reeds in alle stilte een antwoord had +gereedgemaakt. Voor vriend en vijand onverwacht verschenen de “Lettres +de la Montagne” (Brieven uit de Bergen) op ’t einde van het jaar: het +geheim was tot het laatst toe goed bewaard gebleven.</p> + +<p>De “Brieven uit de Bergen” zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau, +en tevens het werk waarin hij ’t meest zijn slagen richt, niet tegen +regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in ’t +algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een +bepaalde regeering: de aristokratische van Genève. Twee van deze brieven +zijn gewijd aan ’t weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de +“gevaarlijkheid” van den “Emile” en de “Contrat Social;” hij analyseert +daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de +onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet +voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genève +ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch +onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een +beschouwing over den toestand der republiek Genève en der brandende +politieke kwestie: het “droit négatif.” Deze beschouwing gaf Rousseau +gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze, +waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te +veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten +ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had.</p> + +<p>De “Brieven uit de Bergen” bevatten brandstof genoeg om Genève in +lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware +protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van +door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte +beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel +dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke +vrijheid van kritiek en onderzoek: “Toen de hervormden de roomsche kerk +verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude +geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne +rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner +erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije +interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, om +haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen +twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen +vinden, wat wij niet begrijpen.” Zoo verhief Rousseau de vrijheid van +het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de +uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest +natuurlijk hetzij door een langen strijd <i>in</i> de kerk tegen de +kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden <i>uit</i> de kerk +leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke +ketterij.</p> + +<p>Niet minder fel viel Rousseau in de “Brieven uit de Bergen” de politieke +machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van +despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op +onwettige wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun +gedrag. Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. +“Alles,” schreef hij, “wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, +geschiedt bij voorkeur ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet +anders. List, vooroordeelen, eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een +schijn van orde en tucht, alles komt bekwame lieden die ’t gezag in +handen hebben en de kunst verstaan het volk te bedriegen, ten goede. +Wanneer het er om gaat, handigheid tegen handigheid, en krediet tegen +krediet uit te spelen, welk een voordeel hebben dan niet in een kleine +stad de eerste geslachten, altijd verbonden tot heerschen, met hun +vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, vereenigd met de macht van +den raad, om de eenvoudige burgers die hen ’t hoofd bieden te +verpletteren?” Tegenover deze heerschzuchtige en zelfzuchtige +aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede laag der +burgers, de middenstand, “die zich tegen de machtigen verheffen voor de +handhaving der wet.” “Ten allen tijde is dit de taak geweest van den +stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het +gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin, +in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen +over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun +groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de +overheid geëerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en +vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek, +het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is. +Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid, +de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die +zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht.” Deze breede +laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en +tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te +strijden. “Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen +zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de +beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate +heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen, +noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult +satelliet of slachtoffer moeten zijn.” Tegenover hen, die van het vaak +bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten +voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering +dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid +en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. “Men heeft +er somtijds gezworen voor ’t vaderland te sterven, maar ik tart u er mij +een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige +mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik +geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen.”</p> + +<p>Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots, +de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en +onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had +hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van +het reëele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op +bepaalde gemeenschappelijke daden....</p> + +<p>Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij +hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van +zijn aanval. De “Brieven uit de Bergen” wekten een storm in en buiten +Genève: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de +predikanten-bent keerden zich als één man tegen hem. Het boek werd te +Parijs, (te zamen, o ironie, met de “Philosophische Dictionnaire” van +Voltaire) in den Haag en in Genève in ’t openbaar verbrand. Zelfs de +vurigste aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. +Moultou, de discipel die hem eenmaal geschreven had: “Mijn dierbare +meester, ik wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de +uwen” lamenteerde nu: “uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed +zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult +uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten +zal.” Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbé de +Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden +in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische +zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen, +liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en +beleedigend over den man, die deze “Brieven” geschreven had, uit, (“per +slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus, +die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?”), +dat Rousseau hoofdschuddend zeide: “Zoo’n stomme brief kan onmogelijk +van Mably zijn,” en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo +ging het in eenen door: de wereld was tegen hem.</p> + +<p>Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn +vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die +algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende +tiraden van het tweede “Discours” prachtig gevonden hadden?—Omdat hij +in de “Brieven uit de Bergen” <i>den klassenstrijd</i> gepredikt had, niet +abstrakt en theoretisch, gelijk in de “Contrat Social,” maar reëel en +konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de +grooten hem een gevaarlijk dier.</p> + +<p>Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd +schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die +kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem +laaghartig, verraderlijk te bespringen.</p> + +<p>Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en +officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen +bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat +natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau +overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten +hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht +zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor “de beschermer +aller verdrukten,” en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn: +Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te +zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een +grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van +den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph +van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch: +Rousseau’s stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd +jegens zijn groote mededinger.</p> + +<p>Door de verschijning van de “Nouvelle Héloïse” en den “Emile” was +Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke +kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de +onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het +burgerlijk-revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen +haar macht en haar dogma’s, en ook tegen wat men de “misbruiken” van +absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van +hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden. +Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen +zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke +aangelegenheden.</p> + +<p>Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets +anders en méér dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en +eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had +raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle +sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van +den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende +zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en +bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van +velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland +bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze +eigen dagen Tolstoï internationaal ingenomen heeft.</p> + +<p>Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau +omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver. +Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van +armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle +anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en +wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn +leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in +een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de +vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in ’t +schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En +sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg +hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn +vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den +martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en +jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel +bewonderden, maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van +Voltaire, maar Rousseau leefde in duizenden harten, een +zacht-gekoesterde heilige.</p> + +<p>Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als +hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen +en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds ’t lezen was +een plaag voor hem; ’t antwoorden een veel ergere. Vele der +briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor +zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder +gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds +met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de +onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere +wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in +persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog +ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den “Emile” en +overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een +jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed, +om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht +bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting +van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw +breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in +zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel +mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het +opvoedingsplan van “Emile” niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden: +hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de +opvoeding zich moest bewegen, niet meer.</p> + +<p>Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van +den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een +bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets +verschrikte hem zoo zeer als de geëxalteerde geestdriftigheid die +onbekookt zijn ideeën in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie +veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze +houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme +van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor +het onherroepelijke van de daad.</p> + +<p>Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de +zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. “Niet meer bij +tweeën en drieën, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen +en achten komen zij,” klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de +ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden, +bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een +enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en +ontwikkeling;—in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper +kenden, maar het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch +ook eens wilden zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te +ontvluchten ’s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in.</p> + +<p>Maar nu Voltaire. In een der “Brieven uit de Bergen,” had Rousseau +Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op +hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken, +door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met +alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met +zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en +wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der “Brieven uit de +Bergen” uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten +die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. “Is +het een geleerde” heette het in dit pamphlet, dat de titel “Le Sentiment +des Citoyens” (De meening der burgers) droeg, “die tegen geleerden in +het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee +uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver +bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn +uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een +kermis-reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de +rampzalige meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan +de poort van een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod +weigerend van een medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en +alle natuurlijke gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en +godsdienst verzaakt.... Komen wij tot wat ons in ’t bijzonder aangaat: +onze stad, die hij in beroering wil brengen, omdat hij met de justitie +in aanraking is geweest.... Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen +omdat men in Parijs en in Genève een slecht boek heeft verbrand?... Wil +hij onze constitutie omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, +zooals hij het Christendom wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? +Het zij voldoende te waarschuwen dat de stad die hij verontrusten wil +hem met afkeer verloochent. Zoo hij gedacht heeft, dat wij voor den +roman “Emile” het zwaard zouden trekken, kan hij die gedachte rekenen +onder zijn dwaasheden en zotternijen te behooren. Maar men moet hem +leeren dat, zoo men tegen een godlasterend schrijver genadig handelt, +<i>men een gemeenen oproermaker straft met den doodstraf</i>.”</p> + +<p>Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden; +Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener +meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige +vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en +platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau, +ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam, +geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile +verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiïng en laffe ophitserij +kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee +hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te +brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer.</p> + +<p>Het smaadschrift van Voltaire—een brochuretje van een bladzijde of +zeven-acht—werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van +Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig +zou zijn aan den dood van de moeder van Thérèse (een verre uitlooper der +oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in +zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist +geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en ’t +bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thérèse, waren +natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke +eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard +voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige +dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het +wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid, +zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster +samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van +vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van +het jaar ’65 al erger; Thérèse, die door de vrouwen aanvankelijk +vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en +nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den +vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen, +bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn +botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te +schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men +schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers +bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der +bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan +David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden.</p> + +<p>Natuurlijk was niet alléén het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de +vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg +hier eveneens toe bij. Na de verschijning der “Brieven uit de Bergen” +kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. De +“eerwaardige klasse,” dat is de vereeniging der predikanten van +Neuchâtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de “Brieven” en hun +schrijver te vervolgen en gelastte den dominé van Motiers, om Rousseau +voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten. +Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn +gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beïnvloeden, +probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten +einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal +weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een +uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen. +Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in +het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het +weerstand-bieden: alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen +buigen als hij niet wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij +wilde binnen of buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de +ambachtsheer van Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die +de “eerwaardige klasse” gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde +niet anders verklaren, als dit: “hij zou voortgaan met in zijn gevoelens +en door zijn handelingen het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van +de kerkelijke gemeenschap hem verschafte.” Na deze verklaring moest de +zaak natuurlijk haar loop hebben.</p> + +<p>Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren. +Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar +door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij +voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven +aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd +was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de +ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de +zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van +Neuchâtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der +predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom +verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de +jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der “Brieven +uit de Bergen.” Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen +de dominé’s in hun schulp: de “eerwaardige klasse” besloot, protest +aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst, +om Rousseau “aan zijn dwalingen over te laten.”</p> + +<p>Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel +het despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de +wettige demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig +behoorde; het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard géén +recht te zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had +geschreven, dat die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn +vrijheidsdrang, zijn onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, +de fierheid en stoere onverzettelijkheid die het beste waren van zijn +wezen, hadden hem in konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat +hij vurig aanhing, zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch +zijn ondergang, wijl onvermijdelijk en niet zonder schuld.</p> + +<p>Sedert de verschijning der “Brieven uit de Bergen” den storm tegen hem +hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn +gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en +al wankelheid.</p> + +<p>Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genève verontrustte en +benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan +met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar +vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetië de wijk te nemen, +“waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in +Zwitserland” (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij +dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars +hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen. +Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken; +“’t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen,” schreef hij; soms +gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. “Mijn zedelijk +leven is ten einde,” schreef hij in Februari; “het beste deel van +mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, en +ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die +knagen aan mijn lijk.” Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op, +de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. “Gij +zijt getuige, mijnheer,” schreef hij in Maart, “dat ik de wapens met +vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal +ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit +punt staat voor mij boven alle bedenking vast.”</p> + +<p>Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel +van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet éénen weg +klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten +slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te +blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich +dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen +kon hij niet.</p> + +<p>Montmollin, van uit Genève opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en +beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het +heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde +in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du +Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei +persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en +roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel, +dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de +gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke +toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op +’t kookpunt. Een week na die preek—het was net kermis—werd zijn huis +’s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der +galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden +posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken.</p> + +<p>Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de +dominé’s hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook +tegen de rede, dat de geest van ’t vrije denken, te midden van een +achterlijke plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen +weerstaan.</p> + +<p>Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie +jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich +van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne, +dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er +eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige +vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe +van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders +meer.</p> + +<p>Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild +als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor de +idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de +makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven +als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer +uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door ’t gezicht van +de haat des volks.</p> + +<p>Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in +alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alléén onder de ongeloovigen, +nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid +boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor +een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad +verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die +van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als +wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en +die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad +die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als +voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de +vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de +teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan +hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten +aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit +hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde? +Hij voelde verder leven als doelloos.</p> + +<p>Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur +en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen +en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee +meesterlijke werken: de “Confessions” en de “Rêveries.” Maar zijn +moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeën, +die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot ’t +uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt, +hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in +droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar ’t goede +gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten, +tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle +windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop, +zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang +op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende +melancholie.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Maar eerst nog die zachte straal vóór de jaren van duisternis, van +waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het +liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het +water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken, +kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken +gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den +oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde +bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van +witte en gele sterren; in ’t najaar glinstert tusschen de takken het +rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van de +kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol +vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid, +streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen +en ziel.</p> + +<p>Er staat één huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan +den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen-populieren, +dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever. +De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau +er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden +overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige +vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvreê +der wereld; zijn boeken en papieren, die Thérèse had meegebracht, liet +hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch +en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de +bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al +opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich +urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt, +gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide +langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den +rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in +den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging +hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot +de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van +het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het +gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of +hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem +dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk +genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de +oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te +bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij, +God-gelijk, genoeg aan zich zelve.</p> + +<p>Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot +gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht.</p> + +<p>Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre +stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo +ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist. +Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat +vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar +wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets +gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in +die bloemige, ruischende eenzaamheid!</p> + +<p>Toen kwam ’t bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het +grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een +edel, doodelijk-gewond hert.</p> + +<p>Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met ’t plan naar +Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij +voelde zich ziek en uitgeput, “ofschoon blij,” schreef hij nazijn +aankomst in Straatsburg, “weer tusschen menschen te zijn, na de wilde +beesten, die Zwitserland bewonen.” Hij werd er warm ontvangen en +befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den “Dorpswaarzegger” +plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de +Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou +gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord +Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij +besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al +herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou +vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk +door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef er +een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het +stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl +bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij’s +morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen; +hij vond dit verschrikkelijk: “nooit heb ik zoo geleden,” schreef hij. +Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de +reis: den 17den Januari ’66 vertrokken zij, met nog een derde +reisgenoot, over Calais naar Londen.</p> + +<hr style="width: 65%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2><a name="chap05"></a>VIJFDE HOOFDSTUK<br/> +WAAN EN VREDE.</h2> + +<p> +Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met +Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke +klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken +op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor +Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen +vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun +politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun +strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar +die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn +zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook +de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu en +Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de +elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg +om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun +eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle +manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in +menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide +kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te +krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de +gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen +opnemen. Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in +de opgaande lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland +een toevlucht zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn +enthousiasme voor de publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed +gebroken, in hem was geen andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger +een paar maal gepoogd Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en +gedurende zijn verblijf in Engeland schijnt hij er niet de minste moeite +meer toe gedaan te hebben: na verscheiden maanden beweerde hij nog +slechts enkele woorden te kennen. Dit maakte dat hij zoo goed als geheel +geïsoleerd was, machteloos tot eenig geestelijk verkeer met de natie in +wier midden hij leefde. En de omstandigheid dat dit isolement niet +vrijwillig maar gedwongen was, moest hem een gevoel geven van groote +verlatenheid.</p> + +<p>Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is +onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen +zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste +wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich +vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt +voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan +monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te +kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel +in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde.</p> + +<p>Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van +Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar +feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de +buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou +waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en +bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht +van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van +de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt, +dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar +genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren +ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het +phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den +prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op ’t lijf vallen, en Hume +van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in +zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd +de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der “bewijzen” +die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens “verraad” aanhaalde: +toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige +gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig +antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt, +herhalend: “maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje.” +De sceptische Schot vond zoo’n scène waarschijnlijk bijzonder pijnlijk.</p> + +<p>Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende +omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen +tegen Hume moesten opwekken.</p> + +<p>Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de +rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De +koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en +besloot aldus.... “Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er +in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit +aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te +breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de +vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht +en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te +vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te +worden.”</p> + +<p>Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke +grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was +voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent de +voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa +vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den +opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van +spijtachtigheid om Rousseau’s vermaardheid, en dien zijn grootheid en +het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd +zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen +met andere letterkundigen, dezen “grappigen” brief had opgesteld. +Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig +mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd +geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de +nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij +hield d’Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge +mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de +hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis: +dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan +de grap medeplichtig was.<a href="#fn53">[53]</a> Is dit werkelijk zoo, dan moet men ’t op +zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich +voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn +rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden.</p> + +<p>Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als +zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere +vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d’Epinay, +natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het +toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die èn als geneesheer van Mme +d’Epinay en Voltaire èn als broer van den procureur-generaal, den +schrijver der “Lettres de la Campagne,” bij Rousseau bijzonder verdacht +moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist—hij +zelf was toen reeds niet meer te Londen—stond het voor hem vast, dat +Hume met zijn vijanden heulde.</p> + +<p>Hume had hem aanvankelijk,—tegen zijn zin, hij zelf drong aan op +grooter afzondering,—ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt +van Londen; daar voegde Thérèse, die onder de hoede van den engelschen +letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem. +Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten +zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende +plaatsen; na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren +Mr. Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in +het oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner +beschikking stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes +met zijn gezin kwam er maar enkele weken in het jaar.</p> + +<p>In Maart betrokken Rousseau en Thérèse hun nieuw verblijf. Het buiten +lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis +was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en +maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en +bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij +genoot van het engelsche landschap: één groot park, en van den aanleg +der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Nôtre-stijl van +tuin-aanleg niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die +de natuur meer ongerept liet.</p> + +<p>Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag +alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver.</p> + +<p>Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde, +hadden Rousseau en Thérèse met niemand verkeer als met den dominé van +het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een +enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de +buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en +beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude, +wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin +van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen; +zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige +streek.</p> + +<p>Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden +daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het +voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, +donkeren, eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte +en loerde: waanzin omnachtte zijn gemoed.</p> + +<p>De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de +goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thérèse een onmogelijk +paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thérèse slecht met ze +overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend +geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van +vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest +maken, was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer +behoeve lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar +dat gaf ook niet veel. Al gauw kwam ’t tot twist en gekijf tusschen +Thérèse en de dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel +aanleiding toe, want haar eigen zenuwen werden in elk opzicht op een +zware proef gesteld, nu de toestand van Rousseau zooveel erger was dan +ooit te voren. Het is begrijpelijk dat de arme vrouw zich +verschrikkelijk eenzaam voelde en maar één wensch had: “in godsnaam hier +vandaan, terug naar Frankrijk.”<a href="#fn54">[54]</a></p> + +<p>Rousseau kwam in Wootton met ’t vaste voornemen om de wereld en haar +strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch +vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet, +wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In ’t geval van Rousseau +was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de +onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze +bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in +een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer +geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke +inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende +behandeling, hem door Mme d’Epinay en zijn andere oude vrienden +aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de “Emile,” de spanning van den +tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn +verblijf daar een einde maakte,—alles had er toe bijgedragen zijn +evenwicht al meer te verstoren.</p> + +<p>En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en +een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn +eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke +handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband +met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een +onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die +zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers, +na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe +spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den +beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een +muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich +zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume +bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was +een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in +Engeland tegen hem op.</p> + +<p>Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te +worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der +Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en +wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem +ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau +wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij niet +bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der +verstands-verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn +gemoedsrust terug te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der +menschen te onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van +de buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer +lezen. Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder +verdere explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille +van zijn eigen rust. Maar ’t gevoel, verraden en bedrogen te worden door +wie zich voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in +hem, dan dat hij er over kòn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij +zich voelde, had hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef +hij kortere of langere epistels, aan du Peyrou, aan d’Ivernois, aan de +Malesherbes, aan Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord +Maréchal, aan Guy, zijn hollandschen uitgever, om zich te beklagen over +Hume, die, samenzwerend met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland +had gelokt om hem daar schandelijk te behandelen, van alle verkeer met +de buitenwereld af te snijden en te doen omkomen van verdriet en +ellende. Hoe Hume in die zaak van den brief van Walpole had gehandeld, +hoe de jonge Tronchin bij hem verblijf hield, hoe hij tegen den wil van +Rousseau, om dien te deemoedigen, aan anderen had verteld, dat de koning +van Engeland den schrijver een jaargeld wilde schenken, hoe hij door +Ramsay een portret van Rousseau had laten schilderen, dat hem afbeeldde +als een cycloop zoo norsch en somber, terwijl Hume zelf op zijn +konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; hoe Rousseau Hume in +zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had hooren uitroepen “je +tiens Jean Jacques Rousseau” (ik heb Rousseau in mijn macht); hoe Hume +op hem en Thérèse “lange, doordringende blikken” placht te vestigen, die +Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven langs allerlei +omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden dek-adressen +op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, dat al +zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend +werden; tusschen Londen en Wootton waren “de netten uitgezet,” die +slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde +op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door +A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had +herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau +weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een +formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij +onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich—men kan bijna niet +aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau +was—op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn +Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische +coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om +aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte +den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den +titel “Exposé succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau” (Beknopt +overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen: +van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vóór, de +meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak: +“zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster +van ondankbaarheid was.” Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de +Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, dat +zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf +natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet +meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te +kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist +met Rousseau, zei men, had hij zich voor ’t eerst van zijn leven driftig +gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, en +begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te +verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mémoires, +gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar +wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; ’t vervulde +hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in +zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar +aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het +halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen +had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn +wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk +zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers, +die hem in ’t begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de +gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord: +“Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig +dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een +bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer +genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne +beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen +anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de +vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij +evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar +troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in ’t hart van onzen +vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend.”</p> + +<p>In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht +er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn +vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen +onderscheppen, misschien dreef Thérèse hem tot dit besluit, om toch maar +uit ’t gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de +dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk +ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr. +Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de +eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei +verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en +betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies. +Thérèse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij +vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding, +in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos +ongelukkig en verlaten voelend na ’t ronddwalen in een land waar niemand +hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar +Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen +zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust +dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen +wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij +was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch +bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek +hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet +verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield +hij een toespraak tot ’t volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met +Thérèse in naar Calais.</p> + +<p>Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende +later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest.</p> + +<p>In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk +brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den +beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een +bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem +den bijnaam bezorgd van den “vriend der menschheid.” Als bewonderaar van +Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der +talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel +Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging +in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den +marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetië te vestigen, +hij zeer verlangde den “vriend der menschheid” te leeren kennen. Deze +kwam, en voerde den schrijver in alle stilte—het vonnis van ’t hof van +Parijs was nog van kracht—naar zijn buitenverblijf te Fleury bij +Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige +persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte +hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat +hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende +bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote +belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te +hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van +den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen +Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht +bij Parijs.</p> + +<p>De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren +voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de +prins van Conti ’t ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch +hij zelf, noch Thérèse waren geschikt om te wonen op een kasteel, +omringd door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak +voelden, die van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten +vinden en in Thérèse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen +orders beliefden aan te nemen.</p> + +<p>Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven +zijn nood. Reeds in Augustus—in Juni betrok hij ’t kasteel—schreef +hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de +buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo +onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de +moestuinen van ’t kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld, +hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme +de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had +afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat +hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de +bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren +en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen +opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De +eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid—hij +sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en +een weinig aan zijn “Bekentenissen” schrijven—werkte weer even slecht +op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen +maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn +vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij +gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de +boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke +schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam. +Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht +hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer men +hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken +schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du +Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken, +schreef hij: “het is niet duidelijk wat ’t ergst behandeling noodig +heeft, mijn lichaam of mijn geest.”</p> + +<p>Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra +het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen. +Zijn geestverwanten uit Genève—waar de inwendige beroeringen +voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te +hoonen—wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad +in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de +inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren +gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat +zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een +schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate +van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het +standpunt der “ongebreidelde demokratie” van de algemeene vergadering, +als tegen dat der “hevige aristokraten” van den Kleinen Raad.</p> + +<p>Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo +had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze +had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te +kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij +hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht +vertrok hij, in Juni ’68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van +dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem ’t kasteel te +verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem +gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek +nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van +Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem +weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou +terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok—alleen +ditmaal, Thérèse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen +was niet erg goed in dien tijd—naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de +macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambéry. In Lyon +bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had +aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken +hem ’t klad te willen opsturen van ’t vervolg op den “Emile,” waaraan +hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets +anders als de “Bekentenissen” bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich +zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij +botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in +Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en +als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der +natuur in te wijden, schreef hij haar eenige “Brieven over botanie” die +een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze +wetenschap bevatten.</p> + +<p>Hij zag te Chambéry zijn ouden vriend Conzié terug en bezocht er het +graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble +een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde +hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude +galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine +geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau +bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met ’t wijdvertakte +complot, waarvan hij ’t slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek +bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: ’t bleek dat de bewering van +dien Thévenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet +tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden +aangrijpen om ’t komplot op ’t spoor te komen, waarvan de oude boef een +der duistere werktuigen was; dat zij ’t niet deden versterkte hem in +zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo +overtuigd op weg naar Chambéry opgelicht en vermoord te worden, dat hij +aan Thérèse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na +zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en +weer te hebben getrokken in de Dauphiné, nam hij in Bourgoin, een stadje +tusschen Lyon en Chambéry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar +zoowat een jaar. Kort nadat Thérèse er zich bij hem had gevoegd vond de +plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke +verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak +hij altijd over haar als “mijn vrouw” of “Mme Renou,” de schuilnaam, die +hij in Trye had aangenomen.</p> + +<p>In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thérèse +ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen +dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of +Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug +te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging +natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn +bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te +ontkomen; zoodra ’t bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering +vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. Na +een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den +omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis, +hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende +opnieuw: Thérèse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en +haar beleedigden.</p> + +<p>Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem +aan Thérèse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide +gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was +dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thérèse voor +hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over +is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even +moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel +een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is. +“Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen +zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal +meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze +harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten +drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen +te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts +een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen.”</p> + +<p>De geheele brief—een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het +vertrouwelijke “tu” (jij) gebruikt—een brief vol zachte verwijten, vol +konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer +worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor +Thérèse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden +die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit +dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar +ook maar één oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen +tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander +werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel één met hem, te veel +een deel van zichzelven.</p> + +<p>Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen +zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een +verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche +voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, +zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk +zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te +behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer +vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn +verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben +gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn? +Neen, Thérèse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was +voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die +verlichting ten minste nooit ontbeerd.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In Monquin voltooide Rousseau de “Bekentenissen,” waaraan hij nu vijf +jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen +naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti. +Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke +drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij +weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden +blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in +’62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen; +Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk +plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen +politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met +rust.</p> + +<p>Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue +Platrière, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude +bezigheid van muziek-kopieëren weer op, hij vond behagen in dit werk en +werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat<a href="#fn55">[55]</a> en zijn +bijverdienste als kopiist konden hij en Thérèse zonder hulp van anderen +rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St. +Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren, +beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden:</p> + +<p>“In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques +Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue +Platrière, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde +verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: “kom +binnen, heeren, mijn man is thuis.” Wij gingen door een klein +voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes +opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een +calotje op muziek zat te kopieëren. Hij stond met een lachend gezicht +op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met +ons pratend.</p> + +<p>“Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets +hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn +gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn +mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd +was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken +dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een +groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten +verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van +het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn +gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van +iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en +medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en +toe melodieën op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van ’t +vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel, +een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de +wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij +gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn +vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan ’t +plafond bevestigd, zong een kanarie; op ’t kozijn van ’t venster, dat +aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor ’t +raam van ’t andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur +ze voortbrengt. Over het kleine intérieur lag een waas van reinheid, +vrede en eenvoud, die ’t hart goed deed.”</p> + +<p>Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan +die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de +oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de “Bekentenissen” heeft +herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste +werk, de “Dialogen,” wenschte hij zich zelven geluk met het feit, “van +in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij +geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen +te zijn.”</p> + +<p>Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren +besteedde hij aan ’t kopieëren van muziek en ’t drogen, schikken en +opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste +zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan +dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde +in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij +betitelde die verzameling “Vertroostingen in de ellende van mijn +bestaan.” In den middag bezocht hij ’t een of andere koffiehuis, om de +nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen +in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een +hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag +twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd +was ’t gezicht op den Mont-Valérien bij zonsondergang. Hij genoot nu +een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn. +Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij, +maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder +de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog +altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn +mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een +kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als +zijn ergdenkendheid door ’t een of ander was opgewekt, stiet hij, in +buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn +vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem +verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van +zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de +vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen +rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten +dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn +medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns +gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden +of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen +gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van +ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de +levenden. Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een +melaatsche, of weken schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend +gemaakt bij alle bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, +spionnen, barbiers, bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; +verlangde hij een boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad +niet te vinden; de schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de +veerlieden wilden hem niet overzetten. Steeds meer kategorieën van +personen hadden de machtige samenzweerders, die sedert de dagen van de +Hermitage tegen hem komplotteerden, met minister Choiseul aan ’t hoofd, +in hun duivelschen bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, +de geneesheeren, de vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten +bekleedden en invloed hadden op de publieke opinie. Alleen ’s nachts, +als zijn vijanden sliepen, verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon +hij vrijuit spreken zonder beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde +hij zich, zoo beschrijft hij zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek +van zijn waan en zijn geestelijke omnachting, maar ook van zijn +zachtmoedigheid en waarachtigheid, de “Dialogen.”</p> + +<p>Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner +vijanden te verbreken. Uit de “Bekentenissen” meende hij, straalde de +onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood +verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets +meer uit te geven; maar niets belette hem om ’t verhaal van zijn leven +en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen; +zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn +vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot +te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing +van de “Bekentenissen” voor een besloten kring van aristokraten en +letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in +omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld +zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een +juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de +uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een +grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was: +de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van ’t bewustzijn +snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In +hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen, +die de aandacht trokken. Mme d’Epinay riep de hulp der politie in om +verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder +de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk. +Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand +doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij +voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op +andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde +hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele. +Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk +de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat +beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts +enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als +verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte +geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het +komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de +verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en +Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de +hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de +tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der “Dialogen” +uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande +zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de +“Bekentenissen.” Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit +gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen +onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den +mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden +die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en +verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche +sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de +gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan +zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en +meegevoel zegevieren. Kon hij slechts éénen mensch vinden die met zijn +oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van +list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered. +Maar hoe zulk een mensch te vinden?</p> + +<p>Toen de “Dialogen” voltooid waren—hij werkte er verscheiden jaren aan, +want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en +vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans +maar een kwartiertje daags aan schreef—besloot hij het werk toe te +vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen, +verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn +handschrift en ging de straat op, om het op ’t groote altaar van de +Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders, +dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel +hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem +verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten, +tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis.</p> + +<p>Maar nòg gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden, +die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven +was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters: +“Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft.” +Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle +voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen +las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen, +zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet.</p> + +<p>Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden, +die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en +voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner +nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige +invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar ’t +jonge, opgroeiende Frankrijk was vóór hem, ’t denkende, voelende, +willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en +ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd, +maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog.</p> + +<p>Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht +op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe +beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij +bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge +zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd +en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die +hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij +bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij +spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een +vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het “Contrat Social,” +dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven +glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers, +niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij +versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel +na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden +en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge +mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als +menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der +maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam.</p> + +<p>Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de +kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij +stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel, +schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in +zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch +te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te +heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon: +als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in +Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was +hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd +voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te +maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor +hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het “Contrat Social” hem +geleerd.—En alle deze spraken den naam “Jean Jacques” uit met dankbare +liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, de +zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige +klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had +hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord +gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried, +deed herrijzen als maatschappelijk ideaal.</p> + +<p>Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster, +vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te +geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden, +smart te lijden, te sterven—daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht +dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair +bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.—Welk een geluk, welk een +heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft +hij immers, dit is zijn levensdoel.</p> + +<p>Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag +enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij +dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het +nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam +op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke +vooroordeelen.</p> + +<p>O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid +nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zóó zich verwezenlijken +als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die +droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is +helderziende intuïtie van de werking van maatschappelijke en geestelijke +krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke +demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote +Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten +niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne +arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze +droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere +wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote +voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten +in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn +van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke +lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht.</p> + +<p>Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen +dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en +zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien, +had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is +hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden +harten, en hij niets zag als vertwijfeling.</p> + +<p>En toch—was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen +verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld +tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der +verdrukkers van alle soort, zij die leefden van den arbeid der +ellendigen? Moesten zij niet tegen hem zijn om zijn droom van +gelijkheid, van de ideale gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, +niemand rijk zijn en niemand arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden +zij niet weldra als één man opstaan en zich samen-scharen met de +heerschers van andere landen tegen de poging zulk eene gemeenschap te +grondvesten? Zou hun vijandschap tegen wie haar wilden maken niet +onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun verzet verbitterd; zouden zij +één middel schuwen deze te verdelgen? Vatte zijn waan va nvervolging èn +grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien woesten, langen, boosaardigen +haat samen van de heerschers tegen den verdrukte die opstaat, van de +uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, van de meesters tegen der +knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij nog hield, het +vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen zou na zijn +dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was het niet een +verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke +samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn +gedachtenis, in hem roemen als in een Groote?</p> + +<p>Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is. +Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan +was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij +door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels. +Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid, +maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der +menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede +gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig +jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam, +de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen +te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart +toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en +lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug.</p> + +<p>Zijn laatste boekje, de “Mijmeringen,” is doorzichtig van schoonen +weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en +zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de +lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de +troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid +gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der +wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende, +schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in +den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog +verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het +leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde +tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den +dageraad.</p> + +<p>Over de “Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar” ligt het teer-gouden +waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een +tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn +afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die +zóó, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten +weemoed van het leven scheiden kan!</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thérèse. Zijn gezicht werd te +slecht om muziek te kopieëren, en zij was niet langer in staat voor het +huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort +smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou +opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten +bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen +op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner +beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thérèse hun nieuwe +woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had +tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak.</p> + +<p>Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf +Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te +zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige +wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was +begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar +opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen +gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem +van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een +toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in +Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug, +dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers +die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de +stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener +onbeschrijfelijke vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre.</p> + +<p>Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel. +Thérèse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond +liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich +bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot ’t gerucht dat +hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die +zonder te spreken; om elf uur ’s morgens stierf hij. De Girardin deed +hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk +hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat +daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag +hij daar.</p> + +<p>Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn +overblijfselen overbrengen naar ’t Pantheon, om te rusten naast die van +zijn grooten tegenstander Voltaire.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den +boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden, +de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele +geslachten, de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en +geestelijk voedsel dat zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden +verricht, hun physieke en moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap +waartoe zij hadden behoord, hun verhouding tot andere leden dier +gemeenschap, deze en nog tallooze andere invloeden hielpen hem maken, +hielpen den aanleg van het kleine menschwezen bepalen, opduikend, in de +stad aan het donkerblauwe meer, uit de diepten der oneindigheid.</p> + +<p>De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de +maatschappelijke omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, +maakten diepe onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn +oorspronkelijken aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op +’t materiaal der aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording +van den teederen, overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, +vrijheidsminnenden, tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld +introk, om zich te laten bevruchten door het leven.</p> + +<p>En het leven strooide véél kiemen in hem uit. Geringschatting van +grooten, hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en +wijzen, harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, +zwerverslust en bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van +vrouwen, de speelsche liefde en de opziende die niet droomen durft van +bezit, pracht van bergen en dalen, bekoring van meren, +heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de landouwen in den zomermorgen en +de zachtvallende groene glooiingen van Savoye, ontroeringen van muziek, +stemmen van wijsgeeren en dichters, stijgend uit de diepte der tijden of +zwevend door den dampkring van zijn eigen tijd—al wat hij ervoer, +dacht, deed en droomde, hielp hem tot den man maken dien hij werd in die +poëzie-rijke, avontuurlijke, vreemd-gespletene en toch naar één doel +stroomende jaren der jongelingschap.</p> + +<p>De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de +maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle +omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en +konventie somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;—èn de +maatschappij-kracht: de begeerten, de aspiraties, de energieën en de +gedachten die de maatschappij-beweging omhoog stuwt, de wil tot +vernieuwing der levenswaarden die zij in de harten wekt wanneer de tijd +rijp is voor de vernieuwing der levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en +gezinsverhoudingen) die beide groote krachten voedden de krachten van +zijn wezen, doordrongen ze, smolten met ze samen, met zijn weeke +zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, zijn innig gevoel en zijn +scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die zijn eigen was van +innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te tooveren tot +schoonen droom.</p> + +<p>Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over +hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het +verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een +nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis. +Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een +onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen +wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende +spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet +waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef, +hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen +andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de +maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de +maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter +volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van +zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij +wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was, +dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die +geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,—maar hij hoorde de +roepstem en volgde haar.</p> + +<p>Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen +zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn +hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn +liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve +neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij +overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van +onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens +wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel +en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn +liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls +zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk +betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de +gloed van geestdrift voor zijn idealen,—met een anderen naam: de +liefde tot de menschheid,—èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid +van den kunstenaar.</p> + +<p>Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de +wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij +verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn +afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van +zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem +als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den +hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen, +broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om +zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af om +vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls +ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit +zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang, +niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog de +waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde +prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken +waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen +zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in +wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte—maar wel was het zijn +verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp +nauwkeurig en volledig als hij kon.</p> + +<p>Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die één bron voedde: +het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende +beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in +hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen +zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en +schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij +vervallen in schaamteloos cynisme.</p> + +<p>Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een +ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest.</p> + +<p>Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de +hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle +enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen.</p> + +<p>De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar +hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was +nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling +tegen het oude regiem voerden—de intellektueelen, de groote, de +midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,—hadden een +gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap, +den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij +voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het +ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op +het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen +der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren, +vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid +van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland—dat hùn +vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren. +Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat, +ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit +Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en +heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had +hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den +stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden +zij hem lief en vereerden zij hem boven één ander revolutionnair +schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid +uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed.</p> + +<p>De tegenstellingen in den schoot van den “Tiers Etat,” d.w.z. van de +burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in +den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende +klassen, onder den naam van “derden stand” saamgevat, al strijdend +bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige +belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die +tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door +afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke, +en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende +richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit +’t een en ’t ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der +speciale belangen van een bepaalde groep uit den “derden stand,” niet de +verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en +verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was, +bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan +tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling +tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen.</p> + +<p>En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende +en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in de +jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen +hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de +Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe, +zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen +en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den +koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de +republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon +vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen. +Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag +idealisme, hun heroïsch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld +met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden +zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere +demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering als +een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, de +rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote +bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden, +maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen, +een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben +uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de +stoutmoedige revolutionnairen van ’93, die tegen zijn uitdrukkelijke +voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan +vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot +regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in, +naar sterke centralisatie streefden,—en die toch terecht beseften meer +dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en +vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden +dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden +die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen, +gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden van +binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken +maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn +vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende +verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke +rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in +normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt +en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even +verschrikkend als onreëel. Nu dat onreëele de werkelijkheid van elken +dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige +behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het +onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan +van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze +bijkomstigheden schenen—al had hij dit anders gevoeld—was ook de +hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch. +Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en +toen zij de “Rechten van den Mensch,”—gelijk zij die meenden uit het +wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en +onveranderlijk,—afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw +der constitutie van ’93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de +uitdrukking haast letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten +meester, dat hun staatkundig evangelie was.</p> + +<p>In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot ’t hoogst was +gestegen, dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in +den staat uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk +regeerden, den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, +op sociaal en op godsdienstig gebied.</p> + +<p>Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der +revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de +uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de +staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het +best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een +groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de +regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te +keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij—ofschoon zich kantend tegen +iederen maatregel in communistische richting—de plicht van den staat om +de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het +recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en +dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de +vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den +Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het +opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van +den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof +aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale +Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd, +dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan +slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn +goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen.</p> + +<p>Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken, +een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de +basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische +produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische +afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der +onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren +ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der +revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, +avonturiers en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den +heldenmoed, het lijden, de ongeëvenaarde ontberingen en opofferingen, de +reusachtige inspanning van het geheele volk—toen taande ook de invloed +van den grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd +had bezield. In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar +alleen in schijn. Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na +de Gironde en de Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu +op hem de zatte bourgeois van het Directoire; zij haalden met +welgevallen zijn liefde aan voor orde en rust, om de hunne te +rechtvaardigen; zij trachtten den uitdoovenden geestdrift van het volk +op te wekken door het organiseeren van openbare feesten, zooals hij er +toe had aangespoord, maar waarin de gloed van vaderlandsliefde en de +geest van broederlijkheid die ze moest bezielen, geheel ontbraken. Zij +droegen zijn naam op de lippen, zij droegen niets van zijn wil meer in +het hart.</p> + +<p>Eén man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens +gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In +zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke +vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kòn worden dan op den +grondslag van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan +op den bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus +Baboeuf heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich +op Rousseau evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau +nooit het communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de +gelijkheid en vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en +onderdrukking boven alles gehaat, en nu gebleken was in de school der +revolutie, dat het privaatbezit de wortel was van uitbuiting en +dienstbaarheid, van lediggang en ellende, waren nu wie dat bezit wilden +opheffen niet de echte zonen van zijn geest? Zijn drang tot de waarheid, +zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische gezindheid hadden hem +gevoerd tot aan de uiterste grenzen der individualistisch-kleinburgerlijke +sociale idealen. Verder was hij niet gekomen, maar wie ook slechts één +stap verder ging, moest de zon van het socialisme zien opgaan. Dien stap +deed Baboeuf.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau +leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van +zijn pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de +verinniging en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en +bereikt had, zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, +natuurlijken, mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in +Frankrijk gedurende de revolutie het pseudo-klassicisme, het +koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, over-regelmatige, +oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, zonder innigheid +en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en bestreden had. Het +overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen van het uiterlijke +leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden maakten de kunst zoo.</p> + +<p>Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk “Over +Literatuur,” dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Staël, naast +Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met +de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en +denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste +manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest +algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle +woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote +wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was +voorgegaan.</p> + +<p>Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in +Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele +richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken, +een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het +politieke. De poëtische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig +natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de +burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische +zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige +gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling +bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en +specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het +heroïsche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige +vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar +de uitbeelding van dien poëtischen weemoed, door welke de vereenzaamde +enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den +schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij +zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze +heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in +de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de +romantiek.</p> + +<p>Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der +conventioneele banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had +uitgeraasd, en het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit +uitbeelden van den geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden +ook van het slechte, zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, +gruwelijke en monsterlijke naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger +waren en stiller, zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral +toe op het scherp bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en +innerlijke ervaring, zij waren de diepe ploegers die de kunst +verinnerlijkten, nadat die eersten hare grenzen vele mijlpalen verder +hadden uitgezet. Zij beluisterden de verste en zwakste tonen en +ondertonen, opstijgend uit de diepten van dien kosmos: den +lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren de naturalisten en de +impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. En ook van hunne +kunst lag de kiem in Rousseau.</p> + +<p>Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was +anders dan alle anderen—en dit moest immers zoo zijn, want het groote +wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke +uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van +het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was +hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd +behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door +de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en +politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij +behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en +elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers, +tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken +gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en +geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer +van doode regelmaat en konventioneele schema’s, de hartstochtelijke +liefde tot het leven, tot àl zijne verschijnselen. En al deze trekken, +die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller +geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke +literatuur, van de lyrische poëzie en den naturalistischen roman, van de +psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der “Nouvelle +Héloïse,” der “Confessions” en der “Rêveries.”</p> + +<p>Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche +schrijvers en dichters, is er één in wien verscheiden der meest +wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der +anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid +van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke +gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog +te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar +doordat de discipel Tolstoï een gezonder, forscher en klaarder +fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester +Rousseau, èn doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in +tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de +sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beïnvloed +gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het +communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoï wat +Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen +lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen +te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te +scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne +gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de +eigenheid van zijn wezen.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +<p>Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele +levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen +van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind +en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten +overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige +idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel +dat zijn.</p> + +<p>De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie +maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door +reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de +inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den +dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij +bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de +grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke +ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen +bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd +zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig +denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel +belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en +gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische +dogma’s. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende +proletariërs gebruiken, zij had behoefte aan gedweeë, buigzame knechten. +Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van +Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de +wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en +daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de <i>algemeene</i> +toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van +doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis, +blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben +veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht.</p> + +<p>Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis. +Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd +en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke +produktiewijze en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor +onderdrukking en uitbuiting, liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo +groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo allesbeheerschend in hem was op ’t +hoogtepunt van zijn leven, dat hij de vrije wilden, machteloos tegenover +de natuur, verkoos boven de heeren en knechten der beschaving,—daarom +bereikte hij de verste grenzen van het burgerlijk willen en is de +arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. Want die demokratie, +zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten voor alle +menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan in de +socialistische maatschappij.</p> + +<p>Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de +individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de +bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het +kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner +krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te +vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de +liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken +weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die +verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met +de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen +aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het +zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van +ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van +menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar +de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en +koloniale oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van +ekonomisch-achterlijke volken. Het zal een oogst van broederschap en +vrede doen opgaan over de aarde.</p> + +<p>Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar +maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen +voorstelling had.</p> + +<p>Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude +afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden +zullen zijn;—wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige +menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in +vrijheid;—wanneer de onrust en de onvreê en de wanorde van onze dagen +den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan +zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere +verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier +menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat de +diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen +hebben: de weder-vereeniging van de vèr-uiteen geraakten, Natuur en +Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen +vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen, +opgaan van den enkeling in het geheel.</p> + +<p>Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der +Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan.</p> + +</div><!--end chapter--> + +<div class="chapter"> + +<h2>NOTEN:</h2> + +<p><a name="fn1">[1]</a> Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV, +boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot +XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het +felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn +ideologische “verkeerdheid” komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. in +de volgende opmerking: “Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal geen +godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel +drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan +de zijde der ketterij.” De opvatting van Michelet dat de ideeën de +drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale +oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de +ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging.</p> + +<p><a name="fn2">[2]</a> Jaurès, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurès zijn +wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vóór de +Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel +lager geweest zijn.</p> + +<p><a name="fn3">[3]</a> Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere +geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk.</p> + +<p><a name="fn4">[4]</a> Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278.</p> + +<p><a name="fn5">[5]</a> Levasseur, Histoire des Classes Ouvrières et de l’Industrie en +France.</p> + +<p><a name="fn6">[6]</a> Mémoires et Journal du Marquis d’Argenson, Deel VIII.</p> + +<p><a name="fn7">[7]</a> Jaurès, Histoire socialiste, bl. 39—40.</p> + +<p><a name="fn8">[8]</a> De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst +van den kapitalist, geconcentreerd zijn in één gebouw of werkplaats, +terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is +opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden +uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische +vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te +herhalen, neemt natuurlijk sterk toe.</p> + +<p><a name="fn9">[9]</a> Levasseur, bl. 536.</p> + +<p><a name="fn10">[10]</a> Martin, Histoire de France, Deel XVI.</p> + +<p><a name="fn11">[11]</a> Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den +Franschen handel een geweldigen knak toebracht.</p> + +<p><a name="fn12">[12]</a> Levasseur, bl. 549.</p> + +<p><a name="fn13">[13]</a> F. Rocquain, L’Esprit révolutionaire avant la Révolution.</p> + +<p><a name="fn14">[14]</a> Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12.</p> + +<p><a name="fn15">[15]</a> Windelband, bl. 359.</p> + +<p><a name="fn16">[16]</a> Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk +der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband’s Geschichte +der neueren Philosophie.</p> + +<p><a name="fn17">[17]</a> Eenige krasse staaltjes van Voltaire’s anti-demokratische +gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald +bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26.</p> + +<p><a name="fn18">[18]</a> Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten.</p> + +<p><a name="fn19">[19]</a> Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts “het geheim van1 +allen” uit.</p> + +<p><a name="fn20">[20]</a> Bij dit oproer hoorde men voor ’t eerst de kreten “A Versailles; +brûlons Versailles”—de haat van het volk tegen den wellusteling en +graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die +tegen Lodewijk de XVIde.</p> + +<p><a name="fn21">[21]</a> F. Rocquain, de l’Esprit révolutionaire, bl. 298.</p> + +<p><a name="fn22">[22]</a> De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk +noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige +vrienden afgelegd, Thérèse van dat oogenblik af aan als zijn wettige +vrouw te beschouwen.</p> + +<p><a name="fn23">[23]</a> E. et J. de Concourt, “La femme au XVIIIième siècle,” blz. 296.</p> + +<p><a name="fn24">[24]</a> O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau +heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thérèse +uitgelaten.</p> + +<p><a name="fn25">[25]</a> Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley, +wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid +der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt.</p> + +<p><a name="fn26">[26]</a> Aan ’t hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest. +Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire +kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuïeten). Zij had +burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar “eenvoud” en +“natuur;” de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de +overladen weelderigheid van het rococo.</p> + +<p><a name="fn27">[27]</a> Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl. +de vraag in hoeverre Diderot’s raad Rousseau bij de samenstelling van +zijn eerste “Discours” heeft beïnvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk +te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau’s verhaal van zijn innerlijk +gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate +psychologisch-waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van +bemoediging en bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten +betroffen hebben.</p> + +<p><a name="fn28">[28]</a> “De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo +Colletet in de vorige eeuw “van keuken tot keuken zijn brood zocht” +(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van +den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de +18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld +worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan +eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van +ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de +schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar +habitués als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken” (Michelet, +Histoire de France, XVI, 84).</p> + +<p><a name="fn29">[29]</a> In de “Confessions” bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor +het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven +was die hem de audiëntie deed weigeren.</p> + +<p><a name="fn30">[30]</a> Haar meest bekende werk zijn de “Mémoires de Madame d’Epinay,” die +langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van +Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald +(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan ’t licht gebracht, dat +deze z.g. mémoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een +lange letterkundige machinatie tusschen Mme d’Epinay, Grimm en Diderot, +dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven +van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie “Vie de +Rousseau,” blz. 188-189).</p> + +<p><a name="fn31">[31]</a> Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de +liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den +“Tristan” maakte.</p> + +<p><a name="fn32">[32]</a> Mme d’Epinay beschuldigt Thérèse van ’t schrijven van een anonymen +brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer +onwaarschijnlijk is. ’t Ligt voor de hand, dat, waar Mme d’Houdetot en +Rousseau bijna voortdurend samen waren, samen wandelden in den +maneschijn, enz. en de gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring +als St. Lambert behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten +en praatjes St. Lambert <i>moesten</i> bereiken.</p> + +<p><a name="fn33">[33]</a> Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen: +hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had +gebracht.</p> + +<p><a name="fn34">[34]</a> Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire +Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige +verbeeldings-lijst; en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel +beeldend is.</p> + +<p><a name="fn35">[35]</a> De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan +zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den +“franschen geest” te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare. +Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot, +zóózeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van +diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote +overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en +der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale +faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de +traditie.</p> + +<p><a name="fn36">[36]</a> Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte.</p> + +<p><a name="fn37">[37]</a> Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de +vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.</p> + +<p><a name="fn38">[38]</a> In den “Emile” schreef hij: “Wij naderen tot den staat van krisis +en de eeuw der omwentelingen.”</p> + +<p><a name="fn39">[39]</a> Zie K. Marx, “Das Kapital” Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der +Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire +uiteenzetting: H. Gorter “Het Historisch Materialisme.”</p> + +<p><a name="fn40">[40]</a> Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool, +die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de +<i>passiviteit</i> van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke +en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in +het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen. +Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht +in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk +dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot +revolutionair handelen als het mechanisch materialisme.</p> + +<p><a name="fn41">[41]</a> Gorter.</p> + +<p><a name="fn42">[42]</a> Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de +plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging.</p> + +<p><a name="fn43">[43]</a> Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een +poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen.</p> + +<p><a name="fn44">[44]</a> Deze uitlating luidt: “Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel +ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die +terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de +grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn +mede-menschen toewierp: “Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo +ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem +zelf aan niemand behoort”</p> + +<p><a name="fn45">[45]</a> “La Réunion des Amours,” van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de +Goncourt, “La femme au 18ième siècle.”</p> + +<p><a name="fn46">[46]</a> “La femme au 18ième Siècle,” blz. 173.</p> + +<p><a name="fn47">[47]</a> Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide.</p> + +<p><a name="fn48">[48]</a> “Contes Moraux de Marmontel;” aangehaald in “La femme au 18iéme +Siècle,” blz. 239.</p> + +<p><a name="fn49">[49]</a> Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers +te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het +regeerstelsel van Polen.</p> + +<p><a name="fn50">[50]</a> Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de +inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen.</p> + +<p><a name="fn51">[51]</a> Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de +groot-kapitalistische maatschappij.</p> + +<p><a name="fn52">[52]</a> “Mijnheer,” luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand +die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, “ik heb gezegd, wat ik +wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer +weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is +beter dat ik zwijg.”</p> + +<p><a name="fn53">[53]</a> Ook Faguet neemt dit aan.</p> + +<p><a name="fn54">[54]</a> Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thérèse +een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame +kasteelen—eerst in Engeland, later in Frankrijk—met een zenuwzieken +man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet +opgewassen voelde—alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te +komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen +en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.</p> + +<p><a name="fn55">[55]</a> Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen; +sommige biographen spreken van 1800 francs.</p> + +<hr style="width: 45%;" /> + +</div><!--end chapter--> + +<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU ***</div> +<div style='text-align:left'> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Updated editions will replace the previous one—the old editions will +be renamed. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United +States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. +</div> + +<div style='margin-top:1em; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE</div> +<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE</div> +<div style='text-align:center;font-size:0.9em'>PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase “Project +Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg™ License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person +or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ +electronic works. See paragraph 1.E below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the +Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg™ License when +you share it without charge with others. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work +on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the +phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: +</div> + +<blockquote> + <div style='display:block; margin:1em 0'> + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most + other parts of the world at no cost and with almost no restrictions + whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms + of the Project Gutenberg License included with this eBook or online + at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you + are not located in the United States, you will have to check the laws + of the country where you are located before using this eBook. + </div> +</blockquote> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase “Project +Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg™. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg™ License. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format +other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg™ website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain +Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works +provided that: +</div> + +<div style='margin-left:0.7em;'> + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation.” + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ + works. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg™ works. + </div> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right +of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any +Defect you cause. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s +goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg™ and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state’s laws. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation’s website +and official page at www.gutenberg.org/contact +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread +public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state +visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of +volunteer support. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Most people start at our website which has the main PG search +facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This website includes information about Project Gutenberg™, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. +</div> + +</div> + +</body> +</html> + diff --git a/old/old/12009-8.txt b/old/old/12009-8.txt new file mode 100644 index 0000000..fb2a533 --- /dev/null +++ b/old/old/12009-8.txt @@ -0,0 +1,9889 @@ +Project Gutenberg's Jean Jacques Rousseau, by Henriette Roland Holst + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Jean Jacques Rousseau + Een beeld van zijn leven en werken + +Author: Henriette Roland Holst + +Release Date: April 9, 2004 [EBook #12009] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +JEAN JACQUES ROUSSEAU + + +EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN + +MET EENIGE PORTRETTEN + +van + +HENRITTE ROLAND HOLST + + + +[Illustratie: JEAN JACQUES ROUSSEAU.] + + +INHOUD + + +EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd. + + I. Genve aan den aanvang der XVIIIde eeuw + II. Kindsheid +III. De zwerver + IV. Groei + +TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs. + + I. Midden der XVIIIde eeuw + II. Het moeizame leven +III. De eerste fanfaren + +DERDE HOOFDSTUK: De groote foren. + + I. Naar de vereenzaming + II. De Katastrophe +III. De werken der groote jaren + +VIERDE HOOFDSTUK: + +De laatste worsteling + +VIJFDE HOOFDSTUK: + +Waan en Vrede + +Lijst van illustraties + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK + +JEUGD. + + +I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW + +In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme +geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst +en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het +maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen +bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had +gestuwd. + +Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen +bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Genve, +terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar +heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de +XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van +verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken. +Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen +weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en +sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel +overschreed, dat is in di landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie +bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der +manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden; +--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij +tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook +het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe +kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden +verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen, +de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen, +puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en +behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in +Holland als in Engeland, met ne in het spel der krachten te zijn die +het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere +klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers, +visschers en boeren. + +Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten +handwerkersstand, maakte in Genve de ruggegraat der bevolking uit, +en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon +het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot +onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie. +De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt +van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en +levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens +was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn. +Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren, +en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare +gelijkvormige massa. + +Onder de ambachten was er n, van oudsher inheemsch in Genve, van +bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het +eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was +de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den +handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten +der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en +beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun +beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen. + +De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer. +Zij verbond de stad, zoo gesoleerd door godsdienst en regeeringsvorm +tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen +die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte, +ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantiele +beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest +bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen +zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar +gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en +de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen. + +De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het +begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar +kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk, +die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven +zouden zijn weggespoeld. + +Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad +voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een +onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger +van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke +feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine +steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen +van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed +en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke +vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn, +werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield. + +Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de +meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Genve de funkties van +kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke +theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de +kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten +voor het bewustzijn der burgers in n ongedeelden glans verschenen, +evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot +n gevoel waren samengegroeid. + +Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de +kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij +in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der +demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw +verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke +organisatie terug. De staat Genve was, schijnbaar, demokratisch. +Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was +in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de +Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de +bevolking van Genve, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds +uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld +was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de +"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden +in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van +belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en +bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen," +en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de +"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het +vertegenwoordigend stelsel onnoodig. + +In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der +gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de +oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie +die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig +uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer +bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het +"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere +groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd +deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad +vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den +kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in +Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan +het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd. + +De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de +bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook +dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide +raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het +burgemeesters-ambt leek haast erfelijk. + +Aan de burgerij bleef bij dit alles n troost: die van de +rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook +der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste +gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt, +overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Genve schatten aan uit +Oost- of West-Indi, geen vermogens werden, door goede of kwade kans, +met n slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot +plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de +kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts +zelden voor. + +Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het +gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij +het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte +zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen, +door de regeerders streng onderdrukt. + +Was de politieke vrijheid in Genve, ondanks het verval der demokratie, +grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen +was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De +kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet +geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk +gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en +vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden +zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen +tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met +kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een +danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte +in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht, +--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd +onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of +zondares halsstarrig en weigerde vr te komen, dan werd de groote +machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad +bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige +toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen. +Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken +mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone +teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de +zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig +avondmaal. + +Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het +leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door +den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk +katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van +voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle +spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en +trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen +door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename +karaktertrekken van het puritanisme. + +Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een +stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen, +oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt, +dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen +verstijven doet. + +Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse +zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden, +haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en +de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van +gemelijke norschheid. + +De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening +van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van +den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de +burgers van Genve, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan +de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het +gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die +voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit +wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het +kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner +kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun +nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de +godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den +hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren +aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God +te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het +lot hen voerde. + +Want van de burgers van Genve trokken vele, naar schatting wel n +vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden. +Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere +handen in verhouding tot het afzetgebied der stad. + +Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van +Fransche migranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over +Genve uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche +vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder +ontwikkeling dan de burgers van Genve bezaten, waar de oude denkvormen +allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en +verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er +een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des +levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische +regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten +en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele +handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij +door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren: +de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen. +Genve exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie. +Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken +vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den +oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten +woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen, +waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge +wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende +weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt +niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk +bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden +daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers +trokken. + +Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de +hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken +of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het +protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van +aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden +ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken +hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de +gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht +in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid +verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen +de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd +het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze +mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die +voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen +en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk +de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de +aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit. + + * * * * * + +Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen +beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en +de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze +neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale +zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden +neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij +elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed. +Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke +demokratien de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn +eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk, +toch hierin wl dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking +samenbracht--had zich in Genve de demokratische legerorganisatie van +vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou +men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de +burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en +vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare +mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke +oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een herosch verleden en +wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten, +uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk +stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel +militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremonin deden +de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De +handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in +zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid, +van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts, +mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren, +eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden. +Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der +naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En +droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen +toga was. + +Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone +oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de +mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het +licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen +bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten +stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun +huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de +pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men +zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een +dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van +zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het +dagelijksch doen. + +Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog +zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met +beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de +burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en +eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde +landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genver. Maar +nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien." + +Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog mt de +ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wl +bewaarde, was Jean Jacques Rousseau. + + +II. KINDSHEID. + +Zijn vader was uit een geslacht van fransche migrs, van ouder tot +ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet +gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door +hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die +te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten +Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot +_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn +stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging +weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen +niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken +staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en +ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman. +Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke +opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een +dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn +voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen +wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon +vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was +nog een zeldzaamheid in Genve, waar de trieste godsdienst lang alle +kunsten had onderdrukt. + +Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig +terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de +autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder +gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en +toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een +burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard +heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Genve stamde, +bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader +was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden +liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde, +en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam +bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig +en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en +zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende- +eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig, +daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht +van Genve te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad +gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het +jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had +bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal, +dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het +ander was oorbaar in Genve: het meisje moest tot rede worden gebracht. +Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en +onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte +gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd. + +Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun +prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun +herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij +weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste +kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van +den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk +erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem, +gelijk zoovelen, de zwerflust. + +Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had +hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht," +gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter +wereld. + +Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit +vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon," +heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij +gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving +en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend." + +Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar +zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang +heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete +geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid +mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude +wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het +gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend. +Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet +deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te +zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar +toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond +er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze +omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip +hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in +dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen, +die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de +atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die +doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze +voelde: het geheugen van 't gemoed. + +Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij +de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de +oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel. +Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met +hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote +teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei: +"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we +schreien, vader." + +Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van +overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac. +Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te +herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die +Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd +gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld, +vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw +kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van +romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan +jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud. + +Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich +veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten +levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde +uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes +en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar +Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel +met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen +dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid. + +Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een +ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem +het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't +haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid +zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de +vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen +ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch +gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De +gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk, +want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der +middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn +wezen en werd een deel daarvan, voor goed. + +Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon +vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw +voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet, +Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid +open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van +rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was +een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te +redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond +van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn +oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden +langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid, +groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de +oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig +blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij wrd Aristides, hij +wrd Brutus, hij wrd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem. +Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van +zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde, +die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor +de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen, +gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren, +en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat +tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden +versmolt in zijn hart tot n gevoel, met de liefde voor de vaderstad en +de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers +van Sparta en Rome en met hun roem. + +En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en +kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn, +toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de +gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden. +En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen +opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten +zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne +tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij +burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud +en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een +grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde +en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden +zij zich in het herosche gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte: +hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen +schooner toe. + + * * * * * + +Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een +hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier, +die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac, +prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden +ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn +zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete, +drie maanden gevangenis, en op de knien vergiffenis vragen. Maar Isaac +achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich +voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Genve maar buiten het +stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn +kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor +hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean +Jacques in de kost bij een domin in Bossey, een dorpje op Geneefsch +gebied aan den voet van de Salve. De Grieken en Romeinen raakten op den +achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad +uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde +ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten, +in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in +zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart +tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn. + +Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en +kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde +als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het +zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje +Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk, +kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar. + +Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok +waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje +hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van +onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet +misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid +van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't +kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld +als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen +in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten +herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als +een ongebruikte veer. + +Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn +door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen. +Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet +voorbij. + +Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de +grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer +als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende +liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad +hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen. +Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de +onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf +wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de +eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn +verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks +pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete +verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel. + +De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote +proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en +brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stocyns: zoo zij niet +ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was +hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in +herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang +nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog, +als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der +herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg, +het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd. + +Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige +depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de +bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte +uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit +k geleden hadden, verstrengelde zich met hn gevoel. Wanneer hij van +af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van +triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten +balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen +zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij +zijn verontwaardiging msmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene +oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke +ongelijkheid. + +De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte +gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar +Genve terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden: +horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de +nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten. +Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen +liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond +hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem +een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn, +dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn +met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en +traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare, +warme verwarring van het onderbewuste. + +Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man +nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het +ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was +dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon. + +Zijn aard was niet uit n stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch +zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar, +zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en +meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en +moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij +zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden +en omgeving van hem maakten, dat was hij. + +Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in +hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. +Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, +gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de +ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van +overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren +onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun +liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, +hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als +een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden +van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, +verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in +verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later +dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten +tijd was vervallen. + +Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in +de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage, +waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk. + +Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer. +Alles om hem werd kil en grauw. + +Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor +goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean +Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan +en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en +voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding. + +In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk +gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En +omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van +anderen. + +Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met +razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van +zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken +te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien +waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster +hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de +liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte +hij uit schaamte. + +Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om +het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar +in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den +handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij, +voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der +zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met n stukje dezer laatste +innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer, +leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld +kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat. + +Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman +geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper +eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam +om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te +leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn +vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem +vertrouwden levensstaat. + +Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang +duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht +op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde +de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat +afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten +gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft +en z fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet +terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de +brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich +in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te +keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen +Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar +zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden. + +Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de +wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen +ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze +eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in +den strijd om het bestaan. + +Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid. + + +III. DE ZWERVER. + +Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan. +Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de +kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen, +die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand +slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de +minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen +zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich +kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete +bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging, +rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde +zich baden in vrijheid. + +Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn. +Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den +oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te +zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen." +Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van +dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht +ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en +de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't +grondgebied van Genve, of hij was bij den erfvijand, in 't land der +hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd +de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen, +telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de +veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met +andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen +hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Genve, zij lagen op +de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele +bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan +zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist. + +De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling +na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het +bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap +met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het +hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te +winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame, +die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardini leefde. +Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters: +haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten +uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de +hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het +katholicisme. + +Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij +achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de +kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude +kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen, +lieftallig schoon en jong. + +Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert +zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar +bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was. +Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en +weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur +bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar +teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk +als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet +alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van +lieftalligheid. + +Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd +geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart. +Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als +twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden. + +Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar +later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven +beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen +voortgebracht. Zij bond hem met den nen band waartegen hij nooit in +pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare +gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen +zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hre zachtheid ... dat was +het geluk. + +Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en +later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning +die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al +heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in +haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem +terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de +geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk +werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem +te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde +zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde +hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem +gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk. + +Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming. +Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn +hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en +toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en +kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij +in minne zijn moeder. + +Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid +beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar +geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en +zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke +jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht, +maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden +voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid, +haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat +een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens +over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke +plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de +Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in +groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over +het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp. +Spoedig volgde haar bekeering. + +Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau +bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden +haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles +proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en +daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van +aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van +Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te +exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat +al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien +zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen, +wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het +einde de finantiele rune en de moreele ondergang, na jaren van al +nijpender schulden en al dreigender gebrek. + +En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust, +de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig +die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien, +zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden +der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij +stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar +ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen. +Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij +verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest. + +Hij, eenvoudige burgerknaap, z gesprongen uit het zwarte hol van zijn +leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring +en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot +fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid, +in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel +de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar +vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en +vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven +effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van +onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van +harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij +haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke +tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door hr gelukkigen +jongelingstijd. + +Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn, +om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van +zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn +kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid? +Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de +burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk +leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke +gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete +begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen +zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan +de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone +vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar +verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit, +aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe +schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend, +juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn. + +Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij +wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren +zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij +is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het +bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust +van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt +tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen +met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het +geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man +van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na +vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone +droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de +paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden. +Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem +gehouden kollekte, en zetten hem op straat. + +Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de +weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij +de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren, +zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie +hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de +schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot +een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles +af. + +Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt +zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet, +maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardini +was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der +italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem, +muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang +ontwaakt. + +Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij +wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft +zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat +nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den +jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt, +geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een +keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en +die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem +het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de +"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn +aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit. + +Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op +een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat +zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten +valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een +geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris, +zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij +bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst, +zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden +raad, tracht zijn naeve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der +wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn +gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding +herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de +groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke +faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken. + +Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun +diplomatieke carrire een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling +gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los. + +Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen +avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan +toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bcle mee, hij +moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch +maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn +nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't +vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't +schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen. + +Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt +hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen, +neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de +Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet +de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij +ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een +bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde, +maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd +weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer. + +Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later +getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij +gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting +verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond +was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde, +altijd meegaf, een donzige wolk. + +Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de +liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, +alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen +gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke +verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem +levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens, +verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de +vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven +schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het +moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij +toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde. + +In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan +wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als +passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte +overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens +was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders +heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de +hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft +hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des +levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar +duizendmaal heerlijker, dat somtijds wl, somtijds nit samengaat met +liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is +teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van +hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en +toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld." + +Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet +doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een +vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde +van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien. + +Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de +tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende +kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap, +polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon +goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan +weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en +literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche +prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje +van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en +ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er +te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar +hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar +het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen, +de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en +te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn +weekheid paste: het zachtaardige, potisch milde, vage christendom van +Fnlon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een +donzen bed. Het pitisme was al voor het begin der eeuw van uit +Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje +een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem benvloed +geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God +verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel +behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een +verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die +gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend +geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de +donkere gewelven van zijn gemoed. + +En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die +hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de +schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname +stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn +middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een +provinciaalsch-verkleind Veneti scheen, en de natuur waarin de +bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn +kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de +hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den +bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de +gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan +Genve, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder +de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste +rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op +den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap +was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Itali, +een bad van vrede en harmonie. + +Dit land werd n met zijn ziel en n met zijn liefde. Had hij niet +langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen +geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van +altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls +gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van +liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer. + +Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op +te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de +verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en +de uitspraak luidde, gelijk zij in Genve geluid had: de knaap is zeer +zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de +ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in +'t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de +zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet +leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf +verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd +weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem +aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang +opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek +verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en +studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet +afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de +koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren. +Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare +musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten. +Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem +behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou +vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op +straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw +een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd +heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den +zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar +Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke +intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar +Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder +middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot +een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering +nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, +lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer +lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in +den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen +over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. +Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij +beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van +zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk +landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het +kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag +van morgen tot avond n bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van +glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de +herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en +rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen +in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het +vriendinnen-paar Claire en Julie. + +Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit +door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de +kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar +Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich +uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een +muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig +bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met +een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den +muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor +orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen, +schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt, +dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij. +Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor +een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor +het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant +in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen +officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt +de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel +oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij, +zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een +dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt +de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de +lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest +te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye +is teruggekeerd en zich te Chambry heeft gevestigd; daar vindt hij haar +en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is +ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven +gaat beginnen. + +Vier jaar was het geleden, dat hij uit Genve vluchtte; hij was nu +twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en +iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den +toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde +levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de +scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; +soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn +vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren +vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de +volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij, +geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar +de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel +gebleven. + +Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der +blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een dclass geworden." +Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij +stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn +afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het +bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de +dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en +eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar +gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens +van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter +tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen, +waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef +zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen +te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer +kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met +de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien +omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk +wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideen niet benvloed hebben. +Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote +prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke +gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen +er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor +wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de +mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig +leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en +lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had +verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens +duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit +de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet +burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling +vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof. + +Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker, +die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletarir. De +misre had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als +den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven +dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij +de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren +had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers, +voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem +meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de +volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden, +onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als +in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig, +menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der +groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog +meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het +volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door +ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte, +aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar, +zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat +knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was +hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't +allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder +van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des +konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet. +Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn +arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet +ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den +nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers +van het volk." + +Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer +van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke +verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die +ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn +bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der +massa's waren saamgegroeid tot n gevoel. + +Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke +ervaring en persoonlijke waardeering. + +Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambry neerstreek. Wat hem +ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed +fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige +wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn +handelen. + + +IV. GROEI + +Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij +een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver +werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de +bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit, +waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe +natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis. +Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn +levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was n +kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der +dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets +of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn +eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij +te blokken op het "Trait de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en +duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een +zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der +harmonien den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een +schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle +kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in +zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten +kwam en naar een caf holde om zijn kracht met andere schakers te meten +was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit +ontmoedigde hem niet. + +Chambry was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke +administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in +krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met +verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar +neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie: +magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan +sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had +omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam +Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich +interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't +opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven +van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van +Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland," +van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't +denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorien +van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een +nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles +wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die +liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het +uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambry trokken, wond +hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het +openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht +naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging. + +Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een +koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de +aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig +voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige +oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde +voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet +verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij +haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij +niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was +vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en +Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding +zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar +met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In +volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drien +vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde +de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn. +Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering. + +Maar het inniger samenleven, getween, van minnaar en liefste, kwam +toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die +de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en +de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde +hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme +Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint, +sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de +ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken +wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantiele ondergang in +'t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg +voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens +een poosje van huis; naar Besanon b.v., muziekles nemen bij den +kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte +natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal +men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambry. + +Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke +muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol +intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders +te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn +oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en +overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in +verzen uit het jaar '41, "l'Epitre Parisot." + +Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, +'t scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar +groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn +krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambry was veel minder +aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het +aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de +hoofdstad van heel Sardini geweest. Het huis van Mme de Warens lag in +een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest. + +Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem +goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille. +Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar +hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur +buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol +meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam, +heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar +dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't +eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis, +idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog +over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten +aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en +het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij +rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een +dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende +bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met +geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en +der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die n +werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als +een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige +engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel. + +Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle +tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld. + +Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom, +worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid, +de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les +Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor +zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur +geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich +voelen worden n met haar. Het was hem als snoof hij weer in de +frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de +honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der +duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door +den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven, +kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een +pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel +gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig +willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar +buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij +lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond +weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar +waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen +steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen, +ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten, +daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den +boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de +duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de +ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de +sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en +nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over +alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde +niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem +de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder +en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij, +starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der +jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen. +En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere +jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les +Charmettes opsteeg, samen tot n droom. + +In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar +strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde +had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den +groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten +van zijn wezen waren er veel gerijpt. + +Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Genve waar +hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen, +terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke, +rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried +verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk +geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de +ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en +voor alles--in n woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel +had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest +deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de +tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den +medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel; +de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kn de geliefde niet +deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn +jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn +opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een +verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te +leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet +elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar +van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een +hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte +aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een +Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde +hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in +zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet, +en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen +'t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier +gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust +en ging rechtstreeks naar Chambry terug: voor 't eerst in zijn leven +voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening. + +Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende +twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's +winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op +de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de +boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd +geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was +een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den +haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude +liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij +hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzi, wat +ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man +en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der +menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel +aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij +bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven, +probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te +bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist, +had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot +hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van +werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes, +Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke +werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis, +fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde; +reeds in Chambry had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij +een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen +te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een +toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de +wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering +uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om +aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het +studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal +boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu +niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel +beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast +door alle verduistering; hij zag de finantiele moeilijkheden voor Mme +de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen +helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar +de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v. +sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende +hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur +in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was +het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat +vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den +geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid." +Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de +zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn +gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig +te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft +gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot +godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad +dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden +wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht +vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de +Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield +daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige +leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche +leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had +eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die +godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering +des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale +verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig +respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in +n woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig +leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een +persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het +best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er +verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen +in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te +vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in +het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk +gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid. + +De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok +niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe +na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit +ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te +gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee +kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn +denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner +leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies, +met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde. +Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen +te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld +genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook +moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte +aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd. +Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels; +hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele +maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie +der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw +notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem +voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking +der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, +het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de +"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen +en offers kunnen vergoeden. + +Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen +sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische +ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend +komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over +opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder +persoonlijk accent: dat is alles. + +Maar alle kiemen--op n na--van den man dien hij worden en van de +werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn +leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In +zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie, +de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner +jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de +verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk +individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren +van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem +overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn +met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te +leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in +Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar +in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het +vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed, +de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en +doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner +jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en +onsterfelijkheidsgeloof. + +Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en +stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was +getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets +vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend +van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK + +PARIJS. + + +I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK + OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW. + +In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de +absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en +de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling +tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het +ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en +zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het +tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door +geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in +hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen. +De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideen die als de +omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden. + +Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk +de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft +tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den +absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de +intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie. + +Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen +van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht +van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die +aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze +zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een +rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten +tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van +monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het +absolutisme de moderne industriele, commerciele en finantiele +bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn. + +Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der +nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het +Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier +Law om de hopeloos ontredderde finantin der absolute monarchie door de +methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de +been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank, +een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op +den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantiele katastrophe die +de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van +overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn +eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende +methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat, +beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door +'t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa +voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs +dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de +poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele +uitwerking der finantiele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een +millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruneerd. Gelijk +bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben +dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot +gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon +sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te +halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden +morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden +zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste +maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale +beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten, +hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen. + +Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het +reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te +bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en +lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in +hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen +ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw +besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken +welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke +gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden +gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken +staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de +zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige +betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den +volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk +waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen, +waar elkeen van een droomt.[1] + +Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot +velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789 +doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provincin, +althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met +den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal +verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt +opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder +reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld +kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en +geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de +staatsfinancien hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van +alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven. +Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat z maken dat de +bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot +stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen. + +Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en +hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en +uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang. +Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse- +verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude +vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds vr het midden der +eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering +van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis +ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk." + + * * * * * + +Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit, +dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties +meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie +het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze. +Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der +rijks-finantin, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om +een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De +uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht, +omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig, +en ofschoon de uitgemergelde massa's l zwaarder belast worden, het +deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot +alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid, +haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte +noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de +bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen +den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting +en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot +deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen +een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten. + +De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30 +millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van +pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de +provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per +jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde +van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn +politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster +aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn +maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij +grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het +platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale +tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden, +verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende +burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te +zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen +staat. + +Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote +maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de +geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat +de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft +gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de +zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is. +Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf +nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is +verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige +schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw n derde van den +bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van +de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit +immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele +bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat +zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van +haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes +toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in +dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen. + +Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een +revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende +verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt, +stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't +hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en +rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van +den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der +regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal +geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat +deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld +zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een +wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot +besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het +verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. +over de zoogenaamde "Charit" (de administratie van het armwezen, de +hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs. + +Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het +burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de +kerk keerde, dat het woord "crasez l'infame," tot het parool van zijne +propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het +oude rgiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur. +Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar +ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde +in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar +bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst +gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte +het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers +en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij +zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was +voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning. + + * * * * * + +Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land +en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de +buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de +adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit +de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en +pruikenmakers, hun matressen en koks bij duizenden medevoeren; uit +alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie +omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het +romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle +levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen, +hetzij de natuurlijke lichaamsvormen mscheppend tot artificieele +gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst: +schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het +geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de +"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard +bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt +uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de +XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige +behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een +labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt. +Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen f de +weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, f zich bij +die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich +nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale, +koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crbillon, uit de met +melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van +wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen. +De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest- +volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar +het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van +hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts n +inhoud; jaagt n doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in +wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering, +zonder verheffing. + +Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze +liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die +niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van +Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de +appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men +ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij, +en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke +trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen +den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man +gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud, +waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het +menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft +leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de +behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het +eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson). + +Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met +hunne matressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde +bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen, +bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk +van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de +schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde +intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde +zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der +schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de +ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in +ontaarding. + +Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele. + +"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van +Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren +--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept +Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit +het gehavend te voorschijn komt; de kolonin gaan verloren, het +koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers; +alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan +de zijde der oppositie. + +Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht +en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden, +te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van +de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de +hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te +voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de +dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de +stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de +zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en +rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel +leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en +meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de +mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld +aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het +grootste deel der 32.000 Parijsche prostitues, leven en sterven veracht +en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest +getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van +de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest. + +Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en +onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte +van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine +burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende +handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd. +De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog +meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun +scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in n maand +tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6] + +En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk, +vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, +de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt +het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de +approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine +burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse. + +De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle +lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden +vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige +uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De +heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug +betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan +laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot +instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer, +die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze +overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt +zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het +finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het +uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden +zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die +wolven, bevindt zich de koning. + +Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in +elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan +een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven +langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt, +in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde +verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op; +"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de +ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk +drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote +wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of +breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyrenen, in de Provence, +in Languedoc, in Bretagne, in Gruyre, in de omstreken van Rouaan enz. +enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht +de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de +provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje +blijft het dan weer stil. + +De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de +epidemin en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de +opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is +alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in +de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende +toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de ferieke +illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende, +sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die +deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van +die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in +genietingen, stikkend in geilheid. + + * * * * * + +Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen, +gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische +vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei +van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn. + +Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt +de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de +bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der +koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige +misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute +monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig +bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de +openbaarheid en goede administratie der rijks-finantin; maar aan de +andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de +ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de +monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar +zit tevens vast aan het oude. + +In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de +pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen +van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke +geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun +zonen runeeren zich als de zonen der edellieden door matressen en +paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd, +maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate: +het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid +van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en +terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken +van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van +bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte +haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van +de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige +is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe +koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7] + +De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn +vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het +verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideen. +Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de +koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: +weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als +hn levensleer. + +De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze +vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten +achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van +het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van vr de revolutie. De +overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de +buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen +der Rgence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor +een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te +voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde +voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de +bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat +zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine, +de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in +Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Raumur, +Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet +langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon +neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering +van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan +de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der +belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving +en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de +Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle +mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te +stellen,--getuigt van de geniale intutie van den veelzijdigen publicist, +wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het +machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de +industrie.[10] + +Grooter dan die der industriele, is in dit tijdperk de vooruitgang der +handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel +verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20 +tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantiele bourgeoisie +in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een +aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon, +de Normandie, het Beneden-Rhnegebied enz. De voornaamste havensteden +worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van +revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den +zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de +onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de +desorganisatie van het leger, in n woord: door de algemeene dekadentie +van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie. +Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indi, Senegal en Canada; ook de +Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de +oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral +toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de +oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezueten in +1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde +half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het +bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine +Antillen had geakkapareerd.[12] + +Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste +draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke, +staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een +diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al +liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele +regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds +over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het +ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd +van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de +opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel: +aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair +gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme, +dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen +dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst +wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de +regeering en van alle officiele instellingen en denkbeelden hun +hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid +al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet +der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter. +Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13] + +De dragers der nieuwe ideen, der revolutionaire aspiraties waren, +omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke +groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantiele +bourgeoisie en het burgerlijk intellekt. + +De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun +maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de +intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de +officiele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid +van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen +tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak +van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig +had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in +de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de +geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als +Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire +waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden +den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn. +Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den +strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de +machtsverheffing der bourgeoisie voor. + +Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de +oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische +ideologen, als Fnlon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de +misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na +het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een +voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den +eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in +het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot +'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol," +de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor +de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de +werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte +zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten +een einde maakte. Nog vr de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721, +waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje +waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos- +felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend. + +Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en +philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische +concentratie der nieuwe ideen in de Encyclopedie, het "algemeen +handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan +zullen deze ideen zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van +het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire +bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche +wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot +n philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing +opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust. +Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit +en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij +de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot +uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegin van adel en +geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; +om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; +om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de +instelling van een konstitutioneele regeering;--met n woord, om de +praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_, +in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van +den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar +aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn +moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot." +Vr alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der +bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie +der machten van het ancien rgime, maar ook door haar decadentie is +aangestoken;--vr alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid +dorstende klasse. + +Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het +revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land +waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis +met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen +de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de +beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als +eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_ +ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische +denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de +wijsgeerige ideen van het tijdperk der verlichting het helderst en +volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten +streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten +uit de desten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen +openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire +volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der +mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen +deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo +worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats +van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16] + +Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en +haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken +--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de +engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de +positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling +--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken +strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse- +tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie +groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds +radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met +de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich +aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche +philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het +middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht +der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische +macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het +ondergaand regiem. + +De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en +evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname +stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is +Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van +dien tijd--de finantiele--belichaamt hij als geen ander, als geen +ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge +grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit +geladen, La Mettrie, Helvtius en Holbach onverschrokkener de +konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing, +--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van +den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten +van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt +aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt +gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam, +altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt +hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig, +ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn +aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met +onfeilbare intutie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die +tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant +zich tegen alle materialistische en athestische denk-excessen zijner +dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk +_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te +worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen +leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale +figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend +volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der +tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt +hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande +tegenover het oude rgiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in +een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17] +levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate +is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen +dwang, vr de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der +menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de +willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met +animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een +ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het +oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit +ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in +beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij +gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kn de groote bourgeoisie +niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang +te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, +blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als +van de finantiele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur +d'affaires et grand remueur d'ides,"[18] gelijk Jaurs' gelukkige +omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de +dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen, +als het egosme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage +_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt. + +Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de +wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten +van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol +stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideen de +menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente +theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een +machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen +zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur, +de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar +Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle +aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvtius noemt het +egosme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theorin +natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire +philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der +papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en +naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en +genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever +liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten +deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in +hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis +van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der +groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische +uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als +even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt +onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim +van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle +huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen, +evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de +eenige waardevormende kracht is. + + * * * * * + +De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het +derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den +klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de +parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de +oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750, +naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische +doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen +zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene +revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute +monarchie, begint eerst n 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste +plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet +der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders +en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau. + +Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer +massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse- +aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote +bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in +andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking +gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem +stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden +geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of +burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe, +waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen +_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een +bewonderenswaardig herosme--met _tragisch_ herosme, want zij moesten +in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het +wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen +dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun +vleesch en bloed van hun bloed was. + +De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven, +hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele +verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou +opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij +gingen stem krijgen in Rousseau. + + + +II. HET MOEIZAME LEVEN. + +In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op +zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift +in cijfers dat, meende hij, hem met n slag vermaardheid en rijkdom +verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, +en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele +kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zoloog en +chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd +hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe +methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te +lezen. + +Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De +"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan +te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek +wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en +beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de +inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was. +Hij voelde zich diep verongelijkt. + +Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over +hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een +vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij +verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken +ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de +moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever, +maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn +gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij, +soezende knaap, door Milaan gedwaald had. + +Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in +de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke +inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel +mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost +te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden +zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van +buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon; +af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij +gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al +zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen +voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij +hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle, +Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd +weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat +hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend. + +Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele +anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren +even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit +een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de +provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij +bij de Jezueten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm, +gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij +gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen +uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn +dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen: +zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een +neiging tot paradoxen. + +Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve), +is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de +aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was +schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke +eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang +hield hij de leiding der Encyclopdie vast door tallooze moeilijkheden +en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid +te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der +regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch +het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de +nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk +voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge +kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn +talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in +het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die +armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle +mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk. + +Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als +de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht +en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan +verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideen was echt, maar wat hem +tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van +zijn gezin en van zijn matresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst +die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun +temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief, +droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig, +opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst +bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze +tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was +bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn +vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet +heerschzuchtig, verdroeg geen dwang. + +Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de +vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij, +komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar +dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin +de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek +verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven +eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie +bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem +van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder, +hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten. + +Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van +een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot +Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantiele wereld. +Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel +mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving +Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij +de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos +fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon, +Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij +liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar +eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen +zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van +Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd +secretaris van den franschen gezant in Veneti. + +[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).] + + +Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was, +vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris, +een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was +een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke +aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau +vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij +in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van +scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij +misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te +Veneti geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken +een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen +en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken +zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn +vaderstad herinneren: Veneti was als Genve een souvereine stad, bestuurd +dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Genve een oude +republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde, +terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patricirs berustte. Zijn +werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn +geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed +der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Veneti +een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing. + +Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man, +wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte +de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig +ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en +beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten +slotte kwam 't tot een hevige scne, en de Montaigu joeg zijn sekretaris +weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te +trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Veneti, waar, naar hij +vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er +eerst over zich terug te trekken in Genve, maar verongelijking brandde +in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den +smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed +hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door +zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te +laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet +hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden. +Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den +gezant zelf. + +Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar +Veneti waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo +verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat +hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat; +nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee +en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn +streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in +alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte +was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde +vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de +zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van +levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder +strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede +drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij +eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid. + +Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het +puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar +zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij +zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van +Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft +vooral. + +Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar +Veneti ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger, +eerst in Chambry, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven +van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't +vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude +hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong +linnenmeisje uit Orlans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was +geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal +verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht. +Zij heette Thrse le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door +de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at +aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het +schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en +onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor +haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat +menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste); +tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was +het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte +aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg; +hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde. + +Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar +ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije +liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22] + +Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die +vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den +levensbond met het plebesch natuurkind--Thrse was in buitengewone +mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog +onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten, +in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud +der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften +volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik +tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar +overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van +hart. + +Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk. +Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen matressen--aristokratische dames of +vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dt sprak +immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een +glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote +gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen +neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het +nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten +over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of +geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Thrse! +Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en +alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar +mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en +niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. +Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de +soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij +niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een +ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten +verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig +opzicht meest essentiele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk +een kiem van vervreemding. + +Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. +Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die +afschuwelijke Thrse," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en +verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de +zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem +plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke +wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn +aan Thrse. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven +natuur ondanks haar potische bekoring toch in sommige opzichten +afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar +beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was +immers de bekoorlijke chtelaine, welgemanierd, elegant tot in haar +minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke +"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij +dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de +"onbeschaafde wasch-vrouw" Thrse le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders: +hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen +hoogmoed. + +Men behoeft geen apologie te schrijven van Thrse. Het zal wel waar +zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de +meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid. +Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie +voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden +van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat +met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo +ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst +verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw +al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk +zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan +moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook +doen. Maar daaraan denkt niemand. + +Tegenover de fouten en tekortkomingen van Thrse staat 't volgende; +staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar +vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn +brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige +werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn +lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef +hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende," +hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls +steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische +aangelegenheden bleek altijd goed. + +En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten. + +Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle, +waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels, +arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en +die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige +schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Thrse, heel +een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien, +tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het +kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste, +trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige +huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het +zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar +goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe +verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de +aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem +maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in +trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van +vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der +regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche +geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. +Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet? + +En deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn +geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en +inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden. +Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn +geluk niet de meest essentiele. Voelen ging hem vr denken--zijn +denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben vr begrijpen. +En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen, +hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen +genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn +gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar n Thrse, die zijn +persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende +dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding +gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het +dagelijksch leven; zij luchtten in gexalteerde brieven aan den grooten +schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen +bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Thrse bleef dit zware, +moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den +ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den +in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot +haar sprak. + +Veel heeft Thrse met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in +'t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven +lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden +achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie +behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man +liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in +Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van +zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en +Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme +d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Thrse, maar toen Mme +d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot +aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige +burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij +loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard." + +En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd +en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar +dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld +compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart," +haar vrouwentrouw, Thrse. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven: +Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde, +zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in +het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen +en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. +"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk +te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik +gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer +te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij +onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin." + +Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de +Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en +courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde +ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog +heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in +hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast +onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Thrse. + +Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het +sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor +'t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht +voor de steenen der door de domins opgeruide boeren; en zijn kort +verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen +verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord +verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't +dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk, +in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het +onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug, +en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en +vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glacire, niet +ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd. + +Zij werd toen ouder en zwakker, Thrse, maar zij hield de woning toch +proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn +kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en +aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk +eten, door haar bereid. + +Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieren: +het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het +kasteel Ermenonville. Dr stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld, +dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor +hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was vl. + +De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling +eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste +geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materielen basis, die +haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar +lang. + +Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen +minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme, +simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde +Thrse le Vasseur. + + * * * * * + +Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde. + +Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon +Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend, +en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan. +Een paar keer werd Thrse zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen +naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig, +maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar +zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat +zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze +ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen +nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen +werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij vr +'t samenleven met Thrse zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel +verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de +wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis +bracht. Hij dacht er verder niet veel over na. + +Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opra "les Muses +galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen +belastingpachter, La Popelinire, en toen nog eens bij een groot heer, +den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste +kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den +koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu +hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de +"Ftes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd. +Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed +Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat +en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet +genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses +galantes" door de Parijsche opra werden aangenomen, maar ook daar kwam +niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit +gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd +en gaf elke poging om naam te maken op. + +Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele +kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld +vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn +onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als +al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige +intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder +innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in +plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit +diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan +gloeiende stroomen omhoog. + +Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was +een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin +hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste +ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van +zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms +toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was +zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren +logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan +door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren +de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt." + +De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den +afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem +worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf? + +De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn +afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder +dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk +hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing, +levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste, +groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden +uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van +pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer +ademen kon. + + +III. DE EERSTE FANFAREN. + +Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de +velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er +werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het +land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren +zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten +de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder +leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs. + +De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een +broeing van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke +voorvechters der nieuwe ideen begonnen de oude wereld te bombardeeren +met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois" +verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons +"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde +en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch +scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige +geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste +proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem +voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt +de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij +zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie, +n onderdrukken, dn weer de teugels vieren, zonder iets anders te +bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te +maken door het andere. + +In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men +nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. +In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen +niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers +opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de +intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering +wilde een grooten slag slaan. + +Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken +waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te +hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het +ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en vr het desme. + +Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur +les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch +werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich +beleedigd achtte.[26] + +Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel +opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem +toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt +d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de +hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt. + +De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende +maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel +zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den +vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste +dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn +geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de +Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij +dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap +van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn +smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij +mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn +kameraden werden tot hem toegelaten. + +Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken! +Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen, +haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet +verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond +neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog +broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde +strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de +koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de +Encyclopdie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen +de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche +glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg, +groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van +eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was +in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was. + +Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad, +de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten, +toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon +uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten +bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling, +voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de +bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij +merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere +zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste, +met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't +diepst-van-'t-woud. + +Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de +opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht +opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid +van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; +gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de +verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in +eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het +lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der +grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een +leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en +zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat +'t blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij. + +Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het +nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het +tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en +klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook +rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals +zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige, +hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt +de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der +Toekomststrijders, het sidderend dichterhart. + +Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar +het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken +onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien +uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de +heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in +wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de +werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar +wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde +genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der +groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal, +naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn +Ideaal-wereld niet helder, uit n stuk gegroeid, tegen den horizon, +maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan +hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de +verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn +jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken +zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het +patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de +achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog +voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre +landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele +kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid +van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken +saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische +ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit +veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener +maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van +kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme +daarin ontbrak was natuurlijk. + +Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid, +voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap. + +Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun +vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden +ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder +aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke +verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want +zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantiele. De +strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideen spiegelde, +voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers +tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de +heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde, +wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder +uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd +genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op +domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap, +die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden +enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen, +voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in +den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der +verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot +bewustheid. + +Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de +slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos. + +Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van +tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme, +opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der +Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn +leven zijn. + +Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over +den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden +en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27] + +Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven +in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours." +Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn +opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde, +verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn +oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober +onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen +en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden +wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw, +wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en +genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der +groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij +doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond +zich tot ne, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de +beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen +de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van +verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van +ontzenuwenden lediggang." + +Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde +maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van +plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van +den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde +hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en +ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als +vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch, +uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch +intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover +de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God +welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar +van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger +aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een +vervallend rgiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen, +maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend +tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving." +Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier +dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde: +burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland; +de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was +de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets +voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de +toepassing der wetenschap op de produktie; intutief begrijpend dat door +haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde: +het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_, +den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een +gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting +voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van +dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een +maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij, +dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet +als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse +gedoemd gelijktijdig reaktionair n revolutionair te zijn. + +Het boekje maakte zijn schrijver met n slag beroemd. De letterkundigen +prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken; +al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven +Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge +bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat, +hij had beloofd aan de Encyclopdie mee te werken en schreef daarin de +artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek +beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over +de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de +beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur. + +Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder n met den koning van +Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk +en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van +maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde +bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen," +"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar +begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge +noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen +weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij: +"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend +sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den +mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet +vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen +bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer +slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben +zooveel armen geen brood." + +Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat +tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan +verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom +vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur. + +Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping +tusschen beginsel en praktische konsekwenties. + +Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend; +zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten +en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch +bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij +noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden +gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel +van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote +revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen +genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te +voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak +tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te +bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen +en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch +de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan. + +Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de +inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner +andere geschriften, de uiting van slechts n zijde van zijn wezen is. +Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was +teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid +die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der +liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de +stocijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde +het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie. + +Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours," +dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe +prijsvraag der acadmie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der +maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom: +zachtheid had hij nog niet teruggevonden. + +Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van +den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang +zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur, +uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den +primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo +meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden +van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden +vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de +natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen +was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de +verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en +voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de +neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn +voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid +hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren +hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest +vermoedde hij niet. + +Zijn gedealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige +trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij +tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk +Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt +tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op +de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op +de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de +ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende +klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours." + +In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter +bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der +tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den +primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intutief zeer juist en +sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche +stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na +het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan +Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel +beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch +Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle +wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de +verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van +anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van +nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij +alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd +goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij +alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener +maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener +samenleving "waarin misschien niet n gegoed man leeft wiens dood niet +door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt; +waarin niet n schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het +schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin +niet n volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner +naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en +treffendste in Frankrijk geschreven vr de dagen van Fourier. Hij +sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en +barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie +kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk +niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of +kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van +zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de +natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de +hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een +grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk: +hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke +gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden +ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en +politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt, +het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op +wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde +der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen." + +Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van +uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten +gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die +volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de +Carmagnole: + + "a ira, a ira, a ira, + Celui qui s'lve, on l'abaissera," + +en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de +wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een +onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons +de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen +met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau, +wiens vreemde ideen heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet +in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien +slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden +zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen, +nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten +maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn +lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de +menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten +te voorkomen, te genezen of te verzachten?" + +De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop +nog vleugellam in dat der daad. + +Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Genve, en +herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste +lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader. + + * * * * * + +In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede +"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in +zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen +werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend +schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de +dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der +hoogst-bezoldigde finantiele betrekkingen vervulde--nl. van algemeen +ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden +verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute +finance in dienst getreden als kassier. Materiel blonk hem een gouden +toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid +van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten +hem ziek. + +Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het +was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong, +nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de +tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan +anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij +zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen, +de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon. + +Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat +is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog +zeldzamer is, hij zette het door. + +Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap +neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen; +Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was. + +Hoe zou hij nu leven? + +De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden +chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel +geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste +parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was +een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een +der rijke letter-lievende financiers als Helvtius of Holbach, +geschonken.[28] + +Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en +niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in +'t verkondigen zijner beginselen. + +En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kn +het niet, hij kn enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede +en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale +idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn +gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die, +wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt, +nederschrijft." + +Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef +fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield +van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd +muziek-copist. + +Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het +handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem +genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het +mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't +platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn +dood, met muziek-copieren zijn levensonderhoud. + +Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij +had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de +letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon +voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet, +die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de +goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke +stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven +onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie. + +Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven +allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom +moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te +doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien +in hun binnenste; naast 't samenleven met Thrse kwam door de nieuwe +wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van +vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn. + +Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn +uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie +der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot +in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij +schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand +zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de +kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn +kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen +afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij +gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Thrse--hielp +hem daar weldra van af. + +Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en +knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde +jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag +voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet +alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan +de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en +door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem +'t hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te +krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij +aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was +toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te +overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen +op zich tegen hun "begunstigers," die maar n doel kenden: de hen immer +najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles +dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne +beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door +hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun protgs moesten +ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze +gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te +bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden +alles koopen, waarom dan ook niet dit? + +Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken +doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd +is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de +vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij +verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich +heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok +dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en +wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel +vrij. Thrse was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En +achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke +moeder. + +Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en +bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen +was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt +het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten +van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over +in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook +de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke +menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde +gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in +elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt. + +En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk. +Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke +vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen +drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk- +gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een +lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid +der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan. +Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam +slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een +anderen. + +Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het +verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren +lang zijn leven zijn. + +Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs, +om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de +zachtheid des levens zijn. + +In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van +zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer +een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen +stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek +viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te +Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij, +in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De +Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde +den componist audintie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau +weigerde op audintie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste +begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun +eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen +de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was +uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele +uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel- +artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij +"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen +te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de +jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen. + +Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden +was, Thrse opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig +na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij +beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige +keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te +geven. Thrse zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht +op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in +beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te +vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die +de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap, +arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja +verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een +burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had +afgeschud, baarde Thrse; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind +naar 't vondelingen-huis brengen. + +Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos +had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren +van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de +bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in +zijn wezen. + +Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en +begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Genve te +vestigen, waar hij in '54 met Thrse eenige maanden vertoefde en goed +ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf +nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem +geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn +geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij +bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij +werd opnieuw protestant en burger van Genve. + +Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en +voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou +'t er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk +willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting. + + +Noten: + +[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV, +boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot +XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het +felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn +ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. +in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal +geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel +drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan +de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideen de +drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale +oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de +ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging. + +[2] Jaurs, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaurs zijn +wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren vr de +Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel +lager geweest zijn. + +[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere +geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk. + +[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278. + +[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrires et de l'Industrie en +France. + +[6] Mmoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII. + +[7] Jaurs, Histoire socialiste, bl. 3940. + +[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst +van den kapitalist, geconcentreerd zijn in n gebouw of werkplaats, +terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is +opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden +uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische +vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te +herhalen, neemt natuurlijk sterk toe. + +[9] Levasseur, bl. 536. + +[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI. + +[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den +Franschen handel een geweldigen knak toebracht. + +[12] Levasseur, bl. 549. + +[13] F. Rocquain, L'Esprit rvolutionaire avant la Rvolution. + +[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12. + +[15] Windelband, bl. 359. + +[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk +der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte +der neueren Philosophie. + +[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische +gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald +bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26. + +[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten. + +[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1 +allen" uit. + +[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles; +brlons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en +graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die +tegen Lodewijk de XVIde. + +[21] F. Rocquain, de l'Esprit rvolutionaire, bl. 298. + +[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk +noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige +vrienden afgelegd, Thrse van dat oogenblik af aan als zijn wettige +vrouw te beschouwen. + +[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIime sicle," blz. 296. + +[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau +heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Thrse +uitgelaten. + +[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley, +wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid +der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt. + +[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest. +Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire +kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezueten). Zij had +burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en +"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de +overladen weelderigheid van het rococo. + +[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl. +de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van +zijn eerste "Discours" heeft benvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk +te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk +gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch- +waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en +bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben. + +[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo +Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht" +(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van +den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de +18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld +worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan +eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van +ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de +schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar +habitus als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet, +Histoire de France, XVI, 84). + +[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor +het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven +was die hem de audintie deed weigeren. + + + + +DERDE HOOFDSTUK + +DE GROOTE JAREN. + + +I. NAAR DE VEREENZAMING. + +Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en +levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance +in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar +van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast +ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen +verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele +werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij +was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi +maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan +zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte +te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel +esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden +om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van +intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe +Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te +noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een +warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar +kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig +en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de +vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij +behoefte aan interessante, suprieure persoonlijkheden om zich heen die +haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig +en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te +komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze +veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoste +berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net +gaf wat hm paste en niets meer. + +Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij +doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook +was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk +gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige +sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel +hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij +luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden +gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de +wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen +van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een +beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en +met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn +hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen +dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar: +"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij +is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch +eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt." + +Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd +vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind +gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de +man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich +maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden +van hem vervreemd heeft. + +Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg +van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem +leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt +een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed +musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde, +want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den +jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en +deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig, +een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching, +plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carrire en ontpopte +zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van +Orlans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon +een "Correspondance littraire," een soort bulletin voor buitenlandsche +vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs +verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had +zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen +vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd +en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in +'t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver: +oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij +langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar. +Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en +was daar zeer verheerlijkt mee. + + +In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't +vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij +Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen +Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en +Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een +keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen +vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de +moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan +het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond +daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het. +"H," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet +veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later +bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw +allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw +kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die +booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Genve." Dat was +echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar +bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij +arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende +brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf. + +Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist +de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Genve; hij hield van +zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij +voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen +grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de +lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid. +Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot +vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een +voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over +hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge +uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd +weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven +en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke +gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste +onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn +pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat +mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar +ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor +mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid. +De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen +acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar +had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij +overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van +innerlijke krisis gekweld." + +Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn +verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de +Hermitage. Behalve Thrse verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard +maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut +in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou +wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij +overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage +woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees, +voor zijn rekening zou nemen. + +Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling +verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat +hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij +nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad +of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen, +heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles," +schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes, +flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn +hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; +of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein +van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar +een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren +tot de natuur." + +Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij +had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't +gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was +aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te +brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren. +Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij +zelf nog niet geheel in 't reine was. + +Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een +beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij +was hieraan al begonnen in Veneti, dertien of veertien jaar geleden, en +had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van +uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om +daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een +soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan +stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding. +Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom +gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had +veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig +wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van +een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo +onder de hand door. + +Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij +willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte +de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals +uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet +op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde +richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het +onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen +in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de +"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl +Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den +innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij +nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn, +begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar +teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende +te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der +liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van +zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op +een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met +onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het +brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die +jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij +uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de +"Nouvelle Hlose." + +De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten +om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die +zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens +alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen. + +Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van +Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar +geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht, +door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de +velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en +sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal +zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn! +Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij +goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes, +blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme +d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie +vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht. + +En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den +zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel +zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij +niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd +had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de +verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld +door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede +plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel +genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals +wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd, +zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te +murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de +verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem. + +Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat +zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen +verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in n +geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten +en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt, +die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit +liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde +teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen, +zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de +verbeelding in Rousseau. + +Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbenvloed door de +rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen, +wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen, +die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem +altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner +fantazien had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die +eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had +hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden; +wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen, +verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was +de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij, +geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en herosme en +roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de +droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude +stroom vloeide weer rijkelijk. + +Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want +Thrse vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend. +Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet +zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben. +Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te +maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er +in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij +gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest +altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot +hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet +naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren +die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had, +door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit +was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken +uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw +hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in +het woud. + +Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren; +dr was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie +die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen +onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer +hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd +voorbij is. + +Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch +dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en +bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden, +heerlijke jeugd. + +Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der +jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. +Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de +bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond +en spijt om alles wat hij dit ne ter wille verzuimde, doet zijn hart +samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd +verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit +eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, +voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat +hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; +ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist. + +Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn +eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer +terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene +nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven +zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit +bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij +te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij, +zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam +als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn +fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij +jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling; +weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al +de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had +ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien +onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't +oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambry, +hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk, +hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap- +secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel +dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden +door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij +Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong, +bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al +lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en +dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet. + +Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor +de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te +sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te +grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de +broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn +liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een +ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid, +zocht hij in de fantazie. + +Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen +omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde +samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare +eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle +storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat +hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde +samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur. + +Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen, +twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de +minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan +den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de +Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind +had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en +vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar- +beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument +oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde. + +Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en +onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had +voor aan Thrse en haar moeder. Thrse snikte van verteedering, hij +zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over +het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der +liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En +wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd, +voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich +geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een +deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke +zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van +zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte +hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig. + +In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de +schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds +lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets +meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men +zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen +zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en +armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en +kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig, +en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had +een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de +mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de +natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen; +een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, +op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde +hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd +spreekwoordelijk. + +Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder +waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar +zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote +wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid +en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar +afwisseling. + +Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van +1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder +blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol +uitbundige pret over haar avontuur; Thrse moest haar schoone kleeren +geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk. + +'t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal, +in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar +minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de +buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te +verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den +eenzamen wijsgeer, den stocijnschen "citoyen" met zijn strenge +begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar wlbehoed tegen de +verlokkingen der Parijsche wereld. + +Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te +worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest. + +Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts +schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor +noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke +vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor +hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van +den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en +verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te +voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de +andere?[31] + +Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de +daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat +van mysterie is hij. + +Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend, +vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat +wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kn, +niet mcht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was +de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen +overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf +n haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo +leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en +smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideele in +hem, al zijn moreel gevoel opstond. + +Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd, +--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst +beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en +weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te +blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten +weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht +hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw, +die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang, +kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot +extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat +alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf +en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam. + +Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn +zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch +van innering. + +Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare +boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van +de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Hlose." In de vlammen +van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn +wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt +duizenden blij van bevende zaligheid. + +Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele cterie +die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest. +Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der +lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs +ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven, +dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van +Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige +menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog +erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal +aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij +zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij +toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan. + +Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed +voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke +neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker +geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn +heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te +probeeren achter zijn rug om met Thrse en haar moeder te bedisselen +hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch, +en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't +allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer +gerriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren, +schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de +wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als +vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar. + +Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van +komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen +schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot +onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had +verweten de moeder van Thrse den winter in de Hermitage te laten +doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende +leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en +gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in +Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak +had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden +als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich +met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht +Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel +verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen +dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in +langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die +stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend." + +Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend +als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm, +stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen +hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een +kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme +d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend +had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare, +hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het +dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten +worden? + +Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet +ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor +haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude +vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes, +waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph +die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een +verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te +worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij +koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij +ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen +dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem. +Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te +voorkomen. + +Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen +kwam de vonk. + +St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau +op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als +een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan +Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay +gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin, +die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar +zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in +Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere +explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart +der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale +op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen +hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed +en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij +wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een +schijn-verzoening tot stand. + +Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te +toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof +hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en +was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later +in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie +van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drien. +Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde; +de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen +de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot +zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken. + +Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen +was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam +juist de stoot, die hem ondersteboven wierp. + +Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en +vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo +spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar +bedienden, naar Genve dacht te gaan om zich onder behandeling te +stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau +haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en +hoopte dat hij 't zou doen. + +Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Genve, +niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Thrse, +die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te +praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en +naar Genve ging om in 't geheim te bevallen. N begreep hij het. En +toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van +Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't +bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme +d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen +hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay +was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te +gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling. + +Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke +positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst +van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij +dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert +uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg +van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij +zijn stekels naar alle kanten uit. + +Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering? + +Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm +werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Genve sturen om, +zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen? +Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem? + +Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij +zeide voor haar gezondheid naar Genve en had zij gedacht: "'t zou +gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de +menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan +zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar? + +De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in +twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid +gebracht. + +Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende, +gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien +tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme +d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in +die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en +goed-bedoelde zorg. + +Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te +verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht +tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te +vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen +Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het +antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest +onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te +verlaten. + +Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien +de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op +denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Genve vertrok, naar Parijs +teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol +betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog +eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij +begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen +hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat +hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn +evenwicht geheel en al. + +Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid, +zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in +den tuin hooren, hij leek waanzinnig. + +Toen kwam dat briefje uit Genve: het werkte als een zweepslag. Met de +kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders +altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't +dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en +erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme +d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig +en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge +niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar. + +Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke +breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als +om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden +zijner hoopvolle jaren verliest. + + + +II. DE KATASTROPHE. + +Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met +Thrse getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen +in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar +den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was +oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de +meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het +terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den +hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek. +Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde +naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency. + +Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open +koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot +zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar +elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van +1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van +vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon +zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke +ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van +den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die +dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te +doordringen. + +Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den +titel "Lettre d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het +werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Genve" in de Encyclopedie, +waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en +ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te +laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van +d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf +regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van +bij het landhuis, dat hij in Les Dlices, een voorstad van Genve, +bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge +heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun +best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in +Genve was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van +Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden +melden: "heel Genve bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt +een stad van genoegens en van verdraagzaamheid." + +De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden +geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het +klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen +begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw +onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de +eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener +klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische +gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven +der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar +tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als +zijn gedealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van +rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige +landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker, +maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich +zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan +wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem +verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de +onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn +eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem +gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions" +getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde, +zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, +al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er +in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene +inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en +wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in +'t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van +dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam, +een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Hlose" +wekken zou. + +De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met +de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat +men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet +geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich +gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire, +diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den +leider, en dat kon niet worden getolereerd. + +Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit +de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende +gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld, +en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars +wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven +en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst +zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend +gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren +in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van +diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar +zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks +zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was +zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering +tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet +weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste +brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar +gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten; +daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die +snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en +even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en +daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke +paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te +dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu +moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en +van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat +Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar +had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't +gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in +particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte +deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn +ergernis lucht. + +Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover +de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde, +in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de +dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename +bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze +verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den +tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon +te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift. +Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk +was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij +feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire +eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om +hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief +van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was +geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk +kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon +zijn om te verdragen. Gij hebt Genve als belooning dat ge er een +toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van +den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het +die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen +sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en +zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch +bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in +n woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die +waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle +gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de +bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde +voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760. + +Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er +buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien +tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ... +verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Hlose," die +kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Hlose" noemde hij "een vervelende +en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond +hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid +boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder +maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en +dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren. +Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor +de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den +vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans +gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte, +denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op +zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te +maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de +god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn +meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?" + +Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van +Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige +waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos +het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan +ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd +is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wl zijn roem en invloed +benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke +meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht +en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de +verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht. + +In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk +met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat +wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau +beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige +prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te +hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een +verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau +in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening. +Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook +eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik +haar weer aan te blazen." + +Zij hebben elkaar nooit meer gezien. + +St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's +handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei +en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had, +terug stuurde. + + * * * * * + +In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem +hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede +kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij +leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid; +de "Nouvelle Hlose" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde +daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte +in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast +twintig jaren in hem was gerijpt. + +Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature +indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren +aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben, +een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar +geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de +innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote +punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de +verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de +verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had +uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat +hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een +nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de +sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het +verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de +eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen, +gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich +in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat +de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken. +Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij +bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart +altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon +niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe +in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de +menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te +geven was in zijn hart z onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst +naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was z +kwetsbaar, kromp z gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem +alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die +hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven +--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood +verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met +Thrse in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was +het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst +beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren. +En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het +oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke +instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en +het overige te doen vervallen. + +Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al +vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire, +die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij +zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch. + +Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de +meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem +was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan, +--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een +open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en +aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste, +oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel +overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het +wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het +ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts +verdiepen in zich zelven. + +Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen. +Aan een goeden kennis in Genve, die zijn vrouw verloren had, schreef +hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren +zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een +overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in +zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te +verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan +dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantiele hulp +afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer +honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart +verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid +steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken. + +En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte +handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem +van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der +groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in +aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling? +De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig +of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de +Romeinen der dcadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen +zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn +betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere? + +Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte, +zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten +eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die +Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem +over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht- +gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast +elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en +intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het +hof kwam, en diens matresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem +altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke +boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en +beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der +letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om +alles glad te strijken. + +In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Hlose," +begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een +vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij +schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den +naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van +een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen, +het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette +zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak, +geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie +van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde. +Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter; +uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte +hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie +maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd +aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en +zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn +steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans +onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken +omgang tusschen hen. + +Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en +hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde +kennen. + +Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen, +waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op +het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar +keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen +soupeeren, als hij lust gevoelde. + +Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in +den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de +maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn +bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer +aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht +en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met +allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in +bed lag, de "Nouvelle Hlose" voor die zij verrukkelijk vond. + +De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde +kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een +vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder +eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en +eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van +hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe +vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd +hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem +was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar +reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van +'t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd, +berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende +geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij +om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij +had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau +leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar +konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in +haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van +zijn kant. + +In n opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn +nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee +om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij +lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet +voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken, +hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon +verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de +kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde +hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Thrse bewezen. +Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem +niet met geschenken lastig te vallen. + +In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de +groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst +pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een +eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in +het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig +van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke +omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou +houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje +netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen +verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet +weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand, +toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd, +trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal +niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een +dergelijk experiment goed afliep. + +Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn +huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen +van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Thrse een +paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen +zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun +herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo +waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem. + + * * * * * + +De "Nouvelle Hlose" werd lang voor de verschijning reeds veel +besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele +zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot +afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn +liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen +hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er +een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en +de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die +afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren +kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar +uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes +was verbijsterend, misschien ongevenaard in de geschiedenis der +letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij +naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen +lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur: +de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen. +Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de +letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte +onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was +een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want +in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige, +verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van +het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der +persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Hlose" beduidde de bevrijding +der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw, +van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend +auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke +in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de +"Nouvelle Hlose" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden. + +Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven +geen geluk; hun gexalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het +zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij +bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of +geen heilige. + +Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van +veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij +had 't even lief als de "Nouvelle Hlose," maar met een andere liefde, +niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste +werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige +geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. +En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, +in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens +en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: +het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke +lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des +harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging +had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare; +diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten +het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn, +zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had +verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde +zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het +verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek +in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn +geheim.... + +Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan +Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Thrse en +hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar +medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop +althans n der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was +geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij +een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste +toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem +vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare +hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit +te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile." + +Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de +eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de +Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet +plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te +vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij +gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij +zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre +d'Alembert" en de "Nouvelle Hlose" hadden hem een bescheiden sommetje +opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte +hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs: +daarvoor wou hij voor Thrse en zich een lijfrente koopen. Rey, die +schatten verdiende aan de "Nouvelle Hlose," verzocht hem om +toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Thrse vast te +zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn. +Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd +dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor +een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een +warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van +verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid +knellend en rukte zich los. + +Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot +het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geischt +en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam +gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen +onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut +vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij +woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee, +ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde +er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor +zijn ideen vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den +martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam +verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem +onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was +typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen: +behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch +fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die +gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, +had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste +onaangenaamheden op den hals. + +Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan +hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed +waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip, +waartegen zij te pletter moest slaan. + +Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de +Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had; +dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland +gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar +inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel +merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de +copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij +begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur +niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat +het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen; +hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem +gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg +hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen +antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek +dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde +zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezueten de hand hadden +gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij +dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten +hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn +vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste +discipelen in Genve zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen +zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte +zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem +gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld +proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij +zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de +Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven +met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn +van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag." + +Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de +Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur +toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en +de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk +ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen; +een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk +door het feit dat de "Nouvelle Hlose," waarin evenals in den "Emile" +de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet +verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat +Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen. + +Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te +duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te +waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een +toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde +zoo sterk, in "Emile" vr den godsdienst, tegen de materialistische +philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk +immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als +het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn +toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in +Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun +gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot +verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te +gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't +plan uitgesteld. + +De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire +vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de +verschijning der "Nouvelle Hlose;" d'Alembert schreef hem om hem geluk +tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der +weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem +heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering +te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme +de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou +hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in +de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het +parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles +wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar +vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou +vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar +hem dreigde. + +In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin +hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden +morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te +bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen +een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen +linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de +dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag +in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die +juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van +hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich +voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij +naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de +Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een +edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees, +gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen +te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden +vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland. + +De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren, +tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van +het kasteel omhelsden hem, Thrse snikte en gilde haar onbeheerschte +smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het +achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee +mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel +van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging, +waarmee de hertog naar die sleutel greep. + +Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te +zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven. + + * * * * * + +Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een +geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij +een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij +groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen, +die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's +morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat +hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt +hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een +plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd, +verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder +een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in +zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij +soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den +avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot +een idylle in den trant van Gessner. + +Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat, +nu het op het punt stond de Jezueten uit te wijzen, de reaktionaire +partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst +schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de +wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was +vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen, +die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als +jansnist, protestant, athest of vrijdenker, was een rebel. Er is geen +rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien. + +Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de +hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn +overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan +hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en +zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem +laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig +waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan +hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge +betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun +houding te zeggen? + +Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van +Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een +verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit +de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan, +maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_. + +Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche +menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem +ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid +hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem +weggestooten, zooals men het gn vriend mag doen. Hij was toch maar een +stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen +gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo +bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende +hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had ng eens vertrouwd, +zich ng eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij +kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en +gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn +schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze +bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los, +inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem +wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem +zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe +rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op. + +Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met vr alles +onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk, +van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn +meerderen waren. + +Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten. +Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil. + + +III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN. + +De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht, +jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht, +grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens +voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie +geweest. Daarvr kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten; +vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de +Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot n stroom van schoonheid en +kracht. Daarn verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing +en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van +zijn bewustzijn kaatste het beeld eener l wanstaltiger wereld, te +midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de +voorstelling troonde van het eigen ik. + +In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de +wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het +beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt +zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle +Hlose," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften, +met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze +werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen +gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. +Wat de werken n Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee +rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre Monseigneur de +Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne." +Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote +jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen, +versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en +levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der +tweede rubriek, de "Confessions" en de "Rveries" zijn, zuiver als +woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, +de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken, +waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate +waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te +roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van +Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de +"Confessions" en de "Rveries" boven de "Nouvelle Hlose" en den +"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en +uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin +de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en +sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de pozie reiken kan. + +In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener +levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de +natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling +(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse- +verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Hlose" en de "Lettre +d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk, +gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van +godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal. +Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het +menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van n geest, zij +worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en +denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van n groot levenswerk. + +Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht +niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van +den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zr groote +onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te +leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht +te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak +niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom +bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De +geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde +tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd +somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De +sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem, +maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn +conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle +Hlose") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn +conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog +is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene +theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt +tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch +tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en +jong-meisje tot elkaar behandelen.[34] + +De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo, +dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot +dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht +bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten +is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der +fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wl +kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, +de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het +lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende +verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--dr lag zijn +vaderland, dr voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied, +met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame +worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich +eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het, +om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en +dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend, +zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en +aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde, +maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de +zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief +is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner +haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met +hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen. + +Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave +missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in n groote +verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk +onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een +vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe +vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van +zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en +betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm +van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Hlose" toepaste, +was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen +romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten +een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson +was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige +afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van +Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot +het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie. +Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen +opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel +voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door +de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken +en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen +gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische la Prevost, of +prikkelend-zinnelijke la Crebillon, werd in de handen der groote +burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot +bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun +romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den +inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke +inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze +de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der +feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35] + +In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar- +overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle +opzichten het meest origineele zijner werken. + +In de "Lettre d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle +Hlose" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische +beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de +idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven +der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een +adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de gedealiseerde +herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene +verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid. + +Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde +groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen +vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft +Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding +vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug, +bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen +hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam +brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen. +Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere +ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe +eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid +laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen; +een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend +in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging +over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de +dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen +sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich +tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun +eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote +revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie! + +Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat +beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De +beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere +smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn +innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen +zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn +voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche +gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel +doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver +maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De +geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid, +gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van +Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de +oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een +hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een +vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden +geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie +en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der +eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had +verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had +verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle +zoete en sterke bewegingen van het gemoed. + +Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met +Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze, +in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende +moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu +isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de +samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der +vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den +burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn +hoogmoedig hart. + +Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo +liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij +Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn +ouderdom, de "Confessions" en de "Rveries." Naast de eenvoudige rijke +levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de +betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne +doorzichtigheid der "Rveries" staan de werken der groote jaren als +minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen. + +Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds wee +sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat +tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat +der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze +parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Rveries," ontbreekt. + +Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen +en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken, +vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk +leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel, +de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten? +En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze +doordringt, de edele verheffing? Vanwaar? + +Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij. +Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van +zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters, +had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der +klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel +der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel. + +De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere +volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en +juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der +kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in +den weg stonden. + +Onherosch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de +ontwikkeling van herosche krachten noodig, waren noodig zelfopoffering +en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd +tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de +dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit +wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel +een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden +hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te +voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische +tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te +houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud +der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld +door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid +gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe +moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen, +voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot +deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der +klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stocijnsche gezindheid, het +patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het herosme, +die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich +vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid +hun ontzegde te zijn.[36] + +Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven +den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de +vorm, heroscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in +de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar +somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het +theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet +anders is dan de keerzij der geforceerd-herosche spanning van het +gevoel. + +Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van +Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij +Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de +burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie +tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij +vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in wee +laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der +revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher +harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren +innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen +bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij +geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in +den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht +en heerschzucht en nijd. + +Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar +voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn +sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming +der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen +tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood +aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch +voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in +aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn +tijdgenooten, hoe niet de schitterende, athestische, genotzuchtige, +door de korruptie van het ancien rgime aangestoken grootbourgeoisie +den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige, +onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie, +kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der +levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, m het te +volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken +moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme, +bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze +gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en +te versterken. + +Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig +instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe +maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun +wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met +alle porin van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig +kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. +Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en +de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de +valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze +gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan +het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar +waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld +brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet. + +Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in +zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau rvolutionaire," dat +Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te +veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft +opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet! +Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intutie voorvoelde +welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou +behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun +taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van +hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn +werken tot het evangelie van den revolutie-tijd. + +En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de +schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal +waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die +geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het +gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had +Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan +een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit +Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hn ideologie hadden +geput. + + * * * * * + +Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau +in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het +menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het +universum), en de verhoudingen der menschen onderling. + +Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk +God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de +menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor +dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met +de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in +Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later +verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd +tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde. + +Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote +bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk +gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook, +maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk, +dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks +staat tegenover God. Hun materialisme en zijn thesme kwamen hierin +overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn, +maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme +der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een +deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der +toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende +beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er +sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt +stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij +te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het +zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische +philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale +neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen +van den mensch. + +In het thesme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god, +boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de +verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn +eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij, +die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken +arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen +tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen +tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De +warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel, +den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als +zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander +gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der +menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch +spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de +eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de +concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk +middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten +God. Het thesme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een +groote rol speelde, en door Rousseau gepotiseerd en gepopulariseerd +werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en +samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den +voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming. + +Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen +groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was +zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch +was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen +over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken +grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid +was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren +f op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, f in zwaardere +afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en +absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de +grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de +kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen. + +In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de +burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen +(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen +godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een +of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar +bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de +abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke +verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel +der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist +uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en +onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk +fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal, +handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische +theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo +beriep het thesme zich op God, om steun te geven aan de sociale +gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid +van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk +handelen zag het thesme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de +eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de athesten uit zijn idealen +staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen +met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij +hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning +voor het onderdrukken daarvan. + +Het mechanisch materialisme en het thesme vertegenwoordigen dus twee +polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide +wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is +daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn thesme voor te stellen als +"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het +punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende +klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de +strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was +Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat +rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de +materialisten door de hunne "er bestaat geen god." + +Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van +Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan +een bijzonder karakter. De eerste was zijn gexalteerd individualisme, +in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die +hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek +moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven, +verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn +Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, +de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle +samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste +expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den +grens schijnt van het panthesme, maar er toch nooit toe overgaat god +te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke +kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het +menschenhart geschreven had. + +Maar het gexalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos +zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen. +In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm, +bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier +stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk +wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen +God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en +maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan +koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad; +zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet +de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden. +Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend! +Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet +onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk +af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over- +machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste +smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en +hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het +heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste +hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op +aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef +hij aan een kennis uit Genve, "ik geloof aan God, en God zou niet +rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen +ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den +booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt +de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. +Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven, +alles wordt hersteld na den dood." + +Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het +slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de +laatste boeken van de "Nouvelle Hlose" en in de belijdenis van den +"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het +geweten zijn de beide pijlers van dit geloof. + +De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het +eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij +vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van +gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of +slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den +mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het +lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche +stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede +begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god +gelijk maakt".... + +"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve +ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit +gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam +waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil +is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word +overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven +wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn +hartstochten." + +Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het potisch bijwerk en +de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en +geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid +en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als +middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit +aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der +maatschappelijke verplichtingen. + +Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische +spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant +heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk +Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in +innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons, +die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken +oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag +de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle +kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te +onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door +middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de +grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat, +zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven +is, en wat wij met betrekking er toe zijn." + +Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle +tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het +werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen? + +Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en +bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit +tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun +persoonlijken aanleg. + +Hun beider thesme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij +de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling +der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen, +en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging, +vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de +mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het +dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht, +dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de +verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij +een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van +eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen +wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang +bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de +levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar +der _arbeidende_ kleine burgerij. + +Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, potische +natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten, +maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren +troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde +er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41] +der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het +kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde +waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en +een potischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en +_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en +de Jacobijnen aan een "Etre suprme," een opperste-abstraktie, samenvattend +al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter +welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reele en materiele +klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, potisch-opgesmukte +desme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred +de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks +af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard." + +Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar +geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van +den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot +godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie +tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de +volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en +den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft +gekozen." + +De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij +meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan +de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn +tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de +autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen +versterken. + + * * * * * + +In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours," +de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over +politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen") +heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen +op den menschelijken staat behandeld. + +Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze +geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke +hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme. +Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk +van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social." +Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den +strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming +en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen +schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het +maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het +"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken. +In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den +eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het +maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen +ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle +ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij +daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving +en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen +staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die +hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn +vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen +verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe +levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit +hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen, +dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen +maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt +wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede +"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel +als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen +te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover +de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n. +"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de +oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te +demonstreeren van het absolutisme. + +Van tweerlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire +denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat +te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste +vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en +vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de +voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke, +boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch +onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van +een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken +over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de +onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste +uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde +in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met +aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de +burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu +schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van +Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. +In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste +aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische, +terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat +tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt. +Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair, +gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den +inhoud van het bewustzijn dat s. + +Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie +verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening +houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene +revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden, +voorzichtigen kleinburger. + +De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij +geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het +recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De +noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar +met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk +kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke +macht, noch de inwilliging van allen, om aan n te gehoorzamen. Geen +enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder +de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij +zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot +oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne +leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in +ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht +van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne +krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele +en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal +gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als +_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet +onderworpen. + +Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat +zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden? +Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil +hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger +heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene; +maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke +persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt +met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil +hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de +wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om +vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich +onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet +tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn +eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar, +de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen +welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds +het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer. + +De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren +en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de +regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn +dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk. +Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd +vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding +van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk +lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt. + +De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of +demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de +handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal +zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie +alle raderen in n hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil +des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar +vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van +een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen +welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig +vorst. + +Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de +beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een +aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige +zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden, +het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen +is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is +dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest +verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust. +Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de +aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste +waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz. +van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in +den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties +verkiezen. + +Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest +verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den +staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling +der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering +'t meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de +middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken +van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een +slechte haar vermindering.[42] + +Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van +den souverein, dat is van den volkswil. + +Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering +die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot +onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend +vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde +tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit +te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk +kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een +stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein +behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of +het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er +thans mee zijn belast. + +Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het +verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan +noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept +zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een +talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te +geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan. + +Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische +redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der +demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den +soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen +souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als +zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau +revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts +voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn. +Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas +door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor +deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders +van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en +denkbeelden schepten. + +De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der +burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het +overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen +die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem +bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige +abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine +boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der +teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden +patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om +den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de +instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een +tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was +de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen +bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den +landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was; +industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen +gering. + +Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking +tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het +"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten +over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld +welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het +eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de +afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten +voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner +geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer +sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de +politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat +geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de +plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende +ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre d'Alembert" +verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij +de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel +ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een +groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk +de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in +praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het +"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden +behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk +met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet +de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie, +uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere +bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het +proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting. +Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren +tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de +industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering +door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de +kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der +overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze, +zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van +hinderlijken dwang. + +Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur +voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid +der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit +alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der +oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer +10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die +hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten +kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den +handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die +op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn +verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts +onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne +persoonlijke. + +Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het +volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den +hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee +van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de +werkelijkheid der republiek Genve, in dat hoofd tot een idealen staat +herschapen. Immers in Genve bestond nog, hoe ook tot machteloosheid +ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: +de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle +burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig. + +Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot +verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid +van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren. +Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter +uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich +somtijds op n enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte +zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te +schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze +uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden, +echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het +verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en +wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte +de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch +inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de +gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn +geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom +als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over +de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het +heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog +belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der +ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen +het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere +plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn +voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het +verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau +meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen +was voorafgegaan. + +Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het +kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op +uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate +onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in +het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken +van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk, +op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der +vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de +gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en +de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat +geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit +armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom, +die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het +patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit. + + * * * * * + +De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en +affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de +rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak +van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot +zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms +wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid, +zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen +_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de +eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk, +wispelturig, nooit verzadigd; door de comdie de moeurs verpersoonlijkt +in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus +tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken, +zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de +omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik, +ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet +zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets +levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles +is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, wee kost der voorbije +tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze +goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om +teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten, +vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo +hoort het."[45] + +Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den +minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk +als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche +gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste +levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met +den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking +niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de +provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot +een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich +aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt. + +Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie, +hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge +driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal +bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde +is l scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin +'t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar. +In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen +verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot. + +De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste +instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten +met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar +begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want +dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar +nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen. +"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot +van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen." + +Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel +doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam. +Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere +elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar +val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een +theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het +enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met +de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma: +"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke." + +Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo +leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Hlose." Het +boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere +sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden. +Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd, +lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in +zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit +n stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de +schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet +omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle +levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! +De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de +staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de +paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit +gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan +hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't +hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene +en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet +meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de +Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen, +verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit +elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen +verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend +haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van +wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de +menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden +van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke +ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van +kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de +geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij +kunnen niet weerstaan. + +Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling vr het zoete genot van +elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte +moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de +onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al +berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij +ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende +blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de +liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt +de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de +deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de +menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt +hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander +wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen +persoonlijkheid. + +Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige +vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie +gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der +gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen +van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven. + +"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar +het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden +is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op n +voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te +maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor +het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet +langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij +en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de +zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een +verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij +verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis, +zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam +maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen +haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten +alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen." + +Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde +met de schaamtelooze wellust van Marivaux! + +Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid gergerd, waarmee +Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze +kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux +beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere +teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend +gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het +temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en +schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig, +door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt. + +In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt +van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte +der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid +prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de +tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te +verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of +liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te +los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding +aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en +valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne +waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar +grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke +neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het +teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en +eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die +natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed +met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding. + +De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt +het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met +elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar +geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste +in onze persoonlijkheid. + +Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alln is heilig. Zoo de +natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het. + +De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te +verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling, +waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het +recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander +recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur, +zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die +Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Hlose" in beeld heeft +gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken, +de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos +volgen zijner impulsies en aandriften, n den wil die te overwinnen, te +leven volgens hooge zedelijke beginselen. + +Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen, +koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede +gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden +acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar +voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht +gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar +hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan +haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als +vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser +en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de +heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een +nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een +uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar +nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben, +dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste +plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat +volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen +der rede die uw gave in mij is." + +Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij +zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de +betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende +verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling +te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is +tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid, +bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter +en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere +affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en +rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te +zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen, +zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te +voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen +haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed +nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk. + +In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de +voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin +(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve +voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij +heeft niet slechts een ideele roeping als echtgenoote en moeder; zij +staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en +van een talrijk personeel. + +Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is +het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende, +allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des +levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om +zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt +geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij +'t wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur +hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef +stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt +Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt +gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en +liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar +laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn. + +Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Hlose" het recht der +persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk; +hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als +jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde, +ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan. +Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een +zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes +bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een +passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het +tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of +een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als +een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige +erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het +denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche +steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan +vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe +opvatting van elkaar alle vrijheid te laten! + +"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een +schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als +de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo +de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was +zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar +aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te +weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar +wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In +waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te +huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid, +vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief, +des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan +zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van +trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik +zachte en sociale zeden."[48] + +Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere +klassen geen sprake. De man had f een betrekking aan het hof, dan +verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie; +f hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te +velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar +minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield +'t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en +lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte +platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die +wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling: +daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener +clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht +voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de +provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op +het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie +voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener +boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun +mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging +Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in. + +Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn +huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte +werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De +jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten +eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich +zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, +in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in +eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld +door eerzuchtige of halfgeruneerde ouders, en zoo zij niet in alle +vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan +voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid. +Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en +moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging +beginnen, om niet te eindigen dan met den dood. + +Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven +overgoot Rousseau met den toover der pozie. Hij maakte het ingetogen, +huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk, +en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat. +Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te +stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de +vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische +kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo +ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van +kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in +de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In gn andere +verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en +geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen, +zoovelen tot zegen zijn. + +Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor +Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk +te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de +school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de +rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht +om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit +compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man +dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij +hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden +rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd? +Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken? +En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan +dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke +veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet +het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven +voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen +voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze? + +Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde +en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen. +Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet +eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk +gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en +bezonnenheid. Neen, maar liefde n plicht in een eenheid vereenigd, de +gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs +verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene +genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit +alleen erkennen wij als het ideaal. + +Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der +"Nouvelle Hlose." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast +vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons +zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau. + +In de "Nouvelle Hlose" zien wij de vrouw optreden als de genoote van +den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige +opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen +wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden. + +Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de +bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale +bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich +die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen +arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld +ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en +het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin +door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het +ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half +patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap: +in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar +lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst +van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken. + +In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich +aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in +zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan +het geestelijk leven van hun tijd. + +Zij liepen college, schilderden, schreven romans, mmoires en tragedies, +deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle +waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing, +vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit +soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat +"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en +mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen +een soort van monster. + +De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om +de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze +gemancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet +veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar +slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover +dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar n ding moest +haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te +verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw +is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te +dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit +onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te +verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok. + +Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als +slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, +maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol +is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn +liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer +van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de +heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van +waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te +onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij. + +Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de +salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De +natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest +daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar +geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te +leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der +oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der +woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het +openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch +leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren, +en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten +door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen +verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het +elkander lichtzinnig napen, zooals de ijdele kwasten en de malle +salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het +mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in +geometrie en ontleedkunde te liefhebberen. + +Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming +van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande +ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij +niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten +moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke +mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit +weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin +de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken +en liefhebben zal. + +Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en +onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn +kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag +mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide +eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij. +Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om +haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en +in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En +hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden +zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het +karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw +van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in +den dienst der gemeenschap. + + * * * * * + +Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk +vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede +patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden +over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner +voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fnlon, van Rollin en Fleuri; +maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het +menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires, +dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk +verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal +meer potisch en meer philosophisch en algemeener, minder +nationaal-beperkt. + +Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone +opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in. +Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt +om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven +der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle +doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche +manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst +verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen. +Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en +vrouwen, geen menschen. + +Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming, +moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden. +Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier- +hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en +volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt, +des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de +hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders +nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden +toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes. +Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de +jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare +waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het +morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen, +want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet. + +Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke +opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij +zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met +zijn diepe, vrdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in +dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen. +Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen +wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie +vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des +kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een +moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die +het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg; +die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn +bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn +spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids- +vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't +niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door +de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen +vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind +niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door +lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou, +honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot +zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een +jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk +niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd +wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen +abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid +van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse +zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen +spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later +veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze +ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de +werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij +te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond." + +Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen +vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn +denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties. +Z alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de +oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit +noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving +bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de +menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar +het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van +het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch +hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening +van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en +zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid +van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot +een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden. + +Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch +opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder +mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de +genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door +een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der +oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel +in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers +voort, maar slechts bourgeois. + +Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en +het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt +niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig +als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem +waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste +trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn +individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder +den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der +opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en +plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken +van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen +van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel +zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de +individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar +waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v. +Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan f +"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke +parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) f buiten- +maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de +levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in +het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed +hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn +revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse- +opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed +tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving, +die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen +kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal +waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen +verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen. +In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de +overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond +zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden. + +Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel +voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen. +Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken +doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid, +zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de +eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men +geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk, +neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw +middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht +dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te +leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en +rechtvaardig leven hebben geleid." + +Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling +gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem +voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van +kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen. +En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel z sterk +is, dat hij den meester dwingen kan hem voor n arbeidsdag een loon uit +te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld +zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder +grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef. + +Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding, +wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen +gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend +geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de +grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen. +Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als +knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende. + +Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de +zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk +brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij +niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar +en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer +weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke +nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij +uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er +was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in +zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch. + +Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve +betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke +noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche +wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve +heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen +lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen, +wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De +levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging, +het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur +verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze +krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet +kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is +verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht, +zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en +te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis +voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de +eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft +waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat +z in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich z los van alle +wereldsche banden, z onverschillig voor stand, fortuin, eer en +aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de +wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De +mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom +moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er +geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij +verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en +verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile," +in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke +gemeenschap toch weer op. + +Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het +leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels +die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht, +winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen, +tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen. + +Hoe wordt nu dit doel bereikt? + +Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de +veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind. +Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen +leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende +behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar +behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het +dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige +leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is +het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder +teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol +vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van +elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het +eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen +te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen +straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen +daden van het kind, en die het als zoodanig voelt. + +Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de +utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan +dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk +eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat +het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert +Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen +ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het +tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der +natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis +der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om +mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde: +dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden. +Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch +mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal- +mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de +modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook +een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken. + +Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw +beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft +het kind in zijn nave zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de +opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen +altrustische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken +beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in +den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de +zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altrustische en +sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die +op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van +liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren +te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen +van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle +schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt +Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel +onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de +zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de +wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in +de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig +Schepper, dien hij zegent en aanbidt. + +De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt +zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide +kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een +uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze +vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der +werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van +zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de +ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale +leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk +van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling +van het individu, de egoste en egocentrische aandriften de primaire, +aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich +eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens. + +Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten +dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in +en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd +heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind +gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der +sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit +zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog +op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn +redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der +sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift +voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering +voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen +gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, +de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk +bewustzijn in hooge mate benvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende +jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op +de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel +mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel +komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst +der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot +voorwerp heeft. + +Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor +de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme. +Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van +zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat +bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. +En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend +willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en +diens redelijk egosme. + +De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l. +Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle +denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder +ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar +hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het +groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te +vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe +de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel. + + * * * * * + +Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind +gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de +zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele +verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het +gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was +een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een +weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger +dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd, +ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven +--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek +als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot +zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen, +zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht +van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en +teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven, +zich n van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze +gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als +hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen +heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd +meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor +zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en +woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en +tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend +innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het +verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin +keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare +bewoners terug. + +In de "Nouvelle Hlose," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten +gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van +zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde +bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het +affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld. +Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte +gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van +vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen +geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scne waarin +Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift +barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om +vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie +aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond +van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: +tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de +onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht +hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke +teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost; +--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die +vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige +andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet +van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle +Hlose" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke +affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; +hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen +flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die +omschaduwde sfeer. + +De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het +eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht +is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het +tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In +dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen; +de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met +zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het +mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn +eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal, +regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een +verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid, +soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en +hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen +plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd +niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden, +de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid +te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten, +over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het, +die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar +en principieel formuleerde. + +In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken, +niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de +aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren +glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar +hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd +uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen. +Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt +zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart +volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die +te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en +zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane +gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle +Hlose." + +Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Hlose" ook verhoudingen uit het +gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende +menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het +vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale +verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel +van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet +aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de +grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen +zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen +tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets +van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor +eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding +tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen +hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen +en weer. + +Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde +Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke +waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel. +Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den +burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting +deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en +de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij +afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebesche afkomst +gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij +verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideen over de +nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen +lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de +revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon +der burgerlijke vrijheid. + +De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker +van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om +klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat +in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. +Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van +tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in +dit ne: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke +kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder +zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot +het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat +dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is +niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet +geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos +zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht, +daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was +nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In +zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin +de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en +luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het +tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner +meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen, +was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit +den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk, +omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen +andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk +bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste +poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe +vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens +langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen +toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning +zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid +waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling, +omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou +raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en +proletariaat. + +Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner +kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute +vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk +hij de tyrannen haatte. + + * * * * * + +Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw +wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen +oproepen voor onzen geest. + +De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen; +een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een +kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont +de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert +zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch +zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de +ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop +van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst- +mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen, +de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld +die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke +is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede. + +In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering. +De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door +alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden +rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie, +geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De +burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen +tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid +in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen +zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en +proletarirs, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen +nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der +menschheid en het bestieren van het gemeenebest. + +De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of +overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk +leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer +menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen +arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den +schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren +zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen +zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege +ceremonin; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en +dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft +gegrift. + +Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere +plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen +jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en +zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven +die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis +glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den +rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw. +Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in +wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd. + +Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen +arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood, +door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt +van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden, +als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot +geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot +feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers +in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen +bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije +mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid +hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en +vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk +feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is +der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te +herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel +van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen. + +Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven. + +Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het +kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu +leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller +menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische +samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij- +krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij +zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in +verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn +hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die +stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer +die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze +harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid +waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons +vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons +nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede +en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde, +het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een +glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land +zijner verloren kindsheid. + +Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme, +maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke +ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing +van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan +die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid +die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den +stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven +bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en +de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche +bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de +encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend +kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke +verachtten en verwierpen. + +Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven. +Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat +voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het +huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn +organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister, +vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den +mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en +breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in +vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort +roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van +terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote +droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven +der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte, +die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de +groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich n +te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het +aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn +lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem +van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de +weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem +zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een +vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke +ondoorgrondelijkheid. + + +[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie +Jenvernay 1801).] + + +NOTEN: + +[30] Haar meest bekende werk zijn de "Mmoires de Madame d'Epinay," die +langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van +Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald +(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat +deze z.g. mmoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een +lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot, +dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven +van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de +Rousseau," blz. 188-189). + +[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de +liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den +"Tristan" maakte. + +[32] Mme d'Epinay beschuldigt Thrse van 't schrijven van een anonymen +brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk +is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna +voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de +gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert +behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St. +Lambert _moesten_ bereiken. + +[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen: +hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had +gebracht. + +[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire +Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst; +en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is. + +[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan +zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den +"franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare. +Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot, +zzeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van +diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote +overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en +der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale +faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de +traditie. + +[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte. + +[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de +vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel. + +[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis +en de eeuw der omwentelingen." + +[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der +Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire +uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme." + +[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool, +die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de +_passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke +en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in +het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen. +Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht +in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk +dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot +revolutionair handelen als het mechanisch materialisme. + +[41] Gorter. + +[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de +plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging. + +[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een +poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen. + +[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel +ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die +terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de +grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn +mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo +ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem +zelf aan niemand behoort" + +[45] "La Runion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de +Goncourt, "La femme au 18ime sicle." + +[46] "La femme au 18ime Sicle," blz. 173. + +[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide. + +[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ime +Sicle," blz. 239. + +[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers +te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het +regeerstelsel van Polen. + +[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de +inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen. + +[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de +groot-kapitalistische maatschappij. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK + +DE LAATSTE WORSTELING. + + +Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede +aankomst te melden; ook aan Conti en Thrse schreef hij. Hij liet haar +geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge +doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want +hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken +nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder +verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit +land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee +niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn +afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo +zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat +ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge +liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en +ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te +bezorgen." + +Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van +Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Thrse af +wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in +Montmorency achter te blijven. + +Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de +regeering van Genve den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar +had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich +binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen +volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich +bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den +"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten +tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de +kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen +voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat +hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam +liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De +aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een +herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus +vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er +uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde +den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek +had gedaan. Het "Contrat Social" werd alln in Genve verboden: de +akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo +spoedig doorzag. + +Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou +veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit +genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme +Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver +van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom +Neuchtel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en +geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar +aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit +Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Thrse zich bij +hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen. + +Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den +Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten +van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur +gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de +steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging +van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel +kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal, +ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen. +Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in +Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom +liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de +gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware, +massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder n dak--met +weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een +onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan +ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid. + +Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk +zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen +huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat +opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt, +de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer, +voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen +avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te +moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit +onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den +lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend +vergeefs naar een groet der zon. + +Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral +leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar +toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle +oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap +boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat +en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag +naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de +bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in +de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij +dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen +zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn +handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn +kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook +zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten +schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en +ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die +tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen +waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij +doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers +vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; +het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden +zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen, +de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van +uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend +uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in +de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal +stroomde: de forellenrijke Reuss. + +Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest; +heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren, +geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename +gewaarwording alln hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke +natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te +vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en +dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn +aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort +leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf +jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat +gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had +ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken +gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling +die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het +heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon +was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel +de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn +eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen +en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en +wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een +te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en +allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en +te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste +zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts +door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er +was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar +hij had mr noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn +eenzaamheid mee te vullen. + +Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van +planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen +tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij +als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap +stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde, +vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken +zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een +zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, +heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende +zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de +schuld der menschen n door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot +hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en +buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen +lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de +eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in +hem nog warme belangstelling wekte. + +Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen +heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in +zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der +nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men +interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of +vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig +voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die +in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar +om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij +eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was +hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede +overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie +was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, +die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd +verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de +plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te +populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat +natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen +door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk +hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde +de leeken aan tot het aanleggen van herbarin, van gekleurde teekeningen +voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde. + +Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen +der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de pozie der bergen, was ook +een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door +waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen, +die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van +specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker +geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing. + + * * * * * + +Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof +te vragen in het vorstendom Neuchtel te wonen; ook wendde hij zich tot +den gouverneur van Neuchtel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland +doorgaans bij zijn titel Milord Marchal genoemd, en riep diens +bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel +mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden. +Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen +zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel +begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling +was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te +leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie +eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver +te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet +rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij +vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en +in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copieren of +planten-verzamelen was. + +Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in +zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchtel, te komen +bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman +en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot +elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef +Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar +onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid, +menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen +als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet +van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van +Neuchtel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door +de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor +heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij +hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme, +teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest +harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld; +zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel. +Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen; +tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord +Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Thrse aanbood, zei +hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn +genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door +waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij +zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de +brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen +vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau +meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer +schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden +zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost +nu ook ontnemen?" + +Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van +Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en herosche +eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn +zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers, +met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend +correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van +Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean +Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij +is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer +dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men +van hem houdt en achting vr hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den +vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar +de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers +bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij +plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine +republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij +tween en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd +philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen +vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar +draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean +Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven +met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst +met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St. +Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar +half meer aan en Milord Marchal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van +luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in +Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van +onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord +Marchal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchtel 't +jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar +Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem +nooit teruggezien. + +In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't +algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel, +van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde. +Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes +en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als +zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een +schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens +wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had +veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos +lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou +bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep +Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien. + +Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij +nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't +geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de +ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend +in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen +mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging +gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de +vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke +boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur +zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was +zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan +hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische +dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't +oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de +algemeen-geerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met +den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld +de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten +te worden, en had domin dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch +onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren +steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen +strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder +de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten +verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats +rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige +fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken. + +Met de toelating tot het avondmaal zat het z. Het verzoek van Rousseau +bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg +weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen +der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan, +welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot +lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis +van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het +protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig +geval voor domin Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem +had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen +in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven, +niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten, +want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor +nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te +hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den +predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het +toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Marchal had +uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan +zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting; +als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom +beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte, +dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de +"Lettre monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne." +(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen +tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had +gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het +begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een +en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der +"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich +zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen" +de protestantsche wereld in rep en roer bracht. + +Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem +aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar +de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen +tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag +natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding +gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind nit vroegtijdig den +plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het +leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de +aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van +onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om +door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten +getroffen te worden. + +Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol +innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig- +verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken +van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek +tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk, +schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te +vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen +werd te erkennen "ik herken den burger van Genve niet meer," maar het +werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door +hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het +geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij +Voltaire volkomen ontbrak. + +Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont" +weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn +gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen +der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In +dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op +bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te +zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij +in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan +Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen +godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding +van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke +godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de +essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid +der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den +godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den +mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering, +komen geheel overeen met de ideen van andere revolutionair-burgerlijke +denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken +hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie, +boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de +voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle +verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van +den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige +denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag +der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het +bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder +volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren. +Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn +droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst. + +Op zijn veroordeeling door den Raad van Genve had Rousseau langen tijd +gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering +zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang +wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit. +Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de +overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een +jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund +zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn, +zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht +en wijsheid, in n woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog +meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat +hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door +de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk +naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den +Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Genve, van zijn +burgerschap der stad voor altijd afstand te doen. + +De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats +gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop +was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het +requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de +veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter +verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven +te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich +te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patricirs-kaste +die in de "vrije republiek" Genve regeerde, bleek even beducht voor de +vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse +van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek +zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te +hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd. + +De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer +gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen +uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte +grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de +machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de +strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot +een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke +machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de +lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te +richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering +behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad +zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor +kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit ngatif," +dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie +vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter +zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst +met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en +naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der +regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt +voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder +vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der +burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van +vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau +zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn +naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen +schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden. +Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede +middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in +de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer benvloed waren +door de nieuwe ideen van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale +protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het +behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en +grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de +aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten. + +Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten +onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij +zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Genve komen en den +loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als +martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de +spits der burgers stellen zou. + +Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om +zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen +van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens +zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid, +maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten +koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk +samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde +tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken. +Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed +gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem +tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd. + +Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen +waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de +procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in +den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne" +(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar +uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de +protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Genve opleverden; en +trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de +Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het +geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar n +man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de +kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren. +Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij +zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten +Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe +bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde +van het meer van Genve, in den zomer van 1764 de democratische leiders +om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig +voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds +in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand +onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen) +op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard +gebleven. + +De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau, +en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen +regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't +algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een +bepaalde regeering: de aristokratische van Genve. Twee van deze brieven +zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de +"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert +daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de +onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet +voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Genve +ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch +onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een +beschouwing over den toestand der republiek Genve en der brandende +politieke kwestie: het "droit ngatif." Deze beschouwing gaf Rousseau +gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze, +waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te +veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten +ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had. + +De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Genve in +lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware +protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van +door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte +beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel +dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke +vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk +verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude +geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne +rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner +erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije +interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, +om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen +twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen +vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van +het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de +uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest +natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de +kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk +leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke +ketterij. + +Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke +machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van +despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige +wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag. +Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef +hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur +ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen, +eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles +komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het +volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen +handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel +hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden +tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, +vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen +'t hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en +zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede +laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen +voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van +den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het +gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin, +in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen +over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun +groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de +overheid geerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en +vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek, +het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is. +Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid, +de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die +zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede +laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en +tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te +strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen +zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de +beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate +heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen, +noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult +satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak +bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten +voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering +dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid +en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft +er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er +mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige +mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik +geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen." + +Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots, +de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en +onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had +hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van +het reele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op +bepaalde gemeenschappelijke daden.... + +Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij +hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van +zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten +Genve: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten- +bent keerden zich als n man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te +zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in +den Haag en in Genve in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste +aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou, +de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik +wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen" +lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed +zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult +uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten +zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abb de +Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden +in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische +zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen, +liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en +beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per +slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus, +die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"), +dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk +van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo +ging het in eenen door: de wereld was tegen hem. + +Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn +vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die +algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende +tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij +in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet +abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reel en +konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de +grooten hem een gevaarlijk dier. + +Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd +schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die +kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem +laaghartig, verraderlijk te bespringen. + +Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en +officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen +bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat +natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau +overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten +hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht +zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer +aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn: +Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te +zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een +grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van +den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph +van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch: +Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd +jegens zijn groote mededinger. + +Door de verschijning van de "Nouvelle Hlose" en den "Emile" was +Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke +kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de +onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk- +revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar +macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van +absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van +hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden. +Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen +zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke +aangelegenheden. + +Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets +anders en mr dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en +eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had +raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle +sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van +den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende +zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en +bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van +velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland +bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze +eigen dagen Tolsto internationaal ingenomen heeft. + +Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau +omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver. +Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van +armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle +anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en +wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn +leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in +een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de +vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't +schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En +sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg +hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn +vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den +martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en +jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden, +maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar +Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige. + +Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als +hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen +en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was +een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der +briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor +zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder +gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds +met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de +onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere +wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in +persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog +ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en +overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een +jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed, +om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht +bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting +van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw +breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in +zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel +mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het +opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden: +hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de +opvoeding zich moest bewegen, niet meer. + +Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van +den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een +bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets +verschrikte hem zoo zeer als de gexalteerde geestdriftigheid die +onbekookt zijn ideen in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie +veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze +houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme +van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor +het onherroepelijke van de daad. + +Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de +zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij +tween en drien, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen +en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de +ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden, +bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een +enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling; +--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar +het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden +zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten +'s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in. + +Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau +Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op +hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken, +door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met +alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met +zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en +wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de +Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten +die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is +het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment +des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in +het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee +uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver +bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn +uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis- +reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige +meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van +een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een +medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke +gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt.... +Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in +beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest.... +Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in +Genve een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie +omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom +wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen +dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij +gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken, +kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te +behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend +schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den +doodstraf_." + +Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden; +Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener +meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige +vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en +platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau, +ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam, +geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile +verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaing en laffe ophitserij +kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee +hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te +brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer. + +Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of +zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van +Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig +zou zijn aan den dood van de moeder van Thrse (een verre uitlooper der +oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in +zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist +geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't +bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Thrse, waren +natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke +eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard +voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige +dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het +wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid, +zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster +samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van +vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van +het jaar '65 al erger; Thrse, die door de vrouwen aanvankelijk +vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en +nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den +vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen, +bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn +botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te +schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men +schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers +bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der +bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan +David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden. + +Natuurlijk was niet alln het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de +vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg +hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen" +kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. +De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van +Neuchtel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun +schrijver te vervolgen en gelastte den domin van Motiers, om Rousseau +voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten. +Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn +gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te benvloeden, +probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten +einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal +weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een +uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen. +Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in +het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden: +alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet +wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of +buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van +Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige +klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren, +als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen +het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap +hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop +hebben. + +Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren. +Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar +door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij +voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven +aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd +was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de +ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de +zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van +Neuchtel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der +predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom +verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de +jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven +uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen +de domin's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest +aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst, +om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten." + +Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het +despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige +demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde; +het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard gn recht te +zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat +die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn +onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere +onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in +konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing, +zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl +onvermijdelijk en niet zonder schuld. + +Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem +hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn +gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en +al wankelheid. + +Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Genve verontrustte en +benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan +met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar +vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Veneti de wijk te nemen, +"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in +Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij +dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars +hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen. +Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken; +"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms +gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk +leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van +mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, +en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die +knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op, +de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij +zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met +vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal +ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit +punt staat voor mij boven alle bedenking vast." + +Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel +van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet nen weg +klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten +slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te +blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich +dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen +kon hij niet. + +Montmollin, van uit Genve opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en +beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het +heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde +in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du +Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei +persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en +roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel, +dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de +gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke +toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op +'t kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis +'s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der +galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden +posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken. + +Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de domin's +hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede, +dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke +plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan. + +Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie +jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich +van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne, +dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er +eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige +vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe +van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders +meer. + +Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild +als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor +de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de +makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven +als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer +uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van +de haat des volks. + +Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in +alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alln onder de ongeloovigen, +nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid +boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor +een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad +verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die +van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als +wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en +die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad +die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als +voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de +vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de +teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan +hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten +aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit +hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde? +Hij voelde verder leven als doelloos. + +Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur +en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen +en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee +meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Rveries." Maar zijn +moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideen, +die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't +uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt, +hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in +droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede +gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten, +tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle +windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop, +zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang +op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende +melancholie. + + * * * * * + +Maar eerst nog die zachte straal vr de jaren van duisternis, van +waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het +liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het +water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken, +kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken +gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den +oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde +bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van +witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het +rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van +de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol +vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid, +streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen +en ziel. + +Er staat n huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan +den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen- +populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever. +De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau +er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden +overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige +vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvre +der wereld; zijn boeken en papieren, die Thrse had meegebracht, liet +hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch +en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de +bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al +opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich +urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt, +gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide +langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den +rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in +den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging +hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot +de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van +het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het +gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of +hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem +dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk +genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de +oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te +bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij, +God-gelijk, genoeg aan zich zelve. + +Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot +gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht. + +Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre +stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo +ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist. +Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat +vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar +wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets +gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in +die bloemige, ruischende eenzaamheid! + +Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het +grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een +edel, doodelijk-gewond hert. + +Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar +Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij +voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn +aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde +beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en +befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger" +plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de +Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou +gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord +Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij +besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al +herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou +vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk +door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef +er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het +stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl +bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's +morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen; +hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij. +Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de +reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde +reisgenoot, over Calais naar Londen. + + +NOOT: + +[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand +die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik +wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer +weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is +beter dat ik zwijg." + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK + +WAAN EN VREDE. + + +Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met +Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke +klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken +op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor +Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen +vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun +politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun +strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar +die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn +zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook +de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu +en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de +elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg +om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun +eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle +manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in +menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide +kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te +krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de +gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen. +Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande +lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht +zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de +publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen +andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd +Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in +Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben: +na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen. +Dit maakte dat hij zoo goed als geheel gesoleerd was, machteloos tot +eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de +omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest +hem een gevoel geven van groote verlatenheid. + +Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is +onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen +zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste +wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich +vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt +voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan +monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te +kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel +in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde. + +Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van +Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar +feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de +buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou +waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en +bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht +van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van +de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt, +dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar +genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren +ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het +phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den +prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume +van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in +zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd +de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen" +die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde: +toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige +gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig +antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt, +herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje." +De sceptische Schot vond zoo'n scne waarschijnlijk bijzonder pijnlijk. + +Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende +omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen +tegen Hume moesten opwekken. + +Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de +rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De +koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en +besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er +in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit +aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te +breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de +vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht +en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te +vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te +worden." + +Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke +grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was +voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent +de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa +vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den +opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van +spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en +het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd +zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen +met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld. +Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig +mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd +geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de +nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij +hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge +mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de +hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis: +dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan +de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op +zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich +voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn +rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden. + +Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als +zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere +vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay, +natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het +toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die n als geneesheer van Mme +d'Epinay en Voltaire n als broer van den procureur-generaal, den +schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht +moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij +zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat +Hume met zijn vijanden heulde. + +Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op +grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt +van Londen; daar voegde Thrse, die onder de hoede van den engelschen +letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem. +Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten +zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen; +na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr. +Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het +oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking +stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin +kwam er maar enkele weken in het jaar. + +In Maart betrokken Rousseau en Thrse hun nieuw verblijf. Het buiten +lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis +was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en +maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en +bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij +genoot van het engelsche landschap: n groot park, en van den aanleg +der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Ntre-stijl van tuin-aanleg +niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur +meer ongerept liet. + +Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag +alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver. + +Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde, +hadden Rousseau en Thrse met niemand verkeer als met den domin van +het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een +enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de +buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en +beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude, +wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin +van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen; +zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige +streek. + +Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden +daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het +voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren, +eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde: +waanzin omnachtte zijn gemoed. + +De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de +goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Thrse een onmogelijk +paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Thrse slecht met ze +overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend +geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van +vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken, +was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve +lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook +niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Thrse en de +dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar +eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de +toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is +begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar +n wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54] + +Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar +strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch +vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet, +wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau +was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de +onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze +bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in +een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer +geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke +inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende +behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden +aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den +tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn +verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn +evenwicht al meer te verstoren. + +En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en +een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn +eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke +handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband +met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een +onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die +zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers, +na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe +spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den +beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een +muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich +zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume +bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was +een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in +Engeland tegen hem op. + +Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te +worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der +Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en +wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem +ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau +wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij +niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands- +verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug +te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te +onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de +buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen. +Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere +explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn +eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich +voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat +hij er over kn zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had +hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of +langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan +Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Marchal, aan Guy, zijn +hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend +met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar +schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te +snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak +van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem +verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen, +aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een +jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had +laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber, +terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; +hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had +hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn +macht); hoe Hume op hem en Thrse "lange, doordringende blikken" placht +te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven +langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden +dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, +dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend +werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die +slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde +op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door +A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had +herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau +weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een +formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij +onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet +aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau +was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn +Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische +coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om +aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte +den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den +titel "Expos succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt +overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen: +van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren vr, de +meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak: +"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster +van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de +Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, +dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf +natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet +meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te +kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist +met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig +gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, +en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te +verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Mmoires, +gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar +wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde +hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in +zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar +aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het +halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen +had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn +wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk +zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers, +die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de +gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord: +"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig +dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een +bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer +genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne +beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen +anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de +vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij +evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar +troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen +vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend." + +In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht +er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn +vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen +onderscheppen, misschien dreef Thrse hem tot dit besluit, om toch maar +uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de +dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk +ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr. +Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de +eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei +verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en +betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies. +Thrse vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij +vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding, +in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos +ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand +hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar +Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen +zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust +dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen +wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij +was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch +bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek +hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet +verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield +hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met +Thrse in naar Calais. + +Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende +later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest. + +In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk +brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den +beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een +bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem +den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van +Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der +talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel +Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging +in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den +marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Veneti te vestigen, +hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze +kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van +Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij +Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige +persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte +hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat +hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende +bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote +belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te +hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van +den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen +Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht +bij Parijs. + +De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren +voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de +prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch +hij zelf, noch Thrse waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd +door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die +van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in +Thrse iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden +aan te nemen. + +Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven +zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef +hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de +buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo +onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de +moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld, +hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme +de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had +afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat +hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de +bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren +en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen +opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De +eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij +sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en +een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht +op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen +maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn +vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij +gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de +boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke +schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam. +Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht +hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer +men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken +schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du +Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken, +schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig +heeft, mijn lichaam of mijn geest." + +Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra +het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen. +Zijn geestverwanten uit Genve--waar de inwendige beroeringen +voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te +hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad +in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de +inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren +gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat +zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een +schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate +van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het +standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering, +als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad. + +Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo +had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze +had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te +kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij +hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht +vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van +dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te +verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem +gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek +nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van +Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem +weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou +terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen +ditmaal, Thrse bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen +was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de +macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambry. In Lyon +bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had +aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken +hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan +hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets +anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich +zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij +botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in +Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en +als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der +natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die +een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze +wetenschap bevatten. + +Hij zag te Chambry zijn ouden vriend Conzi terug en bezocht er het +graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble +een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde +hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude +galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine +geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau +bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte +complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek +bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van +dien Thvenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet +tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden +aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een +der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in +zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo +overtuigd op weg naar Chambry opgelicht en vermoord te worden, dat hij +aan Thrse een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na +zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en +weer te hebben getrokken in de Dauphin, nam hij in Bourgoin, een stadje +tusschen Lyon en Chambry, zijn intrek ineen herberg en bleef daar +zoowat een jaar. Kort nadat Thrse er zich bij hem had gevoegd vond de +plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke +verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak +hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die +hij in Trye had aangenomen. + +In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Thrse +ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen +dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of +Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug +te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging +natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn +bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te +ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering +vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. +Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den +omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis, +hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende +opnieuw: Thrse klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en +haar beleedigden. + +Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem +aan Thrse, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide +gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was +dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Thrse voor +hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over +is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even +moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel +een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is. +"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen +zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal +meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze +harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten +drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen +te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts +een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen." + +De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het +vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol +konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer +worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor +Thrse en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden +die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit +dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar +ook maar n oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen +tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander +werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel n met hem, te veel +een deel van zichzelven. + +Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thrse niet inging tegen +zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een +verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche +voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, +zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk +zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te +behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer +vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn +verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben +gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn? +Neen, Thrse deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was +voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die +verlichting ten minste nooit ontbeerd. + + * * * * * + +In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf +jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen +naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti. +Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke +drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij +weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden +blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in +'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen; +Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk +plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen +politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met +rust. + +Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue +Platrire, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude +bezigheid van muziek-kopieren weer op, hij vond behagen in dit werk en +werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn +bijverdienste als kopiist konden hij en Thrse zonder hulp van anderen +rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St. +Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren, +beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden: + +"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques +Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue +Platrire, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde +verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom +binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein +voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes +opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een +calotje op muziek zat te kopieren. Hij stond met een lachend gezicht +op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met +ons pratend. + +"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets +hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn +gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn +mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd +was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken +dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een +groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten +verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van +het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn +gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van +iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en +medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en +toe melodien op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't +vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel, +een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de +wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij +gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn +vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't +plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat +aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't +raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur +ze voortbrengt. Over het kleine intrieur lag een waas van reinheid, +vrede en eenvoud, die 't hart goed deed." + +Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan +die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de +oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft +herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste +werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van +in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij +geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen +te zijn." + +Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren +besteedde hij aan 't kopieren van muziek en 't drogen, schikken en +opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste +zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan +dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde +in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij +betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn +bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de +nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen +in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een +hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag +twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd +was 't gezicht op den Mont-Valrien bij zonsondergang. Hij genoot nu +een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn. +Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij, +maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder +de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog +altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn +mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een +kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als +zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in +buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn +vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem +verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van +zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de +vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen +rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten +dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn +medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns +gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden +of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen +gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van +ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden. +Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken +schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle +bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers, +bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een +boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de +schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet +overzetten. Steeds meer kategorien van personen hadden de machtige +samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem +komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen +bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de +vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed +hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen, +verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder +beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij +zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn +geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en +waarachtigheid, de "Dialogen." + +Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner +vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de +onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood +verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets +meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven +en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen; +zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn +vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot +te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing +van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en +letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in +omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld +zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een +juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de +uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een +grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was: +de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn +snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In +hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen, +die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om +verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder +de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk. +Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand +doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij +voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op +andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde +hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele. +Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk +de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat +beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts +enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als +verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte +geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het +komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de +verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en +Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de +hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de +tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen" +uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande +zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de +"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit +gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen +onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den +mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden +die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en +verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche +sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de +gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan +zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en +meegevoel zegevieren. Kon hij slechts nen mensch vinden die met zijn +oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van +list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered. +Maar hoe zulk een mensch te vinden? + +Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan, +want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en +vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans +maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te +vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen, +verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn +handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de +Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders, +dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel +hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem +verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten, +tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis. + +Maar ng gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden, +die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven +was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters: +"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft." +Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle +voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen +las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen, +zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet. + +Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden, +die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en +voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner +nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige +invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't +jonge, opgroeiende Frankrijk was vr hem, 't denkende, voelende, +willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en +ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd, +maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog. + +Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht +op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe +beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij +bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge +zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd +en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die +hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij +bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij +spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een +vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social," +dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven +glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers, +niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij +versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel +na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden +en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge +mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als +menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der +maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam. + +Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de +kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij +stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel, +schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in +zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch +te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te +heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon: +als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in +Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was +hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd +voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te +maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor +hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem +geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare +liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, +de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige +klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had +hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord +gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried, +deed herrijzen als maatschappelijk ideaal. + +Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster, +vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te +geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden, +smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht +dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair +bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een +heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft +hij immers, dit is zijn levensdoel. + +Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag +enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij +dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het +nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam +op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke +vooroordeelen. + +O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid +nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist z zich verwezenlijken +als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die +droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is +helderziende intutie van de werking van maatschappelijke en geestelijke +krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke +demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote +Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten +niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne +arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze +droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere +wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote +voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten +in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn +van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke +lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht. + +Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen +dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en +zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien, +had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is +hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden +harten, en hij niets zag als vertwijfeling. + +En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen +verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld +tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers +van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten +zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale +gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand +arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als n man +opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen +de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen +wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun +verzet verbitterd; zouden zij n middel schuwen deze te verdelgen? Vatte +zijn waan va nvervolging n grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien +woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den +verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, +van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij +nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen +zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was +het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke +samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis, +in hem roemen als in een Groote? + +Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is. +Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan +was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij +door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels. +Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid, +maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der +menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede +gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig +jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam, +de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen +te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart +toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en +lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug. + +Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen +weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en +zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de +lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de +troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid +gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der +wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende, +schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in +den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog +verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het +leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde +tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den +dageraad. + +Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden +waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een +tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn +afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die +z, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten +weemoed van het leven scheiden kan! + + * * * * * + +Hij was ouder en zwakker geworden, ook Thrse. Zijn gezicht werd te +slecht om muziek te kopieren, en zij was niet langer in staat voor het +huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort +smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou +opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten +bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen +op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner +beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Thrse hun nieuwe +woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had +tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak. + +Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf +Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te +zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige +wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was +begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar +opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen +gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem +van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een +toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in +Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug, +dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers +die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de +stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke +vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre. + +[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).] + +Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel. +Thrse, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond +liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich +bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat +hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die +zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed +hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk +hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat +daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag +hij daar. + +Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn +overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van +zijn grooten tegenstander Voltaire. + + * * * * * + +Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den +boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden, +de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten, +de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat +zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en +moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord, +hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze +andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine +menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit +de diepten der oneindigheid. + +De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke +omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe +onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken +aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der +aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen, +overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden, +tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten +bevruchten door het leven. + +En het leven strooide vl kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten, +hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen, +harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en +bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche +liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen +en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de +landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van +Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters, +stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn +eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den +man maken dien hij werd in die pozie-rijke, avontuurlijke, vreemd- +gespletene en toch naar n doel stroomende jaren der jongelingschap. + +De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de +maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle +omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie +somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--n de maatschappij-kracht: de +begeerten, de aspiraties, de energien en de gedachten die de maatschappij- +beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in +de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der +levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide +groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten +met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, +zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die +zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te +tooveren tot schoonen droom. + +Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over +hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het +verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een +nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis. +Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een +onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen +wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende +spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet +waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef, +hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen +andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de +maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de +maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter +volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van +zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij +wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was, +dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die +geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de +roepstem en volgde haar. + +Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen +zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn +hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn +liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve +neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij +overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van +onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens +wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel +en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn +liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls +zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk +betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de +gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de +liefde tot de menschheid,--n het artistiek geweten, de nauwgezetheid +van den kunstenaar. + +Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de +wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij +verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn +afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van +zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem +als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den +hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen, +broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om +zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af +om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls +ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit +zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang, +niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog +de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde +prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken +waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen +zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in +wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn +verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp +nauwkeurig en volledig als hij kon. + +Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die n bron voedde: +het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende +beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in +hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen +zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en +schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij +vervallen in schaamteloos cynisme. + +Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een +ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest. + +Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de +hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle +enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen. + +De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar +hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was +nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling +tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de +midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een +gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap, +den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij +voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het +ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op +het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen +der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren, +vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid +van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hn +vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren. +Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat, +ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit +Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en +heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had +hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den +stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden +zij hem lief en vereerden zij hem boven n ander revolutionnair +schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid +uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed. + +De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de +burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in +den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende +klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend +bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige +belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die +tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door +afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke, +en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende +richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit +'t een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der +speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet +de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en +verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was, +bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan +tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling +tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen. + +En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende +en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in +de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen +hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de +Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe, +zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen +en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den +koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de +republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon +vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen. +Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag +idealisme, hun herosch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld +met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden +zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere +demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering +als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, +de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote +bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden, +maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen, +een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben +uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de +stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke +voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan +vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot +regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in, +naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer +dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en +vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden +dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden +die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen, +gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden +van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken +maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn +vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende +verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke +rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in +normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt +en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even +verschrikkend als onreel. Nu dat onreele de werkelijkheid van elken +dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige +behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het +onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan +van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze +bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de +hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch. +Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en +toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het +wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk, +--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie +van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast +letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun +staatkundig evangelie was. + +In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen, +dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat +uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden, +den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en +op godsdienstig gebied. + +Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der +revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de +uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de +staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het +best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een +groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de +regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te +keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen +iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om +de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het +recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en +dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de +vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den +Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het +opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van +den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof +aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale +Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd, +dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan +slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn +goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen. + +Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken, +een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de +basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische +produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische +afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der +onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren +ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der +revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers +en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het +lijden, de ongevenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige +inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den +grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield. +In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn. +Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de +Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte +bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan +voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den +uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren +van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de +gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest +bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij +droegen niets van zijn wil meer in het hart. + +En man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens +gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In +zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke +vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kn worden dan op den grondslag +van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den +bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf +heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau +evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het +communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en +vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles +gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit +de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende, +waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest? +Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische +gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der +individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet +gekomen, maar wie ook slechts n stap verder ging, moest de zon van het +socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf. + + * * * * * + +In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau +leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn +pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging +en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had, +zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken, +mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de +revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, +over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, +zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en +bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen +van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden +maakten de kunst zoo. + +Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over +Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Stal, naast +Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met +de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en +denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste +manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest +algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle +woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote +wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was +voorgegaan. + +Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in +Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele +richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken, +een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het +politieke. De potische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig +natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de +burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische +zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige +gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling +bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en +specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het +herosche pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige +vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar +de uitbeelding van dien potischen weemoed, door welke de vereenzaamde +enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den +schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij +zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze +heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in +de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de +romantiek. + +Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele +banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en +het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den +geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte, +zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke +naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller, +zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp +bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring, +zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die +eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij +beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de +diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren +de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. +En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau. + +Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was +anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote +wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke +uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van +het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was +hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd +behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door +de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en +politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij +behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en +elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers, +tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken +gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en +geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer +van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke +liefde tot het leven, tot l zijne verschijnselen. En al deze trekken, +die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller +geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke +literatuur, van de lyrische pozie en den naturalistischen roman, van de +psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle +Hlose," der "Confessions" en der "Rveries." + +Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche +schrijvers en dichters, is er n in wien verscheiden der meest +wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der +anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid +van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke +gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog +te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar +doordat de discipel Tolsto een gezonder, forscher en klaarder +fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester +Rousseau, n doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in +tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de +sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk benvloed +gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het +communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolsto wat +Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen +lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen +te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te +scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne +gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de +eigenheid van zijn wezen. + + * * * * * + +Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele +levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen +van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind +en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten +overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige +idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel +dat zijn. + +De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie +maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door +reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de +inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den +dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij +bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de +grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke +ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen +bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd +zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig +denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel +belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en +gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische +dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende +proletarirs gebruiken, zij had behoefte aan gedwee, buigzame knechten. +Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van +Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de +wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en +daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_ +toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van +doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis, +blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben +veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht. + +Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis. +Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd +en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze +en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting, +liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo +allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de +vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en +knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het +burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. +Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten +voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan +in de socialistische maatschappij. + +Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de +individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de +bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het +kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner +krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te +vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de +liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken +weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die +verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met +de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen +aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het +zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van +ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van +menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar +de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale +oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke +volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de +aarde. + +Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar +maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen +voorstelling had. + +Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude +afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden +zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige +menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in +vrijheid;--wanneer de onrust en de onvre en de wanorde van onze dagen +den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan +zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere +verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier +menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat +de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen +hebben: de weder-vereeniging van de vr-uiteen geraakten, Natuur en +Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen +vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen, +opgaan van den enkeling in het geheel. + +Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der +Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan. + + +NOTEN: + +[53] Ook Faguet neemt dit aan. + +[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Thrse +een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame +kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken +man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet +opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te +komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen +en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in. + +[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen; +sommige biographen spreken van 1800 francs. + + + * * * * * + + +LIJST VAN ILLUSTRATIES + +Jean Jacques Rousseau +Thrse Levasseur +Jean Jacques Rousseau +Rousseau aan het botaniseeren +Rousseau's Graf + + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Jean Jacques Rousseau, by Henriette Roland Holst + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU *** + +***** This file should be named 12009-8.txt or 12009-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/2/0/0/12009/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/old/12009-8.zip b/old/old/12009-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..25485ee --- /dev/null +++ b/old/old/12009-8.zip diff --git a/old/old/12009.txt b/old/old/12009.txt new file mode 100644 index 0000000..35357b0 --- /dev/null +++ b/old/old/12009.txt @@ -0,0 +1,9889 @@ +Project Gutenberg's Jean Jacques Rousseau, by Henriette Roland Holst + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Jean Jacques Rousseau + Een beeld van zijn leven en werken + +Author: Henriette Roland Holst + +Release Date: April 9, 2004 [EBook #12009] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO Latin-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +JEAN JACQUES ROUSSEAU + + +EEN BEELD VAN ZIJN LEVEN EN WERKEN + +MET EENIGE PORTRETTEN + +van + +HENRIETTE ROLAND HOLST + + + +[Illustratie: JEAN JACQUES ROUSSEAU.] + + +INHOUD + + +EERSTE HOOFDSTUK: Jeugd. + + I. Geneve aan den aanvang der XVIIIde eeuw + II. Kindsheid +III. De zwerver + IV. Groei + +TWEEDE HOOFDSTUK: Parijs. + + I. Midden der XVIIIde eeuw + II. Het moeizame leven +III. De eerste fanfaren + +DERDE HOOFDSTUK: De groote foren. + + I. Naar de vereenzaming + II. De Katastrophe +III. De werken der groote jaren + +VIERDE HOOFDSTUK: + +De laatste worsteling + +VIJFDE HOOFDSTUK: + +Waan en Vrede + +Lijst van illustraties + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK + +JEUGD. + + +I. GENEVE AAN DEN AANVANG DER XVIIIDE EEUW + +In de stad aan het donkerblauwe meer, waar in de XVIde eeuw het kalvinisme +geboren was--de richting van het protestantisme die zich het scherpst +en felst, in vorm en wezen, tegenover Rome had gesteld--bleef het +maatschappelijk en geestelijk leven zich geslachten lang in de banen +bewegen, waarin de machtige greep van den grooten hervormer het had +gestuwd. + +Dit kon zoo zijn, omdat het stelsel van Kalvijn nog langen tijd passen +bleef bij de sociale en geestelijke behoeften der bevolking van Geneve, +terwijl in Holland b.v., die andere burcht van het protestantisme, haar +heerschend deel spoedig daaraan ontgroeide. Het protestantisme was in de +XVIde eeuw ontstaan uit den drang der opkomende burgerlijke klassen van +verschillende landen, om zich aan de uitbuiting van Rome te onttrekken. +Het spiegelde de denkvormen, de aspiraties en de idealen dier klassen +weer, toen zij aan den drempel stonden van geweldige ekonomische en +sociale veranderingen. Daar waar de XVIde-eeuwsche burgerij dien drempel +overschreed, dat is in die landen waar de XVIIde eeuw een groote expansie +bracht en de overzeesche handel, de koloniale uitbuiting en de bloei der +manufaktuur een ongekend-snelle kapitaal-akkumulatie ten gevolg hadden; +--waar de krachtige ontwikkeling der produktiewijze een deel der burgerij +tot grootburgerlijk bezit en grootburgerlijke levensvormen tilde maar ook +het proletariaat deed aanzwellen en de vroegere, betrekkelijk geringe +kloven tusschen de stedelijke klassen zich haast plotseling tot afgronden +verdiepten,--daar kon het kalvinisme den staat niet blijven beheerschen, +de maatschappij niet blijven doortrekken met engen, onverdraagzamen, +puriteinschen geest. Die geest was in tegenspraak met de eischen en +behoeften van het grootburgerlijk leven. Het moest zich vergenoegen, in +Holland als in Engeland, met eene in het spel der krachten te zijn die +het karakter eener maatschappij bepalen, en den godsdienst der lagere +klassen te blijven, den godsdienst van kleinburgers, handwerkers, +visschers en boeren. + +Het meest waardevolle element uit de kleine burgerij, de gezeten +handwerkersstand, maakte in Geneve de ruggegraat der bevolking uit, +en wegens het overheerschend kleinburgerlijk karakter der stad kon +het kalvinisme er ongestoord doorwerken. Zij miste de voorwaarden tot +onstuimige ekonomische ontwikkeling en grootkapitalistische expansie. +De stad lag ver van de zee en van bevaarbare rivieren, aan de zuidpunt +van een groot meer: deze ligging maakte, dat de oude productie- en +levensverhoudingen zich er langen tijd bestendigen konden. Hoogstens +was zij aangewezen, om een centrum van den lokalen handel te zijn. +Van kleinbedrijf en handwerk bleef zich de massa der burgerij geneeren, +en de krachten ontbraken hier, die elders de wig dreven in hare +gelijkvormige massa. + +Onder de ambachten was er een, van oudsher inheemsch in Geneve, van +bijzonder karakter zoowel door de groote kunstvaardigheid die het +eischte als door den hoogen welstand dien het verschafte. Dat was +de horlogemakerij. Haar beoefenaars vormden het puikje van den +handwerkersstand, gezeten burgers waren zij, aan aanzienlijke geslachten +der stad vermaagschapt, en ook goede patriotten en mannen van kennis en +beschaving, op wier werktafel, naast de fijne instrumenten van hun +beroep, de geschriften van Tacitus en Plutarchus lagen. + +De horlogemakerij werkte natuurlijk grootendeels voor den uitvoer. +Zij verbond de stad, zoo geisoleerd door godsdienst en regeeringsvorm +tusschen haar naburen, aan de wereld daarbuiten. In de schommelingen +die dit bedrijf--toen veel sterker dan nu een luxe-ambacht--doormaakte, +ondervond het den weerslag van verre oorlogen of van groote finantieele +beroeringen in de machtige rijken rondom. En die wisselvalligheid moest +bij den eerzamen ambachtsman tegengaan het verstijven in bekrompen +zelfbehagen, zijn blik uitzenden over de wallen der stad, tot waar haar +gebied eindigde en een andere wereld begon: die van het katholicisme en +de absoluut-geregeerde staten ten zuiden en westen. + +De stad was en bleef klein, ook naar den maatstaf dier dagen. In het +begin der XVIIIde eeuw telde zij nauwelijks 20.000 inwoners. En haar +kleinheid maakte het voortbestaan van instellingen en zeden mogelijk, +die, ware de bevolking snel toegenomen, door den stroom van het leven +zouden zijn weggespoeld. + +Het doet vreemd aan, zich die bescheiden tweederangsch-provinciestad +voor te stellen, met de enkele dorpjes buiten haren wallen een +onafhankelijken staat vormend, de fiere, zelfbewuste vertegenwoordiger +van demokratie en protestantisme te midden van het katholieke +feudaal-absolutistisch Europa. Om haar heen gehoorzaamden de kleine +steden van Waadtland en Savoye aan edellieden, door de verre regeeringen +van Parijs of Turijn gezonden en mestten zich adel en papen van goed +en bloed der arme boeren. Het bewustzijn, een eiland der burgerlijke +vrijheid, een vooruitgeschoven post van het protestantisme te zijn, +werkte als een veer die de strijdbaarheid der stad gespannen hield. + +Het stelsel van Kalvijn had wereldlijke en geestelijke overheid in de +meest innige verbinding gebracht. Wel waren in Geneve de funkties van +kerk en staat gescheiden, de regeering vormde geen eigenlijke +theokratie; maar de staat was zoo gedrenkt met den geest der kerk, de +kerk zoo vastgegroeid in het lichaam van den staat, dat beide machten +voor het bewustzijn der burgers in een ongedeelden glans verschenen, +evenals de liefde voor hun geloof en hun politieke vrijheid daarin tot +een gevoel waren samengegroeid. + +Kalvijn had niet slechts de godsdienstige denkvormen, maar ook de +kerkelijke instellingen gevonden, die aan de behoeften der burgerij +in de XVIde eeuw beantwoordden. Hiertoe behoorde de invoering der +demokratie in de kerkelijke organisatie, en deze werkte door het nauw +verband tusschen kerk en staat, natuurlijk ook op den vorm der politieke +organisatie terug. De staat Geneve was, schijnbaar, demokratisch. +Schijnbaar: van een ware demokratie, een regeering door het volk, was +in de kleine republiek evenmin sprake als in hare roemrijke zuster, de +Vereenigde Nederlanden. De drie ondersten der vijf klassen waarin de +bevolking van Geneve, naar half middeneeuwschen trant nog--gelijk reeds +uit de namen, "inwoners, inboorlingen en onderdanen" blijkt,--verdeeld +was, waren politiek onmondig. Slechts de twee bovenste klassen, de +"citoyens" en "bourgeois," bezaten politieke rechten. Deze benoemden +in algemeene vergadering den magistraat, hadden het recht van +belastingheffing en van oorlog en vrede, formuleerden hun grieven en +bezwaren tegen de handelingen der regeerende lichamen, den "kleinen," +en den "grooten" raad. Het geringe aantal volmondige burgers--de +"algemeene vergadering" telde niet meer dan 1600 personen--maakte het +vertegenwoordigend stelsel onnoodig. + +In den loop der XVIIde eeuw nam de politieke invloed der kleine en der +gezeten burgerij steeds meer af. De eigenlijke regeerende klasse, de +oude patricische geslachten en de opgeklommenen in de groote bourgeoisie +die den "grooten" raad van tweehonderd en den "kleinen" van vijftig +uitmaakten, riepen de algemeene vergadering der burgers al zeldzamer +bijeen en beperkten al meer hare bevoegdheden. Zij matigden zich het +"negatieve recht" aan, om de bezwaren en grieven, door een of andere +groep uit de burgerij ingediend, niet in behandeling te nemen: zoo werd +deze hare voornaamste bevoegheid tot een schaduw. Kleine en groote raad +vulden elkaar wederkeerig aan en verkozen hun leden meer en meer uit den +kleinen kring der aanzienlijken of rijkgeworden geslachten: evenals in +Holland dus, monopoliseerden bepaalde families de regeermacht, waarvan +het overgroote deel der burgerij uitgesloten werd. + +De burgerij bezat aan den aanvang der 18de eeuw feitelijk nog slechts de +bevoegdheid tot de jaarlijksche verkiezing van den magistraat. En ook +dit recht was tot een schaduw geworden. Immers de voordracht der beide +raden bewoog zich binnen een zeer beperkt aantal uitverkorenen: het +burgemeesters-ambt leek haast erfelijk. + +Aan de burgerij bleef bij dit alles een troost: die van de +rechtschapenheid en onkreukbaarheid van hare regeerders. De zeden, ook +der aanzienlijken, bleven eenvoudig, hun welstand was in de meeste +gevallen kleinburgerlijk, een vrucht van eigen arbeid, van vlijt, +overleg en spaarzaamheid. Geen vloten voerden in Geneve schatten aan uit +Oost- of West-Indie, geen vermogens werden, door goede of kwade kans, +met een slag gewonnen of verloren, de gelegenheden ontbraken tot +plotseling rijk worden, de wet verbood weelde en pronk. Zoo kon de +kleinburgerlijke eerbaarheid zich handhaven en kwam korruptie slechts +zelden voor. + +Maar dit besef, door rechtschapen mannen die het welzijn van het +gemeenebest op 't oog hadden, geregeerd te worden, kon aan de burgerij +het verlies der oude vrijheden niet vergoeden. Haar ontevredenheid uitte +zich, in den loop der 18de eeuw, herhaaldelijk in onlusten en troebelen, +door de regeerders streng onderdrukt. + +Was de politieke vrijheid in Geneve, ondanks het verval der demokratie, +grooter dan in de absolutistische staten, het private leven daarentegen +was bekneld en gebonden op eene wijze, waar men daar niet van wist. De +kerkelijke overheid waakte zorgvuldig tegen alle loszinnigheid, en liet +geen vergrijp tegen het enge en steile fatsoen dat voor alleen-zedelijk +gold ongewraakt. De predikanten behandelden die zelfbewuste mannen en +vrouwen, zoo fier op hun "vrijheid," als kinderen: hun leven lang werden +zij nagegaan, vermaand, berispt, gestraft voor de nietigste vergrijpen +tegen de zedewet van het puritanisme. Wie op Zondag gezien was met +kaarten in de hand, die duivelsblaren;--wie had meegedaan aan een +danspartijtje;--wie, naar verluidde, als getrouwd man behagen schepte +in het gezelschap van een bekoorlijk meisje, haar af en toe bezocht, +--hij kreeg orde om voor zijn geestelijken herder te verschijnen, werd +onderhanden genomen, moest beterschap beloven. Was de zondaar of +zondares halsstarrig en weigerde voor te komen, dan werd de groote +machinerie der geestelijke overheid in beweging gebracht: de kerkeraad +bemoeide zich met de zaak en de druk hield aan, zoolang tot de schuldige +toegaf, en, in ernstige gevallen, zich bereid verklaarde boete te doen. +Want de zondige wil moest uitgeroeid, de trots van den natuurlijken +mensch gebroken worden: neerknielen en den grond kussen was het gewone +teeken der christelijke verootmoediging. De verstokten bedreigde de +zware artillerie der kerkelijke tuchtmiddelen: onthouding van het heilig +avondmaal. + +Eng en gebonden als dat hunner middeleeuwsche voorvaders schijnt ons het +leven dezer protestantsche kleinburgers, maar instee van beglansd door +den kleurigen gloed van een goedlachsch, volkseigen en kunstrijk +katholicisme, overschaduwd door den somberen gedachtenhemel van +voorbeschikking en eeuwige verdoemenis. Een levensbeschouwing, die alle +spontane vrolijkheid en haast elk onschuldig vermaak veroordeelde en +trachtte uit te roeien, moest den levenslust wel dempen en vervangen +door eigen-gerechtigheid en huichelarij, de specifiek-onaangename +karaktertrekken van het puritanisme. + +Het strenge toezicht op het private leven was onmogelijk zonder een +stelsel van bespieding en verklikking, waar de stank van wantrouwen, +oogendienst, babbelzucht en kwaadsprekerij van verre uit opstijgt, +dat doodend werkt op den gezelligen omgang, lach en kus op de lippen +verstijven doet. + +Geen wonder, dat wie de stad bezocht, komend uit de wereld van losse +zeden, wuftheid, gratie, galanterie en genotzucht ten westen en zuiden, +haar somberte voelde drukken op zijn gemoed als die eener gevangenis en +de gezichten binnen haar wallen Voltaire opvielen door hun plooi van +gemelijke norschheid. + +De levenskracht, door den harden greep der tucht en den dam der meening +van het zondige genot afgehouden, stroomde onverzwakt in de bedding van +den arbeid en van het gezinsleven. Vlijtig, spaarzaam, matig, waren de +burgers van Geneve, eerbaar van zeden, gesloten van gemoed, gehecht aan +de zeden der vaderen en aan de traditie. Dit alles behoort tot het +gewone wezen van den onafhankelijken kleinburger der tijden, die +voorafgaan aan de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Maar dit +wezen, hoe stuursch en onaangenaam ook door de werking van het +kalvinisme in hen, werd geadeld door een ruige fierheid, vrucht hunner +kerkelijk-nationale geschiedenis en der eigendommelijke positie van hun +nietig, en toch in geestelijke zaken gezaghebbend gemeenebest. En de +godsdienstige voorgangers wakkerden, in de wekelijksche predikatie, den +hoogmoed, maar ook het besef van verantwoordelijkheid hunner gemeentenaren +aan, leerden hen zich te voelen als een uitverkoren schare, geroepen God +te bekennen onder de zedenlooze en losbandige volken te midden van wie het +lot hen voerde. + +Want van de burgers van Geneve trokken vele, naar schatting wel een +vierde der volwassen mannen, uit, om in den vreemde brood te vinden. +Zij kon hare kinderen niet alle voeden: te groot was het aantal nijvere +handen in verhouding tot het afzetgebied der stad. + +Na de opheffing van het edikt van Nantes had een groote stroom van +Fransche emigranten, gelijk reeds eenmaal in de 16de eeuw, zich over +Geneve uitgegoten. Onder dit later geslacht van protestantsche +vluchtelingen waren mannen van ruimer levens-inzicht en wijder +ontwikkeling dan de burgers van Geneve bezaten, waar de oude denkvormen +allengs verstijfden. Zij werkten als een kracht van vernieuwing en +verjonging, verhoogden het geestelijk peil der stad en vormden er +een element van vooruitgang, van aanpassing aan de veranderingen des +levens, van oppositie ook tegen de aanmatiging der aristokratische +regeeringskliek. En ook bracht hun vaardigheid en kennis kunsten +en wetenschappen tot hooger ontwikkeling. Onder hen waren vele +handwerkslieden die de kleine ambachten binnen stroomden en, hetzij +door grooter vlijt of wijl hun instrumenten voortreffelijker waren: +de oudburgers konden zich niet handhaven en de nieuwe verdrongen hen. +Geneve exporteerde te weinig waren, in verhouding tot haar produktie. +Zoo moest zij wel menschen exporteeren. Van geslacht na geslacht trokken +vele weg naar de europeesche landen, of naar het oosten, of over den +oceaan, naar de noord-amerikaansche staten waar engelsche geloofsgenooten +woonden. Dreef hen enkel de nood? Of lokten het jonge bloed de landen, +waar het leven niet vloeide, grauw en eentonig bekneld binnen de enge +wanden van traditie en tucht, maar glinsterend dartelde tusschen lachende +weien of schuimend en ziedend vervaarlijke sprongen nam? Daar was jolijt +niet verboden als zonde en het minnekozen niet en de voeten sierlijk +bewegen op de maat van de vedel. Zoete bloemen van levensgenot geurden +daar. En groote uitzichten openden zich: gouden bergen blonken. De burgers +trokken. + +Maar zoo velen gingen, anderen kwamen. Weetgierige jongelieden uit de +hervormde landen bezochten de stad, om zich in het fransch te volmaken +of theologie te studeeren aan de vermaarde universiteit van het +protestantsche Rome. Sommigen hunner waren zonen van edellieden of van +aanzienlijke burgers, afkomstig uit kringen, aan de puriteinsche zeden +ganschelijk ontgroeid. Zij waren vrij van manieren en als zij gedronken +hadden, luidruchtig en twistziek, zij traden dan wel uitdagend tegen de +gewone burgers op. Bij een opvoeding volgens hun stand pastte onderricht +in wereldsche muziek en dans, die de hoeders der rechtzinnigheid +verfoeiden als werken des duivels. Maar de overheid was lankmoedig tegen +de vreemde studenten, want zij brachten veel geld in de stad. Zoo werd +het beroep van dansmeester ten hunne behoeve toegelaten, maar deze +mochten enkel de vreemdelingen onderrichten, de landszonen niet. En die +voelden zich verongelijkt, want als het kwam tot botsingen tusschen hen +en de parmantige jongelieden uit den vreemde liet de magistraat gemeenlijk +de volle zwaarte der wet op de burgerzonen neerdalen, ook al waren zij de +aangevallenen, en de aanvallers gingen vrij uit. + + * * * * * + +Kleinburgerlijke produktieverhoudingen en protestantisme bevorderen +beide in hooge mate individualistische neigingen. Maar het wezen en +de positie der kleine kalvijnsche republiek voorkwam, dat enkel deze +neigingen het gemoed der burgers beheerschten. De nationale +zelfstandigheid was voor hen geen kussen, waarop zij zich konden +neervleien en slapen, maar een kleinood, in strijd gewonnen, dat zij +elk oogenblik geroepen konden worden te verdedigen met hun bloed. +Want, terwijl in de groote staten met den ondergang der stedelijke +demokratieen de burgerwachten verdwenen waren en het absolutisme zijn +eigen legervorm had voortgebracht--zoo niet overal in alles gelijk, +toch hierin wel dat de stok bijeenhield, wat geweld of verlokking +samenbracht--had zich in Geneve de demokratische legerorganisatie van +vroeger gehandhaafd. Versterkt door een klein vendel huurlingen--hoe zou +men aan het geld gekomen zijn, er meerdere te betalen--bezorgden de +burgers zelven, gelijk de midden-eeuwsche gilden der italiaansche en +vlaamsche steden plachten, de verdediging hunner stad. Alle weerbare +mannen werden in den wapenhandel geoefend, en die gemeenschappelijke +oefeningen hielden de heugenis vloeibaar van een heroisch verleden en +wakkerden den gloed van stads-en vrijheids-liefde aan. Zij kweekten, +uitgaande boven het kleinburgerlijk individualisme, in de uiterlijk +stugge, maar binnen-in gloeiende harten een daadkrachtig, zoowel +militant als teeder gemeenschapsgevoel. De militaire ceremonien deden +de polsen der burgers hoog kloppen en hun spieren zich spannen. De +handwerksman, die van hen terugkeerde tot zijn werkplaats, voelde in +zich zwellen vreugd om het bezit van burgerlijke vrijheid en fierheid, +van ideale goederen die hij elders verloren wist. Hij toog huiswaarts, +mijmerend over de republieken der oudheid, wier burgers en boeren, +eenvoudige mannen als hij, eeuwigen roem hadden behaald door heldendaden. +Aan hen voelde hij zich meer verwant dan aan de edelen en knechten der +naburige landen, de wufte stedelingen, het uitgemergelde boerenvolk. En +droomend greep hij naar zijn wambuis, zich verwonderend dat het geen +toga was. + +Het geviel eenmaal, dat toen een dier burger-regimenten zijn gewone +oefening gehouden had, gevolgd door een gemeenschappelijk avondmaal, de +mannen zich opnieuw zamelden op het plein en een reidans dansten bij het +licht van flambouwen. Trommels sloegen, trompetten schetterden, liederen +bruischten door den zomeravond, terwijl de windingen van den grooten +stoet aan en af deinden in het flikkerend schijnsel. Vrouwen kwamen hun +huizen uit en half ontkleede kinderen tripten aan om hun deel van de +pret. Dienstmeisjes brachten drank, het werd een algemeene vreugde. Men +zong, danste, schertste, verbroederde zich. De harten gingen open, een +dronkenheid zoeter dan van wijn alleen maakte ze vrij van den last van +zorg en nijd en alleenheid, die dikwijls zwaar drukten in het +dagelijksch doen. + +Een der burgersoldaten, een vurig man, hartstochtelijk van wezen, boog +zich over tot het knaapje dat hem vader noemde, kuste het en sprak met +beving in zijn stem: "o mijn kind, heb lief onze goede stad. Zie de +burgers, hoe zij als vrienden en broeders te zamen zijn, hoe liefde en +eensgezindheid tusschen hen heerschen. Jij ook zult bezoeken vreemde +landen, als ik deed in mijne jeugd, daarvoor ben je een Genever. Maar +nergens in de wereld zult je zulk een schouwspel zien." + +Het bruinoogig, sierlijk knaapje, dat die woorden inzoog met de +ontroering die in ze trilde, en alles in zijn gemoed verzonk en wel +bewaarde, was Jean Jacques Rousseau. + + +II. KINDSHEID. + +Zijn vader was uit een geslacht van fransche emigres, van ouder tot +ouder horlogemakers, gezeten burgers. Voor zulken was de kans nog niet +gansch uitgesloten, allengs tot maatschappelijk aanzien te stijgen, door +hun medeburgers geroepen te worden tot een der openbare eere-ambten, die +te bekleeden den weg baande naar het lidmaatschap van den "grooten +Raad." De grootvader van Jean Jacques, David Rousseau, bracht het tot +_dizenier_, dat is een soort ondergeschikt vrederechter in zijn +stadskwartier. Maar in het volgend geslacht ging die kleine stijging +weer verloren: Isaac, de vader van Jean Jacques, bezat de eigenschappen +niet die hun bezitter geschikt maken tot hoogeren maatschappelijken +staat op te klimmen. Hij was opvliegend en lichtgeraakt, genotzuchtig en +ongestadig, te heetbloedig en ongeduldig voor een solied handwerksman. +Op zijn een-en-twintigste jaar gaf hij gehoor aan een dier wonderlijke +opwellingen welke voor bezadigde lieden dengeen die ze volgt tot een +dwaas stempelen: hij verwisselde gedurende eenige maanden zijn +voordeelig en eerbaar ambacht voor het beroep van dansmeester, dat zagen +wij, weinig in tel was bij de mannen van den ouden stempel. Hij kon +vioolspelen en hield van muziek, evenals zijn broers en zusters. Dat was +nog een zeldzaamheid in Geneve, waar de trieste godsdienst lang alle +kunsten had onderdrukt. + +Zijn beroepsverwisseling, hoe kort van duur ook: hij keerde spoedig +terug tot het vaderlijk ambacht, was niet geschikt hem bij de +autoriteiten in een goed blaadje te brengen. Trouwens ook zijn verder +gedrag niet. Een paar maal kreeg hij twist met jonge vreemdelingen en +toonde zijn prikkelbaren en hooghartigen aard. Hij huwde laat met een +burgerdochter van goeden huize en tamelijken welstand. Suzanne Bernard +heette zij; haar geslacht, dat van het platteland om Geneve stamde, +bezat sedert meer dan een eeuw burgerrecht in de stad. Haar vader +was jong gestorven, hij liet de herinnering na aan verscheiden +liefdesgeschiedenissen van de soort die de kerkeraad niet tolereerde, +en de roep van een ontvlambaar en lichtzinnig mensch. Het meisje kwam +bij haar oom, een predikant, een geletterd man dus, die haar zorgvuldig +en blijkbaar in weinig bekrompen geest opvoedde. Zij kon zingen en +zichzelve begeleiden, zij had veel gelezen, voornamelijk zeventiende- +eeuwsche romans, ook maakte zij wel gedichten. Begaafd en levenslustig, +daarbij bijzonder bekoorlijk, viel 't haar niet licht zich in de tucht +van Geneve te schikken, en de strenge zederechters in den kerkeraad +gingen haar gangen zorgvuldig na. Hun kwam eenmaal ter oore, dat het +jonge ding, als boerin verkleed, een theatertje in de voorstad had +bezocht, waar op marktdagen kluchten vertoond werden; een ander maal, +dat zij wel bezoek kreeg van een gehuwd, adelijk heer. Het een noch het +ander was oorbaar in Geneve: het meisje moest tot rede worden gebracht. +Maar zij voelde zich, had veel temperament, was welgesteld en +onafhankelijk. Lang stribbelde zij tegen, loochende de feiten; ten slotte +gaf zij zich over, deed wat men van haar verlangde: zoo ging het altijd. + +Isaac Rousseau en Suzanne Bernard hadden elkaar liefgehad van af hun +prilste dagen, de neiging tot elkaar reikte even ver terug als hun +herinnering. Waarom huwden zij pas, toen beider jeugd voorbij was? Wij +weten het niet. Evenmin, waarom Isaac kort na de geboorte van hun eerste +kind zijn vrouw verliet en naar Konstantinopel trok als horlogemaker van +den Sultan. Misschien waren hun omstandigheden moeilijk; het vaderlijk +erfdeel was niet groot geweest; en er was oorlog. Misschien dreef hem, +gelijk zoovelen, de zwerflust. + +Na zes jaar keerde hij terug: zijn vrouw was hem trouw gebleven, zij had +hem nog lief. De vrucht van deze terugkomst, de "droevige vrucht," +gelijk hij zegt, was Jean Jacques. Hij kwam den 28en Juni 1712 ter +wereld. + +Zijn geboorte kostte zijn moeder het leven. Maar kan moederliefde ooit +vervangen worden, dan werd zij het in dit geval. "Geen koningszoon," +heeft hij zelf getuigd, "kan met grooter liefde verzorgd worden dan mij +gedurende mijn eerste jaren ten deel viel, verafgood door mijn omgeving +en, wat veel zeldzamer is, altijd gekoesterd maar nooit verwend." + +Het was een zuster van zijn vader, die hem deze koestering gaf. Haar +zorg redde zijn leven, want hij werd stervend geboren. Zijn levenlang +heeft hij haar aangehangen met liefde en erkentelijkheid om de zoete +geur van innigheid, die haar wezen in de herinnering zijner kindsheid +mengde. Zij was vroolijk, lieftallig, gelijkmatig en zacht. Vele oude +wijsjes kende ze, zong ze met dunne kleine stem. Die zonken in het +gemoed van het knaapje en lagen vele jaren lang op den bodem, slapend. +Eerst door heel den tijd, dat hij zich op de golven der levenszee liet +deinen; toen door den anderen, dat de wil in hem rees zelf een kracht te +zijn en hij met een geestdriftig hart worstelde tegen storm en tij. Maar +toen de tijd van moeheid en inkeer kwam, dook hij in zich zelven en vond +er de oude leizen die zijn jeugd gewiegd hadden en wekte ze en droeg ze +omhoog. En met de dunne stroom hunner melodie en het lichte getrip +hunner woordjes kwamen al de zachte blijheden van zijn kinderleventje in +dat veilige warme nestje mee, want zijn ziel hoorde tot de zeldzamen, +die met de herinnering der dingen hun geur bewaren en met het beeld de +atmosfeer der vroegere aandoening herleven doen. Hij bezat de gave, die +doorleefde vreugde en smart voorttrillen laat door 't wezen dat ze +voelde: het geheugen van 't gemoed. + +Zijn vader bracht op Jean Jacques de lange teederheid over, waarmee hij +de lieve Suzanna had aangehangen. En toch zag hij in 't knaapje de +oorzaak van haar dood. Zoo was zijn vadergevoel gespleten en troebel. +Hij beheerschte zich weinig; als hij 't kind aan zijn hart sloot en met +hartstochtelijke liefkoozingen streelde, merkte dit in die overgroote +teerheid 't verlangen naar haar, die niet meer was. Als de vader zei: +"we zullen over moeder praten," antwoordde het knaapje, "dan gaan we +schreien, vader." + +Zoo'n omgang was voor het zwakke en vroegrijpe kind een school van +overgevoeligheid, gelijk ook de verdere opvoedingswijze van vader Isaac. +Zoodra Jean Jacques lezen kon--hoe hij 't leerde wist hij zich niet te +herinneren--toog zijn vader met hem aan 't lezen van de romans die +Suzanne had nagelaten; verhalen vol valsch pathos en opgeschroefd +gevoel. De man en het kind zwelgden in die avontuurlijke wereld, +vergaten de huisbakken werkelijkheid. De nacht verging, de eerste zwaluw +kondigde cirkelend den dageraad aan eer de vader, uit den roes van +romantiek ontwakend, beschaamd fluisterde: "ik ben nog grooter kind dan +jij." Jean Jacques was toen zeven jaar oud. + +Binnen de engbegrensde horizon van het ouderlijk huis voelde het kind zich +veilig, warm-gekoesterd en gelukkig. Ook later bleef een eng-omsloten +levensveld noodig tot zijn geluk; zoodra het zich opende en wijde +uitzichten won, verloor hij zijn rust en zichzelven. Hij had geen vriendjes +en geen verlangen er naar; zijn broer, een deugniet die jong naar +Duitschland trok en waarvan nooit meer iets gehoord werd, scheelde te veel +met hem om zijn speelmakker te wezen; zoo had hij dan geen anderen +dagelijkschen omgang dan met vader en tante en de goede trouwe meid. + +Maar naast het engbegrensde simpele leven van den dag begon vroeg een +ander voor hem, wijd en onbegrensd: dat der verbeelding. Zij was in hem +het sterkste vermogen, zij voerde hem mee, zijn levenlang, waarheen 't +haar lustte en haar rijk was werkelijker voor hem dan de werkelijkheid +zijner zinnen, hij vergat er armoede, verdriet en lichaamspijn. Uit de +vroeg-gelezen verhalen was in hem een wereldbeeld gegroeid, dat geen +ervaringen ooit geheel verdrongen, een vreemde wereld vol romantisch +gebeuren, vol heldhaftige ridders en smachtende jonkvrouwen. De +gevoelens in die wereld waren ongezond, broeierig en zwoel;--natuurlijk, +want zij was niets als de bleeke, tallooze malen verslapte kopie der +middeneeuwsche romantiek. En hun zwoelheid zonk in hem en doortrok zijn +wezen en werd een deel daarvan, voor goed. + +Maar gelukkig, aan de voorraad romans kwam een einde. Vader en zoon +vonden in de boeken van Suzanna's voogd, den predikant, afkomstig, nieuw +voedsel om hun leeshonger te stillen. En dit was beter kost: Bossuet, +Ovidius, Plutarchus. Voor het kind ging de wereld der klassieke oudheid +open, de verheerlijking van burgerdeugd en soldatenmoed, van +rechtvaardigheid en zelfverloochening, van zedelijk enthousiasme. Er was +een vrijheid om voor te leven en te sterven, er waren genooten om te +redden door standvastig verdragen smart en dood; de heerlijkheid bestond +van een trouw, onverzettelijk bewaard. Het knaapje gloeide: in zijn +oogen vonkten tranen, rillingen van geestdriftig begeeren tintelden +langs zijn rug: o een held te zijn, een martelaar voor de vrijheid, +groote daden voor de makkers te doen. Machtig ontwaakten in hem de +oerneigingen van sympathie en meegevoel, de sociale driften. En machtig +blies de wind der verbeelding hun vlammen aan. Hij werd Aristides, hij +werd Brutus, hij werd Scevola, hij leefde in die helden of zij in hem. +Dan sprak hij met zijn vader, en vond in diens oogen en stem iets van +zijn eigen verrukking, als de horlogemaker van hun eigen stad verhaalde, +die een republiek was evenals Sparta en Rome, en wier burgers ook voor +de vrijheid hadden gestreden tot den dood. Soms zag het kind hen, +gewapend en met rustigen tred, van de oefening op het marktplein keeren, +en hoorde hun krijgshaftige liederen klinken langs de straat. En de haat +tegen oude tyrannen en de liefde voor de helden van lang geleden +versmolt in zijn hart tot een gevoel, met de liefde voor de vaderstad en +de levende burgers, en hij zag hen omstraald met de deugden der burgers +van Sparta en Rome en met hun roem. + +En ook deze kiemen en zaden zonken in zijn gemoed en dreven wortel en +kiemden; kiemden en stegen, een bosch van halmen in zijn bewustzijn, +toen hij man geworden was. Hij maakte hartstochtelijke boeken van de +gevoelens, die zijn kinderhart zoo heerlijk en zoo fel bewogen hadden. +En toen door zijn woorden de oude deugden der Grieken en Romeinen +opstonden en de fiere gestalten van tyrannenhaters bewogen, strekten +zich duizende handen naar hem en duizenden harten klopten het zijne +tegen in verrukking: de harten van mannen en vrouwen die als hij +burgerdeugd en onkreukbaarheid en rechtvaardigheid liefhadden en eenvoud +en familiezin. Dat waren de kleinburgers. Zij maakten zich op om een +grooten strijd te strijden tegen tyrannie en privilegie, tegen de weelde +en de lichte zeden der heerschers van toen. En vol waardigheid hulden +zij zich in het heroische gewaad der oudheid, dat Rousseau hun reikte: +hun eigen drang en wil en streven leek hun in die omhulling veelmalen +schooner toe. + + * * * * * + +Toen Jean Jacques twaalf jaar was kreeg zijn vader op de jacht--een +hartstochtelijk jager was hij--twist met een zekeren kapitein Gautier, +die gediend had in de lijfwacht van den koning van Polen. Isaac, +prikkelbaar en heetbloedig, achtte zich beleedigd, en toen hij den ouden +ijzervreter een poos na hun twist in de stad tegen kwam, trok hij zijn +zwaard, viel hem aan en verwondde hem. Het vonnis luidde: een boete, +drie maanden gevangenis, en op de knieen vergiffenis vragen. Maar Isaac +achtte het vonnis onbillijk en liever dan te buigen, vestigde hij zich +voor goed te Nyon, een plaatsje dicht bij Geneve maar buiten het +stadsgebied, waarheen hij na zijn daad de wijk had genomen. Zijn +kinderen liet hij achter, een broeder zijner vrouw zou verder zorg voor +hen dragen. Met het zoontje van zijn oom, een goeie jongen, kwam Jean +Jacques in de kost bij een domine in Bossey, een dorpje op Geneefsch +gebied aan den voet van de Saleve. De Grieken en Romeinen raakten op den +achtergrond van zijn bewustzijn: hij leerde spelen en kattekwaad +uitvoeren en werd, voor 't eerst eigenlijk, kind. En een nieuwe vreugde +ging open: hij die tot nu toe geleefd had binnen stadsmuren kwam buiten, +in de natuur. Zij zou, in zijn verder leven, hem over alles troosten; in +zorg, in verdriet, in verbittering, in geestelijke omnachting zijn hart +tot rust brengen; zij zou voor hem de diepste zoetheid des levens zijn. + +Twee jaar bleef hij in het predikanten-gezin; leerde er wat latijn en +kerkgeschiedenis en den katechismus. De moreele atmosfeer was dezelfde +als thuis, de predikant en zijn zuster behandelden hem met liefde: het +zachte, affektueuze en levendige kind won alle harten. Met zijn neefje +Bernard sloot hij een echte jongensvriendschap: zij waren onafscheidelijk, +kibbelden soms, maar konden geen kwartier buiten elkaar. + +Aan 't eind van die twee jaar kreeg zijn kindergemoed de groote schok +waarvan het zich nooit geheel herstelde. De menschen waaraan zijn hartje +hing straften hem, ondanks zijn hartstochtelijke betuigingen van +onschuld, hard en onmeedoogenloos voor een vergrijp dat hij niet +misdreven had. Er brak iets in hem: hij doorvoelde de monsterlijkheid +van onrecht. De groote kloof viel in zijn leven tusschen 't +kinderparadijs van ongerept vertrouwen en het bewustzijn van de wereld +als vijandelijke overmacht. Haast alle kinderen beleven dit, alle voelen +in die oogenblikken de wanhoop der machteloosheid, maar de meesten +herstellen zich spoedig, want het normale kindergemoed is elastisch als +een ongebruikte veer. + +Maar zijn gemoed miste die soort veerkracht, en dit kon niet anders zijn +door de gave, met de herinnering de aandoening weer wakker te roepen. +Wie haar bezitten dragen zwaar aan het leven, en hun verdriet gaat niet +voorbij. + +Hij was week van natuur, vatbaarheid voor teedere aandoeningen vormde de +grondslag van zijn wezen, maar meer passief toch nog dan aktief, meer +als begeerte liefde te voelen uitstroomen over hem dan als uitstroomende +liefde. Hij hunkerde naar koestering, zoog haar in als dauw. Op kwaad +hem aangedaan, reageerde hij zelden aktief door drift en toornen. +Tweemaal, verhaalt hij, werd hij als kind ernstig bezeerd door de +onhandigheid of wildheid van kameraadjes. Hun schrik en angst voor straf +wekte zulk een groot medegevoel in hem, dat hij onmiddellijk in de +eerste oogenblikken van hevige pijn, een valsche oorzaak van zijn +verwonding opgaf en nooit tegen wien ook de ware bekende. En ondanks +pijn en ontsteltenis doorvloeide hem in die oogenblikken een zoete +verteedering; hij genoot zijne weekheid en hun medegevoel. + +De eerste ervaring van machteloosheid tegen onrecht was de eerste groote +proef zijner natuur. Zij bleek een wonderlijk mengsel van staal en +brosheid. De wreede kastijding verdroeg hij stoicyns: zoo zij niet +ophielden te slaan, hij hield niet op te ontkennen. In 't verdragen was +hij toen reeds sterk en standvastig. Maar hij schoot te kort in +herstelkracht. De pijn van machteloosheid tegen onrecht bleef, lang +nadat hij zijn radelooze verontwaardiging had uitgegild; zij stak nog, +als hij na vijftig jaar het voorval ophaalde uit den stroom der +herinnering, zijn pols joeg dan sneller. Zijn kinderblijheid was weg, +het fundament zijner wereld ondergraven, haar glans verduisterd. + +Maar andere gaven in hem verkeerden die zwakheid van overmatige +depressieve reaktie weer tot kracht. Zijn gevoel sloot zich niet over de +bitterheid van het eigen lichamelijk-doorproefde leed. Neen: het rankte +uit, door medegevoel en verbeelding gevoed, tot andere menschen die dit +ook geleden hadden, verstrengelde zich met hun gevoel. Wanneer hij van +af dien dag menschen of dieren gekweld zag worden, of verhalen van +triumfeerend onrecht las, kwam zijn bloed in zieding en zijn vuisten +balden zich. Want hij wist wat dit was en voelde in de pijn dier anderen +zijn pijnen. En dit zou sterker in hem worden, tot de tijd kwam, dat hij +zijn verontwaardiging omsmeedde tot gloeiende woorden tegen de algemeene +oorzaak van alle verdrukking en onrecht: de maatschappelijke +ongelijkheid. + +De bekoring van het vredig leven in de pastorie was gebroken, de zachte +gemeenzaamheid verstoord. Jean Jacques keerde met zijn neefje naar +Geneve terug. De vraag was nu voor welk beroep hij opgeleid zou worden: +horlogemaker, notaris of predikant. Het laatste trok hem aan, maar de +nalatenschap van zijn moeder bleek niet voldoende voor de studiekosten. +Zijn vader was hertrouwd en liet zich weinig aan den jongen gelegen +liggen. Hij kwam als klerk op een notaris-kantoor, maar het werk stond +hem tegen en zijn meester vond hem te stom voor het vak. Hij schold hem +een ezel en stuurde hem spoedig weg. Het zou de laatste maal niet zijn, +dat Jean Jacques den indruk maakte maar een heele gewone jongen te zijn +met beperkte geestvermogens. Hij voelde hevig, maar dacht moeizaam en +traag en zijn gedachten wonden zich langzaam los uit de vruchtbare, +warme verwarring van het onderbewuste. + +Hij werd bij een graveur in de leer gedaan. Zijn meester, een jong man +nog, verbond zich den leerling in te wijden in alle geheimen van het +ambacht, hem op te voeden in de vreeze Gods en de goede zeden. Hij was +dertien jaar toen de ellende van den leerlingentijd voor hem begon. + +Zijn aard was niet uit een stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch +zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en toch ontembaar, +zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en +meegesleept-worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zichzelven, en +moest zoowel het genot als de wijsheid derven. In zijn jeugd liet hij +zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken, en wat omstandigheden +en omgeving van hem maakten, dat was hij. + +Nu kwam hij in een omgeving, die al de lage aandriften en neigingen in +hem naar boven haalde en al het zachte en edele verschrompelen deed. +Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, +gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de +ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van +overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren +onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun +liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, +hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als +een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden +van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, +verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in +verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later +dagen werd hij zich pijnlijk-bewust, hoe snel zijn karakter in korten +tijd was vervallen. + +Met zijn neefje Bernard kwam hij nu nog maar weinig samen. Die woonde in +de hooge stad, het kwartier der notabelen; hij, Jean Jacques, in de lage, +waar de ambachtslieden huisden en het gemeene volk. + +Zoo was hij dan geheel en al ontrukt aan zijn oude warme levenssfeer. +Alles om hem werd kil en grauw. + +Wie telt de duizende knapen, wier geest verstompt en wier karakter voor +goed bedorven werd door de ellende van hun leerlingen-bestaan? Jean +Jacques ontkwam den ondergang: een goede fee had aan zijn wieg gestaan +en als de werkelijkheid te nijpend werd strekte zij haar staf uit en +voerde hem mee tot haar lichte domeinen. Het was de fee: verbeelding. + +In Bossey had hij gestoeid en gedarteld en in de werkelijkheid geluk +gevonden. Nu vluchtte hij voor haar pijn in het rijk der fantaizie. En +omdat eigen vleugels hem nog niet konden dragen, borgde hij vleugels van +anderen. + +Hij las. Hij las zonder keus, zonder onderscheiding, met hartstocht, met +razernij. Hij was onverzadigbaar, want hij volgde zijn instinkt van +zelfbehoud. Als zijn geld op was, verpandde hij zijn kleeren om boeken +te kunnen huren. Bont en vreemdstaltig zal de wereld er hebben uitgezien +waarin hij zich redde! Want hij nam gretig aan wat de boeken-verhuurster +hem voor zette, haar heele winkel las hij leeg. Alleen voor de +liederlijke boeken die zij hem, geheimzinnig-doende, aanprees, bedankte +hij uit schaamte. + +Hij leerde zijn ambacht niet ten einde. Maar hij leerde lang genoeg om +het element van vorming in zich op te nemen dat voor ieder ligt, maar +in 't bijzonder voor zijn dichternatuur in de discipline van den +handenarbeid lag. Hij leerde geduld, nauwkeurigheid, stadigheid. Hij, +voor wien de verbeeldingswereld werkelijker aanvoelde dan die der +zinnelijke werkelijkheid, raakte althans met een stukje dezer laatste +innig vertrouwd, leerde dat beheerschen, vervormen. Hij, de droomer, +leerde het respekt voor den handen-arbeid, dat enkel geheel doorvoeld +kan zijn bij wien zelf een handwerk verstaat. + +Ook deze kiemen droegen vrucht. Dat hij in zijn jeugd een ambachtsman +geweest was, maakte hem zijn leven lang het arbeidzame volk dieper +eigen. En toen hij, aan den drempel van den roem, het moedig besluit nam +om, zijn vrijheid reddend, voortaan van den arbeid zijner handen te +leven, deed de spottende verbazing der vak-letterkundigen, zijn +vrienden, hem vreemd aan: hij keerde immers terug tot een hem +vertrouwden levensstaat. + +Met dat al was het gelukkig, dat zijn leerlingen-bestaan niet te lang +duurde. Het kwam ten einde door een toeval en een opwelling. Hij placht +op vrije dagen met kameraadjes buiten de stad te zwerven; dan herleefde +de oude overmoed en uitgelatenheid, hij werd hun aanvoerder, vergat +afstand en tijd. Al een paar keer hadden zij, terugkeerend, de poorten +gesloten gevonden en buiten overnacht. Zijn meester had hem afgestraft +en zoo fel bedreigd, dat de knaap bevreesd werd en de derde maal niet +terug dorst keeren. Toen hij, die ademloos aanrennen kwam, zag hoe de +brug werd opgehaald en haar horens de lucht in boorden, wierp hij zich +in wanhoop neder en beet in den grond. Hij zwoer, nimmer terug te +keeren. Zijn kameraden brachten de boodschap over aan den jongen +Bernard, of die van zijn neefje afscheid wou komen nemen. Hij kwam, maar +zocht den vluchteling met geen woord tegen te houden. + +Zoo trok Jean Jacques, door vrees bewogen, op zijn zestiende jaar de +wereld in. Hij had geen geld, geen beschermers, geen kennis, geen +ervaring, hij stak vol romantische droomen en vage matelooze +eerzuchtigheden, hij was een arme verdwaasde jongen, zonder wapens in +den strijd om het bestaan. + +Maar de wereld waasde, vol avontuur, en de wind woei vrijheid. + + +III. DE ZWERVER. + +Het was vroeg-lente, het zoet getijde, dat alle dwaze droomen opengaan. +Hij kwam nu in het land Savoye; op de heuvels boven de dalen stonden de +kasteelen der heeren, en hij dacht smachtend aan de schoone jonkvrouwen, +die op hem gingen verlieven en hij op hen. Hij had, meende hij, de hand +slechts uit te strekken om het wonder aan te raken, overal geurde de +minne, het duffe leven van gewoonheid lag achter hem, zijn dagen gingen +zich kronkelen door verrassingen en avonturen, als een stroom zich +kronkelt door bergen. Zoete verwachting van wat ging komen! En zoete +bandeloosheid van het oogenblik! Hij dwaalde naar willekeur, kwam, ging, +rustte, droomde, de boeren gaven hem voedsel en onderdak; hij voelde +zich baden in vrijheid. + +Die droomen waren--droomen. En de vrijheid, die hem omwoei, was schijn. +Wat hij gedaan had was niet willekeurig, maar een kleine golf in den +oceaan van het menschelijk gebeuren, een van de duizenden stipjes te +zamen de lijnen vormend die wij noemen "maatschappelijke verschijnselen." +Zijn vlucht was het gevolg van het leerlingenstelsel, een werking van +dat stelsel op een uiterst-sensitieve natuur. En wat hem na zijn vlucht +ging gemoeten en gebeuren, had elk kunnen voorspellen, die hem kende en +de streek waar hij kwam. Hij kon haast geen stap doen buiten 't +grondgebied van Geneve, of hij was bij den erfvijand, in 't land der +hertogen van Savoye. In vroeger tijden hadden zij met de wapens gepoogd +de burgerlijk-protestantsche stad ten onder te brengen, vele malen, +telkens weer. Maar 't was hun nooit gelukt haar te vermeesteren en de +veete was ten slotte gedempt. Nu voerden de papen den strijd verder met +andere middelen: geniep en listen en omkooperij. De zwarte spinnen +hadden hun webben gesponnen tot aan de poorten van Geneve, zij lagen op +de loer naar de afgedwaalde zonen van het protestantisme; er werden vele +bekeerlingen gemaakt. Wie jong en onnoozel, zonder middelen van bestaan +zwierf langs de wegen, moest in hun netten raken voor hij 't wist. + +De eerste de beste man van aanzien en middelen bij wien de vluchteling +na een paar dagen zwervens belandde, was een van de geestelijken die het +bekeeringswerk stelselmatig bedreven. Hij verzorgde den hongerigen knaap +met een flink maal, schonk hem rijkelijk van den gelen landwijn die het +hart licht maakt en de gedachten welig, polste hem, vond een zieltje te +winnen, en gaf hem een schrijven voor Mme de Warens, een adellijke dame, +die te Annecy van de karige mildheid van den koning van Sardinie leefde. +Zelve een nieuwbekeerde, was zij een werktuig in handen der priesters: +haar huis fungeerde als doorgangspunt, vanwaar de bekeerings-candidaten +uit de streek verder werden gezonden naar het centraal gesticht in de +hoofdstad Turijn, om daar onderwezen te worden in de leer van het +katholicisme. + +Hij meldde zich aan: men zei hem, dat zij naar de mis was. Hij +achterhaalde haar op 't pad dat de beek langs, van haar huis naar de +kerk voerde; zij hoorde hem komen en wendde zich om. Hij had een oude +kwezel te vinden verwacht en stond in verbazing: zij glansde hem tegen, +lieftallig schoon en jong. + +Mme de Warens was toen 28 jaar oud, 12 jaar ouder dan Rousseau. Sedert +zes jaren leefde zij, van haar echtgenoot gescheiden, te Annecy met haar +bediende-intendant Claude Anet, een Zwitser, die haar minnaar was. +Niemand wist van hun liefde. Zij was klein van gestalte, poezel en +weelderig van vormen, een vrouwtje van Watteau. Haar gelaatskleur +bloeide als lelies en rozen, uit haar oogen straalde zachtheid, haar +teeder gelaat omgolfde een weelde van aschblond haar, haar stem klonk +als zilveren klokjes, haar glimlach bekoorde. Zoo zag Rousseau haar niet +alleen, zoo zagen haar ook anderen. Zij bezat de zoete gave van +lieftalligheid. + +Hij had al veel van vrouwen gedroomd en was ook wel kinderlijk-verliefd +geweest op groote meisjes. Maar nu ging de liefde open voor zijn hart. +Vurige aanhankelijkheid en volmaakt vertrouwen stegen daarin op, als +twee witte duiven. Hij had de ster van zijn jeugd gevonden. + +Over het oogenblik hunner eerste ontmoeting schreef hij vijftig jaar +later--het waren de laatste woorden die hij schreef--dat het zijn leven +beslist had en langs onvermijdelijke schakels het lot zijner dagen +voortgebracht. Zij bond hem met den eenen band waartegen hij nooit in +pijn steigerde. Zijn verlegenheid, zijn linksheid, versmolten voor hare +gratie; hij raakte los, alles in hem ging open, de teruggedrongen +zachtheid in zijn wezen stroomde uit en vond hare zachtheid ... dat was +het geluk. + +Was het de liefde-hartstocht? Hij heeft het nooit geweten, toen niet en +later niet. Zij werd daar en onmiddellijk, de liefelijke verschijning +die hem omhoog trok, de hooge vrouw van zijn romantische vereering; al +heel spoedig, de milde weldoenster die hem opnam uit zwervende armoe in +haar behagelijk thuis; wat later, de moederlijke vriendin die hem +terechtwees, zijn ruigheid polijstte met zachte hand, en tevens de +geliefde die hij, hartstochtelijk dwepend, verafgoodde. En eindelijk +werd zij zijn minnares, niet uit zinne-lust naar zij zeide, maar om hem +te beveiligen voor anderen. Al de jaren van zijn onstuimige jeugd vulde +zij zijn hart en zijn zinnen; hij was van haar voortaan, bij haar voelde +hij zich veilig geborgen, en of hij zwierf of keerde, zij hield hem +gebonden, en die gebondenheid was zijn geluk. + +Maar niet kende hij door haar den zinnenroes der eerste liefdesbedwelming. +Integendeel, die ontging hem door haar, want in de dagen van zijn +hoogsten hartstocht was hij een knaap die haar niet durfde naderen; en +toen zij zich gaf, na jaren, schrok zijn lange vertrouwelijkheid en +kinderlijk-volgzame aanhankelijkheid huiverend terug, als omhelsde hij +in minne zijn moeder. + +Zij was wel een wonderlijke achttiend'eeuwsche heilige. Kuischheid +beschouwde zij als een vooroordeel: dat had een vroeger minnaar haar +geleerd, en zij vond het een gemakkelijk beginsel. Haar hart was warm en +zacht, haar zinnen waren koud; zij gaf zich aan de afhankelijke +jongelieden uit haar omgeving die haar begeerden niet uit hartstocht, +maar om hun te believen, haast achteloos. Alleen moesten die liefden +voor de menschen verborgen blijven: zoo eischte het de welvoegelijkheid, +haar maatschappelijk aanzien. Daaraan hield zij zich streng. Zij bezat +een verwonderlijke levenskracht, haar ondernemingsgeest schuimde telkens +over; een levendige verbeelding, zich richtend op allerlei onmogelijke +plannen, sleepte haar mee. Gedurende haar huwelijk met den edelman de +Loys had zij een kousenmanufaktuur opgericht en was in schulden en in +groote verlegenheid geraakt: zij redde er zich uit door van Vevey over +het meer naar Evian te vluchten, waar zij zich den koning te voet wierp. +Spoedig volgde haar bekeering. + +Wat heeft zij in haar lang leven al niet overhoop gehaald! Toen Rousseau +bij haar inkeerde, was de bereiding van geneesmiddelen uit bergkruiden +haar stokpaardje; zij kookte den lieven dag lang, en hij moest alles +proeven, of hij wilde of niet. Later kwam de alchemie aan de beurt, en +daarna de kousenfabriek, manufakturen van chocolade, van zeep, van +aardewerk. En eindelijk allerlei mijnondernemingen in de bergen van +Savoye, ijzer, steenkool, ook een hersenschimmige goudmijn; om ze te +exploiteeren richtte zij verscheidene naamlooze vennootschappen op. Wat +al plannen, wat al onrust, wat al menschen die haar oplichtten of dien +zij geld afzette, wat al intrigues en natuurlijk wat al mislukkingen, +wat al tegenslagen. Arme barones, zooveel verknoeide energie, en aan het +einde de finantieele ruine en de moreele ondergang, na jaren van al +nijpender schulden en al dreigender gebrek. + +En toch ... bij die onrustige plannenmaakster was voor Rousseau de rust, +de uiterlijke en innerlijke, te vinden. Hij had een beschermer noodig +die hem brood gaf, hij had ruimte en tijd noodig om uit te groeien, +zichzelf te worden, zich te bezinnen, kennis te vergaren; en de banden +der liefde waren de eenige, die hij velen kon. Alle andere scheurde hij +stuk in opwellingen van onafhankelijkheidszin en ongeduld. Zonder haar +ware hij in landlooperij te gronde gegaan, om toch maar vrij te wezen. +Zij was de zachte lamp, die altijd brandde, de goede herberg waar hij +verkwikking vond voor zijn lichaam, zijn hart en zijn geest. + +Hij, eenvoudige burgerknaap, zoo gesprongen uit het zwarte hol van zijn +leertijd, had haar 't eerst gezien omgloried door vrouwelijke bekoring +en wereldsche superioriteit. En die eerste indruk bleef, werd tot +fundament van het gebouw zijner gevoelens. Hij zag haar in schoonheid, +in verheerlijking--dat is, in diepste waarheid, de waarheid die enkel +de oogen der liefde zien. Hij zag de beste mogelijkheden van haar +vrouwenaard, het geduld en de mildheid, die altijd weer vergaven en +vertrouwden; de speelsche gratie, die alle hardheden van dood en leven +effen streek; de aandoenlijke zachtheid, die door alle verwringing van +onrust klonk, en vrede-verspreidend rond haar een sfeer maakte van +harmonie. Zoo zag hij haar, zoo zoog hij haar in zich, zoo hield hij +haar vast en deed haar leven voor latere geslachten in bekoorlijke +tafreelen van de dagen van zijn gelukkigen, door haar gelukkigen +jongelingstijd. + +Eerst gaan hun wegen nog uiteen, een poosje. Zij stuurt hem naar Turijn, +om bekeerd te worden. Gewillig gaat hij over de bergen, dol van +zwerverslust. Waar is de gloed van geestdrift gebleven, die door zijn +kinderjaren vlamde voor het geloof der vaderen en de vrijheid? +Katholiek-worden beteekent met alles breken, zijn plaats verliezen in de +burger-gemeenschap, zijn kinder-ideaal verloochenen. Maar zijn zedelijk +leven is in de jaren van zijn leerling-zijn verslapt; de zedelijke +gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap, verstikt door heete +begeerten van liefde, van roem, door ijdelheid en eerzucht. Eens zullen +zij weer opleven: het kind is vader van den man. Nu denkt hij alleen aan +de vreemde landen en prachtige steden die hij zien zal en aan de schoone +vrouw wier wil hij gaande, doet. Zoo blijft hij immers toch aan haar +verbonden, haar beschermeling. Vrijheid zweeft voor hem uit, +aanhankelijkheid verwarmt zijn hart: de wereld schiet vol van een nieuwe +schoonheid, rijk en zinnig staat elk ding te pralen: droomend, genietend, +juichend, maakt hij zijn Alpen-tocht en komt te Turijn. + +Daar, de ontgoocheling; begin van eenzame ellende en vernedering. Hij +wordt toegelaten tot het gesticht, achter hem sluiten de zware deuren +zich knarsend: de vogel is geknipt. Hij vindt er arme schooiers als hij +is, maar ook sinistere gezellen, uitvaagsel van alle landen, die het +bekeerd-worden als ambacht bedrijven. Hij wordt zich de lafheid bewust +van wat hij gaat doen: om brood van geloof veranderen. Hij stribbelt +tegen, tracht de priesters die hem onderrichten in 't nauw te brengen +met argumenten uit de kerkgeschiedenis en den katechismus. Wat kan het +geven? Hij zou een reus hebben moeten zijn aan zedelijke kracht, een man +van ijzeren wil, om nu nog los te breken. Als katholiek verlaat hij, na +vier maanden van kwelling, het gesticht. Ach, en hij had zulke schoone +droomen gedroomd, toen hij de stad binnenkwam en zijn oogen hief tot de +paleizen, hij had verwacht dat het buitensporige nu waar ging worden. +Die in het klooster gaven hem twintig francs, het bedrag eener voor hem +gehouden kollekte, en zetten hem op straat. + +Hij zwerft door de stad, genietend haar residentie-pracht en de +weergevonden vrijheid; voor een stuiver per nacht vindt hij onderdak bij +de vrouw van een soldaat. Hij probeert wat te verdienen met graveeren, +zoo goed en kwaad als 't gaat. Zoo komt hij in aanraking met een mooie +hupsche italiaansche winkeliers-vrouw en wordt natuurlijk verliefd; de +schoone moedigt hem zoetjes aan, maar hij is te verlegen, en eer 't tot +een avontuurtje kan komen, snijdt de bramarbas van een echtgenoot alles +af. + +Zijn grootste genot in die dagen is het bijwonen van de mis. Het streelt +zijn ijdelheid in de kerk samen te zijn met den vorst en zijn hofstoet, +maar dat niet alleen. De kerkelijke kapel van den koning van Sardinie +was wijd en zijd beroemd om haar voortreffelijkheid; de pracht der +italiaansche kerkmuziek, heerlijk uitgevoerd, overstelpt hem, +muziekhartstocht wordt wakker vele jaren eer de schrijvers-drang +ontwaakt. + +Zijn geld raakt op; zijn kostvrouw bezorgt hem eindelijk een postje: hij +wordt lakei bij een oude zieke adellijke dame. Na drie maanden sterft +zij. Haar dood geeft aanleiding tot een voorval in zijn leven, dat +nietig op zich zelf, bewijst hoe klein de zedelijke kracht is in den +jongeling. Hij ontvreemdt een zijden lint en als de diefstal uitkomt, +geeft hij, in verwarring en valsche schaamte, de schuld aan een +keukenmeisje, een goed onschuldig kind, die hem nooit iets had gedaan en +die hij in 't minst niet slechtgezind is. Vele jaren lang vervolgt hem +het berouw over die slechte daad uit zwakheid; als hij haar biecht in de +"Confessions", schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn +aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit. + +Hij krijgt opnieuw een dienstbetrekking bij aristokraten, en verlieft op +een der freuletjes die hij bedient. Door een toeval komt aan den dag dat +zijn opvoeding en ontwikkeling meer zijn, dan van een lakei te verwachten +valt. Zijn heeren blijken hem genegen; de zoon van den graaf, een +geestelijke, geeft hem latijnsche les, en gebruikt hem als sekretaris, +zoo leert hij zuiver italiaansch. Een ander geestelijke met wien hij +bekend wordt, een jonge man van wijde gedachten en grooten levensernst, +zeer zachtmoedig en verdraagzaam, stelt belang in hem, geeft hem goeden +raad, tracht zijn naieve, onstuimige bewondering voor de ijdelheden der +wereld te temperen. Later rijpen die zaden en dragen dubbele vrucht: zijn +gemoed aanvaardt ze als levens-waarheid, zijn verheerlijkende verbeelding +herschept de herinnering van den zacht-peinzende jongen priester tot de +groote gestalte van den "Vicaire Savoyard," figuur die een zeer belangrijke +faze verpersoonlijkt in de ontwikkeling van het godsdienstig denken. + +Zijn toekomst schijnt verzekerd: het geslacht der Gouvon's behoeft in hun +diplomatieke carriere een begaafden, schranderen, eerzuchtigen jongeling +gelijk Rousseau tot vertrouwd sekretaris. Maar hij breekt weer los. + +Een landgenoot duikt op, een vrolijke snuiter; voor den jongen +avonturier krijgt hij een van die onweerstaanbare bevliegingen waaraan +toe te geven hem in 't bloed zit. Hij wil, hij moet met Bacle mee, hij +moet weer zwerven; hij verwaarloost zijn plichten bij den graaf om toch +maar weggejaagd te worden en is dol blij als hem dit lukt. Met zijn +nieuwen vriend trekt hij de wereld in: beide zijn overtuigd door 't +vertoonen van een "wonderfonteintje," dat wijn uitspuit nadat 't +schijnbaar met water gevuld is, gouden bergen te zullen winnen. + +Een paar weken geniet hij 't vrije onbezorgde zwerversleven, dan raakt +hun geld op en trekken de jonge dwazen op Annecy aan; daar gekomen, +neemt hij afscheid van zijn vroolijken metgezel en ijlt naar Mme de +Warens. Zijn hart klopt van vrees, door haar afgewezen te worden; niet +de armoede ducht hij, maar haar afkeuring van zijn dolle streek. Zij +ontvangt den "arme kleine" met een glimlach en een meedoogend woord; een +bed wordt voor hem gereedgemaakt; zijn zwerftochten zijn niet ten einde, +maar in de tien volgende jaren zullen hun levensstroomen zich altijd +weer vermengen en haar dak zal zijn tehuis wezen, telkens weer. + +Nu begint voor hem de reeks der zoete dagen waarvan hij vele jaren later +getuigde, dat zij de eenigen in zijn leven geweest waren, waarin hij +gansch zichzelf kon zijn. Zijn wezen dat elke dwang, elke verplichting +verafschuwde en ondragelijk gevoelde, gedijde, want de band die hem bond +was liefde, dat is vrijheid; zachte volle vrijheid die rondom hem veerde, +altijd meegaf, een donzige wolk. + +Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de +liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, +alles kil en doods. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen +gevoelde, niet als onstuimige hartstocht maar als zinnelijke +verteedering en teedere zinnelijkheid, maakte de krachtstroom in hem +levend, joeg dien door zijn bloed, door zijn hart, door zijn hersens, +verscherpte de doezelige omtrekken zijner verbeeldingen, ontwarde de +vervlochten slingeringen zijner gedachten. Slechts eenmaal in zijn leven +schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het +moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. Wat hij +toen schreef werd hol en retorisch, van een gloed die niet verwarmde. + +In zijn herinnering bleef de liefde van zijn jeugd, die van nu af aan +wast in zijn hart en een tijdlang alles opeet, voortleven, niet als +passie, onrust van begeeren, maar als teedere aanhankelijkheid, zachte +overgave, volheid van rust en vertrouwen. Zijn liefde voor Mme de Warens +was een dier grensgevoelens waarin al wat menschelijke affektie teeders +heeft, zich vermengt. En zulk een liefde te gevoelen zonk in hem als de +hoogste gelukzaligheid. Wie slechts de hartstocht der liefde kent, heeft +hij getuigd in de "Bekentenissen", kent niet de zachtste zachtheid des +levens. "Ik ken een zachter gevoel, minder onstuimig misschien, maar +duizendmaal heerlijker, dat somtijds wel, somtijds niet samengaat met +liefde-hartstocht. Enkele vriendschap is dit gevoel niet, het is +teederder; ik kan mij niet denken, dat 't zou bestaan voor een wezen van +hetzelfde geslacht. Want zoo iemand een goed vriend is, ben ik dat en +toch heb ik voor wien ook mijner vrienden nimmer dit gevoeld." + +Het zoete schemergevoel tusschen vriendschap en liefde, dat 't hart niet +doet zich verteren in verlangen, maar zacht en welig uitzetten als een +vrucht in zomertijd, was 't sterkste element, 't wezenlijke in de liefde +van Rousseau voor Mme de Warens. Dit gevoel deed hem groeien. + +Daarom is het lieftallige maar vlakke wezen dat hem nooit begreep, in de +tien jaren dat hij van jongeling tot man rijpte, de groote vormende +kracht in zijn leven geweest. Zij ontbolsterde den schuwen knaap, +polijstte den verwilderden zwerver, leerde den houterigen burgerzoon +goede manieren en korrekt fransch. Zij gaf hem wat zij zelve bezat aan +weten, een weinig oppervlakkige kennis van de fransche filosofie en +literatuur van den tijd, en van de opkomende burgerlijke engelsche +prozaliteratuur, zooals Addison (in vertaling). Zij gaf hem het vernisje +van wereldwijsheid dat zij zelf had verworven door een beetje lezen en +ervaring en in gesprekken met mannen van eenige ontwikkeling, zooals er +te vinden waren onder den adel van Savoye. Het was alles niet veel, maar +hij kon ook niet veel verdragen, hij was nog zoo rauw en ongevormd. Maar +het maakte hem toch geschikter om na eenige jaren van langzaam rijpen, +de geestelijke beweging van zijn tijd zelfstandig in zich op te nemen en +te verwerken. En zij gaf hem haar eigen geloof dat zoo wel bij zijn +weekheid paste: het zachtaardige, poetisch milde, vage christendom van +Fenelon waarin haar faciele natuur zich behagelijk neervleide als in een +donzen bed. Het pietisme was al voor het begin der eeuw van uit +Duitschland naar Zwitserland overgewaaid en Mme de Warens had als meisje +een zijner voornaamste apostelen leeren kennen en was door hem beinvloed +geworden. De leer die het gevoel, de innige liefdes-verhouding tot God +verheerlijkte tegenover de uiterlijke werken, de daden, moest haar wel +behagen, het was immers een vrijbrief voor haar zwakheden en een +verheerlijking van haar eigen liefde-warme hart. Rousseau zoog die +gedachten in zonder hun oorsprong te kennen; het makkelijk-vloeiend +geloof van haar ondiepe gratie verinnerlijkte en verdiepte zich in de +donkere gewelven van zijn gemoed. + +En met de teerheid en zachte levenshouding en oppervlakkige kennis die +hij inzoog en die een deel van hem werden, deed hij het ook de +schoonheid der omgeving waarin hij deze jaren leefde; het oude voorname +stadje dat met de guirlandes van arkaden langs zijn straten, zijn +middeleeuwsche torens en stille, in 't meer mondende kanalen een +provinciaalsch-verkleind Venetie scheen, en de natuur waarin de +bekoorlijke bloem van dit stedelijk schoon gegroeid was. Van uit zijn +kamer zag hij het vruchtbaar dal dat achter de stad zich strekte en de +hellingen der heuvels daarachter zich welven en de flauwe lijn van den +bergrug in het noorden die den horizon sloot, een lange kam tegen de +gouden bleekte der avond-lucht. Hoeveel zachter was dit alles dan +Geneve, hoe innig en klaar! En als hij liep aan het parelend meer, onder +de hooge peppels en platanen, zag hij de romantiek der bergen: woeste +rotstinnen en besneeuwde toppen links en rechts het meer omsluiten en op +den achtergrond de bergkoulissen over elkander schuiven. Het landschap +was wijd, en toch omsloten; zwitsersch-groots, en liefelijk als Italie, +een bad van vrede en harmonie. + +Dit land werd een met zijn ziel en een met zijn liefde. Had hij niet +langs de hellingen dwalend en peinzend van zachte verrukkingen +geduizeld, en het alles-etend verlangen hem voelen overstelpen van +altijd met de geliefde saam te zijn? Want zij waren toen nog dikwijls +gescheiden. En toen hij later droomen schiep, schoone verbeeldingen van +liefde, zag hij ze gebeuren aan bergen en aan een meer. + +Mme de Warens dacht veel na tot welk beroep haar beschermeling viel op +te leiden. Hij was haar in huis misschien ook wel wat lastig, om de +verhouding met Claude Anet. Zij liet hem examineeren door een kennis, en +de uitspraak luidde, gelijk zij in Geneve geluid had: de knaap is zeer +zwak begaafd, beperkt van geestvermogens. Hoogstens, meende de +ondervrager, kon hij het brengen tot dorpspastoor. Zij sloten hem op in +'t seminarie boven de stad; opnieuw geknipt, dorstte hij weer naar de +zoete vrijheid. Hij deed zijn best maar bleek te hardleers. Hij kon niet +leeren van anderen, allerminst door dwang; alles moest hij zelf +verwerken, maar dit wisten zijn meesters natuurlijk niet. Hij werd +weggestuurd en kwam weer thuis. Toen probeerde zij wat anders: deed hem +aan huis bij den kapelmeester van de kathedraal, om voor den koorzang +opgeleid te worden. Zijn vorderingen waren niet heel groot, maar muziek +verrukte hem, hij voelde zich in die atmosfeer volkomen gelukkig en +studeerde ijverig, tot ieders tevredenheid. Nu was hij ook niet +afgesneden van de liefste, zooals in 't seminarie: de zangschool voor de +koorknapen lag tegenover haar huis, hij kon dagelijks met haar verkeeren. +Maar ongelukkig kreeg zijn meester twist met een kanunnik; de prikkelbare +musicus voelde zich beleedigd en besloot Annecy heimelijk te verlaten. +Toen Mme de Warens merkte, dat zij hem niet kon terughouden, was zij hem +behulpzaam bij zijn vlucht en wenschte dat Rousseau den huisvriend zou +vergezellen. Deze gehoorzaamde, maar toen de arme musicus in Lyon op +straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw +een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd +heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den +zieken meester te bekommeren. Als een duif naar zijn nest, vliegt hij naar +Annecy terug, maar Mme de Warens is verdwenen; de eene of andere politieke +intrigue waarnaar Rousseau haar nooit gevraagd heeft, riep haar naar +Parijs. Hij verwijlt nog een poosje in Annecy, zonder bezigheid en zonder +middelen. In dien tijd van doelloos onrustig leven valt hem in den schoot +een dier schaarsche dagen van volkomen gouden geluk, wier herinnering +nooit in den mensch verloren gaat. Twee gestalten zweven door dien dag, +lieflijke meisjesgestalten, de eene teeder en peinzend, de ander meer +lachend-schalks, beide aanbiddelijk. Hij gemoet hen, schoone rijdsters in +den vroegsten morgen, eer de zon nog op is in het nauwe dal. Hij helpt hen +over de beek, zij lachen met hem, zij schertsen, zij vragen hem mee. +Achter de eene stijgt hij te paard, zijn armen omvatten haar leest, hij +beeft van verrukking. En dan die rit door den zomermorgen, bloeiend van +zon en geur en vogels; en aan het doel van den tocht gekomen, het kostelijk +landelijk maal in de schuur van het kasteel, en daarna in den boomgaard het +kersen-eten, die hij plukt en hun toewerpt, fijntjes mikkend. De lange dag +van morgen tot avond een bekoring; vol, vol van geluk als een zomerwolk van +glans. En alles in onschuld en zoete eerbaarheid. Heerlijk zinkt de +herinnering in zijn gemoed, warm en zilv'rig; zij leeft voort en rankt en +rankt in 't onbewuste, tot zij, als de tijd gekomen is, weer zal stijgen +in 't licht, en haar draden spinnen door dit lieflijk droomweefsel, het +vriendinnen-paar Claire en Julie. + +Nu begint voor Rousseau de laatste en ergste zwerftijd, alles vloeit +door elkander, zijn leven verwart zich als een kluwen. Hij geleidt de +kamenier van Mme de Warens, een hupsch meisje en hem genegen, terug naar +Fribourg en zoekt onderweg zijn vader op. In Lausanne geeft hij zich +uit voor musicus en krijgt enkele lessen; naar het voorbeeld van een +muzikalen avonturier dien hij in Annecy had leeren kennen en geweldig +bewonderde, neemt hij een andere naam aan en doet de dolste dingen: met +een overmoed die zweemt naar verstandsverbijstering, laat hij, den +muziek nog bijna geheel onkundige, een "kompositie" van zijn hand voor +orkest uitvoeren, ware kattenmuziek. Door bittere armoe gedwongen, +schrijft hij aan zijn vader, vraagt hem om hulp. De horlogemaker eischt, +dat zijn zoon tot het protestantisme zal terug keeren; dat weigert hij. +Nu zwerft hij een poosje rond met een oplichter die zich uitgeeft voor +een griekschen monnik, naar West-Europa gekomen om te kollecteeren voor +het Heilige Graf. Links en rechts vraagt hij hulp. De fransche gezant +in Berne bezorgt hem een postje te Parijs als oppasser van een jongen +officier, een kolonels-neefje; hij gaat er met zijn meester heen, vindt +de stad vies, zwart en morsig, breekt weer los en keert te voet, heel +oostelijk Frankrijk door, terug naar Savoye. Heerlijk zwerft hij, +zorgeloos genietend, arm als een muis, vroolijk als een vogel en als een +dichter rijk van gemoed. Wat hij noodig heeft vraagt hij. Hem verrukt +de natuur, haar mildheid en schoonheid, maar meer nog verrukken hem de +lieflijke verbeeldingen, die de beweging in de vrije lucht in zijn geest +te voorschijn roept. In Lyon verneemt hij, dat Mme de Warens in Savoye +is teruggekeerd en zich te Chambery heeft gevestigd; daar vindt hij haar +en trekt weer bij haar in, ditmaal voor jaren. Het zwervers-bestaan is +ten einde, de ergste gisting der jeugd uitgewoed, een bewuster leven +gaat beginnen. + +Vier jaar was het geleden, dat hij uit Geneve vluchtte; hij was nu +twintig jaar oud, een jonkman. Hij had veel verworven in dien tijd en +iets verloren, veel in zich gegaard dat van belang was voor den +toekomstigen dichter-hervormer. Niet min of meer verwaterde +levens-abstrakties hadden hem gevormd, gelijkt men die leert op de +scholen: het leven zelf had hem in handen genomen en vorm gegeven; +soms zachtjes, dikwijls ruw. Maar haast voortdurend, sedert hij zijn +vaderstad verliet, had hij, zijn vreemden droomerigen maar ontembaren +vrijheidsdrang volgend, geleefd een leven van vrije overgave aan de +volheid zijner eigen impressies. In onbewuste onbuigzaamheid had hij, +geboren individualist, hardnekkig geweigerd, zich te laten linealen naar +de regels van het maatschappelijk fatsoen, hij was een vrije vogel +gebleven. + +Een vrije vogel--zoo omschrijft zijn staat van toen de taal der +blijheid; in de schaduwtaal heet het "hij was een declasse geworden." +Hij had zijn wortels in de kleine burgerlijke gemeenschap waaruit hij +stamde, verloren; hij was onder de maatschappelijke laag van zijn +afkomst, de gezeten burgerij, gezonken, en te land gekomen in het +bedienden-proletariaat. Zijn instinct van burgertrots had de +dienstbaarheid gevoeld als een slag in het gezicht, zijn ijdelheid en +eerzucht hadden onder haar geleden, zijn sensitivisme was door haar +gepijnigd. Zulke wonden laten lidteekens achter, voor goed. Gevoelens +van brandende verongelijking stoltten in de was van het wordend karakter +tot blijvende bitterheid, tot wantrouwen tegen de maatschappelijk-meerderen, +waar hij zich toch weer boven verheven weet in het vage, maar sterke besef +zijner sluimerende begaafdheid; tot een eeuwig kwellende argwaan, door hen +te kort gedaan te worden in zijn menschelijke waardigheid. Altijd weer +kwamen later die pijnlijk-samengestelde gevoelens boven in zijn omgang met +de grooten; zij roofden hem levens-zekerheid; zij beletten hem in dien +omgang de rustige maat te vinden en lagen aan veel van zijn ziekelijk +wantrouwen ten grond. Hoe zouden zij zijn ideeen niet beinvloed hebben. +Zeker, ook zijn temperament en karakter, zijn nerveus gestel, zijn groote +prikkelbaarheid, zijn bijziendheid en linkschheid, zijn lichamelijke +gebreken (hij werd vele jaren lang door een blaaskwaal gekweld) droegen +er toen bij zijn verhoudingen tot menschen moeilijk te maken, maar voor +wien zijn brieven uit den tijd dat hij een gevierd schrijver was, die de +mannen en vrouwen der groote wereld aan zijn voeten zag, aandachtig +leest, lijdt geen twijfel: de diepste oorzaak van zijn wantrouwen en +lichtgeraaktheid was, dat hij in zijn jeugd de grond onder de voeten had +verloren. Van de nawerking daarvan heeft hij zich nooit bevrijd. Telkens +duikt in die brieven de angst op, door zijn vrienden en vriendinnen uit +de groote wereld als "knecht" behandeld te worden; die angst, niet +burgerlijke fierheid of gevoeligheid van ziel alleen, doet hem plotseling +vertoornen, de eenvoudigste attenties weigeren, takteloos-grof. + +Hij had het leven leeren kennen van den onderkant, als een arme slokker, +die dikwijls niet weet hoe aan brood te komen, een echte proletarier. De +misere had hem nooit verschrikt, in zijn jeugd was hij luchthartig als +den vrijen zingenden vogel past en later werd hij te vast in zich zelven +dan dat dreigende armoe zijn hart vervaren kon: in dat opzicht droeg hij +de teekenen zijner kleinburgerlijke afkomst niet. In zijn zwervers-jaren +had hij vele onregelmatige naturen ontmoet, zonderlinge avonturiers, +voor wie hij gedurende een poos in geestdrift raakte en die hem +meesleepten, maar ook vele goede, brave, eenvoudige menschen uit de +volksklassen. Bij hen had hij hulp in nood en gulle opname gevonden, +onder hen voelde hij zich thuis. In Lausanne had zijn kostbaas, als +in Turijn zijn kostvrouw, hem, armen gelukzoeker, onbaatzuchtig, +menschlievend bijgestaan. Later vergeleek hij hun gedrag met dat der +groote heeren die hij kende. Hoe vaak had hun insolente hoogmoed en nog +meer hun neerbuigende vriendelijkheid hem gegriefd! Hij vond dat bij het +volk de natuurlijke menschelijkheid nog niet verstikt wordt door +ijdelheid en eigenbelang. Aan al die eenvoudigen dacht hij met warmte, +aan hen voelde hij zich verbonden in zijn hart. En zij hadden het zwaar, +zij derfden, zij werden bekneld door de grooten; dat verdroot hem, dat +knaagde aan zijn gemoed. Op zijn tocht door het oosten van Frankrijk was +hij geherbergd geworden door een boer die hem eerst maar 't +allerschraalste voorzette, uit vrees dat de vreemdeling een bespieder +van den fiskus mocht wezen, een werktuig van de belastinggaarders des +konings, die 't weinigje weghaalden wat de kasteelheer overliet. +Gerustgesteld, deed hij den zwerver gul te goed met de vruchten van zijn +arbeid, die hij angstig verborgen moest houden wilden zij hem niet +ontnomen worden: ham en wijn en tarwebrood. En in de borst van den +nadenkenden gast ontkiemde "de onuitroeibare haat tegen de verdrukkers +van het volk." + +Niet theoretisch maar door lichamelijke ervaring, had hij, de droomer +van droomen, kennis gewonnen van de kern aller maatschappelijke +verhoudingen: de verhouding der uitgebuite en uitbuitende klassen. Die +ervaring was een stuk van hem zelven geworden, een bitterheid in zijn +bloed, een scherpte in zijn denken. Zijn eigen verongelijking en die der +massa's waren saamgegroeid tot een gevoel. + +Maar de grondslag van dat gevoel was uitsluitend empirisch: persoonlijke +ervaring en persoonlijke waardeering. + +Zoo had hij al veel vergaard toen hij in Chambery neerstreek. Wat hem +ontbrak, wat hij voor alles noodig had, was het algemeene: een breed +fundament van kennis als intellektueele grondslag eener stelselmatige +wereldbeschouwing, en, op zedelijk gebied, beginselen voor zijn +handelen. + + +IV. GROEI + +Mme de Warens, die hem wachtte, ontving hem met de mededeeling, dat zij +een werkkring voor hem gevonden had op 't kadaster. De vrije zwerver +werd in een bureaukraat veranderd: hoe hij 't werk-zelf en de +bureau-omgeving haatte, begrijpt men. Toch hield hij 't een poos uit, +waarschijnlijk tot aan den dood van Anet, een ernstige, stroeve, diepe +natuur, niet zonder grootheid, die een zeker gezag uitoefende in huis. +Muziekliefde ging steeds meer open in de volgende jaren, zij werd zijn +levensvervulling. Zijn droomerig zich-laten-drijven op het leven was een +kant van zijn wezen; de andere een felhartstochtelijk najagen der +dingen, in buien van opschuimenden wil. Hij wierp zich telkens op iets +of hij het wou verteren, en verteerde door de overmatige spanning zijn +eigen kracht. Nu was het de muziek-theorie: met zijn harde kop zat hij +te blokken op het "Traite de l'Harmonie" van Rameau, een dik boek en +duister; maar hij wou en zou het doorgronden. Zijn geheugen was een +zeef, alles liep weg, maar hij gaf niet op, tot hij in de wereld der +harmonieen den weg had gevonden. Een poos later kreeg hij een +schaak-rage: hij sloot zich op om, met behulp van een leiddraad, alle +kombinaties en finesses van 't nobele spel te bestudeeren en speelde in +zijn eentje partijen tot hij groen en geel zag: toen hij weer buiten +kwam en naar een cafe holde om zijn kracht met andere schakers te meten +was er niets over in zijn hoofd als verwarring en nevel. Maar dit +ontmoedigde hem niet. + +Chambery was de hoofdstad van Savoye, het middelpunt van de landelijke +administratie en het maatschappelijk verkeer. Als de edellieden die in +krijgsdienst plachten te gaan overal waar men vechters behoefde, met +verlof of op hun ouden dag naar hun land terugkeerden, streken zij daar +neer. Met hen verkeerde de hoogere, intellektueele bourgeoisie: +magistraten, ambtenaren, geneesheeren, geleerde geestelijken. Daaraan +sloot zich de eigenlijke middenstand, kooplieden, enz. Mme de Warens had +omgang met menschen uit al deze verschillende kringen, zoodoende kwam +Rousseau ook met ontwikkelde mannen in aanraking, die zich +interesseerden voor de beweging der geesten, in Frankrijk aan 't +opkomen, en voor de nieuwe filosofie. Met een hunner las hij de brieven +van Voltaire--wiens zon toen hoog aan den hemel klom--aan den koning van +Pruissen, Frederik de IIde, en de "Philosofische brieven over Engeland," +van den gevierden schrijver; 't eerste werk, dat de aandacht van 't +denkende Frankrijk op de engelsche burgerlijke literatuur, de theorieen +van Newton en de filosofie van Locke vestigde. In Rousseau begon een +nieuwe warmte op te komen: een warmte voor de Franschen en voor alles +wat fransch was; hij begreep zelf niet waarom, maar hij voelde die +liefde in hem groeien. Toen in 1733 de fransche troepen bij het +uitbreken van den poolschen successie-oorlog door Chambery trokken, wond +hem dat heftig op. Voor 't eerst ontwaakte zijn belangstelling in het +openbare leven, vol ongeduld greep hij in den loop van den veldtocht +naar de nieuwsbladen, begeerig om te weten hoe 't zijn vrienden verging. + +Musici waren schaars in Savoye, en Rousseau gold al spoedig voor een +koning der muziek. Hij kreeg leerlingen, lieve mooie meisjes uit de +aristokratische kringen en de bourgeoisie; zij bleven niet ongevoelig +voor de bekoring van den jongen zachten muziekmeester met de vurige +oogen, en de moeders ook niet altijd. De vrouw in wier huis hij leefde +voelde 't gevaar, zij vreesde zijn hart te verliezen en kon dit niet +verdragen; om het te voorkomen gaf zij zich hem: van nu af aan was hij +haar minnaar, samen met Claude Anet. Hoe Anet dit gevoelde weten wij +niet, maar voor Rousseau had de verhouding niets stuitends; hij was +vervuld van hoogachting en vriendschap voor den ouderen medeminnaar, en +Mme de Warens bezat de gave om in dit bijzonder geval een verhouding +zacht en vloeiend te maken, die ons in 't algemeen even onvereenigbaar +met mannelijke waardigheid als met vrouwelijke eerbaarheid schijnt. In +volle harmonie vloten de dagen, en zoo groot was tusschen hen drieen +vertrouwen en zoete gemeenzaamheid, dat geen der beide minnaars begeerde +de geliefde voor zich alleen te bezitten en voor haar alles te zijn. +Althans zoo voelde Rousseau het in de herinnering. + +Maar het inniger samenleven, getweeen, van minnaar en liefste, kwam +toch, want Anet stierf en de droomerige "kleine" stond voor de taak, die +de bedachtzame Zwitser tot nu toe vervuld had: de inkomsten beheeren en +de uitgaven regelen, de wat-grillig geaarde geliefde met de overmilde +hand en den fantastischen zin, van dwaasheden terughouden. Arme +Rousseau, voor die taak was hij niet berekend. Bij Mme de Warens begint, +sinds zij haar praktischen steun moet missen, de verwildering, de +ademlooze jacht op fortuin; het geld smelt weg, de verwarring in zaken +wordt grooter. Rousseau zag dit alles, zag de finantieele ondergang in +'t verschiet, hij leed om de liefste, kon niets voorkomen; als de zorg +voor haar hem te zeer plaagde ging hij, om zich te verzetten, maar eens +een poosje van huis; naar Besancon b.v., muziekles nemen bij den +kapelmeester van de kathedraal, of iets dergelijks. Dit kostte +natuurlijk weer geld en was niet verstandig, hij wist 't, maar wat zal +men doen? Overigens leefden zij vergenoegd en vroolijk te Chambery. + +Mme de Warens zag veel menschen, Rousseau organiseerde huiselijke +muziek-avondjes, ook werd er wel comedie gespeeld, salonstukjes vol +intrigue, als toen in de mode waren. Over den adel begon hij heel anders +te denken dan vroeger; zijn republikeinsche strengheid verslapte, zijn +oude afkeer van de aristokraten leek hem in dien tijd dwaas en +overdreven: hij heeft dit uitgesproken in een weinig bekende brief in +verzen uit het jaar '41, "l'Epitre a Parisot." + +Maar zijn gezondheid verviel, hij werd zwak en ellendig, jaren lang, +'t scheen of hij de tering kreeg. Eens was hij hard ziek, alleen haar +groote zorg redde hem. De hartstocht waarmee hij leefde verteerde zijn +krachten. Ook kon hij niet tegen de stad; Chambery was veel minder +aantrekkelijk dan Annecy, een vervelende stad met leien daken en het +aspekt, toen al, van een vervallen residentie, want vroeger was zij de +hoofdstad van heel Sardinie geweest. Het huis van Mme de Warens lag in +een akelige achterstraat, zonder uitzicht, het was somber en triest. + +Hoe dorstte hij naar groen, naar velden en bosschen: dat zou hem +goeddoen, daar zou hij genezen. Zij was hem in die wensch ter wille. +Eerst huurde zij een optrekje in een buitenbuurt met een tuintje, waar +hij kon liggen lezen en droomen. Toen een boerderijtje, een half uur +buiten de stad, den berg op, in een kleine delling aan een weggetje vol +meidoorns en nachtegalen; zij trokken er heen zoodra 't voorjaar kwam, +heele dagen, zij in haar draagstoel, naar de gewoonte van den tijd. Maar +dat heen en weer gaan bleek omslachtig, en toen huurde zij, vlak bij 't +eerste boerderijtje, in dezelfde delling, een frisch, ruim buitenhuis, +idyllisch gelegen Les Charmettes. Het bestaat nog, en veel is er nog +over uit de dagen dat zij het bewoonden, meubels in de kamers en prenten +aan den wand. Het spinet is er nog waarop hij zijn wijsjes probeerde en +het schaakbord waaraan hij te blokken zat, en de ligstoel waarop hij +rustte in zijn zwakke dagen. De oude glycine tegen het huis is een +dikke, knoestige stam geworden; in lentetijd voorzien zijn duizende +bloemtrossen alle bijen uit de buurt van honing en vullen de lucht met +geur. En de liefelijkheid der natuur in alle wisselingen der dagen en +der seizoenen van dat bergdalletje, die Rousseau daar inzoog en die een +werd met hem, is door hem in ons die nu leven overgegaan en leeft als +een deel van ons voort in 't universeele leven. Want hij was, met eenige +engelsche dichters, de eerste die uitspraak 't moderne natuurgevoel. + +Daar in Les Charmettes denken de menschen, dat de liefdes-idylle +tusschen Rousseau en Mme de Warens zich heeft afgespeeld. + +Hij dacht het zelf ook, toen hij, aan de grens van den ouderdom, +worstelend tegen kommer, halfgebroken door verdriet en vijandelijkheid, +de gouden dagen van zijn jeugd voor zich deed oprijzen. In Les +Charmettes was hij voor 't eerst, maanden achtereen, zonder zorg voor +zijn brood, zonder zwervers-onrust in zijn bloed, in de vrije natuur +geweest, daar had hij haar liefelijkheid volop in zich gezogen, zich +voelen worden een met haar. Het was hem als snoof hij weer in de +frissche, zuivere lucht van het bekoorlijke dalletje, als rook hij de +honinglucht van den blauwen regen, als hoorde hij het gezoem der +duizende bijtjes die afkwamen op den honing; als zag hij het pad door +den boomgaard opklimmen naar het huis, en de wijnstokken er boven, +kruipend tegen de helling, en de nette tuin regelmatig-aangelegd als een +pastorie-tuin. Hij trad weer in die frissche luchtige vertrekken, simpel +gemeubeld als voor een landhuisje past en voor menschen die zuinig +willen wezen, maar toch met verfijning van smaak, hij zag weer naar +buiten uit de vensters. Het landschap was juist een landschap als hij +lief had, een mengeling van woestheid en lieflijkheid: op den voorgrond +weiden en wijnvelden en boomgaarden dalend in zachte glooiingen naar +waar de stad te stoven lag in de vlakte, en achter haar de bergen +steil-opzendend hun scherp-getande pieken en hooge ronde kanteelen, +ongenaakbaar en trotsch. Ja, daar had hij de volheid der natuur genoten, +daar het meest. Hij had gezworven hoog langs de wijnbergen en in den +boomgaard gelezen en nagedacht; hij had gespit in den moestuin en de +duiven verzorgd in den til en de bijen in de korven, hij had de +ochtenden verdroomd in het bloeiende gras en in de klare nachten tot de +sterren opgezien, en alles was geluk geweest, werken en lezen en +nietsdoen en het ademen zelf, alles. Een gouden waas van geluk lag over +alle dingen, omdat zijn oogen gouden hadden gezien. Was het de liefde +niet geweest die om de dingen hing, een goudwaas? Had zij niet voor hem +de geuren van het gras zoeter gemaakt, en den glans der sterren klaarder +en den vogelenzang voller dan ooit daarvoor of daarna? Zoo meende hij, +starend terug van den grens van den ouderdom, als de mijlpalen der +jeugdherinneringen halfverwischt zijn, hoe hel zij zelven ook opglansen. +En daarom weefde hij de heugenis van de liefdes-zaligheid van vroegere +jaren en de gouden herinnerings-glans die uit het verblijf in Les +Charmettes opsteeg, samen tot een droom. + +In waarheid was in dat paradijs de liefde geen zaligheid geweest, maar +strijd en pijn, gegriefd-voelen en verongelijkt. Maar een andere vreugde +had hij er gekend, zij straalde na door zijn herinnering: die van den +groei zijner zedelijke en intellektueele persoonlijkheid. De krachten +van zijn wezen waren er veel gerijpt. + +Toen Rousseau in den zomer van '37 van een kort verblijf in Geneve waar +hij wat hem toekwam van de nalatenschap van zijn moeder was gaan halen, +terugkeerde, vond hij een nieuwen huisgenoot: een platte, zelfbehagelijke, +rumoerige jongeman, een "kappersjongen," zooals hij Wintzenried +verachtelijk noemde, (in waarheid stamde de indringer uit het adellijk +geslacht der Courtilles), van zessenklaar in allerlei dingen waar de +ziekelijke droomer geen verstand van had, vol ijver voor de boerderij en +voor alles--in een woord, onuitstaanbaar. Die ordinaire gezonde manskerel +had hem half verdrongen in 't hart der geliefde; hij de oudere, moest +deelen als Anet had moeten deelen, zich voortaan tevreden stellen met de +tweede plaats. Hij trachtte te doen wat van hem verlangd werd; noemde den +medeminnaar "broeder," verzoende zich met hem na 't eerste heftig krakeel; +de liefde maakte hem laf en gesmijdig. Maar hij kon de geliefde niet +deelen, dit weigerde hij: zijn mannelijkheid rees in hem op. Heel zijn +jeugd door had hij zich maar laten drijven op het leven en was zijn +opwellingen en aandoeningen gevolgd. Al voor dien schok was in hem een +verandering begonnen, was hij begonnen na te denken, hoe men behoort te +leven; te zoeken naar een zedelijk beginsel, te begrijpen, dat men niet +elke opwelling volgen moet. Nu werd die verandering beslister. In 't najaar +van '37 ging hij voor zijn gezondheid naar Montpellier, hij meende aan een +hartkwaal te lijden; op reis werd hij natuurlijk weer verliefd en maakte +aan de schoone onder een valsche naam het hof (hij gaf zich uit voor een +Engelschman). Het kwam heel gauw tot een liefdes-verhouding, zij noodigde +hem uit haar op zijn terugreis te bezoeken; hij beloofde dit te doen; in +zijn brieven aan Mme de Warens sprak hij natuurlijk over dit alles niet, +en verzon leugentjes, om den omweg op de terugreis te verklaren. Maar toen +'t er toe zou komen kreeg hij een knaging: zou hij nu weer den avonturier +gaan spelen, na al wat hij zich voorgenomen had? Hij weerstond zijn lust +en ging rechtstreeks naar Chambery terug: voor 't eerst in zijn leven +voelde hij het geluk eener zedelijke voldoening. + +Thuis was alles bij het oude; hij trok naar Les Charmettes; de volgende +twee jaar, van 1738 tot '40, bracht hij daar bijna geheel door, 's +winters alleen, 's zomers met Mme de Warens en Courtilles. Het leven op +de kleine boerderij was patriarchaal-eenvoudig; 's avonds versponnen de +boerenmeisjes het vlas tot de glanzende draden, waaruit linnen werd +geweven voor het lijf-goed van 't gezin. De wijn-oogst in 't najaar was +een tijd van gezelligheid en feesten, in den winter zat Rousseau bij den +haard met den pachter en de zijnen, er werden verhalen verteld en oude +liedjes gezongen. Alles aan dit landelijke leven verrukte hem. Zij +hadden daar buiten een goeden buur, een edelman, Monsieur de Conzie, wat +ouder dan hij, dien hij muziekles zou geven. Het was een geletterd man +en Rousseau, die zich in zijn jeugd sterk door de levensrichting der +menschen met wie hij toevallig in aanraking kwam liet leiden, had veel +aan dien omgang. Zijn belangstelling in de literatuur nam toe, hij +bestudeerde Voltaire en toen hij zelf begon kleinigheidjes te schrijven, +probeerde hij de heldere elegante stijl van den veel-bewonderde na te +bootsen. Maar dat lukte slecht. Hij voelde zich onwetend; wat hij wist, +had hij bij stukken en brokken opgeraapt; overal waren gaten. Nu besloot +hij, flink systematisch te gaan studeeren en stelde een plan van +werkzaamheden op. Hij verdiepte zich in de filosofie, leerde Descartes, +Mallebranche, Locke, Leibnitz kennen, hetzij in hun oorspronkelijke +werken of uit handleidingen. Ook studeerde hij fransche geschiedenis, +fysica (Voltaire had hem in Newton ingewijd), wiskunde en meetkunde; +reeds in Chambery had hij wat geliefhebberd in chemie en had zich bij +een proef erg gebrand; na trachtte hij ook astronomische waarnemingen +te doen en bracht daarmee de boeren in onrust; zij zagen hem voor een +toovenaar aan. Met spanning volgde hij de berichten over de +wetenschappelijke ontdekkingsreizen, door de fransche regeering +uitgezonden naar Centraal Amerika en naar 't hooge noorden, om +aardmetingen te doen. Op alle wijzen streefde hij naar kennis. Het +studeeren werd een hartstocht, een bezetenheid; hij strooide overal +boeken rond, de heele dag lessen mompelend in zijn eigen. Hij was nu +niet langer vaag, maar wist zeer goed wat hij wilde. Een dubbel doel +beoogde hij, een praktisch en een ideaal. Aan zijn liefde hield hij vast +door alle verduistering; hij zag de finantieele moeilijkheden voor Mme +de Warens toenemen en vreesde een katastrophe: dan wilde hij haar kunnen +helpen, gelijk zij hem vroeger geholpen had. Daarom streefde hij er naar +de kundigheden te verwerven, die hem in staat zouden stellen b.v. +sekretaris van een hooggeplaatst man te worden: daarbij zou hem, meende +hij, zijn beetje schrijftalent goed te pas komen. Of anders gouverneur +in een adellijke familie; ook daarvoor voelde hij zich geschikt. Dat was +het practisch doel van zijn studies. Het andere was, zooals hij wat +vroeger aan zijn vader had geschreven, om door kennis "niet slechts den +geest te verlichten maar ook het hart te vormen voor deugd en wijsheid." +Hij wilde zijn zwakheden overwinnen en naar een ideaal leven; de +zedelijke gloeden van zijn kindsheid flikkerden weer in hem op. Zijn +gezondheid bleef slecht, hij voelde zich aldoor zwak en meende spoedig +te zullen sterven, zooals menig jong dichter voor en na hem heeft +gemeend. De verwachting van een spoedige dood bracht hem tot +godsdienstige overpeinzingen; op zijn morgenwandelingen langs het pad +dat liep boven het dal, tusschen de wijnbergen, placht hij te bidden +wat zijn hart hem ingaf; hij voelde zich dan in innigheid en aandacht +vereenigd met den schepper dien hij eerde in zijn werken. Met Mme de +Warens voerde hij in dien tijd vaak theologische gesprekken, zij hield +daar ook veel van; haar vroomheidszin, haar vast geloof in 't eeuwige +leven, vertroostte hem toen hij meende dat de draad van zijn aardsche +leven breken ging. De godsdienst die hij in zich aankweekte had +eigenlijk weinig meer gemeen met het katholieke kerkgeloof; die +godsdienst bestond voornamelijk uit een vroom gevoel, een verteedering +des harten voor het opperwezen, een begeerte dat te naderen, met totale +verwaarloozing van dogma's en geopenbaarde waarheden en bijzonder weinig +respekt voor het kerkelijk gezag en de traditie. Die godsdienst was, in +een woord, de grootst-mogelijke abstrakte en vage vorm van godsdienstig +leven, met behoud van het geloof aan een persoonlijk God en een +persoonlijk voortbestaan, dat is de vorm van godsdienstig leven die het +best past bij den modernen individualistischen kleinburger. Er +verkeerden veel geestelijken en paters-jezuieten in huis, zij schenen +in de eigendommelijke vroomheid van den jongeman niets bedenkelijks te +vinden; hij was volgzaam en eerbiedig, nam zijn plichten waar, en in +het land was geen beroering, geen begin van verzet tegen het kerkelijk +gezag. Zoo kiemden ook deze zaden in zijn gemoed in vrijheid. + +De dood kwam niet, het leven werd ondragelijk: hij kon dit bitter brok +niet verzwelgen. Een teederheid en zachte gemeenzaamheid, flauwe +na-glans van vroegere dagen, was gebleven, maar begeerte om dit +ontzielde samenzijn te bestendigen, stierf ten slotte: hij besloot te +gaan. Zij vond een betrekking voor hem in Lyon, als gouverneur van twee +kleine jongens van goeden huize; hij had in een geschriftje zijn +denkbeelden over opvoeding samengevat en bood dit den vader zijner +leerlingen aan. Hij stortte zich op zijn taak als opvoeder vol illusies, +met al het oude vuur dat voor ieder nieuw ding uitbrak, maar hij faalde. +Een jaar hield hij het uit, matte zich af om gezag over zijn leerlingen +te krijgen; het lukte niet, hij had wel doorzicht, maar geen geduld +genoeg. Ontmoedigd gaf hij het op; zijn positie bij de familie was ook +moeilijk geworden, nadat men gemerkt had dat hij zich schuldig maakte +aan kleine diefstallen van wijn, een reminicens uit zijn lakeientijd. +Weer vliegt hij terug naar het nest, weer priemen hem de oude stekels; +hij voelt, hij moet zich losrukken, hij moet, hij moet. Nog enkele +maanden wijlt hij in Les Charmettes, verdiept zich opnieuw in de theorie +der muziek. Daar komt op een dag het plan bij hem op van een nieuw +notenschrift in cijfers; hij werkt het uit, het schijnt hem +voortreffelijk, een weg tot groote vereenvoudiging en vergemakkelijking +der muziek-studie. Nu heeft hij den sleutel tot de fortuin gevonden, +het onfeilbaar middel, rijkdom en aanzien te verwerven; nu zal hij de +"teederste aller moeders"--want dat blijft zij voor hem--al haar zorgen +en offers kunnen vergoeden. + +Nog heeft hij niets van belang gedaan, de groote krachten van zijn wezen +sluimeren nog. Hij bezit een vrij groote algemeene en philosofische +ontwikkeling, hij is een tamelijk musicus; hij heeft een onbeduidend +komedietje, in den stijl van Marivaux, geschreven; een traktaatje over +opvoeding, een paar epistels in verzen, middelmatige rijmelarij zonder +persoonlijk accent: dat is alles. + +Maar alle kiemen--op een na--van den man dien hij worden en van de +werken die hij maken zal zijn gedurende de verschillende phazen van zijn +leven tot aan zijn dertigste jaar, in hem uitgestrooid en gezonken. In +zijn kinderjaren: de idealen van burgerdeugd, patriotisme en demokratie, +de droomen van gelijkheid en vrijheid. In den zwerverstijd zijner +jongelingschap: het meegevoel met de verdrukten en de haat tegen de +verdrukkers, maar ook de neiging tot buiten-maatschappelijk +individualisme, de behoefte aan bandelooze vrijheid. In zijn lange jaren +van liefdes-verrukking in de liefelijke natuur, toen zachtheid in hem +overging uit de zachte geliefde: een teedere weekheid, een gedrenkt zijn +met de overtuiging dat men zijn hart moet volgen en naar zijn gemoed te +leven, het eenige goede en ware leven is. Gedurende het alleen zijn in +Les Charmettes met zijn gepeinzen: een innig natuurgevoel, toen nog maar +in enkele menschen levend, de drang een te worden met de natuur, het +vermogen in haar de stemmingen terug te vinden van 't eigen gemoed, +de eigen ziel te hooren weenen of juichen. In de alleenheid en +doods-verwachting, de smart en teleurstelling der laatste jaren zijner +jeugd: de behoefte aan troost over het slechte leven, door godsgeloof en +onsterfelijkheidsgeloof. + +Dertig jaar oud, trekt hij naar Parijs, haast even vol illusies en +stoute, onbestemde droomen als hij voor veertien jaar naar Turijn was +getrokken, een weinigje wijzer en meer dan een weinigje droever, iets +vaster in zich zelven, maar nog altijd werkelijkheid niet onderscheidend +van droomen, nog ongepantserd, en teer van hart. + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK + +PARIJS. + + +I. DE MAATSCHAPPELIJKE EN GEESTELIJKE BEWEGING IN FRANKRIJK + OMSTREEKS HET MIDDEN DER XVIIIDE EEUW. + +In Parijs bruischte de strijd tusschen de oude en de nieuwe machten: de +absolutistisch-feudale klassen (koningschap, adel, geestelijkheid) en +de bourgeoisie. De tijden waren nog niet rijp voor de eindworsteling +tusschen hen, den strijd om de macht in staat en maatschappij. Het +ondergaande was daartoe nog niet murw, het opkomende niet krachtig en +zelfbewust genoeg. De halve eeuw die ligt tusschen 1740-1789 is het +tijdperk van de voorbereiding der bourgeoisie tot de eindworsteling door +geestelijke organisatie en zelfbezinning. De klassenstrijd neemt in +hoofdzaak den vorm aan van een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen. +De geleerden en wijsgeeren smeden te zamen de ideeen die als de +omwenteling aanbreekt tot zwaarden zullen worden. + +Het politiek-sociale gebeuren in Frankrijk van af den dood van Lodewijk +de XIVde in 1715 tot de bijeenroeping der Generale Staten in 1789 heeft +tot inhoud een dubbele beweging: de desorganisatie en het verval van den +absolutistisch-feudalen staat; den ekonomisch-socialen vooruitgang, de +intellektueele organisatie en emancipatie der bourgeoisie. + +Het absolute koningschap had sedert de middeneeuwen door 't vernietigen +van de feudale maatschappij-vormen en 't knotten van de politieke macht +van geestelijkheid en adel, de voornaamste belemmeringen opgeruimd die +aan de opkomende burgerij den weg omhoog versperden. Bij deze +zijdelingsche bevordering der nieuwe klasse mengde zich een +rechtstreeksche: hunne stijgende behoeften aan geld dreven de vorsten +tot het beschermen van handel en nijverheid, (o.a. door de schepping van +monopolies) en voerden tot de instelling der staatsschuld. Zoo hielp het +absolutisme de moderne industrieele, commercieele en finantieele +bourgeoisie groot kweeken, de klasse die zijn eigen doodgraver zou zijn. + +Een groote stoot aan de desorganisatie der oude en ter versterking der +nieuwe maatschappelijke machten gaf in de begin-jaren van het +Regentschap, de ontijdige poging van den geniaal-utopischen finantier +Law om de hopeloos ontredderde finantien der absolute monarchie door de +methoden van het ontwikkeld kapitalisme (krediet-systeem) weer op de +been te helpen. Zijn scheppingen--het papiergeld, de koninklijke bank, +een poging tot overzeesche kolonisatie op grooten schaal--liepen uit op +den reusachtigsten zwendel en de geweldigste finantieele katastrophe die +de 18de eeuw, die eeuw waarin 't jonge kapitalisme, schuimend van +overmoed en onverzadelijken winsthonger, nog zonder bewustheid van zijn +eigen wezen en zonder ervaring van den duur der meest doeltreffende +methoden van kapitaalvorming, telkens in dolle spekulaties op hol slaat, +beleefd heeft. Na den wilden roes van begeerlijkheid en illusies, door +'t fata morgana der onmetelijke rijkdommen die Law aan de massa +voortooverde, opgewekt--avonturiers van alle slag stroomden naar Parijs +dat kookte van goudkoorts als een delverskamp, de bevolking puilde de +poorten uit, de moorden waren niet meer te tellen--was de moreele +uitwerking der finantieele katastrophe onbeschrijfelijk groot. Een +millioen menschen, waarvan de helft in Parijs, werden geruineerd. Gelijk +bij natuurkatastrofen de aardlagen over en in elkaar schuiven, hebben +dergelijke sociale katastrofen belangrijke klasse-verschuivingen tot +gevolg. Aanzienlijke geslachten kwamen aan den bedelstaf, (ofschoon +sommige machtigen in den staat er in slaagden schatten naar zich toe te +halen ten koste der kleine spekulanten) lakeien ontwaakten op een goeden +morgen als millionairs; de oude en de nieuwe plutokratie vermengden +zich. De gansche maatschappij was in beroering gebracht; voor de eerste +maal werden de massa's betrokken in een algemeene politiek-sociale +beweging: van nu af aan tot in 1789 zal hun stem, zullen hun klachten, +hun smeekbeden, hun protesten en dreigingen niet meer geheel verstommen. + +Law's koloniale politiek, uitloopend in de pogingen der regeering het +reusachtig gebied aan de Mississippi door gewelddadige methoden te +bevolken (n.l. door menschenroof, deportatie van misdadigers en +lichtekooien) droeg natuurlijk tot deze beroering van de massaas in +hooge mate bij. Schrik en angst voor de menschen-roovers vervullen +ze,--maar ook rijst aan hun geestelijke horizon voor het eerst een flauw +besef van de grootheid en rijkheid der aarde, van de vele vreemde volken +welke zij herbergt, van de ongelijksoortigheid der menschelijke +gemeenschappen die haar bevolken. Reisboeken verschijnen en worden +gretig gelezen. Sommigen bekoort de beschrijving van een menschelijken +staat, zacht en onschuldig lijkend als 't paradijs vergeleken bij de +zeden van hun eigen land en tijd; de meesten trekt de geheimzinnige +betoovering aan van de tropische streken; "de eilanden" gelijk ze in den +volksmond heeten, het fabelland van schoonheid, overvloed en geluk +waarheen vele trekken, waarvan sommige weerkeeren, rijk als koningen, +waar elkeen van een droomt.[1] + +Het korte tijdperk, door Law beheerscht, (1719-22) ziet de aanloopen tot +velerlei hervormingen, die eerst de zegevierende onwenteling van 1789 +doorzetten zal. De ekonomische scheidsmuren tusschen de provincien, +althans in Centraal-Frankrijk, vervallen; een begin wordt gemaakt met +den bouw van een wegennet, dat alle deelen van het rijk aan elkaar zal +verbinden; het verbod van vrije verplaatsing voor ambachtslieden wordt +opgeheven, het hooger-onderwijs kosteloos opengesteld. Vele verder +reikende plannen droeg Law, de profeet van het hoog-ontwikkeld +kapitalisme, nog in zich om: den vrijdom van belasting van adel en +geestelijkheid wilde hij opheffen, het ambtenaarswezen en de +staatsfinancieen hervormen, de geestelijkheid dwingen tot verkoop van +alle onroerende goederen, door haar gedurende de laatste eeuw verworven. +Hij wilde, in een woord, den feudaal-absoluten staat zoo maken dat de +bourgeoisie zich daarin behagelijk inrichten kon, een kompromis tot +stand brengen tusschen de vervallende en de opkomende klassen. + +Schijnbaar blijft, na Law's val, van zijn hervormingen en +hervormingsplannen weinig over. De feudaal-absolutistische regeer- en +uitbuitings-machinerie gaat hortend en stootend weer den ouden gang. +Maar in werkelijkheid heeft een sterke verschuiving der klasse- +verhoudingen plaats gevonden; menige bres is in de muren der oude +vesting geschoten; zij trillen en kraken, en reeds voor het midden der +eeuw kan een vreemden waarnemer getuigen: "Alle symptomen, de nadering +van een groote revolutie aankondigend, die ik ooit in de geschiedenis +ontmoet heb, bestaan heden en worden met den dag talrijker in Frankrijk." + + * * * * * + +Het verval der feudaal-absolutistische klassen, een gevolg van het feit, +dat de maatschappelijke ontwikkeling hunne ekonomisch-sociale funkties +meer en meer overbodig maakte, gelijk heden ten dage voor de bourgeoisie +het geval is, openbaart zich gedurende de 18de eeuw op velerlei wijze. +Ten eerste in ekonomisch opzicht, door de toenemende ontreddering der +rijks-finantien, de steeds verergerende onbekwaamheid der regeering om +een evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven tot stand te brengen. De +uitgaven stijgen, ten gevolge van waanzinnige verspil- en pronkzucht, +omslachtige en dure administratie, ongelukkige oorlogen, enz. reusachtig, +en ofschoon de uitgemergelde massa's al zwaarder belast worden, het +deficit verslindt alles, het groeit onophoudelijk en blijft groeien tot +alle hervormingspogingen hebben gefaald en haar volkomen hulpeloosheid, +haar volslagen onmacht de zaken verder te voeren de monarchie ten slotte +noodzaakt tot den stap die haar eigen val tengevolge moet hebben: de +bijeenroeping der Algemeene Staten. Revolutionaire bezems alleen kunnen +den augiusstal der administratie, dat broeinest van geknoei, verkwisting +en korruptie, schoonvegen. Onder Lodewijk de XVde slokt deze een groot +deel van de staatsinkomsten in, zij biedt aan de bevoorrechte klassen +een haast-onbegrensd gebied tot het botvieren hunner parasitaire lusten. + +De voornaamste parasiet op de staatskas is de adel. Om en bij de 30 +millioen frs. jaarlijks haalt hij naar zich toe in den vorm van +pensioenen, tractementen van frs. 100.000 voor parade-posten in de +provincie enz.; de 12.000 adellijke officieren kosten aan den staat per +jaar 46 millioen frs. (de 135.000 soldaten 44 millioen!)[2] Een vijfde +van de staatsbegrooting komt aan den adel ten goede. Naar mate zijn +politieke macht en zelfstandigheid verminderen, klampt hij zich vaster +aan het gecentraliseerde koningschap om dit uit te zuigen; zijn +maatschappelijke funkties (krijgsdienst, rechtspraak) heeft hij +grootendeels verloren of ze zijn tot bloote privilegies geworden; het +platteland, waar hij weleer 't eenvoudige, stalende leven der feudale +tijden voerde, verlaat hij meer en meer, het werd voor den verwenden, +verwijfden hoveling tot een oord van verschrikking. Diep in de wordende +burgerlijke maatschappij boort hij zijn wortels om haar sappen op te +zuigen, maar geen penning draagt hij bij tot de lasten van den modernen +staat. + +Naast hem, of eigenlijk boven hem, verheft zich de andere groote +maatschappelijke parasiet, de "eerste stand in het koninkrijk:" de +geestelijkheid. Voor geen klasse geldt in hooger mate dan voor deze dat +de maatschappelijke ontwikkeling hare vroegere funkties overbodig heeft +gemaakt;[3] in geene openbaart zich op meer afzichtelijke wijze de +zedelijke ontaarding die het noodlot van overbodig geworden klassen is. +Onder de geestelijkheid is de weelde nog buitensporiger, het zedenbederf +nog grooter dan zelfs in de hofkringen.[4] Haar ekonomische macht is +verbazend groot. Haar landbezit stijgt voortdurend; naar een matige +schatting heeft zij tegen het einde der 18de eeuw een derde van den +bodem in eigendom. Evenals de adel is de geestelijkheid vrijgesteld van +de voornaamste belasting, de "taille," (grondbelasting), haar bezit +immers dient "Gods glorie en der armen welzijn." Haar dubbele +bevoorrechting, als theokratie en als aristokratie, stelt haar in staat +zoo goed als geheel aan 't meedragen van alle lasten te ontsnappen. Van +haar reusachtige rijkdommen werpt zij den staat jaarlijks een aalmoes +toe van omstreeks 12 millioen frs.; de hooge geestelijkheid slaagt er in +dit belachelijk kleine bedrag nog grootendeels op de lagere af te werpen. + +Wanneer in 1750 door 't land een zoodanige beroering gaat, dat een +revolutie op 't punt schijnt uit te breken en de vrees voor de dreigende +verzwaring der belastingen de provinciale staten op de been brengt, +stelt de geestelijkheid zich met een sluwe politieke wending aan 't +hoofd der ontevredenen, haar verzet neemt een demokratische schijn en +rebellische vormen aan. De monarchie wijkt terug; van de opheffing van +den vrijdom van belasting is geen sprake meer; zelfs de eisch der +regeering, dat de geestelijkheid een declaratie van hare bezittingen zal +geven, wordt feitelijk teruggenomen. Immers de regeering stemt toe, dat +deze declaratie niet ten haren behoeve en door hare beambten opgesteld +zal worden, maar door de geestelijkheid zelve tot eigen gebruik. Een +wassen neus natuurlijk. Alles blijft bij het oude; de aanloop tot +besnoeiing van hare voorrechten eindigt voor de geestelijkheid met het +verwerven van een nieuw privelegie, de uitsluitende beschikking nl. +over de zoogenaamde "Charite" (de administratie van het armwezen, de +hospitalen, de huizen van verbetering enz.) van Parijs. + +Het was geen toeval en geen vergissing, dat de groote strijd van het +burgerlijk intellekt, Voltaire aan het hoofd, zich voornamelijk tegen de +kerk keerde, dat het woord "ecrasez l'infame," tot het parool van zijne +propaganda werd. De kerk was de verdedigster van alle misbruiken van het +oude regiem, de voorvechtster van alle barbaarschheid en anti-kultuur. +Zij was de sterkste stut van den vervallenden staat, door haar +ekonomische macht, maar vooral door haar moreel prestige. Zij straalde +in den glans van het eerwaardige, bovenaardsche, heilige: werd haar +bedrog onthuld, begreep de massa dat de kerk het geloof, den godsdienst +gebruikte als een schild voor uitbuiting en klasse-voorrechten, gelukte +het dit schild uit hare handen te slaan, dan werden de andere verdrukkers +en uitbuiters, koningsmacht en adel, doodelijk getroffen, dan konden zij +zich niet meer handhaven. De bevrijding uit geestelijke dienstbaarheid was +voor de opkomende bourgeoisie een voorwaarde tot de politieke overwinning. + + * * * * * + +Uit de paleizen der koningen en grooten, uit de jacht-sloten op het land +en de "petites maisons," die gecapitonneerde nesten van ontucht in de +buitenwijken van Parijs; uit de hotels der groote financiers, met de +adellijke geslachten wedijverend in kostbare en verfijnde weelde; uit +de oorlogskampen waarheen de verwijfde officieren hun kappers en +pruikenmakers, hun maitressen en koks bij duizenden medevoeren; uit +alle verblijfplaatsen der groote wereld stijgt een walm van pestilentie +omhoog, gelijk het aangezicht der wereld sinds het verval van het +romeinsche rijk niet meer heeft verduisterd. Hij stijgt omhoog uit alle +levensuitingen der bevoorrechte klassen, uit de kleedij der vrouwen, +hetzij de natuurlijke lichaamsvormen omscheppend tot artificieele +gestalten, of de zinnen prikkelend door de meest verfijnde behaagkunst: +schijnbaar natuurlijke, gratievolle nonchalance. Hij stijgt uit het +geblankette gelaat, door poeder en kapsel bij beide geslachten, door de +"mouches" bij de vrouwen, de algeheele afschaffing van knevel en baard +bij de mannen, tot een kunstmatige verschijning gemaakt. Die walm stijgt +uit de architektuur, waarin de grootsche praalzucht van Lodewijk de +XIVde zich oplost tot een stijl van verfijnd comfort en nuffige +behagelijkheid: de weidsche hallen en zalen worden omgebouwd tot een +labyrinth van vertrekjes en achtertrappen gelijk de ontucht verlangt. +Die walm stijgt uit de meubels, wier zacht uitgeschulpte rondingen of de +weelderige vormen van vrouwenlijven schijnen na te bootsen, of zich bij +die der rustbedden aan te sluiten in welke hun genotzuchtige lijven zich +nedervlijen. Hij stijgt uit de literatuur en de kunst, uit de banale, +koud-zinnelijke galanterie der mode-romans van Crebillon, uit de met +melk en rozen gevoede cherubijntjes van Bouchez en Fragonard die, van +wolken poudre-de-riz omhuld, in roze hemels kwijnende Venussen omdartelen. +De grootst mogelijke zedelijke verdorvenheid in de materieel meest- +volmaakte, meest behagelijke, meest verfijnde vormen zich hullend: ziedaar +het wezen der bevoorrechte klassen onder Lodewijk de XVde, het wezen van +hun leven en hun kunst. Het bestaan dezer menschen heeft nog slechts een +inhoud; jaagt een doel na: geile genotzucht. Het ontbindt zich in +wulpschheid, dat is in zingenot zonder hartstocht, zonder verteedering, +zonder verheffing. + +Sedert de dagen van den Regent zwelgt het hof in schaamtelooze +liederlijkheid; ontucht en bloedschande zijn gewone verschijnselen die +niemand ergeren als enkele frondeurs. Over Versailles ten tijde van +Lodewijk de XVde schrijft d'Argenson: "het hof lijkt een bordeel; de +appartementen der princessen zijn overstroomd van lichte vrouwen, men +ziet er niet anders als groote dames, rondloopend in uitdagende kleedij, +en kameniers die brieven van rendez-vous rondbrengen." De echtelijke +trouw is een overwonnen vooroordeel geworden; jalouzie van een man tegen +den minnaar zijner vrouw, van een vrouw tegen de minnares van haar man +gelden voor belachelijke bewijzen van slechten smaak. Trouw, eenvoud, +waarachtigheid, zijn ondergegane sterren aan den horizon van het +menschelijk leven, de harten verdorren en verdrogen, alleen het vernuft +leeft en ontwikkelt zich tot een vlijmende scherpte. "De liefde, de +behoefte lief te hebben verdwijnen van de aarde. De berekeningen van het +eigenbelang nemen alle oogenblikken in beslag" (d'Argenson). + +Koning, adel, hooge geestelijkheid en groote financiers verbrassen met +hunne maitressen en gunstelingen in hasard-spel en feesten, gemaskerde +bals en drinkgelagen, in liefhebberij-tooneel en jachtpartijen, +bouw-woede en liederlijkheid den stroom van millioenen die onophoudelijk +van het platteland naar Parijs en Versailles wordt gepompt. Maar heel de +schaal der vermaken, van de zinnelooze orgie tot de meest verfijnde +intellektueele genieting, slaagt er niet in om van de oververzadigde +zinnen en de verschrompelde harten af te houden het grijnzende spook der +schrikkelijke verveling, de "ennui," de doodelijke levensleegte die de +ziekte der eeuw en de Nemesis van elke klasse is, wegzinkend in +ontaarding. + +Met de zedelijke ontaarding gaat samen de intellektueele. + +"Er zijn geen mannen meer," roept Lodewijk de XVde uit bij den dood van +Fleury. De onbekwaamheid der oude losbollen die het land regeeren +--d'Argenson noemt hen "ziek, op, uitgeput van ziel en lichaam,"--sleept +Frankrijk herhaaldelijk in ongelukkige oorlogsondernemingen mede waaruit +het gehavend te voorschijn komt; de kolonien gaan verloren, het +koningschap heeft geen generaals meer, geen staatslieden, geen financiers; +alles wat geest, verstand, talent en doorzicht bezit, bevindt zich aan +de zijde der oppositie. + +Om de jonge losbollen en de oude wellustelingen van beiderlei geslacht +en hun kreaturen kostelijk te voeden, rijk te kleeden, zacht te bedden, +te vermaken en te verstrooien,--om hen her- en derwaarts te voeren van +de stad naar het land, van het land naar de stad, steeds ontvluchtend de +hen steeds najagende verveling,--om hen te bedienen, hun wenschen te +voorkomen, hun werkelijke of ingebeelde behoeften te vervullen--om de +dorre wildernis hunner zielen te bedekken met het klatergoud, en de +stank van ontbinding die uit hun levens opstijgt te verjagen met de +zoetelijke geuren eener veile kunst--daarvoor weeft en borduurt, holt en +rent, dicht en schildert, danst, akteert en prostitueert zich een heel +leger van menschelijke wezens. Sommigen hunner, door hun meesters en +meesteressen gevleid en bedorven: de modeschrijvers, de modeactrices, de +mode-kappers en kleermakers, nemen zelven de allures der groote wereld +aan, waarmee zij schijnbaar-gemeenzaam verkeeren; anderen, als het +grootste deel der 32.000 Parijsche prostituees, leven en sterven veracht +en ellendig. Maar allen, van af de meest gevierde dichter tot de meest +getrapte lakei, zijn besmet door het gif van geile genotzucht, dat van +de heerschers neersijpelt op de dienaars, alles invreet, alles verwoest. + +Ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en +onzichtbaar als in een andere wereld, als in de verborgen stookruimte +van een modern reuzenschip, leeft, zwoegt en lijdt het volk, kleine +burgers, boeren en arbeiders. In de steden verdringen zich duizende +handwerkers, staande buiten het gildeverband, weerloos en onbeschermd. +De uitbuiting wordt erger, de loonen stijgen, maar de prijzen nog +meer.[5] Wordt het brood duurder, staat het werk stil, dan sterven hun +scharen van honger; in 1753, meldt d'Argenson, stierven in een maand +tijds in den faubourg St. Antoine 800 menschen van ellende.[6] + +En toch is het lot der volksmassa's in de steden nog dragelijk, +vergeleken bij dat der boeren. Parijs wordt ontzien, men vreest het, +de koning waagt nauwelijks er zich te vertoonen, zoo ziedt en kookt +het er; in jaren van misgewas zorgt de regeering 't eerst voor de +approvisioneering van Parijs; op 't punt der belastingen is de kleine +burgerij, met de boeren vergeleken, zelve een gepriviligieerde klasse. + +De boeren--op hen, de allerarmsten, de allerellendigsten, worden alle +lasten afgewenteld, zooals alle wateren naar de laagstgelegen gronden +vloeien. Op hen drukt de ondragelijke zwaarte van een tweevoudige +uitbuiting: door den adellijken heer en door den koninklijken fiscus. De +heerlijke rechten zijn ontelbaar: geen stap kan de boer doen, geen brug +betreden, geen el stof of geen paar klompen koopen, geen schepel graan +laten malen, kortom geen enkele handeling begaan, noodig tot +instandhouding van zijn bedrijf en zijn leven, zonder dat de landheer, +die gemoderniseerde roofridder, zijn schatting opeischt. En wat deze +overlaat, nemen de beambten des konings. Om de maat vol te maken, voegt +zich bij de uitbuiting door feudalisme en absolutisme nog die van het +finantieel kapitalisme: geldwolven koopen het graan op en voeren het +uit, jagen de prijzen omhoog, maken kunstmatigen hongersnood. Hoe zouden +zij zich storen aan wettelijk verbod? Onder de graanspeculanten, die +wolven, bevindt zich de koning. + +Sinds de dagen van den "Zonnekoning" overmatig belast, moet de boer in +elkaar zinken en die inzinking wordt al erger. Zijn hut is slechter dan +een stal, zijn leger is stroo, zijn gezicht zwart van honger, zijn leven +langzame hongerdood. De landen liggen braak, de dorpen worden ontvolkt, +in sommige streken is de bevolking in tien jaar tijds met een derde +verminderd. "De boeren vreten gras," teekent d'Argenson telkens op; +"sedert een jaar vreten zij gras," "de menschen sterven als vliegen, de +ellende schrijdt voort tot onder de poorten van Versailles." Vreeselijk +drukken de heerendiensten, de gedwongen arbeid aan den aanleg der groote +wegen. Soms staan de hongerenden in wanhoop op, opstanden dreigen of +breken uit, omstreeks 't midden der eeuw, in de Pyreneen, in de Provence, +in Languedoc, in Bretagne, in Gruyere, in de omstreken van Rouaan enz. +enz. De regeering stuurt soldaten, men hangt de belhamels op en tracht +de telkens uitbrekende plaag der bedelaars te bezweren door ze van de +provincie naar Parijs, van Parijs naar de provincie te sleepen. Een poosje +blijft het dan weer stil. + +De ellende en de honger in de onderste sfeer van het volksleven, de +epidemien en de pest, de misoogsten en de braakliggende landen, de +opstanden der boeren en de galgen waaraan men de boeren hangt--het is +alles de noodlottige tegenpool van de heerlijkheid en de verfijning in +de sfeer van de "mouches" en de gepoederde pruiken, van de goudstralende +toiletten met juweelen en diamanten bestikt, van de feerieke +illuminaties der alom verrijzende lustverblijven, van de schitterende, +sierlijke, geestige, scherpzinnige lichtmissen en wellustelingen, die +deze lustverblijven bewonen--het is de eeuwig-lichtlooze tegenpool van +die bovensfeer badend in licht, stralend in weelde, zwelgend in +genietingen, stikkend in geilheid. + + * * * * * + +Naast en dwars door 't verval der absolutistisch-feudale klassen heen, +gaat de groote voorwaartsche beweging der bourgeoisie: haar ekonomische +vooruitgang, de toeneming van haar politiek-socialen invloed, de groei +van haar revolutionaire gezindheid en haar zelfbewustzijn. + +Het sociale knooppunt waarin verval en vooruitgang samenkomen, vormt +de groep der groote finantiers: de algemeene belastingpachters, de +bestuurders der koloniale (West-Indische) handelslichamen, die der +koninklijke bank (Caisse d'Escompte) enz. Deze groep moet sommige +misbruiken van het oude regiem, zooals de willekeur der absolute +monarchie en de onverantwoordelijkheid der bureaukratie, krachtig +bestrijden; zij heeft belang bij orde en regel in den staat, bij de +openbaarheid en goede administratie der rijks-finantien; maar aan de +andere zijde trekt zij reuzenprofijten uit deze misbruiken, uit de +ontreddering en de benardheid van het oude stelsel evenals uit de +monopolies, die er bij behooren. Zoo staat zij hervorming voor, maar +zit tevens vast aan het oude. + +In Parijs concentreert zich de haute finance. Daar verrijzen de +pronkerige reuzenhotels der algemeene belastingpachters, de geldkoningen +van den tijd. Hun levenswijze wedijvert met die der groote adellijke +geslachten in brooddronken verspilzucht en kostbare verfijning, hun +zonen ruineeren zich als de zonen der edellieden door maitressen en +paarden, bouw-woede en spel. De toegang tot het hof blijft hun ontzegd, +maar in werkelijkheid beheerschen zij de monarchie in stijgende mate: +het absolutisme, de macht van het verleden, vervalt in afhankelijkheid +van die der toekomst, het kapitaal. Voor het volk gelden zij, en +terecht, als de uitbuiters bij uitnemendheid, die de hatelijkste trekken +van het oude regiem in zich vereenigen: tegen geen groep van +bevoorrechten zal, wanneer de omwenteling uitbreekt, de lang gekropte +haat zich feller keeren. Toch zijn zij een nieuwe kracht, een deel van +de wereld die opstijgt, hun bezit aan maatschappelijke macht en prestige +is ten koste der monarchie verworven; in hen kondigt zich aan het nieuwe +koningschap van het geld, onvereenigbaar met dat van Gods genade.[7] + +De haute finance is het deel der bourgeoisie, dat, van zelfbewustzijn +vervuld, het eerst openlijk breekt met de geestelijke machten van het +verleden en optreedt als beschermer en aanhanger der nieuwe ideeen. +Haar salons zijn brandpunten van de propaganda der philosophen, de +koene ontkenning van al wat voor heilig gold verschrikt hen niet: +weldra omhelzen zij het (min of meer konsekwente) materialisme als +hun levensleer. + +De ontwikkeling der handels- en der industrieele bourgeoisie (van deze +vooral) blijft, in het algemeen, bij die van het geldkapitaal ten +achter: de voorrang van dit laatste, die zulk een kenmerkende trek van +het hedendaagsche Frankrijk is, dateert al van voor de revolutie. De +overgang van handwerk tot manufaktuur[8] wordt o.a. verlangzaamd door de +buitengewone ontwikkeling van het kunst- (luxe) ambacht sedert de dagen +der Regence. Eerst in de tweede helft der 18de eeuw begint zich, voor +een aantal bedrijven, de overgang van handwerk tot manufaktuur te +voltrekken.[9] Tevens vangt de wetenschap, onder Lodewijk XIVde +voornamelijk astronomisch, mathematisch en physisch, aan, zich met de +bedrijfswijze te bemoeien en te trachten haar te verbeteren: zij gaat +zich richten op de praktijk. Tegenover de uitvinding van de spinmachine, +de stoommachine en den mechanischen weefstoel in Engeland, staat in +Frankrijk de groote vooruitgang der geschiedenis van de natuur (Reaumur, +Buffon) en der chemie. Geleerden van wereldreputatie versmaden niet +langer om te zoeken naar praktische toepassing der wetenschap: Buffon +neemt op zijn landgoed jaren achtereen proefnemingen ter verbetering +van den hoogoven; Vaucanson werkt, in opdracht der regeering, aan +de verbetering der werktuigen voor de zijde-industrie (een der +belangrijkste bedrijven in Frankrijk). De zorgvuldige beschrijving +en afbeelding van een aantal arbeidsprocessen en methoden in de +Encyclopedie--Diderot bezoekt met onvermoeiden ijver persoonlijk alle +mogelijke werkplaatsen om zich van het bedrijf op de hoogte te +stellen,--getuigt van de geniale intuitie van den veelzijdigen publicist, +wiens "prophetisch instinkt" hem leidt tot de verheerlijking van het +machts-instrument bij uitnemendheid der moderne bourgeoisie: de +industrie.[10] + +Grooter dan die der industrieele, is in dit tijdperk de vooruitgang der +handels- en koloniale bourgeoisie. De buitenlandsche handel +verdrievoudigt: hij stijgt van 215 millioen francs in de jaren 1716-20 +tot 616 millioen in de jaren 1749-55.[11] Is de finantieele bourgeoisie +in Parijs geconcentreerd, de handels- en koloniale bourgeoisie is in een +aantal plaatsen verspreid. Marseille, Bordeaux, Toulouse, Nantes, Lyon, +de Normandie, het Beneden-Rhonegebied enz. De voornaamste havensteden +worden na het uitbreken der omwenteling tot zoovele haarden van +revolutionairen gloed. Het voor Frankrijk zoo ongelukkig einde van den +zevenjarigen oorlog--veroorzaakt door de apathie der hofkringen, de +onbekwaamheid der regeering en der militaire aanvoerders, de +desorganisatie van het leger, in een woord: door de algemeene dekadentie +van het oude regiem--, was een zware slag voor de koloniale bourgeoisie. +Frankrijk verloor zijn bezittingen in Indie, Senegal en Canada; ook de +Louisiana en een deel der Antillen gingen verloren. Men begrijpt, dat de +oppositioneele stemming in de burgerlijke kringen sterker werd--vooral +toen de nieuwe belasting van een tweede twintigste, gedurende de +oorlogsjaren ingevoerd, bleef bestaan. De verjaging der Jezuieten in +1763--het eerste besliste succes der in de parlementen georganiseerde +half-voltairiaansch geworden oude bourgeoisie--had tot aanleiding het +bankroet van Lavalette, grootmeester der orde, die den handel der kleine +Antillen had geakkapareerd.[12] + +Maar niet deze "oude bourgeoisie" der magistratuur was de voornaamste +draagster der nieuwe wereldbeschouwing, die in de natuurwetenschappelijke, +staats-rechtelijke en philosophische geschriften der Encyclopedisten een +diepzinnige, meesleepende en schitterende uitdrukking zou vinden. Al +liggen de parlementen van Parijs en van de provincie bijna de geheele +regeering van Lodewijk XV door in strijd met de monarchie, meestentijds +over belastingkwesties, al dragen zij hun redelijk deel bij tot het +ondergraven der koninklijke macht, men moet zich hoeden hun strijd +van den beginne af aan als een deel der algemeene worsteling van de +opkomende tegen de ondergaande klassen te beschouwen. Integendeel: +aanvankelijk heeft hij nog tot inhoud de oppositie van een reaktionair +gezinde groep tegen de centraliseerende werkingen van het absolutisme, +dus van het element van vooruitgang daarin, en beteekent de pogingen +dezer groep, haar vroegere macht en invloed terug te winnen. Eerst +wanneer, onder Lodewijk de XVIde, het verval, de ontbinding van de +regeering en van alle officieele instellingen en denkbeelden hun +hoogtegraad bereikt zullen hebben, wanneer de revolutionaire gezindheid +al wat maar even levenskrachtig is heeft aangegrepen, krijgt het verzet +der parlementen tegen de monarchie een beslist revolutionair karakter. +Van hen gaat de eisch tot het bijeenroepen der generale staten uit.[13] + +De dragers der nieuwe ideeen, der revolutionaire aspiraties waren, +omstreeks het midden der eeuw, in hoofdzaak twee maatschappelijke +groepen, die zich beiden in Parijs concentreerden: de finantieele +bourgeoisie en het burgerlijk intellekt. + +De groote financiers gaven, door hun ekonomische kracht, hun +maatschappelijk aanzien en hun politieken invloed, aan de +intellektueelen den socialen ruggesteun, dien zij tot den aanval op de +officieele instellingen behoefden, onder een regiem dat geen vrijheid +van drukpers, geen vrijheid van geweten, geen rechterlijke waarborgen +tegen de vergeweldiging der persoonlijkheid kende, en waarin de wraak +van den eersten den besten edelman den schrijver, die zich onvoorzichtig +had uitgelaten, door een "lettre de cachet," zonder vorm van proces, in +de Bastille kon doen opsluiten. En ook gaven de maecenassen uit de +geldwereld aan de arme schrijvers (aanzienlijke magistraten als +Montesquieu, grondbezitters als Buffon, rijke bourgeois als Voltaire +waren onder het intellekt uitzonderingen) door geschenken of jaargelden +den ekonomischen steun, zonder welken zij verhongerd zouden zijn. +Hunnerzijds voerden de intellektueelen met de wapenen des geestes den +strijd voor de omverwerping der bestaande orde en bereidden zij de +machtsverheffing der bourgeoisie voor. + +Reeds van de laatste jaren der regeering van Lodewijk XIV dateerde de +oppositie van eenige vaderlandslievende, in den regel aristokratische +ideologen, als Fenelon, Boulainvilliers, Vauban, St. Simon, tegen de +misbruiken der absolute monarchie. Voortgezet werd zij gedurende en na +het Regentschap door d'Argenson, den abt de St. Pierre (die o.a. een +voorstel tot belastinghervorming en een tot voorbereiding van den +eeuwigen vrede schreef, na zijn dood door Rousseau in verkorten vorm in +het licht gegeven), den marquis van Mirabeau e.a. In de jaren 1724 tot +'31 organiseerden zich de hervormingsgezinden in de "Club de l'Entresol," +de eerste fransche club, een importatie uit Engeland, het land waarvoor +de belangstelling der vooruitstrevenden steeds grooter werd. Hoewel de +werkzaamheid der leden een zuiver akademisch karakter droeg, verontrustte +zij toch de regeering zoozeer, dat Fleury ten slotte aan de bijeenkomsten +een einde maakte. Nog voor de stichting der "Club de l'Entresol," in 1721, +waren Montesquieu's "Lettres Persanes" verschenen, een klein boekje +waarin, onder een mom van luchtigheid en scherts, een onmeedoogendloos- +felle kritiek op absolutisme en katholicisme werd uitgeoefend. + +Van maatschappelijk-praktisch belang wordt de wetenschappelijke en +philosophische oppositie echter eerst in de jaren '40. De agitatorische +concentratie der nieuwe ideeen in de Encyclopedie, het "algemeen +handboek van de verlichting,"[14] bereidt zich voor. Van nu af aan +zullen deze ideeen zich konsekwent verder ontwikkelen tot de leer van +het mechanisch materialisme, de strijd-philosophie der revolutionaire +bourgeoisie, die zij uitdagend tegenover de midden-eeuwsche +wereldbeschouwing stelt. De denkers en schrijvers, die in Parijs "tot +een philosophisch individu vereenigd"[15] de nieuwe wereldbeschouwing +opbouwen, zijn zich zeer goed haar wezen als aanvallend wapen bewust. +Niet om de "zuivere wetenschap" is het hen te doen,--evenmin als ooit +en ergens ter wereld de leden eener opkomende klasse--maar, hetzij zij +de natuur, de mechanica, het staatsrecht of de philosophie tot +uitgangspunt nemen, om de opheffing der klasse-privelegien van adel en +geestelijkheid; om de bevrijding van het eigendom uit feudale banden; +om de gelijkheid der burgers voor de wet; om de vrijheid van godsdienst; +om de afschaffing van het verouderde, barbaarsche strafrecht; om de +instelling van een konstitutioneele regeering;--met een woord, om de +praktijk, dat is _om de menschenwereld, de maatschappij, te veranderen_, +in te richten naar de algemeene behoeften der bourgeoisie. "Het doel van +den mensch is de daad," schreef Voltaire, de man die het zuiverst haar +aspiraties vertolkte, veel zuiverder dan La Mettrie, toen hij in zijn +moraaltheorie de leer opstelde "het doel van den mensch is het genot." +Voor alles genieten wil in dien tijd alleen de bovenste laag der +bourgeoisie, die, welke reeds deel heeft aan de gepriviligeerde positie +der machten van het ancien regime, maar ook door haar decadentie is +aangestoken;--voor alles handelen wil de geheele, naar bewegings-vrijheid +dorstende klasse. + +Voltaire--hij 't eerste vestigt nadrukkelijk de aandacht van het +revolutionair intellekt op de wetenschap en de literatuur van het land +waar de bourgeoisie reeds heerscht, zij het dan ook door een compromis +met koning en adel: op Engeland. Aan de engelsche _praktijk_ ontleenen +de vooruitstrevende schrijvers meer en meer hun denkbeelden omtrent de +beste inrichting van den staat, niet als een abstrakt ideaal, maar als +eene te verwezenlijken mogelijkheid. Aan de engelsche _wetenschap_ +ontleenen zij, Voltaire volgend, in hoofdzaak hun philosophische +denkbeelden. Zij putten uit Locke, de groote empiricus, die de +wijsgeerige ideeen van het tijdperk der verlichting het helderst en +volledigst samenvat, in zijne kennis-theorie het menschelijk weten +streng begrenst tot de uiterlijke en innerlijke ervaring. Zij putten +uit de deisten het begrip van een "redelijken godsdienst" die geen +openbaring van noode heeft. Zij putten, wederom het spoor van Voltaire +volgend, uit de engelsche natuurphilosophie (Newton) het beginsel der +mechanische causaliteit, het begrip van de overeenstemming tusschen +deduktie en ervaring als het eindpunt der menschelijke zekerheid. Zoo +worden openbaring en geloof onttroond door empirie en rede; in de plaats +van het wonder treedt de zinnelijke ervaring.[16] + +Maar terwijl in Engeland de philosophen en natuurkundigen de aarde en +haar weerspiegeling, den hemel, hartstochtloos-objektief onderzoeken +--immers na een halve eeuw van historische schommelingen neemt de +engelsche bourgeoisie sedert de troonsbestijging van Willem de derde de +positie in, overeenkomende met haar sociale en politieke ontwikkeling +--ademt het wezen der fransche literatuur van die dagen hartstochtelijken +strijd. Haar geheele karakter is agitatorisch. Naarmate de klasse- +tegenstellingen zich toespitsen en het zelfbewustzijn der bourgeoisie +groeit, wordt haar strijdkarakter steeds beslister, haar leer steeds +radikaler. En terwijl in Engeland de philosophie der ervaring zich met +de godsdienstige tradities verdraagt en verdragen kan, omdat de kerk zich +aangepast heeft aan de nieuwe orde van zaken, staat voor de fransche +philosophie de aanval op de kerk, op haar leer en haar praktijk, in het +middelpunt van den strijd. Immers gelijk wij zagen, is de geweldige burcht +der kerk, de driedubbele wal van haar ekonomische, sociale en ideologische +macht, in werkelijkheid de sleutel tot de verdedigingslinies van het +ondergaand regiem. + +De man die, dank zij zijn gelukkigen, zeldzaam veelzijdigen en +evenwichtigen aanleg en zijn levensomstandigheden, alle voorname +stroomingen der burgerlijke verlichting in zich vereenigen kon, is +Voltaire. De aspiraties van het toonaangevend deel der bourgeoisie van +dien tijd--de finantieele--belichaamt hij als geen ander, als geen +ander is hij het bewustzijn van haar maatschappelijk zijn. Buffon moge +grootscher zijn, Diderot vuriger, meer met revolutionaire elektriciteit +geladen, La Mettrie, Helvetius en Holbach onverschrokkener de +konsekwenties trekken van de nieuwe anti-godsdienstige wereldbeschouwing, +--Voltaire geldt bij vriend en vijand als de onbetwiste aanvoerder van +den aanval op dwang, tyrannie en bijgeloof. Den strijd tegen de machten +van het oude regiem voert hij onstuimig en toch behoedzaam, hij valt +aan, dringt vooruit, retireert behendig wanneer hij in 't nauw wordt +gebracht: (zelden gaf hij eenig geschrift uit onder zijn eigen naam, +altijd was hij klaar om zijn geesteskinderen te verloochenen) zoo komt +hij voortdurend voorwaarts. Hij is zoowel overmoedig als gesmijdig, +ontziet stelselmatig het koningschap, om de volle kracht van zijn +aanvallen op de kerk te koncentreeren. Altijd houdt hij zich, met +onfeilbare intuitie, in het "juiste midden" der gedachte-bataljons, die +tegen de oude wereld en haar ideologie oprukken; hij waarschuwt en kant +zich tegen alle materialistische en atheistische denk-excessen zijner +dicipelen en medestrijders; bekapittelt ze, beknort ze zoolang mogelijk +_en famille_; verloochent ze zoo 't moet, om niet gekompromitteerd te +worden, in 't openbaar. Hij is 't zuivere type van den "integralen +leider." Hij is ook, natuurlijk, de man van het succes, de centrale +figuur, aan wien de arbeid en de worstelingen van heel het strijdend +volk der denkers en schrijvers ten goede komt, de afgod der +tijdgenooten. In zijn denkbeelden en zijn persoonlijk leven belichaamt +hij het deel der bourgeoisie, dat, in vele dingen onverzoenlijk staande +tegenover het oude regiem, toch met de dragers daarvan overeenstemt in +een zekere luchthartige en aristokratische, althans anti-demokratische[17] +levensopvatting, door hun lichtzinnigheid en genotzucht in zekere mate +is besmet. Hij is idealist, hij meent het ernstig met den strijd tegen +dwang, voor de bevrijding der persoonlijkheid, hij wil het geluk der +menschheid, hij gloeit van medegevoel voor de slachtoffers van de +willekeur der monarchie en het fanatisme der priesters, hij strijd met +animo, met moed, met overtuiging;--maar hij strijdt immer met een +ironischen glimlach om de lippen, hij vindt de ergste uitwassen van het +oude stelsel misschien nog meer belachelijk dan haatbaar, hij is nooit +ontroerd met de diepe bewogenheid, die de onderste wateren der ziel in +beweging brengt. Hij is klaar, maar vlak; levendig, niet vurig. Hij +gelijkt niet in het minst op een apostel, (die kon de groote bourgeoisie +niet voortbrengen) hij verstaat het uitstekend zijn persoonlijk belang +te dienen naast het algemeene zijner klasse; vier en twintig jaar oud, +blijkt hij gelijktijdig even vervuld van het epos dat hij schrijven als +van de finantieele zaken die hij op touw zetten wil; "grand brasseur +d'affaires et grand remueur d'idees,"[18] gelijk Jaures' gelukkige +omschrijving luidt, leeft in hem zoowel de onzelfzuchtige energie, de +dapperheid, het enthousiasme die het deel zijn van _opkomende_ klassen, +als het egoisme en de cynische menschen-verachting, die ten eeuwige dage +_uitbuitende_ klassen hebben gekenmerkt. + +Een gelijksoortige tweeslachtigheid als bij Voltaire doortrekt de +wereldbeschouwing en de moraalphilosophie der voornaamste materialisten +van dien tijd. Zij zijn allen vol energie, vol daden-drang, vol +stoutmoedig vertrouwen, door de propaganda hunner ideeen de +menschenwereld te zullen veranderen,--maar de meest konsekwente +theoreticus van het materialisme onder hen, beschouwt den mensch als een +machine, de gedachte als een mechanische werking van de stof. Zij allen +zijn praktische idealisten, strijders tegen het onrecht, de willekeur, +de barbaarschheid en wreedheid van een ondergaand stelsel,--maar +Lamettrie verklaart de zinnelijke lust het hoogste doel van alle +aktiviteit, de hoogste gelukzaligheid te wezen en Helvetius noemt het +egoisme de norm van alle handelen.[19] Ten deele zijn deze theorien +natuurlijk de konsekwentie van de scherpe vijandschap der revolutionaire +philosophie tegen het christendom, haar afschuw van de huichelarij der +papen, die "water prediken en wijn drinken," zelfverloochening en +naastenliefde in den mond voeren en wier daden stinken van berekening en +genotzucht. "Liever turksch dan paapsch" zeiden de geuzen; "liever +liederlijk dan vroom" zeggen de materialistische philosophen. Maar ten +deele is de naakte verheerlijking van eigenbaat en zelfzucht, die in +hunne werken schering en inslag is, de cynisch-overmoedige bekentenis +van burgerlijke denkers, _dat het maatschappelijk wezen der +groot-burgerlijke klasse evengoed als dat der feudaal-absolutistische +uitbuiting is_,--dat zij de massa's tot hare doeleinden te gebruiken als +even natuurlijk beschouwt als de oude verdrukkers dit doen die zij komt +onttroonen. Alleen gedurende de opkomst der bourgeoisie, eer de schim +van 't proletariaat voor haar is opgerezen, heeft hare philosophie, alle +huichelarij verachtend, den cynischen moed tot dergelijke bekentenissen, +evenals hare ekonomie (Ricardo) dien tot de uitspraak, dat de arbeid de +eenige waardevormende kracht is. + + * * * * * + +De intellektueele strijd der philosophen is in Frankrijk tot diep in het +derde kwart der 18de eeuw, het belangrijkst verschijnsel van den +klassenstrijd. Noch de schermutselingen tusschen de kroon en de +parlementen, noch de honger-opstanden der vertwijfelende boeren, noch de +oproerige volksbewegingen af en toe in Parijs uitbrekend--die van 1750, +naar aanleiding van den kinderroof van groote heeren tot sadistische +doeleinden schijnt een voorspel van den 6den October 1789[20]--kunnen +zich met hem in historische beteekenis meten. Een algemeene +revolutionaire beweging op politiek terrein, gericht tegen de absolute +monarchie, begint eerst na 1770. Die haar voeren zijn niet in de eerste +plaats de philosophen, maar de z.g.n. "patriotten," de voorvechters niet +der groote bourgeoisie, maar der volks-massaas--kleinburgers, arbeiders +en boeren.[21] Die patriotten zijn de discipelen van Rousseau. + +Omstreeks het midden der eeuw was de politieke bewustwording dezer +massaas nog nauwelijks begonnen; hunne klasse-behoeften en klasse- +aspiraties,--in sommige opzichten samengaande met die der groote +bourgeoisie, nl. in den strijd tegen feudalisme en absolutisme, in +andere er lijnrecht tegenoverstaande--hadden nog geen uitdrukking +gevonden. Zij alleen konden zich zonder voorbehoud tegen 't oude regiem +stellen, want zij alleen waren niet besmet met zijn bederf en hadden +geen belang bij den voortduur der uitbuiting, hetzij feudale of +burgerlijke. Daarom zouden zij, in de geweldige sociale katastrophe, +waarvan de tijd zwanger ging, den strijd tegen _alle_ bederf en tegen +_iedere_ uitbuiting en verdrukking voeren met zulk een +bewonderenswaardig heroisme--met _tragisch_ heroisme, want zij moesten +in dien strijd verslagen worden. Immers, zij moesten vasthouden aan het +wezen der waren-produktie, aan het privaatbezit der produktie-middelen +dat hun belang, hun behoefte, hun levenssfeer, dat vleesch van hun +vleesch en bloed van hun bloed was. + +De nooden en behoeften dezer massaas, nog stom, maar vol innerlijk leven, +hun hunkeringen en hun toornen, hun geluks-aspiraties en hun moreele +verontwaardiging gingen nu haast een stem krijgen, die de wereld zou +opschrikken als een donder eerst, dan aandoen met zoete bekoring,--zij +gingen stem krijgen in Rousseau. + + + +II. HET MOEIZAME LEVEN. + +In het najaar van 1741 kwam hij te Parijs, met vijftien goudstukken op +zak, zijn komedietje "Narcisse" en zijn uitvinding, het notenschrift +in cijfers dat, meende hij, hem met een slag vermaardheid en rijkdom +verschaffen zou. Hij had, door vrienden uit Lyon, goede introdukties, +en maakte al spoedig kennis met verschillende geleerden uit officieele +kringen. Een hunner sprak over hem met Reaumur, een bekend zooeloog en +chirurg (de eerste die de cataract opereerde). Door diens toedoen werd +hij in den zomer van '42 uitgenoodigd, zijn memorie over de nieuwe +methode van muziek te schrijven in de Academie der Wetenschappen voor te +lezen. + +Hij dacht gewonnen te hebben, maar 't gaf niets als teleurstelling. De +"commissarissen," die het officieele genootschap benoemde om zijn plan +te onderzoeken, waren misschien zeer geleerde mannen, maar van muziek +wisten zij niets af. Hij kreeg een certificaat vol komplimenten en +beleefde wendingen, gelijk de Franschen dat verstaan, maar waarvan de +inhoud er op neer kwam, dat zijn stelsel niet nieuw en niet nuttig was. +Hij voelde zich diep verongelijkt. + +Een zijner zeldzame buien van energie, van willen doorzetten, kwam over +hem. Hij sloot zich op in zijn kamer, in een morsig hotelletje in een +vieze straat, de rue des Cordiers, dichtbij de Sorbonne, waar hij +verblijf had genomen, en werkte een paar maanden "met onbeschrijflijken +ijver," om zijn memorie om te smelten tot een "verhandeling over de +moderne muziek." Hij vond door bemiddeling van een kennis een uitgever, +maar 't boekje werd haast niet gelezen en bracht hem geen cent op. Zijn +gouden droomen braken weer tegen de harde werkelijkheid, als toen hij, +soezende knaap, door Milaan gedwaald had. + +Hij berustte, niet zoozeer terneergeslagen als gelaten, en verviel in +de apathische stemming die bij hem altijd op een periode van sterke +inspanning volgde. Hij liet zich een poosje leven, beperkte zooveel +mogelijk zijn uitgaven, maar maakte zich niet bezorgd hoe aan den kost +te komen als de paar goudstukken die hij nog over had, opgeteerd zouden +zijn. Hij verdeelde zijn tijd meest tusschen schaakspelen en het van +buiten leeren van latijnsche gedichten, die hij maar niet onthouden kon; +af en toe bezocht hij de komedie of de opera. De kennissen, die hij +gemaakt had in de letterkundige wereld, gedurende den tijd dat hij al +zijn best deed om menschen van beteekenis en invloed gunstig te stemmen +voor zijn nieuw muziekschrift, liet hij meest loopen, juist omdat hij +hun hulp zoo erg noodig had. Enkelen slechts, Marivaux, Fontenelle, +Mably en Diderot bleef hij geregeld zien. De omgang met den laatste werd +weldra meer vertrouwelijk: in die dagen van teleurstelling vond hij, wat +hij sedert zijn kinderjaren te Bossey niet gehad had, een vriend. + +Rousseau en Diderot kwamen op vele punten overeen, verschilden op vele +anderen. Zoo is 't het beste voor de vriendschap, doorgaans. Zij waren +even oud, beide geen Parijzenaars; evenals Rousseau stamde Diderot uit +een eerzaam kleinburgerlijk milieu, een handwerkersgezin in de +provincie. Maar als bijna alle schrijvers van zijn generatie, had hij +bij de Jezuieten schoolgegaan. Evenals Rousseau was Diderot arm, +gevoelig, geestdriftig, vol vrijheidszin. Evenals Rousseau was hij +gouverneur geweest bij een adellijke familie en had 't daar niet kunnen +uithouden. Evenals Rousseau was hij dol op muziek en had hij op zijn +dertigste jaar nog weinig geschreven. Beide waren samengestelde naturen: +zij paarden aan een gevoelig gemoed een vechtlustig verstand en een +neiging tot paradoxen. + +Diderot "de schepper der ontroerde en welsprekende kritiek" (St-Beuve), +is zonder twijfel een der merkwaardigste figuren en misschien de +aantrekkelijkste persoonlijkheid onder de philosophen. Hij was +schitterend begaafd, edelmoedig, betrekkelijk vrij van persoonlijke +eerzucht en ijdelheid, taai en volhardend. Vijf-en-twintig jaar lang +hield hij de leiding der Encyclopedie vast door tallooze moeilijkheden +en gevaren, zonder gedurende al dien tijd een dag van rust of veiligheid +te kennen. Niets kon hem ontmoedigen, noch de vervolgingen der +regeering, noch de afval van vrienden (d' Alembert en Rousseau), noch +het verraad van den uitgever. En 't was hem te doen om de zaak, om de +nieuwe wereldbeschouwing, niet in de eerste plaats om persoonlijk +voordeel of roem. Als kind maakte hij de opstellen voor minder vlugge +kameraadjes, als man strooide hij de overvloed van zijn kennis, zijn +talenten, zijn vernuft, zijn geniale invallen, zijn enthousiasme uit in +het brein en de werken van anderen, van Grimm, van Raynal, van allen die +armer waren dan hij aan geestelijke gaven. Hij was een bron waaruit alle +mochten scheppen. En zij schepten uit hem, rijkelijk. + +Maar die bron was wel klaar en frisch en overvloedig, doch niet diep als +de ziel van Rousseau, dat ondoorgrondelijk water vol geheimen van kracht +en ontroering. Zijn vuur was een ander vuur, schitterend meer dan +verwarmend. Zijn geestdrift voor de nieuwe ideeen was echt, maar wat hem +tot schrijven bracht was niet die geestdrift: het waren de behoeften van +zijn gezin en van zijn maitresse. De hartdiepe, tragische levens-ernst +die in Rousseau aan 't groeien was, zou hij nooit begrijpen. Hun +temperament was geheel verschillend: Rousseau intermitteerend-aktief, +droomerig-teeder, neigend tot zwaarmoedigheid; Diderot luchthartig, +opgewekt, vol overvloeiend leven en behoefte aan uiting, een uiterst +bewegelijke, sanguinisch-aktieve natuur. Maar vooral,--en deze +tegenstelling zou een vijftienjarige vriendschap breken,--Diderot was +bedil-achtig en heerschzuchtig, op 't tyrannische af, hij wou zijn +vrienden dwingen tot wat _hij_ goed achtte; Rousseau, in het minst niet +heerschzuchtig, verdroeg geen dwang. + +Een pater-jezuiet van zijn kennis raadde Rousseau om te probeeren of de +vrouwen niet wat voor hem konden doen: zonder de vrouwen, zeide hij, +komt men er nooit in Parijs. Hij gaf Rousseau introdukties voor een paar +dames der groote wereld: Mme de Beuzenval en haar dochter, de markiezin +de Broglie. Het begin was niet bemoedigend. Bij zijn eerste bezoek +verzocht Mme de Beuzenval, een domme poolsche gravin, hem te blijven +eten. Hij nam aan, en begreep een oogenblik later dat de invitatie +bedoeld was geweest voor de tafel der bedienden. Mme de Broglie zag hem +van kleur verschieten en herstelde de onhebbelijkheid van haar moeder, +hij bleef, maar een oude wond was weer opengereten. + +Van den pater kreeg hij ook een introduktie voor Mme Dupin, de vrouw van +een schatrijken belastingpachter, die o.a. het oude koningsslot +Chenonceaux bezat. Nu had hij toegang tot de groote finantieele wereld. +Mevrouw Dupin hoorde tot de vrouwen, wier groote eerzucht 't was zooveel +mogelijk "beaux esprits" in haar salon te verzamelen, zij ontving +Rousseau vriendelijk en hij bleef bij haar aan huis komen, ook nadat hij +de onhandigheid had begaan haar een declaratie te doen; een poos +fungeerde hij als gouverneur van haar zoontje. Met haar stiefzoon, +Francueil, een begaafd en beminnelijk mensch, musiceerde hij en zij +liefhebberden samen in de chemie, die in de mode begon te komen. Maar +eer hij nog tijd had gehad om in dit milieu vasten voet te vatten scheen +zijn leven een geheel andere wending te gaan nemen: de tusschenkomst van +Mme de Broglie bezorgde hem een post bij de diplomatie, hij werd +secretaris van den franschen gezant in Venetie. + +[Illustratie: THERESE LEVASSEUR. (Naar een Sepia-teekening van Naudet).] + + +Ofschoon hij in naam slechts privaat-sekretaris van den gezant was, +vervulde hij in werkelijkheid de funkties van een gezantschap-sekretaris, +een moeilijke en verantwoordelijke post. Zijn meester, de Montaigu, was +een ezel, een stomme oud-militair, zonder eenig begrip van diplomatieke +aangelegenheden, en die alles aan zijn sekretaris overliet. Rousseau +vervulde, verzekert hij ons, zijn taak ijverig en nauwgezet; dat hij +in dezen nieuwen, voor hem ongewonen werkkring blijken gaf van +scherpzinnigheid en doorzicht kunnen wij gerust gelooven, al heeft hij +misschien in de "Confessions," vijf en twintig jaar na zijn verblijf te +Venetie geschreven, zijn positie en zijn invloed op den gang van zaken +een beetje al te gewichtig voorgesteld. Veel in de politieke instellingen +en zeden der oude dogenstad aan de Adriatische zee moest hem de indrukken +zijner kindsheid weer te binnen brengen en aan het milieu van zijn +vaderstad herinneren: Venetie was als Geneve een souvereine stad, bestuurd +dooreen trotsche,--ervaren aristocratie; het bezat evenals Geneve een oude +republikeinsche konstitutie, die den volkswaan vleide en bevredigde, +terwijl in werkelijkheid het gezag in handen der patriciers berustte. Zijn +werkkring riep politieke belangstelling in hem wakker, de aard van zijn +geest leidde die naar nadenken over het algemeene vraagstuk van den invloed +der politieke instellingen op den menschelijken staat. Zoo voegde Venetie +een nieuwen schakel toe aan zijn levens- en wereldbeschouwing. + +Jaloerschheid van den adellijken botterik op den begaafden jongen man, +wiens zelfbewustzijn groeide met 't besef van zijn onmisbaarheid, maakte +de verhouding tusschen den gezant en zijn secretaris al spoedig +ondragelijk gespannen. De Montaigu begon Rousseau opzettelijk lomp en +beleedigend te behandelen; een poos hield hij dit nog uit, maar ten +slotte kwam 't tot een hevige scene, en de Montaigu joeg zijn sekretaris +weg, zonder hem zijn traktement uit te betalen. Om den gezant te +trotseeren bleef Rousseau nog veertien dagen te Venetie, waar, naar hij +vertelt, de geheele fransche kolonie op zijn hand was. Hij dacht er +eerst over zich terug te trekken in Geneve, maar verongelijking brandde +in hem en voerde hem weer naar Parijs; hij wilde satisfaktie van den +smaad die hem was aangedaan, openlijk eerherstel. Hartstochtelijk streed +hij voor zijn recht, reklameerde, deed al wat hij kon, hij hoopte door +zich tegen elk die het hooren wou beleedigend over den gezant uit te +laten, de regeering te dwingen in te grijpen. Alles vergeefs. Men liet +hem schreeuwen: dat was de beste manier om de zaak te laten doodbloeden. +Zijn achterstallig traktement kreeg hij ten slotte als gratie van den +gezant zelf. + +Daar stond hij nu weer op de keien van Parijs. Sinds zijn vertrek naar +Venetie waren achttien maanden verloopen. Nog nooit had hij zich zoo +verbitterd gevoeld tegen maatschappelijke verhoudingen die maakten dat +hij, arme drommel, geen recht kon vinden tegen den bruten aristrokraat; +nooit zoo moe, zoo moedeloos, zoo neergeslagen van hart. Hij was nu twee +en dertig jaar, en wat had hij bereikt met al zijn pogingen, zijn +streven naar moreele en intellektueele volmaking? Hij had gefaald in +alles. De stem die in hem gefluisterd had van iets groots dat wachtte +was zelfbedrog geweest, de vreemde kracht die somtijds in hem borrelde +vond nergens uitweg. Jeugd was voorbij, geluk lag achter hem: in de +zonnige heuvels van Savoye, ja daar had hij vrede gekend, en volheid van +levensgevoel aan de borst der geliefde. Waarvoor zou hij nog verder +strijden? Alles was immers beslist. Hij was arm, maar niet zijn armoede +drukte hem 't ergste. Hij voelde zich ongelukkig en verslagen, omdat hij +eenzaam was van hart. Hij hongerde naar menschelijke zachtheid. + +Eerst stilde hij dien honger aan een vriend, een Spanjaard, voor hem het +puik-juweel van alle menschelijke deugden, maar die moest terug naar +zijn land. Rousseau beloofde hem een paar jaar later te volgen, zij +zouden dan samen hun verdere levensdagen doorbrengen op het landgoed van +Altuna. Plannenmaken is altijd bekoorlijk, als men verdriet heeft +vooral. + +Hij was nu weer alleen en zocht troost in de muziek. Voor hij naar +Venetie ging was hij begonnen een opera te componeeren. Al vroeger, +eerst in Chambery, toen in Lyon, had hij zich gewaagd aan 't schrijven +van dramatische muziek in italiaanschen stijl, maar de proeven in 't +vuur geworpen. Om rustiger te kunnen werken, zocht hij zijn oude +hotelletje in de rue des Cordiers weer op. Daar diende toen een jong +linnenmeisje uit Orleans, van burgerfamilie, maar die aan lager wal was +geraakt. De jongste uit het groote gezin, was haar opvoeding totaal +verwaarloosd geworden; zij kon nauwelijks lezen, schrijven heel slecht. +Zij heette Therese le Vasseur. Mooi was zij niet, wel aantrekkelijk door +de zachte levendigheid van haar blik en haar bescheiden optreden. Zij at +aan tafel met de commensaals, die, vooral de geestelijken onder hen, het +schuwe deerntje in 't nauw brachten met schuinsche grappen en +onhebbelijkheden. Alleen Rousseau deed daaraan niet mee: hij nam 't voor +haar op tegen de anderen; zij was hem dankbaar, beide hunkerden naar wat +menschelijke zachtheid, beide waren jong (hij ruim tien jaar de oudste); +tusschen hen kwam 't al gauw tot een liefdes-verhouding. Geen lust was +het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte +aan innigheid. Zijn ambitie, meende hij, was dood, zijn hart was leeg; +hij had een menschelijk wezen noodig dat die leegte vulde. + +Eerlijk waarschuwde hij haar dat hij haar nooit wettelijk huwen, maar +ook nooit loslaten zou. En zoo deed hij. Zij bleven samen in vrije +liefde tot aan zijn dood, vier-en-dertig jaar later.[22] + +Den dag dat hij zich aan haar verbond, beschouwde hij als den dag die +vastheid gaf aan zijn zedelijk wezen. En dit was waarheid. Want in den +levensbond met het plebeisch natuurkind--Therese was in buitengewone +mate een wezen van het instinktmatige leven, gelijk men ook thans nog +onder vrouwen vindt, ofschoon zeldzaam: simpel gebouwd als oerplanten, +in hun oordeel en hun handelingen zonder de weifelingen en het voorbehoud +der meeste kultuurmenschen, den stem hunner sterke en zuivere aandriften +volgend--in dien bond vond hij steun bij het verzet van zijn diepste ik +tegen de maatschappij van zijn tijd, tegen haar zeden, haar moraal, haar +overmatige verfijning, haar verstandelijke subtiliteit, haar dorheid van +hart. + +Voor zijn letterkundige vrienden en kennissen was zijn keus onbegrijpelijk. +Zij hadden, gehuwd of ongehuwd, allen maitressen--aristokratische dames of +vrouwen uit de haute finance, of pleiziermeisjes, of actrices. Dat sprak +immers van zelf. En al die vrouwen, ook de lichtekooien, hadden een +glimp van de hen omringende kultuur opgevangen. Van het groote +gedachtenvuurwerk dat om hen brandde daalden enkele vonken op hun zielen +neer. "Zij leefden in de atmosfeer van de opera van den dag, van het +nieuwe tooneelstuk, van het boek van de week."[23] Zij konden meepraten +over de literatuur en de philosophie, met vertoon van geestigheid of +geleerdheid herhalen wat anderen hun hadden voorgezegd. Maar Therese! +Een meisje uit het volk, die niets wist, die nauwelijks kon lezen, en +alle moeilijke woorden verhaspelde; die haar mans potje kookte, en haar +mans linnengoed (dat hij graag erg netjes had) verstelde en streek, en +niet anders begeerde, zulk een vrouw lag totaal buiten hun begripsfeer. +Dat men met haar gelukkig kon leven konden zij niet gelooven; dat dit de +soort vrouw was die bij Rousseau als levensgezellin paste konden zij +niet begrijpen: zij achtten zijn keus een noodlottige vergissing, een +ramp voor hem, verderfelijk. Zoo oordeelden zij verkeerd, en moesten +verkeerd oordeelen, over zijn meest innige, blijvende en in menig +opzicht meest essentieele levensverhouding. En hierin lag noodzakelijk +een kiem van vervreemding. + +Hun oordeel ging over op de historici en de biographen van Rousseau. +Met zeer enkele uitzonderingen[24] hebben zij alle afgegeven op "die +afschuwelijke Therese," haar fouten breed uitgemeten, haar deugden en +verdiensten vermoffeld. Het is bijna een legende geworden, dat de +zedelijke stormen van zijn verder leven, de droevige wanen die hem +plaagden, de ziekelijke breuk in zijn binnenste tusschen de werkelijke +wereld en de wereld der fantaisie, grootendeels toe te schrijven zijn +aan Therese. De verhouding met Mme de Warens--voor elke onbedorven +natuur ondanks haar poetische bekoring toch in sommige opzichten +afstootend--vindt gratie in de oogen dier heeren; zij doopen, haar +beschrijvend, hun pen in suikerwater.[25] Natuurlijk: Mme de Warens was +immers de bekoorlijke chatelaine, welgemanierd, elegant tot in haar +minst verdedigbare sexueele afdwalingen. En tegenover de liefelijke +"idylle der Charmetten" (die zagen wij nooit bestaan heeft) malen zij +dan in donkere verven Rousseau's "rampzalige liefdesverhouding" met de +"onbeschaafde wasch-vrouw" Therese le Vasseur. Zij _kunnen_ niet anders: +hun oordeel wordt gekleurd door hun klassegevoel en hun intellektueelen +hoogmoed. + +Men behoeft geen apologie te schrijven van Therese. Het zal wel waar +zijn dat zij geborneerd was van geest, babbelachtig en jaloersch (als de +meeste geborneerde vrouwen) en het soms niet nauw nam met de waarheid. +Dat er een periode van hun samenleven is geweest waarin haar affektie +voor Rousseau verkoeld was weten wij door hem zelf: dergelijke tijden +van vervreemding in een huwelijksleven van vier-en-dertig jaar en dat +met een man als Rousseau, zoo moeilijk om mee om te gaan, vaak zoo +ongelijk van humeur, zoo veeleischend en bedorven, zijn allerminst +verwonderlijk. Dat zij kort voor 't eind van zijn leven, als oude vrouw +al, een gril gehad zou hebben voor een stalknecht moge min smakelijk +zijn: rekent men haar dit aan als een onvergeeflijke trouwbreuk, dan +moet men dit Rousseau zijn gloeiende hartstocht voor Mme d'Houdetot ook +doen. Maar daaraan denkt niemand. + +Tegenover de fouten en tekortkomingen van Therese staat 't volgende; +staat, ten eerste, de getuigenis van Rousseau zelf. Niet eenmaal, maar +vele malen heeft hij uitgesproken, in de "Confessions" en in zijn +brieven, dat zij zijn troost en zijn geluk geweest is, "de eenige +werkelijke troost die de hemel hem toezond in zijn ellende, en die zijn +lot dragelijk heeft gemaakt." Niet enkel haar "engelachtig hart" bleef +hem bekoren, haar "zuivere uitmuntende aard, die geen boosheid kende," +hem aantrekken--maar ook haar natuurlijk verstand gaf hem dikwijls +steun in moeilijke omstandigheden en haar raad in praktische +aangelegenheden bleek altijd goed. + +En naast het getuigenis van Rousseau staat dat der feiten. + +Vanaf hun eerste samenwonen in het dakkamertje van de rue de Grenelle, +waar zij van '47 tot '56 verblijf hielden, gelukkig als twee tortels, +arm en tevreden met hun eenvoudig huishoudentje,--al werd dat geluk en +die vrede dikwijls gestoord door de intrigeerende, bemoeialachtige +schoonmoeder en de onverzadelijk-hebzuchtige familie van Therese, heel +een sleep van broers, tantes, nichtjes en neven als een troep haaien, +tuk op buit, haar nazettend;--tot aan de laatste moeilijke weken in het +kasteel Ermenonville waar de dood hem van waan en wantrouwen verloste, +trok zij overal met hem mee. Zij was de ijverige zorgvuldige +huishoudster die de materieele basis van zijn bestaan verzorgde, het +zijn vrienden behagelijk maakte, ze ontving met een eenvoudig, maar +goed-toebereid maal, gelijk hij 't liefst had. Zij was de trouwe +verpleegster wier zorg hij vaak geen dag kon missen, wanneer de +aanvallen van zijn kwaal, die 's winters plagt te verergeren, hem +maanden lang tot een invalide maakte. Zij was de gezellin die hem in +trouwe aanhankelijkheid bijstond in die jaren, dat het verraad van +vrienden, de geniepige aanvallen van Voltaire, de vervolgingen der +regeeringen, de ophitserijen der zwitsersche protestantsche +geestelijkheid, zijn licht-kwetsbaar gemoed bedroefden en verwarden. +Was dit liefde of niet? En was die liefde goed voor hem of niet? + +Een deel van zijn leven lag buiten haar sfeer: zijn denk-leven, zijn +geestelijke werkzaamheid. Zeker, hun verhouding zou kompleeter en +inniger geweest zijn, zoo zij elkaar in alle sfeeren geraakt hadden. +Maar de zijde van zijn wezen, die buiten het hare omging, was voor zijn +geluk niet de meest essentieele. Voelen ging hem voor denken--zijn +denken stond immers geheel op gevoelsbasis--liefhebben voor begrijpen. +En daarbij, in die sfeer was hij nimmer eenzaam. Er waren mannen, +hoog-begaafden, onder de besten van hun tijd, er waren ook vrouwen +genoeg die hem in de gedachte-sfeer volgen konden, die hem om zijn +gaven, om zijn dichterschap aanbaden; er was maar een Therese, die zijn +persoon in al haar onvolkomenheden en gebrekkigheden met zorgende +dienende liefde omgaf. Voor die andere vrouwen was aanbidding +gemakkelijk, gelijk elk gevoel, niet beproefd in den smeltkroes van het +dagelijksch leven; zij luchtten in geexalteerde brieven aan den grooten +schrijver hun dankbaarheid, dat hij hun verdorrende harten tot nieuwen +bloei had gewekt. Dat was niet moeilijk. Voor Therese bleef dit zware, +moeilijke: 't samenleven met den neurastenicus die Rousseau was, den +ontwrichte dien hij meer en meer werd; 't verzorgen van den +in-zijn-werk-verdiepte, die soms maanden lang nauwelijks een woord tot +haar sprak. + +Veel heeft Therese met hem doorgemaakt--veel van hem verdragen. Eerst in +'t begin van hun verhouding, den tijd dat een groot deel van zijn leven +lag in een wereld waartoe zij geen toegang had, en hij soms maanden +achtereen op de kasteelen der groote finantiers doorbracht, door mooie +behaagzieke dames omgeven. Dat is hard voor een vrouw die een man +liefheeft, of zij een linnenmeisje is of een prinses. Dan die jaren in +Montmorency: de tijd van zijn groote werk-verzonkenheid, en ook van +zijn ontzettende gemoedsbewegingen toen de breuk kwam met Diderot en +Grimm en al zijn oude vrienden, en van zijn razenden hartstocht voor Mme +d'Houdetot. Ja, zij was misschien klapachtig, Therese, maar toen Mme +d'Epinay van haar door sluwe manoeuvres de brieven van Mme d'Houdetot +aan Rousseau in handen trachtte te krijgen, bewees het eenvoudige +burgermeisje haar zedelijke meerderheid boven de grande dame, en zij +loog, heldhaftig: "Die brieven zijn niet bewaard." + +En daarna kwam de vuurproef: de "Emile" verscheen, Rousseau werd vervolgd +en moest vluchten. Vluchten, in werkelijkheid, niet omdat _hem_ gevaar +dreigde--maar omdat een proces voor zijn beschermers uit de groote wereld +compromitteerend geweest zou zijn. Toen toonde zij haar "engelachtig hart," +haar vrouwentrouw, Therese. Zij had rustig in Montmorency kunnen blijven: +Rousseau stelde haar dat voor en zou voor haar zorgen, maar zij weigerde, +zij wilde naar den man, dien zij liefhad, naar den eenzamen banneling in +het zwitsersche dorp, om weer voor hem te kunnen zorgen, hem te verplegen +en bij hem te zijn. Zij drong erop aan hem zoo spoedig mogelijk te volgen. +"Ge weet wel," schreef zij hem naar Yverdun in haar gebrekkig, moeilijk +te begrijpen brabbelfransch, "dat mijn hart u behoort, en altijd heb ik +gezegd: moest ik over de zee trekken en over afgronden, zoo het gold u weer +te vinden, had men 't mij maar te zeggen en ik zou dadelijk gaan." En zij +onderteekende zich: "uw nederige, goede vriendin." + +Ja, dat was zij. In hun werk over "De vrouw in de XVIIIde eeuw" geven de +Goncourts vele aanhalingen uit brieven van vrouwen, groote dames en +courtisanes, aan hun minnaars, ten bewijze dat groote en trouwe liefde +ook in dien tijd van harte-verdorring, spotzucht en kille galanterie nog +heeft gebloeid. Maar geen dier brieven is teederder en inniger, ademt in +hooger mate de milde overgave van een liefhebbend hart, dan het haast +onleesbaar epistel van dit eenvoudige zieltje, Rousseau's Therese. + +Zij volgde hem naar Zwitserland, en toen kwamen de harde jaren in het +sombere bergdorp, de jaren waarin Rousseau als een ondergaand held voor +'t laatst worstelde tegen een wereld van vijanden; en toen zijn vlucht +voor de steenen der door de domines opgeruide boeren; en zijn kort +verblijf in Engeland, eenzaam voor hem, den zich in jeugdherinneringen +verdiepende, hoeveel eenzamer voor haar, die van de landstaal geen woord +verstond, met haar behoefte aan uiting over de kleine dingen van 't +dagelijksch leven. En toen het overhaast vertrek terug naar Frankrijk, +in een bui van verstandsverbijstering, van vervolgingswaan; en daar het +onrustig jagen van oord naar oord, en ten slotte weer naar Parijs terug, +en ondanks de ontwrichting van zijn gemoed, de betrekkelijke rust en +vrede van het handwerkers-huishoudentje in de rue Glaciere, niet +ongelijk aan dat van de al verre dagen hunner jeugd. + +Zij werd toen ouder en zwakker, Therese, maar zij hield de woning toch +proper en net, en zorgde voor haar oudje en haar kanarie, die in zijn +kooitje te zingen zat, wanneer Bernardin de St. Pierre hen bezocht en +aanzat aan hun tafel, voorzien als vanouds van eenvoudig, smakelijk +eten, door haar bereid. + +Zij werd ouder en zwakker, en hij verdiende al minder met muziek-kopieeren: +het oude paar was bijna behoeftig, toen zij een toevlucht vonden in het +kasteel Ermenonville. Daar stierf hij in haar armen, de deur gegrendeld, +dat niemand anders bij zijn sterven zou zijn. Tot het laatst had zij voor +hem gedaan wat in haar vermogen was, en dat was veel. + +De vrede, die zijn levensavond ondanks alles ademde, de uitstraling +eener schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste +geschrift, had niet kunnen bestaan dan op den materieelen basis, die +haar trouwe geduldige zorgzaamheid in stand hield, vier-en-dertig jaar +lang. + +Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen +minder bevooroordeeld door klassegevoel en hoogmoedig intellektualisme, +simpel hart, eenvoudig plebejerskind, veelgesmade, veelgelasterde +Therese le Vasseur. + + * * * * * + +Keeren wij terug tot den tijd hunner jonge liefde. + +Hij was nu secretaris geworden bij Mme Dupin en haar stiefzoon +Francueil. Hij voelde de afhankelijkheid van zijn positie daar grievend, +en de jaarwedde was klein, 900 frs., nauwelijks genoeg om te bestaan. +Een paar keer werd Therese zwanger en baarde: hij deed de jonggeborenen +naar het vondelingengesticht brengen. Zij verzette zich eerst heftig, +maar schikte zich ten slotte, vooral omdat haar moeder 't ook wou, waar +zij erg aan hing. Zij konden ook heusch geen kinderen gebruiken, en wat +zij deden was immers heel gewoon. Zich van zijn kinderen op deze wijze +ontdoen kwam in die dagen haast evenveel voor als in de onzen +nieuw-malthusianisme; een vierde van alle te Parijs gedoopte kinderen +werden te vondeling gelegd. Rousseau had in het eethuis waar hij voor +'t samenleven met Therese zijn maaltijd plagt te gebruiken, zooveel +verhalen daarvan gehoord, dat hij 't als de natuurlijkste zaak van de +wereld was gaan beschouwen dat men zijn kinderen naar 't vondelinghuis +bracht. Hij dacht er verder niet veel over na. + +Zijn pogingen naam te maken bleven falen. Zijn opera "les Muses +galantes" werd eenmaal gedeeltelijk opgevoerd bij een algemeen +belastingpachter, La Popeliniere, en toen nog eens bij een groot heer, +den "intendant der menus." Het werk beviel den modeman der hoogste +kringen, den hertog de Richelieu, die beloofde te zorgen dat 't voor den +koning zou worden opgevoerd. Maar er kwam niets van. Wel hielp Richelieu +hem aan wat anders: het omwerken van een zangspel, woorden en muziek, de +"Fetes de Ramire," door Voltaire geschreven, door Rameau gekomponeerd. +Maar de afgunst van den vak-musicus op den dilettant-componist deed +Rameau zeer deloyaal handelen; hij beschuldigde Rousseau van plagiaat +en maakte dat diens naam bij de uitvoering op de programma's enz. niet +genoemd werd. Francueil beloofde aan Rousseau te zorgen dat de "Muses +galantes" door de Parijsche opera werden aangenomen, maar ook daar kwam +niets van. Toen probeerde hij 't nog met "Narcisse," trachtte dit +gespeeld te krijgen. Ook weer vergeefs. Hij werd nu heelemaal ontmoedigd +en gaf elke poging om naam te maken op. + +Gaandeweg had hij vele menschen leeren kennen uit de intellektueele +kringen en de wereld der groote finantiers. De dames uit die wereld +vonden hem interessant, ondanks zijn gebrek aan gemakkelijkheid, zijn +onhandige complimenten, zijn stijve manieren. Hij was heel anders als +al de gladde heertjes die hun 't hof maakten, anders ook dan de overige +intellektueelen, meest briljante verstands-menschen, maar zonder +innerlijke warmte. In den regel slechtbespraakt, kon hij uitschieten in +plotseling vuur van welsprekendheid als 't onderwerp hem ontroerde, uit +diepten van zijn wezen die hij zelf nog niet kende, schoten dan +gloeiende stroomen omhoog. + +Hij zelf voelde zich in dat milieu altijd onzeker. In zijn bestaan was +een pijnlijke gespletenheid: het leven dat hij leidde, de kringen waarin +hij verkeerde, pasten niet bij zijn neigingen, zijn aanleg, zijn diepste +ik. Zijn wezen bleef innerlijk vreemd tegenover dit milieu van +zielsleege verfijning. Hij trachtte zich aan te passen, hij hoopte soms +toch nog te slagen, deed overdreven-beleefd, zijn beleefdheid was +zoetsappig en vermoeiend. Als hij op de kasteelen der groote heeren +logeerde, maakte hij zich beminnelijk met komedietjes schrijven, die dan +door de gasten werden opgevoerd; komediespelen was toen met coquetteeren +de meest geliefde tijdpasseering der "wereld waarin men zich verveelt." + +De dagen stroomden voorbij. Zij vielen den een na den ander in den +afgrond van het verleden. Hij naderde al de veertig. Wat zou er van hem +worden? Hoe zou hij ontwaken tot het besef van zijn eigenlijk zelf? + +De dagen stroomden--stroomden. Elk hunner bracht iets bij tot zijn +afkeer van de hartelooze, verdorven maatschappij die hem omgaf zonder +dat hare wateren en die van zijn wezen zich waarlijk vermengden, elk +hunner bracht iets bij tot zijn hunkeren naar levensvernieuwing, +levensreiniging. Diep in hem, in 't warme nest van het onderbewuste, +groeide het jong broedsel zijner gedachten, vogels die weldra zouden +uitvliegen op breede vlerken, en uitzweven boven die poelen van +pestilentie, en velen, velen meevoeren naar hoogten, waar men weer +ademen kon. + + +III. DE EERSTE FANFAREN. + +Men schreef het jaar 1749; een jaar van zengende gloei-hitte, die de +velden verschroeide. Aan het hof was men vrolijk en speelde komedie, er +werden vele nieuwe, groote en kleine, lustverblijven gebouwd. Door het +land raasde de honger; nu hier, dan daar, maakte de wanhoop der boeren +zich lucht in plaatselijke opstanden. Maar zulke opstanden verontrustten +de heerschers weinig, die uitgemergelde scharen zonder samenhang, zonder +leiding, waren niet gevaarlijk; gevaarlijk was alleen Parijs. + +De hoofdstad zoemde als een vertoornde bijenkorf, er hing in haar een +broeiing van revolutionair verzet. Eerst waren de groote wetenschappelijke +voorvechters der nieuwe ideeen begonnen de oude wereld te bombardeeren +met dikke geleerde werken: in '48 was Montesquieu's "Esprit des Lois" +verschenen; in '49 kwamen de eerste drie deelen uit van Buffons +"Histoire Naturelle," een grootsch-opgezette geschiedenis van de aarde +en het leven op haar, lijnrecht ingaande tegen het bijbelsch +scheppingsverhaal. Onder het groote publiek drongen deze diepzinnige +geschriften eerst langzaam door, het greep gretig naar het geharnaste +proza der pamphletten, hun nijdig gezoem vulde de lucht. Het oude regiem +voelde zich reeds verloren, de grond ontzonk hem; van nu af aan volgt +de regeering geen algemeene lijn meer. Nog veertig jaar lang zal zij +zwalken tusschen toegevendheid en gestrengheid, hervorming en reaktie, +nu onderdrukken, dan weer de teugels vieren, zonder iets anders te +bereiken als haar vijanden te prikkelen door 't eene, stoutmoediger te +maken door het andere. + +In dien zomer van '49 en de jaren daarna woei een wind van reaktie, men +nam gevangen, vervolgde, trachtte de oppositie den kop in te drukken. +In de provincie waren de gevangenissen overvol. Men kon de gevangenen +niet naar Parijs dirigeeren, want ook in de hoofdstad waren de kerkers +opgepropt. Gedurende de maand Juli had men een razzia gehouden onder de +intellektueelen, de eigenlijke leiders van het verzet: de regeering +wilde een grooten slag slaan. + +Vele letterkundigen, publicisten, geleerden, leeraars en geestelijken +waren in hechtenis genomen; sommigen werden beschuldigd van verzen te +hebben gemaakt tegen den koning, anderen te hebben geschreven tegen het +ministerie, weer anderen tegen de goede zeden en voor het deisme. + +Onder de gearresteerden bevond zich Diderot: hij had in zijn "Lettre sur +les Aveugles," (Brief over de Blinden) een populair philosophisch +werkje, een onvoorzichtigheid geschreven, waardoor een prinses zich +beleedigd achtte.[26] + +Hij werd naar Vincennes gebracht en in den toren van het kasteel +opgesloten. Een maand lang bleef hij "au secret;" niemand werd bij hem +toegelaten. De magistraat die hem kwam ondervragen ontving hij, zegt +d'Argenson, met den trots van een fanaticus, dat wil zeggen met de +hoogheid die den revolutionairen strijder betaamt. + +De gevangenneming van Diderot in dien tijd van zenuw-spannende +maatschappelijke onrust, gaf aan Rousseau een ontzettende schok. Heel +zijn wezen kwam in opstand tegen de tyrannieke willekeur die hem den +vriend ontroofde; zijn ontstelde verbeelding tooverde hem de ergste +dingen voor: hij zag Diderot in den toren van Vincennes voor zijn +geheele leven. In zijn radeloosheid wendde Rousseau zich tot Mme de +Pompadour; hij smeekte de machtige gunstelinge te willen bewerken hetzij +dat Diderot werd vrijgelaten, hetzij dat hij, Rousseau, de gevangenschap +van zijn vriend deelen mocht. Er kwam natuurlijk geen antwoord op zijn +smeekbrief. Maar al spoedig werd Diderot's gevangenschap verzacht, hij +mocht zich vrij in het kasteel en het park van Vincennes bewegen en zijn +kameraden werden tot hem toegelaten. + +Welk een vreugde voor Rousseau den gevangen vriend te mogen bezoeken! +Driemaal in de week legde hij, in de gloeiende middaghitte, den langen, +haast schaduwloozen weg van Parijs af naar Vincennes; soms kon hij niet +verder en viel, overmand door vermoeidheid, op den geblakerden grond +neer. En gaande in de brandende zon of terugkeerend in den nog +broeirigen avond, na 't samenspreken met den vriend, die, onversaagde +strijder gelijk hij was, in zijn gevangenschap 't plan tot de +koncentratie aller revolutionaire wetenschappelijke krachten in de +Encyclopedie uitwerkte, groeide in Rousseau verbittering en haat tegen +de machtigen en rijken en hun verkankerde maatschappij, tegen de valsche +glans dier wereld waar een stank van verderf en ontbinding uit opsteeg, +groeide onweerstaanbaar verlangen naar een nieuwe gemeenschap van +eenvoudige harten en simpele, doorzichtige levensverhoudingen. Hij was +in gisting, gelijk alles om hem heen in gisting was. + +Het gebeurde dat hij op een dag, al gaande, bladerend in een nieuwsblad, +de "Mercure de France," om de verveling van den weg te bekorten, +toevallig de prijsvraag las, kort voordien door de Akademie van Dijon +uitgeschreven: "Heeft de vooruitgang der wetenschappen en kunsten +bijgedragen de zeden te verbeteren of ze te bederven." En plotseling, +voor hemzelf gansch onverwacht, barstte een geweldige orkaan los door de +bergen en dalen zijner ziel; zijn hart bonsde, zijn tranen vloeiden; hij +merkte 't niet. Uit de warme vruchtbare verwardheid van de ondere +zielsfeeren, maakten gedachten zich los in hem en stegen tot 't bewuste, +met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't +diepst-van-'t-woud. + +Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de +opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht +opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid +van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; +gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de +verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in +eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het +lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der +grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een +leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en +zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat +'t blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij. + +Maar wanneer voor ons die nu leven, ons gelukkigen, 't Gezicht op het +nieuwe leven opengaat, dan gaat tevens open zijn wording uit het +tegenwoordige en 't Beeld der Communistische Toekomst rijst, vast en +klaar in groote trekken, kind van den Arbeid en van den Strijd. En ook +rijst 't Gezicht van de scharen der strijders, millioenenhoofdig, zooals +zij optrekken door alle wereldsche landen, hun wilskrachtige, +hoopverlichte gelaten bestraald door zon van zekerheid. En dan doortrilt +de opperste vreugd van deze tijden, de vreugd van de makkerschap der +Toekomststrijders, het sidderend dichterhart. + +Maar de groote droomer, die in den gloeienden zomerdag op den weg naar +het slot van Vincennes, overweldigd door zijn vervoering, was neergezonken +onder een eikeboom, hij zag geen nieuw leven zacht en schoon opbloeien +uit het oude; hij zag zijn sociale idealen niet opschemeren uit de +heldere omtrekken der wordende maatschappij. Wel zag hij een wereld in +wording, maar voor haar voelde hij een gelijke afschuw als voor de +werkelijkheid die hem omgaf; zij was immers essentieel dezelfde, haar +wezen evengoed onrecht, verdrukking, sociale ongelijkheid, verfijnde +genietingen voor de kleine minderheid ten koste van de ellende der +groote massa. Hij zag de werkelijkheid niet groeien naar zijn Ideaal, +naar de demokratie van kleinburgers en boeren. En daarom stond zijn +Ideaal-wereld niet helder, uit een stuk gegroeid, tegen den horizon, +maar rees, een vreemde massa uit vele bestanddeelen opgebouwd. Aan +hoop en herinnering en fantasie ontleende hij hare vormen; aan de +verbeeldingen der grieksche en romeinsche gemeenschappen sedert zijn +jongensjaren spokend door zijn hoofd; aan de diepgeprente indrukken +zijner kindsheid; aan de zachtgetinte jeugdherinneringen van het +patriarchale landleven onder de "Naturalwirthschaft," dat in de +achterlijke berglanden van Zwitserland en Savoye hier en daar nog +voortbestond; aan de beschrijvingen van reizigers, die in verre +landstreken getroffen waren geworden door de zuivere zeden, de moreele +kracht en zelfbeheersching, de waardigheid, makkertrouw en gastvrijheid +van barbaarsche stammen. Zoo waren in zijn ideaal-wereld de trekken +saamgesmolten van vele anti-kapitalistische, voor-kapitalistische +ontwikkelings-trappen der menschheid. Maar wat in de eenheid die hij uit +veelheid vormde overheerschte, was toch het klein-burgerlijk wezen eener +maatschappij, gegrond op kleinbedrijf en handwerk, een maatschappij van +kleine bezitters, boeren en ambachtslieden. Dat elke trek van communisme +daarin ontbrak was natuurlijk. + +Evenmin als de vreugd van een Ideaal, opgroeiend uit de werkelijkheid, +voelde hij de vreugd van strijd-makkerschap. + +Hij werd gerekend te behooren tot de philosofen, hij diende onder hun +vaandel, maar hij diende met een half hart. De strijd dien zij voerden +ging immers niet om zijn idealen, niet voorbehoudloos en zonder +aarzeling, tegen de wereld van onnatuur, uiterlijke glans, innerlijke +verrotting, die hij haatte. Zij zaten immers aan die wereld vast, want +zij waren de voorvechters der groote bourgeoisie, der finantieele. De +strijd die de groep wier klasse-bewustzijn zich in hun ideeen spiegelde, +voerde, was er een van uitbuiters tegen uitbuiters, van verdrukkers +tegen verdrukkers, van weelde-menschen tegen weelde-menschen, van de +heerschers van morgen tegen de heerschers van vandaag. Wat hij wilde, +wat hij als maatschappelijk Ideaal zag opglanzen, een samenleving zonder +uitbuiting en zonder verdrukking, zonder weelde en zonder verfijnd +genot, dat wilde niemand onder die glanzende strijders, stormloopers op +domheid en willekeur, die voorvechters van wettelijkheid en wetenschap, +die wegbereiders der moderne bourgeoisie. Zulk een maatschappij zouden +enkel de groote scharen der boeren en arbeiders en kleinburgers willen, +voor haar zouden zij leven en sterven, voor haar vechten en dooden in +den revolutie-tijd. Maar nu lagen zij nog gekromd onder het juk der +verdrukking, stom en dof. Zijn stem eerst zou ze wekken tot verzet, tot +bewustheid. + +Zwaar is het lot van den mensch die tot taak kreeg te wekken de +slapenden. Zwaar, immers hij is makkerloos. + +Toen zijn vervoering een weinig bedaard was stond hij op, nat van +tranen. Twaalf jaren lang brandde in hem de gloed van het enthousiasme, +opgevlamd in dat uur. Hij had de gouden eeuw aanschouwd, het Heil der +Menschheid had hij aanschouwd: dat waar te maken op aarde zou nu zijn +leven zijn. + +Hij ging tot zijn vriend, nog trillend van opwinding, vertelde hem over +den prijsvraag en vroeg zijn raad. En zij bespraken samen, als vrienden +en strijdmakkers plegen, wat hij schrijven zou.[27] + +Uit kracht van alles, wat hem aangeboren was, en van alles wat het leven +in hem tot ontwikkeling gebracht had, schreef hij zijn eerste "Discours." +Zijn lange gegriefheid om de verongelijkingen hem aangedaan; zijn +opgekropte geprikkeldheid tegen de geleerde, sierlijke, geraffineerde, +verdorven en dorre wereld waarin hij zich nooit had thuisgevoeld; zijn +oude liefde voor de natuur en voor de vaderlijke zeden, voor het sober +onafhankelijk bestaan van den handwerksman; zijn meegevoel met de armen +en verdrukten, met de eenvoudige harten die de groote oude waarheden +wisten en in praktijk brachten waardoor de wereld leeft: arbeid, trouw, +wederzijdsch hulpbetoon; zijn haat tegen een maatschappij, die kennis en +genot voor enkelen slechts bereikte ten koste van de verdierlijking der +groote massa en de zedelijke ontaarding van allen;--alles wat hij +doorleefd en ervaren en gepeinsd had in zijn veelbewogen bestaan verbond +zich tot eene, van gevoel doorklonkene, levensconceptie. Hij spuwde de +beschaving uit die de massa veroordeelde te kruipen in ellende, die allen +de slaven der zonden deed zijn. Hij spuwde de kunst uit, "het kind van +verslappende weelde;" hij spuwde de wetenschap uit, "het kind van +ontzenuwenden lediggang." + +Het was een nieuwe stem die zich uitstortte over de verbaasde +maatschappij, een rauwe ongeoefende stem nog, maar hoe machtig van +plechtigen ernst, hoe bewogen van innerlijk leven! Het was de stem van +den linkschen plebejer, den ongepolijsten kleinburger, die de gladde +hoffelijkheid waaronder de groote wereld zelfzucht en roemzucht en +ijdelheid en moreele verdorvenheid bedekte, altijd had gevoeld als +vijandelijk en haatbaar. Het was de stem van den gemoeds-mensch, +uitbrekend in opstandigheid tegen het juk van hoogmoedig kritisch +intellektualisme, dat alle geheimen driest ontkende, stellend tegenover +de matelooze zelfverheffing der rede, den lof der bescheiden aan God +welgevallige onwetendheid. Het was de stem van den patriot, den minnaar +van Frankrijk, die vol verdriet haar ouden roem zag tanen, haar leger +aangevreten worden door verwijfdheid en verslapping, die waarnam dat een +vervallend regiem "nog wel geleerden en kunstenaars kan voortbrengen, +maar geen burgers meer." Het was de stem van den individualist, opkomend +tegen "de lage en bedriegelijke eenvormigheid der moderne beschaving." +Het was de stem van den Boetprediker die tegenover de waardemeters dier +dagen: fortuin en titels, geest en talenten, andere meters stelde: +burgerdeugden, een zuiver hart, reine zeden, liefde voor het vaderland; +de meters van eenvoudige arbeidzame lieden met onbedorven bloed. Het was +de stem van den handwerksman, den _reaktionairen_ kleinburger, die niets +voelde van Diderot's verrukking voor de verbetering der techniek en de +toepassing der wetenschap op de produktie; intuitief begrijpend dat door +haar zou ondergaan wat hij het schoonst en lieflijkst achtte op aarde: +het kleinburgerlijk gezinsleven. Het was de stem van den _revolutionair_, +den voorvechter van massa's die niets te verliezen hadden bij een +gewelddadige breuk met het verleden, die sterk zouden zijn door verachting +voor het historisch-gewordene, die zouden overwinnen door de negatie van +dien voozen glans en die onheilspellende schittering, opstijgend uit een +maatschappij in ontbinding.--Ja, het was wel de stem der kleine burgerij, +dier raadselachtige klasse, raadselachtig voor wie niet haar wezen ziet +als het gevolg van haar positie in de produktie-verhoudingen; dier klasse +gedoemd gelijktijdig reaktionair en revolutionair te zijn. + +Het boekje maakte zijn schrijver met een slag beroemd. De letterkundigen +prezen den stijl; de philosophen apprecieerden de koenheid van denken; +al schudden zij het hoofd over de aanvallen op de wetenschap, zij bleven +Jean Jacques toch beschouwen als een der hunnen, ietwat een zonderlinge +bondgenoot maar toch welkom om zijn ruige kracht. Wat hem zelf aangaat, +hij had beloofd aan de Encyclopedie mee te werken en schreef daarin de +artikelen over politieke economie en muziek. Het groote publiek +beschouwde de "Discours sur les sciences et les arts" (Redevoering over +de kunsten en wetenschappen) als een briljante paradox tegen de +beschaving--een welkome afwisseling van zijn gewone lektuur. + +Hij kreeg een heele sleep polemieken, waaronder een met den koning van +Polen, en antwoordde in verscheiden brochures. Hij hield voet bij stuk +en gebruikte de gelegenheid om verscheiden punten, o.a. zijn ideaal van +maatschappelijke gelijkheid duidelijker uiteen te zetten. "De weelde +bederft alles," luidt het in zijn "Antwoord aan den koning van Polen," +"zoowel de rijkaard die er van geniet, als de ellendige die haar +begeert." "De weelde" (in het "Antwoord aan den heer Bordes") "moge +noodzakelijk zijn om aan de armen brood te geven; maar zoo er geen +weelde bestond, zouden er ook geen armen bestaan." En als noot hierbij: +"De weelde voedt honderd armen in de steden, maar doet er honderdduizend +sterven op het platte land.... Het verspillen der grondstoffen die den +mensch tot voedsel dienen maakt alleen reeds de weelde haatbaar. Er moet +vleeschextrakt zijn in onze keuken, daardoor hebben zoo vele zieken geen +bouillon. Er moeten likeuren zijn aan onzen disch, daarom drinkt de boer +slechts water. Er moet poeder zijn voor onze pruiken, daarom hebben +zooveel armen geen brood." + +Duidelijk spreekt uit dergelijke passages de sociale grond van zijn haat +tegen de "beschaving." Hij kon zich deze niet anders voorstellen, dan +verbonden met klasse-bevoorrechting en maatschappelijk onrecht, daarom +vervloekte hij haar. Gelijkheid was hem liever dan kultuur. + +Wat de tijdgenooten in zijn boekje onmiddellijk trof was de gaping +tusschen beginsel en praktische konsekwenties. + +Zijn stellingen waren uiterst-revolutionnair, meedoogenloos-afbrekend; +zijn voorstellen daarentegen uiterst gematigd en voorzichtig. De kunsten +en wetenschappen hadden de eenvoud der zeden vernietigd en den mensch +bedorven--maar in die maatschappij van verdorven menschen vervulden zij +noodzakelijke funkties en moesten de instellingen die hen dienden +gehandhaafd blijven: zoo luidde zijn algemeene konklusie. Want herstel +van die verdorvenheid was feitelijk onmogelijk "behalve door een groote +revolutie, haast evenzeer te duchten als het kwaad dat zij zou kunnen +genezen en die het afkeurenswaardig was te begeeren en onmogelijk te +voorzien." Altijd weer opnieuw zou in zijn werken die tegenspraak +tusschen _droom_ en _daden_, tusschen het Ideaal en den Weg het te +bereiken, tusschen Wenschelijkheid en Mogelijkheid aan het licht komen +en de menschen het hoofd doen schudden over zijn "inkonsekwentie." Noch +de psychologische, noch de sociale oorzaken er van zouden zij verstaan. + +Zoo hevig was in dien tijd dat hij zijn eerste "Discours" schreef, de +inwerking der maatschappij op hem, dat het in hooger mate dan een zijner +andere geschriften, de uiting van slechts een zijde van zijn wezen is. +Bosch- en wind-ruischen had hij daarin verloren; natuurgevoel was +teruggedrongen door maatschappij-gevoel. En de verrukkelijke zachtheid +die door heel zijn jeugd gevloeid had was toegeschroeid; de stem der +liefde klonk niet heen door die rauwe kreten. Het knoestige, harde, de +stoicijn in hem moest nu een poos al het andere terugdringen. Zoo wilde +het de wet der ontwikkeling; zij stoort altijd de harmonie. + +Bosch- en windruischen had hij teruggevonden in het tweede "Discours," +dat hij eenige jaren later schreef: de beantwoording van een nieuwe +prijsvraag der academie van Dyon, ditmaal over den oorsprong der +maatschappelijke ongelijkheid. Maar de lach der liefde bleef stom: +zachtheid had hij nog niet teruggevonden. + +Het eerste gedeelte van dit werkje bestond uit een verheerlijking van +den wilden en barbaarschen staat. Hij had haar overdacht een week lang +zwervend in den lommer der wouden van St. Germain, in de vrije natuur, +uit nadenken en bespiegelingen in zich oproepend het wezen van den +primitieven mensch en de geschiedenis van den oertijd. Althans, zoo +meende hij. In werkelijkheid waren het in hoofdzaak herinneringsflarden +van reisverhalen, waaruit hij zijn ideaalbeeld der primitieve tijden +vormde. Men sprak in zijn kring veel over den natuurstaat en de +natuurmoraal, en dweepte met beide, en hij deed als de anderen, alleen +was hem ernst wat voor hen spel was. En verder mengde hij in de +verbeelding van zijn ideaal-staat gelijk wij allen doen, de behoeften en +voorkeur van zijn persoonlijkheid, zijn eigen wat eenzelvig wezen, en de +neigingen van zijn kleinburgerlijk individualisme. Zoo b.v. in zijn +voorstelling als zouden de menschen van den oertijd geleefd en gearbeid +hebben elk voor zich alleen. Dat de oermenschen dicht bij de dieren +hadden gestaan, begreep hij; dat zij altijd sociale dieren waren geweest +vermoedde hij niet. + +Zijn geidealiseerd beeld van den natuurstaat, vermengd met eenige +trekken van kleinburgerlijke en patriarchale gemeenschappen, stelde hij +tegenover de beursche overkultuur van het Frankrijk zijner dagen, gelijk +Tacitus de gemeenschap der barbaarsche Germanen had verheerlijkt +tegenover het hartrotte romeinsche rijk van de zynen. In den aanval op +de maatschappij van zijn tijd, d.w.z. op die der heerschende klassen, op +de sociale misstanden, op de algemeene moreele verslapping en op de +ellende der groote massa, op de gevolgen der aldoor wijder gapende +klassetegenstellingen, lag het zwaartepunt van het tweede "Discours." + +In wetenschappelijke waarde stond het boekje zonder twijfel ten achter +bij de etnologische en sociologische geschriften van de besten der +tijdgenooten. De naturalist Buffon had juistere denkbeelden over den +primitieven mensch, al is het waar dat Rousseau intuitief zeer juist en +sterk de zedelijke grootheid voelde van de samenleving der barbaarsche +stammen. De communist Morelli, wiens "Code de la Nature" korten tijd na +het tweede "Discours" verscheen, onderscheidde veel scherper dan +Rousseau deed tusschen ekonomische en politieke ongelijkheid, zag veel +beter dan Rousseau in de eerste de basis van elke andere. Maar noch +Buffon, noch Morelli, noch wie anders ook vonden woorden van zoo felle +wilde kracht als Rousseau om de sociale ongelijkheid te verdoemen die de +verdrukkers gemaakt had tot verminkte hulpelooze wezens, in alles van +anderen afhankelijk, en de verdrukten tot schuwe slaven, doorvreten van +nijd. Zijn woorden beukten als knodsen, zij sloegen als zwaarden. Hij +alleen voelde de sociale ongelijkheid als een kwaad dat niet werd +goedgemaakt door al den glans en de schoonheid der beschaving. Hij +alleen voelde als een hel de afschuwelijke, noodlottige wreedheid eener +maatschappij, gesplitst in klassen met tegenstrijdige belangen, eener +samenleving "waarin misschien niet een gegoed man leeft wiens dood niet +door hebzuchtige erven, mogelijk zijn eigen kinderen, begeerd wordt; +waarin niet een schip de zee bevaart waarvan te hooren dat het +schipbreuk leed niet den een of anderen koopman zou verblijden; waarin +niet een volk bestaat, dat zich niet verheugt in de rampen zijner +naburen." Zijn kritiek op de klassenmaatschappij is de scherpste en +treffendste in Frankrijk geschreven voor de dagen van Fourier. Hij +sprak uit, dat de groote meerderheid der menschen in den wilden en +barbaarschen staat gelukkiger is dan in den z.g. kultuur-staat--en wie +kon hem weerspreken? Stierven de boeren niet van honger? Riep het volk +niet luid "ellende, brood, brood, ellende," telkenmale dat koning of +kroonprins zich vertoonde in de straten van Parijs? Aan het slot van +zijn geschrift noemde hij het een even zonneklaar vergrijp tegen de +natuurwet dat een handvol menschen stikt in overvloed, terwijl de +hongerige massa gebrek leidt aan het noodige, als dat een kind aan een +grijsaard beveelt of een zwakhoofd een wijze voert. Het was duidelijk: +hij verheerlijkte den natuurstaat enkel, om in naam der oorspronkelijke +gelijkheid de in den loop der ontwikkeling steeds erger geworden +ongelijkheid te lijf te gaan. Deze was de oorzaak van alle zedelijk en +politiek bederf, zij voerde langs noodlottige banen naar een hoogtepunt, +het despotisme, de tyrannie, de staat die in geen enkel opzicht meer op +wettelijkheid, maar slechts op geweld berust, "en waarvan 't in de orde +der natuur is, dat hij door geweld wordt omver geworpen." + +Door zijn volzinnen dansten rythmen aan, vreemd en nieuw, rythmen van +uitbundige kracht en dronken verrukking; en waren de ooren der grooten +gestemd geweest op den toon der dingen die kwamen, zij hadden door die +volzinnen de rythmen hooren dansen van het wilde Revolutie-lied, de +Carmagnole: + + "Ca ira, ca ira, ca ira, + Celui qui s'eleve, on l'abaissera," + +en zij hadden gesidderd. Maar zij sidderden niet, want zij hoorden de +wilde rythmen nog niet of zoo zij ze al hoorden was 't in een +onwezenlijke verte en zij allen spraken het Mme de Pompadour na "na ons +de zondvloed" en bleven lachen en schertsen en komediespelen en dwepen +met den natuurstaat en met dien zonderlingen beer van een Rousseau, +wiens vreemde ideeen heelemaal niet gevaarlijk schenen. Schreef hij niet +in datzelfde boekje zalvende preekjes als dat de goede menschen in dien +slechten tijd tot taak hadden de banden der gemeenschappen wier leden +zij waren te eerbiedigen, hun naasten lief te hebben en te dienen, +nauwgezet aan de wetten te gehoorzamen, en aan de mannen die de wetten +maakten en uitvoerden? Maakte hij niet een buiging voor het gezag, zijn +lezers op 't hart drukkend "om de goede en wijze vorsten te eeren die de +menigte der kwalen welke altijd gereed stonden ons te overvallen, wisten +te voorkomen, te genezen of te verzachten?" + +De revolutionnaire gedachte, die arend in het rijk des geestes, kroop +nog vleugellam in dat der daad. + +Hij droeg zijn werk op aan de regeerders der republiek Geneve, en +herdacht in die opdracht met bewogen woorden den man, die hem de eerste +lessen gegeven had in democratische gezindheid: zijn vader. + + * * * * * + +In de jaren liggende tusschen het schrijven van het eerste en tweede +"Discours," was een groote, innerlijke en uiterlijke, verandering in +zijn leven gekomen. Zijn verhandeling over de kunsten en wetenschappen +werd door de Akademie van Dyon bekroond en had een haast ongekend +schandaalsucces. Toen het werkje verscheen, lag hij ziek te bed, de +dokters gaven hem geen zes maanden te leven. Door Francueil, die een der +hoogst-bezoldigde finantieele betrekkingen vervulde--nl. van algemeen +ontvanger der belastingen--had de in moeielijke omstandigheden +verkeerende schrijver zich laten bepraten, hij was bij den man der haute +finance in dienst getreden als kassier. Materieel blonk hem een gouden +toekomst tegen, maar de beslommeringen en vooral de verantwoordelijkheid +van een werkkring waarvoor hij in 't minst niet geschikt was, maakten +hem ziek. + +Gedurende die ziekte dacht hij veel na over zijn levensverhoudingen: het +was of de konsekwentie van zijn beginselen eerst recht tot hem doordrong, +nu hij ze als naakte mannen in de wereld zag staan. Hij voelde de +tegenstelling tusschen zijn prediken van armoede en onbaatzuchtigheid aan +anderen en de richting van zijn eigen leven; hij voelde dat zoolang hij +zelf deed wat hij in anderen verdoemde: rijkdom en wereldsch goed najagen, +de wereld zijn beginselen niet ernstig nemen kon. + +Toen nam hij een besluit, waartoe slechts zeldzaam idealisme in staat +is: hij besloot zijn leven op een nieuwen basis te stellen. En wat nog +zeldzamer is, hij zette het door. + +Hij begon met aan Francueil te schrijven dat hij zijn kassierschap +neerlegde: een groote dwaasheid natuurlijk in de oogen der menschen; +Francueil dacht dat hij ijlde of waanzinnig geworden was. + +Hoe zou hij nu leven? + +De meeste schrijvers dier dagen, zelfs tamelijk beroemde, leden +chronisch armoede, en daar het verkeeren in de Parijsche wereld veel +geld verslond, vervielen zij en moesten zij vervallen in 't ellendigste +parasitisme. De eenige uitkomst van wie geen eigen middelen bezaten was +een jaargeld, hun hetzij door den koning of eenig adelijk heer of een +der rijke letter-lievende financiers als Helvetius of Holbach, +geschonken.[28] + +Rousseau wilde onafhankelijk leven, niet in dienst der rijken en +niemands gunsteling zijn, dan was hij immers niet meer vrij geweest in +'t verkondigen zijner beginselen. + +En ook wilde hij niet genoodzaakt zijn, te schrijven voor brood; hij kon +het niet, hij kon enkel produceeren wanneer "liefde tot het groote goede +en schoone" gelijk hij zich uitdrukte, dat is enthousiasme voor sociale +idealen, de heerlijke, uitstralende warmte der inspiratie wekte in zijn +gemoed. Met Dante kon hij van zich zelven getuigen "ik ben zulk een die, +wanneer liefde iet mij inblaast, oplet, en wat zij innerlijk voorzegt, +nederschrijft." + +Zoo besloot hij dan te leven van den arbeid zijner handen. Hij schreef +fraai en duidelijk, gelijk het gewone, zoo ook notenschrift; hij hield +van elke bezigheid, die met zijn geliefde muziek samenhing: hij werd +muziek-copiist. + +Het was geen gril en geen spelletje van hem, die overgang tot het +handwerk. Wanneer het noodig was (soms bracht zijn letterkundig werk hem +genoeg op, om een poos te kunnen leven) en waar de omstandigheden het +mogelijk maakten (niet natuurlijk in de zwitsersche bergen en op 't +platteland van Engeland) verdiende hij voortaan, tot kort voor zijn +dood, met muziek-copieeren zijn levensonderhoud. + +Hij zelf vond het heel gewoon om tot een ambacht terug te keeren; hij +had zich immers altijd handwerksman gevoeld. En hij gaf aan de +letterkundigen niet slechts zijner maar ook onzer dagen, een schoon +voorbeeld van hoe de revolutionaire schrijver leven kan en leven moet, +die in zijn werk _niets_ toe wil geven aan de heerschende meening en de +goden van den dag, die vrij en fier wil uitspreken wat de innerlijke +stem te spreken gebiedt: door de materieele basis van zijn leven +onafhankelijk te maken van zijn letterkundige produktie. + +Zijn literaire vrienden vonden zijn besluit aanstellerig. Zij schreven +allen om te verdienen, namen allen jaargelden en geschenken aan; waarom +moest hij anders doen dan alle anderen? Het was of hij zich met zoo te +doen op een voetstuk stelde. Zij voelden een wrevel tegen hem groeien +in hun binnenste; naast 't samenleven met Therese kwam door de nieuwe +wending die hij bewust aan zijn leven gaf, een tweede kiem van +vervreemding, die voor de vriendschap op den duur doodelijk moest zijn. + +Intusschen zette hij zijn "innerlijke hervorming" ook door in wat zijn +uiterlijk betrof. Hij had besloten zich vrij te maken van de tyrannie +der openbare meening, naar eigen inzicht en wensch te leven; dit sloot +in dat hij zich niet langer stoorde aan de tyrannie der mode. Hij +schafte de kostbare en omslachtige kleedij af, zonder welke niemand +zich in de groote wereld plagt te vertoonen: de gepoederde pruik, de +kuitenbroek, de degen; hij verkocht zijn horloge. Voortaan was zijn +kleeding die van een eenvoudig burgerman. In 't eerst kon hij nog geen +afstand doen van zijn mooi fijn linnengoed, de eenige luxe waaraan hij +gehecht was, maar een dief--waarschijnlijk een broer van Therese--hielp +hem daar weldra van af. + +Ach, had hij de maatschappelijke verhoudingen die hem drukten en +knelden, maar even gemakkelijk kunnen afwerpen als de gegalloneerde +jas en uittrekken als de gegespte schoenen die de smaak van den dag +voorschreef! Hij wilde alleen zijn om te werken: men liet hem niet +alleen. Hoe zonderlinger hij deed, des te meer kwam hij in de mode: aan +de Parijsche wereld was immers alles welkom, wat afwisseling bood en +door te prikkelen vermaakte. Men verdrong zich om hem, men maakte hem +'t hof, de vrouwen gebruikten duizend listen om hem op hun diners te +krijgen. Hoe halsstarriger hij zich terug trok, des te meer hielden zij +aan. Hoe stuurscher hij deed, des te vriendelijker werden zij. Het was +toen de gewoonte der groote heeren de schrijvers en kunstenaars te +overladen met geschenken; deze namen daardoor natuurlijk verplichtingen +op zich tegen hun "begunstigers," die maar een doel kenden: de hen immer +najagende verveling te ontvlieden; daartoe moest iedereen en alles +dienen; daartoe ook, ja vooral, de geest en het talent van hunne +beschermelingen. Zij hadden immers 't recht daarop beslag te leggen door +hunne gunsten--zoo voelden zij 't, zoo was het ook. Hun proteges moesten +ten allen tijde klaar staan om bij hen te komen, om eindelooze +gesprekken met hen te voeren, om hun verstrooiing en afleiding te +bezorgen. Alles wat begeerlijk was behoorde hun immers toe. Zij konden +alles koopen, waarom dan ook niet dit? + +Arme Rousseau! Hij voelde al de ellende die 't aannemen van geschenken +doorgaans ten gevolge heeft, waar 't vriendschaps-verkeer niet gebaseerd +is op sociale gelijkheid. Hij voelde de vermomde knechtschap, de +vergulde slavernij waarin de gunsten der grooten hem sloegen. Hij +verzette zich telkens weer, als een wanhopige. Hij sloeg wild om zich +heen om af te weren, hij deed opzettelijk lomp en onhebbelijk, schrok +dan zelf van zijn lompheid en wou haar goedmaken. Hij was willens en +wetens ondankbaar, om toch maar vrij te komen. Hij kwam nooit geheel +vrij. Therese was hierin anders, voelde anders, ging tegen hem in. En +achter haar stond, klaar om alles in te slokken, de onverzadelijke +moeder. + +Het was zoo moeilijk. Hij wou niet beschermd worden. Maar gekoesterd en +bemind worden wou hij wel graag. Als de meeste teergevoelige menschen +was hij ijdel. Het is erg moeilijk de grens aan te geven waar eindigt +het genieten van liefde omdat zij 't hart streelt, en begint 't genieten +van hulde omdat zij de ijdelheid streelt. De eene gaat onmerkbaar over +in de andere. Zeer sterke karakters versmaden doorgaans de hulde en ook +de liefde van hen die zij zelven niet liefhebben en eeren. Zulke +menschen zijn te hoogmoedig, om ijdel te zijn. Maar Rousseau hoorde +gelijk de meeste kunstenaars tot de zwakkere naturen, voor wie liefde in +elken vorm, ook die der hulde, den lievende haast onweerstaanbaar maakt. + +En de menschen der groote wereld van zijn tijd waren zoo beminnelijk. +Charmeeren behoorde tot hun verfijnde levenskunst. Geestige bekoorlijke +vrouwen smeekten hem om steun, om een weinig zachtheid; voorname mannen +drongen hem hun vriendschaps-bewijzen op met die onbeschrijfelijk- +gracielijke hoofschheid, de laatste levensbloem welke een klasse met een +lang verleden van heerschen en genieten voortbrengt. De lieftalligheid +der eenen, de hoofschheid der anderen kon hij niet altoos weerstaan. +Hij worstelde, zegevierde, bezweek weer, worstelde opnieuw; hij ontkwam +slechts aan den eenen beschermer, om zich gewonnen te geven aan een +anderen. + +Tweestrijd, twijfeling, inkonsekwentie, aanloopen die steken bleven, het +verscheuren van oude banden om nieuwe aan te knoopen--dit zou nog jaren +lang zijn leven zijn. + +Zooals hij worstelen er velen, altijd opnieuw en altijd half-vergeefs, +om los te komen uit levensbanden, die voor zachte harten ook de +zachtheid des levens zijn. + +In die jaren kreeg hij nog op andere wijze gelegenheid om de kracht van +zijn besluit te beproeven. Gedurende een vakantie in Passy had hij weer +een opera gekomponeerd, of eigenlijk een zang-spel in Italiaanschen +stijl, "De Dorpswaarzegger," en o wonder! de lieve melodieuse muziek +viel in den smaak, hij vond beschermers en zijn werk werd te +Fontainebleau voor den koning opgevoerd. Hij woonde de voorstelling bij, +in zijn gewone plunje, maar voelde zich toch niet behagelijk. "De +Dorpswaarzegger" had een enorm succes, de koning was verrukt: hij wilde +den componist audientie verleenen en hem een jaargeld schenken. Rousseau +weigerde op audientie te gaan[29] en sloeg het jaargeld af. Het eerste +begreep Diderot; het tweede vond hij bespottelijk: hierover liep hun +eerste twist. In dienzelfden tijd mengde hij zich in den strijd tusschen +de italiaansche en de fransche dramatische muziek die te Parijs was +uitgebarsten: de felheid, waarmede hij in een brochure de konventioneele +uitgedroogde stijl der fransche opera aanviel, wekte in intellektueel- +artistieke kringen een zoodanige beroering, dat zijn geschriftje zegt hij +"een revolutie verhoedde," door de opwinding en spanning op andere banen +te leiden. Een bewijs natuurlijk, hoe de revolutionaire stemming in de +jaren '50 nog slechts een betrekkelijk kleinen kring had aangegrepen. + +Toen in dien tijd dat de omkeer in zijn binnenste hem bewust geworden +was, Therese opnieuw moest bevallen, dacht hij voor 't eerst ernstig +na of hij 't kindje, hun derde, weer te vondeling leggen zou. Hij +beschouwde dat nu niet meer als vanzelfsprekend, gelijk de vorige +keeren. Maar hij zag geen kans om zijn kinderen een goede opvoeding te +geven. Therese zou ze verwend, het voorbeeld van haar familie ze allicht +op den slechten weg gebracht hebben. Zelf was hij in die jaren geheel in +beslag genomen door zijn werk. En dan, handelde hij, zijn kinderen te +vondeling leggend, niet in de lijn van zijn beginsel? De opvoeding die +de gemeenschap hun gaf, maakte hen tot nuttige burgers der gemeenschap, +arbeiders of boeren. Zoo stelde hij zijn geweten gerust, ja +verhoovaardigde zich over zijn handelwijze, voelde zich door haar een +burger van den staat van Plato. Driemaal, nadat hij wereldschheid had +afgeschud, baarde Therese; driemaal deed hij, tegen haar wil, hun kind +naar 't vondelingen-huis brengen. + +Spijt zou later komen, om 't geluk voor hen beide, dat hij zoo roekeloos +had weggeworpen; wroeging om zijn verwaarloosde plicht. In deze jaren +van vreemde gespannenheid voelde hij niets daarvan; het leek wel of de +bron van alle zachte aandoening verdroogd was, teerheid toegeschroefd in +zijn wezen. + +Hij kreeg hoe langer hoe meer een afkeer van het Parijsche leven en +begon er over te denken buiten te gaan wonen of zich in Geneve te +vestigen, waar hij in '54 met Therese eenige maanden vertoefde en goed +ontvangen werd. Zijn republikeinsch enthousiasme kreeg door dat verblijf +nieuw voedsel. Nu de idealen van zijn kindsheid weer levend in hem +geworden waren was 't natuurlijk dat hij verlangde door een daad zijn +geestelijke eenheid met de gemeenschap waarin hij, idealist als hij +bleef, in menig opzicht zijn ideaal belichaamd zag, te herstellen: hij +werd opnieuw protestant en burger van Geneve. + +Vrienden daar deden moeite om hem een eervolle betrekking te bezorgen en +voor goed aan zijn vaderstad te binden. Hij zelf weifelde: misschien zou +'t er toch toe gekomen zijn. Maar 't zachte fleemen en hartstochtelijk +willen van een vrouw stuurde zijn leven in andere richting. + + +Noten: + +[1] Zie over dit geheele tijdvak Martin, Histoire de France, Deel XV, +boek XCII; en Michelet, Histoire de France, Deel XV, hoofdstuk VII tot +XVIII. Deze schitterende burgerlijke geschiedschrijver geeft van het +felbewogen tijdperk 1719-1721 een meesleepende voorstelling. Zijn +ideologische "verkeerdheid" komt natuurlijk telkens treffend uit o.a. +in de volgende opmerking: "Men gelooft ten onrechte dat het kapitaal +geen godsdienst heeft. Het kapitaal is protestantsch ... Al wat handel +drijft, fabriceert, verdient, zich verrijkt, tot welstand komt, is aan +de zijde der ketterij." De opvatting van Michelet dat de ideeen de +drijfveeren der geschiedenis zijn, maakte dat de ekonomisch-sociale +oorzaken van het protestantisme en de beteekenis daarvan als de +ideologie der opkomende bourgeoisie hem geheel ontging. + +[2] Jaures, Histoire Socialiste, bl. 22. Deze cijfers van Jaures zijn +wel is waar ontleend aan het budget der laatste jaren voor de +Omwenteling, maar zij zullen omstreeks het midden der eeuw niet veel +lager geweest zijn. + +[3] Althans voor haar hoogere rangen; op deze, niet op de lagere +geestelijkheid, is wat hier gezegd wordt toepasselijk. + +[4] Michelet, Histoire de France, XVI bl. 278. + +[5] Levasseur, Histoire des Classes Ouvrieres et de l'Industrie en +France. + +[6] Memoires et Journal du Marquis d'Argenson, Deel VIII. + +[7] Jaures, Histoire socialiste, bl. 39--40. + +[8] De manufaktuur is de bedrijfsvorm, waarbij de arbeiders, in dienst +van den kapitalist, geconcentreerd zijn in een gebouw of werkplaats, +terwijl het arbeidsproces in een aantal eenvoudige handgrepen is +opgelost, die elk door een bepaalde groep van arbeiders worden +uitgevoerd. In de manufaktuur wordt de arbeid mechanisch, de technische +vaardigheid van den arbeider, veroordeeld steeds dezelfde handgrepen te +herhalen, neemt natuurlijk sterk toe. + +[9] Levasseur, bl. 536. + +[10] Martin, Histoire de France, Deel XVI. + +[11] Levasseur, bl. 546. Daarna kwam de zevenjarige oorlog, die aan den +Franschen handel een geweldigen knak toebracht. + +[12] Levasseur, bl. 549. + +[13] F. Rocquain, L'Esprit revolutionaire avant la Revolution. + +[14] Windelband, Geschichte der neueren Philosophie, bl. 411-12. + +[15] Windelband, bl. 359. + +[16] Zie over de engelsche en de fransche wijsbegeerte van het tijdperk +der verlichting het Vde en VIde hoofdstuk van Windelband's Geschichte +der neueren Philosophie. + +[17] Eenige krasse staaltjes van Voltaire's anti-demokratische +gezindheid, zijn verachting voor de volksklassen, vindt men aangehaald +bij St. Beuve, Causeries du Lundi: Deel XIV bl. 26. + +[18] Groot in het doen van zaken en het opwerpen van gedachten. + +[19] Hij sprak daarmee volgens Mme de Boufflers, slechts "het geheim van1 +allen" uit. + +[20] Bij dit oproer hoorde men voor 't eerst de kreten "A Versailles; +brulons Versailles"--de haat van het volk tegen den wellusteling en +graanspekulant Lodewijk XVde was veel grooter dan veertig jaar later die +tegen Lodewijk de XVIde. + +[21] F. Rocquain, de l'Esprit revolutionaire, bl. 298. + +[22] De ceremonie die hij na zijn terugkeer uit Engeland zijn huwelijk +noemde was niet anders, als een plechtige verzekering voor eenige +vrienden afgelegd, Therese van dat oogenblik af aan als zijn wettige +vrouw te beschouwen. + +[23] E. et J. de Concourt, "La femme au XVIIIieme siecle," blz. 296. + +[24] O.a. Marc. de Girardin en E. Ritter. Van de vrienden van Rousseau +heeft Mme de Verdelin zich in haar brieven zeer gunstig over Therese +uitgelaten. + +[25] Dit kan niet gezegd worden van den engelschen biograaf John Morley, +wiens overigens belangrijk werk over Rousseau door de akelige weeheid +der typische engelsche bourgeois- en fatsoens-moraal bedorven wordt. + +[26] Aan 't hof haatte men natuurlijk de Encyclopedisten als de pest. +Alleen Pompadour steunde hen tegenover de reaktionaire +kroonprinsen-kliek (een werktuig in de handen der Jezuieten). Zij had +burgerlijke neigingen en zekere vage aspiraties naar "eenvoud" en +"natuur;" de stijl die haar naam draagt beteekent een reaktie tegen de +overladen weelderigheid van het rococo. + +[27] Het strijdpunt dat zoovele pennen in beweging heeft gebracht, nl. +de vraag in hoeverre Diderot's raad Rousseau bij de samenstelling van +zijn eerste "Discours" heeft beinvloed, komt mij voor vrij onbelangrijk +te zijn. Die invloed kan, voor wie Rousseau's verhaal van zijn innerlijk +gezicht op den weg naar Vincennes voelt als in hooge mate psychologisch- +waarschijnlijk, er slechts eene geweest zijn van bemoediging en +bevestiging, die raad hoogstens ondergeschikte punten betroffen hebben. + +[28] "De arme schrijvers waren een erbarmelijk verschijnsel. Zoo +Colletet in de vorige eeuw "van keuken tot keuken zijn brood zocht" +(Boileau) hoefde hij zich niet de kostbare kleedij te verschaffen van +den letterkundige van later dagen, die verkeerde in de salons. In de +18de eeuw is Allainval, een geacht auteur wiens stukken vaak gespeeld +worden en die overal ontvangen wordt, zoo arm dat hij, bij gebrek aan +eenige verblijfplaats, in de draagkoetsen overnacht. Deze overmaat van +ellende en het parasitisme dat er uit volgde maakten, dat men de +schrijvers erg ongegeneerd behandelde. Mme du Tencin placht aan haar +habitues als nieuwjaarsgeschenk kuitenbroeken uit te reiken" (Michelet, +Histoire de France, XVI, 84). + +[29] In de "Confessions" bekent Rousseau openhartig, dat de vrees voor +het ongemak dat zijn blaaskwaal hem soms veroorzaakte, een der motieven +was die hem de audientie deed weigeren. + + + + +DERDE HOOFDSTUK + +DE GROOTE JAREN. + + +I. NAAR DE VEREENZAMING. + +Madame d'Epinay, geboren d'Esclavelles, behoort, door aanleg en +levensloop, tot de typische vrouwen uit het millieu der haute finance +in de 18de eeuw. Gehuwd met een schatrijken belastingpachter, die haar +van 't begin van hun huwelijk af aan verwaarloosde, en in haast +ongelooflijke lichtzinnigheid en roekelooze verspilzucht millioenen +verbraste--tot hij ten slotte, stikkend in schulden, onder curateele +werd gezet--kon zij in haar huwelijk onmogelijk bevrediging vinden. Zij +was een levendige, magere brunette met groote vurige oogen, niet mooi +maar aantrekkelijk, een van die vrouwen die er altijd jonger uitzien dan +zij zijn. Zij merkte fijn en scherp op en had behoefte wat zij opmerkte +te uiten. Zij deed aan muziek en aan literatuur, was geestig, bel +esprit, ijdel en eerzuchtig. Zij wou graag beroemde persoonlijkheden +om zich heen hebben, haar salon maken tot een middelpunt van +intellektualisme; en zij was trotsch op haar vijf "beren," (waartoe +Rousseau behoorde) zooals zij haar letterkundig-wijsgeerige vrienden te +noemen plag. Maar ondanks al die maniertjes en zwakheden had zij een +warm-liefhebbend hart; voor haar minnaars, haar vrienden en haar +kinderen had zij veel over. Zij schreef graag en schreef goed, levendig +en pittig.[30] Ook zij leed aan de ziekte van den tijd, de ennui, de +vreeselijke levens-leegte, en om de leege uren te vullen, had zij +behoefte aan interessante, superieure persoonlijkheden om zich heen die +haar bewonderden. Het geld demoraliseerde ook haar, maakte haar grillig +en veeleischend: zij vond dat haar vrienden klaar moesten staan haar te +komen bezighouden, wanneer zij het verlangde. Het grillig lot deed deze +veeleischende vrouw gedurende lange jaren hangen aan een egoiste +berekenende natuur, die haar van zijn tijd en zijn persoonlijkheid net +gaf wat hem paste en niets meer. + +Rousseau had Mme d'Epinay leeren kennen in 1747. Dien herfst, dien hij +doorbracht op het kasteel Chenonceaux, waren zij veel samen geweest, ook +was zij opgetreden in het blijspelletje, dat hij daar voor 't vrolijk +gezelschap had geschreven. Liefde was er niet tusschen hen, wel innige +sentimenteele vriendschap. Francueil was toen haar minnaar, en zoowel +hij als zij plachten Jean Jacques in hun vertrouwen te nemen. Hij +luisterde met sympathie, maar toen zij hem voor postillon d'amour wilden +gebruiken, was hij zoo verstandig om te weigeren. Hij placht aan de +wereldsche jonge vrouwtjes die op het kasteel logeerden de lotgevallen +van zijn jeugd en de ongelukken van zijn later leven te vertellen, een +beetje romantisch-opgesmukt voor de gelegenheid. Hij vertelde goed en +met warmte, en zijn verhalen maakten grooten indruk op zijn +hoorderessen. Mme d'Epinay voelde zich sterk tot den jongen +dichter-musicus aangetrokken in die dagen en schreef aan haar minnaar: +"ge kunt u niet voorstellen, hoe zoet het verkeer met hem voor mij +is.... Mijn ziel is nog verteederd door de eenvoudige en toch +eigendommelijke manier, waarop hij zijn ongelukken vertelt." + +Sedert de dagen van Chenonceaux waren Mme d'Epinay en Rousseau altijd +vrienden gebleven. Haar verhouding met Francueil was tot een eind +gekomen en na een tusschen-pooze nam zij een anderen minnaar: Grimm, de +man die in Rousseau's voorstelling (en waarschijnlijk vergiste hij zich +maar ten deele) de booze geest is geweest die vele zijner oude vrienden +van hem vervreemd heeft. + +Grimm was een jonge Duitscher, op 't eind der jaren veertig in 't gevolg +van den prins van Saksen-Gotha naar Parijs gekomen. Rousseau had hem +leeren kennen in de bewogen dagen van Diderot's gevangenschap en direkt +een bevlieging voor hem gekregen, waarschijnlijk doordat Grimm een goed +musicus was en zijn enthousiasme voor de italiaansche muziek deelde, +want overigens hadden zij in aanleg weinig gemeen. Hij introduceerde den +jongen man, die zich zeer bescheiden voordeed, bij al zijn kennissen en +deed wat hij kon om hem vooruit te helpen. Grimm was bekwaam en ijverig, +een stoere werker, Rousseau verreweg de baas in zelfbeheersching, +plooibaarheid en volharding; hij maakte al gauw carriere en ontpopte +zich als een echte streber. Hij kreeg een betrekking bij den hertog van +Orleans, werd zaakgelastigde van de vrije rijksstad Frankfort, en begon +een "Correspondance litteraire," een soort bulletin voor buitenlandsche +vorsten van al wat op 't gebied van kunst, letteren enz. te Parijs +verscheen. Deze onderneming zette hij lange jaren voort. Hij had +zelfbeheersching en takt genoeg om, ook toen Rousseau en hij geslagen +vijanden geworden waren, zich in zijn "Correspondance" steeds gematigd +en voorzichtig over den gevierden schrijver uit te laten, terwijl hij in +'t verborgen tegen hem stookte en wroette. De man bracht het ver: +oorspronkelijk bevriend met de materialistische philosophen draaide hij +langzamerhand bij en eindigde als een trouwe knecht van troon en altaar. +Hij kreeg toen den titel van "baron van het heilige duitsche rijk," en +was daar zeer verheerlijkt mee. + + +In het begin der jaren vijftig hield monsieur d'Epinay zich bezig met 't +vergrooten en verfraaien van zijn kasteel Les Charmettes, bij +Montmorency. Dat was juist in den tijd van de groote intimiteit tusschen +Rousseau en Mme d'Epinay, toen Francueil niet meer haar minnaar was en +Grimm nog niet. Rousseau kwam in dien tijd veel op het kasteel en op een +keer dat hij en Madame d'Epinay naar den in aanbouw-zijnden nieuwen +vleugel waren gaan kijken, strekten zij hun wandeling uit tot de +moestuinen en het waterreservoir aan de zijde van het park, waar dat aan +het woud van Montmorency grensde. Op een bekoorlijke eenzame plek stond +daar een klein, heelemaal vervallen huisje: de Hermitage heette het. +"He," zei Rousseau, "hier te wonen." Madame d'Epinay antwoordde niet +veel, maar zij onthield den wensch van haar vriend en een jaar later +bracht zij hem naar dezelfde plek, waar in dien tusschentijd een nieuw +allerliefst landhuisje was verrezen. "Hier, mijn beer," zei ze, "is uw +kluis; ge koost ze zelf, de vriendschap biedt ze u aan: laat nu die +booze plannen varen van ons te willen verlaten voor Geneve." Dat was +echt vriendschappelijk gehandeld; zij deed wel zich zelve pleizier, maar +bedoelde toch in de eerste plaats Rousseau gelukkig te maken.--O wij +arme menschen, dat onze best-bedoelde daden zoo dikwijls leed en ellende +brengen over wie wij vreugde willen geven en over ons zelf. + +Rousseau was getroffen, maar kon niet dadelijk besluiten. Hem was juist +de betrekking aangeboden van bibliothecaris van Geneve; hij hield van +zijn land, hij had illusies over daarheen terug te keeren, maar hij +voelde zich niet erg geschikt voor die betrekking doordat hij geen +grieksch kende, en hij hield ook van de heerlijke bosschen en van de +lieve vriendin die hem op zoo beminnelijke wijze een nestje had bereid. +Hij aarzelde, een groote onrust kwam over hem, hij voelde zijn wil tot +vrij en onafhankelijk leven doorkruist door een anderen wil. In een +voorgevoel van de verdrietelijkheden die 't zwichten voor dien wil over +hem brengen zou, schreef hij aan Mme d'Epinay: "Hoe slecht begrijpt ge +uw belang, om een vriend tot een knecht te willen maken" ... (altijd +weer die angst voor dienstbaarheid). "Ik ben niet bezorgd hoe te leven +en te sterven, maar de twijfel die mij wreed verontrust is: welke +gedragslijn mij gedurende den tijd dat ik nog te leven heb, de grootste +onafhankelijkheid zal verzekeren. In Parijs heb ik die, ondanks al mijn +pogingen, niet gevonden. Ik zoek haar met sterker drang dan ooit, en wat +mij sedert een jaar wreed bedroeft, is niet te kunnen onderscheiden waar +ik haar 't zekerst zal vinden. De grootste waarschijnlijkheden zijn voor +mijn land, maar ik beken dat ik haar zachter zou vinden in uw nabijheid. +De groote verlegenheid waarin ik mij bevind kan niet lang duren: binnen +acht dagen zal mijn besluit genomen zijn".... Maar ook nadat hij haar +had geschreven: "mijn besluit is genomen, ge begrijpt wel dat gij +overwonnen hebt," bleef hij naar eigen getuigenis "door een toestand van +innerlijke krisis gekweld." + +Door die innerlijke gejaagdheid gedreven, bespoedigde hij zijn +verhuizing zooveel mogelijk: met Paschen 1756 trok hij naar de +Hermitage. Behalve Therese verzelde hem ook haar moeder, hoog bejaard +maar nog kras, die voortaan bij hen inwonen zou. Hij weigerde absoluut +in te gaan op het voorstel van Mme d'Epinay dat hij voor niets zou +wonen, zij van haar kant wilde geen huur aannemen; eindelijk kwamen zij +overeen dat hij 't loon van haar tuinman, die vlak bij de Hermitage +woonde en misschien eenige kleine diensten aan 't huishouden bewees, +voor zijn rekening zou nemen. + +Geen gevangene kan met grooter ongeduld den dag zijner invrijheidstelling +verwachten en dien met meer vreugde begroeten, dan Rousseau den dag dat +hij Parijs verliet. Hij was 't leven in het wereldsch milieu waaraan hij +nog altijd vastzat moe,--overal 't zelfde, of 't zich afspeelde in de stad +of op de kasteelen der grooten. "Ik was zoo ziek van salon's, fonteinen, +heesterboschjes, bloemperken en de vervelende vertooners van dat alles," +schrijft hij in de "Confessions," "van brochures, kaartspel, handwerkjes, +flauwe woordspelingen, laffe maniertjes, konversatie en soupers, dat mijn +hart openging als ik een doornenstruik zag, een haag, een wei, een schuur; +of de lucht van een omelet-met-kruiden rook, of in de verte het refrein +van een boerenliedje hoorde." Alle krachten van zijn wezen dorstten naar +een eenvoudig, boersch, ongegeneerd landleven; hij noemde dit "terugkeeren +tot de natuur." + +Daarbij verlangde hij erg om ongestoord te kunnen denken en werken. Hij +had veel geschreven tusschen de jaren 1750-56, maar in hem was toch 't +gevoel dat hij 't meeste nog te zeggen had en zoo was 't ook. Hij was +aan verschillende nieuwe dingen bezig, om ze tot een goed eind te +brengen moest hij zich langen tijd kunnen afzonderen en concentreeren. +Zij raakten punten van zijn levens- en wereldbeschouwing, waarover hij +zelf nog niet geheel in 't reine was. + +Het werk dat hij zich voorstelde allereerst af te maken was een +beschouwing over den invloed der politieke instellingen op de zeden. Hij +was hieraan al begonnen in Venetie, dertien of veertien jaar geleden, en +had er telkens af en toe aan gewerkt. Ook was hij bezig met 't maken van +uittreksels van de zeer omvangrijke werken van den abt de St. Pierre, om +daaruit iets leesbaars samen te stellen. Hij had verder plan om een +soort sensitivistische theorie der moraal te schrijven, maar daarvan +stond nog weinig op papier; en ook nog een verhandeling over opvoeding. +Mme de Chenonceaux, de schoondochter van Mme Dupin, had hem daarom +gevraagd, als een leiddraad voor de opvoeding van haar zoon, en hij had +veel over 't onderwerp nagedacht, als elkeen die de menschheid gelukkig +wil maken. En, ten slotte, was hij nog bezig aan de samenstelling van +een muziek-diktionnaire; hij deed dit in verloren oogenblikken, zoo +onder de hand door. + +Maar de wind der inspiratie blaast gelijk hij wil en niet gelijk wij +willen. De drang, langzaam groeiend in het onderbewuste, waar ten slotte +de vonk uit springt, de conceptie uit ontstaat van het kunstwerk, zooals +uit de stoffen die de plant in zich opzamelt en tot nieuwe sappen omzet +op een dag de bloemknop wordt, die drang gaat niet altijd in dezelfde +richting als de werkzaamheid van het bewuste gedachteleven. Het +onderbewuste kan het bewuste vooruit zijn en in zeker opzicht daartegen +in gaan, in 't eerste kan groeien en zich opzamelen, wat door de +"censuur" van den wil niet tot 't tweede wordt toegelaten. Terwijl +Rousseau in zijn bewust gedachteleven nog de banen volgde die hij na den +innerlijken schok op den weg naar Vincennes had ingeslagen, terwijl hij +nog voornamelijk boetprediker en moralist wilde zijn en dacht te zijn, +begon in de diepere lagen van zijn persoonlijkheid 't oude smachten naar +teederheid weer op te komen; terwijl hij nog "dronken van deugd" meende +te wezen, leed zijn zinnelijke weekheid reeds dorst naar de wateren der +liefde. Arme barsch-doende citoyen! die andere, onuitroeibare zijde van +zijn ik, die hij nu acht jaar lang had teruggedrongen, wachtte maar op +een gelegenheid, om de "censuur" onderste boven te loopen, met +onweerstaanbare kracht naar de oppervlakte te dringen, en in het +brandpunt van het bewustzijn te komen staan. Een groote reaktie op die +jaren van eenzijdig puritanisme was in aantocht: in zijn leven ging zij +uiting vinden in zijn hartstocht voor Mme d'Houdetot, in zijn werk in de +"Nouvelle Heloise." + +De gelegenheid, waarop de onderdrukte krachten van zijn wezen wachtten +om zich vrije baan te verschaffen, en den strengen stoicijnschen zin die +zoo lang oppermachtig had geheerscht van zijn troon te jagen, diens +alleenheerschappij te breken, bracht zijn buiten-gaan-wonen. + +Het was vroege lente toen hij 't landhuisje aan den zoom van 't woud van +Montmorency betrok, vroege lente als toen hij achtentwintig jaar +geleden, zestienjarige knaap uit de tucht van den leertijd ontvlucht, +door de heuvels van Savoye had gezworven. Er lag nog sneeuw op de +velden, maar de natuur werkte al: in de bosschen bloeiden viooltjes en +sleutelbloemen, de struiken begonnen uit te botten en een nachtegaal +zong, vlak voor zijn raam. Welk een heerlijkheid weer buiten te zijn! +Vol verrukking verkende hij de omgeving van zijn woning nog voor hij +goed en wel op orde was, beliep alle paadjes, doorzocht alle boschjes, +blij als een kind. Enkele dagen na zijn aankomst schreef hij aan Mme +d'Epinay, dat hij, ondanks de rommeligheid van 't verhuizen, de drie +vredigste en zoetste dagen van zijn leven had doorgebracht. + +En onverwachts begon, zooals de sneeuw op 't veld wegsmolt voor den +zachten adem der lente, de hardheid die hij gemeend had nu voorgoed heel +zijn wezen te zijn, weg te smelten in zijn gemoed. Hier buiten werd hij +niet langer elk oogenblik herinnerd aan wat hem in Parijs zoo verbitterd +had; hij zag niet aldoor om zich heen het gebrek en de overdaad, de +verkwisting en de ellende; hij werd niet meer voortdurend geprikkeld +door onuitstaanbare, gemaakte menschen. Dat alles kwam op 't tweede +plan; nu genoot hij den toover der lente in de vrije natuur; zijn ziel +genoot, zijn zinnen genoten, hij baadde in weelde-van-genot. En, zooals +wanneer hij als jongeling trok door de lentelanden, zoo zalig bevredigd, +zoo muziekvol, begonnen in hem zelven krachten te werken, wateren te +murmelen, knoppen open te springen, wonderlijke keelen te schallen: de +verbeelding, de lang gestremde, was weer vloeibaar geworden in hem. + +Er zijn dichters tot wien de verbeelding komt als een laaiend vuur dat +zich over hen stort, een gloed waarin alle krachten van hun wezen +verdwijnen; die de visionaire wereld oprijzend in hun binnenste, in een +geweldig spannen hunner vermogens vastgrijpen tot in hare verste diepten +en haar uiterste omtrekken. Er zijn er andere in wien zij zachter werkt, +die langzaam, langzaam, uit een droomerige warmte van het gemoed, uit +liefelijk-vage stemmingen, uit gevoelens en gedachten vol onbestemde +teederheid, gestalten zich zien loswinden en een gebeuren oprijzen, +zooals schepen opdoemen uit de mist. Zoo en niet anders, werkte de +verbeelding in Rousseau. + +Het begon met droomen, ongekontroleerd door den wil, onbeinvloed door de +rede, ontstaande onder de macht van stemmingen en aandoeningen, +wortelend in de diepten van het organisme, lieflijke erotische droomen, +die hij al zwervend eindeloos verder spon. Zoo droomen was voor hem +altijd de zoetste zoetheid des levens geweest, de milde stroom zijner +fantazieen had zijn eenzaamheid bevolkt met verrukkingen, hem die +eenzaamheid doen liefhebben boven menschen-gezelschap. Maar nooit had +hij, in zijn jeugd, de behoefte gevoeld om die droomen vast te houden; +wat hij in dien tijd schreef was altijd werk-van-'t-bewuste-alleen, +verstandswerk, omgaand buiten zijn eigenlijk ik, geweest. En daarna was +de strijd gekomen met de zorgen des levens, en daarna de tijd, dat hij, +geheel vervuld van die nieuwe groote gedachten van deugd en heroisme en +roeping, een dam had gebouwd om het deel van zijn wezen, waaruit de +droomwateren omhoog welden. Maar nu was de dam doorbroken en de oude +stroom vloeide weer rijkelijk. + +Dien zomer zwierf hij veel door de wouden en heiden, meest alleen, want +Therese vond die wandelingen in de eenzame natuur tamelijk vervelend. +Hij genoot, maar voelde zich toch dikwijls onbevredigd, als alle niet +zeer evenwichtige naturen die het doel van lang wenschen bereikt hebben. +Zijn voornaamste verlangen was bevredigd, er vielen geen plannen meer te +maken voor de toekomst: dit gaf een zekere leegte. Daarbij kwam, dat er +in de Hermitage verscheiden dingen waren die hem hinderden. Wat hij +gevreesd had, gebeurde: Mme d'Epinay liet hem niet met rust, hij moest +altijd klaar staan om bij haar te komen op het kasteel, wanneer zij tot +hem stuurde om verstrooid of bezig gehouden te worden. Zij vroeg er niet +naar, of hij werkte, of hij misschien liever alleen wou zijn. Zoo waren +die verwende wereldsche vrouwen nu eenmaal, ook de beste.... Hij had, +door gunsten aan te nemen, zijn onafhankelijkheid prijs gegeven. En dit +was niet alles! Gedurende de zomermaanden kreeg hij voortdurend bezoeken +uit Parijs, van bewonderaars of belangstellenden; hij wist niet hoe gauw +hij na 't middag-eten weg zou slippen, om ongestoord te gaan mijmeren in +het woud. + +Neen, peinsde hij, de Hermitage is toch niet wat de Charmettes waren; +daar was 't leven zoet, vol harmonie, vol vrede. De groote disharmonie +die hem uit de Charmettes verjaagd had, vergat hij. Zijn droomen sloegen +onbemerkt den weg in naar 't verleden: verlangen zag niet langer +hunkerend vooruit, maar begon terug te zien, gelijk altijd als jeugd +voorbij is. + +Hij was op dien grens der jaren gekomen--niet voor elk mensch +dezelfde--dat het hart zich keert naar 't verleden en met pijn en +bitterheid afscheid neemt van wat nimmer terugkeert: jeugd; gouden, +heerlijke jeugd. + +Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der +jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. +Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de +bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond +en spijt om alles wat hij dit eene ter wille verzuimde, doet zijn hart +samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd +verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit +eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, +voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat +hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; +ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist. + +Acht jaar lang had Rousseau nadat hij Savoye verliet, geleefd voor zijn +eerzucht, worstelend tegen den stroom des levens die hem altijd weer +terugsloeg, de volgende acht jaren voor zijn Idee. Nu leek het eene +nietig zoowel als het andere, de winst dier jaren armzalig, zijn leven +zonder inhoud, zijn beste krachten verloren, ongebruikt. Hij had nooit +bemind gelijk hij kon beminnen, hij had nooit liefde genoten gelijk hij +te genieten had begeerd. En o bitterheid, bitterheid: jeugd was voorbij, +zou nimmer terugkeeren. Verlangen naar liefde-geven en liefde-nemen kwam +als een vloed opzetten en vulde zijn lijf, zijn zinnen, zijn hart, zijn +fantazie.... En fantasie sloeg den weg in der herinnering. Weer was hij +jong, een zorgelooze knaap, een droomerig-hartstochtelijke jongeling; +weer hoorde hij het zilveren lachen, hij zag de lieve gezichten van al +de bekoorlijke wezens, waarvoor zoete neiging zijn bloed eens had +ontroerd. Hij zag het vriendinnen-paar, de gezellinnen van dien +onvergetelijken geluksdag, dien dag van den rit door de bergen naar 't +oude kasteel; hij zag zijn lieftallige zangleerlingetjes van Chambery, +hij zag het beminnelijke vrouwtje van zijn reis-avontuur in Frankrijk, +hij zag de donkere Venetiaansche schoone, waarvoor hij als gezantschap- +secretaris had gegloeid. Nog vele anderen zag hij, want hij was heel +dikwijls verliefd geweest. En, alleenstaand, van al die anderen gescheiden +door het inniger, teederder, droeviger gevoel dat haar omtrilde, zag hij +Mme de Warens, gelijk zij den blooden knaap eens was verschenen: jong, +bloeiend, met mooie handjes en asch-blonde wuivende haren, een en al +lieftalligheid. Hij was verliefd op zijn herinneringen, hij gloeide en +dorstte, maar een voorwerp van liefde had hij niet. + +Toen greep zijn onvervuld begeeren naar het groote redmiddel, waardoor +de ziel van den mensch, hongerig naar geluk, zich zelve bewaart voor te +sterven van verlangen. Kunstenaars vermogen dit redmiddel vaster te +grijpen en beter te hanteeren dan andere menschen; daarom zijn zij, de +broozen, toch sterk in de branding des levens. Hij "sublimeerde" zijn +liefde-verlangens, dat wil zeggen hij bracht ze over in een andere, een +ijler sfeer: de vervulling die hem ontzegd was in de werkelijkheid, +zocht hij in de fantazie. + +Langzaam, geleidelijk, werden de lieflijke jeugd-herinneringen +omgeschapen door de werkende verbeelding, zij scheidde, verbond, voegde +samen; zij vereenvoudigde de menigvuldigheid der indrukken tot klare +eenvoudige lijnen, sneed alle overtollige ranken weg, wischte alle +storende bijvoegsels uit; zij omgloriede enkele gestalten met alles wat +hij ooit in menschen had liefgehad en hoopte op een kleine plek aarde +samen al wat hij ooit schoon en heerlijk had gevonden in de natuur. + +Zoo ontstond in hem de verbeelding van eenige gevoelige reine menschen, +twee vrouwen en een man, de vrouwen teedere vriendinnen, de man de +minnaar der eene, de vriend der andere, allen levend in een dorpje aan +den oever van een meer. En die oever was de geboorteplaats van Mme de +Warens, en de vrouwen droegen trekken van alle vrouwen die hij bemind +had, en de man was zooals hij zelf zich voelde: vurig en zwak, week en +vol aspiraties naar deugd en goed te leven, maar jong en onweerstaanbaar- +beminnelijk, gelijk hij graag had willen zijn. Hij wilde een monument +oprichten voor de afgoden van zijn hart: vriendschap en liefde. + +Hij begon te schrijven, eerst zonder bepaald plan, en voelde zich vol en +onzegbaar gelukkig. In de wintermaanden las hij wat hij geschreven had +voor aan Therese en haar moeder. Therese snikte van verteedering, hij +zelf ook. Maar in hem was toch een schaamte over zijn weekheid en over +het werk dat daaruit werd. Had hij niet sedert jaren de zwakheid der +liefde berispt en de schrijvers gegeeseld die haar verheerlijkten? En +wat deed hij zelf nu anders? Geestdrift voor de steile paden der deugd, +voor een streng eenzaam leven was jaren lang in hem gegroeid en had zich +geworteld door zijn hersens, hij kon haar niet uittrekken, zij was een +deel van zijn wezen geworden dat hij evenmin kon wegdringen als de weeke +zinnelijkheid daarin. Daarom zocht hij in dit werk de beide zijden van +zijn wezen te vereenigen, liefde te verzoenen met plicht. Het gelukte +hem. Nu was zijn geweten gerust: hij schreef verder en was gelukkig. + +In dien tijd van sterk innerlijk leven kreeg hij een bezoek van de +schoonzuster van Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot. Hij kende haar sinds +lang, maar oppervlakkig, zij was altijd heusch tegen hem geweest: niets +meer. Zij was niet mooi, van de pokken geschonden, zij loenschte en men +zag aan haar kijken dat zij erg bijziende was. Maar niet-mooie vrouwen +zijn soms bijzonder bekoorlijk; zij bekoorde door haar mooie hals en +armen, haar openhartige en beminnelijke aard, haar gratie en +kinderlijk-vrolijke onbeholpenheid. Zij was nog jong, onder de dertig, +en tamelijk begaafd; zij schreef goed en maakte lieve verzen. Zij had +een minnaar, St. Lambert, edelman en dichter van 't soort als toen in de +mode kwamen, die, levend in de salons, zich verbeeldden te dwepen met de +natuur en 't landleven en dat in gladde, akademische verzen bezongen; +een wat schrale en dorre natuur, overigens een achtenswaardig mensch, +op en top gentleman. Mme d'Houdetot en St. Lambert bleven tot 't einde +hunner dagen verbonden, bijna een halve eeuw lang: hun trouw werd +spreekwoordelijk. + +Zij hadden natuurlijk allebei erg met Jean Jacques op, zonder +waarschijnlijk te voelen dat voor hem hoogste levens-ernst was, dat waar +zij een weinig mee speelden, zooals vele mannen en vrouwen der groote +wereld in die dagen begonnen te spelen met natuurliefde en landelijkheid +en zoo; uit pure moeheid van luxe-verfijning en uit zucht naar +afwisseling. + +Haar eerste bezoek in de Hermitage vond plaats in 't late najaar van +1756; zij had haar rijtuig weggestuurd en was bijna in den modder +blijven steken; doorweekt en beslikt bereikte zij 't huisje, vol +uitbundige pret over haar avontuur; Therese moest haar schoone kleeren +geven en zij bleef bij hen 't avondbrood gebruiken, heel huiselijk. + +'t Voorjaar daarop kwam zij Rousseau opnieuw bezoeken, te paard ditmaal, +in mannekleeren. De zevenjarige oorlog was uitgebroken, haar man en haar +minnaar stonden beide in 't veld. Zij had een landhuis gehuurd in de +buurt van Montmorency en stelde zich voor veel met Rousseau te +verkeeren; haar minnaar wilde dat ook graag: in gezelschap van den +eenzamen wijsgeer, den stoicijnschen "citoyen" met zijn strenge +begrippen van deugd en zedelijkheid, wist hij haar welbehoed tegen de +verlokkingen der Parijsche wereld. + +Maar och, Rousseau begon onmiddellijk met zinneloos-verliefd op haar te +worden, zoo verliefd als hij nog nooit in zijn leven was geweest. + +Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefde-begeeren slechts +schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor +noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke +vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor +hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van +den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en +verrukking en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te +voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de +andere?[31] + +Wie durft 't beslissen? De onbewuste neigingen en begeerten, die de +daden van den mensch mede-bestemmen, zijn vaak ondoorgrondelijk: een vat +van mysterie is hij. + +Hoe 't zij, liefde-hartstocht was in hem opgelaaid, heet en schrijnend, +vol onrust, omdat zijn worstelend hart zich schaamde, vol pijn, omdat +wederliefde en bevrediging niet mogelijk waren, hij zelf die niet kon, +niet mocht verlangen. Want de geliefde was de vrouw van een ander, was +de minnares van een vriend, hem waard niet 't minst om de volkomen +overgave waarmee zij hing aan dien minnaar, haar bezitten was zichzelf +en haar schandvlekken, haar niet bezitten was onduldbaar lijden: zoo +leed hij, zoo gloeide hij, zoo worstelde hij met zichzelven, zoo bad en +smeekte hij in liefderazernij, om datgene waartegen al 't ideeele in +hem, al zijn moreel gevoel opstond. + +Wat de vrouw aangaat, half verschrikt, half gevleid, half verteederd, +--Rousseau was niet jong meer, maar ook nog niet oud, en uiterst +beminnelijk: er straalde iets heel eigens van hem uit, iets hoogs en +weeks in eenen, dat geen ander zoo bezat--trachtte zij den brand te +blusschen dien zij had aangeblazen en koos om het te doen den slechtsten +weg: die van aan de teederheid toe te staan wat de vlammen van hartstocht +hooger moest doen oplaaien. Al wat de roman tusschen een man en vrouw, +die minnaar en minnares zijn in alles, behalve in den sexueelen omgang, +kan bevatten aan onbevrediging en ellende, aan stormen opvoerend tot +extasen en extasen elk oogenblik dreigend in wanhoop om te slaan, dat +alles was zijn deel gedurende de zoete bittere zomermaanden van zijn vijf +en veertigste levensjaar, dat jaar waarin jeugd afscheid van hem nam. + +Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn +zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch +van innering. + +Maar buiten hem groeide, schepsel van vuur en tranen, het wonderbare +boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van +de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Heloise." In de vlammen +van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn +wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt +duizenden blij van bevende zaligheid. + +Zijn buiten-gaan-wonen was voor zijn vrienden en voor de heele coterie +die zich om den rijken epicurist Holbach schaarde, een ergernis geweest. +Zij hadden de natuur ook lief op hun manier: in de tuinen en parken der +lust-verblijven en kasteelen,--maar dat een intellectueel Parijs +ontvlood, om zich in 't wilde woud en 't eenzame veld te begraven, +dat wou er bij hen niet in. Zij zelven zouden 't in de bosschen van +Montmorency geen week hebben uitgehouden. Wat ging die eenzelvige +menschenhater van een Rousseau er dan doen? Zijn misantropie zou er nog +erger worden, hij zou al meer op zich zelf komen te staan en heelemaal +aan hun invloed ontsnappen. Ten minste, als hij 't uithield.... maar hij +zou 't niet uithouden.... Zij hoonden hem en trokken aan hem, dat hij +toch terug zou komen: allemaal dingen, die hij niet kon uitstaan. + +Zij hadden misschien wel gelijk dat de eenzaamheid niet onverdeeld goed +voor hem was, 't buiten wonen zijn eenzelvigheid en zijn soms ziekelijke +neiging over kleinigheden te tobben zou verergeren. Maar waar zij zeker +geen gelijk in hadden was, om hem te dwarsboomen in wat hij met zijn +heele ziel verlangde, hem te willen bedillen, en toen dit niets gaf, te +probeeren achter zijn rug om met Therese en haar moeder te bedisselen +hem weer naar Parijs terug te halen. Hij merkte 't ten slotte toch, +en al dit openlijk gemeester en achterbaksche gedoe was zeker 't +allerslechtste voor den prikkelbaren man. Hij voelde zich meer en meer +geirriteerd tegen zijn oude vrienden, Diderot en Grimm. Zij waren, +schreef hij in een klaagbrief aan Mme d'Houdetot, beide mannen van de +wereld geworden, beide "geslaagd." En hij was dezelfde gebleven als +vroeger: daarom pasten zij niet meer bij elkaar. + +Diderot, vond hij, schoot telkens te kort tegen hem, door afspraken van +komen of zoo nooit te houden en hem in alles en nog wat te willen +schoolmeesteren. Een paar maal kwam 't tusschen hen tot +onaangenaamheden. De eerste keer, omdat Diderot hem in een brief had +verweten de moeder van Therese den winter in de Hermitage te laten +doorbrengen, op een toon of de oude vrouw daar de bitterste ellende +leed: (zij was er integendeel, verzekerde Rousseau, zoo tevreden en +gezond mogelijk: konden oude menschen soms nergens anders wonen als in +Parijs); de tweede keer, omdat Diderot in een tooneelstuk de uitspraak +had gedaan "slechts de booswicht leeft alleen" en Rousseau die woorden +als een hatelijkheid aan zijn adres opvatte. Mme d'Epinay bemoeide zich +met de zaak en wist de vrienden weer te verzoenen: Diderot bezocht +Rousseau in de Hermitage en na dat bezoek schreef Rousseau geheel +verteederd aan zijn oude vriendin: "ge hadt groot gelijk met te willen +dat ik Diderot zag. Hij bracht gisteren den dag hier door, ik heb in +langen tijd niet zoo'n heerlijken dag gehad. Er is geen ontstemming die +stand houdt voor de tegenwoordigheid van een vriend." + +Maar ook met Mme d'Epinay was de verhouding niet meer zacht en vloeiend +als vroeger: tusschen hen beide stond, al sedert een poosje, Grimm, +stond nu ook Mme d'Houdetot! Grimm's arrogante wijze van optreden tegen +hem, maakte voor Rousseau de bezoeken op de Chevrettes al meer tot een +kwelling. Al de kleine onderscheidingen en attenties waarmee Mme +d'Epinay hem in den tijd van hun innige vriendschapsverhouding verwend +had: zijn plaats naast haar aan tafel, zijn slaapkamer naast de hare, +hielden nu op: de nieuweling in haar gunst eischte en kreeg ze. Was het +dan altijd zijn lot, om door een Wintzenried verdrongen te moeten +worden? + +Mme d'Epinay van haar kant had geen vrouw moeten wezen, om zich niet +ontstemd te voelen door den plotselingen hartstocht van Rousseau voor +haar schoonzuster. Om de nieuwe geliefde verwaarloosde hij de oude +vriendin ten eenemale: men zag hem bijna niet meer op de Chevrettes, +waar de gasten hem plaagden en zich vroolijk maakten over den philosooph +die al grijze haren kreeg en nu verliefd was als een schooljongen. Een +verwende vrouw als Mme d'Epinay kon 't noode verdragen, verwaarloosd te +worden. Zij hield warm van Rousseau, zij waren nu tien jaar vrienden, zij +koesterde zich graag in de teederheid van zijn vriendschap, hoezeer zij +ook aan haar minnaar hing. Het feit, dat Rousseau vol grieven zat tegen +dien minnaar, was natuurlijk weer een grief van Mme d'Epinay tegen hem. +Zij deed dien zomer wat zij kon om een breuk tusschen de twee mannen te +voorkomen. + +Zoo was de atmosfeer aan alle kanten met elektriciteit geladen. Toen +kwam de vonk. + +St. Lambert werd van de innige verhouding zijner geliefde, met Rousseau +op de hoogte gebracht, en, zeer natuurlijk, stelde men hem die voor als +een liefdes-verhouding. Mme d'Houdetot vertelde het onder tranen aan +Rousseau. Deze bedacht zich geen oogenblik: dat had Mme d'Epinay +gedaan.[32] In zijn blinde gemoedsbeweging beschuldigde hij de vriendin, +die dit toch niet aan hem verdiend had, van een laagheid. Door haar +zachtmoedigheid en opzien tegen een breuk (en doordat Grimm juist in +Westphalen was) kwam 't tot een verzoening tusschen hen, zonder verdere +explicatie, maar 't gedrag van Rousseau liet een angel achter in 't hart +der beleedigde vrouw. Van dat tijdstip af aan drong Grimm er telkenmale +op aan, dat zij Rousseau zonder eenige konsideratie zou behandelen. Toen +hij in 't najaar uit Duitschland terugkeerde, voelde Rousseau de hoogmoed +en minachting van zijn vroegere vriend tegen hem, als ondragelijk. Hij +wilde geheel met hem breken, Mme d'Epinay bracht met moeite nog een +schijn-verzoening tot stand. + +Ook St. Lambert was tijdelijk van den veldtocht teruggekeerd; om te +toonen dat hij aan de praatjes die er liepen geen 't minste geloof +hechtte, had hij met Mme d'Houdetot Rousseau in de Hermitage bezocht en +was bij hem blijven eten. Hij was een en al minzaamheid, evenals later +in zijn brieven, en deed of hij met warmte inging op Rousseau's illusie +van een teedere verhouding en een innig samenleven tusschen hen drieen. +Maar dit was alles de fijne levenskunst, die Rousseau nooit doorgrondde; +de kunst pijnlijke dingen glad en geruischloos te doen geschieden: toen +de kavalier weer vertrokken was vond de arme verliefde Mme d'Houdetot +zeer verkoeld. Zij ging de band zoetjes aan losser maken. + +Men begrijpt dat hij na zulk een zomer van hevige emoties overspannen +was en niet veel noodig had om zijn evenwicht te verliezen. En toen kwam +juist de stoot, die hem ondersteboven wierp. + +Op een dag in Oktober liet Mme d'Epinay hem vragen bij haar te komen en +vertelde hem, dat zij zich bezorgd maakte over haar gezondheid en zoo +spoedig mogelijk met haar zoontje, diens gouverneur en een paar +bedienden, naar Geneve dacht te gaan om zich onder behandeling te +stellen van Tronchin, een bekend geneesheer in die dagen. Of Rousseau +haar misschien wilde vergezellen; zij zou dat heel prettig vinden en +hoopte dat hij 't zou doen. + +Rousseau begreep er niets van. Waarom moest juist hij mee naar Geneve, +niet haar minnaar of haar man? Maar den volgenden dag vertelde Therese, +die meer dan verstandig was met de dienstboden van 't kasteel placht te +praten, hem hoe 't praatje liep dat Mme d'Epinay een kind verwachtte en +naar Geneve ging om in 't geheim te bevallen. Nu begreep hij het. En +toen hij kort daarna een buitengewoon takteloos briefje kreeg van +Diderot, die er op aan drong dat hij toch gaan zou, en zich in 't +bijzonder beriep op de "overmaat van verplichting die hem aan Mme +d'Epinay bond," toen twijfelde hij niet meer: zij komplotteerden tegen +hem, het moest den schijn krijgen of _hij_ de minnaar van Mme d'Epinay +was, daarom moest hij mee. Grimm had dat zoo gewild om zelf vrij uit te +gaan, ingeval er iets uitlekte van de bevalling. + +Hij was ontzettend verbitterd. Al zijn oude vrees voor een afhankelijke +positie kwam weer boven; het leek hem of Mme d'Epinay een knechtendienst +van hem vroeg en hem in het juk der dienstbaarheid spannen wou: hij +dacht er niet over, gelijk hij het in een brief aan St. Lambert +uitdrukte: "zich in zijn eigen land ten toon te stellen in het gevolg +van de vrouw van een algemeen belastingpachter." Als een egel stak hij +zijn stekels naar alle kanten uit. + +Bestond er grond voor zijn wantrouwen en zijn verbittering? + +Bevatte het praatje van Mme d'Epinay's zwangerschap waarheid? Had Grimm +werkelijk de hand in 't spel en wou hij Roussau naar Geneve sturen om, +zoo die zwangerschap bekend werd, hem tot zondebok te laten dienen? +Komplotteerden zijn oude vrienden inderdaad zoo schandelijk tegen hem? + +Of was alles heel gewoon en heel eenvoudig? Ging Mme d'Epinay zooals zij +zeide voor haar gezondheid naar Geneve en had zij gedacht: "'t zou +gezellig zijn als Rousseau met mij mee ging, hij kent de stad en de +menschen en liep toch rond met vage plannen van een nieuw bezoek aan +zijn vaderland." Was dit heel eenvoudige waar? + +De beantwoording van deze vragen heeft de biographen van Rousseau in +twee kampen gescheiden. Maar al hun beschouwingen hebben geen zekerheid +gebracht. + +Brieven zonder tal--booze, heftige, hoonende, koude, kalmeerende, +gemoedelijke brieven--mijn hemel! wat schreven de menschen in dien +tijd--vlogen als vogels van diverse pluimage tusschen Rousseau, Mme +d'Epinay, Mme d'Houdetot, Diderot, Grimm en St. Lambert heen en weer in +die najaarsdagen. En toen kwam 't treurig einde van oude vriendschap en +goed-bedoelde zorg. + +Rousseau's eerste aandrift was geweest, de Hermitage onmiddellijk te +verlaten, maar de anderen hadden hem daarvan teruggehouden, hem verzocht +tot 't voorjaar te wachten, om zoodoende een openlijken breuk te +vermijden. Men hield daar niet van in die kringen. Hij gaf toe en toen +Mme d'Epinay vertrokken was, schreef hij haar in dien geest. Het +antwoord kwam begin December, verpletterend van hoogheid: in de meest +onheusche bewoordingen verzocht zij hem, de Hermitage ten spoedigste te +verlaten. + +Hij had, sedert einde Oktober, ellendige weken doorgebracht, misschien +de ellendigste van zijn leven. Mme d'Houdetot was toevallig op +denzelfden dag dat Mme d'Epinay naar Geneve vertrok, naar Parijs +teruggekeerd. Rousseau en zij waren uiteengegaan na een afscheid vol +betuigingen van teederheid en vriendschap; hij had geschreven en nog +eens geschreven en nog eens: zij liet al zijn brieven onbeantwoord. Hij +begreep niet waarom, hij martelde zich af met gissingen. Lieten allen +hem nu in den steek? Ontviel hem alles waarop hij gesteund had? Bezat +hij geen enkelen vriend meer? Dit kon hij niet dragen; hij verloor zijn +evenwicht geheel en al. + +Diderot, die hem begin December bezocht, ontstelde van zijn heftigheid, +zijn volkomen gebrek aan zelfbeheersching: men kon zijn woedekreten in +den tuin hooren, hij leek waanzinnig. + +Toen kwam dat briefje uit Geneve: het werkte als een zweepslag. Met de +kracht der overspanning handelde hij, flink en energiek, die anders +altijd uitstelde en talmde. Hij vond en huurde een huisje dicht bij 't +dorp Montmorency, deed zijn boel overbrengen, ondanks sneeuw en +erbarmelijk slechte wegen: half December al was hij verhuisd. Aan Mme +d'Epinay schreef hij van uit zijn nieuwe woning, "niets is zoo eenvoudig +en zoo noodzakelijk, Mevrouw, als weg te trekken uit uw huis, wanneer ge +niet wenscht, dat ik er blijf."--Toen zonk hij in elkaar. + +Zijn oude vrienden had hij voor goed verloren, ofschoon de eigenlijke +breuk met Diderot wat later kwam. Om hem heen was de vereenzaming, als +om ieder, die wanneer zijn haar begint grijs te worden, de vrienden +zijner hoopvolle jaren verliest. + + + +II. DE KATASTROPHE. + +Het huisje te Mont Louis, een buitenwijk van Montmorency, waarin hij met +Therese getrokken was--haar moeder woonde voortaan niet meer bij hen +in: hij had gemerkt hoe weinig vertrouwbaar zij was, hoe zij hem naar +den mond praatte maar achter zijn rug heel anders deed--het huisje was +oud en bouwvallig: de planken vloer behoefde dringend vernieuwing, de +meubels zonken bijna door. Maar het uitzicht was heerlijk: van af het +terras zag men neer op het park en het prachtige kasteel van den +hertog-veldmaarschalk van Luxembourg, de grootste heer van de streek. +Het lag vlak onder het stadje, halverhoogte den heuvel die omhoog voerde +naar het woud, omlaag naar den vruchtbaren vallei van Montmorency. + +Achter in den tuin van het huis, aan het eind van een laan, was een open +koepel, van waar men 't mooiste uitzicht had: die maakte Rousseau tot +zijn werkkamer. Ondanks slechte gezondheid en barre kou zat hij daar +elken dag eenige uren te denken en te schrijven in dien winter van +1758-59. Na al de ellende der laatste maanden was een nieuwe golf van +vruchtbaarheid over hem gekomen, hij was druk aan het werk. Ofschoon +zijn onderwerp schijnbaar niets uitstaande had met zijne persoonlijke +ervaringen van den laatsten tijd, wist hij het--dit is het geheim van +den dichter--met den stroom van zijn eigen gemoedsleven, die in die +dagen vreemd gespleten, half-verbitterd, half-verteederd, vloot, te +doordringen. + +Het was een verhandeling over het tooneel, die hij uitgaf onder den +titel "Lettre a d'Alembert sur les spectacles." De aanleiding tot het +werkje vormde een bladzijde uit het artikel "Geneve" in de Encyclopedie, +waarin het gemis aan schouwburgen in die overigens zoo beschaafde en +ontwikkelde gemeenschap betreurd en de regeering opgewekt werd ze toe te +laten. Voor den schrijver van die bladzijde--het artikel zelf was van +d'Alembert--hield men algemeen Voltaire. Verzot op het tooneel, zelf +regisseur en akteur in zijn eigen stukken, had hij het plan opgevat van +bij het landhuis, dat hij in Les Delices, een voorstad van Geneve, +bewoonde, een liefhebberij-schouwburg in te richten, maar de gestrenge +heeren van den kerkeraad wilden daarvan niet weten; zij deden al hun +best zulk een "onzedelijke onderneming" tegen te houden. Echter, ook in +Geneve was het tij aan 't verloopen en kort na de verschijning van +Rousseau's geschrift kon Voltaire triomfantelijk aan zijn vrienden +melden: "heel Geneve bezoekt onzen schouwburg, de stad van Kalvijn wordt +een stad van genoegens en van verdraagzaamheid." + +De "Brief aan d'Alembert" is uit twee verschillende gedachte-draden +geweven: een van polemiek tegen het fransche tooneel (zoowel het +klassieke treur- en blijspel als het burgerlijk drama dat in die dagen +begon op te komen) in wezen de oude kritiek der beschaving op een nieuw +onderwerp toegepast;--een van idyllisch-gekleurde beschrijving van de +eenvoudige onbedorven zeden en den roerenden gemeenschapszin eener +klein-boersche en klein-burgerlijke demokratie. In de kritisch-satirische +gedeelten luchtte Rousseau opnieuw zijn verontwaardiging over het leven +der heerschende klassen van zijn tijd, in de idyllische stelde hij daar +tegenover niet zoowel de werkelijkheid der zwitsersche samenleving als +zijn geidealiseerde jeugd-herinneringen. Het verlangen naar een sfeer van +rust, van doorzichtige levensverhoudingen, simpele geneugten en eenvoudige +landelijkheid--dat verlangen was, door al wat hij beleefd had, sterker, +maar ook smachtender in hem geworden dan ooit te voren. Sedert hij zich +zelf te kort gedaan en onrechtvaardig behandeld achtte door menschen aan +wie hij zijn vertrouwen gegeven had, werd de oude bitterheid in hem +verzacht door een teedere droefheid. Zoo vermengde zijn hart, waarin de +onstuimige gemoedsbewegingen die het geschokt hadden nog natrilden, zijn +eigen pijn met de gedachten die het nadenken over zijn onderwerp in hem +gewekt had. Daarom was waarheid wat hij later in de "Confessions" +getuigde, dat hij in dit werk onbewust zijn eigen toestand schilderde, +zich zelven, Grimm, Mme d'Epinay, Mme d'Houdetot, St. Lambert, afbeeldde, +al loopt het schijnbaar over geheel andere dingen en wordt geen hunner er +in genoemd; zijn werk werd een harmonische vermenging van algemeene +inzichten en persoonlijke ontroering en dit maakte het vol bekoren en +wonderlijk suggestief. Er was een warme teederheid in, die de menschen in +'t hart greep; een zoo heel andere geest als in haast alle geschriften van +dien tijd. Vandaar 't verbazend succes dat 't boekje had toen 't uitkwam, +een voorlooper van de koorts van enthousiasme, die de "Nouvelle Heloise" +wekken zou. + +De "Brief aan d'Alembert" beteekende de openlijke breuk van Rousseau met +de materialistische philosophen. "Ik neem niet aan," schreef hij, "dat +men deugdzaam kan zijn zonder godsdienst." En ook al had hij dit niet +geschreven, dan nog zou hij in 't vervolg hun partij tegenover zich +gevonden hebben, want hij waagde 't immers, op te treden tegen Voltaire, +diens wil te dwarsboomen. Hij heesch de vaan der rebellie tegen den +leider, en dat kon niet worden getolereerd. + +Tot aan dit tijdstip waren de relaties tusschen Rousseau en Voltaire--uit +de verte altijd--kollegiaal-korrekt geweest. Zij hadden bij verschillende +gelegenheden minzame, geestige, een beetje zuur-zoete brieven gewisseld, +en de hartgrondige antipathie, die zij, bewust of onbewust, voor elkaars +wezen moesten gevoelen, onder hoffelijke waardeering van elkanders gaven +en werken bedekt. Rousseau, de onevenwichtigste der beide, had het eerst +zijn geprikkeldheid getoond. Naar aanleiding van Voltaire's bekend +gedicht over de aardbeving te Lissabon, las hij den vorst der letteren +in een partikulier schrijven de les over het armoedig pessimisme van +diens gelegenheidsvers, waartegen hij met nogal onuitstaanbaar +zelf-behagen het zegevierend optimisme stelde dat in hem, ondanks +zorgen, lichamelijk lijden enz., altijd de bovenhand hield. De brief was +zwaar op de hand en schoolmeesterig, gelijk Rousseau na zijn bekeering +tot de deugd wel meer kon zijn, en men begrijpt dat hij Voltaire niet +weinig ergerde. Dit echter speelde zich nog binnenkamers af (de bewuste +brief werd pas jaren later, buiten medeweten van Rousseau openbaar +gemaakt). In 1759 had Voltaire Rousseau dan ook nog niet losgelaten; +daarvoor was hij voor de encyclopedisten te veel waard. Maar nu, nu die +snoodaard 't waagde hem, Voltaire, die even ijdel, even prikkelbaar, en +even wantrouwend was als Rousseau,--ofschoon op heel andere wijze--en +daarbij was wat Rousseau niet was en nooit werd: een verschrikkelijke +paus, die geen tegenspraak duldde, in zijn tooneelplannen te +dwarsboomen, nu was 't gedaan met ontzien en hoffelijke waardeering, nu +moest "die schelm, die zot, die fanaticus, die bastaard van Diogenes en +van den hond van Diogenes" behoorlijk afgestraft worden. Niet dat +Voltaire zijn handen vuil maakte met tegen Rousseau te schrijven: daar +had hij zijne menschen voor. Hij hoefde maar een wenk te geven en 't +gebeurde. Zelf vergenoegde hij er zich voorloopig mee, hem in +particuliere brieven, die hij wist dat onder de bondgenooten de rondte +deden, met beleedigende schimpscheuten af te maken: zoo gaf hij zijn +ergernis lucht. + +Rousseau gedroeg zich, gelijk doorgaans in polemieken, zoo ook tegenover +de verwoede vijandigheid waarmede Voltaire hem van nu af aan vervolgde, +in 't algemeen zachtzinnig en waardig. Het was met hem nog als in de +dagen zijner kindsheid: hij reageerde in den regel op onaangename +bejegeningen meer door verdriet en een wanhopig gevoel van machtelooze +verontwaardiging, dan door uitingen van haat. Wel had hij, sedert den +tijd dat de gemoedsziekte waarover al iets gezegd is, zich bij hem begon +te openbaren, meer dan vroeger redelooze uitbarstingen van drift. +Hierdoor laadde hij, in de twisten waaraan zijn verder leven zoo rijk +was, vaak den schijn op zich van ongelijk te hebben, ook waar hij +feitelijk gelijk had. Zoo liet hij zich ook ten opzichte van Voltaire +eenmaal door een toornige opwelling meesleepen, toen hij, schrijvend om +hem zijne verontschuldigingen aan te bieden over het feit dat zijn brief +van '56 over het optimisme buiten zijn medeweten gepubliceerd was +geworden, aldus eindigde: "Ik bemin u niet, mijnheer, ge hebt mij elk +kwaad aangedaan dat mij, uw geestdriftige discipel, het pijnlijkst kon +zijn om te verdragen. Gij hebt Geneve als belooning dat ge er een +toevlucht in vondt, verdorven; ge hebt mijn medeburgers, als loon van +den lof dien ik u in hun midden bracht, van mij vervreemd; gij zijt het +die mij het verblijf in mijn land onmogelijk maakt; gij zult mij doen +sterven in den vreemde, ver van elke vertroosting der stervenden en +zonder eer in een hoek geworpen, terwijl iedere eer die aan een mensch +bewezen kan worden, u zal vergezellen in mijn land," ... "Ik haat u, in +een woord, omdat ge het gewild hebt, maar ik haat u als een mensch, die +waardig geweest is u lief te hebben, zoo ge het hadt gewild. Van alle +gevoelens waarmede mijn hart voor u vervuld was, blijft slechts de +bewondering over die men aan uw genie niet kan weigeren en de liefde +voor uwe werken.... Vaarwel, mijnheer." Dit gebeurde in 1760. + +Voltaire begreep niets van dezen onbeheerschten brief, maar werd er +buiten zich zelven door van woede gebracht, zooals zijn uitingen in dien +tijd bewijzen: "die driedubbele gek ... een infaam schrijven ... +verachtelijke manoeuvres ... de schrijver der "Nouvelle Heloise," die +kwaaddoende bengel ... (de "Nouvelle Heloise" noemde hij "een vervelende +en onbehoorlijke roman, een monsterlijke rhapsodie;" de "Emile" vond +hij: "laf en plat"). Het is begrijpelijk dat hij, die elegante klaarheid +boven alles stelde,--hij vergeleek zichzelf eens bij een beekje, helder +maar ondiep,--het hartdiepe zwaarmoedige genie, de doorploegde en +dikwijls oratorisch-gezwollen stijl van Rousseau niet kon waardeeren. +Rousseau daarentegen bleef levenslang getrouw aan zijn waardeering voor +de letterkundige gaven van Voltaire. Toen de grijze patriarch aan den +vooravond van zijn dood in het Theatre Francais met den lauwerkrans +gehuldigd werd, en een vleierig heertje daarover tegen Rousseau spotte, +denkend hem zoo te behagen, zette Rousseau den spotter onmiddellijk op +zijn plaats met de woorden: "wie veroorlooft zich, er aanmerking op te +maken dat aan Voltaire eer bewezen wordt in den tempel waarvan hij de +god is en door de priesters, die er sedert vijftig jaar van zijn +meesterwerken leven? Wie zou den lauwerkrans verdienen, zoo hij niet?" + +Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van +Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige +waardeering, in de omstandigheid dat de vergoodde grijsaard toch altoos +het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan +ik, in hem en zijn werk leeft iets diepers en teederder, dat mij vreemd +is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wel zijn roem en invloed +benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke +meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht +en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft naar ik meen, ook de +verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht. + +In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau in bedekte termen zijn breuk +met Diderot kenbaar gemaakt. Door een zeer hatelijk bijbelsch citaat +wijdde hij 't publiek in de oorzaken van dien breuk in. Rousseau +beschuldigde Diderot--en waarschijnlijk terecht, want deze eeuwige +prater kon over niets zijn mond houden--van met anderen gekletst te +hebben over zijn verhouding met Mme d'Houdetot en beschouwde dat als een +verraad aan de vriendschap. Diderot deed later in den tijd dat Rousseau +in Motiers woonde, door middel van derden nog een poging tot verzoening. +Maar Rousseau weigerde beslist. Zijn antwoord luidde: "de rechten ook +eener uitgedoofde vriendschap weet ik te eeren, maar nimmer tracht ik +haar weer aan te blazen." + +Zij hebben elkaar nooit meer gezien. + +St. Lambert op zijn beurt was zoo verontwaardigd over Rousseau's +handelwijze tegen Diderot, dat hij hem onmiddellijk de vriendschap opzei +en het exemplaar, dat Rousseau hem van zijn nieuwe werk gezonden had, +terug stuurde. + + * * * * * + +In den "Brief aan d'Alembert" had Rousseau zich bevrijd van veel wat hem +hinderde en beklemde; zijn stemming werd rustiger, een gevoel van vrede +kwam over hem, van verademing, gelijk hij in jaren niet gekend had. Hij +leidde in Mont Louis een rustig, gelijkmatig leven van werkverzonkenheid; +de "Nouvelle Heloise" kwam klaar in '59 en zoo weinig brak aan het einde +daarvan zijn geestelijke gespannenheid, dat hij zich onmiddellijk verdiepte +in het schrijven van het groote werk over opvoeding, dat sedert haast +twintig jaren in hem was gerijpt. + +Het was niet de innerlijke stem alleen, die hem, den van nature +indolente, tot de sterke en voortdurende inspanning van deze jaren +aandreef. Hij droeg in zich het bewustzijn van een roeping te hebben, +een taak tegenover de menschheid: hij wilde haar den weg wijzen naar +geluk en vrede. Hij moest die taak vervullen, hij moest aan de +innerlijke stem gehoorzamen, hij kon niet rusten eer hij over de groote +punten, die naar hij dacht het menschelijk leven beheerschen: de +verhouding van den mensch tot god, de inrichting van den staat, de +verhouding der geslachten en de opvoeding, zijn overtuiging had +uitgesproken. Maar daarna wilde hij rusten, wilde het leven leiden, dat +hij wist te passen bij zijn aanleg, een veilig-omsloten leven in een +nauwe, vredige sfeer. Hij voelde zich niet gelukkig en niet thuis in de +sfeer waarin hij geraakt was; hij had genoeg en meer dan genoeg van het +verkeeren in de kringen der letterkundigen; hij was zich bewust de +eigenschappen te missen: takt, zekerheid, gemakkelijke vormen, +gevatheid, die tot den wereldschen omgang onmisbaar zijn. Hij wist zich +in dien omgang de zwakste te wezen, en de ervaring had hem geleerd dat +de zwakste bij elke verbintenis aan 't kortste eind pleegt te trekken. +Hij wist ook, dat hij nooit innerlijke rust zou vinden, zoolang hij +bleef verkeeren met menschen uit die sfeer; zij brachten zijn hart +altijd aan 't wankelen en wekten in hem duizend aandoeningen; hij kon +niet boven die aandoeningen uitstijgen: kracht en zwakheid lagen daartoe +in zijn gemoed te dicht bijeen; 't beste: de groote liefde tot de +menschen, de begeerte, begrepen en bemind te worden en de drang zich te +geven was in zijn hart zoo onontwarbaar vervlochten met ijdelheid, dorst +naar lof en hulde, beduchtheid voor afkeuring;--dat hart was zoo +kwetsbaar, kromp zoo gauw pijnlijk ineen, dat rust en vrede voor hem +alleen mogelijk waren in de alleenheid, of bij eenvoudige zielen die +hem niet konden grieven. Hij wist dit; hij wilde niet meer schrijven +--behalve zijn gedenkschriften, maar die zouden eerst na zijn dood +verschijnen--zich los maken van de kultuur, en ergens, ver weg, met +Therese in een holletje kruipen, in donker verdwijnen. Dit verlangen was +het, dat hem mede aandreef zoo hard te werken. Want de rust kon eerst +beginnen, wanneer de werken die hij onder handen had, voleindigd waren. +En zoo sterk was zijn hunkeren naar rust, dat hij besloot uit het +oorspronkelijke schema van het groote werk over de politieke +instellingen een klein onderdeel te lichten, dit alleen af te maken en +het overige te doen vervallen. + +Het plan tot het schrijven van een sensitivistische moraal had hij al +vroeger opgegeven. Met al 't andere, behalve de muziek-dictionnaire, +die telde niet mee, kon hij in een paar jaar klaar zijn: dan zou hij +zijn leven inrichten naar eigen inzicht en eigen wensch. + +Arme man! Hij kende zich zelf zoo goed en toch zoo weinig--gelijk de +meesten van ons. Hij vergat zijn gespletenheid; ja, het was zoo: in hem +was de neiging tot alleen zijn, tot een vredig-teruggetrokken bestaan, +--maar ook de neiging zich te geven, tot de menschen te gaan met een +open hart en open handen, de behoefte aan vertrouwelijken omgang en +aan bemind worden--die vooral. De hang tot de menschen was zijn eerste, +oorspronkelijke aanleg, zijn diepste wezen dat altijd bleef, dat wel +overwoekerd, maar, nooit uitgeroeid werd door zijn tweede ikheid, het +wrochtsel van maatschappelijke invloeden en pijnlijke ervaringen, het +ziekelijke wantrouwen, het niet minder ziekelijk zich nog slechts +verdiepen in zich zelven. + +Het verdriet om de breuk met de oude vrienden bleef in hem schrijnen. +Aan een goeden kennis in Geneve, die zijn vrouw verloren had, schreef +hij bij wijze van troost in die dagen: "men heeft niet alles verloren +zoolang men nog weent, het treuren om het oude geluk is nog een +overblijfsel daarvan. Gelukkig hij, die wat hem lief is geweest nog in +zijn hart draagt. O, geloof mij; ge kent niet de wreedste wijze het te +verliezen: namelijk het te moeten beweenen terwijl het nog leeft." Aan +dienzelfden kennis antwoordde hij, een aanbod van finantieele hulp +afwijzend: "ik heb slechts honger naar een vriend." Ja, hij had weer +honger naar affektie, naar zachtheid, hij had behoefte zijn hart +verbonden te voelen aan andere harten; het sap der menschelijke mildheid +steeg weer in hem, hij moest weer ranken maken. + +En er waren in zijn buurt velen die stonden te wachten met uitgestrekte +handen om de zijnen te grijpen, hem vriendelijkheden te bewijzen en hem +van dienst te zijn; aristokraten uit de hoogste kringen, vrouwen der +groote wereld, menschen van een soort waarmee hij nog weinig in +aanraking was geweest. Wat dreef hen? Enkel nieuwsgierigheid, verveling? +De mode van den tijd, die eischte dat "men" een of ander letterkundig +of wetenschappelijk licht aan zijn huis wist te verbinden, zooals de +Romeinen der decadence er geleerde slaven op nahielden? Of werkte op hen +zijn magische aantrekkingskracht, de warme rijkheid van zijn wezen, zijn +betooverende charme? Of wel, kwam het een bij het andere? + +Onder de aristokratische kennissen, die Rousseau te Mont Louis maakte, +zijn er eenige van beteekenis voor zijn verder leven geworden. Ten +eerste Mme de Verdelin--alweer een jonge vrouw met een minnaar, die +Jean Jacques absoluut tot vriend wilde hebben. Zij had veel voor hem +over, droeg met onuitsprekelijk geduld zijn grilligheden en slecht- +gehumeurdheden, verdedigde hem in 't openbaar in de jaren dat haast +elkeen tegen hem was. Dan de prins van Conti, een onafhankelijk en +intelligent man, aanhanger van de nieuwe philosophie, die niet aan het +hof kwam, en diens maitresse, de gravin van Boufflers; beide bleven hem +altijd trouw. Verder Lamoignon de Malesherbes, direkteur der koninklijke +boekdrukkerij en hoofd der censuur, een rechtschapen, hulpvaardig en +beminnelijk mensch, die zijn moeilijke post tot algemeene voldoening der +letterkundigen vervulde, maar meegaande en al te zeer geneigd was om +alles glad te strijken. + +In dienzelfden tijd, kort na de verschijning der "Nouvelle Heloise," +begon voor Rousseau een min of meer romantische vriendschap met een +vrouw die hij niet kende, een zijner vurigste bewonderaarsters. Zij +schreef hem, om hem haar sympathie en vereering te betuigen, onder den +naam van Claire d'Orbe, voorgevend in het leven den rol te spelen van +een zijner heldinnen. Het duurde lang eer zij ondanks zijn aandringen, +het geheim van haar naam ontsluierde: Mme de la Tour Franqueville heette +zij. Jaren lang schreef zij onvermoeid aan Rousseau, die vaak, +geprikkeld door haar voortdurend aandringen op geregelde correspondentie +van zijn kant, ongeduldig en humeurig of in 't geheel niet antwoordde. +Op den duur maakte haar trouw toch indruk op hem en stemde hem zachter; +uit enkele zijner briefjes aan de "lieve Marianne" spreekt echte +hartelijkheid. Zij zagen elkaar tusschen 1765-72 hoogstens twee of drie +maal. Ofschoon Mme de la Tour in den tijd dat Rousseau 't hevigst werd +aangevallen (na zijn twist met Hume) hem onwankelbaar trouw bleef en +zelfs een brochure in 't licht gaf ter zijner verdediging, eindigde zijn +steeds verergerende waan toch met haar onder zijn vijanden of althans +onder de "verdachten" te rekenen. In '72 maakte hij een einde aan elken +omgang tusschen hen. + +Grooter rol dan een dezer hebben in het leven van Rousseau de hertog en +hertogin van Luxembourg gespeeld, die hij in dienzelfden tijd leerde +kennen. + +Van af dat de schrijver der "Discours" in hun buurt was komen wonen, +waren zij uiterst voorkomend tegen hem geweest. Wanneer zij 's zomers op +het kasteel van Montmorency verblijf hielden, hadden zij al een paar +keer een lakei gestuurd om hem uit te noodigen zoo dikwijls te komen +soupeeren, als hij lust gevoelde. + +Hij had beleefd geantwoord, was nooit gegaan. Maar op een goeden dag in +den tweeden zomer van zijn verblijf in Mont Louis verscheen de +maarschalk-hertog van Luxembourg in eigen persoon met gevolg in zijn +bouwvallig huisje om hem te bezoeken en nu was er geen ontkomen meer +aan; de beleefdheid gebood, dat hij den hertog een kontra-bezoek bracht +en aan de hertogin zijn opwachting maakte. En al gauw was hij met +allebei heel intiem en las aan de hertogin, als zij 's morgens nog in +bed lag, de "Nouvelle Heloise" voor die zij verrukkelijk vond. + +De hertog en de hertogin van Luxembourg waren, toen Rousseau ze leerde +kennen, al bejaarde menschen, grootvader en grootmoeder. De hertog, een +vriend van Lodewijk de XVde, was een door en door goede kerel, zonder +eenige arglistigheid, met niet al te veel verstand, vriendelijk en +eenvoudig in zijn manieren, een mensch van 't soort, waar Rousseau van +hield: hij was direkt met hem op zijn gemak en zij bleven trouwe +vrienden tot aan den dood van den hertog in '64. Met de hertogin werd +hij nooit zoo eigen, ofschoon zij de vriendelijkheid zelve tegen hem +was. Hij voelde altijd tusschen hen, als iets wat hem afschrok, haar +reputatie en haar verleden. Zij was een van de beroemde schoonheden van +'t hof geweest, en ook een van de meest verdorven vrouwen van haar tijd, +berucht om haar onuitstaanbaar humeur en haar scherpe, kwetsende +geestigheid. Nu, als oude vrouw, heerschte zij nog in den kring dien zij +om zich heen had verzameld, gelijk zij vroeger heerschte aan 't hof; zij +had de gave behouden den indruk te maken dien zij wilde en Rousseau +leerde haar kennen als een lieve oude dame, vol fijnheden in haar +konversatie, en bijna aandoenlijk in haar angst hem te grieven en in +haar vreugde over elk bewijs van hartelijkheid of erkentelijkheid van +zijn kant. + +In een opzicht, en dat was voor hem van veel gewicht, vond hij zijn +nieuwe aristokratische vrienden heel anders, veel gemakkelijker om mee +om te gaan, dan de vroegere vrienden uit de plutokratische kringen: zij +lieten hem meer vrij, drongen hem geen gunsten op, trachtten hem niet +voortdurend in den maalstroom van hun eigen mondaine leven te trekken, +hun volmaakte levenskunst maakte dat hij met hen als gelijke kon +verkeeren, zich bij hen vrijer en rustiger gevoelen dan hij in de +kringen der finantiers ooit had gedaan. Ook toonde hun verfijnde +hoffelijkheid zich in kleine attenties, die zij aan Therese bewezen. +Toch hielden zij zich in den regel aan de afspraak tusschen hen, om hem +niet met geschenken lastig te vallen. + +In het park van het kasteel, op de glooiing van den heuvel, tusschen de +groote vijver en het bassin der oranjerie, lag een allerliefst +pavilloen, door een dubbele zuilerij doorbroken; van ver scheen het een +eilandje in een der italiaansche meren, zooals het daar lag, midden in +het water en van bloeiende heesters omgeven; de lucht rondom was geurig +van oranjebloesems en schalde van vogelenzang. Daar in die verrukkelijke +omgeving wilden zijne nieuwe vrienden zoo graag dat hij verblijf zou +houden, of althans wonen gedurende den tijd dat zijn bouwvallig huisje +netjes in orde werd gemaakt. Hun hartelijk aandringen, en zijn eigen +verlangen naar dat paradijs van bloemen en vogels, kon hij niet +weerstaan: nog geen anderhalf jaar na die vreeselijke Decembermaand, +toen hij als een hond ziek en ellendig uit de Hermitage was gejaagd, +trok hij weer onder het dak van een groot heer. 't Zou de laatste maal +niet zijn, maar wel was 't, helaas voor hem, de laatste maal dat een +dergelijk experiment goed afliep. + +Toen de verbouwing te Mont Louis klaar was, keerde hij weer naar zijn +huisje terug, maar de sleutels van het pavilloen hield hij, op verlangen +van zijn gastheer en gastvrouw, en dikwijls ging hij met Therese een +paar dagen in dien lusthof doorbrengen; hij was vrij te gaan en te komen +zooals hij verkoos. Ook bezocht hij den hertog en zijn vrouw op hun +herhaald aandringen af en toe in Parijs, al kwam hij daar ongaarne. Zoo +waren dit in 't algemeen goede, rustige jaren voor hem. + + * * * * * + +De "Nouvelle Heloise" werd lang voor de verschijning reeds veel +besproken en met groot ongeduld verwacht. Rousseau had voor enkele +zijner vriendinnen, o.a. voor Mme de Luxembourg en Mme d'Houdetot +afschriften gemaakt; hij vond dit een prettig werk; de Julie was zijn +liefste geesteskind, de heerlijke gelukswarmte, die hij gevoeld had toen +hij 't maakte, trilde onder 't overschrijven nog in hem na; hij vond er +een kinderlijk genoegen in mooi papier en kleurige inkt te gebruiken en +de vellen met hemelsblauwe lintjes aan elkaar te binden. Door die +afschriften hadden natuurlijk verschillende menschen 't boek leeren +kennen en er met anderen over gesproken: men zag er reikhalzend naar +uit. Eindelijk verscheen het werk, in 't voorjaar van '61: het succes +was verbijsterend, misschien ongeevenaard in de geschiedenis der +letterkunde. Dames van de groote wereld lieten 't rijtuig, waarmee zij +naar het bal zouden gaan, uitspannen om heel de nacht door te kunnen +lezen; men huurde het boek de eerste dagen voor twaalf stuivers per uur: +de boekverkoopers konden bij lange na niet voldoen aan alle bestellingen. +Het was iets anders en iets meer dan een bloot literair succes:--de +letterkundigen trouwens waren verdeeld: hun kritische zin merkte +onmiddellijk vele zwakheden en langdradigheden in het werk op--het was +een koorts van enthousiasme en verrukking, die de menschen aangreep. Want +in dit boek was een knellende ban doorbroken, de ban van het akelige, +verstijfde, gladde, leege, louter-vormelijke, louter-cerebrale leven van +het ondergaand regiem. De diepten van het hart, de afgronden der +persoonlijkheid sprongen open. De "Nouvelle Heloise" beduidde de bevrijding +der persoonlijkheid, in de eerste plaats van de persoonlijkheid der vrouw, +van ondragelijke gekunsteldheid. Niet maar een aangenaam of schitterend +auteur, neen, hun bevrijder, de bevrijder van het vrouwelijk-menschelijke +in hen was het, die de duizende vrouwen uit alle kringen, welke met de +"Nouvelle Heloise" dweepten, in Rousseau liefhadden, vereerden, aanbaden. + +Dit reusachtig succes van zijn werk bij de vrouwen was voor hem zelven +geen geluk; hun geexalteerde bewondering sloeg, zooals dikwijls bij het +zwakke geslacht, over tot de toomlooze dweperij die den man welke zij +bewierookt half zinneloos maakt van ijdelheid, als hij geen steen is of +geen heilige. + +Intusschen was ook de "Emile" voltooid geworden, dat andere kind van +veel kommervolle nachten, droeve gepeinzen en diepe overdenkingen. Hij +had 't even lief als de "Nouvelle Heloise," maar met een andere liefde, +niet zoo teeder, maar trotscher. Hij wist dat 't zijn rijpste en beste +werk was, hij wist hierin met vaster hand dan in een zijner vorige +geschriften voor de menschheid nieuwe wegen te openen naar het heil. +En dan, dit werk, zoo liefdevol ontworpen, zoo zorgvuldig uitgevoerd, +in al zijn deelen gedragen door een rijk-wellenden stroom van gevoelens +en gedachten, droeg voor hem nog een ander, haast heilig karakter: +het was de boete, voor hem de eenig mogelijke, van de onvergefelijke +lichtzinnigheid zijner jeugd, van de onbegrijpelijke stompheid des +harten, waarmee hij zijn eigen vleesch en bloed verstooten had. Wroeging +had dat hart sedert lang saamgenepen, wroeging om het onherstelbare; +diep in hem smartte het bewustzijn, dat hij, die voor zijn tijdgenooten +het voorbeeld van den deugdzamen burger en den braven mensch wilde zijn, +zijn eerste menschelijke en burgerplicht op gruwelijke wijze had +verzaakt. Dat dit bewustzijn altijd verdrongen moest worden, verergerde +zijn gespletenheid, het gaf hem een groot gevoel van onrust, het +verdroot en kwelde hem.... Hij had vijanden ... die booze, booze plek +in zijn leven maakte hem o zoo kwetsbaar. En velen wisten van zijn +geheim.... + +Gelijk vroeger aan Mme d'Epinay, en aan Grimm en Diderot, had hij nu aan +Mme de Luxembourg alles gebiecht over zijne verhouding tot Therese en +hoe hij zijn kinderen te vondeling had gelegd. Zijn verhaal had haar +medelijden opgewekt, zoo zelfs dat zij nasporingen liet doen in de hoop +althans een der wichtjes, in wiens kleertjes een chiffre genaaid was +geworden, terug te vinden. Toen alle moeite vergeefs bleek, voelde hij +een vreemde mengeling van teleurstelling en verlichting ... de laatste +toch het meest. Hoe zou hij gestaan hebben tegenover dit kind; hem +vreemd en toch zijn eigen? Hij wist: in zooverre het onherstelbare +hersteld kon worden, had hij hersteld; in zooverre zijn schuld viel uit +te wisschen, had hij haar uitgewischt door den "Emile." + +Nu was ook dit werk voltooid: hij ademde vrijer, de groote rust in de +eenzaamheid, het vredig zorgvergeten leven, scheen dichtbij. Mme de +Luxembourg, die beweerde dat hij zich door zijn uitgevers liet +plunderen, had hem gevraagd haar de zorg voor den "Emile" toe te +vertrouwen. Het "Contrat Social," zoo noemde hij de hoofdstukken die hij +gelicht had uit zijn groot werk over de politieke instellingen, zou bij +zijn gewonen uitgever Rey in Amsterdam verschijnen. De "Lettre a +d'Alembert" en de "Nouvelle Heloise" hadden hem een bescheiden sommetje +opgebracht; als nu ook zijn twee laatste werken verschenen waren hoopte +hij te beschikken over een kapitaaltje van 8.000 a 10.000 francs: +daarvoor wou hij voor Therese en zich een lijfrente koopen. Rey, die +schatten verdiende aan de "Nouvelle Heloise," verzocht hem om +toestemming een jaarlijksche rente van frs. 300 op Therese vast te +zetten; hij nam met warmte aan: dit zou voortaan haar kleedgeld zijn. +Hij bleef den uitgever voor deze betrekkelijke kleinigheid altijd +dankbaar, zooals hij ook Mme de Epinay altijd dankbaar was gebleven voor +een flanellen rokje van haar zelve, dat zij hem eens gezonden had om een +warm vest van te laten maken. Alleen zoodra het ondragelijke gevoel van +verplichting en afhankelijkheid in het spel kwam, voelde hij dankbaarheid +knellend en rukte zich los. + +Hij had, alvorens aan Mme de Luxembourg zijn toestemming te geven tot +het bezorgen der uitgave van den "Emile," van haar de belofte geeischt +en gekregen, dat het werk evenals zijn vorige geschriften in Amsterdam +gedrukt zou worden. Dit was de eenige manier zeker te zijn geen +onaangenaamheden te krijgen met de censuur; en ook wilde hij absoluut +vermijden in conflikt te komen met de wetten van het land waarin hij +woonde. Dit bracht zijn echt klein-burgerlijk respect voor de wet mee, +ook al was zij, gelijk in dit geval, de willekeur zelve. Hij verlangde +er volstrekt niet naar, uit het land gezet of op eenigerlei wijze voor +zijn ideeen vervolgd te worden, hij dorstte niet naar den +martelaarskroon. Wel liet hij al zijn geschriften onder zijn eigen naam +verschijnen, wat haast niemand van de encyclopedisten deed: het leek hem +onmannelijk anders te handelen. Zijn heele gedragslijn in die dingen was +typisch, kenschetsend voor zijn aard en sociaal-psychologisch wezen: +behoedzaam, bijna bangelijk--voorzichtig tegenover het gezag, en toch +fier en waardig, juist als een kleinburger doet. En daarbij was die +gedragslijn heel verstandig, want zoo kon hij geheel vrij schrijven, +had niet te maken met de censuur en haalde zich niet de minste +onaangenaamheden op den hals. + +Maar Mme de Luxembourg en de Malesherbes dachten het beter te weten dan +hij. Zonder twijfel met de bedoeling om zijn zaken nu eens extra goed +waar te nemen, stuurden zij zijn levensboot rechtaan op de klip, +waartegen zij te pletter moest slaan. + +Het kontrakt, dat hij had geteekend, was op het bureau van de +Malesherbes opgemaakt, zooals Rousseau aan 't handschrift gezien had; +dus, dacht hij, kon hij volkomen gerust wezen. Het boek zou in Holland +gedrukt worden, en quasi bij een hollandschen uitgever verschijnen, maar +inderdaad was het manuscript gekocht door een Parijsche firma. Wel +merkte hij al gauw met zetten dat er vreemde dingen gaande waren: de +copie scheen gelijktijdig in Holland en Frankrijk gezet te worden; hij +begreep er niets van: er stonden dingen in, die hij dacht dat de censuur +niet konden passeeren. Telkens en telkens weer drong hij er op aan dat +het boek in geen geval ongecensureerd, klandestien, mocht verschijnen; +hij wilde zich strikt houden binnen de perken der wet. Men stelde hem +gerust: alles zou gebeuren naar zijn wenschen. Toen, plotseling, kreeg +hij geen proeven meer; hij schreef aan den hollandschen uitgever: geen +antwoord; aan den parijschen: geen antwoord. Hij was weer ellendig ziek +dien winter, en daardoor bijzonder zwartgallig en chagrijnig; hij haalde +zich de dolste dingen in het hoofd: dat de Jezuieten de hand hadden +gelegd op zijn werk, dat zij wilden wachten met 't uit te geven tot hij +dood was (hij dacht telkens spoedig te zullen sterven) en zij 't dan ten +hunnen voordeele zouden vervalschen enz. Hij schreef aan al zijn +vrienden over dit jezuietisch komplot en bezwoer twee zijner vurigste +discipelen in Geneve zijn werk en zijn eer te redden uit de klauwen +zijner belagers, wanneer hij gestorven zou zijn. Hij tobde zoo en raakte +zoo in de war, dat de Malesherbes zelf naar Montmorency kwam om hem +gerust te stellen. En werkelijk: na een poos kreeg hij weer geregeld +proef, hij kwam tot zich zelven en had berouw over de wijze waarop hij +zijne vrienden met zijn dwaze angst had lastig gevallen; aan de +Malesherbes schreef hij bij wijze van verklaring een paar lange brieven +met een uitvoerige schets van zijn eigen karakter, verwonderlijk fijn +van zelf-analyse, hij noemde die "de sleutel tot zijn gedrag." + +Eerst veel later vernam hij wat er gebeurd was. Mme de Luxembourg en de +Malesherbes hadden gehoopt, dat de fransche uitgave door de censuur +toegelaten zou worden; toen zij merkten, dat zij zich vergist hadden en +de uitgever in geen geval vergunning zou krijgen, besloten zij het werk +ongecensureerd, dus _tegen_ het wettelijk verbod te doen verschijnen; +een schromelijke onvoorzichtigheid, al wordt zij eenigszins begrijpelijk +door het feit dat de "Nouvelle Heloise," waarin evenals in den "Emile" +de "natuurlijke godsdienst" verheerlijkt werd, in Frankrijk niet +verboden was geworden. In elk geval deden zij juist datgene, wat +Rousseau hun nadrukkelijk verzocht had niet te doen. + +Nog voor de "Emile" verscheen, begonnen er vreemde geruchten op te +duiken. Rousseau kreeg brieven, geteekende en ongeteekende, om hem te +waarschuwen; een raadsheer aan een der provinciale hoven bood hem een +toevlucht aan. Hij zelf bleef volkomen gerust en goedsmoeds: hij voelde +zoo sterk, in "Emile" voor den godsdienst, tegen de materialistische +philosophie geschreven te hebben, en daarenboven verscheen zijn werk +immers met medeweten en onder goedkeuring van 't hoofd der censuur, als +het ware onder de sanktie der wet, dus kon hem niets gebeuren. Zijn +toekomstplannen begonnen vaster vorm aan te nemen; hij dacht erover in +Touraine te gaan wonen; de hertog en de hertogin boden hem met hun +gewone vriendelijkheid een landgoed dat zij daar bezaten tot +verblijfplaats aan, en stelden hem hun rijtuig ter beschikking om 't te +gaan zien; toevallig was hij op den vastgestelden dag onwel en werd 't +plan uitgesteld. + +De "Emile" verscheen temidden van een gespannen stilte; zijn literaire +vrienden en kennissen deden zoo vreemd, alles was heel anders dan bij de +verschijning der "Nouvelle Heloise;" d'Alembert schreef hem om hem geluk +tewenschen, maar onderteekende zijn schrijven niet; Duclos, een der +weinige letterkundigen, waar hij goed mee was gebleven, schreef hem +heelemaal niet, maar wachtte tot hij hem sprak om hem zijn bewondering +te betuigen. De hertogin bewaarde haar gewone zelfbeheersching, maar Mme +de Boufflers deed erg geagiteerd, zij vroeg hem of hij er tegen zou +hebben, zich door middel van een "lettre de cachet," een paar weken in +de Bastille te doen opsluiten, om zoodoende uit de handen van het +parlement van Parijs te blijven. Zij en de prins van Conti deden alles +wat zij konden om den slag af te wenden dien zij zagen aankomen, maar +vergeefs. Van alle zijden drong men nu bij Rousseau aan, dat hij zou +vluchten, maar hij weigerde: hij geloofde nog altijd niet dat een gevaar +hem dreigde. + +In den nacht van den 9den Juni 1762 kwam de kamerdienaar van de hertogin +hem waarschuwen: het hof had zijn arrestatie gelast voor den volgenden +morgen zeven uur. Hij ijlde naar het kasteel. Mme de Luxembourg lag te +bed. Voor de eerste maal zag hij door het masker der grande dame heen +een zenuwachtige oude vrouw: dit ontroerde hem; hij kende zijn eigen +linksheid en verlegenheid, hij vreesde, zoo hij ondervraagd werd, de +dingen niet te kunnen ontkennen, die haar zouden kompromiteeren. Hij zag +in: het was beter dat hij vluchtte. De hertog en Mme de Boufflers, die +juist geheel ontsteld uit Parijs aankwam, wilden er eerst niet van +hooren dat hij onmiddellijk zou gaan: de hertog stelde voor dat hij zich +voorloopig in 't kasteel schuil zou houden, Mme de Boufflers dat hij +naar haar minnaar, den prins van Conti, zou gaan; diens woning in de +Temple had het asylrecht. Maar Rousseau voelde hun aanbiedingen als een +edelmoedig gebaar, dat hem niet verschalkte; hij merkte hun vrees, +gekompromiteerd te worden zoo hij bleef. Hij besloot dien eigen morgen +te vertrekken en voorloopig een wijkplaats te zoeken bij zijn ouden +vriend Roguin, te Yverdun in het kanton Berne in Zwitserland. + +De ochtend ging heen met 't inderhaast uitzoeken van zijn papieren, +tegen vier uur was hij gereed; Mme de Luxembourg en de andere dames van +het kasteel omhelsden hem, Therese snikte en gilde haar onbeheerschte +smart uit. Zwijgend bracht de hertog hem door het park naar het +achterhek waar een rijtuig stond te wachten, zwijgend omhelsden de twee +mannen elkaar, zwijgend reikte Rousseau aan den ouden edelman de sleutel +van 't hek die in zijn bezit was; nooit vergat hij de haastige beweging, +waarmee de hertog naar die sleutel greep. + +Het afscheid van den goeden ouden man, dien hij wist niet terug te +zullen zien, was een van de bitterste oogenblikken van zijn leven. + + * * * * * + +Daar rijdt hij nu langs velden en wegen, in de postsjees die een +geschenk van den hertog is, zijn laatste. Vlak bij Montmorency komt hij +een rijtuig tegen met de deurwaarders die hem moeten arresteeren; zij +groeten hem glimlachend. In Parijs ontmoet hij verschillende kennissen, +die hem eveneens groeten; niemand schijnt verbaasd dat hij, die 's +morgens al gevangen moest zijn, zich openlijk durft vertoonen; men laat +hem kalm trekken: zoo zijn de zeden van den tijd. Met postpaarden jaagt +hij Frankrijk door, naar de oostelijke grenzen, af en toe komt een +plotselinge golf van angst over hem: hij vreest gepakt, gefolterd, +verbrand te zullen worden als Calas. Toch denkt hij er niet over onder +een aangenomen naam te reizen, en 't grootste deel van den weg is in +zijn hoofd de vreemde droomerige leegte die op een ergen slag volgt; hij +soest, hij mijmert over een stukje bijbelsche geschiedenis dat hij den +avond voor zijn vlucht heeft gelezen, hij begint het om te dichten tot +een idylle in den trant van Gessner. + +Het Parlement was waarschijnlijk de vervolging slechts begonnen omdat, +nu het op het punt stond de Jezuieten uit te wijzen, de reaktionaire +partij niet moest kunnen zeggen dat men straffeloos tegen den godsdienst +schrijven mocht, maar het had er niets tegen dat hij ontkwam. Volgens de +wet moest men hem vervolgen, want de idee der eenheid van godsdienst was +vast vervlochten met het geheele systeem van het absolutisme, en elkeen, +die op godsdienstig gebied afwijkende meeningen verkondigde, hetzij als +jansenist, protestant, atheist of vrijdenker, was een rebel. Er is geen +rede, in die vervolging een bijzondere schanddaad der reaktie te zien. + +Maar wat te zeggen van zijn hooge beschermers, van den hertog, de +hertogin, Mme de Boufflers, de Malesherbes zelf, die, kennend zijn +overgroote nerveusheid, de angsttoestanden en waanvoorstellingen waaraan +hij toen reeds leed, hun "lieve vriend" lieten trekken, al de ellende en +zenuwsloopende onzekerheid van het leven in de verbanning op hem +laadden, voor een daad waaraan hij onschuldig was, waaraan zij schuldig +waren? Zijn beschermers waagden, zoo 't tot een proces kwam, meer dan +hij: zij waagden hopeloos gekompromiteerd te worden, hun hooge +betrekkingen, hun positie aan 't hof te verliezen. Wat valt er van hun +houding te zeggen? + +Dit eene--en naar mijn weten heeft geen der nieuwere biografen van +Rousseau het duidelijk en klaar gezegd--dat zij is geweest van een +verregaande lafheid, die men, gelijk de meeste menschelijke daden, uit +de omstandigheden _verklaren_ en in zekere mate _verontschuldigen_ kan, +maar die de waarheid verbiedt te _verbloemen_. + +Zijn omgang met de grooten had hem niet tot zegen gereikt! Wereldsche +menschen hadden hem gevleid, aangehaald en verwend op alle manieren; hem +ijdel, lastig en veeleischend helpen maken; toen zijn veeleischendheid +hen ging vervelen, hadden zij hem hard en wreed behandeld, hem +weggestooten, zooals men het geen vriend mag doen. Hij was toch maar een +stuk speelgoed geweest voor hun ledige uren. Toen waren andere menschen +gekomen, en op hun beurt zijn hart binnengedrongen; zoo fijn en zoo +bekoorlijk waren hun zeden, zoo overmachtig van allesverwinnende +hoffelijkheid, dat hij niet kon weerstaan; hij had nog eens vertrouwd, +zich nog eens gegeven, al te zeer misschien; hij erkende het zelf, hij +kon geen maat houden in de vriendschap. Weer was hij aangehaald en +gevleid en geadoreerd geworden. En toen de slag kwam, geheel buiten zijn +schuld, hun werk, het gevolg hunner goed gemeende, maar roekelooze +bemoeiingen, verschrikten zij en deinsden terug en lieten hem los, +inplaats van hem bij te staan zooals hun plicht was, lieten hem +wegdrijven in de woelige zee: het leven in de verbanning, zij die hem +zoo goed kenden, die wisten hoe zeer hij was ontwricht, hoe +rust-behoeftig. Zich zelven voor hem te wagen, dat kwam niet bij hen op. + +Arme Rousseau! Zijn kunstenaarsbegeerte had gelijk gehad met voor alles +onafhankelijk te willen leven; en zijn kleinburgerlijk instinkt gelijk, +van zich tegen iedere verbinding te kanten met wie sociaal zijn +meerderen waren. + +Maar het leven was machtiger geweest dan zijn instinkten en begeerten. +Het is zoo onvergelijkelijk veel machtiger dan onze wil. + + +III. DE WERKEN DER GROOTE JAREN. + +De vijf jaren die Rousseau in de Hermitage en in Montmorency doorbracht, +jaren van sterke innerlijke bewogenheid, van verterenden hartstocht, +grievende teleurstelling en beginnende gemoedsontwrichting, zijn tevens +voor hem de jaren van grootste levens-volheid en innerlijke harmonie +geweest. Daarvoor kende hij zichzelven niet, niet zijn eigen diepten; +vermocht hij niet, de beide zijden van zijn wezen, de Minnaar en de +Apostel, te doen uitstroomen vereenigd tot een stroom van schoonheid en +kracht. Daarna verwrong zijn wezen zich onder den invloed van verguizing +en vergoding; vervolgingen verstoorden zijn evenwicht; de spiegel van +zijn bewustzijn kaatste het beeld eener al wanstaltiger wereld, te +midden waarvan mateloos-uitgerekt, monsterachtig van afmetingen, de +voorstelling troonde van het eigen ik. + +In die vijf jaar tusschen 1757-1762 ontstonden de vier werken--de +wortels van twee hunner reikten diep in den tijd terug--die te zamen het +beeld vormen van zijn wereldbeschouwing en zijn wezen op het hoogtepunt +zijner kracht. Het zijn: de "Lettre a d'Alembert," de "Nouvelle +Heloise," het "Contrat Social" en de "Emile." Zijn vroegere geschriften, +met name de beide "Discours," zijn nog slechts aanloopen tot deze +werken. Daarin tast hij nog, zoekt hij zijn weg, overdrijft zijn eigen +gedachten; mist hij de harmonie en de zekerheid van den meester nog. +Wat de werken na Montmorency geschreven aangaat, men kan die in twee +rubrieken verdeelen. Tot de eerste behooren de "Lettre a Monseigneur de +Beaumont," de "Lettres de la Montagne" en de "Gouvernement de Pologne." +Het zijn in hoofdzaak polemische variaties op de werken der groote +jaren. Zij bevatten uitweidingen, herhalingen, omwerkingen, +versterkingen van bepaalde punten der daarin uitgesproken wereld- en +levensbeschouwing, maar weinig nieuwe gedachten. De geschriften der +tweede rubriek, de "Confessions" en de "Reveries" zijn, zuiver als +woordkunst beschouwd, dat wil zeggen, wanneer men de nauwkeurigheid, +de levendigheid en de bekoring waarmee een schrijver zijn indrukken, +waarnemingen, gemoedsbewegingen en gewaarwordingen afbeeldt en de mate +waarin het hem gelukt, zijn eigen gevoelens bij anderen wakker te +roepen, tot eenig criterium neemt, zonder twijfel de meesterwerken van +Rousseau. Maar een meer wijsgeerig-aesthetische beoordeeling stelt de +"Confessions" en de "Reveries" boven de "Nouvelle Heloise" en den +"Emile," omdat de beide laatsten niet slechts de innerlijke en +uiterlijke ervaring van den schrijver in beeld brengen, maar hij hierin +de gestalten zijner verbeelding tot dragers maakt van een kosmisch en +sociaal ideaal. En dit is het hoogste, waartoe de poezie reiken kan. + +In de vier werken der groote jaren heeft hij de hoofdpunten eener +levens- en wereldbeschouwing: de verhouding van den mensch tot de +natuur, (god, het universum), en de verhoudingen der menschen onderling +(staat, eigendom, liefde en huwelijk, opvoeding, moraal, klasse- +verhoudingen) uitgebeeld. In de "Nouvelle Heloise" en de "Lettre a +d'Alembert" vindt men voornamelijk zijn idealen van liefde, huwelijk, +gezins-leven, en klasse-verhoudingen verbeeld, in den "Emile" die van +godsdienst en opvoeding, in de "Contrat Social" zijn staatkundig ideaal. +Maar in elk er werken komen feitelijk de verschillende problemen van het +menschelijk leven ter sprake. Zij zijn de kinderen van een geest, zij +worden gedragen door denzelfden rijken stroom van voelen willen en +denken; wij kunnen ze beschouwen als brokstukken van een groot levenswerk. + +Maar al worden zij gedragen door eenzelfden adem, die adem vermocht +niet, om ze allen op te tillen tot dezelfde hoogte: tot het gebied van +den Schoonen Droom. Rousseau heeft niet volbracht, wat de zeer groote +onder de dichtersdenkers volbrengen: zijn wereldbeschouwing vast te +leggen in een klare, afgeronde verbeelding. Daartoe schoot zijn kracht +te kort. Zijn fantazie, hoe warm en weelderig ook, was voor die taak +niet ruim genoeg, te klein van vlucht, te zwak van stroom. Die stroom +bruischte 't sterkst, bewogen door den wind van erotische aandoening. De +geslachtsliefde werkte het machtigst op zijn verbeelding; ook de liefde +tot de natuur of het al, het gevoel van eenheid met 't universum, werd +somtijds in hem tot de vervoering waaruit de inspiratie opstijgt. De +sociale liefde, de drang tot de Menschheid, was ook wel sterk in hem, +maar toch minder sterk dan die andere gevoelens. Vandaar dat zijn +conceptie van de ideale liefdesverhoudingen der geslachten ("Nouvelle +Heloise") tot kunstwerk, tot verbeelding is geworden; terwijl zijn +conceptie van den idealen staat ("Contrat Social") verstandelijk betoog +is gebleven. En vandaar ook dat in den "Emile," die een algemeene +theorie der opvoeding is in een beeld saamgevat, het betoogende wordt +tot schoone verbeelding in de gedeelten die de verhouding van den mensch +tot het universum (God) en het eerste zoete neigen van jongeling en +jong-meisje tot elkaar behandelen.[34] + +De intensiteit van zijn gevoel en het vermogen dit af te beelden zoo, +dat anderen zooals hij worden bewogen, maakt Rousseau tot een groot +dichter, maar hij is als dichter inkompleet omdat de beeldende kracht +bij hem niet gelijkmatig was ontwikkeld. Verwant aan de allergrootsten +is hij, behalve door de spanning van het gevoel en den gloed der +fantazie, ook door het vermogen tot algemeen en abstrakt denken. Wel +kostte, naar eigen getuigenis, het denken hem geweldige inspanning, +de weelderige ranken der droomerij drongen altijd weer tusschen het +lijnenstel der logische gedachten: op den stroom der droomende +verbeelding gleed zijn wezen zacht en gemakkelijk,--daar lag zijn +vaderland, daar voelde hij zich thuis; het denken was verworven gebied, +met vlijt en moeienis ontgonnen. Maar misschien juist door deze moeizame +worsteling, had zich zijn denken ontwikkeld tot zelfstandigheid en zich +eigen paden gebaand. Hij bezat de gave der dialektiek, hij verstond het, +om uit de moeder-gedachte een heel kroost op te roepen van zonen en +dochteren, van wezen gelijk aan haar en toch van haar verschillend, +zoodat de lezer die de waarheid der stamgedachte had erkend, verbaasd en +aarzelend stond voor de konsekwenties waartoe die erkenning hem voerde, +maar daaraan niet meer te ontkomen vermocht. Zijn denken was van de +zeldzame soort die zoowel kritisch ontledend als synthetisch-konstruktief +is. Het werd bevrucht door zijn gevoel, doorgloeid van den gloed zijner +haat en zijner liefde; in het doordrongen-zijn der redeneering met +hartstochtelijke bewogenheid lag zijn vermogen anderen mee te sleepen. + +Het wezen van Rousseau als dichter-denker, groot als beide, maar de gave +missend, om zijn wereld- en levensconceptie neer te leggen in een groote +verbeelding, komt aan het licht in den aard zijner werken, die moeilijk +onder een bepaale kunstvorm te rangschikken zijn. Zij vormen een +vermenging van lyriek, roman, en betoog of wijsgeerige verhandeling. Hoe +vrijer en onbestemder de vorm, des te meer kon hij alle krachten van +zijn wezen: gevoel, verbeelding, gedachte, doen samenwerken; beeld en +betoog, lyrische verheffing en logische redeneering afwisselen. De vorm +van den roman-in-brieven, die hij in de "Nouvelle Heloise" toepaste, +was niet zijn eigen vinding: hij ontleende haar aan den engelschen +romanschrijver Richardson, voor wien in de kringen der encyclopedisten +een uitbundige bewondering werd gekoesterd. Geen wonder: Richardson +was de verwezenlijker van hun literair ideaal: getrouwe en volledige +afbeelding van het burgerlijk leven. Rousseau nam deze vorm van +Richardson over, omdat de roman in brieven zich uitmuntend leende tot +het behandelen van ernstige vraagstukken in een omlijsting van fiktie. +Wat de engelsche schrijvers wilden bereiken, nl. moreele aandoeningen +opwekken bij hun lezers, dat wilde ook hij: en deze gelijkheid van doel +voerde ook tot gelijkheid in den vorm. De roman tot aan dien tijd door +de fransche modeschrijvers gehanteerd als een instrument om te vermaken +en te verstrooien,--hetzij door verhalen van lage en platte avonturen +gelijk Lesage deed, of van prikkelend-romantische a la Prevost, of +prikkelend-zinnelijke a la Crebillon, werd in de handen der groote +burgerlijke schrijvers Richardson en Rousseau, een middel tot +bewustmaking en verheffing der opkomende burgerij. Beide stelden in hun +romantische werken in een omlijsting van fiktie aan de burgerij den +inhoud van haar eigen leven en bewustzijn, haar maatschappelijke +inzichten en zedelijke idealen voor oogen en maakten haar op deze wijze +de tegenstelling tusschen haar eigen denken en voelen en dat der +feudaal-absolutistische klassen scherper-bewust.[35] + +In den "Emile" schiep Rousseau zijn eigen vorm: een telkens in-elkaar- +overgaan van verbeelding en wijsgeerige beschouwing; het is in alle +opzichten het meest origineele zijner werken. + +In de "Lettre a d'Alembert," dat de schakel vormt tusschen de "Nouvelle +Heloise" en den "Emile," wordt het betoog, de kritisch-satirische +beschouwing over het fransche tooneel nu en dan onderbroken door de +idyllisch-getinte beschrijving van het openbare en het huiselijke leven +der boeren en kleinburgers in de zwitsersche demokratie. Er gaat een +adem van lyrische verrukking door deze gedeelten; de geidealiseerde +herinnering stijgt soms tot een schoone, gevoels-doorklonkene +verbeelding van de openbare verhoudingen eener ideale menschheid. + +Niets van beeld of lyriek in het "Contrat Social." In de hier behandelde +groep werken van Rousseau staat het afzonderlijk door zijn strengen +vorm, zijn logischen bouw, zijn lakonischen stijl. Opzettelijk heeft +Rousseau elke versterking van het betoog door gevoel of verbeelding +vermeden, met ijzeren hand dringt hij de smeltende teerheid terug, +bedwingt den hartstocht. Geen pathos, geen verrukking; geen +hartstochtelijke apostrophen. Men voelt den gloed wel, maar de vlam +brandt achter een muur. Hij wil niet meesleepen, hij wil overtuigen. +Vaak verloopt het mathematisch betoog voor ons, die het met andere +ooren en oogen en harten lezen dan de 18e-eeuwsche burgers, in grauwe +eentoonigheid, de lang-uitgesponnen voorbeelden ontleend aan de oudheid +laten ons koud. Maar somtijds treft ons een der korte, hamerende zinnen; +een uitspraak, een formule, door haar kernachtige beknoptheid, beklijvend +in het brein. Wij voelen de bedwongen siddering van verontwaardiging +over het onrecht dat aan de massa's geschiedt, van weerzin tegen de +dienstbaarheid. De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen +sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich +tusschen hen. Heil u, dapper hart, tyrannen-hater en democraat, steun +eener toekomst die zwelt en stijgt, bewustmaker en opvoeder der groote +revolutionairen van 1793, wegbereider der revolutie! + +Men heeft gezegd dat Rousseau den stijl van zijn onderwerp had, dat +beteekent voor een kunstenaar, dien van zijn gevoel, en zoo is het. De +beide zijden van zijn wezen: gespierde kracht, ruige stoerheid, en teere +smeltende weekheid, klinken door zijn werk. De rijkheid van zijn +innerlijk leven en het bewustzijn dat hij bezat van de nuanceeringen +zijner aandoening, stroomt uit in de rijkheid van zijn taal. Zijn +voorgangers, de fransche klassieken, hadden beschikt over het weidsche +gebaar en den magistralen woordenval, maar hun taal dat is hun gevoel +doet ons aan als abstrakt en onpersoonlijk, voornaam maar koud, zuiver +maar arm. Zij bleven aan de oppervlakte van het zieleleven. De +geschriften der tijdgenooten van Rousseau muntten uit door lichtheid, +gratie, doorschijnendheid, maar zij allen hebben, met uitzondering van +Buffon, iets droogs, vervlakts, magers. En ook zij bleven aan de +oppervlakte. Rousseau doorploegde de velden der taal veel dieper dan een +hunner, omdat hij de velden van het hart dieper doorploegde. Hij gaf een +vollen rijken klank aan woorden die mat en laf, dof en schraal hadden +geklonken; hij gaf hun een nieuw hart, doordrong hen met nieuwe energie +en levenswarmte; hij wekte half-vergeten woorden uit den slaap der +eeuwen, woorden waarover men zich had geschaamd en die men had +verwaarloosd, zooals men zich voor de dingen had geschaamd en ze had +verwaarloosd die zij verklankten: de verteedering, de vervoering, alle +zoete en sterke bewegingen van het gemoed. + +Met Rousseau begint een nieuwe stem in de literatuur, gelijk met +Beethoven in de muziek: de stem der rijke, diepe, peillooze, +in-zich-zelven-verscheurde en naar innerlijke harmonie dorstende +moderne persoonlijkheid, het produkt eener maatschappij die het individu +isoleert, het zich doet verheffen in eenzamen trots tegenover de +samenleving, of ineenkrimpen in eenzame smart, machteloos den ban der +vereenzaming te doorbreken die het groote levensleed is van den +burgerlijken kunstenaar en tevens de groote streeling van zijn +hoogmoedig hart. + +Die stem der Eenzame Persoonlijkheid, zoo trotsch-verlaten, zoo +liefde-begeerig, zoo diep-gespleten, zoo smarten-rijk, klinkt bij +Rousseau het krachtigst en meest intensief in de werken van zijn +ouderdom, de "Confessions" en de "Reveries." Naast de eenvoudige rijke +levendigheid der "Confessions" en de onbeschrijfelijke harmonie, de +betooverende gratie, de door zachte melancholie omsluierde fijne +doorzichtigheid der "Reveries" staan de werken der groote jaren als +minder volkomene, maar grootschere, artistieke scheppingen. + +Zoo zij ongelijker en onzuiverder zijn, zoo hun gevoel somtijds weee +sentimentaliteit en hun pathos theatrale gezwollenheid is--er staat +tegenover dat zij uitingen zijn van een ander en wijder leven, dan dat +der persoonlijkheid alleen. Door hen vaart een machtige adem die in deze +parels van woordkunst: de "Confessions" en de "Reveries," ontbreekt. + +Vanwaar, naast de wijde vlucht en de groote spankracht, de tekortkomingen +en de onzuiverheden in de werken der groote jaren? Vanwaar hun gebreken, +vreemd aan de werken van Rousseau, welke uitsluitend zijn persoonlijk +leven afbeelden? Vanwaar de overdrijving in de uitdrukking van het gevoel, +de gezwollenheid, bij een dichter die het gevoel zoo zuiver wist te uiten? +En vanwaar ook de hooge toon van deze werken, de heerlijke gloed die ze +doordringt, de edele verheffing? Vanwaar? + +Het antwoord moet luiden: het een als het andere kwam uit de maatschappij. +Rousseau had als alle dichters den stijl van zijn onderwerp, dat is van +zijn gevoel, zijn persoonlijkheid. Maar, als alle revolutionnaire dichters, +had hij ook den stijl der opkomende maatschappelijke krachten, die der +klassen wier belangen en behoeften zijn gevoel doordrongen. Het levensgevoel +der opkomende burgerlijke klassen weerkaatste zich in zijn gevoel. + +De historische taak van deze klassen was: tezamen met de andere +volksklassen (arbeiders en boeren) alle politieke, maatschappelijke en +juridische belemmeringen op te ruimen, die de vrije ontplooiing der +kapitalistische produktiewijze en de vestiging der burgerlijke orde in +den weg stonden. + +Onheroisch zou die orde zijn, maar om haar ter wereld te brengen was de +ontwikkeling van heroische krachten noodig, waren noodig zelfopoffering +en doods-verachting, terrorisme, bloedige burgeroorlog en strijd +tusschen de volkeren. De inhoud der grootsche worsteling die zich in de +dagen van Rousseau voorbereidde was burgerlijk-beperkt. Zij moest dit +wezen, want haar inzet was de vestiging van een wereld-orde, die enkel +een einde zou maken aan de politieke onvrijheid der massa's om de banden +hunner ekonomische dienstbaarheid knellender aan te halen dan ooit te +voren. Om hun hartstochten op te beuren tot de hoogte der historische +tragedie, waarin zij den heldenrol vervulden en ze op dat peil te +houden; om zichzelven te misleiden over den beperkt-burgerlijken inhoud +der reuzenworsteling, dien zij voerden, om dien inhoud te zien omhuld +door het waas van het algemeen-menschelijke, en de hun in waarheid +gestelde taak te zien, schitterend in fantastische overdrijving,--daartoe +moesten de revolutionnaire strijders in zich een wereld van stemmingen, +voorstellingen, ideale gevoels- en gedachte-vormen oproepen. De stof tot +deze ideale wereld vonden zij voornamelijk in de historische legenden der +klassieke oudheid. Daaruit steeg tot hen de stoicijnsche gezindheid, het +patriotisch en republikeinsch pathos, de doodsverachting en het heroisme, +die zij bewonderden en in zich opnamen, de gevoelswijzen waarmee zij zich +vereenigden om in hun eigen voorstelling te schijnen wat de werkelijkheid +hun ontzegde te zijn.[36] + +Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij leefden uitgingen boven +den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de +vorm, heroischer was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in +de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar +somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het +theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet +anders is dan de keerzij der geforceerd-heroische spanning van het +gevoel. + +Dit noodlot der revolutionnairen van 1789-'92, was ook het noodlot van +Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als b.v. bij +Byron en Schiller,[37] gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de +burgerlijke vrijheids-idealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie +tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij +vervallen soms in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weee +laffe sentimentaliteit. Hun gevoel was oprecht, evenals dat der +revolutionnairen, hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher +harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren +innerlijk onwaar en voos. Want de overwinning der burgerlijke klassen +bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij +geloofden, maar meer ellende dan de aarde ooit gekend had; riep niet in +den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht +en heerschzucht en nijd. + +Maar, zal men mij misschien tegenwerpen, Rousseau stierf ruim tien jaar +voor het uitbreken der revolutie; hij schreef de werken waarin zijn +sociale idealen belichaamd zijn vijf en twintig jaar voor de inneming +der Bastille, hij was niet revolutionnair in den zin van aan te sporen +tot strijd en strijd te verheerlijken; hij geloofde zelfs ter nauwernood +aan de mogelijkheid van een grooten omkeer. Dit alles is waar, maar toch +voelde Rousseau hoe er in de maatschappij een groote verandering in +aantocht was[38] en wat meer is, hij voelde, bijna alleen onder zijn +tijdgenooten, hoe niet de schitterende, atheistische, genotzuchtige, +door de korruptie van het ancien regime aangestoken grootbourgeoisie +den stoot tot die verandering kon geven, maar dat enkel de eenvoudige, +onbedorven, zwoegende massa, de gave, levenskrachtige kern der natie, +kleinburgers, arbeiders en boeren, het werk van de vernieuwing der +levens-verhoudingen kon volbrengen. Hij voelde dat zij, om het te +volbrengen, achting voor zichzelven, liefde tot de deugd, zedelijken +moed, ideale gezindheid, gloed van vrijheidsliefde en patriotisme, +bereidwilligheid om te sterven voor hun idealen, noodig hadden. En deze +gevoelens, voorstellingen en gezindheden poogde hij in hen te wekken en +te versterken. + +Wat is hieraan verwonderlijks? De kunstenaar is een uiterst gevoelig +instrument waarop natuur en maatschappij spelen: hij voelt de nieuwe +maatschappelijke krachten opkomen, hij slurpt hun innerlijk wezen, hun +wijze van voelen, hun gedachtevormen, hun moreele voorstellingen in met +alle porien van zijn lichaam. En Rousseau was een uiterst gevoelig +kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. +Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en +de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar ook de +valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel. Ook deze +gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. Deze zijn schuld aan +het theatrale, gezwollene, geforceerde dat zijn werken ontsiert daar +waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld +brengt, nooit, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet. + +Het is dus een dwaling om aan te nemen, gelijk o.a. A. Meynier doet in +zijn onlangs verschenen werk "Jean Jacques Rousseau revolutionaire," dat +Rousseau "de macht heeft bezeten om den geest van het fransche volk te +veranderen" en dat hij "zijn denk- en gevoelsvormen en zijn stijl heeft +opgedrongen aan de revolutie." Zulk een toovenaar was hij niet! +Omgekeerd: doordat Rousseau met fijne kunstenaars-intuitie voorvoelde +welke ideale gedachte-vormen en voorstellingen de opkomende burgerij zou +behoeven om de harten der strijders op te heffen tot de hoogte van hun +taak, omdat hij de uitdrukking vond voor de kracht en de zwakheid van +hun gevoel, de schoonheid en de troebelheid ervan, daarom werden zijn +werken tot het evangelie van den revolutie-tijd. + +En natuurlijk is het onzinnig om, zooals Meynier doet, aan Rousseau de +schuld te geven van de smakelooze gezwollenheid en de hoogdravende taal +waaraan de mannen der revolutie zich schuldig maakten. Zij hadden die +geestelijke draperie, die opdrijving der expressie, niet boven het +gevoel, maar boven de werkelijkheid achter het gevoel, noodig, en had +Rousseau hun die niet verschaft, dan zouden zij haar ontnomen hebben aan +een andere voorstellingswereld, aan het oude Testament b.v., waaruit +Cromwell en de zijnen anderhalve eeuw te voren hun ideologie hadden +geput. + + * * * * * + +Wij willen nu nagaan welk antwoord, hetzij in beeld of betoog, Rousseau +in de werken der groote jaren geeft op de algemeene vraagstukken van het +menschelijk leven: de verhouding van den mensch tot god (de natuur, het +universum), en de verhoudingen der menschen onderling. + +Rousseau geloofde sedert de dagen der Charmettes aan een persoonlijk +God, een persoonlijke kracht die het heelal in stand houdt en in de +menschenziel het bewustzijn van goed en kwaad heeft geplant. Hij verloor +dit geloof nooit, ook niet in de jaren dat hij zeer veel verkeerde met +de materialisten, al schijnt het eerst op het einde van zijn verblijf in +Parijs tot een levende kracht in hem geworden te zijn. Hij heeft later +verklaard dat de denkwijze zijner materialistische vrienden hem altijd +tegen de borst had gestuit, hoe hoog hij hun personen ook stelde. + +Het achtiend'eeuwsche materialisme was de strijd-philosophie der groote +bourgeoisie, het wapen dat zij gebruikte om zich van het geestelijk +gezag der kerk te bevrijden. Naar deze bevrijding streefde Rousseau ook, +maar met andere middelen, volgens het protestansche beginsel namelijk, +dat elk mensch een priester heeft in zijn binnenste en rechtstreeks +staat tegenover God. Hun materialisme en zijn theisme kwamen hierin +overeen, beide uitingen te zijn van het groeiend burgerlijk bewustzijn, +maar zij spiegelden elk een andere zijde daarvan. In het materialisme +der encyclopedisten en hun aanhang weerspiegelde zich het wezen van een +deel der bourgeoisie, wier bewustzijn vervuld was van het gevoel der +toenemende macht van den mensch over de natuur en de toenemende +beheersching der natuurkrachten door de wetenschap en de techniek. Er +sprak uit de trots en het zelfbewustzijn van menschen, die op het punt +stonden met behulp van wetenschap en techniek hun sociale heerschappij +te vestigen. Maar dit deel der bourgeoisie, zagen wij, was door het +zedelijk bederf van het vervallend regiem aan hun materialistische +philosophie zat een materialistische zedeleer vast, die de sociale +neigingen in den mensch ontkende en zelftucht beschouwde als het wezen +van den mensch. + +In het theisme van Rousseau, zijn geloof aan een abstract, schimmig god, +boven de wereld oprijzend in eenzame grootheid, spiegelde zich niet de +verhouding van den burgerlijken mensch tot de natuur, maar tot zijn +eigen maatschappij, zijn gevoel tegenover haar. In deze maatschappij, +die der waren-produktie, hadden de produkten van den menschelijken +arbeid meer en meer macht gekregen over de menschen, de verhoudingen +tusschen de menschen hadden den schijn aangenomen van verhoudingen +tusschen de dingen te zijn, abstrakte verhoudingen.[39] De +warenproduktie had de banden verscheurd, die het deel aan het geheel, +den mensch aan de gemeenschap verbonden. Zij had de menschen als +zelfstandige producenten en als eenzame individuen tegenover elkander +gesteld. Het toenemend abstrakt karakter van de verhoudingen der +menschen tot elkaar en de toenemende eenzaamheid van den mensch +spiegelde zich in de Godsidee van het protestantisme en van de 17de +eeuwsche philosophie. Het protestantisme was, vergeleken bij de +concreet-zinnelijke godsdienstige voorstellingen van het volksdommelijk +middeneeuwsch katholicisme, de godsdienst van den eenzamen abstrakten +God. Het theisme, dat in de engelsche achtiend'eeuwsche philosophie een +groote rol speelde, en door Rousseau gepoetiseerd en gepopulariseerd +werd, was niet anders als de uiterste konsekwentie, vereenvoudiging en +samenvatting van het protestantisme, de theologische uitdrukking van den +voortgang der warenproduktie sedert de dagen der Hervorming. + +Maar sedert die dagen had niet slechts de warenproduktie in het algemeen +groote vorderingen gemaakt, ook de kapitalistische produktiewijze was +zeer toegenomen. Wetenschap en techniek waren vooruitgegaan, de mensch +was sterker geworden tegenover de natuur, hij had meer macht gekregen +over de natuurkrachten, maar deze vooruitgang had zich voltrokken +grootendeels ten koste van de arbeidende klassen. De levensonzekerheid +was erger, de ellende grooter geworden, overal in Europa waren de boeren +of op groote schaal van huis en hof verjaagd geworden, of in zwaardere +afhankelijkheid gebracht door den vereenigden druk van feudalisme en +absolutisme. De toenemende ongebondenheid op ekonomisch gebied, de +grenzelooze hebzucht der meesters die op zedelijk gebied met de +kapitalistische warenproduktie samengaat, verzwaarde het lot der armen. + +In de moderne kapitalistische maatschappij kan deze of gene laag van de +burgerlijke klassen zich wel onder den invloed van bepaalde belangen +(verzet tegen het geestelijk gezag enz.) tijdelijk tegen allen +godsdienst verklaren, maar de groote massa moet altijd weer tot een +of anderen vorm van godsdienst terugkeeren, omdat hij een onmisbaar +bestanddeel der burgerlijke orde is. Op geestelijk gebied is de +abstracte gods-idee de spiegel van werkelijke maatschappelijke +verhoudingen, op moreel gebied is de godsdienst noodig als "de breidel +der rijken en de troost der armen" gelijk Rousseau het zeer juist +uitdrukte. Hij voelde dat het geloof aan god, vrijheid en +onsterfelijkheid, in de burgerlijke maatschappij een onontbeerlijk +fundament was voor de verplichting tot zedelijk, dat wil zeggen sociaal, +handelen. Zooals het achtiend' eeuwsch materialisme tot de ethische +theorie van "zelfzucht het oorspronkelijke in den mensch" leidde, zoo +beriep het theisme zich op God, om steun te geven aan de sociale +gevoelens der menschen en hun zelfzucht te breidelen. De mogelijkheid +van een zuiver-menschelijke, natuurlijke basis voor het zedelijk +handelen zag het theisme niet in; de supra-natuurlijke scheen hun de +eenig-mogelijke; vandaar dat Rousseau de atheisten uit zijn idealen +staat wilde verbannen, niet wegens hun overtuiging, maar omdat menschen +met zulk een overtuiging noodzakelijk on-sociaal moesten handelen: zij +hadden geen toom voor hun zelfzuchtige neigingen, geen hoop op belooning +voor het onderdrukken daarvan. + +Het mechanisch materialisme en het theisme vertegenwoordigen dus twee +polen, twee uiterste richtingen van het burgerlijk denken, beide +wortelend in de maatschappij der kapitalistische warenproduktie. Het is +daarom een dwaling, Rousseau wegens zijn theisme voor te stellen als +"reaktionnair" in vergelijk tot de materialistische philosophen. Het +punt waar het om ging in den strijd der opkomende tegen de vervallende +klassen was niet de philosophisch-religieuze overtuiging, maar de +strijdvaardigheid tegenover het kerkelijk gezag. En op dit punt was +Rousseau, door zijn individualistische uitspraak "elk mensch staat +rechtstreeks tegenover god," niets minder revolutionair dan de +materialisten door de hunne "er bestaat geen god." + +Twee aan elkaar overgestelde stroomingen of neigingen in het wezen van +Rousseau vereenigden zich in zijn godsdienstig gevoel en gaven hieraan +een bijzonder karakter. De eerste was zijn geexalteerd individualisme, +in den loop der jaren vergroeid tot een monsterachtig zelf-gevoel, die +hem zijn ik-heid deed beschouwen als absoluut-eenig. Het specifiek +moderne gevoel van het individu, eenzaam en een wereld op zichzelven, +verwrong zich bij hem tot ziekelijke overdrijving, waanzin. Zijn +Godsidee was de projektie van dit grenzelooze ik in de oneindigheid, +de verheffing van den mensch, de synthese van al zijn krachten, alle +samenwerkende emotie's van zijn eigen wezen, de sublimatie en uiterste +expansie der persoonlijkheid.[40] Zoo komt het dat hij wel vaak op den +grens schijnt van het pantheisme, maar er toch nooit toe overgaat god +te identificeeren met de natuur. Hij hield vast aan een persoonlijke +kracht, een beweger der materie, een wetgever die zijn wil in het +menschenhart geschreven had. + +Maar het geexalteerd individualisme van Rousseau, zijn mateloos +zelfgevoel, kon zich enkel doorzetten in de ideale wereld der droomen. +In de werkelijkheid voelde hij zich naar alle kanten begrensd, arm, +bedrukt, machteloos, juist zooals de volksklassen dat waren wier +stemmingen en aspiraties hij, hoezeer ook gekleurd door zijn persoonlijk +wezen, vertolkte. De groote heeren, de rijke financiers: die hadden geen +God noodig, die konden hem missen, want zij waren machtig en +maatschappelijk op 't punt te triomfeeren, zij schreven hun wil aan +koningen voor, voor hen bestonden geen grenzen meer van goed en kwaad; +zij konden uitgroeien, heerschen, genieten. Maar niet Rousseau en niet +de kleinburgers noch de boeren van het land en de arbeiders der steden. +Hoe beklemd leefden zij tusschen machten, de hunne ver, ver overtreffend! +Waren zij geen speelbal van het lot? Niet machteloos tegen onrecht, niet +onderdrukt? En nog was hun tijd niet gekomen, om op te staan en het juk +af te schudden. Juist zoo voelde Rousseau zich ook: beklemd door over- +machtig onrecht. Hoe dikwijls had hij zich zoo gevoeld sedert de eerste +smartelijke ervaring van Bossey! Altijd had hij het goede gezocht, en +hoeveel leed was zijn deel geweest, hoeveel miskenning en verdriet! Het +heil, de expansie die hem in de werkelijke wereld ontzegd was, verplaatste +hij in de boven-zinnelijke; de gerechtigheid die voor hem uitbleef op +aarde, zou hem in een ander leven alles vergoeden. "Mijn vriend," schreef +hij aan een kennis uit Geneve, "ik geloof aan God, en God zou niet +rechtvaardig zijn zoo mijn ziel niet onsterfelijk ware." "Zoo ik geen +ander bewijs had van de onsterfelijkheid der ziel als de triomf van den +booze en de onderdrukking van den rechtvaardige in deze wereld," spreekt +de "Vicaire Savoyard," "zou dit op zichzelven mij beletten te twijfelen. +Ik zou tegen mij zelf zeggen: alles is niet gedaan voor ons met dit leven, +alles wordt hersteld na den dood." + +Dit gevoel: behoefte aan steun op moreel gebied en aan troost over het +slechte leven, is de grondslag van zijn gods-geloof, dat hij in de +laatste boeken van de "Nouvelle Heloise" en in de belijdenis van den +"Vicaire Savoyard" heeft uitgesproken. Het innerlijk gevoel en het +geweten zijn de beide pijlers van dit geloof. + +De mensch is tweeslachtig, in hem leeft een dubbel beginsel: door het +eene is hij onderworpen aan de kracht der zinnen, door het andere is hij +vrij. In de diepten der ziel is een aangeboren beginsel van +gerechtigheid en deugd, waarnaar wij de daden beoordeelen als goed of +slecht: dit beginsel is het geweten. God heeft dit beginsel in den +mensch neergelegd: het is voor zijn ziel, wat het instinkt is voor het +lichaam; het is "het goddelijk instinkt, de onstoffelijke en hemelsche +stem, de zekere gids van een wezen, beperkt, maar vrij en met rede +begaafd, onfeilbaar rechter van goed en kwaad, dat den mensch aan god +gelijk maakt".... + +"Geen enkel stoffelijk schepsel is begaafd met eigen aktiviteit, behalve +ik. Men kan mij dit bestrijden, maar ik voel dat het zoo is en dit +gevoel is sterker dan de rede die het bestrijdt. Ik heb een lichaam +waarop de andere lichamen inwerken en dat op hen inwerkt, maar mijn wil +is onafhankelijk van mijn zintuigen; ik geef toe of ik weersta, ik word +overwonnen of ik ben overwinnaar, en ik voel zeer goed in mijzelven +wanneer ik doe wat ik heb willen doen, en wanneer ik toegeef aan mijn +hartstochten." + +Dood-eenvoudig, bijna armelijk is, ontdaan van het poetisch bijwerk en +de gevoels-exaltatie, de theologie van Rousseau. Innerlijk gevoel en +geweten zijn de beide vleugels waarop de ziel stijgt tot god, vrijheid +en onsterfelijkheid. Al het andere: dogma's, openbaring, Christus als +middelaar, erfzonde en verzoening, is verdwenen, niets behouden als dit +aller-algemeenste: de boven-natuurlijke sanktie der moreele, dat is der +maatschappelijke verplichtingen. + +Wat is dit geloof in zijn wezen anders, als de, van alle philosophische +spitsvondigheden en diepzinnigheden ontdane, leer van Kant? Gelijk Kant +heft Rousseau 't weten op, om plaats te maken voor 't gelooven; gelijk +Kant laat hij de rede buiten spel, om het geloof te grondvesten in +innerlijk gevoel en geweten. Gelijk Kant geeft hij aan de stem in ons, +die gebiedt plicht te volgen ook tegen neiging in, een bovenzinnelijken +oorsprong. Gelijk Kant is Rousseau overtuigd, dat de mensch niet vermag +de dingen te kennen. "Wij zijn," zegt de "Vicaire Savoyard," "van alle +kanten door ondoordringbare geheimnissen omgeven; wij gelooven ze te +onthullen door middel van het verstand, maar doen het slechts door +middel der verbeelding.... Klein onderdeel van een geheel waarvan de +grenzen ons ontgaan, en dat zijn maker aan onze dwaze krakeelen overlaat, +zijn wij ijdel genoeg om te willen beslissen wat dit geheel op zich zelven +is, en wat wij met betrekking er toe zijn." + +Stemt dit niet volkomen overeen met de uitspraak van Kant, dat alle +tijdelijke en ruimtelijke dingen slechts verschijningen zijn, en wij het +werkelijk bestaan, het _Ding an sich_ niet vermogen te kennen? + +Maar, zoo het geloof aan een abstract en schimmig God bij Rousseau en +bij Kant uit dezelfde sociale wortel ontsprong, het groeide in beide uit +tot een geheel ander ding door de groote verschillen in hun +persoonlijken aanleg. + +Hun beider theisme is de laatste uitlooper van een ontwikkeling, die bij +de Hervorming begon, als de geestelijke weerschijn van de omwenteling +der ekonomische en sociale verhoudingen sedert het einde der Middeleeuwen, +en de laatste phase van den godsdienst voorafgaand aan zijn vernietiging, +vertegenwoordigt. Maar Kant, de man van het abstrakte denken, de +mathematisch-aangelegde, strenge, stipte, fantasielooze natuur, vult het +dorre schema god-vrijheid-onsterfelijkheid met het denkbeeld van de plicht, +dat is het weerstaan der zinnelijke neiging en het weerstand bieden aan de +verlokkingen der zelfzucht. Zoo krijgt zijn leer voor de opkomende burgerij +een groote sociaal-ethische beteekenis. Plicht, dat is het afstanddoen van +eigen voordeel en winst, het weerstaan der verzoeking tot bedrog en listen +wanneer 't geweten spreekt, het achterstellen van het persoonlijk belang +bij het algemeene, het klasse-belang. De philosophie van Kant wordt tot de +levensleer niet in de eerste plaats der lijdende, noch der strijdende, maar +der _arbeidende_ kleine burgerij. + +Rousseau daarentegen legt overeenkomstig zijn zinnelijk-weeke, poetische +natuur, den nadruk niet zoozeer op de strenge eischen van het geweten, +maar op de heerlijkheid Gods, het gesublimeerde ik, en op den zekeren +troost zijner gerechtigheid voor de verdrukten en bedroefden. Hij slaagde +er in, het geloof aan den abstrakten monstergeest, aan de "laffe schim"[41] +der onbestemde godheid, adem van leven en warmte in te blazen, aan het +kale lijnenschema van een godsdienst zonder dogma's, zonder geopenbaarde +waarheden, zonder ritus, zonder eenige vaste vormen, een zachte warmte en +een poetischen glans te verleenen. Zijn leer kreeg vooral _politieke_ en +_literaire_ beteekenis: door het sentimenteele geloof van Robespierre en +de Jacobijnen aan een "Etre supreme," een opperste-abstraktie, samenvattend +al die andere abstrakties van Vrede, Vrijheid, Recht, enz. enz., achter +welke zich, voor hen zelven onbewust, zeer reeele en materieele +klassebelangen verborgen; en door het vage, onbestemde, poetisch-opgesmukte +deisme en spiritualisme van Chateaubriand, Victor Hugo, Lamartine, Alfred +de Musset, George Sand, enz.--Hun aller spiritualisme stamt rechtstreeks +af van de geloofsbelijdenis van den "Vicaire Savoyard." + +Toen de konservatieve professor St. Marc de Girardin, nu ruim zestig jaar +geleden in een serie lezingen over Rousseau ook de "Geloofsbelijdenis van +den Vicaire Savoyard" behandelde, vierde hij de bekeering van Rousseau tot +godsgeloof en ootmoedige gezindheid als het begin der christelijke reaktie +tegen het systematisch ongeloof en eindigde zijn beschouwing met de +volgende woorden: "Mijne heeren, men moet kiezen tusschen den priester en +den politieagent, en wij prijzen het in Rousseau, dat hij den eerste heeft +gekozen." + +De professor vergiste zich: de zaak staat eenigszins anders dan hij +meende. Wat Rousseau deed, wat allen doen, die het geloof aan god en aan +de onsterfelijkheid aanvaarden, omdat zij het achten onmisbaar te zijn +tot het voortbestaan der burgerlijke samenleving, is eenvoudig de +autoriteit van den aardschen politie-agent door die van een hemelschen +versterken. + + * * * * * + +In verschillende zijner kleine geschriften (o.a. het tweede "Discours," +de voorrede van "Narcisse," het artikel voor de Encyclopedie over +politieke economie en het opstel over "het regeerstelsel van Polen") +heeft Rousseau het vraagstuk van den invloed der politieke instellingen +op den menschelijken staat behandeld. + +Behalve de gewone felle kritiek op het bestaande, vindt men in deze +geschriften ook vele interessante voorstellen van politieke +hervormingen, alle in de lijn van het klein-burgerlijk utopisme. +Samenhangend en systematisch heeft Rousseau het algemeene vraagstuk +van de grondslagen van den staat behandeld in het "Contrat Social." +Schijnbaar wijkt dit af van zijn overige werken niet alleen door den +strengen betoogtrant, het vermijden van elke lyrische ontboezeming +en alle beeldspraak, de afwezigheid van zijn gewonen oratorischen +schrijftrant, maar ook door het standpunt ten opzichte van het +maatschappelijk leven. Vooral tusschen het tweede "Discours" en het +"Contrat Social" heeft men een groote tegenstelling meenen op te merken. +In dit "Discours" immers verheft Rousseau den natuurstaat tot den +eenigen van echt geluk, verdoemt hij de beschaving en het +maatschappelijk leven, die den mensch hebben verdorven en doen +ontaarden, beschouwt hij deze als den oorsprong van alle rampen, alle +ondeugden, alle menschelijke ellende. In de "Contrat Social" prijst hij +daarentegen met warmte de voordeelen, die de mensch door de samenleving +en den burgerlijken staat verworven heeft. "Al doet de mensch (in dezen +staat)," luidt het daarin, "afstand van verschillende voordeelen, die +hij in den natuurstaat deelachtig was, hij wint er zoo groote, zijn +vermogens worden zoo geoefend en nemen zoozeer toe, zijn begrippen +verruimen zich zoo zeer ... dat zoo de misbruiken van zijn nieuwe +levens-inrichting hem niet vaak verlaagden tot onder den staat waaruit +hij gestegen is, hij onverpoosd het gelukkig oogenblik moest zegenen, +dat hem van een stompzinnig geborneerd dier, tot een intelligent wezen +maakte." Echter, deze tegenspraak is slechts schijnbaar; zij vervalt +wanneer wij ons voor den geest stellen, wat Rousseau met het tweede +"Discours," en wat met het "Contrat Social" beoogde. In het een zoowel +als het andere ging hij den absolutistisch-feudalen staat zijner dagen +te lijf. In het bewuste "Discours" stelde hij tot dit doel tegenover +de sociale ellende en de moreele ontaarding van zijn tijd den z.n. +"natuurstaat" en verheerlijkte die; in het "Contrat" onderzocht hij de +oorsprongen van den staat in 't algemeen om daaruit de onwettigheid te +demonstreeren van het absolutisme. + +Van tweeerlei uitgangspunt trokken in de 18de eeuw de revolutionaire +denkers, de ideologen der burgerlijke klassen, tegen den absoluten staat +te velde. Het historisch onderzoek, waarvan Montesquieu de voornaamste +vertegenwoordiger was, ging de ontwikkeling der regeerstelsels na en +vergeleek de bestaande regeeringsvormen, om uit deze vergelijking de +voortreffelijkheid van het "gemengde" (d.w.z. engelsche, half-burgerlijke, +boven het absolutistisch regeerstelsel te concludeeren. Het juridisch +onderzoek, door Rousseau gevoerd, nam tot uitgangspunt het bestaan van +een onveranderlijk, onvervreemdbaar menschenrecht, het recht te beschikken +over de eigen persoonlijkheid, en leidde uit het bestaan daarvan de +onrechtmatigheid der heerschende politieke instellingen af. Het eerste +uitgangspunt leidde tot onderzoek der konkreete werkelijkheid en voerde +in de praktijk tot gematigde voorstellen; het stelde zich tevreden met +aan te sturen op een kompromis tusschen de absolutistisch-feudale en de +burgerlijke klassen, gelijk in Engeland tot stand gekomen was. Montesquieu +schreef als realist en hervormer. Het abstrakt-juridische uitgangspunt van +Rousseau voerde tot den revolutionairen eisch der volkssouvereiniteit. +In zuiver-ideologische en idealistische denkvormen lag toen de grootste +aanvalskracht der burgerlijke klassen tegen de feudaal-absolutistische, +terwijl in onze dagen de grootste aanvalskracht van het proletariaat +tegen de bourgeoisie in historische en materialistische denkvormen ligt. +Toen was het geloof in de eeuwige rechten van den mensch revolutionair, +gelijk heden het geloof aan den invloed der produktieverhoudingen op den +inhoud van het bewustzijn dat is. + +Daar waar Rousseau in het "Contrat" de onbegrensde ruimten der abstraktie +verlaat en hij het gebied betreedt der konkreete werkelijkheid, rekening +houdt met de betrekkelijkheid der dingen, daar zwijgt de koene +revolutionaire denker en hoort men de stem van den weifelenden, +voorzichtigen kleinburger. + +De mensch--aldus de gedachtegang van het "Contrat Social,"--is vrij +geboren, vrijheid is een algemeen onvervreemdbaar menschenrecht. "Het +recht van den sterkste" is niets als een leugenachtige uitdrukking. De +noodzakelijkheid kan gebieden om aan de overmacht te gehoorzamen, maar +met recht heeft dit niets te maken. De grondslag van het maatschappelijk +kontrakt kan dus nooit verovering zijn, noch uitbreiding der vaderlijke +macht, noch de inwilliging van allen, om aan een te gehoorzamen. Geen +enkeling en geen volk kan zijn vrijheid vervreemden, hoeveel te minder +de vrijheid zijner nakomelingschap; de politieke en de sociale slavernij +zijn tegen de rede en tegen het menschelijk recht. De Staat moet tot +oorspronkelijken grondslag hebben gehad een overeenkomst tusschen zijne +leden, waardoor elk hunner iets prijs gaf van zijn onafhankelijkheid, in +ruil voor de bescherming hunner personen en bezittingen door de macht +van het geheel. Door zulk een overeenkomst vereenigen alle hunne +krachten onder de opperste leiding van den algemeenen wil. Een moreele +en kollektieve persoonlijkheid wordt geboren, de drager van het sociaal +gezag, die Rousseau de souverein noemt; de leden daarvan hebben als +_burgers_ deel aan het gezag, als _onderdanen_ zijn zij aan de wet +onderworpen. + +Maar kan men de leden der staatkundige gemeenschap nog vrij noemen nadat +zij zich zelven aldus door het maatschappelijk kontrakt hebben gebonden? +Ja, antwoordt Rousseau. Wel kan elk persoonlijk een bijzondere wil +hebben, tegenovergesteld aan den algemeenen wil dien hij als burger +heeft, wel kan zijn persoonlijk belang strijdig zijn met het algemeene; +maar door het maatschappelijk kontrakt is hij beschermd tegen elke +persoonlijke afhankelijkheid, en vrij om alles te doen wat overeenkomt +met de rede en de rechtvaardigheid. Hierin bestaat zijn vrijheid. Wil +hij niet gehoorzamen aan den algemeenen wil, die tot uiting komt in de +wetten, dan moet men hem dwingen te gehoorzamen, dat is hem dwingen om +vrij te zijn. Aan den in de wet vastgelegden volkswil moet men zich +onderwerpen als aan de natuur-noodzakelijkheid zelve. De wet kan niet +tegen het algemeen belang ingaan, immers dan zou het volk tegen zijn +eigen welzijn in handelen en dit is onmogelijk. Het volk is onfeilbaar, +de volkswil kan niet dwalen; hij is altijd gericht op het algemeen +welzijn. Wel kan men het volk bedriegen; daardoor schijnt het somtijds +het slechte te willen, maar deze afwijking herstelt zich zelven weer. + +De soeverein heeft een orgaan noodig om den algemeenen wil uit te voeren +en de wet in bijzondere gevallen toe te passen. Dit orgaan is de +regeering, door Rousseau vorst of magistraat genoemd. De regeerders zijn +dus niet de meesters, maar de dienaren, de zaakgelastigden van het volk. +Het volk stelt ze aan, het verleent hun bepaalde rechten, het is altijd +vrij deze rechten te wijzigen of terug te nemen, immers de vervreemding +van den volkswil is onvereenigbaar met het wezen van het maatschappelijk +lichaam, en rechtstreeks ingaande tegen het doel van het sociale kontrakt. + +De vorm der regeering kan zijn monarchisch, aristokratisch of +demokratisch. Hoe meer geconcentreerd zij is, dat wil zeggen in de +handen van hoe kleiner aantal personen zij berust, des te sterker zal +zij zijn. De monarchie is de sterkste regeering, omdat in de monarchie +alle raderen in een hand samenkomen. Echter, haar doel is niet het heil +des volks maar 't heil des konings, die onophoudelijk streeft naar +vergrooting zijner macht. Men moet niet oordeelen naar de regeering van +een goed en wijs koning, maar zien wat van de taak, om het algemeen +welzijn te dienen, te recht komt onder een boosaardig of stompzinnig +vorst. + +Abstrakt genomen is de demokratie, de regeering door de meerderheid, de +beste. Maar zij eischt om uitvoerbaar te wezen het samentreffen van een +aantal omstandigheden als daar zijn: een klein grondgebied, eenvoudige +zeden, gelijkheid der vermogens, enz. "Bestond er een volk van goden, +het zou zichzelve demokratisch regeeren, maar voor een volk van menschen +is een zoo volmaakte regeeringsvorm niet geschikt." In de praktijk is +dus de aristokratie, de oudste regeeringsvorm, tevens de meest +verkieslijke, althans wanneer zij niet op erfelijke aristokratie berust. +Deze laatste is de allerslechtste van alle regeeringsvormen, gelijk de +aristokratische door keuze de allerbeste is. Zij biedt de meeste +waarborgen van kunde, rechtschapenheid, ervaring, onbaatzuchtigheid enz. +van de regeerders. Want zoo de volkswil niet bedrogen wordt, zal hij in +den regel de waardigste burgers tot de uitoefening der bestuurs-funkties +verkiezen. + +Geen vorm van regeering is, op zich zelve beschouwd, de meest +verkieslijke. Welke de voorkeur verdient hangt af van den aard van den +staat, van zijn grootte, zijn rijkdom, zijn bevolking, de ontwikkeling +der produktiekrachten enz. In 't algemeen is de eenhoofdige regeering +'t meest geschikt voor de groote rijken, de aristokratische voor de +middelmatig-grooten en de demokratie voor de kleinen. Een zeker teeken +van een goede regeering is de geregelde aanwas der bevolking, van een +slechte haar vermindering.[42] + +Elke regeering heeft de neiging haar macht uit te breiden ten koste van +den souverein, dat is van den volkswil. + +Het volk moet daartegen waken en zijn recht handhaven om de regeering +die niet langer beantwoordt aan haar doel: het volksheil te dienen, tot +onderwerping te brengen of af te zetten. In het volk leeft het wetgevend +vennogen, dat het hart is der maatschappij; het moet op geregelde +tijdstippen bijeenkomen in algemeene vergadering om de funkties uit +te oefenen, die voortspruiten uit het wezen van het maatschappelijk +kontrakt. Deze vergaderingen moeten altijd geopend worden door een +stemming over de twee volgende vragen: ten eerste, of het den souverein +behaagt den tegenwoordigen regeeringsvorm te handhaven; ten tweede of +het hem behaagt deze ook verder te laten uitoefenen door degenen die er +thans mee zijn belast. + +Legt het volk zijn funkties in handen van vertegenwoordigers, zoo is het +verloren, het is met zijn vrijheid gedaan: de volkssouvereiniteit kan +noch verdeeld, noch op anderen overgebracht worden. Rousseau beroept +zich op de instellingen van het oude Rome om te bewijzen, hoe ook een +talrijk volk zijn rechten niet aan afgevaardigden behoeft uit handen te +geven, maar in algemeene vergadering beraadslagen en beslissen kan. + +Men ziet hoe het "Contrat Social," in den vorm eener abstrakt-juridische +redeneering, in waarheid een voorbehoudlooze oorlogsverklaring der +demokratie aan het absolutisme is. De definitie die het gaf van den +soeverein en van de wet, de onderscheiding die het maakte tusschen +souverein en regeering, de beschouwing van de regeerders als +zaakgelastigden van het volk,--dit alles waren in de dagen van Rousseau +revolutionaire beginselen, stoutmoedige nieuwigheden die nog slechts +voorkwamen aan de uiterste grenzen van het burgerlijk klassebewustzijn. +Vandaar dat het "Contrat" slechts langzaam doordrong en zijn inhoud pas +door de nieuwe generatie verwerkt, begrepen en toegejuicht werd. Voor +deze generatie werd het tot de revolutionaire bron, waaruit de strijders +van 1789-1793 het grootste deel hunner gevoelens, voorstellingen en +denkbeelden schepten. + +De rol die het "Contrat Social" heeft vervuld als het evangelie der +burgerlijke revolutie, is algemeen bekend. Minder bekend is het +overheerschend _klein_burgerlijk karakter van de staatkundige beginselen +die Rousseau in het "Contrat Social" verkondigt. De ideale staat die hem +bij zijn beschouwingen voor den geest stond was geen willekeurige +abstraktie, maar de zwitsersche demokratie van kleine burgers en kleine +boeren, gezien door het waas der verheerlijkende herinnering en der +teedere pieteit van den ver van het land zijner geboorte toevenden +patriot. De regeeringsvorm en de instellingen die hij de beste acht om +den mensch tot geluk en deugd te voeren, zijn de regeeringsvorm en de +instellingen dezer kleine gemeenschappen, die bestonden uit een +tweederangs-stadje met daaraan grenzend landelijk gebied. In hen was +de arbeidsverdeeling nog weinig ontwikkeld. Ook de meeste stedelingen +bezaten nog land en namen althans op sommige tijden van het jaar aan den +landbouw deel, die met het ambacht het voornaamste bestaansmiddel was; +industrie en handel waren zwak en achterlijk, de klassetegenstellingen +gering. + +Het kleinburgerlijk standpunt van Rousseau verklaart ook de strekking +tot staatsdespotisme, (in tegenstelling tot de liberale leer) van het +"Contrat Social." Wel heeft hij zich nergens uitdrukkelijk uitgelaten +over de grenzen der soevereine macht, niet uitdrukkelijk vastgesteld +welke persoonlijke rechten en vrijheden, ten opzichte b.v. van het +eigendomsrecht, van de vaderlijke macht, enz. de individuen zich bij de +afsluiting van het maatschappelijk kontrakt z.i. in elk geval moesten +voorbehouden. Maar een aantal plaatsen uit verschillende zijner +geschriften bewijzen dat hij zich den idealen staat voorstelde als zeer +sterk ingrijpend in het leven zijner leden. In zijn artikel over de +politieke economie b.v. zegt hij dat de opvoeding door den staat +geregeld behoort te worden; in de "Contrat Social" noemt hij het de +plicht van den staat door wetten de weelde en de neiging tot toenemende +ongelijkheid van bezit te beteugelen; in de "Lettre a d'Alembert" +verklaart hij zich tegen alle indirekte belastingen, en verdedigt hij +de belasting op het inkomen en op voorwerpen van weelde. Zonder twijfel +ging de richting van zijn wil en zijn denken wel degelijk naar een +groote beperking van de persoonlijke vrijheid door den staat,[43] gelijk +de Jacobijnen, die de echte kinderen van zijn geest waren, die in +praktijk hebben gebracht; hij is anti-liberaal, de leus van het +"laissez-faire en laissez-allez" de opvatting dat de staat zich tevreden +behoort te stellen met den rol van nachtwaker, en zich zoo min mogelijk +met het doen en laten der burgers heeft te bemoeien, is volstrekt niet +de zijne. Deze opvatting ontstond pas na de overwinning der bourgeoisie, +uit haar sprak de beduchtheid der industrieele kapitalisten voor iedere +bescherming der agrarische belangen en vooral der levenskracht van het +proletariaat; den onwil tot zelfs de geringste breideling der uitbuiting. +Rousseau, hoe individualistisch hij ook voelde en dacht, had geen bezwaren +tegen verregaande staatsbemoeiing. Tegen de uitbuiting der massaas door de +industrieele bourgeoisie was hij even fel gekant, als tegen hun plundering +door de feudale grondbezitters en den koninklijken fiscus. En de +kleinburgerlijke ambachtsman die hij zich voelde vond het ingrijpen der +overheid in zijn produktie- en levensverhoudingen, zijn arbeidswijze, +zijn woning en kleeding vanzelfsprekend en bemerkte daarin niets van +hinderlijken dwang. + +Zeer sterk komt ook zijn kleinburgerlijk standpunt uit in zijn voorkeur +voor kleine staten. De uitgebreidheid van het landgebied, de talrijkheid +der bevolking van een staat, haar opeenhooping in de hoofdstad, dit +alles beschouwt hij als de voornaamste redenen van het verval der +oorspronkelijke vrijheid. Kleine staten, met een bevolking van ongeveer +10.000 zielen, die rijk noch arm zijn, die niemand noodig heeft en die +hunnerzijds niemand noodig hebben, zijn z.i. de eenige die goede wetten +kunnen krijgen. Ook de afhankelijkheid der staten van elkaar door den +handel lijkt hem een gevaar toe voor hunne vrijheid; slechts staten die +op zich zelf staan, voldoende produceeren tot hun eigen verbruik, zijn +verzekerd van het behoud hunner nationale vrijheid, zooals slechts +onafhankelijk van elkaar produceerende individuen dat zijn van hunne +persoonlijke. + +Het streng vasthouden aan de uitoefening der wetgevende macht door het +volk zelf, zonder tusschenkomst van vertegenwoordigers, als aan den +hoeksteen der vrijheid, is evenzeer een bewijs hoe Rousseau de idee +van den "abstrakten staat" niet uit zijn hoofd haalde maar uit de +werkelijkheid der republiek Geneve, in dat hoofd tot een idealen staat +herschapen. Immers in Geneve bestond nog, hoe ook tot machteloosheid +ontaard, de instelling van de algemeene vergadering der burgers: +de kleinheid der stad en het gering aantal dergenen die het volle +burgerrecht bezaten maakte het vertegenwoordigend stelsel onnoodig. + +Rousseau zag zeer goed in, dat de ekonomische voorwaarden tot +verwezenlijking van zijn staatkundige idealen betrekkelijke gelijkheid +van bezit en geringe ontwikkeling der klasse-tegenstellingen waren. +Nergens komen de konsequenties van zijn kleinburgerlijk bewustzijn beter +uit, dan in zijn standpunt ten opzichte van den eigendom. Men heeft zich +somtijds op een enkele uitlating in het heftigste en meest onbeheerschte +zijner werken beroepen, om hem socialistische neigingen toe te +schrijven, die hem volkomen vreemd waren.[44] Zeker kan men uit deze +uitlating een vijandige gezindheid tegen het privaat-eigendom afleiden, +echter alleen wanneer men haar op zichzelven beschouwt, los van het +verband waarin zij staat en van de algemeene en konsekwente denk- en +wils-richting van den schrijver. Wel haatte Rousseau van ganscher harte +de opstapeling van den rijkdom in enkele handen, maar het socialistisch +inzicht dat de rijkdom door de gemeenschap geschapen, ook aan de +gemeenschap terug behoort te keeren, lag geheel en al buiten zijn +geestelijken horizon. Hij beschouwde integendeel het privaat-eigendom +als het fundament van alle maatschappelijke orde. In zijn artikel over +de politieke economie omschrijft hij het eigendomsrecht als "het +heiligste van alle burgerlijke rechten, in zeker opzicht nog +belangrijker dan de vrijheid." In het "Discours" over den oorsprong der +ongelijkheid, het geschrift waarin de z.n. "socialistische" uitval tegen +het privaateigendom van grond en bodem voorkomt, toont hij op een andere +plaats aan, hoe uit dit eigendom de eerste regels der gerechtigheid zijn +voortgesproten. Deze uitval is niets anders als een zucht over het +verloren Paradijs van het oorspronkelijk communisme, dat naar Rousseau +meende aan het tot stand komen van alle maatschappelijke instellingen +was voorafgegaan. + +Maar zoo hij het eigendom verheerlijkt, het is alleen en uitsluitend het +kleinburgerlijke en klein-boersche, door eigen arbeid verworvene; elk op +uitbuiting berustend eigendom verwierp hij als in de hoogste mate +onzedelijk en ingaande tegen de gerechtigheid. "De arbeid," luidt het in +het "Contrat Social," "de ontginning van den bodem is het eenig teeken +van eigendom, dat verdient gerespekteerd te worden." Dit kleinburgerlijk, +op arbeid berustend eigendom beschouwde Rousseau als de grondslag der +vrijheid en gelijkheid; daarom achtte hij het de taak der wetgeving, de +gelijkheid die altijd dreigt te verdwijnen altijd weer te herstellen, en +de verschillen in bezit tusschen de burgers zoodanig te beperken, dat +geen hunner rijk genoeg was om een ander te koopen, en geen hunner uit +armoede gedwongen om zichzelf te verkoopen. De eenige vorm van eigendom, +die naast het kleinburgerlijke genade vindt in zijn oogen, is het +patriarchale, voornamelijk voor eigen gebruik produceerende grootgrondbezit. + + * * * * * + +De 18de eeuw had de groote, primaire gemoedsbewegingen, hartstochten en +affekties, die de geur en de zoetheid des levens zijn, verbannen naar de +rommelzolder van het hart, als oudmodische dingen, de verfijnde smaak +van een verlicht geslacht onwaardig. Zij had de liefde verlaagd tot +zinnelijk-cerebraal genot, tot een spel, dikwijls vermakelijk en soms +wreedaardig, altijd zonder verwachting en verrukking, zonder teerheid, +zonder illusie, zonder exaltatie, zonder droom. "Voor de mannen +_bezitten_, voor de vrouwen _ontrooven_ ziedaar heel het spel, heel de +eerzucht dezer nieuwe grillige liefde, onstandvastig, veranderlijk, +wispelturig, nooit verzadigd; door de comedie de moeurs verpersoonlijkt +in die rumoerige, onbeschaamde en zegevierende Cupido, sprekend aldus +tot den Amor der oude tijden: "uw minnaars waren niets als goedzakken, +zij konden slechts smachten, weeklagen, hun leed verhalen aan de +omringende echo's. Ik voor mij heb de echo's afgeschaft. Komaan, zeg ik, +ik bemin u, zie wat ge voor mij kunt doen, want tijd is geld, men moet +zich haasten. Mijn onderdanen zeggen niet: "ik sterf;" er is niets +levender dan zij. Smachten, schuwheid, zoete smarten, van dat alles +is geen sprake meer; het hoort tot de flauwe, weee kost der voorbije +tijden. Ik wieg mijn onderdanen niet in slaap, integendeel: ik maak ze +goed wakker, zij zijn zoo kittig, dat ze geen gelegenheid hebben om +teeder te zijn; hun blikken zijn begeerten; in stee van te zuchten, +vallen zij aan; zij zeggen niet "doe mij de gunst," zij nemen ze: en zoo +hoort het."[45] + +Liefde--groote, echte, vurige, hartstochtelijke liefde tusschen den +minnaar en de minnares geldt bij de tijdgenooten voor even belachelijk +als liefde tusschen man en vrouw. Trouw is een malle ouwerwetsche +gewoonte. De fladderende vlinder wordt het symbool der hoogste +levenskunst. De enkele liaisons die blijvend zijn, doopt de wereld met +den spotnaam: "eerbiedwaardige verhoudingen." Suggereert de uitdrukking +niet treffend iets braafs en mufs, iets van een oude tante uit de +provincie? Men ziet de dunne lippen van den cavalier zich krullen tot +een spotachtig lachje, als hij zijn schoone het paar aanwijst dat zich +aan zoo smakelooze ouderwetschheid schuldig maakt. + +Respekt voor de vrouw? Wie voelt er nog iets van? Galanterie, +hoffelijkheid, ja; maar respekt! Het is tot een axioma geworden: "zoo ge +driemaal aan een vrouw vertelt dat zij mooi is, zal zij u de eerste maal +bedanken, de tweede maal gelooven en de derde maal beloonen." De liefde +is al scherts en luchtigheid; elke verhouding waarvan men aan 't begin +'t einde niet ziet aankomen, weegt deze luchthartige menschen te zwaar. +In godsnaam geen ernst, geen jalouzie, geen verdrietelijkheden, geen +verantwoordelijkheid gemengd in den beker van genot. + +De vrouw voegt zich naar de nieuwe zeden; zij onderdrukt haar diepste +instinkten, zij schaamt zich over haar schaamte. Zij leert te spotten +met ingetogenheid en kuischheid, met deugd en trouw; zij onderdrukt haar +begeeren naar een andere liefde, eene van teederheid en adoratie, want +dat is belachelijk en belachelijk-zijn vreest zij meer dan wat ook. Maar +nooit gelukt het haar om een binnenst smachten geheel te overwinnen. +"Gij zijt," zegt Mme Du Deffand tegen de hertogin van Choiseul, "ontbloot +van gevoel en ge lijdt toch, omdat ge het niet kunt missen." + +Maar de vrouw moet zich aanpassen; want de mannen die nog "in gevoel +doen," en er nog "provinciale veroordeelen" op na houden zijn zeldzaam. +Zij leert, als surrogaat van de verloren kuischheid, een "zekere +elegantie in de schaamteloosheid, een gemakkelijke gratie in haar +val."[46] En de mode-philosophie geeft aan de zeden van den dag een +theoretische grondslag; het materialisme verheerlijkt het +enkel-zinnelijk genot als de eenige vorm van liefde die overeenkomt met +de menschelijke natuur; Buffon verkondigt als wetenschappelijk axioma: +"het eenige goede in de liefde is het lichamelijke." + +Te midden van die geile vervlakte wereld, zoo gracielijk van vormen, zoo +leeg en koud en vaak wreed van hart, viel de "Nouvelle Heloise." Het +boek scheen de levensvrucht van een andere planeet, een stem uit andere +sfeeren. Hij, Rousseau, was niet bang belachelijk te worden gevonden. +Hij had niet gepoogd zich aan te passen aan den smaak van den tijd, +lichte, scabreuse, perverse of romaneske avonturen te verhalen in +zwierigen stijl. En ook niet had hij gepoogd een boek te schrijven uit +een stuk, harmonisch van compositie, gemakkelijk overzienbaar in de +schoone verhouding der deelen tot 't geheel. Wat had hij al niet +omvergehaald in die opbruischende behoefte van zijn wezen om alle +levensverhoudingen aan te raken, alle levensproblemen te onderzoeken! +De philosophie, de literaire- en de theater-kritiek, de moraal, de +staatkunde en de staathuishoudkunde, de landbouw en het huishouden, de +paedagogie en de godsdienst, alles kreeg een beurt. Maar tusschen al dit +gebetoog en geredeneer door verhief zich, nu teeder-fluisterend, dan +hartstochtelijk-roepend, de groote trillende stem der liefde. In 't +hart van dit verwonderlijk-rijke, verwikkelde, langwijlige, overladene +en toch onweerstaanbaar-aantrekkelijke boek stond, wat de wereld niet +meer kende en niet meer geloofde te bestaan: het minnend paar, de +Minnaar en de Geliefde. Zij hielden elkaar omvat in teeder verlangen, +verzonken in elkaar, elkanders wereld, verleden en toekomst, uit +elkander drinkend alle kracht en zwakheid, alle geluk en smart. In hen +verhief zich de liefde als een noodlottige elementaire macht, scheppend +haar eigen wetten, scheurend met haar sterke handen het web van +wereldsche konventie en zede stuk. De sociale omheiningen die de +menschen scheiden bestaan niet voor haar, zij ontknoopt de banden +van aangeboren schuchterheid bij den jongeling, van natuurlijke +ingetogenheid bij het meisje, zij brengt tot zwijgen de stemmen van +kinds-liefde en kinderlijk ontzag. Er bestaat niets meer voor de +geliefden dan de liefde: zij hebben den tooverdrank gedronken, zij +kunnen niet weerstaan. + +Ja, in hen is wel innerlijke strijd, weifeling voor het zoete genot van +elkander, wroeging daarna. Julie berouwt het bedriegen van haar zachte +moeder en haar strengen vader; St. Preux voelt zich schuldig om de +onrust en de angsten die hij over de geliefde heeft gebracht. Maar al +berouwen zij, zij kunnen niet betreuren. Diep onder hun spijt, dat zij +ter sluiks hebben gehandeld, hebben bedrogen, leeft een sterke juichende +blijheid, dat zij den heiligen natuurdrang hebben gevolgd. Want de +liefde is heilig; zij wekt in lijf en ziel heilige krachten, zij voedt +de gloeden van die zuivere, opwaarts-strevende vlam: liefde tot de +deugd. Was het zwak dat zij de liefde niet weerstonden? Ja voor de +menschen; neen voor de natuur. Deze zwakheid verlaagt hen niet, maakt +hen niet onwaardig het diepste en warmste medegevoel. Zij gaven elkander +wat elk mensch toebehoort: zich zelven; zij beschikten over hun eigen +persoonlijkheid. + +Wat heeft deze liefde gemeen met dat wat de tijd zoo noemt, de luchtige +vluchtige zinnelijke neiging? Niets als de naam. In hen wordt de passie +gelouterd en veredeld door de teerheid der harten, de sympathie der +gedachten, de exaltatie der verbeelding, de sterke drang naar idealen +van goedheid en reinheid waarop zij zich omhoog voelen zweven. + +"Ik weet niet of ik mij vergis," schrijft Julie aan haar minnaar, "maar +het komt mij voor, dat de echte liefde de meest kuische van alle banden +is. Haar heilige gloed puurt onze natuurlijke neigingen, door ze op een +voorwerp te concentreeren, zij wendt de verzoeking van ons af, door te +maken dat behalve dit eenige voorwerp, het eene geslacht niets meer voor +het andere is.... Voor de vrouw die liefheeft bestaat de man niet +langer: haar minnaar is meer dan een man, alle anderen zijn minder; zij +en hij zijn eenig. Zij begeeren niet, zij beminnen. Het hart volgt de +zinnen niet, het leidt ze; het bedekt hunne afdwalingen met een +verrukkelijk waas.... De echte liefde is altijd vol schaamte, zij +verovert niet stoutmoedig gunsten, zij neemt ter sluiks. Geheimenis, +zwijgen, schuchtere schaamte, verbergen haar zoete bewegingen. Haar vlam +maakt alle liefkoozingen rein; kuischheid en eerbaarheid vergezellen +haar tot in het zinnelijk genieten, zij alleen weet aan de begeerten +alles toe te staan zonder de ingetogenheid te kwetsen." + +Men vergelijke deze sublimatie van het zinnelijk element in de liefde +met de schaamtelooze wellust van Marivaux! + +Een benepen kritiek heeft zich aan de vrijmoedigheid geergerd, waarmee +Julie en haar minnaar elkaar hun sexueele gevoelens bekennen. Deze +kritiek meesmuilt over het oordeel der 18e eeuw, die Julie en St. Preux +beschouwde als ideale minnaars, vervuld van een fijne en zuivere +teederheid; zij vindt hun openhartige zinnelijkheid grof en stuitend +gelijk zij 't grof vindt van Rousseau, om ons te zeggen dat het +temperament van Sophie haar 't wachten op een man moeilijk maakt en +schaamteloos van haar, dat zij haar verloofde onbewust en onwillekeurig, +door een mengeling van teruggetrokkenheid en aanhaligheid prikkelt. + +In dit uiteenwijkend oordeel openbaart zich het verschil in standpunt +van de 18e eeuwsche en de modern-burgerlijke samenleving ten opzichte +der sexueele moraal.[47] De eerste gaf de natuurlijke ingetogenheid +prijs, die de sexueele begeerten in het meisje en de vrouw omhult; de +tweede acht het door fatsoen geboden, deze begeerten angstvallig te +verstoppen of te ontkennen. In Rousseau was niets van cynisme of +liederlijkheid: zijn sterk klein-burgerlijk wezen stond te vrij en te +los van de vervallende klassen, om door haar zedelijke ontaarding +aangetast te worden. Maar ook was in hem niets van de huichelarij en +valsche schaamte van den puriteinschen kleinburger. Hij voelde het fijne +waas der natuurlijke schuchterheid dat de jonkvrouw omhing als haar +grootste bekoring, maar hij voelde ook dat in de jonkvrouw zinnelijke +neigingen sluimerden die gewekt werden door de oogen en de stem en het +teeder gebaar van den geliefde. Voor hem bestonden kuischheid en +eerbaarheid niet in het loochenen of verdringen van neigingen die +natuurlijk, dus goed waren, maar in het samengaan van zinnelijken gloed +met diepe teederheid, warme sympathie, verheerlijkende verbeelding. + +De liefde is heilig; zij veredelt het hart waarin zij woont, zij maakt +het gemoed rein dat zij aanraakt; zij is verbonden met de deugd, met +elke edele kracht van ons wezen, alle gevoelige harten volgen haar +geboden, door haar kracht ontkiemt, groeit en draagt vruchten het beste +in onze persoonlijkheid. + +Maar zoo de liefde heilig is, niet zij alleen is heilig. Zoo de +natuurwet heilig is, ook de maatschappelijke wet is het. + +De liefde heeft het recht, het standsverschil en elke konventie te +verbrijzelen, maar zij heeft te buigen voor de heilige instelling, +waarop het gebouw der burgerlijke orde berust: voor het huwelijk. Het +recht der liefde is niet absoluut, het wordt begrensd door een ander +recht, daarvoor moet het wijken: de maatschappij overwint de natuur, +zedelijke plicht de zoete neiging. Deze grondgedachte is het, die +Rousseau in de laatste boeken der "Nouvelle Heloise" in beeld heeft +gebracht. En hierdoor werd dit boek, meer dan eenig ander zijner werken, +de verzoening van de beide zijden van zijn eigen wezen: het toomeloos +volgen zijner impulsies en aandriften, en den wil die te overwinnen, te +leven volgens hooge zedelijke beginselen. + +Op het oogenblik van Julie's huwelijk met Wollmar--den veel ouderen, +koelen, hartstochtloozen man, bij alles wat hij doet door de rede +gedreven, dien zij niet liefheeft, maar huwt omdat zij zich gebonden +acht door de beschikking van haar vader--gebeurt er een wonder: in haar +voltrekt zich een plotselinge innerlijke verandering. Haar ontwricht +gemoed herstelt zich; zij voelt een dam oprijzen tusschen haar en haar +hartstocht, dien zij nimmer overschrijden zal. Zij kan van nu af aan +haar minnaar denken met een rustig hart; zij heeft hem even lief als +vroeger, maar een nieuw beginsel omsluit dit zwakke hart als een pantser +en beveiligt het er voor meegesleept te worden: het besef van de +heiligheid van het huwelijk. Dankbaar voelt zij zich opgeheven tot een +nieuwen staat van zekerheid en onaanrandbaarheid; zij bidt God in een +uitstorting van alle krachten van haar wezen, haar bij te staan in haar +nieuwe taak. "Ik wil," spreekt zij tot hem, "den echtgenoot liefhebben, +dien ge mij hebt gegeven. Ik wil trouw zijn, omdat trouw de eerste +plicht is, die het huisgezin en de maatschappij bindt. Ik wil alles wat +volgt uit de orde der natuur die gij hebt ingesteld, en uit het wezen +der rede die uw gave in mij is." + +Julie voelt geen liefde voor haar echtgenoot, evenmin als hij +zinnelijken hartstocht gevoelt voor haar. Aan hun huwelijk heeft de +betoovering der zinnen geen deel, noch de gloed der verheerlijkende +verbeelding. En juist daardoor wordt het gelukkig. "Het is een dwaling +te meenen," schrijft Julie aan haar minnaar, "dat de liefde noodig is +tot een gelukkig huwelijk. Daartoe zijn voldoende deugd, eerbaarheid, +bepaalde samenstemmingen minder van leeftijd en stand als van karakter +en temperament; het resultaat van dit alles kan een zeer teedere +affektie zijn, niet minder zoet als de liefde zelve, maar blijvender en +rustiger.... Men huwt niet, om altijd en uitsluitend met elkaar bezig te +zijn, maar om te zamen de plichten van het burgerlijk leven te vervullen, +zijn huis met beleid te besturen, zijn kinderen in deugd en eere op te +voeden." Dit alles doet Julie. De plichten van den huwelijken staat tegen +haar man, haar kinderen, haar dienstboden, de arbeiders op het landgoed +nauwgezet te vervullen, wordt haar levensgeluk. + +In die ruime patriarchale huishouding ten platte lande, die de +voornaamste levensbenoodigdheden voor alle leden van het groote gezin +(want de dienstboden behooren inderdaad nog tot het gezin) zelve +voortbrengt, is de werkkring der vrouw veel-omvattend en dankbaar. Zij +heeft niet slechts een ideeele roeping als echtgenoote en moeder; zij +staat feitelijk aan 't hoofd van een uitgebreid komplex van bedrijven en +van een talrijk personeel. + +Julie volbrengt deze dubbele taak op bewonderenswaardige wijze. Zij is +het middelpunt van den huiselijken kring, de alles-in-stand-houdende, +allen-samenbindende, elke levens-hardheid verzachtende, het tempo des +levens regelende kracht, de vrede, tevredenheid en vergenoegdzaamheid om +zich heen verspreidende goede genius van het huis. Haar trouw wankelt +geen oogenblik, ook niet als haar man, die zich wil overtuigen of hij +'t wagen kan zijn lievelingsplan uit te voeren: St. Preux als goeverneur +hunner kinderen aan hun huis te verbinden, haar bijna wreed op de proef +stelt. In het besef van de heiligheid van huwelijk en moederschap vindt +Julie kracht de oude bekoring te weerstaan, al is deze altijd onverzwakt +gebleven. Als de dood haar verlost van den tweestrijd tusschen plicht en +liefde, is zij gelukkig te sterven. Want deze strijd, zoo luidt haar +laatste biecht, zou haar op den duur toch te zwaar gevallen zijn. + +Zoo verzoent Rousseau in de "Nouvelle Heloise" het recht der +persoonlijkheid op liefde met de heiligheid van het burgerlijk huwelijk; +hij stelt Julie voor als een heldin van kuischheid, ofschoon zij als +jonkvrouw een minnaar heeft gehad, en als een heldin van liefde, +ofschoon zij als vrouw het lokken van den hartstocht heeft weerstaan. +Voor de fransche wereld der 18de eeuw beteekende die voorstelling een +zedelijke revolutie, een "Umwertung aller Werte." De jonge meisjes +bleven in den schaduw der kloostermuren verscholen, tot de ouders een +passenden man voor hen hadden gevonden; met het huwelijk begon het +tijdperk der vrijheid. Het gold niet langer als een heilig sakrement of +een eerbiedwaardige maatschappelijke instelling, het werd beschouwd als +een contract tusschen twee partijen gesloten met het doel om wettige +erfgenamen te verwekken, waarop titel en fortuin konden overgaan. Het +denkbeeld, dat het huwelijk verplichtingen van trouw, van wederzijdsche +steun en aanhankelijkheid zou opleggen, was men uiterst belachelijk gaan +vinden en daarbij erg lastig; hoeveel makkelijker was niet de nieuwe +opvatting van elkaar alle vrijheid te laten! + +"Men spreekt over de moraal van den goeden ouden tijd," aldus een +schrijver uit die dagen. "Vroeger kwam 't huis op stelten te staan als +de vrouw echtbreuk pleegde; men sloot zijn vrouw op, men sloeg haar. Zoo +de echtgenoot de vrijheid, die hij zich voorbehouden had, gebruikte, was +zijn ongelukkige en getrouwe wederhelft gedwongen de beleediging haar +aangedaan te verduwen, en van uit de huiselijke verborgenheid te +weeklagen als in een donkere gevangenis. Handelde zij evenals haar +wispelturige echtgenoot, dan dreigden haar de ergste gevaren.... In +waarheid, ik vat niet hoe men in die barbaarsche tijden den moed had te +huwen. De huwelijksbanden waren ketenen. Heden heerschen verdraagzaamheid, +vrijheid en vrede in de huisgezinnen. Hebben de echtgenooten elkaar lief, +des te beter: zij leven samen en zijn gelukkig. Verbleekt hun liefde, dan +zeggen zij het elkaar als eerlijke lieden en geven elkaar hun belofte van +trouw terug. Zij zijn niet langer minnaars, zij zijn vrienden. Dit noem ik +zachte en sociale zeden."[48] + +Van een werkelijk samenleven van man en vrouw was onder de hoogere +klassen geen sprake. De man had of een betrekking aan het hof, dan +verwijlde hij in Versailles en werd belast met zendingen in de provincie; +of hij was officier, dan lag hij hier of daar in garnizoen of moest te +velde trekken in den oorlog. De vrouw had haar sleep van aanbidders, haar +minnaar, haar vriendinnen, haar salon en haar vermaken; voor haar hield +'t leven op bij de wallen van Parijs en de omheining der landgoederen en +lustverblijven in den omtrek. Hun mannen te volgen op het half ontvolkte +platteland, in de doodsche atmosfeer der provincie, scheen aan die +wereldsche verwende vrouwen toe levend te sterven, sterven van verveling: +daar hield de echtelijke trouw op. Gebruikelijk werd de opneming eener +clausule in de huwelijks-contracten, waarbij de vrouw zich het recht +voorbehield, haar man niet te volgen als hij op zijn landgoed in de +provincie verblijf hield. Door zijn ideaal-huisgezin te verplaatsen op +het platte land, ver van het groote stads-leven, door Wollmar en Julie +voor te stellen als de weldoeners, voorgangers en raadgevers eener +boerenbevolking, "wier lot zij streefden te verzachten zonder het hun +mogelijk te maken hun staat voor een anderen te verwisselen," ging +Rousseau recht tegen de zeden van de heerschende klassen zijner dagen in. + +Niet uit de lucht, niet uit willekeurige droomen schiep Rousseau zijn +huwelijks-ideaal: ook dit ideaal was niet anders dan verheerlijkte +werkelijkheid, de werkelijkheid van het huwelijk in den burgerstand. De +jonge burgerdochters werden niet in het klooster opgevoed, zij genoten +eene, naar den maatstaf dier dagen, tamelijke vrijheid; zij mochten zich +zonder geleide op straat vertoonen, zij ontmoetten op de wandeling, +in de kerk en op partijtjes jonge mannen van hun stand en genoten in +eerbaarheid en onschuld hun jeugd. Zij werden niet verkocht of verhanseld +door eerzuchtige of halfgeruineerde ouders, en zoo zij niet in alle +vrijheid kozen, zij werden bij die keuze toch gehoord. Maar anders dan +voor de adellijke dametjes, was voor haar 't huwelijk 't graf der vrijheid. +Voorbij waren vermaken en vroolijkheid! het levenstijdperk van zorg en +moeienis, van eentonigen arbeid, verantwoordelijkheid en gebondenheid ging +beginnen, om niet te eindigen dan met den dood. + +Deze schrale en grauwe werkelijkheid van het kleinburgerlijke leven +overgoot Rousseau met den toover der poezie. Hij maakte het ingetogen, +huiselijke bestaan van de vrouw in de burgerlijke sfeer aantrekkelijk, +en gaf aan de deugd een schooner, zoeter glans dan de ondeugd bezat. +Maar om de taak der vrouw in de sfeer van het huiselijk leven voor te +stellen als vol rijke bekoring, om te maken dat het nieuwe ideaal: de +vrouw een zachte lamp in den kring der huisgenooten,--propagandistische +kracht bezat, aantrekkelijk was, moet hij dien huiselijken kring zoo +ruim mogelijk maken, zijn heldin optillen boven de enge sfeer van +kleinburgerlijke verhoudingen, om haar als meesteresse te doen tronen in +de ruime verhoudingen van het patriarchaal grootbedrijf. In geen andere +verhouding vond de vrouw zooveel speelruimte voor haar physieke en +geestelijke krachten, kon zij de goede engel worden van zoovelen, +zoovelen tot zegen zijn. + +Ons, kinderen der 20ste eeuw, voldoet de oplossing niet langer waardoor +Rousseau meende de rechten der liefde met de heiligheid van het huwelijk +te verzoenen. Wij achten haar halfslachtig. Wij zijn te lang in de +school geweest van het individualisme, wij zijn te doordrongen van de +rechten der persoonlijkheid en van de rechten van elk opkomend geslacht +om zijn eigen zeden te maken, zijn eigen leven te leven om ons met dit +compromis tevreden te stellen. Waarom, vragen wij, gaf Julie aan den man +dien zij liefhad niet haar hand en haar trouw voor het leven, nadat zij +hem de bloem van haar maagdelijkheid gegeven had? Moest zij zich gebonden +rekenen jegens een ander, omdat haar vader haar aan dien ander had beloofd? +Mag een vader op die wijze over de persoonlijkheid van zijn kind beschikken? +En als dat zoo is, waar blijft dan het recht der persoonlijkheid? Kan +dat goed zijn, trouw jegens wie in trouw mint te breken, om vaderlijke +veroordeelen te ontzien? Eischt dit de deugd? Heeft het jonge geslacht niet +het recht en de plicht, om de moreele banden waarin het vorige het leven +voor goed wil breidelen, door te snijden, zoodra het die als vooroordeelen +voelt? Kan de groei des levens gaan op andere wijze? + +Zoo spreken wij, die nu leven. En wij wijzen het dualisme af van liefde +en huwelijk, waarin Rousseau berust, dat hij niet wist te overwinnen. +Wij gelooven in een ander ideaal van de verhouding der geslachten. Niet +eerst het uitvieren van de liefde die hartstocht is, en dan het huwelijk +gegrond op koele overweging, verstandelijk doorzicht, plichtsbesef en +bezonnenheid. Neen, maar liefde en plicht in een eenheid vereenigd, de +gloed en de teerheid, de verrukking en dronkenheid der liefde allengs +verkeerend voor denzelfde en voor dezelfde, in kalmere meer bezonkene +genegenheid, in diepe vertrouwdheid en rustiger waardeering. Dit, en dit +alleen erkennen wij als het ideaal. + +Zoo spreken en zoo willen wij, ontgroeid aan de "oplossing" der +"Nouvelle Heloise." En dat wij zoo spreken en willen, danken wij, naast +vele andere invloeden en krachten die een deel zijn geworden van ons +zelven, ook aan de kracht en den invloed van Rousseau. + +In de "Nouvelle Heloise" zien wij de vrouw optreden als de genoote van +den man, zijn trouwe helpster, als de opofferende moeder en verstandige +opvoedster, de zachte genius van het gezinsleven. In den "Emile" lezen +wij hoe zij zelve moet worden opgevoed om dit alles te worden. + +Rousseau was anti-feminist. De voorstelling dat de grondslag van de +bevrijding der persoonlijkheid van de vrouw haar economisch-sociale +bevrijding moet zijn, lag buiten zijn geestelijken horizon. Hij kon zich +die bevrijding niet anders denken dan door de liefde. Hij zag geen +arbeidsveld voor de vrouw buiten het gezin. Zulk een arbeidsveld +ontstond eerst op groote schaal door de revolutioneering der techniek en +het verdrongen worden der vrouw als producente ten bate van het gezin +door de groot-industrie. De vorm van samenleving die Rousseau als het +ideaal beschouwde: half kleinburgerlijk en kleinboersch, half +patriarchaal nog, bood aan de vrouw geen arbeidsveld in de gemeenschap: +in de stille beslotenheid van het gezinsleven, daar lag haar taak, daar +lag haar akker om te beploegen en te bezaaien, om een heerlijken oogst +van liefde, harmonie en tevredenheid te kweeken. + +In den tijd van Rousseau hadden de vrouwen der heerschende klassen zich +aan de vervulling hunner huiselijke plichten geheel onttrokken om, in +zoover zij niet opgingen in dartelheid en vermaken, deel te nemen aan +het geestelijk leven van hun tijd. + +Zij liepen college, schilderden, schreven romans, memoires en tragedies, +deden aan wetenschap en aan politiek. Vele hunner waren begaafd, alle +waren pretentieus, ijdel en eerzuchtig; zij zochten verstrooiing, +vervulling van hun leeg gemoed, of ijdelen roem. De vrouwen van dit +soort stonden Rousseau voor den geest, toen hij de uitspraak deed dat +"de geleerde vrouw haars mans roede is." De geestige blauwkous en +mooi-pratende salondame was hem hartgrondig antipatiek en in zijn oogen +een soort van monster. + +De opvoeding der vrouw, meende Rousseau, moest er op gericht zijn, om +de natuurlijke schuchterheid en schroomvalligheid te bewaren, die deze +geemancipeerde vrouwen hadden afgeworpen. Als meisje behoefde zij niet +veel te leeren: aan den minnaar en echtgenoot viel de taak toe, haar +slapende vermogens te wekken en haar de wereld van den geest--in zoover +dit oorbaar was voor een vrouw--binnen te leiden. Maar een ding moest +haar ingeprent worden van jeugd af aan: gehoorzaamheid, te buigen, te +verdragen, zich niet te verzetten, niet te willen weerstaan. "De vrouw +is geboren om toe te geven aan den man en zijn onrechtvaardigheden te +dulden." En daar zij nimmer geheel aan zich zelve zou toebehooren, nooit +onafhankelijk zou zijn, moest de opvoeding haar vormen om dwang te +verdragen zonder inwendig tegenstreven, zonder wrok. + +Maar de gehoorzaamheid der vrouw stelde Rousseau zich niet voor als +slaafsche onderworpenheid. Wel moet de man heersenen over de vrouw, +maar de vrouw kan den man leiden, wanneer zij plooibaar en taktvol +is en gebruik maakt van de wapenen der zwakken. "Haar bevelen zijn +liefkoozingen, haar bedreigingen tranen." In de nauw-omsloten sfeer +van het gezinsleven zal aan de vrouw in ruil voor de vrijheid en de +heerschappij, waarvan zij afstand deed, een rijk opengaan van +waardigheid, glimlachend overwicht en rustig-zekeren invloed, des te +onfeilbaarder, hoe minder zij strijdt om de heerschappij. + +Het voortdurend samen zijn van mannen en vrouwen, zooals dat in de +salons regel was, veroordeelde Rousseau uit zedelijk oogpunt. De +natuurlijke ingetogenheid der vrouw, die hare eerbaarheid hoedde, moest +daardoor verloren gaan. Om deze grootste schat en beste kracht van haar +geslacht te behouden, behoorde de vrouw een teruggetrokken leven te +leiden, vervuld met stille, vredige zorgen. Rousseau prees de zede der +oude wereld van de vrouwen te isoleeren in een afzonderlijk deel der +woning, ze ver te houden van het verkeer met vreemde mannen en van het +openbare leven. Hij noemt de zede die de geslachten in het dagelijksch +leven vermengt en onophoudelijk samenbrengt, een vinding der barbaren, +en stelt het engelsche volk ten voorbeeld van de wijze hoe de geslachten +door zich terug te trekken in zichzelven, hun eigendommelijk wezen +verdiepen en versterken. En daarin ligt de goede zede, niet in het +elkander lichtzinnig naaepen, zooals de ijdele kwasten en de malle +salondametjes der heerschende klassen toen deden in Frankrijk, waar het +mode was voor de mannen om handwerkjes te maken en voor de vrouwen om in +geometrie en ontleedkunde te liefhebberen. + +Zoo dacht Rousseau over de verhouding der geslachten en de bestemming +van de vrouw. En in zijn denken was zeker een deel waarheid, uitgaande +ver over de grenzen van tijdelijke verhoudingen. Want wel kunnen wij +niet voorspellen of het ideaal dat de vrouw in den man zoekt, te weten +moed, en het ideaal dat de man in de vrouw zoekt, te weten moederlijke +mildheid, zal duren op aarde zoo lang de menschheid bestaat. Maar dit +weten wij, dat wij ons geen samenleving vermogen voor te stellen, waarin +de vrouw in den man niet moed en de man in de vrouw niet mildheid zoeken +en liefhebben zal. + +Echter, een deel van de waarheid die voor Rousseau gold als eeuwig en +onveranderlijk, was beperkt tot zijn eigen tijd, een kind van zijn +kleinburgerlijk bewustzijn, dat den onzen niet overleven zal. Hij zag +mildheid en zwakheid in de vrouw als onverbrekelijk verbonden, beide +eigenschappen als trekken van haar diepste wezen, en hierin dwaalde hij. +Hij begreep niet, dat de zwakheid, die tranen en smeekbeden gebruikt om +haar doel te bereiken, de menschelijke waardigheid der vrouw aantast en +in haar aankweekt de ondeugden der slaven: list en onwaarachtigheid. En +hij wist niet, hij kon niet weten, dat de moederlijke zachtheid behouden +zal blijven, maar de zwakheid met haar verlagende werkingen op het +karakter verdwijnen, wanneer de ekonomische afhankelijkheid _der vrouw +van den man_ vervalt doordat een nieuw arbeidsveld voor haar opengaat in +den dienst der gemeenschap. + + * * * * * + +Verhandelingen over de opvoeding waren er sedert Rabelais in Frankrijk +vele geschreven, vooral in de 18e eeuw. Nadenkende geesten en goede +patriotten zagen vol onrust dat "er geen mannen meer waren" en broeiden +over het beste stelsel om ze te kweeken. Rousseau leerde van vele zijner +voorgangers, van Rabelais natuurlijk, van Fenelon, van Rollin en Fleuri; +maar meer dan van al deze toch van den engelschman Locke. Het +menschenslag van flinke, stevige, pittige, oprechte engelsche squires, +dat Locke door zijn opvoedingsstelsel wilde voortbrengen, was tamelijk +verwant aan het menschen-ideaal van Rousseau. Alleen was zijn ideaal +meer poetisch en meer philosophisch en algemeener, minder +nationaal-beperkt. + +Rousseau zoowel als Locke gingen met hun voorstellen tegen het gewone +opvoeding-stelsel der jongens en meisjes uit de adellijke klassen in. +Deze had tot doel, mannen en vrouwen van de wereld te kweeken, geschikt +om te schitteren in de salons, de eigenlijke brandpunten van het leven +der maatschappelijke parasieten van den tijd; verfijnde en smaakvolle +doenieten, hoffelijke heertjes die door hun gladde tong en hoofsche +manieren aan de dames wisten te behagen, geestige dametjes, die de kunst +verstonden van deze saletjonkers aan te trekken en met ze te spelen. +Heertjes en dametjes moest de opvoeding voortbrengen, geen mannen en +vrouwen, geen menschen. + +Om pasklaar gemaakt te worden voor hun maatschappelijke bestemming, +moesten de kinderen natuurlijk al vroeg gedrild en gefatsoeneerd worden. +Spontaniteit, dartelheid, natuurlijke levendigheid, uitbundig-pleizier- +hebben was uit den booze, springen en hollen verboden; hoe sneller en +volkomener de arme wezentjes tot apen der volwassenen werden gemaakt, +des te beter was de opvoeding gelukt. Het familie-leven bestond in de +hoogere kringen feitelijk niet meer, de kinderen kenden hun ouders +nauwelijks; zij werden van af hun geboorte aan de zorgen van vreemden +toevertrouwd: eerst aan een min, later aan gouverneurs en gouvernantes. +Soms mochten ze, keurig gekleed, gekapt, gepoederd, geparfumeerd, de +jongetjes met een miniatuurdegen op zij, de meisjes met de onmisbare +waaier in de hand, een oogenblikje hun opwachting maken bij het +morgentoilet van mama, om zoo spoedig mogelijk weer te verdwijnen, +want erg op hun gemak waren ze met die mooie dame toch niet. + +Zoo was de werkelijkheid, waarin Rousseau het beeld der "natuurlijke +opvoeding" oprijzen deed. Het was niet alles nieuw en verrassend wat hij +zeide, maar hoe nieuw en verrassend klonk het, zooals hij het zei, met +zijn diepe, verdragende stem vol hartstochtelijke bewogenheid, die in +dit boek een accent had van zoo klare bezonkenheid als nooit voorheen. +Het kind, zei die stem, is geen miniatuur-volwassene; het is een eigen +wezen, wiens eigendommelijke aard een nauwkeurige en liefdevolle studie +vereischt, wil men het geven wat hem toekomt. Geef het kind wat des +kindes is; geef het--en dat is het eerste wat hem toekomt--geef het een +moeder die het zoogt en liefheeft en vertroetelt, geef het een vader die +het recht-buigt en leidt. Vader- en moederliefde, vader- en moederzorg; +die heeft het kind allereerst noodig: geef het die. Beknel zijn +bewegelijk lichaam niet in enge en ongemakkelijke kleeding, pers zijn +spontane levendigheid niet in het keurs uwer gekunstelde beleefdheids- +vormen, richt het niet af om woorden en zinnen te herhalen waarvan 't +niets begrijpt. Al wat de natuur voortbrengt is goed, alles wordt door +de menschen bedorven en verknoeid; laat de natuur het jonge wezen +vormen, weer alleen schadelijke invloeden af. Verweekelijk het kind +niet, behoed het niet angstvallig voor weer en wind, maar hard het door +lucht en water, verhoog zijn weerstandsvermogen, leer het warmte en kou, +honger en dorst zonder ongemak verdragen. Laat het van zijn zevende tot +zijn twaalfde jaar stoeien en springen en spelen naar hartelust als een +jong beestje; laat het alle geluk genieten waarvoor het vatbaar is; denk +niet altijd aan zijn toekomst: wie weet of het den volwassen leeftijd +wel bereikt? Kwel het niet met de studie van 't latijn, giet het geen +abstrakte formules in, prop zijn hersens niet vol met doode geleerdheid +van cijfers en feiten: laat lichamelijke ervaring zijn leermeesteresse +zijn. Maak zijn lijf lenig en krachtig, oefen zijn zintuigen +spelenderwijze, zonder dwang, zoo maakt ge zijn geest geschikt om later +veel te kunnen begrijpen. "Om goed te leeren denken, moeten wij onze +ledematen, onze zintuigen, onze organen oefenen, want zij zijn de +werktuigen van het verstand, en om van die werktuigen het best partij +te trekken moet het lichaam dat ze levert krachtig zijn en gezond." + +Zooals alle revolutionaire denkers, allen die het vat des levens willen +vullen met nieuwen inhoud doen en doen moeten, dreef Rousseau zijn +denkbeelden op de spits en ontwikkelde ze tot hun verste konsekwenties. +Zoo alleen kon hij de tegenstelling van zijn opvoedings-stelsel tot de +oude opvattingen en gebruiken scherp en duidelijk zichtbaar maken. Dit +noemde de kritiek zijn "overdrijving." Zij begreep niet dat overdrijving +bij het verkondigen van een nieuw beginsel noodzakelijk is om de +menschengeesten, vastgeroest in oude gedachte-vormen, met een ruk naar +het nieuwe te richten. Tegenover de gebruikelijke verweekelijking van +het kind moest hij, om indruk te maken, zijn bijna spartaansch +hardingssysteem stellen; tegenover de gebruikelijke mechanische oefening +van het geheugen, zijn stelsel van uitsluitend oefening der ledematen en +zintuigen. Door deze en andere "overdrijvingen," dat is door de koenheid +van zijn greep, door zijn aarzellooze stoutmoedigheid, is Rousseau tot +een baanbreker op het gebied der opvoeding geworden. + +Men kan, zegt Rousseau aan het begin van den "Emile," den mensch +opvoeden voor zichzelf of voor anderen, tot mensch of tot burger. Onder +mensch verstaat hij hier het zelfstandig individu; onder burgers de +genoot, het lid eener gemeenschap. Burgers worden alleen gekweekt door +een _openbare_ opvoeding, gelijk regel was in de republieken der +oudheid;[49] deze is echter niet mogelijk onder het absolutisme, enkel +in vrije staten. De openbare opvoeding brengt in onze dagen geen burgers +voort, maar slechts bourgeois. + +Deze uitlating bewijst hoe Rousseau het individualistisch karakter en +het individualistisch doel van zijn eigen opvoedingsstelsel volstrekt +niet beschouwde als op-zich-zelven het meest begeerlijke, maar eenvoudig +als in de gegeven maatschappelijke omstandigheden het beste. In hem +waren sociale aandriften en gemeenschapszin zeer sterk, de sterkste +trekken misschien van zijn oorspronkelijken aanleg; zijn +individualistische neigingen daarentegen hadden zich ontwikkeld onder +den invloed van maatschappelijke omstandigheden. Het hoogste ideaal der +opvoeding zag hij in de voorbereiding van het kind tot de rechten en +plichten van het burgerschap in den demokratischen staat, het kweeken +van genooten, die zich geen afzonderlijke eenheden gevoelen, maar deelen +van een politiek-sociaal geheel, en altijd gereed staan voor dat geheel +zich zelven te offeren. Vergeleken bij dit ideaal, scheen de +individualistische opvoeding aan Rousseau een armelijk surrogaat. Maar +waar zulk een demokratische gemeenschap niet bestond, gelijk b.v. +Frankrijk, had, meende hij, de opvoeding geen andere keuze dan of +"bourgeois" voort te brengen (hij bedoelde daarmee maatschappelijke +parasieten, menschen terend op den arbeid van anderen) of buiten- +maatschappelijke individuen, dat is menschen los van de zeden, de +levenswijze en de vooroordeelen der heerschende klassen. Zooals hij in +het "Contrat Social" den abstrakten staat tot uitgangspunt nam, zoo deed +hij het in "Emile" den abstrakten mensch, om in die abstraktie zijn +revolutionaire idealen tegenover den klasse-mensch en de klasse- +opvoeding der werkelijkheid te belichamen. Emile moest worden opgevoed +tot een persoonlijkheid, die los stond van zijn tijd en zijn omgeving, +die zich overal thuis voelde en alle wisselingen der fortuin verdragen +kon met een ongeschokt gemoed. In aktief opzicht moet hij overal +waarheen het lot hem voerde, zelf zijn levens-onderhoud kunnen +verdienen; daarin juist bestond zijn onafhankelijkheid van de menschen. +In passief opzicht moest hij weten te berusten in elk leed, dat de +overmacht der menschen of de hand der natuur hem aandeed: daarin bestond +zijn onafhankelijkheid van de omstandigheden. + +Het kennen van een ambacht beschouwde Rousseau als een onfeilbaar middel +voor den mensch om zijn bestaan op onafhankelijken grondslag te stellen. +Wie een vak kent moge niet behooren tot de schelmen die groote zaken +doen en zich verrijken; in zijn nederigen staat bezit hij de zekerheid, +zijn brood te verdienen en eerlijk man te blijven. "Men gaat slechts de +eerste de beste werkplaats binnen waar het vak wordt uitgeoefend dat men +geleerd heeft: "meester, ik verlang werk." Gezel, zie: hier is werk, +neem uw plaats in. Eer het tijd is voor het middagmaal, hebt ge uw +middagmaal verdiend; zoo ge vlijtig en sober zijt, zult ge eer acht +dagen verloopen zijn genoeg overgespaard hebben om nog acht dagen te +leven; en ge zult een zelfstandig, gezond, waarachtig werkzaam en +rechtvaardig leven hebben geleid." + +Het is duidelijk: Rousseau leeft wel in den waan van zijn kweekeling +gereed te maken voor "alle wereldsche landen waarheen het lot hem +voert," maar inderdaad maakt hij hem gereed voor een maatschappij van +kleinbedrijf en kleinburgerlijke verhoudingen van meesters en gezellen. +En nog wel voor eene, waarin de sociale positie van den gezel zoo sterk +is, dat hij den meester dwingen kan hem voor een arbeidsdag een loon uit +te betalen, hoog genoeg om twee dagen van te bestaan, voor een wereld +zonder werkeloosheid, zonder ekonomische krisissen, zonder +grootindustrie,--een wereld die reeds onderging, toen hij schreef. + +Als een argument tot het invoeren van den handen-arbeid in de opvoeding, +wees Rousseau op de groote maatschappelijke veranderingen die, iedereen +gevoelde het, in aantocht waren. Wie wist of niet het opgroeiend +geslacht den omkeer der heerschende verhoudingen zou beleven, die aan de +grondbezitters hun voorrechten, aan de rijken hun inkomen zou ontnemen. +Wat moest er dan worden van hem die niet verstond te werken? Wie als +knaap een vak had geleerd, zou gevrijwaard zijn voor gebrek en ellende. + +Rousseau zag de maatschappelijke katastrophe vooruit, die vele van de +zonen der verwende aristokraten zou doemen in den vreemde een karig stuk +brood te verdienen met vertalen, lesgeven of handenwerk. Maar wat hij +niet vooruitzag was hoe zijn abstrakte ideaal-mensch, overal bruikbaar +en van alle markten thuis, eenmaal belichaamd zou worden in het zeer +weinig ideale, maar verwonderlijk energieke, praktische en vindingrijke +nationale type der modern-kapitalistische maatschappij bij +uitnemendheid, den burger der Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Er +was, voor hem zelve onbewust, ook een sterk groot-burgerlijk element in +zijn abstraktie van dien rappen, algemeen bruikbaren mensch. + +Dit dus wat aangaat het aktieve doel der opvoeding. Wat het passieve +betreft: berusting in de natuurlijke en de maatschappelijke +noodzakelijkheid, wij proeven uit haar zijn bewondering der stoicijnsche +wijsbegeerte, wij herkennen den veel-geslingerde, die aan zich zelve +heeft ervaren, hoe geduldig dragen vaak de beste medicijn is tegen +lichamelijke en geestelijke smart, hoe de kunst van niet te handelen, +wanneer wij niet weten wat te doen, de hoogste wijsheid kan wezen." De +levenskunst die de levenswijze zijnen discipel wil leeren is matiging, +het beheerschen zijner driften en aandoeningen. "Wat ons door de natuur +verboden wordt is om onze begeerten verder uit te strekken dan onze +krachten. Wat ons door de rede verboden wordt, is te willen wat wij niet +kunnen verkrijgen, wat ons door het geweten verboden wordt, is +verzoeking niet te kunnen weerstaan." Wie zijn hartstochten beheerscht, +zijn begeerten matigt, de noodzakelijkheid te gehoorzamen aan de wet en +te buigen voor de natuurmachten gevoelt als vrijheid, wie zich thuis +voelt onder de menschen, omdat zij zijn broeders zijn, en in de +eenzaamheid thuis, omdat hij er zichzelven vindt, die alleen leeft +waarlijk onafhankelijk. Dit philosophisch element der opvoeding slaat +zoo in bij Emile; man geworden, gevoelt hij zich zoo los van alle +wereldsche banden, zoo onverschillig voor stand, fortuin, eer en +aanzien, zoo op en top een burger niet van zijn vaderland maar van de +wereld, dat de meester hem tegen overdrijving waarschuwen moet. De +mensch, leert hij hem, heeft verplichting aan zijn geboorteland; daarom +moet hij het liefhebben boven andere landen en er leven. Mocht hij er +geroepen worden tot het vervullen van openbare ambten, dan is hij +verplicht te gehoorzamen, ook al valt 't hem zwaar zijn vrij en +verborgen leven prijs te geven.--Zoo duikt op het einde van den "Emile," +in den "abstrakten mensch," de burger, het lid eener politieke +gemeenschap toch weer op. + +Het doel der opvoeding is dus: een mensch voort te brengen die boven het +leven staat en toch er in. Er boven, doordat hij vrij is van de prikkels +die zijn medemenschen brengen tot handelen: ijdelheid, eerzucht, +winstbejag; er in, doordat plichtsgevoel en meegevoel hem bestemmen, +tusschen zijn naasten te leven en ze te dienen. + +Hoe wordt nu dit doel bereikt? + +Rousseau stelt zich voor door een leiding, die telkens aansluit bij de +veranderende behoeften en de voortschrijdende vermogens van het kind. +Hij verdeelt den ontwikkelingsgang van de geboorte tot aan den volwassen +leeftijd in vier phasen of tijdvakken, die elk een verschillende +behandeling door den opvoeder vereischen. Tot aan het zevende levensjaar +behoort het kind geheel aan de moeder; vanaf dien tijd tot aan het +dertiende zijn aanschouwing en zintuiglijke ervaring zijn eenige +leermeesters; hoogstens leert het lezen, schrijven en rekenen. Dit is +het tijdperk der lichamelijke vorming. Opzettelijk door den opvoeder +teweeggebrachte omstandigheden, comedietjes waarin het kind een rol +vervult zonder het te weten (waar blijft hier de natuur en de afkeer van +elk positief ingrijpen?) brengen het de abstrakte begrippen, b.v. het +eigendomsbegrip, beter bij, dan de uitvoerigste redeneering zou vermogen +te doen. Geen belooningen, geen prikkels van eerzucht en ijdelheid, geen +straffen, behalve die ontspringen uit de konsekwenties van de eigen +daden van het kind, en die het als zoodanig voelt. + +Met het dertiende jaar begint een nieuwe phase in de opvoeding: de +utilitarische. Het verstand van het kind is nu voldoende gevormd, dan +dat het zich bij zijn handelingen kan laten leiden door redelijk +eigenbelang. Bij alles wat het doet en leert, wordt hem ingeprent dat +het dient tot zijn eigen bestwil, want dit kan het begrijpen; zoo leert +Emile het deel der deugd uitoefenen dat betrekking heeft op zijn eigen +ik: vlijt, matigheid, geduld, flinkheid, zelfbeheersching. Dit is het +tijdvak bestemd voor de studie van het praktische leven en der +natuurkunde. Rousseau verwerpt de z.n. "humanistische" studie, de kennis +der oude talen en letterkunde: zij dient slechts tot middel zegt hij, om +mooi-praters te kweeken. Natuurkunde, warenkunde, staathuishoudkunde: +dit is het, wat de jongen leeren moet om een "bruikbaar mensch" te worden. +Men ziet, de algemeene richting der opvoeding is zoo burgerlijk-praktisch +mogelijk, al zijn hare methoden een weinig ongewoon. De "abstrakte ideaal- +mensch" ontpopt zich al meer als de goed-onderwezen kleinburger van de +modernburgerlijke maatschappij. In deze levensperiode moet het kind ook +een ambacht leeren en zich daarin door oefening volmaken. + +Wanneer de discipel vijftien jaar oud is, wordt het tijd om een nieuw +beginsel in de opvoeding in te voeren: het medegevoel. Tot dusver heeft +het kind in zijn naive zelfzucht alleen zichzelven lief gehad; de +opvoeding kan niet op zijn gevoel werken; het heeft nog geen +altruistische neigingen. Eerst wanneer de sexueele gevoelens ontwaken +beginnen de edele krachten van medegevoel en verbeelding te gisten in +den jongen mensch, eerst dan leeft hij niet meer uitsluitend door de +zinnen en de rede. Dan is de tijd gekomen, om op de altruistische en +sociale neigingen in te werken en de krachten der geslachtsliefde, die +op het punt zijn in den knaap te ontwaken, te leiden in de bedding van +liefde tot de menschheid. Dan is het ook de tijd om de schoone letteren +te bestudeeren en op den adem der schoone aandoeningen en verbeeldingen +van de dichters en wijsgeeren te stijgen tot den schepper van alle +schoonheid, goedheid en waarheid--tot God. Op zijn 18de jaar verneemt +Emile voor de eerste maal dat hij een ziel heeft en dat die ziel +onsterfelijk is. Zelf heeft hij--in zijn gevoel en zijn rede--de +zedelijke beginselen van zijn handelingen gevonden. Nu aanvaardt hij de +wet der noodzakelijkheid op moreel gebied na naar aanvaard te hebben in +de natuur; hij voelt haar als de wil en de wet van een algoed, almachtig +Schepper, dien hij zegent en aanbidt. + +De opvatting dat kinderen geen gevoel en geen verbeelding hebben schijnt +zonderling voor wie als Rousseau uit eigen ervaring weet, dat zij beide +kunnen bezitten in zeer hooge mate. Maar hij hield zich zelf voor een +uitzondering, een unicum onder de stervelingen. Hij kwam tot deze +vreemde opvatting, in tegenstelling tot wat de waarneming der +werkelijkheid hem leeren kon, door de individualistische strekking van +zijn eigen denken, door individualistische vooropstellingen. In de +ontwikkeling der soort was, meende hij, het individueele aan het sociale +leven voorafgegaan: de primitieve mensch placht alleen, onafhankelijk +van anderen, te leven en te werken. Zoo ook waren, in de ontwikkeling +van het individu, de egoiste en egocentrische aandriften de primaire, +aan alle andere voorafgaande; de sociale neigingen ontwikkelden zich +eerst veel later onder den invloed der sexueele gevoelens. + +Wij weten dat Rousseau in het een als in het ander dwaalde. Wij weten +dat de oermensch een sociaal-levend wezen is geweest, dat de mensch in +en door het samenleven met zijns gelijken, zijn menschelijkheid veroverd +heeft. Wij weten ook dat de sociale aandriften zich in het jonge kind +gelijktijdig ontwikkelen met de egocentrische, en dat ook een kiem der +sexueele aandriften reeds in zeer jonge kinderen bestaat. En omdat dit +zoo is, daarom kan de opvoeder, zonder de ijdelheid te prikkelen, nog +op andere krachten en vermogens bij het kind inwerken, dan op zijn +redelijke zelfzucht en zijn eigenliefde. In het kind brandt de vonk der +sociale neigingen, der gevoelens van liefde voor anderen, geestdrift +voor menschelijk heil, meegevoel, rechtvaardigheidszin, zelf-opoffering +voor de genooten. De opvoeder kan die vonk aanwakkeren tot krachtigen +gloed; hij kan door de sociale neigingen van het kind te versterken, +de richting van het kinderlijk willen, de inhoud van het kinderlijk +bewustzijn in hooge mate beinvloeden.[50] Niet eerst na het vijftiende +jaar, neen, van den beginne der opvoeding af aan behoort de opvoeder op +de sociale neigingen van het kind in te werken. Wel is dit niet geheel +mogelijk, zonder dat de prikkels van eerzucht en wedijver in 't spel +komen, maar het is een edele eerzucht, die wil uitmunten in den dienst +der makkers, en een schoone wedijver, die liefde tot de gemeenschap tot +voorwerp heeft. + +Rousseau heeft de sociale natuur van den mensch onderschat, gelijk voor +de hand lag te doen in een maatschappij van veldwinnend individualisme. +Zonder deze onderschatting ware hij niet tot het denkbeeld gekomen van +zijn ideaal-kweekeling buiten elken omgang met kinderen te houden, wat +bewijst hoe blind hij was voor de opvoedende kracht van dien omgang. +En evenmin had hij de opvoeding tot aan het zestiende jaar uitsluitend +willen grondvesten op de lichamelijke eigenschappen van het kind en +diens redelijk egoisme. + +De groote socialistische utopisten van een iets later tijdvak, n.l. +Fourier en Owen, waren onder de eersten, die de nieuwe waardevolle +denkbeelden van Rousseau over de opvoeding in zich opnamen en verder +ontwikkelden; Fourier louter theoretisch, Owen ook in de praktijk. Maar +hun socialistisch inzicht bewaarde er deze beide mannen voor, om het +groote beginsel van de bevrijding der kinderlijke persoonlijkheid te +vermengen met de individualistische anti-sociale strekkingen, waartoe +de kleinburgerlijke utopist Rousseau noodlottig verviel. + + * * * * * + +Het was geheel konsekwent van Rousseau om, toen hij eenmaal aan het kind +gevoel, affektieve neigingen ontzegde, het ook te sluiten buiten de +zedelijke wereld. Want als de grondslag dier wereld, der moreele +verhouding van het ik tot het niet-ik beschouwde hij uitsluitend het +gevoel. "Een gevoelig hart is liefde tot de deugd aangeboren"--dit was +een axioma voor hem. Tegen de Socratische opvatting dat de deugd een +weten is, kwam alles in zijn binnenste op. Niemand heeft hardnekkiger +dan hij zelfkennis gezocht, zichzelven meer geobserveerd, bestudeerd, +ontleed, met onbarmhartiger en roekeloozer hand gewroet in zichzelven +--maar nooit is het een oogenblik bij hem opgekomen, dit zelf-onderzoek +als den weg tot de deugd te beschouwen. Het was voor hem den weg tot +zijn apologie en zijn apotheose; tot zelf-verontschuldiging, zelfbehagen, +zelf-vereering en zelf-vergoding. De deugd daarentegen was een vrucht +van onweerstaanbare en spontane neigingen, opwellingen van warmte en +teederheid, zacht verlangen om menschen goed te doen en geluk te geven, +zich een van hart te voelen met hen. Om het milde wellen van deze +gevoelens in zichzelven vond hij zichzelf "de beste der menschen." Als +hij ze zag werken in andere menschen bewoog zijn hart zachtjes tot hen +heen; als hij in de bloeiende sfeer der verbeelding verrukkelijk werd +meegevoerd door den luwen wind der droomerij, zag hij zulke menschen voor +zich opdoemen, groote, trillende kelken van gevoel. In hun blikken en +woorden, hun gebaren en zwijgende handdrukken, hun gloeiende kussen en +tersluiks afgewischte tranen, brak het nimmer-rustend, nimmer-verstillend +innerlijk bewegen hunner harten uit. Zwijmelend van geluk genoot hij het +verrukkelijk samenleven met deze kinderen zijner fantasie, en met tegenzin +keerde hij tot de kille, schrale, rauwe, harde werkelijkheid en hare +bewoners terug. + +In de "Nouvelle Heloise," het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten +gaan,--veel vrijer dan in de "Confessions," waar de achtergedachten van +zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde +bedding stuurden,--heeft hij alle uitingen en verhoudingen van het +affektieve leven met groote warmte en innigheid van ontroering afgebeeld. +Hier is zoete min, de bedwelmende bloesem des levens. Hier is de zachte +gelijkmatige affektie tusschen Julie en haar man, als een warm dek van +vertrouwen, achting en aanhankelijkheid over de schamelheid der dagen +geweven. Hier is de ouderliefde,--hoe ontroert ons nog de scene waarin +Julie's vader, een edelman van den ouden stempel, na zijn dochter in drift +barsch en ruw behandeld te hebben, haar met zwijgende liefkoozingen om +vergiffenis vraagt. Hier is de kinderliefde, de zachte overgave van Julie +aan haar oude ouders, haar drang zichzelven te verzaken, opdat de avond +van hun leven helder en vredig zij. Hier is de liefde die vriendschap heet: +tusschen vrouwen: hoe innig in-eengestrengeld zijn Claire en Julie, de +onafscheidelijken;--tusschen mannen: hoe zou St. Preux ooit de kracht +hebben gehad zich los te rukken van de geliefde, als de mannelijke +teederheid van Edouard Bomston hem niet had geschraagd en getroost; +--tusschen een man en een vrouw: Claire en St. Preux genieten die +vriendschap, voller van bekoring maar ook voller van gevaren dan eenige +andere, grensgevoel, uitstralend naar andere werelden; levensvrucht, zoet +van verteedering, wrang van onvervulde begeerten.... In de "Nouvelle +Heloise" heeft Rousseau een monument opgericht voor de menschelijke +affekties in de stil-besloten sfeer van het burgerlijk huiselijk leven; +hij heeft schatten van reine lieflijke gevoelens omhoog gehaald en doen +flonkeren in het licht der schoonheid, tot dusver verborgen in die +omschaduwde sfeer. + +De burgerlijke moraal is als een Janus-hoofd met twee aangezichten; het +eene zacht en innig, het andere barsch en streng. Het eerste aangezicht +is gekeerd tot het gebied der gezins- en private verhoudingen; het +tweede tot dat der produktie-verhoudingen en van het openbare leven. In +dit laatste gebied heerschen de tegenstellingen en botsen de belangen; +de mensch leeft er in concurrentie en onverbiddelijken wedstrijd met +zijn medemenschen, hier verstijft in hem het milde en sterft het +mededoogen, hier wordt hij ijskoud en staalhard voor alles wat niet zijn +eigen heil betreft. In dat gebied is de moraal voornamelijk zaken-moraal, +regelend de verhouding tusschen het ik en de maatschappij als een +verhouding tusschen dingen; eerlijkheid, vlijt, spaarzaamheid, stiptheid, +soberheid, zijn de voornaamste deugden;[51] de onmisbare eigenschappen en +hoedanigheden der warenproduceerende maatschappij. In die sfeer druischen +plicht en neiging vaak tegen elkaar, het hart kan den weg tot de deugd +niet zonder geleide vinden: het gevoel moet dikwijls onderdrukt worden, +de impulsie te volgen is vaak gevaarlijk, naar de stem der menschelijkheid +te luisteren dwaas. Daar heerscht gij, koele rede, en gij, streng geweten, +over de trillende diepten van het gevoel. Daar heerscht--Kant: hij was het, +die de grondslagen der burgerlijke moraal in de sfeer der produktie klaar +en principieel formuleerde. + +In dat andere gebied, de sfeer niet van verwerven maar van verbruiken, +niet van arbeid maar van ontspanning, valt een milder licht van de +aangezichten, de stemmen klinken zachter, de oogen hebben een zachteren +glans. Daarheen zijn de affektieve neigingen der menschen gevlucht, daar +hebben zij zich teruggetrokken en geconcentreerd, toen zij werden verjaagd +uit het gebied van den arbeid en van de maatschappelijke verhoudingen. +Daar ontspant de mensch zich, zijn trekken ontspannen zich, hij ontdekt +zijn hart. Daar kan men luisteren naar het gevoel en de stem van het hart +volgen; daar bloeien bloemen van affektie, verteedering en innigheid, die +te koesteren deugd en wijsheid, die te vertreden roekelooze dwaasheid en +zonde is. In die sfeer heerschen liefde, weekheid des harten, spontane +gemoedsbewegingen, zachtmoedigheid; daar heerscht de moraal der "Nouvelle +Heloise." + +Wel schildert Rousseau in de "Nouvelle Heloise" ook verhoudingen uit het +gebied der produktie in dienzelfden milden gloed van openbloeiende +menschelijkheid. Maar het arbeidsgebied waarheen hij ons voert is het +vrede-omwuifde van produktie voor eigen gebruik en patriarchale +verhoudingen. De wetten der warenproduktie heerschen er niet, de duivel +van den winsthonger raast er niet; de meesters zien hun dienaren niet +aan met denzelfden kouden blik waarmee zij de werktuigen en de +grondstoffen beschouwen die deze hanteeren en verwerken; maar met oogen +zacht van welwillendheid en menschelijk medegevoel. Zij gevoelen +tegenover de nederige, onwetende vrienden, die voor hen arbeiden iets +van vaderlijke en moederlijke verantwoordelijkheid. Hier, op het voor +eigen gebruik produceerend bedrijf ten platten lande, wordt de verhouding +tusschen heeren en knechten gelouterd tot eene van sociale opvoeding; geen +hardheden schrijnen, de adem der menschelijkheid vaart ongehinderd heen +en weer. + +Deze patriarchale verhouding tusschen heeren en knechten beschouwde +Rousseau als even "natuurlijk" en evenmin aantastend de menschelijke +waardigheid en de menschen-rechten, als die tusschen meester en gezel. +Gelijkheids-drang verhief zich eerst in hem, wanneer de edelman den +burger verachtte als een wezen van minder soort. Tegen die verachting +deed klasse-bewustzijn hem overeind staan in beleedigden toorn, en +de gelijkheid aller menschen fier verkondigen. Dat gevoel heeft hij +afgebeeld in St. Preux, den armen intellektueel van plebeische afkomst +gelijk hij zelf was, schuchter en fijngevoelig als hij en als hij +verliefd op een vrouw van adellijke afkomst. Maar zijn ideeen over de +nietigheid der ongelijkheid van geboorte legde hij den engelschen +lord Eduard Bomston in den mond, als een hulde aan het land dat de +revolutionaire fransche denkers zich voorstelden, badend in de morgenzon +der burgerlijke vrijheid. + +De critici en biografen zeggen dat hij warrelig was en wankel, onzeker +van gemoed; dat de walm van zijn hartstochtelijkheid hem belette om +klaar te zien in zijn eigen gedachten; dat hij het levensbegeeren dat +in hem kookte en raasde nooit gepuurd heeft tot klaar-omlijnden wil. +Dit alles kan waar zijn: het _is_ waar dat hij een vat was van +tegenstrijdigheden. Zij zeggen dat hij onwankelbaar geweest is maar in +dit eene: in zelf-vertrouwen; dat het geloof in de onuitputtelijke +kracht, grootheid en goedheid van zijn ik de rotsgrond is geweest onder +zijn voeten. Ook dit kan waar zijn, ook hierin was hij een moderne, tot +het wezen der moderne persoonlijkheid behoort die verscheurdheid, dat +dobberen tusschen al te gering en overmatig zelfbewustzijn. Maar het is +niet waar dat alleen dit onwankelbaar in hem was. Dan zou hij niet +geworden zijn een bron waaruit geslachten dronken, naast mateloos +zelfbewustzijn en zelfverzonkenheid, ook moed, geestdrift, wilskracht, +daden-lust; lust aan de wereld te werken, niet aan zich zelf. In hem was +nog een ander onverzettelijk geloof: geloof aan een levens-ideaal. In +zijn geest stonden gegrift de groote lijnen van een levensgebouw, waarin +de gelukkige menschheid zou wonen, zoo zij deed naar zijn leeren en +luisterde naar zijn raad. Die ideale wereld droeg hij in zich, het +tegenstuk tot de werkelijke wereld, en elk zijner begeerten en zijner +meeningen, hoe woest de eenen vaak waren, hoe onsamenhangend de anderen, +was een trek ontleend aan dat machtige gebouw. Het rees in hem op uit +den drang zijner onstuimige gevoelens: zoo sterk en zoo hartstochtelijk, +omdat zij klasse-gevoelens waren, trillingen opkomend in millioenen +andere menschen. Het rees in hem op uit het wordend burgerlijk +bewustzijn, reikend in hem ver terug tot de dagen der fiere, zelfbewuste +poorters der midden-eeuwsche steden, die oude nesten waarin een nieuwe +vrijheid, een nieuwen levenswil, een nieuw aangezicht des levens +langzaam, langzaam werden uitgebroed. Het spande zich naar de verborgen +toekomst van titanische worstelingen--worstelingen, die de overwinning +zouden brengen en aan de kleinburgers de vrijheid en de gelijkheid +waarvan zij droomden; en toch weer niet, toch grievende teleurstelling, +omdat de kleine burgerij in de wereld die zij hielp maken, bekneld zou +raken tusschen het hoogere en lagere, tusschen grootkapitaal en +proletariaat. + +Hij wist wel, Jean Jacques, dat de grootburger een vijand was zijner +kleinburgerlijke droomwereld, even goed als de landheer en de absolute +vorst. En daarom haatte hij dien bourgeois, dien grooten burger gelijk +hij de tyrannen haatte. + + * * * * * + +Wij hebben de hoeksteenen beschouwd waaruit hij het ideale levens-gebouw +wilde oprichten: laat ons nu ten slotte van dit gebouw de groote lijnen +oproepen voor onzen geest. + +De aardbol is overdekt met tal van kleine onafhankelijke gemeenschappen; +een losse band van federatie bindt ze aaneen. Elk hunner bestaat uit een +kleine stad of eenige steden en een landelijk gebied. Op het land woont +de overgroote meerderheid der menschen, van landbouw en handwerk geneert +zich de massa van het volk. Elk dier gemeenschappen is ekonomisch +zelfstandig, onafhankelijk van alle anderen; de overheid gaat de +ontwikkeling der produktie-krachten tegen door den handel en de omloop +van het geld zooveel mogelijk te beperken. Zij streeft naar de grootst- +mogelijke bestendiging der oude produktie-wijze en produktie-verhoudingen, +de "natural-wirtschaft" en het kleinbedrijf. Zij weet dat handel en geld +die bestendiging bedreigen. Niet de verandering, maar het onveranderlijke +is de begeerte dezer menschen, want in hun harten is vrede. + +In die kleine gefedereerde staten bloeit de demokratie, de volksregeering. +De overheid wordt, in den regel uit de meer aanzienlijke geslachten, door +alle burgers gekozen. Zij legt voor het verzamelde volk van haar daden +rekenschap af. Er bestaat geen adel, geen staand leger, geen bureaukratie, +geen priesterkaste, geen afzonderlijke klasse van intellektueelen. De +burgers zijn niet allen gelijk in aanzien en vermogen, maar de verschillen +tusschen hen zijn gering: waar zij dreigen toe te nemen grijpt de overheid +in en herstelt de bedreigde gelijkheid. De intellektueele tegenstellingen +zijn niet grooter dan de sociale: evenmin als in kapitalisten en +proletariers, zijn de burgers verdeeld in hand- en hersen-arbeiders. Allen +nemen deel aan de produktie, allen hebben deel aan de kultuurschatten der +menschheid en het bestieren van het gemeenebest. + +De zeden zijn eenvoudig, maar niet spartaansch. Er is geen weelde of +overdaad, maar er is overvloed van al wat noodig is tot een behagelijk +leven. Kalme tevredenheid en broederlijke zin vervullen de harten dezer +menschen, zacht en gelijkmatig vlieden hun dagen voort in rustigen +arbeid en blijde ontspanning. Hun harten verheffen zich dankbaar tot den +schepper aller dingen, den oorsprong des levens; niet in tempels eeren +zij hem, geen menschelijke of goddelijke middelaars hebben zij tusschen +zich en het opperwezen noodig; hun godsdienst eischt geen leege +ceremonien; in de eenzaamheid der natuur brengen zij God hulde, en +dienen hem door de zedewet te vervullen, die hij in hun harten heeft +gegrift. + +Welig bloeit, in de omschaduwde sfeer van het huiselijk leven, de teere +plant van menschelijk geluk. Liefde drijft ranken en bloesems tusschen +jongemannen en meisjes, tusschen ouders en kinderen, tusschen broers en +zusters, tusschen magen en vrienden. Men eert den ouderdom om de gaven +die hij bezit van raad en wijsheid. Uit de zilverige stilte van het huis +glanst den man als hij heem-keert een klaren glimlach tegen: over den +rozigen zuigeling buigt zich het zachte gelaat der aanminnige vrouw. +Vrolijk en vrij dartelen de krachtige bloeiende kinderen, genietend in +wilde zorgenlooze uitgelatenheid hun jeugd. + +Werkzaam leeft het volk, de massa der burgers, winnend door dagelijkschen +arbeid het dagelijksch brood, maar niet slovend als knechten. Het brood, +door arbeid gewonnen, wordt met vreugde gegeten. Als het jaar zich wendt +van winterslaap naar nieuwe beloften, als de Mei lacht over de beemden, +als de oogst in de schuren gestapeld wordt, of de wijndruif geperst tot +geurigen most, dan verheugt zich het landvolk en verzamelt zich tot +feesten. In de steden uit zich de levenskracht en levensvreugd der burgers +in velerlei wedstrijden van de in schieten, worstelen, roeien en zwemmen +bedrevenen. Op de bloem-versierde pleinen komen zij bijeen, als vrije +mannen staande onder den vrijen hemel, om zich bewust te worden de volheid +hunner vreugd. Niet verwijfdheid, niet winstbejag, noch dwang verlaagt en +vergiftigt hun genoegens, wanneer zij zich scharen tot gemeenschappelijk +feestelijk maal. De gedachten aan het gemeenebest dat de belichaming is +der algemeene eenheid, waarin ieders persoonlijkheid ondergaat om te +herrijzen, gelouterd van de engheid des levens, omgeschapen tot een deel +van een wijder zijn, doet de borsten zwellen en de harten hoog kloppen. + +Zoo droomde Rousseau zich het schoonste leven. + +Zijn droom was de revolutionaire en dichterlijke utopie van het +kleinburgerlijk individualisme. Wij proletarische revolutionairen die nu +leven, droomen een anderen, grootscheren: den droom van de eenheid aller +menschen, opgroeiend uit het wezen van den arbeid in de socialistische +samenleving, uit de beheersching der natuurkrachten en der maatschappij- +krachten door de mannen en vrouwen-makkers eener vrije menschheid. Wij +zien wijder horizonnen opblinken en strekken onze armen daarheen, in +verlangen. Maar al zijn onze harten en hoofden anders gericht, dan zijn +hart en zijn hoofd waren, toch voelen wij de bekoring na van die +stillekens-glanzende, zachtkens-deinende, sprookjes-achtig vredige sfeer +die hij den menschen toonde--wij voelen zijn verlangen natrillen in onze +harten; omdat die sprookjessfeer de idealiseering was van een werkelijkheid +waaraan ook wij ontstammen, die nog niet gansch is ondergegaan in ons +vleesch en onze gedachten: de kleinburgerlijke. En ook daarom bekoort ons +nog die droomwereld, al voelen wij haar enge beperking, omdat sedert vrede +en vrijheid met het oorspronkelijk communisme zijn ondergegaan op aarde, +het menschenhart elke samenleving en elk beeld eener samenleving dat een +glimp, een zweem, een schijn daarvan bevat, voelt lokken als het land +zijner verloren kindsheid. + +Rousseau was de dichter-utopist van het klein-burgerlijk individualisme, +maar deze omschrijving put zijn wezen niet uit. Door kennis, lichamelijke +ervaring en fantazie ging zijn denken en voelen uit boven de omgrenzing +van eene bepaalde phase in de ontwikkeling der menschheid, al behoorde aan +die phase zijn hart, al voelde hij tot haar die heel eigen vertrouwdheid +die het kind tot de moeder voelt. Hij droeg in zich het beeld van den +stad-staat der oudheid die nog eenige overleveringen van het stamleven +bewaarde; hij droeg in zich de herinnering aan de zorgelooze bekoring en +de vroolijke gulheid der naturalwirtschaft, waarvan in de zwitsersche +bergen nog sporen over waren. Hij was ruimer van blik dan de +encyclopedisten, die geheel opgingen in bewondering voor het beginnend +kapitalisme, die elke vorm van samenleving behalve de burgerlijke +verachtten en verwierpen. + +Hij was ook veel meer dan zij een mensch van het instinkt-matige leven. +Achter de voorgronden van zijn klein-burgerlijk bewustzijn--dat +voornamelijk zijn gedachten over den staat, over den eigendom, over het +huisgezin bepaalde,--rees in het onder-bewuste, uit de diepten van zijn +organisme, een woeste, chaotische wereld van wilde begeerten, duister, +vormloos, geweldig zich rekkend omhoog. Oer-aandriften leven in den +mensch die nimmer vergaan, begeerte om los te komen van alle spangen en +breidels van het maatschappelijk leven, om te zwerven en te zwelgen in +vrijheid, stemmen uit een lang ondergegaan verleden, dat hij hoort +roepen door zijn bloed. Dan droomt hij van den natuurstaat en van +terugkeeren tot de natuur. Deze stemmen hoorde ook hij, de groote +droomer: zwerf-instinct was in hem, verlangen naar het ongebonden leven +der wildheid, hunkering heen te breken door den dam, den zelf-gemaakte, +die den mensch altijd omgeeft, zich altijd stelt tusschen hem en de +groote moeder natuur: het maatschappelijk milieu. Hunkering zich een +te voelen met het universum, zijn aangezicht te drukken tegen het +aangezicht der aarde, haar wateren en winden te voelen loopen over zijn +lijf, een brok natuur te zijn tusschen andere natuurbrokken. En de stem +van deze aandriften, die de achtergronden en de diepe ravijnen en de +weggezonken oerlagen waren van zijn bewustzijn, mengde zich met de stem +zijner maatschappelijke aspiraties en gaf aan zijn dreunend woord een +vreemdwilde fascinatie van ontzaggelijk heimwee en buiten-maatschappelijke +ondoorgrondelijkheid. + + +[Illustratie: ROUSSEAU AAN HET BOTANISEEREN. (Krijtteekening van Rosalie +Jenvernay 1801).] + + +NOTEN: + +[30] Haar meest bekende werk zijn de "Memoires de Madame d'Epinay," die +langen tijd gegolden hebben als een der beste bronnen voor het leven van +Rousseau in de jaren omstreeks 1750. De onderzoekingen van Fr. Macdonald +(Frederika Macdonald, A new criticism) hebben aan 't licht gebracht, dat +deze z.g. memoires een roman-pamphlet zijn, het eindresultaat van een +lange letterkundige machinatie tusschen Mme d'Epinay, Grimm en Diderot, +dus ten opzichte van de feiten, die zij beweren getrouw weer te geven +van nul en geener waarde (dit erkent ook E. Faguet, zie "Vie de +Rousseau," blz. 188-189). + +[31] Een analoog geval en evenmin met zekerheid te beantwoorden, is de +liefde van Wagner voor Mathilde Wesendonck, in den tijd dat hij den +"Tristan" maakte. + +[32] Mme d'Epinay beschuldigt Therese van 't schrijven van een anonymen +brief aan St. Lambert, wat om verschillende redenen zeer onwaarschijnlijk +is. 't Ligt voor de hand, dat, waar Mme d'Houdetot en Rousseau bijna +voortdurend samen waren, samen wandelden in den maneschijn, enz. en de +gasten op de Chevrettes, die tot denzelfden kring als St. Lambert +behoorden, van dat alles op de hoogte waren, geruchten en praatjes St. +Lambert _moesten_ bereiken. + +[33] Dat Rousseau het geloofde, kan men hem in geen geval kwalijk nemen: +hij wist dat zij vroeger een kind van Francueil heimelijk ter wereld had +gebracht. + +[34] Die beide gedeelten zijn: de geloofsbelijdenis van den Vicaire +Savoyard, waar het betoog omvat wordt in een prachtige verbeeldings-lijst; +en de idylle tusschen Emile en Sophie, die geheel beeldend is. + +[35] De eindeloos-uitgesponnen, langdradige romans van Richardson gaan +zoo sterk mogelijk in tegen wat men gewoon is het wezen van den +"franschen geest" te noemen, de liefde tot het bondige, beknopte, klare. +Hoe verklaart men de bijna afgodische vereering van een man als Diderot, +zoozeer franschman van wezen, voor Richardson, en het enorme succes van +diens werken in Frankrijk omstreeks 1760, anders dan door de groote +overeenstemming van aspiraties, belangen en behoeften, der engelsche en +der fransche burgerij? De gemeenschappelijke klasse-belangen, de sociale +faktoren dus, bewezen sterker te zijn, dan het nationale karakter en de +traditie. + +[36] Karl Marx, der 18te Brumaire des Louis Bonaparte. + +[37] Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de +vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel. + +[38] In den "Emile" schreef hij: "Wij naderen tot den staat van krisis +en de eeuw der omwentelingen." + +[39] Zie K. Marx, "Das Kapital" Deel I, Hoofdstuk I, afd. IV Der +Fetisch-charakter der Ware und sein Geheimniss; en voor een populaire +uiteenzetting: H. Gorter "Het Historisch Materialisme." + +[40] Ook in dit opzicht was de philosophie van Rousseau de eene pool, +die der materialisten de andere. Zij legden den nadruk op de +_passiviteit_ van den mensch, zijn afhankelijkheid van zijn natuurlijke +en sociale omgeving, en voerden hun leer tot de uiterste konsequentie in +het geloof aan het volstrekt mechanisch karakter van denken en handelen. +Hij legde den nadruk op de eigen aktiviteit van den mensch, zijn kracht +in te grijpen en den loop der wereld mede te bestemmen. Het is duidelijk +dat dit idealisme op praktisch gebied evenzeer een kracht was tot +revolutionair handelen als het mechanisch materialisme. + +[41] Gorter. + +[42] Men herinnere zich hoe in de dagen dat Rousseau schreef, de +plattelandsche bevolking van Frankrijk sterk achteruitging. + +[43] Meynier bestrijdt dit in zijn hiervoor aangehaald werk, dat een +poging is Rousseau als een liberale bourgeois voor te stellen. + +[44] Deze uitlating luidt: "Wat al misdaden, oorlogen, moorden, hoeveel +ellende en wreedheid had degeen aan het menschengeslacht gespaard, die +terwijl hij de palen uit den grond trok of de afgraving dichtwierp (de +grenzen van het eerste grondstuk dat privaateigendom was) aan zijn +mede-menschen toewierp: "Gelooft dien bedrieger niet Ge zijt verloren zoo +ge vergeet dat de vruchten van den bodem aan allen behooren en de bodem +zelf aan niemand behoort" + +[45] "La Reunion des Amours," van Marivaux, aangehaald bij E. et J. de +Goncourt, "La femme au 18ieme siecle." + +[46] "La femme au 18ieme Siecle," blz. 173. + +[47] Natuurlijk wordt bedoeld: van de heerschende klassen in beide. + +[48] "Contes Moraux de Marmontel;" aangehaald in "La femme au 18ieme +Siecle," blz. 239. + +[49] Een plan van openbare opvoeding om den gemeenschapszin der burgers +te vormen, stelde Rousseau voor in zijn verhandeling over het +regeerstelsel van Polen. + +[50] Natuurlijk vermag hij niet, de zelfzuchtige neigingen die de +inrichting der maatschappij opwekt, te niet te doen. + +[51] Dit geldt voornameijk voor de kleinburgerlijke, niet voor de +groot-kapitalistische maatschappij. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK + +DE LAATSTE WORSTELING. + + +Te Yverdun aangekomen, haastte hij zich den maarschalk zijn goede +aankomst te melden; ook aan Conti en Therese schreef hij. Hij liet haar +geheel vrij of zij hem in de verbanning wilde volgen. "Zie zelf wat ge +doen wilt, besloot hij zijn brief, en volg alleen uw eigen neiging; want +hoeveel 't mij ook zou kosten om mijn leven van 't uwe los te maken +nadat wij zoo lang samen zijn geweest, ik kan het doen, wel niet zonder +verdriet, maar toch zonder bezwaren. Ook staan aan uw verblijf in dit +land moeilijkheden in den weg. Maar zoo ge komen wilt, zal ik daarmee +niet rekenen. Overleg dus zelf, mijn beste kind, en zie of ge mijn +afzondering zult kunnen verdragen. Zoo ge komt, zal ik probeeren die zoo +zacht mogelijk voor u te maken; ik zal ook zooveel mogelijk zorgen, dat +ge uw godsdienstige plichten geregeld kunt waarnemen. Maar wilt ge +liever blijven waar ge zijt, doe het dan zonder gewetensbezwaar, en +ik zal altijd mijn best doen om u een goed en gemakkelijk leven te +bezorgen." + +Het was lief en verstandig gezegd. Voor een der nieuwste biografen van +Rousseau, E. Faguet, volgt uit dezen brief dat hij graag van Therese af +wou. Ik lees er geheel iets anders in. Zij wou er niet van hooren om in +Montmorency achter te blijven. + +Hij was nog maar enkele dagen te Yverdun, toen het bericht kwam dat de +regeering van Geneve den "Emile" en het "Contrat Social" in 't openbaar +had doen verbranden en de arrestatie van den schrijver, zoo die zich +binnen 't grondgebied der stad waagde, gelast. Andere veroordeelingen +volgden. Zoowel de wereldsche als de geestelijke machten achtten zich +bedreigd door den twijfel aan de wonderen en aan de openbaring, in den +"Emile" uitgesproken. Het hielp niet dat Rousseau de Godheid had laten +tronen in haren hemel; hij had het gezag der kerk aangerand en zoowel de +kerk als de staat, die in het kerkelijk gezag zich zelven aangevallen +voelde, brachten hun machtsmiddelen tegen hem in 't veld. Het feit dat +hij, tegen de gewoonte van den tijd, zijn werken onder zijn eigen naam +liet verschijnen, maakte dat men hem gemakkelijk treffen kon. De +aartsbisschop van Parijs, Monseigneur de Beaumont, verdoemde in een +herderlijk schrijven den "Emile" als een goddeloos boek; de paus +vervloekte het in een bul, de universiteit der Sorbonne waarschuwde er +uitdrukkelijk tegen, de Staat der Vereenigde Nederlanden veroordeelde +den schrijver en zijn werk evenals zijn kalvinistische zuster-republiek +had gedaan. Het "Contrat Social" werd alleen in Geneve verboden: de +akademische vorm maakte, dat men den revolutionairen inhoud niet zoo +spoedig doorzag. + +Spoedig werd Rousseau gewaarschuwd, dat ook de Senaat van Bern hem zou +veroordeelen: hij besloot Yverdun te verlaten nog voor het besluit +genomen was. Een familielid van den vriend waar hij verblijf hield, Mme +Boy de la Tour, bood hem een woning aan in het dorp Motiers, niet ver +van Yverdun aan de andere zijde van den berg gelegen in het vorstendom +Neuchatel, dat pruisisch grondgebied was. Het huis was gemeubeld en +geheel gereed: hij kon het onmiddellijk betrekken. Rousseau nam haar +aanbod aan; den 10den Juli, ruim een maand na zijn vlucht uit +Montmorency, kwam hij in Motiers aan. Weldra voegde Therese zich bij +hem; tranen van teedere vreugde vloeiden, toen zij elkander terugzagen. + +Motiers, in onze dagen bekend door groote asphaltmijnen, ligt in den +Jura in een hoog en woest dal, dat door begroeide hellingen ingesloten +van noord naar zuid loopt. Het dal is tamelijk breed, ruim een half uur +gaans, maar de donkere dennebosschen die aan beide zijden tegen de +steilte der bergen opklimmen, geven het een somber aanzien. De ligging +van noord naar zuid maakt dat de zon zich in de wintermaanden maar heel +kort boven den rand der bergwanden vertoont. De kom van het dal is kaal, +ook langs de oevers van het bergstroompje de Reuss groeien geen boomen. +Het klimaat is streng, de winter duurt lang, de sneeuwval begint in +Oktober en tot Mei blijft de sneeuw in het dal en op de bergen rondom +liggen. De huizen ziet men aan, dat ze er op ingericht zijn de +gebeurlijkheden van een ruw bergklimaat te trotseeren: het zijn zware, +massieve steenklompen--woning, stallen en schuren onder een dak--met +weinige kleine vensters en deuren, norsch-afgesloten tegen een +onvriendelijke buitenwereld. Behalve in de hoofdstraat, staan zij aan +ongeplaveide wegen onregelmatig verspreid. + +Ook thans nog nu het elektrisch licht, dat Motiers als bijna elk +zwitsersch dorp bezit, het sinister uitzicht dat de massaal-onbehouwen +huisgevaarten en de verlaten soppige wegen bij avond opleveren, wat +opvrolijkt, en het hijgend knarsend bergspoortje dat het dal inkruipt, +de voorstelling wekt van verbinding met de menschenwereld en verkeer, +voelt de vreemdeling die het dorp betreedt in den regenachtigen +avondschemer een huivering van beklemming, als hij denkt van voorgoed te +moeten leven in de trieste, niet grootsche maar kale eenzaamheid van dit +onvriendelijke dal, tusschen donkere hellingen ingesloten ver van den +lach der natuur en haar lieflijkheid, en heel den langen winter hunkerend +vergeefs naar een groet der zon. + +Rousseau voelde het drukkende van de omgeving, physiek en moreel; vooral +leed hij, die zon en warmte liefhad, onder den eindeloozen winter. Maar +toch ging hij houden van het land en de natuur gaf hem vele genotvolle +oogenblikken. De streek was romantisch en elk romantisch landschap +boeide en bekoorde hem. Zijn woning stond op den hoek van de hoofdstraat +en een breede landweg: aan de overzijde was het uitzicht vrij; hij zag +naar een waterval die zich van de bergen stortte. Het huis had op de +bovenverdieping een soort houten galerij of overdekt balcon, waar hij in +de zon kon zitten, of heen en weer loopen bij slecht weer. Ook zat hij +dikwijls op de bank voor zijn deur, naar dorpstrant, kantjes te knoopen +zooals de vrouwen van 't dorp ze maakten: hij hield er van, wat met zijn +handen te doen onder 't praten. In den winter was hij meest door zijn +kwaal aan huis gebonden; dat was de laatste jaren in Montmorency ook +zoo geweest. 's Zomers stelde hij zich voor dit gedwongen thuiszitten +schadeloos: dan wandelde hij veel, blootshoofds, maakte groote zwerf- en +ontdekkingstochten in de bergen, soms alleen, soms met anderen. Op die +tochten genoot hij volop, was beminnelijk en vrolijk. Zijn metgezellen +waren een en al verbazing dat de menschenschuwe misanthroop waarvoor hij +doorging zoo gezellig en goedgeluimd kon zijn. Dicht achter Motiers +vorkte het dal; die verleng-dalen boden vele bekoorlijke uitzichten; +het land was vol romantische bijzonderheden. Door de dalen huppelden +zilveren beken, van de flanken der bergen sprongen brullende watervallen, +de kruinen der hooge dennen, die kleine, zwarte nietigheden schenen van +uit de diepte der vallei, wuifden lommer, en ver verscholen, opschuimend +uit een wildernis van bemoste rotsblokken, waar frissche koelte woonde in +de heetste zomerdagen, ontsprong 't snelle riviertje dat door 't hoofddal +stroomde: de forellenrijke Reuss. + +Wandelen in een mooi land was altijd zijn liefste uitspanning geweest; +heerlijk genot, zoete verrukking zogen zijn zinnen uit vormen, kleuren, +geluid en geur. Nu hij ouder werd en aandachtiger, voldeed de aangename +gewaarwording alleen hem niet langer: hij begon al meer de afzonderlijke +natuur-dingen opzettelijk waar te nemen, nauwkeurig te beschouwen en te +vergelijken. In de verte zag hij slecht, maar dichtbij zeer scherp, en +dit maakte dat de planten en kruiden aan zijn voeten in hooge mate zijn +aandacht wekten. Hij voelde een inzinking in zijn gemoed, een soort +leegte, nu de krachtige drang, het groote enthousiasme dat hem twaalf +jaar lang had opgetild en gedragen, gebroken was. Voor een deel zal dat +gevoel wel een gevolg van geestelijke uitputting geweest zijn; hij had +ontzettend veel van zich gevergd in dat lange tijdvak van ononderbroken +gedachtespanning, en daarbij kwamen het verdriet en de teleurstelling +die hij ondervond. Al wat hij deed had hij gedaan, om de menschheid het +heil te brengen, haar den weg naar geluk en deugd te openen. En tot loon +was hij uitgeworpen als een volksverleider en een goddelooze; niet enkel +de absolute regeeringen en de roomsche kerk verdoemden hem, maar zijn +eigen vaderstad, die hij altijd in kinderlijke liefde had aangehangen +en verheerlijkt en andere staten tot voorbeeld gesteld. Dat smartte en +wondde hem dieper dan iets wat hij nog had doorgemaakt. Het was een +te zware slag voor hem: van af dien tijd begon het allerbeste en +allerschoonste in hem, de liefde tot de menschheid, te verwelken en +te verdorren. Vandaar die leegte in hem. "In mij zijn de grootste +zielsbewegingen dood" getuigde hij in een brief, "ik leef nog slechts +door gewaarwordingen." Toch waren in hem nog krachten om te minnen, er +was nog vuur van hartstocht over: hij gaf het aan enkele menschen, maar +hij had meer noodig, iets algemeeners om zijn drang in te storten, zijn +eenzaamheid mee te vullen. + +Die vervulling vond hij in de botanie, het bestudeeren en verzamelen van +planten, dat hij vanaf zijn verblijf te Motiers met eenige onderbrekingen +tot aan zijn dood toe voortzette. Met het oude enthousiasme, zooals hij +als knaap zich in een nieuwe liefde of een nieuwe tak van wetenschap +stortte, wierp hij zich nu op de kennis der planten. Als, hij botaniseerde, +vergat hij zijn smart, zijn teleurstelling, zijn verlatenheid, de strikken +zijner vijanden; zijn wantrouwen sliep in, hij voelde het leven als een +zachte aanraking, hij genoot, hij was gelukkig. Wat hij aan rustige, +heldere stemmingen, aan levensvolheid en levensgeluk heeft gekend gedurende +zijn lange, eenzame, duistere levensavond--eenzaam en duister door de +schuld der menschen en door zijn waan--is grootendeels door de botanie tot +hem gekomen. Zij verving voor hem wat hij verloren had, in zich zelven en +buiten zich zelven; zij leidde zijn droevige gedachten af van zijn eigen +lot, zij bracht zijn geschokt gemoed tot rust; haar voelde hij vaak als de +eenige band tusschen zichzelf en 't leven, omdat zij 't eenige was wat in +hem nog warme belangstelling wekte. + +Zijn lange geduldige toewijding aan de groeiende bloeiende natuurkinderen +heeft goede vruchten gedragen voor de wetenschap. De botanie verkeerde in +zijn tijd in een toestand van verwarring door de groote onzekerheid der +nomenklatuur en was nog weinig in tel, althans in Frankrijk. Men +interesseerde zich nog haast uitsluitend voor de kruidenleer, de ware of +vermeende geneeskrachtige eigenschappen der plan? ten, en bitter weinig +voor hun gedaante en bouw en hun leven. Rousseau was een der eersten die +in planten belang stelden, niet om het produkt dat zij opleverden, maar +om hun eigen leven. Dat wilde hij kennen, daartoe doordringen. Toen hij +eenig idee begon te krijgen van de voortplantingsorganen der planten was +hij een en al verrukking en enthousiasme. Hij begreep dat een goede +overzichtelijke indeeling een even onontbeerlijk hulpmiddel tot de studie +was, als optische instrumenten: vandaar zijn bewondering voor Linnaeus, +die toen in Frankrijk door een bekrompen vak-chauvinisme algemeen werd +verguisd. Zijn demokratische neigingen deden hem probeeren om de +plantkunde, toen nog uitsluitend studieobjekt van de vakmenschen, te +populariseeren. Hij drong er bij de geleerden op aan, zonder resultaat +natuurlijk, dat zij in hun handleidingen de grieksche en latijnsche termen +door fransche zouden vervangen en algemeen verstaanbaar schrijven, gelijk +hij zelf deed in zijn "Brieven over de elementen der botanie." Hij spoorde +de leeken aan tot het aanleggen van herbarien, van gekleurde teekeningen +voorzien, zooals hij die zelf vervaardigde. + +Rousseau, die bij zijn tijdgenooten den zin wekte voor het bewonderen +der natuur, het genot van 't buiten-wonen, de poezie der bergen, was ook +een der eerste natuur-onderzoekers die de leeken den weg wees hoe door +waarneming en onderzoek het organisme der natuur te leeren begrijpen, +die natuurkennis beschouwde als de zaak van allen, niet van +specialiteiten alleen. Zoo is hij ook op dit gebied een baanbreker +geweest, een voorganger op de banen der moderne wereldbeschouwing. + + * * * * * + +Van uit Motiers had Rousseau aan Frederik II geschreven, om hem verlof +te vragen in het vorstendom Neuchatel te wonen; ook wendde hij zich tot +den gouverneur van Neuchatel, een Schot, Lord Keith, in Zwitserland +doorgaans bij zijn titel Milord Marechal genoemd, en riep diens +bescherming in. Frederik beval aan Lord Keith den vluchteling zooveel +mogelijk ter wille te zijn; hij liet hem ook een jaargeld aanbieden. +Rousseau weigerde, getrouw aan zijn beginsel van onafhankelijk te willen +zijn en niet door gunsten gebonden. Zoo weinig werd dit beginsel +begrepen, dat toen de Malesherbes, waarmee Rousseau in briefwisseling +was gebleven, hem verzocht om ten zijnen behoeve een herbarium aan te +leggen, de fransche edelman slechts met de grootste aarzeling de kwestie +eener geldelijke vergoeding ter sprake bracht, uit vrees den schrijver +te kwetsen. Rousseau antwoordde eenvoudig, dat hij tot zijn spijt niet +rijk genoeg was, om gratis werk voor de Malesherbes te verrichten--hij +vond 't aannemen van geld voor verrichten arbeid van zelf sprekend en +in 't minst niet verlagend, hetzij dat werk muziek copieeren of +planten-verzamelen was. + +Lord Keith had Rousseau in antwoord op diens brief uitgenoodigd hem in +zijn zomerverblijf te Colombier, aan het meer van Neuchatel, te komen +bezoeken. Deze nam aan. De eenzelvige, knoestige, zwijgzame oude edelman +en zijn gast, allebei echte zonderlingen, voelden zich onmiddellijk tot +elkaar getrokken. "Onze naturen raadden en bevielen elkaar," schreef +Rousseau later. De twee mannen hadden veel gemeen: sterke begeerte naar +onafhankelijkheid, liefde voor de eenzaamheid, afkeer van vormelijkheid, +menschen-verachting; maar de Schot was even koel en gesloten van wezen +als Rousseau prikkelbaar en hartstochtelijk. De Zwitsers hielden niet +van Lord Keith; hun ietwat uitbundige aard--men placht de inwoners van +Neuchatel de Gasconjers van Zwitserland te noemen--werd afgestooten door +de uiterlijke stugheid van zijn optreden, maar Rousseau zag daardoor +heen zijn zuiver rechtschapen wezen, zijn warm menschelijk gemoed. Hij +hechtte zich aan den veel ouderen man als aan een vader, met een warme, +teedere en innige genegenheid, die mischien de klaarste en meest +harmonische affektie geweest is welke hij zijn leven lang heeft gevoeld; +zoo geheel en al vrij van onder-stroomingen van wantrouwen of wrevel. +Van hem nam hij gaarne alles aan, zonder zich beklemd te voelen; +tegenover hem voelde hij dankbaarheid als zacht en aangenaam; toen Lord +Keith hem een kleine jaarlijksche lijfrente voor Therese aanbood, zei +hij van harte ja. In Engeland, in zijn aller-zwartsten tijd, is zijn +genegenheid voor Lord Keith wel vertroebeld geworden door +waanvoorstellingen, maar nimmer verzwakt; en toen de grijsaard die hij +zijn weldoener placht te noemen, moede en rustbehoeftig verklaarde de +brieven vol getob en wantrouwen, die het antwoord waren op zijn pogingen +vrede te stichten niet meer te kunnen verdragen, en aan Rousseau +meedeelde, dat hij altijd graag van hem hooren, maar hem niet meer +schrijven zou, brak deze uit in de aandoenlijke klacht: "Uw goedheden +zijn de eenige troost mijns levens; wilt ge mij die eene zachte troost +nu ook ontnemen?" + +Lord Keith is een der weinige menschen geweest, die den persoon van +Rousseau hebben liefgehad om zijn groote, onbaatzuchtige en heroische +eigenschappen, zonder voor zijn gebreken blind te zijn, en zijn +zwakheden wisten te ontzien zonder ze te vleien. Aan Mme de Boufflers, +met wie hij over 't welzijn van hun gemeenschappelijken vriend +correspondeerde, schreef hij naar aanleiding van het bedanken van +Rousseau voor 't jaargeld, dat Frederik II hem aangeboden had: "Jean +Jacques is zeker te koppig in kleine en onverschillige dingen; maar hij +is het ook in het goede, in eerlijkheid en onbaatzuchtigheid, wat meer +dan rijkelijk opweegt tegen zijn kleine koppigheden, en maakt dat men +van hem houdt en achting voor hem gevoelt." Gaarne had Lord Keith den +vriend voor goed ondergebracht in zijn buitenverblijf te Colombier, waar +de lucht zachter was dan in Motiers, en dat hij alleen 's zomers +bewoonde. Maar Rousseau weigerde. Wel bezocht hij Lord Keith vaak, zij +plachten dan samen den droom te droomen van het stichten eener kleine +republiek op een der bezittingen van Lord Keith, in Schotland. Zij +tweeen en David Hume, een landgenoot van den ouden edelman, beroemd +philosooph en geschiedschrijver, zouden daar wonen; ieder zou volkomen +vrij zijn om zijn leven in te richten naar eigen goedvinden, en naar +draagkracht medebetalen in de gemeenschappelijke huishouding. Jean +Jacques wiegde zich gaarne in dien droom van voor goed samen te leven +met menschen die hij liefhad; hoe dikwijls had hij dat al gedaan: eerst +met Mme de Warens, toen met Altuna, toen met Mme d' Houdetot en St. +Lambert; nu deed hij het weer, en al geloofde hij er zelf misschien maar +half meer aan en Milord Marechal eigenlijk heelemaal niet: die sprak van +luchtkasteelen bouwen, maakte het hem toch gelukkig. Die dagen in +Colombier leefden voort in Rousseau als de laatste herinneringen van +onverdeeld geluk. Helaas werden het al te gauw herinneringen: Milord +Marechal kreeg moeilijkheden met de Zwitsers en verliet Neuchatel 't +jaar nadat Rousseau zich in Motiers had gevestigd; hij ging eerst naar +Schotland, toen riep Frederik II hem naar Potsdam. Rousseau heeft hem +nooit teruggezien. + +In Motiers voelde hij zich spoedig geheel eigen, al hield hij in 't +algemeen niet van 't slag menschen, hij vond ze vol pretenties en ijdel, +van een overdreven, gemaakte vormelijkheid die hem verveelde en ergerde. +Maar hij maakte toch verscheiden vrienden en vriendinnen, jonge meisjes +en jonge vrouwtjes uit de buurt, aan wie hij zijn kantjes beloofden als +zij zelf hun eerste kind zoogden. Intiem verkeerde hij vooral met een +schatrijken Amerikaan, du Peyrou, die ook aan botanie deed en wiens +wijze van optreden--hij sprak weinig, maakte geen complimenten, had +veel gelezen en oordeelde zelfstandig over de dingen--Rousseau een poos +lang sterk aantrok. Jaren lang waren zij groote vrienden, du Peyrou +bezocht hem na zijn terugkeer uit Engeland herhaaldelijk; later begreep +Rousseau niet meer wat hij eigenlijk in dien man had gezien. + +Nog andere kennissen maakte hij; het was verwonderlijk hoe plastisch hij +nog was, na al de knauwen die het leven hem gegeven had; zoo in 't +geheel niet verstard nog; een echt kunstenaar, altijd zoekend naar de +ideale goedheid en schoonheid in den man en de vrouw, telkens opvlammend +in liefde en geestdrift, waar hij meende ze te vinden. De dorpelingen +mochten hem graag lijden: zijn aankomst had heel wat tongen in beweging +gebracht, maar zijn natuurlijke beminnelijkheid overwon al gauw de +vooroordeelen tegen den "philosoof," den man wiens godslasterlijke +boeken in de halve wereld verbrand werden. Als hij zoo voor zijn deur +zat kant te knoopen, leek hij in 't minst niet gevaarlijk; en hij was +zeer hulpvaardig en tegen ieder beleefd. Er waren wel vreemde dingen aan +hem, vonden zij: zijn kleeding, b.v. (hij had in Motiers de armenische +dracht aangenomen, naar hij zeide, omdat die hem makkelijker was, met 't +oog op de behandeling die zijn kwaal noodig maakte). Maar verkeerde de +algemeen-geeerde predikant van het dorp, Montmollin, niet hoffelijk met +den veel-besproken, zonderlingen vreemdeling? Bezocht deze niet geregeld +de kerk, had hij zelf niet verzocht tot het heilig avondmaal toegelaten +te worden, en had domine dat verzoek niet ingewilligd? Dan kon hij toch +onmogelijk een godsloochenaar wezen. De boeren van het bergdorp waren +steil in de leer, maar zij vertrouwden hun predikant, die in den hevigen +strijd over de eeuwigheid der verdoemenis, toen juist aan den gang onder +de zwitsersche theologen, met hart en ziel de orthodoxe inzichten +verdedigd had. Zoo had Rousseau voorloopig althans in zijn woonplaats +rust. Maar er behoefde niet veel te gebeuren om het godsdienstige +fanatisme van een achterlijke boerenbevolking tegen hem op te wekken. + +Met de toelating tot het avondmaal zat het zoo. Het verzoek van Rousseau +bracht den predikant natuurlijk in groote verlegenheid. Hem kortweg +weigeren ging moeilijk: hij had vrijwillig verklaard de leerstellingen +der kerk aan te nemen, hij was misschien een berouwvol zondaar; en dan, +welk een eer voor den predikant om zulk een vermaard en gevierd man tot +lid zijner gemeente te hebben! Aan den anderen kant: de "Geloofsbelijdenis +van den Vicaire Savoyard" had toch eigenlijk weinig gemeen met het +protestantisme: kon men den schrijver toelaten?... Het was een lastig +geval voor domine Montmollin.... Later beweerde hij, dat Rousseau hem +had meegedeeld naar Motiers te zijn gekomen om zijn verdere levensdagen +in rust en vrede te eindigen, en hem de schriftelijke belofte gegeven, +niet meer te zullen schrijven. Daarop had Montmollin hem toegelaten, +want zoo dit zoo was behoefde er immers geen vrees meer te bestaan voor +nieuwe schandalen; Rousseau van zijn kant verklaarde, zich nooit te +hebben beschouwd als gebonden door een belofte. Wel had hij aan den +predikant gezegd, niet meer te zullen schrijven, maar, zooals hij het +toevallig juist in dienzelfden tijd in een brief aan Milord Marechal had +uitgedrukt, die belofte van niet-schrijven was een belofte aan +zichzelven gedaan, niet aan anderen, een voornemen, geen verplichting; +als voorwaarde haar zich gesteld zien wilde hij allerminst. Daarom +beschouwde hij het ook volstrekt niet als de schending eener belofte, +dat hij in Motiers nog twee werken schreef tot zijne verdediging: de +"Lettre a monseigneur de Beaumont" en de "Lettres de la Montagne." +(Brieven uit de Bergen) Zijn aanvallers, zeide hij, hadden hem gedwongen +tweemaal een uitzondering te maken op den regel dien hij zichzelf had +gesteld. Dat hij zoo redeneerde is heel begrijpelijk. Maar ook is het +begrijpelijk, dat Montmollin, die van zijn collega's toch al 't een +en ander had moeten hooren over 't toelaten van den schrijver der +"Geloofsbelijdenis" tot het avondmaal, er anders over dacht, en zich +zeer gegriefd voelde toen de verschijning van de "Brieven uit de Bergen" +de protestantsche wereld in rep en roer bracht. + +Niet de waarde der argumenten, welke Monseigneur de Beaumont tegen hem +aanvoerde, bewoog Rousseau tot beantwoording van diens zendbrief, maar +de gevoelens van hoogachting en bewondering, die hij voor dezen +tegenstander om zijn persoonlijke hoedanigheden koesterde. De kerk zag +natuurlijk het groote gevaar in dat voor haar school in een opvoeding +gelijk Rousseau aanbeval: den geest van het kind niet vroegtijdig den +plooi te geven van onderdanigheid aan de geboden der kerk, maar het +leeren zelfstandig te denken. In een felle philippica verdoemde de +aartsbisschop "den geest van ongeloof, die ook een geest van +onafhankelijkheid en oproer is," en noemde den "Emile" even waard om +door de vervloekingen der kerk, als door de strengheid der wetten +getroffen te worden. + +Het antwoord van Rousseau was waardig, vol zelfbedwang en toch vol +innerlijke bewogenheid. Hoe menschelijk-ontroerd en waarachtig- +verontwaardigd klonk die stem, vergeleken met de retorische banvloeken +van den bisschop. En ook hoe anders van toon dan de gewone polemiek +tegen het katholicisme, zooals die door Voltaire gevoerd werd: hatelijk, +schamper, persoonlijk-kwetsend. Ook in dit geschrift was vernuft te +vinden, schitterende polemiek, spot zoo licht en fijn dat Grimm gedwongen +werd te erkennen "ik herken den burger van Geneve niet meer," maar het +werd gedragen door eene elk woord doortrillende overtuiging, door +hartgrondig geloof in de eigen denkbeelden, en ook voelde men hierin het +geloof in den ernst en de goede trouw van den tegenstander, dat bij +Voltaire volkomen ontbrak. + +Nieuwe gedachten bevat het "Antwoord aan Monseigneur de Beaumont" +weinig. Dit was ook natuurlijk: Rousseau had immers zelf verklaard zijn +gedachten over de verhouding van den mensch tot god en de verhoudingen +der menschen tot elkander in hoofdzaak te hebben uitgesproken.[52] In +dit werk en het volgende, de "Brieven uit de bergen," kwam hij wel op +bepaalde punten terug, om ze nieuw te belichten of uitvoeriger uiteen te +zetten, maar de hoofdlijnen van zijn levens- en wereldbeschouwing had hij +in de werken der groote jaren neergezet. Van belang in den "Brief aan +Monseigneur de Beaumont" is vooral zijn uitweiding over den universeelen +godsdienst, waarin hij Joden, Christenen en Mohamedanen, met instandhouding +van de bijzondere vormen van ieders geloof, wilde vereenigen. "Want elke +godsdienst is goed, die door de wetten wordt voorgeschreven en de +essentieele religie bevat." Zijn beschouwingen over de gelijkwaardigheid +der verschillende monotheistische godsdiensten, over het wezen van den +godsdienst als geloof aan een schepper en vader en het goddelijke in den +mensch, over de plicht van verdraagzaamheid en wederzijdsche waardeering, +komen geheel overeen met de ideeen van andere revolutionair-burgerlijke +denkers uit dit tijdperk: het is soms of men Lessing's Nathan spreken +hoort. De toenemende gelijkmaking van alle volken door de warenproduktie, +boven alle nationale en historisch-gewordene verschillen uit, moest de +voorstelling doen ontstaan van een algemeene wereldreligie, waarin alle +verschillende godsdiensten zich zouden oplossen. Rousseau's droom van +den universeelen godsdienst vormde het tegenstuk tot zijn staatkundige +denkbeelden, waarin hij juist het bijzondere van elk volk tot grondslag +der regeeringsvorm maakte. Als klein-burger hechtte hij te zeer aan het +bijzonder-nationale, zag daarin te zeer de pit en het merg van ieder +volk, om idealen van staatkundig wereldburgerschap te kunnen koesteren. +Hij was in den hoogsten graad anti-imperialist. Zoo beperkte hij zijn +droom van wereldburgerschap tot het gebied van den godsdienst. + +Op zijn veroordeeling door den Raad van Geneve had Rousseau langen tijd +gezwegen. Hij verwachtte dat zijn medeburgers zich tot de regeering +zouden richten en op revisie van het vonnis aandringen. Een jaar lang +wachtte hij, maar de algemeene aktie die hij gehoopt had, bleef uit. +Slechts zijn verwanten en enkele vrienden richtten vertoogen tot de +overheid. Het initiatief daartoe nam zijn vurige aanhanger Moultou, een +jeugdig predikant, aan wien Rousseau na eenige bedenkingen had vergund +zijn verdediging op zich te nemen, mits hij schreef "zonder toorn, +zonder spot, vooral zonder lof, met zachtheid en waardigheid, met kracht +en wijsheid, in een woord, zooals het een vriend der gerechtigheid, nog +meer dan van den verdrukte betaamt." Diep gewond door het onrecht dat +hem geschied was--hij kon het eerst nauwelijks gelooven--gegriefd door +de lauwheid en onverschilligheid zijner medeburgers, greep hij eindelijk +naar het laatste middel van protest waarover hij beschikte: den 12den +Mei 1763 schreef hij aan de burgemeesters van Geneve, van zijn +burgerschap der stad voor altijd afstand te doen. + +De veroordeeling van den "Emile" door den Kleinen Raad had plaats +gevonden eer een enkel exemplaar van het werk in de stad in omloop +was. Men moest zich ter motiveering van het vonnis behelpen met het +requisitoir van het Parijsche hof. Dit bewijst natuurlijk al dat de +veroordeeling onwettig was. Volgens de wet had men Rousseau ter +verantwoording moeten roepen en verhooren, hem gelegenheid moeten geven +te verklaren al dan niet de schrijver van het bewuste werk te zijn, zich +te verdedigen en zijn dwalingen te herroepen. Maar de patriciers-kaste +die in de "vrije republiek" Geneve regeerde, bleek even beducht voor de +vrije kritiek der godsdienstige instellingen als de heerschende klasse +van het absolutistisch-feudale Frankrijk: zij veroordeelde het boek +zonder het gelezen, en vonniste den schrijver zonder hem verhoord te +hebben. Het drijven der fransche regeering was hieraan niet vreemd. + +De daad van Rousseau wekte natuurlijk algemeen opzien. Gelijk meer +gebeurt, gaf het scherpe en doortastende optreden van den boven anderen +uitstekenden enkeling, het sein tot de bewustwording van langgekropte +grieven bij de massa. De kleine burgerij ontwaakte tot het besef van de +machts-misbruiken, waaraan de Kleine Raad zich schuldig maakte, en de +strijd voor herstel van het onrecht aan Rousseau gepleegd, werd tot +een onderdeel van de worsteling voor herstel van de oorspronkelijke +machtsbevoegdheden der burgerij. Deze bevoegdheden bestonden, zooals de +lezer zich zal herinneren, voornamelijk uit het recht om vertoogen te +richten tot de regeering, die dan door de algemeene vergadering +behoorden onderzocht te worden. In den loop der jaren had de Kleine Raad +zich meer en meer het recht aangematigd, zulke vertoogen voor +kennisgeving aan te nemen. Dit verstond men onder het "droit negatif," +dat het groote strijdpunt tusschen de aristokratie en de demokratie +vormde. Het vertoog, door een groep burgers in den zomer van 1763 ter +zake van Rousseau tot den Kleinen Raad gericht, beantwoordde deze eerst +met vage, niets-zeggende verklaringen; toen de burgers aanhielden en +naarmate hun vertoogen dringender werden, werden de antwoorden der +regeerders onbeschofter, tot ten slotte de vertoogers zich genoopt +voelden de vraag te stellen: "Of de Kleine Raad zich aanmatigde, ieder +vertoog zonder het te onderwerpen aan de algemeene vergadering der +burgers, af te wijzen, dat wil zeggen, in werkelijkheid het recht van +vertoog af te schaffen." Daarmee had de bijzondere zaak van Rousseau +zich opgelost in het brandende strijdpunt der inwendige politiek: zijn +naam werd de vaan, waarom heen zich de klassen en klassen-deelen +schaarden, die herstel der oude demokratische instellingen begeerden. +Het waren: een kleine fraktie der hoogere bourgeoisie, de breede +middenstand en de volksklassen; verder een deel der intellektueelen, in +de eerste plaats de jongere predikanten, die min of meer beinvloed waren +door de nieuwe ideeen van verdraagzaamheid en neigden tot het liberale +protestantisme. Tegen Rousseau verklaarden zich de machten van het +behoud: de Kleine Raad, waarin de aristokratische geslachten zaten en +grootendeels ook de Groote Raad der Tweehonderd, dat wil zeggen de +aanzienlijke bourgeoisie, en de meerderheid der predikanten. + +Van af het oogenblik zijner veroordeeling hadden de vurigste demokraten +onder zijn geneefsche vrienden er bij Rousseau op aangedrongen dat hij +zich niet aan het vonnis onttrekken, maar zelf naar Geneve komen en den +loop der dingen afwachten zou. Hun bedoeling was, dat hij hetzij als +martelaar de zaak der democratie dienen, hetzij als leider zich aan de +spits der burgers stellen zou. + +Rousseau had hardnekkig geweigerd; aanvankelijk weigerde hij zelfs om +zich op eenigerlei wijze in den strijd die feitelijk door zijn toedoen +van latent akuut geworden was, te mengen. Hij handelde hierin volgens +zijn overtuiging, dat van alle goederen des levens niet de vrijheid, +maar de vrede, het hoogste is, en zelfs de vrijheid niet waard, ten +koste van bloed gewonnen te worden. Deze overtuiging hing natuurlijk +samen met den sterken afkeer in hem tegen de daad, die zulk een vreemde +tegenstelling vormde tot de stoutmoedige konsekwentie van zijn denken. +Daarbij had hij een afschuw van burgertwisten en had hij eens een eed +gedaan zich nimmer daarin te mengen. Maar de omstandigheden drongen hem +tegen zijn wil en zijn neigingen in den strijd. + +Zoowel van de zijde der "vertoogers" als van die der gezags-menschen +waren reeds eenige politieke pamphletten verschenen, toen de +procureur-generaal Tronchin (een broeder van den geneesheer) zich in +den strijd mengde. In een polemisch geschrift, "Lettres de la Campagne" +(Brieven van Buiten) getiteld, zette hij op handige wijze het gevaar +uiteen dat geschriften als de "Emile" en de "Contrat Social" voor de +protestantsche kerk en den regeeringsvorm van Geneve opleverden; en +trachtte te bewijzen dat Rousseau wettig veroordeeld was geworden en de +Kleine Raad het recht bezat, elk vertoog naast zich neer te leggen. Het +geschrift deed veel schade aan de zaak der demokraten. Er was maar een +man in hun rijen in staat den schrijver der "Brieven van buiten" door de +kracht van zijn argumentatie, zijn kennis en zijn talent te verpletteren. +Die man was Rousseau. Zijn geestverwanten voelden dit, al deden zij +zelven hun uiterste best. Zij stelden een antwoord op en verzochten +Rousseau daaromtrent met hen te overleggen: hij verklaarde zich hiertoe +bereid en ontmoette op een geheime bijeenkomst in Thonon, aan de overzijde +van het meer van Geneve, in den zomer van 1764 de democratische leiders +om met hen den opzet van hun antwoord aan Tronchin, dat hem maar matig +voldeed, te bespreken. Hij deelde hun echter niet mede dat hij zelf reeds +in alle stilte een antwoord had gereedgemaakt. Voor vriend en vijand +onverwacht verschenen de "Lettres de la Montagne" (Brieven uit de Bergen) +op 't einde van het jaar: het geheim was tot het laatst toe goed bewaard +gebleven. + +De "Brieven uit de Bergen" zijn het polemisch meesterwerk van Rousseau, +en tevens het werk waarin hij 't meest zijn slagen richt, niet tegen +regeerings-willekeur, priester-dwang en onverdraagzaamheid in 't +algemeen, maar tegen een bepaalde kerk: de kalvinistische; en een +bepaalde regeering: de aristokratische van Geneve. Twee van deze brieven +zijn gewijd aan 't weerleggen van de beweringen van Tronchin omtrent de +"gevaarlijkheid" van den "Emile" en de "Contrat Social;" hij analyseert +daartoe beide werken uitvoerig. In drie brieven toont hij de +onwettigheid zijner veroordeeling aan en gaat hij na, welke loop de wet +voorschreef te volgen, met voorbeelden aan de rechtspleging van Geneve +ontleend. Twee verdere brieven zijn grootendeels gewijd aan een kritisch +onderzoek van de wonderen en het wondergeloof; eveneens twee aan een +beschouwing over den toestand der republiek Geneve en der brandende +politieke kwestie: het "droit negatif." Deze beschouwing gaf Rousseau +gelegenheid tot een uitmuntende historische uiteenzetting over de wijze, +waarop de stedelijke aristokratie, zonder den vorm der regeering te +veranderen, in den loop der tijden aan de burgerij haar oude rechten +ontfutseld en zich van de staatsmacht meester gemaakt had. + +De "Brieven uit de Bergen" bevatten brandstof genoeg om Geneve in +lichtelaaie te zetten. Rousseau verklaarde zijn geloof voor het ware +protestantisme; hij beschuldigde de protestantsche geestelijkheid van +door kleingeestigheid, onverdraagzaamheid en vormendienst, de echte +beginselen der gereformeerde religie vertroebeld te hebben. Het beginsel +dezer religie was volgens hem niets anders, als de grootst mogelijke +vrijheid van kritiek en onderzoek: "Toen de hervormden de roomsche kerk +verlieten, ... vroeg men hun, uit kracht van welk gezag zij het oude +geloof verzaakten; zij antwoordden uit kracht van hun eigen gezag, hunne +rede.... Het eenige wat hen verbond was, dat zij allen elk hunner +erkenden als een bevoegd rechter over zich zelven.... De vrije +interpretatie der schrift houdt niet enkel het recht in voor elkeen, +om haar te verklaren naar zijn eigen meening, maar ook om te mogen +twijfelen aan wat ons twijfelachtig voorkomt en onbegrijpelijk te mogen +vinden, wat wij niet begrijpen." Zoo verhief Rousseau de vrijheid van +het individu in geestelijke zaken boven het gezag der kerk en de +uitspraken der synoden. Dit modern-individualistisch standpunt moest +natuurlijk hetzij door een langen strijd _in_ de kerk tegen de +kerkelijke machtdragers veroverd worden, of tot treden _uit_ de kerk +leiden; de rechtzinnige predikanten bestreden het als een afschuwelijke +ketterij. + +Niet minder fel viel Rousseau in de "Brieven uit de Bergen" de politieke +machthebbers aan. Hij beschuldigde de leden van den Kleinen Raad van +despotisme, verweet hun de wetgevende en uitvoerende funkties op onwettige +wijze te vereenigen en aan niemand rekenschap te geven van hun gedrag. +Scherp richtte hij zich tegen de aristokratische partij. "Alles," schreef +hij, "wat door omkooperij en kuiperij geschiedt, geschiedt bij voorkeur +ten voordeele van wie regeeren, en dit kan niet anders. List, vooroordeelen, +eigenbelang, vrees, hoop, ijdelheid, een schijn van orde en tucht, alles +komt bekwame lieden die 't gezag in handen hebben en de kunst verstaan het +volk te bedriegen, ten goede. Wanneer het er om gaat, handigheid tegen +handigheid, en krediet tegen krediet uit te spelen, welk een voordeel +hebben dan niet in een kleine stad de eerste geslachten, altijd verbonden +tot heerschen, met hun vrienden, hun beschermelingen hun kreaturen, +vereenigd met de macht van den raad, om de eenvoudige burgers die hen +'t hoofd bieden te verpletteren?" Tegenover deze heerschzuchtige en +zelfzuchtige aristokratie, steunend op het gepeupel, stelde hij de breede +laag der burgers, de middenstand, "die zich tegen de machtigen verheffen +voor de handhaving der wet." "Ten allen tijde is dit de taak geweest van +den stand tusschen de rijken en de armen, tusschen de regeerders en het +gepeupel. Deze stand, samengesteld uit lieden vrijwel gelijk in fortuin, +in staat, in kennis, is noch hoog genoeg om zich macht aan te matigen +over anderen, noch laag genoeg om niets te verliezen te hebben. Hun +groot en gemeenschappelijk belang is dat de wetten gehandhaafd, de +overheid geeerbiedigd worde, dat de constitutie onveranderd blijve en +vrede heersche in den staat.... Dit is het gezondste deel der republiek, +het eenige waarvan men zeker is dat het algemeen welzijn zijn doel is. +Daarom ziet men altijd in hun gemeenschappelijk optreden de eerbaarheid, +de ingetogenheid, de achting en de onverzettelijkheid van mannen, die +zich voelen in hun recht en zich houden aan hun plicht." Deze breede +laag van de burgerij wekte hij op om tegen een onbeschaamde en +tyrannieke aristokratie voor de handhaving hunner oude rechten te +strijden. "Gij, burgers van een kleinen staat, kunt geen stap doen +zonder uw ketenen te gevoelen. De verwanten, de vrienden, de +beschermelingen, de spionnen van uw meesters zullen in hoogere mate +heerschen dan zijzelven; gij zult noch uw rechten durven verdedigen, +noch uw goederen opeischen, uit angst u vijanden te maken.... Gij zult +satelliet of slachtoffer moeten zijn." Tegenover hen, die van het vaak +bijeenroepen van de algemeene vergadering der burgers gevaar duchtten +voor den staat, tuchteloosheid, anarchie, bracht Rousseau in herinnering +dat de besluiten der algemeene vergaderingen in alle tijden vol wijsheid +en dapperheid waren geweest, nimmer onbesuisd noch lafhartig. "Men heeft +er somtijds gezworen voor 't vaderland te sterven, maar ik tart u er +mij een enkele te noemen, waarin men hetzij lichtvaardig de naburige +mogendheden ontstemd, hetzij voor ze gekropen heeft.... Wat naar ik +geloof van de besluiten van den Kleinen Raad niet valt te zeggen." + +Nimmer nog was in Rousseau de taaiheid van den kleinburgerlijken trots, +de onbuigzame wil tot onverzettelijk vasthouden aan verworven rechten en +onrechtmatigen druk te weren, zoo sterk naar boven gekomen. Nimmer had +hij zich zoo ver gewaagd van den droom en de theorie op het gebied van +het reeele leven, nimmer had hij zoo vurig en bezielend aangedrongen op +bepaalde gemeenschappelijke daden.... + +Maar zij, die er onophoudelijk bij hem op hadden aangedrongen dat hij +hun zou voorgaan in den strijd, verschrikten van de stoutmoedigheid van +zijn aanval. De "Brieven uit de Bergen" wekten een storm in en buiten +Geneve: zoowel de regeerende klasse en haar aanhang, als de predikanten- +bent keerden zich als een man tegen hem. Het boek werd te Parijs, (te +zamen, o ironie, met de "Philosophische Dictionnaire" van Voltaire) in +den Haag en in Geneve in 't openbaar verbrand. Zelfs de vurigste +aanhangers van Rousseau en zijn trouwste vrienden weifelden. Moultou, +de discipel die hem eenmaal geschreven had: "Mijn dierbare meester, ik +wil pogen de voetstappen van Jezus Christus te drukken en de uwen" +lamenteerde nu: "uw boek is een heldenklacht, maar welke invloed +zal het onder ons hebben? God weet of ge het op een dag misschien zult +uitwisschen met uw tranen of dat uw vaderland altaren voor u oprichten +zal." Mme de la Tour schreef vol twijfel en bezorgdheid. De abbe de +Mably, een der oudste literaire vrienden van Rousseau, wiens denkbeelden +in menig opzicht met de zijnen overeenstemden, maar die in ekonomische +zaken veel radikaler dacht: hij had beslist-socialistische neigingen, +liet zich in een particulier schrijven zoo grof-misprijzend en +beleedigend over den man, die deze "Brieven" geschreven had, uit, ("per +slot van rekening is hij dan toch een soort gek. Is hij een Erostratus, +die den tempel van Ephesus in brand wil steken? Is hij een Gracchus?"), +dat Rousseau hoofdschuddend zeide: "Zoo'n stomme brief kan onmogelijk +van Mably zijn," en nauwelijks wou gelooven dat het wel zoo was. En zoo +ging het in eenen door: de wereld was tegen hem. + +Waarom viel men van alle kanten zoo op hem aan? Waarom raakten zijn +vrienden in verwarring en schaamden zij zich over hem? Waarom die +algemeene afkeuring, dat geloei van haat van menschen, die de woedende +tiraden van het tweede "Discours" prachtig gevonden hadden?--Omdat hij +in de "Brieven uit de Bergen" _den klassenstrijd_ gepredikt had, niet +abstrakt en theoretisch, gelijk in de "Contrat Social," maar reeel en +konkreet, den strijd van de kleinen tegen de grooten. Daarom vonden de +grooten hem een gevaarlijk dier. + +Nu was de tijd schoon voor haat en nijd om hem te bespringen; de tijd +schoon voor dat schitterend vernuft, dat doordringend verstand, die +kleine minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst: Voltaire, om hem +laaghartig, verraderlijk te bespringen. + +Of Voltaire al eerder deel had genomen aan den officieelen en +officieuzen veldtocht tegen Rousseau, is niet zeker: er bestaan geen +bewijzen voor en hij zelf heeft het later onder eede geloochend, wat +natuurlijk niets zegt. Evenmin bewijst het iets, dat toen Rousseau +overal verbannen en verjaagd werd, Voltaire den vluchteling deed weten +hem met open armen te zullen ontvangen, zoo hij in Ferney een toevlucht +zocht. Want ten eerste poseerde Voltaire gaarne voor "de beschermer +aller verdrukten," en dan, welk een zoete wraak zou dat geweest zijn: +Rousseau als smeekeling te Ferney, gedwongen bij hem bescherming te +zoeken. Het was misschien een tegenval geweest voor Voltaire en een +grief te meer van hem tegen Rousseau, dat deze niet op het landgoed van +den patriarch van Ferney, maar in de staten van den koning-philosooph +van Pruisen een wijkplaats zocht. Maar de hoofdgrief was toch: +Rousseau's stijgende vermaardheid. Voltaire werd verteerd door nijd +jegens zijn groote mededinger. + +Door de verschijning van de "Nouvelle Heloise" en den "Emile" was +Rousseau een ster der eerste grootte geworden, stralend met gelijke +kracht als Voltaire, maar in milder en warmer glans. Voltaire was de +onbetwiste leider en de voornaamste propagandist van het burgerlijk- +revolutionair intellekt in diens strijd tegen de kerk, tegen haar +macht en haar dogma's, en ook tegen wat men de "misbruiken" van +absolutisme en feudalisme noemde. Hij was de helper en beschermer van +hen die door het godsdienstig fanatisme verdrukt en vervolgd werden. +Maar hier lagen de grenzen van zijn invloed: het zou niemand ingevallen +zijn, hem om raad en voorlichting te vragen in intieme, persoonlijke +aangelegenheden. + +Rousseau was een even gevierd schrijver als Voltaire, maar nog iets +anders en meer dan dat: de apostel eener nieuwe levensbeschouwing en +eener nieuwe levens-inrichting. De idealen die hij verkondigd had +raakten bijna alle levensverhoudingen. Zoo reikte zijn invloed in alle +sfeeren: die van het staatkundige en van het godsdienstige leven, van +den arbeid en van het gezin. Tot hem wendden zich de onrustige zoekende +zielen, waaraan overgangstijden zoo rijk zijn, met hun twijfelingen en +bezwaren; hij werd de leeken-biechtvader, de levens-voorganger van +velen. Zijn positie was een overeenkomstige, als Multatuli in Nederland +bij het geslacht innam opgroeiend tusschen 1860-1880, en als in onze +eigen dagen Tolstoi internationaal ingenomen heeft. + +Natuurlijk verhoogden de geheimzinnigheid en ongewoonheid die Rousseau +omhing, de belangstelling van het publiek voor den grooten schrijver. +Alles aan hem was opzien-wekkend en bevreemdend: zijn verkiezen van +armoede boven afhankelijkheid; zijn hardnekkig afwijzen van wat alle +anderen najoegen: geld, gunsten, eerbewijzen, wereldsch aanzien en +wereldsche genoegens; zijn minachting voor de letteren waaraan hij zijn +leven wijdde en zijn vermaardheid dankte, zijn teruggetrokken leven in +een eenzaam bergdal, zijn zwerftochten in de wildernis der natuur, de +vreemdsoortige kleedij die hij had aangenomen, zijn weglaten in 't +schriftelijk verkeer van de ceremonieuze vormen die de tijd eischte. En +sedert harde en onrechtvaardige vervolgingen hem hadden getroffen, droeg +hij daarenboven, wat Voltaire, omringd van weelde en goede sier in zijn +vorstelijk lustverblijf, hem misschien van alles het meest benijdde: den +martelaarskroon. De glorie van het martelaarschap maakte, dat vrouwen en +jongelingen vooral, dat alle gevoelige naturen hem niet enkel bewonderden, +maar dwepend aanbaden. Half Europa lag aan de voeten van Voltaire, maar +Rousseau leefde in duizenden harten, een zacht-gekoesterde heilige. + +Brieven stroomden hem toe van alle kanten; brieven bij honderden, als +hij een dag of wat van huis geweest was kon hij er haast niet doorkomen +en de hooge onkosten aan porto mishaagden hem zeer. Reeds 't lezen was +een plaag voor hem; 't antwoorden een veel ergere. Vele der +briefschrijvers schreven enkel uit behoefte, om hun bewondering voor +zijn werken te luchten, die zij in hun hart niet zooveel minder +gewichtig vonden als die werken zelf. Zulken beantwoordde hij somtijds +met een ontstemden uitval, somtijds met bijtende spot die voor de +onbescheiden briefschrijvers niet pleizierig geweest moet zijn. Andere +wilden disputeeren over den godsdienst; de meeste vroegen om raad in +persoonlijke aangelegenheden van allerlei aard. Een prins wilde zijn nog +ongeboren spruit opvoeden volgens de beginselen van den "Emile" en +overstelpte Rousseau met details over de inrichting der kraamkamer; een +jongeling wilde met zijn moeder breken, afstand doen van titel en goed, +om als ambachtsman zijn brood te verdienen; een onbegrepen vrouw zocht +bij hem vastheid voor haar gemoed. Zijn raad ging altijd in de richting +van gematigdheid, afhoudend van uiterste handelwijzen, van elk ruw +breken met geworden verhoudingen. Hij ried een ieder om te blijven in +zijn godsdienst en in zijn staat, eenvoudig en zuiver te leven, zooveel +mogelijk goed te doen; hij verklaarde telkens en telkens weer, dat het +opvoedingsplan van "Emile" niet letterlijk gevolgd kon en mocht worden: +hij had daarmee bedoeld, de algemeene richting aan te geven waarin de +opvoeding zich moest bewegen, niet meer. + +Er is in zijn talrijke brieven van raadgeving niets van de heetheid van +den fanaticus, den stichter eener sekte, die zijn discipelen een +bepaalden vorm van leven en denken opdwingen wil. Integendeel: niets +verschrikte hem zoo zeer als de geexalteerde geestdriftigheid die +onbekookt zijn ideeen in daden omzetten wou. De levenswijsheid van wie +veel-ervaren en veel geleden en geduld heeft geleerd, lag aan deze +houding ten grondslag; en ook wel een weinig het sociaal-konservatisme +van den angstigen kleinburger en de afkeer van den geboren droomer voor +het onherroepelijke van de daad. + +Behalve brieven, stroomde het bezoekers naar Motiers. Gedurende de +zomermaanden was Rousseau geen dag zeker voor een inval. "Niet meer bij +tweeen en drieen, als in Montmorency, maar bij heele benden van zevenen +en achten komen zij," klaagde hij. In het afgelegen dorp raakte men de +ongenoode gasten niet makkelijk kwijt, zij moesten geherbergd worden, +bleven soms dagen lang hangen. En wat voor menschen waren het vaak! Een +enkele maal bewonderende geestverwanten, mannen van smaak en ontwikkeling; +--in den regel louter nieuwsgierigen, die zijn werken amper kenden, maar +het vreemde beest waarover zoo veel gesproken werd, toch ook eens wilden +zien. Die bezoeken verdroten hem zoo, dat hij om ze te ontvluchten +'s zomers zooveel mogelijk van huis ging, de bergen in. + +Maar nu Voltaire. In een der "Brieven uit de Bergen," had Rousseau +Voltaire ten tooneele gevoerd als verdediger der verdraagzaamheid en op +hoogst vermakelijke wijze met den ouden spotvogel den draak gestoken, +door zijn eigen spottende betoogtrant na te bootsen. Voltaire, die met +alles en iedereen den gek stak, duldde natuurlijk niet dat een ander met +zijne heiligheid een loopje nam, allerminst Rousseau. Zijn nijd en +wraakzucht braakte hij spoedig na de verschijning der "Brieven uit de +Bergen" uit in een ongeteekend smaadschrift, een der vuilste produkten +die literaire afgunst en beleedigde ijdelheid hebben voortgebracht. "Is +het een geleerde" heette het in dit pamphlet, dat de titel "Le Sentiment +des Citoyens" (De meening der burgers) droeg, "die tegen geleerden in +het veld treedt? Neen, het is de schrijver van een opera en twee +uitgefloten comedies. Is het een deugdzaam mensch, door verkeerden ijver +bedrogen?... Het is een man die de noodlottige gevolgen van zijn +uitspattingen nog aan den lijve draagt, die verkleed als een kermis- +reiziger van dorp tot dorp en van berg tot berg met zich de rampzalige +meesleept, wier moeder hij sterven en wier kinderen hij aan de poort van +een hospitaal te vondeling deed leggen, het aanbod weigerend van een +medelijdende ziel die zorg voor ze wilde dragen, en alle natuurlijke +gevoelens verzakend, gelijk hij die van eer en godsdienst verzaakt.... +Komen wij tot wat ons in 't bijzonder aangaat: onze stad, die hij in +beroering wil brengen, omdat hij met de justitie in aanraking is geweest.... +Wil hij dat wij elkaar naar de keel vliegen omdat men in Parijs en in +Geneve een slecht boek heeft verbrand?... Wil hij onze constitutie +omverwerpen door haar verminkt voor te stellen, zooals hij het Christendom +wil omverwerpen dat hij waagt te belijden? Het zij voldoende te waarschuwen +dat de stad die hij verontrusten wil hem met afkeer verloochent. Zoo hij +gedacht heeft, dat wij voor den roman "Emile" het zwaard zouden trekken, +kan hij die gedachte rekenen onder zijn dwaasheden en zotternijen te +behooren. Maar men moet hem leeren dat, zoo men tegen een godlasterend +schrijver genadig handelt, _men een gemeenen oproermaker straft met den +doodstraf_." + +Voltaire optredend als verdediger van godsdienst en goede zeden; +Voltaire de overheid ophitsend om een mensch wegens het uiten eener +meening met smadelijken dood te straffen. Voltaire, de zeventigjarige +vorst der letteren, de gevierde, de vergoodde, afdalend tot de lage en +platte gemeenheid van dit pamphlet! Het is begrijpelijk dat Rousseau, +ondanks zijn ziekelijk wantrouwen tegen alles wat van dien kant kwam, +geen oogenblik vermoedde dat Voltaire de schrijver van deze vuile +verdachtmakingen, deze laster, waarheidsverdraaiing en laffe ophitserij +kon zijn. Hij hield daarvoor een ander, den predikant Vernes, waarmee +hij vroeger zeer bevriend geweest was en was van die gedachte niet af te +brengen, hoe de man zijn onschuld ook bezwoer. + +Het smaadschrift van Voltaire--een brochuretje van een bladzijde of +zeven-acht--werd op groote schaal verspreid, ook onder de bevolking van +Motiers. De aantijgingen, ten deele onzinnig, als dat Rousseau schuldig +zou zijn aan den dood van de moeder van Therese (een verre uitlooper der +oude malle praatjes van Diderot) ten deele de meest kwetsbare plek in +zijn leven, het te vondeling leggen zijner kinderen rakend, waren juist +geschikt om indruk te maken op de bekrompen boerenhersens. Dit, en 't +bekend worden van zijn onregelmatige verhouding met Therese, waren +natuurlijk prachtmiddelen om den verheerlijker van burgerlijke +eerbaarheid en burgerlijken familiezin als een schijnheilige slechtaard +voor te stellen, een monster van ontaarding. Aan de rechtzinnige +dorpsbewoners moest een man, die de kerkelijke instellingen aanviel, het +wondergeloof en de openbaring verwierp, een zedeloos leven had geleid, +zijn kinderen verstooten had en in vrije liefde met zijn huishoudster +samen woonde, wel de baarlijke duivel toeschijnen. Een geest van +vijandelijkheid kwam in het dorp tegen hem op en werd in den loop van +het jaar '65 al erger; Therese, die door de vrouwen aanvankelijk +vriendelijk was bejegend, kreeg nu de volle laag; zij werd nageroepen en +nagebauwd. Rousseau zelf hoorde op zijn wandelingen, inplaats van den +vroegeren minzamen groet, nog slechts beleedigingen, verwenschingen, +bedreigingen hem neer te zullen schieten. Men vertelde dat hij op zijn +botanische tochten kwaadaardige planten zocht, om mensch en dier te +schaden; men zeide dat hij ontkende dat vrouwen een ziel hebben; men +schold hem voor den anti-christ. Mme de Verdelin, die hem in Motiers +bezocht, kwam zoo onder den indruk van de vijandelijke stemming der +bevolking, dat zij hem bezwoer de wijk te nemen naar Engeland, en aan +David Hume verzocht een toevlucht voor hem te vinden. + +Natuurlijk was niet alleen het smaadschrift van Voltaire oorzaak van de +vijandelijkheid der bevolking, de felle campagne der predikanten droeg +hier eveneens toe bij. Na de verschijning der "Brieven uit de Bergen" +kreeg Rousseau de organisatie van het protestantisme op zijn lijf. +De "eerwaardige klasse," dat is de vereeniging der predikanten van +Neuchatel, verzocht den Raad van het vorstendom om de "Brieven" en hun +schrijver te vervolgen en gelastte den domine van Motiers, om Rousseau +voor den kerkeraad te dagen ten einde hem uit de kerk te stooten. +Montmollin, een goedhartig en vriendelijk man, algemeen bemind in zijn +gemeente, maar zwak van karakter en gemakkelijk te beinvloeden, +probeerde nog tot een schikking te komen: hij verzocht Rousseau ten +einde schandaal te voorkomen, met Paschen vrijwillig van het avondmaal +weg te blijven. Rousseau weigerde beslist: hij vond zichzelf immers een +uitstekend protestant, dus had hij het recht daaraan deel te nemen. +Daarbij kwam zijn koppigheid in het spel. Zijn wil, zoo machteloos in +het najagen en vasthouden, was grenzeloos-sterk in het weerstand-bieden: +alle machten ter wereld vermochten hem niet te doen buigen als hij niet +wou. Toegeven scheen hem in dit geval lafhartig: hij wilde binnen of +buiten zijn, in vrede of oorlog, wolf of schaap. Ook de ambachtsheer van +Motiers trachtte hem tot een verklaring te bewegen die de "eerwaardige +klasse" gerust zou stellen. Vergeefs: Rousseau wilde niet anders verklaren, +als dit: "hij zou voortgaan met in zijn gevoelens en door zijn handelingen +het geluk te bewijzen, dat het lidmaatschap van de kerkelijke gemeenschap +hem verschafte." Na deze verklaring moest de zaak natuurlijk haar loop +hebben. + +Rousseau werd voor den kerkeraad van Motiers gedaagd, een zestal boeren. +Hij stelde zijn verdediging op schrift en leerde die van buiten, maar +door de overspanning waarin hij verkeerde was hij op den dag dat hij +voor moest komen alles vergeten. Hij zond toen een verdedigend schrijven +aan den kerkeraad, waarin hij o.a. verklaarde, dat God alleen bevoegd +was om over zijn geloof te oordeelen. De stemmen staakten; de +ambachtsheer die de vergadering bijwoonde wist gedaan te krijgen dat de +zaak aan de wereldlijke overheid onderworpen werd. De autoriteiten van +Neuchatel hadden van hoogerhand bevel gekregen het dringen der +predikanten te weerstaan, daarbij zaten in den Raad van het vorstendom +verscheidene vrienden van Rousseau: de Raad onthief hem van de +jurisdiktie van den kerkeraad en veroorloofde den herdruk der "Brieven +uit de Bergen." Voor de barsche vermaningen van Frederik de IIde kropen +de domine's in hun schulp: de "eerwaardige klasse" besloot, protest +aanteekenend tegen de aanranding der kerkelijke rechten door den vorst, +om Rousseau "aan zijn dwalingen over te laten." + +Hij had overwonnen, maar tot welken prijs! Het despotisme, en nog wel het +despotisme van een vreemden heerscher, had hem beschermd tegen de wettige +demokratie der kerkelijke organisatie, waartoe hij vrijwillig behoorde; +het recht van den sterkste, dat hij eenmaal had verklaard geen recht te +zijn, handhaafde hem tegen den volkswil, waarvan hij had geschreven, dat +die niet dwalen kon. Zijn individualisme, zijn vrijheidsdrang, zijn +onbuigzaam-staan voor wat hij als waarheid erkende, de fierheid en stoere +onverzettelijkheid die het beste waren van zijn wezen, hadden hem in +konflikt gebracht met het demokratisch beginsel dat hij vurig aanhing, +zijn leven lang. Tragisch was dat konflikt, tragisch zijn ondergang, wijl +onvermijdelijk en niet zonder schuld. + +Sedert de verschijning der "Brieven uit de Bergen" den storm tegen hem +hadden opgeroepen, werd hij ellendig heen en weer geslingerd. Zijn +gemoed, gelijk zijn brieven uit dien tijd het weerspiegelen, was een en +al wankelheid. + +Hij wou gaan, hij wou blijven; de nabijheid van Geneve verontrustte en +benauwde hem; hij zou in geen geval meer antwoorden, hij zou doorgaan +met schrijven. Hij zocht in de buurt naar een andere woonplaats, maar +vond niets geschikts; hij dacht er over, naar Venetie de wijk te nemen, +"waar het klimaat en de inkwisitie allicht zachter zouden zijn dan in +Zwitserland" (een grapje, dat hij tegen al zijn vrienden herhaalde); hij +dacht over Engeland, over Potsdam, over Korsika, waarheen bewonderaars +hem hadden uitgenoodigd, om een grondwet voor het eiland te ontwerpen. +Soms maakte hij zich vroolijk over al dat verbranden van zijn boeken; +"'t wordt zoo kinderachtig, dat ik er om moet lachen," schreef hij; soms +gaf hij toe, zich diep-geschokt en rampzalig te voelen. "Mijn zedelijk +leven is ten einde," schreef hij in Februari; "het beste deel van +mijzelf is reeds gestorven, de menschen vermogen niets meer op mij, +en ik beschouw al die barbaarsche magistraten als zoovele wurmeft die +knagen aan mijn lijk." Maar dan rees zijn mannelijkheid weer in hem op, +de oude kracht diep-geworteld in zijn wezen, zijn strijd-instinkt. "Gij +zijt getuige, mijnheer," schreef hij in Maart, "dat ik de wapens met +vreugde had neergelegd. Zoo men mij noodzaakt ze weer op te nemen, zal +ik ze opnemen, want ik wil mij niet tegen den grond laten slaan: dit +punt staat voor mij boven alle bedenking vast." + +Zoo leed hij slingering des gemoeds en sloopende onzekerheid, het deel +van den mensch die beklemd raakt tusschen de dingen, en niet eenen weg +klaar en helder, als den goeden, rechten, waren, voor zich ziet. Ten +slotte besloot hij toch, tegen alle raadgevingen in, in Motiers te +blijven tot de storm voorbij was: hoe krachteloos en ellendig hij zich +dikwijls voelde, hij moest trotseeren, hij kon niet anders, gaan loopen +kon hij niet. + +Montmollin, van uit Geneve opgestookt, ageerde nu heftig tegen hem en +beschuldigde hem in een brochure de belofte, waarop hij hem tot het +heilig avondmaal had toegelaten, gebroken te hebben; Rousseau antwoordde +in een langen brief, voor de openbaarheid bestemd, aan zijn vriend du +Peyrou. Er verschenen nog meer brochures, over en weer werden allerlei +persoonlijke kwesties in den strijd gehaald, de streek was in rep en +roer. Op den 1sten September verklaarde de predikant van af den kansel, +dat zoo de kuiperijen der overheid tegen hem niet ophielden, hij de +gemeente zou verlaten; in zijn preek trok hij met duidelijke +toespelingen heftig tegen Rousseau van leer. Dat bracht de gemoederen op +'t kookpunt. Een week na die preek--het was net kermis--werd zijn huis +'s nachts met steenen gebombardeerd; een er van drong door de ruiten der +galerij tot in zijn slaapkamer; de ambachtsheer werd gehaald, er werden +posten voor de deur gesteld, om het huis te bewaken. + +Daags daarop verliet Rousseau Motiers: de strijd was beslist, de domine's +hadden met hulp van de domme massa overwonnen. Het was ook tegen de rede, +dat de geest van 't vrije denken, te midden van een achterlijke +plattelands-bevolking, de kerkelijke demagogie zou kunnen weerstaan. + +Zonder zich te bekommeren om het feit, dat de senaat van Bern hem drie +jaar geleden het grondgebied der stad ontzegd had, begaf Rousseau zich +van uit Motiers naar het eilandje St. Pierre, in het meer van Bienne, +dat aan het hospitaal van Bern behoorde en heden nog behoort. Hij was er +eenmaal geweest op een van zijn zwerftochten; en hem lokte de welige +vrede van dit aardsche paradijs. Hij was grenzeloos moe van hart, moe +van den strijd en de menschen. Hij wilde rusten, hij wilde niets anders +meer. + +Na die steeniging van Motiers heeft hij nooit meer iets anders gewild +als rust en vergetelheid; hij heeft zijn stem niet meer verheven voor +de idealen van recht en vrijheid, hij heeft niet meer de liefde tot de +makkers, de begeerte voor het heil der menschheid te leven en te sterven +als een heerlijke warmte in zich gevoeld. Zijn hart is nooit meer +uitgegaan tot de menschen: dat hart was verscheurd door 't gezicht van +de haat des volks. + +Hij had droomen gedroomd, en zij waren gebroken; hij had gestreden en in +alles gefaald. Hij had voor God getuigd, alleen onder de ongeloovigen, +nu was hij uitgeworpen als een godloochenaar. Hij had wettelijkheid +boven alles gesteld en gemaand tot vrede, nu werd hij uitgekreten voor +een oproermaker, een aanstoker van burgertwist. Hij had zijn vaderstad +verheerlijkt als de stut der gerechtigheid, haar instellingen aan die +van alle staten ten voorbeeld gesteld, haar vroede mannen geprezen als +wijs en beleidvol: nu hadden die instellingen zich tegen hem gekeerd en +die vroede mannen hem onrechtvaardig veroordeeld; en zijn stad, de stad +die hij nooit kon naderen zonder dat zijn hart hoog begon te kloppen als +voor een geliefde, had hem beladen met smaad. Hij was zijn leven lang de +vriend der armen geweest, der eenvoudigen en nederigen, hun had hij de +teerheid van zijn hart gegeven, hij had gesidderd van toorn over wat aan +hen misdaan werd, hij had snijdend en scherp als geen ander de grooten +aangeklaagd, die hen verdrukten; nu hadden de kleinen hem verjaagd uit +hun midden, met steenen, als een dolle hond. Wat deed hij nog op aarde? +Hij voelde verder leven als doelloos. + +Hij leefde nog vijftien jaar na dien slag, hij genoot nog van de natuur +en van zachte herinneringen, hij was nog vatbaar voor vele aandoeningen +en sensaties en genoot het uitbeelden daarvan, hij schreef nog twee +meesterlijke werken: de "Confessions" en de "Reveries." Maar zijn +moreele veerkracht was gebroken, geheel en voor goed. De hooge ideeen, +die hem ontroerd en opgetogen, en de krachten van zijn wezen tot 't +uiterste hadden gespannen, verwaasden; hij werd zijn eigen middelpunt, +hij voelde zich nog slechts bewogen over zichzelven. Hij dook onder in +droevige mijmeringen over wat hem, den onschuldige, die naar 't goede +gestreefd had, was aangedaan; hij bebroeide zijn naargeestige gedachten, +tot ze in monsterlijke weligheid opschoten en vermeerderden in alle +windingen van zijn bewustzijn; zonder wil, zonder moed, zonder hoop, +zonder krachten, gaf hij zich weerloos over aan den vijand, die al lang +op de loer lag in duistere diepten van zijn wezen: broeiende, borende +melancholie. + + * * * * * + +Maar eerst nog die zachte straal voor de jaren van duisternis, van +waanzin en rusteloos zwerven: St. Pierre, het liefelijk eiland in het +liefelijk meer. Als een hooge, groene schildpad rijst het boven het +water; de heuvelrug is een hoog dicht loof woud van eiken en beuken, +kastanjes en noteboomen, met reuzen-sparren en altijd-groene struiken +gemengd; tegen zijn flanken klimmen de boomgaarden op en beneden aan den +oever spreiden zich welige landouwen. In het voorjaar strooien honderde +bloesemboomen hun teere pracht uit over de weilanden, die schitteren van +witte en gele sterren; in 't najaar glinstert tusschen de takken het +rijpe rood-gouden ooft. De lucht is er zoet van bloemengeur en van +de kruidige geur der naaldboomen en heesters, de lucht is er vol +vogelengeschal en gezoem van insekten; het is alles heerlijkheid, +streeling der zinnen, paradijs-weelde, een bad van geneugten voor zinnen +en ziel. + +Er staat een huis op het eiland; omlaag tusschen de weien staat het aan +den voet der boomgaarden, aan den ingang van een laan van reuzen- +populieren, dik met klimop begroeid, die voert naar den zandigen oever. +De rentmeester woont er met zijn gezin, heden nog, evenals toen Rousseau +er voor bijna honderd-vijftig jaar neerstreek, een moegestreden +overwonneling. Een groote ontspanning kwam over hem, een zalige +vergetelheid; hij wist niets meer, wilde niets meer weten van de onvree +der wereld; zijn boeken en papieren, die Therese had meegebracht, liet +hij onuitgepakt; met zijn Linnaeus onder den arm, zwierf hij door bosch +en wei, beschouwde, vergeleek, ontleedde; hij was juist begonnen om de +bevruchtings-inrichting der planten te bestudeeren en was een en al +opgetogenheid over die wonderen. Soms nam hij een bootje en liet zich +urenlang door de deining meevoeren, op den bodem uitgestrekt, +gedachteloos, in vage, gelukkige droomerijen verzonken. Of hij roeide +langs den oever, en baadde in het heldere meer. Soms vergezelde hij den +rentmeester op diens inspektie van de akkers en velden, of hielp hij in +den boomgaard bij den pluk van het najaarsfruit. Tegen den avond ging +hij naar een eenzame plek aan het strand en zat daar vaak te droomen tot +de nacht gedaald was over de aarde; het golf geklots en de kabbeling van +het water wiegden hem zoet tot rust; hij voelde zich leven en genoot het +gevoel te leven, maar zonder gedachten of begeerten, zonder vrees of +hoop. Later, de herinnering aan deze dagen terugroepend, scheen het hem +dat hij nooit, in heel zijn leven, een zoo volkomen en ongerept geluk +genoten had. De tijd was niets werkelijks meer voor zijn ziel, de +oogenblikken vervloeiden zonder eenige schok in elkander, het gevoel te +bestaan vervulde haar volkomen, hierin vond zij zaligheid, als had zij, +God-gelijk, genoeg aan zich zelve. + +Twee maanden duurde die volheid van geluk; toen wierpen menschen tot +gruis de brooze wanden van het Nirwana, waarin zijn ziel was gevlucht. + +Hij dacht dat de regeering van Bern zijn verblijf in St. Pierre +stilzwijgend gedoogde en hem met rust zou laten: hij voelde zich zoo +ongevaarlijk, zoo ver van alle theologisch en staatkundig getwist. +Misschien, dacht hij, was het zijn vijanden welkom, dat hij op dat +vergeten eiland een toevlucht had gezocht, misschien wilden zij hem daar +wel voor goed gevangen houden. Hij hoopte dit, inniger dan hij ooit iets +gehoopt had. O, te mogen wonen tot zijn dood, in dat geurend Arcadie, in +die bloemige, ruischende eenzaamheid! + +Toen kwam 't bevel van den senaat om binnen vier en twintig uur het +grondgebied der stad Bern te verlaten: weer werd hij opgejaagd, een +edel, doodelijk-gewond hert. + +Waarheen? Hij trok naar Straatsburg, op goed geluk, met 't plan naar +Potsdam te gaan, maar ten slotte zag hij te veel op tegen de reis: hij +voelde zich ziek en uitgeput, "ofschoon blij," schreef hij nazijn +aankomst in Straatsburg, "weer tusschen menschen te zijn, na de wilde +beesten, die Zwitserland bewonen." Hij werd er warm ontvangen en +befeest, ter zijner eere vond een opvoering van den "Dorpswaarzegger" +plaats. Maar hij kon er niet blijven. Zijn vrienden, vooral Mme de +Boufflers en Mme de Verdelin, verlangden erg dat hij naar Engeland zou +gaan, dat toen met Pruisen de wijkplaats der vrije geesten was. Lord +Keith ontried hem naar Berlijn te komen: dat gaf den doorslag. Hij +besloot naar Engeland uit te wijken en schreef aan Hume, die er al +herhaaldelijk op had aangedrongen dat hij zich aan hem toe zou +vertrouwen. Zijn vrienden bezorgden hem een vrijgeleide om Frankrijk +door te trekken. Den l6den December kwam hij in Parijs aan en bleef +er een maand; voor alle zekerheid woonde hij in den Temple, het +stadsgedeelte dat aan den prins van Conti behoorde en het recht van asyl +bezat. Hij vertoonde zich weinig maar kreeg druk bezoek; van dat hij's +morgens opstond tot aan zijn naar bed gaan was hij geen minuut alleen; +hij vond dit verschrikkelijk: "nooit heb ik zoo geleden," schreef hij. +Op een wenk der regeering bespoedigde Hume de toebereidselen tot de +reis: den 17den Januari '66 vertrokken zij, met nog een derde +reisgenoot, over Calais naar Londen. + + +NOOT: + +[52] "Mijnheer," luidde in de jaren van Motiers zijn antwoord aan iemand +die hem vroeg waarom hij niet meer wou schrijven, "ik heb gezegd, wat ik +wist, en misschien wat ik niet wist. Wat zeker is, is dat ik niet meer +weet dan ik gezegd heb: ik zou dus niets doen als leuteren en het is +beter dat ik zwijg." + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK + +WAAN EN VREDE. + + +Voor de beide andere groote schrijvers, ondanks alle verschil hierin met +Rousseau overeenstemmend, dat zij eveneens de aspiraties der burgerlijke +klassen in de tweede helft der 18de eeuw naar een nieuwe orde van zaken +op politiek, sociaal en godsdienstig gebied hebben vertolkt, voor +Voltaire en Montesquieu is hun verblijf in Engeland naar alle richtingen +vruchtbaar geweest. Het verdiepte hun wijsgeerige en verruimde hun +politieke inzichten, voerde hun nieuwe energie toe en vermeerderde hun +strijdvermogen. Op Rousseau daarentegen hadden de bijna anderhalf jaar +die hij in Engeland doorbracht geen anderen invloed, dan dat zijn +zenuw- en zielslijden er zeer verergerde. Maar hoe verschillend waren ook +de omstandigheden, waaronder hij en zij Engeland bezochten! Montesquieu +en Voltaire waren beide bij hun bezoek jong en plastisch genoeg, om de +elementen eener vreemde kultuur in zich op te nemen, ofschoon oud genoeg +om er zich ten volle rekenschap te geven, waarin deze met die van hun +eigen land verschilde. Beide waren vol vurige belangstelling voor alle +manifestaties van het openbare en geestelijke leven in het land, dat in +menig opzicht hun staatkundige en sociale idealen belichaamde. Beide +kenden de taal of leerden haar spoedig, wilden haar leeren om kontakt te +krijgen met de nieuwe wereld die voor hen openging, om den geest, de +gedachte, de instellingen en zeden dier wereld in zich te kunnen opnemen. +Beider leven bewoog zich nog, en zou zich nog lang bewegen, in de opgaande +lijn. Voor Rousseau daarentegen was, toen hij in Engeland een toevlucht +zocht, de tijd van levens-neergang gekomen. Zijn enthousiasme voor de +publieke zaak was uitgedoofd, zijn strijdmoed gebroken, in hem was geen +andere begeerte dan naar rust. Hij had vroeger een paar maal gepoogd +Engelsch te leeren, maar met weinig succes, en gedurende zijn verblijf in +Engeland schijnt hij er niet de minste moeite meer toe gedaan te hebben: +na verscheiden maanden beweerde hij nog slechts enkele woorden te kennen. +Dit maakte dat hij zoo goed als geheel geisoleerd was, machteloos tot +eenig geestelijk verkeer met de natie in wier midden hij leefde. En de +omstandigheid dat dit isolement niet vrijwillig maar gedwongen was, moest +hem een gevoel geven van groote verlatenheid. + +Dit was nog niet het ergste. Zich niet verstaanbaar te kunnen maken is +onaangenaam en lastig, niets te kunnen verstaan echter van wat anderen +zeggen, is voor een mensch, neigend tot ergdenkendheid, het ellendigste +wat er bestaat; telkens meent hij dat men kwaad van hem spreekt of zich +vroolijk over hem maakt; hij kan niet anders, zijn wantrouwen wordt +voortdurend opgewekt. Rousseau, in wiens bewustzijn de argwaan +monsterachtige afmetingen had aangenomen, werd door het feit van niet te +kunnen verstaan wat anderen zeiden, tot razernij geprikkeld: hij verviel +in den waan, dat het geheele engelsche volk tegen hem complotteerde. + +Zijn onkunde van de taal maakte hem natuurlijk uitermate afhankelijk van +Hume, die niet enkel als zijn gids en beschermer fungeerde, maar +feitelijk zoo goed als zijn eenig middel van verbinding met de +buitenwereld was. Een gevoel van wrevel tegen deze afhankelijkheid zou +waarschijnlijk, hoe dan ook, spoedig hun verhouding vertroebeld en +bedorven hebben: het was tegen zijn natuur, zich zoo zeer in de macht +van eenig mensch te geven. In elk geval vereischte deze verhouding van +de zijde van Hume veel takt en omzichtigheid. Maar Hume bezat geen takt, +dit blijkt uit de wijze, waarop hij in bijzijn van anderen met zichtbaar +genot over Rousseau ridderde en hem patroniseerde. Hij en Rousseau waren +ook volstrekt geen menschen voor elkaar. De onaandoenlijkheid en het +phlegma van den zelfgenoegzamen schotschen wijsgeer moesten den +prikkelbaren en overgevoeligen dichter koud op 't lijf vallen, en Hume +van zijn kant moest de onbeheerschte uitingen van zijn beschermeling in +zijn hart weinig sympathiek en kinderachtig vinden. Hoe innerlijk vreemd +de twee tegenover elkander stonden, blijkt o.a. uit een der "bewijzen" +die Rousseau na zijn breuk met Hume, voor diens "verraad" aanhaalde: +toen Rousseau op een goeden dag in een oogenblik van hevige +gemoedsaandoening, Hume snikkend om den hals viel, had deze als eenig +antwoord hem een paar keer kalmeerend op den schouder geklopt, +herhalend: "maar mijn lieve meneertje, kom kom, mijn lieve meneertje." +De sceptische Schot vond zoo'n scene waarschijnlijk bijzonder pijnlijk. + +Bij deze onvereenigbaarheid van humeur kwamen verschillende +omstandigheden, die in Rousseau, gelijk hij nu eenmaal was, wantrouwen +tegen Hume moesten opwekken. + +Terwijl Rousseau nog in Parijs was, had daar in de salons een brief de +rondte gedaan, zoogenaamd door Frederik van Pruisen aan hem gericht. De +koning bood den beroemden schrijver een toevlucht aan in zijn rijk en +besloot aldus.... "Zoo ge het wilt, zal ik u goed doen; maar zoo ge er +in volhardt mijn hulp te weigeren, moet ge niet verwachten dat ik dit +aan iemand meedeelen zal. Zoo ge blijft voortgaan met u het hoofd te +breken over het middel om nieuwe rampen op u te laden, laat ik u de +vrije keus: ik ben koning, ik kan ze u bezorgen net gelijk ge wenscht +en, wat uw vijanden zeker niet zullen doen, ik zal ophouden met u te +vervolgen, wanneer ge er niet langer uw roem in zult stellen vervolgd te +worden." + +Men kan dezen brief moeilijk anders dan een ongepaste en onbehoorlijke +grap noemen. Ook zoo men aanneemt dat Rousseau meer toegankelijk was +voor ijdelheid en roemzucht, dan hij zich verbeeldde te zijn, teekent +de voorstelling alsof hij eigenlijk voor zijn pleizier in half Europa +vervolgd en uit Frankrijk en Zwitserland verjaagd was geworden, den +opsteller van den brief als een kleingeestig mensch, vervuld van +spijtachtigheid om Rousseau's vermaardheid, en dien zijn grootheid en +het tragische van zijn lot ontging. Het was Horace Walpole, in dien tijd +zeer in de mode in de Parijsche salons, die op een vroolijk diner, samen +met andere letterkundigen, dezen "grappigen" brief had opgesteld. +Rousseau kreeg hem pas in Engeland onder de oogen. Ook een evenwichtig +mensch in zijn omstandigheden zou door dezen harteloozen spot ontstemd +geworden zijn; hoeveel te meer een overprikkeld zenuwlijder, in wien de +nietigste aanleiding de schromelijkste irritatie te voorschijn riep. Hij +hield d'Alembert, dien hij wegens diens intimiteit met Voltaire in hooge +mate wantrouwde, voor den schrijver, en was overtuigd dat ook Hume er de +hand in had gehad. Geheel schoot hij met dit vermoeden den bal niet mis: +dat Hume van den brief afwist, is zeker, en waarschijnlijk, dat hij aan +de grap medeplichtig was.[53] Is dit werkelijk zoo, dan moet men 't op +zijn zachtst grof van Hume noemen, dat hij, die tegenover Rousseau zich +voordeed als vol bewondering, sympathie en affektie, zich achter zijn +rug vroolijk maakte over zijn ellendige omstandigheden. + +Er was nog meer, wat de ergdenkendheid van Rousseau moest prikkelen. Als +zijn voornaamste hater en vervolger beschouwde hij, behalve de vroegere +vrienden waarmee hij gebrouilleerd was: Grimm, Diderot, Mme d'Epinay, +natuurlijk Voltaire en diens onmiddellijke omgeving. Nu wilde het +toeval, dat een zoon van dokter Tronchin, die en als geneesheer van Mme +d'Epinay en Voltaire en als broer van den procureur-generaal, den +schrijver der "Lettres de la Campagne," bij Rousseau bijzonder verdacht +moest zijn, in Londen bij Hume logeerde. Sedert Rousseau dit wist--hij +zelf was toen reeds niet meer te Londen--stond het voor hem vast, dat +Hume met zijn vijanden heulde. + +Hume had hem aanvankelijk,--tegen zijn zin, hij zelf drong aan op +grooter afzondering,--ingekwartierd in Chiswick, een dorpje in de buurt +van Londen; daar voegde Therese, die onder de hoede van den engelschen +letterkundige Boswell het Kanaal was overgestoken, zich weer bij hem. +Maar hij wilde verder weg van de stad en van de menschen, geheel buiten +zijn, in de eenzaamheid. Hij had de keus tusschen verschillende plaatsen; +na eenige weifeling besloot hij om het aanbod van een zekeren Mr. +Davenport, een vriend van Hume, aan te nemen, die een kasteeltje in het +oosten van Wales, ongeveer vijftig mijl van Londen, ter zijner beschikking +stelde. Hij zou daar geheel vrij zijn: de heer des huizes met zijn gezin +kwam er maar enkele weken in het jaar. + +In Maart betrokken Rousseau en Therese hun nieuw verblijf. Het buiten +lag in een prachtige streek, ter halver hoogte op een heuvel. Het huis +was geriefelijk ingericht, zooals de engelsche landhuizen zijn, en +maakte op Rousseau een prettigen indruk. De wandelingen in de weiden en +bosschen en parken van den omtrek waren mooi en vol afwisseling. Hij +genoot van het engelsche landschap: een groot park, en van den aanleg +der buitens; hij kon den gladden, stijven Le Notre-stijl van tuin-aanleg +niet uitstaan en vermeldde zich in den engelschen stijl, die de natuur +meer ongerept liet. + +Hier was de eenzaamheid waarnaar hij verlangd had: in de buurt lag +alleen het dorpje Wootton; de meest nabije stad was een paar uur ver. + +Al den tijd van het jaar dat Mr. Davenport het huis niet bewoonde, +hadden Rousseau en Therese met niemand verkeer als met den domine van +het dorp en een der heeren uit den omtrek, die fransch verstond. Een +enkele keer kwam er bezoek van dezen of genen land-edelman, die in de +buurt zijn bezitting had; Rousseau was dan uiterst hoffelijk en +beminnelijk, gelijk doorgaans met nieuwe kennissen en ook wel met oude, +wanneer zijn ergdenkendheid niet werd opgewekt. Met de jonge hertogin +van Portland, die pleizier had in botanie, maakte hij lange wandelingen; +zij onderzochten de mossen en varens, die welig groeiden in de vochtige +streek. + +Maar die bezoeken kwamen maar bij groote tusschen-poozen; heele tijden +daartusschen in waren de twee geheel alleen. Het klimaat was ruw, het +voorjaar begon laat, de zomer eindigde vroeg, en in den langen, donkeren, +eenzamen winter besloop hem de vijand die sedert lang wachtte en loerde: +waanzin omnachtte zijn gemoed. + +De huiselijke verhoudingen waren zeer onbevredigend. Men begrijpt dat de +goed gedrilde engelsche bedienden Rousseau en Therese een onmogelijk +paar vonden en zich vroolijk maakten over hen. Dat Therese slecht met ze +overweg kon, is eveneens natuurlijk. Zij was nooit bediening gewend +geweest, zij had haar huishouding altijd zelve bezorgd; af te hangen van +vreemde dienstboden, wien zij zich door gebaren verstaanbaar moest maken, +was voor haar iets afschuwelijks. Rousseau maakte ten harer behoeve +lijstjes van de meest voorkomende huishoudelijke termen, maar dat gaf ook +niet veel. Al gauw kwam 't tot twist en gekijf tusschen Therese en de +dienstboden. Waarschijnlijk gaf zij er zelve wel aanleiding toe, want haar +eigen zenuwen werden in elk opzicht op een zware proef gesteld, nu de +toestand van Rousseau zooveel erger was dan ooit te voren. Het is +begrijpelijk dat de arme vrouw zich verschrikkelijk eenzaam voelde en maar +een wensch had: "in godsnaam hier vandaan, terug naar Frankrijk."[54] + +Rousseau kwam in Wootton met 't vaste voornemen om de wereld en haar +strijd te vergeten, rust en innerlijken vrede te winnen. Maar een mensch +vindt niet altijd rust en vrede omdat hij ze verlangt, vooral niet, +wanneer zijn zenuwstelsel ernstig is aangedaan. In 't geval van Rousseau +was aangeboren overgevoeligheid en gebrek aan zelfbeheersching door de +onverstandige opvoeding die zijn vader hem gaf en door het tuchtelooze +bestaan zijner jongelingsjaren erger geworden. Het leven te Parijs, in +een omgeving die hem ergerde en antipathiek was, had zijn zenuwen zeer +geprikkeld. Daarop waren jaren gevolgd van overmatige geestelijke +inspanning en bijna voortdurend lichamelijk lijden. De grievende +behandeling, hem door Mme d'Epinay en zijn andere oude vrienden +aangedaan, de zenuwschokkende vlucht na de "Emile," de spanning van den +tijd der laatste worsteling in Motiers, de catastrophe die aan zijn +verblijf daar een einde maakte,--alles had er toe bijgedragen zijn +evenwicht al meer te verstoren. + +En nu voegde zich daarbij het overgeplant worden in een vreemd land en +een vreemde omgeving, tusschen menschen die hij niet verstond. In zijn +eenzaamheid drongen geruchten door over de voor hem onbegrijpelijke +handelingen van Hume, hiervoor reeds vermeld; hij bracht die in verband +met enkele dingen, die al eerder zijn argwaan hadden gewekt: een +onderzoekenden blik, een woord in den slaap gemompeld, nietigheden, die +zich vasthaken in een ontwricht gemoed. Hij wist dat de engelsche pers, +na hem eerst hartelijk te hebben verwelkomd, zich thans af en toe +spottende opmerkingen veroorloofde over de zonderlingheden van den +beroemden gast. In een biographisch artikel had men hem de zoon van een +muzikant genoemd: hij voelde dat als een beleediging die hem buiten zich +zelven bracht. Het was duidelijk: zijn vijanden hadden zich van Hume +bediend als een werktuig om hem uit Frankrijk weg te lokken; Hume was +een valsche vriend, een verrader, hij zette de publieke opinie in +Engeland tegen hem op. + +Brieven uit Zwitserland hielden het gevoel van voortdurend belaagd te +worden door een ring van vijanden, in hem levend. De leiders der +Geneefsche demokratie stonden in geregelde briefwisseling met hem, en +wat zij meldden moest hem uitermate prikkelen. Voltaire bleef tegen hem +ageeren, hij had een nieuw schotschrift uitgegeven, waarin Rousseau +wederom op de vuilste wijze belasterd werd. Tegen dit alles was hij +niet bestand; hij voelde zich glijden naar den afgrond der verstands- +verbijstering; hij deed wanhopende pogingen om zijn gemoedsrust terug +te winnen, het afmattend getob over de slechtheid der menschen te +onderdrukken. Hij trachtte zich volkomen af te zonderen van de +buitenwereld: geen krant wilde hij meer inzien, geen brief meer lezen. +Met Hume had hij, spoedig na zijn aankomst in Wootton, zonder verdere +explikatie de briefwisseling afgebroken: hij deed dit ter wille van zijn +eigen rust. Maar 't gevoel, verraden en bedrogen te worden door wie zich +voordeed als zijn vriend en weldoener, brandde te bitter in hem, dan dat +hij er over kon zwijgen; ongelukkig en verlaten als hij zich voelde, had +hij behoefte aan uiting. Aan al zijn vrienden schreef hij kortere of +langere epistels, aan du Peyrou, aan d'Ivernois, aan de Malesherbes, aan +Mme de Boufflers, aan Mme Verdelin, aan Milord Marechal, aan Guy, zijn +hollandschen uitgever, om zich te beklagen over Hume, die, samenzwerend +met zijn bitterste vijanden, hem naar Engeland had gelokt om hem daar +schandelijk te behandelen, van alle verkeer met de buitenwereld af te +snijden en te doen omkomen van verdriet en ellende. Hoe Hume in die zaak +van den brief van Walpole had gehandeld, hoe de jonge Tronchin bij hem +verblijf hield, hoe hij tegen den wil van Rousseau, om dien te deemoedigen, +aan anderen had verteld, dat de koning van Engeland den schrijver een +jaargeld wilde schenken, hoe hij door Ramsay een portret van Rousseau had +laten schilderen, dat hem afbeeldde als een cycloop zoo norsch en somber, +terwijl Hume zelf op zijn konterfeitsel de trekken droeg van een cherubijn; +hoe Rousseau Hume in zijn slaap, op den weg van Parijs naar Calais, had +hooren uitroepen "je tiens Jean Jacques Rousseau" (ik heb Rousseau in mijn +macht); hoe Hume op hem en Therese "lange, doordringende blikken" placht +te vestigen, die Rousseau deden huiveren, enz. Hij verzond die brieven +langs allerlei omwegen, door middel van derden, en gaf aan zijn vrienden +dek-adressen op waarvan zij zich moesten bedienen: hij was vast overtuigd, +dat al zijn correspondentie geregeld onderschept en zijn brieven geopend +werden; tusschen Londen en Wootton waren "de netten uitgezet," die +slechts met de grootste behoedzaamheid vermeden konden worden; hij zinde +op een geheimschrift en duidde de namen zijner vijanden nog slechts door +A, B, C enz. aan. Hume, door anderen op de hoogte gebracht, had +herhaaldelijk bij Rousseau aangedrongen op een verklaring. Rousseau +weigerde eerst; eindelijk stelde hij al zijn grieven op schrift in een +formeele akte van beschuldiging en verzocht Hume om zich, zoo hij +onschuldig was, te rechtvaardigen. Hume gedroeg zich--men kan bijna niet +aannemen, dat hij uit den brief niet merkte hoe abnormaal Rousseau +was--op zijn zachtst genomen weinig edelmoedig. Hij mengde zijn +Parijsche kennissen in de zaak; de heele letterkundig-philosophische +coterie, waarmee Rousseau op voet van oorlog was, werd er in gemoeid. Om +aan de praatjes die rondgingen een einde te maken, gaf Hume ten slotte +den brief van Rousseau te zamen met zijn zelfverdediging, onder den +titel "Expose succinct de ma querelle avec Monsieur Rousseau" (Beknopt +overzicht van mijn twist met Rousseau) uit. Andere brochures verschenen: +van Walpole, van Boswell, van Mme de la Tour; sommigen waren voor, de +meesten tegen Rousseau. De kliek van Holbach grinnikte vol leedvermaak: +"zij hadden Hume gewaarschuwd, zij wisten wel dat Rousseau een monster +van ondankbaarheid was." Wederzijdsche vrienden, voornamelijk Mme de +Boufflers, trachtten de twistenden te kalmeeren, hun te doen inzien, +dat zij geen van beiden heelemaal gelijk of ongelijk hadden. Het gaf +natuurlijk niets: bij Rousseau lieten de waanvoorstellingen zich niet +meer ontwortelen, en Hume was zelf te geprikkeld, om konsideratie te +kunnen voelen met den man, die hem zoo had teleurgesteld: in dien twist +met Rousseau, zei men, had hij zich voor 't eerst van zijn leven driftig +gemaakt. Rousseau zelf zweeg verder, zooals hij zich voorgenomen had, +en begroef zich in zichzelven. Hij was begonnen het oude plan te +verwezenlijken van zijn bekentenissen te schrijven. Memoires, +gedenkschriften, schreef in dien tijd iedereen, dat was de mode; maar +wat hij wilde doen was iets heel anders, nog nooit beproefd; 't vervulde +hem met heimelijken hoogmoed in alle stilte iets te ondernemen, eenig in +zijn soort. De geschiedenis van zijn ziel wilde hij schrijven, van haar +aandoeningen en meest geheime bewegingen, de donkere diepten van het +halfbewuste leven der aandriften, waarover niemand zich nog heengebogen +had, onderzoeken en afbeelden wat hij er vond. Om de diepten van zijn +wezen te leeren kennen, was het noodig dat hij zooveel mogelijk +zichzelven waarnam. Hij vond daarin groot behagen. Aan Mme de Boufflers, +die hem in 't begin van zijn verblijf te Wootton schreef, voor hem de +gevolgen van afzondering en lediggang te vreezen, had hij geantwoord: +"Gij vergist u, mevrouw, nooit verveel ik mij minder en ga minder ledig +dan wanneer ik alleen ben. Behalve de botanie blijft mij nog een +bezigheid, die mij zeer dierbaar is en waaraan ik mij elken dag met meer +genoegen wijd. Er is hier een man van mijn kennis, en dien ik gaarne +beter kennen wil. De omgang met hem zal mij weerhouden van eenigen +anderen te wenschen. Ik heb achting genoeg voor hem om de +vertrouwelijkheid waartoe hij mij noodigt niet te vreezen; en daar hij +evenzeer als ik door de menschen mishandeld is, zullen wij elkaar +troosten over den smaad dien zij ons aandoen, in 't hart van onzen +vriend lezend, dat hij dien niet heeft verdiend." + +In den winter van 66-67 besloot Rousseau Wootton te verlaten; hij dacht +er over in Londen een woning te huren; misschien hoopte hij, dat zijn +vijanden daar niet zoo makkelijk zijn correspondentie zouden kunnen +onderscheppen, misschien dreef Therese hem tot dit besluit, om toch maar +uit 't gehate buitenhuis weg te komen. De verhouding tusschen haar en de +dienstboden werd onhoudbaar; en het voortdurend gekrakeel zal natuurlijk +ook slecht op Rousseau gewerkt hebben. Eind April schreef hij aan Mr. +Davenport om dien dank te zeggen voor zijn nobele gastvrijheid; maar de +eer verbood hem, langer onder zijn dak te verwijlen. Den eersten Mei +verliet hij Wootton in alle stilte; hij had geen geld bij zich en +betaalde in de herbergen met stukken van een zilveren tafelservies. +Therese vergezelde hem. Zijn doel was naar Dover te gaan, maar hij +vergiste zich in de richting, verdwaalde, en kwam te land in Spalding, +in Lincolnshire. Vandaar uit schreef hij, zich waarschijnlijk grenzeloos +ongelukkig en verlaten voelend na 't ronddwalen in een land waar niemand +hem verstond, weer aan Mr. Davenport en vroeg hem vergunning, naar +Wootton terug te mogen keeren, maar toen zijn gastheer den armen +zwerveling in Spalding liet zoeken, was hij alreeds vertrokken. Onrust +dreef hem voort: hij verbeeldde zich, dat de Engelschen hem gevangen +wilden houden en slechts een inval der Franschen hem bevrijden kon; hij +was volslagen in de war. Toen hij na lang zwerven ten slotte Dover toch +bereikte, richtte hij een smeekbrief tot den kanselier met het verzoek +hem ongehinderd te laten vertrekken: hij zou zwijgen over Hume en niet +verder schrijven aan zijn gedenkschriften. Van af een heuveltje hield +hij een toespraak tot 't volk. Dienzelfden avond scheepte hij zich met +Therese in naar Calais. + +Op franschen grond kwam hij een weinig tot zichzelven: hij erkende +later, gedurende dien tocht door Engeland uitzinnig te zijn geweest. + +In den laatsten tijd van zijn verblijf in Engeland had hij herhaaldelijk +brieven gekregen van den Marquis de Mirabeau, den vader van den +beroemden redenaar der revolutie. De marquis was in zijn dagen een +bekend schrijver over ekonomie; zijn humanitaire denkbeelden hadden hem +den bijnaam bezorgd van den "vriend der menschheid." Als bewonderaar van +Rousseau had hij er bij dezen op aangedrongen, dat Rousseau een der +talrijke bezittingen, kasteelen en hofsteden, die hij door heel +Frankrijk bezat, tot verblijf zou kiezen. Rousseau had de uitnoodiging +in beraad gehouden. Nu schreef hij van uit Calais onmiddellijk aan den +marquis, dat ofschoon hij voornemens was, zich in Venetie te vestigen, +hij zeer verlangde den "vriend der menschheid" te leeren kennen. Deze +kwam, en voerde den schrijver in alle stilte--het vonnis van 't hof van +Parijs was nog van kracht--naar zijn buitenverblijf te Fleury bij +Meudon. Daar drong Mirabeau, een zeer heerschzuchtige en uitbundige +persoonlijkheid, aan zijn gast zijn ekonomische werken op, en trachtte +hem te bekeeren tot de leer der physiocraten. Rousseau antwoordde dat +hij zou probeeren ze te lezen, maar denken altijd een erg vermoeiende +bezigheid vond en nu vooral. Dit antwoord schijnt de overgroote +belangstelling van den marquis voor Rousseau wel wat getemperd te +hebben, althans hij stemde er in toe, dat de zwerveling het aanbod van +den prins van Conti aannam, diens kasteel te Trye bij Gisors (tusschen +Parijs en Rouaan) te betrekken: hij zou daar veiliger zijn dan zoo dicht +bij Parijs. + +De droevige ervaringen, eerst in de Hermitage en later in Wootton, waren +voor Rousseau vergeefsch geweest. Het verblijf in Trye, hoe goed de +prins van Conti 't ook bedoelde, moest uitloopen in nieuwe ellende. Noch +hij zelf, noch Therese waren geschikt om te wonen op een kasteel, omringd +door bedienden waarmee zij zich geen van beide op hun gemak voelden, die +van hun kant Rousseau een onmogelijke zonderling moesten vinden en in +Therese iemand van hun eigen stand zagen, waarvan zij geen orders beliefden +aan te nemen. + +Het duurde dan ook niet lang, of Rousseau klaagde opnieuw in brieven +zijn nood. Reeds in Augustus--in Juni betrok hij 't kasteel--schreef +hij aan Mirabeau, dat de behandeling die hij van de bewoners uit de +buurt ondervond, verschrikkelijk was. De dienstboden gedroegen zich zoo +onhebbelijk mogelijk; of de prins al order gegeven had, dat alles wat de +moestuinen van 't kasteel opleverden te zijner beschikking werd gesteld, +hij kon nog geen maaltje groenten of vruchten op tafel krijgen. Aan Mme +de Luxembourg, met wie hij alle briefwisseling sedert lang had +afgebroken, verzocht hij bij den prins voor hem te willen pleiten, dat +hij het kasteel verlaten mocht. Hij verbeeldde zich dat de tuinman, de +bedienden, de buren, de dorpsgeestelijke allen door Hume omgekocht waren +en dag en nacht op hem loerden om hem te verderven; dat alle uitgangen +opzettelijk gesloten werden, wanneer hij uit wilde gaan enz. De +eenzaamheid, het volkomen gebrek aan afleiding en aan bezigheid--hij +sprak niemand, las haast niet, deed niet anders dan wat botaniseeren en +een weinig aan zijn "Bekentenissen" schrijven--werkte weer even slecht +op hem als in Wootton. Juist de vreemde stilte en leegte om hem heen +maakte zijn getob erger, hij matte zich af om te begrijpen wat zijn +vijanden toch van hem wilden, hoe de onzichtbare draden die zij +gesponnen hadden liepen. Weer vreesde hij, evenals in Wootton, door de +boeren van den omtrek mishandeld te zullen worden: die nachtelijke +schrik in Motiers had hem een knauw gegeven, waarvan hij nooit bekwam. +Openlijke vervolging zou hem in zeker opzicht tot bedaren gebracht +hebben: zij was een ziekelijke behoefte voor hem geworden; hoe meer +men hem met rust liet, hoe grooter zijn onrust werd. Bij oogenblikken +schijnt hij zijn toestand bewust geweest te zijn; aan den trouwen du +Peyrou, die hem eerst in Meudon, later in Trye was komen opzoeken, +schreef hij: "het is niet duidelijk wat 't ergst behandeling noodig +heeft, mijn lichaam of mijn geest." + +Intusschen bleven zijn geestelijke vermogens volkomen ongerept zoodra +het feiten of gedachten-gangen betrof die hem niet direkt aangingen. +Zijn geestverwanten uit Geneve--waar de inwendige beroeringen +voortduurden, en Voltaire voortging met hem te bezwadderen en te +hoonen--wonnen gedurende zijn verblijf in Trye herhaaldelijk zijn raad +in. De twisten waren toen op zijn hoogst gestegen; burgeroorlog of de +inmenging der mogendheden scheen onvermijdelijk. Zijn antwoorden waren +gematigd en droegen sterke sporen van het sociaal conservatisme, dat +zich in den regel bij het stijgen der jaren openbaart. Hij ried hun een +schikking te aanvaarden, iets te laten vallen van hun eischen ten bate +van het algemeen welzijn; hij wendde zich even beslist tegen het +standpunt der "ongebreidelde demokratie" van de algemeene vergadering, +als tegen dat der "hevige aristokraten" van den Kleinen Raad. + +Een jaar lang hield hij het in Trye uit. Maar de eenzaamheid die hij zoo +had nagejaagd toen ze hem vlood, drukte hem al ondragelijker, nu hij ze +had gewonnen. Hij schreef aan een vriend, dit leven niet langer te +kunnen uithouden: hij werd vervolgd door droeve herinneringen, hij +hunkerde naar wat afleiding, naar weer eens muziek te hooren. Onverwacht +vertrok hij, in Juni '68. Aan den prins schreef hij een vagen brief van +dankbetuiging, maar de houding der bedienden noopte hem 't kasteel te +verlaten. Op zijn herhaald aandringen was juist te Parijs alles voor hem +gereed gemaakt: hij zou daar terugkomen en in den Temple zijn intrek +nemen. La Roche, de oude getrouwe kamerdienaar van de hertogin van +Luxembourg, was al op weg om hem af te halen. Misschien overviel hem +weer een aanval van angst en meende hij dat men hem naar Parijs wou +terug brengen om hem aan zijn vijanden over te leveren. Hij trok--alleen +ditmaal, Therese bleef voorloopig in Trye, de verhouding tusschen hen +was niet erg goed in dien tijd--naar Zuid-Frankrijk; wellicht dreef de +macht der jeugdherinneringen hem in de richting van Chambery. In Lyon +bleef hij een poosje; daarvandaan schreef hij aan du Peyrou, (hij had +aan den Amerikaan zijn papieren te bewaren gegeven) om dien te verzoeken +hem 't klad te willen opsturen van 't vervolg op den "Emile," waaraan +hij in Montmorency begonnen was. Dat hij weer wilde gaan werken aan iets +anders als de "Bekentenissen" bewijst, hoe zeer hij verlangde uit zich +zelf te komen. Hij zocht oude kennissen op en maakte nieuwe, hij +botaniseerde veel, o.a. met Mevrouw Delessert, die hij vroeger in +Yverdun gekend had; zij had een intelligent, weetgierig dochtertje, en +als leiddraad voor de moeder, die verlangde haar kind in de wonderen der +natuur in te wijden, schreef hij haar eenige "Brieven over botanie" die +een uitstekende populaire handleiding over de beginselen van deze +wetenschap bevatten. + +Hij zag te Chambery zijn ouden vriend Conzie terug en bezocht er het +graf van Mme de Warens. Maar bij zijn omzwervingen had hij in Grenoble +een avontuur gehad, dat zijn waanvoorstellingen weer met verdubbelde +hevigheid deed opkomen. Een man aldaar, gelijk later bleek een oude +galeiboef, beweerde dat hij zeven jaar geleden aan Rousseau een kleine +geldsom geleend had, die deze hem nooit had teruggegeven. Rousseau +bracht dit voorval natuurlijk direkt in verband met 't wijdvertakte +complot, waarvan hij 't slachtoffer te zijn geloofde; op zijn verzoek +bemoeiden de autoriteiten zich met de zaak: 't bleek dat de bewering van +dien Thevenin een zuiver verzinsel was. Maar Rousseau was hiermee niet +tevreden; hij had bedoeld dat de autoriteiten de gelegenheid zouden +aangrijpen om 't komplot op 't spoor te komen, waarvan de oude boef een +der duistere werktuigen was; dat zij 't niet deden versterkte hem in +zijn waan van een algemeene samenzwering tegen hem. Hij was zoo +overtuigd op weg naar Chambery opgelicht en vermoord te worden, dat hij +aan Therese een afscheidsbrief schreef vol raadgevingen over hoe zij na +zijn dood moest doen. Na zonder doel en zonder bepaald plan wat heen en +weer te hebben getrokken in de Dauphine, nam hij in Bourgoin, een stadje +tusschen Lyon en Chambery, zijn intrek ineen herberg en bleef daar +zoowat een jaar. Kort nadat Therese er zich bij hem had gevoegd vond de +plechtigheid plaats, die hij zijn huwelijk noemde: een uitdrukkelijke +verklaring voor getuigen haar tot vrouw te nemen. Van nu af aan sprak +hij altijd over haar als "mijn vrouw" of "Mme Renou," de schuilnaam, die +hij in Trye had aangenomen. + +In Bourgoin, dat in een moerassige streek lag, werden hij en Therese +ziek door de vocht of het drinkwater. Diep ongelukkig klaagde hij, geen +dak boven zijn hoofd te hebben; hij wou uitwijken naar Minorca of +Cyprus, ook kreeg hij een plotselinge bevlieging, om naar Wootton terug +te keeren: hij verzocht den minister om een pas en kreeg die, maar ging +natuurlijk niet.... Hij dacht telkens door zijn vijanden in zijn +bewegings-vrijheid belemmerd te worden en maakte dan plannen om hun te +ontkomen; zoodra 't bleek dat zijn voornemens geen enkele belemmering +vonden, gaf hij ze op en richtte zijn zieke willingen op iets anders. +Na een jaar verhuisde hij van Bourgoin naar Monquin, een dorpje in den +omtrek, hoog op een heuvel gelegen: daar betrok hij weer een landhuis, +hem door den bezitter aangeboden. Na een poos begon de oude ellende +opnieuw: Therese klaagde dat de huisbewaarders lomp tegen haar waren en +haar beleedigden. + +Uit den tijd van zijn verblijf in Monquin is een brief bewaard van hem +aan Therese, geschreven op een uitstapje dat hij maakte om hun beide +gelegenheid te geven rustig na te denken over hun verhouding. Die was +dikwijls erg gespannen in den laatsten tijd; hij klaagt dat Therese voor +hem verkoeld is, dat van haar vroegere aanhankelijkheid niets meer over +is. Hij geeft toe dat zijn lastig humeur haar het samenleven even +moeilijk maakt, als hem hare kilheid; daarom doet hij haar het voorstel +een tijdlang uit elkaar te gaan tot beider geprikkeldheid bedaard is. +"Ik laat je geheel vrij om je woonplaats te kiezen en te veranderen +zoodra je dat zult begeeren. Het zal er je aan niets ontbreken, ik zal +meer zorg voor je dragen dan voor mijzelven, en zoodra wij weer in onze +harten zullen voelen voor elkaar geboren te zijn, en weer den echten +drang om samen te komen, zullen wij dat doen, om verder in vrede samen +te leven en elkaar gelukkig te maken tot aan het graf. Ik sla slechts +een scheiding voor, die ons beiden tot les kan dienen." + +De geheele brief--een van de zeer weinigen van Rousseau waarin hij het +vertrouwelijke "tu" (jij) gebruikt--een brief vol zachte verwijten, vol +konsideratie, vol geduld en vol verlangen dat het tusschen hen weer +worde als vroeger, getuigt van zijn onverminderde aanhankelijkheid voor +Therese en zijn volkomen vertrouwen in haar. Ondanks de moeilijkheden +die hen tijdelijk vervreemdden was er in zijn gemoed, het blijkt uit +dien brief, geen spoor van wantrouwen jegens haar; nooit zag hij haar +ook maar een oogenblik in zijn verbeelding staan binnen dien boozen +tooverkring, waarin haast al zijn oude vrienden den een na den ander +werden opgezogen: hij voelde haar daartoe te veel een met hem, te veel +een deel van zichzelven. + +Dit kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Therese niet inging tegen +zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een +verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche +voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, +zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan? Natuurlijk +zou hij dan ook haar zijn gaan verdenken van tot het komplot te +behooren, hij zou ook haar, de laatste die hij vertrouwde, niet langer +vertrouwd hebben; hij zou geen menschelijk wezen hebben gehad om zijn +verdriet in uit te storten, hij zou zich alleen tegen allen hebben +gevoeld. Had hij dit kunnen uithouden? Wat zou er van hem geworden zijn? +Neen, Therese deed goed, door met hem mee te praten; zich-uitspreken was +voor hem de eenige verlichting van zijn lijden. Door haar heeft hij die +verlichting ten minste nooit ontbeerd. + + * * * * * + +In Monquin voltooide Rousseau de "Bekentenissen," waaraan hij nu vijf +jaar bij tusschenpoozen gewerkt had. Hij begon steeds meer te verlangen +naar Parijs terug te keeren en schreef daarover aan den prins van Conti. +Die ried het hem af: hij zou er niet veilig zijn. Maar de innerlijke +drang werd sterker en ten slotte deed hij zijn wil: in Juni 1770 was hij +weer in Parijs, even blij er terug te zijn als hij veertien jaar geleden +blij was geweest het te verlaten. Het koninklijk gerechtshof dat hem in +'62 had veroordeeld, was door een ander stel magistraten vervangen; +Choiseul was niet langer minister; daarbij vond in dat jaar het huwelijk +plaats van den dauphin met Marie Antoinette en wilde de regeering geen +politieke vervolgingen: hij kon zich overal vertoonen, men liet hem met +rust. + +Hij leefde nog acht jaar in Parijs, op een zolderkamertje in de Rue +Platriere, die later naar hem genoemd werd. Hij vatte zijn oude +bezigheid van muziek-kopieeren weer op, hij vond behagen in dit werk en +werd er rustiger door; met de kleine lijfrente die hij bezat[55] en zijn +bijverdienste als kopiist konden hij en Therese zonder hulp van anderen +rondkomen, sobertjes, maar niet bepaald armoedig. Bernardin de St. +Pierre, die veel met hem verkeerde in die laatste levensjaren, +beschrijft den indruk van zijn eerste bezoek in de volgende woorden: + +"In Juni 1772 stelde een mijner vrienden mij voor, mij met Jean Jacques +Rousseau in kennis te brengen en voerde mij naar een huis in de Rue +Platriere, zoowat tegenover de post gelegen. Wij klommen naar de vierde +verdieping. Wij klopten aan, Mme Rousseau deed ons open. Zij zeide: "kom +binnen, heeren, mijn man is thuis." Wij gingen door een klein +voorkamertje, waar huishoudelijke benoodigdheden stonden, netjes +opgeruimd, naar het vertrek waar Rousseau met een lange jas aan en een +calotje op muziek zat te kopieeren. Hij stond met een lachend gezicht +op, bood ons stoelen aan, en zette zijn werk voort, onder de hand met +ons pratend. + +"Hij was mager en van middelbare gestalte. De eene schouder leek iets +hooger dan de andere, overigens was hij goed geproportioneerd. Zijn +gelaatskleur was donker met iets van een blos om de jukbeenderen; zijn +mond en neus waren schoon-gevormd, zijn oogen vol vuur, zijn voorhoofd +was rond en hoog. De trekken, die van de neusgaten naar de mondhoeken +dalen en de uitdrukking van het gelaat bepalen, drukten bij hem een +groote gevoeligheid en zelfs iets smartelijks uit. Alle hartstochten +verschenen beurtelings op zijn aangezicht, al naar de onderwerpen van +het gesprek zijn gemoed aandeden; in rustige oogenblikken behield zijn +gelaat een indruk van al deze aandoeningen, het bood dan den aanblik van +iets onbeschrijfelijk beminnelijks, fijns, aandoenlijks, eerbied en +medelijden opwekkend. In zijn nabijheid stond een spinet waar hij af en +toe melodieen op probeerde. Twee bedjes, evenals de wanden van 't +vertrek bedekt met een wit-en-blauw gestreept katoentje; een latafel, +een tafel en een paar stoelen vormden het geheele ameublement. Aan de +wanden hingen kaarten van het woud en het park van Montmorency, waar hij +gewoond had, en een gravure die den koning van Engeland voorstelde, zijn +vroegeren weldoener. Zijn vrouw zat te naaien; in een kooitje, aan 't +plafond bevestigd, zong een kanarie; op 't kozijn van 't venster, dat +aan den straatkant openstond, kwamen musschen brood oppikken; voor 't +raam van 't andere kamertje stonden potten met planten, gelijk de natuur +ze voortbrengt. Over het kleine interieur lag een waas van reinheid, +vrede en eenvoud, die 't hart goed deed." + +Zoo bracht hij zijn ouden dag door in een omgeving, niet ongelijk aan +die waarin hij zijn kindsheid had doorgebracht, toen zijn tante hem de +oude simpele wijsjes voorzong, die hij in de "Bekentenissen" heeft +herdacht. En dit was overeenkomstig zijn verlangen. In zijn voorlaatste +werk, de "Dialogen," wenschte hij zich zelven geluk met het feit, "van +in zijn ouderdom ongeveer tot den staat teruggekeerd te zijn waarin hij +geboren was, zonder in den loop des levens ooit veel gedaald of gestegen +te zijn." + +Zijn leven was gelijkmatig en geregeld ingedeeld. De morgenuren +besteedde hij aan 't kopieeren van muziek en 't drogen, schikken en +opplakken van planten. Hij deed dit keurig netjes, met de uiterste +zorgvuldigheid; de aldus toebereide bladen lijstte hij in en gaf ze aan +dezen en genen ten geschenke. Ook maakte hij weer muziek en komponeerde +in die jaren een groot aantal liedjes bij woorden van anderen; hij +betitelde die verzameling "Vertroostingen in de ellende van mijn +bestaan." In den middag bezocht hij 't een of andere koffiehuis, om de +nieuwsbladen te lezen en schaak te spelen; of maakte groote wandelingen +in de omstreken van Parijs; tot het laatst van zijn leven bleef hij een +hartstochtelijk voetganger. Een heel voorjaar lang liep hij iederen dag +twee uur ver om den nachtegaal te hooren zingen; zijn grootste vreugd +was 't gezicht op den Mont-Valerien bij zonsondergang. Hij genoot nu +een goede gezondheid, zijn kwaal scheen met de jaren verdwenen te zijn. +Met bijna al zijn oude vrienden, vooral de vrouwen onder hen, brak hij, +maar hij verkeerde met enkele nieuwe kennissen die hij gemaakt had onder +de letterkundigen en onder de eenvoudige lieden van zijn buurt. Nog +altijd ging van zijn omgang een onbeschrijfelijke bekoring uit, om zijn +mildheid, eenvoud, beminnelijkheid en argeloosheid; hij was altijd een +kind gebleven. Maar zijn ziekelijk wantrouwen kwam telkens boven en als +zijn ergdenkendheid door 't een of ander was opgewekt, stiet hij, in +buien van wrevelige nurkschheid, de menschen van zich die zijn +vermaardheid tot hem had heen getrokken en zijn beminnelijkheid aan hem +verbonden hield. Tusschen hem en de wereld hing het zwarte gordijn van +zijn waan en zijn folterende angsten. De gedachte aan de belagers en de +vervolgers die, zelven onzichtbaar, altijd op hem loerden, liet hem geen +rust. Hij kon geen woord zeggen, geen stap doen, geen voornemen opvatten +dat hun niet werd overgebracht. In schijn leefde hij vrij tusschen zijn +medemenschen, maar in werkelijkheid was hij afgesneden van zijns +gelijken, eenzamer in het groote Parijs dan te midden van dichte wouden +of in de donkerte van een grot. Hij wist niets van wat om hem heen +gebeurde; beladen met onzichtbare ketenen, omringd door wanden van +ondoordringbare duisternis, was hij levend begraven tusschen de levenden. +Waar hij binnentrad, vloden de menschen hem als een melaatsche, of weken +schuw terug en staarden hem aan. Men had hem bekend gemaakt bij alle +bestellers, kommiezen, ordebewakers, waterdragers, spionnen, barbiers, +bedienden, colporteurs en boekverkoopers van Parijs; verlangde hij een +boek of iets dergelijks, het was in de geheele stad niet te vinden; de +schoenpoetsers weigerden hem hun diensten, de veerlieden wilden hem niet +overzetten. Steeds meer kategorieen van personen hadden de machtige +samenzweerders, die sedert de dagen van de Hermitage tegen hem +komplotteerden, met minister Choiseul aan 't hoofd, in hun duivelschen +bond betrokken: de aanzienlijken, de letterkundigen, de geneesheeren, de +vrouwen van de wereld, alle die openbare ambten bekleedden en invloed +hadden op de publieke opinie. Alleen 's nachts, als zijn vijanden sliepen, +verslapte hun waakzaamheid; alleen dan kon hij vrijuit spreken zonder +beluisterd te worden en bespied. Zoo voelde hij zich, zoo beschrijft hij +zijn toestand in dat aangrijpend gedenkboek van zijn waan en zijn +geestelijke omnachting, maar ook van zijn zachtmoedigheid en +waarachtigheid, de "Dialogen." + +Toen hij in Parijs terugkwam, had hij nog hoop de strikken zijner +vijanden te verbreken. Uit de "Bekentenissen" meende hij, straalde de +onschuld en de goedheid van zijn wezen; het werk zou eerst na zijn dood +verschijnen, want hij wilde getrouw blijven aan zijn belofte van niets +meer uit te geven; maar niets belette hem om 't verhaal van zijn leven +en de geschiedenis van zijn ziel aan enkele uitverkorenen voor te lezen; +zij zouden inzien wat voor een mensch hij was en wat voor menschen zijn +vijanden waren, zij zouden hem helpen om de aanleggers van het komplot +te ontmaskeren. In den winter van 1771-72 hield hij zijn eerste lezing +van de "Bekentenissen" voor een besloten kring van aristokraten en +letterkundigen. Er werd veel over gesproken. Uittreksels kwamen in +omloop die groote beroering brachten. Maar of een der hoorders gevoeld +zou hebben hoe in dit werk een nieuwe schoonheid was geboren: een +juistere, meer getrouwe, meer nauwgezette afbeelding-in-woorden van de +uiterlijke en innerlijke ervaring dan de letterkunde nog kende, een +grijpen en vasthouden van wat nog nimmer gegrepen en vastgehouden was: +de vluchtig-opduikende, in den rusteloozen stroom van 't bewustzijn +snel-vervlietende gewaarwording? Het is niet waarschijnlijk. In +hoofdzaak waren het de aanvallen op bekende en invloedrijke personen, +die de aandacht trokken. Mme d'Epinay riep de hulp der politie in om +verder schandaal te voorkomen; de autoriteiten verzochten Rousseau onder +de roos om zijn lezingen te staken: hij onderwierp zich onmiddellijk. +Maar van den wil om zijn vijanden te ontmaskeren kon hij geen afstand +doen: het ging om zijn eer, om zijn naam bij latere geslachten, hij +voelde dit als een heilige plicht. Nogmaals beproefde hij het, nu op +andere wijze. In een geschrift van eenige honderden bladzijden voerde +hij zichzelf als Rousseau in gesprek met een Franschman ten tooneele. +Het onderwerp van hun gesprek is Jean Jacques, die de Franschman, gelijk +de massa van zijn landgenooten, als een schurk en een onverlaat +beschouwt, ofschoon of eigenlijk omdat hij van diens werken slechts +enkele uit hun verband gerukte aanhalingen kent. Rousseau treedt op als +verdediger van Jean Jacques en aanklager van diens vijanden: ten slotte +geeft de Franschman zich gewonnen; samen besluiten zij, te trachten het +komplot tegen den onschuldig-vervolgde op het spoor te komen. In de +verdubbeling der persoonlijkheid van den schrijver als Jean Jacques en +Rousseau, zijn lijdende en zijn verdedigende ik, voelt men de +hallucinatie van den waanzin; het volkomen gebrek aan compositie, de +tallooze uitwijdingen en herhalingen maken de lezing der "Dialogen" +uiterst vermoeiend, ondanks de verwonderlijk fijne en diepgaande +zelf-ontleding, die geheel op de hoogte staat van die in de +"Bekentenissen." Maar het is een troost om te zien, hoe nog in dit +gedenkteeken van geestelijke omnachting het beste van zijn wezen +onaangerand blijft: zijn geloof in de oorspronkelijke goedheid van den +mensch. Hij leed zonder wrok, hij gevoelde geen haat voor de duizenden +die zijn waan zich voorstelde als tegen hem vervuld van afkeer en +verachting; hij veronderstelde ze te zijn misleid door de duivelsche +sluwheid van enkelen, hij wist dat zij hem weer zouden opnemen in de +gemeenschap der menschen, zoodra zij inzagen bedrogen te zijn; dan +zouden hun natuurlijke neigingen weer ontwaken, broederlijkheid en +meegevoel zegevieren. Kon hij slechts eenen mensch vinden die met zijn +oogen zag en dacht met zijn gedachten, die hem helpen wou het web van +list en logen, om hem gespannen, te doorscheuren, dan was hij gered. +Maar hoe zulk een mensch te vinden? + +Toen de "Dialogen" voltooid waren--hij werkte er verscheiden jaren aan, +want hij voelde zulk een weerzin om zich in al dat gruwelijke en +vreeselijke wat hem aangedaan werd te verdiepen, dat hij er doorgaans +maar een kwartiertje daags aan schreef--besloot hij het werk toe te +vertrouwen aan de Voorzienigheid. God moest den mensch aanwijzen, +verkoren om het werktuig zijner rechtvaardiging te zijn. Hij nam zijn +handschrift en ging de straat op, om het op 't groote altaar van de +Notre-Dame neer te leggen. Maar de hekken rondom het altaar, die anders, +dacht hij, altijd openstonden, waren nu gesloten: een duizeling overviel +hem, het leek hem of de hemelsche gerechtigheid zelve zich tegen hem +verklaarde. Dien ganschen dag dwaalde hij in wanhoop door de straten, +tegen den nacht kwam hij uitgeput en wezenloos thuis. + +Maar nog gaf hij het niet op: hij zou en moest den waarachtige vinden, +die zijn naam zou rechtvaardigen voor de menschen, wanneer hij gestorven +was. Hij stelde een manifest op en schreef daarboven in groote letters: +"Aan elken Franschman, die waarheid en gerechtigheid nog liefheeft." +Hiervan bood hij afschriften aan op de hoeken der straten aan alle +voorbijgangers, op wier gezichten hij zachte, menschelijke neigingen +las. Maar alle, klaagt hij, weigerden als zij het opschrift lazen, +zeggend dat het hun niet aanging; hij vond den eenen waarachtige niet. + +Helaas!--om hem heen leefden duizenden, die hem liefhadden en vereerden, +die zijn levensleer in zich hadden opgezogen, voor wie zijn denken en +voelen, zijn idealen, het brood hunner dagen was, de lamp hunner +nachten. De encyclopedisten en hun aanhang waren tegen hem, en sommige +invloedrijke coteries van de groote wereld waren tegen hem, maar 't +jonge, opgroeiende Frankrijk was voor hem, 't denkende, voelende, +willende Frankrijk: de breede scharen der burgers en intellektueelen, en +ook vele der aanzienlijken. Zijn naam was nog een voorwerp van strijd, +maar bij den dag won hij, de vloed die opkwam droeg hem omhoog. + +Overal, in Parijs en buiten Parijs in de provincie, groeide een geslacht +op van mannen en vrouwen die nieuwe levenswaarden erkenden, naar nieuwe +beginselen handelden en bezield waren door een nieuwen wil. Zij +bereidden zich voor, in alle stilte, in studie en nadenken, in strenge +zeden, in een eerbaar huiselijk leven, in liefde voor eenvoud en deugd +en natuur, om den strijd te voeren tegen de maatschappelijke orde die +hij haatte, voor instellingen en zeden gelijk hij verheerlijkt had. Zij +bedronken zich aan zijn idealen van deugd en onbaatzuchtigheid, zij +spraken veel over hun gevoelige harten; somtijds herhaalden zij met een +vreemde fonkeling in de oogen de uitspraken van het "Contrat Social," +dat alle menschen vrij waren geboren, dat enkel laaghartige slaven +glimlachen bij het woord vrijheid, dat het volk, de massa der burgers, +niet dwalen kan. Zij voerden meest een arbeidzaam eenvoudig leven, zij +versmaadden de praal en de valsche genoegens der wereld; zij zonnen veel +na hoe de staat ingericht moest worden om de grooten in toom te houden +en de kleinen te helpen; zij waren goed, sterk en zuiver, die jonge +mannen en vrouwen, vol zelfopofferende neigingen, vol moedig willen, als +menschen zijn die worden omhoog gestuwd door den grooten stroom der +maatschappij. Zij voelden dat de omkeer naderde en dat hun tijd kwam. + +Overal in het land werd het vol van zulke mannen en vrouwen in de +kringen der grootere en kleinere burgers: er waren er al velen toen hij +stierf. Er woonde een jong meisje in Parijs, lieftallig als een engel, +schrander en hoog van gemoed, de trots harer ouders; zij zwoer in +zichzelve als Julie de deugd lief te hebben, maar ook de liefde; kuisch +te leven, een ster voor wien zij liefhad, met haar fonkeling hem op te +heffen, te bezielen tot heldhaftige deugd. Haar naam was Manon Phlipon: +als Mme Roland kent haar de geschiedenis. Er woonde een jongeling in +Arles, een kleine stad in het zuiden van Frankrijk; schuw en links was +hij, maar met een wil uit staal gegoten; hij dacht dat het tijd werd +voor den kleinen burger, den deugzamen en gerechten, om een einde te +maken aan den gruwel der tyrannie en den overmoed der heeren; tijd voor +hem om den Staat in handen te nemen: zoo had het "Contrat Social" hem +geleerd.--En alle deze spraken den naam "Jean Jacques" uit met dankbare +liefde en geestdriftige vereering: hij had hun de diepste aspiraties, +de zoetste verlangens hunner eigen harten geopenbaard: de onstuimige +klasse-verlangens, gistend en woelend in hun trillende lijven. Hij had +hun geopenbaard hun eigen machtigen wil; hij had het tooverwoord +gesproken dat hun gemeenschappelijke begeerten, schoonheid-omgloried, +deed herrijzen als maatschappelijk ideaal. + +Zijn droombeelden maakten hun willen stouter, hun overtuiging vaster, +vervulden hun harten met heerlijken gloed en oneindige begeerte zich te +geven, zichzelven te wagen, ten offer te brengen, te leven, te strijden, +smart te lijden, te sterven--daarvoor, daarvoor. Klaarheid en kracht +dronken zij uit zijn werken; als uit een bron dronken zij revolutionnair +bewustzijn, revolutionnairen moed uit hem.--Welk een geluk, welk een +heerlijkheid voor den dichter en denker dit te bereiken! Hiervoor leeft +hij immers, dit is zijn levensdoel. + +Helaas!--hij zag niet hoe de oogst zijner gedachten opkwam: hij zag +enkel zijn waan. Hij ontweek elke aanraking, hij meed de menschen; hij +dacht ze zich samengebald tegen hem tot een klomp van haat. En het +nieuwe geslacht dat opgroeide met zijn idealen in het hart en zijn naam +op de lippen, dacht hij zich vervuld jegens hem van monsterlijke +vooroordeelen. + +O ik weet wel, ik weet wel, dat de groote voorgangers der menschheid +nooit zien hun droom zich verwezenlijken, juist zoo zich verwezenlijken +als zij hem hebben gedroomd, dit nooit kunnen zien, ook niet waar die +droom geheel of gedeeltelijk wetenschappelijk inzicht, dat is +helderziende intuitie van de werking van maatschappelijke en geestelijke +krachten is. Niet de middeneeuwsche strijders voor de stedelijke +demokratie zagen het, de Conincks en Arteveldes; en niet de groote +Hervormers, Luther en Calvijn, Milton en Cromwell; de groote utopisten +niet, More en Fourier en Owen; en niet de vaders der moderne +arbeidersbeweging, Marx en Engels en Lassalle. En toch werden al deze +droomen waar. Maar zij werden waar op andere wijze, of langs andere +wegen, of in andere vormen, of in langzamer verloop dan die groote +voordroomers der menschheid verwachtten. Want niemand kent alle krachten +in het heelal, noch in de menschen, niemand weet wat de vrucht zal zijn +van hun aller samenwerking, al werpen Verbeelding en Kennis, die sterke +lampen, op den verren weg naar het Doel der Menschheid een helder licht. + +Maar zij allen zagen van hun droom toch iets zich verwezenlijken, zagen +dien toch worden tot een kracht in de harten van vele, vele menschen, en +zoo tot een kracht in het wereld-beweeg. En dit had ook hij kunnen zien, +had dat zwarte floers van waan het hem niet verborgen. Het is +hartverscheurend-droevig te bedenken, hoe zijn zaad opkwam in duizenden +harten, en hij niets zag als vertwijfeling. + +En toch--was er niet ook waarheid in zijn waan, al was zij tot leugen +verkeerd door monsterlijke overdrijving? Was het niet waar dat de wereld +tegen hem was, de wereld der heerschenden, der machtigen, der verdrukkers +van alle soort, zij die leefden van den arbeid der ellendigen? Moesten +zij niet tegen hem zijn om zijn droom van gelijkheid, van de ideale +gemeenschap waarin allen zouden arbeiden, niemand rijk zijn en niemand +arm, niemand heer en niemand knecht? Zouden zij niet weldra als een man +opstaan en zich samen-scharen met de heerschers van andere landen tegen +de poging zulk eene gemeenschap te grondvesten? Zou hun vijandschap tegen +wie haar wilden maken niet onverzoenlijk zijn, hun haat vlijmend, hun +verzet verbitterd; zouden zij een middel schuwen deze te verdelgen? Vatte +zijn waan va nvervolging en grootheid-in-eenen, niet symbolisch dien +woesten, langen, boosaardigen haat samen van de heerschers tegen den +verdrukte die opstaat, van de uitbuiters tegen den wil naar gelijkheid, +van de meesters tegen der knechten vrijheids-schreeuw? En de hoop die hij +nog hield, het vertrouwen van zijn ziek brein in den waarachtige die komen +zou na zijn dood, zijn naam zuiveren en zijn werken rechtvaardigen, was +het niet een verpersoonlijking der toekomstige geslachten, der burgerlijke +samenleving die hoon en smaad en laster zou afwentelen van zijn gedachtenis, +in hem roemen als in een Groote? + +Het is zacht te weten, dat hij niet in vertwijfeling gestorven is. +Strijden met zijn waan, dien overwinnen, dat kon hij niet, want die waan +was ziekte; maar worstelen om zich boven zijn smart te verheffen kon hij +door de ongerepte krachten in hem. En hij volbracht het, grootendeels. +Tot het laatste toe leed hij zwaar door het gevoel van zijn eenzaamheid, +maar lijdend steeg hij tot deze weemoedige vrede: dat al de haat der +menschen hem het beste niet ontnemen kon, niet het bewustzijn het goede +gewild en gezocht te hebben, niet zijn eigen essentie. Vijf en twintig +jaar lang worstelde hij toen reeds, om aan zijn hart te leeren de blaam, +de minachting, de vijandelijkheid der menschen te verdragen zonder ineen +te krimpen van pijn. Ten laatste leerde het arme over-kwetsbare hart +toch die les, en vond rust in zichzelven. En toen keerde het zoete en +lieflijke droomen dat hij boven alles liefhad nog eenmaal terug. + +Zijn laatste boekje, de "Mijmeringen," is doorzichtig van schoonen +weemoed. Nogmaals gaat hij daarin na zijn oorspronkelijken aanleg en +zijn innerlijke ervaringen, hij vermeidt zich in de herinnering aan de +lieflijke uren uit zijn leven, hij bepeinst het wezen der waarheid en de +troost van het berusten in de noodzakelijkheid. Hij had de wijsheid +gewonnen die bij den ouderdom past: het los-zijn van de dingen der +wereld, van gezondheid en ziekte, leven en dood, rijkdom en ellende, +schande en roem. Hij zweefde los en vrij boven de dingen, gelukkig in +den vrede dien hij had gewonnen, zonder begeerten, vol klare rust. Nog +verspreidden in zijn hart de gevoelens die niet sterven als met het +leven zelf, hun zachte gloeden: de liefde tot het eigen ik en de liefde +tot de menschheid, maar hun glans verbleekte als die van sterren in den +dageraad. + +Over de "Mijmeringen van den eenzamen Wandelaar" ligt het teer-gouden +waas gespreid, dat aan de fijne klaarte van late najaarsdagen zulk een +tooverachtig-milde, melancholisch-gedempte bekoring geeft. Zij zijn zijn +afscheid van het leven, weemoedig verzoend. Gelukkig de dichter, die +zoo, na veel harde en smartelijke ervaring, zonder wrok, in zachten +weemoed van het leven scheiden kan! + + * * * * * + +Hij was ouder en zwakker geworden, ook Therese. Zijn gezicht werd te +slecht om muziek te kopieeren, en zij was niet langer in staat voor het +huishouden te zorgen. Armoede bedreigde hen. Hij stelde een soort +smeekschrift op, waarin hij verzocht dat de een of ander hen zou +opnemen, in ruil voor het afstaan van al wat hij bezat. Van alle kanten +bood men hem hulp aan; de jonge marquis de Girardin stelde een paviljoen +op zijn bezitting te Ermenonville in de vallei van Montmorency te zijner +beschikking. Den 22sten Mei 1778 betrok hij met Therese hun nieuwe +woning: het moest zoo komen dat hij, die zijn leven lang zich verzet had +tegen elke afhankelijk-zijn, zou sterven onder eens anders dak. + +Acht dagen nadat Rousseau in Ermenonville was aangekomen, stierf +Voltaire. Hij had er een voorgevoel van, zijn ouden vijand weldra te +zullen volgen: hij voelde alsof hun beider bestaan op geheimzinnige +wijze aan elkaar verbonden was. Hij botaniseerde weer een weinig en was +begonnen het zoontje van zijn gastheer les te geven in botanie. Maar +opnieuw overvielen hem de oude angsten: hij dacht dat hij gevangen +gehouden werd en tobde hoe te ontvluchten. Aan een jongmensch die hem +van uit Parijs bezocht gaf hij een brief mee met het verzoek om een +toevlucht voor hem te zoeken in een der gasthuizen. Hij zag in +Ermenonville zijn ouden vriend en discipel Moultou nog eenmaal terug, +dien hij in geen dertien jaar had gesproken. Onder de overige bezoekers +die daar tot hem doordrongen was een schuchter, sluikharig jongeling, de +stem onzeker, de oogen vol van het bedwongen vuur eener onbeschrijfelijke +vereering. Hij heette Maximiliaan Robespierre. + +[Illustratie: ROUSSEAU's GRAF. (naar een oude krijtteekening).] + +Den 2den Juli, na een morgenwandeling, voelde Rousseau zich onwel. +Therese, die hem hoorde kermen, kwam aanloopen en vond hem op den grond +liggen; zij hielp hem overeind maar hij viel opnieuw en verwondde zich +bij dien val aan het voorhoofd: dit gaf aanleiding tot 't gerucht dat +hij zelfmoord zou hebben gepleegd. Hij vatte haar handen en drukte die +zonder te spreken; om elf uur 's morgens stierf hij. De Girardin deed +hem begraven op een eilandje in den grooten vijver van het park, gelijk +hij kort voor zijn dood aan zijn gastheer verzocht had, op een avond dat +daar ter zijner eere muziek werd gemaakt. Onder ruischende peppels lag +hij daar. + +Dertien jaar later deed de revolutie in triomphantelijke hulde zijn +overblijfselen overbrengen naar 't Pantheon, om te rusten naast die van +zijn grooten tegenstander Voltaire. + + * * * * * + +Natuur en maatschappij hadden zijn wezen voortgebracht, een blad aan den +boom van het universum. De natuurlijke en de sociale levens-omstandigheden, +de opgehoopte levens-ervaringen van vele voorouders door vele geslachten, +de lucht die zij hadden geademd, het stoffelijk en geestelijk voedsel dat +zij hadden gebruikt, de arbeid dien zij hadden verricht, hun physieke en +moreele gesteldheid, de aard der gemeenschap waartoe zij hadden behoord, +hun verhouding tot andere leden dier gemeenschap, deze en nog tallooze +andere invloeden hielpen hem maken, hielpen den aanleg van het kleine +menschwezen bepalen, opduikend, in de stad aan het donkerblauwe meer, uit +de diepten der oneindigheid. + +De huiselijke omgeving waarin hij, kind, verkeerde, en de maatschappelijke +omgeving, sluitend om dezen eersten een tweeden ring, maakten diepe +onvergankelijke indrukken in de weeke klei van zijn oorspronkelijken +aanleg. De werking van die indrukken der kinderjaren op 't materiaal der +aangeboren neigingen bracht voort het karakter-in-wording van den teederen, +overgevoeligen, droomerigen, onstuimigen, zinnelijken, vrijheidsminnenden, +tuchteloozen knaap, die op een lentedag de wereld introk, om zich te laten +bevruchten door het leven. + +En het leven strooide veel kiemen in hem uit. Geringschatting van grooten, +hulpvaardigheid van kleinen, steun en raad van menschelijken en wijzen, +harde nood, bitter-mondende afhankelijkheid van heeren, zwerverslust en +bandeloosheid van zwerven, zachtheid en streeling van vrouwen, de speelsche +liefde en de opziende die niet droomen durft van bezit, pracht van bergen +en dalen, bekoring van meren, heuvelen-omkransd, lieflijkheid van de +landouwen in den zomermorgen en de zachtvallende groene glooiingen van +Savoye, ontroeringen van muziek, stemmen van wijsgeeren en dichters, +stijgend uit de diepte der tijden of zwevend door den dampkring van zijn +eigen tijd--al wat hij ervoer, dacht, deed en droomde, hielp hem tot den +man maken dien hij werd in die poezie-rijke, avontuurlijke, vreemd- +gespletene en toch naar een doel stroomende jaren der jongelingschap. + +De groote natuurkracht, in haar uitingen verschillend, al naar de +maatschappij verschilt waarin zij zich openbaart, en toch weer alle +omheiningen door de maatschappij gesteld, alle palen van zede en konventie +somtijds omversleurend: de geslachtsliefde;--en de maatschappij-kracht: de +begeerten, de aspiraties, de energieen en de gedachten die de maatschappij- +beweging omhoog stuwt, de wil tot vernieuwing der levenswaarden die zij in +de harten wekt wanneer de tijd rijp is voor de vernieuwing der +levensverhoudingen, (produktie-, klasse- en gezinsverhoudingen) die beide +groote krachten voedden de krachten van zijn wezen, doordrongen ze, smolten +met ze samen, met zijn weeke zinnelijkheid en zijn onstuimige hartstochten, +zijn innig gevoel en zijn scherp onverbiddelijk denken, en met de gave die +zijn eigen was van innerlijke en uiterlijke ervaring om te scheppen, om te +tooveren tot schoonen droom. + +Toen die doordringing en versmelting volkomen was kwam het Gezicht over +hem en het besef ging in hem open, van te zijn geroepen tot het +verdoemen van de levensvormen rondom hem, tot het verkondigen van een +nieuwe levensleer en het uitbeelden van een nieuwe levensgestaltenis. +Hij wist niet wat hij deed, hij was een onbewust revolutionnair, een +onbewust profeet der geweldige omwenteling van de levensverhoudingen +wier nadering den socialen dampkring vervulde met al sterker-wordende +spanning der geesten, groeiende onrust en hunkering. Hij wist niet +waarheen hij gedreven werd, hij wist niet waarheen hij anderen dreef, +hij was een gevolg en een oorzaak, een kracht van omvorming tusschen +andere krachten, hij die zelf meende, o vreemde dwaling, dat de +maatschappij onbewegelijk was. Maar hij verstond het gebod van de +maatschappij-beweging, van den wil der menschheid naar grooter +volkomenheid dat tot hem kwam gelijk het altijd doet, als een gevoel van +zedelijke verplichting in den mensch, een gebod in zijn binnenste. Hij +wist niet dat die stem in hem zelven de stem van opkomende klassen was, +dat zij hem riepen om hun tolk te zijn, om hun onklare denkbeelden die +geboren wilden worden vorm en gestalte te geven,--maar hij hoorde de +roepstem en volgde haar. + +Haar volgend, moest hij strijden tegen een stuk van zichzelven, tegen +zijn zwakheden, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn +hart. Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn +liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve +neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij +overwon dat alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van +onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens +wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel +en gedachte die hij kon vinden bereikt was; hij de bandelooze, lag zijn +liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. Hij was dikwijls +zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk +betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de +gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de +liefde tot de menschheid,--en het artistiek geweten, de nauwgezetheid +van den kunstenaar. + +Hij wilde de waarheid zeggen, wat hij voor waarheid hield, over de +wereld en over zichzelven. Hij ontzag geen aardsche machten, hij +verzweeg en verbloemde niets van zijn haat voor de rijken, van zijn +afkeer van de brood-dronkenheid, de verkwisting en de wulpschheid, van +zijn verachting voor de beschaving; hij trotseerde de vervolging die hem +als een stuk wild jaagde over de wereld, hij trotseerde den spot en den +hoon die zijn hart van pijn deed ineenkrimpen, telkens ineenkrimpen, +broos dwaas ding van kwetsbaarheid. Hij versmaadde geld en goed om +zichzelf te kunnen zijn, hij wees alle ondersteuning van machtigen af +om vrij te kunnen zeggen wat de innerlijke stem beval. Hij was dikwijls +ziek, dikwijls moe, dikwijls weifelend, dikwijls ontmoedigd, maar dit +zette hij door met stalen wil. En toen hij, in zijn levens-neergang, +niet langer de waarheid over de menschelijke verhoudingen, enkel nog +de waarheid over zichzelven zeggen wilde, ook toen dreef hem diezelfde +prachtige waarheidsliefde, de morgenster en de avondster van elken +waarachtigen kunstenaar. Het was niet zijn schuld dat hij toen +zichzelven zag, en de verhouding van zijn ik tot de menschen, in +wanstaltige verwrongenheid: dat deed de ziekte--maar wel was het zijn +verdienste dat hij, gelijk hij zich zag, zich afbeeldde, zoo scherp +nauwkeurig en volledig als hij kon. + +Zoo vloot zijn waarheidsdrang in twee stroomen uit, die een bron voedde: +het levens-bewustzijn in hem eener stijgende klasse, de opkomende +beweging der burgerij in zijn dagen. Stijgende klassen dragen altijd in +hun hart dien edelen waarheidsdrang, durven altijd het leven in de oogen +zien, omdat zij het voelen hun vriend; ondergaande klassen vlieden en +schuwen de waarheid, bedriegen laf anderen en zichzelven, tenzij zij +vervallen in schaamteloos cynisme. + +Zijn zaad kwam op nadat hij gestorven was, velerlei zaden! Hij was een +ijverig Bouwman op de akkers der menschheid geweest. + +Het was toen de tijd dat het vraagstuk van de omvorming van den staat de +hoofden en de harten vervulde; alle belangstelling, alle warmte, alle +enthousiasme ging naar de politieke en juridische verhoudingen. + +De stutsels van den feudaal-absolutistischen staat waren vermolmd, maar +hij beschikte nog over vele machtsmiddelen: om hem terneer te werpen was +nog een worsteling noodig op leven en dood. De klassen die de worsteling +tegen het oude regiem voerden--de intellektueelen, de groote, de +midden- en de kleine burgerij, de arbeiders en de boeren,--hadden een +gemeenschappelijk belang: de heerschappij van het absolute koningschap, +den adel en de geestelijkheid te breken. De burgerlijke staat, dien zij +voor het oude regiem in de plaats wilden stellen, verscheen hun als het +ideaal van vrijheid en gelijkheid; de moed, om elk persoonlijk belang op +het spel te zetten, het leven zelf te wagen; de kracht om de aanvallen +der kontra-revolutie, der legerscharen van half Europa af te weren, +vonden zij in hun overtuiging van de rechtvaardigheid en de heiligheid +van hun zaak, in den gloed van hun liefde tot het vaderland--dat hun +vaderland werd nu de tyran gevallen was en de landheeren gevlucht waren. +Uit Rousseau hadden zij geleerd hoe die nieuwe staat, hun staat, +ingericht moest worden naar de eischen der rechtvaardigheid; uit +Rousseau hadden zij gelezen dat hun wil goed en recht, deugdzaam en +heilig was; hij had uitdrukking gegeven aan wat in hen gistte, hij had +hun groote algemeene belangen, hun klasse-belangen, gezet in den +stralenkrans van zedelijke schoonheid. Omdat hij dit gedaan had, hadden +zij hem lief en vereerden zij hem boven een ander revolutionnair +schrijver, zelfs boven Voltaire. Zij dronken kracht en standvastigheid +uit hem, lust tot groote daden, levensvreugde en stervensmoed. + +De tegenstellingen in den schoot van den "Tiers Etat," d.w.z. van de +burgerlijke, de niet-adellijke klassen, kwamen eerst aan het licht in +den loop der revolutionnaire worsteling, naarmate deze verschillende +klassen, onder den naam van "derden stand" saamgevat, al strijdend +bewustzijn verwierven van hunne bijzondere en vaak tegenstrijdige +belangen. Rousseau had geleefd en geschreven in een tijd, dat die +tegenstellingen nog verborgen waren. Daarbij kwamen in hem, door +afstamming en levensloop, zoowel meer groot- als meer kleinburgerlijke, +en ook wel proletarische neigingen tot uiting, al was de overheerschende +richting van zijn voelen, willen en denken beslist kleinburgerlijk. Uit +'t een en 't ander volgde, dat zijn werken niet de verkondiging der +speciale belangen van een bepaalde groep uit den "derden stand," niet +de verheerlijking van bijzondere aspiraties, maar de verdediging en +verheerlijking van wat aan den geheelen derden stand gemeen was, +bevatten. Er volgde tevens uit dat zijn geschriften rijk waren aan +tegenspraak en tegenstrijdigheid, aan vage uitspraken, aan schommeling +tusschen meer radikale en meer konservatieve neigingen. + +En juist dit algemeene, dit betrekkelijk-onbestemde, dit schommelende +en tegenstrijdige in hem maakte, dat alle partijen en groepen die in +de jaren 1789-1794 gedurende korter of langer tijd de macht in handen +hadden, van de voorstanders van het konstitutioneel koningschap in de +Nationale Vergadering tot de strenge republikeinen der Bergpartij toe, +zich op hem zouden beroepen en beweren zijn leer in praktijk te brengen +en zijn voetstappen te volgen. Op hem beriepen zich de mannen die den +koning handhaafden en de mannen die den koning terechtstelden en de +republiek proclameerden. Op hem, op den gevoelsinhoud en gevoelstoon +vooral van zijn werken, beriepen zich de aanvoerders der Girondijnen. +Hun ietwat theatraal-verkondigde liefde tot de deugd, hun vaag +idealisme, hun heroisch patriotisme, dat in de romeinsche toga gehuld +met groote gebaren het tooneel van het openbare leven beschreed, hadden +zij van hem geleerd. Op hem beriepen zich de Jacobijnen, op zijn stoere +demokratie, op zijn prijzen van het wantrouwen jegens elke regeering +als een demokratische deugd, omdat elke regeering er naar streeft, +de rechten der burgers te verkorten. Op hem beriepen zich de groote +bourgeois, die in 1791 wel de souvereiniteit van het volk proklameerden, +maar de burgers in aktieve en passieve verdeelden al naar hun inkomen, +een verdeeling die Rousseau zelf van de verkiesbaarheid zou hebben +uitgesloten. Op hem beriepen zich de kleine burgers der Bergpartij, de +stoutmoedige revolutionnairen van '93, die tegen zijn uitdrukkelijke +voorschriften de wetgevende en uitvoerende macht in hetzelfde orgaan +vereenigden, die, gruwel voor zijne vredelievendheid, de Terreur tot +regeermiddel maakten, die recht tegen zijn federalistische neigingen in, +naar sterke centralisatie streefden,--en die toch terecht beseften meer +dan welke andere partij der omwentelingsjaren bloed van zijn bloed en +vleesch van zijn vleesch te zijn. Want in zoover zij anders handelden +dan hij had voorgeschreven, handelden zij bekneld door omstandigheden +die hij niet had voorzien; in hoogsten nood verkeerend, gedwongen, +gelijktijdig besprongen als zij werden door het verraad der vijanden +van binnen en den dreigenden inval der vijanden van buiten, tot elken +maatregel die den vijand verzwakte en in toom hielp houden. In zijn +vredelievendheid, zijn afkeer van geweld, zijn angst voor ingrijpende +verandering, zijn verheerlijking van elke orde boven wanorde en elke +rust boven onrust openbaarde zich de gezindheid van den kleinburger in +normale tijden, wanneer de revolutionnaire exaltatie een droom schijnt +en de revolutionnaire chaos een nachtmerrie, de revolutie zelve even +verschrikkend als onreeel. Nu dat onreeele de werkelijkheid van elken +dag en die verschrikking gemeenzaam was geworden, had de angstige +behoedzaamheid afgedaan die hem nooit verliet: die leek nu het +onwezenlijke, onbegrijpelijke. Maar de essensie van zijn wil, ontdaan +van wat aan hen die volbrachten waarvan hij gedroomd had, waardelooze +bijkomstigheden schenen--al had hij dit anders gevoeld--was ook de +hunne: den wil tot menschengelijkheid en tot vrijheid van den mensch. +Daarom vereerden zij in hem hun grooten voor-willer en voor-denker, en +toen zij de "Rechten van den Mensch,"--gelijk zij die meenden uit het +wezen van den mensch te volgen, eeuwig te zijn en onveranderlijk, +--afkondigden, ze opstelden aan den gevel van het gebouw der constitutie +van '93, ontleenden zij de gedachte-wendingen en de uitdrukking haast +letterlijk aan het beroemde geschrift van hun grooten meester, dat hun +staatkundig evangelie was. + +In die dagen, dat de revolutionnaire spanning tot 't hoogst was gestegen, +dat de meest-revolutionnaire burgerlijke groep het gezag in den staat +uitoefende, poogden de stoutmoedige kleinburgers die Frankrijk regeerden, +den droom van hun meester te verwezenlijken op staatkundig, op sociaal en +op godsdienstig gebied. + +Robespierre, een dorre en ondichterlijke Rousseau, door den greep der +revolutie gevoerd op paden waar Rousseau van huiverde, voelde zich de +uitvoerder zijner gedachten, de incarnatie van zijn stelsel. In de +staatkunde streefde hij naar den regeeringsvorm die elks vrijheid het +best zou verdedigen tegen de aanrandingen van allen en naar een +groepeering der burgers, die deze het best in staat zou stellen de +regeering te bewaken en elke overschrijding van hare bevoegdheden te +keeren. Op sociaal gebied proclameerde hij--ofschoon zich kantend tegen +iederen maatregel in communistische richting--de plicht van den staat om +de gelijkheid der burgers te bevorderen en de weelde te bestrijden; het +recht van zieken gebrekkigen en nooddruftigen op hulp van staatswege en +dat op arbeid van alle burgers. Op religieus gebied verdedigde hij de +vrijheid van godsdienst tegen het aanvallend materialisme van den +Parijschen gemeenteraad, maakte den plechtigen eeredienst van het +opperwezen tot een republikeinsche instelling, ankerde de gezindheid van +den deugdzamen burger, den vrijheidslievenden patriot, in diens geloof +aan het hoogste wezen en de onsterfelijkheid der ziel, deed de Nationale +Conventie dit geloof plechtig bezweren. Want, meende hij, burgerdeugd, +dat is het opofferen van het persoonlijk belang aan het algemeene, kan +slechts bestaan bij wien overtuigd is na den dood de belooning voor zijn +goede of de straf voor zijn slechte daden te zullen ontvangen. + +Toen de heldhaftige poging om een maatschappij van vrijen en gelijken, +een samenleving zonder heeren en zonder knechten te grondvesten op de +basis van het privaat bezit der produktiemiddelen en de kapitalistische +produktie, dat is van ekonomische ongelijkheid en ekonomische +afhankelijkheid, te pletter was geloopen tegen de wanden der +onmogelijkheid, toen de helden die dit onmogelijke hadden gewaagd waren +ondergegaan in tragisch-grootsche worsteling en de edelste krachten der +revolutie waren verbruikt; toen een handvol groote bourgeois, avonturiers +en speculanten de vruchten begonnen te plukken van den heldenmoed, het +lijden, de ongeevenaarde ontberingen en opofferingen, de reusachtige +inspanning van het geheele volk--toen taande ook de invloed van den +grooten denker en droomer, wiens geest de besten in den strijd had bezield. +In schijn vereerden hem ook de nieuwe regeerders, maar alleen in schijn. +Na de Constitueerende en de Wetgevende vergadering, na de Gironde en de +Montagne, na Mme Roland en Robespierre beriepen zich nu op hem de zatte +bourgeois van het Directoire; zij haalden met welgevallen zijn liefde aan +voor orde en rust, om de hunne te rechtvaardigen; zij trachtten den +uitdoovenden geestdrift van het volk op te wekken door het organiseeren +van openbare feesten, zooals hij er toe had aangespoord, maar waarin de +gloed van vaderlandsliefde en de geest van broederlijkheid die ze moest +bezielen, geheel ontbraken. Zij droegen zijn naam op de lippen, zij +droegen niets van zijn wil meer in het hart. + +Een man was er in die dagen van uitputting en uitdooving, in wiens +gemoed de revolutionnaire energie haar laatste stralen verzameld had. In +zijn brein was een nieuwe gedachte opengegaan, de gedachte dat politieke +vrijheid en gelijkheid niet verwezenlijkt kon worden dan op den grondslag +van ekonomische gelijkheid, en deze zelve niet kon bloeien dan op den +bodem van gemeenschappelijk bezit der arbeidsmiddelen. Gracchus Baboeuf +heette hij en werd spoedig terechtgesteld. Ook hij beriep zich op Rousseau +evenals alle anderen. En hij mocht dit doen, al had Rousseau nooit het +communisme gezien als een mogelijkheid. Maar hij had de gelijkheid en +vrijheid boven alles liefgehad, de uitbuiting en onderdrukking boven alles +gehaat, en nu gebleken was in de school der revolutie, dat het privaatbezit +de wortel was van uitbuiting en dienstbaarheid, van lediggang en ellende, +waren nu wie dat bezit wilden opheffen niet de echte zonen van zijn geest? +Zijn drang tot de waarheid, zijn zedelijke ernst, zijn sterke demokratische +gezindheid hadden hem gevoerd tot aan de uiterste grenzen der +individualistisch-kleinburgerlijke sociale idealen. Verder was hij niet +gekomen, maar wie ook slechts een stap verder ging, moest de zon van het +socialisme zien opgaan. Dien stap deed Baboeuf. + + * * * * * + +In die klotsende tijden, dat de staatkundige denkbeelden van Rousseau +leefden in duizenden dappere harten, keerden de menschen zich af van zijn +pogen als kunstenaar. Zij waren onverschillig geworden voor de verinniging +en de verinnerlijking der levens-beelding die hij gezocht en bereikt had, +zij voelden niets voor de uitbeelding van den geheelen, natuurlijken, +mensch. In de literatuur en de kunst heerschte in Frankrijk gedurende de +revolutie het pseudo-klassicisme, het koud-rhetorische, uiterlijk-weidsche, +over-regelmatige, oppervlakkig-cerebrale, zonder lichamelijke aandoening, +zonder innigheid en zonder hartstocht, de richting die hij verfoeid en +bestreden had. Het overstelpt worden door den stroom der gebeurtenissen +van het uiterlijke leven, het zich inspireeren op antieke voorbeelden +maakten de kunst zoo. + +Maar bij den aanvang der nieuwe eeuw kwam de omkeer. In haar werk "Over +Literatuur," dat in 1800 verscheen, rekende Mme de Stael, naast +Bernardin de St. Pierre de eerste literaire discipel van Rousseau, met +de klassicistische richting af en vatte de aesthetische neigingen en +denkbeelden van haren meester samen. Men kan haar boek het eerste +manifest van de romantiek noemen, het woord genomen in de meest +algemeene en verstrekkende beteekenis. Sedert dien tijd dronken alle +woord-kunstenaars aan de bronnen die hij ontsloten had. De groote +wereldstroom der literatuur ging langs de banen, waarop hij was +voorgegaan. + +Weldra splitste zich die stroom, niet eenmaal, maar vele malen. Wat in +Rousseau onverdeeld had samengewoond, streefde uiteen naar vele +richtingen. Hij was een begin geweest, een stamvader van vele volken, +een moederbekken van vele wateren, zoowel in het literaire, als in het +politieke. De poetische weemoed, de onstuimige bewogenheid, het innig +natuurgevoel, het vage godsgeloof, de dweepende geestdrift voor de +burgerlijke vrijheidsidealen, de exaltatie van het ik, de psychische +zelfbeschouwing en zelfontleding, het beluisteren der vluchtige +gewaarwording, dit alles was in hem nog ongescheiden. De ontwikkeling +bracht, gelijk zij altijd doet, scheiding: differentiatie en +specialisatie. Van wie na hem kwamen zochten sommigen voornamelijk het +heroische pathos, streefden naar het uitdrukken van vage godsdienstige +vereering of onbepaalde vrijheidsidealen. Anderen streefden vooral naar +de uitbeelding van dien poetischen weemoed, door welke de vereenzaamde +enkeling in de burgerlijke maatschappij zijn eenzaamheid zet in den +schijn der schoonheid, of naar die van den somberen trots, waarmee hij +zijn eenzame ikheid trotseerend stelt tegenover het gansche matelooze +heelal. Weer anderen voerden het verzinken van dit eenzame individu in +de natuur, het versmelten met haar tot het uiterste. Dit alles deed de +romantiek. + +Nadat de eerste roes van verrukking over het verbreken der conventioneele +banden waarin de literatuur lang bekneld was geweest, had uitgeraasd, en +het eerste geslacht van romantici gefeest aan dit uitbeelden van den +geheelen mensch en de geheele aarde, het uitbeelden ook van het slechte, +zondige, leelijke, bizarre, schijnbaar nietige, gruwelijke en monsterlijke +naar hartelust, kwamen anderen, die rustiger waren en stiller, +zelfbeheerschter, aandachtiger. Zij legden zich vooral toe op het scherp +bespieden en volledig afbeelden der uiterlijke en innerlijke ervaring, +zij waren de diepe ploegers die de kunst verinnerlijkten, nadat die +eersten hare grenzen vele mijlpalen verder hadden uitgezet. Zij +beluisterden de verste en zwakste tonen en ondertonen, opstijgend uit de +diepten van dien kosmos: den lichamelijk-geestelijken mensch. Dat waren +de naturalisten en de impressionisten en de kunstenaars der gewaarwording. +En ook van hunne kunst lag de kiem in Rousseau. + +Elk van al deze, van de romantici en van wie na de romantiek kwamen, was +anders dan alle anderen--en dit moest immers zoo zijn, want het groote +wat zij gemeen hadden was toch het zoeken naar de meest-persoonlijke +uitdrukking voor de meest-persoonlijke aandoening, en het stellen van +het individu als een eenheid tegenover alle andere individuen. Dat was +hun gemeenschappelijk ideaal. Het bewustzijn van elk hunner werd bestemd +behalve door ieders persoonlijken aanleg, omgeving en levensloop, door +de geschiedenis, de traditie, en den ekonomischen, socialen en +politieken graad van ontwikkeling der nationale gemeenschap waartoe zij +behoorden. Maar allen, ook zij die onderling het meest verschilden en +elkaar het heftigst bestreden, hadden tegenover hun voorgangers, +tegenover de literatuur van een vorig tijdperk, gewichtige trekken +gemeen. Zij hadden gemeen de kleuriger, rijker taal, die geen woord en +geen uitdrukking als laag of onedel uitsloot en versmaadde, de afkeer +van doode regelmaat en konventioneele schema's, de hartstochtelijke +liefde tot het leven, tot al zijne verschijnselen. En al deze trekken, +die zij onderling gemeen hadden, hadden zij ook gemeen met hun aller +geestelijken stamvader, den stamvader van de moderne burgerlijke +literatuur, van de lyrische poezie en den naturalistischen roman, van de +psychologische analyse en het sensitivisme: den schrijver der "Nouvelle +Heloise," der "Confessions" en der "Reveries." + +Van alle deze afstammelingen, deze groote bonte familie van 19e eeuwsche +schrijvers en dichters, is er een in wien verscheiden der meest +wezenlijke trekken van den stamvader terugkeeren als bij geen der +anderen. Gelijk Rousseau vereenigt hij zinnelijken aanleg en innigheid +van gemoed met scherpte van ontledend denken en met een verwonderlijke +gave, de halfbewuste gewaarwording naar het licht der bewustheid omhoog +te beuren. Hij noemde zichzelf de discipel, Rousseau zijn meester. Maar +doordat de discipel Tolstoi een gezonder, forscher en klaarder +fysio-psychischen aanleg van de natuur had mee gekregen dan de meester +Rousseau, en doordat de discipel opgroeide in een sociaal milieu, dat in +tegenstelling tot de kleinburgerlijke sfeer waarin Rousseau wortelde de +sociale neigingen boven de individualistische stelde, sterk beinvloed +gelijk het was door de tradities van het agrarisch communisme en het +communistisch-gezinde oer-christendom, daardoor volbracht Tolstoi wat +Rousseau niet vermocht: beelden te maken, niet slechts van zijn eigen +lichamelijk-geestelijke ervaringen en zijn eigen aspiraties en idealen +te projekteeren in enkele gestalten, maar een beelden-galerij te +scheppen van de mannen en vrouwen van een geheel tijdperk, hunne +gestalten doordringend met de gleur van zijn zedelijke idealen en de +eigenheid van zijn wezen. + + * * * * * + +Rousseau had een Beeld voor de menschen opgericht, een ideaal van vele +levensverhoudingen; daarom straalde zijn invloed uit naar vele sferen +van het menschelijk leven. Zijn denkbeelden over den aard van het kind +en de vorming van kinderen tot menschen zijn in latere geslachten +overgegaan en een deel van ons wezen geworden, evenals zijn staatkundige +idealen, zijn verinnerlijking der levensbeelding en zijn natuurgevoel +dat zijn. + +De voortgang van zijn opvoedingsleer, haar doordringen in de theorie +maar vooral in de praktijk is telkens onderbroken geworden door +reaktionnaire vlagen, zij werd tegengehouden en belemmerd door de +inrichting der maatschappij. De klassentegenstellingen maakten den +dwang- en de africhting waartegen hij zich gekeerd had noodig, zij +bestendigden die in andere vormen, evenals het ingieten van de +grootst-mogelijke hoeveelheid kennis ten koste van de lichamelijke +ontwikkeling en van het karakter, die hij uit de opvoeding had willen +bannen. De klassentegenstellingen verhinderden dat de opvoeding werd +zooals hij gedroomd had: een oefening in zelfstandig doen en zelfstandig +denken, want voor de rustige heerschappij der meesters was het van veel +belang dat de hersens van het kind vroeg verwrongen werden en +gefatsoeneerd in het pantser der godsdienstige of nationalistische +dogma's. De burgerlijke maatschappij kon geen zelfstandig-denkende +proletariers gebruiken, zij had behoefte aan gedweee, buigzame knechten. +Zoo komt het, dat tot op den huidigen dag de opvoedingsleer van +Rousseau, ofschoon in algemeene trekken sedert lang aanvaard door de +wetenschap der paedagogie, een onvervuld denkbeeld is gebleven. Hier en +daar, broks- en stukswijze, wordt zij toegepast, maar de _algemeene_ +toepassing, dat is de hervorming van het onderwijs in den zin van +doelbewust geleide zelf-werkzaamheid met lichamelijken arbeid tot basis, +blijft uit en zal uitblijven, tot de arbeiders den staat zullen hebben +veroverd en naar hunne behoeften, dat is socialistisch, ingericht. + +Rousseau was geen socialist, zelfs niet in de meest vage beteekenis. +Zijn denken op sociaal gebied overschreed de grenzen niet van zijn tijd +en van zijn klasse, dat is de grenzen der klein-burgerlijke produktiewijze +en produktieverhoudingen. Maar omdat haat voor onderdrukking en uitbuiting, +liefde voor vrijheid en gelijkheid zoo groot, zoo sterk, zoo vurig, zoo +allesbeheerschend in hem was op 't hoogtepunt van zijn leven, dat hij de +vrije wilden, machteloos tegenover de natuur, verkoos boven de heeren en +knechten der beschaving,--daarom bereikte hij de verste grenzen van het +burgerlijk willen en is de arbeidersklasse in zekeren zin zijn erfgenaam. +Want die demokratie, zijne geliefde, die gelijkheid van rechten en plichten +voor alle menschen waarnaar hij hunkerde, kan niet verwezenlijkt worden dan +in de socialistische maatschappij. + +Het socialisme zal de beide zijden van het ideaal van Rousseau, de +individualistische zijde en de sociale, verwezenlijken. Het zal de +bevrijding der persoonlijkheid bereiken, ook van de vrouw, ook van het +kind; het recht van elken mensch zich uit te leven naar de maat zijner +krachten, de vrijheid voor elken mensch, volheid van levensgeluk te +vinden in de innigste verbinding met een ander menschelijk wezen, in de +liefde. Het zal een einde maken aan nood en gebrek en aan brooddronken +weelde, aan den lediggang die het hart verwoest en de ellende die +verstompt. Het zal elken mensch brengen in onmiddellijke aanraking met +de natuur, doordat het allen, kinderen en menschen, zal doen deelnemen +aan de stofwisseling tusschen mensch en natuur, het produktieproces. Het +zal de lasten der gemeenschap verdeelen over alle schouders, instee van +ze op de zwaksten te stapelen. Het zal de groote opeenhoopingen van +menschen opheffen, hun in de steden saamgepakte scharen terugvoeren naar +de ontvolkte landen. Het zal een einde maken aan veroverings- en koloniale +oorlogen, aan de onderdrukking en de verdelging van ekonomisch-achterlijke +volken. Het zal een oogst van broederschap en vrede doen opgaan over de +aarde. + +Dit alles wilde Rousseau. Het socialisme zal de hoogste droomen waar +maken die hij droomde, maar waar maken langs banen waarvan hij geen +voorstelling had. + +Wanneer de oude verschrikking der dienstbaarheid en de oude +afschuwelijkheid van hebzucht en heerschzucht tot een sprookje geworden +zullen zijn;--wanneer de aarde bedekt zal wezen met vrije, gelukkige +menschen, zalig in broederschap, en met lachende kinderen, tierend in +vrijheid;--wanneer de onrust en de onvree en de wanorde van onze dagen +den vrede en rust en orde der komende zullen hebben voortgebracht, dan +zal de groote Droomer wiens tranen vloeiden, brandend, om zijn bittere +verlatenheid, lachend leven in de harten, een vriend en makker dier +menschen, een stuk van hun bewustzijn, een ader in hun bloed. Omdat +de diepste krachten van zijn wezen gingen naar wat zij bereikt zullen +hebben: de weder-vereeniging van de ver-uiteen geraakten, Natuur en +Mensch. Omdat zijn hartstochtelijk verlangen ging naar wat voor hen +vervulling is geworden: eenheid en broederschap tusschen de menschen, +opgaan van den enkeling in het geheel. + +Hij was een groot Zoeker en een groot Zaaier op de velden der +Menschheid. Zijn naam zal niet vergaan. + + +NOTEN: + +[53] Ook Faguet neemt dit aan. + +[54] Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biographen er Therese +een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame +kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken +man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet +opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te +komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen +en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in. + +[55] Rousseau geeft zelf 1100 francs op als zijn jaarlijksch inkomen; +sommige biographen spreken van 1800 francs. + + + * * * * * + + +LIJST VAN ILLUSTRATIES + +Jean Jacques Rousseau +Therese Levasseur +Jean Jacques Rousseau +Rousseau aan het botaniseeren +Rousseau's Graf + + + + + + + + + + +End of Project Gutenberg's Jean Jacques Rousseau, by Henriette Roland Holst + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JEAN JACQUES ROUSSEAU *** + +***** This file should be named 12009.txt or 12009.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/2/0/0/12009/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS," WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + diff --git a/old/old/12009.zip b/old/old/12009.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..59893d4 --- /dev/null +++ b/old/old/12009.zip |
