summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old/11430.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old/11430.txt')
-rw-r--r--old/11430.txt6792
1 files changed, 6792 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/11430.txt b/old/11430.txt
new file mode 100644
index 0000000..f08d313
--- /dev/null
+++ b/old/11430.txt
@@ -0,0 +1,6792 @@
+Project Gutenberg's Goede Vaer Tromp, by Pieter Louwerse (1840-1908)
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Goede Vaer Tromp
+ of hoe de Vereenigde Provincien eene zeemogendheid werden
+
+Author: Pieter Louwerse (1840-1908)
+
+Release Date: March 3, 2004 [EBook #11430]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GOEDE VAER TROMP ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
+
+
+
+
+Deze e-text is gemaakt door Jeroen Hellingman met de hulp van het gedistribueerd proeflees team.
+
+
+
+
+
+ GOEDE VAER TROMP,
+
+ OF
+
+ HOE DE VEREENIGDE PROVINCIEN EENE ZEEMOGENDHEID WERDEN.
+
+
+
+ GESCHIEDKUNDIG VERHAAL
+
+ VOOR 'T JONGE NEDERLAND,
+
+
+ DOOR
+
+
+ P. LOUWERSE.
+
+
+
+
+
+JONG NEDERLAND!
+
+Toen de Uitgever van Mannen van Sta-vast mij uitnoodigde weer een
+geschiedkundig verhaal voor u te schrijven, meende ik eerst u het leven
+van onzen grootsten zeeheld M. A. DE RUYTER te schetsen. Reeds had
+ik hiertoe eenige bouwstoffen verzameld, toen 'k Mr. J. VAN LENNEPS
+Beroemde Nederlanders in handen kreeg.--Deze geleerde schrijver
+wijdt in dat werk ook eenige bladzijden aan den vlootvoogd MARTEN
+HARPERTSZ. TROMP en zegt o. a. van hem: ... "en nog heden wordt TROMP
+niet geschat op die hoogte waarop hij werkelijk behoort geplaatst
+te worden."
+
+En dit is nu het oordeel van een Nederlander, wiens hart warm klopte
+voor de geschiedenis van zijn Vaderland; maar zelfs de Engelsche
+schrijvers vereeren Tromp, en zijne beeltenis hangt in de galerij
+te Greenwich.
+
+Mijn besluit was genomen; ik zou onzen DE RUYTER niet schetsen, maar
+het leven van M. H. TROMP met u behandelen. 'K hoop, dat die ruil
+u niet berouwen zal. Van den "Vlissinger Michiel" weet ge immers
+toch al zooveel, daar er in alle leerboeken over de geschiedenis
+des Vaderlands over dezen man breedvoeriger gesproken wordt dan over
+anderen? Bovendien kan 'k, door het leven van TROMP te nemen, beter
+voldoen aan het tweede gedeelte van den titel: Hoe de Vereenigde
+Provincien eene Zeemogendheid werden. Mocht "Goede Vaer Tromp" eene
+welverdiende plaats in uw hart veroveren, dan zou het waarheid worden
+wat JOOST VAN DEN VONDEL eens schreef:
+
+
+ "Hij heeft zich-zelf in 't hart der burghren uitghehouwen,
+ Dat beelt verduurt de pracht van graf en marmersteen."
+
+
+'S-GRAVENHAGE, P. LOUWERSE.
+
+Juni 1875.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I
+
+Een Winterdag op de Noordzee.
+
+Het jaar 1650 had zich ruw en guur ingezet. Het vroor niet, het
+sneeuwde niet, maar het regende gestadig aan. Dagen achtereen was
+de wind noordwest en alleen tegen den avond gebeurde het, dat hij
+even door het noorden naar het noordoosten ging.--Alsdan flonkerden
+de sterren en werd het eenigszins glad op de straat en aan het
+scheepsboord.--Op straat hebben we echter niets noodig; want we
+bevinden ons op de Noordzee. Als de lucht niet zoo bewolkt was en
+de regen niet den horizon verduisterde, zouden wij den toren van het
+aardige visschersdorp Schevelingen kunnen zien.--
+
+Op het voorschip van de Zuyerhuys, aan welks boord we zijn, liep een
+stoere jongen van omstreeks veertien jaren heen en weer.
+
+Hij had de pelsmuts diep over de oogen getrokken en zijne handen
+zaten in de wijde zakken van den nog wijder broek van dik friesch
+laken gemaakt.
+
+Een lederen riem om zijn middel met een mes er aan, doen ons dadelijk
+bemerken, dat we met een jong matroos te doen hebben.
+
+'T was koud en guur, zeiden we zoo even, en dat kon men den jongen
+wel aanzien ook. Zijne roode, volle wangen waren nat geregend,
+doch het guitachtige, blauwe oog keek zoo vroolijk rond, dat men
+wel kon zien, dat de knaap zich niet veel van het onaangename weder
+aantrok. Integendeel, hij scheen er zelfs pret in te hebben; want,
+gewapend met een eind touw, dat hij gebruikte om zoo wat terzijde te
+slaan, even als een ruiter zijn karwats, als deze zijn paard niet
+slaan wil, begon hij eerst een deuntje te fluiten en daarna zacht
+te zingen. Het was een "Prince-liedt" van den Frieschen dichter
+Jan Janszoon Starter, die in den dertigjarigen oorlog, als soldaat,
+onder den Graaf Van Mansfelt, verdwenen was om nooit weer iets van
+zich te laten hooren.
+
+
+ "Vive le Prince de Oranje!
+ Vive ons Bescherm-Heer teghen Spanje.
+ Vive ons vrijheyds vaste Borgh.
+ Vive de Baeck daer wij na zeylen.
+ Vive de Loots-man van ons peylen.
+ Vive ons alderhooghste Sorgh!
+
+ Vive den Oorsprong van ons blijheyd.
+ Vive de Handhaver van ons Vrijheyd.
+ Vive die Schrijft: "Je Maintiendray."
+ Vive die onse saeck houd staende.
+ Vive die onse weeld houd gaende.
+ Vive dat groene Pluijm-geway!
+
+ Vive de Vorsten van Nassouwen.
+ Vive den Held daer wij op bouwen.
+ Vive naest God ons toeverlaet.
+ Vive den geessel der vijanden.
+ Vive den Troost der Nederlanden.
+ Vive den Stuerman van ons Staet!
+
+ Vive ons Roem in Kloeke Daden
+ Vive ons Sorgh in wijse Raden.
+ Vive de Waker voor ons Rust.
+ Vive ons Hoop in bange tijden.
+ Vive de Leydsman van ons strijden.
+ Vive den Vinder van ons Lust.
+
+ Vive de Spieghel aller deughden.
+ Vive de Schild van onze Vreughden.
+ Vive daar elck voor sterven zou.
+ Vive de Velt-heer in de Velden,
+ Vive, o Roem van alle Helden,
+ Vive Maurice de Nassou!"
+
+
+Onder het zingen van dit liedje had hij zijne schreden steeds versneld,
+precies als een, die zich haast om gauw ergens onder dak te komen,
+doch nauwelijks had hij het geeindigd, of hij stond stil, wiesch de
+regendroppels van zijn gelaat, schudde zijne lange blonde haren naar
+achter, keek naar den man aan het roer, vervolgens naar den wimpel,
+maakte een luchtsprong als een speelsch jong katje, en begon aan
+Brederoo's kluchtig Boeren Gezelschap.
+
+
+ "Arent Pieter Gijsen, met Mieuwes Jaap en Leen,
+ Klaasjen, en Kloentjen, trocken t' samen heen
+ Na 't dorp van Vinckeveen:
+ Wangt ouwe Franghs, die gaf sen Gangs,
+ Die worden off' creen.
+
+ Arent Pieter Gijsen die was so reyn in 't Bruyn,
+ Sen hoedt met bloem-fuwiel die zat hem vrij wat kuyn,
+ Wat scheefjes en wat schuyn.
+ Soo datse bloot, ter nauwer noot
+ Stongt hallif op sen kruyn.
+
+ Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje Claas, en Kloen
+ Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen,
+ In 't root, in 't wit, in 't Groen,
+ In 't grijs, in 't graeuw, in 't paers, in 't blaeuw,
+ Gelijck de Huysluy doen."
+
+
+De regen en de wind werden den zanger thans te machtig, en daarom
+verschool hij zich achter de boot en weldra klonk vandaar opnieuw:
+
+
+ "As nou dat vollickje te Vinckeveen an quam,
+ Daer vongdese Keesjen, en Teunis en Jan Schram,
+ En Dirck van Diemerdam,
+ Met Sijmen Sloot, en Jan de Doodt,
+ Met Tijs, en Barend Bam."
+
+
+Onder het zingen van het laatste versje kwam er een oud matroos naar
+boven en, zich begevende naar de plaats vanwaar nog altijd het gezang
+klonk, riep hij: "Ho, Jonge Kees, eeuwige dodelaar, waar zit-je?"--
+
+"In mijn vel en als ik er uit kom dan ben ik niet wel, ouwentje,"
+hoorde men spottend van achter de boot roepen.
+
+"Bijlo, jij zult me daar ook veel zien, ja! ge staat me daar achter
+die boot te koekeloeren, als een bakker in den oven of de maan niet
+rijst!" zeide de oude matroos eenigszins ontevreden.
+
+"Welja," antwoordde de knaap, dien we, "Jonge Kees" hoorden noemen,
+"wel ja, mij dacht: Huib schaft ook liever dan naar de Koningsmoorders
+[1] uit te zien, en mij laat hij gerust in den regen staan! Heeft de
+kost je wel gesmaakt, ja ofte neen.
+
+
+ Want als de kost u niet en smaeckt,
+ Dan ben je in 't Sieckenhuys gheraeckt."--
+
+
+"Kapitein Joost Verschuyr van de Zuyerhuys laat zijn manschap geen
+gebrek lijden, bengel, dat weet je wel. Jij moest maar eens eene
+maand lang je voeten zetten op het dek van de Blinkert dan zou je
+wel minder zanglustig zijn en minder praats hebben!"-- [2]
+
+"Heusch, ouwentje, de gort was aangebrand, anders zou je zoo brommig
+niet zijn en mijne liedekens verwenschen!"--
+
+"Mijne liedekens!--Als Starter en Brederoo nog leefden zonden ze je
+wel wat anders zeggen! Van mijn part, zing zoo veel je wilt, al was
+het van den noen tot middernacht!"--
+
+"En 't spek was niet gaar of net smaakte naar het vat!" sarde Jonge
+Kees.
+
+"Kwajongen, die je bent! Als je nu niet op en houdt met over onzen
+scheepskost te kallen en te schreeuwen, dan smijt ik je over boord,
+dan kan je de roorokken opzoeken!"-- [3]
+
+"Dankje hartelijk, Huib, dankje! Als je smijten wil, smijt dan je
+kwaad humeur over boord, ga op wacht en in den regen staan, en laat
+mij aan den bak gaan, anders eten mijne maats alles op!"--
+
+"Nou, ga maar, dan ben ik je kwijt! Ik kan je missen als ... als ...
+
+"Als aangebrande gort met rauw spek! Ha, ha, ha!" riep Jonge Kees en
+spoedde zich tusschendeks om zich daar aan den bak wat te verwarmen
+met het gewone scheepskostje: gort met spek.
+
+Weldra was hij echter weer boven en bij den ouden zeerob, dien hij,
+niettegenstaande zijne onvriendelijke uitvallen, toch gaarne lijden
+mocht.
+
+"Bar weer, he?" zeide Jonge Kees om een gesprek aan te knoopen.
+
+"Ja!" was het antwoord; maar de oude keerde zich om en zag in zee.
+
+De jongen was een weinig uit het veld geslagen en wist niet, wat hij
+nu zeggen moest. Ten slotte bedacht hij wat. "Ligt de Brederode nog
+te Vlissingen, Huib? "Of is ze al uitgezeild?"--
+
+"Weet ik het?" bromde Huib. "Van mijn part blijft hij voor goed
+aan wal!"--
+
+"Voor goed aan wal? Wel, dan zou het er mooi voor ons uitzien! Dan
+konden de Vereenigde Provincien ook wel zeggen: "Nacht, Nies, ik ga
+de nachtschuit in!"--
+
+"Alsof ze alevel de nachtschuit niet ingingen! Kijk, zoo waar als
+ik Huib Maerlant heet en vijf en twintig jaren ter zee gevaren heb,
+zoo waar is het, dat de Vereenigde Provincien zich er onder zullen
+werken!"--
+
+"Alsof we niemendal meer waren! Daar zou onze Ammiraal Tromp een
+ander boekje van opendoen, Huib! Ben-je dan dat kostelijk zeegevecht
+bij Duins vergeten?"--
+
+"Ho, dat is al elf jaren geleden, en toen liep je aan moeders hand
+naar het strand om schelpkens te zoeken! Zoo'n jongske moest daar
+niet van willen meepraten. Toen was toen, en nu is nu!"--
+
+"Denk-je' dan, Huib, dat wij te Scheveling nooit ergens anders over
+kallen dan over scholletjes en tongetjes? Vader heeft me dikwijls
+verteld...."
+
+"Dat je een wijsneus waart, zeker! Maar ik geef onzen Vice-Ammiraal
+Witte Corneliszoon De With gelijk. Die klaagt ook over den slechten
+toestand der vloot, en zal er bij gelegenheid wel eens een woordje
+over spreken ook. Als 't moet dan durft hij 't onzen Hoog-Mogenden
+wel vlak in het aangezicht te zeggen!"--
+
+"Een lieve jongen, die De With! Een....
+
+"Wel ja, 't staat je fraai zoo over je meerderen te spreken! Heb ik
+geen gelijk gehad toen ik zei, dat je een wijsneus was?"--
+
+"Een wijsneus? Je scheldt me altijd uit ook! Heb je dan zelf niet
+verteld, dat hij eens voor een krijgsraad, waarvan Tromp voorzitter
+was, heeft moeten verschijnen, en dat hij op den raad, hem gegeven,
+om den Stadhouder vergiffenis te vragen, geantwoord heeft: "Dat en
+doe ik nooit ofte nimmer! Ik ben een eerlijk man, en geen kwajongen!"--
+
+"Dat's waar!" zeide Huib.
+
+"Zoo, dat jok ik dus niet! En is het ook niet waar, dat hij met Tromp,
+Evertsen, De Ruyter, ja, met de heele wereld overhoop ligt?"--
+
+"Dat 's ook waar!" was het antwoord.
+
+"En vloekt hij onze matrozen niet doof, en zien wij hem niet liever
+gaan dan komen, zeg?"--
+
+"'t Is waar, 't is altemaal waar, Jonge Kees!" luidde het eenigszins
+ontevreden. "Maar, jongen, je moest hem van zijne jeugd afaan
+gekend hebben, zooals ik hem ken! Je moest net, als ik, met hem,
+al vechtende, van den Burgheuvel te Oostvoorne gerold zijn, dan zou
+je anders praten. Een ruw man, dat is hij, door en door! Vloeken,
+razen, kijven en schelden, dat kan hij als de beste Schevelingster,
+die er naar Den Haag loopt. Maar vechten kan hij ook, en bang-zijn is
+een woord, dat hij niet en kent. Eerlijk is hij als goud en ... het
+Vaderlandt ghetrouwe!"--
+
+"Dat's waar!" zeide Jonge Kees op zijne beurt.
+
+"En," vervolgde Huib, "als je je plicht doet en toont dat je nog wat
+meer kan dan een schaftbak leeg maken, dan mag hij je eens uitschelden
+voor al wat leelijk is, als hij een uur later bij je komt, dan is
+hij alles weer vergeten!"--
+
+"Ei, Huib, dat zou 'k maar zachtkens zeggen! Is hij dan van onzen
+"Goeden Vaer Tromp" zulk een excellent vriend? En van den Zeeuwschen
+Ammiraal Jan Evertsen?"--
+
+"Hoor eens, Kees, je slaat daar als een blinde vink door! Onze De
+With vind het niet pleizierig, dat hij gelijk gesteld wordt met, ja,
+soms onder de bevelen moet staan van een Ammiraal uit een kleiner
+gewest dan Holland. En wat Tromp betreft, goed is hij, en die durft
+te zeggen, dat hij dat niet en is, die moet dat maar eens onder vier
+oogen durven vertellen, dan zal ik toonen, dat de oude Huib Maerlant
+nog knuisten aan zijn lijf heeft! Ik zal hem...."
+
+Onderwijl Huib dit zei, raakte hij meer en meer in vuur. Eensklaps
+pakte hij Jonge Kees bij de schouders en schudde hem gevoelig heen
+en weer.
+
+"Wat, Satan, Huib, ben-je behekst? Ik en heb dat niet
+gezegd!" schreeuwde Jonge Kees.
+
+"Ja, ik zal hem ringelooren, dat zal ik!" riep Huib en ging voort
+met schudden.
+
+"Laat me los, laat me los, laat me los!" klonk het thans nog luider
+uit den mond van den knaap.
+
+Huib scheen echter tot bedaren te komen en Jonge Kees, loslatende,
+zei hij: Zie-je, zoo, zoo zal ik doen!"--
+
+"Ik wou met dat al, dat je twintig zeemijlen van mij af waart, leelijk
+vernageld kanon!" antwoordde Jonge Kees en wreef met de linkerhand
+over het bijna ontwrichte rechter schouderblad.
+
+"Wat, ik een vernageld kanon?" riep Huib verwonderd en toornig uit,
+"waarom zeg-je dat, kwajongen?"--
+
+"Jawel, hij speelt de Leuke Piet nog! Heb-je me daar pas niet door
+elkander geschud dat mij alles groen en geel voor de oogen werd?"--
+
+"Heb ik dat gedaan? Ik?"--
+
+"Welja, zeker heb-je dat gedaan! De sterrekens dansten me voor de
+oogen alsof het klaar nacht was. De scheepsbarbier mag straks mijn
+armen en schouders wel verbinden!"--
+
+"Hoor, Kees, 't is waar, ik herinner me nu ook, dat ik je zoo even
+heen en weer geschud heb! Maar, jongen, dat moet-je me niet euvel
+duiden! Als ze van mijn "Goeden Vaer," van mijnen ouden speelkameraad,
+kwaad beginnen te spreken, dan ben ik mij zelven niet meer meester!"--
+
+"Ei, maar heb ik dan wat kwaads van hem gezegd?"--
+
+"Neen, maar...."
+
+"Nu, wat dan?"--
+
+"Nu zal je nooit kwaad van hem spreken, dat 's vast!"--
+
+"'n Lieve jongen!"--
+
+"Ben-je boos, Kees?"--
+
+"Wou-je me dan altemet ook vriendelijk hebben? Zeker ben ik boos,
+en ik zeg nog eens, ik wou dat je twintig zeemijlen van me af waart!"--
+
+"'t Was een ongelukje, Kees, 't was een ongelukje! Jij bent een veel
+te flinke "jooi" om jou te mishandelen.-- Beloof me, dat je 't me
+vergeven zult, dan vertel ik u morgen, als we in Vlissingen liggen
+om gekalefaat te worden, de historie van onzen "Goeden Vaer!"--
+
+"Top, dat doe ik! Maar woord houden, hoor!"--
+
+"Een man, een man; een woord, een woord! Maar nu naar de Engelschen
+en de Duinkerkers uitgekeken!"--
+
+"Ik meende daar straks een zeil te zien!"--
+
+"Toen ik je zoo heen en weer schudde?"--
+
+"Neen, vernageld kanon, toen niet; maar zoo even! Kijk, daar is
+het weer!"--
+
+Thans keek Huib in de door Jonge Kees aangeduide richting en riep:
+"Een zeil! Bij mijne ziel, er zijn er twee! Het voorste is een
+Duinkerker. Brutaal als de cipier van het rasp-en spinhuis, zijn
+ze. Dat durft zich bijna op onze kusten vertoonen!"--
+
+"En 't andere schip, Huib?"--
+
+Dat en weet ik niet! Ik ga er onzen kapitein kondschap af geven!"--
+
+Huib verwijderde zich en kwam weldra terug met den bevelhebber van
+de Zuyerhuys, kapitein Joost Verschuyr.
+
+"Waar zag-je ze, Huib?" vroeg de kapitein.
+
+"Op de hoogte van Ter Heyden, kapitein!"--
+
+Verschuyr vestigde zijnen scheepskijker naar de plaats en riep weldra:
+"nu nog schooner! Een Duinkerker kaper, die jacht maakt op een onzer
+straatvaarders! Dacht-je dat? Mis man, mis. 'T is een Engelschman,
+'k zie het aan zijne geheele tuigage; hij kan me niet bedotten al
+voert hij de Duinkerker vlag. In alle gevallen we zullen trachten
+den straatvaarder te verlossen. [4]
+
+In een oogenblik was alle man in de weer! Er woei een stevige bries
+uit het noordwesten; de Zuyerhuys telde vijftig kanonstukken en
+had ruim twee honderd man aan boord; maar, al wilden kapitein en
+bemanning ook nog zoo gaarne aan den dans, hunne handen waren te veel
+gebonden door het bevel van Hunne Hoogmogenden om alleen in de grootste
+noodzakelijkheid tegenover den Engelschman tot vijandelijkheden over
+te gaan. Men wilde zoo lang mogelijk den vrede bewaren.
+
+Vroolijk danste het welbemande oorlogschip op de baren; en scheen beter
+bezeild te zijn dan de kaper en de straatvaarder, althans na verloop
+van drie uren was men den kaper voorbij en het koopvaardijschip was
+onder bescherming van de Zuyerhuys.
+
+"Dat valt den Roorok vast niet mee!" zeide Jonge Kees tot Huib.
+
+"Meevallen of tegenvallen, 't is me om 't even," bromde deze en
+mompelde tusschen de tanden, "en dat moeten wij zoo maar toezien!"--
+
+Zoo stonden ze nog een poosje te kijken. De zon, die op het punt van
+ondergaan was, kwam nog even door de wildjagende wolken kijken, en....
+
+"'T weerlicht!" riep Jonge Kees.
+
+Nauwelijks echter had hij dit gezegd of er vloog iets door het want dat
+de groote ra aan stukken sloeg, en een donderslag klonk langs de baren.
+
+"Kapitein, kapitein, nog niet?" vroeg Huib aan Verschuyr, die dicht
+bij hem stond.
+
+In plaats van antwoord stampte Verschuyr met zijn langen degen op
+het dek en knarste op de tanden.--
+
+"Ze schieten weer!" schreeuwde Jonge Kees, die 't nu niet langer voor
+weerlicht aanzag. Geen tien tellen later hoorden ze een oorverdovend
+geruisch, alsof er wel honderd ketels water over eene rood gloeiende
+ijzeren plaat gegoten werden.-- 'T was de kogel van den vijand,
+die op eenige vademen afstands van het schip door het water vloog.
+
+"In vrede, hij voert een Duinkerker-kapers vlag," zei Verschuyr. "Niet
+gesammeld, jongens! Houdt je goed en geeft dien Koningsmoorder een
+paar ijzeren pillen te slikken!"--
+
+Dat was geen dooven gezegd.-- Alles beijverde zich om aan dat bevel
+gehoor te geven, en net toen de zon onderging en alles in duisternis
+verkeerde, flikkerde er een licht uit een der geschutspoorten van de
+Zuyerhuys, een hevige slag volgde en door de felle beweging van het
+schip werd Jonge Kees, die nog nooit een zeegevecht had bijgewoond,
+het onderste boven gesmeten.
+
+"Fij, wiegekindeke, gaode ge liggen rollen? Blaif maor liggen zulle,
+daor kommen er nog meer. We zullen portaon dien Roorok 'nen kier zainen
+zin geven! Blaif maor liggen, manneken; gai ligt daor goed!" zei een
+Vlaamsch matroos.
+
+"Ik kan wel opstaan, hoor," antwoordde Jonge Kees, maar juist toen hij
+hiertoe pogingen aanwendde, gaf de Zuyerhuys het tweede schot en de
+knaap kwam nu met het hoofd tusschen de voeten van den Antwerpenaar
+terecht.
+
+"Kaik, ie staot; jaowel, ie staot!" hernam deze lachende, doch rolde
+toen het derde schot gelost werd, daar hij door het woelen van Jonge
+Kees zelf al niet vast meer op zijne beenen stond, ook op het dek,
+tot groot genoegen van Huib, die den Antwerpenaar napraatte en zei:
+"Kaik, ie staot; jawel, ie staot! Blaif maor liggen, kompeer, daor
+kommen er nog meer! Ikkik verrassereer het doe!"
+
+Huib had echter onwaarheid gesproken; want de Engelschman hield af en
+aan vervolgen was in den donkeren nacht niet te denken. Daarenboven
+was de Hollandsche straatvaarder de Vrije Konsten zwaar geladen en
+een slecht zeiler.--
+
+Men wendde derhalve den steven en zette koers naar Brielle, doch de
+felle tegenwind, die bijna tot een storm aangegroeid was, dreef de
+beide schepen af en den breeden mond van de Honte of Westerschelde in.
+
+Bij het aanbreken van den dag lagen ze voor Vlissingen. De Zuyerkuys
+liep de haven binnen en de Vrije Konsten zette koers naar Rotterdam,
+waar het twee dagen later behouden aankwam.
+
+Zoodra het schip aan de kade gelegd was, kwamen vele nieuwsgierige
+Vlissingers aan boord om een en ander van de laatste gebeurtenissen
+ter zee te vernemen.
+
+Jonge Kees echter troonde Huib mee naar het voorschip en zei: "Vertel
+me nu de geschiedenis van onzen "Goeden Vaer!" We hebben nu volop
+den tijd!"
+
+Huib voldeed hieraan met graagte; want al had hij het aan dezen of
+genen al zoo vaak verteld, 't was hem nooit te veel om het nog eens
+en nog eens te doen.--Hij zette zich daarom op een hoop zeilen en
+uit den wind en begon zijn verhaal.
+
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+Een dag Vacantie.
+
+'T was een prachtige Octoberdag van het jaar onzes Heeren 1606. Wij
+hadden dien dag ter school verlof, en reeds driemaal had ik mijne
+goede moeder bij haar huiswerk in den weg geloopen. Ik stond, geheel
+onschuldig, gereed dit voor den vierden keer te doen, toen mijne
+moeder zei: "Hoor eens jongen, ik wenschte wel dat de schoolmeester
+je vandaag geen verlof gegeven hadde; want gij loopt mij telkens in
+den weg. Is er niets te doen voor je?"
+
+"Ik en weet het niet, moeder!"--
+
+"Ik en weet het niet! Fij, dat een jongen van negen jaar met zijnen
+ledigen tijd geenen weg weet. 'T is meer dan erg!"--
+
+"Maar, moeder, laat mij dan maar boodschappen doen!"--
+
+"Ik en heb geen boodschappen voor je! Maar ja, toch. Weet-je den
+Hoogendijk?"
+
+"Ja, moeder!"
+
+"Kostelijk. En weet-je daar net op den hoek van het Lage Woudt en de
+Drie Stucken, dat kleine boerenhuisje staan?"--
+
+"Ja, moeder, ja, daar woont het "Kregelige Mennonietje!"--
+
+"Wie zegt je, daar, jongen? Het "Kregelige Mennonietje?"--
+
+"Ja, moeder, dat is een jongentje van zeven jaar, die o, zoo kwarrig
+en kregel is. Wij plagen hem wat dikwijls en dan moest ge zijne facie
+eens zien. Vooral als wij hem "Kregel Mennonietje" noemen dan stampt
+hij van kwaadheid en krabbelt zichzelven in 't aangezicht. Want weet
+u, moeder, Witte's vader, de oude Cornelis Wittensz. De With en zijne
+Moeder Neeltjen Andries, zijn beiden Mennonieten en deze mogen niet
+slaan, niet vechten, niet zweren en wat weet ik daar nog al meer af!"--
+
+"'T staat u waarlijk fraai, Huib, zoo'n armen knaap te bespotten omdat
+zijn vader en moeder een soort van ongeloovigen zijn! En doet ge dat
+spulletje alleen?"--
+
+"Welneen, Moeder! Daar heb-je Marten, den zoon van Herbert
+Martensz. Tromp, den zeekapitein, die is altijd haantje de voorste!"
+
+"Dat wil ik wel gelooven! Wat er van dat jongsken worden moet, dat
+en weet ik niet. Hij is heelemaal baas over zijne moeder, die veel
+te goed voor zoo'n bengel is. Die Marten moest mijn jongen zijn,
+ik zou wel raad met hem weten, ja, dat zou ik!"
+
+"Gij zoudt hem slaan, Moeder?--Als Marten uw jongen was zoudt ge dat
+niet doen; want hij is door en door goed, als een kalf, ja!"--
+
+"Sla ik jou wel eens, Huib? En ben-je ook niet dikwijls heel
+kwaadwillig en ondeugend? Neen, ik zou met Marten doen, zoo als ik
+plan heb met jou te doen, als je vader uit de Oostzee terug is!"--
+
+"Wat dan, Moeder, wat dan?"
+
+"Dan ga-je naar zee, jongen! Aan boord gaan er die wilde haren wel
+uit! Reken daarop!"--
+
+Toen moeder dit zei sprong ik wel twee voet hoog van den grond en
+begon haar te omhelzen en te kussen van belang! Want naar zee te gaan,
+dat beviel me vrij wat beter dan in het school op die harde banken
+te zitten. Ik leerde bovendien heel weinig, omdat ik er geen lust in
+had. Lacie, wat heb ik mij hierover later beklaagd!--Kan-je lezen en
+schrijven, Jonge Kees?"--
+
+"Jawel, ik heb dat te Schevelingen van onzen domine geleerd. Die man
+houdt veel van me!"--
+
+"Zoo, dan is het goed, dan kan-je ook nog wat worden in de wereld. Maar
+ik, oude stumperd, ik, die niet en wilde leeren, ik ben niets geworden,
+niets dan matroos.--Voor matroos geboren zal ik ook wel voor matroos
+sterven! Spiegel u aan mij, knaap, en zorg dat ge wat meer wordt dan
+ik.--Doch laat ik nu met mijne vertelling voortgaan.
+
+Toen mijne Moeder zich uit mijne woeste omhelzing losgemaakt had,
+zei ze: "Welnu, Marten moet ook naar zee. Vader Herbert zal hem de
+ooren wel wasschen, als hij het verdient! Doch wat ik zeggen wil,
+ga nu naar den ouden Cornelis Wittensz. De With en haal me daar een
+paar maten kippenvoer. Ik heb gehoord, dat hij het goedkooper geeft
+dan Meeuwisz. hier in de buurt!"--
+
+Onderwijl ik in ons schuurtje ging om eenen zak te halen, hoorde ik
+een geweldig gejoel op straat. De bovendeur werd open gedaan en de
+stem van mijn vriend Marten riep: "Moeder Maerlant, mag Huib zich
+wat met ons buiten de poort gaan vermeien?"--
+
+"Huib moet eene boodschap gaan doen op den Hoogendijk, Marten!"
+
+"Top, dan gaan wij met hem mede! Eene frissche wandeling op zulk
+eenen schoonen dag!"--
+
+"Nu, mijnentwegen kunt gij medegaan! Maar pas op, hoor, dat ik geene
+klachten over u krijg en dat ge mijn Huib tot geene dolle streken
+verleidt!--
+
+Zoo'n oorlof, zoo'n oorlof! Ik zou wel eens willen weten waarom die
+schoolmeester hun dat gegeven heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en
+al uw werk doen, zegt de Schrift en zoo'n schoolmeester arbeidt van
+de week maar vier en een halven dag! 'T is erg, meer dan erg!"--
+
+'T gejoel op de straat nam steeds toe. Wel twintig jongens, die
+stokken droegen waaraan ze doeken geknoopt hadden, stonden voor de
+deur en ontvingen mij, toen ik buiten kwam, met luid gejuich.--
+
+"Je moet naar den vader van 't "Kregelige Mennonietje," Huib,--riep
+Marten en stopte mij een stok met een doek er aan in de hand.--
+
+"Ja," gaf ik ten antwoord. "'K moet kippenvoer gaan halen!"
+
+Moeder kwam aan de deur en riep ons toe: "Voor den noen terug,
+hoor! Heb-je't verstaan, Huib? Als ge er niet en zijt, dan vindt ge
+den hond in den pot!"--
+
+Ik zeide "ja!" doch mijn antwoord ging onder al het gejoel verloren.
+
+Zingende, springende, lachende en snappende ging het langs de
+Voorstraat naar de Zuidpoort. Bij het Gasthuis gekomen hieven wij een
+gejuich aan, dat al de oude en zieke luiden vast van schrik moeten
+opgesprongen zijn, en draafden in eenen stevigen draf de Zuidpoort uit.
+
+"Hei, jongens, een liedje ter eere van onzen Reinier Claessensz!" riep
+nu op eens Simon, de jongste zoon van onzen Baljuw Dirk Van
+Duvenvoorde.
+
+"Ja, ja, een Wilhelmusje, een Wilhelmusje!" antwoordde Joost Van de
+Werve, dien we wel eens uitscholden voor
+
+"Spanjool" omdat zijn grootvader, die ook Joost heette, Baljuw
+onzer stad en het land van Voorne was, toen de dappere Watergeuzen
+haar innamen. Hij bleef den Spaanschen Koning getrouw, totdat hij in
+1574 in den Waterslag bij Hoorn gevangen genomen werd, en daar in de
+gevangenis van verdriet en ergenis stierf. Zijn zoon was in Den Briel
+gebleven en was een zoo heftig vijand van den Spanjool als zijn vader
+een groot vriend.
+
+"Maar wat is er toch met dien Reinier Claessensz. voorgevallen?" vroeg
+ik.
+
+"Jongens, hoort ge 't? Hoort ge 't?" riep Marten. "Hier is een sul,
+die nog niet en weet wat er gebeurd is. Die Huib vraagt wat er met
+dien Reinier Claessenz is voorgevallen!"--
+
+"Lacht hem uit! lacht hem uit!" klonk het thans van alle kanten.
+
+"Jaagt hem door de braamstruiken daar aan den weg! schreeuwde Gerrit
+Claesz. Van Valkesteijn. "Wat doet hij dan met eene vlag te loopen,
+als hij niet en weet waarom hij er eene draagt!"
+
+"Ja, ja, door de braamstruiken! Gerrit heeft gelijk!" riepen thans
+eenige jongens.
+
+Thans vatte echter Marten mijne partij op, en zich voor mij plaatsende,
+zei hij: "Jongens, is Huib niet net zoo oud als ik? Is hij geen negen
+jaar oud en ben ik het ook niet?"--
+
+"Ja, ja," joelde het troepje. "Gijlieden zijt even oud!"
+
+"En is Huib mijn vriend niet?" hernam Marten.
+
+"Ja, dat is hij!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hij krijgt op
+de school al de klappen, die gij verdient!"--
+
+"Dat is niet waar!"' zeide Marten. "Gisteren nog heeft de meester
+mij een striem gegeven, dien ik nog voel! Maar wie heeft jelui het
+geval van onzen Claessensz. verteld?"--
+
+"Dat hebt gij gedaan!" sprak Gerrit.
+
+"En als ik dat eens niet gedaan hadde, wat zoudt gij-lieden dan weten,
+zegt?"--
+
+"Dan wisten wij niemendal, Marten!" sprak Simon.
+
+"Welnu," hervatte Marten, "ik en heb het onzen Huib nog niet gezegd
+wat er gebeurd is, en daarom kan hij 't niet weten ook! Luister, Huib,
+ik zal het u vertellen. Mijne moeder kreeg van morgen eenen brief van
+vader, die thans met zijn schip te Enkhuizen ligt. In dien brief nu
+stond ook dit:--
+
+In den loop van dezen zomer is de Ammiraal Hautain met vierentwintig
+schepen uitgeloopen om de Spaansche en Portugeesche vaartuigen,
+die uit de Oost- en Westindien kwamen, te onderscheppen en als prijs
+naar onze havens te brengen. Door eenen fellen storm werden echter
+zes schepen van de vloot afgescheiden; de "Vice-Ammiraal Reinier
+Claessensz. was aan boord van een der zes. Bij kaap Sint Vincent
+gekomen ontmoetten ze acht zwaar gewapende Spaansche galjoenen, onder
+bevel van den laffen zoutdief Fiasciardo. [5] Deze zond onverwijld
+het grootste galjoen op onzen Vice-Ammiraal af, en terstond gingen de
+vijf Hollandsche schepen op de vlucht.--Claessensz. wilde van geene
+overgave weten. Veel liever stierf hij den heldendood, dan als gevangen
+man wreed om hals gebracht te worden. Twee geheele dagen vocht hij
+met onbezweken moed tegen de overmacht. Zijn groote mast was al over
+boord geslagen en zijn schip van alle kanten lek geschoten; vele van
+zijne matrozen waren reeds gesneuveld en aan ontzet viel er niet te
+denken. Hierop liet hij de overgeblevenen bij elkander komen en vroeg
+hun wat ze liever wilden, door den Spanjool gevangen genomen worden,
+of de lont in het buskruit steken.--Ze kozen allen het laatste en na
+een kort gebed tot onzen Lieven Heer stak Claessensz, zelf den brand
+in 't kruit en ... vloog toen met de zijnen in de lucht. Twee er van
+zijn half dood in de handen van den vijand gevallen. Die moeten dat
+zeker verteld hebben! Hoe vind-je 't, Huib, mooi, he?"
+
+"Ja, mooi, mooi!" riep ik en schreeuwde: "Leve Reinier Claessensz!"
+
+"Leve Reinier Claessensz!" klonk het uit den mond der anderen. "En
+weet ge wat we nu gaan doen, Huib?" vroeg Marten.
+
+"Neen," antwoordde ik.
+
+"Nu, gaan wij naar den Burgheuvel te Oostvoorne om daar zeegevechtje
+te spelen! Ga-je mee?"--
+
+"Ik en kan niet! Ik moet om kippenvoer bij Cornelis Wittensz. De With
+en voor den noen thuis zijn!"--antwoordde ik.
+
+"Bijlo, alsof dat niet en kon! 'T is nu acht uur. We gaan eerst naar
+den Hoogendijk om kippenvoer te koopen. Daar heb-je geen vijf minuten
+voor noodig. Dan gaan wij voorbij De Tinte en langs den Ruyghendijk
+naar den molen. Als we daar zijn dan kunnen we in een omzien langs
+den Voorweg op den Burgheuvel zijn!" sprak Marten.
+
+"Neen, langs den Rick, den Konnewegh en Langenwegh is het
+nader!" meende Willem Hugensz.
+
+"Dat zal geen vijf minuten verschillen," zeide Marten.
+
+"'T is de vraag maar of Huib mede gaat, ja ofte neen!"---
+
+"Zullen we voor den noen thuis zijn?" vroeg ik; want mijne moeder
+was niet gemakkelijk als ik niet en deed wat zij beval--
+
+"Een uur voor den noen zelfs!" sprak Jan Roete. "'T gevecht is in
+een uur afgeloopen!"--
+
+"Dan doe ik het!" riep ik en snelde toen met de anderen naar het
+huisken van het "Kregelige Mennonietje."--
+
+Toen wij daar aankwamen stond de kleine Witte aan het hekje waardoor
+men op het erf van zijnen vader kwam.
+
+"Is je vader thuis? vroeg ik.
+
+"Nee," antwoordde hij kortaf.
+
+"Je moeder dan?" vroeg Marten.
+
+"Ook al niet," zeide Witte.
+
+"Komen ze niet gauw thuis ook?" vroeg Simon.
+
+"Dat en weet ik niet. Ik moet op het huis passen, zie-je, dat moet
+ik! En als je me plaagt dan ga ik schreeuwen!"--
+
+"Wat moet jelui hier doen, bengels?" vroeg eensklaps eene vrouw,
+die van achter het huis kwam, "Komt gijlieden mijn arm jongske weer
+plagen?"--
+
+"Neen moeder De With, ik kwam twee maten kippenvoer halen," zeide ik
+en liet haar mijne penningen en den ledigen zak zien.
+
+"Zoo, dat is wat anders," zei ze en mijn zak nemende kwam ze er weldra
+mede terug.
+
+"Gebruik je het oorlof om buiten wat te gaan jagen en tieren?" vroeg
+ze mij onderwijl ik den krop van den zak stevig dichtknoopte.
+
+"Neen, moeder De With," zeide Marten, "er is heel wat anders
+gebeurd." Hier begon hij haar de geschiedenis van Reinier
+Claessensz. te vertellen en toen hij geeindigd had, sloeg Witte's
+moeder de handen in elkander en riep: "Fij, fij, en hierover maken
+de jongskens zulk een getier? 'T ware beter dat gijlieden deedt als
+mijn Witte, die keert u de rechterwang toe, als ge-hem op de linker-
+eenen slag geeft!"--
+
+Daar zag Witte op het oogenblik anders niet naar uit; want onderwijl
+Marten vertelde, was de kleine jongen,--die echter nog al kloek
+en stevig voor zijn leeftijd was, daar hij een paar dagen geleden
+eerst zeven jaar oud was geworden,--naar buiten gekomen en stond met
+glinsterende oogen en gloeiende wangen te luisteren.
+
+"En waarheen gaat het nu?" vervolgde moeder De With.
+
+"Naar den Burgheuvel te Oostvoorne om zeegevechtje te spelen!" zeide
+Jan Boete en voegde er terstond bij: "komt, jongens, anders wordt
+het te laat!"--
+
+"Gijlieden moet zeker allen wel van die vechtersbazen ter zee worden,
+he? Nu, mijn Witte zal daar gelukkig voor bespaard blijven. Hij zal
+het vreedzame handwerk van lijndraaien leeren, nietwaar, vent?"--
+
+"Ik zou ook wel willen varen, moeder!" antwoordde Witte.
+
+"Nu, dat en zult gij niet! Jongskens van zeven jaar en weten niet
+wat ze willen, die moeten doen wat vader en moeder begeeren!"--
+
+"Maar waarom mag ik dan niet gaan varen, moeder? Een matroos moet
+toch niet altijd vechten, wel?"--
+
+"Zwijg, Witte, zwijg! Je heb je door die bengels daar, den kleinen
+kop warm laten praten, dat hebt ge! En, wat ik zeggen wil, moet er nog
+iemand kippenvoer? Niet? Nu, gaat dan maar heen en bedrijft uw zondig
+spel tot de Baljuw je voor je straf achter slot en grendel zet!"--Zeide
+moeder De With en haar zoontje in huis trekkende, deed ze de deur toe.
+
+"Leve Reinier Claessensz. en het "Kregelige Mennonietje!" schreeuwde
+een der jongens, en zijn uitroep werd door allen krachtig herhaald.--
+
+En thans zou het naar den Burgheuvel gaan; maar niettegenstaande
+Marten en Willem Hugensz. over den kortsten weg getwist hadden, weldra
+bleek het dat zij dien kortsten weg alleen van hooren zeggen hadden;
+want in plaats van den Ruyghendijck op te gaan, sloegen we te gauw
+links af en kwamen langs den Rietdijck en den Pannewegh voorbij de
+huizinge Kranenhout, wel een half uur later bij den molen, dan we
+gedacht hadden.
+
+Het zweet droop mij langs het voorhoofd; want in het eerst droeg
+nu de een dan de ander mijn pakje; doch toen we bemerkten, dat wij
+verdwaald waren, lieten ze het mij alleen dragen.
+
+De torenklok van Oostvoorne sloeg tien uren toen we op het dorp
+kwamen. De meeste menschen waren aan den arbeid en de kinderen in de
+school, zoodat we ongestoord naar den Heuvel konden gaan.
+
+"Kijk, daar staat al een jongen op!" riep Simon.
+
+"'t Is ons Kregel Mennonietje!" zei Marten.
+
+Het was zoo. Nauwelijks waren wij op de plaats waar we prachtig
+zeegevechtje konden spelen, of Willem Roete ging naar hem toe en zei:
+"Hoe komt gij hier?"--
+
+"Op mijne beenen!" antwoordde Witte. "Denk-je dat ik vliegen kan?"--
+
+"En wat kom-je doen? Kom-je meevechten?" vroeg ik.
+
+"Neen, ik en mag niet vechten; ik kom maar kijken!" sprak Witte.
+
+"Nu, als je ons dan maar niet in den weg loopt, dan is het minder,"
+zeide ik. "Hier, ga daar maar staan en pas dan op mijnen zak met
+kippenvoer!"--
+
+"Kogels maken, jongens, kogels maken! We nemen de doeken
+van onze stokken af en vullen die dan met zand! Wie zal er
+Claessensz. zijn?" riep Marten.
+
+"We zullen er om trekken!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hier,
+Witte, onderwijl wij kogels maken, moet gij twintig stokskens snijden,
+maar een moet er bij zijn, dat langer is dan al de andere. Wie het
+langste trekt, die is Reinier Claessensz. en mag vijf andere jongens
+voor zijne matrozen kiezen!"--
+
+Eerlijker kon het niet! Wij gingen kogels maken en Witte liet zich
+van de hoogte glijden om stokskens te halen. Weldra kwam hij terug
+en daar ging het op een trekken. De "Spanjool" had het langste en
+koos mij en Marten met nog drie andere jongens tot zijne matrozen.
+
+"Onze wapenkreet is "Holland!" sprak de "Spanjool."
+
+"En de onze is "Spanje," antwoordde Simon, die voor Fiasciardo speelde.
+
+Plof! daar viel de eerste kogel en vier jongens klauterden de
+hoogte op.
+
+"Wacht," riep ik, "'k zal je leeren mij aan boord te
+klampen! Holland! Holland! Kom hier, als je durft!"--
+
+"Spanje! Spanje!" klonk het van beneden.
+
+Plof! Alweer een kogel net tegen mijne beenen. Ik tuimelde en
+zou van den Heuvel af te midden mijner vijanden gerold zijn, had
+niet de "Spanjool" het gevaar ziende, mij bij den arm gegrepen en
+tegengehouden.
+
+"Je moet mij niet gooien, leelijke Spanjolen!" schreeuwde thans Witte
+uit al zijn macht, "ik zit hier maar te kijken! Wat doe-je mij zoo'n
+kogel tegen mijn hoofd te smijten?"--
+
+"Het Kregel Mennonietje is ziekentrooster aan boord van Ammiraal
+Claesensz.!" schreeuwde ik naar beneden.
+
+Plof! Daar kwam al weer zoo'n doek met zand tegen mijn lijf aan. Ik
+verloor het evenwicht, liep nog een eind vooruit om op de been te
+blijven, doch kwam toen tegen Witte terecht, en rolde met hem van
+boven neer.
+
+Met daverend gejuich werden wij onder het geroep van
+"Spanje! Spanje!" ontvangen. Onder het rollen voelde ik dat ik
+vreeselijk gekrabbeld werd, doch ik had geen tijd om te zien of
+Witte dat deed. Wij kwamen in de braamstruiken, die beneden aan
+den heuvel en tegen de hoogte groeiden, aanrollen. Hoewel versufd
+door den val stond ik dadelijk op en naar Witte gaande zeide ik:
+"Je hebt mij gekrabbeld, Kregel Mennonietje!"--
+
+"Ik en mag niet krabbelen!" zei hij bedaard. Misschien zou hij nog
+meer gezegd hebben, doch daar kwam Simon met drie andere jongens aan
+die ons gevangen namen onder het schreeuwen van: "Spanje! Spanje! de
+ziekentrooster en de konstabelsmaat van den vijand! Hangen! hangen!"
+
+"Ik en wil niet hangen! Ik en heb niet gevochten ofte gekrabbeld! Ik
+heb maar staan kijken! Blijft van mijn lijf of ik zal "moord"
+roepen!"--
+
+"Wel hoor me dien razenden ziekentrooster eens aan!" riepen onze
+vijanden en zouden ons misschien zoogenaamd opgehangen hebben, als
+niet van de andere zijde van den heuvel een vreeselijk geschreeuw
+ons in de ooren geklonken had.--
+
+Twee kampioenen, de beide bazen van het spel, Reinier Claessensz. en
+Fiasciardo, rolden arm in arm van boven neer en vielen met hun
+beiden op mijnen zak met kippenvoer, die heelemaal berstte. Onder het
+worstelen van die twee kreeg de zak een schop, dat hij een heel eind
+verder in het water terecht kwam. Het regende kippenvoer en dat,
+wat nog in den zak gebleven was, kon niet meer gebruikt worden,
+want het was doornat en vol modder en kroos.
+
+"Dat is jou schuld, krabbelaar!" riep ik. "Jij hadt er op moeten
+passen! 'T is jou schuld en jij zult me twee maten kippenvoer en
+eenen nieuwen zak teruggeven!"--
+
+"'T is mijn schuld niet! Jij hebt me naar beneden gegooid en ik en
+heb niet gekrabbeld!" antwoordde Witte terwijl hem de tranen van nijd
+uit de oogen sprongen.
+
+Ongelukkig genoeg gaf men den arme Witte van alles de schuld en
+het kwam niemand in de gedachten hem te beschermen. Scheldnamen,
+schoppen en duwen kreeg hij, van alle kanten, en wellicht hadden wij
+den armen knaap nog wel erger mishandeld, als niet een paar arbeiders,
+die van hun werk kwamen, Witte ontzet hadden en ons wegjoegen.
+
+"Ik en heb niet mee gevochten! Ik en heb niet gekrabbeld ook; maar
+ik zal me wel laten doopen, dan mag ik ook slaan!" schreeuwde Witte
+terwijl zijne tranen zich vermengden met het stof dat op zijn gelaat
+lag, en hem het voorkomen van een neger gaven.
+
+"Nu is hij een Neger-Mennoniet!" riep Simon en de nieuwe scheldnaam
+werd wel honderd malen door ons herhaald, doch hem op nieuw te lijf
+te gaan, dat durfden wij toch niet! De arbeiders zouden ons dat wel
+verleerd hebben.
+
+Onderwijl wij nu stonden te beraadslagen wat we doen zouden en hoe
+ik mij tegenover mijne moeder verantwoorden zou, sloeg de torenklok
+twaalf uren.
+
+"o Wee, daar is 't al noen, en nu vind ik bovendien nog den hond
+in den pot!" riep ik. "Mijn kippenvoer weg,--geen eten, en morgen
+misschien Wittes vader bij ons aan huis! Dat is allemaal jou schuld,
+Marten! Jij hebt mij mee getroond!"--
+
+"Ja, Martens schuld!" herhaalden de overigen, die graag zich wilden
+voordoen, alsof ze aan het geheele geval part noch deel hadden!
+
+"Ik weet wat, jongens, ik weet wat!" sprak Marten, die erg in den
+knoei zat. "Wij zullen allen uit onze zakduiten wat bijpassen en nog
+eens twee maten kippenvoer halen!"--
+
+"Maar ik en durf bij Wittes vader niet meer komen!" sprak Simon.
+
+"En ik niet! en ik niet!" was het algemeen geroep.
+
+"Dat behoeft ook niet!" hernam Marten. "Wij koopen het bij Meeuwisz. op
+het Maerlant en halen eerst bij ons thuis eenen anderen zak!"--
+
+"En als uwe moeder dien niet geven wil, wat dan?" vroeg Joost Van
+de Werve.
+
+"o, Als moeder hoort wat er gebeurd is, dan krijgen we niet
+alleen eenen zak, maar nog geld voor twee maten kippenvoer
+bovendien!" antwoordde Marten.
+
+Dat plan werd goedgevonden en langs den hobbeligen Schrijversdijck
+liepen we, zoo snel als onze vermoeide beenen dit toelieten, naar
+Den Briel, waar we een paar minuten voor een uur aankwamen.
+
+Langzamerhand verminderde echter het aantal jongens, en op het lest
+waren Marten en ik alleen toen we den klopper op de deur van de woning
+zijner moeder lieten vallen.
+
+Ik kwam daar wel meer in huis en nauw had Marten uitgesproken of zijne
+Moeder zei, dat zulke kwajongens als wij waren maar zien moesten, dat
+zij hunne eigen bedorven zaken goedmaakten. Ik liet de lip al hangen,
+doch Marten vloog zijne Moeder om den hals en wist zoo te vleien,
+dat zij mij niet alleen eenen zak liet geven met de noodige penningen
+om ander kippenvoer te koopen, maar ook uit puur medelijden, omdat
+ik thuis den maaltijd zou afgeloopen vinden, mij met Marten liet mede
+eten.--Toen ik hiermede klaar was nam Mie, de meid, een kleerschuier,
+borstelde mijne kleederen schoon en wiesch mij zelfs het aangezicht. De
+krabbels van Wittes nagels, of, zooals het Kregelige Mennonietje zei,
+de schrammen van de braamdoornen kon ze niet wegkrijgen. Met die
+litteekenen op het gelaat kwam ik twee uren na den noen bij Moeder,
+die al dadelijk zag, dat ik eenen anderen zak medebracht.
+
+Ontkennen hielp niet; ik was wel verplicht de geheele geschiedenis te
+vertellen en toen dat gebeurd was, gaf ze mij de penningen, die vrouw
+Tromp mij gegeven had en zei: "Breng dat geld terug, kwajongen! Je
+moeder heeft geene aalmoes noodig!"--
+
+Schoorvoetende voldeed ik hieraan.
+
+"Zeg aan uwe moeder, dat ik te avond eens met haar over een en ander
+kom spreken," sprak vrouw Tromp onderwijl zij het geld in haren
+fluweelen beugeltasch, dien zij onder haar voorschoot had hangen,
+liet glijden.
+
+Ik beloofde het te zullen doen en toen ik dit aan Moeder verteld had,
+zei ze: "Best, en jij nou naar bed! Je zult wel moede zijn van dat
+vechten, stoeien en ravotten!"
+
+"Neen, Moeder, ik ben niet moede! Ik wou...."
+
+"Dat je naar bed gingt!" sprak moeder gestreng.
+
+"Ja, maar Moeder, 't is nog maar drie uren in den achternoen en nog
+veel te vroeg om te gaan slapen!"--
+
+"Maar niet te vroeg om eens bedaard te liggen nadenken welk een
+verdriet gij uwe Moeder aandoet! Marsch, uit mijne oogen! Bij de
+Trompen heb-je voor eenen geheelen dag genoeg gegeten! Scheer je weg!"
+
+Ik pruttelde nog wel wat tegen, maar Moeder bracht mij naar mijne
+slaapplaats op den zolder.--Ik ging dan ook werkelijk naar bed en of
+het nu kwam, omdat ik dien dag zoo druk in beweging geweest was, ik
+weet het niet; maar dat weet ik wel, dat ik weldra insliep en eerst
+ontwaakte toen de groote torenklok het uur van middernacht sloeg.
+
+"De dag van ons oorlof is om," dacht ik even en mij eens omkeerende
+viel 'k alweer in eenen diepen slaap.--
+
+"Goeden morgen, Moeder," zei ik toen 'k den volgenden morgen, wel
+wat vroeg, beneden kwam.
+
+"Goeden morgen, Huib!" was haar antwoord.
+
+"Is Vrouwe Tromp gisteren avond geweest, Moeder?"--
+
+"Ja, jongen, zij is geweest!"--
+
+"En?"--
+
+"We hebben't over Marten en u gehad. Als Herbert Martensz. Tromp weer
+naar zee gaat, kunt ge beide meegaan!"--
+
+"Hoezee! Hoezee!" juichte ik van blijdschap.
+
+"Wat zijt gij blijde, jongen! Hebt ge 't dan waarlijk zoo kwaad bij
+uwe Moeder! kind?" vroeg ze met tranen in de oogen.
+
+"Neen, Moeder, maar het leven op zee moet zoo heerlijk zijn! En
+'k zal goed oppassen ook, dat beloof ik u!"
+
+"God geve 't, Huib! Ge zijt anders nog zoo jong, en als ge uit Vaders
+en Moeders oog zijt, en zoo geheel alleen op eigen beenen door de
+wereld moet gaan, dan kunt ge zoo licht verkeerde wegen inslaan!"--
+
+"Maar kan ik dan niet aan boord bij vader?" vroeg ik.
+
+"Neen, dat kan niet, jongen! Je vader is geen kapitein of schipper
+zooals de oude Tromp is, je Vader is maar matroos!"
+
+Moeder sprak nog veel met me eer 'k naar school ging, en als ik me nu
+eens bedenk, wat die goede Moeder toen zei, en hoe ze er slag van had,
+mij te leiden, dan bejammer ik het, dat ik zoo vroeg naar zee ging en
+niet langer thuis bleef! 'K zou het dan verder in de wereld gebracht
+hebben, dan nu! Maar, lacie, 't is te laat! Hoor, Jonge Kees, je hebt
+wel eens van onzen dichter, den wijdberoemden Cats gehoord, niet?"--
+
+"'K heb met Moeder wel eens visch aan zijne vrouw verkocht! Hij woont
+op Zorghvliet tusschen Schevelingen en Den Haag, weet-je!" antwoordde
+Jonge Kees, die met gespannen aandacht had zitten luisteren.
+
+"Zoo, maar 'k had nog liever, dat ge zijne kostelijke veerzen kendet,
+dan hem zelf; want hij is de man, die spijkers met koppen slaat, en
+'k denk dikwijls aan zijn veersken: Jonck rijs is te buijgen, maer
+geen oude boomen!"
+
+"Dat veersken ken ik," zeide Jonge Kees, "dat heb ik van stuurman
+Pronk geleerd; hoor maar.
+
+
+ "Terwijl het rijs is jonck en zwack,
+ En heeft niet eenen harden tack,
+ Terwijl het spruytje buygen kan,
+ Zoo moet een geestig boogert-man
+ Het boomken leyden metter handt,
+ Het boomken houden in den handt;
+ Ten eynde dattet zonder bocht
+ Ter voller hooghte komen mocht.
+ Leyt vriend' en leert u weerde kint,
+ Zoo haest zijn eerste jeught begint,
+ Want kromt het dan, en recht gij 't niet;
+ Zoo ist een eeuwigh huysverdriet."
+
+
+Is het zoo niet, Huib?"--
+
+"Ja, jongen, zoo is het. Vergeet dat nooit. Vergeet het niet, zooals
+ik het vergeten heb, dan zult ge op drieenvijftigjarigen leeftijd,
+als de Heere u het leven zoolang gunt, iets meer zijn dan matroos!"
+
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+In de baai van Gibraltar.
+
+Vier weken later gingen Marten en ik te zamen naar onzen schoolmeester,
+dien we zoo vaak geplaagd en gesard hadden. Vooral was ik hierin
+altijd de eerste geweest en Wat nog wel het ergste van al was, 'k
+had gedurende vier jaren zoo goed als niemendal geleerd en menigmaal
+anderen van het werk gehouden bovendien.
+
+De meester was een oud, vriendelijk man, die nimmer naar de plak of de
+gard zou grijpen, als het niet meer dan noodig was. Het was half vijf
+toen wij de school binnentraden en het begon daar binnen al duister te
+worden; want de kleine vensterkens met in lood gezette ruitjes lieten,
+zelfs midden op den dag, maar heel weinig licht door.
+
+De oude man stond aan zijnen hoogen lessenaar toen wij binnenkwamen
+en vroeg ons vriendelijk wat we begeerden.
+
+"Zeg jij het maar!" zeide ik en stootte Marten even aan.
+
+"Neen, ik en durf niet!" luidde zijn antwoord.
+
+"Nu, jongens, wat is het? Heb-je wat te zeggen, dat ge niet en durft
+uit te brengen?" klonk het andermaal.
+
+Thans vatte ik moed en wat vooruit komende, zeide ik: "Meester,
+wij zijn volleerd en weten genoeg; wij gaan met de volgende week
+naar zee!"--
+
+De meester lachte even en herhaalde mijn woord "volleerd," doch rekte
+dat uit als de draad van een kluwen, en trok er zulk een zonderling
+gezicht bij, dat ik onwillekeurig in den lach schoot.
+
+"Ja, jongen, lach maar! Eens komt er een tijd dat gij niet en-zult
+kunnen lachen, al wildet ge ook nog zoo geerne! "Volleerd!" Wie heeft
+u gezegd, dat ge zoo spreken moest?"
+
+Ik stond met den vinger in den mond, doch zeide niets.
+
+"Nu, kan iemand, die "volleerd" is, niet spreken als hem wat gevraagd
+wordt? Fij, zoo'n bijster verstandige kop moest weten, wat hij
+antwoorden moest en begrijpen, dat alleen domme, kleine jongskens,
+die hunnen tijd met spelen en tuischen doorbrengen alleen met den
+vinger in den mond staan. Quidquid transiit temporis, periit!"--
+
+"De oude man had mij beleedigd, meende ik, en daarom zeide ik heel
+driest: "Ik en versta geen Latijn, meester!"
+
+"Ha, ha, alsof ik dat niet en wist! Ge verstaat zelfs geen Hollandsch,
+en ik twijfel er aan of ge mij begrijpt, als ik zeg, dat die Latijnsche
+spreuk, die ik zoo even aanhaalde, beteekent: "De tijd, die voorbij
+ging, is verloren!"--
+
+Marten begon medelijden met mij te krijgen en zeide: "Jawel, meester,
+maar Huib heeft zich versproken. Hij meende te zeggen, dat wij beiden
+van school afgingen; maar wij weten ook wel beter, dat wij niet
+"volleerd" zijn!"
+
+"De tijd, die voorbij ging, is verloren, Marten! Schade genoeg! Maar ge
+zijt nog jong en kunt beiden nog veel inhalen van hetgeen gij verzuimd
+hebt. Geef mij de hand, knaap, keer u naar 't venster in het licht,
+en laat mij in uwe oogen zien!"
+
+Hierop draaide hij Marten naar het licht, legde de rechterhand op
+zijn hoofd, keek hem in de oogen en zeide: "Marten, ge hebt een'
+braven vader, luister naar hem; leer nog veel en ... vergeet God
+niet! Gij kunt en zult een groot man worden, als ge dat doet! Dag
+Marten! De Heere zij met u!"--
+
+Meester gaf hem de hand en schreiende verliet Marten het
+schoolgebouw. Ook ik stak de hand uit en de oude man weigerde niet
+deze aan te nemen; maar hij draaide mij niet naar het licht; hij legde
+zijne hand ook niet op mijn hoofd; maar zei alleen: "Kom over een paar
+jaar eens bij me terug dan zal ik ook uwe toekomst voorspellen!"--
+Hij drukte mij flauwkens de hand en sprak: "Dag, Huib! Vergeet deze
+ure nooit ofte nimmer! Vaarwel!"--
+
+Buiten de school stond Marten op mij te wachten en zijne eerste vraag
+was: "Wat heeft hij u voorspeld?"
+
+"Niemendal," antwoordde ik en haastte mij om thuis te komen. Ik ging
+'s avonds vroeg naar bed en viel weenende in slaap.
+
+In de drokte van de volgende dagen vergat ik de ontmoeting bij den
+meester geheel en al en dacht slechts aan het vrije leven op zee.
+
+Des Dinsdags na den noen zouden wij vertrekken en toen ik om half negen
+in den morgen van dien dag nog even bij grootje afscheid ging nemen,
+hoorde ik, terwijl ik de Voorstraat overstak, mijnen naam noemen. Ik
+keek om en zag het "Kregelige Mennonietje" op mij afkomen.
+
+"Ga-je naar zee, Huib?" vroeg hij gejaagd.
+
+"Ja, wat is er van? Wou-je mee?"--
+
+"o, Geerne; maar ik en mag niet. Ik moet lijndraaier worden, weetje!"--
+
+"Nu, ieder zijn meug; maar ik zou je kostelijk bedanken!"--
+
+"Ja, Huib, ik bedank ook wel; maar Vader zegt dat ik moet en dan
+helpt het niet of ik al bedank! Is het prettig op zee?"--
+
+"Dat moet wel waar zijn! maar ik en heb daaraf geene
+ondervinding!"
+
+"En wil-je dan toch zeeman worden?"--
+
+"He, waarom niet? Dol graag!"--
+
+"En ik moet lijndraaier worden en ik weet dat het in de lijnbaan niet
+prettig is!" zeide Witte zuchtende.
+
+"Loop stilletjes met ons mee, jongen!" zei ik.
+
+"Meeloopen, neen, dat nog niet! Eerst moet ik nog een paar jaren
+schoolgaan, en dan, dan,--als ze me willen doopen, dan word ik
+zeeman!"--
+
+"Ei wat, dat doopen zal wel terecht komen," antwoordde ik. "En dan
+een matroos is niet enkel op de wereld om te vechten! Als er gevochten
+wordt, dan kunnen ze wel een baantje voor je vinden, dat je niet van
+noode hebt mee te kloppen! Kom, ga stilletjes mee; wij zullen je wel
+verstoppen tot we in volle zee zijn!"--
+
+"Neen, ik moet leeren,--nog veel leeren, Huib! Heb-je wel eens gehoord
+van eenen Ammiraal, die niet lezen of schrijven kon?"--
+
+"Ik? Wel neen! Maar ge wilt toch geen Ammiraal worden?"--
+
+"Zeker wil ik dat! Als ik zeeman word, dan moet ik ook Ammiraal worden,
+anders doe ik het niet!"--
+
+Die kleine jongen met zijn leeren,--hij was mij in de school al heel
+wat vooruit,--en met zijn Ammiraal-worden, deed mij denken aan het
+afscheid van den meester. Ik werd nijdig; maar niet op mij-zelven,
+zooals het behoord had, doch op den zonderlingen knaap, en met een
+"Wel jou Kregel Mennonietje, wou jij Ammiraal worden? Pluimgraaf,
+man, pluimgraaf word-je, anders niet! Als ik kapitein ben, dan neem
+ik je bij mij aan boord om op de varkens en kippen te passen. Dag
+leelijke krabbelaar!"--
+
+Ik liet Witte beteuterd staan en vervolgde lachend mijnen weg.
+
+Des middags kwamen wij gelijk met kapitein Herbert Martensz. Tromp
+aan het hoofd.
+
+"Nu, jongen, ga met God," zei moeder; boog zich over mij heen en kuste
+mij op het voorhoofd. Hier, Jonge Kees, hier vlak op dit plekje kuste
+zij mij, zij, die lieve goede, moeder! Toen ik vijf jaren later weer
+in Den Briel kwam, had ik geerne weer op die plek een' kus willen
+hebben; maar eene week voor mijne aankomst stierf zij. Ik zag haar
+nooit meer!"--
+
+Onderwijl Huib dit vertelde rolden een paar dikke tranen over zijne
+wangen, en alsof hij zich hierover schaamde, wischte hij ze schielijk
+af en vervolgde zijn verhaal.
+
+Het was een bezeilde wind en toen we aan boord van De Bare kwamen,
+werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht.--Midden op de rivier
+gekomen liet de kapitein, als afscheidsgroet, een paar gotelingen
+afschieten en wij, Marten en ik, tuimelden op het dek, even als gij
+gisteren avond in het looze gevecht met den Roorok!
+
+"Waar gaat het heen, Marten?" vroeg ik.
+
+Marten haalde de schouders op en zeide: "Vader heeft het wel tegen
+Moeder gezegd, maar tegen mij niet!"--
+
+"Wel, jonge brasems, braaf zeer gedaan? Zoo'n scheepsdek is wel wat
+hard om er zoo maar op neer geploft te worden, vind-je niet?"--
+
+Wij keken achter ons en zagen een zwaar gebouwd jonkman achter ons
+staan. Hij scheen wel stuurman of zoo iets te zijn.--Heel vriendelijk
+zag hij er niet uit. Hij had donker zwarte oogen en hij scheen de
+gewoonte te hebben het rechter steeds half gesloten te houden. Zijn
+gelaat was vol en bijna zoo rond als een appeltje, en men kon het
+hem zoo aanzien, dat hij al vast niet aan den haal zou gaan, als de
+Spanjool kwam, maar wakker meekloppen.
+
+Hij zag ons eenige oogenblikken aan, en toen hij bemerkte, dat wij
+geen van beiden een woord spraken, vroeg hij:
+
+"Wie van u beiden is de zoon van onzen kapitein?"
+
+"Dat ben ik!" antwoordde Marten.
+
+"Zoo, zoo, dat is al vroeg aan het varen! En kunt ge al wat lezen,
+schrijven en rekenen, ja, of hebt ge uwen tijd verluierd?"
+
+"Ik kan wel wat; maar ik zal bij vader nog meer leeren!" sprak Marten.
+
+"Dat is goed, dan zie ik u nog eens kapitein of misschien wel meer
+nog! En gij, jongen, hoe heet gij?"
+
+Deze laatste woorden richtte hij tot mij, en ik antwoordde: "Huib
+Maerlant"
+
+"Ei, ei, heet je vader dan Jacob Van Maerlant en is hij niet een
+excellent poeet?"--
+
+Mijn vader een poeet? hield hij mij voor het lapje? Naderhand heb
+ik wel eens gehoord, dat een vierhonderd jaren geleden ergens in
+Vlaanderland die poeet moet geleefd hebben, maar toen wist ik daar
+niets af.
+
+"Mijn vader is matroos, en vaart op de Oostzee!" zeide ik.
+
+"Ei, ei, matroos, en jij in zoo'n mooi pak?"
+
+Mijne goede Moeder had hare laatste spaarpenningen uitgegeven om mij
+eene nette uitrusting te geven. "Als ge zoo slordig gekleed zijt,"
+had ze mij gezegd, "dan zal kapitein Tromp niet willen hebben, dat
+je met zijnen zoon omgaat! En dat moet toch; want als dat niet en
+gebeurt en ge wordt bij en onder de matrozen gerekend, dan groeit er
+nooit iets van je, jongen!"--
+
+Op de verwonderde vraag van den zeeman antwoordde ik daarom: "Moeder
+gaf mij dit pak, omdat Marten mijn speelkameraad is!"--
+
+"Zoo, zoo, je speelkameraad! En kan je ook lezen, schrijven en wat
+rekenen, zooals onze Marten of zooals die poeet, die dan toch zeker
+wel van je maagschap zal zijn! Misschien is die man ook al lang
+dood! Ik houd mij met die poeterij niet op. Als ik te schrijven heb,
+dan doe ik het liefst met mijn degen, die spat nooit en moet ook
+nooit vermaakt worden!"--
+
+"Ja, ik kan nog niet lezen en ik zou juist op het schrijven gegaan
+zijn, toen ik van school af moest!"--
+
+"Hm, hm, maar als jij dan niet gauw begint te leeren, dan zal Marten
+niet zoo heel lang je dagelijksche kameraad kunnen wezen, manneke! Ze
+zeggen wel eens voor een spreekwoord, dat Hans door zijne domheid
+voortkomt; maar als je dan vraagt: "Wie is die Hans?" dan kennen ze hem
+evenmin als jij dien poeet Jacob Van Maerlant kent, weet-je! En wij
+houden er hier aan boord van, dat ieder zoowat zijn soort zoekt. De
+pluimgraaf moet geen kameraadschap maken willen met den schipper en
+de barbier niet met den kapitein, weet-je! Wat mij betreft, ik ben
+hier aan boord zooveel als schipper en ik heet Pieter Pietersz. Hein,
+als je 't niet en weet! En nu, zoekt wat te doen, ik wil je groeten;
+want ik heb ook mijn werk! Adjuus!"--
+
+"Wat 'n aardig man is dat! Die lijkt me!" zeide Marten.
+
+"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde ik. "Hij heeft je ook schoon
+gevleid; maar op mij schijnt hij een pik te hebben, net als die
+oude Brielsche schoolmeester. Kan ik het helpen, dat mijn Vader maar
+matroos is!"--
+
+"Nu, maar daar zeide hij ook niemendal af! Hij vroeg je alleen maar
+of je kon lezen, schr...."
+
+"Och, loop jij naar de Mookerheide! Begin-je ook al van dat lezen,
+schrijven en rekenen te snappen. Als jij dan zooveel weet, laat me
+dan maar links liggen!" gaf ik zeer verstoord ten antwoord.
+
+"Je bent boos, Huib, maar dat kan ik niet helpen! Ik heb je niets in
+den weg gelegd, wel?"
+
+Ik zweeg en keerde mij om; want ik was, o, zoo nijdig, en al weer
+niet op mij zelven, maar op den ouden schoolmeester, op "Kregel
+Mennonietje," op Marten, op Pieter Pietersz. Hein, ja, op heel de
+wereld. Alleen op mij zelven was ik het niet! Ze hadden allen het
+land aan mij dacht ik.
+
+"Ben-je heusch boos, Huib?" vroeg Marten vriendelijk en ging lachende
+voor mij staan.
+
+Nu werd ik nog njjdiger, en ik dacht, dat hij me uit valschheid
+uitlachte en daarom zeide ik: "Zeker ben ik boos! Maar zoo 'n voornaam
+kapiteinszoontje is veel te deftig en te rijk voor den jongen van
+een arm matroos, die op de Oostzee vaart! Ga maar weg en maak maar
+kameraadschap met een ander; ik ben veel te gemeen voor je!"--
+
+Zonder nog een woord te spreken ging Marten thans werkelijk heen,
+en wel om zich bij zijnen vader over mijne onvriendelijkheid, te
+beklagen. Den ganschen dag zag hij niet meer naar mij om en toen ik
+'s avonds nog "genacht" wilde zeggen, was hij al in de hut van den
+schipper, waar ook hij zijne kooi had.--
+
+"Ruzie gehad, kameraad?" vroeg een jong matroos met een heel ongunstig
+uiterlijk. "Ja, man, 't is kwaad kersen eten met de groote lui, ze
+gooien je met de pitten! Toen ik aan boord kwam, dat is nu zes jaren
+geleden, had ik ook zoo'n mooien kameraad medegebracht; maar die
+vriendschap duurde aan boord niet langer dan van twaalf uren tot den
+noen! Dat is een heele tijd, he? Maar ik heb hem laten walsen. Als je
+'m eens ontmoet, doe hem dan mijne groeten, en zeg dat ik hem volstrekt
+nog niet gemist heb. Ik heet Jurrie Zwijn en hij Katt. Wij zijn dus
+allebei viervoetige dieren! Vreemd, he! Zeg, vind je't niet? Ha,
+ha, ha!"--
+
+Hoewel 'k eigenlijk gezegd niet veel lust had om met dezen Jurrie
+Zwijn aan te leggen, en kameraadschap te maken, zoo stond ik toch
+den volgenden dag heel dikwijls met hem te praten en ik deed dat
+vooral als Marten mij zien kon, om hem alzoo te toonen, dat ik
+hem best missen kon. Dwaze knaap, die ik was! Toen ik later dien
+Jurrie Zwijn gaarne links had laten liggen om weer goede maats met
+Marten te worden, hing hij mij aan 't lijf als een klit en ik had
+geen moed genoeg om hem te zeggen, dat het tusschen ons uit moest
+zijn. Langzamerhand raakten Marten en ik dan ook meer en meer van
+elkander verwijderd. Van leeren kwam niemendal; want als ik mijn werk
+gedaan had, en 'k een oogenblik begon na te denken, dat er op die
+manier nooit iets van mij komen zou, dan greep ik wel eens naar een
+boek; maar 't was of Jurrie op zijn loer lag; om mij van het leeren
+af te troonen. Oogenblikkelijk was hij dan bij me en zei: "Zoo, zoo,
+de student is weer aan het letters eten? 'K zou naar de Hoogeschool
+te Leiden gaan, als ik jou was, dan wordt ge een knap man, hm, hm,
+een knap man; zoo 'n soort van een Marnix Van Aldegonde of een Johan
+Van Oldenbarneveld! Wanneer denk-je examen te doen? Zeker wel al gauw,
+is 't niet?" En zoo ging zijn ratel als een lazarusklap totdat ik het
+boek neerlei en luisterde naar de mopsjes, die hij wist op te dreunen.
+
+Eens op een' dag, we waren geloof ik wel al zes weken aan 't kruisen
+op de Noordzee en in Het Kanaal, was ik bezig mijn baaitjen af te
+schuieren toen de schipper naar mij toe kwam en zei: "'T baaitje vuil,
+Huib? Ja, dat komt er van als men met zwijnen omgaat! Die diertjes
+zijn niet al te zindelijk, zou ik zeggen!"
+
+Ik werd rood over mijn geheele aangezicht. Ik voelde 't wel, wie hij
+met die zwijnen bedoelde en telkens, als hij mij in gesprek met Jurrie
+zag, dan schaamde ik mij.
+
+Ondertusschen leefde ik met Marten toch niet als geslagen vijand. Wij
+waren nog jongskens en vergaten gauw; maar toch, die vertrouwelijke
+omgang met hem kwam niet meer tot stand en ik geloof zelfs, dat de
+kapitein niet gaarne zag, dat ik met zijn' zoon veel in aanraking kwam.
+
+Eens op een' dag echter had Marten mij in vertrouwen gezegd, dat
+hij zeker wist wat het doel van ons kruisen in de Noordzee en in Het
+Kanaal was. Er werd in het land eene vloot uitgerust om den Spanjaard
+in zijne eigen wateren te tuchtigen. Die vloot zou onder bevel staan
+van Jacob Van Heemskerk, denzelfden man, die met Barentsz. en zijne
+lotgenooten op Nova-Zembla overwinterd had. Zoodra Van Heemskerk
+uitzeilde zouden wij ons bij hem aansluiten. Marten verzocht mij
+echter, dat ik het niemand zeggen zou; want dat alleen de officieren
+en de schipper het wisten. Zijn vader had het hem verteld, doch er
+ook uitdrukkelijk bijgevoegd: "Niet over-vertellen, hoor!"
+
+Nu wilde echter het geval, dat er s'avonds niemand meer aan boord
+was, die het niet wist. Ik denk voor het naaste, dat er nog een ander
+geweest is, die het ook verteld heeft. Ik had dien dag wel veel en
+soms lang met Jurrie loopen praten, doch nu het al zooveel jaren
+geleden is, mag ik het gerust zeggen, ik heb het niet verteld. Zoodra
+de oude Tromp er achter kwam, dat het volk er alles van wist, begon
+hij te onderzoeken, wie het oververteld had. Marten viel al dadelijk
+door de mand en nu werd ik geroepen.
+
+"Zeg eens, knaap, aan wien hebt gij verteld, dat we op de vloot
+van Jacob Van Heemskerk wachten en dat het dan rechtstreeks naar
+Spanje gaat?"
+
+"Ik heb het aan niemand verteld, kapitein!"
+
+"Lieg niet, jongen, ik vraag u, de waarheid. Hebt ge 't aan Zwijn
+overgebriefd? Zeg maar "ja", want uw gelaat wijst het uit, dat het
+zoo is!"--
+
+Ik hield vol, dat ik er met geen mensch over gesproken had en toen
+liet de kapitein Jurrie roepen.
+
+"Wie heeft je gezegd, dat we naar Spanje gaan?" vroeg Tromp op eenen
+zeer barschen toon.
+
+En hoor me nu dien onbeschaamden leugenaar eens aan! Weet ge wat hij
+antwoordde? Nu, hoor dan!
+
+"Huib Maerlant heeft het mij in den achternoen verteld, toen we bezig
+waren met een kabel te splitsen!"
+
+Ik sprong op als een leeuw en riep: "Kapitein, hij liegt het!"--
+
+Tromp fronste de wenkbrauwen en zei alleen: "Ga heen, deugniet! Gij
+zijt uw gezelschap waard!"--
+
+Van dien dag af ondervond ik, dat het waar is wat het spreekwoord zegt:
+"Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!" Niemand vertrouwde mij;
+de goeden lieten mij links liggen en met dien leugenaar Jurrie Zwijn,
+wilde ik niets meer te doen hebben. Zoo was ik dan den ganschen dag
+alleen. Dat er nu van het leeren niemendal kwam, dat sprak vanzelf;
+ik had eigenlijk nergens lust in en verlangde alleen naar mijne
+Moeder. Die zou me toch nog wel gelooven, als ik waarheid sprak.
+
+Gelukkig dat er door de verschijning van de vloot meer bezigheid kwam
+en ik daardoor de muizenissen meer en beter verdrijven kon.
+
+Den tienden van Grasmaand kwamen we aan de groote rivier van Lissabon,
+die De Taag genoemd wordt.-- Alras vernam de Ammiraal dat er voor
+ons hier niets te doen viel; want zestien galjoenen waren van hier
+naar de West-Indien vertrokken en nog tien andere naar de Straat van
+Gibraltar. Deze laatste zouden we opzoeken en uit alles wat ik hoorde
+vertellen en zag gebeuren, zouden we daar meer doen dan een kijkje
+nemen. Den vijf en twintigsten kwamen we tot in de nabijheid der stad,
+die, op eenige hoogten gelegen, het aanzien had van ons heel veel kwaad
+te kunnen doen. De Ammiraal gaf een sein dat al de scheepsbevelhebbers
+aan boord moesten komen om met hem te beraadslagen over hetgeen er
+gedaan zou worden. Zeker was het meer toeval dan geluk, dat ik tot de
+bemanning van de sloep behoorde, waarin onze kapitein aan boord van het
+Ammiraalschip Aeolus gebracht werd. Wat er in dien krijgsraad besproken
+werd, heb ik eerst later vernomen. De Ammiraal zou met kapitein Lambert
+Hendrikse van de Tijger den Spaanschen Ammiraal,--en de Vice-Ammiraal
+Alteras, die op de Roode Leeuw bevel voerde zou met kapitein Bras
+van de Stadt Hoorn den Spaanschen Vice-Ammiraal aanklampen. Onze
+overige schepen zouden twee aan twee een galjoen voor hunne rekening
+nemen.--Zooals ik zei vernam ik dat eerst later: maar onderwijl we
+met onze sloep bij den valreep van de Aeolus op onzen kapitein lagen
+te wachten, hoorden we Jacob Van Heemskerk zeggen:. "En nu mannen,
+zoo als besloten is, moedig op den vijand los. Zoekt er uwe eer in uwe
+manschappen in goede courage voor te gaan. Een ieder doe zijn plicht;
+ik hoop den mijnen te doen. Voor God en de Vereenigde Provincien!"
+
+'K werd er warm van toen ik dat zoo hoorde. De kapitein stapte in de
+sloep, en ik sloeg met mijn riem in 't water, alsof dat de vijand was,
+dien 'k wat geven moest.--
+
+Weldra waren wij allen aan boord van de Bare terug.
+
+"Mannen," zei de kapitein, "er is besloten den vijand aan te vallen! 'T
+is geene kleinigheid! Maar onze dappere Ammiraal rekent op u allen
+en houdt zich van de overwinning verzekerd, zoo ge van den oudsten
+tot den jongsten toont, dat er nog iets in u is overgebleven van den
+moed der Watergeuzen. Ginds ligt het galjoen dat wij met de Griffioen
+aanvallen zullen! Wat zult ge doen? Vechten of vluchten?"
+
+"Vechten, kapitein, vechten tot den laatsten man!" klonk het van
+alle kanten.
+
+"Maar eerst God om kracht en bijstand gesmeekt," sprak de oude Tromp
+bedaard, en wenkte den schrijver om het gebed te komen doen.--Daar
+wij geenen predikant aan boord hadden, voldeed deze hieraan en met
+vrome aandacht spraken wij langzaam zijne woorden na. Toen het gebed
+afgeloopen was, kregen we ieder een oorlam en ... daar ging het op
+den vijand los.
+
+Ik stond bij den grooten mast en had wel gewild dat hij een kanon ware
+geweest, dat ik afschieten mocht. Eensklaps werd mij op den schouder
+getikt en toen ik achter mij keek, zag ik Marten staan.
+
+"Ben je nog boos, Huib?" vroeg hij.
+
+"Ja, zeker," gaf ik ten antwoord. "Zeker ben ik nog boos! Ik en heb
+niet geklapt en toch gelooven ze het allemaal en jij gelooft het ook
+nog, en daarom ben ik boos! Maar ik zal daarom toch wel mee vechten,
+hoor!"
+
+"En als ik nu zeg, dat ik het niet geloof, dat je geklapt,
+hebt?"
+
+"Dan jok-je, want je gelooft het toch!"
+
+"Gaat op zij, jongens, je staat in den weg! Er is hier geen plaats
+meer voor je op het dek! Gaat maar naar beneden, daar zijt ge
+veiliger!" zeide Piet Hein.
+
+"Ik blijf bij Vader," zeide Marten, "en Huib blijft bij mij! Wij zijn
+Brielsche jongens, schipper, en niet zoo heel bang!"--
+
+Marten sprak mij voor en dat trof mij zoo dat ik hem mijne hand gaf;
+maar juist toen ik wilde zeggen, dat ik nu niet meer boos en was,
+vloog er met vreeselijk geruisch een kogel door het groot marszeil en
+oogenblikkelijk daarop werd ons schip hevig heen en weer geslingerd,
+want de kapitein kommandeerde "vuur!" en de twaalf stukken, die we
+aan bakboordszijde hadden, gaven den Spanjool de volle laag.--Toen
+hoorden wij het schieten niet meer: er was ook zooveel te hooren en
+te zien.--Te midden van het vreeselijk gedonder der kanonnen klonken
+allerlei kreten. Daar liep Jurrie Zwijn met eene brandende lont ons
+voorbij en Piet Hein achter hem. Eensklaps viel Jurrie Zwijn neer en
+Piet Hein buitelde over hem heen.
+
+"Kan-je niet beter op je beenen blijven staan?" vroeg Hein aan Jurrie,
+die daar nog altijd op het dek lag.
+
+"Een schot in de borst, schipper! Ik - ik sterf! Heb ik nog - veel -
+veel kwaad - g- goed-gemaakt, z- zeg?' sprak Jurrie.
+
+"Einde goed, alles goed! Je hebt je wakker gehouden, kameraad!" zeide
+Hein en stak hem de hand toe.
+
+Jurrie poogde den handdruk te beantwoorden, lachte even en zei:
+"D - d - dank-je, schip-schipper! A - a - d - die!'
+
+De ongelukkige was dood.
+
+"Geleefd als een zwijn, gestorven als een man!" bromde Hein en pinkte
+eenen traan weg. "Mannen, legt hem uit den weg; hij is de eerste aan
+boord!" beval hij aan een paar matrozen. Deze deden dit en toen Jurrie
+daar zoo lag, zei Marten:
+
+"Was hij je vriend, Huib?"
+
+"Neen," antwoordde ik, "ik was bang van hem!"
+
+Marten zei niets, maar legde een zeil over den gesneuvelde. Toen hij
+dit gedaan had en opkeek riep hij: "Huib, kijk, kijk!"
+
+En wat was er te kijken?
+
+Toen ik omkeek was het haast niet meer te zien. Een vijandelijk
+vaartuig, dat in brand stond, vloog in de lucht. Stukken balken,
+ijzers, brokken van kettingen, menschen, vuur, vlam, rook, alles
+vloog in de hoogte en werd wijd weggeslingerd! Hu, er ging eene
+rilling over mijn lijf! Dat was akelig!--
+
+Intusschen waren wij het galjoen tot op een musketschot afstands
+genaderd. Nog eenmaal gaven we den vijand de volle laag en grepen
+toen naar de musketten, enterhaken, bijlen en sabels.--Daar sloegen
+de vlammen uit het galjoen! Wij kwamen het al nader en nader!--De
+vlammen knetterden en dansten tegen het want op. Gegil, geschreeuw,
+musketschoten, alles klonk door elkaar! Wat ik toen gedaan heb,
+weet ik niet. 'K zag mijne kameraads voor en achter mij vallen en het
+brandende galjoen vlak tegen ons aan liggen. Daar vlogen onze zeilen
+in brand! De groote ra en de fokkera volgden! De vlammen krulden om
+het want en kropen naar voor, naar achter, naar boven, naar beneden,
+rechts, links, naar alle kanten!--
+
+Ik dacht aan het Spaansche schip, dat ik zoo even in de lucht
+had zien vliegen en ... als dat gebeurde dan... dan waren we allen
+dood!--Ik dacht aan mijne moeder!--Arme moeder!--Ik dacht aan den ouden
+schoolmeester, aan 't Kregel Mennonietje.... Daar vlogen de matrozen
+het want in!--He, wat kerels!--De kogels floten hun om de ooren;--de
+vlammen verschroeiden hunne hoofdharen, bakkebaarden, en kleeren!--Te
+vergeefs! De brand was niet te stuiten!--De matrozen kwamen weer naar
+beneden, en reeds stonden enkelen gereed om zich van de sloepen meester
+te maken toen het brandende galjoen afdreef! Welk geluk! Nu was er nog
+kans op behoud! Opnieuw werden er pogingen aangewend om den brand te
+stuiten, toen eensklaps het galjoen, dat ons pas een minuut of tien
+geleden verlaten had, gedeeltelijk in de lucht sprong. Het water kwam
+in eene vreeselijke beweging en ons schip slingerde geweldig. Toch
+deden de wakkere gasten al wat zij konden om het schip te behouden
+en eindelijk zagen ze hunne onvermoeide pogingen met een gewenschten
+uitslag bekroond!--Wat zag de Bare er uit! Men kon zien, dat ze in het
+gevecht geweest was, en dat onze kapitein het woord aan den Ammiraal
+gegeven, wakker gehouden had. Ook de Griffioen had zijn aandeel in
+het gevecht gehad, doch was niet zoo gehavend als wij. Langzamerhand
+verminderde echter het geschutgedonder en zoo goed en zoo kwaad dit
+kon, trachtten wij ons met de overige schepen te vereenigen.--
+
+Daar zag ik de Aeoelus en: "Marten, schipper, kapitein!" riep ik en
+liep ondertusschen van 't voor naar 't achterschip waar deze drie
+personen zich bevonden.--
+
+"Wat is het, dolleman? Wat is het?" vroeg Hein.
+
+"Kijkt dan toch!" riep ik. "De Ammiraals-vlag is te halver steng!"--
+
+Het blozende gelaat van Piet Hein werd bleek toen hij dat zag en de
+kapitein riep: "Kinderkens, onze Ammiraal is gesneuveld!"
+
+"Onze Ammiraal is gesneuveld," in een oogenblik was het op de geheele
+Bare bekend en iedereen sloeg de schrik om het hart.
+
+o, Als we nu nog hadden moeten vechten, dan....
+
+"Kapitein Pieter Willemsz. Verhoef had dat niet moeten doen! Ei ziet,
+hoe 't ons allen den moed ontneemt nu het gevecht is afgeloopen
+en wij de overwinning behaald hebben! Zoo hij 't niet gedaan had,
+dan zouden we de Spaansche vloot misschien wel geheel en al vernield
+hebben!" zeide de oude Tromp.
+
+"Met uw verlof, kapitein," hernam ik, "toen 'k de Aeoelus naderen zag,
+was hare vlag nog niet te halver steng! Ik heb haar zien neerhalen!"--
+
+"Dan is onze brave Ammiraal ook pas gesneuveld!" sprak Hein. "Een
+wakker man verloren!"--
+
+"De overwinning is te duur gekocht!" bromde de kapitein en naar de
+davids gaande beval hij de sloep neer te laten. [6]
+
+Kort daarop roeiden wij weer naar het Ammiraalschip! Maar, o jongen,
+welk eene verwoesting! De zee was bedekt met stukken hout, masten met
+fladderend want, brandende vaartuigen, wrakken en honderden dingen
+meer. Hier trachtte er nog een zwemmende het leven te redden en daar
+verdween een ander voor altijd in de diepte.
+
+Onze kapitein bleef er niet lang aan boord, en toen hij in de sloep
+stapte om naar zijn eigen vaartuig terug te keeren, beefde hij van
+aandoening.
+
+Ho, wat al nieuwsgierige blikken omringden ons toen we weder op het dek
+van de Bare stonden. Het was alsof ze allen begrepen, dat onze kapitein
+iets te zeggen had, dat ons allen aanging. Iedereen wilde weten of
+de Ammiraal werkelijk dood was, dan wel of de kapitein was gesneuveld.
+
+"Luistert, jongens, luistert!" sprak hij.
+
+"Laat mij ook luisteren!" sprak een onzer matrozen, die vreeselijk
+gewond op het dek lag. "Draag mij dicht bij onzen kapitein!"--
+
+Men voldeed aan zijn verzoek en toen dat geschied was had men eene
+speld kunnen hooren vallen.
+
+"Jongens," hervatte Tromp, "wat zou ik trotsch geweest zijn zoo onze
+wakkere Ammiraal ons schip in dezen toestand had kunnen zien! Wat
+zou hij ons geprezen hebben als echte, kloeke Nederlanders! Eilacie,
+'t mocht zoo niet zijn!
+
+Reeds in het begin van het gevecht nam een kogel zijn linker been weg.
+
+Hij is in zijne volle wapenrusting gestorven, zijn volk ten strijde
+aanmoedigende, zijne ziele Gode bevelende! De glansrijke overwinning
+is duur, heel duur gekocht! De Vereenigde Provincien hebben een
+rechtschapen, dapper, beleidvol, edelmoedig en groot man verloren. Gij
+allen weet het, dat hij de Ammiraalswedde geweigerd heeft; hij diende
+zijn Vaderland om niet, en hoe diende hij het! Waar zullen ze een
+vinden als hij? Wie zal hem ooit gelijken?"
+
+Martens wangen werden vuurrood, zijne oogen glinsterden en de hand
+zijns Vaders vattende zei hij: "Vader, ik wil zoo'n Ammiraal worden!"--
+
+"Gij zijt dwaas, jongen! Gij en weet niet wat gij wilt!" zeide Tromp;
+maar schipper Hein legde zijne hand op Martens hoofd en sprak:
+"Met God is alles mogelijk, jongen!"--
+
+Zoo'n Hein! Onderwijl hij zoo sprak dacht hij zeker, niet, dat
+hij eenmaal aan 't Vaderland eenen anderen Heemskerk in zichzelven
+geven zou.
+
+Nadat onze schade zoo goed mogelijk hersteld was, keerden wij allen met
+roem beladen naar het Vaderland terug; maar wij werden toch niet met
+die blijdschap begroet, als het geval zou geweest zijn, zoo Jacob Van
+Heemskerk zelf had kunnen zeggen: "Wij brengen u de overwinning! De
+Spanjaard is verslagen en zijne vloot is verbrand! De geheele wereld
+erkent onze meerderheid ter zee!"--
+
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+Gevangen genomen.
+
+Wij bleven ruim een halfjaar te Rotterdam liggen. De Bare had in
+den slag bij Gibraltar ontzettend geleden en moest nu van onder tot
+boven worden nagezien. In al dien tijd was ik echter geen dag in Den
+Briel geweest; want ik kreeg daartoe geen verlof, omdat ik het niet en
+vroeg.--Ik had niet veel goeds van mij-zelven te zeggen.--Marten had
+echter van dien tijd gebruik gemaakt om tweemaal per dag bij onzen
+ouden meester ter les te gaan, en daar die jonge schipper Piet Hein
+hem zoo nadrukkelijk verzekerd had, dat er vast een kapitein uit hem
+groeien zou, als hij maar wakker leeren wilde, zoo deed hij dubbel
+zijn best.--
+
+Eindelijk was ons schip in Wintermaand van 't jaar '7 weer kant en
+klaar voor de reize en op zekeren dag kwamen de kapitein en Marten
+onverwacht aan boord.--
+
+Marten kwam terstond bij me en betoonde zijne vreugde door mij alles
+te vertellen wat hij van Den Briel wist.--Het "Kregel Mennonietje"
+ging nog altijd school en was in dien tijd heel wat gegroeid. Leeren
+deed hij als de beste, maar daar hij door zijn boos humeur altijd
+met iedereen overhoop lag, zoo had hij onder de jongens niet een,
+die veel van hem hield. Zelfs de meester hield niet van hem, hoewel
+deze toch nooit last van hem had. Van mijne moeder bracht hij eenen
+duevekater [7] mede en ... meester had gevraagd of ik aan boord nog
+wat leerde lezen en of ik goed oppaste?
+
+Op die laatste vraag gaf ik geen antwoord. Ik wilde niet zeggen
+"ja," want dan hadde ik eene onwaarheid gezegd. Ik had den weg in
+Rotterdam leeren vinden, dat was al. Wanneer 'k aan boord niet noodig
+had, dan was ik aan den wal gegaan, en 'k had al spoedig een paar
+kornuiten gevonden, die mij overal brachten waar ik niet en noodig
+had. Geen steegje zoo klein of ik wist het! Maar leeren! bah, wat
+zou'k leeren? Ik werd toch nooit kapitein!
+
+"Nu," zei Marten, "kunt ge dat boekske, dat ik u met Allerheiligen
+zond, al lezen?"--
+
+"Neen, 't was zoo moeielijk, ik en kon niet!"--
+
+"Maar waarom hebt ge het dan den schipper niet gevraagd? Dat is een
+abel, bekwaam en treffelijk man!"
+
+"Ik en durfde dat niet te doen; hij was zelf altijd met heel dikke
+boeken over de zeevaart-konst in de weer!"--
+
+"'T is jammer, Huib! Maar als we nu maar weer in zee zijn, dan zullen
+we samen eens gaan leeren, he? Ik reken nu al uit de cijferkonste van
+onzen treffelijken, geleerden Simon Stevin. Dat is een heel nieuw
+rekenboek en onze meester was er zelf nog niet recht achter!--Maar
+wat leelijke, gemeene slabbakken daar aan den weg staan. 'T is of ze
+staan te wachten!"
+
+Marten wees naar den wal waar de twee jongens stonden, die mij den
+weg in Rotterdam geleerd hadden. Ik keek om, en, zoodra ze mij zagen,
+riepen ze:
+
+"Kom-je, Huib? Kom-je? Trijn van de Floer Battensheul heeft naar
+je gevraagd?"
+
+Ik keerde mij beschaamd om en meende dat Marten op mijn aangezicht
+zou kunnen lezen wat die jongens meenden. De Floer Battensheul was
+eene brug, die aan de Delftsche poort over eene vaart lag. Daar zat
+Trijn Blomzoetken, zooals wij, kwajongens, haar noemden, iederen dag
+met warmoes en ooft. Menige penning was daar door mij besteed en toen
+'k verleden week geene penningen meer had, toen schonk zij mij eene
+maat vol zure schijvelingen, daar mijne twee kameraads haar vertelden,
+dat ik kajuitswachter op de Bare was en de volgende week mijne gage
+ontving. Ik wist wel dat zulks niet waar was, maar nam alevel de appels
+aan en weldra hadden wij deze met ons drieen allemaal opgepeuzeld.--Na
+dien tijd waren we daar niet geweest, en nu had Trijn de jongens er
+zeker op afgestuurd om mij te halen.--
+
+"Ken je die vuile, gelapte borsten, Huib?" vroeg Marten.
+
+"Of hij ze kent?" sprak schipper Hein, die stillekens achter ons
+gekomen was, "of hij ze kent, Marten? Bijlo, het zijn zijne beste
+vrienden! Niet, Huibje?"--
+
+"He, Huib! Huib! Huib! Kom-je?" klonk het van den wal.
+
+Ik vatte moed en, als wilde ik schipper Hein tot eenen logenaar maken,
+riep ik: "Loopt, ik ken je niet!"
+
+"Heeee! Hij en kent ons niet, Jan?" schreeuwde de een en begon met
+den ander, die Joost heette, allerlei sprongen te maken, en toen ze
+moede waren van al die malle luchtsprongen begonnen ze te zingen:
+
+
+ Fideldine, fideldijn!
+ Ick en dans nyet,
+ Ick en schrans nyet!
+ Fideldine, fideldyn,
+ Ick ken jou en jij kent mijn!
+
+ Fideldine, Heyntjeman,
+ Ick en roep nyet,
+ Ick en snoep nyet!
+ Fideldine, Heyntjeman,
+ Drinckt den wijn uit volle kan.
+
+ Fideldine, Zuyerzee,
+ Ick en klinck nyet,
+ Ick en drinck nyet!
+ Fideldine, Zuyerzee,
+ Huib blijft hier en Trijn gaet mee!
+
+ Fideldine, kakelbonght,
+ Ick en krijgh nyet,
+ Ick en swijgh nyet!
+ Fideldine, kakelbonght,
+ Volle kannen syn ghesont!
+
+
+"Kom, Huib, zing dat fijne mopsjen toch mee, man!" zei Hein.
+
+"Ik en ken dat mopsjen niet'," gaf ik ten antwoord; maar de roode
+kleur, die ik kreeg, zeide maar al te wel dat ik loog.
+
+"Heeee, fijnman, heeee! Kom dan toch, of we gaan alleen naar onze
+goede Trijn Blomzoetken!" schreeuwde Joost en gooide zijne muts in
+de hoogte, duikelde tweemalen over den kop, pakte Jan bij den arm en
+voort gingen ze. Al lang waren ze de naaste straat ingeslagen toen
+ik hen nog hoorde zingen:
+
+
+ Die backer Joosten al op den hoek, - Hi - ha - hoe!
+ Die slaet syn wijf met Bagynenkoeck, - Bi - ba - boe!
+ En so die Backer dat nyet en deed,
+ Dan segh ick nyet wat ick wel weet!
+ Hi - ha - hoe! Bi - ba - boe!
+
+
+Marten had zich met den schipper verwijderd en was drok met hem
+in gesprek.
+
+Ik bleef moederziel alleen staan en tranen van spijt sprongen
+mij uit de oogen. Intusschen was ik in duizend vreezen, dat Trijn
+Blomzoetken komen zou en mij om geld vragen, dat ik niet en had. o,
+Als dat gebeurde, wat dan?
+
+Het eene uur na het andere verstreek evenwel en het werd een uur. Nog
+een half uur dan gingen we heen en als de kabels maar los waren,
+als de loopplank maar weggenomen was, dan....
+
+Waarlijk, het geluk diende mij. Juist met klokke half twee werden de
+kabels losgemaakt, de plank werd ingehaald en onder het "Hoezee!" der
+toeschouwers verlieten we den wal. Juist bij tijds! Daar verscheen
+eene vrouw aan den kant, die de vuisten naar ons opstak en zeker
+allerlei scheldwoorden schreeuwde. Wij waren echter al te ver af en
+er was te veel beweging aan boord om haar te verstaan. De kapitein
+had haar echter wel gezien en deed bij den schipper onderzoek naar
+de zaak. Of die Hein er nu achter gekomen was, dat ik bij Trijn
+Blomzoetken schuld op den kerfstok had, dan wel of hij haar verstaan
+had, ik en weet het niet; maar toen wij des avonds met gunstigen wind
+Den Briel passeerden en ik onzen stompen toren naoogde zoo lang ik kon,
+kwam de kapitein bij me en zei:
+
+"Huib, ik en wil niet meer, dat mijn zoon met je omgaat. Een jongen
+als jij, die den kostelijken tijd verluilakt, goevrindschap maakt met
+gemeene straatjongens, en er een kerfstok op na houdt bij appelvrouwen,
+als Trijn Blomzoetken van de Floer Battensheul, zulk een is geen
+geschikt kompeer voor mijn jongen! Ik zal je voortaan behandelen als
+ieder ander mijner matrozen, dat zal ik; maar reken er op dat joffer
+Driestreng [8] gereed ligt, als ik je op het achterschip zie. Je
+plaats is voor en je heet pluimgraaf! Begrepen?"--
+
+Ik knikte maar gaf geen antwoord.
+
+Mijn lot was treurig; maar in plaats van mijzelven de schuld te geven
+en te denken aan het spreekwoord. "Wie met pek omgaat raakt er mede
+besmet," gaf ik anderen, vooral dien babbelaar van een schipper de
+schuld. Ik meende maar dat elk en een ieder het er op toelegde om mij
+ongelukkig te maken. Dat was zeer verkeerd; want zoo ik berouw gevoeld
+had, dan hadden de anderen mij niet altijd links laten liggen.--
+
+Wij zetten eerst koers naar Vlissingen en wat 'n geluk! Daar ging
+schipper Hein aan boord van een ander vaartuig over, en wij kregen in
+zijne plaats een kloek Arnemuidenaar, die er uitzag als eene Maartsche
+bui en al dadelijk begon met mij te vertellen, dat hij mij, als ik
+hem in den weg liep, een schop zou geven dat ik in de Wielingen zou
+vliegen om met de bruinvisschen te leeren duikelen.
+
+Met eene stevige bries zett'en wij koers naar Engeland, voeren door
+het Kanaal en kwamen weldra in den Oceaan.
+
+Waarheen was de tocht? En waarom was ons schip zoo sterk bemand? Waarom
+hadden we zooveel kruit en kogels aan boord? Ging het naar den
+Spanjaard en mogelijk alweer naar Gibraltar? Ik zag geen land en
+niets dan lucht en water en water en lucht. De wind was omgeloopen
+en thans werd de koers, nadat we wel acht dagen lang maar altijd
+westelijk aangehouden hadden, naar het zuiden gericht.
+
+Kon ik toch maar eens te weten komen waarheen het ging! Maar ik had
+met geen mensch kameraadschap gesloten, en 'k wist nu ook niet wien
+ik het zou durven vragen. Het werd al heeter en heeter! Midden op
+den dag was het in de zon op het dek niet uit te houden! Intusschen
+begonnen de konstabels en matrozen de Bare in eenen geduchten staat
+van verdediging te stellen. De kogels lagen op het dek en de vaatjes
+met kruit werden voor den dag gehaald.--
+
+Ik wist niet eens welken dag van de maand wij hadden; en of het Zondag
+of midden in de week was, daar bekommerde ik mij niet om; ik zat
+en leefde maar alleen. Doch eens op een' dag,--'t moest Zondag zijn,
+want de schrijver las eene preek voor en deed het gebed,--riep de wacht
+ineens: "Een zeil! een zeil!" In een oogenblik was alles op het dek.
+
+Dat was zeker geen schip van de Compagnie; want de wijze waarop wij
+het gingen ontvangen, was alles behalve vriendelijk. Het bleek ook
+weldra dat het niet een schip was; want ik telde er al heel gauw
+zeven en later zelfs twaalf.
+
+In hunne vlag was een halve Maan en terstond begreep ik dat het
+Turksche zeeroovers waren. Denkelijk kwamen ze wel van Salee en
+loerden ze op onze rijk geladen Compagnie-schepen.
+
+Daar klonk een schot van een der roovers en terstond werd het door
+de onzen beantwoord.
+
+"Mannen," zeide de kapitein, "de vijand is talrijk, maar moed
+verloren, al verloren! Houdt dan couragie, jongens! Wakker er op
+in! Die Turksche rabauwen zullen weten dat wij geen katten zijn,
+die men zonder handschoenen kan aanvatten! Voor Zijne Excellentie
+Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--
+
+Ik had volstrekt geen plan om mee te roepen, doch 't is aanstekelijk
+geloof ik; want ik schreeuwde mee, zoo hard ik kon: "Voor Zijne
+Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--
+
+De vreemde schelmen schenen zich om ons geschreeuw al heel weinig
+te bekommeren en hielden, voortgaande met schieten, steeds op ons
+aan. Zij schenen nog weinig verstand van het geschut te hebben,
+want al de kogels vlogen hoog door het want heen.--Onze konstabels
+daarentegen waren betere schutters; bijna elk schot was raak. Maar
+wat hielp het? In minder dan een uur waren wij rondom ingesloten. We
+hadden het thans van alle kanten te kwaad. Die rabauwen, 't moet gezegd
+worden, waren niet bang, en zonder dat wij het verhinderen konden,
+werd de Bare geenterd en klommen de vijanden als katten bij ons aan
+boord. Toen werd het een bloedig gevecht! De kapitein stond vooraan
+en sloeg er wakker op in; maar eensklaps ontving hij eene doodelijke
+wonde en viel voorover op het dek. Een oogenblik staakten de onzen
+het gevecht, doch toen Marten dit zag, bukte hij, greep den degen van
+zijnen vader en met vuurstralende oogen en met tranen op de wangen
+schreeuwde hij: "Jongens, helpt dan mijn arm vadertje wreken! Toe dan,
+toe dan, helpt mij!"--
+
+"Ja, ik wil je helpen," riep de lange schipper en zijn bijl wegwerpende
+pakte hij eensklaps een der opperhoofden om zijn middel, tilde hem
+van het dek op en smeet hem over boord.
+
+"Doet als ik!" riep hij en wilde eenen tweeden vijand op dezelfde
+manier over boord smijten, doch deze zag het spelletje aankomen en
+deed een geduchten houw naar hem.
+
+"Wel ja, wou je me daar zoo maar een lik uit de pan geven?" riep de
+Arnemuidenaar lachende. "Ik en lust geen likjes, maar misschien lust
+jij wel een zoopje haaienwijn!"
+
+Ook deze vijand werd als een veer opgetild; doch hij was sterker dan
+de ander en hield zich aan den schipper vast.
+
+"Nou, niet of graag! Wil je me niet loslaten dan gaan we samen! Adie,
+jongens, houdt je goed!"--
+
+Zoo riep hij en eensklaps sprong hij van de verschansing en verdween
+in de diepte.--
+
+Nog een oogenblik hielden we den ongelijken strijd vol; maar ten
+leste moesten wij den kamp opgeven en we zagen ons genoodzaakt, wilden
+we het voorbeeld van den wakkeren en moedigen schipper niet volgen,
+de wapenen neer te leggen en ons over te geven.--
+
+Marten en ik werden met nog drie anderen aan boord van het grootste
+roofschip gebracht, om daar als honden behandeld te worden en den
+bevelhebber op zijne wenken te bedienen.--Op zijne wenken, precies,
+want geen van de vijf kon die kerels verstaan. Gelukkig dat we
+nog aanspraak aan elkander hadden en, dat Marten vergat, dat ik te
+Rotterdam met zulke gemeene jongens kennis had gemaakt. Het liefst
+sprak hij met mij over zijn' Vader en zijne Moeder, en ook ik hoorde
+er graag over spreken; want als Marten van zijne Ouders vertelde,
+dan vertelde ik van de mijne, en als hij 't over Den Briel had, dan
+had ik het ook daarover. Wij aten uit een bak; wij dronken uit een
+kroes; wij sliepen in een vuil hok; wij kregen slagen met dezelfde
+zweep! Wij waren de beste vrienden; wij waren beide gevangenman en
+nu ... nu kent hij mij amper en hij is Luitenant-Ammiraal en ik ben
+matroos! Jonge Kees, jongen, spiegel je aan mij! Maar de zon is onder;
+ik ga ter kooi! Morgen de rest! Wel te rusten!"--
+
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+Ontvlucht en nog eens bij t' "Kregel Mennonietje."
+
+"Onze galei zette koers naar Salee. Bijna twee jaren lang hadden we
+met de roovers heen en weer gezworven en in al dien tijd geen enkel
+schip van de Compagnie gezien. Wel hadden we in dien tijd een stuk
+of drie Spaansche schepen overmeesterd, maar voor het overige hadden
+we niet veel meer gedaan dan geluierd."--
+
+Zoo begon Huib den volgenden morgen zijne vertelling, doch in plaats
+van enkel Jonge Kees tot toehoorder te hebben, had hij er nu wel tien
+van de bemanning om zich heen. Nauwelijks toch had Jonge Kees aan een
+zijner makkers verteld, dat de oude Huib bezig was de geschiedenis
+van Goede Vaer Tromp te verhalen, of deze briefde het aan anderen
+over. Zoolang Huib nog niet aanwezig was, vertelde Jonge Kees alles wat
+de oude man hem den vorigen dag verhaald had. De matrozen waren dus
+redelijk op de hoogte der geschiedenis en luisterden met ingespannen
+aandacht naar hetgeen Huib thans ging mededeelen.
+
+"We hadden gedurende die twee jaren niet veel anders gedaan dan
+geluierd," zoo vervolgde de verteller. "Hadden we maar beter voedsel
+gekregen, waren we maar niet zoo mishandeld geworden en hadden we
+maar geene Moeder in Den Briel gehad, zie, we zouden ons vrij goed
+in ons lot hebben kunnen schikken! Maar nu! o, Wat hebben we met ons
+vijven al plannen gemaakt om te ontvluchten! Nu verzon de een dit,
+dan de ander dat plan! Maar de Turken hielden ons altijd in het oog
+en bewaakten ons zorgvuldig.
+
+Ten leste hadden we alle plannen ter ontvluchting maar opgegeven, en
+hoopten we alleen, dat de goede God ons onverwacht uitkomst zou geven.
+
+Zoo als ik zei, wij zett'en koers naar Salee, en dat wel
+hoofdzakelijk omdat ons vaartuig eenige noodzakelijke herstellingen
+moest ondergaan. 'T was een oude, versleten kast!--Daar vertoonde
+zich eensklaps aan den gezichteinder donkere wolken, die al hooger
+en hooger kwamen. 'T werd bladstil en de groote zee leek meer op
+eenen gladden spiegel dan op een stormachtig bewogen waterplas.--De
+rooverkapitein zag het onweder nader komen en scheen er niet veel
+vrede mee te hebben, daar hij wel begreep, dat het oude schip niet
+veel weerstand zou kunnen bieden.--Achter aan 't vaartuig had men de
+boot al gereed liggen om, als de nood drong, hiermede te trachten
+althans het leven te redden.--Intusschen brak er een hevig onweder
+over ons hoofd los. De storm verdubbelde zijn geweld.
+
+'T was klaar dat het schip het niet houden zou en daarenboven schenen
+we in de nabijheid van vele blinde klippen te zijn.
+
+De rooverkapitein gaf het teeken, de bemanning maakte de boot los,
+vulde ze met proviand, bond ons alle vijf aan scheepsboord vast en
+verliet het vaartuig.
+
+Marten lag dicht bij me en scheen te bidden. Nu, dat was dan ook
+wel noodig; want het gevaar waarin wij verkeerden was zeer groot. We
+zagen niets dan den dood voor oogen.
+
+Het brooze vaartuig werd naar alle zijden heen en weer
+geslingerd.--Maar dat zou juist ons geluk zijn. Men had Marten met de
+handen aan een touw gebonden, dat als een muur zoo vast, tusschen twee
+watervaten zat.--Er zouden reuzenkrachten noodig geweest zijn om zich
+los te rukken, maar de holle zee was sterker dan een reus.-- Eene golf,
+zoo groot als ik nog nooit gezien heb, sloeg over de verschansing;
+wij dachten dat ons laatste uur geslagen was, en...een der vaten was
+omgekanteld en het touw was los. Thans waren Martens handen spoedig
+vrij en al lag de knoop ook vast om zijn beenen, die kwam toch ook los.
+
+"Ik zal u helpen, mannen," sprak hij, en kroop op handen en voeten
+naar de kajuit. Weldra kwam hij met een mes terug, hij sneed onze
+banden los en, juist toen de storm op het felste was, waren we
+alle vijf vrij.--De andere drie matrozen waren bevaren gasten en
+inplaats van zich kleinmoedig te betoonen, sloegen ze de handen aan
+het werk. De hoop, van nog eenmaal het lieve Vaderland terug te zien,
+gaf dubbele kracht.
+
+Langzamerhand bedaarde de storm. Wel stond de zee nog hol; maar wij
+vertrouwden er op dat de Heer redding zou geven.
+
+"Wien God bewaart is wel bewaard, mannen," sprak de oudste matroos
+en wij allen zeiden hierop: "Amen!"
+
+Na meer dan twee uren lang tegen den storm en de zee geworsteld te
+hebben, waren we het gevaar te boven, als we maar zorgden dat de
+twee pompen nooit stil stonden. Zoodoende was er altijd een eenige
+oogenblikken vrij om wat te rusten of te eten.--Twee dagen lang hadden
+we zoo doorgebracht; we waren door en door moede en langzamerhand
+begonnen we te vreezen, dat we ten leste het toch nog zouden moeten
+opgeven.--We hadden geen tijd om behoorlijk uit te zien of er ook een
+schip naderde, zoodat we opschrikten toen we een schot hoorden klinken.
+
+We keken op, en... o, vreugde, niet zoo heel ver van ons kwam een
+Oostindie-vaarder op ons af.--
+
+Nog altijd woei de vlag met de Halve maan van den
+achtersteven! Schielijk werd ze neergehaald en door allerlei teekenen
+gaven wij te kennen, dat wij geene zeeroovers waren. Men scheen ons
+maar half te gelooven, want vier welgewapende booten kwamen op ons
+af.--Met gejuich werden ze door ons begroet en met groot gejuich
+werden we door die mannen opgenomen.
+
+Wij waren gered; maar, o jongens, toen 'k eindelijk het dek van de
+Maria onder mijne voeten had, toen scheen er aan mijne vreugde geen
+einde te zullen komen.
+
+De Maria was een goed bezeild schip; de wind was voorbeeldeloos gunstig
+en toch gingen we naar onzen zin veel te langzaam. Eindelijk kwamen
+we echter toch waar we wezen moesten en den 14den van Wintermaand in
+'t jaar 1610 lagen we weer voor Rotterdam.
+
+Spoedig begaven we ons naar Den Briel. Wat zou mijne goede moeder
+blijde zijn als ze me weer zag!---Maar, eilacie, nog was ik niet in
+de stad toen 'k een droeve tijding vernam.--
+
+"Hei, hei!" hoorden we achter ons roepen.
+
+We keken om en zagen een breedgeschouderden knaap op ons
+afkomen. Marten meende hem te kennen, maar toch....
+
+"Waar kom jelui van daan?" vroeg de knaap toen hij ons genaderd was.
+
+"Heb ik het niet gedacht," riep Marten, "'t is ons "Kregel
+Mennonietje!"--
+
+"Ei, ei, wat ge goed raden kunt, en jij bent, he-- heee--die bruine
+is Marten en die halve zwarte is Huib! Heee!"--
+
+"En hoe gaat het in Den Briel?" vroeg ik.
+
+"Goed, goed, best, opperbest zelfs! Sinds een paar weken geef ik
+geregeld iederen dag een stuk of drie jongens op hun falie want,
+weet-je, 'k heb me laten doopen! Lekker, he? Kom nog eens aan mijn
+lijf als je durft!" [9]
+
+Wij stonden met groote oogen te kijken en Witte had er zooveel pret
+in, dat hij dadelijk zijn buis op den grond smeet en zei: "Wil-je,
+zeg, wil-je? Allebei te gelijk, kom maar op!"--
+
+"Neen, Witte, we willen niet vechten! Zeg ons maar hoe 't in Den
+Briel is!" zeide Marten.
+
+"o Goed, goed! 'K heb gisteren je moeder nog gezien, springlevend maar
+een weinig treurig.--Jou vader en moeder zijn dood, Huib! Je vader is
+hier in 't zeegat over boord geslagen en verdronken, en je moeder is
+vandaag voor eene week gestorven. Ze zeggen van verdriet! Maar zeg,
+wil-je nou niet ereis?"--
+
+"Wil-je nou niet ereis?" Wie zou nu lust in 't vechten hebben? Maar
+hij kon het wel zeggen om mij te plagen en daarom vraagde ik: "Maar
+zeg, Witte, is het waar?"--
+
+"Als je me niet gelooft dan begin ik dadelijk! Ik en ben geen
+leugenaar!" was het antwoord.
+
+Ik snelde naar de stad, kwam bij ons huisje en vernam daar van de
+buren wat er gebeurd was!--
+
+Ik keerde mij om en ging buiten de poort eens uitweenen!
+
+Die arme goede, goede, brave, lieve Moeder!
+
+Ik kwam niet in de stad terug; maar twee dagen later was ik weer te
+Rotterdam, waar ik mij op een Straatvaarder liet aanmonsteren.
+
+Een half jaar later dan ik kwam Marten aan boord van De Haai, een
+schoon schip waarover Pieter Pietersz. Hein Kapitein was.
+
+Marten was in goede handen!
+
+En ik?--
+
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+Bezuiden de Linie.
+
+Het was in den zomer van 1625 dat ik te Enkhuizen met een mooie som
+gelds in den zak door de straten liep wandelen. Vijftien jaren lang had
+ik op onderscheidene Straatvaarders als matroos dienst gedaan. Zonder
+nu nog slecht opgepast te hebben, had ik toch niemendal gedaan
+om mij boven anderen te onderscheiden. Ik bleef, die ik was. Als
+matroos zeilde ik uit, als matroos kwam ik terug, en als matroos
+liet ik mij telkens opnieuw aanmonsteren. Soms verdiende ik weinig,
+soms weer veel geld, maar onverschillig of het veel of weinig was wat
+ik aan den wal bracht, het was altijd veertien dagen later, soms al
+vroeger, schoon op en dan was er weer maar niets anders te doen dan
+als matroos dienst te nemen. Wat heb ik wel met dat zuurverdiende,
+kostelijke geld geleefd! Het rolde zoo maar mijn zakken uit; nu
+eens in een huis waar men toeback dronk, dan weer in de gelagkamer
+van eene matrozentaveerne en menigmaal ook in den zak van dat soort
+volk, dat den onbezorgden matroos den laatsten duit voor allerlei
+snorrepijperijen weet af te troggelen.
+
+Mijne laatste reize was eene uitmuntende geweest. De buidel was nog
+nooit ofte nimmer zoo goed voorzien geweest, en daarom besloot ik
+eens naar Amsterdam te gaan om daar,--och, wat helpt het al geef ik
+er een mooi kleurtje aan?--om daar mijn geld zoek te maken.
+
+Wat zou ik doen? Varen, loopen of rijden? Varen? Dank-je, dat was
+wat al te saai, daar en had ik geen lust in! Loopen? Eene lieve
+wandeling van Enkhuizen naar Amsterdam! Rijden? Wel ja, dat moest ik
+eens doen! Ik had het zeker in geen twintig jaren gedaan!--
+
+Dat was dus besloten! Ik zou rijden!--
+
+Toen ik goed en wel op weg was, had ik er wel spijt van en dacht ik
+aan het zeggen van een oud kameraad: "Liever met eene oude schuit op
+zee, dan met eenen nieuwen wagen op het land," maar, ik had gekozen en
+'k wilde nu niet als een echte flauwerd terug krabbelen.
+
+Half ziek van het hotsen en schudden kwam ik's avonds om tien uur
+te Amsterdam aan.--Er was weinig verkeer meer op straat, doch aan
+den IJkant hoorde ik uit eene kleine taveerne een vroolijk gelach
+klinken.-- Waar gelachen werd daar moest ik wezen, dat zou me wat
+opknappen. Ik trad de taveerne binnen en kon in het eerst bijna niets
+onderscheiden, zoo vol was het met toebacksrook. Eene kaars, die op
+eene toonbank stond, geleek veel op een maantje in 't laatste kwartier
+dat in den mist opkomt. Ik hield de handen voor de oogen en ontdekte
+eindelijk aan een tafeltje, waar nog zoo'n laatst-kwartier-maantje
+stond te walmen, een stuk of zes matrozen. Ik schikte bij en weldra
+moest de nieuweling een rondje bier geven. De pijpen werden nog eens
+aangestoken, en de pret begon opnieuw.
+
+Maar of het nu kwam door den rook, door het bier of door de
+vermoeienissen van de reis, ik en weet het niet, doch dat weet ik wel,
+dat ik op het laatst wat hoorde gonzen en babbelen; maar ik sliep
+eindelijk zoo vast, dat men wel een kanon aan mijne ooren had kunnen
+afschieten eer ik wakker was geworden.
+
+Hoe lang ik geslapen had weet ik niet; maar ik werd wakker toen de zon
+al lang aan den hemel stond, en niet in de gelagkamer van de taveerne,
+maar op een' steekwagen, die op straat onder eene poort stond.--Ik
+wreef mijne oogen eens uit, ging overeind zitten en trachtte mij te
+herinneren waar ik den vorigen avond geweest was. Zou ik soms...? Ik
+voelde naar mijnen buidel en ... hier niet, daar niet,--weg! In een
+oogenblik was ik van den steekwagen aan den IJkant! Maar inplaats
+van eene taveerne te vinden, zag ik er wel meer dan een dozijn en zij
+geleken allen op elkander als de eene droppel water op den anderen.--Ik
+ging ze binnen, doch werd overal ruw bejegend, ja, soms dreigde men
+mij met den Schout.-- Wat moest ik doen?--
+
+"Zoek-je een schip, kompeer?" vroeg mij een varensgezel.
+
+"Ja, hoe eer hoe liever!" gaf ik ten antwoord.
+
+"Ga dan maar mee," sprak hij.
+
+Ik volgde mijnen nieuwen makker en een half uur later was ik aan
+boord van de Drie Zusters, een flink oorlogsfregat.--
+
+De bemanning was voltallig. De kapitein kwam aan boord en ... bedrogen
+mij mijne oogen? Wie was dat? Nog zoo jong, lang, veel ouder geworden,
+maar....
+
+"Zeg eens, ouwentje," vroeg ik een mijner kameraads, "hoe heet de
+kapitein?"
+
+"De kapitein?" was het antwoord, "de kapitein? 'K zal dertigmaal eene
+reis om de wereld maken, als ik het weet! Ik ben hier ook pas! Zeg,
+jij daar met je bruine buis en je dunne spillebeenen, hoe heet de
+kapitein?"--
+
+De aangesprokene keerde zich even om en zei: "Wou je 't weten?"--
+
+"Ja, ik, ik wou het weten!" gaf 'k ten antwoord.
+
+"Welnu dan, hij heet Marten Harpertsz. Tromp."
+
+"Marten Harpertsz. Tromp uit Den Briel?" riep ik.
+
+"Je raadt het. Hij is de lieveling van onzen Onder-Ammiraal Pieter
+Pietersz. Hein. Hij heeft met hem twee malen bij de Spanjolen gevangen
+gezeten en ik geloof haast, dat de een niet buiten den ander kan!"--
+
+Het was of het dek van de Drie Gezusters een kogel geworden was
+met zeep besmeerd. Ik kon haast niet blijven staan en alles draaide
+voor mijne oogen in het rond. Dat Marten Harpertsz. Tromp! Dat mijn
+vroegere speelkameraad! Dat op de Turksche zeeroover mijn slaapmakker,
+mijn gelijke! En nu--hij kapitein en ik--matroos!--O, die Zwijn, die
+Zwijn!--Hij was de schuld van alles! Ware die niet aan boord van De
+Bare geweest, dan, dan ...
+
+Maar daar kwam die oude Brielsche schoolmeester weer in mijne gedachten
+en het was of 'k hem nog hoorde zeggen: "Kwikkwik, janslik demp mijn
+oor is peperpit" of hoe dat Latijnsche spreekwoord heeten mag, maar dat
+zooveel moest beteekenen als: "De tijd die voorbijging is verloren!"
+
+We waren al veertien dagen in volle zee en hoe slim ik het ook
+menigmaal aangelegd had om Marten eens aan te spreken, het was mij
+niet gelukt.
+
+Zoo peinzende op een nieuw middel liep ik 's morgens op den vijftienden
+dag doelloos van stuurboord naar bakboord en keek maar gestadig op
+het dek.
+
+"Zoek-je wat, matroos?" klonk op eens eene stem naast mij.
+
+Het was die van Marten.
+
+"Neen, kapitein, maar, maar ..."
+
+"Nu, wat is het? Heb je wat te vragen?"--
+
+"Ja, kapitein, maar, maar ik durf haast niet!"
+
+"Ben-je behekst, kerel? Ik ben toch geen haai! Vraag op, wat is het?"--
+
+Ik beefde van, ja, ik weet niet waarvan, maar ik kon mijzelven haast
+niet verstaan toen ik vroeg: "Kent u mij niet, kapitein?"--
+
+Marten bekeek me nauwkeurig en zei: "Ja, jawel, je bent,--je bent
+... neen, ik ken je toch niet!"
+
+Ik lachte als een kind dat slaag krijgt en dat lacht, omdat het anders
+nog meer krijgt.--
+
+"Nu, wie ben-je dan?" vroeg Marten.
+
+"Huib Maerlant!" stotterde ik.--
+
+Tromp sprong wel drie schreden achteruit, doch kwam spoedig naar mij
+toe en zei: "Huib, Huib, wie had dat gedacht toen we op den Burgheuvel
+te Oostvoorne zeegevechtje speelden, toen we te zamen voeren en--te
+zamen zweepslagen ontvingen! Je bent niet gelukkig geweest, Huib!"--
+
+Ik meende te zeggen: "Zoo gelukkig niet als jij, Marten!" maar ik
+bedacht mij gelukkig intijds en sprak zuchtende: "Neen, kapitein,
+daar ontbreekt veel aan!"
+
+"Ook niet zoo gelukkig, als ik!" sprak Tromp. "Maar jongen, om het
+zoo ver te brengen heb ik heel wat moeten doen en heel wat moeten
+doorstaan! Maar, herinner je dien jongen schipper nog, die eerst aan
+boord van De Bare was?"
+
+"Jawel, kapitein! U bedoelt dien Pieter Pietersz. Hein?"
+
+"Juist! Nu, ik ben gelukkig in zijne handen gevallen. Hij heeft mij
+gemaakt, die ik ben; aan hem heb ik alles te danken. Hij is nu onze
+Onder-Ammiraal!"
+
+"Ik weet het kapitein! Maar weet u ook wat er van het "Kregel
+Mennonietje" geworden is?"--
+
+"Die volgt mij op den voet, Huib! Hij is nu al luitenant aan boord van
+Boudewijn Hendriksz. den Ammiraal.-- Als Witte zoo voortgaat dan ..."
+
+"o, Kapitein, toen ik als knaap afscheid van hem nam, zei hij: "Als ik
+zeeman word dan moet ik ook Ammiraal worden!" Dat zei hij en ... God,
+God, gij allen gaat mij vooruit en ik, ik blijf, die ik ben, een arm,
+arm matroos!"
+
+Ik barstte in tranen uit.--
+
+"Wat niet is kan nog worden, Huib! Moed gehouden! Later spreek ik u
+nog wel eens!"--
+
+Tromp verwijderde zich; maar ik fluisterde: "Te laat! Verloren tijd
+keert nimmer weer!"--
+
+Op de hoogte der Vlaamsche eilanden werden al de schepen
+vereenigd. Hadden we, zooals het plan was, ons met den Ammiraal kunnen
+vereenigen, dan hadden we eene schoone macht uitgemaakt, doch dit plan
+werd verijdeld en met negen oorlogsschepen en vijf jachten zett'en wij
+koers naar Amerika om de Spaansche Zilvervloot te onderscheppen. Ook
+deze toeleg mislukte en thans besloot onze bevelhebber Piet Hein naar
+Brazilie te stevenen en aldaar de Spaausche vloot op te zoeken.--Dit
+was niet moeielijk; want weldra vonden wij haar in de Allerheiligen
+baai, maar goed en wel gedekt door het geschut der stad.--
+
+Toen Tromp van den krijgsraad terugkwam, werden wij allen bij elkander
+geroepen, en toen dit geschied was, sprak hij:
+
+"Mannen, onze Onder-Ammiraal wil een stout stuk bestaan waarvan,
+als het ons gelukt, de wereld gewagen zal.--Er is roem, eer en lof
+te behalen. Gij allen weet hoe vreeselijk fel onze Opperbevelhebber
+op den Spanjool gebeten is. Werd hij niet eenmaal door den Spanjool
+gevangen genomen en gegeeseld? Heeft hij in de West-Indien niet
+andermaal onder hen eene harde krijgsgevangenschap moeten verduren,
+en is hij daar niet twee volle jaren lang als een hond behandeld
+geworden?--Maar wat spreken wij van hem? Hebben wij niet allen een
+vader, grootvader, broeder of vriend op hen te wreken? Komt aan,
+toont dan den Braziliaan en den Spanjool wat ge durft en wat ge kunt!
+
+Hoort, daar klinkt het eerste kanonschot! Piet Hein is de voorste en
+gaat op den vijand in! Wat zullen wij doen, hem volgen of...."
+
+"Volgen, volgen, volgen!" klonk het van alle zijden.
+
+Tromp wuifde zijn hoed en riep: "Leve de West-Indische Compagnie! Leven
+de Vereenigde Nederlanden!"--
+
+Wij allen herhaalden die woorden, en daar ging het. De Gelderland
+en de Holland waren den Ammiraal spoedig op zijde, doch wij met nog
+vijf andere schepen vervielen onder den wind en konden niet volgen,
+zoodat die drie schepen den hond zijn kluif moesten ontnemen. En,
+heer, heer, wat ging het er langs. Piet Hein schoot, als of hij
+alleen alles wilde vernielen en toen wij eindelijk ook op zijde waren,
+begonnen de poppen eerst recht te dansen.
+
+De Spanjaarden riepen genade!
+
+Maar, jawel, wij hoorden er geen van allen wat van, dat wil zeggen,
+wij waren Engelsch doof en wilden niet hooren!--
+
+Daar werd van het Ammiraalsschip eene boot neergelaten!
+
+"De booten uit! De booten uit!" beval Tromp.
+
+En nu ging het er zoo op los.
+
+Als katten klauterden wij daar tegen die renzenschepen op en de
+Spanjolen waren zoo verslagen en stonden zoo versuft te kijken, dat
+we dit durfden doen, dat ze een - twee - drie rechtsomkeert maakten
+en over boord sprongen om hun leven te redden.
+
+Ja, 't hielp wat of ze ook uit de stad schoten, we gaven er zoo goed
+als niemendal om, en die luiden moesten het zoo maar aanzien, dat we
+twee en twintig schepen vlak voor hunnen neus weghaalden.
+
+Maar op het onverwachts bleef het Ammiraalsschip vast zitten en weldra
+volgde de Gelderland dat leelijke voorbeeld.
+
+Welke moeite er ook gedaan werd, alleen de Gelderland kwam los en
+het Ammiraalsschip bleef zitten als een muur, niettegenstaande wij
+alle pogingen in het werk stelden om het vlot te krijgen.
+
+Piet Hein kwam thans bij ons aan boord en het was eene liefhebberij
+om te zien hoe hij Tromp behandelde.
+
+Om de waarheid te zeggen, ik had liever gezien, dat hij maar aan
+boord van een ander schip gegaan was; want ik verkeerde maar in
+de meening, dat hij mij ontdekken en herkennen zou. Ik bleef hem
+zooveel mogelijk uit zijn vaarwater en ik zorgde ook wel dat ik hem
+niet voor den boeg kwam. Was hij met Tromp in gesprek dan dacht ik:
+"Wie weet of ze 't nu niet over mij hebben!" --
+
+Gelukkig was ik voor niemendal bevreesd geweest, en als ik maar een
+gerust geweten gehad had, dan zou ik begrepen moeten hebben, dat een
+Ammiraal zich zelden met matrozen ophoudt.
+
+Intusschen ging 'k dien avond vroeg ter kooi en bekommerde mij al heel
+weinig om het schieten uit de stad op het nog vastliggend schip. Den
+anderen dag gingen wij er nog eens heen om weer andere middelen
+in het werk te stellen teneinde het vaartuig vlot te krijgen. --
+'T geleek veel op een zeef en Piet Hein zei: "Bij mijne trouw, het
+schijnt dat de Spanjool zich gisteren avond in het schijfschieten
+heeft geoefend! Bah! kwajongens werk!"--
+
+Na meer dan een uur lang onder het vuur des vijands alles gedaan te
+hebben wat we maar konden verzinnen, zonder ook maar een duimbreed
+te vorderen, gaf Piet Hein bevel alles uit het schip te halen wat er
+maar uit te halen was. Het geschut werd vernageld en vervolgens kregen
+we in last om op vier plaatsen den brand er in te jagen.--Juist toen
+ik hiermede bezig was hoorde ik eenen hevigen slag. Ik stormde naar
+het dek en zag de zee bedekt met de overblijfselen van het schip De
+Oranjeboom, dat, of door eigen vuur, of door dat van den vijand in
+brand geraakt was. Meer dan veertig man kwam bij deze gelegenheid
+op eene ellendige wijze om het leven. Slechts veertien van de zestig
+manschappen werden nog half levend, doch met verminkte ledematen uit
+het water gehaald.
+
+Eindelijk scheen de Ammiraal over den behaalden buit tevreden te zijn
+en den vijand genoeg naar zijnen zin getuchtigd te hebben. Hij gaf
+bevel om af te houden en den koers naar het Vaderland te richten.
+
+Zoodra dit geschied was zeide Piet Hein: "Tromp, waar is je barbier
+of houdt je er zoo'n meubel niet op na?"
+
+"Zeker, zeker," sprak Tromp, "maar ... maar ..."
+
+"Je kijkt zoo naar mijn baard, Tromp, neen, ik moet niet geschoren
+worden; hij moet mij wat verbinden!"
+
+"Verbinden?" vroeg Tromp en zijne oogen werden zoo groot als twee
+rijstbeschuiten, "verbinden? U is toch niet gewond?"
+
+"Och, 't is de moeite niet waard er veel water over vuil te maken. Ik
+kreeg een splinter in het been en een musketkogel aan den linkerarm,
+meer niet! Nu, nu, doe maar niet zoo raar, ik zal er niet van dood
+gaan!"
+
+Ik had dat gesprek ongemerkt afgeluisterd en spoedde mij heen om den
+barbier te halen.
+
+Deze kwam weldra en een uurtje later wandelde de dappere en kordate
+man heel bedaard over het dek.
+
+Nu had ik altijd een ekel aan hem gehad, omdat hij mij, toen hij
+nog schipper was, gestadig zoo ongezouten de waarheid had gezegd,
+maar dat veranderde nu in een oogenblik. "Sapperloot," dacht ik,
+"dat is een man!" en nauwelijks had ik dat gedacht of, iemand tikte
+mij op de schouders.
+
+"Wel, Huib, ben je er nu al zeker van of die vermaarde en excellente
+poeet Jakob Van Maerlant van je maagschap is?"--
+
+Ik groette beleefd en lachte.
+
+"Nu ja, maar alle gekheid terzijde, waarom ben je niet ten oorlog
+blijven varen, ge zoudt het licht zoo ver hebben kunnen brengen als
+... als ... Tromp.--Heb je in dien tijd braaf wat geleerd?"--
+
+Ik kreeg weer een ekel aan hem, was dat nu vragen! Tromp lachte mij
+toe, alsof hij zeggen wou: "Maak van de gelegenheid gebruik, wees
+vriendelijk en bescheiden! Piet Hein is nu Ammiraal, wie weet wat hij
+nog van je maken kan!"--Maar, neen, dat wilde ik niet, ik wilde niet
+vriendelijk en bescheiden zijn en om maar te maken dat ik gauw van hem
+afkwam, zei ik: "Ik en ken niemendal, geen letter, dat weet u wel!"--
+
+Tromp fronste de wenkbrauwen en zonder nog een woord te spreken,
+draaide Piet Hein mij den rug toe.--Na dien tijd ben ik Tromp ook als
+trouw vriend kwijt geraakt. Toen meende ik mij tegenover dien grooten
+geluksvogel van Delfshaven al eens heel kordaat gehouden te hebben;
+maar ik heb mij later wat beklaagd! Vooral toen ik in 1641 met den
+Ammiraal Gijsels naar Portugal vertrok. Een kapitein Franse Jacobzen
+Touw werd toen benoemd tot lid van den krijgsraad, maar moest voor die
+eer bedanken, omdat ... hij niet lezen of schrijven kon. Toen gingen
+mijne oogen eerst goed open en ik dacht: kon Touw kapitein worden, dan
+hadden ze het mij nog beter kunnen maken; want ik kan in alle gevallen
+toch iets van de lees-en schrijfkonst!--Maar 't was te laat!"--
+
+Hier hield Maerlant even op en toen Jonge Kees vroeg: "Nu Huib,
+wat volgde nu?" antwoordde hij: "Wij kwamen behouden in 't Vaderland
+aan! Maar laat mij eene wijle rusten; er zit eene haai in mijn keel,
+ik en kan niet meer spreken!"--
+
+De waarheid was dat Huib te erg aangedaan was en nu meer dan vroeger
+misschien dacht aan de spreuk van den Brielschen schoolmeester:
+De tijd, die voorbijging is verloren!"
+
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+Toegejuicht en beweend.
+
+Reeds twee jaren lang had ik op een der oorlogsschepen van de
+West-Indische Compagnie gevaren en er was geene sprake geweest van
+verhooging in rang. Vermoedelijk had Tromp liet zoo bewerkt dat ik op
+een ander schip dan het zijne geplaatst werd, maar ik weet het niet
+recht. Men zeide dat er aan boord van de Witte Leeuw kapitein Jan
+Jansz. van Hoorn gebrek aan bevaren matrozen was, en daar men mij toch
+in alle gevallen de eer gunde tot de bevaren matrozen te behooren,
+zoo werd ik overgeplaatst. Ik had er geen spijt af. Kapitein Jan
+Jansz. was een abel en dapper man en bij het volk zeer gezien.--
+
+"Mannen," zei hij op zekeren mooien Meidag van het jaar 1628,
+"mannen, de West-Indische Compagnie heeft geld noodig en daar wij,
+lacie, bij ons te lande geen zilver of goud kunnen vinden, zoo is
+er besloten geworden den Spanjool eens aan den pols te voelen. Dat
+Amerika levert ieder jaar onzen vijand goud en zilver in overvloed en
+dat wordt overgebracht met eene vloot, die door de Spanjaarden zelven
+de Zilvervloot genoemd wordt!--Dat vosje gaan we vangen, maar ik zegge
+u, dat geen uwer het hart in zijn lijf moet hebben aan het plunderen
+te slaan; want zoo waar ik kapitein Jan Jansz. ben, ik zal ieder, die
+dat durft te doen als deugniet ergens aan wal laten zetten.--De kat
+komt een graatje toe, zegt het spreekwoord en ik en zeg niet dat dit
+logen is; maar zij die dat zeggen nemen gewoonlijk de visch voor zich
+en gunnen de graat een ander! En nu, handen aan het werk! Vooruit!"
+
+Wij voegden ons bij de vloot, die een en dertig schepen telde en onder
+bevel van Piet Hein stond. Aanvankelijk hadden we geen tegenspoed,
+doch toen we dicht bij Amerika kwamen hadden we zooveel met tegenwind
+te kampen, dat iedereen dacht: "Nu zal de buit ons toch ontgaan!"
+
+Wij waren al in de nabijheid van liet eiland Cuba en wel in de baai
+van Matanza bij Havana gekomen, toen we eensklaps de ontdekking deden,
+dat de prachtige vogeltjes daar in de kevie zaten. Zoo handig als de
+gouverneur van Havana dit doen kon, zond hij een schip uit om den
+bevelhebber der Zilvervloot te zeggen: "Den g'ndag van mijn baas,
+en hij laat je weten, dat je de vogeltjes niet moet laten vliegen;
+want de kat loopt te tafelschuimen!"
+
+Maar wij waren dat meneertje te vlug af en spoedig was het: "Kip,
+ik heb-je! We zullen zelf de boodschap wel doen!"
+
+De bevelhebber der Zilvervloot nu, denkende dat er geen vuiltje aan
+de lucht was, zeilde uit en kwam midden in den nacht tusscheu onze
+schepen in. Hij meende echter dat wij ook Spanjolen waren en toen het
+dag was geworden, en hij zijne leelijke vergissing zag, was het te
+laat om zich nog voor eene flinke kloppartij gereed te maken, zoodat er
+niets anders op zat, dan zich als een weerlooze te laten doodschieten,
+of zich over te geven. De man lustte echter te graag zijn fleschken
+Malaga om zich zoo maar te laten vermoorden, en daarom besloot hij,
+op voorwaarde van lijfsbehoud, zich met het geheele boeltje, zooals
+het reilde en zeilde, aan de Hollanders over te geven.
+
+Dat was eene schoone vangst en dat zonder slag of stoot! 'T was
+haast niet om te gelooven. Geen wonder dat het volk, toen wij in het
+Vaderland weergekeerd waren, Hein als het ware, op de handen droeg. Elf
+millioen guldens was ook geene kleinigheid! En wij? Nu, we deelden
+mee in den lof, die onzen Ammiraal toegezwaaid werd, maar voor het
+overige viel er niet veel te verdienen. Als wij niet ietewat voor ons
+zelven gezorgd hadden, dan zouden we van het vischje nog minder dan
+het graatje gekregen hebben. Piet Hein werd tot Luitenant-Ammiraal van
+Holland benoemd en de heeren van de West-Indische Compagnie deelden
+vijftig percent winst uit.
+
+Zoo er echter een naar verdienste beloond werd, dan was het onze
+Ammiraal, en meer dan jammer was het, dat hij van zijne hooge
+waardigheid zoo weinig pleizier zou hebben. Weet-je waarom? Luister
+maar!
+
+Die van Duinkerken hebben altijd vele noten op hunnen zang gehad
+en toch zingen ze leelijk; maar in dien tijd hadden ze nog veel te
+vertellen. Ze zaten maar op den loer of er ook rijkgeladen koopvaarders
+door Het Kanaal kwamen en, wee het schip, dat geene mooie dubbele rij
+holle ijzeren tanden kon laten zien; want om een paar kiezen en eenige
+melktandjes gaven ze net zooveel, als een boer om eene rotte kool.
+
+Om deze luidjes nu eens wat tot rede en plicht te brengen, werd Piet
+Hein het volgende jaar met eenige schepen uitgezonden. Zijn eerste
+werk was de haven der stad zoo netjes in te sluiten, dat er geen schip
+in of uit kon. Drie der roofschepen waren echter bijna nog ontsnapt,
+maar de wakkere Ammiraal liet zich nu maar niet zoo bedotten. Hij
+zette hen achterna en begon een scherp gevecht. Marten was er ook
+weer bij en op het oogenblik, dat deze een bevel ontving, zag hij
+den bevelhebber aan zijne zijde wankelen en neervallen.
+
+Geen woord kwam er meer over zijne lippen; de man was ineens dood. Een
+stuk schroot uit grof geschut had een einde gemaakt aan het leven
+van eenen man, dien de Vereenigde Provincien zoo zeer noodig hadden.
+
+Met groote droefheid werd de tijding van zijnen dood in Holland
+ontvangen, en veertien dagen later werd het overschot van den moedigen
+man, onder eenen grooten toeloop van nieuwsgierigen, te Delft in de
+Oude kerk begraven.
+
+Met Piet Hein verloor Marten ook zijnen grootsten beschermer en
+machtigsten voorspraak. Hij bleef nog eenigen tijd, als kapitein,
+aan boord van de Groene Draak, doch werd toen van zijne betrekking
+ontslagen. Waarom dit geschiedde weet ik niet recht.
+
+Geen wonder dat Marten zich thans geheel aan den zeedienst onttrok
+en rustig aan den wal ging leven.--
+
+De oorlogszaken ter zee gingen echter weldra verkeerd en eindelijk
+werd er besloten, dat men een wakker zeeman, een moedig en beleidvol
+kapitein zoeken moest, om dezen aan het hoofd der vloot te plaatsen
+en aan den slechten toestand, waarin zij verkeerde, een einde te
+maken. Lang zocht men nu eens hier en dan eens daar, doch men kon maar
+tot geene keus komen, totdat de oogen van Stadhouder Frederik Hendrik,
+zaliger, op onzen Tromp vielen.
+
+Dit geschiedde in 't jaar '37.
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII
+
+Bij Duins.
+
+Na het sneuvelen van Piet Hein had ik den dienst ter zee voor
+de West-Indische Compagnie verlaten, en maakte even als vroeger,
+weer tochten met de Straatvaarders. Langzamerhand begon echter de
+walvischvangst minder voordeelen af te werpen, en daarom besloot ik
+andermaal weer in dienst van den Lande te gaan. Ik deed dit vooral
+omdat ik in 's Lands dienst nu elf gulden per maand verdienen kon en
+... omdat ik naar afwisseling verlangde. En afwisseling zou er komen,
+dat stond zoo vast als eene belboei aan eenen hardsteen. Allerlei
+geruchten deden de ronde in het land. Nu eens was het: "Spanje
+rust eene sterke vloot uit om de Oostenrijkers en enkele Duitsche
+staten tegen de Zweden te helpen!" Dan weer was het: "Mis mannetje,
+misgeschoten, er wordt eene landing in ons land voorbereid!" Eindelijk
+kwam een derde en die vertelde, dat geen van ons allen van toeten noch
+blazen wist, want dat "de Landvoogd in de Spaansche Nederlanden,"--ik
+meen dat het toen de kardinaal Infant Ferdinand was,--aan den koning
+van Spanje om hulp had gevraagd en dat die vloot te Duinkerken zou
+binnenloopen.
+
+De vloot, die dan afgezonden was om in Duitschland, in ons Land,
+of te Duinkerken de poppen aan het dansen te krijgen, was wel zeven
+en zestig zeilen sterk. Zelfs waren er vier galjoenen bij, die van
+vier en vijftig tot acht en zestig kanonnen aan boord hadden.--Ze had
+bovendien tienduizend man landingstroepen aan boord en even zooveel
+zeesoldaten. De Ammiraal van die vloot was Don Antonio D' Oquendo,
+die in dien tijd voor een heelen bol doorging. Maar eer die vloot
+in Het Kanaal kwam, had Tromp nog een ander appeltje te schillen met
+de Duinkerkers. Die lui waren met den dag brutaler geworden. In zes
+jaren tijds hadden ze van die van Maassluis alleen ruim tweehonderd
+haringbuizen genomen, die te samen zoo ongeveer een millioen guldens
+waarde hadden. Men zegt zelfs, dat een Duinkerker door zeeroof zoo
+rijk geworden was, dat hij den Koning van Spanje twaalf oorlogsschepen
+aanbood, als deze hem eene ridderorde wilde schenken.
+
+Nu was Tromp van plan de haven in te sluiten, maar eer wij er waren
+hadden reeds twintig schepen het ruime sop gekozen. Onze heele macht
+bestond uit twaalf scheepjes, doch de Ammiraal was de man niet om
+het nu op een loopen te zetten, en daarom pakte hij ze maar dadelijk
+aan, en hij deed dit zoo knap, dat de vijand na twee schepen en
+zestienhonderd man verloren te hebben, het hazepad koos. En, het mag
+gezegd worden, zijn de Duinkerkers en Spanjolen knap in het stelen,
+ze zijn ook knap in het aan den haal gaan.--
+
+Toen we van dien vijand zoo netjes afgekomen waren, was er wat te
+doen in ons Landje, en de Heeren Staten waren er zoo mede in hunnen
+schik, dat ze Tromp eene prachtige gouden keten gaven. De Koning van
+Frankrijk vereerde hem met de orde van Sint-Michiel.
+
+Ondertusschen bleven wij in Het Kanaal kruisen, verlangend naar het
+oogenblik, dat we de vloot, waarover al zooveel geschreven en gezegd
+was, eens onder de oogen konden zien.
+
+De vijandelijke schepen waren vast grooter van bouw dan de onze,
+maar wat gaven wij daar om?
+
+"Grooter," riep er een, "ei wat, grooter! 'T zit 'm in de grootte
+niet! Als een olifant eene kat vervolgt, en poesje kruipt door de
+tralies van 't keldergat, dan staat meneer de olifant op zijne lange
+slurf te kijken, als Jut voor het landhek!"
+
+De vijandelijke vloot telde ook meer schepen dan de onze! Maar wat
+gaven wij daar om?
+
+"Meer schepen," riep een tweede, "meer schepen, wat zou dat? 'T zit
+'m niet in zoo 'n menigte schepen! Een vliegje maakt het twintig
+paarden op een' dag lastig!"--
+
+De vijandelijke vloot telde meer kanonnen en meer manschappen! Maar
+wat gaven wij daar om?
+
+"Meer kanonnen en meer zeevolk," riep een derde, "wat zou dat? Twintig
+haviken pikken naar eene zwaluw en zij krijgen haar toch niet; want
+het beestje is die lui te glad af!"--
+
+De vijand had een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal! Maar
+wat gaven wij daar om?
+
+"Een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal," riep een vierde,
+"wat zou dat? Wij hebben Tromp, De With en Banckers! Tellen die
+drie niet voor honderd Spaansche Dons met namen van 'k weet niet hoe
+lang wel?"---
+
+Zoo kon men nu eens dit en dan eens dat hooren; maar niet een was er,
+die den kop moedeloos hangen liet en voor Jan Bang speelde.
+
+Eindelijk kregen we den vijftienden van Herfstmaand de vijandelijke
+schepen in het gezicht. Het was een prachtig schouwspel, vooral daar
+ze den wind vlak voor het lapje hadden.--
+
+Tromp zond dadelijk een der kleinste vaartuigen uit om De With, die
+op de hoogte van De Cingels kruiste en Banckers, die de haven van
+Duinkerken ingesloten hield te gaan waarschuwen.--Om de zijnen te
+laten weten waar ergens hij zich bevond, liet onze Ammiraal om het
+half uur seinschoten doen, en vast moet Witte die gehoord hebben,
+want hij was met zijne vijf schepen al op weg om Tromp op te zoeken
+toen hij de tijding kreeg, dat de Spanjaard in het gezicht was. Toch
+verliep er nog een geheele dag eer hij zich met ons vereenigen kon,
+want hij had den wind vlak tegen.
+
+Ik, die weer aan boord van Tromp diende, maar door hem niet herkend,
+of mogelijk niet gezien was, stond onbewegelijk op de boot te kijken,
+die van Witte's schip neergelaten werd. 'T spreekt van zelf, dat hij
+bij Tromp moest komen, omdat hij als Vice-Ammiraal onder hem stond.--
+
+De boot lei aan den valreep, doch door onvoorzichtigheid van een der
+roeiers sloeg ze alweer terug, en daar had je het lieve leven gaande.
+
+Razen, vloeken, schelden, tieren, anders hoorde men niet. De roeier
+kreeg, zooals mijn neef uit Sommersdijk zeggen zou, een boterham
+van belang.
+
+Toen hoorde ik geschop, gestommel en getrap en eindelijk, daar
+stond hij in levenden lijve! Wat was dat "Kregel Mennonietje"
+veranderd! Zijne oogen draaiden onder zijne donkere wenkbrauwen
+als kooltjes vuur in het rond, en dikke plooien liepen van zijnen
+neus naar zijn hoog en breed voorhoofd. Alles was beweging aan hem;
+hij stond geen oogenblik stil en hij keek naar de Spaansche vloot,
+alsof hij die geheel alleen zoo maar op de vlucht kijken kon.
+
+"Daer ei-je noe dat vloekbeest van 'n veint!" zei een Zeeuwsch matroos
+achter me tot zijn kameraad, die ook uit Zeeland was, en per ongeluk
+op de Hollandsche schepen dienst deed.
+
+"Wat eit ie alevel 'n zuur gezicht! Ie liekt veel op vaoders wacht'ond
+Turk! Nee, mer oor is, ik zou ik ok liever z'n biebel weze as z'n
+matroos, 'oore! En jie Uub?"--
+
+Met dat "Uub" bedoelde hij mij, maar ik was te veel in gedachten om
+met die twee Zeeuwsche mannen te gaan praten en daarom zei ik maar:
+"'K en weet niet!"--
+
+Ik kon mijne oogen niet van Tromp en Witte afhouden! Een goede dertig
+jaren geleden waren die twee mijne speelkameraads! En hier waren we
+weer alle drie. Een Luitenant-Ammiraal, een Vice-Ammiraal en ... een
+matroos!--Als ik kapitein ben dan wordt ge mijn pluimgraaf, had ik tot
+Witte gezegd, toen hij nog "Kregel Mennonietje" was. En nu ... Jonge
+Kees, ik heb me toen een klap in mijn gezicht gegeven van nijd,
+en 't was me, of 'k alweer dien Brielschen schoolmeester met zijn
+"Kwikkwik" voor me zag staan!
+
+Hoe lang ik daar had staan droomen, dat en weet ik niet; maar eensklaps
+werd ik wakker en ik hoorde Tromp zeggen:
+
+"Dus De With! je denkt dat...."
+
+"Ik denk niet, ik zeg dat wij die lui daar aanpakken moeten Zeventien
+Hollandsche jongens kunnen het wel een paar dagen tegen die vijgeneters
+uithouden, durf ik zeggen! Er zal wel versterking komen uit Holland en
+Zeeland. Laat mij maar voorop gaan! Ik zal die Spaansche langslapers
+een deuntje voortrommelen, dat ze een paar ooren opzetten zoo lang
+als die van hunne ezels!
+
+"Bang,--bah, wie bang is moet op schildwacht!"--
+
+"Goed, sprak Tromp, maar bleef heel bedaard, "goed, we zullen den
+vijand te lijf gaan! Bottelier, breng wijn! We zullen op den goeden
+uitslag klinken en drinken!"--
+
+"En als de wijn op is, dan halen we wat bij den Spanjool," riep Witte
+en dronk in eenen zijnen beker ledig.
+
+Het was of de Spanjaard geroken had wat er bij ons aan boord besloten
+was; want de vloot stelde zich in beweging en kwam recht op ons
+af. Don D'Oquendo was voorop!
+
+Eer de vijand nog een schot gedaan had, was Witte al aan den gang. Hij
+liet zijne kogels vliegen als een bakker, die op Sint Silvester
+pepernoten te grabbelen gooit. Maar wij deden voor hem niet onder,
+dat verzeker ik je. 'T ging er aardig langs en het duurde niet lang
+of de vijand bedankte er voor den strijd langer voort te zetten,
+en liep met klein zeil om de noord naar den hoek van De Cingels. Den
+volgenden dag werden we door stilte en mist genoodzaakt stilletjes
+te blijven liggen, doch tegen elf uren in den nacht, toen de mist
+optrok, gaf Tromp bevel om het spelletje van den vorigen dag nog eens
+te beginnen. Om een uur begonnen we en eerst des morgens te tien uren
+hielden we op. Zoo vechtende waren we met den vijand naar De Hoofden
+afgedreven en hadden we al eens een enkel oogenblik eene harde noot
+te kraken gehad, niemand dacht er aan, dat we het wel eens konden
+verliezen, en vooral dachten we dat niet meer, toen de Commandeur
+Banckers onze kleine vloot met twaalf schepen kwam versterken.--De
+Spanjaard had ondertusschen de wijk genomen naar Duins en meende
+zeker, dat we 't wel niet in het hoofd zouden krijgen hem daar aan
+te pakken. En jawel, net waren we van plan den vijand al weer aan te
+vallen, toen meneer John Pennington bij ons aan boord kwam en in zijn
+Koeterwaalsch zei: "Tromp, je hebt de groetenissen van Koning Karel
+van Engeland, en hij laat je weten, dat je, als je met den Spanjaard
+aan het bakkeleien en plukharen wilt gaan, dat dan maar op een ander
+plaatsje doen moet; want de Koning wil geen vreemde pottekijkers in
+zijn keuken hebben! Begrepen?"--
+
+Hier werd Huib door een der matrozen in de rede gevallen, die zei:
+"Zeg, Huibje, je verstaat geen Engelsch, hoe weet je dat die Pennington
+dat gezegd heeft?"--
+
+"Och, loop," hernam Huib, "dat kon ik wel raden; want van vechten
+kwam er dien dag niemendal. Dat speet ons wat, dat kunt ge begrijpen;
+want we hadden er pret in gekregen. We hadden ons hart opgehaald
+"als Keuningen"!-- Ondertusschen begon het bij ons een mooi gezicht te
+worden; want met iederen dag werd onze vloot versterkt. Daar was leven
+in ons Land gekomen, en een leven, daar je geen begrip van hebt!"--
+
+"Tuit, tuit, niet zoo haastig, kompeer," sprak thans dezelfde
+matroos. "Ik kan me dat best voorstellen, want ik heb Witsen's
+Scheepsbouw en Bestier, gelezen en daarin stond: De kaden, havens en
+scheepstimmerwerven van Holland en Zeeland woelden en grimmelden van
+nieuwe toerustingen te water en te land. Het scheen niet dat men van
+alle kanten schepen timmerde, maar of ze van zelve groeiden. Men zag
+geen opbod van Matrozen, maar hen van zelven in de schepen vallen!"--
+
+"Ja," hervatte Huib, "gelezen is niemendal, je moet het gezien hebben,
+zooals ik het gezien heb. Met De With werd ik naar 't Vaderland
+gezonden om de gekwetsten en den behaalden buil over te brengen
+en om versterking te vragen. Toen heb ik het met mijne eigen oogen
+gezien, dat er te Rotterdam op een dag meer dan honderd matrozen zich
+aanmeldden. Het scheen wel, dat daar bij Duins suiker met potlepels
+en goud met emmers te scheppen was. Waar je kwam, ging of stond, daar
+hoorde je niets dan van Tromp, De With, Banckers, Evertsen, Duins,
+Engeland en Spanje praten. Jongens, ik ben blij, dat ik dien tijd
+beleefd heb! Wat gaf ik er toen om, dat ik maar matroos was! "Alles
+voor mijn Land en voor onzen Ammiraal!" dacht ik en duizenden dachten
+als ik.
+
+Ondertusschen lagen we reeds eene maand voor Duins. Onze vloot
+was reeds tot negentig schepen aangegroeid en iedereen brandde van
+verlangen, om toch weer eens van leer te trekken; maar hierin werden we
+iederen dag teleurgesteld. De Engelschen wilden niet hebben, dat we op
+hunne reede aan het vechten zouden gaan, en reeds was men begonnen ons
+te dreigen, dat ze den Spanjaard helpen zouden, en uit Holland, waar
+men ook bevreesd was, aan te tasten, omdat men vreesde met Engeland
+in onmin te komen, kwamen ook iederen dag allerlei boodschappen.
+
+"Welnu," zei Tromp, "dat de Spanjaard dan in de open zee kome, daar
+vecht ik ook liever!"--
+
+Meneer Pennington bracht die boodschap naar zijnen vriend D'Oquendo,
+doch kwam al heel gauw terug en zei: "De groeten van Don Antonio en
+hij laat je weten, dat hij niet kan uitzeilen, omdat hij gebrek heeft
+aan masten en stengen, die hij te Dover heeft laten liggen!"--
+
+"Als 't anders niet is, dan zullen we dat varkentje wel wasschen,"
+sprak Tromp. "Ik zal ze laten halen!"--
+
+Terstond werden eenige schepen naar Dover afgezonden, en de Spanjaard
+had zijn wensch; maar toch kwam hij niet.
+
+Daar kwam Pennington alweer en zei: "Hoor eens, Tromp, onze goede
+vriend zou wel eens even met je aan den slag willen gaan; maar de
+man heeft geen buskruit!"
+
+"Dat 's niemendal," luidde weer Tromps antwoord, "ik zal hem eenige
+duizenden ponden verschaffen!"--
+
+Ook hieraan werd terstond gevolg gegeven, maar.... de Spanjaard bleef
+waar hij was.
+
+Eindelijk kwam er bericht van Hunne Hoogmogenden, dat men nu terwille
+van Engeland genoeg gesammeld had, en dat er een einde aan komen
+moest. Tromp mocht gerust den Spanjaard aanvallen, onverschillig waar
+hij hem vond.
+
+In den nacht tusschen den twintigsten en eenentwintigsten van Wijnmaand
+liep de wind naar het noordwesten en was dus bijzonder in ons voordeel
+om den vijand van de reede te verjagen. Hoe lang D'Oqueudo ook al had
+kunnen voorzien, dat hij eindelijk toch wel aangevallen zou worden,
+toch kwam de aanval nog onverwacht en vele schepen waren genoodzaakt
+hunne ankers te kappen. Hierdoor ontstond verwarring en deze werd
+niet weinig vermeerderd toen ze elkander op de nauwe reede weldra in
+den weg kwamen, en eindelijk aan den grond bleven zitten.
+
+Hieraan stoorde Tromp zich niet en hij stoorde zich nog minder aan
+de Roorokken, die met het geschut uit hunne sterkten de Spaansche
+schepen in bescherming namen. Oorverdoovend was het gedonder van het
+geschut, en de Spanjaarden van de schepen, die omhoog zaten, kregen
+het zoodanig te kwaad, dat ze hals over kop in het water sprongen en
+zwemmende hun leven trachtten te redden. Onderwijl Tromp zich zoo
+bezig hield met de schepen op de reede, had Ammiraal Jan Evertsen
+het Portugeesche gedeelte der vloot aangetast. De Portugeezen vochten
+dapper, en zeker zouden ze niet zoo geheel verslagen zijn geworden,
+als het Ammiraalschip De Theresea, die wel duizend man aan boord had,
+niet in de lucht gevlogen was. Onder al die bedrijven was het D'
+Oquendo toch gelukt in zee te loopen, doch hier was hij evenmin
+veilig als op de reede. Woedend werd hij aangevallen en woedend
+verdedigde hij zich. Toch zou hij op het laatst zich hebben moeten
+overgeven; maar eene mist en daarna een hevige wind stelden hem in
+staat met een tiental schepen te Duinkerken binnen te loopen. Van de
+zevenenzestig schepen bleven er achttien behouden; voor het overige
+was die schoone vloot vernield, of in handen der onzen. Wij namen
+ongeveer tweeduizend man gevangen en vijfduizend waren gesneuveld of
+verdronken. Wij verloren slechts honderd man en een schip. De vreugde
+te beschrijven, die er in ons land heerschte, kan ik niet! Dat moet men
+bijgewoond hebben. Groot en klein, rijk en arm, oud, jong, aanzienlijk
+en gering, iedereen was vol vreugde. Gedenkpenningen werden geslagen,
+gouden ketenen werden uitgedeeld en de poeeten maakten liederen, die
+klonken als klokken. En de luiden, die zoo juichten hadden het bij
+het rechte end, want als de Spanjaarden eens overwonnen hadden, dan
+had het er voor de Vereenigde Nederlanden niet te best uitgezien. Met
+de vrijheid en onze macht ter zee was het al vast gedaan geweest en,
+als we die moeten missen, dan is liet met ons land mis. Op de zee
+ligt onze welvaart; op de zee ligt ons bestaan;--op de zee ligt ons
+alles! De Zee is de bruid van ons Gemeenebest, en wee ons, als die
+bruid door eenen driesten vijand ons ontnomen wordt!
+
+
+
+HOOFDSTUK IX
+
+Naar Zee! Naar Zee!
+
+Na de schitterende overwinning bij Duins kon een groot gedeelte van
+de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens
+terugkeeren, of hunne reizen naar Oost en West hervatten.
+
+Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met
+hunne roofschepen, en, al zei ook heel de wereld, dat wij de eerste
+mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja,
+'t was of ze met den dag brutaler werden.
+
+Onderwijl wij voor Duins lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze
+waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op een enkelen
+dag maakten ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor Aland
+in de Bothnische golf, namen daar een Nederlandsen oorlogsschip en
+vier koopvaarders en sleepten uit de baai van Shetland nog vier onzer
+oorlogsschepen mede.
+
+Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee
+waren.
+
+Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen
+en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot niet op
+alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor
+onze kooplieden was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik
+vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken,
+inplaats van ze te verwenschen.
+
+Weet je waarom?
+
+'T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker.
+
+Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op
+het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden of niet! We
+werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo
+slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en zoo dapper als een leeuw.
+
+De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een
+schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand
+leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog
+ter zee voeren!
+
+Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het
+vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers meer
+geleerd hebben, van hem of van Tromp.
+
+Die eene Brielsche kwajongen is meer dan de andere, de roem van zijne
+stad en de eer van zijn Land geworden!
+
+Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg De Haese, dit was
+de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere
+vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal Aertus Gijsels
+stonden, naar Portugal te stevenen om daar den nieuwen Koning een
+handje tegen de Spanjaarden te helpen.
+
+In Oogstmaand van '41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet
+behoorde tot de lui, die met Ammiraal Tromp, den zoon van Frederik
+Hendrik naar Engeland gingen brengen.
+
+Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning Karel eens
+gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de
+koningin voor als den grootsten Ammiraal der wereld. Nu kunnen ze
+me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij Duins had
+Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar
+dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet en ik zou haast
+gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk
+had toen hij zei: "Ben-je mal, jongen, wat bekommer je jezelven over
+dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan
+nog niet dat er tweeerlei soort van menschen zijn en wel matrozen en
+landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik:
+"Hier ben ik! en jij zegt dan: "En ik ben hier!"--En als we dan zoo
+over en weer mekaer gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en
+jij mij, en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op,
+neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en zegt:
+"'K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!" Zie-je,
+Huib, zoo zouden wij, matrozen en varenslui, doen, en daar we toch
+wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we
+er ons zelven ook maar geen oogenblik het hoofd mee vermoeien met te
+denken wat de landkrabben doen!"--
+
+Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en
+bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer bekommerd over
+dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben.
+
+Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af.
+
+Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige
+bezoeken in Engeland bracht gingen wij naar Portugal om dat land
+een handje te helpen tegen de Spanjaarden. [10] Behalve Gijsels,
+die onze vlootvoogd was, hadden we onder hem nog als Vice-Ammiraal
+Jacob Pieterse Tolck, en als Schout bij Nacht den Vlissinger, Michiel
+Adriaensz. De Ruijter. Onder dezen laatsten diende ik.--Dat Gijsels
+een dapper en ervaren zeeman was is vast, maar of die Tolck dat ook
+was, dat en weet ik niet. Maar dat onze Schout bij Nacht een flinke
+kerel was, daar af zou ik jelui heel wat kunnen vertellen. Hij was
+toen nog maar vier en dertig jaren oud; maar zelden heb ik iemand
+van dien ouderdom gezien, die zoo moedig, zoo verstandig, zoo slim,
+zoo beleidvol, zoo goed, zoo rechtvaardig en zoo vriendelijk was
+als hij. Kijkt, jongens, ik en ben geen profeet, maar ik zie er in,
+dat diezelfde Michiel De Ruijter, die een kwajongen moet geweest zijn
+zoo groot als er ooit een geleefd heeft, een Ammiraal zal worden zoo
+groot, dat hij den roem van onzen Marten in de schaduw zal zetten. Die
+man heeft alles wat een jong man hebben moet om eens een groot man
+te kunnen worden.--Van iedereen wil hij leeren van den Ammiraal af
+tot den kajuitswachter toe. Hij is niet zoo trotsch en eigenwijs om
+te gelooven, dat hij alleen alles weet! En dat behoort zoo! Zoo deden
+Piet Hein en Tromp ook. Zoo doet Witte Cornelisz. De With niet altijd
+en dat is zijn ongeluk.--
+
+Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen
+nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo hadden we met
+veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles
+behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts 118 man, en bestond
+dan nog voor een groot deel uit lui, die nooit zeewater geproefd
+hadden. Reeds in Het Kanaal werden onze bevelhebbers het met elkander
+oneens, en toen er zoo'n klein stormpje opstak, liepen er zes van
+de tien te grienen en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen,
+alsof hun leste uurtje al geslagen was.
+
+En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. 'T stond
+bijster mooi aan.
+
+Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen
+morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot. Wij dachten
+eerst dat het de Portugeezen zouden zijn. Wij kwamen die lui helpen en
+het was dus niet meer dan een staaltje van hunnen plicht om ook mede
+te doen. Maar, jawel, ze lieten zich fluiten als een kikker in het
+riet, en al heel gauw werden we gewaar, dat het vlootje, dat we zagen
+aankomen maar eens even bestond uit negen groote Spaansche galjoenen,
+tien Duinkerksche koningsschepen, vier fregatten en een jacht. [11]
+
+"Goeien morgen, Huib," zei ik tot mij zelven, "goeien morgen, Huib,
+dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal er spannen!"--
+
+Onderwijl ik dat zoo zei, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik
+keerde mij om, en, 't was om de oogen uit het hoofd te schamen,
+een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind,
+dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen.
+
+"Wat hapert er aan jou, kameraad?" vroeg ik.
+
+"Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief Smeerdiek terugzien!" gaf
+hij mij ten antwoord. [12]
+
+Zoo'n lummel!
+
+"Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?" vroeg ik.
+
+"Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En
+as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en ik zien ik
+nooit niet meer m'n Smeerdiekje mee z'n klokkespilletje!"--
+
+"Och, och, hoe erg!"--
+
+"Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z'n klokkespilletje, daer
+weunt m'n meutje en daer 'oud ik zoovee van!"--
+
+"Wel, wel, dat 's verschrikkelijk!"--
+
+"En as ze me noe is doodschiete, wat zal m'n meutje dan jule!" [13]
+
+'T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een
+mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind.
+
+Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag
+gieren van het lachen, zei hij: "Dat moet je niet doen, Huib! En jij,
+goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar
+weet je wat je doen moet?"--
+
+"Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!" snikte
+de man.
+
+"Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den
+goeden God vertrouwen; want die heeft voor 'n armen zeeman ook
+wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als
+kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er je tranen mee af
+te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee
+uit te deelen, links en rechts! En als je niet weet, hoe je dat doen
+moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij,
+dan wed ik dat je er vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag
+zooveel geleerd hebt!"
+
+Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te
+maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid om eens
+goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en
+... daar ging het er van door!
+
+Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te vereenigen. De
+vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem
+na. Maar Gijsels dacht: "Neen, dat bedoel ik niet!" en terstond liet
+hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter
+dat hij zoo 'n hoopje garnaalschuitjes best aan kon en gaf Gijsels
+dubbel en dwars terug wat hij gegeven had,
+
+"Mannen," riep De Ruyter, "onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche
+Dons te kwaad; we gaan hem helpen!"
+
+Zoo gezegd zoo gedaan.
+
+Van 's morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als
+leeuwen.
+
+"Aoist, aoist, aoist!" klonk het op eens naast me. [14]
+
+Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en
+ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag aan
+narden schoot.
+
+"Dat heb je 'm eens secuur gelapt, kompeer!" zei ik.
+
+"Jae, jae, dat 'eb ik net! Aoist, aoist, aoist!" juichte hij.
+
+"Aan de pompen, aan de pompen!" kommandeerde De Ruyter, en 't was
+noodig ook; want de romp van De Haese moet veel op eene spons geleken
+hebben, zoo hadden ze ons beschoten.
+
+Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had
+aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem te noodzaken
+terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne
+wandeling voort. Misschien dat de man door zijn volk gedwongen werd
+om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af,
+dat hij ons leelijk in de pekel liet zitten.
+
+Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw
+bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen wat er gedaan moest
+worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat
+de schepen te veel geleden hadden en het onmogelijk nog langer vol
+konden honden.--
+
+De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens
+op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht, die op dit
+gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en
+met heel veel moeite en zware averij waren we wel genoodzaakt om te
+Lissabon binnen te loopen.
+
+De koning van Portugal gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen
+met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens
+zouden toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen
+ons niet hielpen. Die lui waren echter liever koud dan moe, en daarom
+zei onze Ammiraal op een' mooien morgen den Koning goeien dag en wij
+keerden naar het Vaderland terug.
+
+Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje
+aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks toch
+was ik aangekomen of 't was alweer maar: "Vooruit, Huibje! Help de
+Duinkerkers eens achter den broek zitten!"--Was dat afgeloopen,
+dan was het weer: "Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar
+de Sont, Huibje! Die koning van Denemarken is een levende schrok,
+eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met
+Christientje, die voor Koninginnetje van Zweden speelt, en omdat
+die Kris, die koning van Denemarken, uit meenens met haar ravot en
+stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen,
+die de Sont passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje,
+help jij met je Brielschen kameraad, 't "Kregel Mennonietje," dien
+Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging het!
+
+In Hooimaand van het jaar '44 staken twee en veertig oorlogsschepen
+onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee. Wij hadden
+te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de
+boodschap mee alleen maar te waken, dat onze schepen den gewonen tol
+moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem
+aan boord, en dikwijls dacht ik zoo, in mijn eentje, aan dien morgen
+toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen
+had ik al heel leelijk gekeken, als Witte zei: "Als ik ga varen,
+wil ik Ammiraal worden!"--En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem
+uitgescholden en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip
+waarop ik kapitein was!--
+
+En nu! 'T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt:
+
+
+ "Veel roemen met een dommen geest,
+ Een ijdel vat bomt aldermeest." [15]
+
+
+Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte
+nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde ik hem
+enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield
+zich goed en geen pond kruit heeft hij laten verschieten. Nauwelijks
+was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje
+van voren af aan, en thans besloten de Staten-Generaal om in '45 nog
+eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te besehermen. Nu was
+zijn lastbrief eenigszins anders. De koopvaardijschepen mochten in het
+geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met zijne oorlogsvloot door
+de Sont brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken,
+zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte's hand. Met vijftig
+wel uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar
+zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de Sont te voeren.
+
+Toen we dicht bij het kasteel Kroonenburg gekomen waren ging de
+eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten
+hij doen moest om den koning van Denemarken, die op het kasteel was,
+te begroeten.
+
+Witte gaf geen antwoord.
+
+"Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden,
+Ammiraal?" klonk andermaal de vraag.
+
+"Hoeveel schoten? Een, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder
+en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt als een
+dronken kadraaier!" [16]
+
+"Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?"
+
+"Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het
+Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!"
+
+De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek
+nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou.
+
+Daar lag het sterke Kroonenburg en daar stond de Koning.
+
+Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard
+een paar keeren zijnen hoed af, en zei: "Dag Kris! Je hebt de groeten
+van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze
+hebben wil, dan kom je ze maar halen! Wij zullen in looden bolletjes
+uitbetaling houden."
+
+De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen
+hadden, toen ze ons zoo deftig door de Sont zagen trekken en de Koning
+kreeg zooveel eerbied voor onze macht, dat hij weldra vrede met Zweden
+maakte en de verhooging van de tollen wijselijk achterwegen liet. Ja,
+onze roem begon toen zoo te stijgen, dat zelfs vreemden bij ons de
+zeevaart kwamen leeren. [17] Na deze tochten naar het Noorden had
+ik nog al geen rust; want nauwelijks was ons schip voor den dienst
+afgekeurd, of ik kwam op een ander en ging naar ... Duinkerken.--
+
+Ja, alweer naar Duinkerken waar Tromp de haven hield ingesloten. De
+Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de
+belegerden, wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk
+moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich
+overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den
+Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand van '46.
+
+Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren
+om waren zoo besloot ik te Rotterdam kaaigast te worden.
+
+Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet
+voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had rondgezwalkt.
+
+Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht
+ik dikwijls: "Huib Maerlant, wat ben je toch een gek! Je gaat hier
+aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel
+als je noodig hebt om te kunnen leven en soms niemendal! Je kost
+is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de
+boodschap als je niet van honger sterven wilt. Je doet nou net als
+die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee
+kunnen verdrinken. Je bent een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie,
+ja, dat ben-je!"
+
+Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met Spanje
+is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert,
+is liet tusschen hem en de voornaamste Heeren in Holland ook al
+geen botertje tot den boom. Dat is harrewarren hier en harrewarren
+daar. Zelfs onder ons sjouwerlui kwam er al verdeeldheid, en dat gaf
+maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen.
+
+Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren
+op Loevestein heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de
+hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet
+geern zag.
+
+En wat was het gevolg?
+
+Jan trok partij voor de mannen van Loevestein en hunne kornuiten, en
+Piet zei alweer: "De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!"
+
+Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos.
+
+Nu ben ik op miju manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo
+bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen, dat ik
+zooveel op heb met de Heeren Staten van Holland. Ik heb in die dagen
+ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste
+was, dat ik daar zelf nooit aan gedacht had, tot op zekeren mooien dag,
+nu misschien een jaar geleden.
+
+Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd
+van de Hoeken en Kabeljauwen!"
+
+"Welke boer was dat, Huib?" vroeg Jonge Kees.
+
+"En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je 't vertellen. In
+den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren in Hoekschen
+en Kabeljauwschen, liep Krelisboer van Nieuwenhoorn, toen hij van zijn
+werk kwam, met een dorschvlegel op zijne schouders naar huis. Pas had
+hij een stap of wat gedaan, of daar kwam een troepje Kabeljauwsche
+schobbejakken aan. [18]
+
+"Hei, boer," riepen ze, "wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?"
+
+Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of
+Kabeljauwen, zei op de bonnefooi [19]: "Wel Hoeksch, mannen!"--
+
+"Wacht, we zullen je Hoekschen," riepen die lui en gaven Krelis een
+hard pak slaag.
+
+"Dat heb ik al vast beet," dacht onze maat en ging verder.
+
+'T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo'n troepje van die
+vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook aan Krelis:
+"Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?"
+
+Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en zei: "Kabeljauwsch,
+mannen! Rondom Kabeljauwsch!"
+
+"We zullen je Kabeljauwschen!" was het antwoord en daar ging het weer,
+van hetzelfde laken een pak.
+
+"Die heb ik al weer beet," zei Krelis, "maar nou zullen ze me niet
+weer vangen!"--
+
+Daar kwam het derde troepje en 't was al weer: "Boer, wat
+ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?"
+
+"Wel," zei Krelis, "dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst
+ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben ik duivelsch!" en
+den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang
+links en rechts, tot al de lui op den loop gingen.--
+
+Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep.
+
+Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag
+aan den wal te Rotterdam. Ik stond al sedert een paar dagen op werk
+te loeren, en schoot nu als een pijl uit den boog op het schip toe,
+dat nog niet eens aan de ringen gemeerd was. [20]
+
+"Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!" riep een jonge
+kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. "Dat vrachtje is voor ons!"
+
+"Heeft de kapitein jelui dan al aangenomen?" vroeg ik.
+
+"Nee, maar jij blijft er af, 't is voor ons!" zeide de ander en duwde
+me met een flinken ribbestoot terzijde.
+
+Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het
+land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven door den eersten
+den besten kwajongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn'
+arm even op om mijn vuist op zijn ruigen krullebol te laten vallen en
+zei: "Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!"--
+
+Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne
+kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen, dat mij
+alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van
+mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden, gezien hoe ik er
+van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me.
+
+"We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!" riepen ze en begonnen
+onder het schreeuwen van: "Landkrabben!" ankersmidje te spelen. Hunne
+vuisten waren de voorhamers en de koppen van de "Landkrabben" de
+aanbeelden. Dat was een geklop en een getier van belang! Al vechtende
+schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere
+kaaigasten, die niet van kloppen hielden, gebruik om aan boord van het
+schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.--Wij, oude zeerobben,
+waren in de minderheid en weken meer en meer achteruit, totdat wij
+onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen.
+
+Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op
+te knappen, toen een man mij op den schouder tikte.
+
+Ik keek hem aan en dacht: "Jou heb ik meer gezien!"
+
+Hij had een netzakje met springlevende bot aan zijnen arm hangen en
+het zakje openende, haalde hij er een van de wildste botjes uit en lei
+het op straat neer. Het dier lag erg te spartelen, maar kwam niet ver.
+
+Ik keek hem aan, alsof ik zeggen wou: "Schort het je in je bol?"
+
+De man lachte even en zei: "Als een visch op het droge, Huib!"
+
+Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die
+mij vroeger gezegd had, dat er tweeerlei soort van menschen waren,
+doch ik was het vergeten.
+
+"Hoe maak-je 't, ouwe jongen?" vroeg ik en stak mijne hand uit.
+
+"Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als
+een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat ik je eens
+gezegd heb?"
+
+"Jij mij gezegd? Wat heb je mij gezegd?"
+
+"Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?"--
+
+"o, Ja, dat 's waar ook: matrozen en landkrabben!"--
+
+"Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en
+eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten je element
+en 't zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob
+Cats spreekt!"--
+
+"Wat zegt die excellente puikpoeet dan?"--
+
+"Ken je 't versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: Wann de Wolff
+altet, soo reiten hem de Krehen.
+
+
+ "Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen,
+ Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen,
+ Ick was in 't woudt gesien, en overal gevreest,
+ Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest,
+ Oock van 'k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen,
+ Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen,
+ Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach,
+ Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach.
+ Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen,
+ Die komen tegen mij, en over mij gesprongen:
+ Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft,
+ 't Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft."
+
+
+"Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd," zeide ik.
+
+"Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal,
+dan ben je net als dit botje!"
+
+Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den
+grond lag.
+
+"Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!" gaf ik heel wijs ten
+antwoord.
+
+"Je bent gladder dan ik dacht, Huib," zei de ander weer, en na nog
+eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet hij het
+beest in de Maas.
+
+"Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?" vroeg ik.
+
+"Ik geloof het niet; maar trap die bot eens dood als je kan!"--
+
+"Welke bot?"
+
+"Wel, die ik in de Maas smeet!"
+
+"Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit
+meer weerom!" antwoordde ik.
+
+"Dat 's niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen kan, dat een
+matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele
+zootje voor over! Je moet alweer naar zee, Huib, anders, en 't is zoo
+vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn,
+even als de wolf, je tanden overleefd!"--
+
+"Maar ik en heb geen zin meer in het varen!" gaf ik eenigszins
+schoorvoetend ten antwoord.
+
+Rrrt, daar vloog de netzak met bot de Maas in en stampvoetende van
+kwaadheid, riep hij: "Daar heb-je 't! Daar heb-je 't! Jawel, als de
+lui bang beginnen te worden voor een mondvol zeewater, als ze liever
+dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: "Adjuus,
+Vereenigde Provincien! Heel de wereld groeit je over den kop en je
+bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib,
+weet-je 't dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest
+alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht,
+kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er
+wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk op onze
+schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land!
+
+Heb je je Land lief? Naar zee!
+
+Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar
+zee!
+
+Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil
+je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven, oud worden
+en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee!
+
+Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en
+streken? Naar zee! Naar zee!"
+
+Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren
+er van alle kanten mannen en vrouwen komen opdagen, die met open ooren
+en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij
+even ophield met spreken om adem te halen, klonk het hier en daar:
+"Ga voort, ga voort!"
+
+En Warmont sprak: "Ik en weet niet of jelui altemaal Rotterdammers
+zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries, die daar"--hij
+wees op mij--is een Briellenaar! De Unie telt zeven gewesten en bijna
+ieder van de zeven kibbelt om den voorrang! Hier aan den wal zijn we
+niet een, niet twee, niet zeven, neen, wel honderden meer! Zooveel
+vroedschappen, zooveel landjes,--zooveel gilden, zooveel baasjes! Maar
+op zee, op zee zijn we een! Daar legt de Ommelander zijn knuist in die
+van den Zeeuw, de Drentenaar maakt kameraadschap met den Hollander,
+de Stichtenaar zweert den Fries houw en trouw, en als ze allemaal
+bij elkaer zijn, dan kijken ze naar het oranje, blanje, bleu, aan den
+achtersteven en hebben maar een vijand en een vriend! De vijand is hij,
+die ons voor den boeg komt;--de vriend is de Oceaan, die ons op zijne
+golven de schatten van Oost en West van Zuid en Noord aanbrengt,
+die ons kloek en krachtig maakt, en die ons den vedel speelt of
+den trommel slaat, als we aan den dans willen gaan! Mannen van het
+Gemeenebest der Vereenigde Nederlanden, meen je 't wel met je Land,
+met je vrouw, met je kinderen, meen je 't wel met je zelven, smijt dan
+den kiel van den baliekluiver, de ganzenveer van den armen klerk weg,
+schiet het matrozenbuis aan en, naar zee, naar zee!" [21]
+
+Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich
+het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte: "Hoezee! Hoezee!"
+
+Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het
+nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om "Goede vaer Tromp"
+nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met
+Engeland houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we
+toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd
+hebben. "Goede vaer Tromp" zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen
+volgen, dat is ook zeker!"--
+
+ * * * * *
+
+Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder
+der hoorders volgde zijn voorbeeld.
+
+Thans wist men ook wie Tromp was.
+
+
+
+HOOFDSTUK X
+
+Houw en Trouw.
+
+Koning Karel I van Engeland had zijne stijfhoofdigheid en de woelingen
+der burger-partijen met zijn leven moeten boeten. Den negenden van
+Sprokkelmaand beklom Karel het schavot en ten aanzien van duizenden
+toeschouwers sloeg een gemaskerde beul hem het hoofd af.
+
+Zulks geschiedde op bevel van zijne tegenpartij aan wier hoofd een
+zekere Olivier Cromwell stond.
+
+Die Cromwell was ontegenzeggelijk een knap man--Engeland heeft veel
+aan hem te danken--en Koning Karel had groote gebreken gehad en vele
+verkeerdheden begaan; maar de haat, dien hij den Vorst toedroeg
+was veel te verregaand.--Toen hij het doodvonnis van den Koning
+onderteekend had, streek hij zijne met inkt gevulde pen over het
+gelaat van zijnen vriend Martyn en zeide: "De beurt is aan u!"
+
+Een mensch, die rechtschapen is, kan zoo al vast geene doodvonnissen
+onderteekenen.
+
+Intusschen was Karels oudste zoon, die hem later als Koning opvolgde,
+na vele vergeefsche pogingen aangewend te hebben om de kroon te
+heroveren, het land ontweken, en vertoefde nu eens hier en dan
+daar. Zoo kwam hij ook in Den Haag en genoot daar van vele zijden
+gastvrijheid.
+
+Cromwell, die na het eindigen van den burgeroorlog Lord-protector van
+Engeland geworden was, had al vroeger bij onze Staten aanzoek gedaan om
+zich met Groot-Brittannie tot een gemeenebest te vereenigen. Maar hoe
+genegen sommigen Cromwell nu ook waren, daarin hadden ze volstrekt geen
+lust, en het aanbod werd dan ook eenstemmig van de hand gewezen.--Dit
+hinderde den Lord-Protector erg en bovendien was hij ontevreden op
+ons, omdat de Prins van Wales, Koning Karels oudste zoon, hier te
+lande zulk eene gastvrijheid genoot. Ieder oogenblik had de man wat
+met ons uitstaande, nu over dit, dan over dat; maar het meest over
+zeezaken. Het ging ons gemeenebest zeer voordeelig en nog hadden we
+in Europa den naam, dat we de eerste mogendheid ter zee waren! Dat
+hinderde de Engelsche natie vreeselijk en Cromwell was er steeds op uit
+dat aanzien en die eer te fnuiken.--Stoutweg verklaarde de Engelsche
+regeering, dat zij de eerste zeemogendheid was en beweerde, dat iedere
+Natie verschuldigd was hare vlag te eeren en hulde te bewijzen. Wie
+dat niet deed zou als vijand beschouwd en behandeld worden. Men
+gaf brieven van kaapvaart aan ieder, die meende, dat hij door de
+Nederlanders in een of ander opzicht benadeeld was geworden. Stoutweg
+voeren die kapers dikwijls onder de Engelsche vlag, en dan was het
+toch wel erg vernederend om de vlag voor eenen kaper te strijken.
+
+Eindelijk begon men hier toch in te zien, dat het zoo niet langer
+blijven kon en daarom werd er den derden van Lentemaand 1652 besloten
+honderdvijftig schepen van oorlog uit te rusten.
+
+Het duurde dan ook niet heel lang of Admiraal Tromp kon met vijftig
+tamelijk goed uitgeruste schepen zee kiezen. De bestemming van die
+vloot was, onze koopvaarders te beschermen en zorg te dragen, dat
+maar niet iedereen, die daartoe lust gevoelde, ze onderzocht. Over
+het strijken van de vlag werd niets gezegd. Zeker omdat men toch
+wel begreep, dat dit den oorlog niet verhinderen kon. Toch kreeg
+Tromp bevel zoo veel mogelijk van de Engelsche kust af te houden,
+daar men zelf zoo lang dit maar kon den oorlog wilde uitstellen,
+en althans dien niet beginnen.
+
+De Admiraal besloot, was het ook met heel veel moeite, dit bevel ten
+uitvoer te brengen en ankerde met zijne vloot tusschen Duinkerken
+en Nieuwpoort; maar door een Noord-oosten storm beloopen was hij
+genoodzaakt de ankers te lichten en zich om den hoek van Dover in
+veiligheid te stellen. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of hij
+zond twee fregatten uit om den Engelschen Kommandeur Bourne, die bij
+Duins lag, uit zijnen naam te begroeten en tevens te zeggen, dat hij
+van Dover vertrekken zou, als hij het doel van zijnen tocht bereikt
+had.--Bourne liet hem heel beleefd terug groeten en het scheen wel, dat
+het haast eene onmogelijkheid was, dat er van oorlog sprake kon zijn.
+
+Maar, 't was de stilte, die de uitbarsting van een vulkaan
+voorafgaat.--
+
+'T was nacht!
+
+Eenzaam en stil lag daar een schip op de baren der Noordzee te
+wiegelen. Als men evenwel wat scherper toekeek dan zag men hier en
+daar, donkere plekken zich tegen de bewolkte lucht afteekenen, en
+zoo nu en dan een licht.
+
+Aan boord van het schip, dat we thans betreden, vinden we drie mannen,
+die de wacht houden.
+
+De oudste is Huib, die, op een hellebaard geleund, zijne oogen in
+het rond laat gaan als eene kat, die eene prooi zoekt.
+
+De andere is wat jonger, maar veel langer dan Huib. Het is de lange
+Smeerdiekenaar, dien we zich als een kind zagen aanstellen toen hij
+voor het eerst in het vuur moest.
+
+De derde is een heel jong en kort matroosje met eene flauwe stem. Hij
+heet Adriaan.
+
+"Wel, 'Uib, zie je nog niks niemendalle?" vraagt de lange. [22]
+
+"Jawel, 'k zie onze vloot, maar anders niet!"
+
+"En jie, zie jie niks?" klinkt de vraag aan den jongen Adriaan.
+
+"Een vraagal en wat schepen!" is het zachte antwoord.
+
+"Hoor eens, Adriaan, je kunt dan vreeselijk kortaf zijn! Komt dat
+omdat men geen baard bij jou kan zien van al dat vel? Je lijkt, bij
+m'n ziel, meer op een vroolijk zusterken dan op een matroos. Hoe oud
+ben-je al?" vraagt Huib.
+
+"Zoo oud als mijn handen en niet als mijn tanden!" klinkt het even
+bits.
+
+"Brrrr, wat 'n antwoord! Heusch, Adriaan, dat komt omdat je geen
+baard hebt, dat je zoo kort van stof bent!"
+
+"Wel, geef jij me dan maar wat pootjes! Je gezicht lijkt veel op een
+stoppelveld van zaadstroo! Maar weet je wel waar jij veel op gelijkt?"
+
+"Neen, weet jij dat?"
+
+"Jawel, je gelijkt precies op een, die altijd ontevreden is! Schort
+er wat aan?"
+
+"Ja, Adriaan, er schort wat aan en dat ik ontevreden ben, dat is waar!"
+
+"Zoo," zegt de Smeerdieker met een langgerekten uithaal, "zoo, ik
+docht ik dat er bie joe niks kon besannen!" [23]
+
+"Zoo, Gerrit, dacht je dat? Nou, maar dan heb je 't mis, hoor!"
+
+"Maar wat schort er dan aan?" vroeg Adriaan.
+
+"Wel, dat zal ik je eens zeggen. Ik heb een kameraad gehad, een
+jongen daar wel wat in zat. Hij kwam van Schevelingen en heette "Jonge
+Kees." Oud was hij nog niet; ik denk dat hij tusschen de veertien en
+zestien jaar geweest is! Dat was er net een daar ik mee doen kon wat ik
+wilde. Ik kon op hem grommen, knorren, razen en tieren; ik kon hem zoo
+nu en dan eens door malkander schudden; maar ik kon hem ook dikwijls
+vertellen wat mij naar op het hart lag. We waren beste vrinden en
+sedert hij van boord is, ben 'k als iemand, die iets verloren heeft!"
+
+"En waarom ging hij van boord?" vroeg Adriaan verder.
+
+"Wel, zijne ouders gingen op Vlieland wonen en daar zijne dienstjaren
+om waren ging hij weg en werd haringvisscher. Een aardige jongen was
+het, en ik heb veel aan hem verloren! Als je er niet zoo meisjesachtig
+uitzaagt, Adriaan, dan zoudt gij zijne plaats kunnen vervangen!"--
+
+"Zoo? Geef me dan van uwe stoppels, Huib," zeide Adriaan, "dan heb
+ik binnen veertien dagen een baard en ... maar stil, zie je daar
+niemendal, daar om de zuidwest?"--
+
+"Verbeeldienge is erger as de derdendaegsche koose!" viel Gerrit
+in. [24] "Ik zien ik niks as...."
+
+"'N schip, Huib, ik zeg je dat het een schip is!" riep Adriaan.
+
+Gedurende eenigen tijd stonden de drie wachten uit te zien, maar
+ontdekten niets. Tegen het aanbreken van den dag echter zagen ze het
+schip alweer en toen het nader kwam, bleek het dat het De Crevecoeur,
+kapitein Joris Van der Zaen, was.
+
+De Admiraal werd gewekt en nu bracht Van der Zaen hem de tijding dat
+zeven straatvaarders, die te zamen wel vijftig tonnen gouds waarde
+hadden, groot gevaar liepen door de Engelschen genomen te worden.
+
+"Dan is het mijn plicht deze te gaan beschermen," zeide Tromp en
+beval dat de vloot zich in beweging zou stellen.
+
+Nauwelijks waren zij onder zeil of ze ontdekten eene Engelsche vloot,
+die uit vijftien kloeke oorlogsschepen bestond. Een van deze schepen
+voerde de Admiraalsvlag en later bleek het, dat het die van den
+dapperen Robert Blake was.
+
+Kan men van Marten Harpertsz. Tromp zeggen dat hij de Nederlandsche
+vloot tot eene geduchte sterkte wist te brengen, kan men van hem
+getuigen, dat hij het verwarde zeewezen van de Vereenigde Provincien
+voor een groot gedeelte in het reine bracht, dat hij leerlingen had,
+die naderhand hem na- of voorbij streefden en dat hij onder het zeevolk
+eenen geest wist te brengen, die een man zooveel waard deed zijn als
+twee,--hetzelfde mag men ook gerust zeggen van Robert Blake, in wien
+Tromp een hem waardig tegenstander vond. Boven onze scheepsbevelhebbers
+had Blake nog dit voor, dat hij een zeer geletterd man was. [25]
+
+Zoodra Tromp deze zeemacht ontdekte, meende hij dat de straatvaarders
+reeds genomen waren en, om nog den schijn van alle vijandelijkheid
+te mijden, liet hij bijna alle zeilen innemen en stelde eenen man
+bij de vlag om dezen te strijken.
+
+Nu was Blake echter zoo dom niet om te denken, dat de Nederlandsche
+vloot daar zoo maar voor eene aardigheid kruiste. Hij begreep zeer goed
+waarom men hem als een hond nazat. Dat kon de voortvarende man niet
+dulden, en daarom liet hij ook, als een hond, een hol gegrom hooren,
+dat wil zeggen, hij joeg een kanonskogel over Tromps schip. Dit schot
+werd weldra door een tweede en nog door een derde gevolgd. De laatste
+kogel nam den arm van een onzer matrozen weg.
+
+Tromp zag bij dat alles bedaard rond, maar toch schitterden zijne
+oogen als vuurkolen.
+
+Aan boord van alle schepen was ieder man op zijn post. Ook Gerrit
+Leinsz. de konstabel, stond gereed.
+
+Tromp ging naar dezen toe en zei: "Geen bloed, Leinsz! De eerste
+kogel zij voor de kabeljauwen!"
+
+De konstabel volbracht het bevel, doch Blake beschouwde het nog immer
+als geene gekheid en gaf Tromp de volle laag.
+
+Thans werd het gevecht algemeen en ofschoon Tromp over eene veel
+sterkere macht beschikken kon dan de Engelschman, zoo maakte hij er
+toch geen gebruik van, omdat hij letterlijk wilde handelen naar het
+bevel, dat hij mede gekregen had, om namelijk slechts te zorgen,
+dat onze vlag geen schande werd aangedaan.
+
+Het gevecht duurde vijf uren; men moest toen wel eindigen omdat de
+nacht inviel.
+
+In Nederland vernam men de tijding van het zeegevecht met een
+verdeeld gevoelen. Aan de eene zijde juichte men er over, dat
+de Engelschen eens flink onder de oogen waren gezien; maar aan de
+andere zijde schrikte men er van terug, als men aan eenen oorlog met
+Engeland dacht. Intusschen was de noodlottige Eerste Engelsche oorlog
+begonnen.--Van weerszijden trachtte men zich te verontschuldigen. Tromp
+zei: "Blake heeft het eerst geschoten," en Blake zei: "Tromp heeft
+zijne vlag niet gestreken!"
+
+Nog deden de Nederlanders bijna het onmogelijke om den vrede te
+behouden en zond men gezantschap op gezantschap naar Engeland,
+maar niets mocht baten. De gezanten werden soms met minachting
+ontvangen en wat ze ook vertelden, niemand geloofde hen. De oorlog
+was onvermijdelijk, men moest veehten of men wilde of niet, en vele
+leden der Regeering gaven thans Tromp van alles de schuld en zouden
+hem gaarne door een ander hebben doen vervangen, als ze maar iemand
+hadden kunnen vinden.
+
+Maar De Ruyters zon was nog lang niet ter middaghoogte en voor die
+van den wakkeren Briellenaar was het nog geen tijd om onder te gaan.--
+
+Gedurende dien tijd was Jonge Kees ook op zee. Maar niet bij Duins,
+Dover of Duinkerken; niet op een oorlogsschip, dat ieder oogenblik
+gereed is een ander schip aan te vallen, en dat sterk bemand en
+gewapend is.
+
+Het vaartuig waarop onze Jonge Kees thans vertoeft is eene kloeke,
+stevige vischschuit, van 't voorjaar eerst nieuw. De schuit draagt
+op den achtersteven den naam van: De vrouw Neeltje.--Neeltje, zoo
+heet zijne moeder.
+
+De vorige reis heeft de vader van Jonge Kees een tros tegen zijne
+beenen gekregen, en deze zoo erg bezeerd, dat hij ditmaal niet met
+zijne schuit mee kon. [26]
+
+Maar Jonge Kees is een wakkere borst, een stoere jongen, een knaap
+daar staal in zit, dat wist moeder Neeltje ook wel, en daarom zei
+ze, toen haar man, hoe zwaar het hem ook viel, toch mee wilde gaan:
+"Laat je beenen nou rust houden, vader! Blijf deze reis maar eens thuis
+en laat onze Jonge Kees je plaats vervangen! De zee is tegenwoordig
+rustig, de jongen is bij de hand en het Schagerrif of Doggerzand is
+niet zoo heel ver af!"
+
+"Ja, maar, moeder, de jongen is toch nog wel wat jong! Pas,--was
+'t niet met Drie Koningen?--zestien jaar! Wel wat jong, moeder,
+wel wat jong!"
+
+Maar moeder Neeltje wist zoo te praten dat de vader eindelijk toegaf en
+zijn' zoon, voor eene reis, tot stuurman op de mooie schuit aanstelde.
+
+Op dit oogenblik is hij in de nabijheid van het Doggerzand. Hij en
+zijne manschappen zijn recht tevreden, want de vangst was uitmuntend.
+
+"Nog een uurtje, mannen, dan gaan we eens kijken of er aan het
+Schagerrif ook wat te halen is!" zegt de jonge stuurman.
+
+"Daar ginder komt een Roorok, Jonge Kees!" zegt een der matrozen.
+
+"Wel, dan gaan we niet weg! Die Koningsmoorder zou wel denken, dat
+we aan den haal gingen!"--
+
+Men gaat voort met visschen.--
+
+De Engelsche vischschuit komt al nader en nader en er klinkt een
+hevig gelach aan boord nu Jonge Kees zijne netten leeg ophaalt.
+
+"Hij lacht ons uit!" zegt een matroos.
+
+"Laat ze maar lachen! 'T is beter dat ze om ons lachen dan dat ze om
+ons huilen!"--
+
+Nu haalt de Engelschman zijne netten ook leeg op.
+
+Een hevig gelach klinkt er thans van De vrouw Neeltje. Ieder zijne
+beurt.
+
+Maar dat kan de Engelschman niet dulden! Hij mag uitlachen wien hij
+wil, maar niemand mag dat doen te zijnen koste. En in zijne boosheid
+neemt hij een der steenen, die op zijn dek liggen, en smijt dien naar
+den brutalen Vlielander.
+
+"Leer om leer kan ik je niet geven!" roept Jonge Kees, "maar smijt
+jij met steenen dan doe ik het met talhouten!"--
+
+Zjst--daar vloog er al een.
+
+Nu smeten al de Engelschen met steenen en al de Hollanders met
+talhouten.--Het was een grappig gezicht, vooral omdat geen van allen
+raak gooide.
+
+Jonge Kees houdt op met smijten en roept: "Legt neer dat hout!"--
+
+"Moeten we ons dan maar dood laten gooien?" vraagt er een.
+
+"Wel neen," zegt Jonge Kees, "maar als je niet bang zijt, dan weet
+ik wel wat!"
+
+"Bang? ' Ik en weet niet wat bang is!"
+
+"Mooi, dan gaan we dien Roorok enteren, en als we 't gedaan kunnen
+krijgen, dan zullen we die luI aan hun eigen boord een pak rammel
+geven!"--
+
+"Dat 's goed! Dat doen we!" roepen ze allen en in een oogenblik ligt
+De vrouw Neeltje tegen The Seal.
+
+Vlug als katten springen de Hollanders met een talhout in de hand en
+het kaakmes in den mond aan boord van den Engelschman, die, na bont
+en blauw, geslagen te zijn, in zijn ruim vlucht.
+
+"Spijkert het dicht, spijkert het dicht!" roept Jonge Kees en houdt,
+onderwijl er een man naar boord terugkeert om hamer en spijkers te
+halen, met vier man bij het luik de wacht.
+
+De ander is spoedig terug, en daar gaat het,-- klop-klop-klop, de
+eene spijker na den anderen wordt er flink ingedreven.--'T is of het
+nooit meer open moet.
+
+"En nu naar huis," zegt Jonge Kees.
+
+Daar heerschte pret op Vlieland toen De vrouw Neeltje met zoo'n flinken
+prijs aankwam, en er werd dadelijk besloten, dat Jonge Kees en zijne
+matrozen het vaartuig naar Amsterdam mochten opbrengen.
+
+De Admiraliteit van Amsterdam hoorde met wonder veel genoegen het
+verslag van het gebeurde aan en gaf Jonge Kees en de zijnen de
+Engelsche vischschuit met alles wat er op en in was. De visschers
+werden gevangen gehouden.--
+
+Vroolijk begaf Jonge Kees zich thans aan boord van The Seal, maar eer
+hij nog van den wal gestoken was, kwam Dr. Andries Bicker, lid van
+de Admiraliteit, aan de loopplank, en verzocht den jongen stuurman
+te spreken.
+
+Jonge Kees verscheen.
+
+"Het Collegie der Admiraliteit zendt mij tot u af, om je te vragen of
+je niet aan boord van Tromp zou willen dienen. Hij moet een stuurman
+hebben!" zeide Bicker.
+
+De flinke knaap, die ook wel wist, dat het Vaderland bedreigd werd,
+had wel lust, doch wilde eerst zijnen vader daartoe verlof vragen. Het
+zou in alle gevallen maar voor zoolang zijn als de oorlog duurde.
+
+Toen Jonge Kees den heer Bicker gezegd had wat hij wilde doen, vond
+deze het goed mits hij dan maar spoedig bericht zond; want Tromp was
+erg verlegen.
+
+Niet dan met veel moeite gelukte het hem zijn vader over te halen;
+maar toen deze daartoe verlof gaf, was er niemand blijder dan hij. In
+plaats van een bericht aan de heeren te sturen ging hij zelf, zoodat
+we hem een paar dagen later alweer voor Dr. Bicker zien staan.
+
+"Het doet ons veel genoegen, Jonge Kees," zeide deze, "dat ge uw
+Vaderland dienen wilt ook daar, waar er meer eer dan voordeel te
+behalen is. Maar eer zult ge behalen; wij beginnen er nu al mede!"--en
+dit zeggende hing hij den blozenden knaap een eerepenning aan een
+rood-wit-blauw lint om den hals.
+
+"Hoezee!" juichte Jonge Kees zonder op de tegenwoordigheid van zoovele
+aanzienlijke personages te letten. "Hoezee! Als Huib en de Ammiraal
+me zoo terugzien, dan zullen ze net zoo blij zijn als ik ben! Ja,
+dat zullen ze! Hoezee!"
+
+En 't was zooals Jonge Kees gedacht had. De heer Bicker gaf hem eenen
+brief voor den Admiraal mede en toen Tromp dien gelezen had, gaf hij
+den knaap de hand en zei: "Jonge Kees, het Vaderland verwacht groote
+dingen van u! Blijf altijd zoo trouw, eerlijk en moedig, dan zal het
+u welgaan!"
+
+Jonge Kees bloosde van blijdschap en had de handen van Goede vaer
+Tromp wel willen kussen.
+
+Een groot deel der bemanning stond van verre toe te zien wat er toch
+gebeurde. De kampanje naderen om te luisteren durfde men evenwel
+niet; want de Admiraal was wel goed, maar ook gestreng en dikwijls
+had de een of ander, die al te vrijmoedig was, al eens moeten hooren:
+"Hoor eens, jongen, al te goed is buurmans gek, hoor!"
+
+Maar Tromp liet hem los en in een oogenblik was Jonge Kees onder de
+matrozen, die hem met allerlei vragen bestormden.
+
+De knaap stond echter niemand te woord en zag maar naar alle kanten
+rond.
+
+"Wien zoek-je, maat?" vroeg Adriaan.
+
+Jonge Kees zag den matroos met zijne fijne stem in het vriendelijke,
+baardelooze gelaat en zei: "Ik zoek Huib, Huib Maerlant!"--
+
+"Die is ziek; maar zelfs de barbier weet niet wat hem deert! Wij
+gelooven, dat hij het heimwee heeft," zeide Adriaan.
+
+"Dan zal ik hem wel beter maken," was het snel gegeven antwoord en
+in een omzien was hij beneden en stond voor de hangmat waarin de oude
+Huib lusteloos, bleek en vermagerd terneder lag.
+
+"Dag Huib, dag Huib! Hier ben ik alweer!" riep de knaap.
+
+
+ "Eylaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft,
+ 't Is uyt wanneer de wolf syn tanden over-leeft!"
+
+
+zeide Huib, zonder zich om te keeren.
+
+"Ben-je wel dwaas, Huib! Jij je tanden al overleefd hebben? Kom,
+vent, keer-je om! Kijk eens wie hier voor je staat en zie eens hoe
+mooi ik ben!"--
+
+Huib keerde zich om, doch nauwelijks had hij Jonge Kees gezien, of
+hij riep, terwijl hij beide handen van den knaap tusschen de zijne
+drukte: "Jij, Jonge Kees, jij hier? Ja, nou wordt de oude Huib weer
+beter! Ik had het heimwee naar je, jongen, en ik en durfde het niemand
+zeggen! Maar wat hangt daar op je borst te slingeren?"
+
+"Nou, kijk maar eens! Je mag wel zien hoe mooi ik ben!"
+
+"Een eerepenning? Hoe kom-je daaraan?"--
+
+De knaap vertelde het, maar onderwijl hij dat deed werd Huib steeds
+onrustiger. Hij keerde zich heen en weer en riep eindelijk: "Er uit,
+ik moet er uit! Help me dan toch, ik moet er uit!"--
+
+Daar stond hij van zwakte te waggelen als eene eend.
+
+"Jonge Kees, je zal het verder brengen dan ik, dat zal je! De goede
+God zegen je, jongen!" riep hij eindelijk en gaf den knaap op elke
+wang een kus.
+
+De zeelui waren de een na den ander naar beneden gekomen, doch Huib
+zag het niet. Eindelijk sloeg hij de oogen op en riep: "Ja, Jaantje,
+een meisken ben je vast, en jij daar, Gerrit Leinsz, dit is nou
+mijn Jonge Kees, en nou de jonge den ouwen weer opzoekt, nou zal
+het weer gaan als een lier op een' Zondag! Dit is nou Jonge Kees,
+daar ik zooveel van verteld heb; maar alles weet jelui nog niet. Het
+mooiste komt achteraan. Ziet jelui die eerepenning op zijn borst
+slingeren? Nou die...."
+
+"Neen, ik en wil niet dat je 't vertelt, Huib!" riep Jonge Kees.
+
+"Ja, ja, vertellen, vertellen!" klonk het in koor.
+
+Er was niets aan te doen; Huib zou zijn zin hebben en vertelde nu de
+geschiedenis van De Vrouw Neeltje en The Seal in al zijne kleuren.
+
+"'Ier ei-je m'n knuuste, joengen!" zei de lange Gerrit Leinsz. "Pak
+an, je bint mien kameraad ok!"
+
+"En de mijne, en de mijne!" riepen de anderen.
+
+Jonge Kees werd letterlijk verdrongen door die ruwe mannen, die met
+tranen van geestdrift in de oogen om de vriendschap van den jeugdigen
+held vroegen.
+
+Alleen Adriaan hield zich van achteren en eerst toen Jonge Kees alleen
+was, kwam hij naar hem toe en hem de hand biedende zeide hij blozende:
+"Wil je mijn vriend ook zijn, zooals je van Huib bent? Ik wil je
+voorbeeld volgen!"--
+
+"Welja," zei Huib, "dat kunnen we wel doen! De handen in
+elkander! Zie zoo, dat is er zes. Zoo sterk als een ketting! Wie kan
+die verbreken? Geen mensch; want ik zeg: Houw en trouw in nood en
+dood!--En wat zeg jij, jonge Kees?"
+
+"Houw en trouw in nood en dood!" klonk het ferm.
+
+"En jij, Jaantje,--neen, ik en wil je niet meer voor den gek
+houden; want je hebt verleden met die Roorokken gevochten als een
+leeuw;--Adriaan dus, wat zeg-je?"
+
+"Houw en trouw in nood en dood!"
+
+De stem was nauwelijks hoorbaar; maar toch was het: "Houw en trouw
+in nood en dood!"--
+
+
+
+HOOFDSTUK XI
+
+Miskend en Erkend.
+
+Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend
+man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar Duins in de hoop daar
+Blake te vinden.
+
+"Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te Duins is?" vroeg Jonge Kees.
+
+"Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal
+hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?"--
+
+"Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter
+verdienen. 'K heb met die Roorokken meer dan een appeltje te schillen,
+hoor!"
+
+"Daar ligt Duins," zeide Adriaan, "en ik zie de masten van groote
+schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!"
+
+Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet;
+want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake uitgeloopen
+was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den
+Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.--Tromp besloot al vast te kunnen
+beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door
+stilte en daarna door eenen fellen wind werd hij in zijn voornemen
+verhinderd.
+
+Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp
+bevel Blake op te zoeken. Eilacie, 't was te laat om een groot verlies
+te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen,
+niettegenstaande de oorlogsschepen, die deze vloot moesten beschermen
+zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja,
+dat kon hij ook, maar dan moest hij dien Blake toch vinden, en ziet,
+dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen.
+
+Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de
+Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht, die daarop
+volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen
+morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten verstrooid; ze had
+ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer.
+
+Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde
+schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar het vaderland
+terug te keeren.
+
+Nu was Leiden in nood en Holland in last.
+
+Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad,
+en waarop kwam het uit? Op groote verliezen.
+
+"'T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals
+haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen," zei de een.
+
+"De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een
+wonder mooie valk is!" sprak een tweede.
+
+"Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig
+wol! Omdat het geluk hem bij Duins gediend heeft, dachten alle
+luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal
+was!" schreeuwde een derde.
+
+"Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!" meende
+een vierde.
+
+"Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door
+zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die kerel zal wel
+al lang zijne schaapjes op het droge hebben!" liet een handelaar in
+koloniale waren zich hooren.
+
+De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was
+sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen uit de
+Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegien verhieven hunne
+stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat de Admiraal ter
+verantwoording geroepen werd.
+
+Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor
+een keer toch wel eens met een ander beproeven.
+
+Maar wien zou men nemen?
+
+De Ruyter? Ja, als dat kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van
+een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen den
+Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal
+verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet kon, dat
+kon niet, en men moest een ander zoeken.
+
+Douwe Aukes dan?
+
+Douwe Aukes? Wie was dat?
+
+Wel, hij was op het oogenblik in 't Vaderland om zijn schip, dat
+zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een man! Had
+hij De Struisvogel in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue,
+niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en
+de bemanning geworden zijn, als hij,--toen hij van alle zijden door
+den vijand werd aangetast en het volk den moed verloor,--niet met
+eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had:
+"Houdt moed jongens, houdt moed! Als we 't niet meer houden kunnen,
+dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten
+om niet schandelijk gevangen genomen te worden!"--
+
+Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo
+onervaren!
+
+De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de
+Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen kon? Hij
+was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom
+hem niet?
+
+Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er
+was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met eene vloot in de
+Middellandsche zee om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen
+en de Turken te beschermen.
+
+Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de
+Noordzee. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze
+geen moed had! Was er een op de vloot, die durfde wat hij waagde
+te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij
+vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan beleid
+bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een
+weinig bedaarder zijn!
+
+Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar....
+
+Nu maar?
+
+De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem!
+
+Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeelui
+zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het met hem wel
+eens beproeven!--
+
+Het werd beproefd en 't Kregelige Mennonietje, de man, die geene
+vrees kende, die goed en bloed voor 't Vaderland veil had, die, al
+had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn
+Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne jeugd vervuld:
+hij was bevelhebber eener vloot!
+
+"Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?" zeide op zekeren dag
+Adriaan tegen Huib.
+
+"Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd
+hebben!"
+
+"Hoe bedoel-je dat?"
+
+"Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten
+tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die overwonnen
+heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is
+er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt Jonge Kees van den
+Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!"
+
+Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen
+had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om hun eene
+mededeeling te doen.
+
+"Laat alle man op het dek komen!" beval de kapitein met een gelaat,
+dat op eene noordsche bui geleek. "Ik heb u allen wat te zeggen!"--
+
+In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide
+de kapitein: "Mannen, de Vereenigde Provincien worden thans door oude
+vrouwen geregeerd, of een booze geest is in 's Lands Raadzaal gevaren!"
+
+Doodsche stilte.
+
+"Onze Goede Vaer Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de
+held van Duins, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen
+en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan
+den onvergetelijken Piet Hein, die milioenen thuis bracht,--die
+man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening
+geschoven, en,--als het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen
+lachen,--men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot
+uit elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder
+aan te vallen! Maar, al is Goede Vaer in ongenade bij de regeering,
+toch niet bij ons! Leve Goede Vaer Tromp!"--
+
+Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen
+der zee: "Leve Goede Vaer Tromp!"--
+
+Weer was er een oogenblik van stilte.
+
+"Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier
+aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!"
+
+"Geen vloekbeest hier aan boord!" klonk het uit den hoop.
+
+"Wij jagen hem een kogel door den kop!" riep een ander.
+
+"Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!" bromde Gerrit Leinsz. "Ik
+en wil onder zoo'n ruw stuk vleesch niet dienen!"--
+
+"Weg met het Kregelige Mennonietje!" schreeuwde Huib.
+
+Daar klinken riemslagen.
+
+De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip.
+
+"Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt
+den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze Jonas en
+stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier
+een handspaak! Leve Goede Vaer Tromp! Weg met Witte!" zoo klonk het
+van alle kanten.
+
+Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige
+schip zonder een voet op het dek gezet te hebben. Het kost hem eene
+ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te
+geven, en aan boord te springen om de oproerkraaiers geheel alleen
+aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden
+hem ernstig op het hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat
+Tromp verkorven had. En dat wilde, dat wenschte hij! Hij zou eerst
+zichzelven overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren.
+
+In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die
+gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker was
+dan een held, die steden verovert.
+
+Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook
+Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een held ziet,
+die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne
+ondernemingen is.
+
+Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij
+dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen was om hem te
+bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins
+zich met De With te vereenigen. Dit gelukte hem en hierdoor was De
+With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den
+Engelschman was veel beter ten strijde uitgerust dan de onze. Toch
+zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen
+beloopen, leden zijne schepen zooveel schade, dat er verscheidene
+naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden
+blijven. Dit was ook het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip
+waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op De Gorcum,
+kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van
+"Boer Jaap" had.
+
+Zoo kwam de achtste van Wijnmaand.
+
+Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij Duins aan te
+tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat
+de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers bij elkander te
+roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den
+slag te vereenigen.
+
+Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De
+Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den vijand
+onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake,
+wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen zou hebben.
+
+Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde
+en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel
+anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten
+zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel aan het
+gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene
+lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With te gehoorzamen. De
+haat tegen dien man ging zoo ver, dat ze de belangen van het Vaderland
+er aan opofferden.
+
+Midden in het gevecht bevindt zich De Gorcum. Haar grooten mast,
+fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt.
+
+"We zijn verloren! Een ieder redde zich!" roept Boer Jaap en springt
+met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en vlucht.
+
+De Engelschen naderen om het schip te nemen.
+
+"Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten
+nemen!" riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten.
+
+"Staat, lafhartige kerels!" dondert thans de stem van den opperstuurman
+Willem Adriaense Warmont. "Niet voor De With vechten wij, maar voor
+de eer van 's Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of
+jongens van onzen Goeden Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!"--
+
+"Ik zal ik je 'n andje 'elpen," roept Gerrit Leinsz, en zich met
+eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept hij:
+"Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te
+gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, 'oor!"--
+
+De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen
+wat hij niet meende.
+
+Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen:
+"Dood aan de Roorokken! Leve Goede Vaer Tromp!"
+
+Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig
+gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen moed zoo op,
+dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den
+vijand verdreven.
+
+De Gorcum was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar
+binnen op veilige reede. [27]
+
+De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande
+gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de kapiteins,
+die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten
+ze zich nog de woorden hooren toeduwen: "Voor lafaards is nog hout
+genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!"
+
+Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de
+vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er voor De With
+niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend
+terug te trekken.
+
+Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen,
+bestond daarin, dat hij bij de Algemeene Staten eene aanklacht tegen
+de weggeloopen kapiteins inzond.
+
+Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten
+veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste
+wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With
+tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden.
+
+Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke
+verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had zich geschikt naar
+de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk
+zijne schuld niet, dat het eerste gevecht niet reeds eene overwinning
+was geweest; maar ... "wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!--
+
+De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal
+Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan.
+
+De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend!
+
+Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van
+vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef hij: "Want
+met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene
+de minste bekommering; maar dat ik, alles doende ten dienste van het
+Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld
+ben aan de verdenkingen en de afgunst van kwaadwilligen, en, na alles
+wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven
+heeft, te hebben aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van
+mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het
+wat mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!"
+
+Goede Vaer Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat
+hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster tegen
+hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn
+eigenbelang.--
+
+Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder
+met het opperbevel belast was en de goede geest, die op dat bericht
+zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht.
+
+"Heb ik het niet gedacht?" riep Huib. "Ze kunnen Goede Vaer niet
+missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was het
+vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?"
+
+"Houw en trouw!" was beider antwoord.
+
+
+
+HOOFDSTUK XII
+
+Daar werd gestreden.
+
+Als bevelhebber van 78 oorlogschepen ging Tromp den eersten van
+Wintermaand onder zeil. Tweehonderd koopvaarders hadden zich onder
+zijne bescherming gesteld en na verloop van eenige dagen werd het
+aantal schepen van oorlog zelfs tot over de honderd gebracht.
+
+Deze vloot had gerust de "Onoverwinlijke" mogen heeten, als
+ze maar niet zoo gebrekkig samengesteld ware geweest, en die
+gebrekkige samenstelling weer was een gevolg van het bestaan van vijf
+Admiraliteits-collegien, die elkander in vele opzichten dikwijls zeer
+vijandig waren. Naijver was er altijd, en inplaats dat die naijver
+de leden dier Collegien aansporen zou om door daden met de andere te
+wedijveren, bleven ze dikwijls met hunne daden achter, omdat ze zich
+in deze of die opzichten verongelijkt gevoelden. Zelfs vreemdelingen
+viel dit in het oog.
+
+Tromp verdeelde zijne vloot in vier smaldeelen. Hij zelf nam het
+eerste; het tweede gaf hij aan zijnen stadgenoot Witte Cornelisz. De
+With, doch daar deze door ziekte verhinderd was aan den tocht deel te
+nemen, liet hij het bevel er van aan Michiel Adriaensz. De Ruyter. Het
+derde stelde hij onder de bevelen van den Zeeuwschen Vice-Ammiraal
+Jan Evertsen en het vierde vertrouwde hij aan den Schout-bij-Nacht
+Pieter Floriszoon toe.
+
+De geheele vloot bestond thans, daar er nog vele koopvaarders
+bijgekomen waren, uit bijna vijfhonderd zeilen.
+
+Aanvankelijk beloofde deze tocht alweer niet veel goeds; want wind en
+regen en nog eens regen en wind noodzaakten Tromp naar de vaderlandsche
+kusten weder te keeren.
+
+Eerst den 9den van de maand kwam de vloot te Dover aan en den 10den
+kwam het tot eene ontmoeting met de Engelschen onder Blake.
+
+Al aanstonds bij den aanvang van het gevecht werd Tromp door twee
+groote schepen De Bonaventura en De Rozenkrans aangevallen. Hevig was
+het gevecht en het vermoeden is niet zoo heel onwaarschijnlijk, dat
+de twee Engelsche kapiteins gezworen hadden, dat ze den Hollandschen
+Admiraal levend of dood hunnen bevelhebber zouden aanbieden. Maar,
+kon onze Marten de kogels, die, uit een vreeselijk schrootvuur op hem
+gericht werden, niet van zich weren, dan zou de vijand toch ervaren,
+dat een man als Tromp wel sneuvelen, maar zich niet overgeven kon.
+
+"Marten, berg-je!" riep eensklaps Huib toen hij zag dat een achttal
+musketten op hem gericht waren.
+
+Tromp boog zich en zes kogels doorboorden den wand van de hut waartegen
+hij geleund had.
+
+"Kinderen, nu moet het ons gelden! Elk doe zijn best!" sprak hij tot
+de matrozen en zich even tot Huib wendende, vroeg hij: "Zijt gij niet
+mijn oude speelmakker Huib Maerland?"
+
+"Jawel, Ammiraal!" was Huibs verlegen antwoord; want hij schaamde
+zich dat hij van een onbewaakt oogenblik gebruik had gemaakt en Marten
+bij zijnen naam had genoemd.
+
+"Zoo gaat het goed, Huib!" zeide Tromp lachend, doch verwijderde zich
+terstond om elders nieuwe bevelen te brengen.
+
+"Hij kent me nog, die ouwe, trouwe, goeie Marten!" fluisterde Huib
+en pinkte een traan van blijdschap weg.
+
+Daar lag De Rozenkrans tegen het Admiraalschip aan. Het want liep
+in elkander.
+
+"Huib, Huib, dat gaat er van langs!" riep Jonge Kees. "Als er nu
+niet spoedig een einde aan komt dan zullen de haaien gauw met mijn
+eerepenning zich opschikken! Maar wat ga-je doen? Huib, ben-je
+dol? Huib, Huib dan!"
+
+'T was te laat; Huib hoorde niet meer!
+
+Met eene vlugheid, die men niet bij den ouden zeerob zou gezocht
+hebben, slingert hij zich in het want, klimt in den grooten mast van
+De Rozenkrans en....
+
+"Hoezee! Hoezee!" klinkt het uit de hoogte.
+
+Huib scheurt de Engelsche vlag in flarden en laat de stukken met
+den opkomenden wind wegwaaien. De Hollandsche vlag wordt er opgezet,
+en na nog twee keer "Hoezee! Hoezee!" geroepen te hebben, daalt hij
+zoo vlug als eene kat naar beneden en komt ongedeerd aan boord van
+zijn schip terug.
+
+"Huib Maerland, je bent een held!" roept Tromp. Maar Jonge Kees pakt
+den ouden matroos beet en omhelst hem, zeggende: "Huib, wat ben ik
+blij dat jij mijn vrind bent!"
+
+"Stil, Jonge Kees, stil! Kijk eens, wie wordt daar weggedragen?"
+
+"'T is Adriaan, ik zie het! 'T is Adriaan! Ik ga hem even
+troosten!" roept Jonge Kees, maar wordt in zijn wensch teleurgesteld,
+want niemand mag naar beneden als hij tot de dekmaats behoort.
+
+Al vinniger en vinniger werd de strijd en ware Jan Evertsen niet juist
+van pas te hulp gesneld, dan had Tromp met heel de bemanning zich
+moeten doodvechten of... zich gevangen geven!--Neen, niet gevangen
+geven, dat deed een man als Tromp niet, dat wilden mannen als Huib
+Maerlant en Gerrit Leinsz. niet.
+
+De laatste had immers nog eene brandende lont en beneden was nog
+buskruit!
+
+"Jae, jae, Jan Evertsen komt Goede Vaer 'elpen! toe mer joengers,
+saobelt ze neer, slaet ze dood! Ik eb ik ok nog wat!" roept Gerrit,
+maar het geluid van zijn schot gaat onder het gedonder van honderden
+vuurmonden geheel verloren.
+
+Maar al hoort men het schot niet, de kogel treft toch zijn doel. De
+groote mast van De Bonaventura stort krakend over boord en in de
+blijdschap zijns harten maakt Gerrit eenen luchtsprong en schreeuwt
+weer: "Aoist! aoist!"--
+
+De vijandelijke schepen wijken en nu Tromp vrijer gezicht over zee
+heeft, ziet hij dat Blake weldra den strijd zal opgeven.
+
+"Houd moed, kinderkens, houd moed! 'T is nog om een kwaad half uur
+te doen!" klinkt de stem van Tromp.
+
+En alsof ze zooeven bij het gevecht zijn gekomen, zoo trekt iedereen
+aan het werk. Het voorbeeld van den wakkeren bevelhebber werkt
+ongelooflijk; maar dat hartelijke woord: "Kinderkens!" doet nog
+veel meer! Het is een tooverwoord, dat den vermoeide zijne krachten
+teruggeeft, den lafhartige moed inboezemt, den half stervende nog
+het wapen doet hanteeren.
+
+'T werd avond en het gevecht van dezen dag was beslist, --de Hollanders
+hadden overwonnen.
+
+Toen men geschaft had en weer ijverig aan den gang ging om den
+volgenden morgen het gevecht te hervatten, naderde de scheepsbarbier
+den Admiraal en fluisterde hem wat in het oor.
+
+Een oogenblik later liet Tromp zijnen ouden kameraad roepen.
+
+"Zoo Huib," dus begon hij en stak hem de hand toe, "wat ben ik blij,
+dat ik je al weer eens zie! Een heete dag geweest, nietwaar?"
+
+"Ja, Ammiraal!"
+
+"Maar je bent er nog niet veel op veranderd, Huib! Ik zou 't je niet
+graag nadoen! Je hebt een verdienstelijk werk gedaan en ik zal zorgen,
+dat Hunne Hoogmogenden uw heldenfeit te weten komen! Maar zeg eens,
+heeft Jonge Kees nog eene zuster?"--
+
+"Ik en weet niet, Ammiraal!"--
+
+"Zoo; maar ken-je dien Adriaan ook al lang?"
+
+"Sinds eene maand of zes, Ammiraal! Toen is hij aan boord gekomen en
+bracht een hart mede daar staal en vuur in zat!"
+
+"Je sprak wel eens met hem, is 't niet?"
+
+"Jawel, Ammiraal!"
+
+"En nooit iets opgemerkt?"
+
+"Nee, Ammiraal, en--ja, toch wel wat!"
+
+"Nu, wat dan?"
+
+"Dat hij zulk eene fijne stem heeft en geen baard kan krijgen!"
+
+"Ei-ei!"
+
+"Ja, en daarom noemden wij hem wel eens uit gekheid: "Jaantje" of
+"Adriana"!"
+
+"Maar als het nu eens werkelijk een meisje was, wat zou je dan zeggen?"
+
+"Dan zou ik zeggen, dat ik het altijd gedacht heb. Mar,
+... Ammiraal! Maar voor een meisje is ze toch heel wat mans en menig
+matroos, ja, menig kapitein heeft ze 't in moed, dapperheid en trouw
+aan den Lande afgewonnen!"--
+
+"Je weet wel, Huib, wat Joost Van den Vondel van Huig De Groots vrouw,
+de edele Maria Van Reijgersbergen gezegd heeft:
+
+
+ "Een vrou is duizent mannen t' ergh.
+ "o Eeuwighe Eer van Reygersbergh!"
+
+
+Zoo even is de barbier bij me geweest en deze zei: "De matroos
+Adriaan is een meisje! Ze heeft een schrampschot in het rechterbeen
+gekregen! Jij als goede vrind van die arme meid moest nu haar
+oppasser worden en zorgen, dat er geen mensch van de bemanning achter
+komt. Het kind zou zich dan zeker schamen en dat heeft ze aan ons
+niet verdiend!"--
+
+Huib beloofde dat hij haar oppassen en haar geheim aan niemand
+verklappen zou, en het moet tot zijne eer gezegd worden, dat hij het
+zelfs voor Jonge Kees verzweeg.-- [28]
+
+Den volgenden morgen was de vloot weer in slagorde geschaard doch
+Blake was naar Duins geweken en bracht zich in veiligheid op de Theems.
+
+Terstond liet Tromp de onderbevelhebbers en de voornaamste kapiteins
+aan boord seinen.
+
+De eerste, die aan de oproeping gevolg gaf was Michiel Adriaensz. De
+Ruyter.
+
+"Kijk eens, Huib. wat een patertje Goedleven!" zei Jonge Kees.
+
+"Een echte zeerob! Maar heb ik je 't niet gezegd, dat die De Ruyter
+nog eens een man worden zou, die de lust van ons kleine Landje zal
+zijn? Hij is al mooi op weg!" sprak Huib.
+
+"En dat is noe een lans van mien!" zei Gerrit. "Wat 'n patente kerel,
+e? 'T is een veint as'n beer!" [29]
+
+Vriendelijk naar alle kanten groetende trad De Ruyter op Tromp toe. De
+kloeke, zwaargebouwde zeeman met de kleur der gezondheid op de bolle
+wangen, en met opgeruimdheid, kracht en moed in de donkere oogen,
+was op dit oogenbilk vijfenveertig jaar oud.
+
+"Dag, De Ruyter, hoe maak-je 't?" zei Tromp en stak de hand uit.
+
+De hand van "Vlissinger Michiel" scheen intusschen wel een soort van
+bankschroef te zijn; want Tromp zette een eenigszins pijnlijk gezicht
+toen De Ruyter de aangeboden hand met echte zeemansrondheid schudde.
+
+"Best, best, Ammiraal! Jongen, dat heeft gisteren een warm daagje
+gegeven, he? '--
+
+"Ja, ik had niet gedacht dat Blake zoo gauw krimp zou geven!"
+
+"Nou, hij zou misschien zelf wel niet aan 't wandelen gegaan zijn;
+maar als een mensch gekwetst is dan....
+
+"Zoo, is Blake gekwetst?"--
+
+"Hoezee! Hoezee! Hoezee!" klonk het thans daverend uit den mond van
+een paar honderd matrozen.
+
+Het was een lange, magere man, die thans aan boord kwam.
+
+"Leve de Vice-Ammiraal Jan Evertsen!" riep het volk.
+
+Met een vriendelijken hoofdknik beantwoordde Evertsen het gejuich.
+
+"Het volk dankt je voor je kostelijk gedrag, Evertsen! Het dankt u
+omdat ge ons leven gered hebt, en ik voeg mijn dank bij den hunnen!"
+
+"Geen dank, Ammiraal! Ik deed mijne verschuldigde plicht. Gij
+zoudt hetzelfde gedaan hebben zoo ik in nood had gezeten! Dag, De
+Ruyter! Kerel, je zult nog zoo dik worden, dat je niet meer door de
+Rammekenspoort kunt! Sinds lang niet in Vlissingen geweest?"--
+
+"Neen, Evertsen, neen, ik heb nu te Amsterdam mijne huisgoden:
+
+
+ "Zeven kind'ren en een wijf
+ Zijn een aardig tijdverdrijf!"
+
+
+"Zoo, De Ruyter, heb-je zeven kinderen?" vroeg Tromp.
+
+"Wel neen, Ammiraal, dat is zoo maar bij manier van spreken!"--
+
+Thans kwam Pieter Florisz. aan boord.
+
+"Nou maar, als er een schip met dikke lui vaart dan gaat onze goede
+vriend Pieter Florisz. ook mee, hoor!"
+
+"Vindt ge 't, De Ruyter?" zei Florisz. tot den man wien hij die
+opmerking lachende hoorde maken.--"Ik wil je anders wel zeggen, dat
+een mensch niet zoo heel veel dagen, als gisteren, noodig heeft om
+zoo mager te worden als een talhout! Jongens, jongens, wat ging dat er
+van langs! 'K geloof dat ik de helft van mijn kruit verschoten heb!"--
+
+"Ja, Florisz., wij hebben ons hart als keuningen opgehaald! Maar gaat
+mede in de kajuit, daar komen de andere heeren!" sprak Tromp.
+
+Het was een mooi gezicht zooveel kloeke mannen bij elkander te
+zien. Daar had je vooreerst Jan De Liefde en De Haes, twee mannen,
+die zich de kaas niet van hunne boterham lieten halen; vervolgens
+Bastiaan Centen, Hendrik Jansze Camp, Jan Gideonsz. Verburgh, Jan
+Van Hoesen en Lein Pijcke en eindelijk, toen deze kapiteins ook al
+binnen gegaan waren, kwamen er nog een stuk of drie, die ook mochten
+genoemd worden, namelijk Brandt, Gilles Boone en Michiel Foort.
+
+De vergadering had plaats genomen en Tromp stond thans op.
+
+"Mannen, ik heet u allen van harte welkom op dezen scheepsbodem! Gij
+hebt gisteren allen getoond, dat het Vaderland op u vertrouwen
+kan! En, voor 't heil van den Lande te leven is schoon. De vijand is
+thans aan ons kanon ontweken en heeft zich in veiligheid gesteld op
+de Theems. Wat zullen wij thans doen om Hunne Hoogmogenden zooveel
+redenen tot tevredenheid te geven als ons mogelijk is?"
+
+"Den vijand uit zijne laatste verschansing jagen!" riep De Ruyter.
+
+"Dat is eene gevaarlijke onderneming!" sprak Evertsen.
+
+"Ik dacht dat een echte Vlissinger geen gevaar kent!" merkte Jan Van
+Hoesen aan.
+
+Wij zijn de vloot niet, kapitein!" antwoordde Evertsen kalm. "Al wil
+ik mijn leven wagen, daarom is het nog niet gezegd, dat ik er het
+welzijn van den Lande mede bevorderen kan! Overigens als het algemeen
+gevoelen is dat we de Theems zullen opzeilen, ik zal medegaan en mijn
+plicht doen!"
+
+"Ik houd het er voor dat het wel kan," zeide De Ruyter, "edoch,
+daar komt een groote maar bij!"
+
+"En dat is?"' vroeg Tromp.
+
+"Wij en hebben geene geschikte loodsen!" was het antwoord.
+
+"En aan een Roorok zijn bodem te vertrouwen, dat gaat niet! De kerel
+zou ons zoo kostelijk omhoog laten zeilen, als je 't ooit gezien
+hebt!" meende Pieter Floriszoon.
+
+Na veel over- en weerpraten werd het voorstel van Tromp in stemming
+gebracht. Eene kleine meerderheid besliste om zijn plan ten uitvoer te
+leggen, doch toen men in ernst begon te overleggen, hoe de zaak moest
+aangelegd worden, kwam het er op uit, dat men eerst maar geschikte
+loodsen moest zien te krijgen, en had men die, dan kon men verder zien.
+
+Later bleek het dat De Ruyter goed geoordeeld had; want loodsen waren
+nergens te krijgen. De zaak had dus geen voortgang.
+
+Gedurende eenige weken bleef Tromp nu op de Engelsche kusten kruisen,
+en bracht eindelijk eene vloot van meer dan honderd koopvaarders
+door Het Kanaal heen in den Oceaan, waar ze tamelijk veilig hunne
+reis konden voortzetten.
+
+Hij zelf liet te Sint Martin, eene stad op het eiland Re, de schade,
+die zijne schepen in het gevecht bekomen hadden, herstellen en ging
+niet eer in zee, voor alles weer zoo goed mogelijk in orde was.
+
+Intusschen hadden zich weer een honderdvijftig rijkgeladen koopvaarders
+onder zijne bescherming gesteld, en met deze zeilde Tromp uit met
+het voornemen den schat van Oost en West in behouden haven te brengen.
+
+Maar Olivier Cromwell was de man niet om na de geleden nederlaag met
+de handen in den schoot te gaan zitten. Neen, met eene verbazende
+snelheid werd er weder eene sterke vloot uitgerust, en daar Blake
+nog niet geheel van zijne wonden hersteld was, zoo werd het bevel
+voor een gedeelte opgedragen aan George Monk, hoewel Blake altijd
+met het opperbevel belast bleef.
+
+De Engelschen telden zeventig schepen waaronder er waren van de
+grootste soort.
+
+Op de hoogte van Portland stieten de vloten op elkander en dadelijk
+besloot Tromp den vijand aan te tasten.
+
+Onze Admiraal, die met Pieter Florisz. de voorhoede kommandeerde,
+viel eerst Blake aan en deed dat door hem eerst van bakboord en daarna
+van stuurboord de volle laag te geven.
+
+"Dat zal er weer spannen, Jonge Kees!" zeide Adriaan, die van zijne
+wonden hersteld was en weer dienst deed als gewoon matroos. De Ammiraal
+had haar hiertoe de vergunning gegeven tot ze weer in het Vaderland
+zouden aangekomen zijn.
+
+"Ja, Adriaan, dat zal het net!" zei Jonge Kees.
+
+"Ben-je zoo nu en dan toch niet eens bang, dat je doodgeschoten zult
+worden?" vroeg Adriaan weer.
+
+"Nu, een enkele maal denk ik er wel eens aan en dan wordt het mij raar
+om het hart. Maar als ik dan zie hoe Goede Vaer Tromp zich weert,
+dan zeg ik tot mij zelven: "Flauwerd, denk-je weer om je moeders
+pappot? Pak an, anders gaan ze nog aan 't schijfschieten op je luie
+lichaam!"
+
+"Wat staat gij daar te parlesanzen als ge kloppen moet? Hei daar,
+jij met je mooie eerepenning, steek je handen uit je mouw, of...."
+
+"Ik ga al, stuurman, ik ga al!" antwoordde Jonge Kees. "Maar zeg,
+zie-je wel, dat Blake zoo raar doet?"
+
+"Hij zelf of zijn schip? Wien of wat meen-je?"
+
+"Het schip, ik en ken hem niet!"
+
+"Welnu, hij ontwijkt het plekje waar ze zulke pepernoten strooien;
+ik denk voor 't naaste dat Gerrit Leinsz. hem weer een schot onder
+water gegeven heeft!"
+
+Andermaal gaf Tromp aan Blake de volle laag en bijna onmiddellijk
+daarop klonk het geschreeuw van den konstabel Gerrit:
+
+"Aoist! aoist! aoist! De baes eit piene in z'n buukje! Kiek 'm is
+gek doen!"
+
+Wend het roer!" kommandeerde thans Tromp.
+
+De stuurman deed het en richtte den steven naar den Oost-Indievaarder
+De Struis, kapitein Adriaen Cruick. Zulk een rijke buit zou den
+Engelschman welkom zijn! Met woede wordt hij aangevallen, maar Cruick
+geeft leer om leer.
+
+"Wat henker! is er dan geen mensch, die dien armen vent bijstaat, dan
+zullen wij het doen!" zeide Tromp. "Kan je geschut het halen, Gerrit?"
+
+"Jawel, Ammiraal, 'eel best!"
+
+"Mooi, geef jij dan die twee Engelschen, die daar dien Oostindievaarder
+zoo fel bestoken, eens hun bekomst!"
+
+"Ze zullen ze 'ebben, Ammiraal!" antwoordde Gerrit, en deed zooals
+hij zei.
+
+Voor den moedigen Cruick was het echter te laat; want hij stierf met
+den degen in de vuist en zwichtende voor al te groote overmacht.
+
+Niet ver van de plaats waar Cruick sneuvelde, lag kapitein Jacob
+Cleydyck, omringd door drie groote Engelsche schepen.
+
+"Ze krijgen me niet levend!" roept hij en verdedigt zich aan alle
+kanten. Toch zou hij het eindelijk hebben moeten opgeven, als niet
+de Zeeuwsche kapitein Regemorter hem te hulp gesneld was.
+
+"Daar komen ze, daar komen ze!" juicht hij en smijt zijnen hoed van
+het hoofd. "Nou zullen die Koningsmoorders peper eten!"
+
+Bom!--Bom!--
+
+De Engelschman, die het dichtst bij hem ligt, krijgt zijn laatste
+schot en zinkt in de diepte.
+
+"Kapitein, kapitein! wij zinken ook!" roept de stuurman.
+
+"Dat zie ik wel!" geeft Cleydyck ten antwoord, en met den degen
+in de vuist op den anderen Engelschman overspringende, roept hij:
+"Hier is de loopplank om bij Regemorter te komen!"
+
+Zijne manschappen volgen het voorbeeld van den wakkeren man. De
+Engelschen kijken verslagen rond en weten niet wat er eigenlijk
+gebeurt.--Ook Cleydycks stuurman waagt eindelijk den sprong, en zoo
+als hij zijn voet op het vijandelijke dek heeft, zinkt zijn eigen
+bodem achter hem.
+
+Keeds in het begin van het gevecht is Regemorter gestorven, zoodat
+Cleydyck niets beters weet te doen dan het bevel van het Zeeuwsche
+schip op zich te nemen, en dat bevel is hem zoo goed toevertrouwd,
+dat de beide aanvallers op de vlucht slaan.
+
+Een donderslag, die alles dreunen doet, die de zee doet bruisen en
+koken, wordt thans gehoord!
+
+"Wat is dat?" vraagt Jonge Kees verschrikt.
+
+"Wat gebeurt er?" vraagt Adriaan terwijl zijne kleur verschiet.
+
+Huib kent dat vreeselijk geluid zeer goed. Hij hoorde 't voor het
+eerst in de Baai van Gibraltar en ofschoon dat reeds zesenveertig
+jaar geleden is, toch herinnert hij het zich, alsof het pas gisteren
+gebeurd was. Naderhand heeft hij het meer gehoord; maar nooit maakte
+het op hem zulk een indruk als toen.
+
+"Er vliegt een schip in de lucht!" antwoordt hij kalm.
+
+"Vreeselijk!" zegt Jonge Kees.
+
+Adriaan zucht en fluistert: ,Heere, wees de zielen van zoovele arme
+menschen genadig!"--
+
+"Heb-je gezien wie daar in de lucht vloog, Huib?" vraagt Gerrit Leinsz.
+
+"Neen, weet jij het?"
+
+"Jawel, 't is Schelte Wiglema! Hij werd door twee Britten erg in het
+nauw gebracht!"
+
+"Dan heeft hij zelf de lont in het buskruit gestoken," zegt Huib. "Hij
+heeft het reeds meer dan eens gezegd, dat hij het doen zou! God hebbe
+zijne ziel!"
+
+"En de ziel van zoovele wakkere Friesche borsten!" murmelde Adriaan.
+
+"Amen!' fluisterde Jonge Kees.
+
+Hoe meer de zon ten ondergang neeg, hoe meer ook hier en daar het
+gevecht gestaakt werd, en toen de avond gevallen was, kwam alles
+tot rust.
+
+Van weerszijden had men de uren van den nacht meer dan noodig om de
+geleden schade eenigszins te herstellen.
+
+Tromp liet De Ruyter en Evertsen aan boord komen om met hen te
+overleggen wat er nu diende gedaan te worden.
+
+"Vochten we alleen voor de eer," zeide Evertsen, "dan zou mijn raad
+zijn den strijd voort te zetten. Maar we moeten eene vloot beschermen,
+en deze met hare rijke lading behouden binnen te brengen, moet nu
+ons hoofddoel zijn!"
+
+"Ook is onze krijgsvoorraad niet zoo wonder groot meer," merkte De
+Ruyter aan.
+
+"Zoudt gijlieden het dan goedkeuren, als we de koopvaarders insloten
+en ons bij eene verdediging bepalende, langzamerhand naar de Maas of
+Schelde terugweken?" vroeg Tromp.
+
+De Ruyter en Evertsen meenden van ja, en hiermede was de zaak, zooals
+men meende, beslist.
+
+Reeds vroeg in den morgen werden alle bevelhebbers aan boord geseind,
+en Tromp drukte allen op het hart toch te bedenken, dat ze Nederlanders
+waren en eenen eervollen naam droegen.
+
+Gedurende den nacht was Blake de Hollandsche vloot gevolgd. Die
+rijkgeladen koopvaarders waren een te rijken buit om dien zoo maar
+te laten glippen.
+
+Admiraal Tromp schaarde zijne schepen in slagorde en liet ze eene
+halve maan vormen. Tusschen de twee hoornen in kwamen de koopvaarders
+te liggen.
+
+Daar kwam Blake aan. Zijn voornemen was dwars door de halve maan
+heen te breken, doch tot zesmalen toe werd hij zoo moedig ontvangen,
+dat hij het voor de zevende maal niet meer beproefde.
+
+De bodems van De Ruyter en Florisz. waren bijna reddeloos geschoten;
+maar moedig bleven zij onverzwakt standhouden; zij wisten van geen
+wijken!
+
+Den ganschen dag door beproefde de vijand de koopvaarders te
+vermeesteren, hetgeen hem slechts met weinigen gelukte, en die nog in
+zijne handen kwamen, hadden het aan eigen onvoorzichtigheid te wijten.
+
+Van alle zijden kwam men Tromp berichten dat er gebrek aan kruit en
+lood was. Uit het eenige voorraadschip, dat hij bij zich had, liet
+hij uitdeelen zoolang de voorraad strekte; maar alras bleek het,
+dat er voor zulk een ontzettend gebrek op verre na niet genoeg was.
+
+En toch had men den vijand nog steeds in de nabijheid en het was aan
+alles te zien, dat Blake de behaalde voordeelen niet prijs zou geven.
+
+De derde dag kwam.
+
+Men bevond zich op de hoogte van Bevesier.
+
+Hier was het dat veertien jaren geleden de machtige Spaansche vloot
+door Tromp ontdekt werd, doch zijne kansen waren toen minder hachelijk
+dan nu!--
+
+De moedige man blikte peinzend over den waterspiegel.
+
+"Veertien jaren geleden reeds," mompelde hij. "Wat de vloot toen
+gebrekkig samengesteld was!--Wat is zij nu? Hebben de Staten-Generaal
+naar mijnen raad gehandeld? Ten deele; maar er ontbreekt nog zooveel.--
+De Engelsche vloot is een, en wij?--"Eendraght maeckt maght," wanneer
+zal dat daar ginds begrepen worden?"
+
+Nog lang bleef Tromp peinzend voor zich staren, doch eindelijk
+ontwaakte het oude heldenvuur.
+
+"De wind is even als gisteren in het voordeel van den vijand," bromde
+hij; doch de prediker, die bij hem aan boord was, deze uitdrukking
+gehoord hebbende, trad hem stoutweg op zijde en sprak: "Heer Ammiraal,
+er staat geschreven: "En sijt nyet besorgd tegen den morgen; want
+de morgen zal voor het zijne zorgen: elcke dagh heeft genoegh aen
+zijnszelfs quaed "--
+
+"Ge hebt gelijk," antwoordde Tromp. "Dat de manschap op het dek kome
+en bidden wij!"
+
+Met eerbiedige aandacht werd het gebed gevolgd en het scheen ieder toe,
+alsof er kracht in hunne matgestreden ledematen gekomen was.
+
+Te negen ure in den morgen greep Blake de Hollanders aan.
+
+Mannelijke tegenweer werd van alle kanten geboden, totdat enkelen,
+die volstrekt geen kruit of lood meer hadden den moed verloren en
+met volle zeilen op de vlucht wilden slaan. Tromp zag dat en sloot
+de vluchtelingen in.
+
+Met nog geen dertig schepen moest hij thans den vijand wederstaan
+en hij, De Ruyter, Evertsen, Floriszoon en anderen kweten zich zoo
+wakker van die moeielijke taak, dat twee uren voor zonsondergang de
+vijand het vervolgen staakte en afhield.
+
+'T was meer dan tijd; want geen half uur hadden de Hollanders den
+strijd kunnen volhouden. Ze konden hunne kanonnen toch met geen moed
+laden! En kruit was er niet meer.
+
+Tromp rustte een weinig uit toen hij den predikant andermaal voor
+zich verschijnen zag.
+
+"En sijt nyet besorgd voor den dagh van morgen!" sprak hij.
+
+"De Voorzienigheid heeft de oogen des vijands met blindheid geslagen,
+domine," zeide Tromp. "Een halfuur langer en..."
+
+"De Heere kent zijnen tijd!" sprak de ander.
+
+Een oogenblik later stonden de ruwe matrozen in eerbiedige houding
+het dankgebed na te prevelen, dat de domine uitsprak.
+
+En aan wien was nu de eer der overwinning?
+
+Aan de Engelschen.
+
+Omdat Blake zwaargebouwde schepen onder zijn bevel had, waagde hij
+zich niet te dicht bij de Vlaamsche kusten waarheen Tromp vechtende
+geweken was. Dat was de oorzaak dat hij afhield.
+
+Maar was Blake de overwinnaar, Tromp was de roemrijk overwonnene en
+zelfs een Engelsch schrijver zegt: "De overwinnaar Blake heeft geen
+grooter roem behaald-dan Tromp, die de overwonnene was!"
+
+Dat deze driedaagsche zeeslag ons op groote verliezen te staankwam,
+spreekt vanzelf. Vijf onzer oorlogsschepen werden vernield en vier
+werden door den vijand genomen. De koopvaardijvloot werd van vier en
+twintig bodems beroofd en menig wakker held verloor het leven.
+
+Thans waren de Staten-Generaal overtuigd, dat bijna allen van den
+Luitenant-Admiraal af tot den minsten bevelhebber toe gedaan hadden wat
+zij konden. De belooningen bleven dan ook niet achter. Tromp, Evertsen,
+De Ruyter en Florisz. kregen gouden kettingen met eerepenningen, en de
+mindere bevelhebbers ontvingen mede een blijk van tevredenheid. De
+moedige opperstuurman van de De Gorcum Willem Adriaense Warmont
+werd tot kapitein en Gerrit Leinsz., de kordate Smeerdieker, tot
+luitenant bevorderd. En onze Huib ontving op zekeren dag namens de
+Admiraliteit van de Maze eene belooning van vijfhonderd gulden voor
+zijn manmoedig gedrag bij het wegnemen der Engelsche en het vasthechten
+der Nederlandsche vlag.
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII
+
+Van Maassluis naar Livorno.
+
+De Bloeimaand was in 't land en strooide geur en kleur langs veld en
+wegen. Zelfs de stad droeg de kleuren van den Mei waar hier en daar
+een potje met voorjaarsbloemen voor de ramen stond.
+
+Maar blind voor al dat heerlijke en schoone der natuur en doof voor
+het gezang der vogelen, die op den boomtak en in de lucht hunne
+voorjaarsliedjes deden weergalmen, was de man die daar langs den toen
+nog weinig bewoonden weg van Schiedam naar Maassluis liep.
+
+Nu en dan rammelde hij met gerande zilverstukken of stond stil om er
+enkelen, die hij uit den zak haalde, te bekijken.
+
+"Was ik nu nog een twintig jaren jonger, dan wist ik wel wat
+ik deed. Maar nu, oud en ongeleerd, nergens goed voor dan voor
+matroos! Ver gebracht, Huib Maerlant, ver gebracht. Ze draven
+je allemaal voorbij. Warmont wordt kapitein en Leinsz. luitenant;
+Jonge Kees krijgt een eerepenning en ik... ik... ik krijg vijfhonderd
+guldens. Eene mooie som als ik maar wist wat ik er mee doen moest!--
+
+Maar, halt, wat ik er mee doen moet, dat weet ik toch!
+Waarom ga ik naar Maassluis?"--
+
+
+ "Wat zongh het vrolyck vogheleyn
+ Dat in den boomgaert zat?
+ Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn
+ Van ryckdom en van schat!"
+
+
+klonk het op een flinken toon een heel eind voor hem uit.
+
+Huib Maerlant hoorde het niet en liep mijmerend voort.
+
+
+ "Hoe ruischt de koelte in 't eickenhout,
+ En versch gesproten lof!
+ Hoe straelt de boterbloem als gout!
+ Wat heeft de wiltzangh stof!
+
+
+Huib hoorde wat van "eickenhout, boterbloem en gout," en begon het
+een met het ander in verband te brengen; maar het gezang hoorde hij
+echter nog niet goed, hoewel het steeds nader kwam.
+
+
+ "Wat is een dier zyn vryheid waert!
+ Wat mist het aan zyn wensch;
+ Terwyl de vreck zyn potgelt spaert!
+ O slaef! O, arme mensch!"
+
+
+"Nu nog mooier! Nu ik "potgelt" heb,zou ik een "vreck" zijn. Neen,
+ik en ben geen "vreck", ik en wil geen "vreck" zijn ook!"
+
+Het gezang klonk nu heel dichtbij.
+
+
+ "Waar groeien eicken 't Amsterdam?
+ O kommerziecke Beurs,
+ Daar noit genoeghen binnen quam!
+ Wat mist die plaets al geurs!
+ Wy voghels vlieghen warm gedost
+ Gerust van tack tot tack.
+ De hemel schaft ons dranck en kost,
+ De hemel is ons dack.
+
+ Wy zaeien noch....."
+
+
+Het gezang houdt ineens op en een stoere varensgezel van ongeveer
+zeventien jaar snelt op den eenzamen wandelaar toe en roept: "Huib,
+Huib, waar jij heen?"
+
+Huib kijkt op en ... "Bijlo, kwajongen, je laat me schrikken. Waar
+kom-je vandaan, Jonge Kees?"
+
+"Wel, ik ben eens even naar Vlieland geweest en op zee ben ik
+overgestapt op eene visschersschuit van Maassluis! En waar gaat
+gij heen?"
+
+"Ik ga naar Maassluis!"
+
+"Naar Maassluis? En dan?"
+
+"Naar Rotterdam!"
+
+"En dan?"
+
+"Aan boord!"
+
+"Dan ga ik met je mee! Dat treft! Ik en had niet gedacht dat ik zulk
+schoon gezelschap hebben zou!"
+
+"Jawel, maar kan-je hier niet blijven wachten tot ik terug ben?"
+
+"Zeker kan ik dat; maar dat en doe ik liever niet! Goed gezelschap
+maakt korte mijlen, Huib!"
+
+"Nou, ga dan maar mee! Je mag ook wel weten wat ik doe!"
+
+"Je maakt me nieuwsgierig, Huib!"
+
+"Dat kan wel zijn; maar ik en zeg toch nu nog niet wat ik daar ginds
+ga uitvoeren!"
+
+"Mij goed, ik kan wel zoo lang wachten!"
+
+Gedurende een vijf minuten liepen onze twee bekenden langs den weg
+zonder een woord te spreken. Dat begon Jonge Kees te vervelen en in
+de hoop, dat hij zijn makker wat opvroolijken zou, zette hij Joost
+Van den Vondels keurigen Wilt-zangh voort.
+
+
+ "Wy zaeien noch wy maeien niet:
+ Wy teeren op den boer.
+ Als 't koren in zijn airen schiet
+ Bestelt al 't land ons voer.
+ Wy minnen zonder haet of nyt.
+ En danssen om de bruit:
+ Ons bruiloft bint zich aan geen tydt,
+ Zy duurt ons leven uit!"
+
+
+"Ben-je al getrouwd, Jonge Kees?" vraagt Huib eensklaps.
+
+Een luide schaterlach, die de vogels opjaagt en de kikvorschen van
+schrik in de sloot doet springen, klinkt langs den weg.
+
+"Nou, ik en zie niet in waarom jij daar zoo om lachen moet!"
+
+"Ik wel," zei Jonge Kees, "ik wel! Ik ben pas drie weken van boord
+en nog geen zeventien jaar oud! Is dat niet om te lachen?"
+
+"'T is waar ook, Jonge Kees, 't is waar ook.--Maar zeg, weet-je wat
+ik van de Ammiraliteit van de Maze gekregen heb voor het neerhalen
+van de Engelsche vlag?"
+
+"Neen! Een toebacks-doos?"
+
+"Ik en drink geen toeback! Neen, vijfhonderd gulden!"
+
+"Vijfhonderd gulden? Maar, Huib, dan ben-je een rijk man! En wat zal
+je er mee doen?"
+
+"Die breng ik naar Maassluis bij eene goede vriendin van me om ze
+voor me te bewaren!"
+
+"Bij eene goede vriendin! Huib, Huib! Vroeg-je daarom of ik getrouwd
+was? Zoo'n oude paai! Hij is bang dat ik hem zijne vriendin onder de
+hand ontfutselen zal! Huib! Huib!"
+
+Op deze wijze werd het gesprek voortgezet tot ze te Maassluis kwamen
+en daar een eenvoudig huisje binnentraden.
+
+"Goeden morgen, vrouw Lanoy! Is je dochter thuis?"
+
+"Ik en weet niet, ik, mannen, mijne dochter.. maar.."
+
+De dochter had evenwel de stem van Huib gehoord en kwam uit het
+schuurtje, dat bij de achterdeur was, in haar werkpak te voorschijn.
+
+"Dag Huib! dag Jonge Kees!" zei ze.
+
+"Dag Adriana!" sprak Huib en Jonge Kees bromde dien naam na, doch stond
+heel vreemd op te kijken, dat een meisje, dat hij, zoover hij wist,
+nooit gezien had, zijnen naam kende. Toch kwamen die gelaatstrekken
+hem wel bekend voor, maar ...
+
+"Komt binnen, komt binnen! je treft het, moeder heeft net de koffie
+gezet!"
+
+Die stem kwam Jonge Kees ook bekend voor. Maar waar kon hij die
+Adriana gehoord of gezien hebben?
+
+"Nou, even willen wij wel binnen komen; maar ik en heb niet veel tijd
+en deze jonge borst ook niet. Wij moeten vanavond nog te Rotterdam
+zijn, zie-je!"
+
+"Kom, kom, een bakje troost nemen, daarvoor is er toch tijd genoeg
+zou ik meenen! Maar ik en wist niet dat je me zoo gauw zou komen
+opzoeken! Er is toch geene zwarigheid, wel?"
+
+"Nou, zwarigheid neen en ja! Mijne zakken zitten tot berstens toe vol
+met guldens, die ik gekregen heb voor het afhalen van de Engelsche
+vlag. En daar ik zonder maagschap ben en niet en weet waar ik dat
+geld veilig zal laten, zoo kom ik vragen of ik het jou geven mag. Ik
+en heb het niet noodig!"
+
+"Welzeker, we willen het dolgeern voor je bewaren, nietwaar moeder?"
+
+"Ja, ja, kind, dat willen we! Daar boven in dat kastje in eene kous
+of in die oude pulle daar op het kabinet!"
+
+"Bewaren?" roept Huib, "neen, dat meen ik niet! Ik geef het jelui om
+het te gebruiken!"
+
+"Jaantje, is dat die Huib Maerlant, die je aan boord zoo goed opgepast
+heeft, toen je dat schampschot aan je been gekregen hadt?"
+
+Jonge Kees sprong op! Thans wist hij wie dat meisje was en naar het
+blozende Jaantje, die haar geheim door hare moeder zoo eensklaps
+verraden zag, gaande, sprak de flinke knaap: "Oude makker, nou ken ik
+je! Nou weet ik wie je ben! Moeder Lanoy, je dochter is eene heldin!"
+
+"Ja, jongen, daaraf heeft ze ook mooie brieven! Jaantje, kind, haal
+die pampieren ereis!"
+
+"Welke brieven zijn dat?" vroeg Huib.
+
+"Och, het zijn maar brieven vanwege de Ammiraliteit van de Maze!"
+
+"Ja mannen, en ze wordt daarin wat geprezen! o, Ze zijn zoo mooi! Als
+ik de leeskonst machtig was, dan las ik die brieven driemaal per
+dag! Toe dan, kind, haal ze eens!"
+
+Jaantje voldeed aan het verlangen harer moeder en reikte ze Huib en
+Jonge Kees over, die beide hun best deden om dat geschreven schrift
+met slingertjes, slangetjes en krulletters te lezen.
+
+Een paar uren brachten Huib en Jonge Kees in de woning van de weduwe
+en dochter door, en verlieten haar na eenen stevigen maaltijd, en na
+de belofte gedaan te hebben gauw terug te komen.
+
+De vijfhonderd gulden bleven bij haar in bewaring. De moeder had ze
+in eene kous en in de ledige pulle geborgen.
+
+"En nou vraag ik je nog eens, Jonge Kees, of je getrouwd bent, ja
+ofte neen!" zei Huib toen Maassluis achter hem lag.
+
+"Ik heb immers straks al gezegd van neen, wat maal je toch?"
+
+"Nou, als je dan eens trek krijgt om aan den wal een vrouwtje te
+vinden bij je thuiskomst, dan weet ik er een voor je, hoor! En laat
+me nou eens samen met je zingen. Als je wil dat liedeken van zoo even.
+
+
+ "Wat zongh het vrolyck voghelkyn,
+ Dat in den boomgaert zat?"
+
+
+Hun vroolijk gezang klonk in den lieven Meiavond wijd in het rond en
+ze waren te Vlaardingen eer ze er aan dachten.
+
+"We willen hier eens even ankeren en een glaasje drinken op Jaantje
+Lanoy, het matroosje! Vind-je 't goed, Jonge Kees?"
+
+Deze maakte geene tegenwerpingen en weldra traden ze eene herberg
+bij het hoofd binnen.
+
+Er was zooeven eene sloep met zeevolk aangekomen, dat hier ook binnen
+gegaan was. Bovendien waren er nog al enkele burgers ook, zoodat er
+heel wat drokte en beweging heerschten.
+
+"Stilte!" klonk op eens eene stem als eene klok en iedereen zweeg.
+
+"Wat er onlangs in de Noordzee gebeurd is, dat weet gij allen! Wij
+waren er trotsch op toen we dit vernamen! Maar niet alleen hier in
+de buurt hebben we 't met de Engelschen te kwaad!. Wij komen uit de
+Middellandsche zee en brengen nieuws mede!"
+
+"Vertel, vertel!" klonk het van alle kanten.
+
+"Het is er een van de vloot van Jan Van Galen!" fluisterde Huib. "Ik
+ken hem wel!"
+
+"Heb-je wel eens gehoord van Jan Van Galen, mannen?" dus begon de
+verteller.
+
+"Van Van Galen gehoord, wie zou dat niet? Maar weet je dat hij
+gestorven is aan eene wonde, die hij in een gevecht tegen de Roorokken
+ontving? Dat en weet gij niet! Maar luistert wat er gebeurd is.
+
+Nadat de moedige Kommandeur reeds verscheidene malen met roem
+en voordeel tegen de Duinkerker kapers en de Turksche zeeroovers
+gestreden had, vielen de oogen van Hunne Hoogmogenden op hem, als op
+een geschikt man om onze koopvaardijvloot in de Middellandsche zee
+tegen de Engelschen en Turken te verdedigen. Nu, dat bevel was hem wel
+toevertrouwd; hij was een leerling van onzen roemruchten Tromp. Reeds
+voor het uitbreken van den oorlog hadden de onzen eene vloot in
+de Middellandsche zee. Ze stond onder het bevel van den Kommandeur
+Joris Catz, doch toen de Engelschen hunne macht daar versterkten,
+werd het noodzakelijk dat wij het ook deden.
+
+Ten vorigen jare togen wij er heen en we behoeven er geen doekjes
+om te winden, wij waren grootsch op onzen Kommandeur. Hij zelf trok,
+om er gauw te zijn, over land naar Livorno en was er dus wel wat eer
+dan wij, al waren wij ook vroeger vertrokken.
+
+Onze vloot was, behalve de branders, veertien schepen sterk en toen
+Van Galen te Livorno aankwam, zag hij dat zes kloeke Engelsche schepen
+in de haven lagen. Deze stonden onder bevel van Appleton en nauwelijks
+waren wij aangekomen, of Van Galen besloot dien Engelschman eens zoo
+netjes op te sluiten als je 't ooit gezien hadt.
+
+Als jelui 't niet weet, dan wil ik je wel zeggen, dat Livorno eene
+handelsstad is in het groothertogdom Toscane, en nu was de Groothertog
+volstrekt niet in zijn schik, dat Appleton maar in, en Van Galen maar
+voor de haven bleef liggen; want daardoor stond de handel geheel en
+al stil.
+
+Toen dat een poosje geduurd had, vernam de Kommandant dat Bodley
+met eenige oorlogsschepen en gewapende koopvaarders uit De Levant
+kwam. Hierop gaf hij het bevel over eenige schepen, die voor de haven
+lagen aan kapitein Van Salingen en zeilde zelf den Kommandeur Bodley
+te gemoet. Hij ontmoette hem dicht bij Elba en viel hem zoo krachtig
+aan, dat Bodley na een dapperen tegenstand de wijk nam naar Elba. Hier
+hield Van Galen hem tot aan het begin van Sprokkelmaand ingesloten. Dat
+verveelde hem en daarom zette hij koers naar Livorno in de hoop dat
+de Engelschen hem zouden volgen. Dit gebeurde ook; want Bodley meende
+zijn kans nu schoon te zien om ons tusschen twee vuren te brengen.
+
+Dit had Appleton gezien en verliet de haven van Livorno, maar Van
+Galen viel hem zoo onverwachts en hevig aan, dat die mooie oom met
+verlies van twee schepen op de vlucht ging. Thans wendden wij den
+steven en zeilden regelrecht op Bodley aan. Deze was echter op een
+fellen tegenstand voorbereid en ontving ons met de volle laag.
+
+"Vooruit ligt de weg der victorie!" riep Van Galen en sloeg zich
+door twee schepen heen. Kapitein De Boer veroverde De Luipaard,
+het grootste schip, dat Bodley onder zijn bevel had.
+
+"Houdt je goed, mannen, houdt je goed!" klonk de stem van den
+Kommandeur alweder, doch nauwelijks had hij dit geroepen of hij kreeg
+eene wond aan den voet. Wij dachten, dat het erger was en schaarden
+ons om hem heen, doch hij hinkte naar den grooten mast en riep:
+"Wat sammelt gij om eene kleine wonde! Op, op! Het is schoon voor
+het Vaderland te sterven te midden der overwinning!"
+
+De wakkere man had gelijk; het werd eene overwinning, doch eer
+het zoover was, moest hij in de kajuit gedragen worden waar hem
+het been werd afgezet! En wat denkt gij, mannen van Vlaardingen,
+dat Van Galen deed? Schreeuwen en gillen van pijn en smart? Neen,
+geen enkele klaagtoon kwam over zijne lippen en toen de pijnlijke
+bewerking geeindigd was eischte hij een glas wijn, dronk het uit en het
+glas op den grond smijtende riep hij: "De Engelsche koningsmoorders
+moeten toch alles betalen!" Eenige dagen later stierf hij aan eene
+wondkoorts in de haven van Livorno waar de Groothertog hem met vele
+bewijzen van hoogachting ontvangen had!--He, wat zeg-je? Heeft de
+Kommandeur zich wel gekweten ja, ofte neen!"
+
+Een onstuimig geschreeuw van bijval vervulde de kleine ruimte.
+
+"Ja, nu schreeuwt gijlieden allen dat het zoo mooi is! Maar denkt er
+eens aan wat Van Galen gezegd heeft: "De Engelsche koningsmoorders
+moeten toch alles betalen!"-- En weet je wat wij hen nog niet betaald
+gezet hebben? Zijn dood! Mannen van Vlaardingen, nog is de oorlog
+met Engeland niet geeindigd, toont dan dat ge den heldendood van een
+moedig man te wreken hebt!"
+
+Hier zweeg de matroos, en daar het op een groot leven en geschreeuw
+uitliep, zoo verlieten Huib en Jonge Kees de herberg en begaven zich
+verder op weg. Eerst laat in den avond kwamen ze te Rotterdam aan.
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV
+
+Wie niet hooren wil moet voelen.
+
+"Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk naar zee?" vroeg Huib den
+volgenden morgen aan Leinsz., die, al was hij luitenant geworden,
+toch niet te trotsch was om met zijne makkers van eenigen tijd geleden
+vertrouwelijk om te gaan.-- "Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk
+naar zee!"
+
+"Ja, man, daar en is niemendal aan te doen. De Heeren willen het zoo!"
+
+"Maar willen ze dan niet meer zien? Hoe kan onze vloot nu zee
+bouwen? Ziedaar ons schip! Hoe ziet het er uit! Eene modderschouw is er
+een paleis bij, en dat is nu het Ammiraalschip! 'T is schande! Het en
+is geen wonder, dat wij zeevolk te kort komen! Wie wil er ook dienen op
+eene vloot, die uit doornagelde turfschuiten en verteerde vischsloepen
+bestaat! Dat onze Tromp er niets-van zegt, dat en begrijp ik niet!"
+
+"Tromp er niets van zeggen!" sprak luitenant Leinsz. "Man, man,
+heb-je dan ook je ooren in je wambuis en je oogen in je hozen zitten
+even als Hunne Hoogmogenden?"
+
+"Sst, sst, de wanden hebben soms ooren en je verrader slaapt niet!"
+
+"Mijnenthalve mogen ze mijne woorden overbrengen waar ze willen. Ik
+zeg, dat het schande is zooals de belangen van den Lande verwaarloosd
+worden. Geld verzamelen, goud op hoopen brengen, een leven leiden als
+een Spaansche Don in zijn suikerveld, dat kunnen ze! Geld uitgeven
+voor allerlei snorrepijperijen om hunne huizen en woonvertrekken te
+versieren en op te schikken, dat kunnen ze; maar als er eenige weinige
+penningen van dien goudhoop gevraagd worden om hiermede het welzijn
+der Vereenigde Provincien te bevorderen, dan blijven de koorden der
+beurs gesloten en moeten ze er eerst eens ampel en breedvoerig over
+spreken. Maar inmiddels verloopt de tijd met babbelen en beraadslagen
+en de toestand der vloot blijft dezelfde!"
+
+"Er is veel van aan, geloof ik!" mompelde Huib.
+
+"Veel van aan? Veel van aan? Neen, alles is er van aan! Zoodra onze
+Ammiraal den laatsten keer in het land terug kwam, heeft hij om betere
+en grootere schepen gevraagd!"
+
+"Zoo, heeft hij dat?"
+
+"Ja, dat heeft hij. Hij heeft hen alles uiteen gedaan hoe het op de
+Engelsche vloot was, kortom, hij heeft gesproken zooals we van onzen
+Ammiraal verwachten kunnen! En wat was het antwoord?"
+
+"Ik en weet het niet!"
+
+"We zullen eens zien!" zeide een en met dat: "Wij zullen eens
+zien!" werd Tromp afgescheept, alsof het een Poolsche jood of Polak
+was, die wat stond te zwetsen van pillen voor den dood!"
+
+"En is de Ammiraal al aan boord?"
+
+"Ja, hij is in de kajuit! Maar stil, daar komt jou Kregel Mennonietje
+aan. 'T is toch een vent, die Witte!
+
+Jammer, eeuwig jammer, dat hij zoo 'n bullebak is!"
+
+"Hei daar, luie slampampers, waar is je Ammiraal?" vroeg Witte zoodra
+hij een voet op het dek zette en onze twee mannen in het oog kreeg.
+
+"'K zal hem gaan roepen, Ammiraal! Hij is in de kajuit!"
+
+"Hoeft niet, 'k zal hem zelf wel vinden!" was het norsche
+antwoord. Tromp had hem echter aan zien komen en trad hem te gemoet.
+
+"Dag de With!"
+
+"Dag Tromp! Een mooie boel, he?"
+
+"Ja, 't is erg!"
+
+"En moet dat nou jou Ammiraalschip heeten? Kerel, laat me eens
+uitvloeken, 'k heb er behoefte aan, 't is schande! 'T is schande!"
+
+"Ja De With! het kon wel beter zijn!" sprak Tromp bedaard.
+
+Maar Witte bleef niet bedaard. Hij smeet zijn hoed over het dek,
+stampte met zijnen degen, alsof hij door de planken heen wilde, en zei:
+"Kon-het-wel-beter-zijn? Nederige Tromp, tevreden Ammiraal, kon het
+wel beter zijn? Eene klomp met drie zwavelstokskens lijkt meer op
+een Ammiraalschip dan deze oude kast, die zoo doornageld is als een
+plankje van de grootte mijner hand met honderd spijkergaten! Weet-je,
+dat ik me bij de Heeren beklaagd heb?"
+
+"Jawel, en ik heb het ook gedaan!"
+
+"Ei, en zeker ook zoo'n alles afdoend antwoord, nietwaar? Ze zullen
+ver komen, die luiden met hun hoogeschool-wijsheid, ze zullen ver
+komen! Maar weet je wat ik zeg? Wie niet hooren wil moet voelen! En
+voor het overige, ik heb me als kwajongen laten doopen om te kunnen
+vechten, het komt er voor mij zoo precies niet op aan! Herinner je
+jezelven dien tijd nog wel eens, Marten?"
+
+"Ja, nog dikwijls Witte, nog dikwijls!"
+
+"Wie had dat ooit gedacht, dat wij het zoo ver brengen zouden! Ik denk
+nog dikwijls aan een van jou goede kameraads, die met jou gelijk naar
+zee ging! Hoe heette hij ook? Wacht, ik weet het,--Huib Maerlant heette
+hij. Toen ik hem vertelde dat ik, als ik naar zee ging, Ammiraal zou
+moeten worden, schold hij mij uit en zei: ,Je wordt pluimgraaf op het
+schip waarop ik kapitein ben! Je bent nog al lang met hem in kennis
+geweest, weet-je ook wat er van hem geworden is?"
+
+"Jawel, Witte! Daar staat hij!" sprak Tromp en wees op den ouden
+matroos, die nog altijd bij Leinsz. stond.
+
+In een paar stappen was Witte bij hem, tikte hem op den schouder en
+zei: "Dag Huib Maerlant!"
+
+"Dag, heer Ammiraal!" antwoordde Huib ontroerd.
+
+"Nou, waarom zeg je nu niet als voor een goede veertig jaar: "Leelijk
+Kregel Mennonietje?"
+
+Huib zweeg.
+
+"Jawel, nou denk je zeker dat ik je dat inpeperen
+zal! Maar... maar... Tromp, kom eens hier! Is dit dezelfde Huib
+Maerlant, die in het laatste gevecht zoo netjes de Engelsche vlag
+naar beneden wist te halen?"
+
+"Dezelfde, Witte!"
+
+"Een poot, ouwe jongen! Voor jou heb ik respect, al heb je 't niet ver
+gebracht! 'T geluk zal je wel niet gediend hebben, zooals ons! Maar
+zeg, heb je geen lust om bij mij aan boord te komen? Ik zal je vooruit
+schoppen, dat je met je oude beenen jezelven niet bijhouden kunt!"
+
+"Ik wilde liever hier aan boord blijven, heer Ammiraal!"
+
+"Nou goed, goed! Als je wilt, dan kan je komen! Dag Huib!"
+
+Witte verwijderde zich en na nog een en ander met Tromp afgesproken
+te hebben ging hij van boord, in 't voorbijgaan tot Huib roepende:
+"Als je soms nog kippenvoer mocht noodig hebben, dan weet je waar
+mijne oude lui wonen! Gegroet!"
+
+Denzelfden dag reeds vertrok Tromp om de vloot, die 98 schepen sterk
+was te verzamelen. Het getal schepen was dus groot genoeg; maar de
+grootte, de bemanning, de wapening en de geschikte geest lieten veel
+te wenschen over. Alras zag men dat het weer mis zou loopen.
+
+In Duins was niets te doen dan alleen een drietal koopvaarders prijs
+te verklaren. De Engelsche vloot was onder bevel van George Monk en
+Richard Deane naar onze kust vertrokken.
+
+Tromp besloot haar op te zoeken en ontdekte haar den 15den van
+Zomermaand op de hoogte van Nieuwpoort. Hij verdeelde zijne vloot in
+vijf smaldeelen en wachtte de Engelsche vloot moedig af. Den geheelen
+dag werd er zoowel door de Nederlanders als door de Engelschen met
+ongeevenaarden moed gevochten.--Ook nu kwam het weer duidelijk uit,
+dat vele kapiteins van onze vloot niet voor hunne taak berekend waren,
+en weldra kwam er zooveel verwarring, dat het voordeel geheel aan de
+zijde der Engelschen was.
+
+Den volgenden dag werd de strijd hervat.
+
+"Ziet ge dat groote schip daar, jongens? Dat is de bodem van den
+Vice-Ammiraal William Penn! Voorwaarts kinderen, houdt moed! Voor
+ons dat schip!"
+
+De aanval was woedend, de ontvangst moorddadig!
+
+Vijfmaal gaf Tromp het de volle laag, klampte hem eindelijk aan boord
+en nam zijn bovenschip in. Doch William Penn was bij het Engelsehe
+zeevolk geliefd en dertien schepen snelden toe om hem te helpen.
+
+Maar Goede Vaer Tromp werd door het Hollandsche zee volk als een
+vader vereerd.
+
+"Mannen, Goede Vaer Tromp krijgt het te kwaad, helpt hem! Vooruit,
+vooruit!" schreeuwde Witte. Ook De Ruyter, die gezien had, dat de
+Ammiraal het onmogelijk langer volhouden kon, snelde hem te hulp.
+
+'T was meer dan tijd, dat hij ontzet werd, want de Engelsehen waren
+hem bijna meester.
+
+Met zijn bijkans ontredderd schip voegt Tromp zich weer bij de vloot.
+
+De Engelschen volgen hem en dringen al verder en verder door. Men
+vecht met leeuwenmoed, maar niets baat. De gansche vloot is verloren
+als men den strijd nog langer voortzet. Het sein tot den aftocht wordt
+gegeven. De Engelschen hebben eene schitterende overwinning behaald!
+
+De Vereenigde Provincien verschrikken op dit vreeselijke bericht!
+
+Wat te doen?
+
+Wat te doen? Eenige dagen later begeven zich drie bevelhebbers ter
+zee langs het Buitenhof te 's-Gravenhage naar de zaal waar Hunne
+Hoogmogenden vergaderd zijn.
+
+'T is de Luitenant Admiraal Tromp met twee zijner onderbevelhebbers,
+Michiel de Ruyter en De With.
+
+Ze worden ter vergadering binnengeleid en beleefd ontvangen.
+
+De Luitenant-Admiraal is het eerst aan het woord.
+
+In scherpe trekken schetst hij den toestand der vloot en eindigt met
+te zeggen: "Meer dan vijftig schepen bevinden zich bij de Engelsche
+vloot, die beter zijn dan het beste schip der Vereenigde Provincien!"
+
+Men houdt van dit verslag getrouw aanteekening.
+
+Thans staat De With op en na de woorden van Tromp bevestigd te hebben,
+zegt hij: "Wat helpt het dat ik zwijg; ik ben voor mijne Opperheeren;
+ik mag en moet het zeggen, de Engelschen zijn meester van de zee,
+maar ze zijn ook meester van ons!"
+
+Nu is de beurt aan De Ruyter.
+
+"Ik en wil niet veel woorden verspillen," zegt deze. "Wat de heeren
+Tromp en De With gezegd hebben is waar, ja, ze hebben nog niet alles
+gezegd! Maar ik zeg u, ik en verkies niet meer in zee te steken als
+de toestand niet verandert. De Heeren moeten nu maar weten wat zij
+doen! Wie niet hooren wil moet voelen!"
+
+
+
+HOOFDSTUK XV
+
+Hoe men vrede kreeg.
+
+Eindelijk werden Hunne Hoogmogenden wijs genoeg om in te zien, dat
+het zoo niet langer kon, en ze besloten handen aan het werk te slaan
+en vooral trachtten ze de vloot van grootere schepen te voorzien. Het
+handgeld en de soldij werden mede verhoogd en de ongelukkige uitslag
+van de laatste twee zeegevechten had bij oud en jong de geestdrift
+van een vrij volk, dat zich bedreigd ziet, doen ontwaken.
+
+Overal heerschte leven en beweging.
+
+"Naar zee!" klonk het hier. "Naar zee!" klonk het daar. "Naar
+zee!" klonk het overal.
+
+Het was of de dagen van Duins weer teruggekeerd waren.
+
+Rijken en armen, aanzienlijken en geringen boden zich aan om op de
+vloot te dienen. De Amsterdamsche secretaris Gerardt Hulst kwam met
+vierentwintig wel uitgeruste zeelieden, die hij zelf bezoldigde en den
+kost gaf, aan boord van Witte Cornelisz. De With, zich als vrijwilliger
+inschepen. Jan Oomes en Jan Van Ufielen kwamen elk met acht man en
+Jacobus Van den Kerckhove bracht er vier mede. Zelfs vrouwen wisten
+weer in mansgewaad vermomd op do vloot te komen en de Predikant Robert
+Junius verliet zijne stille pastorie om den armen stervenden zeeman
+bij zijn heengaan woorden van troost te kunnen toespreken.
+
+Zoo was de vloot in het begin van Oogstmaand gereed om zee te kiezen.
+
+Eene groote zwarigheid bestond er. Ze was deze:
+
+Nog altijd kruiste de Engelsche vloot op onze kusten en te Vlissingen
+in de Wielingen, te Goedereede en te Tessel bevond zich de onze. Die
+uit de Wielingen met die te Goedereede te vereenigen ging nog,
+maar te zamen telden ze dan nog maar tweeentachtig schepen, zoo
+groot als klein, en hoewel er heel veel verbetering was aangebracht,
+ze was toch nog niet voldoende om met hoop op een goeden uitslag de
+Engelschen aan te tasten, die eene kostelijk uitgeruste vloot van
+ongeveer honderdtwintig schepen onder zich hadden. Te Tessel lagen
+nog zevenentwintig schepen en vier branders onder bevel van De With
+en Tromp begreep, dat het zaak was zich met deze te vereenigen.
+
+Toch diende er niet lang gemard; want veel tijd was al verloren gegaan
+en de handel had reeds onnoemelijke schade geleden.
+
+Tromp besloot dus aan boord te gaan, doch richtte vooraf het verzoek
+aan de Algemeene Staten, dat eenigen van 's Lands regeering mochten
+mede gaan om de zaken te helpen besturen. Het kon ook zijn dat hij
+door ziekte verhinderd werd de noodige bevelen te geven, en--het kon
+ook zijn dat een noodlottige kogel hem het leven benam.
+
+De Algemeene Staten vertrouwden echter op zijne kennis, hoopten dat
+de noodlottige kogel nog in lang niet gegoten mocht zijn en bleven
+aan den wal.
+
+Den zesden van Oogstmaand stak Tromp in zee.
+
+Met harten vol verwachting staarden de Amsterdamsche kooplieden op
+de met gras begroeide straten;-- de winkeliers droomden weer van een
+rijk gewin;--de handwerkstand hoopte op de dagen van vroeger toen
+er volop werk was; --de Admiraliteiten keken over het ontzaggelijk
+hooge cijfer der genomen koopvaardijschepen heen en zagen in hunne
+verbeelding alweder de havens in een mastbosch herschapen. Toch wisten
+ze toen nog niet dat er reeds meer dan zestienhonderd koopvaarders
+door den vijand genomen waren.--
+
+Admiraal Tromp wist zich gelukkig met die uit de Wielingen te
+vereenigen zonder door de Engelschen daarin verhinderd te worden. Nu
+was het nog maar te doen om De With uit Tessel te krijgen.
+
+Als hij aangevallen werd zou hij zich maar verdedigen, meer niet.
+
+En hij werd aangevallen, en uit de verdediging ontstond een gevecht.
+
+De With hoorde het gebulder van het geschut; hij schudde zijne
+lange hoofdharen in den nek als een leeuw zijne manen en beklom
+zijn smaldeel.
+
+De wind was pal tegen en stond op de kust!
+
+"Dan maar tegen den wind in! Vooruit!"
+
+De eb, waarmee hij moest uitloopen viel in den nacht in!
+
+"Er is geen helpen aan, het moet! Ginds moeten we zijn!"
+
+De volle maan kroop weg achter de wolken waaruit een fijne regen viel.
+
+"Wij zullen ons morgen wel droogvechten! Het Vaderland houdt de oogen
+op ons gevestigd!"
+
+Er waren geene loodsen, die hem met zulk weder in zee durfden brengen!
+
+"Dan zal ik mijn eigen loods zijn! Voorwaarts! Voorwaarts! Goede Vaer
+Tromp wacht ons!"
+
+De tonnen waren weggenomen; hij zou zijne eigen schepen omhoog varen.
+
+"Dan zal ik tonnen maken! De visschersschuiten met lantaarnen en
+toortsen voorzien moeten ons vooruitzeilen en in twee rijen de
+banken in het Spanjaardsgat afzetten! Voorwaarts! Voorwaarts! De
+koningsmoorders moeten met Witte aan den dans! Van Galen moet gewroken
+worden! Voorwaarts!"
+
+Daar gaat de leeuw van het koude noorden, wiens heerschappij niet de
+woestijn, maar de zee,--niet het dichte woud,--maar de open Oceaan is.
+
+Langzaam breekt het licht in het oosten door en....
+
+"Mannen, mannen, daar ligt Goede Vaer Tromp! Hoezee! Verwelkomt hem
+met de volle laag op de Engelsche Roorokken!"
+
+'T was te vroeg gezegd. Een eenzame kruiser van de Hollandsche vloot
+is het, die zich bij hem aansluit.
+
+Den gansenen dag door worstelt hij met weer en wind, maar toch tegen
+vijf uur in den avond heeft hij Tromp bereikt en groet den Admiraal
+met het losbranden van het geschut!
+
+Tromp beantwoordt het en de Engelschen zien deze vereeniging met
+leedwezen aan.
+
+Maar de nacht valt en vriend zoowel als vijand slaapt in.
+
+Alleen de wachters waken.
+
+Den anderen dag, Zondag den tienden van Oogstmaand wordt in den
+vroegen morgen de kerkklok te Schevelingen al geluid.
+
+De eenvoudige visschers gaan met vrouw en kind naar het huis des
+Heeren en smeeken daar van God den zegen op onze wapenen af.
+
+Midden onder het gebed klinkt een dof gerommel.
+
+Er komt beweging in de kerk! Zou 't een opkomend onweder zijn?
+
+Het gerommel laat zich weer hooren, maar 't is kort en afgebroken.
+
+Dat is geen onweder! Dat is kanongebulder! De deuren van de kerk
+worden opengesmeten! In een oogenblik staat het strand vol! Ginds
+liggen de vloten! Hier de Hollanders, daar de Engelschen! Het
+kanongebulder verheft zich! De Hagenaars hooren het en zien niet
+tegen den moeielijken weg op om naar Schevelingen te gaan.
+
+Bezweet, bestoven, hijgend en afgemat komen ze op het strand!
+
+Een vreeselijk tooneel vertoont zich aan hunne oogen!
+
+Vrouwen loopen met loshangende haren langs het strand en gillen het
+uit van angst!
+
+Kinderen schuilen zich angstig weg achter hunne moeders en roepen om
+hunne vaders!
+
+De vaders staren naar de vloot waarop hunne zonen hun leven voor het
+land wagen!
+
+Moeders kermen en klagen en roepen den knaap of den volwassen
+jongeling, die haar verliet bij hunnen naam, doch het gedonder uit
+honderden vuurmonden doet den machtigsten smartkreet in den mond
+verstommen!--
+
+De Hagenaars prachtig gekleed of in eenvoudig huisgewaad mengen zich
+vragend tusschen de Schevelingers: "Wie is die? Wie is die? Is dat
+Tromp? Is dat De With? Is dat De Ruyter?"--
+
+Maar de Schevelingers geven geen antwoord, of het moest zijn dat er
+hier of daar nog een gevonden wordt, die zegt: "Wel mensch, en zie
+je dat niet? Die vlugge, kleine dat binne de onze! Die groote dat
+binne de Roorokken!"
+
+De vloten naderen al meer en meer.
+
+Daar vliegt met een ijselijk gekraak een schip in de lucht!
+
+Nieuwe kreten van woede en smart verheffen zich onder het volk. Men
+verdringt elkander tegen het water, alsof men door dichter bij den
+strijd te komen, het gevaar voor de onzen verminderen zal. Er wordt
+gevloekt, gehuild, geschreeuwd, geroepen, handen gewrongen en dat
+alles onder het bulderen van een donder, zooals onder het hevigste
+onweder nog nimmer gehoord werd.
+
+En te midden van al dat gewoel klimt een oud manneke van het duin,
+treedt door de openstaande deur in de kerk, legt zijn versleten
+zuidwester neer, vouwt de handen, sluit de oogen en bidt: "Heere,
+Heere, behoed ons, behoed ons!"--
+
+Tranen rollen langs zijne gerimpelde wangen.
+
+De man heeft vijf zonen en drie kleinzonen op de vloot!..
+
+Begeven we ons nu naar de vloot.
+
+Daar is het Admiraalschip en daar staat Huib.
+
+"Wel, Huib, warmpjes vandaag he!"
+
+Huib kijkt op en zegt eenvoudig: ja!" maar onderwijl hij dit doet,
+loopt er een traan langs zijne gebruinde kaken.
+
+"Huib, wat scheelt er aan? Wat is 't Huib?"
+
+"Marten, mijn oude, trouwe vriend Marten is dood!" luidt het antwoord.
+
+Als de Nederlandsche vloot nu nog eens overwon, als al die Engelsche
+schepen eens in brand geschoten en vernield werden, als Engeland
+ons ootmoedig om den vrede kwam smeeken, dan hadden we veel, heel
+veel gewonnen, maar ons verlies zou altijd nog grooter zijn dan
+onze winst.--
+
+Reeds bij den aanvang van het gevecht en juist toen hij eenige
+bevelen stond te geven werd hij door eenen musketkogel doodelijk
+getroffen. Hij viel neder en na met zwakke stem gezegd te hebben: "Ik
+heb gedaan! Mijne kinderkens, houdt goeden moed!" gaf hij den geest.
+
+Zoodra Huib zag dat zijn Ammiraal, "zijn ouwe trouwe speelkameraad
+Tromp" viel, snelde hij naar hem heen, doch kwam alleen om zijne
+laatste woorden te verstaan en zijne oogen te sluiten.
+
+De gansche bemanning was een oogenblik radeloos van droefheid. Het
+was een vreeselijk oogenblik. Aller oogen zouden op het Ammiraalschip
+gevestigd zijn en, als dat zich aan het gevecht onttrok, dan ... dan
+was nu al het lot van den dag beslist.
+
+Egbert Meussen Cortenaer was kapitein op het schip. Wat zou hij
+doen? Stil, daar schiet hem wat te binnen.
+
+"Mannen," roept hij, "onze brave, goede Ammiraal is dood en God hebbe
+zijne ziel! De Vereenigde Provincien verliezen in hem den grootsten
+man, dien ze hadden. Maar toen deze man nog een knaap was en zijn
+vader door de Turksche roovers aangevallen en gedood werd, riep hij:
+"Mannen, zult gij den dood mijns vaders niet wreken?" en nam den degen
+van den gevallene in de hand om zich op de Turken te werpen.--Ammiraal
+Tromp was onze Goede Vaer en als zijn kind roep ik u toe: "Mannen,
+zult gij den dood van onzen Goeden Vaer niet wreken?"--
+
+Dat hielp. Huib sprong op en riep: "Ja, ja, wreken! wreken!"
+
+Cortenaer seint Evertsen en De Ruyter aan boord.
+
+Beiden komen en nauwelijks ziet De Ruyter den gevallen held liggen
+of hij roept uit: "Ach, ware ik voor Goede Vaer gestorven!"
+
+Evertsen die de oudste in jaren was, nam nu het opperbevel op zich,
+doch beval aan Cortenaer voor de overige schepen den dood van Tromp
+verborgen te houden.
+
+Tot driemalen toe loopen de twee vijandelijke vloten tegen elkander
+in als bokken, die elkaar met de horens willen stooten.
+
+"De aardsche donders uit duizend metalen monden gedreven, verbijsterden
+den hoorder, de zeedorpen trilden op hunne zandgronden en de zee
+loeide!"
+
+Maar er komt verwarring in onze slagorde! Er is geene eenheid
+genoeg! Men mist den man, die met zijn helderen blik alles bestuurde
+en bij ongunstige omstandigheden soms nog een licht plekje zag,
+dat de uitkomst heel anders deed worden dan men vermoed had.
+
+En Evertsen kan niet meer bij de vloot blijven! De Ruyter ook
+niet! Hunne schepen hebben zoo vreeselijk geleden dat ze zich naar
+Goedereede moeten laten sleepen.
+
+De bevelhebber is thans Witte Cornelisz. De With, die ten laatste ook
+den dood van Tromp vernomen en uitgeroepen heeft: "Is Tromp dood! Dat
+strekt tot aller leedwezen! Hij was een groot man!"
+
+Met eenen moed, die door geen woorden te bepalen is, stort hij op
+den vijand in.
+
+Pieter Florisz. en Cortenaer staan hem trouw bij en weten van geen
+wijken. Van wijken weet kapitein Marrevelt ook niet, en toch is van
+de drie masten, die op zijn schip stonden, slechts een stomp van den
+fokkemast over. Hij zelf heeft eene zijner handen verloren en twintig
+wonden ontvangen. Achttien van zijne manschappen zijn gesneuveld,
+vierentwintig zijn gekwetst, maar wijken, neen, dat nooit!
+
+De bodems van Sangher, Schutter, een Evertsen en een Banckers dreigen
+te zinken; maar zij houden stand, ze willen niet wijken: "Het is
+schoon voor het Vaderland te sterven al is het niet te midden der
+overwinning!" denken ze!
+
+Maar wie niet wijken, wie zich liever dood vechten of in het gezicht
+van den vijand hun laatste stuk geschut lossen en dan te gronde gaan,
+niet die vierentwintig lafhartige scheepskapiteins, die op de vlucht
+slaan.
+
+Witte wil die vlucht verhinderen door met scherp op die schepen
+te schieten; maar dit verdubbelt hunnen angst en met volle zeilen
+verlaten ze het tooneel des gevechts. Door hunne lafhartigheid wordt
+een vreeselijke nederlaag wat eene schitterende overwinning had
+kunnen worden.
+
+De With knarsetandt van spijt en geeft bevel tot den aftocht, dien
+hij in orde volbrengt. Wel is het vechten tot hij in Tessel aankomt,
+maar toch zijn ze er!...
+
+Het verlies der Nederlanders was groot. Twaalf of dertien schepen
+werden in den grond geboord of verbrand. Slechts een schip werd
+genomen. Het aantal gesneuvelden was aanzienlijk en dat der gekwetsten
+niet minder.
+
+De Engelschen, die overwonnen hadden, waren niet minder geteisterd
+en dit was de oorzaak, dat men van beide zijden hard naar den vrede
+verlangde, hoewel hij door onderhandelingen vertraagd, eindelijk op
+voor ons nadeelige voorwaarden eerst in Grasmaand van het jaar 1654
+te Westminster gesloten werd.
+
+Groot was de rouw, die er op de vloot en in het geheele land heerschte
+toen de tijding zich verspreidde: "De Luitenant-Ammiraal Marten
+Harpertsz. Tromp is gesneuveld!"
+
+Op bevel van de Algemeene Staten werd zijn lijk te Delft in
+de Oude kerk plechtstatig begraven, en later richtten zij een
+prachtig praalgraf voor hem op. Zijne weduwe en kinderen werden op
+onbekrompen wijze door 's Lands Staten begiftigd en zelfs achtte
+men den gesneuvelden held zoo hoog, dat men zijn' lijfknecht Gerrit
+Simons, dien hij kort voor zijnen dood ter bevordering had aanbevolen,
+tot Luitenant aanstelde.
+
+Ook de groote Dichters van die dagen en later verheerlijkten
+hem. Vondel schreef:
+
+
+ "Hij ruste nimmer onbeweent.
+ Al heeft de doot het lijf verslonden:
+ De Faem is aen geen graf gebonden.
+ De deugd verduert het koud gebeent.
+
+
+en Jeremias De Decker drukte zich aan het slot van een lofzang op
+onzen held aldus uit:
+
+
+ "Doch schoon het lichaem moet verwelken en vergaen,
+ De naem van Marten Tromp zal euwichlick hestaan,
+ Tot schande van den Brit, tot lof der Batavieren."
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI
+
+De tanden zijn overleefd.
+
+De Augustus-zon stond brandend heet op het Scheveningsche strand.
+
+'T was kort na den vrede te Breda, die aan den tweeden Engelschien
+oorlog een einde had gemaakt. De vredesvoorwaarden waren voor een deel
+door ons gesteld en dat het magtige Engeland zich zoo vernederen moest,
+hadden de Vereenigde Provincien hoofdzakelijk te danken aan Michiel
+Adriaensz. De Ruyter, die thans gedaan had wat Tromp in Wintermaand
+van 1652 reeds voorgesteld had. Hij was De Theems opgezeild en had
+bij Chattam de trotsche Engelsche vloot vernield.
+
+Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens
+een straatweg aangelegd tusschen Den Haag en Scheveningen. Het was
+een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen
+en het rulle zand zulk een weg te banen, die naderhand het sieraad
+van de Hofstad worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en
+wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er wel bij!
+
+Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier
+en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht of met
+ledige manden naar huis keerde.
+
+En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant
+en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik wel langs het
+duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even
+heet als op het strand. De tijd om te wandelen was voor de Hagenaars
+nog niet aangebroken.
+
+Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout
+in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg, en nog minder
+van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo
+dat hij de zee zien kan; al het andere is hem geheel onverschillig.
+
+Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor
+dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn.
+
+Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet,
+en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan indien niet
+eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie
+van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden nu van het duin af
+dat het een aard had.
+
+Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt.
+
+Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den
+ouden uitstekende, roept het: "Grootvader, ook zingen!"
+
+"Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?"
+
+"Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!" zegt
+de vrouw.
+
+"Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten
+en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier, kind!"
+
+Betje zit op de knieen van den ouden man en deze zegt: "Nou zal ik
+het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb op den weg
+van Maassluis naar Rotterdam. We hadden toen een matroosje van onze
+kennis opgezocht! Niet, Jaantje?"
+
+"Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer
+wat om me te plagen!" antwoordt de vrouw en hierop begint Huib met
+eene sterk bevende stem te zingen:
+
+
+ "Wat zongh het vrolyck vogelkyn,
+ Dat in den boomgaert zat?"
+
+
+en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel:
+
+
+ Wy zaeien noch wy maeien nyet
+ Wy teeren op....
+
+
+"Jaantje, Jaantje, daar komt De Marten Harpertsz. Tromp aan! Komt,
+kinderen, nou naar huis!"
+
+"Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel
+komen!" zegt de vrouw.
+
+"Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat
+is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en...."
+
+"Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg
+leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen om je
+'t leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader
+eene hand!"
+
+Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie.
+
+Babbelende en snappende, maar heel langzaam, en om de hitte, en omdat
+grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze hunnen weg naar
+het dorp.
+
+Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee
+zijn! Ge begrijpt dat al lang.
+
+"Maar hoe komen ze hier?"
+
+'K zal het u zeggen.
+
+Kort na het sluiten van den vrede te Westminster nam Huib zijn ontslag
+uit den dienst, "want," zeide hij, "nu Tromp dood is, kan ik er geen
+pleizier meer in vinden!"
+
+Hij ging eerst in Den Briel wonen; maar niemand kende hem daar meer en
+daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had Vlieland
+wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was
+hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot was gegaan
+toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam.
+
+Maar als hij eens naar Maassluis ging. Jaantje Lanoy kende hem toch,
+en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen
+staan. Ja, dat zou hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes
+moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo'n gezellig ouwentje
+gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben.
+
+Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of
+sjouwde wat aan de haven en 's avonds vertelde hij historietjes uit
+zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel,
+dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een enkelen keer eens te
+weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die
+vijfhonderd guldens, die daar nog altijd in eene kous en eene pulle in
+het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld.
+
+Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en
+zei altijd: "Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen."
+
+Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag
+aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan en iemand roept:
+"Hola!"
+
+Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: "Jonge Kees,
+jongen, hoe maak-je 't? Wel, dat is goed dat je me eens komt
+opzoeken! Dat is goed!"
+
+De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees,
+verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem vroeg:
+"Hoe wist je dat ik hier woon?" antwoordde de jonge visscher: "Ik en
+wist niet, dat je hier woonde!"--
+
+"Zoo, zoo," zegt Huib, "dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens,
+Jonge Kees, ben je al getrouwd?"
+
+Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood
+wordt, antwoordt hij: "Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne moeder
+weer te Schevelingen. Vader is een paar maanden geleden gestorven
+en nu wilde moeder liefst niet te Vlieland blijven wonen. Ik heb nu
+mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?"--
+
+"De vrouw Adriana!" zegt Huib vroolijk lachende.
+
+"Neen, De Harten Harpertsz. Tromp!" verbetert Jonge Kees.
+
+"De Marten Harpertsz. Tromp? Dat is flink van je, jongen, dat is
+goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes
+in steken en deelen in de winst?"
+
+"Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te Schevelingen
+komen wonen!"
+
+"O, Wat dat betreft--"
+
+"Mannen, de boontjes worden koud," zeide vrouw Lanoy. "schikt bij
+en eet!"
+
+Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet
+ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje Lanoy als
+vrouw te Schevelingen had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder
+en.... de mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd,
+als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen.
+
+En 't gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis.
+
+"Dat komt omdat onze schuit De Marten Harpertsz. Tromp heet. Dat is
+dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje
+dat ook maar doet! Als het zijne groote mannen maar in eere houdt en
+nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er
+voor gestreden hebben, dan kan het goed gaan! Maar als ze die mannen
+niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed
+gaan; want ze waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;--
+voor de braven is er een Vader, die waakt!
+
+Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen
+wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen dan
+en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een
+hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in
+
+GOEDE VAER TROMP.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN.
+
+[1] De scheldnaam "Koningsmoorders" werd door den Kommandeur Jan
+Van Galen in 1653 aan de Engelschen gegeven. Daar het Nederlandsche
+zeevolk echter zeer op het Engelsche geheten was, zoo is het wel
+waarschijnlijk dat Van Galen geen nieuw scheldwoord verzon, maar dat
+het al kort na de onthoofding van koning Karel I in 1649 hij onze
+zeelieden in gebruik gekomen is.
+
+[2] Tot 1636 was de voeding en het geheele onderhoud van de manschappen
+op een oorlogsschip aan den kapitein toevertrouwd.--Niet zelden
+gebeurde het nu dat een kapitein zich ten koste van den minderen man
+wist te verrijken. Toen de klachten hierover algemeen werden beproefde
+men een ander middel en men liet het geheele onderhoud van een schip
+eenvoudig aanbesteden. Dit gaf nog meer stof tot ontevredenheid en
+daarom keerde men in 1641 weer tot het oude gebruik terug. --Wie nu
+een eerlijk kapitein had, trof het; maar wie dien niet had, klaagde
+dikwijls, en niet ten onrechte, steen en been.--Hoe lang deze wijze
+van handelen geduurd heeft, ben ik niet te weten kunnen komen; maar
+dat is vast, dat in 1653 bij de Zeeuwsche Admiraliteit die gewoonte
+nog bestond.
+
+[3] In een der journalen van Tromp leest men van "Capteijn Fielding en
+nog een andere Roorok." De haat tegen al wat Engelschman was strekte
+zich dus ook uit tot de Nederlandsche bevelhebbers.
+
+[4] Straatvaarders waren schepen, die op de Walvischvangst uitgingen.
+
+[5] Fiasciardo had eenigen tijd te voren op de hoogte van de
+West-Indische eilanden zeven weerlooze zoutschepen genomen en de
+bemanning op eene wreedaardige wijze om het leven laten brengen.
+
+[6] Davids zijn de ijzeren standers aan de zijden van het achterschip,
+waaraan de booten en sloepen hangen.
+
+[7] Een duevekater was een soort van koek of gebak. Men zond het
+elkander op sommige feestdagen tot een geschenk.
+
+[8] Een driestreng, knuttel of knut is een touw waarmede de matrozen
+geslagen worden, als ze straf verdiend hebben.
+
+[9] Witte Cornelisz. De With liet zich in 1610 door den predikant
+Leuwins van NIEUWENHOORN doopen. Zijn vader was reeds in 1602
+overleden. Witte zelf bleef tot zijn 17de jaar aan wal en had in dien
+tijd twaalf ambachten en dertien ongelukken.-- Toen ik tot zoover in
+mijn verhaal gekomen was, wist ik niet dat Witte's vader al gestorven
+was.--Zijne moeder overleed echter eerst in 1624.
+
+[10] PORTUGAL was van 1580 tot 1640 met SPANJE vereenigd geweest. In
+1640 echter werd PORTUGAL onder Johan IV, Hertog van Braganca, weer
+een onafhankelijk koninkrijk en nu lag het op onzen weg de Portugeezen
+tegen de Spanjaarden te helpen.
+
+[11] Een fregat was een vaartuig dat vooral in dezen tijd veel
+in gebruik kwam. Daar het niet zoo log gebouwd was als de groote
+oorlogsschepen bewees het in de zeeoorlogen door zijne snelheid
+van bewegingen, uitnemende diensten.--Een jacht was mede een
+zeer snelzeilend vaartuig dat, of tot den oorlog uitgerust werd
+en dan oorlogsjacht heette, of mede genomen werd om brieven of
+boodschappen over te brengen. Deze laatsten kregen den naam van
+adviesjachten.--Galjoenen waren vaartuigen, die vooral door de
+Spanjaarden als vrachtschepen gebezigd werden.--Koningsschepen
+waren die groote oorlogsvaartuigen, die de hoofdmacht van de vloot
+uitmaakten. Zij werden nergens anders toe gebruikt dan om oorlog te
+voeren, terwijl de andere na afloop van den oorlog dikwijls ook weer
+als koopvaarders in dienst werden gesteld.
+
+[12] SINT MAARTENSDIJK een dorp op het eiland TOLEN heet in de
+wandeling steeds SMEERDIEK.
+
+[13] Jule is hetzelfde als weenen en meutje of moei de echte
+Nederlandsche naam van tante.
+
+[14] Aoist! is vooral op WALCHEREN een uitroep van buitengewone
+blijdschap.
+
+[15] Veel roemen beteekent velen roemen en een ijdel vat is een
+ledig vat.
+
+[16] Een kadraaier of kaaidraaier is een man, die met een roeivaartuig
+bij de schepen komt om eetwaren te verkoopen.
+
+[17] De beroemde Zweedsche vlootvoogd Carel Gustaaf Wrangel vertoefde
+een jaar in ons land om de zeevaartkunde te bestudeeren; men zegt
+zelfs, dat hij op onze vloot gediend heeft.--Nicolaas De Witte een
+Deen, Oloff Steffers en Morgester zijn officieren in Nederlandschen
+dienst geweest en Gustaaf Adolf koning van ZWEDEN had reeds twintig
+jaren vroeger Nederlandsche officieren en onder-officieren uitgenoodigd
+bij hem in dienst te treden.
+
+[18] Een schobbejak was in de riddertijden het geschubde jak dat de
+mindere man in den oorlog droeg. Later werd het een scheldnaam.
+
+[19] De Kabeljauwschen droegen grauwe en de Hoekschen roode
+mutsen.--Bonne fooi is eene verbastering van het Fransche bonne foi
+en beteekent eigenlijk goede trouw. Zooals wij het gebruiken beteekent
+het op goed geluk af.
+
+[20] Meeren is het vastleggen van schepen aan palen of ringen.
+
+[21] Die toespraak van Warmont moogt ge wel eens goed overlezen. Me
+dunkt, dat zulk eene toespraak in den tegenwoordigen tijd ook niet
+ongepast zou zijn. Veel lust tot den zeedienst bestaat er althans bij
+onze knapen niet en dat is wel jammer; want er is veel van waar als
+onze bekende kinderdichter Dr. J. P. Heije zegt: "Zout water geeft
+het zoetste brood!"
+
+[22] Niks is niets.
+
+[23] "Zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen," beteekent:
+"zoo, ik dacht dat er bij u niets op aankwam!"
+
+[24] "as de derdendaegsche koose" beteekent: dan de derdendaagsche
+koorts.
+
+[25] Blake was oorspronkelijk voor de letteren opgeleid en een
+zeer geleerd man. Hij was een vurig aanhanger van Cromwell, die
+zijne veelvuldige diensten, hem bewezen, beloonde met hem eene
+aanstelling als generaal te geven. Later plaatste hij hem op de
+vloot als opperbevelhebber. Onder hem stonden ook nog de generaals
+George Monk en Richard Deane.--Cromwell, die zeer goed begreep, dat
+een oorlog ter zee andere bekwaamheden vereischt dan een landoorlog,
+stelde ook nog andere bevelhebbers aan, die volkomen met de zeezaken
+bekend waren. De voornaamste dezer waren: George Ayscue, William
+Penn en John lawson.--Blake was niet te trotsch om gedurig met deze
+laatsten te raadplegen en hieraan is het dan ook hoofdzakelijk toe te
+schrijven, dat hij als bevelhebber der vloot zooveel roem inoogstte.--
+Onze Admiralen waren over het algemeen zeer ongeletterd, zoodat er in
+hunne brieven dikwijls heel veel fouten voorkomen, en men moeielijk
+begrijpen kan, wat zij eigenlijk bedoelden.--Cornelis Tromp kan
+hierop eene gunstige uitzondering gemaakt hebben.-- De beroemste
+onzer vlootvoogden, Michiel Adriaensz. De Ruyter, schreef in 1641
+aan de Admiraliteit van ZEELAND: "Ick sal mij als een heerlijck
+(eerlijk) capiteijn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat Godt
+het werck daer wij om uitgesonden zijn sal segenen tot heere (eere)
+van ons lieve Vaderlandt."
+
+Machgyl Adriaense De Ruyter.
+
+[26] Een tros is een lijn, die uit drie of vier strengen gevlochten is.
+
+[27] Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein over het schip dat
+hij had helpen behouden, benoemd, terwijl hij daarenboven nog een
+gouden eerepenning kreeg. De moedige konstabel werd luitenant.
+
+[28] Dat er reeds vroeger meisjes aan boord kwamen om dienst te doen,
+als matroos, bewijst het oude liedeke: "Daar was laatst een meisje
+loos."--Behalve van Adriana Lanoy lezen we in de geschiedenis ook
+nog van eene Anna Jans van TESSEL.
+
+[29] Een lans beteekent hier landsman.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Goede Vaer Tromp, by Pieter Louwerse (1840-1908)
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GOEDE VAER TROMP ***
+
+***** This file should be named 11430.txt or 11430.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/1/4/3/11430/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+ https://www.gutenberg.org/etext06
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+ https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+ https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+ https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL
+
+