diff options
Diffstat (limited to 'old/11430.txt')
| -rw-r--r-- | old/11430.txt | 6792 |
1 files changed, 6792 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/11430.txt b/old/11430.txt new file mode 100644 index 0000000..f08d313 --- /dev/null +++ b/old/11430.txt @@ -0,0 +1,6792 @@ +Project Gutenberg's Goede Vaer Tromp, by Pieter Louwerse (1840-1908) + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Goede Vaer Tromp + of hoe de Vereenigde Provincien eene zeemogendheid werden + +Author: Pieter Louwerse (1840-1908) + +Release Date: March 3, 2004 [EBook #11430] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GOEDE VAER TROMP *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team + + + + +Deze e-text is gemaakt door Jeroen Hellingman met de hulp van het gedistribueerd proeflees team. + + + + + + GOEDE VAER TROMP, + + OF + + HOE DE VEREENIGDE PROVINCIEN EENE ZEEMOGENDHEID WERDEN. + + + + GESCHIEDKUNDIG VERHAAL + + VOOR 'T JONGE NEDERLAND, + + + DOOR + + + P. LOUWERSE. + + + + + +JONG NEDERLAND! + +Toen de Uitgever van Mannen van Sta-vast mij uitnoodigde weer een +geschiedkundig verhaal voor u te schrijven, meende ik eerst u het leven +van onzen grootsten zeeheld M. A. DE RUYTER te schetsen. Reeds had +ik hiertoe eenige bouwstoffen verzameld, toen 'k Mr. J. VAN LENNEPS +Beroemde Nederlanders in handen kreeg.--Deze geleerde schrijver +wijdt in dat werk ook eenige bladzijden aan den vlootvoogd MARTEN +HARPERTSZ. TROMP en zegt o. a. van hem: ... "en nog heden wordt TROMP +niet geschat op die hoogte waarop hij werkelijk behoort geplaatst +te worden." + +En dit is nu het oordeel van een Nederlander, wiens hart warm klopte +voor de geschiedenis van zijn Vaderland; maar zelfs de Engelsche +schrijvers vereeren Tromp, en zijne beeltenis hangt in de galerij +te Greenwich. + +Mijn besluit was genomen; ik zou onzen DE RUYTER niet schetsen, maar +het leven van M. H. TROMP met u behandelen. 'K hoop, dat die ruil +u niet berouwen zal. Van den "Vlissinger Michiel" weet ge immers +toch al zooveel, daar er in alle leerboeken over de geschiedenis +des Vaderlands over dezen man breedvoeriger gesproken wordt dan over +anderen? Bovendien kan 'k, door het leven van TROMP te nemen, beter +voldoen aan het tweede gedeelte van den titel: Hoe de Vereenigde +Provincien eene Zeemogendheid werden. Mocht "Goede Vaer Tromp" eene +welverdiende plaats in uw hart veroveren, dan zou het waarheid worden +wat JOOST VAN DEN VONDEL eens schreef: + + + "Hij heeft zich-zelf in 't hart der burghren uitghehouwen, + Dat beelt verduurt de pracht van graf en marmersteen." + + +'S-GRAVENHAGE, P. LOUWERSE. + +Juni 1875. + + + + + +HOOFDSTUK I + +Een Winterdag op de Noordzee. + +Het jaar 1650 had zich ruw en guur ingezet. Het vroor niet, het +sneeuwde niet, maar het regende gestadig aan. Dagen achtereen was +de wind noordwest en alleen tegen den avond gebeurde het, dat hij +even door het noorden naar het noordoosten ging.--Alsdan flonkerden +de sterren en werd het eenigszins glad op de straat en aan het +scheepsboord.--Op straat hebben we echter niets noodig; want we +bevinden ons op de Noordzee. Als de lucht niet zoo bewolkt was en +de regen niet den horizon verduisterde, zouden wij den toren van het +aardige visschersdorp Schevelingen kunnen zien.-- + +Op het voorschip van de Zuyerhuys, aan welks boord we zijn, liep een +stoere jongen van omstreeks veertien jaren heen en weer. + +Hij had de pelsmuts diep over de oogen getrokken en zijne handen +zaten in de wijde zakken van den nog wijder broek van dik friesch +laken gemaakt. + +Een lederen riem om zijn middel met een mes er aan, doen ons dadelijk +bemerken, dat we met een jong matroos te doen hebben. + +'T was koud en guur, zeiden we zoo even, en dat kon men den jongen +wel aanzien ook. Zijne roode, volle wangen waren nat geregend, +doch het guitachtige, blauwe oog keek zoo vroolijk rond, dat men +wel kon zien, dat de knaap zich niet veel van het onaangename weder +aantrok. Integendeel, hij scheen er zelfs pret in te hebben; want, +gewapend met een eind touw, dat hij gebruikte om zoo wat terzijde te +slaan, even als een ruiter zijn karwats, als deze zijn paard niet +slaan wil, begon hij eerst een deuntje te fluiten en daarna zacht +te zingen. Het was een "Prince-liedt" van den Frieschen dichter +Jan Janszoon Starter, die in den dertigjarigen oorlog, als soldaat, +onder den Graaf Van Mansfelt, verdwenen was om nooit weer iets van +zich te laten hooren. + + + "Vive le Prince de Oranje! + Vive ons Bescherm-Heer teghen Spanje. + Vive ons vrijheyds vaste Borgh. + Vive de Baeck daer wij na zeylen. + Vive de Loots-man van ons peylen. + Vive ons alderhooghste Sorgh! + + Vive den Oorsprong van ons blijheyd. + Vive de Handhaver van ons Vrijheyd. + Vive die Schrijft: "Je Maintiendray." + Vive die onse saeck houd staende. + Vive die onse weeld houd gaende. + Vive dat groene Pluijm-geway! + + Vive de Vorsten van Nassouwen. + Vive den Held daer wij op bouwen. + Vive naest God ons toeverlaet. + Vive den geessel der vijanden. + Vive den Troost der Nederlanden. + Vive den Stuerman van ons Staet! + + Vive ons Roem in Kloeke Daden + Vive ons Sorgh in wijse Raden. + Vive de Waker voor ons Rust. + Vive ons Hoop in bange tijden. + Vive de Leydsman van ons strijden. + Vive den Vinder van ons Lust. + + Vive de Spieghel aller deughden. + Vive de Schild van onze Vreughden. + Vive daar elck voor sterven zou. + Vive de Velt-heer in de Velden, + Vive, o Roem van alle Helden, + Vive Maurice de Nassou!" + + +Onder het zingen van dit liedje had hij zijne schreden steeds versneld, +precies als een, die zich haast om gauw ergens onder dak te komen, +doch nauwelijks had hij het geeindigd, of hij stond stil, wiesch de +regendroppels van zijn gelaat, schudde zijne lange blonde haren naar +achter, keek naar den man aan het roer, vervolgens naar den wimpel, +maakte een luchtsprong als een speelsch jong katje, en begon aan +Brederoo's kluchtig Boeren Gezelschap. + + + "Arent Pieter Gijsen, met Mieuwes Jaap en Leen, + Klaasjen, en Kloentjen, trocken t' samen heen + Na 't dorp van Vinckeveen: + Wangt ouwe Franghs, die gaf sen Gangs, + Die worden off' creen. + + Arent Pieter Gijsen die was so reyn in 't Bruyn, + Sen hoedt met bloem-fuwiel die zat hem vrij wat kuyn, + Wat scheefjes en wat schuyn. + Soo datse bloot, ter nauwer noot + Stongt hallif op sen kruyn. + + Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje Claas, en Kloen + Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen, + In 't root, in 't wit, in 't Groen, + In 't grijs, in 't graeuw, in 't paers, in 't blaeuw, + Gelijck de Huysluy doen." + + +De regen en de wind werden den zanger thans te machtig, en daarom +verschool hij zich achter de boot en weldra klonk vandaar opnieuw: + + + "As nou dat vollickje te Vinckeveen an quam, + Daer vongdese Keesjen, en Teunis en Jan Schram, + En Dirck van Diemerdam, + Met Sijmen Sloot, en Jan de Doodt, + Met Tijs, en Barend Bam." + + +Onder het zingen van het laatste versje kwam er een oud matroos naar +boven en, zich begevende naar de plaats vanwaar nog altijd het gezang +klonk, riep hij: "Ho, Jonge Kees, eeuwige dodelaar, waar zit-je?"-- + +"In mijn vel en als ik er uit kom dan ben ik niet wel, ouwentje," +hoorde men spottend van achter de boot roepen. + +"Bijlo, jij zult me daar ook veel zien, ja! ge staat me daar achter +die boot te koekeloeren, als een bakker in den oven of de maan niet +rijst!" zeide de oude matroos eenigszins ontevreden. + +"Welja," antwoordde de knaap, dien we, "Jonge Kees" hoorden noemen, +"wel ja, mij dacht: Huib schaft ook liever dan naar de Koningsmoorders +[1] uit te zien, en mij laat hij gerust in den regen staan! Heeft de +kost je wel gesmaakt, ja ofte neen. + + + Want als de kost u niet en smaeckt, + Dan ben je in 't Sieckenhuys gheraeckt."-- + + +"Kapitein Joost Verschuyr van de Zuyerhuys laat zijn manschap geen +gebrek lijden, bengel, dat weet je wel. Jij moest maar eens eene +maand lang je voeten zetten op het dek van de Blinkert dan zou je +wel minder zanglustig zijn en minder praats hebben!"-- [2] + +"Heusch, ouwentje, de gort was aangebrand, anders zou je zoo brommig +niet zijn en mijne liedekens verwenschen!"-- + +"Mijne liedekens!--Als Starter en Brederoo nog leefden zonden ze je +wel wat anders zeggen! Van mijn part, zing zoo veel je wilt, al was +het van den noen tot middernacht!"-- + +"En 't spek was niet gaar of net smaakte naar het vat!" sarde Jonge +Kees. + +"Kwajongen, die je bent! Als je nu niet op en houdt met over onzen +scheepskost te kallen en te schreeuwen, dan smijt ik je over boord, +dan kan je de roorokken opzoeken!"-- [3] + +"Dankje hartelijk, Huib, dankje! Als je smijten wil, smijt dan je +kwaad humeur over boord, ga op wacht en in den regen staan, en laat +mij aan den bak gaan, anders eten mijne maats alles op!"-- + +"Nou, ga maar, dan ben ik je kwijt! Ik kan je missen als ... als ... + +"Als aangebrande gort met rauw spek! Ha, ha, ha!" riep Jonge Kees en +spoedde zich tusschendeks om zich daar aan den bak wat te verwarmen +met het gewone scheepskostje: gort met spek. + +Weldra was hij echter weer boven en bij den ouden zeerob, dien hij, +niettegenstaande zijne onvriendelijke uitvallen, toch gaarne lijden +mocht. + +"Bar weer, he?" zeide Jonge Kees om een gesprek aan te knoopen. + +"Ja!" was het antwoord; maar de oude keerde zich om en zag in zee. + +De jongen was een weinig uit het veld geslagen en wist niet, wat hij +nu zeggen moest. Ten slotte bedacht hij wat. "Ligt de Brederode nog +te Vlissingen, Huib? "Of is ze al uitgezeild?"-- + +"Weet ik het?" bromde Huib. "Van mijn part blijft hij voor goed +aan wal!"-- + +"Voor goed aan wal? Wel, dan zou het er mooi voor ons uitzien! Dan +konden de Vereenigde Provincien ook wel zeggen: "Nacht, Nies, ik ga +de nachtschuit in!"-- + +"Alsof ze alevel de nachtschuit niet ingingen! Kijk, zoo waar als +ik Huib Maerlant heet en vijf en twintig jaren ter zee gevaren heb, +zoo waar is het, dat de Vereenigde Provincien zich er onder zullen +werken!"-- + +"Alsof we niemendal meer waren! Daar zou onze Ammiraal Tromp een +ander boekje van opendoen, Huib! Ben-je dan dat kostelijk zeegevecht +bij Duins vergeten?"-- + +"Ho, dat is al elf jaren geleden, en toen liep je aan moeders hand +naar het strand om schelpkens te zoeken! Zoo'n jongske moest daar +niet van willen meepraten. Toen was toen, en nu is nu!"-- + +"Denk-je' dan, Huib, dat wij te Scheveling nooit ergens anders over +kallen dan over scholletjes en tongetjes? Vader heeft me dikwijls +verteld...." + +"Dat je een wijsneus waart, zeker! Maar ik geef onzen Vice-Ammiraal +Witte Corneliszoon De With gelijk. Die klaagt ook over den slechten +toestand der vloot, en zal er bij gelegenheid wel eens een woordje +over spreken ook. Als 't moet dan durft hij 't onzen Hoog-Mogenden +wel vlak in het aangezicht te zeggen!"-- + +"Een lieve jongen, die De With! Een.... + +"Wel ja, 't staat je fraai zoo over je meerderen te spreken! Heb ik +geen gelijk gehad toen ik zei, dat je een wijsneus was?"-- + +"Een wijsneus? Je scheldt me altijd uit ook! Heb je dan zelf niet +verteld, dat hij eens voor een krijgsraad, waarvan Tromp voorzitter +was, heeft moeten verschijnen, en dat hij op den raad, hem gegeven, +om den Stadhouder vergiffenis te vragen, geantwoord heeft: "Dat en +doe ik nooit ofte nimmer! Ik ben een eerlijk man, en geen kwajongen!"-- + +"Dat's waar!" zeide Huib. + +"Zoo, dat jok ik dus niet! En is het ook niet waar, dat hij met Tromp, +Evertsen, De Ruyter, ja, met de heele wereld overhoop ligt?"-- + +"Dat 's ook waar!" was het antwoord. + +"En vloekt hij onze matrozen niet doof, en zien wij hem niet liever +gaan dan komen, zeg?"-- + +"'t Is waar, 't is altemaal waar, Jonge Kees!" luidde het eenigszins +ontevreden. "Maar, jongen, je moest hem van zijne jeugd afaan +gekend hebben, zooals ik hem ken! Je moest net, als ik, met hem, +al vechtende, van den Burgheuvel te Oostvoorne gerold zijn, dan zou +je anders praten. Een ruw man, dat is hij, door en door! Vloeken, +razen, kijven en schelden, dat kan hij als de beste Schevelingster, +die er naar Den Haag loopt. Maar vechten kan hij ook, en bang-zijn is +een woord, dat hij niet en kent. Eerlijk is hij als goud en ... het +Vaderlandt ghetrouwe!"-- + +"Dat's waar!" zeide Jonge Kees op zijne beurt. + +"En," vervolgde Huib, "als je je plicht doet en toont dat je nog wat +meer kan dan een schaftbak leeg maken, dan mag hij je eens uitschelden +voor al wat leelijk is, als hij een uur later bij je komt, dan is +hij alles weer vergeten!"-- + +"Ei, Huib, dat zou 'k maar zachtkens zeggen! Is hij dan van onzen +"Goeden Vaer Tromp" zulk een excellent vriend? En van den Zeeuwschen +Ammiraal Jan Evertsen?"-- + +"Hoor eens, Kees, je slaat daar als een blinde vink door! Onze De +With vind het niet pleizierig, dat hij gelijk gesteld wordt met, ja, +soms onder de bevelen moet staan van een Ammiraal uit een kleiner +gewest dan Holland. En wat Tromp betreft, goed is hij, en die durft +te zeggen, dat hij dat niet en is, die moet dat maar eens onder vier +oogen durven vertellen, dan zal ik toonen, dat de oude Huib Maerlant +nog knuisten aan zijn lijf heeft! Ik zal hem...." + +Onderwijl Huib dit zei, raakte hij meer en meer in vuur. Eensklaps +pakte hij Jonge Kees bij de schouders en schudde hem gevoelig heen +en weer. + +"Wat, Satan, Huib, ben-je behekst? Ik en heb dat niet +gezegd!" schreeuwde Jonge Kees. + +"Ja, ik zal hem ringelooren, dat zal ik!" riep Huib en ging voort +met schudden. + +"Laat me los, laat me los, laat me los!" klonk het thans nog luider +uit den mond van den knaap. + +Huib scheen echter tot bedaren te komen en Jonge Kees, loslatende, +zei hij: Zie-je, zoo, zoo zal ik doen!"-- + +"Ik wou met dat al, dat je twintig zeemijlen van mij af waart, leelijk +vernageld kanon!" antwoordde Jonge Kees en wreef met de linkerhand +over het bijna ontwrichte rechter schouderblad. + +"Wat, ik een vernageld kanon?" riep Huib verwonderd en toornig uit, +"waarom zeg-je dat, kwajongen?"-- + +"Jawel, hij speelt de Leuke Piet nog! Heb-je me daar pas niet door +elkander geschud dat mij alles groen en geel voor de oogen werd?"-- + +"Heb ik dat gedaan? Ik?"-- + +"Welja, zeker heb-je dat gedaan! De sterrekens dansten me voor de +oogen alsof het klaar nacht was. De scheepsbarbier mag straks mijn +armen en schouders wel verbinden!"-- + +"Hoor, Kees, 't is waar, ik herinner me nu ook, dat ik je zoo even +heen en weer geschud heb! Maar, jongen, dat moet-je me niet euvel +duiden! Als ze van mijn "Goeden Vaer," van mijnen ouden speelkameraad, +kwaad beginnen te spreken, dan ben ik mij zelven niet meer meester!"-- + +"Ei, maar heb ik dan wat kwaads van hem gezegd?"-- + +"Neen, maar...." + +"Nu, wat dan?"-- + +"Nu zal je nooit kwaad van hem spreken, dat 's vast!"-- + +"'n Lieve jongen!"-- + +"Ben-je boos, Kees?"-- + +"Wou-je me dan altemet ook vriendelijk hebben? Zeker ben ik boos, +en ik zeg nog eens, ik wou dat je twintig zeemijlen van me af waart!"-- + +"'t Was een ongelukje, Kees, 't was een ongelukje! Jij bent een veel +te flinke "jooi" om jou te mishandelen.-- Beloof me, dat je 't me +vergeven zult, dan vertel ik u morgen, als we in Vlissingen liggen +om gekalefaat te worden, de historie van onzen "Goeden Vaer!"-- + +"Top, dat doe ik! Maar woord houden, hoor!"-- + +"Een man, een man; een woord, een woord! Maar nu naar de Engelschen +en de Duinkerkers uitgekeken!"-- + +"Ik meende daar straks een zeil te zien!"-- + +"Toen ik je zoo heen en weer schudde?"-- + +"Neen, vernageld kanon, toen niet; maar zoo even! Kijk, daar is +het weer!"-- + +Thans keek Huib in de door Jonge Kees aangeduide richting en riep: +"Een zeil! Bij mijne ziel, er zijn er twee! Het voorste is een +Duinkerker. Brutaal als de cipier van het rasp-en spinhuis, zijn +ze. Dat durft zich bijna op onze kusten vertoonen!"-- + +"En 't andere schip, Huib?"-- + +Dat en weet ik niet! Ik ga er onzen kapitein kondschap af geven!"-- + +Huib verwijderde zich en kwam weldra terug met den bevelhebber van +de Zuyerhuys, kapitein Joost Verschuyr. + +"Waar zag-je ze, Huib?" vroeg de kapitein. + +"Op de hoogte van Ter Heyden, kapitein!"-- + +Verschuyr vestigde zijnen scheepskijker naar de plaats en riep weldra: +"nu nog schooner! Een Duinkerker kaper, die jacht maakt op een onzer +straatvaarders! Dacht-je dat? Mis man, mis. 'T is een Engelschman, +'k zie het aan zijne geheele tuigage; hij kan me niet bedotten al +voert hij de Duinkerker vlag. In alle gevallen we zullen trachten +den straatvaarder te verlossen. [4] + +In een oogenblik was alle man in de weer! Er woei een stevige bries +uit het noordwesten; de Zuyerhuys telde vijftig kanonstukken en +had ruim twee honderd man aan boord; maar, al wilden kapitein en +bemanning ook nog zoo gaarne aan den dans, hunne handen waren te veel +gebonden door het bevel van Hunne Hoogmogenden om alleen in de grootste +noodzakelijkheid tegenover den Engelschman tot vijandelijkheden over +te gaan. Men wilde zoo lang mogelijk den vrede bewaren. + +Vroolijk danste het welbemande oorlogschip op de baren; en scheen beter +bezeild te zijn dan de kaper en de straatvaarder, althans na verloop +van drie uren was men den kaper voorbij en het koopvaardijschip was +onder bescherming van de Zuyerhuys. + +"Dat valt den Roorok vast niet mee!" zeide Jonge Kees tot Huib. + +"Meevallen of tegenvallen, 't is me om 't even," bromde deze en +mompelde tusschen de tanden, "en dat moeten wij zoo maar toezien!"-- + +Zoo stonden ze nog een poosje te kijken. De zon, die op het punt van +ondergaan was, kwam nog even door de wildjagende wolken kijken, en.... + +"'T weerlicht!" riep Jonge Kees. + +Nauwelijks echter had hij dit gezegd of er vloog iets door het want dat +de groote ra aan stukken sloeg, en een donderslag klonk langs de baren. + +"Kapitein, kapitein, nog niet?" vroeg Huib aan Verschuyr, die dicht +bij hem stond. + +In plaats van antwoord stampte Verschuyr met zijn langen degen op +het dek en knarste op de tanden.-- + +"Ze schieten weer!" schreeuwde Jonge Kees, die 't nu niet langer voor +weerlicht aanzag. Geen tien tellen later hoorden ze een oorverdovend +geruisch, alsof er wel honderd ketels water over eene rood gloeiende +ijzeren plaat gegoten werden.-- 'T was de kogel van den vijand, +die op eenige vademen afstands van het schip door het water vloog. + +"In vrede, hij voert een Duinkerker-kapers vlag," zei Verschuyr. "Niet +gesammeld, jongens! Houdt je goed en geeft dien Koningsmoorder een +paar ijzeren pillen te slikken!"-- + +Dat was geen dooven gezegd.-- Alles beijverde zich om aan dat bevel +gehoor te geven, en net toen de zon onderging en alles in duisternis +verkeerde, flikkerde er een licht uit een der geschutspoorten van de +Zuyerhuys, een hevige slag volgde en door de felle beweging van het +schip werd Jonge Kees, die nog nooit een zeegevecht had bijgewoond, +het onderste boven gesmeten. + +"Fij, wiegekindeke, gaode ge liggen rollen? Blaif maor liggen zulle, +daor kommen er nog meer. We zullen portaon dien Roorok 'nen kier zainen +zin geven! Blaif maor liggen, manneken; gai ligt daor goed!" zei een +Vlaamsch matroos. + +"Ik kan wel opstaan, hoor," antwoordde Jonge Kees, maar juist toen hij +hiertoe pogingen aanwendde, gaf de Zuyerhuys het tweede schot en de +knaap kwam nu met het hoofd tusschen de voeten van den Antwerpenaar +terecht. + +"Kaik, ie staot; jaowel, ie staot!" hernam deze lachende, doch rolde +toen het derde schot gelost werd, daar hij door het woelen van Jonge +Kees zelf al niet vast meer op zijne beenen stond, ook op het dek, +tot groot genoegen van Huib, die den Antwerpenaar napraatte en zei: +"Kaik, ie staot; jawel, ie staot! Blaif maor liggen, kompeer, daor +kommen er nog meer! Ikkik verrassereer het doe!" + +Huib had echter onwaarheid gesproken; want de Engelschman hield af en +aan vervolgen was in den donkeren nacht niet te denken. Daarenboven +was de Hollandsche straatvaarder de Vrije Konsten zwaar geladen en +een slecht zeiler.-- + +Men wendde derhalve den steven en zette koers naar Brielle, doch de +felle tegenwind, die bijna tot een storm aangegroeid was, dreef de +beide schepen af en den breeden mond van de Honte of Westerschelde in. + +Bij het aanbreken van den dag lagen ze voor Vlissingen. De Zuyerkuys +liep de haven binnen en de Vrije Konsten zette koers naar Rotterdam, +waar het twee dagen later behouden aankwam. + +Zoodra het schip aan de kade gelegd was, kwamen vele nieuwsgierige +Vlissingers aan boord om een en ander van de laatste gebeurtenissen +ter zee te vernemen. + +Jonge Kees echter troonde Huib mee naar het voorschip en zei: "Vertel +me nu de geschiedenis van onzen "Goeden Vaer!" We hebben nu volop +den tijd!" + +Huib voldeed hieraan met graagte; want al had hij het aan dezen of +genen al zoo vaak verteld, 't was hem nooit te veel om het nog eens +en nog eens te doen.--Hij zette zich daarom op een hoop zeilen en +uit den wind en begon zijn verhaal. + + + +HOOFDSTUK II + +Een dag Vacantie. + +'T was een prachtige Octoberdag van het jaar onzes Heeren 1606. Wij +hadden dien dag ter school verlof, en reeds driemaal had ik mijne +goede moeder bij haar huiswerk in den weg geloopen. Ik stond, geheel +onschuldig, gereed dit voor den vierden keer te doen, toen mijne +moeder zei: "Hoor eens jongen, ik wenschte wel dat de schoolmeester +je vandaag geen verlof gegeven hadde; want gij loopt mij telkens in +den weg. Is er niets te doen voor je?" + +"Ik en weet het niet, moeder!"-- + +"Ik en weet het niet! Fij, dat een jongen van negen jaar met zijnen +ledigen tijd geenen weg weet. 'T is meer dan erg!"-- + +"Maar, moeder, laat mij dan maar boodschappen doen!"-- + +"Ik en heb geen boodschappen voor je! Maar ja, toch. Weet-je den +Hoogendijk?" + +"Ja, moeder!" + +"Kostelijk. En weet-je daar net op den hoek van het Lage Woudt en de +Drie Stucken, dat kleine boerenhuisje staan?"-- + +"Ja, moeder, ja, daar woont het "Kregelige Mennonietje!"-- + +"Wie zegt je, daar, jongen? Het "Kregelige Mennonietje?"-- + +"Ja, moeder, dat is een jongentje van zeven jaar, die o, zoo kwarrig +en kregel is. Wij plagen hem wat dikwijls en dan moest ge zijne facie +eens zien. Vooral als wij hem "Kregel Mennonietje" noemen dan stampt +hij van kwaadheid en krabbelt zichzelven in 't aangezicht. Want weet +u, moeder, Witte's vader, de oude Cornelis Wittensz. De With en zijne +Moeder Neeltjen Andries, zijn beiden Mennonieten en deze mogen niet +slaan, niet vechten, niet zweren en wat weet ik daar nog al meer af!"-- + +"'T staat u waarlijk fraai, Huib, zoo'n armen knaap te bespotten omdat +zijn vader en moeder een soort van ongeloovigen zijn! En doet ge dat +spulletje alleen?"-- + +"Welneen, Moeder! Daar heb-je Marten, den zoon van Herbert +Martensz. Tromp, den zeekapitein, die is altijd haantje de voorste!" + +"Dat wil ik wel gelooven! Wat er van dat jongsken worden moet, dat +en weet ik niet. Hij is heelemaal baas over zijne moeder, die veel +te goed voor zoo'n bengel is. Die Marten moest mijn jongen zijn, +ik zou wel raad met hem weten, ja, dat zou ik!" + +"Gij zoudt hem slaan, Moeder?--Als Marten uw jongen was zoudt ge dat +niet doen; want hij is door en door goed, als een kalf, ja!"-- + +"Sla ik jou wel eens, Huib? En ben-je ook niet dikwijls heel +kwaadwillig en ondeugend? Neen, ik zou met Marten doen, zoo als ik +plan heb met jou te doen, als je vader uit de Oostzee terug is!"-- + +"Wat dan, Moeder, wat dan?" + +"Dan ga-je naar zee, jongen! Aan boord gaan er die wilde haren wel +uit! Reken daarop!"-- + +Toen moeder dit zei sprong ik wel twee voet hoog van den grond en +begon haar te omhelzen en te kussen van belang! Want naar zee te gaan, +dat beviel me vrij wat beter dan in het school op die harde banken +te zitten. Ik leerde bovendien heel weinig, omdat ik er geen lust in +had. Lacie, wat heb ik mij hierover later beklaagd!--Kan-je lezen en +schrijven, Jonge Kees?"-- + +"Jawel, ik heb dat te Schevelingen van onzen domine geleerd. Die man +houdt veel van me!"-- + +"Zoo, dan is het goed, dan kan-je ook nog wat worden in de wereld. Maar +ik, oude stumperd, ik, die niet en wilde leeren, ik ben niets geworden, +niets dan matroos.--Voor matroos geboren zal ik ook wel voor matroos +sterven! Spiegel u aan mij, knaap, en zorg dat ge wat meer wordt dan +ik.--Doch laat ik nu met mijne vertelling voortgaan. + +Toen mijne Moeder zich uit mijne woeste omhelzing losgemaakt had, +zei ze: "Welnu, Marten moet ook naar zee. Vader Herbert zal hem de +ooren wel wasschen, als hij het verdient! Doch wat ik zeggen wil, +ga nu naar den ouden Cornelis Wittensz. De With en haal me daar een +paar maten kippenvoer. Ik heb gehoord, dat hij het goedkooper geeft +dan Meeuwisz. hier in de buurt!"-- + +Onderwijl ik in ons schuurtje ging om eenen zak te halen, hoorde ik +een geweldig gejoel op straat. De bovendeur werd open gedaan en de +stem van mijn vriend Marten riep: "Moeder Maerlant, mag Huib zich +wat met ons buiten de poort gaan vermeien?"-- + +"Huib moet eene boodschap gaan doen op den Hoogendijk, Marten!" + +"Top, dan gaan wij met hem mede! Eene frissche wandeling op zulk +eenen schoonen dag!"-- + +"Nu, mijnentwegen kunt gij medegaan! Maar pas op, hoor, dat ik geene +klachten over u krijg en dat ge mijn Huib tot geene dolle streken +verleidt!-- + +Zoo'n oorlof, zoo'n oorlof! Ik zou wel eens willen weten waarom die +schoolmeester hun dat gegeven heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en +al uw werk doen, zegt de Schrift en zoo'n schoolmeester arbeidt van +de week maar vier en een halven dag! 'T is erg, meer dan erg!"-- + +'T gejoel op de straat nam steeds toe. Wel twintig jongens, die +stokken droegen waaraan ze doeken geknoopt hadden, stonden voor de +deur en ontvingen mij, toen ik buiten kwam, met luid gejuich.-- + +"Je moet naar den vader van 't "Kregelige Mennonietje," Huib,--riep +Marten en stopte mij een stok met een doek er aan in de hand.-- + +"Ja," gaf ik ten antwoord. "'K moet kippenvoer gaan halen!" + +Moeder kwam aan de deur en riep ons toe: "Voor den noen terug, +hoor! Heb-je't verstaan, Huib? Als ge er niet en zijt, dan vindt ge +den hond in den pot!"-- + +Ik zeide "ja!" doch mijn antwoord ging onder al het gejoel verloren. + +Zingende, springende, lachende en snappende ging het langs de +Voorstraat naar de Zuidpoort. Bij het Gasthuis gekomen hieven wij een +gejuich aan, dat al de oude en zieke luiden vast van schrik moeten +opgesprongen zijn, en draafden in eenen stevigen draf de Zuidpoort uit. + +"Hei, jongens, een liedje ter eere van onzen Reinier Claessensz!" riep +nu op eens Simon, de jongste zoon van onzen Baljuw Dirk Van +Duvenvoorde. + +"Ja, ja, een Wilhelmusje, een Wilhelmusje!" antwoordde Joost Van de +Werve, dien we wel eens uitscholden voor + +"Spanjool" omdat zijn grootvader, die ook Joost heette, Baljuw +onzer stad en het land van Voorne was, toen de dappere Watergeuzen +haar innamen. Hij bleef den Spaanschen Koning getrouw, totdat hij in +1574 in den Waterslag bij Hoorn gevangen genomen werd, en daar in de +gevangenis van verdriet en ergenis stierf. Zijn zoon was in Den Briel +gebleven en was een zoo heftig vijand van den Spanjool als zijn vader +een groot vriend. + +"Maar wat is er toch met dien Reinier Claessensz. voorgevallen?" vroeg +ik. + +"Jongens, hoort ge 't? Hoort ge 't?" riep Marten. "Hier is een sul, +die nog niet en weet wat er gebeurd is. Die Huib vraagt wat er met +dien Reinier Claessenz is voorgevallen!"-- + +"Lacht hem uit! lacht hem uit!" klonk het thans van alle kanten. + +"Jaagt hem door de braamstruiken daar aan den weg! schreeuwde Gerrit +Claesz. Van Valkesteijn. "Wat doet hij dan met eene vlag te loopen, +als hij niet en weet waarom hij er eene draagt!" + +"Ja, ja, door de braamstruiken! Gerrit heeft gelijk!" riepen thans +eenige jongens. + +Thans vatte echter Marten mijne partij op, en zich voor mij plaatsende, +zei hij: "Jongens, is Huib niet net zoo oud als ik? Is hij geen negen +jaar oud en ben ik het ook niet?"-- + +"Ja, ja," joelde het troepje. "Gijlieden zijt even oud!" + +"En is Huib mijn vriend niet?" hernam Marten. + +"Ja, dat is hij!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hij krijgt op +de school al de klappen, die gij verdient!"-- + +"Dat is niet waar!"' zeide Marten. "Gisteren nog heeft de meester +mij een striem gegeven, dien ik nog voel! Maar wie heeft jelui het +geval van onzen Claessensz. verteld?"-- + +"Dat hebt gij gedaan!" sprak Gerrit. + +"En als ik dat eens niet gedaan hadde, wat zoudt gij-lieden dan weten, +zegt?"-- + +"Dan wisten wij niemendal, Marten!" sprak Simon. + +"Welnu," hervatte Marten, "ik en heb het onzen Huib nog niet gezegd +wat er gebeurd is, en daarom kan hij 't niet weten ook! Luister, Huib, +ik zal het u vertellen. Mijne moeder kreeg van morgen eenen brief van +vader, die thans met zijn schip te Enkhuizen ligt. In dien brief nu +stond ook dit:-- + +In den loop van dezen zomer is de Ammiraal Hautain met vierentwintig +schepen uitgeloopen om de Spaansche en Portugeesche vaartuigen, +die uit de Oost- en Westindien kwamen, te onderscheppen en als prijs +naar onze havens te brengen. Door eenen fellen storm werden echter +zes schepen van de vloot afgescheiden; de "Vice-Ammiraal Reinier +Claessensz. was aan boord van een der zes. Bij kaap Sint Vincent +gekomen ontmoetten ze acht zwaar gewapende Spaansche galjoenen, onder +bevel van den laffen zoutdief Fiasciardo. [5] Deze zond onverwijld +het grootste galjoen op onzen Vice-Ammiraal af, en terstond gingen de +vijf Hollandsche schepen op de vlucht.--Claessensz. wilde van geene +overgave weten. Veel liever stierf hij den heldendood, dan als gevangen +man wreed om hals gebracht te worden. Twee geheele dagen vocht hij +met onbezweken moed tegen de overmacht. Zijn groote mast was al over +boord geslagen en zijn schip van alle kanten lek geschoten; vele van +zijne matrozen waren reeds gesneuveld en aan ontzet viel er niet te +denken. Hierop liet hij de overgeblevenen bij elkander komen en vroeg +hun wat ze liever wilden, door den Spanjool gevangen genomen worden, +of de lont in het buskruit steken.--Ze kozen allen het laatste en na +een kort gebed tot onzen Lieven Heer stak Claessensz, zelf den brand +in 't kruit en ... vloog toen met de zijnen in de lucht. Twee er van +zijn half dood in de handen van den vijand gevallen. Die moeten dat +zeker verteld hebben! Hoe vind-je 't, Huib, mooi, he?" + +"Ja, mooi, mooi!" riep ik en schreeuwde: "Leve Reinier Claessensz!" + +"Leve Reinier Claessensz!" klonk het uit den mond der anderen. "En +weet ge wat we nu gaan doen, Huib?" vroeg Marten. + +"Neen," antwoordde ik. + +"Nu, gaan wij naar den Burgheuvel te Oostvoorne om daar zeegevechtje +te spelen! Ga-je mee?"-- + +"Ik en kan niet! Ik moet om kippenvoer bij Cornelis Wittensz. De With +en voor den noen thuis zijn!"--antwoordde ik. + +"Bijlo, alsof dat niet en kon! 'T is nu acht uur. We gaan eerst naar +den Hoogendijk om kippenvoer te koopen. Daar heb-je geen vijf minuten +voor noodig. Dan gaan wij voorbij De Tinte en langs den Ruyghendijk +naar den molen. Als we daar zijn dan kunnen we in een omzien langs +den Voorweg op den Burgheuvel zijn!" sprak Marten. + +"Neen, langs den Rick, den Konnewegh en Langenwegh is het +nader!" meende Willem Hugensz. + +"Dat zal geen vijf minuten verschillen," zeide Marten. + +"'T is de vraag maar of Huib mede gaat, ja ofte neen!"--- + +"Zullen we voor den noen thuis zijn?" vroeg ik; want mijne moeder +was niet gemakkelijk als ik niet en deed wat zij beval-- + +"Een uur voor den noen zelfs!" sprak Jan Roete. "'T gevecht is in +een uur afgeloopen!"-- + +"Dan doe ik het!" riep ik en snelde toen met de anderen naar het +huisken van het "Kregelige Mennonietje."-- + +Toen wij daar aankwamen stond de kleine Witte aan het hekje waardoor +men op het erf van zijnen vader kwam. + +"Is je vader thuis? vroeg ik. + +"Nee," antwoordde hij kortaf. + +"Je moeder dan?" vroeg Marten. + +"Ook al niet," zeide Witte. + +"Komen ze niet gauw thuis ook?" vroeg Simon. + +"Dat en weet ik niet. Ik moet op het huis passen, zie-je, dat moet +ik! En als je me plaagt dan ga ik schreeuwen!"-- + +"Wat moet jelui hier doen, bengels?" vroeg eensklaps eene vrouw, +die van achter het huis kwam, "Komt gijlieden mijn arm jongske weer +plagen?"-- + +"Neen moeder De With, ik kwam twee maten kippenvoer halen," zeide ik +en liet haar mijne penningen en den ledigen zak zien. + +"Zoo, dat is wat anders," zei ze en mijn zak nemende kwam ze er weldra +mede terug. + +"Gebruik je het oorlof om buiten wat te gaan jagen en tieren?" vroeg +ze mij onderwijl ik den krop van den zak stevig dichtknoopte. + +"Neen, moeder De With," zeide Marten, "er is heel wat anders +gebeurd." Hier begon hij haar de geschiedenis van Reinier +Claessensz. te vertellen en toen hij geeindigd had, sloeg Witte's +moeder de handen in elkander en riep: "Fij, fij, en hierover maken +de jongskens zulk een getier? 'T ware beter dat gijlieden deedt als +mijn Witte, die keert u de rechterwang toe, als ge-hem op de linker- +eenen slag geeft!"-- + +Daar zag Witte op het oogenblik anders niet naar uit; want onderwijl +Marten vertelde, was de kleine jongen,--die echter nog al kloek +en stevig voor zijn leeftijd was, daar hij een paar dagen geleden +eerst zeven jaar oud was geworden,--naar buiten gekomen en stond met +glinsterende oogen en gloeiende wangen te luisteren. + +"En waarheen gaat het nu?" vervolgde moeder De With. + +"Naar den Burgheuvel te Oostvoorne om zeegevechtje te spelen!" zeide +Jan Boete en voegde er terstond bij: "komt, jongens, anders wordt +het te laat!"-- + +"Gijlieden moet zeker allen wel van die vechtersbazen ter zee worden, +he? Nu, mijn Witte zal daar gelukkig voor bespaard blijven. Hij zal +het vreedzame handwerk van lijndraaien leeren, nietwaar, vent?"-- + +"Ik zou ook wel willen varen, moeder!" antwoordde Witte. + +"Nu, dat en zult gij niet! Jongskens van zeven jaar en weten niet +wat ze willen, die moeten doen wat vader en moeder begeeren!"-- + +"Maar waarom mag ik dan niet gaan varen, moeder? Een matroos moet +toch niet altijd vechten, wel?"-- + +"Zwijg, Witte, zwijg! Je heb je door die bengels daar, den kleinen +kop warm laten praten, dat hebt ge! En, wat ik zeggen wil, moet er nog +iemand kippenvoer? Niet? Nu, gaat dan maar heen en bedrijft uw zondig +spel tot de Baljuw je voor je straf achter slot en grendel zet!"--Zeide +moeder De With en haar zoontje in huis trekkende, deed ze de deur toe. + +"Leve Reinier Claessensz. en het "Kregelige Mennonietje!" schreeuwde +een der jongens, en zijn uitroep werd door allen krachtig herhaald.-- + +En thans zou het naar den Burgheuvel gaan; maar niettegenstaande +Marten en Willem Hugensz. over den kortsten weg getwist hadden, weldra +bleek het dat zij dien kortsten weg alleen van hooren zeggen hadden; +want in plaats van den Ruyghendijck op te gaan, sloegen we te gauw +links af en kwamen langs den Rietdijck en den Pannewegh voorbij de +huizinge Kranenhout, wel een half uur later bij den molen, dan we +gedacht hadden. + +Het zweet droop mij langs het voorhoofd; want in het eerst droeg +nu de een dan de ander mijn pakje; doch toen we bemerkten, dat wij +verdwaald waren, lieten ze het mij alleen dragen. + +De torenklok van Oostvoorne sloeg tien uren toen we op het dorp +kwamen. De meeste menschen waren aan den arbeid en de kinderen in de +school, zoodat we ongestoord naar den Heuvel konden gaan. + +"Kijk, daar staat al een jongen op!" riep Simon. + +"'t Is ons Kregel Mennonietje!" zei Marten. + +Het was zoo. Nauwelijks waren wij op de plaats waar we prachtig +zeegevechtje konden spelen, of Willem Roete ging naar hem toe en zei: +"Hoe komt gij hier?"-- + +"Op mijne beenen!" antwoordde Witte. "Denk-je dat ik vliegen kan?"-- + +"En wat kom-je doen? Kom-je meevechten?" vroeg ik. + +"Neen, ik en mag niet vechten; ik kom maar kijken!" sprak Witte. + +"Nu, als je ons dan maar niet in den weg loopt, dan is het minder," +zeide ik. "Hier, ga daar maar staan en pas dan op mijnen zak met +kippenvoer!"-- + +"Kogels maken, jongens, kogels maken! We nemen de doeken +van onze stokken af en vullen die dan met zand! Wie zal er +Claessensz. zijn?" riep Marten. + +"We zullen er om trekken!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hier, +Witte, onderwijl wij kogels maken, moet gij twintig stokskens snijden, +maar een moet er bij zijn, dat langer is dan al de andere. Wie het +langste trekt, die is Reinier Claessensz. en mag vijf andere jongens +voor zijne matrozen kiezen!"-- + +Eerlijker kon het niet! Wij gingen kogels maken en Witte liet zich +van de hoogte glijden om stokskens te halen. Weldra kwam hij terug +en daar ging het op een trekken. De "Spanjool" had het langste en +koos mij en Marten met nog drie andere jongens tot zijne matrozen. + +"Onze wapenkreet is "Holland!" sprak de "Spanjool." + +"En de onze is "Spanje," antwoordde Simon, die voor Fiasciardo speelde. + +Plof! daar viel de eerste kogel en vier jongens klauterden de +hoogte op. + +"Wacht," riep ik, "'k zal je leeren mij aan boord te +klampen! Holland! Holland! Kom hier, als je durft!"-- + +"Spanje! Spanje!" klonk het van beneden. + +Plof! Alweer een kogel net tegen mijne beenen. Ik tuimelde en +zou van den Heuvel af te midden mijner vijanden gerold zijn, had +niet de "Spanjool" het gevaar ziende, mij bij den arm gegrepen en +tegengehouden. + +"Je moet mij niet gooien, leelijke Spanjolen!" schreeuwde thans Witte +uit al zijn macht, "ik zit hier maar te kijken! Wat doe-je mij zoo'n +kogel tegen mijn hoofd te smijten?"-- + +"Het Kregel Mennonietje is ziekentrooster aan boord van Ammiraal +Claesensz.!" schreeuwde ik naar beneden. + +Plof! Daar kwam al weer zoo'n doek met zand tegen mijn lijf aan. Ik +verloor het evenwicht, liep nog een eind vooruit om op de been te +blijven, doch kwam toen tegen Witte terecht, en rolde met hem van +boven neer. + +Met daverend gejuich werden wij onder het geroep van +"Spanje! Spanje!" ontvangen. Onder het rollen voelde ik dat ik +vreeselijk gekrabbeld werd, doch ik had geen tijd om te zien of +Witte dat deed. Wij kwamen in de braamstruiken, die beneden aan +den heuvel en tegen de hoogte groeiden, aanrollen. Hoewel versufd +door den val stond ik dadelijk op en naar Witte gaande zeide ik: +"Je hebt mij gekrabbeld, Kregel Mennonietje!"-- + +"Ik en mag niet krabbelen!" zei hij bedaard. Misschien zou hij nog +meer gezegd hebben, doch daar kwam Simon met drie andere jongens aan +die ons gevangen namen onder het schreeuwen van: "Spanje! Spanje! de +ziekentrooster en de konstabelsmaat van den vijand! Hangen! hangen!" + +"Ik en wil niet hangen! Ik en heb niet gevochten ofte gekrabbeld! Ik +heb maar staan kijken! Blijft van mijn lijf of ik zal "moord" +roepen!"-- + +"Wel hoor me dien razenden ziekentrooster eens aan!" riepen onze +vijanden en zouden ons misschien zoogenaamd opgehangen hebben, als +niet van de andere zijde van den heuvel een vreeselijk geschreeuw +ons in de ooren geklonken had.-- + +Twee kampioenen, de beide bazen van het spel, Reinier Claessensz. en +Fiasciardo, rolden arm in arm van boven neer en vielen met hun +beiden op mijnen zak met kippenvoer, die heelemaal berstte. Onder het +worstelen van die twee kreeg de zak een schop, dat hij een heel eind +verder in het water terecht kwam. Het regende kippenvoer en dat, +wat nog in den zak gebleven was, kon niet meer gebruikt worden, +want het was doornat en vol modder en kroos. + +"Dat is jou schuld, krabbelaar!" riep ik. "Jij hadt er op moeten +passen! 'T is jou schuld en jij zult me twee maten kippenvoer en +eenen nieuwen zak teruggeven!"-- + +"'T is mijn schuld niet! Jij hebt me naar beneden gegooid en ik en +heb niet gekrabbeld!" antwoordde Witte terwijl hem de tranen van nijd +uit de oogen sprongen. + +Ongelukkig genoeg gaf men den arme Witte van alles de schuld en +het kwam niemand in de gedachten hem te beschermen. Scheldnamen, +schoppen en duwen kreeg hij, van alle kanten, en wellicht hadden wij +den armen knaap nog wel erger mishandeld, als niet een paar arbeiders, +die van hun werk kwamen, Witte ontzet hadden en ons wegjoegen. + +"Ik en heb niet mee gevochten! Ik en heb niet gekrabbeld ook; maar +ik zal me wel laten doopen, dan mag ik ook slaan!" schreeuwde Witte +terwijl zijne tranen zich vermengden met het stof dat op zijn gelaat +lag, en hem het voorkomen van een neger gaven. + +"Nu is hij een Neger-Mennoniet!" riep Simon en de nieuwe scheldnaam +werd wel honderd malen door ons herhaald, doch hem op nieuw te lijf +te gaan, dat durfden wij toch niet! De arbeiders zouden ons dat wel +verleerd hebben. + +Onderwijl wij nu stonden te beraadslagen wat we doen zouden en hoe +ik mij tegenover mijne moeder verantwoorden zou, sloeg de torenklok +twaalf uren. + +"o Wee, daar is 't al noen, en nu vind ik bovendien nog den hond +in den pot!" riep ik. "Mijn kippenvoer weg,--geen eten, en morgen +misschien Wittes vader bij ons aan huis! Dat is allemaal jou schuld, +Marten! Jij hebt mij mee getroond!"-- + +"Ja, Martens schuld!" herhaalden de overigen, die graag zich wilden +voordoen, alsof ze aan het geheele geval part noch deel hadden! + +"Ik weet wat, jongens, ik weet wat!" sprak Marten, die erg in den +knoei zat. "Wij zullen allen uit onze zakduiten wat bijpassen en nog +eens twee maten kippenvoer halen!"-- + +"Maar ik en durf bij Wittes vader niet meer komen!" sprak Simon. + +"En ik niet! en ik niet!" was het algemeen geroep. + +"Dat behoeft ook niet!" hernam Marten. "Wij koopen het bij Meeuwisz. op +het Maerlant en halen eerst bij ons thuis eenen anderen zak!"-- + +"En als uwe moeder dien niet geven wil, wat dan?" vroeg Joost Van +de Werve. + +"o, Als moeder hoort wat er gebeurd is, dan krijgen we niet +alleen eenen zak, maar nog geld voor twee maten kippenvoer +bovendien!" antwoordde Marten. + +Dat plan werd goedgevonden en langs den hobbeligen Schrijversdijck +liepen we, zoo snel als onze vermoeide beenen dit toelieten, naar +Den Briel, waar we een paar minuten voor een uur aankwamen. + +Langzamerhand verminderde echter het aantal jongens, en op het lest +waren Marten en ik alleen toen we den klopper op de deur van de woning +zijner moeder lieten vallen. + +Ik kwam daar wel meer in huis en nauw had Marten uitgesproken of zijne +Moeder zei, dat zulke kwajongens als wij waren maar zien moesten, dat +zij hunne eigen bedorven zaken goedmaakten. Ik liet de lip al hangen, +doch Marten vloog zijne Moeder om den hals en wist zoo te vleien, +dat zij mij niet alleen eenen zak liet geven met de noodige penningen +om ander kippenvoer te koopen, maar ook uit puur medelijden, omdat +ik thuis den maaltijd zou afgeloopen vinden, mij met Marten liet mede +eten.--Toen ik hiermede klaar was nam Mie, de meid, een kleerschuier, +borstelde mijne kleederen schoon en wiesch mij zelfs het aangezicht. De +krabbels van Wittes nagels, of, zooals het Kregelige Mennonietje zei, +de schrammen van de braamdoornen kon ze niet wegkrijgen. Met die +litteekenen op het gelaat kwam ik twee uren na den noen bij Moeder, +die al dadelijk zag, dat ik eenen anderen zak medebracht. + +Ontkennen hielp niet; ik was wel verplicht de geheele geschiedenis te +vertellen en toen dat gebeurd was, gaf ze mij de penningen, die vrouw +Tromp mij gegeven had en zei: "Breng dat geld terug, kwajongen! Je +moeder heeft geene aalmoes noodig!"-- + +Schoorvoetende voldeed ik hieraan. + +"Zeg aan uwe moeder, dat ik te avond eens met haar over een en ander +kom spreken," sprak vrouw Tromp onderwijl zij het geld in haren +fluweelen beugeltasch, dien zij onder haar voorschoot had hangen, +liet glijden. + +Ik beloofde het te zullen doen en toen ik dit aan Moeder verteld had, +zei ze: "Best, en jij nou naar bed! Je zult wel moede zijn van dat +vechten, stoeien en ravotten!" + +"Neen, Moeder, ik ben niet moede! Ik wou...." + +"Dat je naar bed gingt!" sprak moeder gestreng. + +"Ja, maar Moeder, 't is nog maar drie uren in den achternoen en nog +veel te vroeg om te gaan slapen!"-- + +"Maar niet te vroeg om eens bedaard te liggen nadenken welk een +verdriet gij uwe Moeder aandoet! Marsch, uit mijne oogen! Bij de +Trompen heb-je voor eenen geheelen dag genoeg gegeten! Scheer je weg!" + +Ik pruttelde nog wel wat tegen, maar Moeder bracht mij naar mijne +slaapplaats op den zolder.--Ik ging dan ook werkelijk naar bed en of +het nu kwam, omdat ik dien dag zoo druk in beweging geweest was, ik +weet het niet; maar dat weet ik wel, dat ik weldra insliep en eerst +ontwaakte toen de groote torenklok het uur van middernacht sloeg. + +"De dag van ons oorlof is om," dacht ik even en mij eens omkeerende +viel 'k alweer in eenen diepen slaap.-- + +"Goeden morgen, Moeder," zei ik toen 'k den volgenden morgen, wel +wat vroeg, beneden kwam. + +"Goeden morgen, Huib!" was haar antwoord. + +"Is Vrouwe Tromp gisteren avond geweest, Moeder?"-- + +"Ja, jongen, zij is geweest!"-- + +"En?"-- + +"We hebben't over Marten en u gehad. Als Herbert Martensz. Tromp weer +naar zee gaat, kunt ge beide meegaan!"-- + +"Hoezee! Hoezee!" juichte ik van blijdschap. + +"Wat zijt gij blijde, jongen! Hebt ge 't dan waarlijk zoo kwaad bij +uwe Moeder! kind?" vroeg ze met tranen in de oogen. + +"Neen, Moeder, maar het leven op zee moet zoo heerlijk zijn! En +'k zal goed oppassen ook, dat beloof ik u!" + +"God geve 't, Huib! Ge zijt anders nog zoo jong, en als ge uit Vaders +en Moeders oog zijt, en zoo geheel alleen op eigen beenen door de +wereld moet gaan, dan kunt ge zoo licht verkeerde wegen inslaan!"-- + +"Maar kan ik dan niet aan boord bij vader?" vroeg ik. + +"Neen, dat kan niet, jongen! Je vader is geen kapitein of schipper +zooals de oude Tromp is, je Vader is maar matroos!" + +Moeder sprak nog veel met me eer 'k naar school ging, en als ik me nu +eens bedenk, wat die goede Moeder toen zei, en hoe ze er slag van had, +mij te leiden, dan bejammer ik het, dat ik zoo vroeg naar zee ging en +niet langer thuis bleef! 'K zou het dan verder in de wereld gebracht +hebben, dan nu! Maar, lacie, 't is te laat! Hoor, Jonge Kees, je hebt +wel eens van onzen dichter, den wijdberoemden Cats gehoord, niet?"-- + +"'K heb met Moeder wel eens visch aan zijne vrouw verkocht! Hij woont +op Zorghvliet tusschen Schevelingen en Den Haag, weet-je!" antwoordde +Jonge Kees, die met gespannen aandacht had zitten luisteren. + +"Zoo, maar 'k had nog liever, dat ge zijne kostelijke veerzen kendet, +dan hem zelf; want hij is de man, die spijkers met koppen slaat, en +'k denk dikwijls aan zijn veersken: Jonck rijs is te buijgen, maer +geen oude boomen!" + +"Dat veersken ken ik," zeide Jonge Kees, "dat heb ik van stuurman +Pronk geleerd; hoor maar. + + + "Terwijl het rijs is jonck en zwack, + En heeft niet eenen harden tack, + Terwijl het spruytje buygen kan, + Zoo moet een geestig boogert-man + Het boomken leyden metter handt, + Het boomken houden in den handt; + Ten eynde dattet zonder bocht + Ter voller hooghte komen mocht. + Leyt vriend' en leert u weerde kint, + Zoo haest zijn eerste jeught begint, + Want kromt het dan, en recht gij 't niet; + Zoo ist een eeuwigh huysverdriet." + + +Is het zoo niet, Huib?"-- + +"Ja, jongen, zoo is het. Vergeet dat nooit. Vergeet het niet, zooals +ik het vergeten heb, dan zult ge op drieenvijftigjarigen leeftijd, +als de Heere u het leven zoolang gunt, iets meer zijn dan matroos!" + + + +HOOFDSTUK III + +In de baai van Gibraltar. + +Vier weken later gingen Marten en ik te zamen naar onzen schoolmeester, +dien we zoo vaak geplaagd en gesard hadden. Vooral was ik hierin +altijd de eerste geweest en Wat nog wel het ergste van al was, 'k +had gedurende vier jaren zoo goed als niemendal geleerd en menigmaal +anderen van het werk gehouden bovendien. + +De meester was een oud, vriendelijk man, die nimmer naar de plak of de +gard zou grijpen, als het niet meer dan noodig was. Het was half vijf +toen wij de school binnentraden en het begon daar binnen al duister te +worden; want de kleine vensterkens met in lood gezette ruitjes lieten, +zelfs midden op den dag, maar heel weinig licht door. + +De oude man stond aan zijnen hoogen lessenaar toen wij binnenkwamen +en vroeg ons vriendelijk wat we begeerden. + +"Zeg jij het maar!" zeide ik en stootte Marten even aan. + +"Neen, ik en durf niet!" luidde zijn antwoord. + +"Nu, jongens, wat is het? Heb-je wat te zeggen, dat ge niet en durft +uit te brengen?" klonk het andermaal. + +Thans vatte ik moed en wat vooruit komende, zeide ik: "Meester, +wij zijn volleerd en weten genoeg; wij gaan met de volgende week +naar zee!"-- + +De meester lachte even en herhaalde mijn woord "volleerd," doch rekte +dat uit als de draad van een kluwen, en trok er zulk een zonderling +gezicht bij, dat ik onwillekeurig in den lach schoot. + +"Ja, jongen, lach maar! Eens komt er een tijd dat gij niet en-zult +kunnen lachen, al wildet ge ook nog zoo geerne! "Volleerd!" Wie heeft +u gezegd, dat ge zoo spreken moest?" + +Ik stond met den vinger in den mond, doch zeide niets. + +"Nu, kan iemand, die "volleerd" is, niet spreken als hem wat gevraagd +wordt? Fij, zoo'n bijster verstandige kop moest weten, wat hij +antwoorden moest en begrijpen, dat alleen domme, kleine jongskens, +die hunnen tijd met spelen en tuischen doorbrengen alleen met den +vinger in den mond staan. Quidquid transiit temporis, periit!"-- + +"De oude man had mij beleedigd, meende ik, en daarom zeide ik heel +driest: "Ik en versta geen Latijn, meester!" + +"Ha, ha, alsof ik dat niet en wist! Ge verstaat zelfs geen Hollandsch, +en ik twijfel er aan of ge mij begrijpt, als ik zeg, dat die Latijnsche +spreuk, die ik zoo even aanhaalde, beteekent: "De tijd, die voorbij +ging, is verloren!"-- + +Marten begon medelijden met mij te krijgen en zeide: "Jawel, meester, +maar Huib heeft zich versproken. Hij meende te zeggen, dat wij beiden +van school afgingen; maar wij weten ook wel beter, dat wij niet +"volleerd" zijn!" + +"De tijd, die voorbij ging, is verloren, Marten! Schade genoeg! Maar ge +zijt nog jong en kunt beiden nog veel inhalen van hetgeen gij verzuimd +hebt. Geef mij de hand, knaap, keer u naar 't venster in het licht, +en laat mij in uwe oogen zien!" + +Hierop draaide hij Marten naar het licht, legde de rechterhand op +zijn hoofd, keek hem in de oogen en zeide: "Marten, ge hebt een' +braven vader, luister naar hem; leer nog veel en ... vergeet God +niet! Gij kunt en zult een groot man worden, als ge dat doet! Dag +Marten! De Heere zij met u!"-- + +Meester gaf hem de hand en schreiende verliet Marten het +schoolgebouw. Ook ik stak de hand uit en de oude man weigerde niet +deze aan te nemen; maar hij draaide mij niet naar het licht; hij legde +zijne hand ook niet op mijn hoofd; maar zei alleen: "Kom over een paar +jaar eens bij me terug dan zal ik ook uwe toekomst voorspellen!"-- +Hij drukte mij flauwkens de hand en sprak: "Dag, Huib! Vergeet deze +ure nooit ofte nimmer! Vaarwel!"-- + +Buiten de school stond Marten op mij te wachten en zijne eerste vraag +was: "Wat heeft hij u voorspeld?" + +"Niemendal," antwoordde ik en haastte mij om thuis te komen. Ik ging +'s avonds vroeg naar bed en viel weenende in slaap. + +In de drokte van de volgende dagen vergat ik de ontmoeting bij den +meester geheel en al en dacht slechts aan het vrije leven op zee. + +Des Dinsdags na den noen zouden wij vertrekken en toen ik om half negen +in den morgen van dien dag nog even bij grootje afscheid ging nemen, +hoorde ik, terwijl ik de Voorstraat overstak, mijnen naam noemen. Ik +keek om en zag het "Kregelige Mennonietje" op mij afkomen. + +"Ga-je naar zee, Huib?" vroeg hij gejaagd. + +"Ja, wat is er van? Wou-je mee?"-- + +"o, Geerne; maar ik en mag niet. Ik moet lijndraaier worden, weetje!"-- + +"Nu, ieder zijn meug; maar ik zou je kostelijk bedanken!"-- + +"Ja, Huib, ik bedank ook wel; maar Vader zegt dat ik moet en dan +helpt het niet of ik al bedank! Is het prettig op zee?"-- + +"Dat moet wel waar zijn! maar ik en heb daaraf geene +ondervinding!" + +"En wil-je dan toch zeeman worden?"-- + +"He, waarom niet? Dol graag!"-- + +"En ik moet lijndraaier worden en ik weet dat het in de lijnbaan niet +prettig is!" zeide Witte zuchtende. + +"Loop stilletjes met ons mee, jongen!" zei ik. + +"Meeloopen, neen, dat nog niet! Eerst moet ik nog een paar jaren +schoolgaan, en dan, dan,--als ze me willen doopen, dan word ik +zeeman!"-- + +"Ei wat, dat doopen zal wel terecht komen," antwoordde ik. "En dan +een matroos is niet enkel op de wereld om te vechten! Als er gevochten +wordt, dan kunnen ze wel een baantje voor je vinden, dat je niet van +noode hebt mee te kloppen! Kom, ga stilletjes mee; wij zullen je wel +verstoppen tot we in volle zee zijn!"-- + +"Neen, ik moet leeren,--nog veel leeren, Huib! Heb-je wel eens gehoord +van eenen Ammiraal, die niet lezen of schrijven kon?"-- + +"Ik? Wel neen! Maar ge wilt toch geen Ammiraal worden?"-- + +"Zeker wil ik dat! Als ik zeeman word, dan moet ik ook Ammiraal worden, +anders doe ik het niet!"-- + +Die kleine jongen met zijn leeren,--hij was mij in de school al heel +wat vooruit,--en met zijn Ammiraal-worden, deed mij denken aan het +afscheid van den meester. Ik werd nijdig; maar niet op mij-zelven, +zooals het behoord had, doch op den zonderlingen knaap, en met een +"Wel jou Kregel Mennonietje, wou jij Ammiraal worden? Pluimgraaf, +man, pluimgraaf word-je, anders niet! Als ik kapitein ben, dan neem +ik je bij mij aan boord om op de varkens en kippen te passen. Dag +leelijke krabbelaar!"-- + +Ik liet Witte beteuterd staan en vervolgde lachend mijnen weg. + +Des middags kwamen wij gelijk met kapitein Herbert Martensz. Tromp +aan het hoofd. + +"Nu, jongen, ga met God," zei moeder; boog zich over mij heen en kuste +mij op het voorhoofd. Hier, Jonge Kees, hier vlak op dit plekje kuste +zij mij, zij, die lieve goede, moeder! Toen ik vijf jaren later weer +in Den Briel kwam, had ik geerne weer op die plek een' kus willen +hebben; maar eene week voor mijne aankomst stierf zij. Ik zag haar +nooit meer!"-- + +Onderwijl Huib dit vertelde rolden een paar dikke tranen over zijne +wangen, en alsof hij zich hierover schaamde, wischte hij ze schielijk +af en vervolgde zijn verhaal. + +Het was een bezeilde wind en toen we aan boord van De Bare kwamen, +werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht.--Midden op de rivier +gekomen liet de kapitein, als afscheidsgroet, een paar gotelingen +afschieten en wij, Marten en ik, tuimelden op het dek, even als gij +gisteren avond in het looze gevecht met den Roorok! + +"Waar gaat het heen, Marten?" vroeg ik. + +Marten haalde de schouders op en zeide: "Vader heeft het wel tegen +Moeder gezegd, maar tegen mij niet!"-- + +"Wel, jonge brasems, braaf zeer gedaan? Zoo'n scheepsdek is wel wat +hard om er zoo maar op neer geploft te worden, vind-je niet?"-- + +Wij keken achter ons en zagen een zwaar gebouwd jonkman achter ons +staan. Hij scheen wel stuurman of zoo iets te zijn.--Heel vriendelijk +zag hij er niet uit. Hij had donker zwarte oogen en hij scheen de +gewoonte te hebben het rechter steeds half gesloten te houden. Zijn +gelaat was vol en bijna zoo rond als een appeltje, en men kon het +hem zoo aanzien, dat hij al vast niet aan den haal zou gaan, als de +Spanjool kwam, maar wakker meekloppen. + +Hij zag ons eenige oogenblikken aan, en toen hij bemerkte, dat wij +geen van beiden een woord spraken, vroeg hij: + +"Wie van u beiden is de zoon van onzen kapitein?" + +"Dat ben ik!" antwoordde Marten. + +"Zoo, zoo, dat is al vroeg aan het varen! En kunt ge al wat lezen, +schrijven en rekenen, ja, of hebt ge uwen tijd verluierd?" + +"Ik kan wel wat; maar ik zal bij vader nog meer leeren!" sprak Marten. + +"Dat is goed, dan zie ik u nog eens kapitein of misschien wel meer +nog! En gij, jongen, hoe heet gij?" + +Deze laatste woorden richtte hij tot mij, en ik antwoordde: "Huib +Maerlant" + +"Ei, ei, heet je vader dan Jacob Van Maerlant en is hij niet een +excellent poeet?"-- + +Mijn vader een poeet? hield hij mij voor het lapje? Naderhand heb +ik wel eens gehoord, dat een vierhonderd jaren geleden ergens in +Vlaanderland die poeet moet geleefd hebben, maar toen wist ik daar +niets af. + +"Mijn vader is matroos, en vaart op de Oostzee!" zeide ik. + +"Ei, ei, matroos, en jij in zoo'n mooi pak?" + +Mijne goede Moeder had hare laatste spaarpenningen uitgegeven om mij +eene nette uitrusting te geven. "Als ge zoo slordig gekleed zijt," +had ze mij gezegd, "dan zal kapitein Tromp niet willen hebben, dat +je met zijnen zoon omgaat! En dat moet toch; want als dat niet en +gebeurt en ge wordt bij en onder de matrozen gerekend, dan groeit er +nooit iets van je, jongen!"-- + +Op de verwonderde vraag van den zeeman antwoordde ik daarom: "Moeder +gaf mij dit pak, omdat Marten mijn speelkameraad is!"-- + +"Zoo, zoo, je speelkameraad! En kan je ook lezen, schrijven en wat +rekenen, zooals onze Marten of zooals die poeet, die dan toch zeker +wel van je maagschap zal zijn! Misschien is die man ook al lang +dood! Ik houd mij met die poeterij niet op. Als ik te schrijven heb, +dan doe ik het liefst met mijn degen, die spat nooit en moet ook +nooit vermaakt worden!"-- + +"Ja, ik kan nog niet lezen en ik zou juist op het schrijven gegaan +zijn, toen ik van school af moest!"-- + +"Hm, hm, maar als jij dan niet gauw begint te leeren, dan zal Marten +niet zoo heel lang je dagelijksche kameraad kunnen wezen, manneke! Ze +zeggen wel eens voor een spreekwoord, dat Hans door zijne domheid +voortkomt; maar als je dan vraagt: "Wie is die Hans?" dan kennen ze hem +evenmin als jij dien poeet Jacob Van Maerlant kent, weet-je! En wij +houden er hier aan boord van, dat ieder zoowat zijn soort zoekt. De +pluimgraaf moet geen kameraadschap maken willen met den schipper en +de barbier niet met den kapitein, weet-je! Wat mij betreft, ik ben +hier aan boord zooveel als schipper en ik heet Pieter Pietersz. Hein, +als je 't niet en weet! En nu, zoekt wat te doen, ik wil je groeten; +want ik heb ook mijn werk! Adjuus!"-- + +"Wat 'n aardig man is dat! Die lijkt me!" zeide Marten. + +"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde ik. "Hij heeft je ook schoon +gevleid; maar op mij schijnt hij een pik te hebben, net als die +oude Brielsche schoolmeester. Kan ik het helpen, dat mijn Vader maar +matroos is!"-- + +"Nu, maar daar zeide hij ook niemendal af! Hij vroeg je alleen maar +of je kon lezen, schr...." + +"Och, loop jij naar de Mookerheide! Begin-je ook al van dat lezen, +schrijven en rekenen te snappen. Als jij dan zooveel weet, laat me +dan maar links liggen!" gaf ik zeer verstoord ten antwoord. + +"Je bent boos, Huib, maar dat kan ik niet helpen! Ik heb je niets in +den weg gelegd, wel?" + +Ik zweeg en keerde mij om; want ik was, o, zoo nijdig, en al weer +niet op mij zelven, maar op den ouden schoolmeester, op "Kregel +Mennonietje," op Marten, op Pieter Pietersz. Hein, ja, op heel de +wereld. Alleen op mij zelven was ik het niet! Ze hadden allen het +land aan mij dacht ik. + +"Ben-je heusch boos, Huib?" vroeg Marten vriendelijk en ging lachende +voor mij staan. + +Nu werd ik nog njjdiger, en ik dacht, dat hij me uit valschheid +uitlachte en daarom zeide ik: "Zeker ben ik boos! Maar zoo 'n voornaam +kapiteinszoontje is veel te deftig en te rijk voor den jongen van +een arm matroos, die op de Oostzee vaart! Ga maar weg en maak maar +kameraadschap met een ander; ik ben veel te gemeen voor je!"-- + +Zonder nog een woord te spreken ging Marten thans werkelijk heen, +en wel om zich bij zijnen vader over mijne onvriendelijkheid, te +beklagen. Den ganschen dag zag hij niet meer naar mij om en toen ik +'s avonds nog "genacht" wilde zeggen, was hij al in de hut van den +schipper, waar ook hij zijne kooi had.-- + +"Ruzie gehad, kameraad?" vroeg een jong matroos met een heel ongunstig +uiterlijk. "Ja, man, 't is kwaad kersen eten met de groote lui, ze +gooien je met de pitten! Toen ik aan boord kwam, dat is nu zes jaren +geleden, had ik ook zoo'n mooien kameraad medegebracht; maar die +vriendschap duurde aan boord niet langer dan van twaalf uren tot den +noen! Dat is een heele tijd, he? Maar ik heb hem laten walsen. Als je +'m eens ontmoet, doe hem dan mijne groeten, en zeg dat ik hem volstrekt +nog niet gemist heb. Ik heet Jurrie Zwijn en hij Katt. Wij zijn dus +allebei viervoetige dieren! Vreemd, he! Zeg, vind je't niet? Ha, +ha, ha!"-- + +Hoewel 'k eigenlijk gezegd niet veel lust had om met dezen Jurrie +Zwijn aan te leggen, en kameraadschap te maken, zoo stond ik toch +den volgenden dag heel dikwijls met hem te praten en ik deed dat +vooral als Marten mij zien kon, om hem alzoo te toonen, dat ik +hem best missen kon. Dwaze knaap, die ik was! Toen ik later dien +Jurrie Zwijn gaarne links had laten liggen om weer goede maats met +Marten te worden, hing hij mij aan 't lijf als een klit en ik had +geen moed genoeg om hem te zeggen, dat het tusschen ons uit moest +zijn. Langzamerhand raakten Marten en ik dan ook meer en meer van +elkander verwijderd. Van leeren kwam niemendal; want als ik mijn werk +gedaan had, en 'k een oogenblik begon na te denken, dat er op die +manier nooit iets van mij komen zou, dan greep ik wel eens naar een +boek; maar 't was of Jurrie op zijn loer lag; om mij van het leeren +af te troonen. Oogenblikkelijk was hij dan bij me en zei: "Zoo, zoo, +de student is weer aan het letters eten? 'K zou naar de Hoogeschool +te Leiden gaan, als ik jou was, dan wordt ge een knap man, hm, hm, +een knap man; zoo 'n soort van een Marnix Van Aldegonde of een Johan +Van Oldenbarneveld! Wanneer denk-je examen te doen? Zeker wel al gauw, +is 't niet?" En zoo ging zijn ratel als een lazarusklap totdat ik het +boek neerlei en luisterde naar de mopsjes, die hij wist op te dreunen. + +Eens op een' dag, we waren geloof ik wel al zes weken aan 't kruisen +op de Noordzee en in Het Kanaal, was ik bezig mijn baaitjen af te +schuieren toen de schipper naar mij toe kwam en zei: "'T baaitje vuil, +Huib? Ja, dat komt er van als men met zwijnen omgaat! Die diertjes +zijn niet al te zindelijk, zou ik zeggen!" + +Ik werd rood over mijn geheele aangezicht. Ik voelde 't wel, wie hij +met die zwijnen bedoelde en telkens, als hij mij in gesprek met Jurrie +zag, dan schaamde ik mij. + +Ondertusschen leefde ik met Marten toch niet als geslagen vijand. Wij +waren nog jongskens en vergaten gauw; maar toch, die vertrouwelijke +omgang met hem kwam niet meer tot stand en ik geloof zelfs, dat de +kapitein niet gaarne zag, dat ik met zijn' zoon veel in aanraking kwam. + +Eens op een' dag echter had Marten mij in vertrouwen gezegd, dat +hij zeker wist wat het doel van ons kruisen in de Noordzee en in Het +Kanaal was. Er werd in het land eene vloot uitgerust om den Spanjaard +in zijne eigen wateren te tuchtigen. Die vloot zou onder bevel staan +van Jacob Van Heemskerk, denzelfden man, die met Barentsz. en zijne +lotgenooten op Nova-Zembla overwinterd had. Zoodra Van Heemskerk +uitzeilde zouden wij ons bij hem aansluiten. Marten verzocht mij +echter, dat ik het niemand zeggen zou; want dat alleen de officieren +en de schipper het wisten. Zijn vader had het hem verteld, doch er +ook uitdrukkelijk bijgevoegd: "Niet over-vertellen, hoor!" + +Nu wilde echter het geval, dat er s'avonds niemand meer aan boord +was, die het niet wist. Ik denk voor het naaste, dat er nog een ander +geweest is, die het ook verteld heeft. Ik had dien dag wel veel en +soms lang met Jurrie loopen praten, doch nu het al zooveel jaren +geleden is, mag ik het gerust zeggen, ik heb het niet verteld. Zoodra +de oude Tromp er achter kwam, dat het volk er alles van wist, begon +hij te onderzoeken, wie het oververteld had. Marten viel al dadelijk +door de mand en nu werd ik geroepen. + +"Zeg eens, knaap, aan wien hebt gij verteld, dat we op de vloot +van Jacob Van Heemskerk wachten en dat het dan rechtstreeks naar +Spanje gaat?" + +"Ik heb het aan niemand verteld, kapitein!" + +"Lieg niet, jongen, ik vraag u, de waarheid. Hebt ge 't aan Zwijn +overgebriefd? Zeg maar "ja", want uw gelaat wijst het uit, dat het +zoo is!"-- + +Ik hield vol, dat ik er met geen mensch over gesproken had en toen +liet de kapitein Jurrie roepen. + +"Wie heeft je gezegd, dat we naar Spanje gaan?" vroeg Tromp op eenen +zeer barschen toon. + +En hoor me nu dien onbeschaamden leugenaar eens aan! Weet ge wat hij +antwoordde? Nu, hoor dan! + +"Huib Maerlant heeft het mij in den achternoen verteld, toen we bezig +waren met een kabel te splitsen!" + +Ik sprong op als een leeuw en riep: "Kapitein, hij liegt het!"-- + +Tromp fronste de wenkbrauwen en zei alleen: "Ga heen, deugniet! Gij +zijt uw gezelschap waard!"-- + +Van dien dag af ondervond ik, dat het waar is wat het spreekwoord zegt: +"Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!" Niemand vertrouwde mij; +de goeden lieten mij links liggen en met dien leugenaar Jurrie Zwijn, +wilde ik niets meer te doen hebben. Zoo was ik dan den ganschen dag +alleen. Dat er nu van het leeren niemendal kwam, dat sprak vanzelf; +ik had eigenlijk nergens lust in en verlangde alleen naar mijne +Moeder. Die zou me toch nog wel gelooven, als ik waarheid sprak. + +Gelukkig dat er door de verschijning van de vloot meer bezigheid kwam +en ik daardoor de muizenissen meer en beter verdrijven kon. + +Den tienden van Grasmaand kwamen we aan de groote rivier van Lissabon, +die De Taag genoemd wordt.-- Alras vernam de Ammiraal dat er voor +ons hier niets te doen viel; want zestien galjoenen waren van hier +naar de West-Indien vertrokken en nog tien andere naar de Straat van +Gibraltar. Deze laatste zouden we opzoeken en uit alles wat ik hoorde +vertellen en zag gebeuren, zouden we daar meer doen dan een kijkje +nemen. Den vijf en twintigsten kwamen we tot in de nabijheid der stad, +die, op eenige hoogten gelegen, het aanzien had van ons heel veel kwaad +te kunnen doen. De Ammiraal gaf een sein dat al de scheepsbevelhebbers +aan boord moesten komen om met hem te beraadslagen over hetgeen er +gedaan zou worden. Zeker was het meer toeval dan geluk, dat ik tot de +bemanning van de sloep behoorde, waarin onze kapitein aan boord van het +Ammiraalschip Aeolus gebracht werd. Wat er in dien krijgsraad besproken +werd, heb ik eerst later vernomen. De Ammiraal zou met kapitein Lambert +Hendrikse van de Tijger den Spaanschen Ammiraal,--en de Vice-Ammiraal +Alteras, die op de Roode Leeuw bevel voerde zou met kapitein Bras +van de Stadt Hoorn den Spaanschen Vice-Ammiraal aanklampen. Onze +overige schepen zouden twee aan twee een galjoen voor hunne rekening +nemen.--Zooals ik zei vernam ik dat eerst later: maar onderwijl we +met onze sloep bij den valreep van de Aeolus op onzen kapitein lagen +te wachten, hoorden we Jacob Van Heemskerk zeggen:. "En nu mannen, +zoo als besloten is, moedig op den vijand los. Zoekt er uwe eer in uwe +manschappen in goede courage voor te gaan. Een ieder doe zijn plicht; +ik hoop den mijnen te doen. Voor God en de Vereenigde Provincien!" + +'K werd er warm van toen ik dat zoo hoorde. De kapitein stapte in de +sloep, en ik sloeg met mijn riem in 't water, alsof dat de vijand was, +dien 'k wat geven moest.-- + +Weldra waren wij allen aan boord van de Bare terug. + +"Mannen," zei de kapitein, "er is besloten den vijand aan te vallen! 'T +is geene kleinigheid! Maar onze dappere Ammiraal rekent op u allen +en houdt zich van de overwinning verzekerd, zoo ge van den oudsten +tot den jongsten toont, dat er nog iets in u is overgebleven van den +moed der Watergeuzen. Ginds ligt het galjoen dat wij met de Griffioen +aanvallen zullen! Wat zult ge doen? Vechten of vluchten?" + +"Vechten, kapitein, vechten tot den laatsten man!" klonk het van +alle kanten. + +"Maar eerst God om kracht en bijstand gesmeekt," sprak de oude Tromp +bedaard, en wenkte den schrijver om het gebed te komen doen.--Daar +wij geenen predikant aan boord hadden, voldeed deze hieraan en met +vrome aandacht spraken wij langzaam zijne woorden na. Toen het gebed +afgeloopen was, kregen we ieder een oorlam en ... daar ging het op +den vijand los. + +Ik stond bij den grooten mast en had wel gewild dat hij een kanon ware +geweest, dat ik afschieten mocht. Eensklaps werd mij op den schouder +getikt en toen ik achter mij keek, zag ik Marten staan. + +"Ben je nog boos, Huib?" vroeg hij. + +"Ja, zeker," gaf ik ten antwoord. "Zeker ben ik nog boos! Ik en heb +niet geklapt en toch gelooven ze het allemaal en jij gelooft het ook +nog, en daarom ben ik boos! Maar ik zal daarom toch wel mee vechten, +hoor!" + +"En als ik nu zeg, dat ik het niet geloof, dat je geklapt, +hebt?" + +"Dan jok-je, want je gelooft het toch!" + +"Gaat op zij, jongens, je staat in den weg! Er is hier geen plaats +meer voor je op het dek! Gaat maar naar beneden, daar zijt ge +veiliger!" zeide Piet Hein. + +"Ik blijf bij Vader," zeide Marten, "en Huib blijft bij mij! Wij zijn +Brielsche jongens, schipper, en niet zoo heel bang!"-- + +Marten sprak mij voor en dat trof mij zoo dat ik hem mijne hand gaf; +maar juist toen ik wilde zeggen, dat ik nu niet meer boos en was, +vloog er met vreeselijk geruisch een kogel door het groot marszeil en +oogenblikkelijk daarop werd ons schip hevig heen en weer geslingerd, +want de kapitein kommandeerde "vuur!" en de twaalf stukken, die we +aan bakboordszijde hadden, gaven den Spanjool de volle laag.--Toen +hoorden wij het schieten niet meer: er was ook zooveel te hooren en +te zien.--Te midden van het vreeselijk gedonder der kanonnen klonken +allerlei kreten. Daar liep Jurrie Zwijn met eene brandende lont ons +voorbij en Piet Hein achter hem. Eensklaps viel Jurrie Zwijn neer en +Piet Hein buitelde over hem heen. + +"Kan-je niet beter op je beenen blijven staan?" vroeg Hein aan Jurrie, +die daar nog altijd op het dek lag. + +"Een schot in de borst, schipper! Ik - ik sterf! Heb ik nog - veel - +veel kwaad - g- goed-gemaakt, z- zeg?' sprak Jurrie. + +"Einde goed, alles goed! Je hebt je wakker gehouden, kameraad!" zeide +Hein en stak hem de hand toe. + +Jurrie poogde den handdruk te beantwoorden, lachte even en zei: +"D - d - dank-je, schip-schipper! A - a - d - die!' + +De ongelukkige was dood. + +"Geleefd als een zwijn, gestorven als een man!" bromde Hein en pinkte +eenen traan weg. "Mannen, legt hem uit den weg; hij is de eerste aan +boord!" beval hij aan een paar matrozen. Deze deden dit en toen Jurrie +daar zoo lag, zei Marten: + +"Was hij je vriend, Huib?" + +"Neen," antwoordde ik, "ik was bang van hem!" + +Marten zei niets, maar legde een zeil over den gesneuvelde. Toen hij +dit gedaan had en opkeek riep hij: "Huib, kijk, kijk!" + +En wat was er te kijken? + +Toen ik omkeek was het haast niet meer te zien. Een vijandelijk +vaartuig, dat in brand stond, vloog in de lucht. Stukken balken, +ijzers, brokken van kettingen, menschen, vuur, vlam, rook, alles +vloog in de hoogte en werd wijd weggeslingerd! Hu, er ging eene +rilling over mijn lijf! Dat was akelig!-- + +Intusschen waren wij het galjoen tot op een musketschot afstands +genaderd. Nog eenmaal gaven we den vijand de volle laag en grepen +toen naar de musketten, enterhaken, bijlen en sabels.--Daar sloegen +de vlammen uit het galjoen! Wij kwamen het al nader en nader!--De +vlammen knetterden en dansten tegen het want op. Gegil, geschreeuw, +musketschoten, alles klonk door elkaar! Wat ik toen gedaan heb, +weet ik niet. 'K zag mijne kameraads voor en achter mij vallen en het +brandende galjoen vlak tegen ons aan liggen. Daar vlogen onze zeilen +in brand! De groote ra en de fokkera volgden! De vlammen krulden om +het want en kropen naar voor, naar achter, naar boven, naar beneden, +rechts, links, naar alle kanten!-- + +Ik dacht aan het Spaansche schip, dat ik zoo even in de lucht +had zien vliegen en ... als dat gebeurde dan... dan waren we allen +dood!--Ik dacht aan mijne moeder!--Arme moeder!--Ik dacht aan den ouden +schoolmeester, aan 't Kregel Mennonietje.... Daar vlogen de matrozen +het want in!--He, wat kerels!--De kogels floten hun om de ooren;--de +vlammen verschroeiden hunne hoofdharen, bakkebaarden, en kleeren!--Te +vergeefs! De brand was niet te stuiten!--De matrozen kwamen weer naar +beneden, en reeds stonden enkelen gereed om zich van de sloepen meester +te maken toen het brandende galjoen afdreef! Welk geluk! Nu was er nog +kans op behoud! Opnieuw werden er pogingen aangewend om den brand te +stuiten, toen eensklaps het galjoen, dat ons pas een minuut of tien +geleden verlaten had, gedeeltelijk in de lucht sprong. Het water kwam +in eene vreeselijke beweging en ons schip slingerde geweldig. Toch +deden de wakkere gasten al wat zij konden om het schip te behouden +en eindelijk zagen ze hunne onvermoeide pogingen met een gewenschten +uitslag bekroond!--Wat zag de Bare er uit! Men kon zien, dat ze in het +gevecht geweest was, en dat onze kapitein het woord aan den Ammiraal +gegeven, wakker gehouden had. Ook de Griffioen had zijn aandeel in +het gevecht gehad, doch was niet zoo gehavend als wij. Langzamerhand +verminderde echter het geschutgedonder en zoo goed en zoo kwaad dit +kon, trachtten wij ons met de overige schepen te vereenigen.-- + +Daar zag ik de Aeoelus en: "Marten, schipper, kapitein!" riep ik en +liep ondertusschen van 't voor naar 't achterschip waar deze drie +personen zich bevonden.-- + +"Wat is het, dolleman? Wat is het?" vroeg Hein. + +"Kijkt dan toch!" riep ik. "De Ammiraals-vlag is te halver steng!"-- + +Het blozende gelaat van Piet Hein werd bleek toen hij dat zag en de +kapitein riep: "Kinderkens, onze Ammiraal is gesneuveld!" + +"Onze Ammiraal is gesneuveld," in een oogenblik was het op de geheele +Bare bekend en iedereen sloeg de schrik om het hart. + +o, Als we nu nog hadden moeten vechten, dan.... + +"Kapitein Pieter Willemsz. Verhoef had dat niet moeten doen! Ei ziet, +hoe 't ons allen den moed ontneemt nu het gevecht is afgeloopen +en wij de overwinning behaald hebben! Zoo hij 't niet gedaan had, +dan zouden we de Spaansche vloot misschien wel geheel en al vernield +hebben!" zeide de oude Tromp. + +"Met uw verlof, kapitein," hernam ik, "toen 'k de Aeoelus naderen zag, +was hare vlag nog niet te halver steng! Ik heb haar zien neerhalen!"-- + +"Dan is onze brave Ammiraal ook pas gesneuveld!" sprak Hein. "Een +wakker man verloren!"-- + +"De overwinning is te duur gekocht!" bromde de kapitein en naar de +davids gaande beval hij de sloep neer te laten. [6] + +Kort daarop roeiden wij weer naar het Ammiraalschip! Maar, o jongen, +welk eene verwoesting! De zee was bedekt met stukken hout, masten met +fladderend want, brandende vaartuigen, wrakken en honderden dingen +meer. Hier trachtte er nog een zwemmende het leven te redden en daar +verdween een ander voor altijd in de diepte. + +Onze kapitein bleef er niet lang aan boord, en toen hij in de sloep +stapte om naar zijn eigen vaartuig terug te keeren, beefde hij van +aandoening. + +Ho, wat al nieuwsgierige blikken omringden ons toen we weder op het dek +van de Bare stonden. Het was alsof ze allen begrepen, dat onze kapitein +iets te zeggen had, dat ons allen aanging. Iedereen wilde weten of +de Ammiraal werkelijk dood was, dan wel of de kapitein was gesneuveld. + +"Luistert, jongens, luistert!" sprak hij. + +"Laat mij ook luisteren!" sprak een onzer matrozen, die vreeselijk +gewond op het dek lag. "Draag mij dicht bij onzen kapitein!"-- + +Men voldeed aan zijn verzoek en toen dat geschied was had men eene +speld kunnen hooren vallen. + +"Jongens," hervatte Tromp, "wat zou ik trotsch geweest zijn zoo onze +wakkere Ammiraal ons schip in dezen toestand had kunnen zien! Wat +zou hij ons geprezen hebben als echte, kloeke Nederlanders! Eilacie, +'t mocht zoo niet zijn! + +Reeds in het begin van het gevecht nam een kogel zijn linker been weg. + +Hij is in zijne volle wapenrusting gestorven, zijn volk ten strijde +aanmoedigende, zijne ziele Gode bevelende! De glansrijke overwinning +is duur, heel duur gekocht! De Vereenigde Provincien hebben een +rechtschapen, dapper, beleidvol, edelmoedig en groot man verloren. Gij +allen weet het, dat hij de Ammiraalswedde geweigerd heeft; hij diende +zijn Vaderland om niet, en hoe diende hij het! Waar zullen ze een +vinden als hij? Wie zal hem ooit gelijken?" + +Martens wangen werden vuurrood, zijne oogen glinsterden en de hand +zijns Vaders vattende zei hij: "Vader, ik wil zoo'n Ammiraal worden!"-- + +"Gij zijt dwaas, jongen! Gij en weet niet wat gij wilt!" zeide Tromp; +maar schipper Hein legde zijne hand op Martens hoofd en sprak: +"Met God is alles mogelijk, jongen!"-- + +Zoo'n Hein! Onderwijl hij zoo sprak dacht hij zeker, niet, dat +hij eenmaal aan 't Vaderland eenen anderen Heemskerk in zichzelven +geven zou. + +Nadat onze schade zoo goed mogelijk hersteld was, keerden wij allen met +roem beladen naar het Vaderland terug; maar wij werden toch niet met +die blijdschap begroet, als het geval zou geweest zijn, zoo Jacob Van +Heemskerk zelf had kunnen zeggen: "Wij brengen u de overwinning! De +Spanjaard is verslagen en zijne vloot is verbrand! De geheele wereld +erkent onze meerderheid ter zee!"-- + + + +HOOFDSTUK IV + +Gevangen genomen. + +Wij bleven ruim een halfjaar te Rotterdam liggen. De Bare had in +den slag bij Gibraltar ontzettend geleden en moest nu van onder tot +boven worden nagezien. In al dien tijd was ik echter geen dag in Den +Briel geweest; want ik kreeg daartoe geen verlof, omdat ik het niet en +vroeg.--Ik had niet veel goeds van mij-zelven te zeggen.--Marten had +echter van dien tijd gebruik gemaakt om tweemaal per dag bij onzen +ouden meester ter les te gaan, en daar die jonge schipper Piet Hein +hem zoo nadrukkelijk verzekerd had, dat er vast een kapitein uit hem +groeien zou, als hij maar wakker leeren wilde, zoo deed hij dubbel +zijn best.-- + +Eindelijk was ons schip in Wintermaand van 't jaar '7 weer kant en +klaar voor de reize en op zekeren dag kwamen de kapitein en Marten +onverwacht aan boord.-- + +Marten kwam terstond bij me en betoonde zijne vreugde door mij alles +te vertellen wat hij van Den Briel wist.--Het "Kregel Mennonietje" +ging nog altijd school en was in dien tijd heel wat gegroeid. Leeren +deed hij als de beste, maar daar hij door zijn boos humeur altijd +met iedereen overhoop lag, zoo had hij onder de jongens niet een, +die veel van hem hield. Zelfs de meester hield niet van hem, hoewel +deze toch nooit last van hem had. Van mijne moeder bracht hij eenen +duevekater [7] mede en ... meester had gevraagd of ik aan boord nog +wat leerde lezen en of ik goed oppaste? + +Op die laatste vraag gaf ik geen antwoord. Ik wilde niet zeggen +"ja," want dan hadde ik eene onwaarheid gezegd. Ik had den weg in +Rotterdam leeren vinden, dat was al. Wanneer 'k aan boord niet noodig +had, dan was ik aan den wal gegaan, en 'k had al spoedig een paar +kornuiten gevonden, die mij overal brachten waar ik niet en noodig +had. Geen steegje zoo klein of ik wist het! Maar leeren! bah, wat +zou'k leeren? Ik werd toch nooit kapitein! + +"Nu," zei Marten, "kunt ge dat boekske, dat ik u met Allerheiligen +zond, al lezen?"-- + +"Neen, 't was zoo moeielijk, ik en kon niet!"-- + +"Maar waarom hebt ge het dan den schipper niet gevraagd? Dat is een +abel, bekwaam en treffelijk man!" + +"Ik en durfde dat niet te doen; hij was zelf altijd met heel dikke +boeken over de zeevaart-konst in de weer!"-- + +"'T is jammer, Huib! Maar als we nu maar weer in zee zijn, dan zullen +we samen eens gaan leeren, he? Ik reken nu al uit de cijferkonste van +onzen treffelijken, geleerden Simon Stevin. Dat is een heel nieuw +rekenboek en onze meester was er zelf nog niet recht achter!--Maar +wat leelijke, gemeene slabbakken daar aan den weg staan. 'T is of ze +staan te wachten!" + +Marten wees naar den wal waar de twee jongens stonden, die mij den +weg in Rotterdam geleerd hadden. Ik keek om, en, zoodra ze mij zagen, +riepen ze: + +"Kom-je, Huib? Kom-je? Trijn van de Floer Battensheul heeft naar +je gevraagd?" + +Ik keerde mij beschaamd om en meende dat Marten op mijn aangezicht +zou kunnen lezen wat die jongens meenden. De Floer Battensheul was +eene brug, die aan de Delftsche poort over eene vaart lag. Daar zat +Trijn Blomzoetken, zooals wij, kwajongens, haar noemden, iederen dag +met warmoes en ooft. Menige penning was daar door mij besteed en toen +'k verleden week geene penningen meer had, toen schonk zij mij eene +maat vol zure schijvelingen, daar mijne twee kameraads haar vertelden, +dat ik kajuitswachter op de Bare was en de volgende week mijne gage +ontving. Ik wist wel dat zulks niet waar was, maar nam alevel de appels +aan en weldra hadden wij deze met ons drieen allemaal opgepeuzeld.--Na +dien tijd waren we daar niet geweest, en nu had Trijn de jongens er +zeker op afgestuurd om mij te halen.-- + +"Ken je die vuile, gelapte borsten, Huib?" vroeg Marten. + +"Of hij ze kent?" sprak schipper Hein, die stillekens achter ons +gekomen was, "of hij ze kent, Marten? Bijlo, het zijn zijne beste +vrienden! Niet, Huibje?"-- + +"He, Huib! Huib! Huib! Kom-je?" klonk het van den wal. + +Ik vatte moed en, als wilde ik schipper Hein tot eenen logenaar maken, +riep ik: "Loopt, ik ken je niet!" + +"Heeee! Hij en kent ons niet, Jan?" schreeuwde de een en begon met +den ander, die Joost heette, allerlei sprongen te maken, en toen ze +moede waren van al die malle luchtsprongen begonnen ze te zingen: + + + Fideldine, fideldijn! + Ick en dans nyet, + Ick en schrans nyet! + Fideldine, fideldyn, + Ick ken jou en jij kent mijn! + + Fideldine, Heyntjeman, + Ick en roep nyet, + Ick en snoep nyet! + Fideldine, Heyntjeman, + Drinckt den wijn uit volle kan. + + Fideldine, Zuyerzee, + Ick en klinck nyet, + Ick en drinck nyet! + Fideldine, Zuyerzee, + Huib blijft hier en Trijn gaet mee! + + Fideldine, kakelbonght, + Ick en krijgh nyet, + Ick en swijgh nyet! + Fideldine, kakelbonght, + Volle kannen syn ghesont! + + +"Kom, Huib, zing dat fijne mopsjen toch mee, man!" zei Hein. + +"Ik en ken dat mopsjen niet'," gaf ik ten antwoord; maar de roode +kleur, die ik kreeg, zeide maar al te wel dat ik loog. + +"Heeee, fijnman, heeee! Kom dan toch, of we gaan alleen naar onze +goede Trijn Blomzoetken!" schreeuwde Joost en gooide zijne muts in +de hoogte, duikelde tweemalen over den kop, pakte Jan bij den arm en +voort gingen ze. Al lang waren ze de naaste straat ingeslagen toen +ik hen nog hoorde zingen: + + + Die backer Joosten al op den hoek, - Hi - ha - hoe! + Die slaet syn wijf met Bagynenkoeck, - Bi - ba - boe! + En so die Backer dat nyet en deed, + Dan segh ick nyet wat ick wel weet! + Hi - ha - hoe! Bi - ba - boe! + + +Marten had zich met den schipper verwijderd en was drok met hem +in gesprek. + +Ik bleef moederziel alleen staan en tranen van spijt sprongen +mij uit de oogen. Intusschen was ik in duizend vreezen, dat Trijn +Blomzoetken komen zou en mij om geld vragen, dat ik niet en had. o, +Als dat gebeurde, wat dan? + +Het eene uur na het andere verstreek evenwel en het werd een uur. Nog +een half uur dan gingen we heen en als de kabels maar los waren, +als de loopplank maar weggenomen was, dan.... + +Waarlijk, het geluk diende mij. Juist met klokke half twee werden de +kabels losgemaakt, de plank werd ingehaald en onder het "Hoezee!" der +toeschouwers verlieten we den wal. Juist bij tijds! Daar verscheen +eene vrouw aan den kant, die de vuisten naar ons opstak en zeker +allerlei scheldwoorden schreeuwde. Wij waren echter al te ver af en +er was te veel beweging aan boord om haar te verstaan. De kapitein +had haar echter wel gezien en deed bij den schipper onderzoek naar +de zaak. Of die Hein er nu achter gekomen was, dat ik bij Trijn +Blomzoetken schuld op den kerfstok had, dan wel of hij haar verstaan +had, ik en weet het niet; maar toen wij des avonds met gunstigen wind +Den Briel passeerden en ik onzen stompen toren naoogde zoo lang ik kon, +kwam de kapitein bij me en zei: + +"Huib, ik en wil niet meer, dat mijn zoon met je omgaat. Een jongen +als jij, die den kostelijken tijd verluilakt, goevrindschap maakt met +gemeene straatjongens, en er een kerfstok op na houdt bij appelvrouwen, +als Trijn Blomzoetken van de Floer Battensheul, zulk een is geen +geschikt kompeer voor mijn jongen! Ik zal je voortaan behandelen als +ieder ander mijner matrozen, dat zal ik; maar reken er op dat joffer +Driestreng [8] gereed ligt, als ik je op het achterschip zie. Je +plaats is voor en je heet pluimgraaf! Begrepen?"-- + +Ik knikte maar gaf geen antwoord. + +Mijn lot was treurig; maar in plaats van mijzelven de schuld te geven +en te denken aan het spreekwoord. "Wie met pek omgaat raakt er mede +besmet," gaf ik anderen, vooral dien babbelaar van een schipper de +schuld. Ik meende maar dat elk en een ieder het er op toelegde om mij +ongelukkig te maken. Dat was zeer verkeerd; want zoo ik berouw gevoeld +had, dan hadden de anderen mij niet altijd links laten liggen.-- + +Wij zetten eerst koers naar Vlissingen en wat 'n geluk! Daar ging +schipper Hein aan boord van een ander vaartuig over, en wij kregen in +zijne plaats een kloek Arnemuidenaar, die er uitzag als eene Maartsche +bui en al dadelijk begon met mij te vertellen, dat hij mij, als ik +hem in den weg liep, een schop zou geven dat ik in de Wielingen zou +vliegen om met de bruinvisschen te leeren duikelen. + +Met eene stevige bries zett'en wij koers naar Engeland, voeren door +het Kanaal en kwamen weldra in den Oceaan. + +Waarheen was de tocht? En waarom was ons schip zoo sterk bemand? Waarom +hadden we zooveel kruit en kogels aan boord? Ging het naar den +Spanjaard en mogelijk alweer naar Gibraltar? Ik zag geen land en +niets dan lucht en water en water en lucht. De wind was omgeloopen +en thans werd de koers, nadat we wel acht dagen lang maar altijd +westelijk aangehouden hadden, naar het zuiden gericht. + +Kon ik toch maar eens te weten komen waarheen het ging! Maar ik had +met geen mensch kameraadschap gesloten, en 'k wist nu ook niet wien +ik het zou durven vragen. Het werd al heeter en heeter! Midden op +den dag was het in de zon op het dek niet uit te houden! Intusschen +begonnen de konstabels en matrozen de Bare in eenen geduchten staat +van verdediging te stellen. De kogels lagen op het dek en de vaatjes +met kruit werden voor den dag gehaald.-- + +Ik wist niet eens welken dag van de maand wij hadden; en of het Zondag +of midden in de week was, daar bekommerde ik mij niet om; ik zat +en leefde maar alleen. Doch eens op een' dag,--'t moest Zondag zijn, +want de schrijver las eene preek voor en deed het gebed,--riep de wacht +ineens: "Een zeil! een zeil!" In een oogenblik was alles op het dek. + +Dat was zeker geen schip van de Compagnie; want de wijze waarop wij +het gingen ontvangen, was alles behalve vriendelijk. Het bleek ook +weldra dat het niet een schip was; want ik telde er al heel gauw +zeven en later zelfs twaalf. + +In hunne vlag was een halve Maan en terstond begreep ik dat het +Turksche zeeroovers waren. Denkelijk kwamen ze wel van Salee en +loerden ze op onze rijk geladen Compagnie-schepen. + +Daar klonk een schot van een der roovers en terstond werd het door +de onzen beantwoord. + +"Mannen," zeide de kapitein, "de vijand is talrijk, maar moed +verloren, al verloren! Houdt dan couragie, jongens! Wakker er op +in! Die Turksche rabauwen zullen weten dat wij geen katten zijn, +die men zonder handschoenen kan aanvatten! Voor Zijne Excellentie +Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"-- + +Ik had volstrekt geen plan om mee te roepen, doch 't is aanstekelijk +geloof ik; want ik schreeuwde mee, zoo hard ik kon: "Voor Zijne +Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"-- + +De vreemde schelmen schenen zich om ons geschreeuw al heel weinig +te bekommeren en hielden, voortgaande met schieten, steeds op ons +aan. Zij schenen nog weinig verstand van het geschut te hebben, +want al de kogels vlogen hoog door het want heen.--Onze konstabels +daarentegen waren betere schutters; bijna elk schot was raak. Maar +wat hielp het? In minder dan een uur waren wij rondom ingesloten. We +hadden het thans van alle kanten te kwaad. Die rabauwen, 't moet gezegd +worden, waren niet bang, en zonder dat wij het verhinderen konden, +werd de Bare geenterd en klommen de vijanden als katten bij ons aan +boord. Toen werd het een bloedig gevecht! De kapitein stond vooraan +en sloeg er wakker op in; maar eensklaps ontving hij eene doodelijke +wonde en viel voorover op het dek. Een oogenblik staakten de onzen +het gevecht, doch toen Marten dit zag, bukte hij, greep den degen van +zijnen vader en met vuurstralende oogen en met tranen op de wangen +schreeuwde hij: "Jongens, helpt dan mijn arm vadertje wreken! Toe dan, +toe dan, helpt mij!"-- + +"Ja, ik wil je helpen," riep de lange schipper en zijn bijl wegwerpende +pakte hij eensklaps een der opperhoofden om zijn middel, tilde hem +van het dek op en smeet hem over boord. + +"Doet als ik!" riep hij en wilde eenen tweeden vijand op dezelfde +manier over boord smijten, doch deze zag het spelletje aankomen en +deed een geduchten houw naar hem. + +"Wel ja, wou je me daar zoo maar een lik uit de pan geven?" riep de +Arnemuidenaar lachende. "Ik en lust geen likjes, maar misschien lust +jij wel een zoopje haaienwijn!" + +Ook deze vijand werd als een veer opgetild; doch hij was sterker dan +de ander en hield zich aan den schipper vast. + +"Nou, niet of graag! Wil je me niet loslaten dan gaan we samen! Adie, +jongens, houdt je goed!"-- + +Zoo riep hij en eensklaps sprong hij van de verschansing en verdween +in de diepte.-- + +Nog een oogenblik hielden we den ongelijken strijd vol; maar ten +leste moesten wij den kamp opgeven en we zagen ons genoodzaakt, wilden +we het voorbeeld van den wakkeren en moedigen schipper niet volgen, +de wapenen neer te leggen en ons over te geven.-- + +Marten en ik werden met nog drie anderen aan boord van het grootste +roofschip gebracht, om daar als honden behandeld te worden en den +bevelhebber op zijne wenken te bedienen.--Op zijne wenken, precies, +want geen van de vijf kon die kerels verstaan. Gelukkig dat we +nog aanspraak aan elkander hadden en, dat Marten vergat, dat ik te +Rotterdam met zulke gemeene jongens kennis had gemaakt. Het liefst +sprak hij met mij over zijn' Vader en zijne Moeder, en ook ik hoorde +er graag over spreken; want als Marten van zijne Ouders vertelde, +dan vertelde ik van de mijne, en als hij 't over Den Briel had, dan +had ik het ook daarover. Wij aten uit een bak; wij dronken uit een +kroes; wij sliepen in een vuil hok; wij kregen slagen met dezelfde +zweep! Wij waren de beste vrienden; wij waren beide gevangenman en +nu ... nu kent hij mij amper en hij is Luitenant-Ammiraal en ik ben +matroos! Jonge Kees, jongen, spiegel je aan mij! Maar de zon is onder; +ik ga ter kooi! Morgen de rest! Wel te rusten!"-- + + + +HOOFDSTUK V + +Ontvlucht en nog eens bij t' "Kregel Mennonietje." + +"Onze galei zette koers naar Salee. Bijna twee jaren lang hadden we +met de roovers heen en weer gezworven en in al dien tijd geen enkel +schip van de Compagnie gezien. Wel hadden we in dien tijd een stuk +of drie Spaansche schepen overmeesterd, maar voor het overige hadden +we niet veel meer gedaan dan geluierd."-- + +Zoo begon Huib den volgenden morgen zijne vertelling, doch in plaats +van enkel Jonge Kees tot toehoorder te hebben, had hij er nu wel tien +van de bemanning om zich heen. Nauwelijks toch had Jonge Kees aan een +zijner makkers verteld, dat de oude Huib bezig was de geschiedenis +van Goede Vaer Tromp te verhalen, of deze briefde het aan anderen +over. Zoolang Huib nog niet aanwezig was, vertelde Jonge Kees alles wat +de oude man hem den vorigen dag verhaald had. De matrozen waren dus +redelijk op de hoogte der geschiedenis en luisterden met ingespannen +aandacht naar hetgeen Huib thans ging mededeelen. + +"We hadden gedurende die twee jaren niet veel anders gedaan dan +geluierd," zoo vervolgde de verteller. "Hadden we maar beter voedsel +gekregen, waren we maar niet zoo mishandeld geworden en hadden we +maar geene Moeder in Den Briel gehad, zie, we zouden ons vrij goed +in ons lot hebben kunnen schikken! Maar nu! o, Wat hebben we met ons +vijven al plannen gemaakt om te ontvluchten! Nu verzon de een dit, +dan de ander dat plan! Maar de Turken hielden ons altijd in het oog +en bewaakten ons zorgvuldig. + +Ten leste hadden we alle plannen ter ontvluchting maar opgegeven, en +hoopten we alleen, dat de goede God ons onverwacht uitkomst zou geven. + +Zoo als ik zei, wij zett'en koers naar Salee, en dat wel +hoofdzakelijk omdat ons vaartuig eenige noodzakelijke herstellingen +moest ondergaan. 'T was een oude, versleten kast!--Daar vertoonde +zich eensklaps aan den gezichteinder donkere wolken, die al hooger +en hooger kwamen. 'T werd bladstil en de groote zee leek meer op +eenen gladden spiegel dan op een stormachtig bewogen waterplas.--De +rooverkapitein zag het onweder nader komen en scheen er niet veel +vrede mee te hebben, daar hij wel begreep, dat het oude schip niet +veel weerstand zou kunnen bieden.--Achter aan 't vaartuig had men de +boot al gereed liggen om, als de nood drong, hiermede te trachten +althans het leven te redden.--Intusschen brak er een hevig onweder +over ons hoofd los. De storm verdubbelde zijn geweld. + +'T was klaar dat het schip het niet houden zou en daarenboven schenen +we in de nabijheid van vele blinde klippen te zijn. + +De rooverkapitein gaf het teeken, de bemanning maakte de boot los, +vulde ze met proviand, bond ons alle vijf aan scheepsboord vast en +verliet het vaartuig. + +Marten lag dicht bij me en scheen te bidden. Nu, dat was dan ook +wel noodig; want het gevaar waarin wij verkeerden was zeer groot. We +zagen niets dan den dood voor oogen. + +Het brooze vaartuig werd naar alle zijden heen en weer +geslingerd.--Maar dat zou juist ons geluk zijn. Men had Marten met de +handen aan een touw gebonden, dat als een muur zoo vast, tusschen twee +watervaten zat.--Er zouden reuzenkrachten noodig geweest zijn om zich +los te rukken, maar de holle zee was sterker dan een reus.-- Eene golf, +zoo groot als ik nog nooit gezien heb, sloeg over de verschansing; +wij dachten dat ons laatste uur geslagen was, en...een der vaten was +omgekanteld en het touw was los. Thans waren Martens handen spoedig +vrij en al lag de knoop ook vast om zijn beenen, die kwam toch ook los. + +"Ik zal u helpen, mannen," sprak hij, en kroop op handen en voeten +naar de kajuit. Weldra kwam hij met een mes terug, hij sneed onze +banden los en, juist toen de storm op het felste was, waren we +alle vijf vrij.--De andere drie matrozen waren bevaren gasten en +inplaats van zich kleinmoedig te betoonen, sloegen ze de handen aan +het werk. De hoop, van nog eenmaal het lieve Vaderland terug te zien, +gaf dubbele kracht. + +Langzamerhand bedaarde de storm. Wel stond de zee nog hol; maar wij +vertrouwden er op dat de Heer redding zou geven. + +"Wien God bewaart is wel bewaard, mannen," sprak de oudste matroos +en wij allen zeiden hierop: "Amen!" + +Na meer dan twee uren lang tegen den storm en de zee geworsteld te +hebben, waren we het gevaar te boven, als we maar zorgden dat de +twee pompen nooit stil stonden. Zoodoende was er altijd een eenige +oogenblikken vrij om wat te rusten of te eten.--Twee dagen lang hadden +we zoo doorgebracht; we waren door en door moede en langzamerhand +begonnen we te vreezen, dat we ten leste het toch nog zouden moeten +opgeven.--We hadden geen tijd om behoorlijk uit te zien of er ook een +schip naderde, zoodat we opschrikten toen we een schot hoorden klinken. + +We keken op, en... o, vreugde, niet zoo heel ver van ons kwam een +Oostindie-vaarder op ons af.-- + +Nog altijd woei de vlag met de Halve maan van den +achtersteven! Schielijk werd ze neergehaald en door allerlei teekenen +gaven wij te kennen, dat wij geene zeeroovers waren. Men scheen ons +maar half te gelooven, want vier welgewapende booten kwamen op ons +af.--Met gejuich werden ze door ons begroet en met groot gejuich +werden we door die mannen opgenomen. + +Wij waren gered; maar, o jongens, toen 'k eindelijk het dek van de +Maria onder mijne voeten had, toen scheen er aan mijne vreugde geen +einde te zullen komen. + +De Maria was een goed bezeild schip; de wind was voorbeeldeloos gunstig +en toch gingen we naar onzen zin veel te langzaam. Eindelijk kwamen +we echter toch waar we wezen moesten en den 14den van Wintermaand in +'t jaar 1610 lagen we weer voor Rotterdam. + +Spoedig begaven we ons naar Den Briel. Wat zou mijne goede moeder +blijde zijn als ze me weer zag!---Maar, eilacie, nog was ik niet in +de stad toen 'k een droeve tijding vernam.-- + +"Hei, hei!" hoorden we achter ons roepen. + +We keken om en zagen een breedgeschouderden knaap op ons +afkomen. Marten meende hem te kennen, maar toch.... + +"Waar kom jelui van daan?" vroeg de knaap toen hij ons genaderd was. + +"Heb ik het niet gedacht," riep Marten, "'t is ons "Kregel +Mennonietje!"-- + +"Ei, ei, wat ge goed raden kunt, en jij bent, he-- heee--die bruine +is Marten en die halve zwarte is Huib! Heee!"-- + +"En hoe gaat het in Den Briel?" vroeg ik. + +"Goed, goed, best, opperbest zelfs! Sinds een paar weken geef ik +geregeld iederen dag een stuk of drie jongens op hun falie want, +weet-je, 'k heb me laten doopen! Lekker, he? Kom nog eens aan mijn +lijf als je durft!" [9] + +Wij stonden met groote oogen te kijken en Witte had er zooveel pret +in, dat hij dadelijk zijn buis op den grond smeet en zei: "Wil-je, +zeg, wil-je? Allebei te gelijk, kom maar op!"-- + +"Neen, Witte, we willen niet vechten! Zeg ons maar hoe 't in Den +Briel is!" zeide Marten. + +"o Goed, goed! 'K heb gisteren je moeder nog gezien, springlevend maar +een weinig treurig.--Jou vader en moeder zijn dood, Huib! Je vader is +hier in 't zeegat over boord geslagen en verdronken, en je moeder is +vandaag voor eene week gestorven. Ze zeggen van verdriet! Maar zeg, +wil-je nou niet ereis?"-- + +"Wil-je nou niet ereis?" Wie zou nu lust in 't vechten hebben? Maar +hij kon het wel zeggen om mij te plagen en daarom vraagde ik: "Maar +zeg, Witte, is het waar?"-- + +"Als je me niet gelooft dan begin ik dadelijk! Ik en ben geen +leugenaar!" was het antwoord. + +Ik snelde naar de stad, kwam bij ons huisje en vernam daar van de +buren wat er gebeurd was!-- + +Ik keerde mij om en ging buiten de poort eens uitweenen! + +Die arme goede, goede, brave, lieve Moeder! + +Ik kwam niet in de stad terug; maar twee dagen later was ik weer te +Rotterdam, waar ik mij op een Straatvaarder liet aanmonsteren. + +Een half jaar later dan ik kwam Marten aan boord van De Haai, een +schoon schip waarover Pieter Pietersz. Hein Kapitein was. + +Marten was in goede handen! + +En ik?-- + + + +HOOFDSTUK VI + +Bezuiden de Linie. + +Het was in den zomer van 1625 dat ik te Enkhuizen met een mooie som +gelds in den zak door de straten liep wandelen. Vijftien jaren lang had +ik op onderscheidene Straatvaarders als matroos dienst gedaan. Zonder +nu nog slecht opgepast te hebben, had ik toch niemendal gedaan +om mij boven anderen te onderscheiden. Ik bleef, die ik was. Als +matroos zeilde ik uit, als matroos kwam ik terug, en als matroos +liet ik mij telkens opnieuw aanmonsteren. Soms verdiende ik weinig, +soms weer veel geld, maar onverschillig of het veel of weinig was wat +ik aan den wal bracht, het was altijd veertien dagen later, soms al +vroeger, schoon op en dan was er weer maar niets anders te doen dan +als matroos dienst te nemen. Wat heb ik wel met dat zuurverdiende, +kostelijke geld geleefd! Het rolde zoo maar mijn zakken uit; nu +eens in een huis waar men toeback dronk, dan weer in de gelagkamer +van eene matrozentaveerne en menigmaal ook in den zak van dat soort +volk, dat den onbezorgden matroos den laatsten duit voor allerlei +snorrepijperijen weet af te troggelen. + +Mijne laatste reize was eene uitmuntende geweest. De buidel was nog +nooit ofte nimmer zoo goed voorzien geweest, en daarom besloot ik +eens naar Amsterdam te gaan om daar,--och, wat helpt het al geef ik +er een mooi kleurtje aan?--om daar mijn geld zoek te maken. + +Wat zou ik doen? Varen, loopen of rijden? Varen? Dank-je, dat was +wat al te saai, daar en had ik geen lust in! Loopen? Eene lieve +wandeling van Enkhuizen naar Amsterdam! Rijden? Wel ja, dat moest ik +eens doen! Ik had het zeker in geen twintig jaren gedaan!-- + +Dat was dus besloten! Ik zou rijden!-- + +Toen ik goed en wel op weg was, had ik er wel spijt van en dacht ik +aan het zeggen van een oud kameraad: "Liever met eene oude schuit op +zee, dan met eenen nieuwen wagen op het land," maar, ik had gekozen en +'k wilde nu niet als een echte flauwerd terug krabbelen. + +Half ziek van het hotsen en schudden kwam ik's avonds om tien uur +te Amsterdam aan.--Er was weinig verkeer meer op straat, doch aan +den IJkant hoorde ik uit eene kleine taveerne een vroolijk gelach +klinken.-- Waar gelachen werd daar moest ik wezen, dat zou me wat +opknappen. Ik trad de taveerne binnen en kon in het eerst bijna niets +onderscheiden, zoo vol was het met toebacksrook. Eene kaars, die op +eene toonbank stond, geleek veel op een maantje in 't laatste kwartier +dat in den mist opkomt. Ik hield de handen voor de oogen en ontdekte +eindelijk aan een tafeltje, waar nog zoo'n laatst-kwartier-maantje +stond te walmen, een stuk of zes matrozen. Ik schikte bij en weldra +moest de nieuweling een rondje bier geven. De pijpen werden nog eens +aangestoken, en de pret begon opnieuw. + +Maar of het nu kwam door den rook, door het bier of door de +vermoeienissen van de reis, ik en weet het niet, doch dat weet ik wel, +dat ik op het laatst wat hoorde gonzen en babbelen; maar ik sliep +eindelijk zoo vast, dat men wel een kanon aan mijne ooren had kunnen +afschieten eer ik wakker was geworden. + +Hoe lang ik geslapen had weet ik niet; maar ik werd wakker toen de zon +al lang aan den hemel stond, en niet in de gelagkamer van de taveerne, +maar op een' steekwagen, die op straat onder eene poort stond.--Ik +wreef mijne oogen eens uit, ging overeind zitten en trachtte mij te +herinneren waar ik den vorigen avond geweest was. Zou ik soms...? Ik +voelde naar mijnen buidel en ... hier niet, daar niet,--weg! In een +oogenblik was ik van den steekwagen aan den IJkant! Maar inplaats +van eene taveerne te vinden, zag ik er wel meer dan een dozijn en zij +geleken allen op elkander als de eene droppel water op den anderen.--Ik +ging ze binnen, doch werd overal ruw bejegend, ja, soms dreigde men +mij met den Schout.-- Wat moest ik doen?-- + +"Zoek-je een schip, kompeer?" vroeg mij een varensgezel. + +"Ja, hoe eer hoe liever!" gaf ik ten antwoord. + +"Ga dan maar mee," sprak hij. + +Ik volgde mijnen nieuwen makker en een half uur later was ik aan +boord van de Drie Zusters, een flink oorlogsfregat.-- + +De bemanning was voltallig. De kapitein kwam aan boord en ... bedrogen +mij mijne oogen? Wie was dat? Nog zoo jong, lang, veel ouder geworden, +maar.... + +"Zeg eens, ouwentje," vroeg ik een mijner kameraads, "hoe heet de +kapitein?" + +"De kapitein?" was het antwoord, "de kapitein? 'K zal dertigmaal eene +reis om de wereld maken, als ik het weet! Ik ben hier ook pas! Zeg, +jij daar met je bruine buis en je dunne spillebeenen, hoe heet de +kapitein?"-- + +De aangesprokene keerde zich even om en zei: "Wou je 't weten?"-- + +"Ja, ik, ik wou het weten!" gaf 'k ten antwoord. + +"Welnu dan, hij heet Marten Harpertsz. Tromp." + +"Marten Harpertsz. Tromp uit Den Briel?" riep ik. + +"Je raadt het. Hij is de lieveling van onzen Onder-Ammiraal Pieter +Pietersz. Hein. Hij heeft met hem twee malen bij de Spanjolen gevangen +gezeten en ik geloof haast, dat de een niet buiten den ander kan!"-- + +Het was of het dek van de Drie Gezusters een kogel geworden was +met zeep besmeerd. Ik kon haast niet blijven staan en alles draaide +voor mijne oogen in het rond. Dat Marten Harpertsz. Tromp! Dat mijn +vroegere speelkameraad! Dat op de Turksche zeeroover mijn slaapmakker, +mijn gelijke! En nu--hij kapitein en ik--matroos!--O, die Zwijn, die +Zwijn!--Hij was de schuld van alles! Ware die niet aan boord van De +Bare geweest, dan, dan ... + +Maar daar kwam die oude Brielsche schoolmeester weer in mijne gedachten +en het was of 'k hem nog hoorde zeggen: "Kwikkwik, janslik demp mijn +oor is peperpit" of hoe dat Latijnsche spreekwoord heeten mag, maar dat +zooveel moest beteekenen als: "De tijd die voorbijging is verloren!" + +We waren al veertien dagen in volle zee en hoe slim ik het ook +menigmaal aangelegd had om Marten eens aan te spreken, het was mij +niet gelukt. + +Zoo peinzende op een nieuw middel liep ik 's morgens op den vijftienden +dag doelloos van stuurboord naar bakboord en keek maar gestadig op +het dek. + +"Zoek-je wat, matroos?" klonk op eens eene stem naast mij. + +Het was die van Marten. + +"Neen, kapitein, maar, maar ..." + +"Nu, wat is het? Heb je wat te vragen?"-- + +"Ja, kapitein, maar, maar ik durf haast niet!" + +"Ben-je behekst, kerel? Ik ben toch geen haai! Vraag op, wat is het?"-- + +Ik beefde van, ja, ik weet niet waarvan, maar ik kon mijzelven haast +niet verstaan toen ik vroeg: "Kent u mij niet, kapitein?"-- + +Marten bekeek me nauwkeurig en zei: "Ja, jawel, je bent,--je bent +... neen, ik ken je toch niet!" + +Ik lachte als een kind dat slaag krijgt en dat lacht, omdat het anders +nog meer krijgt.-- + +"Nu, wie ben-je dan?" vroeg Marten. + +"Huib Maerlant!" stotterde ik.-- + +Tromp sprong wel drie schreden achteruit, doch kwam spoedig naar mij +toe en zei: "Huib, Huib, wie had dat gedacht toen we op den Burgheuvel +te Oostvoorne zeegevechtje speelden, toen we te zamen voeren en--te +zamen zweepslagen ontvingen! Je bent niet gelukkig geweest, Huib!"-- + +Ik meende te zeggen: "Zoo gelukkig niet als jij, Marten!" maar ik +bedacht mij gelukkig intijds en sprak zuchtende: "Neen, kapitein, +daar ontbreekt veel aan!" + +"Ook niet zoo gelukkig, als ik!" sprak Tromp. "Maar jongen, om het +zoo ver te brengen heb ik heel wat moeten doen en heel wat moeten +doorstaan! Maar, herinner je dien jongen schipper nog, die eerst aan +boord van De Bare was?" + +"Jawel, kapitein! U bedoelt dien Pieter Pietersz. Hein?" + +"Juist! Nu, ik ben gelukkig in zijne handen gevallen. Hij heeft mij +gemaakt, die ik ben; aan hem heb ik alles te danken. Hij is nu onze +Onder-Ammiraal!" + +"Ik weet het kapitein! Maar weet u ook wat er van het "Kregel +Mennonietje" geworden is?"-- + +"Die volgt mij op den voet, Huib! Hij is nu al luitenant aan boord van +Boudewijn Hendriksz. den Ammiraal.-- Als Witte zoo voortgaat dan ..." + +"o, Kapitein, toen ik als knaap afscheid van hem nam, zei hij: "Als ik +zeeman word dan moet ik ook Ammiraal worden!" Dat zei hij en ... God, +God, gij allen gaat mij vooruit en ik, ik blijf, die ik ben, een arm, +arm matroos!" + +Ik barstte in tranen uit.-- + +"Wat niet is kan nog worden, Huib! Moed gehouden! Later spreek ik u +nog wel eens!"-- + +Tromp verwijderde zich; maar ik fluisterde: "Te laat! Verloren tijd +keert nimmer weer!"-- + +Op de hoogte der Vlaamsche eilanden werden al de schepen +vereenigd. Hadden we, zooals het plan was, ons met den Ammiraal kunnen +vereenigen, dan hadden we eene schoone macht uitgemaakt, doch dit plan +werd verijdeld en met negen oorlogsschepen en vijf jachten zett'en wij +koers naar Amerika om de Spaansche Zilvervloot te onderscheppen. Ook +deze toeleg mislukte en thans besloot onze bevelhebber Piet Hein naar +Brazilie te stevenen en aldaar de Spaausche vloot op te zoeken.--Dit +was niet moeielijk; want weldra vonden wij haar in de Allerheiligen +baai, maar goed en wel gedekt door het geschut der stad.-- + +Toen Tromp van den krijgsraad terugkwam, werden wij allen bij elkander +geroepen, en toen dit geschied was, sprak hij: + +"Mannen, onze Onder-Ammiraal wil een stout stuk bestaan waarvan, +als het ons gelukt, de wereld gewagen zal.--Er is roem, eer en lof +te behalen. Gij allen weet hoe vreeselijk fel onze Opperbevelhebber +op den Spanjool gebeten is. Werd hij niet eenmaal door den Spanjool +gevangen genomen en gegeeseld? Heeft hij in de West-Indien niet +andermaal onder hen eene harde krijgsgevangenschap moeten verduren, +en is hij daar niet twee volle jaren lang als een hond behandeld +geworden?--Maar wat spreken wij van hem? Hebben wij niet allen een +vader, grootvader, broeder of vriend op hen te wreken? Komt aan, +toont dan den Braziliaan en den Spanjool wat ge durft en wat ge kunt! + +Hoort, daar klinkt het eerste kanonschot! Piet Hein is de voorste en +gaat op den vijand in! Wat zullen wij doen, hem volgen of...." + +"Volgen, volgen, volgen!" klonk het van alle zijden. + +Tromp wuifde zijn hoed en riep: "Leve de West-Indische Compagnie! Leven +de Vereenigde Nederlanden!"-- + +Wij allen herhaalden die woorden, en daar ging het. De Gelderland +en de Holland waren den Ammiraal spoedig op zijde, doch wij met nog +vijf andere schepen vervielen onder den wind en konden niet volgen, +zoodat die drie schepen den hond zijn kluif moesten ontnemen. En, +heer, heer, wat ging het er langs. Piet Hein schoot, als of hij +alleen alles wilde vernielen en toen wij eindelijk ook op zijde waren, +begonnen de poppen eerst recht te dansen. + +De Spanjaarden riepen genade! + +Maar, jawel, wij hoorden er geen van allen wat van, dat wil zeggen, +wij waren Engelsch doof en wilden niet hooren!-- + +Daar werd van het Ammiraalsschip eene boot neergelaten! + +"De booten uit! De booten uit!" beval Tromp. + +En nu ging het er zoo op los. + +Als katten klauterden wij daar tegen die renzenschepen op en de +Spanjolen waren zoo verslagen en stonden zoo versuft te kijken, dat +we dit durfden doen, dat ze een - twee - drie rechtsomkeert maakten +en over boord sprongen om hun leven te redden. + +Ja, 't hielp wat of ze ook uit de stad schoten, we gaven er zoo goed +als niemendal om, en die luiden moesten het zoo maar aanzien, dat we +twee en twintig schepen vlak voor hunnen neus weghaalden. + +Maar op het onverwachts bleef het Ammiraalsschip vast zitten en weldra +volgde de Gelderland dat leelijke voorbeeld. + +Welke moeite er ook gedaan werd, alleen de Gelderland kwam los en +het Ammiraalsschip bleef zitten als een muur, niettegenstaande wij +alle pogingen in het werk stelden om het vlot te krijgen. + +Piet Hein kwam thans bij ons aan boord en het was eene liefhebberij +om te zien hoe hij Tromp behandelde. + +Om de waarheid te zeggen, ik had liever gezien, dat hij maar aan +boord van een ander schip gegaan was; want ik verkeerde maar in +de meening, dat hij mij ontdekken en herkennen zou. Ik bleef hem +zooveel mogelijk uit zijn vaarwater en ik zorgde ook wel dat ik hem +niet voor den boeg kwam. Was hij met Tromp in gesprek dan dacht ik: +"Wie weet of ze 't nu niet over mij hebben!" -- + +Gelukkig was ik voor niemendal bevreesd geweest, en als ik maar een +gerust geweten gehad had, dan zou ik begrepen moeten hebben, dat een +Ammiraal zich zelden met matrozen ophoudt. + +Intusschen ging 'k dien avond vroeg ter kooi en bekommerde mij al heel +weinig om het schieten uit de stad op het nog vastliggend schip. Den +anderen dag gingen wij er nog eens heen om weer andere middelen +in het werk te stellen teneinde het vaartuig vlot te krijgen. -- +'T geleek veel op een zeef en Piet Hein zei: "Bij mijne trouw, het +schijnt dat de Spanjool zich gisteren avond in het schijfschieten +heeft geoefend! Bah! kwajongens werk!"-- + +Na meer dan een uur lang onder het vuur des vijands alles gedaan te +hebben wat we maar konden verzinnen, zonder ook maar een duimbreed +te vorderen, gaf Piet Hein bevel alles uit het schip te halen wat er +maar uit te halen was. Het geschut werd vernageld en vervolgens kregen +we in last om op vier plaatsen den brand er in te jagen.--Juist toen +ik hiermede bezig was hoorde ik eenen hevigen slag. Ik stormde naar +het dek en zag de zee bedekt met de overblijfselen van het schip De +Oranjeboom, dat, of door eigen vuur, of door dat van den vijand in +brand geraakt was. Meer dan veertig man kwam bij deze gelegenheid +op eene ellendige wijze om het leven. Slechts veertien van de zestig +manschappen werden nog half levend, doch met verminkte ledematen uit +het water gehaald. + +Eindelijk scheen de Ammiraal over den behaalden buit tevreden te zijn +en den vijand genoeg naar zijnen zin getuchtigd te hebben. Hij gaf +bevel om af te houden en den koers naar het Vaderland te richten. + +Zoodra dit geschied was zeide Piet Hein: "Tromp, waar is je barbier +of houdt je er zoo'n meubel niet op na?" + +"Zeker, zeker," sprak Tromp, "maar ... maar ..." + +"Je kijkt zoo naar mijn baard, Tromp, neen, ik moet niet geschoren +worden; hij moet mij wat verbinden!" + +"Verbinden?" vroeg Tromp en zijne oogen werden zoo groot als twee +rijstbeschuiten, "verbinden? U is toch niet gewond?" + +"Och, 't is de moeite niet waard er veel water over vuil te maken. Ik +kreeg een splinter in het been en een musketkogel aan den linkerarm, +meer niet! Nu, nu, doe maar niet zoo raar, ik zal er niet van dood +gaan!" + +Ik had dat gesprek ongemerkt afgeluisterd en spoedde mij heen om den +barbier te halen. + +Deze kwam weldra en een uurtje later wandelde de dappere en kordate +man heel bedaard over het dek. + +Nu had ik altijd een ekel aan hem gehad, omdat hij mij, toen hij +nog schipper was, gestadig zoo ongezouten de waarheid had gezegd, +maar dat veranderde nu in een oogenblik. "Sapperloot," dacht ik, +"dat is een man!" en nauwelijks had ik dat gedacht of, iemand tikte +mij op de schouders. + +"Wel, Huib, ben je er nu al zeker van of die vermaarde en excellente +poeet Jakob Van Maerlant van je maagschap is?"-- + +Ik groette beleefd en lachte. + +"Nu ja, maar alle gekheid terzijde, waarom ben je niet ten oorlog +blijven varen, ge zoudt het licht zoo ver hebben kunnen brengen als +... als ... Tromp.--Heb je in dien tijd braaf wat geleerd?"-- + +Ik kreeg weer een ekel aan hem, was dat nu vragen! Tromp lachte mij +toe, alsof hij zeggen wou: "Maak van de gelegenheid gebruik, wees +vriendelijk en bescheiden! Piet Hein is nu Ammiraal, wie weet wat hij +nog van je maken kan!"--Maar, neen, dat wilde ik niet, ik wilde niet +vriendelijk en bescheiden zijn en om maar te maken dat ik gauw van hem +afkwam, zei ik: "Ik en ken niemendal, geen letter, dat weet u wel!"-- + +Tromp fronste de wenkbrauwen en zonder nog een woord te spreken, +draaide Piet Hein mij den rug toe.--Na dien tijd ben ik Tromp ook als +trouw vriend kwijt geraakt. Toen meende ik mij tegenover dien grooten +geluksvogel van Delfshaven al eens heel kordaat gehouden te hebben; +maar ik heb mij later wat beklaagd! Vooral toen ik in 1641 met den +Ammiraal Gijsels naar Portugal vertrok. Een kapitein Franse Jacobzen +Touw werd toen benoemd tot lid van den krijgsraad, maar moest voor die +eer bedanken, omdat ... hij niet lezen of schrijven kon. Toen gingen +mijne oogen eerst goed open en ik dacht: kon Touw kapitein worden, dan +hadden ze het mij nog beter kunnen maken; want ik kan in alle gevallen +toch iets van de lees-en schrijfkonst!--Maar 't was te laat!"-- + +Hier hield Maerlant even op en toen Jonge Kees vroeg: "Nu Huib, +wat volgde nu?" antwoordde hij: "Wij kwamen behouden in 't Vaderland +aan! Maar laat mij eene wijle rusten; er zit eene haai in mijn keel, +ik en kan niet meer spreken!"-- + +De waarheid was dat Huib te erg aangedaan was en nu meer dan vroeger +misschien dacht aan de spreuk van den Brielschen schoolmeester: +De tijd, die voorbijging is verloren!" + + + +HOOFDSTUK VII + +Toegejuicht en beweend. + +Reeds twee jaren lang had ik op een der oorlogsschepen van de +West-Indische Compagnie gevaren en er was geene sprake geweest van +verhooging in rang. Vermoedelijk had Tromp liet zoo bewerkt dat ik op +een ander schip dan het zijne geplaatst werd, maar ik weet het niet +recht. Men zeide dat er aan boord van de Witte Leeuw kapitein Jan +Jansz. van Hoorn gebrek aan bevaren matrozen was, en daar men mij toch +in alle gevallen de eer gunde tot de bevaren matrozen te behooren, +zoo werd ik overgeplaatst. Ik had er geen spijt af. Kapitein Jan +Jansz. was een abel en dapper man en bij het volk zeer gezien.-- + +"Mannen," zei hij op zekeren mooien Meidag van het jaar 1628, +"mannen, de West-Indische Compagnie heeft geld noodig en daar wij, +lacie, bij ons te lande geen zilver of goud kunnen vinden, zoo is +er besloten geworden den Spanjool eens aan den pols te voelen. Dat +Amerika levert ieder jaar onzen vijand goud en zilver in overvloed en +dat wordt overgebracht met eene vloot, die door de Spanjaarden zelven +de Zilvervloot genoemd wordt!--Dat vosje gaan we vangen, maar ik zegge +u, dat geen uwer het hart in zijn lijf moet hebben aan het plunderen +te slaan; want zoo waar ik kapitein Jan Jansz. ben, ik zal ieder, die +dat durft te doen als deugniet ergens aan wal laten zetten.--De kat +komt een graatje toe, zegt het spreekwoord en ik en zeg niet dat dit +logen is; maar zij die dat zeggen nemen gewoonlijk de visch voor zich +en gunnen de graat een ander! En nu, handen aan het werk! Vooruit!" + +Wij voegden ons bij de vloot, die een en dertig schepen telde en onder +bevel van Piet Hein stond. Aanvankelijk hadden we geen tegenspoed, +doch toen we dicht bij Amerika kwamen hadden we zooveel met tegenwind +te kampen, dat iedereen dacht: "Nu zal de buit ons toch ontgaan!" + +Wij waren al in de nabijheid van liet eiland Cuba en wel in de baai +van Matanza bij Havana gekomen, toen we eensklaps de ontdekking deden, +dat de prachtige vogeltjes daar in de kevie zaten. Zoo handig als de +gouverneur van Havana dit doen kon, zond hij een schip uit om den +bevelhebber der Zilvervloot te zeggen: "Den g'ndag van mijn baas, +en hij laat je weten, dat je de vogeltjes niet moet laten vliegen; +want de kat loopt te tafelschuimen!" + +Maar wij waren dat meneertje te vlug af en spoedig was het: "Kip, +ik heb-je! We zullen zelf de boodschap wel doen!" + +De bevelhebber der Zilvervloot nu, denkende dat er geen vuiltje aan +de lucht was, zeilde uit en kwam midden in den nacht tusscheu onze +schepen in. Hij meende echter dat wij ook Spanjolen waren en toen het +dag was geworden, en hij zijne leelijke vergissing zag, was het te +laat om zich nog voor eene flinke kloppartij gereed te maken, zoodat er +niets anders op zat, dan zich als een weerlooze te laten doodschieten, +of zich over te geven. De man lustte echter te graag zijn fleschken +Malaga om zich zoo maar te laten vermoorden, en daarom besloot hij, +op voorwaarde van lijfsbehoud, zich met het geheele boeltje, zooals +het reilde en zeilde, aan de Hollanders over te geven. + +Dat was eene schoone vangst en dat zonder slag of stoot! 'T was +haast niet om te gelooven. Geen wonder dat het volk, toen wij in het +Vaderland weergekeerd waren, Hein als het ware, op de handen droeg. Elf +millioen guldens was ook geene kleinigheid! En wij? Nu, we deelden +mee in den lof, die onzen Ammiraal toegezwaaid werd, maar voor het +overige viel er niet veel te verdienen. Als wij niet ietewat voor ons +zelven gezorgd hadden, dan zouden we van het vischje nog minder dan +het graatje gekregen hebben. Piet Hein werd tot Luitenant-Ammiraal van +Holland benoemd en de heeren van de West-Indische Compagnie deelden +vijftig percent winst uit. + +Zoo er echter een naar verdienste beloond werd, dan was het onze +Ammiraal, en meer dan jammer was het, dat hij van zijne hooge +waardigheid zoo weinig pleizier zou hebben. Weet-je waarom? Luister +maar! + +Die van Duinkerken hebben altijd vele noten op hunnen zang gehad +en toch zingen ze leelijk; maar in dien tijd hadden ze nog veel te +vertellen. Ze zaten maar op den loer of er ook rijkgeladen koopvaarders +door Het Kanaal kwamen en, wee het schip, dat geene mooie dubbele rij +holle ijzeren tanden kon laten zien; want om een paar kiezen en eenige +melktandjes gaven ze net zooveel, als een boer om eene rotte kool. + +Om deze luidjes nu eens wat tot rede en plicht te brengen, werd Piet +Hein het volgende jaar met eenige schepen uitgezonden. Zijn eerste +werk was de haven der stad zoo netjes in te sluiten, dat er geen schip +in of uit kon. Drie der roofschepen waren echter bijna nog ontsnapt, +maar de wakkere Ammiraal liet zich nu maar niet zoo bedotten. Hij +zette hen achterna en begon een scherp gevecht. Marten was er ook +weer bij en op het oogenblik, dat deze een bevel ontving, zag hij +den bevelhebber aan zijne zijde wankelen en neervallen. + +Geen woord kwam er meer over zijne lippen; de man was ineens dood. Een +stuk schroot uit grof geschut had een einde gemaakt aan het leven +van eenen man, dien de Vereenigde Provincien zoo zeer noodig hadden. + +Met groote droefheid werd de tijding van zijnen dood in Holland +ontvangen, en veertien dagen later werd het overschot van den moedigen +man, onder eenen grooten toeloop van nieuwsgierigen, te Delft in de +Oude kerk begraven. + +Met Piet Hein verloor Marten ook zijnen grootsten beschermer en +machtigsten voorspraak. Hij bleef nog eenigen tijd, als kapitein, +aan boord van de Groene Draak, doch werd toen van zijne betrekking +ontslagen. Waarom dit geschiedde weet ik niet recht. + +Geen wonder dat Marten zich thans geheel aan den zeedienst onttrok +en rustig aan den wal ging leven.-- + +De oorlogszaken ter zee gingen echter weldra verkeerd en eindelijk +werd er besloten, dat men een wakker zeeman, een moedig en beleidvol +kapitein zoeken moest, om dezen aan het hoofd der vloot te plaatsen +en aan den slechten toestand, waarin zij verkeerde, een einde te +maken. Lang zocht men nu eens hier en dan eens daar, doch men kon maar +tot geene keus komen, totdat de oogen van Stadhouder Frederik Hendrik, +zaliger, op onzen Tromp vielen. + +Dit geschiedde in 't jaar '37. + + + +HOOFDSTUK VIII + +Bij Duins. + +Na het sneuvelen van Piet Hein had ik den dienst ter zee voor +de West-Indische Compagnie verlaten, en maakte even als vroeger, +weer tochten met de Straatvaarders. Langzamerhand begon echter de +walvischvangst minder voordeelen af te werpen, en daarom besloot ik +andermaal weer in dienst van den Lande te gaan. Ik deed dit vooral +omdat ik in 's Lands dienst nu elf gulden per maand verdienen kon en +... omdat ik naar afwisseling verlangde. En afwisseling zou er komen, +dat stond zoo vast als eene belboei aan eenen hardsteen. Allerlei +geruchten deden de ronde in het land. Nu eens was het: "Spanje +rust eene sterke vloot uit om de Oostenrijkers en enkele Duitsche +staten tegen de Zweden te helpen!" Dan weer was het: "Mis mannetje, +misgeschoten, er wordt eene landing in ons land voorbereid!" Eindelijk +kwam een derde en die vertelde, dat geen van ons allen van toeten noch +blazen wist, want dat "de Landvoogd in de Spaansche Nederlanden,"--ik +meen dat het toen de kardinaal Infant Ferdinand was,--aan den koning +van Spanje om hulp had gevraagd en dat die vloot te Duinkerken zou +binnenloopen. + +De vloot, die dan afgezonden was om in Duitschland, in ons Land, +of te Duinkerken de poppen aan het dansen te krijgen, was wel zeven +en zestig zeilen sterk. Zelfs waren er vier galjoenen bij, die van +vier en vijftig tot acht en zestig kanonnen aan boord hadden.--Ze had +bovendien tienduizend man landingstroepen aan boord en even zooveel +zeesoldaten. De Ammiraal van die vloot was Don Antonio D' Oquendo, +die in dien tijd voor een heelen bol doorging. Maar eer die vloot +in Het Kanaal kwam, had Tromp nog een ander appeltje te schillen met +de Duinkerkers. Die lui waren met den dag brutaler geworden. In zes +jaren tijds hadden ze van die van Maassluis alleen ruim tweehonderd +haringbuizen genomen, die te samen zoo ongeveer een millioen guldens +waarde hadden. Men zegt zelfs, dat een Duinkerker door zeeroof zoo +rijk geworden was, dat hij den Koning van Spanje twaalf oorlogsschepen +aanbood, als deze hem eene ridderorde wilde schenken. + +Nu was Tromp van plan de haven in te sluiten, maar eer wij er waren +hadden reeds twintig schepen het ruime sop gekozen. Onze heele macht +bestond uit twaalf scheepjes, doch de Ammiraal was de man niet om +het nu op een loopen te zetten, en daarom pakte hij ze maar dadelijk +aan, en hij deed dit zoo knap, dat de vijand na twee schepen en +zestienhonderd man verloren te hebben, het hazepad koos. En, het mag +gezegd worden, zijn de Duinkerkers en Spanjolen knap in het stelen, +ze zijn ook knap in het aan den haal gaan.-- + +Toen we van dien vijand zoo netjes afgekomen waren, was er wat te +doen in ons Landje, en de Heeren Staten waren er zoo mede in hunnen +schik, dat ze Tromp eene prachtige gouden keten gaven. De Koning van +Frankrijk vereerde hem met de orde van Sint-Michiel. + +Ondertusschen bleven wij in Het Kanaal kruisen, verlangend naar het +oogenblik, dat we de vloot, waarover al zooveel geschreven en gezegd +was, eens onder de oogen konden zien. + +De vijandelijke schepen waren vast grooter van bouw dan de onze, +maar wat gaven wij daar om? + +"Grooter," riep er een, "ei wat, grooter! 'T zit 'm in de grootte +niet! Als een olifant eene kat vervolgt, en poesje kruipt door de +tralies van 't keldergat, dan staat meneer de olifant op zijne lange +slurf te kijken, als Jut voor het landhek!" + +De vijandelijke vloot telde ook meer schepen dan de onze! Maar wat +gaven wij daar om? + +"Meer schepen," riep een tweede, "meer schepen, wat zou dat? 'T zit +'m niet in zoo 'n menigte schepen! Een vliegje maakt het twintig +paarden op een' dag lastig!"-- + +De vijandelijke vloot telde meer kanonnen en meer manschappen! Maar +wat gaven wij daar om? + +"Meer kanonnen en meer zeevolk," riep een derde, "wat zou dat? Twintig +haviken pikken naar eene zwaluw en zij krijgen haar toch niet; want +het beestje is die lui te glad af!"-- + +De vijand had een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal! Maar +wat gaven wij daar om? + +"Een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal," riep een vierde, +"wat zou dat? Wij hebben Tromp, De With en Banckers! Tellen die +drie niet voor honderd Spaansche Dons met namen van 'k weet niet hoe +lang wel?"--- + +Zoo kon men nu eens dit en dan eens dat hooren; maar niet een was er, +die den kop moedeloos hangen liet en voor Jan Bang speelde. + +Eindelijk kregen we den vijftienden van Herfstmaand de vijandelijke +schepen in het gezicht. Het was een prachtig schouwspel, vooral daar +ze den wind vlak voor het lapje hadden.-- + +Tromp zond dadelijk een der kleinste vaartuigen uit om De With, die +op de hoogte van De Cingels kruiste en Banckers, die de haven van +Duinkerken ingesloten hield te gaan waarschuwen.--Om de zijnen te +laten weten waar ergens hij zich bevond, liet onze Ammiraal om het +half uur seinschoten doen, en vast moet Witte die gehoord hebben, +want hij was met zijne vijf schepen al op weg om Tromp op te zoeken +toen hij de tijding kreeg, dat de Spanjaard in het gezicht was. Toch +verliep er nog een geheele dag eer hij zich met ons vereenigen kon, +want hij had den wind vlak tegen. + +Ik, die weer aan boord van Tromp diende, maar door hem niet herkend, +of mogelijk niet gezien was, stond onbewegelijk op de boot te kijken, +die van Witte's schip neergelaten werd. 'T spreekt van zelf, dat hij +bij Tromp moest komen, omdat hij als Vice-Ammiraal onder hem stond.-- + +De boot lei aan den valreep, doch door onvoorzichtigheid van een der +roeiers sloeg ze alweer terug, en daar had je het lieve leven gaande. + +Razen, vloeken, schelden, tieren, anders hoorde men niet. De roeier +kreeg, zooals mijn neef uit Sommersdijk zeggen zou, een boterham +van belang. + +Toen hoorde ik geschop, gestommel en getrap en eindelijk, daar +stond hij in levenden lijve! Wat was dat "Kregel Mennonietje" +veranderd! Zijne oogen draaiden onder zijne donkere wenkbrauwen +als kooltjes vuur in het rond, en dikke plooien liepen van zijnen +neus naar zijn hoog en breed voorhoofd. Alles was beweging aan hem; +hij stond geen oogenblik stil en hij keek naar de Spaansche vloot, +alsof hij die geheel alleen zoo maar op de vlucht kijken kon. + +"Daer ei-je noe dat vloekbeest van 'n veint!" zei een Zeeuwsch matroos +achter me tot zijn kameraad, die ook uit Zeeland was, en per ongeluk +op de Hollandsche schepen dienst deed. + +"Wat eit ie alevel 'n zuur gezicht! Ie liekt veel op vaoders wacht'ond +Turk! Nee, mer oor is, ik zou ik ok liever z'n biebel weze as z'n +matroos, 'oore! En jie Uub?"-- + +Met dat "Uub" bedoelde hij mij, maar ik was te veel in gedachten om +met die twee Zeeuwsche mannen te gaan praten en daarom zei ik maar: +"'K en weet niet!"-- + +Ik kon mijne oogen niet van Tromp en Witte afhouden! Een goede dertig +jaren geleden waren die twee mijne speelkameraads! En hier waren we +weer alle drie. Een Luitenant-Ammiraal, een Vice-Ammiraal en ... een +matroos!--Als ik kapitein ben dan wordt ge mijn pluimgraaf, had ik tot +Witte gezegd, toen hij nog "Kregel Mennonietje" was. En nu ... Jonge +Kees, ik heb me toen een klap in mijn gezicht gegeven van nijd, +en 't was me, of 'k alweer dien Brielschen schoolmeester met zijn +"Kwikkwik" voor me zag staan! + +Hoe lang ik daar had staan droomen, dat en weet ik niet; maar eensklaps +werd ik wakker en ik hoorde Tromp zeggen: + +"Dus De With! je denkt dat...." + +"Ik denk niet, ik zeg dat wij die lui daar aanpakken moeten Zeventien +Hollandsche jongens kunnen het wel een paar dagen tegen die vijgeneters +uithouden, durf ik zeggen! Er zal wel versterking komen uit Holland en +Zeeland. Laat mij maar voorop gaan! Ik zal die Spaansche langslapers +een deuntje voortrommelen, dat ze een paar ooren opzetten zoo lang +als die van hunne ezels! + +"Bang,--bah, wie bang is moet op schildwacht!"-- + +"Goed, sprak Tromp, maar bleef heel bedaard, "goed, we zullen den +vijand te lijf gaan! Bottelier, breng wijn! We zullen op den goeden +uitslag klinken en drinken!"-- + +"En als de wijn op is, dan halen we wat bij den Spanjool," riep Witte +en dronk in eenen zijnen beker ledig. + +Het was of de Spanjaard geroken had wat er bij ons aan boord besloten +was; want de vloot stelde zich in beweging en kwam recht op ons +af. Don D'Oquendo was voorop! + +Eer de vijand nog een schot gedaan had, was Witte al aan den gang. Hij +liet zijne kogels vliegen als een bakker, die op Sint Silvester +pepernoten te grabbelen gooit. Maar wij deden voor hem niet onder, +dat verzeker ik je. 'T ging er aardig langs en het duurde niet lang +of de vijand bedankte er voor den strijd langer voort te zetten, +en liep met klein zeil om de noord naar den hoek van De Cingels. Den +volgenden dag werden we door stilte en mist genoodzaakt stilletjes +te blijven liggen, doch tegen elf uren in den nacht, toen de mist +optrok, gaf Tromp bevel om het spelletje van den vorigen dag nog eens +te beginnen. Om een uur begonnen we en eerst des morgens te tien uren +hielden we op. Zoo vechtende waren we met den vijand naar De Hoofden +afgedreven en hadden we al eens een enkel oogenblik eene harde noot +te kraken gehad, niemand dacht er aan, dat we het wel eens konden +verliezen, en vooral dachten we dat niet meer, toen de Commandeur +Banckers onze kleine vloot met twaalf schepen kwam versterken.--De +Spanjaard had ondertusschen de wijk genomen naar Duins en meende +zeker, dat we 't wel niet in het hoofd zouden krijgen hem daar aan +te pakken. En jawel, net waren we van plan den vijand al weer aan te +vallen, toen meneer John Pennington bij ons aan boord kwam en in zijn +Koeterwaalsch zei: "Tromp, je hebt de groetenissen van Koning Karel +van Engeland, en hij laat je weten, dat je, als je met den Spanjaard +aan het bakkeleien en plukharen wilt gaan, dat dan maar op een ander +plaatsje doen moet; want de Koning wil geen vreemde pottekijkers in +zijn keuken hebben! Begrepen?"-- + +Hier werd Huib door een der matrozen in de rede gevallen, die zei: +"Zeg, Huibje, je verstaat geen Engelsch, hoe weet je dat die Pennington +dat gezegd heeft?"-- + +"Och, loop," hernam Huib, "dat kon ik wel raden; want van vechten +kwam er dien dag niemendal. Dat speet ons wat, dat kunt ge begrijpen; +want we hadden er pret in gekregen. We hadden ons hart opgehaald +"als Keuningen"!-- Ondertusschen begon het bij ons een mooi gezicht te +worden; want met iederen dag werd onze vloot versterkt. Daar was leven +in ons Land gekomen, en een leven, daar je geen begrip van hebt!"-- + +"Tuit, tuit, niet zoo haastig, kompeer," sprak thans dezelfde +matroos. "Ik kan me dat best voorstellen, want ik heb Witsen's +Scheepsbouw en Bestier, gelezen en daarin stond: De kaden, havens en +scheepstimmerwerven van Holland en Zeeland woelden en grimmelden van +nieuwe toerustingen te water en te land. Het scheen niet dat men van +alle kanten schepen timmerde, maar of ze van zelve groeiden. Men zag +geen opbod van Matrozen, maar hen van zelven in de schepen vallen!"-- + +"Ja," hervatte Huib, "gelezen is niemendal, je moet het gezien hebben, +zooals ik het gezien heb. Met De With werd ik naar 't Vaderland +gezonden om de gekwetsten en den behaalden buil over te brengen +en om versterking te vragen. Toen heb ik het met mijne eigen oogen +gezien, dat er te Rotterdam op een dag meer dan honderd matrozen zich +aanmeldden. Het scheen wel, dat daar bij Duins suiker met potlepels +en goud met emmers te scheppen was. Waar je kwam, ging of stond, daar +hoorde je niets dan van Tromp, De With, Banckers, Evertsen, Duins, +Engeland en Spanje praten. Jongens, ik ben blij, dat ik dien tijd +beleefd heb! Wat gaf ik er toen om, dat ik maar matroos was! "Alles +voor mijn Land en voor onzen Ammiraal!" dacht ik en duizenden dachten +als ik. + +Ondertusschen lagen we reeds eene maand voor Duins. Onze vloot +was reeds tot negentig schepen aangegroeid en iedereen brandde van +verlangen, om toch weer eens van leer te trekken; maar hierin werden we +iederen dag teleurgesteld. De Engelschen wilden niet hebben, dat we op +hunne reede aan het vechten zouden gaan, en reeds was men begonnen ons +te dreigen, dat ze den Spanjaard helpen zouden, en uit Holland, waar +men ook bevreesd was, aan te tasten, omdat men vreesde met Engeland +in onmin te komen, kwamen ook iederen dag allerlei boodschappen. + +"Welnu," zei Tromp, "dat de Spanjaard dan in de open zee kome, daar +vecht ik ook liever!"-- + +Meneer Pennington bracht die boodschap naar zijnen vriend D'Oquendo, +doch kwam al heel gauw terug en zei: "De groeten van Don Antonio en +hij laat je weten, dat hij niet kan uitzeilen, omdat hij gebrek heeft +aan masten en stengen, die hij te Dover heeft laten liggen!"-- + +"Als 't anders niet is, dan zullen we dat varkentje wel wasschen," +sprak Tromp. "Ik zal ze laten halen!"-- + +Terstond werden eenige schepen naar Dover afgezonden, en de Spanjaard +had zijn wensch; maar toch kwam hij niet. + +Daar kwam Pennington alweer en zei: "Hoor eens, Tromp, onze goede +vriend zou wel eens even met je aan den slag willen gaan; maar de +man heeft geen buskruit!" + +"Dat 's niemendal," luidde weer Tromps antwoord, "ik zal hem eenige +duizenden ponden verschaffen!"-- + +Ook hieraan werd terstond gevolg gegeven, maar.... de Spanjaard bleef +waar hij was. + +Eindelijk kwam er bericht van Hunne Hoogmogenden, dat men nu terwille +van Engeland genoeg gesammeld had, en dat er een einde aan komen +moest. Tromp mocht gerust den Spanjaard aanvallen, onverschillig waar +hij hem vond. + +In den nacht tusschen den twintigsten en eenentwintigsten van Wijnmaand +liep de wind naar het noordwesten en was dus bijzonder in ons voordeel +om den vijand van de reede te verjagen. Hoe lang D'Oqueudo ook al had +kunnen voorzien, dat hij eindelijk toch wel aangevallen zou worden, +toch kwam de aanval nog onverwacht en vele schepen waren genoodzaakt +hunne ankers te kappen. Hierdoor ontstond verwarring en deze werd +niet weinig vermeerderd toen ze elkander op de nauwe reede weldra in +den weg kwamen, en eindelijk aan den grond bleven zitten. + +Hieraan stoorde Tromp zich niet en hij stoorde zich nog minder aan +de Roorokken, die met het geschut uit hunne sterkten de Spaansche +schepen in bescherming namen. Oorverdoovend was het gedonder van het +geschut, en de Spanjaarden van de schepen, die omhoog zaten, kregen +het zoodanig te kwaad, dat ze hals over kop in het water sprongen en +zwemmende hun leven trachtten te redden. Onderwijl Tromp zich zoo +bezig hield met de schepen op de reede, had Ammiraal Jan Evertsen +het Portugeesche gedeelte der vloot aangetast. De Portugeezen vochten +dapper, en zeker zouden ze niet zoo geheel verslagen zijn geworden, +als het Ammiraalschip De Theresea, die wel duizend man aan boord had, +niet in de lucht gevlogen was. Onder al die bedrijven was het D' +Oquendo toch gelukt in zee te loopen, doch hier was hij evenmin +veilig als op de reede. Woedend werd hij aangevallen en woedend +verdedigde hij zich. Toch zou hij op het laatst zich hebben moeten +overgeven; maar eene mist en daarna een hevige wind stelden hem in +staat met een tiental schepen te Duinkerken binnen te loopen. Van de +zevenenzestig schepen bleven er achttien behouden; voor het overige +was die schoone vloot vernield, of in handen der onzen. Wij namen +ongeveer tweeduizend man gevangen en vijfduizend waren gesneuveld of +verdronken. Wij verloren slechts honderd man en een schip. De vreugde +te beschrijven, die er in ons land heerschte, kan ik niet! Dat moet men +bijgewoond hebben. Groot en klein, rijk en arm, oud, jong, aanzienlijk +en gering, iedereen was vol vreugde. Gedenkpenningen werden geslagen, +gouden ketenen werden uitgedeeld en de poeeten maakten liederen, die +klonken als klokken. En de luiden, die zoo juichten hadden het bij +het rechte end, want als de Spanjaarden eens overwonnen hadden, dan +had het er voor de Vereenigde Nederlanden niet te best uitgezien. Met +de vrijheid en onze macht ter zee was het al vast gedaan geweest en, +als we die moeten missen, dan is liet met ons land mis. Op de zee +ligt onze welvaart; op de zee ligt ons bestaan;--op de zee ligt ons +alles! De Zee is de bruid van ons Gemeenebest, en wee ons, als die +bruid door eenen driesten vijand ons ontnomen wordt! + + + +HOOFDSTUK IX + +Naar Zee! Naar Zee! + +Na de schitterende overwinning bij Duins kon een groot gedeelte van +de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens +terugkeeren, of hunne reizen naar Oost en West hervatten. + +Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met +hunne roofschepen, en, al zei ook heel de wereld, dat wij de eerste +mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja, +'t was of ze met den dag brutaler werden. + +Onderwijl wij voor Duins lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze +waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op een enkelen +dag maakten ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor Aland +in de Bothnische golf, namen daar een Nederlandsen oorlogsschip en +vier koopvaarders en sleepten uit de baai van Shetland nog vier onzer +oorlogsschepen mede. + +Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee +waren. + +Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen +en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot niet op +alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor +onze kooplieden was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik +vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken, +inplaats van ze te verwenschen. + +Weet je waarom? + +'T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker. + +Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op +het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden of niet! We +werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo +slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en zoo dapper als een leeuw. + +De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een +schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand +leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog +ter zee voeren! + +Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het +vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers meer +geleerd hebben, van hem of van Tromp. + +Die eene Brielsche kwajongen is meer dan de andere, de roem van zijne +stad en de eer van zijn Land geworden! + +Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg De Haese, dit was +de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere +vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal Aertus Gijsels +stonden, naar Portugal te stevenen om daar den nieuwen Koning een +handje tegen de Spanjaarden te helpen. + +In Oogstmaand van '41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet +behoorde tot de lui, die met Ammiraal Tromp, den zoon van Frederik +Hendrik naar Engeland gingen brengen. + +Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning Karel eens +gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de +koningin voor als den grootsten Ammiraal der wereld. Nu kunnen ze +me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij Duins had +Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar +dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet en ik zou haast +gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk +had toen hij zei: "Ben-je mal, jongen, wat bekommer je jezelven over +dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan +nog niet dat er tweeerlei soort van menschen zijn en wel matrozen en +landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik: +"Hier ben ik! en jij zegt dan: "En ik ben hier!"--En als we dan zoo +over en weer mekaer gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en +jij mij, en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op, +neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en zegt: +"'K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!" Zie-je, +Huib, zoo zouden wij, matrozen en varenslui, doen, en daar we toch +wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we +er ons zelven ook maar geen oogenblik het hoofd mee vermoeien met te +denken wat de landkrabben doen!"-- + +Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en +bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer bekommerd over +dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben. + +Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af. + +Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige +bezoeken in Engeland bracht gingen wij naar Portugal om dat land +een handje te helpen tegen de Spanjaarden. [10] Behalve Gijsels, +die onze vlootvoogd was, hadden we onder hem nog als Vice-Ammiraal +Jacob Pieterse Tolck, en als Schout bij Nacht den Vlissinger, Michiel +Adriaensz. De Ruijter. Onder dezen laatsten diende ik.--Dat Gijsels +een dapper en ervaren zeeman was is vast, maar of die Tolck dat ook +was, dat en weet ik niet. Maar dat onze Schout bij Nacht een flinke +kerel was, daar af zou ik jelui heel wat kunnen vertellen. Hij was +toen nog maar vier en dertig jaren oud; maar zelden heb ik iemand +van dien ouderdom gezien, die zoo moedig, zoo verstandig, zoo slim, +zoo beleidvol, zoo goed, zoo rechtvaardig en zoo vriendelijk was +als hij. Kijkt, jongens, ik en ben geen profeet, maar ik zie er in, +dat diezelfde Michiel De Ruijter, die een kwajongen moet geweest zijn +zoo groot als er ooit een geleefd heeft, een Ammiraal zal worden zoo +groot, dat hij den roem van onzen Marten in de schaduw zal zetten. Die +man heeft alles wat een jong man hebben moet om eens een groot man +te kunnen worden.--Van iedereen wil hij leeren van den Ammiraal af +tot den kajuitswachter toe. Hij is niet zoo trotsch en eigenwijs om +te gelooven, dat hij alleen alles weet! En dat behoort zoo! Zoo deden +Piet Hein en Tromp ook. Zoo doet Witte Cornelisz. De With niet altijd +en dat is zijn ongeluk.-- + +Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen +nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo hadden we met +veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles +behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts 118 man, en bestond +dan nog voor een groot deel uit lui, die nooit zeewater geproefd +hadden. Reeds in Het Kanaal werden onze bevelhebbers het met elkander +oneens, en toen er zoo'n klein stormpje opstak, liepen er zes van +de tien te grienen en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen, +alsof hun leste uurtje al geslagen was. + +En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. 'T stond +bijster mooi aan. + +Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen +morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot. Wij dachten +eerst dat het de Portugeezen zouden zijn. Wij kwamen die lui helpen en +het was dus niet meer dan een staaltje van hunnen plicht om ook mede +te doen. Maar, jawel, ze lieten zich fluiten als een kikker in het +riet, en al heel gauw werden we gewaar, dat het vlootje, dat we zagen +aankomen maar eens even bestond uit negen groote Spaansche galjoenen, +tien Duinkerksche koningsschepen, vier fregatten en een jacht. [11] + +"Goeien morgen, Huib," zei ik tot mij zelven, "goeien morgen, Huib, +dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal er spannen!"-- + +Onderwijl ik dat zoo zei, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik +keerde mij om, en, 't was om de oogen uit het hoofd te schamen, +een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind, +dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen. + +"Wat hapert er aan jou, kameraad?" vroeg ik. + +"Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief Smeerdiek terugzien!" gaf +hij mij ten antwoord. [12] + +Zoo'n lummel! + +"Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?" vroeg ik. + +"Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En +as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en ik zien ik +nooit niet meer m'n Smeerdiekje mee z'n klokkespilletje!"-- + +"Och, och, hoe erg!"-- + +"Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z'n klokkespilletje, daer +weunt m'n meutje en daer 'oud ik zoovee van!"-- + +"Wel, wel, dat 's verschrikkelijk!"-- + +"En as ze me noe is doodschiete, wat zal m'n meutje dan jule!" [13] + +'T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een +mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind. + +Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag +gieren van het lachen, zei hij: "Dat moet je niet doen, Huib! En jij, +goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar +weet je wat je doen moet?"-- + +"Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!" snikte +de man. + +"Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den +goeden God vertrouwen; want die heeft voor 'n armen zeeman ook +wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als +kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er je tranen mee af +te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee +uit te deelen, links en rechts! En als je niet weet, hoe je dat doen +moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij, +dan wed ik dat je er vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag +zooveel geleerd hebt!" + +Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te +maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid om eens +goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en +... daar ging het er van door! + +Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te vereenigen. De +vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem +na. Maar Gijsels dacht: "Neen, dat bedoel ik niet!" en terstond liet +hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter +dat hij zoo 'n hoopje garnaalschuitjes best aan kon en gaf Gijsels +dubbel en dwars terug wat hij gegeven had, + +"Mannen," riep De Ruyter, "onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche +Dons te kwaad; we gaan hem helpen!" + +Zoo gezegd zoo gedaan. + +Van 's morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als +leeuwen. + +"Aoist, aoist, aoist!" klonk het op eens naast me. [14] + +Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en +ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag aan +narden schoot. + +"Dat heb je 'm eens secuur gelapt, kompeer!" zei ik. + +"Jae, jae, dat 'eb ik net! Aoist, aoist, aoist!" juichte hij. + +"Aan de pompen, aan de pompen!" kommandeerde De Ruyter, en 't was +noodig ook; want de romp van De Haese moet veel op eene spons geleken +hebben, zoo hadden ze ons beschoten. + +Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had +aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem te noodzaken +terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne +wandeling voort. Misschien dat de man door zijn volk gedwongen werd +om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af, +dat hij ons leelijk in de pekel liet zitten. + +Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw +bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen wat er gedaan moest +worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat +de schepen te veel geleden hadden en het onmogelijk nog langer vol +konden honden.-- + +De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens +op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht, die op dit +gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en +met heel veel moeite en zware averij waren we wel genoodzaakt om te +Lissabon binnen te loopen. + +De koning van Portugal gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen +met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens +zouden toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen +ons niet hielpen. Die lui waren echter liever koud dan moe, en daarom +zei onze Ammiraal op een' mooien morgen den Koning goeien dag en wij +keerden naar het Vaderland terug. + +Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje +aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks toch +was ik aangekomen of 't was alweer maar: "Vooruit, Huibje! Help de +Duinkerkers eens achter den broek zitten!"--Was dat afgeloopen, +dan was het weer: "Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar +de Sont, Huibje! Die koning van Denemarken is een levende schrok, +eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met +Christientje, die voor Koninginnetje van Zweden speelt, en omdat +die Kris, die koning van Denemarken, uit meenens met haar ravot en +stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen, +die de Sont passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje, +help jij met je Brielschen kameraad, 't "Kregel Mennonietje," dien +Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging het! + +In Hooimaand van het jaar '44 staken twee en veertig oorlogsschepen +onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee. Wij hadden +te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de +boodschap mee alleen maar te waken, dat onze schepen den gewonen tol +moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem +aan boord, en dikwijls dacht ik zoo, in mijn eentje, aan dien morgen +toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen +had ik al heel leelijk gekeken, als Witte zei: "Als ik ga varen, +wil ik Ammiraal worden!"--En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem +uitgescholden en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip +waarop ik kapitein was!-- + +En nu! 'T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt: + + + "Veel roemen met een dommen geest, + Een ijdel vat bomt aldermeest." [15] + + +Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte +nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde ik hem +enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield +zich goed en geen pond kruit heeft hij laten verschieten. Nauwelijks +was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje +van voren af aan, en thans besloten de Staten-Generaal om in '45 nog +eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te besehermen. Nu was +zijn lastbrief eenigszins anders. De koopvaardijschepen mochten in het +geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met zijne oorlogsvloot door +de Sont brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken, +zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte's hand. Met vijftig +wel uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar +zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de Sont te voeren. + +Toen we dicht bij het kasteel Kroonenburg gekomen waren ging de +eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten +hij doen moest om den koning van Denemarken, die op het kasteel was, +te begroeten. + +Witte gaf geen antwoord. + +"Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden, +Ammiraal?" klonk andermaal de vraag. + +"Hoeveel schoten? Een, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder +en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt als een +dronken kadraaier!" [16] + +"Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?" + +"Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het +Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!" + +De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek +nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou. + +Daar lag het sterke Kroonenburg en daar stond de Koning. + +Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard +een paar keeren zijnen hoed af, en zei: "Dag Kris! Je hebt de groeten +van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze +hebben wil, dan kom je ze maar halen! Wij zullen in looden bolletjes +uitbetaling houden." + +De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen +hadden, toen ze ons zoo deftig door de Sont zagen trekken en de Koning +kreeg zooveel eerbied voor onze macht, dat hij weldra vrede met Zweden +maakte en de verhooging van de tollen wijselijk achterwegen liet. Ja, +onze roem begon toen zoo te stijgen, dat zelfs vreemden bij ons de +zeevaart kwamen leeren. [17] Na deze tochten naar het Noorden had +ik nog al geen rust; want nauwelijks was ons schip voor den dienst +afgekeurd, of ik kwam op een ander en ging naar ... Duinkerken.-- + +Ja, alweer naar Duinkerken waar Tromp de haven hield ingesloten. De +Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de +belegerden, wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk +moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich +overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den +Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand van '46. + +Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren +om waren zoo besloot ik te Rotterdam kaaigast te worden. + +Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet +voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had rondgezwalkt. + +Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht +ik dikwijls: "Huib Maerlant, wat ben je toch een gek! Je gaat hier +aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel +als je noodig hebt om te kunnen leven en soms niemendal! Je kost +is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de +boodschap als je niet van honger sterven wilt. Je doet nou net als +die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee +kunnen verdrinken. Je bent een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie, +ja, dat ben-je!" + +Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met Spanje +is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert, +is liet tusschen hem en de voornaamste Heeren in Holland ook al +geen botertje tot den boom. Dat is harrewarren hier en harrewarren +daar. Zelfs onder ons sjouwerlui kwam er al verdeeldheid, en dat gaf +maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen. + +Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren +op Loevestein heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de +hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet +geern zag. + +En wat was het gevolg? + +Jan trok partij voor de mannen van Loevestein en hunne kornuiten, en +Piet zei alweer: "De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!" + +Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos. + +Nu ben ik op miju manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo +bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen, dat ik +zooveel op heb met de Heeren Staten van Holland. Ik heb in die dagen +ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste +was, dat ik daar zelf nooit aan gedacht had, tot op zekeren mooien dag, +nu misschien een jaar geleden. + +Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd +van de Hoeken en Kabeljauwen!" + +"Welke boer was dat, Huib?" vroeg Jonge Kees. + +"En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je 't vertellen. In +den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren in Hoekschen +en Kabeljauwschen, liep Krelisboer van Nieuwenhoorn, toen hij van zijn +werk kwam, met een dorschvlegel op zijne schouders naar huis. Pas had +hij een stap of wat gedaan, of daar kwam een troepje Kabeljauwsche +schobbejakken aan. [18] + +"Hei, boer," riepen ze, "wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?" + +Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of +Kabeljauwen, zei op de bonnefooi [19]: "Wel Hoeksch, mannen!"-- + +"Wacht, we zullen je Hoekschen," riepen die lui en gaven Krelis een +hard pak slaag. + +"Dat heb ik al vast beet," dacht onze maat en ging verder. + +'T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo'n troepje van die +vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook aan Krelis: +"Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?" + +Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en zei: "Kabeljauwsch, +mannen! Rondom Kabeljauwsch!" + +"We zullen je Kabeljauwschen!" was het antwoord en daar ging het weer, +van hetzelfde laken een pak. + +"Die heb ik al weer beet," zei Krelis, "maar nou zullen ze me niet +weer vangen!"-- + +Daar kwam het derde troepje en 't was al weer: "Boer, wat +ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?" + +"Wel," zei Krelis, "dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst +ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben ik duivelsch!" en +den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang +links en rechts, tot al de lui op den loop gingen.-- + +Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep. + +Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag +aan den wal te Rotterdam. Ik stond al sedert een paar dagen op werk +te loeren, en schoot nu als een pijl uit den boog op het schip toe, +dat nog niet eens aan de ringen gemeerd was. [20] + +"Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!" riep een jonge +kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. "Dat vrachtje is voor ons!" + +"Heeft de kapitein jelui dan al aangenomen?" vroeg ik. + +"Nee, maar jij blijft er af, 't is voor ons!" zeide de ander en duwde +me met een flinken ribbestoot terzijde. + +Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het +land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven door den eersten +den besten kwajongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn' +arm even op om mijn vuist op zijn ruigen krullebol te laten vallen en +zei: "Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!"-- + +Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne +kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen, dat mij +alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van +mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden, gezien hoe ik er +van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me. + +"We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!" riepen ze en begonnen +onder het schreeuwen van: "Landkrabben!" ankersmidje te spelen. Hunne +vuisten waren de voorhamers en de koppen van de "Landkrabben" de +aanbeelden. Dat was een geklop en een getier van belang! Al vechtende +schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere +kaaigasten, die niet van kloppen hielden, gebruik om aan boord van het +schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.--Wij, oude zeerobben, +waren in de minderheid en weken meer en meer achteruit, totdat wij +onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen. + +Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op +te knappen, toen een man mij op den schouder tikte. + +Ik keek hem aan en dacht: "Jou heb ik meer gezien!" + +Hij had een netzakje met springlevende bot aan zijnen arm hangen en +het zakje openende, haalde hij er een van de wildste botjes uit en lei +het op straat neer. Het dier lag erg te spartelen, maar kwam niet ver. + +Ik keek hem aan, alsof ik zeggen wou: "Schort het je in je bol?" + +De man lachte even en zei: "Als een visch op het droge, Huib!" + +Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die +mij vroeger gezegd had, dat er tweeerlei soort van menschen waren, +doch ik was het vergeten. + +"Hoe maak-je 't, ouwe jongen?" vroeg ik en stak mijne hand uit. + +"Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als +een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat ik je eens +gezegd heb?" + +"Jij mij gezegd? Wat heb je mij gezegd?" + +"Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?"-- + +"o, Ja, dat 's waar ook: matrozen en landkrabben!"-- + +"Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en +eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten je element +en 't zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob +Cats spreekt!"-- + +"Wat zegt die excellente puikpoeet dan?"-- + +"Ken je 't versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: Wann de Wolff +altet, soo reiten hem de Krehen. + + + "Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen, + Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen, + Ick was in 't woudt gesien, en overal gevreest, + Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest, + Oock van 'k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen, + Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen, + Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach, + Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach. + Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen, + Die komen tegen mij, en over mij gesprongen: + Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft, + 't Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft." + + +"Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd," zeide ik. + +"Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal, +dan ben je net als dit botje!" + +Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den +grond lag. + +"Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!" gaf ik heel wijs ten +antwoord. + +"Je bent gladder dan ik dacht, Huib," zei de ander weer, en na nog +eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet hij het +beest in de Maas. + +"Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?" vroeg ik. + +"Ik geloof het niet; maar trap die bot eens dood als je kan!"-- + +"Welke bot?" + +"Wel, die ik in de Maas smeet!" + +"Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit +meer weerom!" antwoordde ik. + +"Dat 's niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen kan, dat een +matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele +zootje voor over! Je moet alweer naar zee, Huib, anders, en 't is zoo +vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn, +even als de wolf, je tanden overleefd!"-- + +"Maar ik en heb geen zin meer in het varen!" gaf ik eenigszins +schoorvoetend ten antwoord. + +Rrrt, daar vloog de netzak met bot de Maas in en stampvoetende van +kwaadheid, riep hij: "Daar heb-je 't! Daar heb-je 't! Jawel, als de +lui bang beginnen te worden voor een mondvol zeewater, als ze liever +dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: "Adjuus, +Vereenigde Provincien! Heel de wereld groeit je over den kop en je +bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib, +weet-je 't dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest +alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht, +kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er +wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk op onze +schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land! + +Heb je je Land lief? Naar zee! + +Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar +zee! + +Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil +je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven, oud worden +en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee! + +Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en +streken? Naar zee! Naar zee!" + +Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren +er van alle kanten mannen en vrouwen komen opdagen, die met open ooren +en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij +even ophield met spreken om adem te halen, klonk het hier en daar: +"Ga voort, ga voort!" + +En Warmont sprak: "Ik en weet niet of jelui altemaal Rotterdammers +zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries, die daar"--hij +wees op mij--is een Briellenaar! De Unie telt zeven gewesten en bijna +ieder van de zeven kibbelt om den voorrang! Hier aan den wal zijn we +niet een, niet twee, niet zeven, neen, wel honderden meer! Zooveel +vroedschappen, zooveel landjes,--zooveel gilden, zooveel baasjes! Maar +op zee, op zee zijn we een! Daar legt de Ommelander zijn knuist in die +van den Zeeuw, de Drentenaar maakt kameraadschap met den Hollander, +de Stichtenaar zweert den Fries houw en trouw, en als ze allemaal +bij elkaer zijn, dan kijken ze naar het oranje, blanje, bleu, aan den +achtersteven en hebben maar een vijand en een vriend! De vijand is hij, +die ons voor den boeg komt;--de vriend is de Oceaan, die ons op zijne +golven de schatten van Oost en West van Zuid en Noord aanbrengt, +die ons kloek en krachtig maakt, en die ons den vedel speelt of +den trommel slaat, als we aan den dans willen gaan! Mannen van het +Gemeenebest der Vereenigde Nederlanden, meen je 't wel met je Land, +met je vrouw, met je kinderen, meen je 't wel met je zelven, smijt dan +den kiel van den baliekluiver, de ganzenveer van den armen klerk weg, +schiet het matrozenbuis aan en, naar zee, naar zee!" [21] + +Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich +het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte: "Hoezee! Hoezee!" + +Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het +nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om "Goede vaer Tromp" +nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met +Engeland houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we +toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd +hebben. "Goede vaer Tromp" zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen +volgen, dat is ook zeker!"-- + + * * * * * + +Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder +der hoorders volgde zijn voorbeeld. + +Thans wist men ook wie Tromp was. + + + +HOOFDSTUK X + +Houw en Trouw. + +Koning Karel I van Engeland had zijne stijfhoofdigheid en de woelingen +der burger-partijen met zijn leven moeten boeten. Den negenden van +Sprokkelmaand beklom Karel het schavot en ten aanzien van duizenden +toeschouwers sloeg een gemaskerde beul hem het hoofd af. + +Zulks geschiedde op bevel van zijne tegenpartij aan wier hoofd een +zekere Olivier Cromwell stond. + +Die Cromwell was ontegenzeggelijk een knap man--Engeland heeft veel +aan hem te danken--en Koning Karel had groote gebreken gehad en vele +verkeerdheden begaan; maar de haat, dien hij den Vorst toedroeg +was veel te verregaand.--Toen hij het doodvonnis van den Koning +onderteekend had, streek hij zijne met inkt gevulde pen over het +gelaat van zijnen vriend Martyn en zeide: "De beurt is aan u!" + +Een mensch, die rechtschapen is, kan zoo al vast geene doodvonnissen +onderteekenen. + +Intusschen was Karels oudste zoon, die hem later als Koning opvolgde, +na vele vergeefsche pogingen aangewend te hebben om de kroon te +heroveren, het land ontweken, en vertoefde nu eens hier en dan +daar. Zoo kwam hij ook in Den Haag en genoot daar van vele zijden +gastvrijheid. + +Cromwell, die na het eindigen van den burgeroorlog Lord-protector van +Engeland geworden was, had al vroeger bij onze Staten aanzoek gedaan om +zich met Groot-Brittannie tot een gemeenebest te vereenigen. Maar hoe +genegen sommigen Cromwell nu ook waren, daarin hadden ze volstrekt geen +lust, en het aanbod werd dan ook eenstemmig van de hand gewezen.--Dit +hinderde den Lord-Protector erg en bovendien was hij ontevreden op +ons, omdat de Prins van Wales, Koning Karels oudste zoon, hier te +lande zulk eene gastvrijheid genoot. Ieder oogenblik had de man wat +met ons uitstaande, nu over dit, dan over dat; maar het meest over +zeezaken. Het ging ons gemeenebest zeer voordeelig en nog hadden we +in Europa den naam, dat we de eerste mogendheid ter zee waren! Dat +hinderde de Engelsche natie vreeselijk en Cromwell was er steeds op uit +dat aanzien en die eer te fnuiken.--Stoutweg verklaarde de Engelsche +regeering, dat zij de eerste zeemogendheid was en beweerde, dat iedere +Natie verschuldigd was hare vlag te eeren en hulde te bewijzen. Wie +dat niet deed zou als vijand beschouwd en behandeld worden. Men +gaf brieven van kaapvaart aan ieder, die meende, dat hij door de +Nederlanders in een of ander opzicht benadeeld was geworden. Stoutweg +voeren die kapers dikwijls onder de Engelsche vlag, en dan was het +toch wel erg vernederend om de vlag voor eenen kaper te strijken. + +Eindelijk begon men hier toch in te zien, dat het zoo niet langer +blijven kon en daarom werd er den derden van Lentemaand 1652 besloten +honderdvijftig schepen van oorlog uit te rusten. + +Het duurde dan ook niet heel lang of Admiraal Tromp kon met vijftig +tamelijk goed uitgeruste schepen zee kiezen. De bestemming van die +vloot was, onze koopvaarders te beschermen en zorg te dragen, dat +maar niet iedereen, die daartoe lust gevoelde, ze onderzocht. Over +het strijken van de vlag werd niets gezegd. Zeker omdat men toch +wel begreep, dat dit den oorlog niet verhinderen kon. Toch kreeg +Tromp bevel zoo veel mogelijk van de Engelsche kust af te houden, +daar men zelf zoo lang dit maar kon den oorlog wilde uitstellen, +en althans dien niet beginnen. + +De Admiraal besloot, was het ook met heel veel moeite, dit bevel ten +uitvoer te brengen en ankerde met zijne vloot tusschen Duinkerken +en Nieuwpoort; maar door een Noord-oosten storm beloopen was hij +genoodzaakt de ankers te lichten en zich om den hoek van Dover in +veiligheid te stellen. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of hij +zond twee fregatten uit om den Engelschen Kommandeur Bourne, die bij +Duins lag, uit zijnen naam te begroeten en tevens te zeggen, dat hij +van Dover vertrekken zou, als hij het doel van zijnen tocht bereikt +had.--Bourne liet hem heel beleefd terug groeten en het scheen wel, dat +het haast eene onmogelijkheid was, dat er van oorlog sprake kon zijn. + +Maar, 't was de stilte, die de uitbarsting van een vulkaan +voorafgaat.-- + +'T was nacht! + +Eenzaam en stil lag daar een schip op de baren der Noordzee te +wiegelen. Als men evenwel wat scherper toekeek dan zag men hier en +daar, donkere plekken zich tegen de bewolkte lucht afteekenen, en +zoo nu en dan een licht. + +Aan boord van het schip, dat we thans betreden, vinden we drie mannen, +die de wacht houden. + +De oudste is Huib, die, op een hellebaard geleund, zijne oogen in +het rond laat gaan als eene kat, die eene prooi zoekt. + +De andere is wat jonger, maar veel langer dan Huib. Het is de lange +Smeerdiekenaar, dien we zich als een kind zagen aanstellen toen hij +voor het eerst in het vuur moest. + +De derde is een heel jong en kort matroosje met eene flauwe stem. Hij +heet Adriaan. + +"Wel, 'Uib, zie je nog niks niemendalle?" vraagt de lange. [22] + +"Jawel, 'k zie onze vloot, maar anders niet!" + +"En jie, zie jie niks?" klinkt de vraag aan den jongen Adriaan. + +"Een vraagal en wat schepen!" is het zachte antwoord. + +"Hoor eens, Adriaan, je kunt dan vreeselijk kortaf zijn! Komt dat +omdat men geen baard bij jou kan zien van al dat vel? Je lijkt, bij +m'n ziel, meer op een vroolijk zusterken dan op een matroos. Hoe oud +ben-je al?" vraagt Huib. + +"Zoo oud als mijn handen en niet als mijn tanden!" klinkt het even +bits. + +"Brrrr, wat 'n antwoord! Heusch, Adriaan, dat komt omdat je geen +baard hebt, dat je zoo kort van stof bent!" + +"Wel, geef jij me dan maar wat pootjes! Je gezicht lijkt veel op een +stoppelveld van zaadstroo! Maar weet je wel waar jij veel op gelijkt?" + +"Neen, weet jij dat?" + +"Jawel, je gelijkt precies op een, die altijd ontevreden is! Schort +er wat aan?" + +"Ja, Adriaan, er schort wat aan en dat ik ontevreden ben, dat is waar!" + +"Zoo," zegt de Smeerdieker met een langgerekten uithaal, "zoo, ik +docht ik dat er bie joe niks kon besannen!" [23] + +"Zoo, Gerrit, dacht je dat? Nou, maar dan heb je 't mis, hoor!" + +"Maar wat schort er dan aan?" vroeg Adriaan. + +"Wel, dat zal ik je eens zeggen. Ik heb een kameraad gehad, een +jongen daar wel wat in zat. Hij kwam van Schevelingen en heette "Jonge +Kees." Oud was hij nog niet; ik denk dat hij tusschen de veertien en +zestien jaar geweest is! Dat was er net een daar ik mee doen kon wat ik +wilde. Ik kon op hem grommen, knorren, razen en tieren; ik kon hem zoo +nu en dan eens door malkander schudden; maar ik kon hem ook dikwijls +vertellen wat mij naar op het hart lag. We waren beste vrinden en +sedert hij van boord is, ben 'k als iemand, die iets verloren heeft!" + +"En waarom ging hij van boord?" vroeg Adriaan verder. + +"Wel, zijne ouders gingen op Vlieland wonen en daar zijne dienstjaren +om waren ging hij weg en werd haringvisscher. Een aardige jongen was +het, en ik heb veel aan hem verloren! Als je er niet zoo meisjesachtig +uitzaagt, Adriaan, dan zoudt gij zijne plaats kunnen vervangen!"-- + +"Zoo? Geef me dan van uwe stoppels, Huib," zeide Adriaan, "dan heb +ik binnen veertien dagen een baard en ... maar stil, zie je daar +niemendal, daar om de zuidwest?"-- + +"Verbeeldienge is erger as de derdendaegsche koose!" viel Gerrit +in. [24] "Ik zien ik niks as...." + +"'N schip, Huib, ik zeg je dat het een schip is!" riep Adriaan. + +Gedurende eenigen tijd stonden de drie wachten uit te zien, maar +ontdekten niets. Tegen het aanbreken van den dag echter zagen ze het +schip alweer en toen het nader kwam, bleek het dat het De Crevecoeur, +kapitein Joris Van der Zaen, was. + +De Admiraal werd gewekt en nu bracht Van der Zaen hem de tijding dat +zeven straatvaarders, die te zamen wel vijftig tonnen gouds waarde +hadden, groot gevaar liepen door de Engelschen genomen te worden. + +"Dan is het mijn plicht deze te gaan beschermen," zeide Tromp en +beval dat de vloot zich in beweging zou stellen. + +Nauwelijks waren zij onder zeil of ze ontdekten eene Engelsche vloot, +die uit vijftien kloeke oorlogsschepen bestond. Een van deze schepen +voerde de Admiraalsvlag en later bleek het, dat het die van den +dapperen Robert Blake was. + +Kan men van Marten Harpertsz. Tromp zeggen dat hij de Nederlandsche +vloot tot eene geduchte sterkte wist te brengen, kan men van hem +getuigen, dat hij het verwarde zeewezen van de Vereenigde Provincien +voor een groot gedeelte in het reine bracht, dat hij leerlingen had, +die naderhand hem na- of voorbij streefden en dat hij onder het zeevolk +eenen geest wist te brengen, die een man zooveel waard deed zijn als +twee,--hetzelfde mag men ook gerust zeggen van Robert Blake, in wien +Tromp een hem waardig tegenstander vond. Boven onze scheepsbevelhebbers +had Blake nog dit voor, dat hij een zeer geletterd man was. [25] + +Zoodra Tromp deze zeemacht ontdekte, meende hij dat de straatvaarders +reeds genomen waren en, om nog den schijn van alle vijandelijkheid +te mijden, liet hij bijna alle zeilen innemen en stelde eenen man +bij de vlag om dezen te strijken. + +Nu was Blake echter zoo dom niet om te denken, dat de Nederlandsche +vloot daar zoo maar voor eene aardigheid kruiste. Hij begreep zeer goed +waarom men hem als een hond nazat. Dat kon de voortvarende man niet +dulden, en daarom liet hij ook, als een hond, een hol gegrom hooren, +dat wil zeggen, hij joeg een kanonskogel over Tromps schip. Dit schot +werd weldra door een tweede en nog door een derde gevolgd. De laatste +kogel nam den arm van een onzer matrozen weg. + +Tromp zag bij dat alles bedaard rond, maar toch schitterden zijne +oogen als vuurkolen. + +Aan boord van alle schepen was ieder man op zijn post. Ook Gerrit +Leinsz. de konstabel, stond gereed. + +Tromp ging naar dezen toe en zei: "Geen bloed, Leinsz! De eerste +kogel zij voor de kabeljauwen!" + +De konstabel volbracht het bevel, doch Blake beschouwde het nog immer +als geene gekheid en gaf Tromp de volle laag. + +Thans werd het gevecht algemeen en ofschoon Tromp over eene veel +sterkere macht beschikken kon dan de Engelschman, zoo maakte hij er +toch geen gebruik van, omdat hij letterlijk wilde handelen naar het +bevel, dat hij mede gekregen had, om namelijk slechts te zorgen, +dat onze vlag geen schande werd aangedaan. + +Het gevecht duurde vijf uren; men moest toen wel eindigen omdat de +nacht inviel. + +In Nederland vernam men de tijding van het zeegevecht met een +verdeeld gevoelen. Aan de eene zijde juichte men er over, dat +de Engelschen eens flink onder de oogen waren gezien; maar aan de +andere zijde schrikte men er van terug, als men aan eenen oorlog met +Engeland dacht. Intusschen was de noodlottige Eerste Engelsche oorlog +begonnen.--Van weerszijden trachtte men zich te verontschuldigen. Tromp +zei: "Blake heeft het eerst geschoten," en Blake zei: "Tromp heeft +zijne vlag niet gestreken!" + +Nog deden de Nederlanders bijna het onmogelijke om den vrede te +behouden en zond men gezantschap op gezantschap naar Engeland, +maar niets mocht baten. De gezanten werden soms met minachting +ontvangen en wat ze ook vertelden, niemand geloofde hen. De oorlog +was onvermijdelijk, men moest veehten of men wilde of niet, en vele +leden der Regeering gaven thans Tromp van alles de schuld en zouden +hem gaarne door een ander hebben doen vervangen, als ze maar iemand +hadden kunnen vinden. + +Maar De Ruyters zon was nog lang niet ter middaghoogte en voor die +van den wakkeren Briellenaar was het nog geen tijd om onder te gaan.-- + +Gedurende dien tijd was Jonge Kees ook op zee. Maar niet bij Duins, +Dover of Duinkerken; niet op een oorlogsschip, dat ieder oogenblik +gereed is een ander schip aan te vallen, en dat sterk bemand en +gewapend is. + +Het vaartuig waarop onze Jonge Kees thans vertoeft is eene kloeke, +stevige vischschuit, van 't voorjaar eerst nieuw. De schuit draagt +op den achtersteven den naam van: De vrouw Neeltje.--Neeltje, zoo +heet zijne moeder. + +De vorige reis heeft de vader van Jonge Kees een tros tegen zijne +beenen gekregen, en deze zoo erg bezeerd, dat hij ditmaal niet met +zijne schuit mee kon. [26] + +Maar Jonge Kees is een wakkere borst, een stoere jongen, een knaap +daar staal in zit, dat wist moeder Neeltje ook wel, en daarom zei +ze, toen haar man, hoe zwaar het hem ook viel, toch mee wilde gaan: +"Laat je beenen nou rust houden, vader! Blijf deze reis maar eens thuis +en laat onze Jonge Kees je plaats vervangen! De zee is tegenwoordig +rustig, de jongen is bij de hand en het Schagerrif of Doggerzand is +niet zoo heel ver af!" + +"Ja, maar, moeder, de jongen is toch nog wel wat jong! Pas,--was +'t niet met Drie Koningen?--zestien jaar! Wel wat jong, moeder, +wel wat jong!" + +Maar moeder Neeltje wist zoo te praten dat de vader eindelijk toegaf en +zijn' zoon, voor eene reis, tot stuurman op de mooie schuit aanstelde. + +Op dit oogenblik is hij in de nabijheid van het Doggerzand. Hij en +zijne manschappen zijn recht tevreden, want de vangst was uitmuntend. + +"Nog een uurtje, mannen, dan gaan we eens kijken of er aan het +Schagerrif ook wat te halen is!" zegt de jonge stuurman. + +"Daar ginder komt een Roorok, Jonge Kees!" zegt een der matrozen. + +"Wel, dan gaan we niet weg! Die Koningsmoorder zou wel denken, dat +we aan den haal gingen!"-- + +Men gaat voort met visschen.-- + +De Engelsche vischschuit komt al nader en nader en er klinkt een +hevig gelach aan boord nu Jonge Kees zijne netten leeg ophaalt. + +"Hij lacht ons uit!" zegt een matroos. + +"Laat ze maar lachen! 'T is beter dat ze om ons lachen dan dat ze om +ons huilen!"-- + +Nu haalt de Engelschman zijne netten ook leeg op. + +Een hevig gelach klinkt er thans van De vrouw Neeltje. Ieder zijne +beurt. + +Maar dat kan de Engelschman niet dulden! Hij mag uitlachen wien hij +wil, maar niemand mag dat doen te zijnen koste. En in zijne boosheid +neemt hij een der steenen, die op zijn dek liggen, en smijt dien naar +den brutalen Vlielander. + +"Leer om leer kan ik je niet geven!" roept Jonge Kees, "maar smijt +jij met steenen dan doe ik het met talhouten!"-- + +Zjst--daar vloog er al een. + +Nu smeten al de Engelschen met steenen en al de Hollanders met +talhouten.--Het was een grappig gezicht, vooral omdat geen van allen +raak gooide. + +Jonge Kees houdt op met smijten en roept: "Legt neer dat hout!"-- + +"Moeten we ons dan maar dood laten gooien?" vraagt er een. + +"Wel neen," zegt Jonge Kees, "maar als je niet bang zijt, dan weet +ik wel wat!" + +"Bang? ' Ik en weet niet wat bang is!" + +"Mooi, dan gaan we dien Roorok enteren, en als we 't gedaan kunnen +krijgen, dan zullen we die luI aan hun eigen boord een pak rammel +geven!"-- + +"Dat 's goed! Dat doen we!" roepen ze allen en in een oogenblik ligt +De vrouw Neeltje tegen The Seal. + +Vlug als katten springen de Hollanders met een talhout in de hand en +het kaakmes in den mond aan boord van den Engelschman, die, na bont +en blauw, geslagen te zijn, in zijn ruim vlucht. + +"Spijkert het dicht, spijkert het dicht!" roept Jonge Kees en houdt, +onderwijl er een man naar boord terugkeert om hamer en spijkers te +halen, met vier man bij het luik de wacht. + +De ander is spoedig terug, en daar gaat het,-- klop-klop-klop, de +eene spijker na den anderen wordt er flink ingedreven.--'T is of het +nooit meer open moet. + +"En nu naar huis," zegt Jonge Kees. + +Daar heerschte pret op Vlieland toen De vrouw Neeltje met zoo'n flinken +prijs aankwam, en er werd dadelijk besloten, dat Jonge Kees en zijne +matrozen het vaartuig naar Amsterdam mochten opbrengen. + +De Admiraliteit van Amsterdam hoorde met wonder veel genoegen het +verslag van het gebeurde aan en gaf Jonge Kees en de zijnen de +Engelsche vischschuit met alles wat er op en in was. De visschers +werden gevangen gehouden.-- + +Vroolijk begaf Jonge Kees zich thans aan boord van The Seal, maar eer +hij nog van den wal gestoken was, kwam Dr. Andries Bicker, lid van +de Admiraliteit, aan de loopplank, en verzocht den jongen stuurman +te spreken. + +Jonge Kees verscheen. + +"Het Collegie der Admiraliteit zendt mij tot u af, om je te vragen of +je niet aan boord van Tromp zou willen dienen. Hij moet een stuurman +hebben!" zeide Bicker. + +De flinke knaap, die ook wel wist, dat het Vaderland bedreigd werd, +had wel lust, doch wilde eerst zijnen vader daartoe verlof vragen. Het +zou in alle gevallen maar voor zoolang zijn als de oorlog duurde. + +Toen Jonge Kees den heer Bicker gezegd had wat hij wilde doen, vond +deze het goed mits hij dan maar spoedig bericht zond; want Tromp was +erg verlegen. + +Niet dan met veel moeite gelukte het hem zijn vader over te halen; +maar toen deze daartoe verlof gaf, was er niemand blijder dan hij. In +plaats van een bericht aan de heeren te sturen ging hij zelf, zoodat +we hem een paar dagen later alweer voor Dr. Bicker zien staan. + +"Het doet ons veel genoegen, Jonge Kees," zeide deze, "dat ge uw +Vaderland dienen wilt ook daar, waar er meer eer dan voordeel te +behalen is. Maar eer zult ge behalen; wij beginnen er nu al mede!"--en +dit zeggende hing hij den blozenden knaap een eerepenning aan een +rood-wit-blauw lint om den hals. + +"Hoezee!" juichte Jonge Kees zonder op de tegenwoordigheid van zoovele +aanzienlijke personages te letten. "Hoezee! Als Huib en de Ammiraal +me zoo terugzien, dan zullen ze net zoo blij zijn als ik ben! Ja, +dat zullen ze! Hoezee!" + +En 't was zooals Jonge Kees gedacht had. De heer Bicker gaf hem eenen +brief voor den Admiraal mede en toen Tromp dien gelezen had, gaf hij +den knaap de hand en zei: "Jonge Kees, het Vaderland verwacht groote +dingen van u! Blijf altijd zoo trouw, eerlijk en moedig, dan zal het +u welgaan!" + +Jonge Kees bloosde van blijdschap en had de handen van Goede vaer +Tromp wel willen kussen. + +Een groot deel der bemanning stond van verre toe te zien wat er toch +gebeurde. De kampanje naderen om te luisteren durfde men evenwel +niet; want de Admiraal was wel goed, maar ook gestreng en dikwijls +had de een of ander, die al te vrijmoedig was, al eens moeten hooren: +"Hoor eens, jongen, al te goed is buurmans gek, hoor!" + +Maar Tromp liet hem los en in een oogenblik was Jonge Kees onder de +matrozen, die hem met allerlei vragen bestormden. + +De knaap stond echter niemand te woord en zag maar naar alle kanten +rond. + +"Wien zoek-je, maat?" vroeg Adriaan. + +Jonge Kees zag den matroos met zijne fijne stem in het vriendelijke, +baardelooze gelaat en zei: "Ik zoek Huib, Huib Maerlant!"-- + +"Die is ziek; maar zelfs de barbier weet niet wat hem deert! Wij +gelooven, dat hij het heimwee heeft," zeide Adriaan. + +"Dan zal ik hem wel beter maken," was het snel gegeven antwoord en +in een omzien was hij beneden en stond voor de hangmat waarin de oude +Huib lusteloos, bleek en vermagerd terneder lag. + +"Dag Huib, dag Huib! Hier ben ik alweer!" riep de knaap. + + + "Eylaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft, + 't Is uyt wanneer de wolf syn tanden over-leeft!" + + +zeide Huib, zonder zich om te keeren. + +"Ben-je wel dwaas, Huib! Jij je tanden al overleefd hebben? Kom, +vent, keer-je om! Kijk eens wie hier voor je staat en zie eens hoe +mooi ik ben!"-- + +Huib keerde zich om, doch nauwelijks had hij Jonge Kees gezien, of +hij riep, terwijl hij beide handen van den knaap tusschen de zijne +drukte: "Jij, Jonge Kees, jij hier? Ja, nou wordt de oude Huib weer +beter! Ik had het heimwee naar je, jongen, en ik en durfde het niemand +zeggen! Maar wat hangt daar op je borst te slingeren?" + +"Nou, kijk maar eens! Je mag wel zien hoe mooi ik ben!" + +"Een eerepenning? Hoe kom-je daaraan?"-- + +De knaap vertelde het, maar onderwijl hij dat deed werd Huib steeds +onrustiger. Hij keerde zich heen en weer en riep eindelijk: "Er uit, +ik moet er uit! Help me dan toch, ik moet er uit!"-- + +Daar stond hij van zwakte te waggelen als eene eend. + +"Jonge Kees, je zal het verder brengen dan ik, dat zal je! De goede +God zegen je, jongen!" riep hij eindelijk en gaf den knaap op elke +wang een kus. + +De zeelui waren de een na den ander naar beneden gekomen, doch Huib +zag het niet. Eindelijk sloeg hij de oogen op en riep: "Ja, Jaantje, +een meisken ben je vast, en jij daar, Gerrit Leinsz, dit is nou +mijn Jonge Kees, en nou de jonge den ouwen weer opzoekt, nou zal +het weer gaan als een lier op een' Zondag! Dit is nou Jonge Kees, +daar ik zooveel van verteld heb; maar alles weet jelui nog niet. Het +mooiste komt achteraan. Ziet jelui die eerepenning op zijn borst +slingeren? Nou die...." + +"Neen, ik en wil niet dat je 't vertelt, Huib!" riep Jonge Kees. + +"Ja, ja, vertellen, vertellen!" klonk het in koor. + +Er was niets aan te doen; Huib zou zijn zin hebben en vertelde nu de +geschiedenis van De Vrouw Neeltje en The Seal in al zijne kleuren. + +"'Ier ei-je m'n knuuste, joengen!" zei de lange Gerrit Leinsz. "Pak +an, je bint mien kameraad ok!" + +"En de mijne, en de mijne!" riepen de anderen. + +Jonge Kees werd letterlijk verdrongen door die ruwe mannen, die met +tranen van geestdrift in de oogen om de vriendschap van den jeugdigen +held vroegen. + +Alleen Adriaan hield zich van achteren en eerst toen Jonge Kees alleen +was, kwam hij naar hem toe en hem de hand biedende zeide hij blozende: +"Wil je mijn vriend ook zijn, zooals je van Huib bent? Ik wil je +voorbeeld volgen!"-- + +"Welja," zei Huib, "dat kunnen we wel doen! De handen in +elkander! Zie zoo, dat is er zes. Zoo sterk als een ketting! Wie kan +die verbreken? Geen mensch; want ik zeg: Houw en trouw in nood en +dood!--En wat zeg jij, jonge Kees?" + +"Houw en trouw in nood en dood!" klonk het ferm. + +"En jij, Jaantje,--neen, ik en wil je niet meer voor den gek +houden; want je hebt verleden met die Roorokken gevochten als een +leeuw;--Adriaan dus, wat zeg-je?" + +"Houw en trouw in nood en dood!" + +De stem was nauwelijks hoorbaar; maar toch was het: "Houw en trouw +in nood en dood!"-- + + + +HOOFDSTUK XI + +Miskend en Erkend. + +Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend +man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar Duins in de hoop daar +Blake te vinden. + +"Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te Duins is?" vroeg Jonge Kees. + +"Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal +hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?"-- + +"Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter +verdienen. 'K heb met die Roorokken meer dan een appeltje te schillen, +hoor!" + +"Daar ligt Duins," zeide Adriaan, "en ik zie de masten van groote +schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!" + +Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet; +want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake uitgeloopen +was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den +Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.--Tromp besloot al vast te kunnen +beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door +stilte en daarna door eenen fellen wind werd hij in zijn voornemen +verhinderd. + +Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp +bevel Blake op te zoeken. Eilacie, 't was te laat om een groot verlies +te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen, +niettegenstaande de oorlogsschepen, die deze vloot moesten beschermen +zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja, +dat kon hij ook, maar dan moest hij dien Blake toch vinden, en ziet, +dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen. + +Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de +Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht, die daarop +volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen +morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten verstrooid; ze had +ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer. + +Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde +schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar het vaderland +terug te keeren. + +Nu was Leiden in nood en Holland in last. + +Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad, +en waarop kwam het uit? Op groote verliezen. + +"'T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals +haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen," zei de een. + +"De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een +wonder mooie valk is!" sprak een tweede. + +"Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig +wol! Omdat het geluk hem bij Duins gediend heeft, dachten alle +luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal +was!" schreeuwde een derde. + +"Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!" meende +een vierde. + +"Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door +zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die kerel zal wel +al lang zijne schaapjes op het droge hebben!" liet een handelaar in +koloniale waren zich hooren. + +De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was +sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen uit de +Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegien verhieven hunne +stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat de Admiraal ter +verantwoording geroepen werd. + +Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor +een keer toch wel eens met een ander beproeven. + +Maar wien zou men nemen? + +De Ruyter? Ja, als dat kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van +een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen den +Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal +verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet kon, dat +kon niet, en men moest een ander zoeken. + +Douwe Aukes dan? + +Douwe Aukes? Wie was dat? + +Wel, hij was op het oogenblik in 't Vaderland om zijn schip, dat +zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een man! Had +hij De Struisvogel in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue, +niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en +de bemanning geworden zijn, als hij,--toen hij van alle zijden door +den vijand werd aangetast en het volk den moed verloor,--niet met +eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had: +"Houdt moed jongens, houdt moed! Als we 't niet meer houden kunnen, +dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten +om niet schandelijk gevangen genomen te worden!"-- + +Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo +onervaren! + +De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de +Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen kon? Hij +was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom +hem niet? + +Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er +was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met eene vloot in de +Middellandsche zee om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen +en de Turken te beschermen. + +Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de +Noordzee. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze +geen moed had! Was er een op de vloot, die durfde wat hij waagde +te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij +vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan beleid +bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een +weinig bedaarder zijn! + +Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar.... + +Nu maar? + +De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem! + +Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeelui +zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het met hem wel +eens beproeven!-- + +Het werd beproefd en 't Kregelige Mennonietje, de man, die geene +vrees kende, die goed en bloed voor 't Vaderland veil had, die, al +had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn +Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne jeugd vervuld: +hij was bevelhebber eener vloot! + +"Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?" zeide op zekeren dag +Adriaan tegen Huib. + +"Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd +hebben!" + +"Hoe bedoel-je dat?" + +"Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten +tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die overwonnen +heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is +er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt Jonge Kees van den +Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!" + +Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen +had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om hun eene +mededeeling te doen. + +"Laat alle man op het dek komen!" beval de kapitein met een gelaat, +dat op eene noordsche bui geleek. "Ik heb u allen wat te zeggen!"-- + +In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide +de kapitein: "Mannen, de Vereenigde Provincien worden thans door oude +vrouwen geregeerd, of een booze geest is in 's Lands Raadzaal gevaren!" + +Doodsche stilte. + +"Onze Goede Vaer Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de +held van Duins, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen +en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan +den onvergetelijken Piet Hein, die milioenen thuis bracht,--die +man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening +geschoven, en,--als het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen +lachen,--men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot +uit elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder +aan te vallen! Maar, al is Goede Vaer in ongenade bij de regeering, +toch niet bij ons! Leve Goede Vaer Tromp!"-- + +Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen +der zee: "Leve Goede Vaer Tromp!"-- + +Weer was er een oogenblik van stilte. + +"Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier +aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!" + +"Geen vloekbeest hier aan boord!" klonk het uit den hoop. + +"Wij jagen hem een kogel door den kop!" riep een ander. + +"Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!" bromde Gerrit Leinsz. "Ik +en wil onder zoo'n ruw stuk vleesch niet dienen!"-- + +"Weg met het Kregelige Mennonietje!" schreeuwde Huib. + +Daar klinken riemslagen. + +De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip. + +"Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt +den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze Jonas en +stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier +een handspaak! Leve Goede Vaer Tromp! Weg met Witte!" zoo klonk het +van alle kanten. + +Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige +schip zonder een voet op het dek gezet te hebben. Het kost hem eene +ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te +geven, en aan boord te springen om de oproerkraaiers geheel alleen +aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden +hem ernstig op het hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat +Tromp verkorven had. En dat wilde, dat wenschte hij! Hij zou eerst +zichzelven overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren. + +In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die +gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker was +dan een held, die steden verovert. + +Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook +Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een held ziet, +die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne +ondernemingen is. + +Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij +dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen was om hem te +bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins +zich met De With te vereenigen. Dit gelukte hem en hierdoor was De +With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den +Engelschman was veel beter ten strijde uitgerust dan de onze. Toch +zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen +beloopen, leden zijne schepen zooveel schade, dat er verscheidene +naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden +blijven. Dit was ook het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip +waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op De Gorcum, +kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van +"Boer Jaap" had. + +Zoo kwam de achtste van Wijnmaand. + +Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij Duins aan te +tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat +de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers bij elkander te +roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den +slag te vereenigen. + +Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De +Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den vijand +onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake, +wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen zou hebben. + +Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde +en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel +anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten +zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel aan het +gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene +lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With te gehoorzamen. De +haat tegen dien man ging zoo ver, dat ze de belangen van het Vaderland +er aan opofferden. + +Midden in het gevecht bevindt zich De Gorcum. Haar grooten mast, +fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt. + +"We zijn verloren! Een ieder redde zich!" roept Boer Jaap en springt +met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en vlucht. + +De Engelschen naderen om het schip te nemen. + +"Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten +nemen!" riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten. + +"Staat, lafhartige kerels!" dondert thans de stem van den opperstuurman +Willem Adriaense Warmont. "Niet voor De With vechten wij, maar voor +de eer van 's Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of +jongens van onzen Goeden Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!"-- + +"Ik zal ik je 'n andje 'elpen," roept Gerrit Leinsz, en zich met +eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept hij: +"Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te +gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, 'oor!"-- + +De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen +wat hij niet meende. + +Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen: +"Dood aan de Roorokken! Leve Goede Vaer Tromp!" + +Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig +gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen moed zoo op, +dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den +vijand verdreven. + +De Gorcum was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar +binnen op veilige reede. [27] + +De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande +gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de kapiteins, +die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten +ze zich nog de woorden hooren toeduwen: "Voor lafaards is nog hout +genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!" + +Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de +vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er voor De With +niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend +terug te trekken. + +Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen, +bestond daarin, dat hij bij de Algemeene Staten eene aanklacht tegen +de weggeloopen kapiteins inzond. + +Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten +veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste +wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With +tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden. + +Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke +verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had zich geschikt naar +de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk +zijne schuld niet, dat het eerste gevecht niet reeds eene overwinning +was geweest; maar ... "wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!-- + +De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal +Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan. + +De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend! + +Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van +vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef hij: "Want +met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene +de minste bekommering; maar dat ik, alles doende ten dienste van het +Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld +ben aan de verdenkingen en de afgunst van kwaadwilligen, en, na alles +wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven +heeft, te hebben aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van +mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het +wat mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!" + +Goede Vaer Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat +hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster tegen +hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn +eigenbelang.-- + +Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder +met het opperbevel belast was en de goede geest, die op dat bericht +zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht. + +"Heb ik het niet gedacht?" riep Huib. "Ze kunnen Goede Vaer niet +missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was het +vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?" + +"Houw en trouw!" was beider antwoord. + + + +HOOFDSTUK XII + +Daar werd gestreden. + +Als bevelhebber van 78 oorlogschepen ging Tromp den eersten van +Wintermaand onder zeil. Tweehonderd koopvaarders hadden zich onder +zijne bescherming gesteld en na verloop van eenige dagen werd het +aantal schepen van oorlog zelfs tot over de honderd gebracht. + +Deze vloot had gerust de "Onoverwinlijke" mogen heeten, als +ze maar niet zoo gebrekkig samengesteld ware geweest, en die +gebrekkige samenstelling weer was een gevolg van het bestaan van vijf +Admiraliteits-collegien, die elkander in vele opzichten dikwijls zeer +vijandig waren. Naijver was er altijd, en inplaats dat die naijver +de leden dier Collegien aansporen zou om door daden met de andere te +wedijveren, bleven ze dikwijls met hunne daden achter, omdat ze zich +in deze of die opzichten verongelijkt gevoelden. Zelfs vreemdelingen +viel dit in het oog. + +Tromp verdeelde zijne vloot in vier smaldeelen. Hij zelf nam het +eerste; het tweede gaf hij aan zijnen stadgenoot Witte Cornelisz. De +With, doch daar deze door ziekte verhinderd was aan den tocht deel te +nemen, liet hij het bevel er van aan Michiel Adriaensz. De Ruyter. Het +derde stelde hij onder de bevelen van den Zeeuwschen Vice-Ammiraal +Jan Evertsen en het vierde vertrouwde hij aan den Schout-bij-Nacht +Pieter Floriszoon toe. + +De geheele vloot bestond thans, daar er nog vele koopvaarders +bijgekomen waren, uit bijna vijfhonderd zeilen. + +Aanvankelijk beloofde deze tocht alweer niet veel goeds; want wind en +regen en nog eens regen en wind noodzaakten Tromp naar de vaderlandsche +kusten weder te keeren. + +Eerst den 9den van de maand kwam de vloot te Dover aan en den 10den +kwam het tot eene ontmoeting met de Engelschen onder Blake. + +Al aanstonds bij den aanvang van het gevecht werd Tromp door twee +groote schepen De Bonaventura en De Rozenkrans aangevallen. Hevig was +het gevecht en het vermoeden is niet zoo heel onwaarschijnlijk, dat +de twee Engelsche kapiteins gezworen hadden, dat ze den Hollandschen +Admiraal levend of dood hunnen bevelhebber zouden aanbieden. Maar, +kon onze Marten de kogels, die, uit een vreeselijk schrootvuur op hem +gericht werden, niet van zich weren, dan zou de vijand toch ervaren, +dat een man als Tromp wel sneuvelen, maar zich niet overgeven kon. + +"Marten, berg-je!" riep eensklaps Huib toen hij zag dat een achttal +musketten op hem gericht waren. + +Tromp boog zich en zes kogels doorboorden den wand van de hut waartegen +hij geleund had. + +"Kinderen, nu moet het ons gelden! Elk doe zijn best!" sprak hij tot +de matrozen en zich even tot Huib wendende, vroeg hij: "Zijt gij niet +mijn oude speelmakker Huib Maerland?" + +"Jawel, Ammiraal!" was Huibs verlegen antwoord; want hij schaamde +zich dat hij van een onbewaakt oogenblik gebruik had gemaakt en Marten +bij zijnen naam had genoemd. + +"Zoo gaat het goed, Huib!" zeide Tromp lachend, doch verwijderde zich +terstond om elders nieuwe bevelen te brengen. + +"Hij kent me nog, die ouwe, trouwe, goeie Marten!" fluisterde Huib +en pinkte een traan van blijdschap weg. + +Daar lag De Rozenkrans tegen het Admiraalschip aan. Het want liep +in elkander. + +"Huib, Huib, dat gaat er van langs!" riep Jonge Kees. "Als er nu +niet spoedig een einde aan komt dan zullen de haaien gauw met mijn +eerepenning zich opschikken! Maar wat ga-je doen? Huib, ben-je +dol? Huib, Huib dan!" + +'T was te laat; Huib hoorde niet meer! + +Met eene vlugheid, die men niet bij den ouden zeerob zou gezocht +hebben, slingert hij zich in het want, klimt in den grooten mast van +De Rozenkrans en.... + +"Hoezee! Hoezee!" klinkt het uit de hoogte. + +Huib scheurt de Engelsche vlag in flarden en laat de stukken met +den opkomenden wind wegwaaien. De Hollandsche vlag wordt er opgezet, +en na nog twee keer "Hoezee! Hoezee!" geroepen te hebben, daalt hij +zoo vlug als eene kat naar beneden en komt ongedeerd aan boord van +zijn schip terug. + +"Huib Maerland, je bent een held!" roept Tromp. Maar Jonge Kees pakt +den ouden matroos beet en omhelst hem, zeggende: "Huib, wat ben ik +blij dat jij mijn vrind bent!" + +"Stil, Jonge Kees, stil! Kijk eens, wie wordt daar weggedragen?" + +"'T is Adriaan, ik zie het! 'T is Adriaan! Ik ga hem even +troosten!" roept Jonge Kees, maar wordt in zijn wensch teleurgesteld, +want niemand mag naar beneden als hij tot de dekmaats behoort. + +Al vinniger en vinniger werd de strijd en ware Jan Evertsen niet juist +van pas te hulp gesneld, dan had Tromp met heel de bemanning zich +moeten doodvechten of... zich gevangen geven!--Neen, niet gevangen +geven, dat deed een man als Tromp niet, dat wilden mannen als Huib +Maerlant en Gerrit Leinsz. niet. + +De laatste had immers nog eene brandende lont en beneden was nog +buskruit! + +"Jae, jae, Jan Evertsen komt Goede Vaer 'elpen! toe mer joengers, +saobelt ze neer, slaet ze dood! Ik eb ik ok nog wat!" roept Gerrit, +maar het geluid van zijn schot gaat onder het gedonder van honderden +vuurmonden geheel verloren. + +Maar al hoort men het schot niet, de kogel treft toch zijn doel. De +groote mast van De Bonaventura stort krakend over boord en in de +blijdschap zijns harten maakt Gerrit eenen luchtsprong en schreeuwt +weer: "Aoist! aoist!"-- + +De vijandelijke schepen wijken en nu Tromp vrijer gezicht over zee +heeft, ziet hij dat Blake weldra den strijd zal opgeven. + +"Houd moed, kinderkens, houd moed! 'T is nog om een kwaad half uur +te doen!" klinkt de stem van Tromp. + +En alsof ze zooeven bij het gevecht zijn gekomen, zoo trekt iedereen +aan het werk. Het voorbeeld van den wakkeren bevelhebber werkt +ongelooflijk; maar dat hartelijke woord: "Kinderkens!" doet nog +veel meer! Het is een tooverwoord, dat den vermoeide zijne krachten +teruggeeft, den lafhartige moed inboezemt, den half stervende nog +het wapen doet hanteeren. + +'T werd avond en het gevecht van dezen dag was beslist, --de Hollanders +hadden overwonnen. + +Toen men geschaft had en weer ijverig aan den gang ging om den +volgenden morgen het gevecht te hervatten, naderde de scheepsbarbier +den Admiraal en fluisterde hem wat in het oor. + +Een oogenblik later liet Tromp zijnen ouden kameraad roepen. + +"Zoo Huib," dus begon hij en stak hem de hand toe, "wat ben ik blij, +dat ik je al weer eens zie! Een heete dag geweest, nietwaar?" + +"Ja, Ammiraal!" + +"Maar je bent er nog niet veel op veranderd, Huib! Ik zou 't je niet +graag nadoen! Je hebt een verdienstelijk werk gedaan en ik zal zorgen, +dat Hunne Hoogmogenden uw heldenfeit te weten komen! Maar zeg eens, +heeft Jonge Kees nog eene zuster?"-- + +"Ik en weet niet, Ammiraal!"-- + +"Zoo; maar ken-je dien Adriaan ook al lang?" + +"Sinds eene maand of zes, Ammiraal! Toen is hij aan boord gekomen en +bracht een hart mede daar staal en vuur in zat!" + +"Je sprak wel eens met hem, is 't niet?" + +"Jawel, Ammiraal!" + +"En nooit iets opgemerkt?" + +"Nee, Ammiraal, en--ja, toch wel wat!" + +"Nu, wat dan?" + +"Dat hij zulk eene fijne stem heeft en geen baard kan krijgen!" + +"Ei-ei!" + +"Ja, en daarom noemden wij hem wel eens uit gekheid: "Jaantje" of +"Adriana"!" + +"Maar als het nu eens werkelijk een meisje was, wat zou je dan zeggen?" + +"Dan zou ik zeggen, dat ik het altijd gedacht heb. Mar, +... Ammiraal! Maar voor een meisje is ze toch heel wat mans en menig +matroos, ja, menig kapitein heeft ze 't in moed, dapperheid en trouw +aan den Lande afgewonnen!"-- + +"Je weet wel, Huib, wat Joost Van den Vondel van Huig De Groots vrouw, +de edele Maria Van Reijgersbergen gezegd heeft: + + + "Een vrou is duizent mannen t' ergh. + "o Eeuwighe Eer van Reygersbergh!" + + +Zoo even is de barbier bij me geweest en deze zei: "De matroos +Adriaan is een meisje! Ze heeft een schrampschot in het rechterbeen +gekregen! Jij als goede vrind van die arme meid moest nu haar +oppasser worden en zorgen, dat er geen mensch van de bemanning achter +komt. Het kind zou zich dan zeker schamen en dat heeft ze aan ons +niet verdiend!"-- + +Huib beloofde dat hij haar oppassen en haar geheim aan niemand +verklappen zou, en het moet tot zijne eer gezegd worden, dat hij het +zelfs voor Jonge Kees verzweeg.-- [28] + +Den volgenden morgen was de vloot weer in slagorde geschaard doch +Blake was naar Duins geweken en bracht zich in veiligheid op de Theems. + +Terstond liet Tromp de onderbevelhebbers en de voornaamste kapiteins +aan boord seinen. + +De eerste, die aan de oproeping gevolg gaf was Michiel Adriaensz. De +Ruyter. + +"Kijk eens, Huib. wat een patertje Goedleven!" zei Jonge Kees. + +"Een echte zeerob! Maar heb ik je 't niet gezegd, dat die De Ruyter +nog eens een man worden zou, die de lust van ons kleine Landje zal +zijn? Hij is al mooi op weg!" sprak Huib. + +"En dat is noe een lans van mien!" zei Gerrit. "Wat 'n patente kerel, +e? 'T is een veint as'n beer!" [29] + +Vriendelijk naar alle kanten groetende trad De Ruyter op Tromp toe. De +kloeke, zwaargebouwde zeeman met de kleur der gezondheid op de bolle +wangen, en met opgeruimdheid, kracht en moed in de donkere oogen, +was op dit oogenbilk vijfenveertig jaar oud. + +"Dag, De Ruyter, hoe maak-je 't?" zei Tromp en stak de hand uit. + +De hand van "Vlissinger Michiel" scheen intusschen wel een soort van +bankschroef te zijn; want Tromp zette een eenigszins pijnlijk gezicht +toen De Ruyter de aangeboden hand met echte zeemansrondheid schudde. + +"Best, best, Ammiraal! Jongen, dat heeft gisteren een warm daagje +gegeven, he? '-- + +"Ja, ik had niet gedacht dat Blake zoo gauw krimp zou geven!" + +"Nou, hij zou misschien zelf wel niet aan 't wandelen gegaan zijn; +maar als een mensch gekwetst is dan.... + +"Zoo, is Blake gekwetst?"-- + +"Hoezee! Hoezee! Hoezee!" klonk het thans daverend uit den mond van +een paar honderd matrozen. + +Het was een lange, magere man, die thans aan boord kwam. + +"Leve de Vice-Ammiraal Jan Evertsen!" riep het volk. + +Met een vriendelijken hoofdknik beantwoordde Evertsen het gejuich. + +"Het volk dankt je voor je kostelijk gedrag, Evertsen! Het dankt u +omdat ge ons leven gered hebt, en ik voeg mijn dank bij den hunnen!" + +"Geen dank, Ammiraal! Ik deed mijne verschuldigde plicht. Gij +zoudt hetzelfde gedaan hebben zoo ik in nood had gezeten! Dag, De +Ruyter! Kerel, je zult nog zoo dik worden, dat je niet meer door de +Rammekenspoort kunt! Sinds lang niet in Vlissingen geweest?"-- + +"Neen, Evertsen, neen, ik heb nu te Amsterdam mijne huisgoden: + + + "Zeven kind'ren en een wijf + Zijn een aardig tijdverdrijf!" + + +"Zoo, De Ruyter, heb-je zeven kinderen?" vroeg Tromp. + +"Wel neen, Ammiraal, dat is zoo maar bij manier van spreken!"-- + +Thans kwam Pieter Florisz. aan boord. + +"Nou maar, als er een schip met dikke lui vaart dan gaat onze goede +vriend Pieter Florisz. ook mee, hoor!" + +"Vindt ge 't, De Ruyter?" zei Florisz. tot den man wien hij die +opmerking lachende hoorde maken.--"Ik wil je anders wel zeggen, dat +een mensch niet zoo heel veel dagen, als gisteren, noodig heeft om +zoo mager te worden als een talhout! Jongens, jongens, wat ging dat er +van langs! 'K geloof dat ik de helft van mijn kruit verschoten heb!"-- + +"Ja, Florisz., wij hebben ons hart als keuningen opgehaald! Maar gaat +mede in de kajuit, daar komen de andere heeren!" sprak Tromp. + +Het was een mooi gezicht zooveel kloeke mannen bij elkander te +zien. Daar had je vooreerst Jan De Liefde en De Haes, twee mannen, +die zich de kaas niet van hunne boterham lieten halen; vervolgens +Bastiaan Centen, Hendrik Jansze Camp, Jan Gideonsz. Verburgh, Jan +Van Hoesen en Lein Pijcke en eindelijk, toen deze kapiteins ook al +binnen gegaan waren, kwamen er nog een stuk of drie, die ook mochten +genoemd worden, namelijk Brandt, Gilles Boone en Michiel Foort. + +De vergadering had plaats genomen en Tromp stond thans op. + +"Mannen, ik heet u allen van harte welkom op dezen scheepsbodem! Gij +hebt gisteren allen getoond, dat het Vaderland op u vertrouwen +kan! En, voor 't heil van den Lande te leven is schoon. De vijand is +thans aan ons kanon ontweken en heeft zich in veiligheid gesteld op +de Theems. Wat zullen wij thans doen om Hunne Hoogmogenden zooveel +redenen tot tevredenheid te geven als ons mogelijk is?" + +"Den vijand uit zijne laatste verschansing jagen!" riep De Ruyter. + +"Dat is eene gevaarlijke onderneming!" sprak Evertsen. + +"Ik dacht dat een echte Vlissinger geen gevaar kent!" merkte Jan Van +Hoesen aan. + +Wij zijn de vloot niet, kapitein!" antwoordde Evertsen kalm. "Al wil +ik mijn leven wagen, daarom is het nog niet gezegd, dat ik er het +welzijn van den Lande mede bevorderen kan! Overigens als het algemeen +gevoelen is dat we de Theems zullen opzeilen, ik zal medegaan en mijn +plicht doen!" + +"Ik houd het er voor dat het wel kan," zeide De Ruyter, "edoch, +daar komt een groote maar bij!" + +"En dat is?"' vroeg Tromp. + +"Wij en hebben geene geschikte loodsen!" was het antwoord. + +"En aan een Roorok zijn bodem te vertrouwen, dat gaat niet! De kerel +zou ons zoo kostelijk omhoog laten zeilen, als je 't ooit gezien +hebt!" meende Pieter Floriszoon. + +Na veel over- en weerpraten werd het voorstel van Tromp in stemming +gebracht. Eene kleine meerderheid besliste om zijn plan ten uitvoer te +leggen, doch toen men in ernst begon te overleggen, hoe de zaak moest +aangelegd worden, kwam het er op uit, dat men eerst maar geschikte +loodsen moest zien te krijgen, en had men die, dan kon men verder zien. + +Later bleek het dat De Ruyter goed geoordeeld had; want loodsen waren +nergens te krijgen. De zaak had dus geen voortgang. + +Gedurende eenige weken bleef Tromp nu op de Engelsche kusten kruisen, +en bracht eindelijk eene vloot van meer dan honderd koopvaarders +door Het Kanaal heen in den Oceaan, waar ze tamelijk veilig hunne +reis konden voortzetten. + +Hij zelf liet te Sint Martin, eene stad op het eiland Re, de schade, +die zijne schepen in het gevecht bekomen hadden, herstellen en ging +niet eer in zee, voor alles weer zoo goed mogelijk in orde was. + +Intusschen hadden zich weer een honderdvijftig rijkgeladen koopvaarders +onder zijne bescherming gesteld, en met deze zeilde Tromp uit met +het voornemen den schat van Oost en West in behouden haven te brengen. + +Maar Olivier Cromwell was de man niet om na de geleden nederlaag met +de handen in den schoot te gaan zitten. Neen, met eene verbazende +snelheid werd er weder eene sterke vloot uitgerust, en daar Blake +nog niet geheel van zijne wonden hersteld was, zoo werd het bevel +voor een gedeelte opgedragen aan George Monk, hoewel Blake altijd +met het opperbevel belast bleef. + +De Engelschen telden zeventig schepen waaronder er waren van de +grootste soort. + +Op de hoogte van Portland stieten de vloten op elkander en dadelijk +besloot Tromp den vijand aan te tasten. + +Onze Admiraal, die met Pieter Florisz. de voorhoede kommandeerde, +viel eerst Blake aan en deed dat door hem eerst van bakboord en daarna +van stuurboord de volle laag te geven. + +"Dat zal er weer spannen, Jonge Kees!" zeide Adriaan, die van zijne +wonden hersteld was en weer dienst deed als gewoon matroos. De Ammiraal +had haar hiertoe de vergunning gegeven tot ze weer in het Vaderland +zouden aangekomen zijn. + +"Ja, Adriaan, dat zal het net!" zei Jonge Kees. + +"Ben-je zoo nu en dan toch niet eens bang, dat je doodgeschoten zult +worden?" vroeg Adriaan weer. + +"Nu, een enkele maal denk ik er wel eens aan en dan wordt het mij raar +om het hart. Maar als ik dan zie hoe Goede Vaer Tromp zich weert, +dan zeg ik tot mij zelven: "Flauwerd, denk-je weer om je moeders +pappot? Pak an, anders gaan ze nog aan 't schijfschieten op je luie +lichaam!" + +"Wat staat gij daar te parlesanzen als ge kloppen moet? Hei daar, +jij met je mooie eerepenning, steek je handen uit je mouw, of...." + +"Ik ga al, stuurman, ik ga al!" antwoordde Jonge Kees. "Maar zeg, +zie-je wel, dat Blake zoo raar doet?" + +"Hij zelf of zijn schip? Wien of wat meen-je?" + +"Het schip, ik en ken hem niet!" + +"Welnu, hij ontwijkt het plekje waar ze zulke pepernoten strooien; +ik denk voor 't naaste dat Gerrit Leinsz. hem weer een schot onder +water gegeven heeft!" + +Andermaal gaf Tromp aan Blake de volle laag en bijna onmiddellijk +daarop klonk het geschreeuw van den konstabel Gerrit: + +"Aoist! aoist! aoist! De baes eit piene in z'n buukje! Kiek 'm is +gek doen!" + +Wend het roer!" kommandeerde thans Tromp. + +De stuurman deed het en richtte den steven naar den Oost-Indievaarder +De Struis, kapitein Adriaen Cruick. Zulk een rijke buit zou den +Engelschman welkom zijn! Met woede wordt hij aangevallen, maar Cruick +geeft leer om leer. + +"Wat henker! is er dan geen mensch, die dien armen vent bijstaat, dan +zullen wij het doen!" zeide Tromp. "Kan je geschut het halen, Gerrit?" + +"Jawel, Ammiraal, 'eel best!" + +"Mooi, geef jij dan die twee Engelschen, die daar dien Oostindievaarder +zoo fel bestoken, eens hun bekomst!" + +"Ze zullen ze 'ebben, Ammiraal!" antwoordde Gerrit, en deed zooals +hij zei. + +Voor den moedigen Cruick was het echter te laat; want hij stierf met +den degen in de vuist en zwichtende voor al te groote overmacht. + +Niet ver van de plaats waar Cruick sneuvelde, lag kapitein Jacob +Cleydyck, omringd door drie groote Engelsche schepen. + +"Ze krijgen me niet levend!" roept hij en verdedigt zich aan alle +kanten. Toch zou hij het eindelijk hebben moeten opgeven, als niet +de Zeeuwsche kapitein Regemorter hem te hulp gesneld was. + +"Daar komen ze, daar komen ze!" juicht hij en smijt zijnen hoed van +het hoofd. "Nou zullen die Koningsmoorders peper eten!" + +Bom!--Bom!-- + +De Engelschman, die het dichtst bij hem ligt, krijgt zijn laatste +schot en zinkt in de diepte. + +"Kapitein, kapitein! wij zinken ook!" roept de stuurman. + +"Dat zie ik wel!" geeft Cleydyck ten antwoord, en met den degen +in de vuist op den anderen Engelschman overspringende, roept hij: +"Hier is de loopplank om bij Regemorter te komen!" + +Zijne manschappen volgen het voorbeeld van den wakkeren man. De +Engelschen kijken verslagen rond en weten niet wat er eigenlijk +gebeurt.--Ook Cleydycks stuurman waagt eindelijk den sprong, en zoo +als hij zijn voet op het vijandelijke dek heeft, zinkt zijn eigen +bodem achter hem. + +Keeds in het begin van het gevecht is Regemorter gestorven, zoodat +Cleydyck niets beters weet te doen dan het bevel van het Zeeuwsche +schip op zich te nemen, en dat bevel is hem zoo goed toevertrouwd, +dat de beide aanvallers op de vlucht slaan. + +Een donderslag, die alles dreunen doet, die de zee doet bruisen en +koken, wordt thans gehoord! + +"Wat is dat?" vraagt Jonge Kees verschrikt. + +"Wat gebeurt er?" vraagt Adriaan terwijl zijne kleur verschiet. + +Huib kent dat vreeselijk geluid zeer goed. Hij hoorde 't voor het +eerst in de Baai van Gibraltar en ofschoon dat reeds zesenveertig +jaar geleden is, toch herinnert hij het zich, alsof het pas gisteren +gebeurd was. Naderhand heeft hij het meer gehoord; maar nooit maakte +het op hem zulk een indruk als toen. + +"Er vliegt een schip in de lucht!" antwoordt hij kalm. + +"Vreeselijk!" zegt Jonge Kees. + +Adriaan zucht en fluistert: ,Heere, wees de zielen van zoovele arme +menschen genadig!"-- + +"Heb-je gezien wie daar in de lucht vloog, Huib?" vraagt Gerrit Leinsz. + +"Neen, weet jij het?" + +"Jawel, 't is Schelte Wiglema! Hij werd door twee Britten erg in het +nauw gebracht!" + +"Dan heeft hij zelf de lont in het buskruit gestoken," zegt Huib. "Hij +heeft het reeds meer dan eens gezegd, dat hij het doen zou! God hebbe +zijne ziel!" + +"En de ziel van zoovele wakkere Friesche borsten!" murmelde Adriaan. + +"Amen!' fluisterde Jonge Kees. + +Hoe meer de zon ten ondergang neeg, hoe meer ook hier en daar het +gevecht gestaakt werd, en toen de avond gevallen was, kwam alles +tot rust. + +Van weerszijden had men de uren van den nacht meer dan noodig om de +geleden schade eenigszins te herstellen. + +Tromp liet De Ruyter en Evertsen aan boord komen om met hen te +overleggen wat er nu diende gedaan te worden. + +"Vochten we alleen voor de eer," zeide Evertsen, "dan zou mijn raad +zijn den strijd voort te zetten. Maar we moeten eene vloot beschermen, +en deze met hare rijke lading behouden binnen te brengen, moet nu +ons hoofddoel zijn!" + +"Ook is onze krijgsvoorraad niet zoo wonder groot meer," merkte De +Ruyter aan. + +"Zoudt gijlieden het dan goedkeuren, als we de koopvaarders insloten +en ons bij eene verdediging bepalende, langzamerhand naar de Maas of +Schelde terugweken?" vroeg Tromp. + +De Ruyter en Evertsen meenden van ja, en hiermede was de zaak, zooals +men meende, beslist. + +Reeds vroeg in den morgen werden alle bevelhebbers aan boord geseind, +en Tromp drukte allen op het hart toch te bedenken, dat ze Nederlanders +waren en eenen eervollen naam droegen. + +Gedurende den nacht was Blake de Hollandsche vloot gevolgd. Die +rijkgeladen koopvaarders waren een te rijken buit om dien zoo maar +te laten glippen. + +Admiraal Tromp schaarde zijne schepen in slagorde en liet ze eene +halve maan vormen. Tusschen de twee hoornen in kwamen de koopvaarders +te liggen. + +Daar kwam Blake aan. Zijn voornemen was dwars door de halve maan +heen te breken, doch tot zesmalen toe werd hij zoo moedig ontvangen, +dat hij het voor de zevende maal niet meer beproefde. + +De bodems van De Ruyter en Florisz. waren bijna reddeloos geschoten; +maar moedig bleven zij onverzwakt standhouden; zij wisten van geen +wijken! + +Den ganschen dag door beproefde de vijand de koopvaarders te +vermeesteren, hetgeen hem slechts met weinigen gelukte, en die nog in +zijne handen kwamen, hadden het aan eigen onvoorzichtigheid te wijten. + +Van alle zijden kwam men Tromp berichten dat er gebrek aan kruit en +lood was. Uit het eenige voorraadschip, dat hij bij zich had, liet +hij uitdeelen zoolang de voorraad strekte; maar alras bleek het, +dat er voor zulk een ontzettend gebrek op verre na niet genoeg was. + +En toch had men den vijand nog steeds in de nabijheid en het was aan +alles te zien, dat Blake de behaalde voordeelen niet prijs zou geven. + +De derde dag kwam. + +Men bevond zich op de hoogte van Bevesier. + +Hier was het dat veertien jaren geleden de machtige Spaansche vloot +door Tromp ontdekt werd, doch zijne kansen waren toen minder hachelijk +dan nu!-- + +De moedige man blikte peinzend over den waterspiegel. + +"Veertien jaren geleden reeds," mompelde hij. "Wat de vloot toen +gebrekkig samengesteld was!--Wat is zij nu? Hebben de Staten-Generaal +naar mijnen raad gehandeld? Ten deele; maar er ontbreekt nog zooveel.-- +De Engelsche vloot is een, en wij?--"Eendraght maeckt maght," wanneer +zal dat daar ginds begrepen worden?" + +Nog lang bleef Tromp peinzend voor zich staren, doch eindelijk +ontwaakte het oude heldenvuur. + +"De wind is even als gisteren in het voordeel van den vijand," bromde +hij; doch de prediker, die bij hem aan boord was, deze uitdrukking +gehoord hebbende, trad hem stoutweg op zijde en sprak: "Heer Ammiraal, +er staat geschreven: "En sijt nyet besorgd tegen den morgen; want +de morgen zal voor het zijne zorgen: elcke dagh heeft genoegh aen +zijnszelfs quaed "-- + +"Ge hebt gelijk," antwoordde Tromp. "Dat de manschap op het dek kome +en bidden wij!" + +Met eerbiedige aandacht werd het gebed gevolgd en het scheen ieder toe, +alsof er kracht in hunne matgestreden ledematen gekomen was. + +Te negen ure in den morgen greep Blake de Hollanders aan. + +Mannelijke tegenweer werd van alle kanten geboden, totdat enkelen, +die volstrekt geen kruit of lood meer hadden den moed verloren en +met volle zeilen op de vlucht wilden slaan. Tromp zag dat en sloot +de vluchtelingen in. + +Met nog geen dertig schepen moest hij thans den vijand wederstaan +en hij, De Ruyter, Evertsen, Floriszoon en anderen kweten zich zoo +wakker van die moeielijke taak, dat twee uren voor zonsondergang de +vijand het vervolgen staakte en afhield. + +'T was meer dan tijd; want geen half uur hadden de Hollanders den +strijd kunnen volhouden. Ze konden hunne kanonnen toch met geen moed +laden! En kruit was er niet meer. + +Tromp rustte een weinig uit toen hij den predikant andermaal voor +zich verschijnen zag. + +"En sijt nyet besorgd voor den dagh van morgen!" sprak hij. + +"De Voorzienigheid heeft de oogen des vijands met blindheid geslagen, +domine," zeide Tromp. "Een halfuur langer en..." + +"De Heere kent zijnen tijd!" sprak de ander. + +Een oogenblik later stonden de ruwe matrozen in eerbiedige houding +het dankgebed na te prevelen, dat de domine uitsprak. + +En aan wien was nu de eer der overwinning? + +Aan de Engelschen. + +Omdat Blake zwaargebouwde schepen onder zijn bevel had, waagde hij +zich niet te dicht bij de Vlaamsche kusten waarheen Tromp vechtende +geweken was. Dat was de oorzaak dat hij afhield. + +Maar was Blake de overwinnaar, Tromp was de roemrijk overwonnene en +zelfs een Engelsch schrijver zegt: "De overwinnaar Blake heeft geen +grooter roem behaald-dan Tromp, die de overwonnene was!" + +Dat deze driedaagsche zeeslag ons op groote verliezen te staankwam, +spreekt vanzelf. Vijf onzer oorlogsschepen werden vernield en vier +werden door den vijand genomen. De koopvaardijvloot werd van vier en +twintig bodems beroofd en menig wakker held verloor het leven. + +Thans waren de Staten-Generaal overtuigd, dat bijna allen van den +Luitenant-Admiraal af tot den minsten bevelhebber toe gedaan hadden wat +zij konden. De belooningen bleven dan ook niet achter. Tromp, Evertsen, +De Ruyter en Florisz. kregen gouden kettingen met eerepenningen, en de +mindere bevelhebbers ontvingen mede een blijk van tevredenheid. De +moedige opperstuurman van de De Gorcum Willem Adriaense Warmont +werd tot kapitein en Gerrit Leinsz., de kordate Smeerdieker, tot +luitenant bevorderd. En onze Huib ontving op zekeren dag namens de +Admiraliteit van de Maze eene belooning van vijfhonderd gulden voor +zijn manmoedig gedrag bij het wegnemen der Engelsche en het vasthechten +der Nederlandsche vlag. + + + +HOOFDSTUK XIII + +Van Maassluis naar Livorno. + +De Bloeimaand was in 't land en strooide geur en kleur langs veld en +wegen. Zelfs de stad droeg de kleuren van den Mei waar hier en daar +een potje met voorjaarsbloemen voor de ramen stond. + +Maar blind voor al dat heerlijke en schoone der natuur en doof voor +het gezang der vogelen, die op den boomtak en in de lucht hunne +voorjaarsliedjes deden weergalmen, was de man die daar langs den toen +nog weinig bewoonden weg van Schiedam naar Maassluis liep. + +Nu en dan rammelde hij met gerande zilverstukken of stond stil om er +enkelen, die hij uit den zak haalde, te bekijken. + +"Was ik nu nog een twintig jaren jonger, dan wist ik wel wat +ik deed. Maar nu, oud en ongeleerd, nergens goed voor dan voor +matroos! Ver gebracht, Huib Maerlant, ver gebracht. Ze draven +je allemaal voorbij. Warmont wordt kapitein en Leinsz. luitenant; +Jonge Kees krijgt een eerepenning en ik... ik... ik krijg vijfhonderd +guldens. Eene mooie som als ik maar wist wat ik er mee doen moest!-- + +Maar, halt, wat ik er mee doen moet, dat weet ik toch! +Waarom ga ik naar Maassluis?"-- + + + "Wat zongh het vrolyck vogheleyn + Dat in den boomgaert zat? + Hoe heerlyck blinckt de zonneschyn + Van ryckdom en van schat!" + + +klonk het op een flinken toon een heel eind voor hem uit. + +Huib Maerlant hoorde het niet en liep mijmerend voort. + + + "Hoe ruischt de koelte in 't eickenhout, + En versch gesproten lof! + Hoe straelt de boterbloem als gout! + Wat heeft de wiltzangh stof! + + +Huib hoorde wat van "eickenhout, boterbloem en gout," en begon het +een met het ander in verband te brengen; maar het gezang hoorde hij +echter nog niet goed, hoewel het steeds nader kwam. + + + "Wat is een dier zyn vryheid waert! + Wat mist het aan zyn wensch; + Terwyl de vreck zyn potgelt spaert! + O slaef! O, arme mensch!" + + +"Nu nog mooier! Nu ik "potgelt" heb,zou ik een "vreck" zijn. Neen, +ik en ben geen "vreck", ik en wil geen "vreck" zijn ook!" + +Het gezang klonk nu heel dichtbij. + + + "Waar groeien eicken 't Amsterdam? + O kommerziecke Beurs, + Daar noit genoeghen binnen quam! + Wat mist die plaets al geurs! + Wy voghels vlieghen warm gedost + Gerust van tack tot tack. + De hemel schaft ons dranck en kost, + De hemel is ons dack. + + Wy zaeien noch....." + + +Het gezang houdt ineens op en een stoere varensgezel van ongeveer +zeventien jaar snelt op den eenzamen wandelaar toe en roept: "Huib, +Huib, waar jij heen?" + +Huib kijkt op en ... "Bijlo, kwajongen, je laat me schrikken. Waar +kom-je vandaan, Jonge Kees?" + +"Wel, ik ben eens even naar Vlieland geweest en op zee ben ik +overgestapt op eene visschersschuit van Maassluis! En waar gaat +gij heen?" + +"Ik ga naar Maassluis!" + +"Naar Maassluis? En dan?" + +"Naar Rotterdam!" + +"En dan?" + +"Aan boord!" + +"Dan ga ik met je mee! Dat treft! Ik en had niet gedacht dat ik zulk +schoon gezelschap hebben zou!" + +"Jawel, maar kan-je hier niet blijven wachten tot ik terug ben?" + +"Zeker kan ik dat; maar dat en doe ik liever niet! Goed gezelschap +maakt korte mijlen, Huib!" + +"Nou, ga dan maar mee! Je mag ook wel weten wat ik doe!" + +"Je maakt me nieuwsgierig, Huib!" + +"Dat kan wel zijn; maar ik en zeg toch nu nog niet wat ik daar ginds +ga uitvoeren!" + +"Mij goed, ik kan wel zoo lang wachten!" + +Gedurende een vijf minuten liepen onze twee bekenden langs den weg +zonder een woord te spreken. Dat begon Jonge Kees te vervelen en in +de hoop, dat hij zijn makker wat opvroolijken zou, zette hij Joost +Van den Vondels keurigen Wilt-zangh voort. + + + "Wy zaeien noch wy maeien niet: + Wy teeren op den boer. + Als 't koren in zijn airen schiet + Bestelt al 't land ons voer. + Wy minnen zonder haet of nyt. + En danssen om de bruit: + Ons bruiloft bint zich aan geen tydt, + Zy duurt ons leven uit!" + + +"Ben-je al getrouwd, Jonge Kees?" vraagt Huib eensklaps. + +Een luide schaterlach, die de vogels opjaagt en de kikvorschen van +schrik in de sloot doet springen, klinkt langs den weg. + +"Nou, ik en zie niet in waarom jij daar zoo om lachen moet!" + +"Ik wel," zei Jonge Kees, "ik wel! Ik ben pas drie weken van boord +en nog geen zeventien jaar oud! Is dat niet om te lachen?" + +"'T is waar ook, Jonge Kees, 't is waar ook.--Maar zeg, weet-je wat +ik van de Ammiraliteit van de Maze gekregen heb voor het neerhalen +van de Engelsche vlag?" + +"Neen! Een toebacks-doos?" + +"Ik en drink geen toeback! Neen, vijfhonderd gulden!" + +"Vijfhonderd gulden? Maar, Huib, dan ben-je een rijk man! En wat zal +je er mee doen?" + +"Die breng ik naar Maassluis bij eene goede vriendin van me om ze +voor me te bewaren!" + +"Bij eene goede vriendin! Huib, Huib! Vroeg-je daarom of ik getrouwd +was? Zoo'n oude paai! Hij is bang dat ik hem zijne vriendin onder de +hand ontfutselen zal! Huib! Huib!" + +Op deze wijze werd het gesprek voortgezet tot ze te Maassluis kwamen +en daar een eenvoudig huisje binnentraden. + +"Goeden morgen, vrouw Lanoy! Is je dochter thuis?" + +"Ik en weet niet, ik, mannen, mijne dochter.. maar.." + +De dochter had evenwel de stem van Huib gehoord en kwam uit het +schuurtje, dat bij de achterdeur was, in haar werkpak te voorschijn. + +"Dag Huib! dag Jonge Kees!" zei ze. + +"Dag Adriana!" sprak Huib en Jonge Kees bromde dien naam na, doch stond +heel vreemd op te kijken, dat een meisje, dat hij, zoover hij wist, +nooit gezien had, zijnen naam kende. Toch kwamen die gelaatstrekken +hem wel bekend voor, maar ... + +"Komt binnen, komt binnen! je treft het, moeder heeft net de koffie +gezet!" + +Die stem kwam Jonge Kees ook bekend voor. Maar waar kon hij die +Adriana gehoord of gezien hebben? + +"Nou, even willen wij wel binnen komen; maar ik en heb niet veel tijd +en deze jonge borst ook niet. Wij moeten vanavond nog te Rotterdam +zijn, zie-je!" + +"Kom, kom, een bakje troost nemen, daarvoor is er toch tijd genoeg +zou ik meenen! Maar ik en wist niet dat je me zoo gauw zou komen +opzoeken! Er is toch geene zwarigheid, wel?" + +"Nou, zwarigheid neen en ja! Mijne zakken zitten tot berstens toe vol +met guldens, die ik gekregen heb voor het afhalen van de Engelsche +vlag. En daar ik zonder maagschap ben en niet en weet waar ik dat +geld veilig zal laten, zoo kom ik vragen of ik het jou geven mag. Ik +en heb het niet noodig!" + +"Welzeker, we willen het dolgeern voor je bewaren, nietwaar moeder?" + +"Ja, ja, kind, dat willen we! Daar boven in dat kastje in eene kous +of in die oude pulle daar op het kabinet!" + +"Bewaren?" roept Huib, "neen, dat meen ik niet! Ik geef het jelui om +het te gebruiken!" + +"Jaantje, is dat die Huib Maerlant, die je aan boord zoo goed opgepast +heeft, toen je dat schampschot aan je been gekregen hadt?" + +Jonge Kees sprong op! Thans wist hij wie dat meisje was en naar het +blozende Jaantje, die haar geheim door hare moeder zoo eensklaps +verraden zag, gaande, sprak de flinke knaap: "Oude makker, nou ken ik +je! Nou weet ik wie je ben! Moeder Lanoy, je dochter is eene heldin!" + +"Ja, jongen, daaraf heeft ze ook mooie brieven! Jaantje, kind, haal +die pampieren ereis!" + +"Welke brieven zijn dat?" vroeg Huib. + +"Och, het zijn maar brieven vanwege de Ammiraliteit van de Maze!" + +"Ja mannen, en ze wordt daarin wat geprezen! o, Ze zijn zoo mooi! Als +ik de leeskonst machtig was, dan las ik die brieven driemaal per +dag! Toe dan, kind, haal ze eens!" + +Jaantje voldeed aan het verlangen harer moeder en reikte ze Huib en +Jonge Kees over, die beide hun best deden om dat geschreven schrift +met slingertjes, slangetjes en krulletters te lezen. + +Een paar uren brachten Huib en Jonge Kees in de woning van de weduwe +en dochter door, en verlieten haar na eenen stevigen maaltijd, en na +de belofte gedaan te hebben gauw terug te komen. + +De vijfhonderd gulden bleven bij haar in bewaring. De moeder had ze +in eene kous en in de ledige pulle geborgen. + +"En nou vraag ik je nog eens, Jonge Kees, of je getrouwd bent, ja +ofte neen!" zei Huib toen Maassluis achter hem lag. + +"Ik heb immers straks al gezegd van neen, wat maal je toch?" + +"Nou, als je dan eens trek krijgt om aan den wal een vrouwtje te +vinden bij je thuiskomst, dan weet ik er een voor je, hoor! En laat +me nou eens samen met je zingen. Als je wil dat liedeken van zoo even. + + + "Wat zongh het vrolyck voghelkyn, + Dat in den boomgaert zat?" + + +Hun vroolijk gezang klonk in den lieven Meiavond wijd in het rond en +ze waren te Vlaardingen eer ze er aan dachten. + +"We willen hier eens even ankeren en een glaasje drinken op Jaantje +Lanoy, het matroosje! Vind-je 't goed, Jonge Kees?" + +Deze maakte geene tegenwerpingen en weldra traden ze eene herberg +bij het hoofd binnen. + +Er was zooeven eene sloep met zeevolk aangekomen, dat hier ook binnen +gegaan was. Bovendien waren er nog al enkele burgers ook, zoodat er +heel wat drokte en beweging heerschten. + +"Stilte!" klonk op eens eene stem als eene klok en iedereen zweeg. + +"Wat er onlangs in de Noordzee gebeurd is, dat weet gij allen! Wij +waren er trotsch op toen we dit vernamen! Maar niet alleen hier in +de buurt hebben we 't met de Engelschen te kwaad!. Wij komen uit de +Middellandsche zee en brengen nieuws mede!" + +"Vertel, vertel!" klonk het van alle kanten. + +"Het is er een van de vloot van Jan Van Galen!" fluisterde Huib. "Ik +ken hem wel!" + +"Heb-je wel eens gehoord van Jan Van Galen, mannen?" dus begon de +verteller. + +"Van Van Galen gehoord, wie zou dat niet? Maar weet je dat hij +gestorven is aan eene wonde, die hij in een gevecht tegen de Roorokken +ontving? Dat en weet gij niet! Maar luistert wat er gebeurd is. + +Nadat de moedige Kommandeur reeds verscheidene malen met roem +en voordeel tegen de Duinkerker kapers en de Turksche zeeroovers +gestreden had, vielen de oogen van Hunne Hoogmogenden op hem, als op +een geschikt man om onze koopvaardijvloot in de Middellandsche zee +tegen de Engelschen en Turken te verdedigen. Nu, dat bevel was hem wel +toevertrouwd; hij was een leerling van onzen roemruchten Tromp. Reeds +voor het uitbreken van den oorlog hadden de onzen eene vloot in +de Middellandsche zee. Ze stond onder het bevel van den Kommandeur +Joris Catz, doch toen de Engelschen hunne macht daar versterkten, +werd het noodzakelijk dat wij het ook deden. + +Ten vorigen jare togen wij er heen en we behoeven er geen doekjes +om te winden, wij waren grootsch op onzen Kommandeur. Hij zelf trok, +om er gauw te zijn, over land naar Livorno en was er dus wel wat eer +dan wij, al waren wij ook vroeger vertrokken. + +Onze vloot was, behalve de branders, veertien schepen sterk en toen +Van Galen te Livorno aankwam, zag hij dat zes kloeke Engelsche schepen +in de haven lagen. Deze stonden onder bevel van Appleton en nauwelijks +waren wij aangekomen, of Van Galen besloot dien Engelschman eens zoo +netjes op te sluiten als je 't ooit gezien hadt. + +Als jelui 't niet weet, dan wil ik je wel zeggen, dat Livorno eene +handelsstad is in het groothertogdom Toscane, en nu was de Groothertog +volstrekt niet in zijn schik, dat Appleton maar in, en Van Galen maar +voor de haven bleef liggen; want daardoor stond de handel geheel en +al stil. + +Toen dat een poosje geduurd had, vernam de Kommandant dat Bodley +met eenige oorlogsschepen en gewapende koopvaarders uit De Levant +kwam. Hierop gaf hij het bevel over eenige schepen, die voor de haven +lagen aan kapitein Van Salingen en zeilde zelf den Kommandeur Bodley +te gemoet. Hij ontmoette hem dicht bij Elba en viel hem zoo krachtig +aan, dat Bodley na een dapperen tegenstand de wijk nam naar Elba. Hier +hield Van Galen hem tot aan het begin van Sprokkelmaand ingesloten. Dat +verveelde hem en daarom zette hij koers naar Livorno in de hoop dat +de Engelschen hem zouden volgen. Dit gebeurde ook; want Bodley meende +zijn kans nu schoon te zien om ons tusschen twee vuren te brengen. + +Dit had Appleton gezien en verliet de haven van Livorno, maar Van +Galen viel hem zoo onverwachts en hevig aan, dat die mooie oom met +verlies van twee schepen op de vlucht ging. Thans wendden wij den +steven en zeilden regelrecht op Bodley aan. Deze was echter op een +fellen tegenstand voorbereid en ontving ons met de volle laag. + +"Vooruit ligt de weg der victorie!" riep Van Galen en sloeg zich +door twee schepen heen. Kapitein De Boer veroverde De Luipaard, +het grootste schip, dat Bodley onder zijn bevel had. + +"Houdt je goed, mannen, houdt je goed!" klonk de stem van den +Kommandeur alweder, doch nauwelijks had hij dit geroepen of hij kreeg +eene wond aan den voet. Wij dachten, dat het erger was en schaarden +ons om hem heen, doch hij hinkte naar den grooten mast en riep: +"Wat sammelt gij om eene kleine wonde! Op, op! Het is schoon voor +het Vaderland te sterven te midden der overwinning!" + +De wakkere man had gelijk; het werd eene overwinning, doch eer +het zoover was, moest hij in de kajuit gedragen worden waar hem +het been werd afgezet! En wat denkt gij, mannen van Vlaardingen, +dat Van Galen deed? Schreeuwen en gillen van pijn en smart? Neen, +geen enkele klaagtoon kwam over zijne lippen en toen de pijnlijke +bewerking geeindigd was eischte hij een glas wijn, dronk het uit en het +glas op den grond smijtende riep hij: "De Engelsche koningsmoorders +moeten toch alles betalen!" Eenige dagen later stierf hij aan eene +wondkoorts in de haven van Livorno waar de Groothertog hem met vele +bewijzen van hoogachting ontvangen had!--He, wat zeg-je? Heeft de +Kommandeur zich wel gekweten ja, ofte neen!" + +Een onstuimig geschreeuw van bijval vervulde de kleine ruimte. + +"Ja, nu schreeuwt gijlieden allen dat het zoo mooi is! Maar denkt er +eens aan wat Van Galen gezegd heeft: "De Engelsche koningsmoorders +moeten toch alles betalen!"-- En weet je wat wij hen nog niet betaald +gezet hebben? Zijn dood! Mannen van Vlaardingen, nog is de oorlog +met Engeland niet geeindigd, toont dan dat ge den heldendood van een +moedig man te wreken hebt!" + +Hier zweeg de matroos, en daar het op een groot leven en geschreeuw +uitliep, zoo verlieten Huib en Jonge Kees de herberg en begaven zich +verder op weg. Eerst laat in den avond kwamen ze te Rotterdam aan. + + + +HOOFDSTUK XIV + +Wie niet hooren wil moet voelen. + +"Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk naar zee?" vroeg Huib den +volgenden morgen aan Leinsz., die, al was hij luitenant geworden, +toch niet te trotsch was om met zijne makkers van eenigen tijd geleden +vertrouwelijk om te gaan.-- "Zoo, zoo, gaan we weer maar dadelijk +naar zee!" + +"Ja, man, daar en is niemendal aan te doen. De Heeren willen het zoo!" + +"Maar willen ze dan niet meer zien? Hoe kan onze vloot nu zee +bouwen? Ziedaar ons schip! Hoe ziet het er uit! Eene modderschouw is er +een paleis bij, en dat is nu het Ammiraalschip! 'T is schande! Het en +is geen wonder, dat wij zeevolk te kort komen! Wie wil er ook dienen op +eene vloot, die uit doornagelde turfschuiten en verteerde vischsloepen +bestaat! Dat onze Tromp er niets-van zegt, dat en begrijp ik niet!" + +"Tromp er niets van zeggen!" sprak luitenant Leinsz. "Man, man, +heb-je dan ook je ooren in je wambuis en je oogen in je hozen zitten +even als Hunne Hoogmogenden?" + +"Sst, sst, de wanden hebben soms ooren en je verrader slaapt niet!" + +"Mijnenthalve mogen ze mijne woorden overbrengen waar ze willen. Ik +zeg, dat het schande is zooals de belangen van den Lande verwaarloosd +worden. Geld verzamelen, goud op hoopen brengen, een leven leiden als +een Spaansche Don in zijn suikerveld, dat kunnen ze! Geld uitgeven +voor allerlei snorrepijperijen om hunne huizen en woonvertrekken te +versieren en op te schikken, dat kunnen ze; maar als er eenige weinige +penningen van dien goudhoop gevraagd worden om hiermede het welzijn +der Vereenigde Provincien te bevorderen, dan blijven de koorden der +beurs gesloten en moeten ze er eerst eens ampel en breedvoerig over +spreken. Maar inmiddels verloopt de tijd met babbelen en beraadslagen +en de toestand der vloot blijft dezelfde!" + +"Er is veel van aan, geloof ik!" mompelde Huib. + +"Veel van aan? Veel van aan? Neen, alles is er van aan! Zoodra onze +Ammiraal den laatsten keer in het land terug kwam, heeft hij om betere +en grootere schepen gevraagd!" + +"Zoo, heeft hij dat?" + +"Ja, dat heeft hij. Hij heeft hen alles uiteen gedaan hoe het op de +Engelsche vloot was, kortom, hij heeft gesproken zooals we van onzen +Ammiraal verwachten kunnen! En wat was het antwoord?" + +"Ik en weet het niet!" + +"We zullen eens zien!" zeide een en met dat: "Wij zullen eens +zien!" werd Tromp afgescheept, alsof het een Poolsche jood of Polak +was, die wat stond te zwetsen van pillen voor den dood!" + +"En is de Ammiraal al aan boord?" + +"Ja, hij is in de kajuit! Maar stil, daar komt jou Kregel Mennonietje +aan. 'T is toch een vent, die Witte! + +Jammer, eeuwig jammer, dat hij zoo 'n bullebak is!" + +"Hei daar, luie slampampers, waar is je Ammiraal?" vroeg Witte zoodra +hij een voet op het dek zette en onze twee mannen in het oog kreeg. + +"'K zal hem gaan roepen, Ammiraal! Hij is in de kajuit!" + +"Hoeft niet, 'k zal hem zelf wel vinden!" was het norsche +antwoord. Tromp had hem echter aan zien komen en trad hem te gemoet. + +"Dag de With!" + +"Dag Tromp! Een mooie boel, he?" + +"Ja, 't is erg!" + +"En moet dat nou jou Ammiraalschip heeten? Kerel, laat me eens +uitvloeken, 'k heb er behoefte aan, 't is schande! 'T is schande!" + +"Ja De With! het kon wel beter zijn!" sprak Tromp bedaard. + +Maar Witte bleef niet bedaard. Hij smeet zijn hoed over het dek, +stampte met zijnen degen, alsof hij door de planken heen wilde, en zei: +"Kon-het-wel-beter-zijn? Nederige Tromp, tevreden Ammiraal, kon het +wel beter zijn? Eene klomp met drie zwavelstokskens lijkt meer op +een Ammiraalschip dan deze oude kast, die zoo doornageld is als een +plankje van de grootte mijner hand met honderd spijkergaten! Weet-je, +dat ik me bij de Heeren beklaagd heb?" + +"Jawel, en ik heb het ook gedaan!" + +"Ei, en zeker ook zoo'n alles afdoend antwoord, nietwaar? Ze zullen +ver komen, die luiden met hun hoogeschool-wijsheid, ze zullen ver +komen! Maar weet je wat ik zeg? Wie niet hooren wil moet voelen! En +voor het overige, ik heb me als kwajongen laten doopen om te kunnen +vechten, het komt er voor mij zoo precies niet op aan! Herinner je +jezelven dien tijd nog wel eens, Marten?" + +"Ja, nog dikwijls Witte, nog dikwijls!" + +"Wie had dat ooit gedacht, dat wij het zoo ver brengen zouden! Ik denk +nog dikwijls aan een van jou goede kameraads, die met jou gelijk naar +zee ging! Hoe heette hij ook? Wacht, ik weet het,--Huib Maerlant heette +hij. Toen ik hem vertelde dat ik, als ik naar zee ging, Ammiraal zou +moeten worden, schold hij mij uit en zei: ,Je wordt pluimgraaf op het +schip waarop ik kapitein ben! Je bent nog al lang met hem in kennis +geweest, weet-je ook wat er van hem geworden is?" + +"Jawel, Witte! Daar staat hij!" sprak Tromp en wees op den ouden +matroos, die nog altijd bij Leinsz. stond. + +In een paar stappen was Witte bij hem, tikte hem op den schouder en +zei: "Dag Huib Maerlant!" + +"Dag, heer Ammiraal!" antwoordde Huib ontroerd. + +"Nou, waarom zeg je nu niet als voor een goede veertig jaar: "Leelijk +Kregel Mennonietje?" + +Huib zweeg. + +"Jawel, nou denk je zeker dat ik je dat inpeperen +zal! Maar... maar... Tromp, kom eens hier! Is dit dezelfde Huib +Maerlant, die in het laatste gevecht zoo netjes de Engelsche vlag +naar beneden wist te halen?" + +"Dezelfde, Witte!" + +"Een poot, ouwe jongen! Voor jou heb ik respect, al heb je 't niet ver +gebracht! 'T geluk zal je wel niet gediend hebben, zooals ons! Maar +zeg, heb je geen lust om bij mij aan boord te komen? Ik zal je vooruit +schoppen, dat je met je oude beenen jezelven niet bijhouden kunt!" + +"Ik wilde liever hier aan boord blijven, heer Ammiraal!" + +"Nou goed, goed! Als je wilt, dan kan je komen! Dag Huib!" + +Witte verwijderde zich en na nog een en ander met Tromp afgesproken +te hebben ging hij van boord, in 't voorbijgaan tot Huib roepende: +"Als je soms nog kippenvoer mocht noodig hebben, dan weet je waar +mijne oude lui wonen! Gegroet!" + +Denzelfden dag reeds vertrok Tromp om de vloot, die 98 schepen sterk +was te verzamelen. Het getal schepen was dus groot genoeg; maar de +grootte, de bemanning, de wapening en de geschikte geest lieten veel +te wenschen over. Alras zag men dat het weer mis zou loopen. + +In Duins was niets te doen dan alleen een drietal koopvaarders prijs +te verklaren. De Engelsche vloot was onder bevel van George Monk en +Richard Deane naar onze kust vertrokken. + +Tromp besloot haar op te zoeken en ontdekte haar den 15den van +Zomermaand op de hoogte van Nieuwpoort. Hij verdeelde zijne vloot in +vijf smaldeelen en wachtte de Engelsche vloot moedig af. Den geheelen +dag werd er zoowel door de Nederlanders als door de Engelschen met +ongeevenaarden moed gevochten.--Ook nu kwam het weer duidelijk uit, +dat vele kapiteins van onze vloot niet voor hunne taak berekend waren, +en weldra kwam er zooveel verwarring, dat het voordeel geheel aan de +zijde der Engelschen was. + +Den volgenden dag werd de strijd hervat. + +"Ziet ge dat groote schip daar, jongens? Dat is de bodem van den +Vice-Ammiraal William Penn! Voorwaarts kinderen, houdt moed! Voor +ons dat schip!" + +De aanval was woedend, de ontvangst moorddadig! + +Vijfmaal gaf Tromp het de volle laag, klampte hem eindelijk aan boord +en nam zijn bovenschip in. Doch William Penn was bij het Engelsehe +zeevolk geliefd en dertien schepen snelden toe om hem te helpen. + +Maar Goede Vaer Tromp werd door het Hollandsche zee volk als een +vader vereerd. + +"Mannen, Goede Vaer Tromp krijgt het te kwaad, helpt hem! Vooruit, +vooruit!" schreeuwde Witte. Ook De Ruyter, die gezien had, dat de +Ammiraal het onmogelijk langer volhouden kon, snelde hem te hulp. + +'T was meer dan tijd, dat hij ontzet werd, want de Engelsehen waren +hem bijna meester. + +Met zijn bijkans ontredderd schip voegt Tromp zich weer bij de vloot. + +De Engelschen volgen hem en dringen al verder en verder door. Men +vecht met leeuwenmoed, maar niets baat. De gansche vloot is verloren +als men den strijd nog langer voortzet. Het sein tot den aftocht wordt +gegeven. De Engelschen hebben eene schitterende overwinning behaald! + +De Vereenigde Provincien verschrikken op dit vreeselijke bericht! + +Wat te doen? + +Wat te doen? Eenige dagen later begeven zich drie bevelhebbers ter +zee langs het Buitenhof te 's-Gravenhage naar de zaal waar Hunne +Hoogmogenden vergaderd zijn. + +'T is de Luitenant Admiraal Tromp met twee zijner onderbevelhebbers, +Michiel de Ruyter en De With. + +Ze worden ter vergadering binnengeleid en beleefd ontvangen. + +De Luitenant-Admiraal is het eerst aan het woord. + +In scherpe trekken schetst hij den toestand der vloot en eindigt met +te zeggen: "Meer dan vijftig schepen bevinden zich bij de Engelsche +vloot, die beter zijn dan het beste schip der Vereenigde Provincien!" + +Men houdt van dit verslag getrouw aanteekening. + +Thans staat De With op en na de woorden van Tromp bevestigd te hebben, +zegt hij: "Wat helpt het dat ik zwijg; ik ben voor mijne Opperheeren; +ik mag en moet het zeggen, de Engelschen zijn meester van de zee, +maar ze zijn ook meester van ons!" + +Nu is de beurt aan De Ruyter. + +"Ik en wil niet veel woorden verspillen," zegt deze. "Wat de heeren +Tromp en De With gezegd hebben is waar, ja, ze hebben nog niet alles +gezegd! Maar ik zeg u, ik en verkies niet meer in zee te steken als +de toestand niet verandert. De Heeren moeten nu maar weten wat zij +doen! Wie niet hooren wil moet voelen!" + + + +HOOFDSTUK XV + +Hoe men vrede kreeg. + +Eindelijk werden Hunne Hoogmogenden wijs genoeg om in te zien, dat +het zoo niet langer kon, en ze besloten handen aan het werk te slaan +en vooral trachtten ze de vloot van grootere schepen te voorzien. Het +handgeld en de soldij werden mede verhoogd en de ongelukkige uitslag +van de laatste twee zeegevechten had bij oud en jong de geestdrift +van een vrij volk, dat zich bedreigd ziet, doen ontwaken. + +Overal heerschte leven en beweging. + +"Naar zee!" klonk het hier. "Naar zee!" klonk het daar. "Naar +zee!" klonk het overal. + +Het was of de dagen van Duins weer teruggekeerd waren. + +Rijken en armen, aanzienlijken en geringen boden zich aan om op de +vloot te dienen. De Amsterdamsche secretaris Gerardt Hulst kwam met +vierentwintig wel uitgeruste zeelieden, die hij zelf bezoldigde en den +kost gaf, aan boord van Witte Cornelisz. De With, zich als vrijwilliger +inschepen. Jan Oomes en Jan Van Ufielen kwamen elk met acht man en +Jacobus Van den Kerckhove bracht er vier mede. Zelfs vrouwen wisten +weer in mansgewaad vermomd op do vloot te komen en de Predikant Robert +Junius verliet zijne stille pastorie om den armen stervenden zeeman +bij zijn heengaan woorden van troost te kunnen toespreken. + +Zoo was de vloot in het begin van Oogstmaand gereed om zee te kiezen. + +Eene groote zwarigheid bestond er. Ze was deze: + +Nog altijd kruiste de Engelsche vloot op onze kusten en te Vlissingen +in de Wielingen, te Goedereede en te Tessel bevond zich de onze. Die +uit de Wielingen met die te Goedereede te vereenigen ging nog, +maar te zamen telden ze dan nog maar tweeentachtig schepen, zoo +groot als klein, en hoewel er heel veel verbetering was aangebracht, +ze was toch nog niet voldoende om met hoop op een goeden uitslag de +Engelschen aan te tasten, die eene kostelijk uitgeruste vloot van +ongeveer honderdtwintig schepen onder zich hadden. Te Tessel lagen +nog zevenentwintig schepen en vier branders onder bevel van De With +en Tromp begreep, dat het zaak was zich met deze te vereenigen. + +Toch diende er niet lang gemard; want veel tijd was al verloren gegaan +en de handel had reeds onnoemelijke schade geleden. + +Tromp besloot dus aan boord te gaan, doch richtte vooraf het verzoek +aan de Algemeene Staten, dat eenigen van 's Lands regeering mochten +mede gaan om de zaken te helpen besturen. Het kon ook zijn dat hij +door ziekte verhinderd werd de noodige bevelen te geven, en--het kon +ook zijn dat een noodlottige kogel hem het leven benam. + +De Algemeene Staten vertrouwden echter op zijne kennis, hoopten dat +de noodlottige kogel nog in lang niet gegoten mocht zijn en bleven +aan den wal. + +Den zesden van Oogstmaand stak Tromp in zee. + +Met harten vol verwachting staarden de Amsterdamsche kooplieden op +de met gras begroeide straten;-- de winkeliers droomden weer van een +rijk gewin;--de handwerkstand hoopte op de dagen van vroeger toen +er volop werk was; --de Admiraliteiten keken over het ontzaggelijk +hooge cijfer der genomen koopvaardijschepen heen en zagen in hunne +verbeelding alweder de havens in een mastbosch herschapen. Toch wisten +ze toen nog niet dat er reeds meer dan zestienhonderd koopvaarders +door den vijand genomen waren.-- + +Admiraal Tromp wist zich gelukkig met die uit de Wielingen te +vereenigen zonder door de Engelschen daarin verhinderd te worden. Nu +was het nog maar te doen om De With uit Tessel te krijgen. + +Als hij aangevallen werd zou hij zich maar verdedigen, meer niet. + +En hij werd aangevallen, en uit de verdediging ontstond een gevecht. + +De With hoorde het gebulder van het geschut; hij schudde zijne +lange hoofdharen in den nek als een leeuw zijne manen en beklom +zijn smaldeel. + +De wind was pal tegen en stond op de kust! + +"Dan maar tegen den wind in! Vooruit!" + +De eb, waarmee hij moest uitloopen viel in den nacht in! + +"Er is geen helpen aan, het moet! Ginds moeten we zijn!" + +De volle maan kroop weg achter de wolken waaruit een fijne regen viel. + +"Wij zullen ons morgen wel droogvechten! Het Vaderland houdt de oogen +op ons gevestigd!" + +Er waren geene loodsen, die hem met zulk weder in zee durfden brengen! + +"Dan zal ik mijn eigen loods zijn! Voorwaarts! Voorwaarts! Goede Vaer +Tromp wacht ons!" + +De tonnen waren weggenomen; hij zou zijne eigen schepen omhoog varen. + +"Dan zal ik tonnen maken! De visschersschuiten met lantaarnen en +toortsen voorzien moeten ons vooruitzeilen en in twee rijen de +banken in het Spanjaardsgat afzetten! Voorwaarts! Voorwaarts! De +koningsmoorders moeten met Witte aan den dans! Van Galen moet gewroken +worden! Voorwaarts!" + +Daar gaat de leeuw van het koude noorden, wiens heerschappij niet de +woestijn, maar de zee,--niet het dichte woud,--maar de open Oceaan is. + +Langzaam breekt het licht in het oosten door en.... + +"Mannen, mannen, daar ligt Goede Vaer Tromp! Hoezee! Verwelkomt hem +met de volle laag op de Engelsche Roorokken!" + +'T was te vroeg gezegd. Een eenzame kruiser van de Hollandsche vloot +is het, die zich bij hem aansluit. + +Den gansenen dag door worstelt hij met weer en wind, maar toch tegen +vijf uur in den avond heeft hij Tromp bereikt en groet den Admiraal +met het losbranden van het geschut! + +Tromp beantwoordt het en de Engelschen zien deze vereeniging met +leedwezen aan. + +Maar de nacht valt en vriend zoowel als vijand slaapt in. + +Alleen de wachters waken. + +Den anderen dag, Zondag den tienden van Oogstmaand wordt in den +vroegen morgen de kerkklok te Schevelingen al geluid. + +De eenvoudige visschers gaan met vrouw en kind naar het huis des +Heeren en smeeken daar van God den zegen op onze wapenen af. + +Midden onder het gebed klinkt een dof gerommel. + +Er komt beweging in de kerk! Zou 't een opkomend onweder zijn? + +Het gerommel laat zich weer hooren, maar 't is kort en afgebroken. + +Dat is geen onweder! Dat is kanongebulder! De deuren van de kerk +worden opengesmeten! In een oogenblik staat het strand vol! Ginds +liggen de vloten! Hier de Hollanders, daar de Engelschen! Het +kanongebulder verheft zich! De Hagenaars hooren het en zien niet +tegen den moeielijken weg op om naar Schevelingen te gaan. + +Bezweet, bestoven, hijgend en afgemat komen ze op het strand! + +Een vreeselijk tooneel vertoont zich aan hunne oogen! + +Vrouwen loopen met loshangende haren langs het strand en gillen het +uit van angst! + +Kinderen schuilen zich angstig weg achter hunne moeders en roepen om +hunne vaders! + +De vaders staren naar de vloot waarop hunne zonen hun leven voor het +land wagen! + +Moeders kermen en klagen en roepen den knaap of den volwassen +jongeling, die haar verliet bij hunnen naam, doch het gedonder uit +honderden vuurmonden doet den machtigsten smartkreet in den mond +verstommen!-- + +De Hagenaars prachtig gekleed of in eenvoudig huisgewaad mengen zich +vragend tusschen de Schevelingers: "Wie is die? Wie is die? Is dat +Tromp? Is dat De With? Is dat De Ruyter?"-- + +Maar de Schevelingers geven geen antwoord, of het moest zijn dat er +hier of daar nog een gevonden wordt, die zegt: "Wel mensch, en zie +je dat niet? Die vlugge, kleine dat binne de onze! Die groote dat +binne de Roorokken!" + +De vloten naderen al meer en meer. + +Daar vliegt met een ijselijk gekraak een schip in de lucht! + +Nieuwe kreten van woede en smart verheffen zich onder het volk. Men +verdringt elkander tegen het water, alsof men door dichter bij den +strijd te komen, het gevaar voor de onzen verminderen zal. Er wordt +gevloekt, gehuild, geschreeuwd, geroepen, handen gewrongen en dat +alles onder het bulderen van een donder, zooals onder het hevigste +onweder nog nimmer gehoord werd. + +En te midden van al dat gewoel klimt een oud manneke van het duin, +treedt door de openstaande deur in de kerk, legt zijn versleten +zuidwester neer, vouwt de handen, sluit de oogen en bidt: "Heere, +Heere, behoed ons, behoed ons!"-- + +Tranen rollen langs zijne gerimpelde wangen. + +De man heeft vijf zonen en drie kleinzonen op de vloot!.. + +Begeven we ons nu naar de vloot. + +Daar is het Admiraalschip en daar staat Huib. + +"Wel, Huib, warmpjes vandaag he!" + +Huib kijkt op en zegt eenvoudig: ja!" maar onderwijl hij dit doet, +loopt er een traan langs zijne gebruinde kaken. + +"Huib, wat scheelt er aan? Wat is 't Huib?" + +"Marten, mijn oude, trouwe vriend Marten is dood!" luidt het antwoord. + +Als de Nederlandsche vloot nu nog eens overwon, als al die Engelsche +schepen eens in brand geschoten en vernield werden, als Engeland +ons ootmoedig om den vrede kwam smeeken, dan hadden we veel, heel +veel gewonnen, maar ons verlies zou altijd nog grooter zijn dan +onze winst.-- + +Reeds bij den aanvang van het gevecht en juist toen hij eenige +bevelen stond te geven werd hij door eenen musketkogel doodelijk +getroffen. Hij viel neder en na met zwakke stem gezegd te hebben: "Ik +heb gedaan! Mijne kinderkens, houdt goeden moed!" gaf hij den geest. + +Zoodra Huib zag dat zijn Ammiraal, "zijn ouwe trouwe speelkameraad +Tromp" viel, snelde hij naar hem heen, doch kwam alleen om zijne +laatste woorden te verstaan en zijne oogen te sluiten. + +De gansche bemanning was een oogenblik radeloos van droefheid. Het +was een vreeselijk oogenblik. Aller oogen zouden op het Ammiraalschip +gevestigd zijn en, als dat zich aan het gevecht onttrok, dan ... dan +was nu al het lot van den dag beslist. + +Egbert Meussen Cortenaer was kapitein op het schip. Wat zou hij +doen? Stil, daar schiet hem wat te binnen. + +"Mannen," roept hij, "onze brave, goede Ammiraal is dood en God hebbe +zijne ziel! De Vereenigde Provincien verliezen in hem den grootsten +man, dien ze hadden. Maar toen deze man nog een knaap was en zijn +vader door de Turksche roovers aangevallen en gedood werd, riep hij: +"Mannen, zult gij den dood mijns vaders niet wreken?" en nam den degen +van den gevallene in de hand om zich op de Turken te werpen.--Ammiraal +Tromp was onze Goede Vaer en als zijn kind roep ik u toe: "Mannen, +zult gij den dood van onzen Goeden Vaer niet wreken?"-- + +Dat hielp. Huib sprong op en riep: "Ja, ja, wreken! wreken!" + +Cortenaer seint Evertsen en De Ruyter aan boord. + +Beiden komen en nauwelijks ziet De Ruyter den gevallen held liggen +of hij roept uit: "Ach, ware ik voor Goede Vaer gestorven!" + +Evertsen die de oudste in jaren was, nam nu het opperbevel op zich, +doch beval aan Cortenaer voor de overige schepen den dood van Tromp +verborgen te houden. + +Tot driemalen toe loopen de twee vijandelijke vloten tegen elkander +in als bokken, die elkaar met de horens willen stooten. + +"De aardsche donders uit duizend metalen monden gedreven, verbijsterden +den hoorder, de zeedorpen trilden op hunne zandgronden en de zee +loeide!" + +Maar er komt verwarring in onze slagorde! Er is geene eenheid +genoeg! Men mist den man, die met zijn helderen blik alles bestuurde +en bij ongunstige omstandigheden soms nog een licht plekje zag, +dat de uitkomst heel anders deed worden dan men vermoed had. + +En Evertsen kan niet meer bij de vloot blijven! De Ruyter ook +niet! Hunne schepen hebben zoo vreeselijk geleden dat ze zich naar +Goedereede moeten laten sleepen. + +De bevelhebber is thans Witte Cornelisz. De With, die ten laatste ook +den dood van Tromp vernomen en uitgeroepen heeft: "Is Tromp dood! Dat +strekt tot aller leedwezen! Hij was een groot man!" + +Met eenen moed, die door geen woorden te bepalen is, stort hij op +den vijand in. + +Pieter Florisz. en Cortenaer staan hem trouw bij en weten van geen +wijken. Van wijken weet kapitein Marrevelt ook niet, en toch is van +de drie masten, die op zijn schip stonden, slechts een stomp van den +fokkemast over. Hij zelf heeft eene zijner handen verloren en twintig +wonden ontvangen. Achttien van zijne manschappen zijn gesneuveld, +vierentwintig zijn gekwetst, maar wijken, neen, dat nooit! + +De bodems van Sangher, Schutter, een Evertsen en een Banckers dreigen +te zinken; maar zij houden stand, ze willen niet wijken: "Het is +schoon voor het Vaderland te sterven al is het niet te midden der +overwinning!" denken ze! + +Maar wie niet wijken, wie zich liever dood vechten of in het gezicht +van den vijand hun laatste stuk geschut lossen en dan te gronde gaan, +niet die vierentwintig lafhartige scheepskapiteins, die op de vlucht +slaan. + +Witte wil die vlucht verhinderen door met scherp op die schepen +te schieten; maar dit verdubbelt hunnen angst en met volle zeilen +verlaten ze het tooneel des gevechts. Door hunne lafhartigheid wordt +een vreeselijke nederlaag wat eene schitterende overwinning had +kunnen worden. + +De With knarsetandt van spijt en geeft bevel tot den aftocht, dien +hij in orde volbrengt. Wel is het vechten tot hij in Tessel aankomt, +maar toch zijn ze er!... + +Het verlies der Nederlanders was groot. Twaalf of dertien schepen +werden in den grond geboord of verbrand. Slechts een schip werd +genomen. Het aantal gesneuvelden was aanzienlijk en dat der gekwetsten +niet minder. + +De Engelschen, die overwonnen hadden, waren niet minder geteisterd +en dit was de oorzaak, dat men van beide zijden hard naar den vrede +verlangde, hoewel hij door onderhandelingen vertraagd, eindelijk op +voor ons nadeelige voorwaarden eerst in Grasmaand van het jaar 1654 +te Westminster gesloten werd. + +Groot was de rouw, die er op de vloot en in het geheele land heerschte +toen de tijding zich verspreidde: "De Luitenant-Ammiraal Marten +Harpertsz. Tromp is gesneuveld!" + +Op bevel van de Algemeene Staten werd zijn lijk te Delft in +de Oude kerk plechtstatig begraven, en later richtten zij een +prachtig praalgraf voor hem op. Zijne weduwe en kinderen werden op +onbekrompen wijze door 's Lands Staten begiftigd en zelfs achtte +men den gesneuvelden held zoo hoog, dat men zijn' lijfknecht Gerrit +Simons, dien hij kort voor zijnen dood ter bevordering had aanbevolen, +tot Luitenant aanstelde. + +Ook de groote Dichters van die dagen en later verheerlijkten +hem. Vondel schreef: + + + "Hij ruste nimmer onbeweent. + Al heeft de doot het lijf verslonden: + De Faem is aen geen graf gebonden. + De deugd verduert het koud gebeent. + + +en Jeremias De Decker drukte zich aan het slot van een lofzang op +onzen held aldus uit: + + + "Doch schoon het lichaem moet verwelken en vergaen, + De naem van Marten Tromp zal euwichlick hestaan, + Tot schande van den Brit, tot lof der Batavieren." + + + + +HOOFDSTUK XVI + +De tanden zijn overleefd. + +De Augustus-zon stond brandend heet op het Scheveningsche strand. + +'T was kort na den vrede te Breda, die aan den tweeden Engelschien +oorlog een einde had gemaakt. De vredesvoorwaarden waren voor een deel +door ons gesteld en dat het magtige Engeland zich zoo vernederen moest, +hadden de Vereenigde Provincien hoofdzakelijk te danken aan Michiel +Adriaensz. De Ruyter, die thans gedaan had wat Tromp in Wintermaand +van 1652 reeds voorgesteld had. Hij was De Theems opgezeild en had +bij Chattam de trotsche Engelsche vloot vernield. + +Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens +een straatweg aangelegd tusschen Den Haag en Scheveningen. Het was +een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen +en het rulle zand zulk een weg te banen, die naderhand het sieraad +van de Hofstad worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en +wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er wel bij! + +Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier +en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht of met +ledige manden naar huis keerde. + +En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant +en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik wel langs het +duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even +heet als op het strand. De tijd om te wandelen was voor de Hagenaars +nog niet aangebroken. + +Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout +in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg, en nog minder +van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo +dat hij de zee zien kan; al het andere is hem geheel onverschillig. + +Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor +dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn. + +Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet, +en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan indien niet +eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie +van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden nu van het duin af +dat het een aard had. + +Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt. + +Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den +ouden uitstekende, roept het: "Grootvader, ook zingen!" + +"Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?" + +"Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!" zegt +de vrouw. + +"Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten +en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier, kind!" + +Betje zit op de knieen van den ouden man en deze zegt: "Nou zal ik +het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb op den weg +van Maassluis naar Rotterdam. We hadden toen een matroosje van onze +kennis opgezocht! Niet, Jaantje?" + +"Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer +wat om me te plagen!" antwoordt de vrouw en hierop begint Huib met +eene sterk bevende stem te zingen: + + + "Wat zongh het vrolyck vogelkyn, + Dat in den boomgaert zat?" + + +en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel: + + + Wy zaeien noch wy maeien nyet + Wy teeren op.... + + +"Jaantje, Jaantje, daar komt De Marten Harpertsz. Tromp aan! Komt, +kinderen, nou naar huis!" + +"Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel +komen!" zegt de vrouw. + +"Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat +is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en...." + +"Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg +leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen om je +'t leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader +eene hand!" + +Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie. + +Babbelende en snappende, maar heel langzaam, en om de hitte, en omdat +grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze hunnen weg naar +het dorp. + +Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee +zijn! Ge begrijpt dat al lang. + +"Maar hoe komen ze hier?" + +'K zal het u zeggen. + +Kort na het sluiten van den vrede te Westminster nam Huib zijn ontslag +uit den dienst, "want," zeide hij, "nu Tromp dood is, kan ik er geen +pleizier meer in vinden!" + +Hij ging eerst in Den Briel wonen; maar niemand kende hem daar meer en +daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had Vlieland +wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was +hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot was gegaan +toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam. + +Maar als hij eens naar Maassluis ging. Jaantje Lanoy kende hem toch, +en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen +staan. Ja, dat zou hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes +moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo'n gezellig ouwentje +gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben. + +Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of +sjouwde wat aan de haven en 's avonds vertelde hij historietjes uit +zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel, +dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een enkelen keer eens te +weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die +vijfhonderd guldens, die daar nog altijd in eene kous en eene pulle in +het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld. + +Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en +zei altijd: "Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen." + +Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag +aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan en iemand roept: +"Hola!" + +Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: "Jonge Kees, +jongen, hoe maak-je 't? Wel, dat is goed dat je me eens komt +opzoeken! Dat is goed!" + +De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees, +verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem vroeg: +"Hoe wist je dat ik hier woon?" antwoordde de jonge visscher: "Ik en +wist niet, dat je hier woonde!"-- + +"Zoo, zoo," zegt Huib, "dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens, +Jonge Kees, ben je al getrouwd?" + +Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood +wordt, antwoordt hij: "Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne moeder +weer te Schevelingen. Vader is een paar maanden geleden gestorven +en nu wilde moeder liefst niet te Vlieland blijven wonen. Ik heb nu +mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?"-- + +"De vrouw Adriana!" zegt Huib vroolijk lachende. + +"Neen, De Harten Harpertsz. Tromp!" verbetert Jonge Kees. + +"De Marten Harpertsz. Tromp? Dat is flink van je, jongen, dat is +goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes +in steken en deelen in de winst?" + +"Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te Schevelingen +komen wonen!" + +"O, Wat dat betreft--" + +"Mannen, de boontjes worden koud," zeide vrouw Lanoy. "schikt bij +en eet!" + +Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet +ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje Lanoy als +vrouw te Schevelingen had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder +en.... de mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd, +als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen. + +En 't gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis. + +"Dat komt omdat onze schuit De Marten Harpertsz. Tromp heet. Dat is +dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje +dat ook maar doet! Als het zijne groote mannen maar in eere houdt en +nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er +voor gestreden hebben, dan kan het goed gaan! Maar als ze die mannen +niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed +gaan; want ze waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;-- +voor de braven is er een Vader, die waakt! + +Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen +wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen dan +en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een +hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in + +GOEDE VAER TROMP. + + + + + + +AANTEEKENINGEN. + +[1] De scheldnaam "Koningsmoorders" werd door den Kommandeur Jan +Van Galen in 1653 aan de Engelschen gegeven. Daar het Nederlandsche +zeevolk echter zeer op het Engelsche geheten was, zoo is het wel +waarschijnlijk dat Van Galen geen nieuw scheldwoord verzon, maar dat +het al kort na de onthoofding van koning Karel I in 1649 hij onze +zeelieden in gebruik gekomen is. + +[2] Tot 1636 was de voeding en het geheele onderhoud van de manschappen +op een oorlogsschip aan den kapitein toevertrouwd.--Niet zelden +gebeurde het nu dat een kapitein zich ten koste van den minderen man +wist te verrijken. Toen de klachten hierover algemeen werden beproefde +men een ander middel en men liet het geheele onderhoud van een schip +eenvoudig aanbesteden. Dit gaf nog meer stof tot ontevredenheid en +daarom keerde men in 1641 weer tot het oude gebruik terug. --Wie nu +een eerlijk kapitein had, trof het; maar wie dien niet had, klaagde +dikwijls, en niet ten onrechte, steen en been.--Hoe lang deze wijze +van handelen geduurd heeft, ben ik niet te weten kunnen komen; maar +dat is vast, dat in 1653 bij de Zeeuwsche Admiraliteit die gewoonte +nog bestond. + +[3] In een der journalen van Tromp leest men van "Capteijn Fielding en +nog een andere Roorok." De haat tegen al wat Engelschman was strekte +zich dus ook uit tot de Nederlandsche bevelhebbers. + +[4] Straatvaarders waren schepen, die op de Walvischvangst uitgingen. + +[5] Fiasciardo had eenigen tijd te voren op de hoogte van de +West-Indische eilanden zeven weerlooze zoutschepen genomen en de +bemanning op eene wreedaardige wijze om het leven laten brengen. + +[6] Davids zijn de ijzeren standers aan de zijden van het achterschip, +waaraan de booten en sloepen hangen. + +[7] Een duevekater was een soort van koek of gebak. Men zond het +elkander op sommige feestdagen tot een geschenk. + +[8] Een driestreng, knuttel of knut is een touw waarmede de matrozen +geslagen worden, als ze straf verdiend hebben. + +[9] Witte Cornelisz. De With liet zich in 1610 door den predikant +Leuwins van NIEUWENHOORN doopen. Zijn vader was reeds in 1602 +overleden. Witte zelf bleef tot zijn 17de jaar aan wal en had in dien +tijd twaalf ambachten en dertien ongelukken.-- Toen ik tot zoover in +mijn verhaal gekomen was, wist ik niet dat Witte's vader al gestorven +was.--Zijne moeder overleed echter eerst in 1624. + +[10] PORTUGAL was van 1580 tot 1640 met SPANJE vereenigd geweest. In +1640 echter werd PORTUGAL onder Johan IV, Hertog van Braganca, weer +een onafhankelijk koninkrijk en nu lag het op onzen weg de Portugeezen +tegen de Spanjaarden te helpen. + +[11] Een fregat was een vaartuig dat vooral in dezen tijd veel +in gebruik kwam. Daar het niet zoo log gebouwd was als de groote +oorlogsschepen bewees het in de zeeoorlogen door zijne snelheid +van bewegingen, uitnemende diensten.--Een jacht was mede een +zeer snelzeilend vaartuig dat, of tot den oorlog uitgerust werd +en dan oorlogsjacht heette, of mede genomen werd om brieven of +boodschappen over te brengen. Deze laatsten kregen den naam van +adviesjachten.--Galjoenen waren vaartuigen, die vooral door de +Spanjaarden als vrachtschepen gebezigd werden.--Koningsschepen +waren die groote oorlogsvaartuigen, die de hoofdmacht van de vloot +uitmaakten. Zij werden nergens anders toe gebruikt dan om oorlog te +voeren, terwijl de andere na afloop van den oorlog dikwijls ook weer +als koopvaarders in dienst werden gesteld. + +[12] SINT MAARTENSDIJK een dorp op het eiland TOLEN heet in de +wandeling steeds SMEERDIEK. + +[13] Jule is hetzelfde als weenen en meutje of moei de echte +Nederlandsche naam van tante. + +[14] Aoist! is vooral op WALCHEREN een uitroep van buitengewone +blijdschap. + +[15] Veel roemen beteekent velen roemen en een ijdel vat is een +ledig vat. + +[16] Een kadraaier of kaaidraaier is een man, die met een roeivaartuig +bij de schepen komt om eetwaren te verkoopen. + +[17] De beroemde Zweedsche vlootvoogd Carel Gustaaf Wrangel vertoefde +een jaar in ons land om de zeevaartkunde te bestudeeren; men zegt +zelfs, dat hij op onze vloot gediend heeft.--Nicolaas De Witte een +Deen, Oloff Steffers en Morgester zijn officieren in Nederlandschen +dienst geweest en Gustaaf Adolf koning van ZWEDEN had reeds twintig +jaren vroeger Nederlandsche officieren en onder-officieren uitgenoodigd +bij hem in dienst te treden. + +[18] Een schobbejak was in de riddertijden het geschubde jak dat de +mindere man in den oorlog droeg. Later werd het een scheldnaam. + +[19] De Kabeljauwschen droegen grauwe en de Hoekschen roode +mutsen.--Bonne fooi is eene verbastering van het Fransche bonne foi +en beteekent eigenlijk goede trouw. Zooals wij het gebruiken beteekent +het op goed geluk af. + +[20] Meeren is het vastleggen van schepen aan palen of ringen. + +[21] Die toespraak van Warmont moogt ge wel eens goed overlezen. Me +dunkt, dat zulk eene toespraak in den tegenwoordigen tijd ook niet +ongepast zou zijn. Veel lust tot den zeedienst bestaat er althans bij +onze knapen niet en dat is wel jammer; want er is veel van waar als +onze bekende kinderdichter Dr. J. P. Heije zegt: "Zout water geeft +het zoetste brood!" + +[22] Niks is niets. + +[23] "Zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen," beteekent: +"zoo, ik dacht dat er bij u niets op aankwam!" + +[24] "as de derdendaegsche koose" beteekent: dan de derdendaagsche +koorts. + +[25] Blake was oorspronkelijk voor de letteren opgeleid en een +zeer geleerd man. Hij was een vurig aanhanger van Cromwell, die +zijne veelvuldige diensten, hem bewezen, beloonde met hem eene +aanstelling als generaal te geven. Later plaatste hij hem op de +vloot als opperbevelhebber. Onder hem stonden ook nog de generaals +George Monk en Richard Deane.--Cromwell, die zeer goed begreep, dat +een oorlog ter zee andere bekwaamheden vereischt dan een landoorlog, +stelde ook nog andere bevelhebbers aan, die volkomen met de zeezaken +bekend waren. De voornaamste dezer waren: George Ayscue, William +Penn en John lawson.--Blake was niet te trotsch om gedurig met deze +laatsten te raadplegen en hieraan is het dan ook hoofdzakelijk toe te +schrijven, dat hij als bevelhebber der vloot zooveel roem inoogstte.-- +Onze Admiralen waren over het algemeen zeer ongeletterd, zoodat er in +hunne brieven dikwijls heel veel fouten voorkomen, en men moeielijk +begrijpen kan, wat zij eigenlijk bedoelden.--Cornelis Tromp kan +hierop eene gunstige uitzondering gemaakt hebben.-- De beroemste +onzer vlootvoogden, Michiel Adriaensz. De Ruyter, schreef in 1641 +aan de Admiraliteit van ZEELAND: "Ick sal mij als een heerlijck +(eerlijk) capiteijn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat Godt +het werck daer wij om uitgesonden zijn sal segenen tot heere (eere) +van ons lieve Vaderlandt." + +Machgyl Adriaense De Ruyter. + +[26] Een tros is een lijn, die uit drie of vier strengen gevlochten is. + +[27] Willem Adriaense Warmont werd tot kapitein over het schip dat +hij had helpen behouden, benoemd, terwijl hij daarenboven nog een +gouden eerepenning kreeg. De moedige konstabel werd luitenant. + +[28] Dat er reeds vroeger meisjes aan boord kwamen om dienst te doen, +als matroos, bewijst het oude liedeke: "Daar was laatst een meisje +loos."--Behalve van Adriana Lanoy lezen we in de geschiedenis ook +nog van eene Anna Jans van TESSEL. + +[29] Een lans beteekent hier landsman. + + + + + +End of Project Gutenberg's Goede Vaer Tromp, by Pieter Louwerse (1840-1908) + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GOEDE VAER TROMP *** + +***** This file should be named 11430.txt or 11430.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/1/4/3/11430/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's +eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII, +compressed (zipped), HTML and others. + +Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over +the old filename and etext number. The replaced older file is renamed. +VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving +new filenames and etext numbers. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000, +are filed in directories based on their release date. If you want to +download any of these eBooks directly, rather than using the regular +search system you may utilize the following addresses and just +download by the etext year. + + https://www.gutenberg.org/etext06 + + (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99, + 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90) + +EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are +filed in a different way. The year of a release date is no longer part +of the directory path. The path is based on the etext number (which is +identical to the filename). The path to the file is made up of single +digits corresponding to all but the last digit in the filename. For +example an eBook of filename 10234 would be found at: + + https://www.gutenberg.org/1/0/2/3/10234 + +or filename 24689 would be found at: + https://www.gutenberg.org/2/4/6/8/24689 + +An alternative method of locating eBooks: + https://www.gutenberg.org/GUTINDEX.ALL + + |
